MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten deric raven als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Beach House - Once Twice Melody (2022)

poster
4,5
We werden op 10 november door Beach House al op het eerste viertal albumtracks (Chapter 1 / Pink Funeral) getrakteerd welke uiteindelijk in Once Twice Melody resulteren. Het ei is gelegd, maar voordat dit uitgebroed wordt doopt Beach House deze eerst nog onder in een breed vullend kleurenpallet. Melancholische avondetappesongs die glinsterend in het waterrijke betoverende Baltimore havengebied weerkaatsen. De skyline van het aan de Chesapeake Bay liggende Inner Harbor is een kleurrijke blokkendoos, die een overweldigende aantrekkingskracht uitoefent.

Nu het reizen vrijwel onmogelijk is gemaakt halen Victoria Legrand en Alex Scally van Beach House de inspiratie noodgedwongen dicht bij huis. De zomerzon gaat geruisloos in stilte onder, de boulevard is verlaten, morgen weer een nieuwe dag in isolement. Gigantisch hoge verwachtingen die doen verlangen naar de volledige plaat. Op 8 december volgen weer vier vrijgegeven nummers (Chapter 2 / New Romance) van dit onaffe muzikale canvas, 19 januari verschijnen er zelfs vijf (Chapter 3 / Masquerade), waarna op 18 februari het laatste vijftal (Chapter 4 / Modern Love Stories) deze cyclus voltooid. Het is een volbrachte odyssee, een lastig opwekkende bevalling, welke uiteindelijk zoveel schoonheid ter wereld brengt. De opvolger van het ruim drie jaar geleden verschenen 7.

Glinsterende geluidsgolven houden koers door de pulserende beat. Melancholische onrustige nachtdromen verwelkomen titelsong Once Twice Melody. Victoria Legrand zingt gejaagd alsof ze de verloren tijd wil inhalen. De kenmerkende warmte is zo broeierig als een smeltende wereld, de instrumentatie nerveus en eighties gedateerd. Het mechanische vocoder randje op de vocalen gaat het gevecht met de geëgaliseerde emoties aan. Een oneerlijke strijd waar de georkestreerde begeleiding partij kiest voor het starre toekomstperspectief. De dreampop wordt stilletjes door duistere jaren negentig triphop ingehaald. Natuurlijk heeft het de tijd nodig om deze indrukwekkende opener in je op te nemen, des te begrijpelijk is de keuze voor de splitsing van het totaalplaatje.

Met de droomvlucht van het tragische Superstar overtreft het duo zichzelf. De eenzaamheid van een uitgerangeerd popidool die zijn opgebouwde status aan het verliezen is. Afgezonderd aan de top kijkt hij als een schitterend hemellichaam op een verlaten wereld neer. Het nostalgische waardeoordeel laat de vergaanbaarheid tot een bijna onzichtbaar stipje aan de horizon afvlakken. Weggestopt in onze gedachtes, de opgedrongen stilstand van concertloze periodes. Een futuristische ruimtetrip welke voor eeuwig lijkt te verdwijnen in het grote zwarte postpunk gat van vergeten popklassiekers.

Pink Funeral duikt daadwerkelijk die diepte in. Het vernietigende liefdesverhaal over prins Siegfried en Zwanenkoningin Odette. Sterfelijkheid en jeugdig verlangen naar sprookjesachtige onsterfelijkheid komen samen in deze vluchtige romance, die de maagdelijke schoonheid bedekt met pekzwarte dramatiek. Victoria Legrand werkt haar rol als kille vertelster letterlijk tot in de puntjes uit, terwijl op de achtergrond het muzikale strijkersfundament uiteenspat in breekbare kristalletjes. Hoe betrouwbaar kunnen vrienden zijn als de duistere schaduw van het bestaan verleidelijk wenkt en de violette krachtbron laat doven. Al het herkenbare vervaagd om de eigen identiteit in een herprogrammeringsfase zichzelf opnieuw te laten reformeren. Through Me, de zweverige ontdekkingsreis die nogmaals benadrukt hoe onbereikbaar hoog Beach House deze keer de lat gelegd heeft.

Staat op de eerste gedeelte de angst voor het loslaten en het vasthouden aan jeugdherinneringen nog centraal, het vluchtige ritmische Runaway bevrijdt het tweetal van dat beklemmende gevoel van dreigende stilstand. Met bevreemde futuristische stemwisselingen bevindt Victoria Legrand zich alreeds in een universele hemelse dimensie, waaronder Alex Scally gecontroleerd die binding met de aardse goedgelovigheid vastklampt. De luidruchtige beats remmen de transformatie van de zangeres af, maar creëren wel een breed speels spanningsveld. Geluiden slaan dood op de zacht fluwelen muzikale bekleding. Beschermd vertrouwd geïsoleerd, maar ook verstikkend beperkt geïsoleerd. Het contrast tussen zelfverzekerde wijze vocalen en kinderlijke nieuwsgierigheid.

Bij het kerstmis achtig georkestreerde ESP gaat de cruise control aan. Evenwichtig en stabiel. Risicoloos veilig? Ja, misschien ook wel. Het ultieme genotsgevoel van een wereld die voorbij draaft terwijl een mijmerende Alex Scally in pauzestand van een afstand observeert, genietende van die atmosferische vrijheid van plezierige leegte. De tijd om te resetten wordt nog eventjes uitgesteld. Het hoopvolle New Romance dwarrelt in vreugde neer. Beach House als hemeldragers, het krachtige jaren tachtig fundament meeslepende in het flonkerende sterrenstelsel aan verstillende postpunk nostalgie, badende in de kenmerkende Beach House dreampop. Winstmarges worden er pas in Over and Over geboekt. De gerepresenteerde kunst van het herhalen. De dag neergezet als een fel brandende ontvlammende cirkel, die zich telkens weer door deze energiebronnen tot in de eeuwigheid blijft voeden.

Het derde hoofdstuk is de zwartste pagina van het vierdelige Once Twice Melody verhaal. Het vertrouwde ontzielde lichaam eist zijn songs op, en verzwaart de dreampop met in nachtmerrie gedoopte passages. Het eindigende door sfeervol akoestisch gitaar ingeleide Sunset opent met roestige kerkhofsleutels zijn hemelse poorten. Zwartgallige berusting in een indrukwekkende realiteitsbeleving. Uiteindelijk hoopt toch iedereen door begeleidend goddelijke engelenzang het eeuwige paradijs binnen te treden. De treurende dood wringt gevaarlijk dichtbij en eist een vertrouwd plekje op. Ook deze vijandige vriend hoort bij het leven. Passende bij de Bella Union ideologie van oprichter Simon Raymonde, Beach House als het sprookjesachtige schaduwelfje van de dreampop waarmee Cocteau Twins ooit naam maakt.

De wervelwind aan echoënde wanhoop zuigt Only You Know in een verdovende kolkende roes mee, waarin opgewekte ritmes de strijd met de verzachtende toegevendheid van Victoria Legrand aangaan. Nostalgie als opium, conservatief verlangen als de verslavende drug. De veiligheid van een kinderlijke wereld overspoeld door hedendaagse vastklampende rampen. Opgelucht bevrijdend escapisme in pijn eliminerende narcotica. Another Go Around versterkt deze hunkering, nogmaals het afscheid uitstellen. Een zwaarmoedige blik op de toekomst en het beangstigende vermogen om hier individueel een einde aan te maken, Alex Scally schakelt zijn voort wiegende geweten aan de hypnotiserende stemkunsten van Victoria Legrand, en verstevigt hiermee de vocale eenheid.

Het rouwende Masquerade beeld wordt door het zwarte sober camouflerend zondagskleed, de verlichte kandelaars en de in mineur afgestemde zang van een verbitterend afwezig klinkende Victoria Legrand gevormd. Dolende als een onzichtbare geestverschijning bewandeld de ijskoningin deze ritmische doodsklokkenregen, ontaardend in een krachtig warm schouwspel met een hoog eighties synthpop gehalte. Mijn persoonlijke hoogtepunt van deze toch al niet misselijke plaat. Het gewichtloze zwevende Illusion of Forever heeft een zwaardere ondertoon. Het boetekleed van een in ongeloof twijfelende vermoeid klinkende Victoria Legrand die de grimmige woorden eruit perst, en zich geestelijk voorbereidt om Once Twice Melody tot een goed eindpunt te brengen.

Finale; luchtig en bevredigend. We stappen nog een keer voor de laatste maal onze jeugdherinneringen binnen. Geschoond van gefilterd kwaad, onbevangen door pril idealisme, de puurheid in zijn meest primitieve vorm. Een hoog happy ending gehalte met dat theatrale romantisch musical feel good gevoel, het besef dat je niet zonder elkaar kan. The Bells lijmt de scheuren, al blijven de breuken voor het blote oog zichtbaar. De gemiste gitaren glijden op windstilte binnen en nestelen zich geruisloos aan de weemoedige melodielijnen. Het mechanische Hosanna in Excelsis zijnde Hurts to Love kerkorgelstuk is voor mij een tikkeltje te dik aangezet, al betoveren de gedateerde drumcomputers en versleten synthesizers wel aarzelend een glimlach op mijn gezicht. Een orkestband manoeuvreert in het donker voorbij, en kijkt verschrikt om, waar heb ik dat geluid eerder gehoord?

Het zoveelste slaapliedje Many Night geeft er een twinkelend Twin Peaks tintje aan, een filmische lullaby met een gedateerde jaren vijftig twist. Dromerig kinderlijk, beschermend en degelijk. Gelukkig sluiten ze met het in verwarring achterlatende Modern Love Stories af, waarin de statige elektronica heerlijk tegenstrijdig tegen de orkestrale new wave aanklotst. Een puntige eigenzinnige schots en scheef song die als een onwetende Titanic zichzelf tegen de bedrieglijke frisse gitaarrijke progrock oppervlaktetoppen te pletter werpt. Once Twice Melody overtreft de verwachtingen, al haalt het laatste vijftal net niet het niveau van de krachtige eerdere vrijgegeven episodes.

NB. Once Twice Melody is nu al streaming te beluisteren. Vanaf 4 april liggen zowel de Cd als het vinyl in de winkels.

Beach House - Once Twice Melody | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Becca Mancari - The Greatest Part (2020)

poster
3,5
De jonge veelbelovende singer-songwriter Becca Mancari verhuist van de wereldstad New York naar Tennessee om zich in Nashville te vestigen, dicht bij het mekka van de folky country muziek. Good Woman is een bijna christelijk overtuigend droomdebuut, waarmee ze zichzelf neerzet als de eerstvolgende talentvolle grote belofte in dit genre. Vanuit dat uitgangspunt gaat ze op zoek naar haar eigenlijke roots en bezieling, wat niet alleen met The Greatest Part een totaal andere plaat oplevert, ook haar onverwerkte privé trauma’s komen hierbij overduidelijk aan bod.

