MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Simple Minds - Sparkle in the Rain (1984)

poster
4,5
Recensie van de reissue op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Simple Minds - Sparkle In The Rain, Deluxe Edition - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

In 1984 rekende ik de Schotse band Simple Minds tot mijn favoriete bands. De band had aan het eind van de jaren 70 en begin van de jaren 80 met Real To Real Cacophony en Empires And Dance twee zwaar onderschatte maar baanbrekende platen afgeleverd en had vervolgens in 1982 met New Gold Dream (81-82-83-84) haar voorlopige meesterwerk afgeleverd.

New Gold Dream behoort inmiddels tot de erkende klassiekers uit de jaren 80 en was voor de Simple Minds de start van een zeer succesvolle carrière. In artistiek opzicht zou de band slechts een paar jaar na New Gold Dream echter aan grootheidswaanzin ten onder gaan.

Het in 1985 verschenen Once Upon A Time koos schaamteloos voor de commercie en ondanks het feit dat het zeker geen slechte plaat was, was de magie grotendeels verdwenen. Na Once Upon A Time zou Simple Minds meer dan 20 jaar geen echt goede plaat meer maken en pas op haar laatste twee platen lijkt de band weer iets van haar oude glans te hebben teruggevonden.

Tussen New Gold Dream en Once Upon A Time verscheen in 1984 echter ook nog Sparkle In The Rain en dat is een plaat die inmiddels wat tussen wal en schip is gevallen. Sparkle In The Rain kreeg zeker niet de cultstatus die New Gold Dream nog wel kreeg en bleef in commercieel opzicht ver achter bij Once Upon A Time, waarmee de band ook in de Verenigde Staten voet aan de grond kreeg.

Het is echter doodzonde om Sparkle In The Rain te vergeten want het is absoluut één van de betere platen van de Schotse band en wat mij betreft zelfs een plaat die niet zo gek veel onder doet voor New Gold Dream.

Op Sparkle In The Rain kiest Simple Minds definitief voor het zwaar aangezette geluid dat ook op enkele eerdere platen van de band al dominant aanwezig was. Op Sparkle In The Rain domineren zware baslijnen en inmiddels met de jaren 80 verbonden beukende drums. Hierbij komen de breed uitwaaiende gitaarlijnen van Charlie Burchill en de al even vol klinkende keyboards van Michael MacNeill. De gepassioneerde vocalen van Jim Kerr en de zwaar aangezette productie van Steve Lillywhite doen de rest.

Sparkle In The Rain is een groots klinkende plaat, maar het zijn nog geen holle frasen waarmee de band probeert te imponeren. Simple Minds klinkt op Sparkle In The Rain buitengewoon energiek en gedreven en zet een geluid neer dat als een stoomtrein over je heen walst. Dat hoor je heel duidelijk in de bekendere songs van de plaat als Up On The Catwalk, Speed Your Love To Me en natuurlijk Waterfront, maar ook de songs van de plaat die niet als singles werden uitgebracht komen aan als de spreekwoordelijke mokerslag.

Het groots aandoende en zwaar aangezette geluid van Sparkle In The Rain is voor een belangrijk deel verbonden met de muziek uit de jaren 80, maar misschien nog wel meer dan New Gold Dream heeft Sparkle In The Rain de tand des tijd uitstekend doorstaan. Op Sparkle In The Rain steekt de band in een grootse vorm en verrast het met een indrukwekkende serie songs, waartussen de Lou Reed klassieker Street Hassle niet misstaat.

Waar ik me bij beluistering van New Gold Dreams nu wel eens stoor aan de overdaad aan galm, ben ik verrast door het heldere geluid van Sparkle In The Rain. Op de stevige basis van de ritmesectie zweven de synths van Mick MacNeill prachtig om de soms subtiele en soms zwaar aangezette gitaarlijnen van Charlie Burchill heen en waar ik destijds op het podium nog wel eens moeite had met de zang van Jim Kerr overtuigt hij op deze plaat volop.

Sparkle In The Rain is de afgelopen decennia zoals gezegd wat uit beeld verdwenen en ook bij mij kreeg de plaat de afgelopen decennia nauwelijks een kans. Inmiddels heb ik Sparkle In The Rain echter volledig herontdekt. Hierbij ben ik natuurlijk geholpen door een buitengewoon fraaie reissue. Deze verschijnt in meerdere versies en bevat in de meest luxe versie ook alternatieve mixen en live-opnamen. Allemaal prachtig, maar zoals zo vaak in mijn geval is het opgepoetste origineel me het meest dierbaar.

Simple Minds staat met New Gold Dream in de geschiedenisboeken en maakte recent weer twee aardige platen, maar voor het volledige verhaal van de grandeur van de band mag Sparkle In The Rain zeker niet ontbreken. Erwin Zijleman

Simple Minds - Walk Between Worlds (2018)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Simple Minds - Walk Between Worlds - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Na 1985 brak een lange periode aan waarin ik niet of nauwelijks geïnteresseerd was in nieuw werk van de Schotse band Simple Minds.

De band die de vroege jaren 80 kleur had gegeven met prachtplaten als Empires And Dance en vooral New Gold Dream (81-82-83-84) en Sparkle In The Rain viel van haar voetstuk met het nog niets eens zo heel slechte Once Upon A Time en was lange tijd geen schim meer van de grote band die het ooit was.

De laatste tien jaar is mijn interesse voor het werk van de band uit Glasgow langzaam en voorzichtig teruggekeerd.

Aan het begin van het nieuwe Millennium ging het niveau van de Simple Minds platen langzaam maar zeker weer wat omhoog en Graffiti Soul uit 2009 vind ik nog altijd een plaat die zich voorzichtig kan meten met de beste platen van de band. Ook Big Music uit 2014 was weer een prima plaat van de band die ik aan het eind van de jaren 80 definitief had afgeschreven en ook op het podium begon het heilige vuur van de vroege jaren 80 weer te branden.

De akoestische bewerkingen van de beste songs van de band uit 2016 zijn Jim Kerr inmiddels vergeven en dus kan alle aandacht worden gericht op de nieuwe plaat van de band.

Ook Walk Between Worlds wordt natuurlijk weer driftig vergeleken met de bovengenoemde beste platen van de band, maar dat ga ik niet doen. Met name New Gold Dream en Sparkle In The Rain zijn onaantastbare platen en bovendien platen die een periode in de muziek definiëren die enorm veel invloed heeft gehad; daar kom je niet zomaar meer aan.

Van de bezetting van destijds zijn alleen zanger Jim Kerr en gitarist Charlie Burchill nog over. De twee oude rotten hebben gezelschap gekregen van een handvol gastmuzikanten, maar desondanks klinkt Walk Between Worlds als een vintage Simple Minds plaat. Dat is niet zozeer de verdienste van Charlie Burchill die zijn zo herkenbare gitaarmuren vaak ziet ondergedompeld in een flinke bak met elektronica of strijkers. Vooral Jim Kerr moet dus voor de herkenning zorgen en doet dat met verve.

Walk Between Worlds opent wat slapjes met single Magic, die met een beetje fantasie van Coldplay had kunnen zijn, maar vervolgens borduurt de band prima voort op platen als Graffiti Bridge en Big Music. Net als op deze platen eert de band haar eigen klassiekers. Dit levert in tracks als The Signal And The Noise en het soms wat New Order achtige In Dreams raakvlakken op met de meer op elektronische dansmuziek geënte albums als Empires And Dance en Sons And Fascination/Sister Feelings Call, maar de meeste raakvlakken hoor ik toch met Once Upon A Time, zeker wanneer de achtergrondzangeres de spotlights mag opzoeken.

Simple Minds sloeg met die plaat voor het eerst door met haar grootheidswaanzin, maar op Walk Between Worlds weten Jim Kerr en zijn medemuzikanten zich te beheersen, waardoor de nieuwe plaat van de band groots en meeslepend klinkt, maar vrijwel nergens doorslaat richting holle bombast. Het is bovendien een plaat die na een wat zwakke start een hoog niveau aantikt en ook lang vast weet te houden.

De holle bombast zorgde er destijds voor dat ik nauwelijks meer naar de muziek van Simple Minds kon luisteren, maar luisteren naar Walk Between Worlds is wat mij betreft een genoegen. Net als op de eerder genoemde andere twee platen uit het recente verleden, slaagt de band er in om flarden uit het verleden te combineren met songs die gewoon lekker klinken en die hoorbaar met veel plezier zijn gemaakt. Het zijn songs die ook nog eens een nieuwe impuls krijgen door de ruim aanwezige gastmuzikanten, die het soms wat gedateerde geluid van de Schotse band een frisse impuls geven.

Net als Graffiti Soul en Big Music doet ook Walk Between Worlds me weer verlangen naar een dosis New Gold Dreams en Sparkle In The Rain, maar daarna is er weer alle tijd en ruimte voor de nieuwe plaat van de band. Walk Between Worlds zal ongetwijfeld ook veel minder positief worden besproken, maar geloof me, er is niets mis mee, zeker niet voor een ieder die zich ooit fan noemde van deze bijzondere band. Erwin Zijleman

Simply Red - Picture Book (1985)

poster
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Simply Red - Picture Book (1985) - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Simply Red - Picture Book (1985)
De Britse band Simply Red debuteerde in 1985 indrukwekkend met het prachtige Picture Book, dat de tand des tijds verrassend goed heeft doorstaan, al is het maar door de stem van Mick Hucknall

Picture Book, het debuutalbum van de Britse band Simply Red bevond zich in 1985 wat buiten mijn muzikale comfort zone, maar ik werd overtuigd door de soulvolle strot van voorman Mick Hucknall. Simply Red zou het niveau van haar debuutalbum wat mij betreft niet meer benaderen, maar Picture Book klinkt door het behoorlijk authentieke soulgeluid nog altijd fris en urgent vergeleken met de meeste andere albums uit de jaren 80. Zeker in de ballads maakt Mick Hucknall diepe indruk als zanger, maar ook de uptempo tracks klinken nog altijd bijzonder lekker. De band zou flink opschuiven richting pop, maar dit uitstekende debuut neemt niemand ze meer af.

Op de sociale media kwam ik een aantal berichten tegen over een concert van Simply Red in de Ziggo Dome vorige week. De naam Simply Red, die ik echt al heel lang niet meer had gehoord, wierp mij direct een aantal decennia terug in de tijd. Na het album Stars uit 1991 heb ik de Britse band niet meer gevolgd, maar bij Simply Red denk ik toch vooral aan het jaar 1985. Het is het jaar waarin het debuutalbum van de Britse band verscheen en waarin de zanger van de band, Mick Hucknall, imponeerde in een dampend Paradiso.

Dat debuutalbum, Picture Book, had ik echt al decennia niet meer beluisterd. Ik had er geen hoge verwachtingen van, maar dit bleek niet terecht. Picture Book heeft de tand des tijds immers verrassend goed doorstaan. De Britse band koos in 1985 dan ook niet voor het zo karakteristieke jaren 80 geluid dat inmiddels wel wat gedateerd klinkt, maar voor een geluid dat vooral teruggreep op de soul uit de jaren 60 en 70.

Zeker in de tracks die worden gedomineerd door blazers laat Picture Book een behoorlijk authentiek klinkend soulgeluid horen met hier en daar wat jazzy accenten. Alleen de keyboards herinneren hier en daar aan de jaren 80 (zeker in de bonustracks op de geremasterde versie van het album), maar verder had Picture Book net zo makkelijk twee decennia eerder gemaakt kunnen worden.

Ook in productioneel opzicht is het debuutalbum van Simply Red geen typisch jaren 80 album. Het is de verdienste van de Amerikaanse producer Stewart Levine, die met zijn cv met vooral zwarte muziek perfect bleek te passen bij Simply Red. Picture Book klinkt daarom 37 jaar na de oorspronkelijke releasedatum nog opvallend fris en tijdloos, met een hoofdrol voor de gitarist van de band, die fantastisch speelt.

Er waren in de jaren 80 overigens wel meer bands die een authentiek 60s en 70s soulgeluid probeerden te reproduceren, maar de zang was vaak een probleem. Die zang was bij Simply Red in goede handen, want Mick Hucknall bleek over een unieke soulstem te beschikken. Het is een stem die niet direct lijkt op die van de grote soulzangers uit het verleden, maar niemand zal betwisten dat de Britse muzikant op Picture Book beschikt over heel veel soul.

Het maakte van Picture Book een album dat zich moeiteloos wist te onderscheiden in het aanbod van 1985 en het blijkt, toch wel enigszins tot mijn verrassing, ook een album dat in 2022 staat als een huis. De uptempo songs op het album klinken nog altijd bijzonder lekker, maar mijn voorkeur ging en gaat uit naar de songs met een wat lager tempo. Simply Red’s vertolking van Heaven van Talking Heads behoort nog altijd tot het rijtje songs waarvan de cover veel mooier is dan het origineel en ook de titeltrack van het album, het met een snufje reggae versierde Picture Book, is na al die jaren nog goed voor kippenvel.

Ik heb Simply Red zoals gezegd sinds 1991 niet meer gevolgd, maar de conclusie dat de Britse band nooit meer in de buurt is gekomen van haar geweldige debuutalbum durf ik wel aan. Dat Mick Hucknall in 2022 niet meer zo zingt als tijdens dat verpletterende optreden in 1985 lijkt me ook zeer waarschijnlijk, maar alleen omdat de Britse muzikant nog steeds op het podium staat heb ik deze week weer eens geluisterd naar Picture Book, dat me zeker niet is tegen gevallen. Erwin Zijleman

Sinead O'Brien - Time Bend and Break the Bower (2022)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sinead O'Brien - Time Bend And Break The Bounder - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Sinead O'Brien - Time Bend And Break The Bounder
Time Bend And Break The Bounder van Sinead O’Brien is even wennen voor een ieder niet gek is op “spoken word” albums, maar wat valt er uiteindelijk veel moois te ontdekken op dit fascinerende album

Popdichters waren de afgelopen decennia wat uit de tijd, maar het gesproken woord is weer helemaal terug in de popmuziek. Met name in de postpunk duiken de praatzangers en praatzangeressen momenteel veelvuldig op, maar er zijn ook echte dichters als de Ierse Sinead O’Brien. Ze heeft met Time Bend And Break The Bounder een album gemaakt dat in muzikaal opzicht imponeert. De Ierse muzikante is niet vies van postpunk, maar kan ook de kant van avant garde op of sleept je de dansvloer op. De songs op Time Bend And Break The Bounder zijn spannend en lopen over van urgentie, wat wordt onderstreept door de prachtig gesproken teksten van Sinead O’Brien . Niet te snel opzij leggen dit album.

Ik heb een moeizame relatie met albums waarop zang is vervangen door het gesproken woord. In de meeste gevallen hou ik het met “spoken word” albums maar een paar tracks vol en daarom laat ik ze ook meestal liggen. Dat deed ik eerder dit jaar met Time Bend And Break The Bounder van de Ierse muzikante Sinead O'Brien. Het is een album dat uitstekende recensies kreeg en dat momenteel opduikt in meerdere jaarlijstjes, maar dankzij de gesproken teksten van de tegenwoordig vanuit Londen opererende muzikante liet ik het album liggen.

Nu is mijn relatie met “spoken word” albums de afgelopen maanden wel wat verbeterd, onder andere door de prima albums van Dry Cleaning en The Bullfight, waardoor ik het debuutalbum van Sinead O'Brien er toch maar weer eens bij heb gepakt. Er is de afgelopen maanden kennelijk echt iets veranderd aan mijn smaak, want waar ik eerder dit jaar vooral weerstand voelde bij Time Bend And Break The Bounder, vind ik het album nu echt geweldig.

Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met het feit dat de voordracht van Sinead O'Brien me nu veel beter bevalt. De Ierse muzikante draagt haar teksten vooral voor, maar het klinkt niet zo monotoon als op veel albums met gesproken woord en bovendien zit de voordacht van de Ierse muzikante vaak dicht tegen zang aan. Sinead O'Brien beschikt ook nog eens over een mooie stem en ze draagt haar bijzondere en poëtische teksten bovendien met veel gevoel en expressie voor.

Time Bend And Break The Bounder overtuigt me nu in vocaal opzicht redelijk makkelijk, maar in muzikaal opzicht vind ik het album echt fantastisch. Sinead O’Brien verwerkt in een flink deel van de songs op haar debuutalbum vooral invloeden uit de postpunk, maar Time Bend And Break The Bounder kiest nergens voor een standaard postpunk geluid. De Ierse muzikante laat zich vooral begeleiden door een gitarist en een drummer en beiden spelen geweldig.

