Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Cockney Rejects - Greatest Hits Vol.3 (1981)
Alternatieve titel: Live & Loud!

3,5
0
geplaatst: 22 november 2025, 16:21 uur
Opgenomen in de vermaarde Abbey Road Studios, geproduceerd door George Martin met Paul McCartney en George Harrison, is dit een lekker luid punkplaatje van het Londense Cockney Rejects. Na studioalbums Greatest Hits Vol. 1 en Vol. II volgde dit deel 3, lekker Live & Loud !
Geen flauw idee of het publiek dat je hoort echt is of er later is bijgemixt, maar live klinkt dit zeker. Zanger Stinky Turner ramt zich vol bravoure met zijn kenmerkende, monotone roeplijnen door de set heen, waarbij je een helder beeld krijgt van wat eerste generatie Engelse punk inhield. Daarbij de kanttekening dat dit geen groep was met grote anarchistische idealen, dit waren schoffies uit East End die het loud wensten.
Mijn favorieten zijn opener The Rocker en cover Motörhead van... juist. Leuk om die in een punkjasje te horen, klinkt toch weer anders dan bij Kilmister, Clarke en Taylor.
Was punk dood, zoals je - al sinds Johnny Rotten de Sex Pistols verliet - kon lezen? Echt niet. Maar hitsingles scoorde de groep niet meer en dit Vol. 3 was hun laatste elpee die de Britse albumlijst zou halen: #27 in april 1981. Nog datzelfde jaar verscheen opvolger The Power and the Glory.
Mijn reis door new wave bevindt zich momenteel in april 1981. Ik kwam van de sombere postpunk van Modern English en album Mesh & Lace en vervolg bij de ska van The Beat en de elpee Wha'ppen?
PS Dat van de producers was natuurlijk volkómen gelogen. Ashley Goodall zat bij de knoppen. De Cockney Rejects in Abbey Road, het is een leuke combinatie. Dat het daar ook rauw kon, bewijst deze plaat.
Geen flauw idee of het publiek dat je hoort echt is of er later is bijgemixt, maar live klinkt dit zeker. Zanger Stinky Turner ramt zich vol bravoure met zijn kenmerkende, monotone roeplijnen door de set heen, waarbij je een helder beeld krijgt van wat eerste generatie Engelse punk inhield. Daarbij de kanttekening dat dit geen groep was met grote anarchistische idealen, dit waren schoffies uit East End die het loud wensten.
Mijn favorieten zijn opener The Rocker en cover Motörhead van... juist. Leuk om die in een punkjasje te horen, klinkt toch weer anders dan bij Kilmister, Clarke en Taylor.
Was punk dood, zoals je - al sinds Johnny Rotten de Sex Pistols verliet - kon lezen? Echt niet. Maar hitsingles scoorde de groep niet meer en dit Vol. 3 was hun laatste elpee die de Britse albumlijst zou halen: #27 in april 1981. Nog datzelfde jaar verscheen opvolger The Power and the Glory.
Mijn reis door new wave bevindt zich momenteel in april 1981. Ik kwam van de sombere postpunk van Modern English en album Mesh & Lace en vervolg bij de ska van The Beat en de elpee Wha'ppen?
PS Dat van de producers was natuurlijk volkómen gelogen. Ashley Goodall zat bij de knoppen. De Cockney Rejects in Abbey Road, het is een leuke combinatie. Dat het daar ook rauw kon, bewijst deze plaat.
Cockney Rejects - We Are the Firm (1986)

4,0
0
geplaatst: 10 maart 2025, 22:09 uur
Op reis door new wave kom ik van de vierde van Sham 69, de grondleggers/voorlopers van oi!-punk, bij de groep die dat (kleine) subgenre smoel gaf: Cockney Rejects. In maart 1980 verscheen debuutplaat Greatest Hits Vol.1, waarna in mei non-albumsingle I'm Forever Blowing Bubbles verscheen. Een lied ter ere van hun voetbalclub, het Oost-Londense (Stratford) West Ham United.
In de laatste week van mei piekte het nummer op #35. Dan word ik toch benieuwd hoe de Hammers het dat seizoen deden: ze wonnen de FA Cup door Arsenal te verslaan en kwalificeerden zich zo voor de Europacup voor bekerwinnaars, in de competitie eindigend als zevende.
Vervolgens ontdek ik dat het liedje een cover is. Leve internet: gecomponeerd in 1918 en in 1919 een hit voor het Ben Selvin's Novelty Orchestra. Dat in de dagen van "liedjesfabriek" Tin Pan Alley en big bands. Hoe die instrumentale versie klonk is hier te horen. Ik krijg associaties met de geluidsfilms van bijvoorbeeld Laurel & Hardy van enkele jaren later.
Vele versies volgden, waarbij de vocale versie die al in 1918 in musical The Passing Show of 1918 zat. In de jaren '20 werd I'm Forever Blowing Bubbles in Engeland populair gemaakt door Dorothy Ward, later werd het opgenomen door Doris Day & Jack Smith (1951), Vera Lynn (1959) en in 1975 door de West Ham United Cup Squad, dat het tot #31 in de Britse hitlijst zong. De reden dat het lied bij de club past, ligt 'm in de eerste regels: "I'm dreaming dreams, I'm scheming schemes, I'm building castles high", waarin supporters een verwijzing naar de Tower of London zien.
In 1980 slagen Cockney Rejects erin dit in een punkjasje te hijsen. Het eerste album van de Rejects waar dit nummer op verscheen was deze verzamelaar We Are the Firm, waarvan hoes en titel eveneens naar West Ham United verwijzen.
Andere opvallende titels op deze plaat: een cover van ex-Motörheadgitarist Larry Wallis namelijk Police Car plus Hawkwinds/Motörheads Motörhead. En verder zelfgeschreven, energieke oi!
Volgende nummer op mijn afspeellijst is eveneens een non-albumsingle: We Are Glass van Gary Numan, voor het eerst op elpee verschenen op New Man Numan: The Best of Gary Numan.
In de laatste week van mei piekte het nummer op #35. Dan word ik toch benieuwd hoe de Hammers het dat seizoen deden: ze wonnen de FA Cup door Arsenal te verslaan en kwalificeerden zich zo voor de Europacup voor bekerwinnaars, in de competitie eindigend als zevende.
Vervolgens ontdek ik dat het liedje een cover is. Leve internet: gecomponeerd in 1918 en in 1919 een hit voor het Ben Selvin's Novelty Orchestra. Dat in de dagen van "liedjesfabriek" Tin Pan Alley en big bands. Hoe die instrumentale versie klonk is hier te horen. Ik krijg associaties met de geluidsfilms van bijvoorbeeld Laurel & Hardy van enkele jaren later.
Vele versies volgden, waarbij de vocale versie die al in 1918 in musical The Passing Show of 1918 zat. In de jaren '20 werd I'm Forever Blowing Bubbles in Engeland populair gemaakt door Dorothy Ward, later werd het opgenomen door Doris Day & Jack Smith (1951), Vera Lynn (1959) en in 1975 door de West Ham United Cup Squad, dat het tot #31 in de Britse hitlijst zong. De reden dat het lied bij de club past, ligt 'm in de eerste regels: "I'm dreaming dreams, I'm scheming schemes, I'm building castles high", waarin supporters een verwijzing naar de Tower of London zien.