De herkomst van haar oorspronkelijke bestaan is een hobbelige stroeve weg, waarbij de pijn voelbaar is. Blijkbaar is dit het grote omslagpunt in haar leven geweest. De levendige opgewekte klanken van haar debuut verstillen in de deprimerende treurnis van het vertwijfelende maar zo sterke persoonlijke vervolg in The Greatest Part. Het sleutelnummer hierbij is First Time, waarbij de afkeuring van haar vader centraal staat als ze hem mededeelt dat ze niet op mannen maar op vrouwen valt. In de gelovige Italiaanse katholieke gemeenschap waar ze in opgroeit staat dit zowat gelijk aan verraad. Het op en top vrouwelijke I’m Sorry haakt hier later nog op in. Ze zoekt hierbij vergeving omdat ze niet aan het verwachtingspatroon wil en kan voldoen. Met de heerlijke hoge uithalen roept ze een Kate Bush achtige mystiek op.

Bij Hunter wordt er nog geflirt met de scherpe rockgitaren en neemt Becca Mancari de rol van strijdbare krachtvrouw op zich. Een gigantisch groot contrast met het zwaarmoedige First Time waarbij ze op dromerige melancholische wijze haar afwijzing bezingt. Het uptempo Like This laat Becca van haar meest toegankelijke discokant horen. De meerwaarde zit hem hierbij in de funky basislijnen en de heerlijke solerende gitaarriffs. Lonely Boy voegt repeterende elektrobeats samen met ondergaande zon prairie gitaarspel, waarbij heel eventjes die link met Good Woman aanwezig is. De onverwachte switch naar het ritmische swingende vervolg is eventjes wennen, maar valt eigenlijk verbazend lekker uit. Het is mooi hoe ze al mijmerend steeds meer teruggrijpt naar die eersteling.

Thematisch komt diezelfde eenzaamheid terug in het langzaam slepende Stay With Me, het zwaarmoedige instrumentale einde van Knew en het dwarse luisterliedje Forgiveness waarbij de hunkering naar het veilige nostalgische verleden weer naar boven komt. Echter zonder die innerlijke familaire strijd en de vraag om acceptatie die niet beantwoord wordt. Het is niet vreemd dat Tear Us Apart ook dat gevoel oproept, wetende dat deze track al klaar was voordat Good Woman verscheen. Het vervreemdende tussenstuk en het rommelige einde laat wel horen waarom deze niet op die plaat terecht is gekomen. Schijnbaar lukte het toen al niet om het pakkend af te ronden, en is ze daar ondertussen ook niet meer in geslaagd.

The Greatest Part is een reisverslag door het leven waarbij belangrijke passages een berustende plek opeisen. Bedoeld als verwerkingsplaat, maar in de praktijk blijkt dat Becca Mancari zich nog vooraan in het inleidende rouwproces bevind. Een drastisch keerpunt ten opzichte van het debuut, hopelijk geeft het de zangeres wel genoeg bezinning en rust.

Becca Mancari - The Greatest Part | Pop | Written in Music - writteninmusic.com

Beck - Hyperspace (2019)

poster
3,0
Nadat Beck Hansen in de nadagen van de grunge onverwacht in 1994 een wereldhit scoorde met Loser, gold voor hem maar één motto. Hij zou er alles aan doen om niet in herhaling te vallen, en zeker niet te teren op dit succes. Hierin slaagde hij de eerste jaren wonderbaarlijk sterk in. Steeds meer kwamen er funkende dansinvloeden bij, waardoor hij zich met gemak in deze periode wist te plaatsen naast Prince. Na het verschijnen van Odelay weet hij dit gevoel ook live te presenteren in dampende shows, waarvan het optreden op Pinkpop in 1997 misschien nog wel het beste bewijs is.

Vervolgens zoekt hij in de daarop volgende jaren steeds meer de singer-songwriter kant op. Een ontwikkeling welke nog het beste valt op te merken bij het drietal Mutations, Midnite Vultures en Sea Change. Na het meer dan prima Modern Guilt volgt een stilte van 6 jaar, waarbij hij voornamelijk van zich liet horen met zijn niet altijd geslaagde eerbetoon Record Club albums, en revancheert hij zichzelf in 2014 met het sterke Morning Phase. Het daarop volgende Colors laat een gesettelde gezinsman horen. Ondanks de harde beats straalt de plaat vooral rust en evenwicht uit, met duidelijke links naar het discotijdperk.

Nu deze alleskunner al 25 jaar succesvol van zich laat horen, en binnenkort de jubileumleeftijd van vijftig jaar bereikt brengt hij zijn nieuwste plaat Hyperspace uit. Met een albumhoes bestaande uit felle kleuren en een gedateerde auto uit het Back To The Future, Magnum, Miami Vice en Knight Rider periode verwacht je te maken te hebben met een typische jaren tachtigplaat. Het Aziatische lettertype is hierbij net zo gepast. Met Pharell Williams achter de knoppen ga je ervan uit dat Beck uit is op een door retro invloeden opgepimpt hit succes.

Die invloed van de producer hoor je absoluut niet overheersend terug. Het is in alle opzichten een echte Beck plaat geworden, maar dan wel de meest veilige die hij tot nu toe heeft gemaakt. Bij Saw Lightning zijn de kenmerkende oehoe koortje terug waarmee de wereld jaren geleden via N.E.R.D. kennis mee maakte, ook de stekende bliepjes willen niet ontbreken. De verrassingen komen van de bluesy gitaarsamplers en het swingende mondharmonicaspel, waarmee het wel tot een van de hoogtepunten van Beck geregeld mag worden. Ook Star is overduidelijk mede van de hand van Williams.

En verder? Je krijgt de indruk dat Beck op een druilerige middag zich afgesloten heeft met de synthpop van Howard Jones, en de meest melancholische tracks als uitvalsbasis heeft genomen. Het is allemaal zo tam en gezapig, bijna inspiratieloos gespeeld. Oké, hij laat wel een stem horen die behoorlijk in balans is, en die eigenlijk zelfs bijzonder warm klinkt. Het zijn de subtiele toevoegingen die er nog enigszins spanning in leggen. Zo heeft Uneventful Days een romantische van Michael Jacksons Stranger In Moscow geleende Latin flow en opent Die Waiting met een vintage dreampop gitaartje. Die laatste moet het vervolgens vooral hebben van een Zooropa achtige aanpak, inclusief de backing vocalen. Bono zal zich terecht achter zijn oren krabben. Everlasting Nothing heeft het niveau van een pijnlijk kerstnummer, wat hoop ik dat deze zo rond de feestdagen niet aan je opgedrongen wordt.

Beck blijft dus nog steeds vernieuwen, en hij levert met Hyperspace een verrassende plaat af. Dat deze niet tot zijn geweldige oeuvre geregeld wordt, mag duidelijk zijn. Ook Pharell Williams laat horen dat hij nog menselijk is, en steekjes kan laat vallen. Jammer dat Coldplay net heeft besloten om niet meer te touren; Beck zou de rol als voorprogramma prima kunnen vervullen.

Beck - Hyperspace | Pop | Written in Music - writteninmusic.com

Been Stellar - Scream from New York, NY (2024)

poster
4,5
Met de noiserock debuutsingle Fear of Heights haalt het New Yorkse Been Stellar in 2020 het beste van Pixies en The Strokes naar boven. Een veelbelovende droomstart, daarna is het de kunst om die aandacht vast te houden. Twee jaar later volgt de in eigen beheer opgenomen Been Stellar EP, waar het accent al duidelijk naar de grijs gure postpunk verschoven is. Het tevens vanuit New York opererende Interpol geldt hierbij overduidelijk als inspiratiebron.

Ze worden door hun grote voorbeelden gevraagd om het voorprogramma te verzorgen. Na een tussenstart bij het So Young Records belanden ze als support act van The 1975 vervolgens bij Dirty Hit. Nu het uit New Jersey afkomstige Bleachers de handdoek in de ring heeft gegooid, richt deze platenmaatschappij al hun aandacht op de nieuwe belofte Been Stellar.

Het balletje rolt ondertussen maar door. Ze komen dus bij de Britse Speedy Wunderground eigenaar Dan Carey in het vizier. Deze producer is allang van zijn befaamde fifteen minutes of fame principe afgestapt waarbij hij jong talent de mogelijkheid biedt om in een dag een EP op te nemen. Gecharmeerd door de sound van de Amerikanen neemt hij het vijftal onder zijn hoede en werken ze aan een volwaardig album. Bijzonder omdat Dan Carey van de filosofie afwijkt dat het grootste talent uit het Verenigd Koninkrijk afkomstig is, zijn blik verruimt en deze verder dan zijn zichtveld reikt.

Op de laatste dag van schrikkelmaand februari komt Passing Judgment op single uit. Ze ontdekken dat de Brexit erfenis van Boris Johnson net zo diepe onuitwisbare sporen heeft achtergelaten als het presidentschap van Donald Trump. Het is vergelijkbare rotzooi, en het observerend vermogen van Sam Slocum levert bijna vanzelf de teksten van Passing Judgment af. De rammelende chaos vind zijn weerwoord in de duistere baspartijen van Nico Brunstein. In de jonge honden mentaliteit van Been Stellar zit genoeg hoop verworven, waardoor ze zich eerder met de vroeg jaren tachtig idealisten identificeren, al blijft het belerende rebelse vingertje gelukkig achterwege.

Sam Slocum bezit het verslavende klagende vermogen om zijn dromerige vocalen aan doorleefde verbittering te koppelen. Hij klinkt op Passing Judgment vermoeid en kapot gestreden. De slopende studio uren met Dan Carey leveren in ieder geval het gewenst resultaat op. Passing Judgment vormt vervolgens een onderdeel van het Pumpkin vierluik, een serieuze aankondiging dat de Scream from New York, NY noodkreet snel zal volgen. De EP is een hedendaagse bed-in for peace met een flinke dosis aan slaapkamergeborgenheid.

Pumpkin is het treurende nachtelijke geweten van New York, met schemerlamp belichting en onbarmhartige schaduwen. De moordende tijdsdruk weerhoudt ons ervan om in de ritmische voetsporen van drummer Laila Wayans te treden. Veiligheid speelt zich binnenhuis af, buiten wacht de onzekerheid. Sweet stelt die puurheid centraal. Gitaristen Nando Dale en Skyler Knapp rijgen een stevig geketend maliënkolder aan klanken aan elkaar, waaroverheen Sam Slocum zijn zalvende woordenschat loslaat. Zelfs in deze verharde strijd vormt de liefde het codewoord. De complexe jazzy All in One breakbeat shoegazer staat aan de rand van een writer’s block. De angst dat onvoltooide zinnen in het hoofd stagneren.

In het groter opgezette therapeutische Scream from New York, NY kiezen ze ervoor om alle zekerheden van de metropool te verlaten. De Pumpkin EP is niet meer dan een eilandje in de grotere gevaarlijke oceaan, waartoe nog zes onuitgebrachte tracks behoren. Vaak kiezen Europeanen voor de overstap naar Het Beloofde Land, Been Stellar voelt zich daar juist muzikaal minder op het gemak. Je kan gedane zaken niet ongedaan maken, laten we stellen dat fouten vooral leerzaam zijn.