Het levert een spannend geluid op, dat af en toe vaag herinnert aan PJ Harvey en vooral Patti Smith, maar het is ook een nieuw en eigenzinnig geluid dat de fantasie stevig prikkelt. In een aantal songs voegt de muzikante meer elektronica toe aan haar muziek en klinken haar songs weer anders, tot hier en daar zelfs dansbaar. In muzikaal opzicht houdt het debuutalbum van Sinead O’Brien je elf songs lang op het puntje van je stoel, wat ook de verdienste is van de fraaie productie van Dan Carey, die het afgelopen jaar ook al jaarlijstjesalbums afleverde met Fontaines DC, Wet Leg, Black Midi en Kae Tempest.

Ik begrijp eerlijk gezegd niet waarom ik het debuutalbum van Sinead O’Brien eerder dit jaar niet heb besproken op deze BLOG, want ik blijf er momenteel naar luisteren en vind het album mooier en mooier worden en ook nog net wat interessanter en overtuigender dan de “spoken word” albums die ik wel heb besproken. Zoals gezegd duikt het album momenteel op in meerdere, en voornamelijk Britse, jaarlijstjes en daar valt wat mij betreft niets op af te dingen. Sinead O’Brien levert met Time Bend And Break The Bounder immers een album af dat zowel in muzikaal als in vocaal opzicht intrigeert en dat ook nog eens vol staat met prachtige teksten en met songs die beginnen als ruwe stenen, maar stuk voor stuk uitgroeien tot fonkelende diamanten. Erwin Zijleman

Sinéad O'Connor - I Do Not Want What I Haven't Got (1990)

poster
5,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sinéad O'Connor - I Do Not Want What I Haven’t Got (1990) - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Sinéad O'Connor - I Do Not Want What I Haven’t Got (1990)
Sinéad O'Connor bereikte haar creatieve piek met het geweldige I Do Not Want What I Haven’t Got uit 1990, waarop de uitstekende songs worden opgetild door de fascinerende en ontroerende stem van de Ierse muzikante

Sinéad O'Connor maakte na haar eerste twee albums nog maar weinig muziek die er echt toe deed, maar die eerste twee albums zijn ook wel ontstellend goed. Met name I Do Not Want What I Haven’t Got, het in 1990 verschenen tweede album van de Ierse muzikante, staat vol met geweldige songs. Het is het album van de wereldhit Nothing Compares 2 U, maar dat is zeker niet de sterkste track. De songs op I Do Not Want What I Haven’t Got zijn stuk voor stuk fraai en bijzonder ingekleurd, maar het is de stem van de Ierse muzikante die er zo’n goed album van maakt. Sinéad O'Connor werd vervolgens helaas wat vergeten, tot haar trieste dood, maar wat is dit nog altijd een geweldig album.

De dood van Sinéad O'Connor leverde de afgelopen dagen een stortvloed aan reacties op, waarin de Ierse muzikante uiteraard vooral werd geëerd en geprezen. Dat lokte helaas ook weer een heleboel negatieve reacties uit, waarin moeilijk werd gedaan over het plaatsen van foto’s uit de gloriejaren van de eigenzinnige muzikante en een ieder die iets positiefs schreef over Sinéad O'Connor hypocrisie werd verweten omdat er de afgelopen decennia vooral negatief over haar werd geschreven.

Ik was enigszins verbaasd dat ik zelf nog behoorlijk positief heb geschreven over het in 2014 verschenen I'm Not Bossy, I'm the Boss, dat nu helaas de zwanenzang van Sinéad O'Connor is geworden. Het is een album dat ik sindsdien nooit meer heb beluisterd en dat echt veel minder is dan de eerste twee albums van de muzikante uit Dublin. Het is misschien nog wel net wat beter dan de andere albums die Sinéad O'Connor tussen 1992 en 2012 uitbracht en die vooral flink teleurstelden.

Er was daarom lange tijd helaas weinig positiefs te melden over de muzikale verrichtingen van de Ierse muzikante, waardoor je bijna zou vergeten hoe goed haar eerste twee albums zijn. Ook naar deze albums had ik al heel lang niet meer geluisterd, maar door de trieste dood van Sinéad O'Connor komen ze de laatste dagen weer met grote regelmaat voorbij. Het is lastig kiezen tussen het rauwe debuutalbum The Lion And The Cobra uit 1987 en opvolger I Do Not Want What I Haven’t Got uit 1990, maar uiteindelijk kies ik toch voor het laatstgenoemde album.

The Lion And The Cobra bevat met Troy misschien wel de mooiste en zeker de meest indringende song die Sinéad O'Connor schreef, maar gemiddeld ligt het niveau van de songs op haar tweede album hoger en ook in muzikaal, vocaal en productioneel opzicht gaat mijn voorkeur uit naar I Do Not Want What I Haven’t Got. Sinéad O'Connor laat op haar tweede album horen dat ze een unieke zangeres is, maar ook een uitstekend songwriter en een getalenteerd muzikante, die op I Do Not Want What I Haven’t Got verrassend veel zelf doet.

Veel songs op het album zijn voorzien van betrekkelijk sobere klanken, waardoor de zang nadrukkelijk op de voorgrond treedt. Openingstrack Feel So Different moet het doen met strijkers en zang, terwijl in het grootste deel van I Am Stretched On Your Grave naast de bijzondere zang alleen bas en drums zijn te horen. In de slottrack en titeltrack van het album horen we alleen de stem van Sinéad O'Connor en zorgt ze voor kippenvel. Dat doet ze veel vaker op het album, dat in vocaal opzicht diepe indruk maakt.

Tussen de genoemde tracks horen we een aantal prachtig ingetogen en folky tracks (Three Babies, Black Boys On Mopeds en Last Days Of Our Acquaintance, dat aan het eind nog wel even los gaat), wat meer rockende tracks (The Emperor’s New Clothes, Jump In The River), het poppy You Cause As Much Sorrow en natuurlijk het Prince afdankertje Nothing Compares 2 U, waarmee Sinéad O'Connor een onverwachte maar terechte wereldhit scoorde. Het is een wereldhit die uiteindelijk compleet dood werd gedraaid, maar inmiddels hoor ik weer de schoonheid in de met heel veel gevoel gezongen song.

Over gevoel valt er sowieso niets te klagen op het album, want wat zingt de Ierse muzikante met veel passie, gevoel en melancholie, zeker wanneer de trauma’s in haar leven voorbij komen of ze strijdt tegen het onrecht in de wereld. I Do Not Want What I Haven’t Got is een zeer persoonlijk en intens album dat bij velen helaas wat in de vergetelheid is geraakt, maar dat nog maar eens laat horen hoe ontzettend goed Sinéad O'Connor in haar beste dagen was. Erwin Zijleman

Sinéad O'Connor - I'm Not Bossy, I'm the Boss (2014)

poster
3,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sinéad O'Connor - I'm Not Bossy, I'm The Boss - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Bijna had ik deze cd aan de kant geschoven als de zoveelste overbodige plaat van een nog veel overbodigere fake rock chick, tot mijn oog viel op de naam Sinéad O'Connor.

Het Ierse icoon poseert op de cover van haar nieuwe plaat zoals de Miley Cyrussen en Kate Perry’s van deze tijd dat doen en dat is lichtjaren verwijderd van de Sinéad O'Connor die ik ken.

Het zorgde er in mijn geval echter wel voor dat ik nieuwsgierig werd naar de nieuwe plaat van Sinéad O'Connor en dat was even geleden, behoorlijk lang geleden zelfs.

Ik ken Sinéad O'Connor eigenlijk vooral van haar eerste drie platen: het fascinerende en tegendraadse The Lion And The Cobra uit 1987, het inmiddels terecht tot een klassieker uitgegroeide en prachtige I Do Not Want What I Haven’t Got uit 1990 en het dramatisch slechte Am I Not Your Girl? uit 1992. Sinéad O'Connor heeft sindsdien nog een stuk of zeven platen uitgebracht, maar na Am I Not Your Girl? is de interesse voor haar muziek eigenlijk niet meer teruggekeerd.

Ruim 20 jaar later zit dan opeens I’m Not Bossy, I’m The Boss in de cd speler en eerlijk gezegd bevalt het me wel. De plaat opent met een aantal verrassend lekker in het gehoor liggende popliedjes. Het zijn popliedjes die voorzichtig soulvol klinken, al dragen ze ook onmiskenbaar het stempel van Sinéad O'Connor.

Het klinkt op het eerste gehoor misschien niet heel bijzonder, maar als je wat beter luistert blijkt het allemaal knap in elkaar te zitten. Wat I’m Not Bossy, I’m The Boss bijzonder maakt zijn de vocalen van Sinéad O'Connor. Deze schuren nog altijd wat tegendraads tegen de verzorgde instrumentatie aan, wat de songs van de Ierse een geheel eigen geluid geeft, maar ook de songs zelf blijken over veel verrassingen te beschikken, waarbij de van O'Connor bekende dynamiek een belangrijke rol speelt. De muziek van Sinéad O'Connor kan nog altijd omslaan zoals het weer dat af en toe doet. Het ene moment zon, het volgende moment donkere wolken en een verwoestende onweersbui. Het geeft haar muziek nog altijd iets bijzonders of misschien zelfs wel unieks.

Ook op I’m Not Bossy, I’m The Bos maakt Sinéad O'Connor van haar hart geen moordkuil. Religie en de positie van de vrouw staan ook dit keer centraal, maar O’Connor haalt dit keer ook nadrukkelijk uit naar de muziekindustrie en naar de bakvissen die zich gewillig laten portretteren als stoeipoezen, wat de opvallende cover verklaart.

I’m Not Bossy, I’m The Boss blijkt al snel een plaat met een flink aantal prima songs. Natuurlijk zitten er tussen de twaalf songs op de plaat ook wel wat missers en natuurlijk is het niet zo goed of vernieuwend als de twee platen waarmee Sinéad O'Connor zo’n 25 jaar geleden indruk maakte, maar de meeste songs op I’m Not Bossy, I’m The Boss hebben we inmiddels te pakken en smeken om een regelmatige terugkeer in de cd speler.

I’m Not Bossy, I’m The Boss heeft me een aantal lessen geleerd: (1) Don’t judge a book (or a record) by its cover, (2) Schrijf muzikanten niet zomaar af en (3) Vergeef ook muzikanten hun misstappen. De afgelopen decennia was ik allergisch voor Sinéad O'Connor en nog steeds boos om die dramatische derde plaat, maar dankzij een lekker fout hoesje is het Ierse icoon terug in de cd speler. Onverwacht, maar ik had dit toch niet willen missen. Erwin Zijleman

Sister Ray - Believer (2025)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Sister Ray - Believer - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Sister Ray - Believer
Communion, het debuutalbum van Sister Ray, kreeg helaas niet heel veel aandacht, maar het deze week verschenen tweede album van het alter ego van de Canadese muzikant Ella Coyes verdient absoluut een beter lot

Het is al een hele tijd dringen in het genre waarin Sister Ray opereert, maar met Communion leverde de muzikant uit Toronto drie jaar geleden echt een uitstekend album af. Ook met het deze week verschenen Believer maakt het alter ego van Ella Coyes weer makkelijk indruk. Het album klinkt nog wat diverser dan het debuutalbum, maakt in productioneel en muzikaal opzicht nog wat meer indruk, laat horen dat de stem van Ella Coyes nog wat verder is gegroeid en laat ook nog eens interessantere songs horen. Het levert een interessant en persoonlijk album op, dat bovendien zo lekker in het gehoor ligt dat het een breed publiek moet kunnen aanspreken.

Sister Ray, het alter ego van de Canadese muzikant Ella Coyes, debuteerde in het voorjaar van 2022 bijzonder indrukwekkend met het opvallende Communion. Ella Coyes, die zichzelf identificeert als non-binair persoon, maakte op Communion indruk met persoonlijke songs, die soms aansloten bij de indiefolk en soms bij de indierock.

Communion op viel op door de mooie, krachtige en zeer expressieve stem van Ella Coyes, maar zeker ook door de prachtige productie van het uit Toronto en Brooklyn afkomstige producersduo ginla, dat Communion voorzag van een mooi maar ook onderscheidend geluid.

Ella Coyes keert deze week terug met het tweede album van Sister Ray en laat met Believer horen dat het inmiddels drie jaar oude Communion zeker geen toevalstreffer was. Ook het tweede album van Sister Ray valt direct op door de bijzonder mooie productie. Ella Coyes vertrouwde dit keer op de kwaliteiten van Jon Nellen, een van de twee producers achter ginla, die Believer heeft voorzien van een bijzonder mooi en ook verrassend tijdloos geluid.

Het is een geluid dat in een deel van de songs wat voller klinkt dan het geluid op het debuutalbum van Sister Ray, zeker wanneer fraaie saxofoon bijdragen worden toegevoegd. Ook op Believer kan Ella Coyes zowel uit de voeten met folky songs als met songs die wat opschuiven richting de singer-songwriter muziek die inmiddels al een aantal decennia wordt gemaakt.

Het debuutalbum van Sister Ray viel al op door een bijzonder mooi geluid, maar op Believer is de muziek nog wat smaakvoller. Het gitaarwerk op het album is prachtig, zeker als topgitarist Marc Ribot nog wat akkoorden toevoegt, maar ook het gitaarspel van Ella Coyes en producer Jon Nellen is fraai. Believer bevat een aantal wat voller en behoorlijk toegankelijk klinkende songs, maar met name wanneer de instrumentatie wat soberder is schuwt de muzikant uit Toronto ook een wat avontuurlijk klinkend geluid niet.

Niet alleen de muziek op Believer is nog mooier dan op het debuutalbum van Sister Ray, want ook de zang van Ella Coyes komt nog overtuigender uit de speakers. Hier en daar schuift het wat op richting de muziek van Big Thief, maar de zang van Ella Coyes is warmer en zuiverder dan die van Adrianne Lenker.

De stem van de Canadese muzikant doet het uitstekend in songs met een redelijk spaarzame instrumentatie, zoals de afsluiter Diamonds waarin Ella Coyes genoeg heeft aan de piano, maar ook in de wat voller klinkende songs op het album is de zang bijzonder mooi.

Ella Coyes is nog niet al te lang actief in de muziek, maar klinkt op het prachtig klinkende Believer als een gelouterde muzikant. Dat is niet alleen de verdienste van de productie, de muziek en de zang, maar ook van de songs op het album. Het zijn songs die zich makkelijk opdringen, maar die ook interessant zijn en het zijn bovendien songs die zich makkelijk over de grenzen van verschillende genres bewegen.

Believer is in alle opzichten een zeer aansprekend album, dat wat mij betreft opvalt in het enorme aanbod van het moment. Het onderscheidend vermogen van de muziek van Sister Ray wordt verder vergroot door de persoonlijke teksten van Ella Coyes, die de eigenzinnigheid heeft behouden maar ook muziek maakt die een breed publiek moet kunnen aanspreken. Erwin Zijleman

Sister Ray - Communion (2022)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sister Ray - Communion - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Sister Ray - Communion
Sister Ray, het alter ego van de Canadese muzikant Ella Coyes, maakt op het bijzonder fraaie Communion indruk met indringende songs die opvallen door doorleefde vocalen en een mooi en bijzonder geluid

Nieuwe albums van jonge singer-songwriters schieten nog steeds als paddenstoelen uit de grond, waardoor het steeds lastiger wordt om op te vallen met nieuwe muziek. De Canadese singer-songwriter Sister Ray slaagt hier echter glansrijk in. Het alter ego van Ella Coyes heeft een zeer persoonlijk album afgeleverd en dat hoor je. Communion valt op door zeer persoonlijke teksten en door expressieve en doorleefde vocalen. De kwaliteit van de songs is hoog en ook in muzikaal en productioneel opzicht weet Sister Ray indruk te maken. Het aanbod is zoals gezegd enorm op het moment, maar dit bijzonder fraaie album zou ik echt niet laten liggen.

Bij Sister Ray dacht ik tot voor kort vooral aan de gelijknamige song van The Velvet Underground of heel af en toe aan de Amerikaanse gitaarband uit de jaren 90 met deze naam, maar vanaf deze week is daar het alter ego van de Canadese muzikant Ella Coyes bij gekomen. De muzikant uit Toronto debuteert immers deze week met het zeer fraaie Communion, dat de afgelopen dagen in ieder geval op mijn flink wat indruk heeft gemaakt.

