MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Steve Lacy - Gemini Rights (2022)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Steve Lacy - Gemini Rights - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Steve Lacy - Gemini Rights
De Amerikaanse muzikant Steve Lacy staat in de VS bekend als grote belofte voor de toekomst en laat op zijn nieuwe album Gemini Rights tien songs lang horen dat daar helemaal niets op valt af te dingen

In drukkere tijden zou ik Gemini Rights van Steve Lacy waarschijnlijk niet opgemerkt hebben, maar in een wat rustige muziekweek konden de lovende recensies van de Amerikaanse muziekpers me bijna niet ontgaan. Van de lovende of zelfs lyrische woorden van de Amerikaanse muziekjournalisten is niets gelogen, want Gemini Rights is een ijzersterk album dat opvalt door een mooie productie, bijzondere arrangementen en vooral door songs die de hand van een groot songwriter verraden. Steve Lacy laat zich beïnvloeden door muziek uit het verleden, maar sluit ook moeiteloos aan bij de soul, R&B en pop van dit moment. Het levert een razend knap album op dat herinnert aan de eerste stappen van een aantal grootheden.

Mijn muzieksmaak staat nooit helemaal los van het weer. In de herfst en winter komen donker getinte albums voor mij het best tot zijn recht en wanneer de temperaturen wat oplopen ga ik bijna vanzelf op zoek naar zonnigere klanken. Bij de extreme temperaturen van het moment wordt mijn liefde voor soul en R&B aangewakkerd en het is dan ook niet zo gek dat Gemini Rights van Steve Lacy het hier thuis momenteel heel goed doet.

Steve Lacy, niet te verwarren met de gelijknamige jazzmuzikant, kwam ik volgens mij nog niet eerder tegen. Hij speelde op jonge leeftijd een tijdje in de band The Internet en timmerde de afgelopen jaren aan de weg als muzikant en producer, wat hem een Grammy nominatie opleverde voor zijn debuutalbum Apollo XXI (hij won overigens al een Grammy toen hij nog op de middelbare school zat met een album van The Internet). Het is me, ondanks zijn bijdragen aan de muziek van onder andere Kendrick Lamar, Vampire Weekend en Solange, allemaal ontgaan, maar dankzij de lovende recensies in met name de Amerikaanse muziekmedia maakte ik deze week alsnog kennis met de muziek van Steve Lacy.

Het met zwoele soul en R&B gevulde Gemini Rights doet het zoals gezegd uitstekend bij de hoge temperaturen van het moment, maar het nieuwe album van Steve Lacy heeft veel meer te bieden dan dat. Voor Apollo XXI had de muzikant uit Los Angeles nog genoeg aan een iPhone en een MacBook, maar Gemini Right werd opgenomen in een goede studio, waar ook de nodige gastmuzikanten aansloten. Het doet de muziek van Steve Lacy goed, want Gemini Right dringt zich onmiddellijk op met een warm geluid vol mooie details.

Gemini Rights kan mee met de succesvolle R&B albums van het moment, maar Steve Lacy kent ook zijn klassiekers. Het nieuwe album van de Amerikaanse muzikant klinkt aan de ene kant modern, maar je hoort ook continu flarden uit het verleden. Uit het verleden komen invloeden uit de soul, de psychedelica en de singer-songwriter pop uit de jaren 70, die met een beetje jazz worden samengesmeed met invloeden uit de pop en R&B van het moment. Steve Lacy is zeker niet de enige muzikant die met deze combinatie van invloeden aan de haal gaat, maar de Amerikaanse muzikant weet zich te onderscheiden als songwriter, arrangeur en producer.

Gemini Rights is een album vol fraai gearrangeerde en prachtig geproduceerde songs, maar het is ook een album vol buitengewoon aansprekende songs. Het zijn songs die zich door alle invloeden niet makkelijk in een hokje laten duwen, maar het zijn ook songs die allemaal verschillend klinken, wat een gevarieerd album oplevert. Het zijn op hetzelfde moment songs die op een of andere manier bij eerste beluistering al bekend in de oren klinken.

Steve Lacy beheerst de kunst van het schrijven van tijdloze popsongs, maar het zijn ook nog eens in kwalitatief opzicht hoogstaande popsongs. Natuurlijk moeten we de jonge Amerikaanse muzikant niet direct gaan vergelijken met Stevie Wonder of Prince of met de uitschieters binnen de huidige R&B scene, maar dat de muzikant uit Los Angeles bulkt van het talent is zeker. Gemini Rights kwam bij mij binnen als soundtrack voor te warme zomerdagen, maar inmiddels vind ik het vooral een razendknap album dat tien songs lang imponeert en de naam Steve Lacy koppelt aan torenhoge beloftes voor de toekomst. Erwin Zijleman

Steven Wilson - To the Bone (2017)

poster
4,0
[quote]glenn53 schreef:
(quote)


aha, daar zingt ze ook op. Is het nadeel van het ontbreken van credits op Spotify

Stevie Nicks - 24 Karat Gold (2014)

Alternatieve titel: Songs from the Vault

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Stevie Nicks - 24 Karat Gold - Songs From The Vault - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Voor een cd met restjes van de plank veer ik maar zelden enthousiast op, maar hoe zit dat wanneer deze restjes afkomstig zijn van één van de betere en bovendien één van de meest succesvolle songwriters van de afgelopen decennia?

Stevie Nick, want daar heb ik het over, trok aan het eind van de jaren 60 voor het eerst aandacht als zangeres van de band Fritz, die ze samen met haar studiegenoot Lindsey Buckingham had geformeerd. Een paar jaar later waren Nicks en Buckingham niet alleen een stel, maar had het duo als Buckingham Nicks ook een plaat vol geweldige popliedjes opgeleverd. De plaat flopte genadeloos, maar het tweetal werd wel uitgenodigd om het op dat moment meer dood dan levende Fleetwood Mac te reanimeren. De rest is geschiedenis.

Stevie Nicks had niet alleen een groot aandeel in het succes van Fleetwood Mac, maar maakte de afgelopen decennia ook een groot aantal soloplaten van hoog niveau, met het in 1981 verschenen debuut Bella Donna als hoogtepunt en het in 2011 verschenen en eveneens uitstekende In Your Dreams als voorlopig slotakkoord.

24 Karat Gold - Songs From The Vault bevat, zoals het tweede deel van de titel al aangeeft, songs die Stevie Nicks nog op de plank had liggen. Het ging in de meeste gevallen om ruwe demo’s, die het afgelopen jaar verder zijn uitgewerkt en opnieuw zijn opgenomen. Stevie Nicks heeft haar archieven kennelijk goed op orde, want de oudste songs stammen uit de periode voor Buckingham Nicks, toen Stevie de highschool nog maar nauwelijks was ontgroeid.

24 Karat Gold - Songs From The Vault geeft, met in ieder geval voor mij nieuwe songs, een mooi overzicht van de lange carrière van Stevie Nicks en bevat songs uit alle onderdelen van haar zo succesvolle carrière. De plaat bevat 14 tracks (twee extra op de luxe editie) en het zijn allemaal tracks die het uit duizenden herkenbare Stevie Nicks geluid laten horen. Het is een geluid dat voor een belangrijk deel wordt bepaald door haar mooie en bijzondere stem en dat hiernaast opvalt door het vermogen van Stevie Nick om schaamteloos aanstekelijke maar tegelijkertijd artistiek verantwoorde popsongs te schrijven.

Het is ook een geluid dat in de loop der tijd niet heel erg is veranderd, want ondanks het feit dat de songs op 24 Karat Gold een periode van zo’n 45 jaar beslaan, klinkt alles als 100% Stevie Nicks en zou het net zo goed kunnen gaan om een vergeten reissue als om een gloednieuwe plaat.

Belangrijkste vraag is nu natuurlijk of het eerste deel van de titel van de plaat recht doet aan de songs die de plaat uiteindelijk wisten te halen of dat restjes op de plank niet voor niets op de plank zijn blijven liggen. Ik neig naar het eerste. 24 Karat Gold is natuurlijk een hopeloos pretentieuze titel voor een selectie songs die de afgelopen decennia niet goed genoeg werden bevonden voor een release, maar op de kwaliteit van de songs op de plaat valt niets af te dingen. Ik kende op voorhand geen van de songs op de plaat, maar na één keer horen klonken ze alle veertien niet alleen vertrouwd, maar ook bijzonder aangenaam.

24 Karat Gold - Songs From The Vault bevat misschien restjes, maar het is uiteindelijk een plaat die niet onder doet voor alle andere platen van Stevie Nicks en die zijn zonder uitzondering goed. Het levert al met al een heerlijke plaat op met 'nieuw' Stevie Nicks materiaal. Zeer de moeite waard. Erwin Zijleman

Stevie Nicks - Bella Donna (1981)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Stevie Nicks - Bella Donna / The Wild Heart, reissues - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Stevie Nicks staat tegenwoordig vooral op het podium met de zoveelste wederopstanding van Fleetwood Mac en lijkt niet meer toe te komen aan het maken van nieuwe muziek.

Sinds het uitstekende In Your Dreams uit 2011 moeten we het dus doen met gerecycled materiaal, maar daar is in het geval van Stevie Nicks vooralsnog gelukkig niets mis mee.

Na het echt prachtige 24 Karat Gold: Songs From The Vault uit 2014 en de onlangs verschenen reissue van Fleetwood Mac’s Mirage, waarop Stevie Nicks een flinke vinger in de pap had, zijn nu fraaie heruitgaven verschenen van de eerste twee soloplaten van Stevie Nicks, die voor haar toetreding tot Fleetwood Mac natuurlijk ook al een klassieker maakte met Lindsey Buckingham (Buckingham Nicks).

Een jaar voordat Fleetwood Mac terugkeerde met Mirage (de opvolger van Tusk), kwam Stevie Nicks in 1981 op de proppen met haar eerste soloplaat, Bella Donna. Het is volgens velen ook nog steeds haar beste soloplaat en daar is zeker iets voor te zeggen.

Het door Jimmy Iovine geproduceerde solodebuut van Stevie Nicks bevat songs die voor een belangrijk deel in het verlengde liggen van de songs die ze in de jaren ervoor bij Fleetwood Mac maakte, al legt ze ook net wat andere accenten en kiest ze over het algemeen voor een net wat gepolijster geluid.

Ik hou persoonlijk wel van de songs van Stevie Nicks en hierdoor voelt ook Bella Donna nog altijd aan als een warm bad. Het is een warm bad dat flink is beïnvloed door de wijze waarop in de jaren 80 muziek werd gemaakt en vooral geproduceerd, waardoor de eerste soloplaat van Stevie Nicks net wat minder tijdloos klinkt dan de platen van Fleetwood Mac van een paar jaar ervoor, maar er valt op Bella Donna genoeg te genieten. Bijvoorbeeld van de prima songs die Stevie Nicks voor dit album geschreven heeft en natuurlijk van haar mooie en zo herkenbare stem.

Ik had Bella Donna al zeker 30 jaar niet meer gehoord, maar het is opvallend hoe de songs van Stevie Nicks van decennia geleden zich hebben genesteld in het geheugen. Het geldt voor de songs die Stevie Nicks alleen maakt, maar zeker ook voor de gloedvolle duetten met Tom Petty en Don Henley. Het met veel bonusmateriaal opgepoetste Bella Donna is voor mij een plaat vol goede herinneringen, maar ook in muzikaal opzicht staat deze soloplaat van Stevie Nicks wat mij betreft nog overeind.



Het in 1984 verschenen The Wild Heart brengt bij mij geen herinneringen naar boven, want ik had de plaat tot voor kort nog nooit gehoord.

Nu gelukkig wel, want The Wild Heart laat zich beluisteren als Bella Donna 2.0.

Stevie Nicks kiest op haar tweede soloplaat voor een vergelijkbaar geluid, dezelfde producer en hetzelfde type songs, maar het zijn net als op het debuut songs om te koesteren.

Ook The Wild Heart zou ik graag eens horen zonder de net wat te zwaar aangezette 80s productie, die overigens flink meer synths bevat dan Prima Donna (bijvoorbeeld in de single Stand Back die ik natuurlijk wel kende), maar gelukkig was Jimmy Iovine een stuk kundiger dan veel van zijn tijdgenoten.

Ook The Wild Heart is aangevuld met het nodige bonusmateriaal, maar de tien songs die destijds op het album stonden zijn het meest essentieel en klinken als je het mij vraagt nog steeds fris en essentieel.

Het is wederom een opgewarmde prak van Stevie Nicks, maar ook dit keer is het geserveerde buitengewoon smakelijk en gaat het bovendien in beide gevallen om platen die meer dan 30 jaar na de release maar weinig van hun oorspronkelijke glans hebben verloren. Ik ben er blij mee dus. Erwin Zijleman

Stevie Wonder - Songs in the Key of Life (1976)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Stevie Wonder - Songs In The Key Of Life (1976) - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Stevie Wonder - Songs In The Key Of Life (1976)
Stevie Wonder timmert al vanaf het begin van de jaren 60 aan de weg, maar maakte zijn beste albums in de jaren 70, met het indrukwekkende dubbelalbum Songs In The Key Of Life uit 1976 als onbetwist hoogtepunt

Songs In The Key Of Life van Stevie Wonder wordt gerekend tot de kroonjuwelen van de popmuziek en daar valt niets op af te dingen. De Amerikaanse muzikant maakte in de jaren 70 meerdere uitstekende albums, maar op het in 1976 verschenen album komt alles samen. Stevie Wonder vermengt op Songs In The Key Of Life meerdere stijlen en kleurt zijn songs prachtig in met een flinke stapel instrumenten. Ook in vocaal opzicht maakt de Amerikaanse muzikant makkelijk indruk en dat doet hij ook met de combinatie van grote hits en wat dieper gravende songs. Songs In The Key Of Life is zo’n zeldzaam album waarop alles klopt en dat doet het 48 jaar na de release nog steeds.

Ergens aan het begin van de jaren 80 besloot ik om mijn muzieksmaak wat te verbreden en kocht ik in de ramsj op goed geluk twee albums van Stevie Wonder. Journey Through The Secret Life Of Plants kon ik als liefhebber van elektronische muziek en symfonische rock bij vlagen wel enigszins waarderen, maar met Songs In The Key Of Life had ik destijds echt helemaal niets.

Inmiddels zijn de rollen omgedraaid. Journey Through The Secret Life Of Plants uit 1979 blijft een bijzonder album en een zeer moedig album (ook bekeken vanuit het perspectief van de platenmaatschappij), maar ik kan van het overgrote deel van de songs op het album toch geen chocolade maken. Songs In The Key Of Life uit 1976 daarentegen reken ook ik inmiddels tot de onbetwiste klassiekers uit de geschiedenis van de popmuziek.

Het een uur en drie kwartier durende album laat het veelzijdige talent van Stevie Wonder horen, die met Songs In The Key Of Life overigens al zijn achttiende album afleverde. Op het dubbelalbum Songs In The Key Of Life staan invloeden uit de soul centraal, maar Stevie Wonder sleept er ook invloeden uit de funk, jazz en pop bij. Het album werd gemaakt met een waslijst aan uitstekende muzikanten en een nog langere lijst met achtergrondzangers en zangeressen.