Bijzonder dat Sam Slocum juist bij de alarmerende opgefokte Start Again openingstrack overeind krabbelt. Het is de terugblik op de toekomst, waar de zanger argwanend de uitgestippelde stappen weggumt. We voeden ons met de verspilling totdat we monddood de resten uitspuwen. De Big Apple is een verrotte over de datum zijnde vrucht, beschimmeld en vergiftigd. De wanhoop is nabij, slechts een reorganiserende injectie kan ons redden.

Na het veelbelovende berustende samenspel van ritmetandem Nico Brunstein en Laila Wayans in het Scream from New York, NY haatliefde titelstuk komt Sam Slocum tot bezinning. Been Stellar plaatst een ontstekingslont in het mierennest, de wereld is ontploft en de band heeft er vrede mee. Het ronkende Can’t Look Away flirt met elektronica, en gaat terug naar de scheidingslijn tussen postpunk en dance, het huwelijk dat gedoemd is te mislukken. Juist die veelal ontbrekende spanningsboog is hier wel aanwezig. De schitterende shoegazer dreampop van Shimmer voldoet tevens ruimschoots aan de verwachtingen.

Met het melancholische Takedown aarden de energiegolven weer. Het is slechts voorwerk welke zich vervolgens in het meditatieve I Have the Answer voortzet. Een spirituele eindbestemming met exploderende geluidsbommen in een oase aan kalmte. Nadat ze eerder al met de postpunkers van Shame het podium deelden, touren ze rond de Scream from New York, NY releasedatum met de oerkrachten van IDLES. Een grote kans dus om zich live te bewijzen. Hopelijk zijn ze beter tegen de druk bestand dan de labelgenoten van Bleachers. Een vroegtijdig einde van een mooie droom zou eeuwig zonde zijn.
Been Stellar - Scream from New York, NY | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Beirut - Artifacts (2022)

Alternatieve titel: The Collected EPs, Early Works & B-Sides

poster
3,5
Onder normale omstandigheden komen de hersenen in de nachturen tot stilte, bij slapeloosheid is dat niet het geval. Dit rusteloos ongemak triggert de ontluikende creativiteit. Een zoektocht naar bereikbare middelen om hieruit een bevredigend gevoel van bezinning te halen volgt, hopende om uiteindelijk de kalmte in het leven te hervinden. Zach Condon lijdt al op zeer jeugdige leeftijd aan deze kwaal en benut zijn verspilde tijd met het vakkundig een breed scala aan schikkende muziekinstrumenten te ontdekken. Zo raakt hij al vroeg bekwaam in het bespelen van drummachine, synthesizer, akoestische gitaar en trompet. Vooral die trompet speelt een grote rol in het onderscheidende geluid van Beirut.

Zach Condon verhuist voor een periode naar Europa, maakt kennis met de Balkanmuziek en neemt deze inspirerende bagage weer mee terug naar zijn Mexicaanse thuisland. Al snel voegen Paul Collins, Nick Petree en Perrin Cloutier zich bij hem en Beirut is een feit. Artifacts brengt een noemenswaardige EP, creatieve probeersels en een overschot aan b-kantjes samen in een imponerende verzamelaar, waarbij bewust het bekende materiaal vermeden wordt. Heb je hier alsnog behoefte aan, dan is het advies om de studioplaten aan te schaffen. Ze zijn het allemaal waard, al springen de eerstelingen Gulag Orkestar en The Flying Club Cup er fier bovenuit.

Lon Gisland (nee, dit is geen spellingsfout) is de EP die later bij debuutalbum Gulag Orkestar toegevoegd wordt en vormt samen met Transatantique en O Leãozinho de eerste A-kant van de dubbelaar. Het beladen met melancholische pathos uitgevoerde Elephant Gun behoort zeker tot de hoogtepunten van dit veelzijdige mineur stemmige gezelschap. Het brengt de schoonheid van de beeldende filmische spaghettiwestern met de geblazen feestende treurnis van de folk samen. De licht neurotische vocalen voegen hier de nodige inlevende diepgang aan toe. The Long Island Sound is een korte instrumentale toegift van dit nummer.

De rommelige startende vreugdevolle korte opwarmer My Family’s Role in the World Revolution wordt opgevolgd door het meer straat volkse Scenic World waar de tragisch melancholische klaagzang van Zach Condon het grote verschil maakt. Met de heerlijke frisse wind van het zwierige Carousels eindigt de EP. Het door een ukelele begeleidende Transatlantique blijft tijdens de opnames van The Rip Tide op de plank liggen. Zonde want deze had ruimschoots een plekje op de korte plaat verdient, en met de zwaarder aangezette Caetano Veloso cover O Leãozinho wordt het eerste gedeelte passend afgesloten.

De persoonlijke thuisstudieprojecten die de B-kant inluiden behoren tot de voorbereidende pre-Gulag Orkestar fase waar tiener Zach Condon rond de eeuwwisseling mee aan de slag gaat. Herhalende drumbeats en simpel toetsenwerk vormen de eenvoudige basis voor de popsound van Autumn Tall Tales. Fyodor Dormant heeft het aangename zweverige van de All Saints hit Pure Shores, waarbij vooral die herkenbare stemkwaliteiten van Zach Condon opvallen. Er wordt geëxperimenteerd met Top 40 synthpop (Poisoning Claude), spacende dub (Bercy), exotische jungleritmes (Irrlichter) en aangeleerde accordeonakkoorden (Your Sails), maar veel meer dan een nieuwsgierige uitnodiging op een gemiddelde jongenskamer is het eigenlijk niet.

De tweede plaat, haakt hier gemakshalve op aan. Het voorgeprogrammeerde Sicily laat vooral een ontwikkelingsgroei in de muzikale omlijsting en intieme verbale soberheid horen. Met de nodige bombast kondigt het tot in perfectie uitgewerkte swingende Now I’m Gone zich aan. Het keerpunt in het ploeterende voorwerk en misschien zelfs wel het eerste Beirut hoogtepunt waarmee de nog jonge Zach Condon bewijst dat hij wel degelijk bestaansrecht heeft.

Het luie gezongen Napoleon on the Bellerophon schetst de nachtelijke werklust van een kunstenaar in wording, de belichaming van het jeugdige slapeloosheidstrauma in een semi akoestische setting. Het ontwakende ochtendgloren van Interior of a Dutch House is de ultieme beloning voor de gegeven arbeid. Zoekende naar de uiteindelijke vorm brengt hem ook langs de filmische softpop van Fountains and Tramways en het zeer sterke met berouwende kopstem uitpakkende Hot Air Balloon welke helaas met een te vroeg ingezette fade out het slotakkoord opzoekt.

Met vol optimisme begint de laatste albumkant met het heerlijk opbouwende Fisher Island Sound, de opgewekte bas vervaagt het opstartende ochtendhumeur van Zach Condon om vervolgens een stille dood te sterven. Hakkende percussie veroorzaakt een verkwikkende regendans die de druilerige zomerbuien wegspoelen om gepassioneerd in het hoopvolle So Slowly ondergedoopt te worden. Vanuit de lucht dwarrelen tedere muzieknoten neder, klaar om bij Die Treue zum Ursprung opgevangen in het ruimtelijke raamwerk te plaatsen.

Het oriëntale folklore pianostuk The Crossing bevindt zich daadwerkelijk op een doodlopend kruispunt, maar geeft wel duidelijk de vernieuwingsdrang weer. Het mystieke Zagora is een eighties postpunk flashback met een krachtig opeisende hoofdrol van gitarist Paul Collins. De herfst wordt overdonderd door het dichtmetselende sneeuwpak van het swingende in dub wegzakkende Le Phare du Cap Bon. De dreigende mellotron pompt het marcherende Babylon naar een klein ingehouden einde toe.

Het blijft een groot gemis dat de Mexicanen de B-kantjes afrafelen en er te weinig tijd in stoppen om deze opzetjes mooi af te ronden. Artifacts is een prima aanvulling op de catalogus, maar ook weer niet veel meer dan dat. De al eerder verschenen Elephant Gun maakt het verschil, verder komen eigenlijk alleen maar Now I’m Gone, So Slowly, Fyodor Dormant en Interior of a Dutch House enigszins in de buurt van deze meesterlijke openingstrack.

Beirut - Artifacts | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Beirut - Gallipoli (2019)

poster
4,0
Om na vier prachtige albums als band zijnde nog steeds de status te hebben als het best bewaarde geheim van de muziekscene, daar ben je dan wel een keer klaar mee. Ook benamingen als veelbelovend en vernieuwend mogen ondertussen achterwege gelaten worden. Beirut gaat gewoon op de ingeslagen weg verder, omdat dit nu eenmaal hun kenmerkende geluid is. En hiermee weten ze al vanaf 2006 indruk mee te maken. Op Gallipoli geen knieval voor een meer specifieke benadering, nog steeds het mistroostige Balkan geluid welke Zach Condon als souvenir vanuit Europa mee nam naar thuisbasis New York. Deze schatten aan muzikale inspiratie hoefde hij niet achter te laten bij de douane, maar kon hij ongestraft de Verenigde Staten binnen smokkelen. Live op het podium blijken de muzikanten net zo inwisselbaar als het Nationale elftal van een gemiddeld voetballand. Elke plaat vraagt de inzet van andere sterspelers, al blijft Condon als doordachte trainer het geheel dirigeren.

Een begrafenisstoet die op een kruising van de straat feestelijke zomercarnaval vierders treft. In twee verschillende geschetste situaties maken we kennis met When I Die. Deze contrasten aan tegenstrijdigheden zullen vaker terug komen op Gallipoli. Beirut muteert zichzelf steeds meer tot wereldmuziek. Universeler dan op de eerste albums met ook Mexicaanse invloeden op titelcompositie Gallipoli. Een Europese fanfare verkleed als nomaden op doorreis in Noord Amerika sluit zich aan bij plaatselijke straatmuzikanten. De vriendschappelijke fusie van verschillende culturele invalshoeken tot gevolg. Varieties of Exile zou zo een folky benadering kunnen zijn van een jaren tachtig wave klassieker. De klagende melancholische toon van de neerslachtige navelstaarders mixt prima met de zomerse benadering op het einde. De kater veroorzaakt door de Passoa wordt hier vakkundig verdrongen. Een inheems kinderliedje die het proces van ontwikkeling tot een volwassen popsong ondergaat trakteerd ons op het onschuldig ogende On Mainau Island. Met zang van Condon welke steeds meer de popkant ontstijgt en zich bijna lijkt te vermengen met opera geeft I Giardini een troostende werking. Nog meer staat het gevoel hier op de voorgrond, met woorden die zelfs in een onbegrijpbare vreemde taal weten te raken. Na een kunstzinnig begin met ballettraditie komt er een heerlijke zomerse switch in Gauze Für Zah. Zo moet een geslaagde huwelijksdag van een deprimerende zwartkijker met een exotische buikdanseres er ongeveer uit zien. De drone achtige uitloop had prima achterwege mogen blijven.