In 1980 slagen Cockney Rejects erin dit in een punkjasje te hijsen. Het eerste album van de Rejects waar dit nummer op verscheen was deze verzamelaar We Are the Firm, waarvan hoes en titel eveneens naar West Ham United verwijzen.
Andere opvallende titels op deze plaat: een cover van ex-Motörheadgitarist Larry Wallis namelijk Police Car plus Hawkwinds/Motörheads Motörhead. En verder zelfgeschreven, energieke oi!
Volgende nummer op mijn afspeellijst is eveneens een non-albumsingle: We Are Glass van Gary Numan, voor het eerst op elpee verschenen op New Man Numan: The Best of Gary Numan.
Colin Newman - A-Z (1980)

0
geplaatst: 16 november 2025, 17:50 uur
Op reis door new wave vergeet ik weleens een album. Zo ontdekte ik, inmiddels in maart 1981 bij een verlate hit van Ultravox, dat ik de heren van Wire uit het oor was verloren. Hoe komt dat?
Wel, na drie albums viel Wire uit elkaar en de naam verdwijnt tot de terugkeer in 1987 van de releaseradar. Het meest toegankelijke werk op hun voorlopige zwanenzang 154 was afkomstig van frontman Colin Newman en juist die liedjes bevielen mij het best. Ze liggen in de sfeer van Buzzcocks en Magazine en tegelijkertijd zijn ze onmiskenbaar Wire.
Newman vervolgde met dit A-Z, in oktober 1980 uitgebracht, waarvan veel materiaal was bedoeld voor de vierde Wire. Omdat het nu 100% Newman is, verdwijnt iets - lang niet alles! - van het weerbarstige van diens vorige albums; de muziek destijds door Oor als "sfeertekeningen" benoemd. Meegekomen uit Wire is drummer Robert Gotobed (echte achternaam Grey) en ook producer en toetsenist Mike Thorne is wederom aan boord.
Vaak is het uptempo met de wat snijdende stem van Newman. Op Image echter overheerst een sferische aanpak met gefluisterde stem. Het groeit in een kleine vier minuten uit naar een modern-klassieke aanpak, pakkumbeet á la Schopenhauer, om rustiek te worden weggedraaid. Het contrast met het daarop volgende Life on Deck met zijn bijna-punkzang is groot en werkt goed.
Met Troisième dat kant 2 opent is daar het volgende contrast: zwaar, donkere synths en dito zang en de monotone baslijn en kopstem van S-S-S-Star Eyes zijn evenmin bedoeld voor de hitlijsten.
Seconds to Last biedt zeven minuten soms dromerige, soms onheilspellende muziek, enigszins in de sferen van albums uit diezelfde tijd: Seventeen Seconds en Faith van The Cure.
Pas bij Inventory is het weer uptempo, wat ook geldt voor But No waar Newmans stem weer de hoogte inschiet en diens gitaarspel en dat van Desmond Simmons unheimisch aanvoelen. Op slotlied B klinken digitale drums, in dat opzicht een buitenbeentje op de plaat. Hebben overige geluiden gediend als inspiratie voor The Cure ten tijde van EP The Walk in 1983?
Een gevarieerde aanpak van toegankelijk en minder makkelijk werk. Mijn voorkeur ligt bij de eerste categorie, de kortere nummers, waarvan & Jury op mijn afspeellijst met 'New wave & co' belandde. In 2016 verscheen een cd-editie met de nodige bonussen, zie hier.
Dan heb ik bovendien twee andere ex-Wires in het vizier: die van Dome, het duo met Bruce Gilbert en Graham Lewis. In 1980 brachten ze maar liefst twee albums uit. Mijn reis door wave vervolgt dus bij hun debuut Dome, dat in vergelijking met A-Z obscuur is gebleven.
Wel, na drie albums viel Wire uit elkaar en de naam verdwijnt tot de terugkeer in 1987 van de releaseradar. Het meest toegankelijke werk op hun voorlopige zwanenzang 154 was afkomstig van frontman Colin Newman en juist die liedjes bevielen mij het best. Ze liggen in de sfeer van Buzzcocks en Magazine en tegelijkertijd zijn ze onmiskenbaar Wire.
Newman vervolgde met dit A-Z, in oktober 1980 uitgebracht, waarvan veel materiaal was bedoeld voor de vierde Wire. Omdat het nu 100% Newman is, verdwijnt iets - lang niet alles! - van het weerbarstige van diens vorige albums; de muziek destijds door Oor als "sfeertekeningen" benoemd. Meegekomen uit Wire is drummer Robert Gotobed (echte achternaam Grey) en ook producer en toetsenist Mike Thorne is wederom aan boord.
Vaak is het uptempo met de wat snijdende stem van Newman. Op Image echter overheerst een sferische aanpak met gefluisterde stem. Het groeit in een kleine vier minuten uit naar een modern-klassieke aanpak, pakkumbeet á la Schopenhauer, om rustiek te worden weggedraaid. Het contrast met het daarop volgende Life on Deck met zijn bijna-punkzang is groot en werkt goed.
Met Troisième dat kant 2 opent is daar het volgende contrast: zwaar, donkere synths en dito zang en de monotone baslijn en kopstem van S-S-S-Star Eyes zijn evenmin bedoeld voor de hitlijsten.
Seconds to Last biedt zeven minuten soms dromerige, soms onheilspellende muziek, enigszins in de sferen van albums uit diezelfde tijd: Seventeen Seconds en Faith van The Cure.
Pas bij Inventory is het weer uptempo, wat ook geldt voor But No waar Newmans stem weer de hoogte inschiet en diens gitaarspel en dat van Desmond Simmons unheimisch aanvoelen. Op slotlied B klinken digitale drums, in dat opzicht een buitenbeentje op de plaat. Hebben overige geluiden gediend als inspiratie voor The Cure ten tijde van EP The Walk in 1983?
Een gevarieerde aanpak van toegankelijk en minder makkelijk werk. Mijn voorkeur ligt bij de eerste categorie, de kortere nummers, waarvan & Jury op mijn afspeellijst met 'New wave & co' belandde. In 2016 verscheen een cd-editie met de nodige bonussen, zie hier.
Dan heb ik bovendien twee andere ex-Wires in het vizier: die van Dome, het duo met Bruce Gilbert en Graham Lewis. In 1980 brachten ze maar liefst twee albums uit. Mijn reis door wave vervolgt dus bij hun debuut Dome, dat in vergelijking met A-Z obscuur is gebleven.
Colosseum II - Electric Savage (1977)

1
geplaatst: 11 augustus 2023, 08:46 uur
Het debuut van Colosseum II had ondanks al het muzikale vakmanschap geen notering in de albumlijst gehaald. Wat begin jaren '70 nog wel mogelijk was met groepen als Mahavishnu Orchestra of Gary Moores eigen Skid Row, was in 1976 een brug te ver. Bandleider en drummer Jon Hiseman had een visie, maar zelfs het albumkopende publiek zat daar niet meer op te wachten.