Ik heb vaak wel wat moeite met de stem van Stevie Wonder, zeker wanneer hij er flink wat stembuigingen tegenaan gooit, maar op de zang op Songs In The Key Of Life heb ik niets aan te merken. Stevie Wonder zingt op Songs In The Key Of Life heerlijk soulvol en laat zich prachtig ondersteunen door flink wat achtergrondvocalisten, onder wie de nodige zangeressen, die zorgen voor een prachtig vol geluid.

In muzikaal en productioneel opzicht is het album nog wat indrukwekkender. Songs In The Key Of Life staat vol met lekker in het gehoor liggende songs, die zijn ingekleurd met stapels instrumenten. Stevie Wonder produceerde het album zelf en is er in geslaagd om al die instrumenten, waarvan hij zelf het merendeel bespeelde, te integreren in een geluid dat is blijven ademen. Zeker de synths op het album doen inmiddels misschien wat ouderwets aan, maar voorzien Songs In The Key Of Life wel van een herkenbaar eigen geluid.

Het album bevat met onder andere Sir Duke, I Wish, As, Another Star en Isn’t She Lovely een aantal hele grote hits, maar de minder bekende songs op het album zijn minstens net zo interessant. Ook in tekstueel opzicht is het afwisselend maatschappelijk en persoonlijk betrokken Songs In The Key Of Life overigens een interessant album.

Ik heb na de min of meer toevallige aanschaf van Songs In The Key Of Life heel lang niet meer naar de muziek van Stevie Wonder geluisterd en ben daar eigenlijk vorig jaar pas weer mee begonnen en het bevalt me uitstekend. Songs In The Key Of Life is overigens ook een album dat enorm veel invloed gehad moet hebben op Prince, zeker wanneer het gaat om de veelheid aan invloeden, waaronder invloeden uit de jazz en de funk, en het oog voor detail in de instrumentatie en productie, maar ook de zang heeft een jonge Prince duidelijk geïnspireerd.

Stevie Wonder heeft sinds het nog heel behoorlijke Hotter Than July uit 1980 helaas niet veel bijzonders meer gemaakt, maar met name zijn albums uit de jaren 70 zijn van een hoog niveau met wat mij betreft Talking Book uit 1972, Innervisions uit 1973 en vooral het geweldige Songs In The Key Of Life uit 1976 als uitschieters. Erwin Zijleman

Still Corners - The Last Exit (2021)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Still Corners - The Last Exit - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Still Corners - The Last Exit
Still Corners heeft met The Last Exit een heuse trilogie voltooid en doet dit met een album vol beeldende, dromerige en betoverende klanken, die je meenemen op een fraaie roadtrip

Ik was Still Corners na hun eerste twee albums voor het Sub Pop label uit het oog verloren, maar ben net op tijd bij de les om de voltooiing van een heuse trilogie mee te maken. The Last Exit bevat alle invloeden die de eerste albums van de Brits-Amerikaanse band zo bijzonder maakten, maar kiest ook voor nog wat beeldendere klanken, die het gevoel van een roadtrip moeten geven. Daar is Still Corners zeker in geslaagd, want laat je meevoeren op de mooie klanken en je waant je niet langer in het koude Nederland, maar ergens in het zuiden van de Verenigde Staten, in een tijd dat je bij corona nog vooral dacht aan een Mexicaans biertje. Het vleugje Mazzy Star dat geregeld opduikt is een extra bonus.

Ik was in 2011 en 2013 behoorlijk enthousiast over de eerste twee albums van de Brits-Amerikaanse band Still Corners. Creatures Of An Hour (2011) en Strange Pleasures (2013) maakten niet alleen indruk met aangename en vaak wat dromerige klanken, maar wisten ook op fraaie wijze zeer uiteenlopende invloeden, variërend van 60s psychedelica, 70s Krautrock, 80s new wave, 90s dreampop tot filmmuziek van alle tijden, met elkaar te combineren.

De eerste twee albums van Still Corners konden rekenen op positieve recensies, maar het was voor het roemruchte Sub Pop label kennelijk niet genoeg om het platencontract van de band te verlengen. Greg Hughes en Tessa Murray verruilden het dure Londen vervolgens voor de Britse kust, waar de Amerikaanse muzikant en zijn Britse evenknie gewoon verder gingen met het maken van muziek.

Het deze week verschenen The Last Exit is het derde deel van een trilogie, die in 2016 werd gestart met Dead Blue en in 2018 een vervolg kreeg met Slow Air. Het zijn albums die me volledig zijn ontgaan, maar toen ik vorige week een nieuw Still Corners album in de lijst met nieuwe releases zag staan, was ik direct weer bij de les.

De trilogie die Still Corners de afgelopen jaren heeft voltooid heeft de roadtrip als centraal thema en het is dan ook geen verrassing dat het Brits-Amerikaanse tweetal het beeldende karakter van haar muziek verder heeft versterkt.

The Last Exit heeft echter ook nog flink wat raakvlaken met de eerste twee albums van de band. De bovengenoemde invloeden zijn allemaal, zij het in meerdere of mindere mate, hoorbaar op The Last Exit, dat hier en daar wat invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek toevoegt.

Ondanks het feit dat Still Corners een thuis heeft gevonden aan de Britse kust, tovert The Last Exit toch vooral beelden van de uitgestrekte landschappen in de Verenigde Staten op het netvlies, zeker wanneer de muziek van de band wordt verrijkt met twangy gitaren.

Ik heb bij beluistering van de muziek van Still Corners altijd associaties gehad met de muziek van Mazzy Star en die heb ik ook bij beluistering van The Last Exit. De zang van Tessa Murray is wat minder zwoel en broeierig dan die van Mazzy Star’s Hope Sandoval, maar ze slaagt er wel in om de muziek van Still Corners te voorzien van een luie en dromerige sfeer.

Ook in muzikaal opzicht hoor ik hier en daar wel wat van Mazzy Star, al is de muziek van Still Corners wel wat minder ruw en intens en bovendien bestrijkt het Brits-Amerikaanse tweetal qua stijlen een veel breder palet.

Het was even geleden dat ik naar de muziek van Still Corners had geluisterd, maar The Last Exit voelde direct vertrouwd. Het Brits-Amerikaanse duo heeft een beeldende luistertrip gemaakt waarin de songs met een kop en een staart niet zijn vergeten.

Net als bij een echte roadtrip variëren de beelden en is het ene beeld indrukwekkender dan het andere, maar Still Corners heeft op The Last Exit een heel acceptabel minimum niveau, met enkele flinke uitschieters naar boven.

Het is knap hoe de band er in slaagt om heel veel verschillende invloeden te combineren in een geluid dat altijd consistent klinkt en het is ook nog eens een geluid waarbij het bijzonder lekker wegdromen is op de late avond en dat kunnen we momenteel, bij gebrek aan andere opties, best gebruiken. Erwin Zijleman

Stolen Jars - I Won't Let Me Down (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Stolen Jars - I Won't Let Me Down - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Stolen Jars - I Won't Let Me Down
Stolen Jars is een band uit Brooklyn, New York, die op haar nieuwe album I Won’t Let Me Down indruk maakt met een inventieve mix van indierock en indiepop gegoten in aanstekelijke maar ook inventieve popsongs

Ik had nog nooit van Stolen Jars gehoord, maar nadat een aantal Amerikaanse muziekwebsites het album, overigens al het vierde album van de band, tipten was ik onmiddellijk verkocht. In eerste instantie door de fraaie combinatie van de stemmen van Cody Fitzgerald en Sarah Coffey, maar vervolgens ook door de knappe muziek op het album en vooral ook de songs van Stolen Jars. Het zijn songs die bijzonder lekker in het gehoor liggen en af en toe akelig dicht bij de perfecte popsong in de buurt komen, maar de songs van de band uit Brooklyn zitten ook vol aangename verrassingen en het zijn ook nog eens songs die alleen maar leuker worden. Absoluut een aanwinst deze band.

I Won’t Let Me Down van Stolen Jars werd me de afgelopen week aangeraden door de Amerikaanse website Paste Magazine en dat is een tipgever die ik hoog heb zitten. Het is overigens al het vierde album van de band uit Brooklyn, New York, maar ik was Stolen Jars nog niet eerder tegengekomen. Stolen Jars was oorspronkelijk een soloproject van de Amerikaanse singer-songwriter en multi-instrumentalist Cody Fitzgerald, maar de band is opgebloeid sinds hij samenwerkt met singer-songwriter Sarah Coffey, gitarist en songwriter Elias Spector-Zabusky, drummer Isaiah Hazzard en toetsenist Grant Meyer.

I Won’t Let Me Down is een relatief kort album met nog geen dertig minuten muziek, maar in die kleine 30 minuten maakt Stolen Jars op mij voldoende indruk om de band te blijven volgen. De band uit Brooklyn maakt muziek die omschreven kan worden als een mix van indiepop en indierock en het is een mix die af en toe refereert naar de jaren 90, maar die over het algemeen genomen met beide benen in het heden staat.

Ik ken de albums waarop Cody Fitzgerald meer in zijn uppie deed niet, maar I Won’t Let Me Down laat continu horen dat het een goed idee was om zich met meer muzikanten te omringen. De stem van Cody Fitzgerald is prima, maar het is een stem die wordt opgetild wanneer hij samen zingt met Sarah Coffey, die de songs van Stolen Jars niet alleen voorziet van een vleugje pop, maar ook van zoete verleiding.

In de meest poppy songs klinkt Stolen Jars als een eigentijdse versie van Fleetwood Mac, maar de band kan ook meer de kant van de indierock op en roept bij mij, vooral door de zang, ook af en toe herinneringen op aan de muziek van Prefab Sprout, wat een enorm compliment is. De zang op het album is prima en springt nadrukkelijk in het oor, maar ook de bijdragen van gitarist Elias Spector-Zabusky, die ook nog eens bijdroeg aan de productie van I Won’t Let Me Down, mogen er zijn.

Het gitaarwerk wordt vaak gecombineerd met elektronica, wat een mooi vol geluid oplevert. Het is een geluid dat verder wordt verrijkt door inventieve drumpartijen, die ook laten horen dat Stolen Jars dieper graaft dan de meeste andere bands in het genre. Je hoort goed dat de band inmiddels drie songwriters in de gelederen heeft, want de kwaliteit van de songs op I Won’t Let Me Down is uitstekend. Het wordt nog leuker als Greta Kline, bekend als Frankie Cosmos, een bijdrage levert, maar ook zonder deze bijdrage zou Stolen Jars er wel gekomen zijn.

Ik smelt vooral wanneer Sarah Coffey de belangrijkste zangpartijen voor haar rekening neemt, al zorgt de duozang waarschijnlijk voor het meeste onderscheidend vermogen. Het klinkt allemaal heerlijk toegankelijk en melodieus, maar Stolen Jars doet ook continu dingen die je niet had verwacht, waardoor het album spannend blijft. Ik vond I Won’t Let Me Down bij eerste beluistering vooral een aardig album, maar de songs van Stolen Jars zitten vol groeipotentie.

Inmiddels begrijp ik dan ook volledig waarom de alternatieve Amerikaanse muziekwebsites zo lovend zijn over het nieuwe album van Stolen Jars. Het is jammer dat de band uit Brooklyn er nog niet een paar songs aan vast heeft geplakt, want het album is echt aan de korte kant, maar het is wel negen songs raak. Leuke band! Erwin Zijleman

Stone Irr - Performance (2019)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Stone Irr - Performance - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Stone Irr - Performance
Stone Irr debuteerde twee jaar geleden met het bijzonder fraaie Sinner en vervolmaakt het geluid van dit bijzondere debuut nu met wonderschone arrangementen

De inmiddels in Los Angeles woonachtige Stone Irr dook twee jaar geleden op met de jaarlijstjesplaat Sinner. Het album werd helaas niet in brede kring opgepikt, maar heeft de lat hoog gelegd voor het nieuwe album van de Amerikaanse muzikant. Performance overtuigt desondanks makkelijk. Stone Irr heeft het recept van Sinner behouden, maar ook verrijkt met wat uitbundigere arrangementen, die met name putten uit de Westcoast pop, maar die ook eigentijds klinken. Het vollere geluid is gelukkig niet ten koste gegaan van de intimiteit van de muziek van Stone Irr, die ook dit keer indruk maakt met songs vol weemoed. Alle reden dus om Performance vol liefde te omarmen.

In de herfst van 2017 kreeg ik, overeigens naar aanleiding van mijn zeer lovende woorden over het debuut van Phoebe Bridgers, bij toeval Sinner van de Amerikaanse muzikant Stone Irr in handen.

Het officiële debuut van de muzikant uit Bloomington, Indiana, beviel me zo goed dat ik het album onmiddellijk uitriep tot een van de grote verrassingen van 2017, maar toen ik een paar maanden later mijn jaarlijstje samenstelde was ik het album kennelijk alweer vergeten. Zonde, want Sinner is een album dat absoluut jaarlijstjeswaardig was. Vorig jaar kreeg Sinner alsnog een Nederlandse release, maar echt opvallen deed het album in Nederland helaas niet.

Sinner, dat ik in de herfst van 2017 vergeleek met de muziek van Sufjan Stevens en Jeff Buckley overgoten met een Beach Boys sausje en dat opviel door bijzondere teksten waarin het opgroeien in de Amerikaanse Bible Belt centraal stond, komt hier nog altijd met enige regelmaat uit de speakers en daarom was ik verheugd toen ik de naam van Stone Irr deze week zag opduiken in de lijst met nieuwe releases.

Performance gaat verder waar Sinner twee jaar geleden ophield en laat een deels bekend geluid horen. Stone Irr heeft Indiana inmiddels verruild voor Los Angeles en kiest op zijn tweede album voor een wat voller geluid. Het is een geluid waarin nog altijd flink wat echo’s uit de muziek van The Beach Boys opduiken, maar in de melodieën zijn dit keer ook invloeden van The Beatles te horen.

Stone Irr koppelt de mooie melodieën en Beach Boys achtige vocalen aan intieme folksongs met een vaak wat weemoedig karakter. Het is een combinatie van invloeden die Sinner twee jaar geleden een uniek geluid gaf en dat geluid is vervolmaakt op Performance. Op het nieuwe album heeft Stone Irr meer aandacht besteed aan de instrumentatie en productie, waarvoor de mij onbekende Ben Lumsdaine heeft getekend. Performance heeft de intimiteit van zijn voorganger behouden, maar klinkt rijker. In de openingstrack duiken opeens gruizige gitaren op, maar ook blazers en strijkers duiken met enige regelmaat op in de arrangementen die met name bij beluistering met de koptelefoon van een bijzondere schoonheid blijken.

De muziek van Stone Irr herinnerde twee jaar geleden al aan de jaren 60 en 70, maar doet dat op Performance nog wat nadrukkelijker. Zeker wanneer de melodieën honingzoet zijn duiken flarden Westcoast pop op, maar de muzikant uit Los Angeles sluit ook aan bij de melancholische singer-songwriters uit het heden.