In de eerste artikelen over en besprekingen van het album van Sister Ray wordt in meervoud gesproken over Ella Coyes, wat betekent dat de Canadese muzikant zichzelf ziet als non-binair persoon. De worsteling met de eigen seksualiteit en de nodige ellende hier omheen hebben flink wat traumatische ervaringen opgeleverd en deze ervaringen staan centraal op Communion, dat een zeer persoonlijk en zeer emotioneel album is geworden en, of er nog niet ellende genoeg was, bovendien ook nog eens een breakup album is.

Het is een album met vooral intieme en folky songs, maar de muziek van Sister Ray kan ook voorzichtig opschrijven richting indierock. Violence, de openingstrack van Communion, opent uiterst sober, maar langzaam maar zeker wordt de track steeds net iets voller ingekleurd. Het verraadt de hand van een getalenteerde producer en dat klopt. Communion is geproduceerd door het uit Toronto en Brooklyn afkomstige producer duo Ginla, dat eerder dit jaar een prachtige single met Big Thief’s Adrianne Lenker maakte.

Met de muziek van Adrianne Lenker en haar band Big Thief hebben we ook direct relevant vergelijkingsmateriaal te pakken. De stem van Ella Coyes doet af en toe wel wat denken aan die van Adrianne Lenker. Het is een stem vol emotie, die de songs op Communion vrij makkelijk voorziet van doorleving, gevoel en urgentie. Niet iedereen zal gevoelig zijn voor de expressieve voordracht van Sister Ray, maar op mij maakte Communion direct bij eerste beluistering een onuitwisbare indruk.

Ik ben persoonlijk zeer gecharmeerd van de zang van Ella Coyes, die wat minder wiebelig zingt dan Adrianne Lenker en er in slaagt om de emotie in de songs over te brengen op de luisteraar, maar ook de instrumentatie op en productie van Communion vind ik zeer geslaagd. Het album is voorzien van een over het algemeen ingetogen, maar zeker niet kaal geluid, dat zich soepel om de zang van Ella Coyes heen beweegt en dat prachtig uit de speakers komt, met een hoofdrol voor prima gitaarwerk.

De meeste indruk maken echter de songs op het album. Het zijn songs die zijn getekend door de persoonlijke ervaringen en trauma’s van de Canadese muzikant, maar het zijn ook songs die van alles met je doen en die bij herhaalde beluistering alleen maar indrukwekkender worden. Het zijn over het algemeen donkere en indringende songs, maar het album heeft ook wat lichtere momenten.

Communion van Sister Ray moet concurreren met de stapels albums die momenteel worden afgeleverd door jonge singer-songwriters in het indiesegment, maar wat mij betreft moet dit geen probleem zijn. Sister Ray heeft een album gemaakt dat net wat dieper graaft en ook net wat meer impact heeft dan de meeste andere albums die momenteel in het genre verschijnen en heeft de knappe productie als waardevolle bonus.

Ik ga er van uit dat we de komende jaren nog heel veel gaan horen van Sister Ray, maar dit prachtige debuut neemt niemand de Canadese muzikant meer af. Ik lees er helaas nog niet veel over en in Nederland zelfs helemaal niets, maar dit is echt een van de belangrijke releases van deze week. Erwin Zijleman

Sister. - Two Birds (2025)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Sister. - Two Birds - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Sister. - Two Birds
Sister. is een band uit Brooklyn, New York, rond zangeressen Ceci Sturman en Hannah Pruzinsky, die niet alleen overtuigen met hun stemmen, maar ook met uitstekende songs die binnen de indie een breed terrein bestrijken

Wanneer de Amerikaanse muziekwebsite Paste een album toevoegt aan haar favoriete albums van de week betekent dat nog niet onmiddellijk dat het een album is dat mij aanspreekt, maar als het gaat om een genre waarmee ik uit de voeten kan is de kans wel heel groot. Sister. maakt vooral indiefolk met hier en daar wat indierock en daar kan ik wel wat mee. Het is dringen in deze genres, maar de band rond Ceci Sturman en Hannah Pruzinsky weet op te vallen met aansprekende songs en bijzonder mooie zang. Het levert een album op dat zomaar kan uitgroeien tot een van mijn favoriete albums van het moment en dat absoluut doet uitzien naar meer werk van deze band.

Ik ben Two Birds van Sister. (met een .) de afgelopen week in geen enkele releaselijst tegen gekomen, maar de Amerikaanse website Paste heeft het album wel toegevoegd aan de lijst met de beste albums van de afgelopen week. Daar ben ik blij mee, want ik heb Paste niet alleen hoog zitten als tipgever, maar heb met Two Birds van Sister. bovendien een album in handen dat precies in mijn muzikale straatje past.

Sister. is een trio uit Brooklyn, New York, dat bestaat uit Ceci Sturman, Hannah Pruzinsky en James Chrisman. De eerste twee trekken in het beschikbare beeldmateriaal en op de cover van het album de meeste aandacht, maar laatstgenoemde produceerde het naar nu blijkt al tweede album van het Amerikaanse drietal en deed dat knap. Hannah Pruzinsky ken ik overigens ook als h. pruz, die vorig jaar met No Glory een bijzonder mooi maar inmiddels ook vergeten debuutalbum afleverde.

Hopelijk is Sister. succesvoller dan h. pruz, want Two Birds is absoluut een album dat de aandacht verdient. Dat ligt voor een belangrijk deel aan de stemmen van Ceci Sturman en Hannah Pruzinsky, die de songs van Sister. voorzien van magie. Het zijn twee betrekkelijk zachte stemmen, maar het zijn ook stemmen die elkaar op fraaie wijze versterken. Het zijn bovendien stemmen die perfect passen bij het soort muziek dat Sister. maakt.

Paste vergelijkt de muziek van Sister. vanwege de stemmen van Ceci Sturman en Hannah Pruzinsky met Adrianne Lenker en Lucy Dacus. Daar is op zich wat voor te zeggen, maar je doet er de echt bijzonder mooie zang op Two Birds ook wel wat mee te kort. Het nieuwe album van Sister. verdient het etiket indie, maar binnen de indie van het moment kan het drietal uit Brooklyn meerdere kanten op.

De sober ingekleurde songs op het album passen in het hokje indiefolk, maar Sister. kan ook uit de voeten met indiepop en kiest incidenteel ook nog eens voor gruizige indierock. Door de prachtig bij elkaar klinkende stemmen van Ceci Sturman en Hannah Pruzinsky doen de songs van Sister. af en toe denken aan Boygenius, maar verder dan wat vluchtige associaties gaat het niet.

De twee zangeressen van de band trekken absoluut de meeste aandacht, maar Two Birds is ook een fraai ingekleurd en mooi geproduceerd album. Door het schakelen tussen ingetogen folky songs en net wat stevigere songs, of passages in songs want de muziek van de band kan ook in een song ontsporen, is Two Birds een gevarieerd album, dat zich makkelijk opdringt.

Het is een album dat het verdient om met de koptelefoon te worden beluisterd, want dan hoor je goed dat de muziek op het album veel subtieler en rijker is dan je bij oppervlakkige beluistering hoort en ook de stemmen van Ceci Sturman en Hannah Pruzinsky en hun harmonieën komen bij beluistering met de koptelefoon nog beter tot zijn recht.

Ik noemde de muziek van Sister. hierboven al muziek die precies in mijn muzikale straatje past en dat gevoel is alleen maar sterker geworden sinds ik het album vaker heb gehoord. Er zijn momenteel nogal wat albums met fluisterzachte vrouwenstemmen, waardoor verzadiging nadrukkelijk op de loer ligt, maar Two Birds van Sister. is een album dat ik zeker niet zou laten liggen, iets dat ook zeker geldt voor het vorig jaar verschenen album van h. pruz. Het album van Sister. is bovendien de zoveelste gouden tip van Paste, dat een goed oor heeft voor de parels in dit genre. Erwin Zijleman

Siv Jakobsen - A Temporary Soothing (2020)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Siv Jakobsen - A Temporary Soothing - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Siv Jakobsen - A Temporary Soothing
Siv Jakobsen kleurt de aankomende seizoenen alvast bijzonder fraai in met fraai gearrangeerde songs vol bijzondere klanken en een stem vol betovering en melancholie

Siv Jakobsen maakte drie jaar geleden veel indruk met het prachtige The Nordic Mellow, maar levert nu met A Temporary Soothing een nog veel mooier album af. Op haar nieuwe album verwerkt de Noorse singer-songwriter meer invloeden, steken haar songs nog net wat knapper in elkaar, is de instrumentatie nog mooier en is de zang van een unieke schoonheid. Het kabbelt bijzonder aangenaam voort, maar je hoort pas hoe mooi en bijzonder de muziek van Siv Jakobsen is wanneer je je er volledig in onderdompelt. Vervolgens blijf je nieuwe dingen horen op een album dat tot steeds grotere hoogten stijgt. Een prachtige soundtrack voor de seizoenen die er aan komen.

Na de hoge temperaturen van de afgelopen weken begint de herfst langzaam maar zeker zijn intrede te doen in Nederland. Het koelt flink af, het regent, het stormt, het wordt eerder donker en later licht. Wederom merk ik dat het direct effect heeft op mijn muzieksmaak. Zonnige en uitbundige klanken komen opeens minder goed tot zijn recht, terwijl wat donkerdere en meer ingetogen muziek opleeft.

Het doet me denken aan precies drie jaar geleden toen de Noorse singer-songwriter Siv Jakobsen met The Nordic Mellow een van de eerste herfstsoundtracks van het betreffende jaar afleverde. Siv Jakobsen is nu terug met een nieuw album en ook A Temporary Soothing is weer een album dat de overgang naar de herfst prachtig inkleurt.

The Nordic Mellow omschreef ik drie jaar geleden als een album dat op fraaie wijze een brug sloeg tussen traditionele Britse (en soms ook Amerikaanse) folk en Scandinavische muziek. Het is een album dat sindsdien alleen maar aan kracht heeft gewonnen, want wat heeft Siv Jakobsen veel mooie details verstopt op het album waarmee ze drie jaar geleden opdook. Het geldt in nog veel sterkere mate voor A Temporary Soothing, dat zijn voorganger qua schoonheid en betovering makkelijk overtreft.

Voor haar nieuwe album werkte de Noorse singer-songwriter samen met producer Chris Bond (vooral bekend van Ben Howard) en technicus Zach Hanson (bekend van Bon Iver en Waxahatchee). De twee hebben A Temporary Soothing voorzien van een prachtig geluid vol fraaie details.

Ook op haar nieuwe album verwerkt Siv Jakobsen invloeden uit de Britse en Amerikaanse folk van weleer, maar het is ook absoluut een album uit het hoge noorden. Het klinkt allemaal nog wat rijker en veelzijdiger dan op het vorige album, zeker wanneer ook nog invloeden uit de Keltische muziek en uit de psychedelica opduiken.

De instrumentatie op A Temporary Soothing is van een bijzondere schoonheid en het is er wederom een die uit vele lagen en details bestaat. Het is een instrumentatie die vooral bij beluistering met de koptelefoon goed tot zijn recht komt, al zijn er ook dan nog meerdere luisterbeurten nodig om alle geheimen van het album te ontdekken.

Ik heb het nog niet eens gehad over de stem van Siv Jakobsen, terwijl de prachtige vocalen wat mij betreft het meest in het oor springen bij beluistering van A Temporary Soothing. Siv Jakobsen is ook op haar nieuwe album zowel een traditionele folkie als een Scandinavische ijsprinses en imponeert met fluisterzachte vocalen vol diepte.

Het wordt allemaal gecombineerd in songs die aangenaam voortkabbelen, maar ook vol lagen en verrassende wendingen zitten. A Temporary Soothing is net als zijn voorganger een album waarbij het heerlijk wegdromen is, maar het is ook een album waarin steeds weer nieuwe dingen zijn te horen en dat hierdoor steeds mooier en indrukwekkender wordt. En vergeleken met deze voorganger zit alles nog net wat knapper in elkaar en klinkt het nog net wat voller en rijker.

Het is zoals gezegd de perfecte soundtrack voor de herfst en de winter, maar de fraaie combinatie van Scandinavische melancholie en pure schoonheid moet ook de andere seizoenen makkelijk kunnen overleven. Siv Jakobsen maakte, zeker achteraf bezien, een van de mooiste albums van 2017 en herhaalt dit kunstje met het wat mij betreft nog mooiere A Temporary Soothing. Erwin Zijleman

Siv Jakobsen - Gardening (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Siv Jakobsen - Gardening - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Siv Jakobsen - Gardening
De Noorse muzikante Siv Jakobsen maakte al twee wonderschone albums, maar legt de lat op het subtiel maar bijzonder fraai ingekleurde Gardening, mede door haar prachtige stem, nog wat hoger

The Nordic Mellow en A Temporary Soothing van Siv Jakobsen waren allebei albums die bij eerste beluistering een onuitwisbare indruk maakten, maar die na een lange winter toch wat ondergesneeuwd bleken. Het deze week verschenen Gardening zou wel eens langer mee kunnen gaan. Gardening is, net als zijn twee voorgangers, prachtig ingekleurd met onder andere strijkers en blazers, maar klinkt toch net wat aardser, waardoor de songs van de Noorse muzikante nog wat meer impact hebben. Die impact wordt verder vergroot door de prachtige zang van Siv Jakobsen, die met veel gevoel, precisie en schoonheid haar persoonlijke songs vertolkt op dit bijzonder mooie album.

Siv Jakobsen heeft zich na een dagje tuinieren in de warme zomerzon laten fotograferen voor de cover van haar nieuwe album. Het levert misschien niet de meest charmante foto op, maar het gaat natuurlijk om de muziek. Die muziek was dik in orde op de eerste twee albums van de Noorse singer-songwriter.

Zowel op The Nordic Mellow uit 2017 als op A Temporary Soothing uit 2020 maakte Siv Jakobsen indruk met een mooi en veelkleurig geluid met invloeden uit de Britse en Amerikaanse folk en invloeden uit de muziek zoals die wel vaker wordt gemaakt in Scandinavië. Beide albums werden gemaakt met ervaren producers, respectievelijk Matt Ingram (Laura Marling) en Chris Bond (Ben Howard), en dat hoorde je in het prachtige geluid.

Siv Jakobsen excelleerde op beide albums bovendien als zangeres, met een stem die herinnerde aan grote folkzangeressen uit het verleden en gelouterde ijsprinsessen uit het heden. Het leverde twee albums op die uitstekend dienst deden als soundtrack voor lange winteravonden, maar die, zeker achteraf bezien, wel wat meer aandacht en waardering hadden verdiend.

De vorige twee albums van Siv Jakobsen verschenen aan het begin van de herfst, terwijl Gardening midden in de winter verschijnt. Ook op haar nieuwe album maakt Siv Jakobsen muziek die het uitstekend doet in het huidige seizoen, maar Gardening is ook klaar voor de lente en de zomer. De muzikante uit Oslo verliet haar thuisbasis Oslo dit keer niet en werkte voor de afwisseling niet met producers van naam en faam, maar met twee lokale producers, Olav Settem en Simen Mitlid.

Het heeft geen gevolgen gehad voor de kwaliteit van het geluid op Gardening, want ook het derde album van de Noorse muzikante valt op door een bijzonder mooi geluid en een fraaie productie. Siv Jakobsen vond de inspiratie voor haar nieuwe album nadat vervelende persoonlijke herinneringen weer aan de oppervlakte waren gekomen, wat een intiem en persoonlijk album oplevert.

Ondanks het feit dat Gardening werd opgenomen in het hoge Noorden, klinkt Gardening wat folkier en aardser dan de vorige twee albums. Siv Jakobsen kiest op haar derde album vooral voor ingetogen en betrekkelijk langzame songs. Voor de inkleuring van haar songs deed ze deels een beroep op de Britse multi-instrumentalisten Emma Gatrill (Laura Marling, Rozi Plain, This Is The Kit) en Marcus Hamblett (Laura Marling, Rozi Plain, The Staves) die vanuit Brighton onder andere strijkers en blazers toevoegden aan de songs op Gardening en hierin de vrije hand kregen.

Gardening doet wel wat denken aan This Is The Kit en Rozi Plain, maar het blijft ook onmiskenbaar Siv Jakobsen. De subtiele maar bijzonder mooie accenten zorgen voor een prachtig geluid, waarin de stem van Siv Jakobsen uitstekend tot zijn recht komt. De Noorse muzikante zingt vooral zacht en ingehouden, maar iedere noot is raak, waardoor de persoonlijke songs hard binnen komen.