Corfu eist een Zuid Amerikaanse broeierige jazzy benadering op, met wat scary uitspattingen op het einde. Landslide is overtuigend de meest toegankelijke track van de plaat. Niet vreemd dus dat er voor gekozen is om deze als single te presenteren. Als voorganger mag de trompettist het warme geluid van Family Curse aankondigen, een eenheid welke zich vervolgens als een geketend orkest om hem sluit. Bij Light in the Atoll pakken de instrumenten het moment om nog meer als de zang het droefgeestige gevoel op te roepen, voor Condon een eenvoudig inkoppertje om te scoren. Het grote brein achter Beirut mag het zichzelf ook eens makkelijk maken. De hedendaagse dance invloeden van We Never Lived Here hadden achterwege mogen blijven. Abrupt komt er een einde aan het pure karakter van de plaat, en daar weet het opwindende blaasorkest niet genoeg verandering in te brengen. Het sterk met Aziatische invloeden heersende Fin is de aftiteling. Rumoerig maakt men gestalte om weg te gaan. De lichten gaan aan, men rekt zichzelf nogmaals uit om vervolgens het hedendaagse huisje, boompje, beestje leventje weer op te pakken. Toepasselijk eindigend met een fade out. Gallipoli is een dromerige traditionele folk plaat geworden waarbij vooral de zang regelmatig lijkt terug te grijpen naar het zwaarmoedige van de jaren tachtig. De opbeurende muzikale begeleiding maakt dit tot een unieke eigen sound. Hierbij passeren als bij een geslaagde gepassioneerde stapavond verschillende dansstijlen sierlijk de revue.

Beirut - Gallipoli | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Ben Howard - Collections from the Whiteout (2021)

poster
3,5
Als Ben Howard in 2011 na een paar veelbelovende EP’s zijn debuutplaat Every Kingdom uitbrengt, ligt de wereld ademloos aan zijn voeten. Hij behoort tot die exclusieve groep singer-songwriters die folk weet te combineren met een perfect popklimaatgevoel. Dit weet hij treffend te continueren met I Forget Where We Were, waar de uptempo kampvuur songs al vervangen zijn voor een gigantisch speelveld aan donkere indie landschap beschilderingen met hier en daar de nodige eighties wave en Americana invloeden, waarmee hij toch ook die aandacht weet te trekken bij de serieuzere muziekliefhebber.

Na deze geweldige startpositie kiest Ben Howard voor het nog beter uitgebalanceerde Noonday Dream. Wegzwevend om heerlijke sobere jaren zeventig klanken en tekstueel nog sterker aanleunende tegen de grote popdichters. Zelfs deze nieuwe invalshoek neemt niet weg dat hij voor eeuwig vervloekt is om prachtige albums af te leveren. Een talent waar hij maar mee heeft te dealen hoe hij zichzelf ook tentoonstelt. Een lastige positie, zeker als men verwacht dat je elke drie jaar de volgende geplande meesterzet plaatst.

Collections from the Whiteout loopt echter het gevaar dat deze ten ondergaat aan een veelvoud aan nieuwe elektronische snufjes en trucjes. De goocheldoos puilt uit en er ontstaan zichtbare scheuren en een pompeus opgeblazen gevoel doordat het net allemaal te vol is. Follies Fixture verzuipt in nerveuze geluidsmigraine, bonkende beats en retro disco, waarbij de verzachtende stem van Ben Howard als een paracetamol de scherpe stekende randjes wegneemt. Subtiel wordt er sporadisch een accent gelegd op de elektro folk, maar toch is het over het algemeen net wat kaler. Langzaamaan keert Ben Howard weer terug naar zijn start roots, en camoufleert hij de binnen gekropen gebreken met een dosis aan eenvoudig te verteren pulserende noise.

Een gewaagde aanpak die zeker ook voor een aantal geslaagde hoogtepunten zorgt. Voortstuwende parade ritmes en een oppermachtige topvocalist zorgen voor de avontuurlijke balans in het grimmige groovende Crowhurst’s Meme. Het samenspel tussen de door de soul gevoede toetsenwerk en de krakende drumeffecten bij Sage That She Was Burning geven het een bijna menselijke voedingsbodem. Die basis voldoet tevens bij die prachtige retro folk zang van What A Day en Rookery, waarbij Ben Howard heerlijk doorleeft klinkt. Het in de Americana badende gitaarspel is uiteraard weer van adembenemend zonsdoordringend schoonheid en duikt met regelmaat die treurende jaren tachtig binnen, om er een vleugje authentieke new wave aan toe te voegen. Het ligt dicht bij de goed werkende indiepop van het in melancholica druipende Far Out. De echo’s in The Strange Last Flight of Richard Russell herplaatsen zich in de experimenteerdrift van een Brian Eno, die als producer sfeervolle ambient combineerde met een toegankelijk popgeluid.

Door de vastgestelde ideeënarmoede haalt hij de inspiratie vooral uit zielloze onpersoonlijke waargebeurde verhaalschetsen. Het is doordachter en de maniertjes nemen het over van de puurheid en zijn eigen individualiteit. Geen oprechte optimisme of het bevechten van binnengeslopen demonen. Zijn rol is veelal bescheiden tot een van de zijkant observerende rapporteur, die oud krantennieuws herschrijft. Het is lastiger om je mee te laten slepen. Je gelooft het nu allemaal wel, en wordt niet moeiteloos in het geheel betrokken. Zo komt Finders Keepers niet over als een gruwelijke post murder ballad, en blijft het beperkt tot de nieuwsgierige verslaglegging van een lichtelijk gestoorde buitenstaander die toevallig getuige is van de vondst van afgehakte lichaamsdelen. Vreemd eigenlijk, want het gehoopte lugubere sfeertje roept hij probleemloos op met de strijkers in het duistere filmische Unfurling.

Collections from the Whiteout voldoet zeker aan de verwachtingen van de liefhebber, al zal niet iedereen enthousiast worden van de prominent opgestelde elektronica. Tussen deze oase van rust en klantvriendelijkheid van een track als Metaphysical Cantations is er hier en daar ook ruimte voor brokken wringende zwaarmoedigheid die afsteekt tegen de gezinstoegankelijke warmte. Echter de noodzaak om je in de plaat heerlijk vast te bijten ontbreekt door het afstandelijke karakter. Dit is in het vervolg eenvoudig op te lossen door weer dicht bij zichzelf te blijven.

Ben Howard - Collections from the Whiteout | Pop | Written in Music - writteninmusic.com

Ben Khan - Ben Khan (2018)

poster
2,5
Nog steeds wordt de dancescene door menige muziekliefhebber onderschat. Wat is er zo bijzonder aan een aantal samplers samenvoegen, een beetje op knopjes duwen en er nog eventjes snel een beat onder zetten. Dit kan toch iedereen? Lekker gemakkelijk en snel geld verdienen. Toch hebben het grotendeel van de artiesten wel degelijk een ruime muzikale achtergrond. Vaak wordt er eerst flink gesleuteld aan een track, zittend achter een ouderwetse piano. Akkoordenschema’s worden opgesteld, en uitgewerkt. Niet altijd gaat dit zo te werk, maar er zijn tig voorbeelden te noemen. De jonge Londenaar Ben Khan luisterde tijdens zijn puberteit naar oude blues, totaal niet hippe zeventiger jaren rock en grunge uit de jaren negentig. Zoals veel beginnende muzikanten probeerde hij de songs die hem inspireerden na te spelen op gitaar. Dus de breed georiënteerde liefde voor muziek is er altijd al geweest. Na eerst voorzichtig een plekje in de onderste regionen van de house opgeëist te hebben met de E.P.’s 1992 en 1000 verschijnt uiteindelijk Ben Kahn. Om zijn groei te laten horen staan hier alleen maar gloednieuwe tracks op.

2000 Angels past met de oosterse invloeden goed bij zijn naam. Omdat er ook op de albumhoes verwijzingen staan naar de maan en ster welke ook bij verschillende landen een belangrijk element vormt op hun vlag. Helaas komt het te weinig tot een mooie samenwerking tussen verschillende culturen. Veel old school bliepjes en beats overheersen op deze funky trip. Kahn heeft een eigen soulvol stemgeluid, die zich prima leent voor de nodige vocale kunstjes die hier op los gelaten worden. Het moet allemaal uitnodigen om op te bewegen, maar heel gemakkelijk heeft hij zich hier niet van afgemaakt. De complexiteit getuigt van zijn muzikale bagage, maar weet hij misschien hierdoor niet vaak om te zetten tot pakkende tracks. Als een dikke gebonden soep krijgen we het gepresenteerd, terwijl de ingrediënten voor een heerlijke heldere bouillon ook aanwezig zijn. Het is allemaal wat donkerder, maar liefhebbers van autotune en vocoder lopen hier waarschijnlijk mee weg, en vinden het een avontuurlijke plaat. Voor mij komt dit nog steeds wat goedkoop en gemaakt over. De meeste indruk maakt hij met a.t.w (against the wall) vanwege de lekkere beat, The Green met de zomerse saxofoon, de experimentele Prince funk van Our Father en het dromerige hijgerige Waterfall.

Ben Khan - Ben Khan | Electronic | Written in Music - writteninmusic.com

Benedict October - And Then the Ocean (2024)

poster
4,5
Normaal leggen ouders de basis voor de ontwikkeling en benut je de puberteit om zelf op ontdekkingstocht te gaan en jezelf verder te vormen. Een normaal proces dat in het geval van Martijn Smits bruut verstoord wordt als iemand hem als hulpeloos slachtoffer van zinloos geweld op zeventienjarige leeftijd neersteekt. Gelukkig herstelt hij hier grotendeels van, al blijven de littekens op zijn ziel in zijn melodramatische voordracht merkbaar. Als vorm van zelftherapie zet hij zijn gevoelens in muziek om en geeft hij deze traumatische gebeurtenis een plek. Tenminste, voor zover dit mogelijk is.

Leven en dood lopen als een rode draad door zijn bestaan heen. Als Benedict October besluit hij om dit concept op de opvolger van zijn You Can Tell Me Nothing That I Should debuut verder uit te werken, te verzachten, te relativeren. Dan krijgt hij plotseling een zware klap te verwerken als in de herfst van 2020 zijn vader overlijdt. Juist die houvast die hij van thuis uit heeft mee gekregen begint te wankelen, het zoveelste besef dat zekerheden opeens in onzekerheden kunnen veranderen. Opeens heeft And Then The Ocean nog meer impact. In de oorspronkelijke opzet richtte hij zich vooral op het maken van donkere fictieve sprookjes waarin het wegvallen van vrienden en hun ouders centraal zou staan. Nu staat hij zelf noodgedwongen op de positie van ervaringsdeskundige en is het dus voor de volle honderd procent zijn eigen verhaal.

Op het moment dat iemand definitief wegvalt haal je herinneringen op. Het biedt steun en deze beginfase van het rouwverwerkingsproces is van groot belang. Als je rust in het hoofd hebt, kun je wellicht vooral mooie gebeurtenissen koesteren. Het is graven in je verleden en terug naar de oorsprong waar je vandaan komt. Die ligt in het geval van de familie Smits in het zuiden van het land waar de ouders van Martijn elkaar in een dancing ontmoetten. Het funkende ritmische Lovestruck is broeierig, onschuld met een ondeugend randje. Ook hier staat het zeventiende levensjaar centraal, al handelt het hier over de opbloeiende liefde en niet om de agressie. Feit blijft dat het net zo essentieel is als die vervelende traumatische omstandigheden waar Martijn nog steeds mee moet dealen.