Waar melancholie op Sinner domineerde laat Performance ook met enige regelmaat een groots en wat zonniger klinkend geluid horen, maar de muziek van Stone Irr blijft ingetogen en intiem en heeft zeker wanneer de weemoed het wint ook wel wat raakvlakken met de albums van Elliott Smith.

Het debuut van de Amerikaanse muzikant maakte op mij een onuitwisbare indruk en dat heeft de lat hoog gelegd voor het toch altijd al lastige tweede album. Performance heeft mij desondanks vrij makkelijk overtuigd. Stone Irr heeft de kracht en schoonheid van zijn intieme debuut behouden, maar zet op zijn nieuwe album ook stappen. Sinner deed ondanks herhaalde pogingen niet zo heel veel, maar het bijzonder fraaie Performance verdient echt een veel beter lot. Erwin Zijleman

Stone Irr - Sinner (2017)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Stone Irr - Sinner - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Naar aanleiding van mijn recensie van de prachtplaat van Phoebe Bridgers (voor mij een van de mooiste van 2017), kreeg ik vanuit de Verenigde Staten de tip om ook eens te luisteren naar de muziek van Stone Irr.

Ik sta altijd open voor tips en hoopte in dit geval natuurlijk op een intieme vrouwelijke singer-songwriter plaat vol melancholie. Daarvoor ben je bij Stone Irr niet helemaal aan het juiste adres, want het betreft hier een mannelijke singer-songwriter uit Bloomington, Indiana.

Toch was ik direct bij eerste beluistering onder de indruk van de muziek van de Amerikaan en begreep ik de tipgever’s associatie met de muziek van Phoebe Bridgers.

Sinner wordt gepresenteerd als het officiële debuut van Stone Irr, maar de muzikant uit Indiana bracht in eigen beheer ook al een EP en een album uit. Deze worden qua schoonheid ruimschoots overtroffen door Sinner, dat direct bij eerste beluistering een onuitwisbare indruk maakte en me vervolgens alleen maar dierbaarder is geworden.

Net als het door mij zo geprezen debuut van Phoebe Bridgers is Sinner van Stone Irr een zachte, intense en van melancholie overlopende plaat. Stone Irr keert net als zijn jonge collega uit Los Angeles terug naar zijn jeugd en het is een jeugd die niet makkelijk is geweest, al zijn het andere demonen die Stone Irr op zijn pad vond.

Sinner gaat niet over de verleidingen en leegheid van een grote Amerikaanse stad, maar over het conservatisme en de leegheid van het Amerikaanse platteland, waar religie nadrukkelijk regeert en niet de vrijheid biedt die Stone Irr in zijn jeugd zocht.

De melancholie op Sinner legt een donkere deken over het debuut van de muzikant uit Indiana. Het is een deken die nauwelijks daglicht doorlaat en die verstikkend kan werken, maar het is ook een deken die Sinner voorziet van een enorme intensiteit en broeierigheid.

Sinner is gevuld met uiterst ingetogen klanken vol melancholie, maar het zijn ook klanken van grote schoonheid. Het is muziek die een wat unheimisch gevoel geeft, maar het is ook muziek die voorzichtig betovert. Waar de al eerder genoemde Phoebe Bridgers haar intieme akoestische klanken combineert met stekelige accenten, is de instrumentatie op Sinner zonder uitzondering zacht en intiem.

Het effect van de instrumentatie wordt versterkt door de in meerdere lagen opgenomen stem van Stone Irr. Zeker wanneer meerdere lagen worden gecombineerd doet Sinner denken aan de meest ingetogen muziek van The Beach Boys, maar het debuut van Stone Irr heeft ook volop raakvlakken met de platen van Sufjan Stevens en met het glorieuze debuut van Jeff Buckley.

Sinner is een fluisterzachte plaat vol melancholie en schoonheid, maar het is ook een intense plaat vol onderhuidse spanning. Het is een plaat die aangenaam voortkabbelt op de achtergrond, maar wanneer je met wat meer aandacht luistert is het ook een plaat die van alles met je doet en die alleen maar mooier en intiemer wordt.

Stone Irr opereert vooralsnog voornamelijk in de anonimiteit of obscuriteit, maar Sinner is een plaat die veel meer aandacht verdient en die zomaar kan uitgroeien tot een van de grote verrassingen van 2017. Erwin Zijleman

Strand of Oaks - Eraserland (2019)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Strand Of Oaks - Eraserland - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Strand of Oaks - Eraserland
Strand Of Oaks maakte in haar beginjaren nog niet zo heel veel indruk, maar levert nu de derde prachtplaat op rij af

De vorige twee albums van Strand Of Oaks, het project van Tim Showalter, smaakten naar veel meer en dat meer is nu beschikbaar. Ook Eraserland klinkt weer als een omgevallen platenkast en het is een platenkast vol moois. Tim Showalter vindt de mosterd vooral in de jaren 70, maar zijn songs klinken geen moment als overbodige retro. Eraserland schiet weer alle kanten op, maar zowel in muzikaal als in vocaal opzicht klinkt het zonder uitzondering geweldig. Eraserland klinkt als een klassieker die je al heel lang in de kast hebt staan, maar het is er een die nog altijd bij iedere luisterbeurt beter wordt.


Strand Of Oaks, het project van de Amerikaanse singer-songwriter en producer Tim Showalter, debuteerde tien jaar geleden nog wat aarzelend, maar sloeg vijf jaar later hard toe met het prachtige HEAL; het vierde album van de band.

Drie jaar later volgde het minstens even mooie Hard Love en onlangs verscheen de derde prachtplaat van Strand Of Oaks op rij, Eraserland.

De muziek van Tim Showalter klonk op de vorige twee albums als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast en het was een platenkast waarin het werk van Neil Young en zijn Crazy Horse een belangrijke plaats innam, maar ook ruimte was voor de betere albums van onder andere The Replacements, The Clash, Dinosaur Jr., Bruce Springsteen en Tom Petty en bands uit het heden als My Morning Jacket en The War On Drugs. Met deze namen hebben we slechts het topje van de ijsberg te pakken, want de goed gevulde platenkast van Tim Showalter bevat ook de nodige obscure parels.

Eraserland borduurt voort op zijn twee voorgangers, maar voegt ook weer wat invloeden toe aan het onweerstaanbaar lekkere geluid van Strand Of Oaks. Tim Showalter is nog altijd het enige vaste lid van Strand Of Oaks, maar ook Eraserland heeft hij zeker niet in zijn uppie gemaakt. De muzikant uit Philadelphia wist Jason Isbell te strikken voor een prachtige gitaar bijdrage en deed verder een beroep op Emma Ruth Rundle voor achtergrondvocalen. Hier bleef het niet bij, want de Amerikaanse muzikant haalde ook nog eens My Morning Jacket naar de studio als zijn begeleidingsband.

Invloeden van My Morning Jacket klonken al nadrukkelijk door op de vorige plaat van Strand Of Oaks en hebben op Eraserland aan terrein gewonnen. Hetzelfde geldt voor invloeden van The War Of Drugs, dat zich niet had hoeven schamen voor deze plaat. Integendeel zelfs, Eraserland bevalt me beter dan de laatste van The War On Drugs.

Ook op zijn nieuwe plaat citeert Tim Showalter weer volop uit de popmuziek uit het verleden, met een voorliefde voor de muziek uit de jaren 70. Binnen dit decennium bestrijkt de Amerikaan wederom een breed palet. Eraserland bevat een aantal rechttoe rechtaan rocksongs die herinneren aan The Clash, maar ook een aantal zwaar psychedelische songs die af en toe flink uitpakken met keyboards en strijkers of met meeslepende gitaarsolo’s. Maar ook voor rootsy songs of voor een flirt met postpunk ben je bij Tim Showalter aan het juiste adres.

Niet iedereen zal gevoelig zijn voor de muziek van Strand Of Oaks, maar voor mij is ook deze nieuwe plaat van de band weer goed voor ruim drie kwartier tijdloze en onweerstaanbaar lekkere popmuziek, waarna je nog wat verder weg kunt dromen bij de atmosferische klanken van de ruim een kwartier durende bonustrack.

In muzikaal opzicht klinkt het natuurlijk fantastisch met My Morning Jacket aan boord, maar ook de zang van Tim Showalter maakt indruk en tilt Eraserland naar een nog wat hoger plan. Er zijn veel meer muzikanten en bands die aan de haal gaan met de invloeden die Strand Of Oaks omarmt op haar nieuwe album, maar zo mooi en verslavend als Eraserland klinken maar weinig albums op het moment. Erwin Zijleman

Strand of Oaks - Hard Love (2017)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Strand Of Oaks - Hard Love - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Strand Of Oaks, de band van de uit Goshen, Indiana, afkomstige singer-songwriter Tim Showalter maakte in de zomer van 2014 een onuitwisbare indruk met het geweldige HEAL.

Dat kwam als een enorme verrassing, want een monumentale rockplaat had niemand verwacht van Tim Showalter, die tot dat moment vooral navel starende folk maakte.

Na HEAL verwachten we nu natuurlijk wel een monumentale rockplaat van Strand Of Oaks en die krijgen we gelukkig ook.

Op Hard Love gaat Strand Of Oaks verder waar bands als The Replacements, Dinosaur Jr. en Smashing Pumpkins ooit zijn gestopt.

Hard Love bevat vooral groots klinkende songs waarin flinke gitaarmuren worden opgetrokken. Het zijn opvallend melodieuze songs, waarin volop ruimte is voor verrassing. Die verrassing is het grootst wanneer Strand Of Oaks de gitaarmuren even afbreekt en kiest voor meer ingetogen songs vol psychedelisch aandoende elektronica, maar ook in de stevigere rocksongs kleurt Strand Of Oaks zeker niet uitsluitend binnen de lijntjes.

Tim Showalter voorziet de lekker in het gehoor liggende songs van Strand Of Oaks van meerdere onverwachte ingrediënten en van heel veel dynamiek. De bijdragen van elektronica zijn vaak zweverig of zelfs vervreemdend en staan lijnrecht tegenover de gitaarmuren die worden opgebouwd.

Hard Love is ook niet vies van het incorperen van meerdere genres. Hier en daar hoor je een vleugje roots, dan weer een beetje progrock, psychedelica of invloeden uit de elektronische muziek.

Op Hard Love strooit Tim Showalter driftig met donkere teksten en hier en daar loodzware of aardedonkere klanken, maar de nieuwe van Strand Of Oaks klinkt ook groots en optimistisch. Hier en daar klinkt het zo aangenaam dat het lijkt of Strand Of Oaks klaar is voor de grote festivalweides, maar als geheel is Hard Love toch te eigenzinnig en veelzijdig om de slag met de allergrootste rockbands aan te kunnen.

In artistiek opzicht is Hard Love echter vele malen interessanter dan de platen van deze grote rockbands. Hard Love is een 40 minuten durende roller coaster ride, die je langs enkele decennia rockmuziek voert. Van The Velvet Underground, progrock en psychedelische rock uit de jaren 70, tot de genoemde bands uit de jaren 80 en 90 en dan is er ook nog hier en daar een flinke dosis grunge verstopt, hoor je af en toe een vleugje U2 en is ook de muziek van The War On Drugs niet aan Tim Showalter voorbij gegaan.

En net als je denkt te weten hoe het zit, heeft Tim Showalter opeens genoeg aan een piano, wordt hij beïnvloed door The Stone Roses of Primal Scream of krijgt Hard Love toch nog een punk injectie.

Hard Love is natuurlijk niet zo verrassend als voorganger HEAL, maar uiteindelijk wel net zo indrukwekkend. Erwin Zijleman

Strand of Oaks - HEAL (2014)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Strand Of Oaks - HEAL - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

HEAL van Strand Of Oaks wordt al een tijdje getipt als één van de mogelijke sensaties van het muziekjaar 2014. Dat verbaasde me eerlijk gezegd, want de band rond singer-songwriter Timothy Showalter (Strand Of Oaks is feitelijk een eenmansband) maakte tot dusver op mij nog geen onuitwisbare indruk.

Op het anderhalf jaar geleden verschenen Dark Shoares klonk Strand Of Oaks een beetje als Bruce Springsteen’s Nebraska of als de muziek die Mark Kozelek in meerdere gedaanten maakt en dat is ook de muziek die domineerde op de voorgangers van deze plaat. Uiterst sobere folk dus en muziek waar de melancholie over het algemeen van afdruipt. Daar is natuurlijk helemaal niets mis mee, maar er was tot dusver, als je het mij vraagt althans, geen reden om heel druk te doen over Strand Of Oaks.

Moet dat dan wel na beluistering van HEAL? Het antwoord is ja, of beter gezegd JA!. Op HEAL horen we een Timothy Showalter die we nog niet kenden, althans niet van zijn platen. Openingstrack Goshen ’97 hakt er meteen lekker stevig in met beukende drums, gierende gitaren, stevige riffs en groots aandoende vocalen en refreinen. De associatie met Dinosaur Jr. dringt zich onmiddellijk op en dat is niet voor niets, want niemand minder dan Dinosaur Jr. gitarist J. Mascis is te horen in de openingstrack van HEAL. Deze openingstrack zet direct de toon.

Na zo’n geweldige opener wil je niet dat Strand Of Oaks weer vervalt in het oude (verstilde folk) kunstje en dat doet Timothy Showalter ook niet. Toch slaat Strand Of Oaks in de tweede track op de plaat weer een andere weg in en imponeert het met muziek die met een beetje fantasie van New Order had kunnen zijn.

Na de geweldige eerste twee tracks kan HEAL eigenlijk al niet meer stuk en wil je alleen maar veel meer. Dat meer krijg je op de rest van de plaat en ook op de rest van de plaat blijft Strand Of Oaks verbazen met verrassende invloeden. In de derde track hoor ik zelfs een vleugje progrock, maar Strand Of Oaks combineert dit op fraaie wijze met opvallende ritmes en wederom invloeden uit de 70s, 80s en 90s, waarbij ik vaak wat hoor van Smashing Pumpkins, maar ook onder andere Springsteen, Neil Young en zelfs (ik durf het bijna niet te zeggen) U2 om de hoek komen kijken.

De meeste songs op de plaat zijn zwaar aangezet met flink wat gitaren en elektronica en vermengen eigenlijk alle hierboven genoemde invloeden. Zonder te kunnen zeggen waar het precies op lijkt, klinkt HEAL vertrouwd in de oren en slaat het op fraaie wijze een brug tussen toegankelijke en eigenzinnige popmuziek, waarbij de balans in beide richtingen door kan slaan.

HEAL klinkt aanstekelijk, maar ook eigengereid. HEAL klinkt aangenaam, maar is ook rauw en confronterend, zeker in de donkere teksten van Timothy Showalter. In het prachtige JM neemt Timothy Showalter voor het eerst gas terug en eert hij op fraaie wijze voormalig Songs:Ohia en Magnolia Electric Co. voorman Jason Molina, aan wiens trieste overlijden vorig jaar nauwelijks aandacht werd besteed. Echt gas terug nemen doet Strand Of Oaks overigens nergens, want ook JM bevat weer een prachtige gitaarsolo, waarvan er overigens heel veel op HEAL staan.