Gardening is een logisch vervolg op The Nordic Mellow en A Temporary Soothing, maar het album voegt ook iets toe aan het oeuvre van Siv Jakobsen, dat nog beperkt van omvang is, maar van een indrukwekkend hoog niveau. Vrouwelijke singer-songwriters sneeuwen deze week op de krenten uit de pop wat meer onder dan normaal, maar dit wonderschone album kan ik echt niet laten liggen. Erwin Zijleman

Siv Jakobsen - The Nordic Mellow (2017)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Siv Jakobsen - The Nordic Mellow - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Het overkomt me niet zo heel vaak meer dat ik totaal wordt verrast door een plaat, maar The Nordic Mellow van Siv Jakobsen kwam eerder deze week aan als de spreekwoordelijke donderslag bij heldere hemel.

De Noorse singer-songwriter verrast op haar debuut met een fascinerende stem, met een hele bijzondere instrumentatie en met songs die zich op meerdere wijzen onderscheiden van de rest binnen het enorme aanbod van het moment.

Laat ik eens beginnen met de stem van Siv Jakobsen. Het is een stem die kan klinken als die van de grote zangeressen uit de Britse folk van de vroege jaren 70, maar het is ook een stem die kan omslaan in die van een Scandinavische sprookjesprinses en het is een stem die bijna als instrument kan worden ingezet. Hier en daar hoor ik raakvlakken met Joni Mitchell, maar Siv Jakobsen heeft toch vooral een eigen geluid.

Ook de instrumentatie op de plaat kan je, wanneer de akoestische gitaar domineert, mee terug nemen naar de hoogtijdagen van de Britse folk, maar Siv Jakobsen voorziet haar muziek ook zo nu en dan van indringende pianoklanken, speelse percussie en vooral van stevig aangezette en werkelijk prachtig gearrangeerde strijkers, die een aangenaam briesje transformeren in de voorbode van een zware storm.

Siv Jakobsen is misschien beïnvloed door de folk zoals die in de jaren 70 in Engeland werd gemaakt, maar The Nordic Mellow is ook een plaat die is geïnspireerd door Scandinavische mystiek of door de kilte van de eindeloze Scandinavische winter. The Nordic Mellow laat zich hierdoor niet zomaar in het hokje folk duwen, maar is een plaat die nadrukkelijk de grenzen opzoekt.

De songs van Siv Jakobsen houden zich niet aan de conventies van de folksong, maar doen precies waar ze zelf zin in hebben. Dat klinkt de ene keer zonnig en lichtvoetig, maar het volgende moment aardedonker en zwaar. Het levert songs op waarvan je moet houden, maar als je houdt van de muziek die Siv Jakobsen op The Nordic Mellow maakt, is het direct een plaat om eindeloos te koesteren.

Wat bij de allereerste beluistering misschien nog wat tegen de haren instrijkt, is het volgende moment de start van een reis door een even mooi als ongrijpbaar muzikaal universum. De songs van Siv Jakobsen zijn stuk voor stuk wonderschoon, maar het zijn ook songs vol avontuur, wat van The Nordic Mellow een even ongrijpbare als betoverende plaat maakt.

The Nordic Mellow klinkt ook nog eens fantastisch, wat de verdienste is van de gelouterde producer Matt Ingram, die eerder werkte met The Staves, Florence & The Machine en vooral Laura Marling, met wiens muziek The Nordic Mellow zeker raakvlakken heeft, al is de muziek van Siv Jakobsen eigenzinniger en intenser dan die van de Britse singer-songwriter.

The Nordic Mellow van Siv Jaksobsen is een intense en spannende plaat, die zal worden gekoesterd voor liefhebbers van vrouwelijke singer-songwriters die buiten de lijntjes durven te kleuren. Het is bovendien een plaat die perfect past bij de jaargetijden die komen gaan, nu de zomer langzaam maar zeker aan de laatste dagen bezig is. Erwin Zijleman

Skullcrusher - And Your Song Is Like a Circle (2025)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Skullcrusher - And Your Song Is Like A Circle - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Skullcrusher - And Your Song Is Like A Circle
De Amerikaanse muzikante Helen Ballentine leverde drie jaar geleden een fluisterzacht en betoverend mooi album onder de naam Skullcrusher af en herhaalt dit kunstje op het nog wat mooiere And Your Song Is Like A Circle

Direct vanaf de eerste noten van And Your Song Is Like A Circle neemt Helen Ballentine, de muzikante achter Skullcrusher, je mee naar andere werelden. De wat zweverige klanken op het tweede album van Skullcrusher zorgen voor onmiddellijke ontspanning en hoe dieper je het album in duikt hoe mooier het wordt. De bijzonder mooie muziek op het album wordt gecombineerd met de zachte en dromerige zang van Helen Ballentine, die nog wat mooier zingt dan op het debuutalbum van Skullcrusher. Droom echter niet te ver weg, want de Amerikaanse muzikante heeft de songs op haar nieuwe album volgestopt met prachtige accenten. And Your Song Is Like A Circle is een droom van een album.

Toen bijna drie jaar geleden een album van Skullcrusher opdook in de lijst met nieuwe albums had ik niet direct het idee dat het een album voor mij zou zijn. De naam Skullcrusher past op het eerste gehoor immers prima bij de namen van de obscure metalbands die ik iedere week zie opduiken in de releaselijsten en dat is niet het soort muziek waar ik van hou.

De betekenis van Skullcrusher is echter niet zo duister als de letterlijke vertaling suggereert en de muziek op Quiet The Room bleek heel ver verwijderd van de klanken van de gemiddelde metalband. Skullcrusher is een project van de Amerikaanse muzikante Helen Ballentine, die op haar debuutalbum vooral zachte en intieme popsongs liet horen.

De popsongs van de muzikante, die destijds Los Angeles als thuisbasis had, vielen op door zachte maar bijzonder mooie zang en door relatief ingetogen maar op hetzelfde moment wonderschone klanken, die prachtig waren geproduceerd door Big Thief producer Andrew Sarlo. Quiet The Room kon absoluut een folkalbum worden genoemd, maar het was ook een sprookjesachtig, beeldend en af en toe vervreemdend album met hier en daar een vleugje Twin Peaks.

Toen de naam Skullcrusher de afgelopen week opdook in de lijst met nieuwe albums was ik daarom direct bij de les. Helen Ballentine heeft Los Angeles inmiddels verruild voor upstate New York en heeft de tijd genomen voor haar nieuwe album dat in meerdere sessies werd opgenomen gedurende een aantal jaren.

In de openingstrack March valt direct op dat het geluid van Skullcrusher wel iets is veranderd. De songs van de Amerikaanse muzikante zijn nog steeds zacht en intiem, maar klinken ook donkerder en bezwerender. In de openingstrack kruipt Helen Ballentine dicht tegen de onheilspellende muziek van Grouper of Ethel Cain aan, maar ik hoor ook flarden van de muziek van Cocteau Twins uit de jaren 80.

Het zijn invloeden die op And Your Song Is Like A Circle veel vaker terugkeren en het album voorzien van een wat zweverige sfeer. Het betekent overigens niet dat de folky elementen zijn verdwenen uit de muziek van Skullcrusher, want een groot deel van de songs op And Your Song Is Like A Circle heeft een folky basis.

Ik begon vrij laat op de avond aan de eerste beluistering van het tweede album van Skullcrusher en bovendien op een avond met stevige regenbuien en dat bleek een prachtig decor voor de stemmige maar ook zeer sfeervolle muziek van de Amerikaanse muzikante.

And Your Song Is Like A Circle werd met een beperkt aantal muzikanten en op verschillende plekken opgenomen en dat hoor je in de songs, die steeds subtiel van kleur verschieten. De fluisterzachte maar echt bijzonder mooie stem van Helen Ballentine staat centraal op het album en de muziek op het album draait hier fraai omheen. Het is muziek die in de basis genoeg heeft aan akoestische gitaar of piano, maar vervolgens verder is ingekleurd met benevelende klankentapijten en hier en daar met bijzondere ritmes.

Het levert een album op dat het oor onmiddellijk streelt, maar het is ook een album dat beter en fascinerender wordt wanneer je het vaker hoort en wanneer je steeds dieper het muzikale universum van Skullcrusher in wordt gesleurd. De naam Skullcrusher blijft bij mij wat gewelddadige associaties oproepen, maar de bijzonder mooie klanken en zowel lieflijke als wat onderkoelde zang nemen je mee naar sprookjesachtige werelden waar alles prachtig en vreedzaam is. Erwin Zijleman

Skullcrusher - Quiet the Room (2022)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Skullcrusher - Quiet The Room - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Skullcrusher - Quiet The Room
Bij Skullcrusher denk ik niet direct aan ingetogen klanken en engelachtige vocalen, maar dat is wel precies wat je krijgt te horen op het debuutalbum van het alter ego van Helen Ballentine uit Los Angeles

De Amerikaanse muzikante Helen Ballentine maakt op haar debuutalbum Quiet The Room muziek die bestaat uit een aantal inmiddels beproefde ingrediënten, maar het album is zeker niet inwisselbaar tegen al die andere albums met zowel ingetogen als atmosferische klanken en een mooie vrouwenstem. Skullcrusher betovert op Quiet The Room met mooie klanken, maar creëert ook een bijzondere sfeer, die varieert van aangenaam dromerig tot beangstigend beklemmend. Het debuut van Skullcrusher is een wat donker getint album, maar de songs op het album vormen ook een wonderschone eenheid vol mooie en intieme verhalen van de Amerikaanse muzikante.

Bij het bestuderen van de releaselijsten concludeerde ik een paar weken geleden vrijwel onmiddellijk dat ik Quiet The Room van Skullcrusher wel over kon slaan. Skullcrusher is immers een naam waarvoor de gemiddelde dark- of death-metal band zich niet zou schamen en als ik het goed heb was er ooit een Belgische metalband met deze naam. Met metal in welke vorm dan ook heeft het onlangs verschenen debuutalbum van Skullcrusher echter niets te maken.

Skullcrusher is het alter ego van de Amerikaanse muzikante Helen Ballentine uit Los Angeles, die op haar debuutalbum vooral intieme en uiterst ingetogen muziek maakt. Quiet The Room werd opgenomen tijdens een van de coronalockdowns in Los Angeles, op een moment dat de stad werd getroffen door een hittegolf. Hoewel de sfeer op het album perfect aansluit bij de gevoelens van isolement tijdens de lockdowns, vormde de coronapandemie niet de belangrijkste inspiratiebron voor het album.

Op Quiet The Room kijkt Helen Ballentine terug op haar kindertijd in Mount Vernon, New York. Ik heb me nog niet verdiept in de jeugd van de Amerikaanse muzikante, maar Quiet The Room is bij vlagen een intiem, breekbaar en aardedonker album, al heeft de muziek van Skullcrusher ook iets lieflijks en dromerigs. De sfeer op het album is over de hele linie echter wat onheilspellend, wat op bijzondere wijze contrasteert met de ingetogen en dromerige songs op het album.

Het zijn songs waarin sobere akoestische klanken worden gecombineerd met atmosferische elektronica en wat duistere klanken en ruis en waarin Helen Ballentine tekent voor engelachtige vocalen. Vergeleken met haar eerdere EP’s heeft de muzikante uit Los Angeles haar songs wat voller ingekleurd, maar over de hele linie is Quiet The Room een behoorlijk sober album.

Het debuutalbum van Skullcrusher doet me qua sfeer wel wat denken aan de soloalbums van Big Thief zangeres Adrienne Lenker. Quiet The Room heeft ook zeker een link met de band van Adrienne Lenker, want Big Thief producer Andrew Sarlo tekende voor de productie. Hij is er in geslaagd om een bijzondere sfeer te creëren, door onder andere het toevoegen van wat beklemmende geluiden in de uitloop tussen de songs.

Ook wanneer Helen Ballentine kiest voor songs die het vooral moeten doen met een akoestische gitaar en haar stem, is de sfeer op Quiet The Room bijzonder. Het is een sfeer die me wel wat doet denken aan de albums van Phoebe Bridgers, maar veel van de beeldende songs op het debuutalbum van Skullcrusher zouden ook niet misstaan op de soundtrack op het alles verhelderende seizoen van Twin Peaks.

Engelachtige vocalen, een combinatie van ingetogen akoestische klanken en atmosferische elektronica, een mix van breekbare, intieme en dromerige songs en een wat onheilspellende of in ieder geval donkere sfeer; het zijn inmiddels ingrediënten van een beproefd recept, maar het debuut van Skullcrusher voegt wat mij betreft iets toe aan alles dat er al is. De veertien songs op het album vormen op fraaie wijze een eenheid en worden bij herhaalde beluistering alleen maar mooier en indringender. Ik ben vast niet de enige die zich door de naam op het verkeerde been heeft laten zetten, maar deze Skullcrusher is echt zeer interessant. Erwin Zijleman

Sky Ferreira - Night Time, My Time (2013)

poster
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sky Ferreira - Night Time, My Time - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Sky Ferreira is een Amerikaans ‘enfant terrible’, dat in de Verenigde Staten inmiddels al een jaar of zeven de roddelpers weet te halen. Op haar 15e nam ze al wat tracks op met de toenmalige producers van Britney Spears en raakte ze bevriend met de op dat moment nog (spring)levende King of Pop, Michael Jackson. Sky Ferreira heeft al flink wat jaren een platencontract, maar haar debuut liet tot dusver op zich wachten, mede omdat Ferreira inmiddels ook als actrice aan de weg timmerde en haar preutse platenmaatschappij niet echt gecharmeerd was van haar af en toe wel erg expliciete teksten. In de VS strijdt Sky Ferreira momenteel continu om de aandacht met dat andere ‘enfant terrible’, Miley Cyrus. Het is een strijd die Miley Cyrus in haar voordeel lijkt te hebben beslecht en dit ondanks het feit dat Sky Ferreira met nog net wat minder kleding dan Miley Cyrus op de cover van haar plaat is verschenen (al ligt in de VS vooral een stevig gekuiste cover in de winkel). Night Time, My Time trok ook in Nederland in eerste instantie vooral aandacht vanwege de opvallende cover en dat is jammer. Waar de laatste plaat van Miley Cyrus niet om aan te horen is, is het debuut van Sky Ferreira in muzikaal opzicht wel degelijk interessant, al zal lang niet iedere lezer van deze BLOG dat met me eens zijn. Op Night Time, My Time verrast Sky Ferreira met een mix van electropop, indie-rock en new wave die flink wat muzikaal talent doet vermoeden. Zeker de eerste paar songs op Night Time, My Time zijn aanstekelijk en geschikt voor een groot publiek, maar als je net wat beter en verder luistert hoor je dat Sky Ferreira in muzikaal en tekstueel opzicht geen concessies doet. Ondanks de aanstekelijke refreinen en melodieën zijn flink wat tracks op het debuut van Sky Ferreira behoorlijk onconventioneel en rauw. De zang op de plaat is in de up-tempo tracks wat schreeuwerig, maar zeker als Sky Ferreira wat gas neemt hoor je dat de Amerikaanse absoluut kan zingen. Ook in muzikaal opzicht is Night Time, My Time een opvallende plaat. Het elektronische klankentapijt is minstens even eigenzinnig als dat op het bejubelde debuut van Lorde en krijgt flink wat pit door het toevoegen van rauw gitaarwerk en overstuurde elektronica. Bij eerste beluistering van Night Time, My Time was ik absoluut bevooroordeeld en waren de messen geslepen. Het debuut van Sky Ferreira bleek echter al snel een aangename verrassing, maar de echte kracht van de plaat kwam pas aan de oppervlakte nadat ik Night Time, My Time veel vaker had gehoord. Night Time, My Time is een plaat die in het hokje ‘hitgevoelige pop’ thuis hoort, maar het is zeker niet de dertien in een dozijn pop die de meeste soort- en leeftijdgenoten van Sky Ferreira maken. Ieder jaar zit er in dit hokje wel één muzikant die durft te vernieuwen, die tegen het zere been durft te schoppen, die lak heeft aan de conventies in het genre en schijt heeft aan de oerconservatieve platenmaatschappijen. In 2014 zou deze ene muzikant best wel eens Sky Ferreira kunnen zijn. Ik durf er inmiddels wel voor uit te komen: ik ben fan van deze eigenzinnige Sky Ferreira en haar bijzondere debuut. Erwin Zijleman

Skylar Gudasz - Country (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Skylar Gudasz - COUNTRY - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Skylar Gudasz - COUNTRY
Skylar Gudasz maakte al twee in kleine kring geprezen albums, maar verdient een breder publiek met het fraaie COUNTRY, dat zowel in muzikaal als in vocaal opzicht anders klinkt dan andere albums van het moment

COUNTRY van de Amerikaanse muzikante Skylar Gudasz is een album dat je makkelijk op het verkeerde been zet. Het is een Amerikaans rootsalbum, maar het is er wel een die anders klinkt dan andere rootsalbums. Ook de zang van Skylar Gudasz klinkt anders, wat COUNTRY nog wat bijzonderder maakt. Het is ook nog eens een album dat hier en daar decennia terug kan gaan in de tijd, maar dat op hetzelfde moment klinkt als een album van nu. Zowel de zang als de muziek op het album van de muzikante uit North Carolina zijn bijzonder mooi, wat COUNTRY nog wat indrukwekkender maakt. Er zijn inmiddels een paar positieve recensies verschenen, maar dit album verdient er veel meer.