Martijn Smits gunt saxofonist Koen Schouten de eervolle taak om met de stoffige Big White Moon proloog And Then The Ocean te openen. Deze leerling van Hans Dulfer weet als geen ander hoe hij het stadse karakter in deze haastige avondwandeling moet leggen. Martin Scheppink, die de nodige podiumervaring als pianist bij Tangerine heeft opgebouwd, versterkt dit gevoel alleen maar. Topdrummer Nicky Hustinx zorgt voor de jazzy tegendraadse twist. Producer Mark Van Bruggen denkt mee over de opzet van de plaat, werkt de muzikale vormgeving vervolgens uit en krijgt de taak om de baspartijen in perfectie uit te voeren, gitarist Simon Leverink is zelf een befaamd songsmid die de emoties van Martijn Smit aardig goed aanvoelt. Hierdoor kan de singer-songwriter al zijn energie in het Benedict October alter-ego kwijt en kan hij zich volledig tergend smekend op de gesproken woord achtige voordracht richten. Hij laat zijn hart spreken en de haastige zinnen vullen de vrijgekomen ruimte filmisch in. De gejaagdheid staat hier bij de toegankelijkheid van het bestaan stil.

Martijn Smits springt onvoorbereid in het diepe, maar het voelt vertrouwd aan. De melodieën nestelen zich in zijn hoofd en hij hoeft deze enkel nog te ordenen. De zorgvuldigheid waarmee hij deze taak op zich neemt zegt meer dan genoeg over zijn perfectionisme. Big White Moon ontstaat in de schoonheid van het beklemmende rusteloze gejaagde. De gepijnigde zanger werkt zich manisch door zijn gevoelens heen, om uiteindelijk de sterfelijkheid van de liefde te treffen. Schoon schip maken, door deze eerst te laten zinken. Vervolgens de rust koesteren in het eerder genoemde Lovestruck. Door het opgewekte positivisme en de verleidingsdrang staat Martijn bij de relatie van zijn ouders stil, en deze voelt goed aan. Die liefde kan niemand hem meer ontnemen, die eeuwige belofte blijft overeind staan, zelfs als een van beiden overlijdt.

Loslaten en wegzweven in de psychedelische retro Beautiful Way To Die elektro ballad. Waardig sterven, de onvermijdelijke dood omarmen en deze tolereren. Daarna volgt de Never Said Goodbye With Words stilte, waarbij woorden in principe overbodig zijn, maar in het geval van Martijn Smits troost bieden. Dat dit niet eenvoudig is bewijst de nachtmerrieachtige overgang wel. Angstig badend in zweet en in tranen van verdriet ontwaken. De pijn, het onbegrip en de kwelling beheersen de nacht, dagen, weken soms zelfs maanden. Er zit heel veel Love, Disorderly paniek van Thomas Azier in deze track, waardoor producer Mark Van Bruggen nogmaals zijn belang op die plaat en nu dan ook op And Then The Ocean benadrukt.

Het aan zijn vader herinnerende Your Heart Is My Heart, aan Martijn het vermogen om dat hart diep in zichzelf verder te laten kloppen. Tranen dwingen het orgaan tot stilstand, na de acceptatie volgt het besef dat deze erfenis je ziel eerst openbreekt om daarna de wonden te helen. Benedict October overstijgt zijn melancholische aard en ontwikkelt zich op And Then The Ocean ook tot een liefhebbende charmeur, die zijn songs als kindjes vertroetelt, snel volwassen laat worden. De Your Clown zwaarte staat bij die imposante persoonlijkheid stil, zo denkt hij aan zijn vader terug. Het anker in het gezin, de wijsheid, maar ook het gevoel voor humor. Hemelse klanken bereiden zich tot die laatste sterrentocht voor, het definitieve vaarwel, het afscheid. Met het opstandige Insomnia adoreert Martijn Smits de kracht van zijn eerste grote voorbeeld. Zijn vader als rolmodel, zijn idool, zijn trots, zijn alles. Stoer met een hand aan het stuur rijdt hij de toekomst tegemoet om uiteindelijk aan de horizon te vervagen.

Na het vitale Insomnia komt Lust For Life hard binnen. Het licht is gedoofd. Verdwaald in de duisternis zoekende naar antwoorden voor vragen die zich nog niet openbaren. De warmte en kalmte moet nog aarden. Het treurende Lust For Life heeft iets zomers, de vooruitzicht naar de komende lente om het leven te herpakken, verlies te aanvaarden. Moet je de leegte opvullen of juist toelaten? Lust For Life, de twijfel of het leven nog zin heeft, of het genieten daarvan ooit wederkeert. Yesterday Is A Dream, vandaag staat het ontwaken centraal. De zon wenkt en trekt je vanuit de duisternis het verblindende daglicht in. De Love You Till Tuesday epiloog is het verdovende eindoordeel, klaar voor de volgende moeilijke stap. And Then The Ocean geeft nabestaanden steun en begrip, hiermee heeft Benedict October zijn doel bereikt.

De Equally Blinded new wave als bonustrack, die eigenlijk prima na Yesterday Is A Dream past. Het is de keuze van Martijn Smits om deze opbeurende song als outsider buiten te sluiten. Stefany de Beurs van Wolf & Moon als medecompagnon, een bevriende oorspronkelijk uit Berlijn afkomstige zangeres die net als Martijn tegenwoordig in Berlijn woont. Benedict October ontgint de Duitse grond juist als eventuele werkplek en overziet de mogelijkheden om daar het succes te continueren. Het theatrale verleden en het decadente verval van deze hoofdstad past perfect bij de liedjesschrijver. Misschien symboliseert Equally Blinded het ontvluchten en richt Benedict October zich hiermee op de toekomst, een nieuw hoofdstuk van een nog te schrijven boek.

Benedict October - And Then The Ocean | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Bernhoft & The Fashion Bruises - Humanoid (2018)

poster
3,5
Singer-songwriter Bernhoft, met soulvolle R&B benadering, is afkomstig uit het Noorse Nittedal. Vanaf 1996 is de veertiger actief in de muziek business. Eerst brengt hij drie albums uit met Explicit Lyrics, een vrij harde cross-over band met de nodige metal en funk invloeden. Vervolgens maakt hij met een aantal leden de overstap naar het nog heftigere rockende succesvolle Span. Hiermee maakt hij definitief naam in Noorwegen. Resultaten mogen er zijn met de twee Top 5 albums Mass Distraction en Vs. Time. De overgang naar het solowerk is een stuk minder groot dan wat in eerste instantie lijkt. Zijn basis blijft het warme geluid, en of hij zich nou hard of zacht presenteert, die blijft overeind staan. Na de opname van zijn derde plaat Islander verhuist Jarle Bernhoft voor een korte periode naar New York, waar zijn talent al eerder opgepakt werd. In zijn curriculum vitae mag hij optredens bij talk shows van Conan en Ellen DeGeneres bij schrijven, zeker niet de minste televisie persoonlijkheden. Humanoid brengt hij uit in groepsverband onder de naam Bernhoft & The Fashion Bruises. Ze bestaan uit oud Span collega’s bassist Vemund Stavnes en drummer Fredrik Wallumrød, aangevuld met keyboard speler Nicolay Tangen Svennæs. Bernhoft zelf is hoofdzakelijk actief als gitarist.

De korte geschiedenisles gaat vooraf om zonder vooroordelen te luisteren naar Humanoid. Er is wel degelijk een natuurlijk ontwikkelingsproces gaande waar de plaat het logische vervolg op is. Een goed gekozen titel trouwens die centraal staat voor de mechanische elektronica met het warme menselijke stemgeluid. Ondanks dat de track Humanoid aansluiting vind bij de Britse soul scene van halverwege de jaren tachtig, hoor je ook de meer Amerikaanse getinte invloeden van eerdere projecten terug. Het hedendaagse California is blijkbaar ook voor Bernhoft een grote inspiratiebron. Zeg je California dan kom je al snel bij de bloeiende Los Angeles scene uit; welke ondanks de zonnige vooruitzichten te maken hebt met een overheersende verlokkende drugscultuur en lugubere contracten van filmregisseurs en platenbazen. Het met mooi gitaarspel ingeleide Buried Gold wordt versierd door de Amerikaanse gast vocalist Raelee Nikole, die haar roots heeft in de hiervoor bezongen staat. Deze chemische reactie tussen beide zangers als brandstof, omgeven in de juiste atmosfeer komt tot een vlammend geheel. Dat Bernhoft net als de kleine grote man uit Minneapolis met gemak over kan schakelen naar de kopstem, hoor je bij het sterk op de funky soul klassiekers uit de seventies gebaseerde song Lookalike overduidelijk. Die invloeden zitten ook verwerkt in het Motown donker gekleurde ballad Beliefs. Helaas verdrinkt het wel in de langdradigheid zonder naar een duidelijke climax toe te werken. Of het zouden de denkbeeldige ruimteschepen moeten zijn, die langzaam vanuit de synths een landing inzetten. Tekstueel gezien zou dit prima kunnen passen.

Krijgen we dan opeens een donker getint gitaarliedje. Het lijkt er wel even op. For the Benefit heeft een heerlijke instrumentele aanpak met warme akkoorden. Het vocale rockrandje wordt hierdoor opgeroepen. Ergens diep in hem zit nog steeds een stukje Span verborgen gehouden. Fragmentarisch komt het hier boven drijven, al blijft het koor zich standvastig klampen aan het geloof in soul. Medication gaat een stapje terug. Leuk als je ergens op de rommelmarkt een tweedehands keyboard weet af te pingelen, maar had die hoofdzakelijk voor huiselijk gebruik bewaard. Het juichende Dreamweaver is een Eurovisie Songfestival achtige inzending. Prima gezongen, maar het bestaansrecht blijft beperkt tot de lengte van de song. Norway Zero Points! Hij herpakt zich vervolgens wel in het goede duistere murder ballad achtige duet met Alice Raucoules. Deze Franse femme fatale kruipt heerlijk in de ondersteunende bloedstollende rol. Met de gitaarsolo op het einde van Love Brings Us Further Apart wordt nog een laatste liefkozend zetje richting afgrond gegeven. De op engelen wijze hoog gezongen afsluiter Don’t Give Up geeft eigenlijk al het volgende duidelijk weer. Bernhoft is gegrepen door het virus om zich te ontwikkelen tot een Stepford Wives nietszeggende hitmachine. Zijn stoere verleden heeft hij van zich af geschud om aansluiting te vinden bij de gladde popcultuur. Het is allemaal net te mooi en gepolijst, je mist de freaky uitstapjes die hij volgens mij wel nog steeds bezit.