Met HEAL heeft Strand Of Oaks een grootse plaat afgeleverd. Het meesterwerk dat er misschien altijd al in zat, openbaart zich in volle glorie. HEAL is zo’n plaat die je noot voor noot wilt meezingen, maar het is ook een plaat die uitnodigt tot het doen van steeds weer nieuwe ontdekkingen en het is ook een plaat die je raakt. Keihard. Zoals gezegd al een tijdje getipt als één van de mogelijke sensaties van het muziekjaar 2014 en daar is voor de afwisseling eens niets van gelogen. Erwin Zijleman

StumpWater - Motel in Saginaw (2019)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: StumpWater - Motel In Saginaw - dekrentenuitdepop.blogspot.com

StumpWater - Motel In Saginaw
Of het een klassieker is zal de tijd moeten leren, maar het vergeten debuut van StumpWater uit 1973 is zeker een bijzondere plaat

Het verhaal van de ontdekking van de nooit uitgebrachte plaat van de Amerikaanse band StumpWater is natuurlijk prachtig, maar aan de ene kant begrijp ik wel dat de plaat het destijds moest afleggen tegen de platen van de grote bands. Aan de andere kant is Motel In Saginaw een mooie en bijzondere plaat, die net wat andere accenten legt dan al die klassiekers die ik in de kast heb staan. Hoe vaker ik de plaat hoor, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat StumpWater iets toevoegt aan alles dat er al is. Uiteindelijk zal ik meestal grijpen naar de inmiddels erkende klassiekers, maar zo af en toe zal ook deze vergeten plaat van StumpWater blijven opduiken.

Motel In Saginaw van de Amerikaanse band StumpWater begint met een mooi verhaal. Een prachtig verhaal zelfs. Een paar jaar geleden kwam de maker van het op psychedelica gerichte tijdschrift Galactic Zoo Dossier, ene Steve Krakow, beter bekend als Plastic Crimewave, op een rommelmarkt een single tegen van de hem onbekende band StumpWater.

De single stamde uit de jaren 70 en was nauwelijks meer af te spelen, maar Steve Krakow was geïntrigeerd door wat hij hoorde. StumpWater klonk volgens hem als “Crosby, Stills & Nash zonder de ego’s” en deed hem verlangen naar veel meer.

Dat meer leek niet direct beschikbaar, maar Steve Krakow ging toch op zoek naar meer informatie over de band uit Aurora, Illinois, die in de jaren 70 die bijzondere single had gemaakt. Tot zijn grote verbazing vond hij de band op het Internet en de verbazing groeide toen bleek dat de band nog steeds actief was en met enige regelmaat op het podium te zien was (met twee van de drie leden van het eerste uur; de derde was kort voor de start van de speurtocht overleden).

Op de setlist van StumpWater stonden de nodige Crosby, Stills & Nash covers, maar ook origineel materiaal uit de vroege jaren 70. Van dit materiaal was uiteindelijk alleen de obscure single ooit uitgebracht, maar op de plank lag nog een volledig album. Inmiddels zijn we een paar jaar verder en is Motel In Saginaw van StumpWater alsnog verschenen, 46 jaar nadat de plaat werd opgenomen en uiteraard op het label van Steve Krakow, Galactic Zoo Disc.

Het label beschrijft de plaat uiteraard als een vergeten klassieker, maar dat is te makkelijk. Als ik luister naar Motel In Saginaw hoor ik een plaat die in de vroege jaren 70 niet had misstaan tussen platen van Crosby, Stills & Nash, Bon Dylan en Phil Ochs, om maar eens een paar namen te noemen. Ik begrijp echter ook wel dat StumpWater destijds niet zo beroemd werd als hun soortgenoten.

De muziek van StumpWater is geworteld in de folkrock en countryrock van de vroege jaren 70 en is onmiskenbaar een plaat uit de vroege jaren 70. De band was destijds zelf zeer gecharmeerd van de muziek van Crosby, Stills & Nash en dat hoor je. Vergeleken met de muziek van Crosby, Stills & Nash, die destijds miljoenen platen verkochten en stadions vulden, is de muziek van StumpWater echter wel wat minder toegankelijk.

StumpWater maakt songs die wat dieper graven en die wat breder uitwaaien. Zeker bij eerste beluistering verleidt de muziek van StumpWater hierdoor wat minder makkelijk dan die van CSN en consorten, al is het gitaarwerk bij vlagen echt prachtig. Hier blijft het niet bij, want ook de hemelse melodieën die in het werk van Crosby, Stills & Nash domineren zijn minder nadrukkelijk aanwezig in het werk van StumpWater.

De zang klinkt wat rauwer en onvaster en slechts hier en daar zijn er harmonieën die goed zijn voor kippenvel. Ik begrijp daarom goed dat er van de platen van CSN miljoenen over de toonbank gingen en dat het debuut van StumpWater op de plank bleef liggen, maar Motel In Saginaw is absoluut een goede plaat.

Het is een plaat die met twee benen in de jaren 70 staat, maar het is ook een plaat die wat toevoegt aan alles dat er al is, zeker wanneer de band haar muziek breed laat uitwaaien of buiten de lijntjes van de genres kleurt. Of het inderdaad een vergeten klassieker is zal de tijd moeten leren, maar ik ben best blij met de release van het vergeten debuut van StumpWater. Erwin Zijleman

Sturgill Simpson - A Sailor's Guide to Earth (2016)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sturgill Simpson - A Sailor's Guide To Earth - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De Amerikaanse muzikant Sturgill Simpson oogstte nogal wat lof met het in 2014 verschenen Metamodern Sounds In Country Music.

Zelf had ik in eerste instantie flink wat moeite met de plaat. Ik ben zeker geen country purist, maar de bijzondere draai die Sturgill Simpson aan het genre gaf beviel me in eerste instantie maar matig.

Uiteindelijk ben ik de zo bejubelde plaat echter wel gaan waarderen, waardoor ik nieuwsgierig was naar de man’s nieuwe plaat.

A Sailor’s Guide To Earth stond in een vloek en zucht op de band en bevestigt wat mij betreft het enorme talent van Sturgill Simpson.

In de openingstrack van de plaat laat de Amerikaan zich bijstaan door de blazers van The Dap Kings (de band van Sharon Jones, maar ook verantwoordelijk voor een groot deel van het geluid van Amy Winehouse) en deze keren met enige regelmaat terug.

A Sailor’s Guide To Earth schiet, zeker wanneer de blazers zich mogen laten horen, de kant van de soul op, maar Sturgill Simpson laat ook op zijn nieuwe plaat weer horen dat hij een buitengewoon veelzijdig muzikant is, die lak heeft aan conventies of hokjes.

Ook invloeden uit de country hebben hun weg gevonden naar A Sailor’s Guide To Earth en hetzelfde geldt voor invloeden uit de psychedelica, rhythm & blues en rock. Het is knap hoe Sturgill Simpson al deze stijlen aan elkaar weet te smeden in een geluid dat vaak lijkt weggelopen uit de jaren 70, tot je je beseft dat het destijds ondenkbaar was om zulke uiteenlopende stijlen met elkaar te vermengen.

Het levert een bijzonder eigen geluid op, dat imponeert in de eigen songs op de plaat, maar misschien nog wel meer indruk maakt in de covers. Sturgill Simpson’s unieke, lome en met veel strijkers versierde versie van Nirvana’s In Bloom illustreert wat mij betreft het best welke bijzondere draai Sturgill Simpson geeft aan zijn muziek.

De Amerikaan vertrouwde voor zijn vorige plaat nog op de productionele vaardigheden van topproducer Dave Cobb, maar klaarde de klus dit keer zelf. Dat heeft hij prima gedaan, want de plaat klinkt fantastisch.

Over de soulinjectie zullen liefhebbers van country waarschijnlijk wat minder enthousiast zijn, maar mij bevalt het zeer. Sturgill Simpson scheurt meer dan eens heerlijk tegen het geluid van Van Morrison aan (ook met zijn zang), maar slaat ook zoveel andere wegen in dat vergelijken uiteindelijk zinloos is.

Alle twijfel die ik had bij eerste beluistering van Metamodern Sounds In Country Music zijn inmiddels als sneeuw voor de zon verschenen. A Sailor’s Guide To Earth is een prachtplaat, die vooralsnog alleen maar beter wordt. Erwin Zijleman

Sturgill Simpson - Sound & Fury (2019)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sturgill Simpson - Sound & Fury - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Sturgill Simpson - Sound & Fury
Sturgill Simpson heeft de country afgezworen op zijn nieuwe album en fascineert en imponeert met een mix van Southern rock, funk en een enorme bak elektronica

ZZ Top verrijkte de Southern rock van de band halverwege de jaren 80 met flink wat elektronica, wat een bijzonder geluid opleverde. Sturgill Simpson gaat op zijn nieuwe album nog een paar stappen verder. Ook hij begint bij Southern rock en elektronica, maar voegt ook nog flink wat invloeden uit de funk toe en kiest bovendien voor een veel stevigere elektronische injectie. Het levert een ongrijpbare mix van rock, funk en sci-fi op, die mijlenver is verwijderd van de retro-country die Sturgill Simpson op zijn zo goed ontvangen vorige albums maakte. Het is absoluut even wennen, maar wanneer je gevoelig bent voor de charmes van dit album, verleidt Sound & Fury meedogenloos.

Met het maken van retro country met een hang naar de jaren 70 maakte je je als muzikant lange tijd niet erg populair, maar de afgelopen jaren waren de albums in het genre niet aan te slepen en leverden invloeden uit de country van een aantal decennia geleden alleen maar punten op bij de muziekcritici.

Een van de smaakmakers van de afgelopen jaren was wat mij betreft Sturgill Simpson. De muzikant die werd geboren in Jackson, Kentucky, maar inmiddels al geruime tijd in Nashville, Tennessee, woont, leverde met Metamodern Sounds In Country Music uit 2014 en A Sailor's Guide To Earth uit 2016 twee geweldige countryalbums af en liet met de productie van Purgatory van Tyler Childers horen dat hij ook als producer prima uit de voeten kan.

Vorige week verscheen een nieuw album van Sturgill Simpson en ik was op voorhand benieuwd of de Amerikaanse muzikant de lijn van Metamodern Sounds In Country Music en A Sailor's Guide To Earth uit 2016 zou doortrekken en de hoge kwaliteit van deze albums zou kunnen benaderen. Je hoeft niet lang naar Sound & Fury te luisteren om te kunnen concluderen dat het antwoord op de eerste vraag negatief is. Sound & Fury lijkt in niets op zijn twee voorgangers en heeft de invloeden uit de countrymuziek volledig afgezworen.

Het nieuwe album van Sturgill Simpson, dat is gestoken in een hoes die je al niet verwacht van een countrymuzikant, opent met gitaarwerk dat herinnert aan de Southern Rock van weleer, maar dan voorzien van een flinke bak elektronica. Het is de muziek waarmee ZZ Top ooit doorbrak naar een groot publiek, maar waar de Texaanse band de elektronica redelijk in de hand had en koos voor lekker in het gehoor liggende songs, heeft Sturgill Simpson een album gemaakt dat alle kanten op kan schieten en flink durft te experimenteren.

Wanneer de gitaren ronken hoor je nog wel iets van rootsmuziek in de songs van de muzikant uit Nashville, maar op het grootste deel van Sound & Fury neemt Sturgill Simpson flink afstand van het genre. De Amerikaanse muzikant verrijkt zijn Southern rock met funky ritmes en pakt bovendien stevig uit met synths, die de muziek een sci-fi karakter geven.

Liefhebbers van de country die Sturgill Simpson op zijn vorige albums maakte kunnen waarschijnlijk maar heel weinig met de nieuwe weg die de Amerikaanse muzikant is ingeslagen, maar na flink wennen vind ik Sound & Fury niet zo slecht. Integendeel zelfs. De mix van Southern rock, funk en elektronica swingt meedogenloos en blijkt behoorlijk meeslepend, net als de hier en daar wat vervormde zang van de Amerikaan.

Zeker wanneer Sturgill Simpson de elektronica en de funk alle ruimte geeft, maakt hij muziek die ik nog niet eerder gehoord heb. Hier en daar lijken zelfs invloeden van Kraftwerk en Giorgio Moroder en invloeden uit de disco op te duiken, maar niet veel later hebben invloeden uit de rock toch weer de overhand.

Sound & Fury is een album dat zich niet laat vergelijken met zijn twee voorgangers en dat moet je dan ook vooral niet doen. Luister vooral onbevangen naar het album en je hoort een muzikant die nadrukkelijk zijn eigen ding doet en hierbij zijn grenzen flink verlegt. Ik ben inmiddels wel gewend aan het nieuwe geluid van Sturgill Simpson en durf Sound & Fury zo langzamerhand wel een prachtplaat te noemen. En het is er een die maar blijft verrassen. Erwin Zijleman

Subterranean Street Society - Saudade (2022)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Subterranean Street Society - Saudade - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Subterranean Street Society - Saudade
De Amsterdamse band Subterranean Street Society combineert op haar derde album Saudade invloeden uit de folk met uiteenlopende beeldende klanken, wat een mooi en bijzonder klinkend conceptalbum oplevert

Saudade is mijn eerste kennismaking met de muziek van de Deens-Nederlandse band Subterranean Street Society. Het derde album van de band werd gevoed door het liefdesverdriet van de Deense muzikant Louis Puggaard-Müller, die alle ervaringen heeft gebundeld op een een waar conceptalbum. Door gebruik te maken van samples en soundscapes en bovendien hier en daar te kiezen voor een rijke orkestratie vormen de songs van Subterranean Street Society op Saudade een eenheid. De Amsterdamse band slaagt er in om een bijzondere sfeer te creëren en treedt hier en daar ver buiten de gebaande paden van de folk, die wel de basis vormt van de muziek van de band. Knap album.

Subterranean Street Society is een vanuit Amsterdam opererende band die bestaat uit de Deense muzikant Louis Puggaard-Müller en de Nederlandse muzikanten Ivo Johan Schot en Joost Koevoets. De band leverde de afgelopen jaren al twee albums af, maar die zijn me eerlijk gezegd niet opgevallen. Het deze week verschenen Saudade deed dat wel onmiddellijk, want de Deens-Nederlandse band laat op haar derde album een bijzonder eigen geluid horen.

De muziek van Subterranean Street Society is vooral ingetogen en folky, maar de Amsterdamse band zoekt ook constant de grenzen op. De basis van de muziek op Saudade bestaat uit gitaren, bas en drums, maar het geluid van de band wordt vervolgens aangevuld met flink wat samples en soundscapes en verder verrijkt door de inzet van strijkers en blazers.

Door het gebruik van samples en soundscapes heeft de muziek van Subterranean Street Society een beeldend of zelfs filmisch karakter en worden de songs op het album bovendien met elkaar verbonden, waardoor Saudade aanvoelt als eenheid en als een conceptalbum, wat het feitelijk ook is. Het is ook nog eens een conceptalbum dat zich lastig laat vergelijken met muziek die er al is.