Platenmaatschappij Bronze had eerst geëist dat de zanger zou verdwijnen, waarmee de groep zo goed als instrumentaal werd. Vervolgens werd Colosseum II door de platenbaas op straat gezet. Intern lag het spel van bassist Neil Murray niet goed: zowel Moore als Hiseman vonden het te druk. Murray eruit, John Mole erin, zo lees ik in 'Gary Moore: The Official Biography' (2022) van Harry Shapiro.
Murray treedt vervolgens toe tot jazzrockgroep National Health waarmee hij het debuut (1978) opneemt en tourt, om vervolgens toe te treden tot Whitesnake, waarmee hij de EP Snakebite (eveneens in 1978 verschenen) opneemt.
Het is platenproducer Monty Babson die de groep redt door heen te leiden naar een platencontract met MCA. Eentje met nare clausules, zoals ze later zouden merken. Met de opvallende hoes van Electric Savage doet Colosseum II in 1977 een tweede poging om het albumkopende publiek te verleiden. Het is niet geheel instrumentaal: Moore zingt op Rivers een ode aan vriendin Donna.
De muziek ontstaat tijdens repetities, wordt uitgewerkt tijdens optredens en dan pas opgenomen. Sterkste nummers voor mij: Put It This Way waar Moore excelleert, The Scorch dat begint met een lang toetsenintro van Don Airey, het nerveuze riffje van Desperado en tenslotte Intergalactic Strut dat vrij grimmig klinkt.
Maar ook All Skin and Bone valt op met z'n invloeden uit world music, net als Lament dat met zijn lange gitaarlijnen en klokken klinkt als een een poging tot een instrumentale kersthit, terwijl ook Am I langzaam is. Juist bij dit nummer had een zangstem goed gepast.
Moeilijke instrumentale muziek, ongeschikt voor hitsingles en bovendien was net de punkrevolte begonnen, agerend tegen alle moeilijkdoenerij. Het kon niet anders of ook Electric Savage flopte. De groep heeft het niet druk en Moore krijgt zelfs toestemming om korte tijd bij Thin Lizzy in te vallen als vervanger van de geblesseerde Brian Robertson. Dit tijdens een Amerikaanse tournee in het voorprogramma van Queen, dat menigmaal wordt weggespeeld.
Net als in 1974 probeert Phil Lynott Moore over te halen om te blijven, maar deze bedankt en keert terug naar Colosseum II.
Financiële redding komt uit compleet onverwachte hoek als componist Andrew Lloyd Webber het album Variations wil gaan maken. Dit naar aanleiding van een verloren weddenschap. Het is Colosseum II dat hiervoor wordt ingehuurd.
Electric Savage vormt een sterke muzikale eenheid, meer dan het debuut. Wat dat betreft was het ontslag van de zanger een goede zet, diens goede stem ten spijt. Tegelijkertijd is dit wel heel erg muziek voor muzikanten, waarbij de muzikale trend in het Verenigd Koninkrijk in 1977 het adagio "minder is meer" omhelsde. De groep bleek echter in Duitsland en Scandinavië genoeg aanhang te hebben voor optredens, zodat de schoorsteen kon blijven roken.
Platenmaatschappij Bronze had eerst geëist dat de zanger zou verdwijnen, waarmee de groep zo goed als instrumentaal werd. Vervolgens werd Colosseum II door de platenbaas op straat gezet. Intern lag het spel van bassist Neil Murray niet goed: zowel Moore als Hiseman vonden het te druk. Murray eruit, John Mole erin, zo lees ik in 'Gary Moore: The Official Biography' (2022) van Harry Shapiro.
Murray treedt vervolgens toe tot jazzrockgroep National Health waarmee hij het debuut (1978) opneemt en tourt, om vervolgens toe te treden tot Whitesnake, waarmee hij de EP Snakebite (eveneens in 1978 verschenen) opneemt.
Het is platenproducer Monty Babson die de groep redt door heen te leiden naar een platencontract met MCA. Eentje met nare clausules, zoals ze later zouden merken. Met de opvallende hoes van Electric Savage doet Colosseum II in 1977 een tweede poging om het albumkopende publiek te verleiden. Het is niet geheel instrumentaal: Moore zingt op Rivers een ode aan vriendin Donna.
De muziek ontstaat tijdens repetities, wordt uitgewerkt tijdens optredens en dan pas opgenomen. Sterkste nummers voor mij: Put It This Way waar Moore excelleert, The Scorch dat begint met een lang toetsenintro van Don Airey, het nerveuze riffje van Desperado en tenslotte Intergalactic Strut dat vrij grimmig klinkt.
Maar ook All Skin and Bone valt op met z'n invloeden uit world music, net als Lament dat met zijn lange gitaarlijnen en klokken klinkt als een een poging tot een instrumentale kersthit, terwijl ook Am I langzaam is. Juist bij dit nummer had een zangstem goed gepast.
Moeilijke instrumentale muziek, ongeschikt voor hitsingles en bovendien was net de punkrevolte begonnen, agerend tegen alle moeilijkdoenerij. Het kon niet anders of ook Electric Savage flopte. De groep heeft het niet druk en Moore krijgt zelfs toestemming om korte tijd bij Thin Lizzy in te vallen als vervanger van de geblesseerde Brian Robertson. Dit tijdens een Amerikaanse tournee in het voorprogramma van Queen, dat menigmaal wordt weggespeeld.
Net als in 1974 probeert Phil Lynott Moore over te halen om te blijven, maar deze bedankt en keert terug naar Colosseum II.
Financiële redding komt uit compleet onverwachte hoek als componist Andrew Lloyd Webber het album Variations wil gaan maken. Dit naar aanleiding van een verloren weddenschap. Het is Colosseum II dat hiervoor wordt ingehuurd.
Electric Savage vormt een sterke muzikale eenheid, meer dan het debuut. Wat dat betreft was het ontslag van de zanger een goede zet, diens goede stem ten spijt. Tegelijkertijd is dit wel heel erg muziek voor muzikanten, waarbij de muzikale trend in het Verenigd Koninkrijk in 1977 het adagio "minder is meer" omhelsde. De groep bleek echter in Duitsland en Scandinavië genoeg aanhang te hebben voor optredens, zodat de schoorsteen kon blijven roken.
Colosseum II - Strange New Flesh (1976)

4,0
2
geplaatst: 10 augustus 2023, 12:26 uur
Vorige week had ik het erover met Roxy6 dat er enerzijds zoveel nieuw aanbod van muziek is, maar anderzijds ligt er een berg aan oud werk dat je weer eens wilt beluisteren of zelfs nog moet ontdekken. Tot die laatste categorie hoorde Strange New Flesh van Colosseum II, waarmee ik mijn reis door het oeuvre van Gary Moore vervolg.