Bernhoft & The Fashion Bruises - Humanoid | Pop | Written in Music - writteninmusic.com

Beth Gibbons & Rustin Man - Out of Season (2002)

poster
4,5
Beth Gibbons & Rustin Man wordt gepresenteerd als een samenwerking tussen Beth Gibbons en Paul Webb, maar mag met het flinke scala aan gastmuzikanten veel breder gezien worden. Gibbons introduceert de tevens van Portishead afkomstige stergitarist Adrian Utley op Out of Season, terwijl Webb zijn maatje Lee Harris uitnodigt, die bij Talk Talk verantwoordelijk was voor de drumpartijen. Ook hier is hij prominent aanwezig op het slagwerk. Op 11 oktober 2019 verschijnt uiteindelijk de plaat opnieuw op vinyl, waar deze seventies sound het beste tot zijn recht komt.

De breed door strijkers overvleugelde live registratie van Portishead in Roseland NYC staat duidelijk aan de basis van het daadwerkelijk grootst gebruik maken van klassiek geschoolde arrangementen. Het geluid heeft hierdoor de warmte die door samplers vaak net niet opgeroepen worden, en waarin Geoff Barrow wonderbaarlijk genoeg wel in geslaagd is op de baanbrekende platen van Portishead.

Zonder zijn aandeel moet er gezocht worden in een andere invalshoek, met het geluk dat Gibbons doorrookte jazzstem bijna overal tussen te plaatsen valt. Hier heeft ze het volste vertrouwen in Paul Webb, die zich vanuit de herkenbare strakke bas akkoorden bij Talk Talk ontwikkeld heeft tot een veelzijdig muzikant met een goed ontwikkeld oor voor sfeer en ruimtebeheersing. Dat Gibbons zich volledig in haar element voelt tussen de overige muzikanten, en de aandacht niet alleen op haar fragiele persoontje gericht wordt, staat ook op de voorgrond in de aanpak die ze afdwingt op Out Of Season.

Mysteries gaat door waar de tweede gelijknamige plaat van Portishead eindigde. Bombastisch geheimzinnig wordt deze aangekondigd, om over te gaan in de zalvende vocalen van de leadzangeres. Nadrukkelijk voor in de galmende mix gebracht weet ze die tussen de beperkte gedateerde opnametechniek op te roepen, welke juist passend aansluit bij haar emotionele gepassioneerde voordracht. Doordat de aandacht niet zozeer op de elektronica ligt blijft er voornamelijk puurheid over waarbij Paul Webb de vrijheid benut om die aan de zangkwaliteiten van Gibbons te verbinden.

Werd er bij Portishead nog voornamelijk geshopt in de film noir platencollectie van Geoff Barrow, dat accent is op Out Of Season verschoven naar de jaren zeventig John Barry achtige scores, waarbij stoerheid en romantiek centraal staan. Bombastisch georkestreerd wordt er verder afgewisseld met Disney getinte musical performances en de soberheid in kalm gezongen eerbetonen aan jazzgrootheden. Hierbij laat Gibbons een hoogte in haar nicotinefluwelen stembereik horen die we niet van haar gewend zijn.

Op andere momenten is ze bijna kinderlijk, met het opgezette stemmetje in Romance, fluisterend in Rustin Man of juist sensueel diep in Resolve. Toch blijft het vooral een genot om die kenmerkende dreigende dramatiek in Spider Monkey terug te horen waarmee ze zichzelf ooit op de speelkaart plaatste als onvoorspelbare schoppenvrouw van het uit Bristol afkomstige duistere triphop. Sporadisch wil dat schizofrene meerstemmigheid uit haar innerlijke ontsnappen, maar in Funny Time Of Year laat ze fragmentarisch die psychische gestoordheid de bovenhand voeren.

De rol van pianist John Baggott in het geheel is noemenswaardig genoeg. Doordat hij op passende wijze zijn stempel weet te drukken levert dit voor hem een aangenaam vervolg op als toevoegende muzikant op latere triphopalbums van Portishead en Massive Attack. Andere sfeermakers zijn conga speler Martyn Barker, die op Tom the Model net die extra rijkdom aan exotica weet toe te voegen. Ook Mark Feltham mag genoemd worden, die triest zijn spaarzame lucht via de mondharmonica uitademt in het verder zomerse Drake.

Ondanks dat de hoofdrol duidelijk is weggelegd voor Beth Gibbons is het Rustin Man die ervoor zorgt dat haar breekbaarheid niet kopje onder gaat in ruimdenkende ideeën. Gibbons hoeft zich niet krampachtig angstig vast te grijpen aan de microfoonstandaard, maar laat juist een stukje meer eigenheid horen die ze tot nu toe voor de buitenwereld verborgen hield.

Beth Gibbons & Rustin Man - Out of Season | Pop | Written in Music - writteninmusic.com

Bettie Serveert - Bare Stripped Naked (2006)

poster
3,5
Als Bettie Serveert in 2006 besluit om zich kleiner intiem te presenteren, hoort daar ook een open interview bij. FaceCulture praat met Carol van Dijk en Peter Visser over het continu op elkaars lip zitten tijdens de Amerikaanse tournee en kleine irritaties die op den duur grote gevolgen hebben. Ook het Chitlin’ Fooks avontuur komt aan bod, waarbij de frontvrouw duidelijk aangeeft dat ze Bettie Serveert niet verlaat, maar waarbij die angst het voortbestaan wel in de weg ligt. Deze ongedwongen sfeer, komt net wat te ingestudeerd losjes over. De Bare Stripped Naked release valt met het vijftienjarige bestaan samen. De opzet is om een luisterliedjesplaat te bewerkstellen, waarmee ze met de semi akoestische setting op de unplugged reeks aansluiten. Alleen ligt die memorabele winst halende periode alweer een tijdje achter ze. MTV richt zich steeds meer op het Real World gebeuren, en muziek is hier een bijzaak. Video Killed The Radio Star, Reality Killed The Video Star. Music Television staat ondertussen gelijk aan Media Television.

Net als collega muzikanten biedt ook Bettie Serveert in de vorm van een DVD iets extra’s. Sterker nog, de Live In Brussel geluidsopnames krijgt lovende reacties. Natuurlijk is het Ancienne Belgique een prachtige concertzaal, en Bettie Serveert verkeert in bloedvorm, toch voegen de overige opnames weinig toe. Het is allemaal wat semi knullig (bewust?) amateuristisch in beeld gebracht, het Amsterdamse Heartland Studio geploeter geloof ik ondertussen wel. Misschien kunnen ze het Belgische optreden los op CD uitbrengen, en komt het dan beter tot zijn recht. Maar zoals ik reeds aangeef past het wel bij het tijdsbeeld, toch zijn de DVD’s al snel achterhaald. Het nieuwe YouTube is in opkomst, en deze richten zich op volledige optredens. Mijn aandacht gaat dus volledig naar de Bare Stripped Naked CD uit. De hele vinyl revival ligt nog in de verre toekomst, en ondertussen neemt nu de vraag naar de ouderwetse langspeelplaat al een aantal jaren toe. Misschien een mooi toekomstproject om zich daar op te richten, om alle Bettie Serveert platen op vinyl te releasen?

Bettie Serveert benadrukt nogmaals dat ze het meeste profijt hebben van alles in eigen beheer uitbrengen. Zoals Peter Visser het zelf mooi verwoordt; als manager van je eigen band werk je extra hard, en zo is het maar net. Folky Roots From The Netherlands, hoe puur wil je het hebben. Vanwege haar leeftijd transformeert Carol van Dijk zich van dromerige zangeres tot ervaringsrijke verhalenverteller. Een gewaagde, niet geheel risicoloze werkwijze, omdat de tracks veelal in een gemoedelijke veredelde demo fase verkeren, maar dat daar heel sterk materiaal tussen zit. Overtuigt Carol van Dijk dan volgt de rest van de band haar wel. Samen met Peter Visser presenteert ze zich als woordvoerder van de band, Herman Bunskoeke kiest voor zekerheid, en richt zich tevens op een voltooide koksopleiding. Het muzikantenbestaan levert voor hem nog steeds geen stabiele werkgarantie op. Het drummersprobleem is ook nog steeds niet verholpen, Gino Geudens is net als de eerdere hulptroepen Stoffel Verlackt en Pascal Deweze uit de Metal Molly stal afkomstig, Martijn Blankestijn versterkt het viertal met zijn toetsenwerk.

Na het frisse Attagirl is Bare Stripped Naked het berustende vervolg. Carol van Dijk heeft eindelijk dat verdiende oude bluesrandje op haar stem gekregen. In Roadmovies laat ze zich tot haar ontevredenheid door andere mensen aankleden en etaleren. Hell = Other People, het verzet tegen de gangbare normalisatie is nog steeds een groot issue. De erfenis van de Amerikaanse tournees settelt zich in de lichte countrybegeleiding. De juiste single, op het verkeerde moment. Het is overbodig om er nog een alternatieve uptempo out-take op te plaatsen, blijkbaar denken de Betties daar anders over. Soms lopen ze net achter de feiten aan, hier zijn ze de Americana rage weer net voor. Daarom is het zo leuk om juist nu Bare Stripped Naked op te pakken. Het dromerige The Rope behoort net als Roadmovies en Hell = Other People tot de hoogste klasse. Persoonlijke 2nd Time favoriet heeft een donkere dreigende gitaartwist, waarbij de bijna menselijke pianotoetsen het eenvoudig over de positieve grenslijn trekken, en de schoonheid van de bloedmooie songs nogmaals verzilveren.

Love & Learn begraaft het verleden om van de toekomst te leren. Het sombere slepende Brain-Tag is hoe dan ook al een van de Palomine prijsnummers, al is Carol van Dijk daarop een tikkeltje te schreeuwerig. Dit maakt ze nu door haar stem controle volledig goed, al gaat dit wel enigszins te koste van de gemeende emoties. Elimineer je deze, dan offer je tevens het kippenvelmoment op. De jazzy Certainlie uitvoering van Log 22 is passender dan het hakkelende Bare Stripped Naked Neil Young eerbetoon. Prima uitvoering, maar het versleten jasje is door veelvoudige wasbeurten behoorlijk gekrompen, en past niet meer. Storm camoufleert de Bettie Serveert materiaalvermoeidheid welke zich ook bij de bandleden opdringt. Het afgedankte All the Other Fish restmateriaal is een kindvriendelijk dromerig slaapliedje, waarbij de strijkers gepast naast de basisopstelling plaatsnemen. Dat liefde blind maakt, weten we ondertussen wel, dat hoeft Bettie Serveert met What They Call Love niet nogmaals te benadrukken. Het theatrale Painted World cabaret wijkt wel heel erg pijnlijk van hun kenmerkende sound af. Bare Stripped Naked is de eerste plaat waarbij Bettie Serveert mijn aandacht niet de hele tijd vasthoudt.

Bettie Serveert - Bare Stripped Naked | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Bettie Serveert - Damaged Good (2016)

poster
4,0
Bettie Serveert, maar Peter te Bos wint de game.