De songs op Saudade zijn getekend door het liefdesleven van Louis Puggaard-Müller. De Deense muzikant, die ooit begon als straatmuzikant vond en verloor de liefde tot tweemaal toe in Amsterdam, wat resulteerde in een nieuwe zoektocht naar liefde en vooral ook naar zichzelf. Het voorziet de teksten op het album hier en daar van flink wat melancholie en die melancholie heeft zijn weerslag op de muziek op Saudade.

De muziek op het album heeft zoals gezegd een folky karakter, maar Subterranean Street Society blijft ver verwijderd van standaard folksongs. Zeker de wat langere songs op het album zitten complex in elkaar en slagen er in om het album te voorzien van een bijzondere sfeer, wat weer wordt verstrekt door het beeldende karakter van de muziek van de Amsterdamse band, die in meerdere lagen op je af komt. Louis Puggaard-Müller vertolkt zijn songs met veel expressie en de kracht van zijn vocalen wordt nog eens versterkt door het gebruik van koortjes.

Saudade is zeker geen album dat je op de achtergrond kunt laten voortkabbelen. Het is een album dat het best tot zijn recht komt wanneer je er met volledige aandacht naar luistert. Dan pas valt op hoe subtiel en hoe knap de instrumentatie is en hoe de spanning steeds weer prachtig wordt opgebouwd. Dan pas hoor je ook hoe het album een eenheid wordt door alle toegevoegde geluiden, die het filmische karakter van de muziek van Subterranean Street Society verder versterken.

De Deens-Nederlandse band kiest vooral voor ingetogen klanken, maar wanneer de gitaren zwaarder worden aangezet, schuift de band voorzichtig op richting folkrock, overigens zonder dat Saudade ook maar ergens een rockalbum wordt, iets wat overigens wel geldt voor de eerder uitgebrachte albums van de band. Die eerste twee albums heb ik inmiddels ook beluisterd en vind ik niet heel onderscheidend, maar Saudade vind ik echt prachtig en ik heb het idee dat ik nog lang niet alle geheimen van het album ken.

Liefdesverdriet gun ik niemand, maar het blijkt in de popmuziek vaak een prima voedingsbodem voor een mooi en bijzonder album. Het gaat ook weer op voor Saudade van Subterranean Street Society, dat het absoluut verdient om in brede kring te worden uitgeplozen. Erwin Zijleman

Sudan Archives - Natural Brown Prom Queen (2022)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sudan Archives - Natural Brown Prom Queen - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Sudan Archives - Natural Brown Prom Queen
De Amerikaanse producer en muzikante Brittney Parks maakte in 2019 als Sudan Archives een fascinerend R&B album en doet dat nog eens dunnetjes over op het nog veel betere tweede album van haar alter ego

Natural Brown Prom Queen is een album dat je meerdere keren moet beluisteren om te horen hoe goed en bijzonder het is. Bij eerste beluistering hoor je een funky R&B album vol bijzondere ritmes, maar het blijkt een R&B album dat uit meerdere lagen bestaat en dat ruimte biedt aan flink wat invloeden. Helemaal onverwacht komt dat niet, want Sudan Archives leverde drie jaar geleden met Athena ook al een R&B album af dat zich op fascinerende wijze wist te ontworstelen aan het strakke keurslijf van het genre. Natural Brown Prom Queen doet dat nog net wat beter en veelzijdiger en is zeker niet alleen voor liefhebbers van R&B verplichte kost.

Sudan Archives tekende aan het eind van 2019 met Athena voor een van de spannendste en wat mij betreft ook beste R&B albums van het betreffende jaar. Met alleen het predicaat R&B deed je het album overigens flink te kort, want Sudan Archives kleurde veelvuldig buiten de lijntjes van het genre, wat Athena alleen maar interessanter maakte. Deze week keert het alter ego van de vanuit Los Angeles opererende Brittney Parks terug met het tweede album van Sudan Archives, Natural Brown Prom Queen.

Brittney Parks leerde zichzelf op jonge leeftijd viool spelen en liet zich hierbij beïnvloeden door de wijze waarop het instrument in West Afrika wordt bespeeld. Die invloeden hoor ik eerlijk gezegd niet echt terug op Natural Brown Prom Queen, dat op het eerste gehoor vooral een Amerikaans klinkend R&B album is. Nu is dat een genre dat ik slechts met mate weet te waarderen, maar het tweede album van Sudan Archives overtuigde toch weer direct vrij makkelijk.

Het is een album dat bij eerste beluistering misschien prima in het hokje R&B past, maar wanneer je het album vaker beluistert hoor je steeds meer bijzondere uitstapjes. Vergeleken met Athena klinkt Natural Brown Prom Queen funkier en elektronischer. Brittney Parks strooit driftig met bijzondere ritmes en pakt uit met een vol klinkende instrumentatie en al even dominant aanwezige vocalen. Het maakt van het tweede album van Sudan Archives een behoorlijk overweldigend album, al heeft de Amerikaanse muzikante zeker rustpunten ingebouwd.

Qua genres en stijlen is Natural Brown Prom Queen zeker niet zo eenvormig als ik hierboven suggereer. Invloeden uit de R&B vormen het belangrijkste bestanddeel van de muziek van Sudan Archives, maar het nieuwe album van de muzikante uit Los Angeles bevat ook invloeden uit de psychedelica, jazz, Afrikaanse muziek en elektronische popmuziek.

Vergeleken met het debuutalbum van Sudan Archives klinkt Natural Brown Prom Queen verrassend veelzijdig, wat alles te maken heeft met de wijze waarop het album tot stand kwam. Ruwe demo’s van de songs op het album werden naar meerdere producers gestuurd, waarna Brittney Parks, zelf een getalenteerd producer, aan de slag ging met alle ideeën. Het waren er heel veel, want als je wat beter luistert naar het tweede album van Sudan Archives kan het alle kanten op.

Zeker nadat ik het album met de koptelefoon begon te beluisteren openbaarde zich een fascinerende luistertrip, die alleen maar mooier en interessanter wordt. Natural Brown Prom Queen loopt aan de ene kant over van de goede ideeën en invloeden, maar het is ook een verrassend consistent album. Het is een album dat door liefhebbers van avontuurlijke R&B vast op de juiste waarde zal worden geschat, maar net als zijn voorganger is het een album dat de aandacht verdient van een veel breder georiënteerde groep muziekliefhebbers, al is het maar omdat Brittney Parks met haar veelzijdigheid en muzikaliteit hier en daar herinnert aan Prince in een goede vorm.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik er zelf ook niet al te vaak een R&B album uit pik, maar Natural Brown Prom Queen is een muzikale ontdekkingsreis die zich misschien deels buiten mijn comfort zone beweegt, maar die ik desondanks voor geen goud had willen missen. Knap album weer van Sudan Archives. Erwin Zijleman

Suede - Antidepressants (2025)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Suede - Antidepressants - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Suede - Antidepressants
De tweede jeugd van Suede duurt voort met een wat donker en behoorlijk stevig album, maar wat zijn de songs op Antidepressants weer goed en aanstekelijk en wat zijn de leden van de band nog altijd in topvorm

Sinds haar terugkeer in 2013 heeft de Britse band Suede geen slecht album meer gemaakt. Het is inmiddels een aardig stapeltje albums, waarmee de band een stuk productiever is dan de andere grote spelers uit de 90s Britpop. Suede is bovendien zeker geen ‘one-trick-pony’. De band nam een paar jaar geleden nog flink gas terug met een beeldend geluid, maar levert nu een lekker stevig album met hier en daar de nodige invloeden uit de postpunk af. Het klinkt allemaal lekker energiek met de zo herkenbare zang van Brett Anderson en het heerlijke gitaarspel van Richard Soakes, maar de songs van Suede zijn dit keer ook verrassend aanstekelijk. Suede draait al heel lang mee, maar verslapt nog altijd niet.

2025 is het jaar van de terugkeer van Pulp en Oasis, terwijl 2023 werd gezien als het jaar van de terugkeer van Blur. Ook de vierde grote band uit de Britpop van de jaren 90 is een aantal jaren afwezig geweest, tussen 2003 en 2010 om precies te zijn, maar de tweede jeugd van Suede, die begon in 2013 met het album Bloodsports, houdt inmiddels al een jaar of twaalf aan.

Suede leverde met haar eerste drie albums, Suede uit 1993, Dog Man Star uit 1994 en Coming Up uit 1997, drie onbetwiste Britpop klassiekers af, maar zakte hierna wat weg met twee zwakkere albums. Sinds Bloodsports uit 2013 staat de Britse band echter weer garant voor uitstekende albums en met name Night Toughts uit 2016 en Autofiction uit 2022 doen wat mij betreft niet onder voor het beste werk van de band.

Suede experimenteerde op een aantal van haar recentere albums met een wat meer ingetogen en beeldend geluid, maar op Autofiction keerde de band drie jaar geleden terug naar een wat ruwer geluid, dat af en toe herinnerde aan de eerste albums, maar ook wat opschoof richting rock en dat is de band kennelijk goed bevallen.

Het is immers een lijn die wordt doorgetrokken op het deze week verschenen Antidepressants, dat vooral wat stevigere uptempo song bevat naast twee ballads. Antidepressants is net als voorganger Autofiction gestoken in een sombere zwart-wit hoes en dat past wat mij betreft wel bij de muziek van de band, die dit keer aan de donkere kant is.

Autofiction werd in 2022 door Brett Anderson een punkalbum genoemd en de Britse zanger speekt in het geval van Antidepressants over een postpunk album. Waar ik de punk op Autofiction niet echt hoorde, hoor ik absoluut de postpunk op Antidepressant. Allereerst omdat het een behoorlijk donker album is, maar ook in de zwaar aangezette bas- en drumpartijen en in het gitaarwerk van Richard Oakes klinken invloeden uit de postpunk door.

Aan de andere kant vind ik het ook een typisch Suede album en die werden in het verleden toch vooral onder de Britpop of onder de glam geschaard. Laten we het er maar op houden dat het label niet zo belangrijk is, het gaat immers om de muziek. Suede klonk na haar eerste drie albums wat uitgeblust, maar weet inmiddels al twaalf jaar de goede vorm vast te houden.

Wat hierbij helpt is dat Brett Anderson nog altijd een uitstekende zanger is en bovendien een zanger met een karakteristiek en gepassioneerd eigen geluid. Ook gitarist Richard Oakes is op Antidepressant weer in topvorm, zodat niemand het zo langzamerhand meer over Bernard Butler, de oorspronkelijke gitarist van de band, hoeft te hebben. Suede vertrouwt ook dit keer op de diensten van producer Ed Buller, wat verder bijdraagt aan de vertrouwde ingrediënten in het geluid van Suede.

De band grijpt op haar nieuwe album absoluut terug op het eigen werk, en dan met name op de eerste drie albums en misschien nog wel meer op voorganger Autofiction, maar heeft ook goed geluisterd naar de postpunkbands uit de jaren 80, met Joy Division, Siouxsie & The Banshees en The Cure voorop, maar songs als Dancing With The Europeans en Sweet Kid hadden met een beetje fantasie ook van The Cult kunnen zijn.

Het levert een donker, stevig en soms bijna bombastisch album op, maar de Britse band is er ook weer in geslaagd om een serie zeer aansprekende en vaak energieke en aanstekelijke songs te schrijven. Het zorgt ervoor dat ook Antidepressants weer een album is dat niet onder doet voor de beste albums van Suede en dat is knap voor een band die inmiddels meer dan 35 jaar bestaat. Erwin Zijleman

Suede - Autofiction (2022)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Suede - Autofiction - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Suede - Autofiction
Suede start met Autofiction vol overtuiging aan haar derde jeugd en levert een lekker stevig album af, waarop invloeden uit de eerste jeugd van de band worden verrijkt met een dosis 80s postpunk

Suede was aan het begin van het huidige millennium op sterven na dood, maar herpakte zich vanaf 2013 knap met drie uitstekende albums. Na een stilte van vier jaar keert de Britse band terug met Autofiction, dat klinkt als een nieuwe start. Autofiction is een wat ruwer en steviger album vol echo’s uit de beginjaren van de band en de inspiratiebronnen van destijds. Gitarist Richard Oakes stapt definitief uit de schaduw van Bernard Butler en ook zanger Brett Anderson verkeert op Autofiction in topvorm, net als de rest van de band. De meeste tijdgenoten van Suede zijn al lang vergeten, maar de band uit Londen klinkt nog als een stel jonge honden. Een verrassend sterk album van de Britse band.

De Britse band Suede behoorde in de jaren 90 tot de vaandeldragers en de smaakmakers van de Britpop. Met Suede uit 1993, Dog Man Star uit 1994 en Coming Up uit 1997 leverde het drie onbetwiste Britpop klassiekers af, maar toen de belangstelling voor het genre aan het eind van de jaren 90 begon af te nemen, kreeg ook Suede, dat ook nog eens twee wat mindere albums had afgeleverd, steeds minder aandacht.

De band leek aan het begin van het nieuwe millennium dan ook roemloos ten onder te gaan, maar Suede bleek over meerdere levens te beschikken en begon in 2013 met Bloodsports met veel bravoure aan haar tweede jeugd. Night Thoughts uit 2016 en The Blue Hour uit 2018 completeerden niet alleen een prachtige trilogie, maar waren ook nog net wat beter dan Bloodsports en deden wat mij betreft niet al teveel onder voor de eerste drie albums van de Britse band.

De afgelopen jaren was het helaas weer wat stiller rond Suede, maar deze week keert de band terug met haar negende studioalbum, Autofiction. Op haar nieuwe album breekt Suede met de lijn die werd ingezet op Bloodsports en die zo fraai werd uitgewerkt op Night Thoughts en The Blue Hour. Autofiction is een wat ruwer en steviger album, waarop de band weer dichter aankruipt tegen het geluid van haar eerste albums en tegen de inspiratiebronnen van destijds. De band noemt het zelf haar punkalbum, wat misschien overdreven is, maar dat afscheid wordt genomen van de beeldende klanken op met name The Blue Hour is zeker.

Suede werd groot in de jaren 90, maar op Autofiction spelen invloeden uit de jaren 80 een voorname rol. In vrijwel alle tracks horen we de galmende gitaren die in de jaren 80 gemeengoed waren en ook de keyboards lijken hier en daar weggelopen uit dit decennium, net als de bijdragen van de prima spelende ritmesectie. Autofiction doet me meer dan eens denken aan de muziek van The Cure, maar het blijft ook een typisch Suede album.

Gitarist Richard Oakes heeft lange tijd aangehikt tegen de erfenis van Bernard Butler, die op de eerste Suede albums schitterde, maar op Autofiction werpt de Britse gitarist alle schroom van zich af en tekent hij vrijwel continu voor prachtig gitaarwerk. Het galmende gitaarwerk past prachtig bij de karakteristieke zang van voorman Brett Anderson, die weer met veel passie en hier en daar de nodige bombast zingt.