COUNTRY is het derde album van de Amerikaanse muzikante Skylar Gudasz en de opvolger van Oleander uit 2016 en Cinema uit 2020. Dat zijn twee albums die ik zelf nooit ben tegen gekomen, maar het nieuwe album van Skylar Gudasz viel me direct op.

Dat deed het album in eerste instantie door een recensie van het Amerikaanse online muziektijdschrift No Depression, waarin de stem van Skylar Gudasz wordt omschreven als een mix van Joni Mitchell, Aimee Mann en Sharon Van Etten, wat me direct nieuwsgierig maakte naar de stem van de muzikante uit Durham, North Carolina.

Haar stem is inderdaad een van de sterke punten van Skylar Gudasz en de vergelijking die No Depression maakt is volgens mij niet zo gek. De Amerikaanse muzikante beschikt niet alleen over een mooie en bijzondere stem, maar zingt ook anders dan de meeste andere zangeressen van het moment. De zang op COUNTRY neemt je mee terug naar de alternatieve Amerikaanse folkies uit de jaren 60 en 70 en heeft een bezwerende uitwerking op de niets vermoedende luisteraar, zeker als de zang ook nog eens wat zweverig klinkt.

Ook in muzikaal opzicht doet Skylar Gudasz bijzondere dingen op haar derde album. Voor COUNTRY deed ze een beroep op een hele waslijst aan muzikanten, die haar songs verrijken met uiteenlopende klanken. Het zijn klanken die soms de vorm aannemen van beeldende soundscapes, wat het bijzondere karakter van de muziek van Skylar Gudasz versterkt. De muzikante uit Durham maakt deels gebruik van instrumenten die gemeengoed zijn binnen de Amerikaanse rootsmuziek, maar zet ook veelvuldig synths in.

Het zorgt er voor dat de muziek van Skylar Gudasz wat moeilijk te plaatsen is. Het zat me geen moment in de weg, want de songs van de muzikante uit North Carolina zijn zonder uitzondering prachtig. COUNTRY zoekt continu de grenzen van de Amerikaanse rootsmuziek op, maar desondanks vind ik het meer een rootsalbum dan een popalbum.

Een aantal songs op het album had niet misstaan op de beste albums van Aimee Mann, maar COUNTRY herinnert minstens net zo vaak aan de muziek die decennia voordat Aimee Mann opdook werd gemaakt. Op hetzelfde moment klinkt het nieuwe album van Skylar Gudasz ook als een album van het moment, zeker wanneer ze wat de kant op gaat van muziek die Lana Del Rey ook zou kunnen maken.

Het overtuigt allemaal bijzonder makkelijk, maar ik raakte pas echt onder de indruk toen ik aandacht kreeg voor alle bijzondere details in zowel de instrumentatie als de zang op COUNTRY. Skylar Gudasz heeft haar album met veel aandacht en precisie gemaakt en dat tilt de bijzondere songs op het album flink op.

Het zorgt er ook voor dat de Amerikaanse muzikante de aandacht ook makkelijk vast houdt wanneer ze kiest voor wat langere songs. Drie songs op het album duren langer dan vijf minuten en de langere tracks op COUNTRY vind ik misschien nog wel mooier dan de kortere songs.

Omdat de muziek van Sarah Gudasz niet heel makkelijk in een hokje is te duwen en ook nog eens midden in de zomer is verschenen, is de kans groot dat COUNTRY tussen wal en schip valt, maar dit prachtige album verdient absoluut een beter lot. COUNTRY is mijn eerste kennismaking met de muziek van Skylar Gudasz en het is een hele indrukwekkende. Erwin Zijleman

Skyway Man - Flight of the Long Distance Healer (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Skyway Man - Flight Of The Long Distance Healer - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Skyway Man - Flight Of The Long Distance Healer
Skyway Man leverde een paar jaar geleden een intrigerend album af dat werkelijk alle kanten op ging, iets wat ook het geval is op Flight Of The Long Distance Healer dat wel wat makkelijker en hierdoor overtuigender is

James Wallace heeft naast zijn band James Wallace & The Naked Light ook nog tijd over voor het project Skyway Man dat nog wat interessanter is. Op Flight Of The Long Distance Healer laat de Amerikaanse muzikant zich weer breed inspireren, al zijn de invloeden uit de psychedelische pop dit keer dominant. Toch klinkt de psychedelische pop van Skyway Man niet hetzelfde als die van concurrerende bands, want James Wallace sleept er van alles bij en is niet vies van een bijzondere twist. Op het vorige album vond ik het allemaal net wat te veel, maar Flight Of The Long Distance Healer houdt de aandacht makkelijk vast en wordt steeds wat leuker en interessanter.

James Wallace is in kleine kring bekend als de voorman van de folkrock band James Wallace & The Naked Light, maar het is ook de man achter het project Skyway Man. Skyway Man bracht een maand of twee geleden het album Flight Of The Long Distance Healer uit en dat album kwam ik tegen in een aantal jaarlijstjes.

De naam Skyway Man deed bij mij in eerste instantie geen belletje rinkelen, maar drie jaar geleden gebeurde precies hetzelfde als dit jaar. Het tweede album van Skyway Man, The World Only Ends When You Die, zag ik in eerste instantie over het hoofd, maar kwam ik op het spoor via een aantal jaarlijstjes en besprak ik uiteindelijk helemaal aan het begin van het nieuwe jaar.

The World Only Ends When You Die was aan het eind van 2020 een zeer ambitieus album. James Wallace kwam op de proppen met een heuse ‘psych-folk opera’, die rijkelijk citeerde uit de muziek die in de jaren 70 werd gemaakt. Skyway Man was zeker niet kieskeurig bij het citeren van muziek uit dit decennium en sleepte er van alles bij, variërend van folk, blues, soul en gospel tot heel veel psychedelica en wat R&B en funk.

Ik omschreef het in de inmiddels befaamde Spacebomb Studios in Richmond, Virginia, opgenomen album op de krenten uit de pop als ‘Pink Floyd dat in de jaren 70 uit een Londense studio is geplukt en vervolgens is gedropt in de befaamde Muscle Shoals Sound Studio in Alabama, om een rootsy versie van The Wall op te nemen’. Daarmee vertelde ik nog steeds maar een deel van het verhaal, want het tweede album van Skyway Man verwerkte zoveel invloeden dat het je met grote regelmaat duizelde.

Het derde album van het project van James Wallace klinkt wat minder eclectisch, maar Skyway Man is nog altijd niet vies van een flinke bak invloeden. Ook Flight Of The Long Distance Healer is een album dat uitnodigt tot associëren. AllMusic.com, dat me op het spoor zette van het album, doet zelf een flinke duit in het zakje met de omschrijving ‘sounds like Soft Bulletin-era Flaming Lips enjoying a lost weekend with Harry Nilsson and Van Dyke Parks’.

Het is een van vele mogelijke omschrijvingen, want hoewel Flight Of The Long Distance Healer consistenter klinkt dan zijn voorganger, kan het ook dit keer alle kanten op. Invloeden uit de psychedelica waren al dominant aanwezig op het vorige album van Skyway Man en hebben op het nieuwe album nog wat aan terrein gewonnen.

De Amerikaanse muzikant maakt op Flight Of The Long Distance Healer vooral lekker in het gehoor liggende psychedelische popliedjes met een hang naar het verleden en hier en daar wat invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek, maar James Wallace geeft ook altijd een bijzondere draai aan zijn songs, die af en toe ook flirten met rijker georkestreerde jaren 70 pop of catchy refreinen uit de pop van de jaren 80, met hier en daar mooie vrouwenstemmen, waaronder die van Erin Rae.

The World Only Ends When You Die intrigeerde me drie jaar geleden bij de eerste beluisteringen enorm, maar uiteindelijk vond ik het album toch wat te veel van de hak op de tak springen. Flight Of The Long Distance Healer doet dat een stuk minder en is een album dat wel eens langer mee zou kunnen gaan. Het is een album dat lekker in het gehoor ligt, maar dat ook de fantasie prikkelt en dat is een mooie combinatie. Erwin Zijleman

Skyway Man - The World Only Ends When You Die (2020)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Skyway Man - The World Only Ends When You Die - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Skyway Man - The World Only Ends When You Die
Er was het afgelopen jaar niet heel veel aandacht voor de “psych-folk opera” van Skyway Man, maar het blijkt een bijzonder album dat bol staat van de invloeden en goede ideeën

Skyway Man, een project van de Amerikaanse muzikant James Wallace, is niet bang voor een genre meer of minder. Zo ongeveer alle genres binnen de Amerikaanse rootsmuziek komen voorbij op The World Only Ends When You Die en hier laat Skyway Man het zeker niet bij. De rockopera van de Amerikaanse band wandelt met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de popmuziek en stopt net zo makkelijk bij The Beatles als bij Pink Floyd. Ter verdere verhoging van de feestvreugde wordt de muziek van de Amerikaanse band ook nog eens verrijkt met Spacebomb invloeden uit de funk en R&B. Het schiet alle kanten op, maar het blijft verrassend consistent.

Bij het doorbladeren van wat Britse muziektijdschriften uit 2020 kwam ik een album van Skyway Man tegen en het is een album dat werd bejubeld zonder heel duidelijk te beschrijven om wat voor muziek het gaat, wat me nieuwsgierig maakte naar het album.

Skyway Man is een project van de vanuit Nashville, Tennessee, opererende singer-songwriter James Wallace, die je mogelijk ook kent van de folkrock band James Wallace & The Naked Light. The World Only Ends When You Die is zijn tweede album onder de naam Skyway Man en het is niet alleen een bijzonder ambitieus maar ook een bijzonder overtuigend album.

The World Only Ends When You Die is een heuse “psych-folk opera" die past in een tijd waarin muziek nog niet zo snel als (te) pretentieus werd beschouwd. De muziek van Skyway Man heeft een hoog 70s gehalte, maar als het gaat om invloeden uit dit decennium is James Wallace niet bepaald kieskeurig.

Het album heeft zich laten beïnvloeden door alle uithoeken van de Amerikaanse rootsmuziek van die jaren, waarbij net zo makkelijk inspiratie wordt geput uit de folk en de blues als uit de soul en gospel. Dit alles is vervolgens overgoten met een flink dosis psychedelica, wat het jaren 70 karakter van het album nog wat verder vergroot.

The World Only Ends When You Die klinkt echter zeker niet alleen als een verloren gewaand rootsalbum. In een deel van de tracks klinkt het album alsof Pink Floyd uit een Londense studio is geplukt en vervolgens gedropt in de befaamde Muscle Shoals Sound Studio in Sheffield, Alabama, om een rootsy versie van The Wall op te nemen.

The World Only Ends When You Die is net wat noordelijker opgenomen in de inmiddels ook befaamde Spacebomb Studios in Richmond, Virginia, waar de huisband van de studio James Wallace vergezelde, wat je absoluut terug hoort in de blazersarrangementen. Het zorgt voor de impulsen uit de funk en de R&B die ook duidelijk hoorbaar zijn op het album.

De vrouwenstemmen van The Lostines voegen nog wat vrouwelijks toe aan de muziek van Skyway Man, wat de diversiteit op het album nog wat verder vergroot. Die diversiteit is nog lang niet volledig besproken, want The World Only Ends When You Die van Skyway Man kan ook nog opschuiven richting Cosmic country, richting alles tussen The Beatles en Prince en zelfs richting de oer-Britse Canterbury progrock uit de jaren 70 of reggae uit dezelfde periode.

Door de veelheid aan stijlen blijft het album maar van kleur verschieten, wat natuurlijk wel past bij een “psych-folk opera”, maar wat ook wel wat energie kost. Ik ben normaal gesproken niet zo gek op rockopera’s, maar het verhaal op het tweede album van Skyway Man dringt zich niet heel nadrukkelijk op en het album laat zich ook zonder dit verhaal goed beluisteren, al is het maar omdat James Wallace en zijn medemuzikanten het hele album lang goede muziek blijven maken.

Hiernaast slaagt de band er in om de soms grote overgangen bijna organisch te laten verlopen, waardoor je het idee hebt dat je naar één lange track aan het luisteren bent. Het is zeker niet het makkelijkste album dat ik uit het vorige jaar heb meegenomen, maar het is absoluut een album dat alle aandacht verdient (en vooralsnog helaas nauwelijks heeft gekregen). Erwin Zijleman

Sleater-Kinney - Little Rope (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sleater-Kinney - Little Rope - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Sleater-Kinney - Little Rope
Sleater-Kinney sloeg in 2019 een totaal nieuwe weg in, die op zich wordt vervolgd op haar nieuwe album Little Rope, dat echter ook flarden uit de vroegere jaren van de Amerikaanse band laat horen

Sleater-Kinney rekende ik tussen 1996 en 2015 tot mijn favoriete bands, maar over het door synths en invloeden uit de pop gedomineerde The Center Won’t Hold was ik veel minder enthousiast, al is de liefde voor dit album sindsdien wel wat gegroeid. Op Little Rope gaat Sleater-Kinney verder op de ingeslagen weg, maar laat het af en toe ook echo’s van haar oude werk horen. Het is een mooie combinatie, die mede door de fraaie productie van John Congleton verrassend goed werkt. Ik ging er eerlijk gezegd van uit dat Sleater-Kinney nooit meer in de buurt zou kunnen komen van haar beste albums, maar Little Rope laat gelukkig iets anders horen.

De Amerikaanse band Sleater-Kinney maakte na haar weinig opzienbarende titelloze debuutalbum uit 1995 een imposante stapel geweldige albums, waarvan The Woods uit 2005 er voor mij net wat uitspringt, maar de andere zes doen er echt nauwelijks voor onder. Het zijn allemaal albums met behoorlijk rauwe en lekker energieke rocksongs, die genoeg hebben aan bas, drums, gitaar en zang. Sleater-Kinney koos naarmate de carrière van de band vorderde af en toe voor net wat meer experiment, maar tot en met No Cities To Love uit 2015 domineerden explosief gitaarwerk en licht hysterische zang, die de ruwe songs van Sleater-Kinney voor mij onweerstaanbaar maakten.

Na Cities To Love moest het kennelijk anders, waarna drummer Janet Weiss de band verliet en Corin Tucker en Carrie Brownstein met zijn tweeën verder gingen. Sleater-Kinney keerde in 2019 terug met het flink anders klinkende The Center Won’t Hold, dat nog maar af en toe herinnerde aan de eerste acht albums van de band, die lange tijd vanuit Olympia, Washington, opereerde, maar inmiddels was neergestreken in Portland, Oregon. Op het door Annie Clark, beter bekend als St. Vincent, geproduceerde album voegde Sleater-Kinney synths toe aan haar geluid en schoof het bovendien flink op richting pop.

The Center Won’t Hold werd verguisd door de critici en ook iedereen die de eerdere album van de band koesterde moest niets hebben van het nieuwe geluid van de band. Ik vind The Center Won’t Hold inmiddels overigens veel beter dan bij mijn eerste beluistering van het album. Hiervoor moest ik wel stoppen met het vergelijken van het album met bijvoorbeeld het door mij gekoesterde The Woods.

