MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Cabaret Voltaire - "Mix-Up" (1979)

poster
3,0
Waar punk en new wave vanaf 1975 een nieuwe wind door de popmuziek deden waaien, ontwikkelden zich parallel daaraan groepen en collectieven die gráág experimenteerden met geluiden en liedstructuren. Uit Sheffield kwam Cabaret Voltaire, een groep voor een selecte groep fijnproevers.

Op "Mix-Up" wordt de nodige huiskamervlijt met electronica gecombineerd met al dan niet vervormde stemmen, vervormde gitaren en primitieve drumcomputers. Interessant is het zeker, maar ik ben teveel een liedjesman om hier enthousiast van te worden. Melodieën zijn namelijk niet zo belangrijk, resulterend in sferen die net zo kil-grijs zijn als deze januarimaand tot dusver.
Gelukkig voor mij duren de nummers niet extreem lang en ook als album houden de vier het op een keurige 43 minuten. Soms met drumcomputer, maar met Haydn Boyes Weston is ook een menselijke drummer aanwezig.

Neemt niet weg dat dit interessant én baanbrekend was, muzikaal ergens tussen Throbbing Gristle en Joy Division in. De bescheiden drie sterren die ik geef, komen dus vooral door hun vooruitstrevendheid met als favo's No Escape en Fourth Shot.
Mijn muzikale reis door new wave en aanverwanten kwam vanaf de tweede PiL en omdat ik Flex van Lene Lovich al eerder besprak, beland ik bij Adam & The Ants, nog vóórdat deze met hun herkenbare dubbele drumstel aan de weg timmerden: het album Dirk Wears White Sox.

Cabaret Voltaire - Red Mecca (1981)

poster
3,5
Synthesizer-new wave kan heel gepolijst zijn, zoals ik eerder deze week tegenkwam bij het debuut van Real Life. Aan de andere kant van het spectrum zit Cabaret Voltaire. Indertijd een geknipt bandje voor de radioshow van BBC's John Peel.
Met vriend JeKo (niet meer op MuMe) bezoek ik regelmatig musea, waar je bij moderne / abstracte kunst ook videokunstwerken kunt tegenkomen. Ik vind ze bij voorbaat al interessant, zelfs al vind ik het werk uiteindelijk niet meer dan 'geinig'. Wat me veelal opvalt is dat deze kunstenaars geen geluid, laat staan muziek bij hun video plaatsen. Nu ik Cabaret Voltaire hoor, denk ik dat dit een hele nuttige toevoeging zou kunnen zijn.

Deze groep is vooral níet gepolijst. Op Red Mecca schuurt het en klinkt de muziek vaak disharmonisch. Hier draait het niet om pakkende melodieën of lekkere synthesizerriffjes. Neen, simplistische digigeluiden en dito drumcomputers worden gecombineerd met vervormde stemmen en verdraaide instrumenten. De normale audiowereld in een vervormde spiegel, in raadselen.
In 1981 kon er qua sequencers, nieuwe geluiden en ritmeboxen al veel meer dan dit derde album van het trio liet horen. Digitale tijdgenoten als O.M.D. en Depeche Mode bewezen dit op hun albums uit datzelfde 1981, te weten Architecture & Morality en Speak & Spell. Maar daar was het Cabaret Voltaire niet om te doen. Absoluut géén 'music for the masses' zoals Depeche Mode in 1987 hun zesde album de wereld zouden insturen.

Vergeleken hiermee bracht Joy Division een heel toegankelijk geluid. Met hen trad Cabaret Voltaire in de jaren hiervoor vaak op en de muziek heeft daar soms verwantschap mee, getuige Red Mask. Door die abstractie (denk ik) geknipt voor de oortjes van JeKo, terwijl voor mij geldt: 'Leuk voor 5 minuten in een museum, maar nu naar het volgende kunstwerk in de volgende zaal.' Nu weet ik toevallig dat JeKo zes plaatjes van hen in de kast staan, wat mijn vermoeden staaft.
Overigens heb ik ook de twee voorgangers hiervan beluisterd en die zijn nog kunstiger. Het kon dus pittiger. In Oor noemde Bert van de Kamp het fraai "Muziek die een reflectie wil zijn van de dagelijkse realiteit, maar daarin niet moedeloos berust", waarbij dit fragment in het forum Oordelen meer verklaart.

Favoriete nummers heb ik niet, de kunst van Cabaret Voltaire beschouw ik als één geheel. Of anders gezegd: lekkere liedjes aanwijzen lukt me eenvoudigweg niet. Ik beschouw dit album als een kunstwerk in een museum, geef het een '7' ('Schande, schande, kunst in een cijfer uitdrukken!' hoor ik een kunstkenner roepen) en ga in het restaurantmuseum gemberthee met vegan salade bestellen. Doei.

Cabaret Voltaire - The Voice of America (1980)

poster
3,0
Het derde album van Cabaret Voltaire in 1980, na het debuut "Mix-Up" uit '79 en de veertig minuten durende Three Mantras uit mei 1980. Dat bestaat uit slechts twee nummers op 33⅓ RPM, zelfs voor streaming niet in stukjes geknipt, hetgeen lucratiever zou zijn geweest aangezien die platformen per gedraaide track uitkeren. Hij staat op MuMe als EP maar met de lengte en het toerental van 33⅓ toch echt een elpee en tegelijkertijd een tussendoortje. In juli 1980 bracht de groep uit Sheffield The Voice of America uit.

Die is met zijn tien nummers stukken enigszins toegankelijker. Klonken op "Mix-Up" nog livedrums, dat is op The Voice of America voorbij: alle percussiegeluiden komen uit een doosje, met Stay out of It als uitzondering. Ten opzichte van een jaar eerder klinkt minder noise, waarbij nog altijd wordt geëxperimenteerd met geluiden. Dit buiten de geijkte patronen van coupletten en refreinen.

In de albumtitel zou je een boodschap kunnen zien, maar met de fragmentarische teksten is het maar de vraag of dat zo is. Eigenlijk hoor je diverse stemmen van Amerika, zoals instructies voor politiemensen hoe te handelen bij een concert van de Beatles, zoals de dwingende openingsklanken van het album doen. Bedoelt het trio Cabaret Voltaire te zeggen dat deze instructies kenmerkend zijn voor de VS?

Meer over de openingsgeluiden las ik bij Electronicsound.co.uk. In Damage Is Done een monotone beat, lange geluiden op elektrische gitaar en spreekzang. Partially Submerged doet hetzelfde maar dan zonder stem of beat, waardoor het tot een soundscape wordt met nadruk op elektronica. Kneel to the Boss (een politiek statement?) is dan weer met drumcomputer en spreekstem, Premonition avant-gardistisch en This Is Entertainment als vervreemdende dance.
If the Shadows Could March is een kleine minuut als de soundtrack bij sci-fi, waarna het conventionelere Stay out of It warempel iets van Talking Heads wegheeft. Met Obsession en News from Nowhere meer elektronische beats en gesampelde geluiden, waarna Messages Received op z'n postpunks afsluit met warempel een melodie. Monotoon maar toch, dit is het nummer dat ik in mijn afspeellijst met new wave zet.

Vervolgens reis ik verder door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave. Ik kwam van single The Harder It Comes van Joe Jackson, onder meer te vinden op diens verzamelaar Master Series. Volgende station is het debuut van het Oost-Duitse Silly.

Café Society - Café Society (1975)

poster
4,0
Het Britse trio Café Society bracht één album uit met warme, zoetgevooisde kwaliteitspop. Liefhebbers van bijvoorbeeld Gilbert O' Sullivan zullen vrolijk worden van deze onbekend gebleven elpee. Invloeden van folk, vooroorlogse jazz met banjo en soms een vleugje lichte rock klinken door in de groep rond zanger en gitarist Raphael Doyle.
Het album verscheen op het label Konkwart (Discogs noemt het Konk) van Ray en Dave Davies van The Kinks, die daarmee een woordspeling op hun groep maakten. Ze produceerden de plaat ook. In de groep verder pianist, gitarist en zanger Hereward Kaye en gitarist-zanger Tom Robinson, die in 1977 zou doorbreken met veel luidere new wave. Hij zingt hier één nummer, namelijk Such a Night.

Verder doen de nodige sessiemuzikanten mee, waarvan Discogs in één oogopslag een overzicht geeft. Het levert warme soft rock op; yacht rock is een ander genrestickertje dat toepasbaar is.
Uptempo en toch kabbelend is opener Poor Old Sailor en Maybe It's Me doet iets soortgelijks. Pianoballade I Love You So wordt aangevuld met strijkers, Give Us A Break is uptempo en akoestisch met een kleine rol voor elektrische gitaar. Folkgitaar vormt de basis van het tweestemmig gezongen The Creed.

Elektrische gitaar is voor het eerst prominent op de opener van de tweede helft The Old Man And The Child. The Whitby Two-Step verscheen op single en is geïnspireerd door kalme jazz uit de jaren '30 van de vorige eeuw, waarna Such a Night als een muzikaal vervolg klinkt; hier bovendien vioolspel van gastmuzikante Robin Williamson.
Warme yacht rock in You Make Me Feel At Ease met elektrische jazzgitaar en kalm is het slot met meer tweestemmige folk en viool in The Family Song.