Op 4 januari 1974 speelde Moore zijn eerste (radio)concert als lid van Thin Lizzy, te vinden op de verzamelbox Rock Legends. Hij nam korte tijd later twee studionummers met de groep op, voor eerst verschenen in 1976 op Thin Lizzy’s verzamelaar Remembering - Part 1. Spoedig had hij zijn belangstelling alweer verloren, tot spijt van frontman Phil Lynott. Moore was namelijk geïnteresseerd geraakt in jazzrock, waarvan al iets doorklonk op Grinding Stone (1973), zijn enige album met The Gary Moore Band. In ‘Gary Moore: The Official BIography’ (2022) van Harry Shapiro beschrijft deze vanaf p. 83 wat er vervolgens gebeurde.
Moore heeft geen concreet plan en begint een groep met onder meer zanger Graham Bell en drummer Pearse Kelly, maar de ritmesectie vertrekt na enige jams omdat Moore en Bell iedere keer weer in de pubs teveel drinken om vervolgens ruzie te maken met andere kroeggangers, tot vechtpartijen toe.
In de Londense Marquee zag Moore eind april ’74 een concert van de groep Tempest met daarin drummer Jon Hiseman, die inmiddels al een indrukwekkend cv had opgebouwd. Hij spreekt Hiseman na afloop en de twee komen overeen samen te gaan werken. Eerst neemt Hiseman Moore mee naar Duitsland voor enkele concerten met het project United Jazz and Rock Ensemble. De leden kunnen allemaal noten lezen, in tegenstelling tot Moore, die uit onzekerheid teveel gaat drinken. Jon spreekt hem hier niet zachtzinnig op aan. In augustus beginnen ze de groep Ghosts, waarvoor spoedig zanger Mike Starrs wordt gevonden.
Ondertussen is Moore ingetrokken bij zijn nieuwe vriendin Donna, die getuige is van enkele paniekaanvallen en de problemen met drank en vechten zijn nog niet voorbij. Tijdens één daarvan krijgt Gary een uithaal met gebroken glas. Omdat hij weigert deze fatsoenlijk te laten verzorgen, behoudt hij de rest van zijn leven een litteken in zijn gezicht.
Gelukkig voegt zich dan toetsenist Don Airey bij de groep die bassist Neil Murray meeneemt, net als hij afkomstig uit Cozy Powell’s Hammer. In augustus 1975, een jaar later, gaat de groep de studio in. Inmiddels heten ze Colosseum II, verwijzend naar de jazzrockgroep met Hiseman, in de jaren 1968 – 1971 actief. Dit omdat platenbaas Gerry Bron van Bronze Records zegt 'Ghosts' niet te kunnen verkopen.
Mijn herinnering was dat dit album pure jazzrock bevatte, maar daarvan kom ik terug. Alhoewel er wel degelijk de nodige jazzinvloeden zijn te horen, is het vooral progressive rock wat ik hoor. Tweede verrassing is dat Moores gitaarspel niet domineert.
Sterker nog, in het door Airey geschreven en instrumentale Dark Side of the Moog (prachtige woordspeling!) staan diens toetsen centraal. Het is alsof hij een voorschot neemt op zijn toetreding in 1979 tot Rainbow. Met vergelijkbare toetsengeluiden als op klassieker Rainbow Rising, eveneens uit ’76, wordt hier luid en magistraal gemusiceerd.
Down to You is een bewerking van een liedje van Joni Mitchell en bron van de albumtitel. Voor het eerst horen we Mike Starr zingen. De man blijkt een fraaie stem te bezitten, mede daardoor moet ik enigszins aan de “sophisticated jazzpop” van Steely Dan denken. Gemini and Joe sluit de A-kant af, deze keer klinken ook funkinvloeden door, waarbij de stem van Starr goed gedijt.
Op het stevige en melodieuze Secret Places levert Moore naast zijn gitaarspel een tegenstem. Het nummer doet denken aan een gecompliceerde versie van Uriah Heep, alweer een hoogtepunt. On Second Thoughts is juist ingetogen met zwoele pianoklanken, het afsluitende Winds begint met een drumsolo, waarna alle groepsleden hun kunnen tonen. Mijn associatie qua muziek is er hierbij wederom één met het Kansas van hun prog-jaren ’70.
Strange New Flesh verschijnt in april 1976. Omdat Gerry Bron te druk is met Uriah Heep in de Verenigde Staten, neemt diens vrouw Lilian de honneurs namens Bronze waar. Zij eist dat Starrs de band verlaat, omdat hij tijdens de optredens niet “rocky, strong” overkomt maar ”cabaret” . In juni verlaat hij de groep en gaat men als een instrumentaal kwartet verder. Als Gerry Bron terugkeert in Londen, weigert deze verder te gaan met de groep en moet een nieuwe platenmaatschappij worden gevonden.
In 2005 verscheen het album bij Castle met een bonus-cd. Gitaarliefhebbers die vinden dat Moore te weinig ruimte krijgt op Colosseum II's debuut, kunnen alsnog hun oren verwennen met bijvoorbeeld Gary’s Lament. Ook op streaming te vinden.
Strange New Flesh openbaart bij vaker draaien diverse prachtige details. Geen pure jazzrock, daarvoor is het te mainstream. Tegelijkertijd geen licht verteerbaar beschuitje. Progressive jazzrock, is dat een toepasselijk labeltje?
Op 4 januari 1974 speelde Moore zijn eerste (radio)concert als lid van Thin Lizzy, te vinden op de verzamelbox Rock Legends. Hij nam korte tijd later twee studionummers met de groep op, voor eerst verschenen in 1976 op Thin Lizzy’s verzamelaar Remembering - Part 1. Spoedig had hij zijn belangstelling alweer verloren, tot spijt van frontman Phil Lynott. Moore was namelijk geïnteresseerd geraakt in jazzrock, waarvan al iets doorklonk op Grinding Stone (1973), zijn enige album met The Gary Moore Band. In ‘Gary Moore: The Official BIography’ (2022) van Harry Shapiro beschrijft deze vanaf p. 83 wat er vervolgens gebeurde.
Moore heeft geen concreet plan en begint een groep met onder meer zanger Graham Bell en drummer Pearse Kelly, maar de ritmesectie vertrekt na enige jams omdat Moore en Bell iedere keer weer in de pubs teveel drinken om vervolgens ruzie te maken met andere kroeggangers, tot vechtpartijen toe.
In de Londense Marquee zag Moore eind april ’74 een concert van de groep Tempest met daarin drummer Jon Hiseman, die inmiddels al een indrukwekkend cv had opgebouwd. Hij spreekt Hiseman na afloop en de twee komen overeen samen te gaan werken. Eerst neemt Hiseman Moore mee naar Duitsland voor enkele concerten met het project United Jazz and Rock Ensemble. De leden kunnen allemaal noten lezen, in tegenstelling tot Moore, die uit onzekerheid teveel gaat drinken. Jon spreekt hem hier niet zachtzinnig op aan. In augustus beginnen ze de groep Ghosts, waarvoor spoedig zanger Mike Starrs wordt gevonden.
Ondertussen is Moore ingetrokken bij zijn nieuwe vriendin Donna, die getuige is van enkele paniekaanvallen en de problemen met drank en vechten zijn nog niet voorbij. Tijdens één daarvan krijgt Gary een uithaal met gebroken glas. Omdat hij weigert deze fatsoenlijk te laten verzorgen, behoudt hij de rest van zijn leven een litteken in zijn gezicht.