Over de zangkwaliteiten van de Britse muzikant zijn de meningen verdeeld, maar ik vind het nog altijd een uitstekend zanger, die op Autofiction ook nog eens in topvorm is. De vergeleken met de vorige albums wat directere zang pakt zelfs heel goed uit en voorziet de songs op Autofiction van veel kracht en urgentie.

Autofiction bevat wel wat rustpuntjes, maar over het algemeen genomen gaat Suede er op haar nieuwe album lekker stevig tegenaan met een mix van postpunk, glamrock en Britpop. Het levert een album op dat van alle albums die Suede na 1997 maakte waarschijnlijk het dichtst tegen Coming Up aan zit en laat dit nu net mijn favoriete Suede album zijn.

De meeste bands die in de eerste helft van de jaren 90 opdoken bestaan al lang niet meer of zijn geen schim meer van zichzelf, maar Suede klinkt, veel meer dan op de vorige drie albums, als een stel jonge honden die er in slagen om het heilige vuur brandend te houden. Gezien de verschillen met de trilogie die tussen 2013 en 2018 werd afgerond, durf ik Autofiction wel de start van de derde jeugd van Suede te noemen en het is een start die respect afdwingt. Erwin Zijleman

Suede - Night Thoughts (2016)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Suede - Night Thoughts - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Bij Suede denk ik aan de jaren 90. Ik denk aan het verpletterende titelloze debuut uit 1993, aan het donkere en dramatische Dog Man Star uit 1994 en aan het glorieuze Coming Up uit 1997.

Hierna was het voor mij gedaan. Suede maakte nog twee middelmatige platen (Head Music uit 1999 en A New Morning uit 2002), waarna het doek definitief leek gevallen.

Drie jaar geleden keerde Suede terug met het over het algemeen goed ontvangen Bloodsports, maar ik heb er volgens mij niet naar geluisterd.

Ik heb gelukkig wel geluisterd naar het vorige week verschenen Night Thoughts, want dit is een plaat die niet heel veel onder doet voor het bijzondere drietal dat Suede zo’n twintig jaar geleden maakte.

Night Thoughts opent met zwaar aangezette strijkers, maar begeeft zich vervolgens al snel op bekend terrein. De ritmesectie en toetsenist leggen een loodzware basis, gitarist Richard Oakes tovert de ene na de andere majestueuze gitaarlijn uit zijn instrument, terwijl zanger Brett Anderson de muziek van Suede voorziet van emotie, drama en bombast.

Het zijn ingrediënten die Suede altijd heeft verwerkt in haar muziek (en dus ook op de mindere platen), maar op Night Thoughts zijn ook de goede songs weer terug.

Waar de muziek van Suede op de mindere platen van de band verzoop in bombast en aanstellerij, is Night Thoughts over de hele linie een urgente en goed gedoseerde plaat. Natuurlijk pakt Brett Anderson weer flink uit met theatrale vocalen en ook de instrumentatie is meer dan eens bijna over the top, maar het is dit keer functioneel drama, dat nadrukkelijk bijdraagt aan de hoge kwaliteit van de songs op Night Thoughts.

Ik had niet verwacht dat ik nog eens zo zou genieten van een nieuwe Suede plaat, maar Night Thoughts is, mede dankzij het werkelijk geweldige gitaarwerk, een bijzonder aangename verrassing. Suede is terug. En hoe. De plaat is overigens ook verkrijgbaar met een bijbehorende film die het beeldende karakter van Night Thoughts onderstreept. Erwin Zijleman

Suede - The Blue Hour (2018)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Suede - The Blue Hour - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Suede wordt in haar tweede jeugd alleen maar beter en beter en levert een meesterwerk af
Suede begon een paar jaar geleden aan haar tweede jeugd en voltooit na Bloodsports en Night Thoughts met The Blue Hour een heuse trilogie. Ook op haar nieuwe plaat klinkt Suede afwisselend groots en meeslepend en wonderschoon en sprookjesachtig. De arrangementen zijn prachtig, Brett Anderson zingt beter dan ooit en de songs zijn van een bijzonder hoog niveau. The Blue Hour laat echo’s uit het eigen verleden horen, maar sleept er ook van alles bij, waardoor deze plaat alleen maar mooier en boeiender wordt. Ik vind hem misschien wel beter dan alles dat de band hiervoor maakte.



Bij de Britse band Suede wordt wat mij betreft te vaak gemijmerd over die memorabele eerste en tweede plaat. Natuurlijk waren het titelloze debuut uit 1993 en Dog Man Star uit 1994, beiden gemaakt met stergitarist Bernard Butler, van een onwaarschijnlijk hoog niveau en zijn het tot op de dag van vandaag zeer invloedrijke platen, maar persoonlijk vind ik de meeste andere platen van de band uit Londen niet veel minder.

Head Music uit 1999 en A New Morning uit 2002 waren natuurlijk wel een stuk minder goed, maar Coming Up uit 1997, Bloodsports uit 2013 en Night Thoughts uit 2016 konden zich wat mij betreft best meten met de beste platen van Suede en misschien vind ik de laatste zelfs wel de beste plaat die de Britse band tot dusver maakte.

Het deze week verschenen The Blue Hour voltooit de trilogie die met Bloodsports en Night Thoughts werd ingezet en is wederom een hele sterke plaat. The Blue Hour opent heerlijk donker en bombastisch of zelfs overweldigend met een track die zo het laatste seizoen van Game Of Thrones kan inluiden. Het is een prachtige start van een album dat meerdere gezichten van Suede laat zien.

In de tweede track schuift zanger Brett Anderson in de eerste noten dicht tegen Morrissey aan, waardoor Suede in één keer het gat tussen de muziek van The Smiths en de Britpop van de jaren 90 dicht. Hier blijft het niet bij, want in het tweede deel van de track komen ook nog wat flarden progrock voorbij en gaat Suede nog wat verder terug in de geschiedenis van de Britse rockmuziek.

Brett Anderson bepaalde met zijn zeer expressieve vocalen voor een belangrijk deel het geluid waarmee Suede ooit doorbrak, maar persoonlijk vind ik dat de Brit veel beter is gaan zingen de laatste jaren. Zeker in de bombastische tracks, waarin de strijkers flink aanzwellen, en in de tracks die flirten met 70s glamrock gaat de Brit nog flink los, maar hij kan inmiddels ook gewoon mooi zingen.

Net als op de vorige platen uit de trilogie die met Bloodsports werd ingezet, schiet Suede meerdere kanten op. De band kan flink uitpakken, maar ook prachtig ingetogen of zelfs sprookjesachtig klinken, wat The Blue Hour voorziet van veel dynamiek. De band blijft hierbij trouw aan de eigen muzikale erfenis, maar durft ook te vernieuwen, waardoor er sinds het fraaie Night Thoughts weer een stap is gezet.

Het zorgt er voor dat je flink heen en weer wordt geslingerd door de tijd en het ene moment het memorabele debuut van de band herbeleefd, het volgende moment nog een of twee decennia verder terug gaat, om uiteindelijk toch weer in het heden te belanden.

Ik vind de zang op de plaat zoals eerder gezegd beter dan op de vroege platen en ook in muzikaal opzicht is Suede alleen maar gegroeid, waarbij gitarist Richard Oakes er inmiddels in geslaagd is om Bernard Butler te doen vergeten met betoverend mooie gitaarlijnen en de gelouterde producer Alan Moulder heeft gezorgd voor een werkelijk prachtig geluid.

Voor een echte topplaat draait alles uiteindelijk om de songs en ook die zijn op The Blue Hour van hoog niveau. Suede imponeert met bombastische orkanen van geluid en wonderschone ingetogen passages, maar komt ook op de proppen met songs die direct blijven hangen en een goed gevoel geven. Het zorgt er voor dat The Blue Hour, net als zijn twee voorgangers, indruk maakt en het zou me niet verbazen wanneer de plaat uiteindelijk boven deze twee voorgangers uit stijgt, wat absoluut een prestatie van formaat is. Erwin Zijleman

Sufjan Stevens - Carrie & Lowell (2015)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sufjan Stevens - Carrie & Lowell - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De in Detroit, Michigan, geboren muzikant Sufjan Stevens debuteerde aan het begin van het huidige millennium, maar trok met zijn eerste twee platen helaas nauwelijks aandacht.

Dat deed hij wel met het in 2003 verschenen Greetings From Michigan: The Great Lake State. Enerzijds omdat het een geweldige plaat was, maar anderzijds ook vanwege het bijzonder ambitieuze plan dat aan de plaat was verbonden.

Sufjan Stevens kondigde na zijn eerbetoon aan zijn thuisstaat Michigan immers aan om ook de resterende 49 staten van de VS te voorzien van een muzikaal eerbetoon. Het deed de rekenaars onder ons direct fronsen, maar het idee was natuurlijk mooi, zeker met platen van het kaliber van het eerste deel.

Toen Sufjan Stevens een jaar later opdook met het niet aan een staat gerelateerde en wederom bijzonder mooie Seven Swans leek het ambitieuze plan al weer van tafel, maar weer een jaar later verscheen dan toch Illinoise, een eerbetoon aan de staat Illionois. Op de resterende 48 delen wachten we nog steeds, want Sufjan Stevens kreeg een nieuwe hobby; het maken van kerstplaten. De afgelopen jaren werd buiten deze kerstplaten niet al teveel vernomen van Sufjan Stevens, maar eindelijk is de een decennium geleden zo bejubelde muzikant terug met een nieuwe plaat.

Ook Carrie & Lowell is overigens een eerbetoon. Dit keer niet aan een Amerikaanse staat of aan een feestdag in december, maar aan zijn moeder en stiefvader die de afgelopen jaren allebei zijn overleden. Nu had Sufjan Stevens geen geweldige band met zijn moeder, maar desondanks heeft hij een opvallend stemmige of zelfs trieste plaat gemaakt. Gelukkig is het ook een hele goede plaat geworden.

Sufjan Stevens was in het verleden niet bang voor groots aangeklede platen, maar op Carrie & Lowell houdt hij zijn songs opvallend klein. Veel meer dan gitaar, banjo en zorgvuldige aangebrachte synthesizer partijen krijgen we niet en hierbovenop klinken de eveneens ingetogen vocalen van Sufjan Stevens.

Het is een op het eerste gehoor uiterst sober geluid, maar het is wel een geluid dat zorgvuldig in elkaar is geknutseld. Carrie & Lowell bestaat uit meerdere lagen instrumenten en meerdere lagen vocalen en klinkt hierdoor zeker niet zo kaal als je op het eerste gehoor zult vermoeden.

Stemmige klanken domineren op een plaat vol weemoed. Sufjan Stevens kijkt op Carrie & Lowell terug op zijn jeugd en de relatie die hij had met zijn moeder en zijn stiefvader (wiens huwelijk met de moeder van Sufjan Stevens overigens niet lang stand hield). Het levert een sombere en vaak zelfs zwaar melancholische plaat op, maar Carrie & Lowell is ook een plaat van een enorme schoonheid.

Bij Sufjan Stevens denk ik aan overdaad en aan minder geslaagde experimenten, maar beiden ontbreken volledig op zijn nieuwe plaat. Carrie & Lowell staat vol met buitengewoon smaakvol geïnstrumenteerde en opvallend intiem vertolkte songs en ze zijn allemaal raak. Het zijn songs vol opvallende verhalen; soms emotioneel, soms ook wat bitter, soms vol humor, maar altijd met vlijmscherpe observaties, wat de songs nog een extra dimensie geeft.

In muzikaal opzicht sluit Carrie & Lowell redelijk goed aan op het eerder genoemde Seven Swans, maar er zijn ook volop raakvlakken met de ingetogen muziek van Nick Drake of met de songs vol demonen van Elliott Smith.

Carrie & Lowell maakt onmiddellijk indruk, maar het is ook een plaat die pas echt goed tot zijn recht komt wanneer je hem veel vaker hebt gehoord. Dan immers hoor je de diepte in de instrumentatie en de emotie waarmee Sufjan Stevens vertelt over zijn niet altijd even gelukkige jeugd.

Sufjan Stevens heeft misschien niet heel veel goede herinneringen aan zijn moeder, maar haar dood heeft hem geïnspireerd tot het maken van een werkelijk wonderschone plaat, die absoluut behoort tot het mooiste en indrukwekkende dat 2015 ons tot dusver heeft gebracht. Erwin Zijleman

Sufjan Stevens - Javelin (2023)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sufjan Stevens - Javelin - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Sufjan Stevens - Javelin
Sufjan Stevens heeft met Javelin een wonderschoon album gemaakt, dat teruggrijpt op een aantal van zijn eerdere albums, maar dat ook weer nieuwe ingrediënten toevoegt aan het unieke Sufjan Stevens geluid

De albums die de Amerikaanse muzikant Sufjan Stevens de afgelopen jaren maakte stonden in de schaduw van het prachtige Carrie & Lowell uit 2015, maar met Javelin heeft de muzikant uit New York een volgend meesterwerk toegevoegd aan zijn fascinerende oeuvre. Javelin combineert de ingetogen folk die we kennen van Sufjan Stevens met de uitbundige arrangementen die ook eerder opdoken op zijn albums. Het levert een prachtig ingekleurd album op, dat strooit met prachtige klanken, maar dat ook ontroert door de zang van de Amerikaanse muzikant, die op Javelin zijn overleden partner eert. Een van de beste albums van Sufjan Stevens tot dusver en dat zegt wat.

Het is alweer twintig jaar geleden dat de Amerikaanse muzikant Sufjan Stevens de aandacht trok met zijn album Michigan (volledige titel: Greetings From Michigan: The Great Lake State). Dat deed de uit Detroit, Michigan, afkomstige muzikant in eerste instantie met zijn plan om voor alle 50 staten van de Verenigde Staten een album te maken, maar zijn album over zijn toenmalige thuisstaat Michigan was ook een prachtig album, dat Sufjan Stevens op de kaart zette als een bijzondere muzikant.

Van het plan om voor alle 50 staten van de VS een album te maken kwam vervolgens niet veel terecht. Toen precies twee jaar na Michigan het album Illinois (volledige titel: Sufjan Stevens Invites You To: Come On Feel The Illinoise) verscheen was al duidelijk dat de Amerikaanse muzikant in dit tempo honderd jaar nodig zou hebben voor het afronden van het project. Het zo ambitieuze plan bleef dan ook steken bij twee albums, maar Sufjan Stevens maakte in de jaren rond Michigan en Illinois een aantal geweldige andere albums.

Zijn voorlopige meesterwerk maakte de inmiddels naar New York uitgeweken muzikant met het in 2015 verschenen Carrie & Lowell, waarop de Amerikaanse muzikant op prachtige wijze zijn overleden moeder en stiefvader eerde. Sindsdien is het helaas wat behelpen. Sufjan Stevens maakte de afgelopen jaren een aantal behoorlijk experimentele albums en wist mij eigenlijk alleen te overtuigen met het samen met Angelo De Augustine gemaakte A Beginner’s Mind uit 2021.