Onbekend? Zeker. Fraai? Echt wel! Café Society is op YouTube te vinden. Aanbevolen bij een glas goede wijn, kaasje... Dát gevoel.

Carole King - Tapestry (1971)

poster
4,5
Was het omdat ik in het Franse Bayeux het beroemde wandkleed over Willem de Veroveraar zag, het tapestry over de Battle of Hastings? Later kwam ik in Lannion in een bistro annex platenzaak Tapestry tegen, met de voorzijde in net zulke zonnige sferen als die dag. Klaphoes, gloednieuw vinyl: ik kon Carole King niet meer negeren.

Voor mij was ze sinds ik vanaf 1976 naar de radio ging luisteren als een soort behang. Wie radio luisterde, hoorde haar liedjes, al dan niet door haarzelf uitgevoerd. Geleidelijk kwam ik erachter dat deze nummers, die er in mijn oren "altijd" zijn geweest, in werkelijkheid door een mens werden geschreven.
Op de hoesfoto wordt King prominent door een kat vergezeld. Het is zoals Crosby, Stills, Nash & Young in Our House zongen: "Three cats in the yard, life used to be so hard". De ontspanning stráált eraf. Dat is overigens géén liedje van King.

Hierboven noteerden anderen al welke liedjes zij voor wie schreef. Voor mij vormen enkele daarvan de ijkpunten tijdens de twee plaatkanten van haar tweede album, waar de overige hetzelfde tijdloze gevoel oproepen. Opvallend is de positiviteit in de teksten: geen gebroken relaties of pijnlijke harten. Nee, het leven is goed en ik bén er voor je.
Alhoewel, op kant 1 klaagt ze dat die ander So Far Away is en het daarop volgende nummer geldt It's Too Late en ze is Out in the Cold vanwege spijt. Desondanks blijft de sfeer enorm leven-omarmend. De zon schijnt, het leven is mooi. Ingetogen ingespeeld door een keur aan musici komt een rijke variatie aan pianoliedjes voorbij van iemand die zin heeft in het leven, gedragen door haar koffie-crème stem.

Er is meer. Ze maakte in 1969 een album met The City en vervolgens solo zeventien studioalbums, de laatste met kerstliedjes uit 2011 - op MuMe nog geen enkel bericht daarbij?
De podcast van de Top 2000 a gogo besteedde in 2021 aandacht aan Tapestry en Kings carrière. Nog beter: eerder deze maand schoof ze vanaf 20'22" aan in de podcast Rolling Stone’s 500 Greatest Songs over het nummer It's Too Late, haar kinderen en meer, daar te zien.

Maar eigenlijk zegt de muziek van Tapestry al genoeg. Tijdloos mooi van een talent dat qua leeftijd mijn moeder had kunnen zijn. Geen wonder dat haar muziek er in mijn beleving altijd is geweest.

Cats in Space - Atlantis (2020)

poster
3,5
Op het vierde studioalbum van het Britse sextet Cats in Space komt de groep ongekend fel uit de startblokken. Nadat Dive! op geinige wijze de minisoundtrack bij de hoes van Atlantis levert, volgen het stevig rockende en uptempo Spaceship Superstar plus het nog iets snellere Revolution. Melodieuze hardrock / adult oriented rock met de heipalen in de jaren '70 en '80, net als voorheen vol geproduceerd en enthousiast én professioneel uitgevoerd. In Revolution klinkt ook het eerste koortje van dit album; ik moet aan Stryper denken ten tijde van hun eerste vier albums.

Met Sunday Best komt de popkant van de groep naar boven en waan ik me in, pakkumbeet, 1974, dankzij wederom koortjes en een hoofdrol voor de piano. Heerlijk liedje. Listen to the Radio is duidelijk gemaakt om de single te zijn, stevig en volmelodieus, geknipt voor meezingen achter het stuur.
Wie van ballades houdt moet bij If I Fell out of Love with Rock 'n' Roll zijn, mij pakt dit niet. Marionettes is een sterk en gevarieerd aor-lied in de beste jaren '70-traditie; het gaat er van langzaam tot snel met een snufje ouderwetse progrock.

Dan volgen drie nummers die me minder doen, de ene weer steviger dan de ander, maar Seasons Change is dan weer een liedje waar pop en rock om voorrang strijden, waarbij het nummer me meer pakt naarmate het vordert. Het afsluitende titelnummer grijpt me dan weer niet bij de oren.

Een sterke eerste helft, een iets mindere tweede. Maar dat is wel héél erg een kwestie van smaak: het zit 'm er echt in dat de ene melodie me meer doet dan de andere. Iemand die eveneens van dit soort adult oriented rock houdt, kan heel goed andere nummers als favorieten aanwijzen. Een 7,5 voor het geheel.

Cats in Space - Day Trip to Narnia (2019)

poster
3,5
Na livealbum Cats Alive! verscheen Day Trip to Narnia als derde studioplaat van het Britse Cats in Space. In de begintonen zitten we in de sneeuw van de hoes: het is inmiddels een traditie van de groep om een album te beginnen met geluiden die corresponderen met de hoes.
Het verhaal van Narnia van C.S. Lewis keert terug aan het begin en einde van dit album. Verder staan er losse nummers op, niets te maken hebbend met het fantasyverhaal.

Uiteraard zijn de nummers pakkend en meezingbaar, waarbij ik diverse liedjes op mijn afspeellijst zette. Dat zijn She Talks too Much, Hologram Man, Tragic Alter Ego, Silver and Gold, Unicorn en de eerste drie delen van The Story of Johnny Rocket, waarvan het eerste deel het korte Space Overture is.
Allerlei associaties met de klassieke hardrock van de jaren '70 duiken weer op, met als meest opvallende Unicorn, waarvan ik bij het intro steeds denk dat Sunny van Boney M begint, dankzij de hi-hat die door een effect wordt gehaald; en deel 3 van het Johnny Rock-epos, Thunder in the Night, waar hardrockdisco klinkt als een vervolg op Kiss' I Was Made for Loving You.

Wat net wat minder is dan bij het debuut en vooral hun laatste album Kickstart the Sun (2022): de onweerstaanbare neiging tot meezingen en ook ontbreken de pure popliedjes zoals die op het debuut stonden, zonder scheurende gitaar.
Tegelijkertijd moet je van goeden huize komen om die jaren '70 straffeloos te recyclen, maar hé, dit zijn de Cats in Space! Goede liedjes die werken: een dikke 7.

Cats in Space - Kickstart the Sun (2022)

poster
4,5
Ik ken Cats in Space dankzij de aandacht die het Britse magazine Louder - Classic Rock regelmatig aan hun landgenoten besteedt, maar was ze na 2018 uit het oor verloren. Op de valreep van het jaar ontdek ik dat ik er sindsdien drie van hen heb gemist, waarvan de laatste van afgelopen zomer dateert.

Gelukkig is er niks veranderd. Plezier en vakmanschap druipen van Kickstart the Sun af. Wederom werd uit een breed palet van rock- en popstijlen geput, waarbij de inspiratie uit de jaren '70 stamt. Dit alles echter in een 2022-kwaliteitsproductie.

Enkele associaties: in het over-de-top-knalnummer King of Stars en Teenage Millionaires denk ik onmiddelijk aan The Sweet met hun hoge koortjes, maar Styx zou ook kunnen; bij Poke the Witch hoor ik flarden Queen, The Babys schemeren door in Teenage Millionaire en tijdens 1,000,000 Miles zou je kunnen denken aan Andrew Gold of Boz Scaggs en alsof dat nog niet genoeg is, hoor ik ELO in Last Dance Saloon.

Maar dit is géén coverband, dankzij de klasbakmusici. Het zijn de heldere en krachtige stem van Damien Edwards en het spel van gitaristen Greg Hart en Dean Howard en toetsenist Andy Stewart die ervoor waken dat het een eigen geluid behoudt. Krachtig en scheurend met alle ruimte voor melodie en koortjes.

Een eigenwijs eendje in de vijver van adult oriented rock met daarin de nodige kwaliteitspop verwerkt. Sterke composities van een bevlogen band, alsof je naar een best-of luistert.
Met ruim een uur speeltijd bovendien niet karig in kwantiteit, is de kwaliteit overal hoog. Het is bijna te veel!
Aan mijn associaties heb je uiteindelijk niets: onthoud maar dat ik vrolijk word van dit album. Fijn dat ik er nog twee mag inhalen!

Cats in Space - Scarecrow (2017)

poster
3,5
Aan het begin van het album Scarecrow horen we een kraai krassen, waarna het ruimteschip van Cats in Space in een akker landt. Na het debuut in de ruimte is de groep met hun tweede plaat Scarecrow terug op planeet aarde.
En dus gaan we weer hardrockend terug naar de jaren '70 en jaren '80 met veel, véél melodie. Af en toe een lekkere gitaarsolo, pakkende refreintjes... Net als in het bericht hierboven schijnt vandaag de zon. Dit is een fijne soundtrack daarbij.