Gelukkig voegt zich dan toetsenist Don Airey bij de groep die bassist Neil Murray meeneemt, net als hij afkomstig uit Cozy Powell’s Hammer. In augustus 1975, een jaar later, gaat de groep de studio in. Inmiddels heten ze Colosseum II, verwijzend naar de jazzrockgroep met Hiseman, in de jaren 1968 – 1971 actief. Dit omdat platenbaas Gerry Bron van Bronze Records zegt 'Ghosts' niet te kunnen verkopen.
Mijn herinnering was dat dit album pure jazzrock bevatte, maar daarvan kom ik terug. Alhoewel er wel degelijk de nodige jazzinvloeden zijn te horen, is het vooral progressive rock wat ik hoor. Tweede verrassing is dat Moores gitaarspel niet domineert.
Sterker nog, in het door Airey geschreven en instrumentale Dark Side of the Moog (prachtige woordspeling!) staan diens toetsen centraal. Het is alsof hij een voorschot neemt op zijn toetreding in 1979 tot Rainbow. Met vergelijkbare toetsengeluiden als op klassieker Rainbow Rising, eveneens uit ’76, wordt hier luid en magistraal gemusiceerd.
Down to You is een bewerking van een liedje van Joni Mitchell en bron van de albumtitel. Voor het eerst horen we Mike Starr zingen. De man blijkt een fraaie stem te bezitten, mede daardoor moet ik enigszins aan de “sophisticated jazzpop” van Steely Dan denken. Gemini and Joe sluit de A-kant af, deze keer klinken ook funkinvloeden door, waarbij de stem van Starr goed gedijt.
Op het stevige en melodieuze Secret Places levert Moore naast zijn gitaarspel een tegenstem. Het nummer doet denken aan een gecompliceerde versie van Uriah Heep, alweer een hoogtepunt. On Second Thoughts is juist ingetogen met zwoele pianoklanken, het afsluitende Winds begint met een drumsolo, waarna alle groepsleden hun kunnen tonen. Mijn associatie qua muziek is er hierbij wederom één met het Kansas van hun prog-jaren ’70.
Strange New Flesh verschijnt in april 1976. Omdat Gerry Bron te druk is met Uriah Heep in de Verenigde Staten, neemt diens vrouw Lilian de honneurs namens Bronze waar. Zij eist dat Starrs de band verlaat, omdat hij tijdens de optredens niet “rocky, strong” overkomt maar ”cabaret” . In juni verlaat hij de groep en gaat men als een instrumentaal kwartet verder. Als Gerry Bron terugkeert in Londen, weigert deze verder te gaan met de groep en moet een nieuwe platenmaatschappij worden gevonden.
In 2005 verscheen het album bij Castle met een bonus-cd. Gitaarliefhebbers die vinden dat Moore te weinig ruimte krijgt op Colosseum II's debuut, kunnen alsnog hun oren verwennen met bijvoorbeeld Gary’s Lament. Ook op streaming te vinden.
Strange New Flesh openbaart bij vaker draaien diverse prachtige details. Geen pure jazzrock, daarvoor is het te mainstream. Tegelijkertijd geen licht verteerbaar beschuitje. Progressive jazzrock, is dat een toepasselijk labeltje?
Colosseum II - War Dance (1977)

3,5
1
geplaatst: 11 augustus 2023, 14:03 uur
Colosseum II was druk in 1977. In januari verscheen Electric Savage dat moest worden gepromoot, toen volgde de opdracht voor Andrew Lloyd Webbers suite Variations en vervolgens werd deze zwanenzang War Dance opgenomen; in november datzelfde jaar verschenen, nog vóór Variations.
Jarenlang heb ik gedacht dat dit jazzrock/fusion was, met de oren van nu plak ik er het label progressive jazzrock op. Neem bijvoorbeeld het titellied, dat de plaat opent: hierin zitten ook klassieke invloeden verwerkt. Bandleider en drummer Jon Hiseman zag dat overigens anders, daarover dadelijk meer.
Afgezien van War Dance kan ik niet zoveel met de A-kant. Deze sluit af met het door Gary Moore gezongen Castles, dat me evenmin pakt. Alsof de heren enigszins door de frisse ideeën heen waren.
De B-zijde ligt me beter, beginnend met de bluesrockshuffle van Fighting Talk, waar Moore stevig van leer trekt. Op het snelle The Inquisition is hij zelfs in staat razendsnel met zichzelf in duet te gaan op zowel elektrische als akoestische gitaar.
Het afsluitende Last Exit is het vierde nummer dat me pakt, slepend en wederom voertuig voor de gitaar. Waar ik op de vorige twee albums mede werd ingepakt door de toetsenpartijen van Don Airey, is dat hier niet het geval.
Ook dit album haalde niet de albumlijsten en optredens in het Verenigd Koninkrijk waren er wel, maar niet voor zalen die groot genoeg waren om de kosten voor crew, band, apparatuur en twee grote trucks fatsoenlijk te dekken.
In de zomer van 1978 krijgt Moore voor de derde maal in zijn carrière het verzoek van Thin Lizzy om hen bij te staan. Hij deelt dit met Hiseman, die besluit om op het kantoor van platenmaatschappij MCA een vergadering te beleggen. Bij die platenmaatschappij zijn inmiddels nieuwe mensen komen werken die oog hebben voor de nieuwe trend: punk en new wave. En ook al weet de drummer niet hoe het verder moet, toch ziet hij geen andere mogelijkheid dan zijn jazzrockband, zoals hij hen ook in latere jaren consequent bleef noemen, op te doeken.
In de biografie 'Gary Moore' (2022) van Harry Shapiro haalt de auteur een interview met Hiseman aan. Daarin vertelde deze over de drank- en woedeproblemen die Moore in die dagen kon hebben. Niet alleen hij, ook hun manager botste daarover met de gitarist.
Zakelijk gezien was de beheersvorm een ramp: in de rol van eigenaar waren Moore en Hiseman nog vijf jaar aan elkaar verbonden, dankzij de afhandeling door de belastingdienst.
Colosseum II was wellicht vooral muziek voor muzikanten en de bandleden vinden daardoor makkelijk elders emplooi.
Voordat Moore overstapt naar Thin Lizzy, neemt hij zijn tweede soloalbum Back on the Streets op in dezelfde Morgan Studios als waar Colosseum II opnam. Sterker nog, Airey en bassist John Mole begeleiden hem op sommige nummers, waarbij drummer Simon Phillips de vervanger is van Hiseman. Waarschijnlijk restmateriaal uit zijn periode met de progressive fusiongroep, terwijl op de andere nummers leden van Thin Lizzy spelen. Vervolgens reist hij af naar Parijs, waar Black Rose zal worden opgenomen.
Misschien is nog wel het belangrijkste dat hij besluit om te stoppen met alle drank, die zijn persoonlijkheid zo negatief beïnvloedde.