Ik begon dan ook met bescheiden verwachtingen aan het deze week verschenen Javelin, maar het bleek direct bij eerste beluistering een ouderwets goed Sufjan Stevens album. Javelin is een album dat nadrukkelijk teruggrijpt op de eerdere albums van de Amerikaanse muzikant. In een aantal songs horen we de ingetogen en intieme folk die Carrie & Lowell zo mooi en indringend maakte, maar het album bevat ook de bonte orkestraties van een album als Illinois.

In de folky tracks laat Sufjan Stevens horen dat hij niet veel meer nodig heeft dan een akoestische gitaar en zijn stem, maar ook de uitbundiger ingekleurde passages op het album komen makkelijk binnen. Javelin is een eerbetoon aan de eerder dit jaar overleden partner van Sufjan Stevens, waardoor het album de emotionele lading heeft die van Carrie & Lowell zo’n indrukwekkend album maakte. Die lading werd versterkt door de ernstige gezondheidsproblemen waarmee Sufjan Stevens kampt, maar alle ellende blijkt een voedingsbodem voor prachtige muziek.

Het is knap hoe de Amerikaanse muzikant schakelt tussen uiterst ingetogen en opvallend rijk ingekleurde passages, maar ook als Sufjan Stevens alles uit de kast trekt, vliegt hij op Javelin niet uit de bocht. Javelin bevat tien songs en duurt een kleine drie kwartier, maar in die drie kwartier gebeurt er teveel om op te noemen, waardoor je nieuwe dingen blijft horen op het album. Zeker de wat bonter ingekleurde songs op het album zijn volgestopt met bijzondere accenten en verrassende wendingen, met de fraaie harmonieën van een handvol geweldige zangeressen als kers op de taart.

Ik noemde Carrie & Lowell hierboven het meesterwerk van Sufjan Stevens en dat is het nog steeds, maar zijn nieuwe album Javelin komt wel angstig dichtbij en blijft me voorlopig nog verrassen met alle muzikale en vocale pracht op het album. Het heeft even geduurd, maar Sufjan Stevens heeft met Javelin weer eens de prachtplaat gemaakt die je van een muzikant van zijn statuur mag verwachten. Erwin Zijleman

Sufjan Stevens & Angelo De Augustine - A Beginner's Mind (2021)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sufjan Stevens & Angelo De Augustine - A Beginner's Mind - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Sufjan Stevens & Angelo De Augustine - A Beginner's Mind
Sufjan Stevens en Angelo De Augustine leveren met A Beginner’s Mind een fraai ingetogen album af, dat benevelt en bezweert met wonderschone klanken en prachtig bij elkaar kleurende stemmen

Ik vind lang niet alles dat Sufjan Stevens maakt mooi of interessant, maar het samen met Angelo De Augustine gemaakte A Beginner’s Mind is prachtig. De twee sloten zich een maand op om een album te maken dat opvalt door fraaie klanken, prachtige melodieën en zeker ook de ijzersterke zang en harmonieën van de twee. A Beginner’s Mind is een typisch Sufjan Stevens album, maar het is ook een album vol echo’s uit het verleden. Het is een album dat in het hokje folk past, met het album ontstijgt dit genre ook met grote regelmaat. Het door films geïnspireerde album voert je langs een eindeloze stroom van mooie beelden en wordt iedere luisterbeurt mooier.

De Amerikaanse muzikant Sufjan Stevens kwam voor het eerst op mijn pad in 2003, toen hij het prachtige Greetings from Michigan: The Great Lake State uitbracht. Het was de start van een zeer ambitieus plan, dat uiteindelijk voor iedere staat van de Verenigde Staten een album moest gaan opleveren, wat na beluistering van het eerste deel een sensationeel vooruitzicht was.

Dat plan is helaas na twee albums al gestrand, maar Sufjan Stevens maakte ook buiten dit nauwelijks te realiseren project mooie albums. Ik moet wel toegeven dat ik de afgelopen jaren wat uitgekeken ben geraakt op zijn muziek. Het inmiddels al weer zes jaar oude Carrie & Lowell was tot deze week het laatste Sufjan Stevens album dat me echt kon boeien en dat album kwam na een aantal albums die me ook niet veel deden.

Deze week keert Sufjan Stevens terug met een nieuw album en het is een album dat hij maakte met Angelo De Augustine. Laatstgenoemde maakte een drietal albums op het Asthmatic Kitty label van Sufjan Stevens, waarvan met name het in 2019 verschenen Tomb opviel. Angelo De Augustine en Sufjan Stevens sloten zich voor A Beginner’s Mind een maand op in een blokhut in de staat New York en lieten zich inspireren door films die ze in de avond bekeken en de volgende dag een song moesten opleveren, waarbij een aantal wat zweverige methodieken centraal stonden.

Het vasthouden aan een concept is voor Sufjan Stevens een beproefd concept en ook op A Beginner’s Mind werkt het weer uitstekend. Dat de songs op het album zijn geïnspireerd door films is overigens goed te horen, want A Beginner’s Mind is een album met een ruimtelijk en beeldend karakter.

Sufjan Stevens en Angelo De Augustine tekenen op A Beginner’s Mind voor nagenoeg alle instrumenten en vocalen, wat een intiem album oplevert. Het is een album dat herinnert aan de Sufjan Stevens die mij het meest dierbaar zijn, waarbij moet worden gedacht aan Greetings from Michigan: The Great Lake State, Seven Swans en Carrie & Lowell.

Ook A Beginner’s Mind is een album dat vooral ingetogen en vaak fluisterzacht is en dat een over het algemeen akoestische instrumentatie combineert met de mooie stemmen en harmonieën van de twee Amerikaanse muzikanten. Het zijn stemmen die echt prachtig bij elkaar passen en die meer dan eens associaties oproepen met de muziek van Simon & Garfunkel of uit het recentere verleden Kings Of Convenience, met hier en daar nog wat persoonlijke associaties met Peter Gabriel , Elliott Smith, cosmic soul en prog.

De eerder genoemde topalbums van Sufjan Stevens hebben de afgelopen jaren nogal wat muzikanten geïnspireerd tot vergelijkbare muziek, maar meestal eindigt dit in bloedeloos saai geneuzel. Sufjan Stevens en Angelo De Augustine slagen er op A Beginner’s Mind echter in om langzaam voortkabbelende songs te maken die niet alleen overlopen van schoonheid, maar die zich ook heftig opdringen.

A Beginner’s Mind is een typisch Sufjan Stevens album, maar het is er weer eens een die je na één keer horen heeft gegrepen en die je vervolgens maar blijft beluisteren. Bij herhaalde beluistering hoor je alleen maar meer moois in de songs op het album en krijgt A Beginner’s Mind langzaam maar zeker een bijna hypnotiserende werking. De naam Sufjan Stevens was de afgelopen jaren voor mij zeker geen synoniem voor interessante albums, maar dit nieuwe album is een pareltje. Erwin Zijleman

Sugarfoot - The Santa Ana (2017)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sugarfoot - The Santa Ana - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Ik heb de afgelopen weken flink wat leuke muziek uit de jaarlijstjes van anderen gehaald en ook het online zetten van mijn eigen jaarlijstje heeft weer een aantal hele mooie tips opgeleverd. De mooiste van het stel komt vooralsnog van de band Sugarfoot en luistert naar de titel The Santa Ana.

Sugarfoot is een Noorse band die al een aantal jaren bestaat en de Bent Sæther als bekendste lid heeft (al zijn Øyvind Holm en Hogne Galåen de voormannen van de band). Bent Sæther kennen we natuurlijk van Motorpsycho, dat dit jaar met The Tower een jaarlijstjesplaat afleverde, maar kennelijk was er nog tijd over voor een ander project.

Sugarfoot nam haar vorige plaat op in de Rancho De La Luna studio in Joshua Tree, California, en dat was zo goed bevallen dat de band terugkeerde naar de Verenigde Staten. De bijzondere sfeer van de Californische woestijn is dit keer nog nadrukkelijker aanwezig in de muziek van de Noren, die zelf het hokje Cosmic Americana hebben bedacht voor hun muziek.

The Santa Ana ademt nadrukkelijk de sfeer van Joshua Tree in de jaren 70 en de sfeer van de countryrock uit dezelfde periode. Joshua Tree is de plek waar Gram Parsons in 1973 zijn laatste adem uitblies en flarden van zijn muziek klinken door op The Santa Ana, net als flarden van de muziek van onder andere Crosby, Stills, Nash & Young, The Byrds en The Flying Burrito Brothers.

Sugarfoot vermengt de nadrukkelijke invloeden uit de countryrock met gelijke delen Westcoast pop en 70s psychedelica, waardoor The Santa Ana warmer en lichtvoetiger klinkt dan de meeste andere platen van Noorse bands.

Met een muzikale duizendpoot als Bent Sæther aan boord, verwacht je niet dat Sugarfoot het hier bij laat en dat doet de Noorse band dan ook niet. De zonnig klinkende countryrock van de band mag af en toe ontsporen en kan dan alle kanten op schieten. Een aantal songs op de plaat klinkt Beatlesque (of herinnert aan het briljante Kontiki van Cotton Mather), maar wanneer Sugarfoot incidenteel kiest voor muzikaal spierballenvertoon kan de band ook zomaar wat totaal onverwachte invloeden uit de progrock toevoegen aan haar songs.

Het zijn uitzonderingen, want over het algemeen genomen is de muziek van de Noorse band geworteld in de zweverige countryrock zoals die in de jaren 70 werd gemaakt. Door de bijzondere twist die werkelijk ieder moment kan opduiken is de muziek van de Noorse band echter een stuk spannender dan de meeste andere muziek van het moment die zich laat inspireren door de hoogtijdagen van de Amerikaanse countryrock.

Hoe vaker ik naar The Santa Ana luister, hoe meer bijzondere dingen ik hoor en bij iedere luisterbeurt zijn de songs van de Noren me weer wat dierbaarder. De Noorse band komt ook nog eens met bijna 70 minuten muziek op de proppen, wat het nog knapper maakt dat de plaat in slechts twee weken werd opgenomen en gemixt in de Californische woestijn.

The Santa Ana van Sugarfoot laat zich moeiteloos beluisteren als een obscure en vergeten klassieker uit de jaren 70, maar ook in 2017 klinkt de muziek van de Noren fris en urgent, wat van The Santa Ana een hele bijzondere plaat maakt.

Noorwegen heeft ons dit jaar heel veel mooie muziek gebracht en die zie ik in allerlei jaarlijstjes terug (waaronder mijn eigen jaarlijstje). The Santa Ana van Sugarfoot zie ik vooralsnog maar weinig in deze lijstjes, maar dat een jaarlijstjesplaat is lijkt me inmiddels wel duidelijk. Ik voeg hem zelf toe aan het lijstje met platen dat mijn jaarlijst misschien wel had moeten halen, maar helaas net wat te laat werd ontdekt. Erwin Zijleman

Suki Waterhouse - I Can't Let Go (2022)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Suki Waterhouse - I Can't Let Go - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Suki Waterhouse - I Can't Let Go
Suki Waterhouse is een gerespecteerd model en actrice, maar op haar debuutalbum laat ze horen dat ze ook als muzikante uitstekend uit de voeten kan en zich zomaar kan scharen onder de smaakmakers in het genre

I Can’t Let Go, het debuutalbum van de Britse muzikante Suki Waterhouse, is wat mij betreft de grootste muzikale verrassing van deze week. Ik had nog geen noot muziek van haar gehoord, maar ben onder de indruk van haar debuutalbum, dat vooral past in het hokje indiepop met wat uitstapjes richting rock. Knap geproduceerd en ingekleurd door topproducer Brad Cook, maar Suki Waterhouse maakt ook zelf indruk met aangename maar ook veelzijdige vocalen en met songs die tot de verbeelding spreken. Tussen deze songs staan een aantal songs die horen bij het beste dat ik dit jaar gehoord heb, maar ook de rest is dik in orde. Wat mij betreft een sensationeel debuut van Suki Waterhouse.

Suki Waterhouse zag ik het afgelopen twee jaar met enige regelmaat voorbij komen op Instagram. Ik dacht eerlijk gezegd al die tijd dat ze een model was, tot vorige week haar debuutalbum I Can’t Let Go op de mat plofte. Het is een album dat is verschenen op het roemruchte Sub Pop label, wat me nog net wat nieuwsgieriger maakte naar haar muzikale verrichtingen.

Suki Waterhouse komt uit Londen, woont inmiddels in Los Angeles en timmerde de afgelopen jaren inderdaad aan de weg als model. Hier liet ze het niet bij, want ook haar carrière als actrice verloopt vooralsnog voorspoedig. Daar komt nu ook nog eens een carrière als muzikante bij, want het debuutalbum van Suki Waterhouse heeft me zeer aangenaam verrast.

I Can’t Let Go is een album dat zich goed thuis voelt in het hokje (indie)pop, maar het is zeker geen dertien in een dozijn (indie)pop die de van oorsprong Britse muzikante maakt, wat ik overigens ook niet had verwacht van een label als Sub Pop, dat een naam heeft hoog te houden wanneer het gaat om goede smaak.

Het roemruchte label koppelde de muzikante uit Londen aan de gerenommeerde Amerikaanse muzikante en producer Brad Cook, die eerder werkte met onder andere The War On Drugs, Hiss Golden Messenger, Big Red Machine, Waxahatchee, Whitney, Bon Iver, Kevin Morby, Ani DiFranco, Indigo De Souza, Snail Mail en Hurray For The Riff Raff, om maar eens de krenten uit zijn cv van de afgelopen vijf jaar te pikken.

Brad Cook heeft ook het debuutalbum van Suki Waterhouse voorzien van een bijzonder smaakvol geluid. Suki Waterhouse klinkt in haar meest zwoele momenten wel wat als Lana Del Rey, maar de Britse muzikante pint zich in vocaal opzicht zeker niet vast op één geluid. Ik vind de zang op I Can’t Let Go absoluut aangenaam en een stuk beter dan op het gemiddelde popalbum.

Suki Waterhouse varieert op haar debuutalbum flink met haar stem, maar ook in muzikaal opzicht is haar debuutalbum een gevarieerd album, dat een aantal lome popsongs bevat, maar ook een aantal wat stevigere tracks die wat opschuiven richting rock. Alle songs zijn voorzien van een mooi geluid waarin gitaren een voorname rol spelen, maar ook een batterij elektronica is ingezet.

Suki Waterhouse zal als succesvol model en actrice de schijn flink tegen hebben, maar objectief beschouwd is I Can’t Let Go een prima album, dat in brede kring tot de verbeelding moet kunnen spreken. Het debuutalbum van Suki Waterhouse bevat een aantal hitgevoelige tracks, maar het album past wat mij betreft beter bij de albums van de vrouwelijke singer-songwriters in het indiesegment dan bij die van de popprinsessen.

In muzikaal opzicht is het album zeer smaakvol ingekleurd, met hier en daar ook nog een vleugje roots en met name aan het eind een aantal fascinerende tracks, en ook in vocaal opzicht zoekt Suki Waterhouse haar eigen weg. Bovendien schreef ze de songs op het album en het zijn stuk voor stuk aansprekende songs.