Mijn favorieten: het uptempo Mad Hatter's Tea Party over de slechterik uit Alice in Wonderland; bij Scars is het bij de eerste tonen even slikken om de sentimentele mondharmonica, maar als piano en zang het overnemen ontvouwt zich geleidelijk een heel sterk midtempo liedje over de littekens die je in het leven oploopt ("What doesn't kill you makes you stronger" ).
In de tweede helft is Broken Wing stampend met opnieuw een sterke melodie; Timebomb is een stevig popliedje, dat halverwege versnelt en dat heeft de plaat ook wel nodig - het gitaargeluid hier lijkt sterk op dat van Boston; het titelnummer is ook uptempo en rockt warm door, met de nodige koortjes en retrotoetsen.

Aangenaam plaatje, zij het dat op de voorganger de composities wat pakkender waren. Daarom een half sterretje minder voor Scarecrow.

Cats in Space - Time Machine (2024)

poster
4,0
Melodieuze hardrock, pakkend en tegelijkertijd op het zoete af. Cats In Space ontdekte ik bij hun debuut via Louder / Classic Rock Magazine en alhoewel de groep "pas" in 2015 voor het eerst opdook, is hun stijl alsof het 1977 is. Meezingbaar met de vele koortjes en popinvloeden, maar meestal stevig met fors scheurende gitaren. Het levende bewijs dat het niet per se om vernieuwing gaat, maar om de kunst van het liedjes schrijven. Een kunst die dit zevental verstaat. En hóé!

Ik kan heel veel namen ter vergelijking noemen en laat dat maar na. Origineel is het dus niet, maar als dit diefstal is, is het de perfecte diefstal, van een Ocean's 11, 12-niveau.
Na twee uptempo hardrockende nummers volgt pianoballade Crashing Down en waar ik meestal weinig hiermee heb, is deze dik okay. Vervolgens rocken met trompetten in Occam's Razor. Net als op de voorgangers valt op hoe goed er wordt gemusiceerd. Immers, als je jat: doe het goed! Wel, hier is het meer dan dat, dit is in de categorie excellent dankzij de sterke composities.
Zo gaat het maar door, waarbij de teksten nogal eens een hart onder de riem steken, voorbij de standaard (gebroken) liefdes. Met het pianothema in Yesterday's Sensation hebben we bovendien een kandidaat voor de soundtrack van de volgende James Bond, in het poplied No Regrets zingt Damien Edwards - aangenaam - een octaaf lager dan elders.

Hardrock, adult oriented rock. Een combi van de twee met een dikke saus popmelodieën zonder dat het tuttebollerig wordt, daar zorgen de stembanden van Edwards wel voor. Man man - vrouw vrouw, wat ís dit lekker. Wie aan grensverleggende muziek hecht, moet hier niet zijn en hetzelfde geldt voor wie naar modieuze muziek zoekt. Liefhebbers van melodieuze (hard)rock in de sfeer van de jaren '70 en '80 kunnen echter hun hart ophalen.
Vanaf track 12 klinken de nummers die niet op vinyl passen. Je kunt je weliswaar afvragen of de cover van John Miles' Music nodig was, passend is het hier wél. Hetzelfde geldt voor de cover-van-Slade How Does Feel. Ach, leuke extraatjes op een uitermate degelijk album. Laatste nummer op cd en streaming is een geheel andere versie van This Velvet Rush, dat eerder op dit album al voorbijkwam.
Maatje JeKo, luister hiernaar en laat me weten wat je vindt! Ik weet het antwoord al, vrees ik .

Kan dit zich meten met de nieuwe van de veteranen van (The) Sweet, het in september verschenen Full Circle? Eens kijken hoe die bevalt.

Cats in Space - Too Many Gods (2015)

poster
4,0
Op het debuut van dit Britse zestal van Cats in Space wordt onbeschaamd maar effectief geput uit de bak van melodieuze hardrock uit de jaren '70, gestoken in een eigentijds productioneel jasje. Alles klopt. Qua bandnaam en hoes valt bovendien al te concluderen dat liefhebbers van onbezorgde muziek waar voor hun geld krijgen.

Ik leerde de groep kennen dankzij de aandacht die het Britse magazine Classic Rock hen gaf op hun website. De singles die daar werden gepromoot waren het popachtige Last Man Standing en het nog popachtiger Only in Vegas: supermelodieus, zorgeloos en minutieus goed in elkaar geknutseld met bijvoorbeeld gelaagde zangkoortjes.
jailhouserocker1 noemde al diverse namen waarmee je de muziek kunt associëren en dus zoom ik in op de muziek. Het album opent met de instrumentale soundscape Arrival die ons in één keer in het heelal brengt, waarna het titelnummer Too Many Gods stevig aftrapt met enkele symfonische invloeden. Stop rockt nog iets steviger, zodat de opgewekte sfeer er na drie nummers goed inzit.

Mijn andere twee favorieten, behalve de nummers die ik al noemde: Mr. Heartache ("Bye bye mr. Heartache, I don't your heartache anymore, bye bye, bye bye" ; het is geen hogere literatuur maar het zingt zo lekker mee!) en The Greatest Story Never Told dat met langzaam pianospel begint maar op tweederde versnelt, waardoor de bijna zeven minuten van het nummer boeiend blijven.
Soms klinkt op dit album kort een saxofoon en ook conga's blijken een effectieve toevoeging aan dit stevig rockende album, dat een enkele keer weg van de hardrockende snelweg een popweggetje neemt. Het verhoogt alleen maar de afwisseling. Zanger Paul Manzi werd al door vielip aangestipt, waarbij Mick Wilson ook een enkele keer die rol vervult. Beiden hebben hele prettige stemmen: niet wereldschokkend maar wel krachtig, passend bij deze muziek.

Anderen zullen andere nummers als favoriet uitkiezen dan ik deed, helemaal goed uiteraard. Zeker is dat bij Cats in Space bepaald geen muzikale revolutie plaatsvindt, maar voor wie van melodieuze hardrock houdt is dit een aangenaam album, dat je continu tot meezingen verleidt.

Cha Cha (1979)

Alternatieve titel: Soundtrack: Herman Brood, Nina Hagen and Lene Lovich

poster
3,0
Mijn queste door new wave komt van de ska van The Beat en brengt allerlei herinneringen van een prille puber boven.

In 1979 ging ik tijdschrift Muziek Expres kopen, dat frequent over Herman Brood & His Wild Romance berichtte. Beetje sensationeel, Oor was zakelijker, zo zou ik spoedig ontdekken. Wat me bijbleef: de grote aandacht voor de Amerikaanse tournee met foto's van een platenzaak die de vitrines vol had hangen met foto's van hun album Cha Cha en hoe de tournee vervolgens crashte door drugsgebruik van met name heer Brood, die er niet voor schroomde in zijn nakie met balkje voor het vitale orgaantje in een fotoreportage te acteren.
Eveneens in 1979 kwamen verhalen dat hij was getrouwd met Nina Hagen; voor de bühne en publiciteit, een effectieve campagne. Beelden daarvan zitten in de film, waarvan dit fragment dichter Simon Vinkenoog als voorganger en Dolf Brouwers als bruiloftsgast toont. Dit culmineerde in de film Cha Cha die op 13 december in première ging, ondersteund door deze soundtrack met eveneens de namen van Lene Lovich en Hagen groot op de hoes.

Brood was te gast bij Countdown, waar Lex Harding hem op strenge toon interviewde over de film én De Breedbekkikkers, Broods carnavalsproject van begin 1979. Een "hit" bij mij op school, we zongen het graag en luid.
De film staat in zijn geheel op YouTube, zodat eenieder zelf kan beoordelen of de negatieve recensies hierboven terecht zijn. Ik vrees van wel... Op JijBuis staat bovendien de complete soundtrack, mijn streamingplatform heeft nogal wat nummers op grijs.

Twee nummers op de soundtrack waren door Brood en zijn Wild Romance al eerder tot hits gemaakt: Never Be Clever (mei) en I Love You Like I Love Myself (november) en Broods Doin' It mag er ook zijn. Als hij een Engelsman was geweest, zou zijn muziek als pubrock zijn gelabeld, vergelijkbaar met Graham Parker en Dr. Feelgood.
Als geheel is het album een bont geheel, bijna een samenvatting van de lichte muziek tot dan toe, inclusief onversneden jazz en blues met Hans Dulfer en Sonny zonder Cher.

Ik ben hier omdat ik door de new wave van 1979 reis. Zijn er wat dat betreft nog interessante nummers te vinden op dit Cha Cha?
Sterkste nummers zijn Home van Lene Lovich en Les Chappell; It's You (Smersz) van The Meteors, al hoor ik liever de in het vorige bericht genoemde coverversie die Lovich maakte in 1982. Op (You Don't) Fit van Inside Nipples klinkt sterke punk met vocaliste Catharina Nijhuis in de hoofdrol, via (No More) Conversations van Streetbeats klinkt melodieuze rock, in Herman Ist High etaleert frau Hagen haar capaciteiten en gekte, het Groningse White Honey laat met frontvrouw Hanneke Kappen horen in I Don't Wanna Loose You hoe goed zij waren. (Can't Stop) Foolin' Myself is een sterk gezongen ballade van Phoney & The Hardcore.

In de categorie 'aardig' komen de rockende nummers Pick Up van Phoney & The Hardcore en Take It All In van The Meteors, de funk van Two Together van The Houseband en Beat van Brood. In Jilted keert Brood met de Dulfergang terug naar zijn bluesdagen bij Cuby.
Flauw of erger zijn de ballade Sweet Memories van Floor van Zutphen en de cover van Bob Dylans Knockin' on Heaven's Door, nu als Nina Hagens Herman's Door.