Don Airey werkt als sessiemuzikant (o.a. op Never Say Die! van Black Sabbath) en landt in '79 bij het vernieuwde Rainbow van Ritchie Blackmore,
John Mole vertrekt naar fusiongroep Morrisey-Mullen en doet vervolgens sessiewerk, waarbij hij voor grote namen werkt.
Jon Hiseman komt terecht in sessiewerk en dankzij de samenwerking met Andrew Lloyd Webber in de wereld van tv- en filmmuziek. Bovendien begint hij in 1982 zijn eigen studio. Ik zou hem later vaak horen in de leader van politieserie 'A Touch of Frost', waar zijn echtgenote Barbara Thompson saxofoon speelt.
Hoe goed Colosseum II live was, is hier te zien, een concert van BBC Sight and Sound in Concert uit 1978. Sla dan wel de twee minuten durende introductie over.
Jarenlang heb ik gedacht dat dit jazzrock/fusion was, met de oren van nu plak ik er het label progressive jazzrock op. Neem bijvoorbeeld het titellied, dat de plaat opent: hierin zitten ook klassieke invloeden verwerkt. Bandleider en drummer Jon Hiseman zag dat overigens anders, daarover dadelijk meer.
Afgezien van War Dance kan ik niet zoveel met de A-kant. Deze sluit af met het door Gary Moore gezongen Castles, dat me evenmin pakt. Alsof de heren enigszins door de frisse ideeën heen waren.
De B-zijde ligt me beter, beginnend met de bluesrockshuffle van Fighting Talk, waar Moore stevig van leer trekt. Op het snelle The Inquisition is hij zelfs in staat razendsnel met zichzelf in duet te gaan op zowel elektrische als akoestische gitaar.
Het afsluitende Last Exit is het vierde nummer dat me pakt, slepend en wederom voertuig voor de gitaar. Waar ik op de vorige twee albums mede werd ingepakt door de toetsenpartijen van Don Airey, is dat hier niet het geval.
Ook dit album haalde niet de albumlijsten en optredens in het Verenigd Koninkrijk waren er wel, maar niet voor zalen die groot genoeg waren om de kosten voor crew, band, apparatuur en twee grote trucks fatsoenlijk te dekken.
In de zomer van 1978 krijgt Moore voor de derde maal in zijn carrière het verzoek van Thin Lizzy om hen bij te staan. Hij deelt dit met Hiseman, die besluit om op het kantoor van platenmaatschappij MCA een vergadering te beleggen. Bij die platenmaatschappij zijn inmiddels nieuwe mensen komen werken die oog hebben voor de nieuwe trend: punk en new wave. En ook al weet de drummer niet hoe het verder moet, toch ziet hij geen andere mogelijkheid dan zijn jazzrockband, zoals hij hen ook in latere jaren consequent bleef noemen, op te doeken.
In de biografie 'Gary Moore' (2022) van Harry Shapiro haalt de auteur een interview met Hiseman aan. Daarin vertelde deze over de drank- en woedeproblemen die Moore in die dagen kon hebben. Niet alleen hij, ook hun manager botste daarover met de gitarist.
Zakelijk gezien was de beheersvorm een ramp: in de rol van eigenaar waren Moore en Hiseman nog vijf jaar aan elkaar verbonden, dankzij de afhandeling door de belastingdienst.
Colosseum II was wellicht vooral muziek voor muzikanten en de bandleden vinden daardoor makkelijk elders emplooi.
Voordat Moore overstapt naar Thin Lizzy, neemt hij zijn tweede soloalbum Back on the Streets op in dezelfde Morgan Studios als waar Colosseum II opnam. Sterker nog, Airey en bassist John Mole begeleiden hem op sommige nummers, waarbij drummer Simon Phillips de vervanger is van Hiseman. Waarschijnlijk restmateriaal uit zijn periode met de progressive fusiongroep, terwijl op de andere nummers leden van Thin Lizzy spelen. Vervolgens reist hij af naar Parijs, waar Black Rose zal worden opgenomen.
Misschien is nog wel het belangrijkste dat hij besluit om te stoppen met alle drank, die zijn persoonlijkheid zo negatief beïnvloedde.
Don Airey werkt als sessiemuzikant (o.a. op Never Say Die! van Black Sabbath) en landt in '79 bij het vernieuwde Rainbow van Ritchie Blackmore,
John Mole vertrekt naar fusiongroep Morrisey-Mullen en doet vervolgens sessiewerk, waarbij hij voor grote namen werkt.
Jon Hiseman komt terecht in sessiewerk en dankzij de samenwerking met Andrew Lloyd Webber in de wereld van tv- en filmmuziek. Bovendien begint hij in 1982 zijn eigen studio. Ik zou hem later vaak horen in de leader van politieserie 'A Touch of Frost', waar zijn echtgenote Barbara Thompson saxofoon speelt.
Hoe goed Colosseum II live was, is hier te zien, een concert van BBC Sight and Sound in Concert uit 1978. Sla dan wel de twee minuten durende introductie over.

Contraband - Contraband (1991)

3,0
2
geplaatst: 5 maart 2025, 16:05 uur
Reeds vijftien jaren geleden gaf Sir Spamalot op deze site de relevante details van het project Contraband prijs en in de conclusie van hem en Timk kan ik me vinden: niet spectaculair maar desondanks aangenaam, waarbij het vooral genieten is van de solo's van Michael Schenker. Al is Tracii Guns allesbehalve een prutser, zoals ik nog vorig jaar hoorde op zijn tweede album met Sunbomb, het project met Michael Sweet.
Wel kan ik nog toevoegen dat dit grotendeels een cover- dan wel geschreven-door-gastschrijvers-plaat is. Zo is opener All The Way From Memphis oorspronkelijk (1973) van Ian Hunter, het nieuwe Intimate Outrage (mooie titel) van Dan Huff van Giant en finalelied Hang On to Yourself uit 1971 van David Bowie.
Van de stem van Richard Black moet je houden; mij doet het weinig maar hij bezit de passende strot. Black schreef mee aan If This Is Love, dat aan Whitesnake in diezelfde periode doet denken.
Is het resultaat meer dan de som der groepsleden? Dat niet, al is het leuk dat bassiste Share Pedersen van Vixen hiervoor werd gevraagd. Net zo origineel als de bandnaam (bij Discogs worden 45 Contrabands vermeld!), maar wie houdt van toegankelijke melodieën op scheurende gitaren, zit hier goed en kan zomaar een sterretje meer geven dan ik doe. Te vinden op YouTube.
Wel kan ik nog toevoegen dat dit grotendeels een cover- dan wel geschreven-door-gastschrijvers-plaat is. Zo is opener All The Way From Memphis oorspronkelijk (1973) van Ian Hunter, het nieuwe Intimate Outrage (mooie titel) van Dan Huff van Giant en finalelied Hang On to Yourself uit 1971 van David Bowie.
Van de stem van Richard Black moet je houden; mij doet het weinig maar hij bezit de passende strot. Black schreef mee aan If This Is Love, dat aan Whitesnake in diezelfde periode doet denken.