Ik was direct bij eerste beluistering overtuigd van de kwaliteiten van de Britse muzikante, maar merk dat ik het album vervolgens ook weer vaak opzet en steeds meer songs hoor die er uit springen op het moment. Suki Waterhouse kon al kiezen tussen een bestaan als model en als actrice, maar ook een minder lucratief bestaan als muzikante behoort tot de mogelijkheden. Het is een bestaan waar ze wat mij betreft voor mag kiezen, want het talent is er absoluut. Erwin Zijleman

Suki Waterhouse - Memoir of a Sparklemuffin (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Suki Waterhouse - Memoir Of A Sparklemuffin - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Suki Waterhouse - Memoir Of A Sparklemuffin
Suki Waterhouse trekt iedereen die nog twijfelde aan haar talent over de streep met een ijzersterk album, waarop de Britse muzikante laat horen dat ze met de besten binnen de indiepop en indierock mee kan

Op haar debuutalbum I Can’t Let Go liet Suki Waterhouse horen dat ze niet alleen een succesvol model en actrice is, maar ook een talentvolle muzikante. Hoe groot dat talent is, is nog veel duidelijker te horen op haar tweede album. Memoir Of A Sparklemuffin is een ambitieus album met bijna een uur muziek en in dat uur laat Suki Waterhouse niet alleen horen dat ze een prima zangeres is, maar ook een getalenteerd songwriter. Memoir Of A Sparklemuffin is een album dat aansluit bij de indiepop en indierock van het moment, maar Suki Waterhouse kent ook haar klassiekers, wat de veelzijdigheid van haar tweede album vergroot. Iedereen die nog twijfelt aan Suki Waterhouse moet maar eens naar Memoir Of A Sparklemuffin luisteren.

Suki Waterhouse heeft de schijn misschien wat tegen. Ze is immers niet alleen muzikante, maar ook een zeer succesvol model en een al even succesvolle actrice, die vorig jaar nog te zien was in de populaire tv-serie Daisy Jones & The Six. Haar debuutalbum I Can’t Let Go werd in het voorjaar van 2022 dan ook met de nodige argwaan bekeken, maar iedereen die onbevooroordeeld luisterde naar het album kon alleen maar concluderen dat het talent van Suki Waterhouse niet beperkt blijft tot haar uiterlijk, uitstraling en acteertalent.

Het album verscheen ook niet voor niets op het gerenommeerde Sub Pop label en ook producer Brad Cook leent zich niet voor elke klus die opduikt. I Can’t Let Go was een uitstekend indie album, dat zowel uit de voeten kon met pop als met rock en dat bovendien liet horen dat Suki Waterhouse een prima zangeres is. Ik keek daarom met hoge verwachtingen uit naar het tweede album van de Britse zangeres en dat album is deze week verschenen.

Ook Memoir Of A Sparklemuffin is verschenen op het aansprekende Sub Pop label en ook dit keer kon Suki Waterhouse een beroep doen op topproducer Brad Cook, die de credits dit keer wel moet delen met onder andere Jonathan Rado van Foxygen, Greg Gonzalez van Cigarettes After Sex's en de onder andere van Lana Del Rey bekende Rick Nowels.

Suki Waterhouse heeft met Memoir Of A Sparklemuffin een bijzonder ambitieus album gemaakt, want naast het inschakelen van meerdere gelouterde producers heeft de tegenwoordig in Los Angeles woonachtige muzikante ook nog eens maar liefst 18 songs en bijna een uur muziek afgeleverd.

Ook Memoir Of A Sparklemuffin zal wel weer met de nodige argwaan of scepsis worden bekeken, maar Suki Waterhouse laat op haar tweede album wat mij betreft nog wat nadrukkelijker horen dat ze heel veel in haar mars heeft. Het is direct te horen in de openingstrack, die opvalt door prachtige klanken, overtuigende zang en een song die niet zou misstaan op een album van Lana Del Rey, tot de gitaren los barsten.

Suki Waterhouse laat direct vanaf de eerste track horen dat haar hart bij de indiepop en de indierock ligt en dat ze zeker geen 13 in een dozijn popzangeres is. Alle producers die hebben bijgedragen aan het album drukken hun stempel op het fraai klinkende Memoir Of A Sparklemuffin, maar van overdaad is nergens sprake. Het geluid op het album klinkt op een of andere manier ruw en oorspronkelijk, zeker wanneer het gitaarwerk wat steviger is.

Nog meer dan op haar debuutalbum overtuigt Suki Waterhouse als zangeres en ze maakt bovendien indruk met de veelzijdigheid van haar songs. Memoir Of A Sparklemuffin past in hokjes als indiepop en indierock, maar Suki Waterhouse heeft zich voor haar nieuwe albums breed laten beïnvloeden en grijpt net zo makkelijk terug op popmuziek uit het verleden.

In muzikaal en productioneel opzicht klinkt het allemaal fraai en ook de zang op het album is prima, maar vergeleken met haar debuutalbum laat Suki Waterhouse ook groei horen als songwriter, waarvoor ze overigens ook wat zwaargewichten inschakelde. Het songs die alle kanten van de succesvolle indiepop en indierock van het moment bestrijken en niet onder doen voor het beste dat in deze genres wordt gemaakt. Weg met de vooroordelen dus, want Suki Waterhouse is echt heel goed. Erwin Zijleman

Sumie - Lost in Light (2017)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Sumie - Lost in Light - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Lost In Light van de Zweedse singer-songwriter Sumie roept vooralsnog gemengde reacties op, waarbij vooral de uitersten goed zijn vertegenwoordigd.

De een vindt de tweede plaat van het alter ego van Sandra Sumie Nagano (zus van Yukimi Nagano van Little Dragon) van een bijna onwerkelijke schoonheid en intimiteit, de ander vindt de plaat ondraaglijk saai en totaal kleurloos.

Lost In Light is mijn tweede kennismaking met de muziek van de Zweedse singer-songwriter met deels Japanse roots, want precies vier jaar geleden was ik al erg enthousiast over haar titelloze debuut, dat de muziekliefhebber overigens ook al in twee kampen verdeelde.

Laat ik er niet langer omheen draaien. Ik vind ook Lost In Light weer wonderschoon.

Ook op haar tweede plaat kiest Sumie voor uiterst ingetogen songs vol echo’s uit het verleden. De Zweedse singer-songwriter raakt nog altijd aan de pastorale Amerikaanse en Britse folkies uit de jaren 60(Linda Perhacs, Vashti Bunyan, Karen Dalton en noem ze maar op), maar schuurt ook stiekem tegen de muziek van het door mij bewonderde Mazzy Star aan en raakt heel af en toe ook aan een Portishead (maar dan wel een totaal gestripte versie van Portishead).

De songs van Sumie worden gedomineerd door haar prachtige stem, die een brug slaat tussen de folkies en psychedelische folkies uit het verleden en de zwoele en zweverige zangeressen uit het heden (onder wie uiteraard Mazzy Star’s Hope Sandoval en Portishead's Beth Gibbons).

De mooie, indringende en vaak wat pastoraal aandoende zang wordt net als op het debuut spaarzaam begeleid. De akoestische gitaar vormt hierbij de basis, maar laat je niet misleiden door de op het eerste gehoor uiterst sobere klanken op de tweede plaat van Sumie.

Op haar debuut wist de singer-songwriter uit Gothenburg pianist Dustin O’Halloran en muzikant en componist Nils Frahm te strikken voor bijzonder fraaie accenten en dit keer geven niemand minder dan Peter Broderick en een aantal Zweedse muzikanten de songs van Sumie veel meer glans dan je bij oppervlakkige beluistering zult horen en betovert de muziek van Sumie ook met strijkers, piano en hele mooie gitaarklanken.

Het gekke is dat ik Lost In Light na een aantal keren horen helemaal geen hele sobere plaat meer vind. De songs van Sumie zitten vol wonderschone details en worden gedomineerd door ingehouden en onderhuidse spanning.

De stem van Sumie klinkt op het eerste gehoor misschien wat vlak en plechtig, maar hoe vaker ik naar de muziek van de Zweedse singer-songwriter luister, hoe mooier en gevoeliger ik haar stem vind en hoe meer impact haar muziek heeft.

Het debuut van Sumie sneeuwde vier jaar geleden wat onder door een onhandig getimede release in december. Het vorige maand verschenen Lost In Light moest concurreren met stapels andere releases en komt hierdoor nog maar weinig aan de oppervlakte. Het is doodzonde, want ook de tweede plaat van Sumie is er een die bij voldoende aandacht naar grote hoogten kan stijgen en heel wat kleine of vroege uurtjes op bijzonder fraaie wijze kan inkleuren. Hele mooie en bijzondere plaat. Erwin Zijleman

Summer Dean - The Biggest Life (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Summer Dean - The Biggest Life - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Summer Dean - The Biggest Life
De Texaanse muzikante Summer Dean heeft met The Biggest Life een behoorlijk traditioneel klinkend countryalbum gemaakt, dat herinnert aan vervlogen tijden, maar dat zeker niet oubollig klinkt

Ik ging er van uit dat Brennen Leigh een van de beste traditionele countryalbums van 2023 had gemaakt, maar Summer Dean kan er ook wat van. De muzikante uit Texas kreeg een paar jaar geleden positieve recensies voor haar debuutalbum Bad Romantic, maar het vorige maand verschenen The Biggest Life vind ik nog een stuk beter. Het album klinkt in muzikaal en productioneel opzicht zoals een traditioneel countryalbum moet klinken en Summer Dean beschikt over een stem die is gemaakt voor het genre. En omdat de Amerikaanse muzikante ook nog eens precies weet hoe traditionele countrysongs moeten klinken, is zo ongeveer iedere track op dit album raak.

Ik heb de laatste tijd opvallend vaak een zwak voor traditionele countrymuziek en dat is een genre dat ik tot voor kort maar zelden selecteerde voor een plekje op de krenten uit de pop. Zo draaien de recent verschenen albums van Kassi Valazza en Brennen Leigh momenteel overuren op de platenspeler en ook het vorige maand verschenen album van Summer Dean komt steeds vaker uit de speakers.

De Amerikaanse muzikante Summer Dean debuteerde in 2021 met Bad Romantic, dat ik destijds echt veel te traditioneel vond klinken, maar dat ik momenteel zeker serieus zou overwegen. Vorige maand verscheen het tweede album van Summer Dean en dat kwam door de ervaringen uit het verleden in eerste instantie op de verkeerde stapel terecht. Nadat The Biggest Life hier van af was gekomen ging het echter snel de goede kant op met het nieuwe album van de Texaanse muzikante.

The Biggest Life ligt in het verlengde van het debuutalbum van Summer Dean, maar ik vind haar tweede album nog een stuk overtuigender. Summer Dean nam The Biggest Life op in de Texaanse studio van muzikant en producer Bruce Robison, die het album analoog opnam. The Biggest Life klinkt door de opnametechniek al behoorlijk authentiek, maar ook de zang, de muziek en de songs op het album nemen je mee terug naar de countrymuziek van decennia geleden.

Ik vind traditionele countrymuziek vaak wat oubollig klinken, maar dit waardeoordeel gaat zeker niet op voor de muziek van Summer Dean. The Biggest Life is voorzien van een authentiek klinkend, maar ook zeer smaakvol geluid, waarin de gitaren en de pedal steel domineren en waarin incidenteel een viool opduikt. Summer Dean maakte haar tweede album met een aantal gelouterde muzikanten, die behoorlijk ingetogen spelen, maar de ruimte ook vullen met prachtige klanken.

Het behoorlijk ingetogen geluid laat veel ruimte over voor de zang van Summer Dean en die ruimte pakt de Amerikaanse muzikante met veel overtuiging. Ze beschikt over een warm stemgeluid dat perfect past bij de countrysongs op The Biggest Life en dat herinnert aan de grote countryzangeressen uit het verleden als Tammy Wynette en Loretta Lynn. Summer Dean heeft een album gemaakt dat ook decennia geleden gemaakt had kunnen zijn, maar desondanks klinkt het album verrassend fris.

Ik noemde eerder het album van Brennen Leigh als een van mijn favoriete wat traditionelere country albums van het moment en dat is een album dat niet zo ver is verwijderd van het nieuwe album van Summer Dean. Het zijn allebei albums die de redelijk platgetreden paden van de countrymuziek van weleer bewandelen. Dat doen ze in muzikaal en vocaal opzicht, maar ook de teksten die vaak gaan over ongelukkige liefdes sluiten aan bij wat een aantal decennia geleden gemeengoed was in het genre.

Net als Brennen Leigh zingt ook Summer Dean met zoveel emotie en spelen haar muzikanten met zoveel gevoel dat ik alleen maar als een blok kan vallen voor haar countrysongs. Zeker wat later op de avond is The Biggest Life van Summer Dean een aangenaam nostalgisch album, maar ik merk dat de muziek van de Texaanse muzikante op steeds meer delen van de dag uitstekend tot zijn recht komt. Aanrader dus. Erwin Zijleman

Summer Fiction - Himalaya (2015)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Summer Fiction - Himalaya - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Summer Fiction is een project van de uit Philadelphia afkomstige, maar tegenwoordig vanuit Brooklyn opererende, singer-songwriter Bill Ricchini.

Summer Fiction debuteerde een jaar of vier jaar geleden met een prima debuut, maar overtreft dit debuut nu vrij makkelijk met het onlangs verschenen Himalaya.

Bill Ricchini maakt op Himalaya geen geheim van zijn belangrijkste inspiratiebron. De tweede plaat van Summer Fiction citeert immers meer dan eens vrijwel letterlijk uit het oeuvre van The Beach Boys, waarbij Ricchini gelukkig een voorkeur heeft voor het betere werk van de Californische band.

Wanneer je wat beter naar Himalaya luistert hoor je echter dat de platenkast van de Amerikaan veel meer dan slechts platen van The Beach Boys of platen uit de jaren 60 bevat. Himalaya verbindt het geluid van The Beach Boys een aantal keren op knappe wijze aan dat van The Smiths, zeker wanneer Bill Ricchini in vocaal opzicht raakt aan Morrissey, en gooit ook haakjes uit naar het oeuvre van bijvoorbeeld Belle And Sebastian of Elvis Costello.

Het levert een plaat op die het net wat beter doet wanneer de zon schijnt. Himalaya staat vol met gitaarloopjes waarvan je de zomer in je kop krijgt, staat vol met melodieën die je na één keer horen wilt koesteren en strooit met enige regelmaat met harmonieën waarvan je als muziekliefhebber alleen maar heel blij kunt worden.

Bij vrijwel alles op Himalaya vraag je je af waar je dit ook al weer eerder hebt gehoord, maar op hetzelfde moment verleidt de muziek van Summer Fiction genadeloos en slaat het stiekem toch onverwachte wegen in. Himalaya is hierdoor een half uur 100% feelgood muziek, maar het is ook een half uur muziek dat de fantasie volop prikkelt.

Of het nog net zo leuk is als de zomer is verdreven door de herfst of de winter durf ik niet te voorspellen, maar vooralsnog is het alleen maar genieten van deze in muziek gegoten zonnestralen. Erwin Zijleman