Al met al een bont muzikaal verhaal, waarbij je de film moet hebben gezien om de samenhang te begrijpen. Het creëerde in ieder geval een luidruchtig slot van 1979. Meer dan dat, want eind 1979 sloten we een decennium af.
Frits Spits had er in die laatste weken op Hilversum 3 zelfs een speciaal radioprogramma voor genaamd Poplijnen, dat via de link is terug te beluisteren; leuk om een muzikale film als deze in de context te zetten. Ik ga door naar een groep die eveneens terugblikte op het decennium, zij het in een geheel eigen jasje dat invloedrijk zou blijken: London Calling van The Clash.

Charlie Sexton - Pictures for Pleasure (1985)

poster
2,5
Een impulsaankoop gedaan bij De Groeverij in Houten. Niet alleen omdat dit een leuke vinylzaak is met altijd gastvrije eigenaren en de koffie en worteltaartpunt er smakelijk zijn, maar ook omdat op de hoes in fraai handschrift staat geschreven: "Le 1e février au Beurs chouw brug". Even koeklen: waarschijnlijk wordt de Beursschouwburg in Brussel bedoeld, waar hij op een 1e februari moet hebben opgetreden. In welk jaar weet zelfs Koekel niet.
Doet er ook niet toe, het gaat om de muziek. Alhoewel... Op de hoes zien we een mooiboi met zwarte vetkuif, op de achterzijde in mouwloos wit hemd gestoken. Het was dus gissen wat voor muziek dit was: moest ik het zoeken in de hitgevoelige new wave/punk zoals Billy Idol, of is het vetkuivenrock 'n' roll á la Chris Isaak?
Tijdens het draaien hem eens gekoekeld: Amerikaan, geboren in San Antonio en op zijn vierde naar Austin in Texas verhuisd. Beat's So Lonely was de hit van dit album, maart 1986 #17 in de Billboard Hot 100. Sexton belandde in de jaren '90 in de band van Bob Dylan, later bij singer-songwriter Chuck Prophet en in 2021 bij Elvis Costello & The Imposters. Niet de minste namen, waarbij Sexton zijn vetkuif verloor.

Wat voor muziek horen we op Pictures for Pleasure? Het antwoord is dat dit een lichte versie is van de poppunk van Billy Idol. Dat leverde dus mooie hoesfoto's op, maar de liedjes willen niet beklijven, ook als het eens echt stevig scheurt zoals in het afsluitende Space. Het zit 'm in de melodieën die steevast okay zijn maar niet van het kaliber dat je achterover doet slaan. Hitsingle Beat's So Lonely bevat van die typische jaren '80-producerstrucjes qua geluid en is best een aardig liedje, met een sequencer om de basgitaar te versterken.
In het intro Restless klinkt een knallende drumcomputer en dan pas valt het me op: geen livedrums op deze plaat maar een drumcomputer, aangestuurd door drie heren waaronder Sexton, die met recht een multi-instrumentalist mag worden genoemd: hij speelde bovendien gitaar, bas en toetsen, waarbij enkele sessiemuzikanten hem begeleidden.
Tweede bescheiden hoogtepunt is het titelnummer, dat kant 2 opent. Maar opnieuw met een melodie die geen grote indruk maakt, terwijl die evengoed lekker klinkt en de gitaarsolo aangenaam scheurt.

Opgenomen in Californië, geproduceerd door Keith Forsey. Ik heb ook zijn biografie opgezocht, ditmaal op Discogs. Mijn intuïtie bleek juist: hij werkte met Generation X en Billy Idol. Maar schreef ook mee aan Don't You (Forget About Me) van SImple Minds, net als aan Flashdance... What a Feeling van Irene Cara en Hot Stuff van Donna Summer. Kortom, iemand met de wortels in de punk van de jaren '70 die vervolgens de popkant is opgegaan. Hij zet op Pictures for Pleasure de liedjes in een typisch jaren '80-geluid.

Sexton heeft een aangename stem, toch zijn veel muzikaal talent, goede productie en mooie foto's niet voldoende. Is dit slecht? Nee. Is dit goed? Evenmin, zeker niet als je de twee plaatkanten in één ruk wilt uitluisteren. Een soort adult oriented punk. Mijn ene oor in en het andere uit.

Cheap Trick - All Washed Up (2025)

poster
4,0
Eergisteren stond ik stil in 1979: Dream Police van Cheap Trick. In het interview in Muziek Expres uit dat jaar vertelde gitarist Rick Nielsen 26 jaar te zijn en als dat klopte is hij inmiddels 72. En toch komt de groep, waar zanger-gitarist Robin Zander en bassist Tom Petterson de andere oudgedienden zijn, met studioplaat numero 21. Een hele prestatie. Drummer is opnieuw hun "touring drummer" Daxx Nielsen, zoon van Rick.

Zanders stem is - verrassend met de 46 jaren die zijn verstreken - iets minder diep dan toen, heeft een aangenaam hees randje en nog altijd volop bereik. De heren brengen traditiegetrouw liedjes met kop en staart in een meestal stevig (hard)rockend jasje. In retrospect worden ze een powerpopband genoemd, waar Cheap Trick ooit voor hardrock doorging. Ach ja, plak er het labeltje op dat u wenst, feit is dat de heren liedjes kunnen schrijven en dat de gitaren meestal scheuren.

Uiteraard doet het ene nummer meer dan de ander. In de auto was ik het meest gecharmeerd van de uptempo opener All Washed Up, de melancholie van het kalmere All Wrong Long Gone en iets dergelijks met Twelve Gates, het swingende en rockende Dancing with the Band met pakkend hoog hoo-hoo-koortje en vooral A Long Way to Worcester, dat een persoonlijke tekst heeft; in mijn geval helaas enigszins actueel, waardoor hij extra binnenkomt.
Tevens uw aandacht voor de knotsgekke gitaarsolo's die Nielsen kan spelen: hoor ze maar eens in A Long Way to Worcester en vooral The Riff that Won't Quit.

Contrasten zijn er ook: Bet It All heeft een doomriff alsof Black Sabbaths Tony Iommi die schreef, The Best Thing is een midtempo rockballade met rijke koortjes en met slotlied Wham Boom Bang klinkt jazzswing in popjasje. Toch horen die zijstapjes niet bij mijn favorieten: het liefst hoor ik nummers waar de groep zowel rockt als een sterke melodie heeft.

Cheap Trick - At Budokan (1979)

poster
4,0
Dat hardrock een groeiende groep fans trok, had Alfred Lagarde al gemerkt aan het succes van zijn Betonuur op de dinsdagmiddag. Ik was één van die jonge puberjongetjes die tot zijn blijde verrassing in mei-juni 1979 meemaakte dat in de Nationale Hitparade I Want You to Want Me van deze At Budokan maar liefst vijf weken #2 en drie weken #1 stond, gevolgd door Surrender (#9 in juli) en een cover van Fat's Domino's Ain't that a Shame (#25 in september).
Die zomer was dus van Cheap Trick, waarover vervolgens regelmatig was te lezen in Muziek Expres, dat behalve aan de fotogenieke frontman Robin Zander en bassist Tom Petersson ook aandacht besteedde aan de maffe truien en dito gitaren van gitarist Rick Nielsen, alsmede drummer Ben E. Carlos (die naam!), de a-typische drummer die oogde als een licht-mollig ex-lid van het studentencorps en veteraan van vele ontgroeningen.
Een jaar later bleek een neef van me de elpee te hebben, die hij op zijn grote stereo-installatie mét equalizer afspeelde. Dat was nog wel eens wat anders dan mijn radio-cassettespeler! Nog sterker werd ik omver geblazen, hoe jammer was het dat we weer naar huis moesten!

Inmiddels heb ik 'm op tweedehands vinyl. De vorige eigenaar heeft in het fraaie, twaalf pagina's tellende albumboekje geschreven. Bij Big Eyes staat "Goed Ruig", bij Ain't that a Shame "Goed Ruig Begin Verder erg goed" en bij I Want You to Want Me "erg goed".

Toen ik enkele jaren geleden een afspeellijst van hun beste nummers maakte, viel op dat de albums vaak niet sterk zijn, maar dat er minimaal één heel sterk nummer op iedere plaat staat; bovendien merkte ik dat ze qua muziek aanvankelijk nogal door Britse glamrock uit de eerste helft van de jaren '70 waren beïnvloed.
Dat laatste is op de A-kant te merken met bijvoorbeeld Hello There, dat qua muziek weg heeft van The Sweet of T-Rex. De warm-romantische stem van Zander komt echter pas goed uit de plooi aan het einde van de eerste helft in het slepende Need Your Love, dat na enige tijd versnelt waarbij de gitarist Nielsen ruimte krijgt voor improvisatie. Dat Zander ook gitaar speelde, maakt dat geluid vol is, veel steviger dan tevoren op hun studiowerk.