Is het resultaat meer dan de som der groepsleden? Dat niet, al is het leuk dat bassiste Share Pedersen van Vixen hiervoor werd gevraagd. Net zo origineel als de bandnaam (bij Discogs worden 45 Contrabands vermeld!), maar wie houdt van toegankelijke melodieën op scheurende gitaren, zit hier goed en kan zomaar een sterretje meer geven dan ik doe. Te vinden op YouTube.
Coverdale / Page - Coverdale / Page (1993)

3,5
0
geplaatst: 10 juli 2025, 06:43 uur
David Coverdale was klaar met het uiterlijk vertoon en meer rond Whitesnake. En er was iets met een gebroken liefde. Hij doekte Whitesnake op en kreeg in 1990 een sololiedje in de film Days of Thunder, het door Billy Idol en filmcomponist Hans Zimmer geschreven The Last Note of Freedom. Tegelijkertijd ging hij zichzelf heruitvinden en toen was daar de ontmoeting met Jimmy Page, die hem naar eigen zeggen het plezier in de muziek teruggaf. Terug naar de wortels, rock zoals Led Zeppelin die in 1969 introduceerde.
De blues zit logischerwijs dik in de geluidsexplosies, ook in mijn oren klinkend als David Coverdale die bij Led Zep zingt. Al is het drumgeluid conform de trend van toen groot. Dat drummer van dienst Denny Carmassi (ex-Montrose, ex-Gamma, ex-Heart) is, vond ik fijn - al las je daar destijds weinig over in de vele artikelen. Alle aandacht ging naar dit "Deep Zeppelin/Led Purple", net als in 1983 toen Ian Gillan de handen ineensloeg met Iommi, Butler en Ward en we "Deep Sabbath/Black Purple" kregen.
Het is alsof na de sterke start met Shake My Tree de boel stukje bij beetje minder en minder wordt, waarbij ik bij Over Now voor het eerst een gevoel van verveling krijg. Dat veel nummers lang duren, helpt niet. Opvallend: Coverdale zoekt vaker ofwel de lage regionen van zijn stem, ofwel de hoogste krijs daarin.
Positieve uitzonderingen in het tweede deel zijn Easy Does It, het toegankelijke Take a Look at Yourself (had zo op Whitesnakes Lovehunter kunnen staan) en slotlied Whisper a Prayer for the Dying met enerzijds akoestische kalmte en anderzijds elektrische uptempo delen op de toppen van Coverdales stembanden. Al geldt ook hier dat de tracklengtes het album van z’n vaart beroven. Een nadeel van de cd, die met z’n maximum van 80 minuten het duo te veel tijd biedt…
De blues zit logischerwijs dik in de geluidsexplosies, ook in mijn oren klinkend als David Coverdale die bij Led Zep zingt. Al is het drumgeluid conform de trend van toen groot. Dat drummer van dienst Denny Carmassi (ex-Montrose, ex-Gamma, ex-Heart) is, vond ik fijn - al las je daar destijds weinig over in de vele artikelen. Alle aandacht ging naar dit "Deep Zeppelin/Led Purple", net als in 1983 toen Ian Gillan de handen ineensloeg met Iommi, Butler en Ward en we "Deep Sabbath/Black Purple" kregen.
Het is alsof na de sterke start met Shake My Tree de boel stukje bij beetje minder en minder wordt, waarbij ik bij Over Now voor het eerst een gevoel van verveling krijg. Dat veel nummers lang duren, helpt niet. Opvallend: Coverdale zoekt vaker ofwel de lage regionen van zijn stem, ofwel de hoogste krijs daarin.
Positieve uitzonderingen in het tweede deel zijn Easy Does It, het toegankelijke Take a Look at Yourself (had zo op Whitesnakes Lovehunter kunnen staan) en slotlied Whisper a Prayer for the Dying met enerzijds akoestische kalmte en anderzijds elektrische uptempo delen op de toppen van Coverdales stembanden. Al geldt ook hier dat de tracklengtes het album van z’n vaart beroven. Een nadeel van de cd, die met z’n maximum van 80 minuten het duo te veel tijd biedt…
Crown Lands - Fearless (2023)

4,5
0
geplaatst: 10 december 2023, 18:44 uur
In mijn tienerjaren rond 1980 was ik geen fan van Rush, al vond ik het wel knap gemaakt. Crown Lands legt hun adoratie er inderdaad dik bovenop maar inmiddels kan ik dit beter hebben. Sterker nog, nadat ik mijn eindejaarslijstje met favo rock- en metalnummers eens uitspitte en het album achter track Starlifter: Fearless Pt. II beluisterde, vond ik dit gewoon góéd; het eindigt hoog.
Heb me vanmiddag bijgelezen. Een sociaalbetrokken Canadees duo uit Oshawa nabij Toronto, bestaande uit Cody Bowles op zang en drums en Kevin Comeau die gitaar, bas en toetsen speelt. Dat kan niet anders betekenen dan dat er live andere namen meedoen. Debuterend in 2020 met een naamloos debuut, is dit hun tweede studioplaat.
Terwijl de heren gekleed gaan in de hipste mode van 1977 is de muziek weliswaar retro, maar óók creatief en inventief: de twee musiceren sterk en schrijven sterke muziek. Gedurende het kleine uur dat dit album duurt, gaat het me nergens vervelen.
Voor wie onbekend is met Rush en Crown Lands: hier klinkt vrij gecompliceerde progrock met inventief drumwerk, waarbij gitaar, bas en toetsen regelmatig de nodige hoogstandjes laten horen. En de nodige tempowisselingen; dit is wel wat anders dan liedjes die van couplet naar refrein gaan. De stem van Bowles is vrij hoog en zeer melodieus. Hij kan soms iets van Robert Plant hebben, zoals op twee derde van het epische openingsnummer. Episch is het in letterlijke zin: de groep vertelt graag een verhaal, zoals hier de strijd tussen goed en kwaad.
Vier keer klokken de nummers onder de vijf minuten af, zoals in Dreamer of the Dawn en het met meer gitaar klinkende Right Way Back, waar blijkt dat het duo ook in kortere tijdspanne een sterk nummer kan neerzetten. Geluidsmuren ontbreken, stevig is het wel degelijk. Behalve op Penny, een instrumentaal akoestisch kleinood, waarna het niet-verrassend-maar-wel-aangenaam alsnog bombastisch wordt met Lady of the Lake. De winter valt in Citadel, een bijna-powerballade die eveneens goed valt en het album afsluit.
Smakelijk voor wie van retro progrock houdt, kleur brengend aan deze grijze namiddag en donker begin van de avond.
Heb me vanmiddag bijgelezen. Een sociaalbetrokken Canadees duo uit Oshawa nabij Toronto, bestaande uit Cody Bowles op zang en drums en Kevin Comeau die gitaar, bas en toetsen speelt. Dat kan niet anders betekenen dan dat er live andere namen meedoen. Debuterend in 2020 met een naamloos debuut, is dit hun tweede studioplaat.
Terwijl de heren gekleed gaan in de hipste mode van 1977 is de muziek weliswaar retro, maar óók creatief en inventief: de twee musiceren sterk en schrijven sterke muziek. Gedurende het kleine uur dat dit album duurt, gaat het me nergens vervelen.