Ik had ze eigenlijk al een tijdje afgeschreven, maar Love Sick is wel een van de beste, misschien wel de beste single van het jaar.
Bettie Serveert doet muzikaal dEUS na, maar overtuigd hier meer dan de Belgische meesters doen op hun laatste vier albums.

Is de rest van Damaged Good ook zo goed?
B-Cuz heeft absoluut het nivo van het album Palomine; die Wall Of Sound die wordt neer gezet doet zelfs met momenten denken aan Phil Spector maar ook aan de Paisley Underground uit de jaren 80.
Brickwall is dromerig, een klein liedje.
Brother (In Loins) ligt behoorlijk in de lijn van Love Sick, maar zou ik niet als single kiezen, juist vanwege de gelijkenis, neemt niet weg dat dit een goed nummer is.
Damaged Good heeft zeker in het begin de door mij al eerder genoemde dEUS vibe; heerlijke opbouw, en wat blijft die Peter Visser een onderschatte goede gitarist.
Whatever Happens doet mij aan Throwing Muses denken; ook een band die ik maar weer eens uit de kast moet maken.
Unsane klinkt als Under My Thumb van Rolling Stones, maar dan in een fris ruikend jasje, wel gekocht bij de Second Hands, maar dat maakt verder niks uit.
Digital Sin is een geordende puinhoop, behoorlijk spacey en weird, maar ontwikkeld zich wel tot iets van Bettie Serveert. Een lang nummer, zeker voor een band als dit.
Mouth Of Age is ook net als Brickwall een klein, pakkend liedje.
Mrs. K is ook echt Old School Bettie, maar hier net te gewoontjes; zegt eigenlijk meer over de kwaliteit van deze plaat, want slecht is het zeker niet. Een Buffalo Tom achtige gitaarsong.
Afsluiter Never Be Over is een samenwerking met Professor Nomad.
Professor Nomad is natuurlijk Bartel Bartels, die bekend is van zijn tribute sessies; vaak geslaagd, maar helaas niet altijd; met als dieptepunt de Tribute To The Cure; toevallig wel met leden van Bettie Serveert.
Werkt het nu dan wel?
Ja, dit is zeg maar een lieve afsluiter; prima geregisseerd en georkestreerd.
Het doet oud aan, bijna als een Amerikaanse Songbook klassieker, en dat is toch wel een zeer groot compliment.

Bettie Serveert maakt met Damaged Good een zeer geslaagd jaren 90 album.
Zitten we daar op te wachten?
Ik wel!!

Bettie Serveert - Dust Bunnies (1997)

poster
4,0
Het tijdsbestek tussen Lamprey en Dust Bunnies is een lastige turbulente periode. Big Mouth Strikes Again. Met een grote mond regeer je de wereld. Het agressieve Geek bijt van zich af, en roept op om je mening niet te laten ondersneeuwen, overschreeuwen. Een aanklacht tegen een kleinere dominante groepering die het voor het zeggen heeft. Rudder benadrukt hoe lastig het is om een plekje binnen de Amerikaanse muziekscene te veroveren. Carol van Dyk visualiseert dagdromend in The Link de Verenigde Staten door buitenstaandersogen, die een poging ondernemen om zich aldaar te infiltreren. Dat er aan de andere kant van de wereld ook een aardverschuiving plaatsvindt, komt ze pas bij thuiskomst achter.

De Amerikaanse gitaarrock is over het hoogtepunt heen en vanuit Europa werken bands als Radiohead en dEUS aan een nieuw allesbepalend geluid. Opeens verschuift de aandacht in het muziekklimaat en Nederland wordt bijna totaal genegeerd. Claw Boys Claw brengt nog een laatste plaat uit, en zet zichzelf voor een langere periode op non-actief. Het Brinkman label wordt door het nieuwere Excelsior ingehaald. Alle aandacht gaat naar de veelzeggende namen als Caesar, Johan en Daryll-Ann uit. Bettie Serveert vecht voor een gevestigde plaats binnen het binnenlandse popcircuit, en dat ze in Amerika je nog steeds trouw blijven volgen heeft hier totaal geen waarde. De glorieuze tijd lijkt voorbij, daar veranderen zelfs twee indrukwekkende Pinkpop optredens niks aan. De indierock leeft dus weldegelijk, maar zoals vaak het geval is worden de grondleggers in een vergeten hoekje weggedrukt.

Brinkman en het Amerikaanse Matador geloven er nog steeds in, en zelfs als het door De Waaghals opgezette Brinkman zich weer volledig op de gelijknamige De Waaghals platenzaak filialen in Nijmegen en Arnhem gaat richten, blijft Matador trouw aan Bettie Serveert. Sterker nog, ze investeren zoveel in de band, dat het zelfs mogelijk is om op de heilige Woodstock grond in de Bearsville Studio een plaat op te nemen. Producer Bryce Goggin werkt daar bijna gelijktijdig aan de afronding van de Lemonheads plaat Car Button Cloth. Een band die vrijwel in dezelfde situatie als Bettie Serveert verkeert, en waarbij het succesverhaal, mede door toedoen van de verslaving gevoelige onverschillige Evan Dando, zelfs definitief op de afgrond balanceert.

Zelf ben ik ook schuldig aan het feit dat Bettie Serveert gepasseerd wordt. Palomine en Lamprey kan ik wel dromen, maar Dust Bunnies ligt zoals de albumtitel al aangeeft als een grijze muis in de platenkast te versloffen. Onterecht eigenlijk, want ik moet toch tot de conclusie komen dat deze mij beter dan Lamprey bevalt. Waar ligt het dan aan? Had ik meer van Lamprey verwacht, waardoor mijn aandacht aan het verslappen is? Raak ik al zo snel verzadigd en hunker ik naar vernieuwingsdrang? Gebeurt er in 1997 dus daadwerkelijk zoveel, zoals ik al eerder aangeef, waardoor er andere spelers opgesteld worden die een basisplek opeisen en gelijk scoren. Zit Bettie Serveert onterecht op de reservebank, en raken ze zelf ook dat overzicht kwijt? Er zijn in ieder geval meer vragen dan antwoorden, wat Bettie Serveert zeker niet ten goede komt.

Er wordt aan tribute concerten gedacht, door de Marlboro Flashback Tours blijven de zalen rijkelijk gevuld. Maar het voelt vreemd om met andermans werk aan de slag te gaan. De keuze voor Bettie Serveert ligt hierbij begrijpelijk bij het Velvet Underground werk. Niks op aan te merken, Bettie Serveert komt hier voortreffelijk mee weg. Jaren later doen ze nog iets soortgelijks met The Cure, maar dan net in een kleinere intiemere setting. Een bezieling die je hier overduidelijk op het manische Rudder single terug hoort. Toch is dit wel een domper, want eigenlijk moeten ze dan juist het materiaal van hun recent verschenen derde album Dust Bunnies aan de man brengen.

Als eerste wordt op 17 februari 1997 What Friends? uitgebracht, een smakelijk voorgerecht, maar uiteraard geen volledige maaltijd. Deze amuse ligt in de lijn van de Palomine single en is een heerlijk zoethoudertje voor de Dust Bunnies plaat, welke dus een maand later op 25 maart volgt. Ook die andere single Fallen Foster heeft veel raakvlakken met de doorbraakhit, met als enige verschil dat hierbij de tempoversnelling van de slagvaardige Berend Dubbe ontbreekt, daar kunnen de emotionele diepgaande gitaarexplosies van Peter Visser weinig aan veranderen. De drummer verlangt blijkbaar al naar een nieuw avontuur, wat onbewust meespeelt. Om te voorkomen dat hij uitgeblust eindigt maakt hij een paar jaar later met het meer experimentele synthesizer gefreak van Bauer een geslaagde doorstart.

Aan het materiaal ligt het niet, maar dus wel aan de omliggende factoren. Ook het klein gehouden Co-Coward verschijnt op single, maar de overige tracks staan daar kwalitatief net zo krachtig tegenover. Het ingetogen Dust Bunnies titelstuk, de Story in a Nutshell punkrock, het retro sixties Heaven, de Sugar the Pill blues country psychedelica, de gedempte Carol van Dyk twijfel in het gitaarsprekende Fallen Foster, de druilerige Misery Galore zondagochtendbeleving waarbij een stormachtige regenval je vervolgens verder laat ontwaken. Het is allemaal weer even prachtig.

De verbitterde maatschappelijke verharding heeft zijn weerslag op de Bettie Serveert sound. Bettie Serveert speurt op het ruwere Dust Bunnies weldegelijk naar de verbreding. Het dromerige, rammelende studentikoze met een schattige do it yourself uitstraling zijn ze in deze overgangsfase bijna ontgroeid. Het gereserveerde van Carol van Dyk is vrijwel verdwenen. Ze presenteert zich feller, zwaarmoediger, maar wel met een openstaande realistische blik, alsof ze beseft dat het sociale klimaat steeds meer die egocentrische kant opgaat. Hiermee is Dust Bunnies een profetische soundtrack voor de volgende eeuw. Het is hoe dan ook de laatste Bettie Serveert plaat die in de jaren negentig verschijnt.

Bettie Serveert - Dust Bunnies | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Bettie Serveert - Log 22 (2003)

poster
4,0
Log 22 is de eerste Bettie Serveert plaat na de invoering van de Euro. Na de topjaren in de jaren negentig wordt er veelal in guldens teruggerekend, en heeft men een afwachtende houding in de aanschaf van nieuw muziekmateriaal. Internet is in opkomst, hierbij krijgt een downloadsite als Napster steeds meer macht, het blijkt dat albums ook op een minder legale manier binnen te halen zijn. Het beeld op de verkoopcijfers vertroebelt, en de hele platenmarkt krijgt hierdoor een flinke dreun. De gevestigde namen houden zich wel staande, maar een Bettie Serveert moet in deze fase juist helaas nog flink investeren om het kwijtgeraakte publiek te herwinnen. Aan Log 22 ligt het niet. Ondanks dat deze wat lauwtjes ontvangen wordt, staan er toch weer dertien prachtige kroonjuwelen op. De hele muziekbeleving is aan het veranderen, verarmen zelfs. Men wordt vluchtiger en gretiger, het gaat vooral om het ontdekken van nieuwe muziek. De zap generatie heeft er minder behoefte aan om een schijf van een uur te luisteren. Nou, Log 22 heeft vrijwel exact die speelduur, en daar ligt ook een beetje de zere plek. Men heeft minder behoefte aan langdradige tracks, op het album staan toch wel een viertal tracks die ver de vijf minuten grens overschrijden.

Carol van Dijk benut de tussenliggende jaren na Private Suit om samen met Pascal Deweze twee Chitlin’ Fooks albums op te nemen. Daarbij is tevens Stoffel Verlackt aanwezig, het voormalige Metal Molly bandmaatje van Pascal Deweze. Omdat het drummersprobleem bij Bettie Serveert nog steeds niet opgelost is, verleent hij zijn krachten aan Log 22 uit. In hun schrijversdrang passeren Carol van Dijk en Peter Visser het overige kernlid Herman Bunskoeke, zeker als multi-instrumentalist Stoffel Verlackt zich ook nog eens bij een tweetal tracks met de basloopjes bemoeit. De veelzijdige kunstenaar Jeroen Blankert neemt de overige drumpartijen voor zijn rekening en blijft voorlopig nog wel aan De Betties verbonden. Door de goedbedoelde inmenging van Pascal Deweze dreigt Bettie Serveert zichzelf kwijt te raken.