De B-kant is mijn favoriete. De drie hitsingles komen als eersten aan bod, waarbij in het eerste deel van Ain't that a Shame wederom stevig wordt geïmproviseerd door Nielsen. Vooral Surrender is een machtig nummer gebleven met dat massieve gitaargeluid en die heerlijke melodie, geknipt voor mooie jongen Zander. Maar ook Goodnight Now en toegift Clock Strikes Ten knallen de speakers uit. Het rockt stevig en tegelijk klinkt het als Paul McCartney in zijn stevige muziek met Wings; maar dan als vette Amerikaanse hardrock 'n' roll.

Het is een heerlijke avond, ik zit in de tuin en met dit album wordt het zomergevoel nog eens verdubbeld. Uiteraard is dit geen briljante liveplaat en evenmin is Cheap Trick de beste hardrockgroep ooit. Maar het enthousiasme spat uit de groeven en diverse liedjes blijven heerlijk.
In 1993 verscheen Budokan II, die ik online voor een prikkie tegenkwam en inmiddels naar me onderweg is. Ook verschenen de twee in 1998 als één album.

Hoop ik volgende week op terug te komen. En misschien ook eens hun discografie gaan doorploegen om die afspeellijst uit te breiden.

Cheap Trick - At Budokan (1998)

Alternatieve titel: The Complete Concert

poster
2,5
Ik post dadelijk mijn indrukken van Budokan II bij dat album, maar als voorafje kan ik melden dat Jan Wessels bijna negen jaar geleden de spijker op de kop sloeg.

Misschien veroorzaakt doordat ik de rest van het concert pas zovele jaren later hoor, maar ik mis de hits en heb niet meer de honger naar scheurende gitaren zoals ik dat als jonge puber had. En dan wordt dit complete concert een lange zit.

Het leukste vond ik misschien wel het constante gegil van de meisjes, die dat kennelijk de gehele show volhielden. minimaal één uur, tweeëntwintig minuten en vier seconden lang. Ik denk dat zij zonder stem thuiskeerden.
Sterker nog, hier zit misschien wel een documentaire in: hoe blikken de meisjes van toen (als ze ten tijde van de opnames rond de 17 waren, zijn ze nu rond de 61) terug op dit concert, op Cheap Trick, zijn ze nog fan, hoe zijn hun levens verlopen? Zojuist op YouTube gekeken, maar behalve dit filmpje van een bezoek door de heren aan Japan in '79 en dat filmpje waarin ze in een Japanse tv-show zitten, heb ik niks kunnen vinden.

O ja, hoe goed is gitarist Rick Nielsen eigenlijk? Kenners die daar iets van vinden als ze At Budokan beluisteren? Ik vind 'm niet spectaculair maar wél effectief.

Cheap Trick - Budokan II (1993)

poster
3,0
Pas toen ik laatst At Budokan eens van vinyl beluisterde, ontdekte ik dat alweer twintig jaar geleden de rest van dat concert verscheen als Budokan II. Die kwam ik online voor een prikkie op cd tegen en toch maar aangeschaft. De hoofdvraag hierbij: hoe goed waren ze eigenlijk?

Kort samengevat: eigenlijk was ik blij toen slotnummer Auf Wiedersehen aanbrak: ik hoorde te weinig sterke melodieën bij dit concert en die gruwelijk mooie hese rand in de stem van Robin Zander hoorde ik in deze livesetting niet. Vast veroorzaakt door de Japanse gilmeisjes, voor wie ik desondanks een groot respect heb gekregen. Dat ze dát volhielden...
Vooral leuk vind ik dat er wederom Britse glamrockinvloeden klinken (Elo Kiddies) en af en toe een vleugje blues. Toch had dit album waarschijnlijk als jonge tiener beter gesmaakt dan nu het geval is. Cheap Trick was een goed ingespeelde band die zonder opsmuk stevig speelde, ik vrees dat ik vier decennia verder te verwend ben voor deze hardrock.
Of is het meer dan hardrock? Toen eind jaren '80 het genre powerpop in punkverwante kringen postvatte, werden invloeden als de Britse Buzzcocks én deze Amerikaanse hardrockers van Cheap Trick genoemd. En dat klopt wel: Cheap Trick werkte weliswaar met een pittige geluidsmuur, maar denk die weg en je houdt popliedjes over. Dat was waarschijnlijk de reden voor al die gilmeisjes.

Maar ik ben geen Japanse zeventienjarige van het vrouwelijk geslacht in 1978 en dus komt het anders binnen. Desondanks een leuk hebbedingetje.

Cheap Trick - Dream Police (1979)

poster
4,0
November 1979. De NOS was zo dom geweest om hun Hilversum 3-vrijdagmiddag aan aspirantomroep Veronica te geven, waarmee de Nationale Hitparade plaatsmaakte voor de Top 40. Annet van Trigt, later bij Studio Sport, las halverwege het programma het Popjournaal en halverwege die maand kwam single Dream Police binnen op #38, een week later steeg ie één plek en was dan alweer foetsie.
Bij de Nationale Hitparade iets succesvoller: in het eerste weekend van november bij binnenkomst op #28 piekend.

Cheap Trick. Ik associeerde die groep dankzij single I Want You to Want Me en elpee At Budokan met de zomer en echt waar, het was even schakelen: Dream Police klonk tijdens snel korter wordende dagen. Diezelfde novembermaand kocht ik Muziek Expres, een nummer dat ik begin dit jaar via Marktplaats heraanschafte.
Daarin een interview met gitarist Rick Nielsen. De anonieme journalist beschrijft onder meer het uiterlijk: zanger/gitarist Robin Zander een "sexobject", bassist Tom Petterson "redelijk goedogend", gitarist Rick Nielsen "stelt zich op het podium constant aan", drummer Bun E. Carlos "niet te onderschatten, (...) vormt met Nielsen het maffe stel" én citeert de 14-jarige fan Jackie uit Driebergen: "Ik heb helemaal niets gehoord joh, maar hij heeft drie keer naar me gekeken". Dat laatste over Zander.
Nielsen vertelt ook over de videoclip en scriptschrijver David Numan van Superman en Bonnie and Clyde: "Hij schrijft een verhaal over de groep speciaal over ons. En we maken natuurlijk muziek voor andere films." De clip zag ik pas gisteren voor het eerst en inderdaad, die mag er zijn.

Album Dream Police heeft een fraaie klaphoes en bovendien een tekstvel, dat leert dat Nielsen de hoofdcomponist is. Het begint met het titelnummer, dat altijd een favorietje bleef en halverwege dat Beatlesiaanse deel heeft, gevolgd door het swingende Way of the World en The House Is Rockin' (with Domestic Problems).
Misschien omdat ik vorige week Nirvana's Nevermind draaide, maar bij Gonna Raise Hell moet ik qua refrein en rauwe zangstijl nogal aan die groep denken; Zander is een onderschatte zanger, die verschillende sferen uit zijn stembanden kan toveren; hier met overslaande stem. Is hij van invloed geweest op Kurt Cobain? Het gekke is alleen dat drummer Carlos er een discobeat onderzet en aan het einde van het vrij monotone nummer wordt een blik violen opengetrokken, een primeur voor de groep; een nummer dat weliswaar niet mijn favoriet is, maar wel groeit bij vaker draaien.

Op kant 2 wordt afgetrapt met het vrolijke en vlotte I'll Be with You Tonight, dan het midtempo Voices waar Zander zoet zingt, een verrassend fraai liedje. Met het rockende Writing on the Wall is de swing daar en het door Petterson gezongen I Know What I Want heeft qua riffs weg van het AC/DC in diezelfde periode. Na de liveversie van At Budokan staat op Dream Police de studioversie van Need Your Love. Misschien wat makkelijk, maar ook in de studio beklijft dit sterk opgebouwde nummer met de in dit geval zweverige zang van Zander en opnieuw iets van de riffs van AC/DC.
Muziek Expres was in recensierubriek 'Longplaylook' bij de pen van Jaap Bubenik (tevens scenarist van de stripreeks over voetballer Roel Dijkstra) kritisch op het album en gaf 3,5 sterren: "De composities zijn allemaal eender opgebouwd". Ik doe er een halve meer bij, want de groep overtuigt met hun hard rock 'n' roll wel degelijk, de mafheid van Nielsen en Carlos ten spijt.

Chicago - Chicago X (1976)

poster
4,0
Mijn eerste kennismakingen met popmuziek liepen vooral via de Europarade. Bij de TROS. Op donderdagmiddag met Ferry Maat, op zaterdagmiddag herhaling (!) met Ad Roland. Eén van mijn eerste lievelingsliedjes was Chicago's If You Leave Me Now en nog altijd vind ik dat zó'n heerlijk nummer. Klef volgens sommigen, laat mij echter maar zwijmelen...

Jaren later kocht ik voor een prikkie de bijbehorende elpee X, toen vinyl werd verdreven door de cd en dus niets kostte. Ik wist dat ik niet tien van dit soort nummers moest verwachten, maar die ene gulden voor zo'n plaat nam bij voorbaat elke twijfel weg over de aanschaf.
Smakelijke klaphoes, zelfs voor iemand als ik die niet per se smelt van chocola. Klap je deze open, dan zie je de bandleden op de vlucht voor een motorcop: extra fraai. Wat ik bovendien van de hoes leerde was dat Peter Cetera maar één van degenen is die de leadvocalen verzorgt: het vergroot de variatie.