Met het in 2021 verschenen Path Of Wellness ging Sleater-Kinney verder op de weg die met The Center Won’t Hold was ingeslagen, maar het feit dat Corin Tucker en Carrie Brownstein het album zelf produceerden vond ik persoonlijk geen gelukkige keuze. Voor het deze week verschenen Little Rope heeft Sleater-Kinney gelukkig weer wel gekozen voor een producer van naam en faam, want niemand minder dan John Congleton (Black Pumas, Regina Spektor, Angel Olsen, Midlake) nam plaats achter de knoppen.

Aan Little Rope ging een persoonlijk drama vooraf, want de moeder en stiefvader van Carrie Brownstein kwamen om het leven bij een verkeersongeval in Italië. Het heeft ongetwijfeld zijn sporen nagelaten op een album dat een brug probeert te slaan tussen het nieuwe geluid van Sleater-Kinney en het geluid van de eerste acht albums van de band. Ook op Little Rope zijn nog volop synths te horen, maar gitaren hebben weer wat aan terrein gewonnen op het album en klinken hier en daar als vanouds. Bij vlagen klinkt Little Rope lekker ruw en stevig, maar Sleater-Kinney verwerkt ook nog altijd flink wat invloeden uit de pop in haar muziek.

De keuze voor John Congleton blijkt een uitstekende, want de ervaren producer weet de beide kanten van Sleater-Kinney aan elkaar te verbinden op een geweldig klinkend album. Het is een album dat, ook in de zang, weer de passie van de vroege Sleater-Kinney albums laat horen, zeker als Corin Tucker en Carrie Brownstein samen zingen, en dat ik qua songs veel aansprekender vind dan zijn twee voorgangers. Sleater-Kinney heeft met Little Rope de weg naar boven weer gevonden en levert een uitstekend album af, dat me nu al veel dierbaarder is dan zijn twee voorgangers. Erwin Zijleman

Sleater-Kinney - Live in Paris (2017)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sleater-Kinney - Live in Paris - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Toen ik, inmiddels lang geleden, begon met het kopen van platen, had ik een bijna griezelige voorkeur voor live-platen.

Het was in de tijd dat een (dubbele) live-plaat een essentieel onderdeel vormde van het oeuvre van een band (of soms zelfs de kroon op het werk) en het was natuurlijk ook de tijd waarin de live-plaat, naast lastig te verkrijgen en peperdure bootlegs, het enige tastbare live-materiaal van een band was dat je in huis kon halen.

Het zorgde ervoor dat live-platen uit konden groeien tot de klassiekers binnen het oeuvre van een band.

Tegenwoordig vind ik het uitbrengen van een live-album een vrij zinloze exercitie. Een concert staat over het algemeen meestal al op YouTube voor je thuis bent, dus wat is de meerwaarde van een fysieke plaat met audio opnamen van een concert waar je niet eens bij bent geweest?

Ik was dan ook niet van plan om aandacht te gaan besteden aan het deze week verschenen Live in Paris van Sleater-Kinney. En dat terwijl ik het trio uit Olympia, Washington, schaar onder mijn persoonlijke favorieten en de in 2015 verschenen comeback plaat No Cities To Love mijn jaarlijstje over het betreffende jaar haalde.

Sleater-Kinney werd in 1994 opgericht en werd in het hokje van de Riot Grrrl beweging geduwd. De band debuteerde in 1995 nog aarzelend en niet volledig overtuigend, maar sinds het in 1996 verschenen Call The Doctor is de band die bestaat uit Carrie Brownstein, Corin Tucker, Janet Weiss goed voor uitsluitend geweldige platen, met Dig Me Out uit 1997, The Woods uit 2005 en het al eerder genoemde No Cities To Love als mijn persoonlijke favorieten.

Het zijn platen vol rauwe energie, stekelige rocksongs, gepassioneerde vocalen, aanstekelijke songs en zo af en toe gitaarloopjes om je vingers bij af te likken. Live In Paris doet verslag van de tour die volgde op het na een stilte van 10 jaar verschenen No Cities To Love en songs van deze plaat staan dan ook centraal.

Omdat ook songs van de andere platen van het Amerikaanse power trio voorbij komen, is Live In Paris een aardige kennismaking met het werk van Sleater-Kinney, maar is het verstandig om kennis te maken met deze geweldige band via een live-plaat?

Na mijn eerste aarzeling kan ik inmiddels met een volmondig ja antwoord geven op deze vraag. Live In Paris klinkt immers nog net wat rauwer, energieker en stekeliger dan de studioplaten van het trio uit Olympia, Washington. Dat was in het begin wel even wennen, maar na een paar nummers heeft Sleater-Kinney je te pakken en walst het meedogenloos over je heen.

No Cities To Love zag ik niet in heel veel jaarlijstjes eind 2015 maar het is echt een van de betere platen van dat jaar. Dat Sleater-Kinney ook op het podium behoort tot de smaakmakers is prachtig te horen op het energieke Live In Paris. Voor de afwisseling eens geen overbodige live-plaat, maar een die het bijzondere gevoel van de live-platen van weleer even terug haalt, al komt de tijd van de echt klassieke live platen natuurlijk nooit meer terug. Erwin Zijleman

Sleater-Kinney - No Cities to Love (2015)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sleater-Kinney - No Cities To Love - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Het in 2005 verschenen The Woods leek lange tijd de zwanenzang van het Amerikaanse trio Sleater-Kinney te zijn.

Toen eind vorig jaar de box met het volledige oeuvre van de band uit Olympia, Washington, verscheen (Start Together), werd echter ook direct een gloednieuwe plaat aangekondigd. Eerst zien, dan geloven, dacht ik in eerste instantie nog, maar inmiddels is No Cities To Love dan ook echt verschenen.

Iedereen die het oeuvre van Sleater-Kinney kent, weet dat het power trio garant staat voor torenhoge kwaliteit. Het begon in 1995 ooit met rechttoe rechtaan Riot grrrl punk, maar in de tien jaren die volgden wist Sleater-Kinney zich steeds verder te ontwikkelen, te vernieuwen en te verbreden, wat een geweldige serie platen heeft opgeleverd.

Een pauze van tien jaar doet een band echter vrijwel nooit goed, al hebben Corin Tucker, Janet Weiss en Carrie Brownstein de afgelopen tien jaar natuurlijk niet stil gezeten. Het pakt voor Sleater-Kinney gelukkig geweldig uit, want met No Cities To Love zet Sleater-Kinney een imposante volgende stap.

No Cities To Love laat horen dat het spelen in andere bands (waaronder de band van Stephen Malkmus) de leden van Sleater-Kinney alleen maar goed heeft gedaan. No Cities To Love laat een band horen die beter en hechter klinkt dan ooit tevoren. Dat hoor je in het geweldige gitaarwerk dat meer nuances en meer dynamiek bevat, dat hoor je in het soms onnavolgbare drumwerk dat de songs op de plaat een steeds weer wat net wat ander geluid geeft en dat hoor je in de vocalen, die wat minder onvast klinken dan in het verleden.

Het knappe is echter dat Sleater-Kinney haar rauwe passie en energie heeft behouden. Ook No Cities To Love mag nog heerlijk rammelen en mag bovendien nadrukkelijk buiten de lijntjes kleuren.

De muziek van Sleater-Kinney klinkt in technisch opzicht misschien beter dan in het verleden, maar dit heeft geen gevolgen gehad voor de urgentie, energie, passie en agressie van de muziek van Sleater-Kinney. Corin Tucker, Janet Weiss en Carrie Brownstein maakten in het verleden muziek alsof hun leven er van af hing en dat doen ze gelukkig nog steeds.

Al sinds haar debuut is Sleater-Kinney er in geslaagd om zich op iedere plaat te verbreden en dat is ook op No Cities To Love weer gelukt. Sleater-Kinney flirt dit keer met complexere songstructuren en uitstapjes naar omliggende genres tot postpunk en een vleugje disco aan toe, maar het slaagt er ook dit keer weer in om het zo unieke eigen geluid te behouden.

No Cities To Love is hierdoor vanaf de eerste noot een typische Sleater-Kinney plaat en het is er wederom één die maar blijft groeien. Tot en met The Woods was Sleater-Kinney één van mijn favoriete eigenzinnige gitaarbands en na beluistering van No Cities To Love weet ik dat dat nog steeds het geval is.

Door de geweldige box-set Start Together keek ik de afgelopen weken vooral terug op een zwaar onderschat maar prachtig oeuvre, maar inmiddels durf ik ook weer vol vertrouwen vooruit te kijken. Sleater-Kinney is nog lang niet wereldberoemd, maar ach wat zijn ze verschrikkelijk goed. Erwin Zijleman

Sleater-Kinney - Path of Wellness (2021)

poster
3,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sleater-Kinney - Path Of Wellness - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Sleater-Kinney - Path Of Wellness
Na het toch wat tegenvallende The Center Won’t Hold, kiest Sleater-Kinney op het al betere Path Of Wellness voor een mix van alles dat de band tot dusver heeft gedaan en een paar interessante nieuwe wegen

Als fan van het eerste uur was ik niet blij met de koerswijziging die Sleater-Kinney twee jaar geleden aan de hand van producer St. Vincent inzette. Op het zelf geproduceerde Path Of Wellness borduurt de tot een duo gereduceerde band deels voort op het vorige album, laat het af en toe de oude glorie herleven, maar zoekt het ook naar een nieuw geluid. Path Of Wellness is een stuk beter dan zijn voorganger, maar nog niet de mokerslag die de band vroeger zo vaak voor ons in petto had. Path Of Wellness klinkt meer dan eens als een typisch tussenalbum, maar het kan ook best zo zijn dat het tweetal vanaf nu van meerdere markten thuis is. Mijn oordeel is dit keer mild en bij vlagen (zeer) positief.

Sleater-Kinney was jarenlang een van mijn favoriete bands, tot in de zomer van 2019 The Center Won’t Hold verscheen. Door het plotselinge vertrek van drummer Janet Weiss was het energieke trio uit Portland, Oregon, gereduceerd tot een duo, dat in uiterlijk opzicht een ware metamorfose leek te hebben voltooid.

Dat was nog te overzien, maar de metamorfose van Corin Tucker en Carrie Brownstein werd helaas doorgetrokken in hun muziek (waarin Janet Weiss overigens nog wel te horen was). Sleater-Kinney maakte op haar eerste acht albums rauwe rockmuziek zonder opsmuk, maar op The Center Won’t Hold waren opeens een dikke laag opsmuk en flink wat flirts met aanstekelijke popmuziek te horen.

Het leek de ‘verdienste’ van producer St. Vincent, maar de op dat moment al zeer gelouterde muzikanten Corin Tucker en Carrie Brownstein waren er natuurlijk zelf ook bij. De koerswijziging van de band beviel me in eerste instantie totaal niet, maar een favoriete band schrijf je niet zomaar af en na enige gewenning viel er toch nog wel wat op zijn plek op The Center Won’t Hold, overigens zonder het niveau van prachtalbums als Call The Doctor, Dig Me Out, The Hot Rock, All Hands On The Bad One, One Beat, The Woods en No Cities To Love ook maar te benaderen.

Deze week keert Sleater-Kinney terug met album nummer tien, Path Of Wellness. Janet Weiss is dit keer echt niet meer te horen en ook producer St. Vincent keert niet terug. Corin Tucker en Carrie Brownstein produceerden het tiende album van Sleater-Kinney zelf en hadden zo maar terug kunnen keren naar hun oude geluid. Dat doet een tot een duo gereduceerde band helaas niet, al duiken er op Path Of Wellness wel degelijk flarden van de genoemde prachtalbums op.

Path Of Wellness klinkt een stuk minder overgeproduceerd dan zijn voorganger en dat is een stap in de goede richting. The Center Won’t Hold klonk niet alleen overgeproduceerd, maar schoof mij ook net wat teveel op richting pop. Dat doet Path Of Wellness af en toe ook, maar wel een stuk minder frequent en opzichtig dan twee jaar geleden.

Het nieuwe album van Sleater-Kinney is een album dat je als fan van het eerste uur snel en makkelijk aan de kant kunt schuiven, maar oude liefde roest wat mij betreft niet en die houding wordt beloofd. Uiteindelijk is Path Of Wellness een stuk meer rock dan zijn voorganger en lijkt Sleater-Kinney haar oude geluid niet helemaal vergeten.

Vergeleken met de topalbums van de band klinkt het hier en daar allemaal nog behoorlijk gepolijst en ontbreekt de energie van weleer, maar ik hoor op het album ook flink wat goede ideeën. Het zijn misschien zelfs wel wat teveel goede ideeën, want Sleater-Kinney lijkt maar lastig te kunnen kiezen tussen het geluid van de eerste acht albums, het geluid van het vorige album en nieuwe wegen die moeten worden verkend.

Ik veer op wanneer het ouderwets rechttoe rechtaan klinkt, maar ook de experimenten met een meer ingetogen geluid zijn in een aantal gevallen geslaagd, wat ook geldt voor de experimenten met bluesy gitaarlijnen en bijna proggy keyboards. Waar The Center Won’t Hold twee jaar geleden een grote ommekeer en wat mij betreft een stap in de verkeerde richting was, is Path Of Wellness een overgangsalbum dat een evenwicht probeert te vinden tussen oude successen en nieuwe wegen. Het is zeker niet mijn favoriete Sleater-Kinney album, maar een slecht album is het zeker niet. En het wordt ook nog wel een tijdje beter verwacht ik. Erwin Zijleman

Sleater-Kinney - The Center Won't Hold (2019)

poster
3,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sleater-Kinney - The Center Won't Hold - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Sleater-Kinney - The Center Won't Hold
Sleater-Kinney slaat aan de hand van St. Vincent andere wegen in en dat is even wennen, tot er langzaam maar zeker steeds meer op zijn plek valt

Sleater-Kinney leverde tot dusver alleen maar goede albums af. De formule van de band gaat al bijna 25 jaar mee, maar had nog niets van zijn glans verloren. Desondanks kiest de band op haar nieuwe album voor een nieuwe weg. Samen met producer St. Vincent verruilt Sleater-Kinney de pop voor de rock en is het rauwe gitaargeluid ingewisseld voor een vol kinkende productie vol synths. Het is absoluut even wennen. Heel erg wennen zelfs. In eerste instantie hoorde ik niets in het nieuwe geluid van een van mijn favoriete bands van de afgelopen drie decennia, maar langzaam maar zeker dwingt Sleater-Kinney respect af. Het blijft wennen, maar langzaam maar zeker valt er steeds meer op zijn plek.

Sleater-Kinney schaar ik absoluut onder mijn favoriete bandjes van de laatste drie decennia. Het trio dat werd geformeerd in Olympia, Washington, maar dat inmiddels alweer geruime tijd vanuit Portland, Oregon, opereert, leverde met albums als Call The Doctor (1996), Dig Me Out (1997), The Woods (2005) en No Cities To Love (2015) een aantal onbetwiste klassiekers af, maar de andere albums die de Amerikaanse band afleverde doen hier nauwelijks voor onder.

Waar de band in de jaren 90 de ene na de andere prachtplaat afleverde, is Sleater-Kinney in het nieuwe millennium niet erg productief. Na het geweldige The Woods uit 2005 was het maar liefst tien jaar stil en ook op de opvolger van het in 2015 verschenen No Cities To Love hebben we vier jaar moeten wachten.

Aan de vooravond van de release van The Center Won’t Hold werd duidelijk dat drumster Janet Weiss de band heeft verlaten, maar op het nieuwe album is ze nog wel te horen. Samen met overblijvers Carrie Brownstein en Corin Tucker ziet ze er op de nieuwe persfoto’s van de band behoorlijk gestyled uit, wat past bij het feit dat niemand minder dan St. Vincent het nieuwe album van de band produceerde.

Ik was op voorhand niet gerust op een goede afloop en toen ik The Center Won’t Hold voor het eerst had gehoord overheerste diepe teleurstelling. The Center Won’t Hold klinkt direct vanaf de eerste noten meer als een St. Vincent album dan als een Sleater-Kinney album. Elektronica domineert op het nieuwe album van de band uit Portland, terwijl de gitaren vaak nauwelijks te horen zijn.

In de openingstrack lijkt Sleater-Kinney zich na tweeënhalve minuut te ontworstelen aan het keurslijf van Annie Clark en horen we heel even het vertrouwde Sleater-Kinney geluid, maar lang duurt het niet. Producer Annie Clark heeft Sleater-Kinney ondergedompeld in een zwaar aangezette productie en heeft de band bovendien een flinke zet gegeven richting pop.