Voor wie onbekend is met Rush en Crown Lands: hier klinkt vrij gecompliceerde progrock met inventief drumwerk, waarbij gitaar, bas en toetsen regelmatig de nodige hoogstandjes laten horen. En de nodige tempowisselingen; dit is wel wat anders dan liedjes die van couplet naar refrein gaan. De stem van Bowles is vrij hoog en zeer melodieus. Hij kan soms iets van Robert Plant hebben, zoals op twee derde van het epische openingsnummer. Episch is het in letterlijke zin: de groep vertelt graag een verhaal, zoals hier de strijd tussen goed en kwaad.
Vier keer klokken de nummers onder de vijf minuten af, zoals in Dreamer of the Dawn en het met meer gitaar klinkende Right Way Back, waar blijkt dat het duo ook in kortere tijdspanne een sterk nummer kan neerzetten. Geluidsmuren ontbreken, stevig is het wel degelijk. Behalve op Penny, een instrumentaal akoestisch kleinood, waarna het niet-verrassend-maar-wel-aangenaam alsnog bombastisch wordt met Lady of the Lake. De winter valt in Citadel, een bijna-powerballade die eveneens goed valt en het album afsluit.
Smakelijk voor wie van retro progrock houdt, kleur brengend aan deze grijze namiddag en donker begin van de avond.
Curved Air - Second Album (1971)

4,0
2
geplaatst: 18 februari 2024, 14:43 uur
De reden dat ik hier beland is vrij onlogisch: ik maakte enkele jaren geleden afspeellijsten met daarop mijn hoogtepunten uit de new wave per jaar. Een genre dat midden jaren '70 ontstond (onder meer Patti Smith en Ramones in de Verenigde Staten en pubrockgroepen als Dr. FeelGood in Engeland) en tot eind jaren '80 floreerde.
Toen ik bezig was met de invloeden op deze nieuwe golf, kwam ik toevallig Backstreet Luv van Curved Air tegen, waarin ik sfeer en melodische kenmerken van latere Britse wave herken. En zo belandde dit nummer als opener van mijn eerste deel met wave. Hartstikke arbitrair natuurlijk, maar oprecht: ik herken hier bijvoorbeeld Siouxsie and The Banshees in.
De komende maanden wil ik de albums achter de nummers op mijn lijstjes beluisteren, voor zover daar daadwerkelijk een album achter zit. Sommige namen kwamen niet zo ver. Om te beginnen dus Second Album van het Engelse Curved Air.
Officieel staat Curved Air te boek als progrock en wie de sterke opener Young Mother hoort met zijn viool, zal dat begrijpen. Maar Backstreet Luv klinkt helemaal niet zo gecompliceerd en wordt gevolgd door het plechtige Jumbo met een als klassieke kamermuziek aandoende, fraaie melodie. Daarna volgt een Latinritme in You Know en in het pianogedreven Puppets lijkt wel naast de mellotron een drumcomputertje met congageluiden te klinken: zijn tijd vooruit met bovendien weer zo'n vervreemdende melodie. Alsof zangeres Sonja Kristina een oudere zus van zowel Kate Bush als Siouxsie Sioux is.
Op kant 2 staan slechts drie nummers. Op het drie minuten durende Everdance klinkt wederom de viool van Darryl Way, Bright Summer's Day '68 is druk met een grote rol voor drummer Florian Pilkington-Miksa en dat in nog geen drie minuten. Afsluiter Piece of Mind duurt evenwel bijna dertien minuten en gaat door diverse delen, waarin zowel bombastische klassieke muziek als ingetogen melancholie klinken.
Al met al een aangenaam ratjetoe aan diverse stijlen en sferen, resulterend in een avontuurlijk album. Natuurlijk gaat het veel te ver om dit hele album als een directe voorloper van new wave te betitelen, maar zou het mogelijk zijn dat er muzikanten in dat genre waren die als tiener graag naar Curved Air luisterden en iets daarvan in hun muziek stopten, al dan niet onbewust? Ja toch?
Om mijn punt kracht bij te zetten nog twee namen. Vanaf 1973 maakte violist Eddie Jobson enige tijd deel uit van de groep, later bij Roxy Music, dat duidelijker van invloed was op new wave. En weer later maakte de latere Policedrummer Stewart Copeland deel uit van de groep.
Curved Air is nog altijd actief gezien hun website. Mijn reis langs vaders en moeders van new wave vervolg ik met het debuut van Roxy Music, dat een jaar na dit Second Album verscheen.
Toen ik bezig was met de invloeden op deze nieuwe golf, kwam ik toevallig Backstreet Luv van Curved Air tegen, waarin ik sfeer en melodische kenmerken van latere Britse wave herken. En zo belandde dit nummer als opener van mijn eerste deel met wave. Hartstikke arbitrair natuurlijk, maar oprecht: ik herken hier bijvoorbeeld Siouxsie and The Banshees in.
De komende maanden wil ik de albums achter de nummers op mijn lijstjes beluisteren, voor zover daar daadwerkelijk een album achter zit. Sommige namen kwamen niet zo ver. Om te beginnen dus Second Album van het Engelse Curved Air.
Officieel staat Curved Air te boek als progrock en wie de sterke opener Young Mother hoort met zijn viool, zal dat begrijpen. Maar Backstreet Luv klinkt helemaal niet zo gecompliceerd en wordt gevolgd door het plechtige Jumbo met een als klassieke kamermuziek aandoende, fraaie melodie. Daarna volgt een Latinritme in You Know en in het pianogedreven Puppets lijkt wel naast de mellotron een drumcomputertje met congageluiden te klinken: zijn tijd vooruit met bovendien weer zo'n vervreemdende melodie. Alsof zangeres Sonja Kristina een oudere zus van zowel Kate Bush als Siouxsie Sioux is.
Op kant 2 staan slechts drie nummers. Op het drie minuten durende Everdance klinkt wederom de viool van Darryl Way, Bright Summer's Day '68 is druk met een grote rol voor drummer Florian Pilkington-Miksa en dat in nog geen drie minuten. Afsluiter Piece of Mind duurt evenwel bijna dertien minuten en gaat door diverse delen, waarin zowel bombastische klassieke muziek als ingetogen melancholie klinken.
Al met al een aangenaam ratjetoe aan diverse stijlen en sferen, resulterend in een avontuurlijk album. Natuurlijk gaat het veel te ver om dit hele album als een directe voorloper van new wave te betitelen, maar zou het mogelijk zijn dat er muzikanten in dat genre waren die als tiener graag naar Curved Air luisterden en iets daarvan in hun muziek stopten, al dan niet onbewust? Ja toch?
Om mijn punt kracht bij te zetten nog twee namen. Vanaf 1973 maakte violist Eddie Jobson enige tijd deel uit van de groep, later bij Roxy Music, dat duidelijker van invloed was op new wave. En weer later maakte de latere Policedrummer Stewart Copeland deel uit van de groep.
Curved Air is nog altijd actief gezien hun website. Mijn reis langs vaders en moeders van new wave vervolg ik met het debuut van Roxy Music, dat een jaar na dit Second Album verscheen.