De muziek bleek een aanstekelijke mix van allerlei stijlen, die echter door het filter van de groep waren gegaan en daarom allemaal als Chicago gedrenkt in soul klinken. Het huidige stemmengemiddelde van 2,99 ster is wat mij betreft echt te laag
Soms rockt het (Once or Twice, Together Again), soms klinkt Latin (You Are on My Mind), soms horen we pop (Another Rainy Day in New York heeft zelfs steeldrums), of pure soul (Mama Mama lijkt geïnspireerd door Marvin Gaye), dan weer r&b/funk (Scrap Book en afsluiter You Get Up) en hier en daar big band jazz (Skin Tight), een genre dat ik als kind had leren kennen dankzij de tekenfilms op tv van de Pink Panter.
En dan waren er de ballades. De grote hit (in Nederland #1 in december 1976, in Vlaanderen diezelfde maand #2) met niet alleen blazers maar ook heerlijk warme strijkers plus Gently I'll Wake You, met een wat knullige melodie en een steviger refrein.

In 1987 voor het eerst op cd verschenen met bonustrack Hope for Love, volgde in 2003 bij Rhino een heruitgave met nóg eens twee extraatjes. Alle drie de bonussen mogen er zijn.
Eerder deze week draaide ik het solodebuut van Sammy Hagar uit hetzelfde 1976. Vergeleken daarmee is de productie van deze Chicago door James William Guercio zóveel beter, helderder, warmer! Door het genreverschil misschien een scheve vergelijking, maar toch. X was hun achtste studioplaat, voor mij tijdloos aantrekkelijk.

Chickenfoot - Chickenfoot (2009)

poster
3,5
Met zogenoemde supergroepen heb ik niet veel: de muziek, hoewel steevast goed gespeeld, pakt me meestal niet. Eén van mijn collega's is echter al jarenlang wild enthousiast over Chickenfoot, omver geblazen bij hun Nederlandse concert in 2012.

Na twee slappe plaatjes Livin' It Up en Cosmic Universal Fashion keert zanger-gitarist Sammy Hagar gefocust terug. Hij wordt namelijk opgestuwd door gitarist Joe Satriani, bassist-nachtegaal-achtergrondzanger Michael Anthony en drummer Chad Smith. Het spel is bij vlagen fantastisch, wat je van een supergroep mag verwachten.
Die term wordt er natuurlijk door fans en pers op geplakt. Geen wonder: vier muzikanten met een indrukwekkend cv. Vanuit het perspectief van de muzikanten is het echter een kwestie van "eens met ánderen lekker muziek maken, niet voor het geld maar voor de pret". Dat biedt kansen.

Dan doe ik alsof dit een gewone groep is: draaien en horen wat mij pakt. Chickenfoot heeft meerdere draaibeurten nodig voordat sommige nummers komen bovendrijven, wat tevens een aanbeveling is. Groeiplaten zijn vaak de beste!
Op de eerste helft springen eruit: de robuuste, midtempo opener Avenida Revolucion over de illegale migratie vanuit Mexico naar de VS; het ingetogener Runnin' Out, kalm maar met uptempo bluesgevoel.
Tweede helft: Get It Up ontbeert een pakkende riff maar is dankzij het refrein toch bovengemiddeld goed; het vrolijke en melodieuze My Kinda Girl met fraaie achtergrondzang van Anthony.

Kritische noten: te vaak wordt een aardige riff te vaak herhaald, zodat in Soap on a Roap zelfs de heerlijke drumclimax aan het einde het nummer niet meer redt. En te vaak is de zanglijn niet memorabel, zoals in Oh Yeah, ondanks de knappe gitaarsolo met Hagars sterke zang; het gebeurt me ook bij de deels akoestische blues van bonus Bitten by the Wolf.

Waar die collega - net als vele anderen - nog altijd heel vrolijk wordt als de naam Chickenfoot valt, word ik niet omvergeblazen. Ook een smaakdingetje: ik heb vaak minder met massieve, in blues gedrenkte hardrock. Daarom een 7,5, vertaald in 3,5 ster en dat is veel meer dan menig andere supergroep van mij krijgt.

Chickenfoot - III (2011)

poster
3,5
De tweede Chickenfoot heeft kortere nummers die bij elkaar tot een korter album leiden, bevat minder jamgevoel én rockt minder massief met meer ruimte voor de koortjes van Michael Anthony.

Logischerwijs is de opener stevig, maar omdat deze al na 4 minuten aftikt ben ik wel content met de verrassende boodschap van Hagar "I changed my ways". Ingetogener rockt Alright Alright, met in de coupletten een riff á la Keith Richards van Rolling Stones. Weer iets kalmer is Different Devil, melodieuze en licht-stevige, radiovriendelijke rock.
Virtuoos riffwerk van Joe Satriani in Up Next met Anthony's koortje als slagroom op het refrein, een intro dat nieuwsgierig maakt, waarna Lighten Up uitgroeit tot een sterk nummer.

Met Come Closer wordt er gas terug genomen, al blijft het uptempo; uiteraard een buitenkans voor Anthony's achtergrondzang. Jammer dat aan het slot het refrein onnodig vaak wordt herhaald, toch weer dat oprekken.
Zanger Sammy Hagar krijgt nogal eens kritiek op zijn te makkelijke teksten, juist daarom vind ik Three and a Half Letters sterk; het kreeg een veelzeggende videoclip. Hij schreef de lyrieken naar aanleiding van brieven die hij ontving, op YouTube leggen drie groepsleden de achtergronden uit.
Mooi gitaarwerk met de swingende riff en pakkende gitaarharmonieën van Big Foot, maar het ontbeert een sterke zanglijn; Dubai Blues mist veel meer. Akoestische blues en mandoline in Something Going Wrong. De op cd verborgen bonustrack No Change is uptempo en stevig en suggereert dat Hagar klaar was met nepnieuws.

Het debuut van de groep vond ik niet onaardig, al denk ik dat de 7,5 die ik enkele dagen geleden gaf, eigenlijk een 7 had moeten zijn. Van nature houd ik meer van een compactere aanpak zoals hier op III. Die 7,5 krijgt III wél, maar net als een 7 noteer ik die als 3,5 ster.
Toen kwam er nog één kippenpootje, liveplaat LV, al is er ook live-dvd Get Your Buzz On die zowaar op JijBuis staat.

Chickenfoot - LV (2012)

poster
3,5
In 1996 verliet Sammy Hagar Van Halen en vervolgde zijn solocarrière. Tot 2012 bracht hij negen platen uit, acht studio- en één live, al dan niet met the Waboritas en Chickenfoot. Van Halen bleef op twee steken. Eind 2012 volgde het tweede livealbum: LV.

De productieve zanger-gitarist excelleerde in Chickenfoot. Een groep die live het beste tot zijn recht komt, waarbij de individuele kwaliteiten tot grote hoogten reiken - ook die van drummer Kenny Aronoff (2012-tour) die de verhinderde Chad Smith (tour 2009, track 5 tot en met 9) verving.
In 2015 zag ik Joe Satriani in de Roma, Antwerpen voor diens Shockwave tour. Briljante gitarist, maar veel spetterender beleef ik zijn bijdragen aan Chickenfoot, waar hij in dienst van de groep en het nummer speelt, in plaats van de gitaar centraal te stellen zoals in zijn solowerk. Open deur: Chickenfoot is een groep waar de som der delen groter is dan de afzonderlijke leden.

Nou vind ik niet alle composities en melodieën even sterk en hun langere uitvoeringen gedijen het beste als je er als toeschouwer bij bent. Omdat dit album geen volledig concert bevat, mis je bovendien de coverversies van Highway Star, My Generation, The Immigrant Song en uit Hagars oerdagen bij Montrose Bad Motor Scooter. Nummers die ik sterker vind dan hun eigen composities, blijkt bij het bekijken van Get Your Buzz.

Desondanks jammer dat kippenpootje de vriezer in ging. Zouden ze de boel ooit nog ontdooien? Het heeft zovele jaren later kennelijk geen prioriteit, hun enthousiasme ten spijt.

Circle Jerks - Group Sex (1980)

poster
3,5
Circle Jerks, zo'n bandje dat je begin jaren '80 slechts bij de VPRO in de avonduren kon horen. Anders dan frolunda in het vorige bericht vind ik het niet achterblijven bij de genregenoten, behalve dan dat dit met z'n dikke kwartier kort duurt. Desondanks komen veertien nummers langs.
Ik kom hier vanaf de tweede van Cockney Rejects en dan valt op dat deze Los Angelanen qua muziek sneller spelen dan de Londense groep, die nog in de traditie van de eerste punkgolf van '76 en '77 stond. Fijn dat er binnen het genre dan weer de nodige variatie is.

Group Sex verscheen op 1 oktober 1980 en wordt, zoals het vorige bericht eveneens aangaf, langzamerhand vinniger en inderdaad: het niveau stijgt en bovendien is de productie inderdaad prima met als troef de stem van Keith Morris. Drie van mijn favorieten zitten op kant 1: Operation met pakkende riff en melodielijn, aardig is Back Against the Wall dankzij het reggae-achtige riffje en de jankende gitaarlijn in Behind the Door.
Op kant 2 is de muziek nog feller. Qua riffs gaat mijn voorkeur uit naar Live Fast Die Young met een regel als "I don't wanna live to be 34, I don't wanna die in a nuclear war." De ironie straalt af van de tekst van Group Sex; één lange advertentie... Zoals de groep al op kant 1 meldde in Beverly Hills had het warme paradijs Los Angeles zijn schaduwkanten.