Ik geef direct toe dat het bij de eerste luisterbeurten niet meeviel om het zo opgepoetste Sleater-Kinney aan het werk te horen, maar een liefde van bijna 25 jaar geef je ook niet zomaar op. The Center Won’t Hold kan ook na vele luisterbeurten nog niet tippen aan de genoemde meesterwerken van de band, maar ik begin langzaam maar zeker wel wat te horen in Sleater-Kinney 2.0.

Voor het zover is moet je het oude geluid van de band loslaten. The Center Won’t Hold Bevat nergens de rauwe en stekelige rock die we van het Amerikaanse trio kennen. Het nieuwe album van Sleater-Kinney is meer een pop- dan een rockalbum, maar het is een popalbum dat langzaam maar zeker respect afdwingt. The Center Won’t Hold klinkt meer dan eens als een St. Vincent album, maar het is wel het meest rauwe St. Vincent album dat ik ken.

Luister nog wat beter en je hoort dat onder alle retro synths fantastisch gitaarwerk is verstopt. Het is gitaarwerk dat doet denken aan de hoogtijdagen van de post-punk, maar ook aan de gitaren die Bowie in zijn Berlijnse periode aan zijn muziek toevoegde.

Inmiddels ben ik er van overtuigd dat ik The Center Won’t Hold een prima album had gevonden als het niet onder de naam Sleater-Kinney was uitgebracht, want bij die naam verwacht ik toch echt iets anders. Aan de andere kant verdienen Carrie Brownstein en Corin Tucker respect voor het durven loslaten van een zeer succesvolle formule die na bijna 25 jaar nog niets van zijn glans had verloren.

Ik blijf het proberen met The Center Won’t Hold en iedere keer valt er weer wat meer op zijn plek. Of het album me ooit net zo dierbaar gaat worden als de genoemde meesterwerken van de band durf ik niet te voorspellen, maar The Center Won’t Hold verdient absoluut een kans. Sleater-Kinney 1.0 is dood, lever Sleater-Kinney 2.0. Erwin Zijleman

Sleater-Kinney - The Woods (2005)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sleater-Kinney - The Woods (2005) - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Sleater-Kinney - The Woods (2005)
Sleater-Kinney nam een paar jaar geleden de afslag richting pop, maar de rauwe gitaarsongs op hun wat mij betreft beste album The Woods uit 2005 zijn ook na al die jaren nog goed voor de spreekwoordelijke mokerslag

Sleater-Kinney werd met het succesvolle No Cities To Love uit 2015 uiteindelijk toch nog een grote band, maar Carrie Brownstein, Corin Tucker en Janet Weiss hadden op dat moment al een aantal geweldige albums op hun naam staan. Van die albums is The Woods wat mij betreft de meest aansprekende. Het is een album met de rauwe rocksongs die Sleater-Kinney op dat moment al een kleine tien jaar maakte, maar op The Woods is er ook ruimte voor experiment, wat het een interessant album maakt. Zeker het gitaarwerk op het album is geweldig, maar ook de andere puzzelstukjes vallen makkelijk op hun plek op een van de allerbeste albums van 2005.

De Amerikaanse band Sleater-Kinney werd halverwege de jaren 90 geformeerd in Olympia, Washington, en maakte in de eerste twintig jaar van haar bestaan een aantal geweldige albums. Call The Doctor uit 1996, Dig Me Out uit 1997, The Hot Rock uit 1999, All Hands On The Bad One uit 2000, One Beat uit 2002 en The Woods uit 2005 zijn allemaal albums die me zeer dierbaar zijn en die nauwelijks voor elkaar doen.

Na het laatstgenoemde album werd het stil rond Carrie Brownstein, Corin Tucker en Janet Weiss en was er tijd voor andere projecten. Sleater-Kinney keerde in 2015 terug met No Cities To Love, dat door velen wordt gezien als het beste album van het drietal. Het was in ieder geval het meest succesvolle album tot dat moment.

Vlak voor de release van The Center Won’t Hold in 2019 verliet drummer Janet Weiss de band. Het is waarschijnlijk niet helemaal los te zien van de koerswijziging op het album, waarop de band aan de hand van producer St. Vincent koos voor een meer pop georiënteerd en deels met synths ingekleurd geluid.

Ik vind The Center Won’t Hold en opvolger Path Of Wellness uit 2021 zeker niet zo slecht als alle critici die de albums genadeloos neersabelden, maar als ik mijn favoriete Sleater-Kinney album moet kiezen, kies ik toch voor The Woods uit 2005 of voor No Cities To Love uit 2015, waarbij mijn voorkeur meestal uit gaat naar het eerstgenoemde album.

Op The Woods hebben Carrie Brownstein, Corin Tucker en Janet Weiss het geluid van de eerste zes albums van Sleater-Kinney vervolmaakt. Het is een album waarop het drietal dat inmiddels was uitgeweken naar Portland, Oregon, nog vertrouwt op de basis van bas, drums en gitaar en vooral kiest voor rauwe songs. De ritmesectie speelt strak, terwijl het gitaarwerk alle ruimte krijgt. De karakteristieke stem van Corin Tucker, die je prachtig of vreselijk vindt, maakt het geluid van Sleater-Kinney compleet.

The Woods bevat een aantal van de elementaire indierock songs waarop het drietal sinds de tweede helft van de jaren 90 het patent had, maar op The Woods experimenteert de band ook met net wat langer uitgesponnen tracks, waaronder een track van maar liefst elf minuten. Het zijn tracks waarin het gitaarwerk zo nu en dan flink uit de bocht mag vliegen tot Led Zeppelin achtige proporties aan toe en met name in de tracks waarin dit gebeurt slaagt producer Dave Fridmann (met name bekend van The Flaming Lips en Mercury Rev) er in om zijn stempel te drukken op het album.

Op het grootste deel van The Woods hoor je echter precies wat Sleater-Kinney op alle albums die het tot 2019 uitbracht zo goed maakte. Zeker als Corin Tucker het uitschreeuwt, de gitaren aan alle kanten uit de bocht vliegen en Janet Weiss haar drumstel er flink van langs geeft hoor je op The Woods Sleater-Kinney op haar best. The Woods is op hetzelfde moment een van de meest veelzijdige albums van het Amerikaanse drietal en het album met het beste gitaarwerk.

Er doken de afgelopen jaren wel wat andere bands op die zich ontfermden over de rauwe erfenis van Sleater-Kinney, die Corin Tucker en Carrie Brownstein zelf lieten liggen, maar zo goed als op The Woods werd het nooit. In januari verschijnt een nieuw Sleater-Kinney album, dat is geproduceerd door de legendarische John Congleton. Ik ben er echt heel erg benieuwd naar, maar betwijfel of het album net zo’n mokerslag gaat uitdelen als The Woods deed in 2005 en eigenlijk nog steeds doet. Erwin Zijleman

Slint - Spiderland (1991)

poster
5,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Slint - Spiderland (1991) - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Slint - Spiderland (1991)
Spiderland van de Amerikaanse band Slint is niet het bekendste album van de enorme stapel memorabele gitaaralbums uit 1991, maar het is wel een van de meest bijzondere en een van de beste

De Amerikaanse band Slint had in 1991 geen gebrek aan concurrentie, want heeft het jaar veel geweldige gitaaralbums opgeleverd. Spiderland van Slint is in dit lijstje met albums een wat vreemde eend in de bijt. De gitaarmuziek van Slint was een stuk experimenteler dan die van de bands uit de grunge en de indierock en was in commercieel opzicht dan ook een stuk minder succesvol. In artistiek opzicht presteert de Amerikaanse band op haar tweede album echter op de toppen van haar kunnen, wat een album oplevert dat ook dertig jaar later nog fascineert en imponeert. Spiderland was helaas de zwanenzang van Slint, maar ook een van de beste gitaaralbums aller tijden.

De Amerikaanse band Slint werd in 1987 geformeerd in Louisville, Kentucky, en viel nog geen vijf jaar later alweer uit elkaar. In de tussenliggende periode maakte de band in 1989, samen met producer Steve Albini, het veelbelovende Tweez, dat in 1991 werd gevolgd door het fantastische Spiderland.

Spiderland wordt gerekend tot de allerbeste gitaarplaten van de jaren 90 of zelfs tot de beste gitaarplaten aller tijden, maar desondanks is het helaas een album dat lang niet bij iedere liefhebber van gitaarplaten bekend is. Nu was de concurrentie in 1991 ook moordend. De afgelopen jaren is het aantal gitaarplaten in de jaarlijstjes beperkt tot hooguit een handjevol, maar in 1991 kon het niet op.

Het was het jaar van Nevermind van Nirvana, van Ten van Pearl Jam, van Achtung Baby van U2, van Loveless van My Bloody Valentine, van Batmotorfinger van Soundgarden, van Out Of Time van R.E.M., van Weld van Neil Young & Crazy Horse, van Trompe Le Monde van Pixies, van Blood Sugar Sex Magik van Red Hot Chili Peppers, van Metallica van Metallica, van Green Mind van Dinosaur Jr. en dus van Spiderland van Slint.

Vergeleken met alle bovengenoemde albums is het tweede album van Slint relatief zware kost. De band rond Brian McMahan en David Pajo wordt gerekend tot de pioniers van de post-rock, maar met alleen het label post-rock doe je Spiderland van Slint tekort. Het tweede album van de band uit Louisville, Kentucky, is een verrassend veelzijdige gitaarplaat en het is er een die ruim 30 jaar later nog niets van zijn kracht heeft verloren.

Spiderland is zeker geen makkelijk album, maar het is ook geen album dat in de categorie moeilijkdoenerij valt. Slint toont zich op Spiderland een meester in het opbouwen van de spanning. De band werkt met mooie gitaarlijnen en vaak gesproken zang langzaam naar een climax, die soms komt in de vorm van een gitaaruitbarsting, maar die ook vaak achterwege blijft.

Spiderland bevat slechts zes songs en het zijn songs die in lengte variëren van ruim vijf tot bijna negen minuten. Slint neemt de tijd voor het uitwerken van haar songs die wonderschone passages en vervormd gitaargeweld moeiteloos aan elkaar lijmen. Het is muziek die zich niet zo makkelijk opdringt als bijvoorbeeld de grunge albums die het muziekjaar 1991 voor een belangrijk deel bepaalden, maar iedereen die in 1991 de tijd nam voor het tweede album van Slint kreeg een onbetwiste klassieker in handen.

Ik had het album echt al heel veel jaren niet meer beluisterd, maar ik was direct weer onder de indruk van de bijzondere songs, de hoge spanningsbogen, het geweldige gitaarspel en de bijzondere zang op het album. Post-rock zou na 1991 voor mij een genre vol lastig te doorgronden albums worden, maar Spiderland van Slint is een album dat je onmiddellijk in de ziel raakt.

Het album was in 1991 in commercieel opzicht natuurlijk lang niet zo succesvol als de meeste andere gitaaralbums die ik hierboven heb genoemd, maar de critici waren terecht lyrisch over het album. Het hielp de band niet, want Spiderland bleek al snel de zwanenzang van Slint, dat in 1992 definitief uit elkaar viel. De leden van de band kwamen allemaal goed terecht en zouden nog veel mooie muziek maken, maar wat was het mooi geweest als we wat langer van Slint hadden kunnen genieten. Dat genieten kan gelukkig wel van het wonderschone Spiderland, dat in geen enkele platenkast of playlist mag ontbreken. Erwin Zijleman

Slow Club - Complete Surrender (2014)

poster
3,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Slow Club - Complete Surrender - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Het is zomer en dat heeft, of ik het nu wil of niet, effect op de muziek die ik uit de speakers laat komen. Zou ik in de winter zijn gevallen voor Complete Surrender van Slow Club? Ik denk het eigenlijk niet, maar als de temperaturen boven de 25 graden klimmen en ik denk aan zandstranden of kabbelende bergbeekjes, blijkt de muziek van het Britse duo maar lastig te weerstaan en is de overgave al vrij snel compleet en onvoorwaardelijk.

De verleiding van Slow Club is overigens niet nieuw voor mij, want precies vijf jaar geleden was ik behoorlijk gehecht aan het debuut van de band, Yeah, So?, dat om onduidelijke redenen geen plekje wist te bemachtigen op deze BLOG. Yeah, So? was een frisse folkpop plaat met af en toe een ruwe uitspatting, die achteraf bezien kan worden omschreven als The White Stripes die de blues hebben verruild voor de folk.

Over het in 2011 verschenen Paradise was ik destijds minder te spreken, maar toen ik de plaat tijdens het schrijven van deze recensie nog eens beluisterde viel het me eigenlijk niet tegen.

Deze recensie gaat echter over de nieuwe plaat van het tweetal, Complete Surrender, en dit blijkt weer een geheel andere plaat dan zijn twee voorgangers. Op Complete Surrender gaan Charles Watson en Rebecca Taylor vooral aan de haal met invloeden uit de soul. Zeker wanneer Rebecca Taylor de vocalen voor haar rekening neemt hoor je invloeden uit de Britse blue-eyed soul van weleer, maar Complete Surrender verwerkt net zo makkelijk invloeden uit de hoogtijdagen van Motown of invloeden uit de meer hedendaagse funk, triphop en R&B.

De soul van Charles Watson en Rebecca Taylor klinkt soms mooi authentiek, soms fris en eigentijds en altijd zwoel en verleidelijk. Vanwege mijn voorkeur voor vrouwenstemmen veer ik vooral op wanneer Rebecca Taylor het voortouw neemt, maar ook de songs waarin ze genoegen moet nemen met de tweede viool overtuigen vrij makkelijk.

Complete Surrender is niet geschikt voor liefhebbers van hele subtiele platen, want bijna alles op de derde plaat van Slow Club is groots en meeslepend. Het geldt voor de vocalen, het geldt voor de refreinen en het geldt het grootste deel van de tijd voor de lekker vol klinkende instrumentatie.

Overdaad ligt dan op de loer, maar een en ander wordt op bijzonder knappe wijze binnen de perken gehouden door de geweldige productie van Colin Elliot, die eerder hele mooie dingen deed voor Richard Hawley en die er nu keer op keer in slaagt om de grootse soul van Slow Club te voorzien van meedogenloos trefzekere accenten.

In eerste instantie stribbelde ik nog heel even tegen, maar inmiddels ben ik toch volledig gevallen voor de charmes van Slow Club in het algemeen en voor die van Rebecca Taylor in het bijzonder. Ik gooi het voorlopig maar even op de zomerkriebels, al zou het me niet verbazen als het zwoele en opwindende Complete Surrender van Slow Club veel langer gaat stand houden dan ik nu kan vermoeden. Heerlijke plaat. Erwin Zijleman

Slow Hollows - Bullhead (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Slow Hollows - Bullhead - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Slow Hollows - Bullhead
De vorige albums van de Amerikaanse band Slow Hollows waren wat wispelturig en schoten alle kanten op, maar binnen het lome indierock geluid met een vleugje roots op Bullhead valt alles op zijn plek

Er is de afgelopen week niet heel veel geschreven over het nieuwe album van de Amerikaanse band Slow Hollows. Dat is jammer, want Bullhead is wat mij betreft een album dat een breed publiek moet kunnen aanspreken. De band uit Los Angeles heeft een mooi en bijzonder gitaargeluid. Het is een gitaargeluid dat af en toe wordt aangevuld met behoorlijk volle klanken van onder andere de pedal steel, strijkers en synths, wat de band rond Austin Feinstein voorziet van een duidelijk eigen geluid. Het is een geluid met een bijzondere sfeer, die er voor zorgt dat Bullhead van Slow Hollows zich steeds makkelijk opdringt. De vorige albums vind ik niet zo veel, maar dit is echt heel mooi.

Slow Hollows is een band uit Los Angeles, die deze week met Bullhead haar vierde album heeft afgeleverd. Als de vorige drie albums net zo goed zijn als Bullhead heb ik echt iets gemist de afgelopen jaren, want het nieuwe album van Slow Hollows is bijzonder mooi. Dat hoor je direct in de openingstrack en titeltrack van het album, waarin prachtig klinkende gitaarakkoorden worden gecombineerd met fluisterzachte maar warm klinkende zang, waarna wolkjes synths en pedal steel het prachtige geluid nog wat verder verfraaien.

De eerste track van het nieuwe album van Slow Hollows is prachtig opgebouwd en fascineert door het bijzonder mooie gitaarwerk, maar het is ook een hele goede song. De muziek van de Amerikaanse band, die wordt aangevoerd door Austin Feinstein, klinkt een beetje als 90s indierock, maar dan gecombineerd met een flinke dosis valium. Het tempo ligt lager, de gitaarakkoorden zijn zachter en de zang is dromeriger, maar toch klinkt Bullhead als een gitaaralbum, al hebben de songs van Austin Feinstein door de veelvuldige inzet van de pedal steel ook een Americana gevoel.

In de openingstrack wordt de spanning al fraai opgebouwd, maar in het prachtige Homebody doet de band dit nog veel beter door te kiezen voor meer dynamiek en hogere spanningsbogen. En zo valt er in alle songs op het album van alles te beleven. Slow Hollows is een meester in het afwisselen van redelijk sobere en bijna bombastische passages en combineert subtiele gitaarakkoorden moeiteloos met wolken synths en strijkers. Het ene moment klinkt de muziek van de Amerikaanse band loom en dromerig of zelfs bijna slaperig, maar het volgende moment heeft Austin Feinstein toch de indierock stand weer gevonden of schakelt hij naar zwaar aangezette popmuziek uit de jaren 70 en 80.

Bullhead is een album dat me continu aan van alles en nog wat doet denken, maar toch kan ik er geen moment de vinger op leggen. In muzikaal opzicht staat het allemaal als een huis en zeker bij beluistering met de koptelefoon hoor je hoeveel er gebeurt op het album. Zeker als de gitaren domineren en de klanken op Bullhead vrij subtiel zijn vind ik de muziek van Slow Hollows van een bijzondere schoonheid. Het combineert prachtig met de bijzondere zang van Austin Feinstein en als dan ook nog eens een pedal steel opduikt word ik keer op keer overvallen door een gevoel van gelukzaligheid. Bullhead is me ook wel eens wat net te bombastisch, al vind ik de zwaar aangezette klanken ook wel fascinerend, zeker als de songs betrekkelijk loom blijven klinken.

Ik heb inmiddels ook geluisterd naar de vorige drie albums en hoewel deze me een stuk minder aanspreken dan Bullhead, ben ik er inmiddels wel van overtuigd dat Austin Feinstein een bijzonder muzikant is, Slow Hollows begon ooit met wat psychedelisch aandoende rockmuziek met een jaren 60 sfeer, kwam vervolgens uit bij zwoele softpop met een scherp randje en schoof hierna op richting jazzy R&B pop. Vervolgens was het bijna vijf jaar stil rond Slow Hollows, maar op Bullhead heeft de band wat mij betreft haar ultieme geluid gevonden. Ik lees nog maar heel weinig over het album, maar Austin Feinstein verdient echt alle aandacht voor de muziek die hij maakt op het verrassende Bullhead. Erwin Zijleman

Slow Pulp - Moveys (2020)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Slow Pulp - Moveys - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Slow Pulp - Moveys
Slow Pulp krijgt makkelijk labels als shoegaze en dreampop opgeplakt, maar de Amerikaanse band verrast op haar debuut met een eigen geluid vol invloeden en vol verleiding

Ik hou wel van het soort muziek dat de Amerikaanse band Slow Pulp maakt. Fluisterzachte zang, mooi gitaarwerk en fraaie melodieën typeren het geluid van de band uit Chicago, maar Slow Pulp verrast evenzeer met een geluid vol dynamiek en de nodige variatie. Hier en daar duiken invloeden uit de shoegaze en dreampop op, maar ik hoor net zo goed invloeden uit de slowcore of tracks die eerder folky zijn. Moveys is een debuut dat liefhebbers van dit soort muziek makkelijk zal verleiden, maar het is ook een debuut dat veel beter is dan je bij eerste beluistering zult vermoeden en ook na vele keren horen is de rek er bij mij nog lang niet uit.

Na een aantal EP’s debuteert de Amerikaanse band Slow Pulp deze week met haar eerste volwaardige album, Moveys. De band, die haar oude thuisbasis Madison, Wisconsin, inmiddels heeft verruild voor wereldstad Chicago, opereert in een genre waarin het momenteel dringen is. Moveys bevat naar verluidt een combinatie van invloeden uit de shoegaze, dreampop en postpunk en dat is een combinatie van invloeden die ik momenteel wel erg vaak tegen kom.

Toch had ik onmiddellijk een positieve indruk van het debuut van de Amerikaanse band, die toch wat anders klinkt dan de meeste van haar soortgenoten. Slow Pulp kent haar klassiekers binnen de genoemde genres, maar blijft ver verwijderd van het reproduceren van deze klassiekers. Vergeleken met de meeste andere bands die etiketten als shoegaze, dreampop en postpunk krijgen opgeplakt, klinkt Slow Pulp vooral eigentijds en zet het invloeden uit het verleden nergens te dik aan.

Moveys klinkt dan ook geen moment als een dreampop, shoegaze of postpunk album uit het verleden, maar kruipt dicht aan tegen de muziek van bijvoorbeeld Phoebe Bridgers of Soccer Mommy. Zangeres Emily Massey beschikt over een stem die wel wat lijkt op die van Phoebe Bridgers of een van haar vele soortgenoten en het is het soort stem waarvoor ik makkelijk val.

In muzikaal opzicht is de muziek van Slow Pulp rijker dan die van Phoebe Bridgers. Moveys is op subtiele wijze verrijkt met invloeden uit de al eerder genoemde genres, maar klinkt vergeleken met de meeste albums in deze genres wat minder zwaar en soms zelfs folky, zoals in de fraaie openingstrack. De gitaren zijn maar zelden echt heel gruizig, de muziek van de band is melodieus en het tempo ligt in eerste instantie laag. Door dit lage tempo hoor ik ook wel invloeden uit de slowcore, maar de muziek van Slow Pulp is wel wat lichtvoetiger dan gebruikelijk in dit genre.

De kracht van het soort muziek dat Slow Pulp maakt schuilt vaak ik de herhaling. Ook Moveys heeft een bezwerende kracht, maar de Amerikaanse band zoekt ook de variatie in haar muziek. Dit doet de band door na een aantal zicht langzaam voortslepende tracks het tempo flink op te voeren en door subtiel te variëren in haar geluid, dat me overigens, buiten de zang, ook vaak doet denken aan The Smashing Pumpkins in hun beste dagen of bijna net zo makkelijk aan Big Thief.

Moveys is ook in tekstueel opzicht een boeiend album. Frontvrouw Emily Massey kreeg de afgelopen jaren flink wat te verwerken en ook de lockdown vanwege het coronavirus hakt er aardig in bij de jonge honden van Slow Pulp.

Beluistering van Moveys roept bij mij veel en uiteenlopende associaties op, want de helft van mijn albums uit de jaren 90 komt voorbij, maar op hetzelfde moment klinkt het debuut van de band fris en eigentijds en blijken de songs op het debuut van de band over de nodige groeipotentie te beschikken.

Zeker in een lome bui dringt de muziek van Slow Pulp zich genadeloos op en vallen met name de gitaarpartijen en de fluisterzachte zang van Emily Massey zeer in de smaak, maar ook op andere momenten wint het debuut van de band uit Chicago nog steeds aan kracht. Het valt niet mee om in deze tijd nog aandacht te trekken met muziek waarop labels als dreampop en shoegaze worden geplakt, maar het in deze hokjes toch wat atypische Moveys van Slow Pulp verdient deze aandacht absoluut. Erwin Zijleman

Slow Pulp - Yard (2023)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Slow Pulp - Yard - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Slow Pulp - Yard
De Amerikaanse band Slow Pulp debuteerde drie jaar geleden zeer verdienstelijk, maar zet enorme stappen op haar tweede album Yard, dat is gevuld met geweldige indierock, indiepop en indiefolk songs

Er verschenen dit jaar heel veel indierock albums als Yard van Slow Pulp. Het zijn albums waarop zowel wordt geput uit de archieven van de 90s indierock als uit de archieven van de indierock van dit moment, maar het tweede album van de band uit Chicago is zeker geen dertien in een dozijn indierock album. Daarvoor zijn de songs op Yard echt veel te goed en veelzijdig, want Slow Pulp schudt de onweerstaanbaar lekkere songs uit de mouw en beperkt zich zeker niet tot de indierock. De band beschikt in de persoon van Emily Massey ook nog eens over een uitstekende zangers, die de prima songs van de Amerikaanse band heel ver boven het maaiveld uit tilt.

Yard van Slow Pulp verscheen in een van de drukste releaseweken van 2023 en viel bij mij helaas tussen wal en schip. En dat terwijl ik in de herfst van 2020 nog zo enthousiast was over het debuutalbum van de band die via Madison, Wisconsin, was neergestreken in Chicago, Illinois. Slow Pulp timmerde op dat moment nog niet eens zo heel lang aan de weg, maar maakte op haar debuutalbum Moveys indruk met frisse pop- en rocksongs, die ingrediënten uit verschillende genres verwerkten in een eigenzinnig eigen geluid.

Het is een album dat ik eerlijk gezegd al lang weer was vergeten, maar dankzij een aantal jaarlijstjes kwam ik toch weer op het spoor van de band en haar tweede album Yard. Het is een album dat de afgelopen maanden behoorlijk is bewierookt, maar ook dat was kennelijk niet genoeg om eens goed naar het album te luisteren. Gelukkig werd ik op het juiste moment wakker geschud, want wat is dit een goed album.

Op Yard laat Slow Pulp flink wat groei horen, want het tweede album van de band uit Chicago is echt in alle opzichten beter dan het debuutalbum uit 2020. Net als het debuutalbum van Slow Pulp is ook het tweede album van de Amerikaanse band een album dat vooral als een indierock album zal worden bestempeld. Dat is een vrij brede verzamelterm die niet altijd op zijn plaats is, maar voor de beschrijving van Yard is de term redelijk trefzeker.

Zeker wanneer frontvrouw Emily Massey wat zachter zingt laat de muziek van Slow Pulp raakvlakken horen met de indierock van Phoebe Bridgers en consorten, maar het album bevat ook een aantal songs die vooral associaties oproepen met de indierock die in de jaren 90 werd gemaakt door bands met een vrouwelijk boegbeeld als Belly, The Breeders en Throwing Muses.

Indierock is echter ook een vlag die de lading niet helemaal dekt, want Slow Pulp neemt op Yard ook met enige regelmaat flink gas terug, wat een aantal songs oplevert die best als indiepop of indiefolk mogen worden omschreven, waarna ook nog een een heuse country track volgt.

De mannelijke leden van Slow Pulp spelen al samen sinds de basisschool, maar de band kreeg op de middelbare school een enorme boost met de komst van Emily Massey, die op Yard laat horen dat ze een uitstekende zangeres is. Ook in muzikaal opzicht is de band overigens flink gegroeid, want het bij vlagen lo-fi geluid van het debuutalbum klinkt op het nieuwe album een stuk voller en rijker.

Met de zang en de muziek zit het wel goed, maar de meest indrukwekkende groei hoor ik in de songs op Yard. De band uit Chicago rijgt op haar tweede album de geweldige songs aan elkaar. De ene keer rauw en gruizig, de volgende keer aanstekelijk en poppy of juist ingetogen en folky. Het zijn songs die herinneren aan een heleboel leuke bands uit de indierock, indiepop en indiefolk, maar alle songs dragen ook nadrukkelijk het stempel van Slow Pulp.

Het is dan ook niet voor niets dat het album hier en daar wordt onthaald als een indierock klassieker, al is dat wat mij betreft een status die een album pas na een aantal jaren kan verkrijgen. Een potentiële indierock klassieker is Yard van Slow Pulp wat mij betreft wel, want wat zijn de songs van de band onweerstaanbaar lekker en wat zit er nog veel groei in. Ik baal er dan ook stevig van dat ik het album in september aan de kant schoof, maar gelukkig hebben de jaarlijstjes van onder andere Paste Magazine me nog net op tijd op het juiste spoor gezet. Erwin Zijleman

Slow Worries - Careful Climb (2020)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Slow Worries - Careful Climb - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Slow Worries - Careful Climb
De Amsterdamse band Slow Worries heeft een gitaarplaat gemaakt vol echo’s uit de jaren 90, vol geweldig gitaarwerk, met prima zang en ook nog eens vol aanstekelijke songs

Gitaarplaten zoals die in de jaren 90 werden gemaakt krijgen de afgelopen jaren weer wat meer waardering en vinden daarom gelukkig ook weer navolging. De Amsterdamse band Slow Worries laat zich op haar debuut Careful Climb stevig inspireren door de betere gitaarmuziek uit de jaren 90, maar klinkt ook eigentijds. Bij eerste beluistering vallen vooral het heerlijke gitaarwerk en de overtuigende zang op, maar niet veel later hoor je dat de Amsterdamse band ook uitstekende songs schrijft, die niet alleen eindeloos vermaken, maar ook de fantasie prikkelen. Het is de tijd van gezapige kerstalbums, maar gelukkig komt er ook fraai gitaargeweld als dat van Slow Worries voorbij.

In de laatste weken van het jaar komt er meestal niet al te veel bijzonders meer uit, maar de Nederlandse muziekscene lijkt daar dit jaar lak aan te hebben. En geef ze eens ongelijk in een tijd waarin niet veel meer kan dan muziek opnemen. Er verschenen deze week daarom nogal wat leuke albums van eigen bodem, waaronder het debuut van de Amsterdamse band Slow Worries, dat na een aantal jaren werk dan eindelijk in de winkel ligt.

Er wordt dit jaar nogal eens terug gegrepen op muziek uit de jaren 90 en ook Careful Climb van Slow Worries is niet vies van invloeden uit dit decennium. Ik pik Dinosaur Jr. en The Breeders er even uit als relevant vergelijkingsmateriaal, maar de lijst met potentieel vergelijkingsmateriaal zou ook met gemak deze hele recensie kunnen vullen.

De Amsterdamse band komt op haar debuut op de proppen met een lekker stevig gitaargeluid, dat meer dan eens refereert naar de betere indie-rock uit de jaren 90. Het is een gitaargeluid dat, mede dankzij het in de gelederen hebben van twee gitaristen, verrassend vol klinkt en ondanks het feit dat af en toe behoorlijk hoge gitaarmuren worden opgebouwd, komt dit gitaargeluid ook verrassend gedetailleerd uit de speakers.

In muzikaal opzicht is het, zeker voor de liefhebbers van gitaarplaten, smullen, maar ook in vocaal opzicht heeft Slow Worries een sterke troef in handen. Zangeres Maaike Munting is met haar krachtige stem het gitaargeweld meer dan eens de baas en ze slaagt er bovendien in om veel gevoel en expressie in haar stem te leggen, wat de impact van de muziek van Slow Worries verder vergroot.

Met het werkelijk geweldige gitaarwerk en de overtuigende zang heeft Slow Worries al twee sterke wapens in handen, maar zonder kwalitatief goede songs wordt het niks. Ook in het schrijven van goede songs is de Amsterdamse band, die overigens bestaat uit gelouterde muzikanten en ex-leden van bands als HOWRAH en Apneu, echter zeer bedreven. De uptempo songs op Careful Climb gaan er stuk voor stuk in als koek en blijven ook bij herhaalde beluistering leuk en interessant.

De criticus zal beweren dat Slow Worries op haar debuut niet veel nieuws doet. Dat is misschien ook wel zo, maar hoeveel albums met dit soort gitaarmuziek worden er tegenwoordig nog gemaakt? Echt veel te weinig als je het mij vraagt. Bovendien vindt de Nederlandse band op Careful Climb een fraai evenwicht tussen stevig gitaarwerk en bijzonder lekker in het gehoor liggende songs en dat is een kwaliteit die schaars genoeg is om het debuut van Slow Worries vol liefde te omarmen. Careful Climb is bovendien veel meer dan jaren 90 retro en legt flink wat accenten die meer bij het heden dan de jaren 90 horen.

Tien songs in 28 minuten, het is niet veel, maar het zijn wel 28 minuten vol energie die in razend tempo aan je voorbij trekken. Op een of andere manier is een klein half uur ook wel genoeg, al is het maar omdat de Amsterdamse band nu een album heeft afgeleverd dat niet verslapt. En als het niet genoeg is, zet je Careful Climb gewoon nog eens op, om te concluderen dat de songs van Slow Worries alleen maar leuker worden.

De winterslaap in de muziek lijkt in de meeste landen al begonnen, maar in Nederland worden we gelukkig nog ruw wakker geschud, bijvoorbeeld door het prima debuut van Slow Worries. Heerlijke plaat. Erwin Zijleman