Meer punk bij mijn volgende halte maar ook daar weer in een ander jasje: op naar New York en de Plasmatics, hun debuut verscheen een dag later.

Cirith Ungol - Dark Parade (2023)

poster
3,5
In de jaren '80 was ik onder de indruk van de hoezen van Cirith Ungol, maar ik las of hoorde dat de muziek tegenviel en heb daarom hun muziek links laten liggen. Was in de veronderstelling dat dit een tweederangs Britse metalgroep was. Tot gisteravond.

Er is een nieuwe Judas Priest op komst en als zij gaan touren, laten ze dan Cirith Ungol (dat uit Californië afkomstig is, weer wat geleerd!) meenemen als voorprogramma. Met de gereserveerdheid waarmee ik Dark Parade ging beluisteren viel de muziek namelijk ontzettend mee.
Enigszins hysterische en overdreven zang, ik vind het wel grappig. Classic metal, lekkere riffs, heerlijke gitaarsolo's en bovendien goed geproduceerd. Niks vernieuwends, veel clichés. Als een goede hamburger. Niet correct maar wel lekker. Met als favorietjes Sailor on the Seas of Fate en Down Below en de akoestische gitaren die een enkele keer voor het blaadje sla zorgen.

Dus stel ik me een tournee voor, je zou 'm als "Defenders of the Metal Faith" kunnen lanceren, want dit is Very Metal. Very.

Citizen Band - Citizen Band (1978)

poster
3,5
Op reis door new wave in 1978 kom ik vanaf de Londense pubrockers Dr. Feelgood bij het Nieuw-Zeelandse Citizen Band. Die naam was mij totaal onbekend, tot ik 3 jaar geleden van een vriend de opdracht kreeg een lijst met 10 liedjes van artiesten uit dit land te maken. Hij kwam met deze naam aanzetten, "de eerste newwavegroep van Nieuw Zeeland".

In 1978 was internet nog ver weg en trends verspreidden zich nog niet zo snel, al was er met radio, tv en vliegreizen natuurlijk al veel veranderd. In Auckland besluiten twee leden van artrockgroep Split Enz die groep te verlaten en twee ex-leden van glamrockers Space Waltz. De vier jonge maar ervaren muzikanten noemen zich Citizen Band: muziek voor de gewone man/vrouw.

De muziek op het titelloze debuut vervult een scharnierfunctie. Enerzijds classic pop/rock waarin het knusse geluid van de eerste helft van de jaren '70 klinkt. Anderzijds hoor je op kant 1 wel degelijk dat in buurland Australië een groep als The Saints actief was, resulterend in pittige new wave. Dat laatste vooral op kant 1.

Na de onstuimige ouverture Good Morning Citizen met de introductiezin "Good morning citizen, good morning man on the street. We got this band that we like you to meet" volgt toegankelijke symfonische rock in The Ladder Song. De vier kunnen spelen, zoveel is meteen duidelijk.
Dan volgen het uptempo en vrolijke Office Come Alive, gevolgd door punk in Dig that Tax met een grappige tekst en stevige gitaarrock in I Feel Good. Kant 1 sluit af met de derde stijl van deze plaatkant: op Blue Lagoon vliegen we naar een tropisch eiland, op muziek gezet op eerst blues en nadat de piloot heeft gesproken, volgt jazz. Humoristisch is het zeker, maar wat moet je met drie tot vier muziekstijlen op één plaatkant?

Kant 2 opent met zeer romantische akoestische pop in Julia, gevolgd door vrolijke poprock in My Pohutakawa. Heroe's Roll en Out in the World zijn twee nummers aan elkaar verbonden. Hier klinken invloeden van westcoastpop, helemaal in warme jaren '70-pop. Liefhebbers van Al Stewart bijvoorbeeld kunnen hier ook wel wat mee.
In Counting the Regiments wordt na marspercussie een vlot gitaarnummer neergezet met meerstemmige zang. Tex Goes to the Tinema sluit de plaat dan weer af met meer van die zangpartijen en lichte proginvloeden.

Met de oren van 2024 hoor je een allegaartje aan stijlen. Tegelijkertijd is dit voor die periode een volstrekt logische samenvatting van rockmuziek, zoals Ultravox! dat op hun debuut van het jaar ervoor deed. Al is de Citizen Band zoetgevooisder, meer melodieus en harmonieus. Verschenen in september 1978, haalde het #27 in de nationale albumlijst; zie hier de gehele Nieuw-Zeelandse albumlijst van die week.
De groep kwam in contact met de Britse scene en de volgende elpee zou nog beter verkopen, maar alleen dit debuut staat op mijn streamingdienst. Hier en daar meer over Citizen Band.

Ik reis verder door de new wave van '78. Van Auckland naar Eindhoven: de tweede van The Flyin' Spiderz.

Classix Nouveaux - Night People (1981)

poster
4,0
...And Don't the Kids Just Love It heet mijn vorige halte in de reis door new wave, waarbij ik me in februari 1980 bevind. Wel, dat album van Television Personalities is een fijn plaatje maar bleef jaren in de obscuriteit. De kids hadden destijds kennelijk ietsjes meer met het debuut van Classix Nouveaux, genaamd Night People.

De groep kwam voort uit de ter ziele gegane punkgroep X-Ray Spex, die enige ophef veroorzaakte dankzij zangeres Polly Styrene. Gitarist Jak Airport en drummer B.P. Hurding vinden zanger Sal Salo en bassist Mik Sweeney, maar Airport kiest al spoedig voor een maatschappelijke carrière en wordt vervangen door Gary Steadman.
Ze laten punk achter zich en kleden zich sjieker, om te worden ingedeeld bij de new romantics, zoals Spandau Ballet, Ultravox en Visage. Er zijn muzikale overeenkomsten én verschillen met die namen.

Guilty (vanaf februari '80 in de Britse hitlijst, in maart piekend op #43) volgt op het debuut na het instrumentale Foreward, dat aan Ultravox doet denken. De eerste hit doet iets soortgelijks, waarbij Sal Solo een krachtige stem etaleert. In Run Away gooit hij er zijn kopstem in, in No Sympathy, No Violins blijkt hij ook een rauw randje te hebben en bovendien zet hij soms een diepe bariton in. Zoals in het stampende Inside Outside, dat in augustus als derde single van dit album verscheen en tot #45 kwam.

Met het semi-instrumentale 623 opent kant 2; er klinkt een stevige synthesizer, die wordt gecombineerd met een fretless bas á la Japan, plús een funkgitaar. Opnieuw klinkt een mix van synths en melodieuze pop, waarbij Solo's expressiviteit opvalt. Op deze helft staat ook Tokyo, als tweede single bescheiden #67 in mei.
Het zijn de albumtracks die avontuurlijker zijn, zoals Everyone Should Have One dat wegheeft van Ultravox, of Or a Movie met zijn invloeden van Brian Eno en David Bowie. In slotlied The Protector of Night klinkt gothic zoals ik die later bij The Sisters of Mercy zou horen.
Een vocaal talent dus, die met zijn opvallende kale hoofd en zwarte kleding een blikvanger was tussen zijn kleurig geklede en gekapte groepsgenoten, zoals in de clip van Guilty valt te zien. Album Night People haalde in mei #66, grotere successen volgden.

Die kom ik later tegen. Volgende nummer op mijn afspeellijsten met new wave is een hit van The Human League, die gelijktijdig met Classix Nouveaux de hitlijst betrad. Ik keer kort terug naar Travelogue.

Clock DVA - Thirst (1981)

poster
3,5
Uit Sheffield kwam Clock DVA. Ik dacht dat je die laatste letters als een afkorting moest uitspreken, maar het is bedoeld als het Russische woord voor 'twee'. Men bracht vanaf 1978 al tien cassettes uit die in undergroundkringen voor reuring zorgden, Thirst uit januari 1981 was hun eerste op vinyl en daarmee voor een groter publiek beschikbaar.
Hier is Clock DVA een vijftal dat een gevarieerd palet aan muzikale kleuren serveert. Verschenen bij Fetish, dat toen bekend was van hun uitgaven van het eveneens abstract klinkende Throbbing Gristle.

Waar rock en jazz botsen. Of, waar een rockgroep het experiment zoekt. Wat je krijgt zijn soms vrij abstracte geluidspartijen met invloeden uit de free jazz, drie keren is het verrassend toegankelijk: Sensorium, Piano Pain en 4 Hours. De eerste en de laatste hiervan verschenen zelfs op single met een iets afwijkende mix, te vinden op de cd-heruitgave die al in 1992 verscheen en op op streaming staat.

De vocalen van Adi Newton (tevens klarinet en tape) zijn veelal half gesproken, half gezongen en de bijdragen van Charlie Collins op saxofoon en fluit maken het niet makkelijker. De basis van gitarist Paul Widger, bassist Steven Turner en drummer Roger Quail zijn echter als die van een (post)punkgroep: charmant rammelend en stuwend.
Die combinatie werkt. Mij bevalt vooral het afsluitende Impressions of African Winter, dat in een dikke 5 minuten het gehele spectrum van Clock DVA toont én fraai is opgebouwd.

De vorige halte in het land van new wave was bij de zwanenzang van Gen(eration) X, de volgende staat helaas niet op mijn streamingplatform maar is te interessant om te laten liggen: ik ga twaalf maanden terug naar het Nederlandse The Rousers en hun A Treat of New Beat.

Cockney Rebel - The Human Menagerie (1973)

poster
3,5
In de eerste helft van de jaren ’70 stonden diverse zangers op die met vernieuwende, eigenwijze rock het genre vernieuwden. Vaak hadden ze een enigszins kunstzinnige achtergrond. Roxy Music en David Bowie waren de grote namen, maar ook Cockney Rebel met frontman Steve Harley hoort in dit rijtje thuis. Ze bleken later van invloed op new wave. Niet per se qua muziekstijl, maar wel in de wijze waarop ze muziek benaderden en uitvoerden.
Iets hiervan proef je bij debuutplaat The Human Menagerie. De vreemde melodielijnen en geaffecteerde uitspraak met een onengelse dunne ‘l’ en soms een rollende ‘r’ maakten dat ik eind jaren ’70 Make Me Smile (Come up and See Me) uit 1975 als zeer aangename oorwurm ontdekte. Het deed me aan Virginia Plain van Roxy Music denken, waar Bryan Ferry iets dergelijks met de melodieën deed.

De heren van Cockney Rebel waren creatief en hun muzikale palet relatief breed. Zo sluipen er dankzij Jean-Paul Crocker via diens viool en mandoline folkinvloeden in. Zodanig zelfs, dat je bij opener Hideaway denkt met een folkgroep te maken hebt.
Klassieke invloeden klinken vooral dankzij pianist Milton Reame-James, waarbij Harley dit met zijn klagerige zang in Sebastian tot bijna een pastische maakt, geholpen door het orkestrale arrangement van Andrew Powell.
Ik ben hier echter omdat ik aan het uitzoeken ben van welke artiesten en albums new wave zijn invloeden haalde. Die sfeer zit niet alleen in Harleys zang, maar ook in de arrangementen van What Ruthy Said waar zowel gitaren als toetsen een steviger koers varen; in Mirror Freak wordt iets dergelijks in een rustiger context bereikt.
Buiten deze nummers klinkt toegankelijker artrock, gedrenkt in het typische warme geluid van de jaren ’70. Minder spannend, met buitenbeentje Muriel the Actor dankzij zonnige reggae/calypso en steeldrums als gaapmomentje.

In 2004 in cd-bonusversie heruitgebracht is dit een album dat enerzijds typisch voor die tijd is maar regelmatig fris klinkend dankzij een eigen stijl. Zouden namen als Gary Numan, Japan en The Associates hier enige mosterd hebben gehaald?

Ik kwam hier vanaf de protopunk van Death en vervolg mijn reis met Amerikaanse hyperartrock van The Tubes. Variatie genoeg bij de wortels van punk en wave!

Cockney Rejects - Greatest Hits Vol. II (1980)

poster
3,5
Op reis door de afspeellijsten die ik maakte met daarop new wave en aanverwanten, beluister ik de albums achter die nummers. De muziek staat op chronologische volgorde en zo ging het van de vorige halte U.K. Subs via Bad Manners naar de volgende Londense groep.
Greatest Hits Vol. II is de ironische titel van de tweede Cockney Rejects, de groep die hun albums in 1980 vrijwel gelijktijdig uitbracht met die van de Subs.

Hoogtepunten op deze van de (mede) grondleggers van oi-punk: om te beginnen opener War on the Terraces, een beschrijving van het leven als supporter van West Ham United en tegelijkertijd al die andere voetbalclubs met een rijke historie.
"The local pub, it stands silent and all of this town, will be soon
And you remember the pints we would sink and sing "the fuzz is watching you"


Met het derde nummer Oi! Oi! Oi! legde de groep de basis voor de benaming voor deze punkcultuur, die in beleving verschilt van die van de eerste Britse punkgolf. Geen hanenkammen of veiligheidsspelden, maar wel een herkenbare kledingstijl, verwant aan die rond voetbal: strakke t-shirts of poloshirts, bomberjacks, kistjes en in de teksten rebellie uit East End:
"The kids they come from everywhere, the East End's all around (...)
Put on your boots and Harrington, and kick down that fucking wall
You can listen to politicians, they'll lead you astray
(...) And we're running down the backstreets - Oi! Oi! Oi!"


In With the Boys (On Tour) klinken voetbalkoortjes in de titelregel en wordt expliciet benoemd hoe dat tourleven eruit ziet. Toch net wat anders dan bij een doorsnee voetbalwedstrijd: dit is de wilde wereld van de muziek en kennelijk verschilde die bij punk niet van die van menig andere (rock)groep.
Het leven in East End kan levensgevaarlijk zijn blijkens Urban Guerilla en met The Rocker wordt het dankzij de riff zowaar als hardrock, inclusief twee splijtende gitaarsolo's. Het wordt gevolgd door The Greatest Cockney Rip-off, als single haalde dit in mei #21. Buitenbeentje is On the Waterfront dat kalm en akoestisch aftrapt.
Lekker snel - hardcore? Hardcore! - is Subculture over het noodlottige einde van een punk in de handen van skinheads en slotlied Blockbuster is een cover van glamrockgroep Sweet, dat langzaam begint en na één refrein versnelt in de herkenbare stijl van de Rejects.

Hierboven noemde iemand hun bekendste nummer I'm Forever Blowing Bubbles, tot op de dag van vandaag echter niet op (een heruitgave van) dit album te vinden. De ode aan West Ham United was hun tweede hit die in mei de singlelijst haalde: #35. Ze haalden met de cover (oorspronkelijk uit 1918) Top of the Pops mee.
Wel op Greatest Hits Vol. II staat de kleine hit uit juli We Can Do Anything (#65) en als de elpee in oktober #23 haalt, ontbreekt daarop hitsingle We Are the Firm, diezelfde maand #54.

Punk was in 1980 allesbehalve dood en haalde nog altijd de Britse hit- en albumlijsten. Ter vergelijking: het lukte zelfs de Amerikanen van Dead Kennedys met een iets heftiger vorm van het genre op album Fresh Fruit for Rotting Vegetables. Dat haalde een notering in september, in november gevolgd door hitsingle Kill the Poor.
Laat mijn volgende station nu ook Amerikaanse punk zijn, zij het ongeschikt voor die lijsten. Op naar oktober 1980 als het debuut van de Circle Jerks verschijnt.

Cockney Rejects - Greatest Hits Vol.1 (1980)

poster
4,0
Ooit maakte ik afspeellijsten met new wave, geordend per jaar. Daar kwamen steeds nieuwe liedjes bij en opeens was daar het plan om de albums achter die nummers te gaan beluisteren. Omdat punk het wilde broertje van wave is en eigenlijk meer dan dat, neem ik dat genre ook mee met andere stijlen die eveneens (het containerbegrip) new wave raken.

En zo ga ik opeens van het debuut van U.K. Subs uit 1979 naar dat van Cockney Rejects, verschenen op 7 maart 1980. Qua stijl lijken ze sterk op elkaar, met als voornaamste verschil dat zanger Stinky Turner (in zijn paspoort staat Jeffrey Geggus) nog rauwer zingt dan zijn collega Charlie Harper bij de Subs. En misschien ook wel dat drummer Andy Scott wild als eerder Keith Moon bij The Who om zich heen mept. Zoals in het intro van Shitter, mooie titel bovendien.
Rauw, puur, hard, direct. Dat soort termen voor deze muziek zijn zowel cliché als waar. Erg origineel is het dus niet, maar dat kun je ook van een willekeurige singer-songwriter met akoestische gitaar of digitale geluiden schrijven.
Wat me dan blij verbaast, is dat dit de British Charts haalde, zij het bescheiden. Albumopener I'm Not a Fool kwam als single in december '79 tot #65 en Bad Man! haalde in februari '80 dezelfde positie. In maart kwam elpee Greatest Hits Vol. 1 maar liefst tot #22, om een respectabele tien weken in de albumlijst te blijven staan.

Ook 45 jaar later valt de energie op, waarbij ik groot respect heb voor de stem van Turner. U dacht dat grunten moeilijk was? Probeer eens een kwartiertje op zijn manier te zingen. Dikke kans dat u uw stem enkele dagen kwijt bent. Maar deze man...
Verrassinkjes zijn er ook: behalve sommige heerlijke drumpartijen is er in Join the Rejects een akoestisch intro en een heerlijk meezingrefrein, gezongen op de wijze van voetbalsupporters. In East End wordt bovendien op z'n supporters in de handen geklapt en Police Car is een punkklassiekertje. Mijn favoriet is echter Fighting in the Street. Slotlied Where the Hell is Babylon begint met reggae in dubstijl, al wordt het al spoedig snel en scheurend. Eigenlijk klopt de hilarische albumtitel best wel.

Working class punk. Hierboven wordt dan ook genoemd dat de heren fanatieke supporters van West Ham United zijn. Up the hammers! Mijn volgende station biedt een heel ander recept: het debuut van UB40.