Don’t Believe The Hype! Nou die hype is ondertussen alweer een tijdje voorbij. In hetzelfde jaar dat Log 22 verschijnt ontvangt Bettie Serveert eindelijk in Nederland een gouden plaat voor hun alom geprezen debuutplaat Palomine, dit heeft uiteraard op de band ook een motiverende uitwerking. Al dreunt de onterechte vernietigende recensie op de geprezen muziekwebzine Pitchfork wel eventjes hard na. Onterecht? Ja absoluut! Bettie Serveert distantieert zich steeds meer van die Amerikaanse markt, en schijnbaar is daar minder begrip voor op te brengen. Het kwetsbare relativerende De Diva benadrukt nogmaals dat de opgelegde opgehemelde femme fatale Private Suit attitude niet bij Carol van Dijk past, en dat ze zichzelf niet boven haar overige bandleden plaatst. Hoe ironisch is het dat juist hier PJ Harvey gekleurde uithalen in verwerkt zitten. Gelukkig heeft Peter Visser dit ook goed door, en houdt hij als eindverantwoordelijke producer de uitgezette lijntjes strak in eigen handen. Misschien is dat zelfs wel de uiteindelijke redding van Bettie Serveert, zeker in deze fase.

Met een heerlijk seventies loungefunk intro herpakken ze zich in het stevig van zich afbijtende Wide Eyed Fools, waarin ze zichzelf gemeend de vraag stellen of ze nog relevant zijn. Sluiten de zwoele indierock Smack puzzelstukjes nog wel op de hedendaagse muziekcultuur aan? Captain of Maybe benadrukt het lastige voorafgaande schrijversproces, zo vanzelfsprekend komt de inspiratie niet meer uit de lucht vallen, en dat bepaalt ook mede de sfeer. Maar afgebrand? Zeker niet, het energieke Log 22 titelstuk overtuigt van genoeg zeggingskracht, de wil is bij Bettie Serveert absoluut aanwezig! Risico nemen, ze durven het weldegelijk aan om verder te kijken. Have A Heart is vintage Bettie Serveert, maar dan met een vleugje jaren tachtig white soul blazers. In de avondschemerige jazz variant bepaalt trompettist Sam Vloemans de sfeer van het prachtige Certainlie, die stiekem toch wel als de ideale afsluiter dient, al denkt Bettie Serveert daar schijnbaar anders over.

Nieuwe invalshoeken drijven ze steeds tevens van het kenmerkende geluid af. In het dromerige Given flirten ze met triphop beats en het kenmerkende My Bloody Valentine shoegazer geluid drukt zijn stempel op The Ocean, My Floor. Het White Dogs duet met Pascal Deweze trapt als een Chitlin’ Fooks duet af, maar al snel volgt het aan Lou Reed memorerende gitaarspel. Het is goed mogelijk dat White Dogs tijdens een opwarmende jam van de Velvet Underground sessies ontstaat. Het is in ieder geval een mooi waardig eerbetoon aan deze New Yorkse idolen, waarin ze schaamteloos in hun uitgebreide catalogus bladeren. Vooral die gitaren staan dus heerlijk smerig volgens de rock basisbeginselen afgestemd. En wat geeft het, ze verloochen deze adoratie zeker niet, dat is allang overduidelijk. Een gebrek aan inspiratie? Nee, juist een erkenning aan inspiratie.

Eigenlijk is er geen vuiltje aan de lucht totdat ze de veilige funkswing van het afsluitende sexy The Love-In Roxy Music glamrock inzetten. Dat is dan toch wel eventjes schrikken. Deze hadden ze gewoon anoniem aan een Britse girlband moeten verkopen. Geld innen en vervolgens wijselijk de mond houden. Anderzijds bewijzen ze hier wel dat ze weldegelijk in staat zijn om commerciële hit deuntjes te produceren. Beschouw het maar als een hele vette knipoog naar de muziekbranche. Snel vergeten, en gewoon als een niets aan de hand moment skippen. Log 22 past misschien niet geheel in het tijdsbeeld van 2003, maar voelt daardoor op langere termijn juist minder gedateerd aan.

Bettie Serveert - Log 22 | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Bettie Serveert - Palomine (1992)

poster
4,0
Haenen voor de Nacht.
Gitaarbandje met een geweldige frontvrouw..
Gevoelig een liedje brengen.
Vier minuten later is het klaar.
Geen rock, geen pop, geen lo-fi.
Het zit er gewoon ergens tussen in.
Subtiel gebruik van instrumenten.
Drum die voorzichtig zich in het gitaarspel mengt.
Zonder de zang enigszins in de weg te zitten.
Nederland heeft het.
Muziek gericht over de Oceaan.
Amerika, we komen er aan.
Ook de opnames op Pinkpop staan me bij.
Dezelfde opluchting naar het adembenemende stuk.
Glimlach als toegift.
Sprookjesachtig stemgeluid van Carol van Dyk.
Misschien wel een van onze beste zangeressen.

Het gaat hier natuurlijk om Palomine.
Voor velen de eerste kennismaking van Bettie Serveert.
Duidelijk gericht aan het alternatieve publiek.
Maar dan wel grootschalig.
Net zo rammelend als Sonic Youth.
Dromerig als Smashing Pumpkins.
Ingetogen als Buffalo Tom.
Schuchter als PJ Harvey.
Kortom, alles in zich om groot te worden.

Ondanks opvolgers Tom Boy en Kid’s Alright ging het niet lukken.
Zouden de nummers dan toch net te klein zijn.
Bettie Serveert de ultieme studentenband.
Een groep vrienden die op een zolderkamertje muziek maakt.
Waarbij de aanhang al zittend op kratjes Heineken luistert.
Net klaar met het huiswerk.
Ontspanning voor het komende examen.

Dat zal het wel zijn.
Ik ken verschillende albums van Bettie Serveert.
Draai ze af en toe.
Steeds wel het gevoel van; heerlijke muziek.
Moet ik vaker horen.
Vervolgens belanden ze weer in mijn cd-rek.
Om verder te verstoffen.

Bettie Serveert - Plays Venus in Furs and Other Velvet Underground Songs (1998)

poster
4,0
Het is in deze tijd met de antirookcampagnes onbegrijpelijk dat er zo’n vijfentwintig jaar geleden een concertreeks door een sigarettenmerk gesponsord wordt. Het is voor de eeuwwisseling ondenkbaar om zonder een biertje in de ene hand en een sigaret in de andere een concertzaal te betreden. Toch is de Marlboro Flashbacks Tour een groot succes, en staat deze aan de basis van de huidige tribute bands optredens, waarover zoveel gediscussieerd wordt. Artiesten moeten zich gewoon schatplichtig aan het eigen repertoire houden, en daarmee het clubcircuit intrekken. Vaak vergeet men dat deze er weldegelijk plezier aan beleven, en dat een beetje afwisseling ook gezond is. Sterker nog, Bettie Serveert gaat eerst met het Velvet Underground materiaal aan de slag, en herhaalt dat kunstje jaren later nogmaals met het The Cure repertoire.

Iedere rammelende experimentele indierock band is schatplichtig aan de bananenhoesplaat van The Velvet Underground. Bijzonder eigenlijk dat men deze schijf in eerste instantie niet eens zo goed begrijpt, vervolgens een cultstatus krijgt en daarna tot een heuse klassieker uitgroeit. Door velen wordt het album samen met Pet Sounds van The Beach Boys tot de belangrijkste werken van de vorige eeuw gezien. Het is dus een eer dat Bettie Serveert gevraagd wordt om zich in de nummers van The Velvet Underground te verdiepen.

Van het beroemde Velvet Underground & Nico debuut komen Venus in Furs, Sunday Morning, Black Angel’s Death Song en European Son voorbij. Bij White Light / White Heat haalt alleen de Stephanie Says bonustrack de plaat. Beginning to See the Light, What Goes On en Afterhours staan op de gelijknamige Velvet Underground album. Rock and Roll stamt uit het Loaded tijdperk en I Can’t Stand It is aangenaam opvullend restmateriaal. Ze hadden ook voor een integrale uitvoering van het debuut kunnen kiezen, het siert Bettie Serveert dat ze daar van afwijken.

De opname van Bettie Serveert Plays Venus in Furs and Other Velvet Underground Songs vinden op 27 November 1997 in poptempel Paradiso plaats, en is volgens mij het eerste optreden uit de Marlboro Flashbacks Tour die op plaat verschijnt. Brinkman Records heeft hierin een grote vinger in de pap, en het is terecht dat deze flink wat druk uitoefent om de plaat uit te brengen. Het eerder verschenen Dust Bunnies levert namelijk niet het gehoopte succes op, en het heilige vuur moet natuurlijk blijven branden, uitdoven is geen optie. De cd (vinyl was in deze periode not done) verschijnt een half jaar later in de zomer van 1998, op 24 juli.

Beginning to See the Light overtroeft zelfs het origineel. Bettie Serveert doopt de uptempo track in de nodige Paisley Underground psychedelica onder, waardoor het smerige gruizige New Yorkse stadsgeluid een zomerse Californische twist krijgt. De zeer dominante Herman Bunskoeke drukt er met zijn straffe baspartijen een duidelijke keurstempel op. Bettie Serveert in topvorm, en met genoeg vernieuwende uitbundige eigenzinnigheid. Het akoestische Stephanie Says is ondanks het gebrek aan strijkers mooi klein gehouden en ligt met het kenmerkende Carol van Dijk geluid erg in het verlengde van de Bettie Serveert klassiekers. Voor de heren voelt het wat ongemakkelijk aan om bedeesd de rol van achtergrondzangers op zich te nemen. Helemaal zuiver is het niet, maar het vormt een fraai contrast met de sterke overheersende positie van de leadzangeres.

Het psychedelisch dansbare What Goes On is steviger, chaotischer en sneller in de Bettie Serveert uitvoering. Jammer, deze track vraagt namelijk dus weldegelijk om een soortgelijke Velvet Underground aanpak. Ze rammen zich er letterlijk en figuurlijk doorheen. Venus in Furs behoort hoe dan ook tot mijn Velvet Underground favorieten, en hier leent de druggy zware sensuele stem van Carol van Dijk zich perfect voor. Mooi hoe Peter Visser hier op zijn effectenpedalen tekeer gaat. Een groter contrast met voorgaande song is bijna niet denkbaar. Sunday Morning is lief en blijft lief. Een tikkeltje onzeker en wankel, alsof de zaterdagavond kater nog lichtelijk comateus nadreunt.

Aan de duistere Black Angel’s Death Song gekte valt niet te ontsnappen, en hiermee sluit Bettie Serveert perfect bij de gedurfde experimentele Belgische scene aan, die op dat moment als een dominante strategische zet Europa opeist. Alleen het krakende, schurende vioolspel ontbreekt, daarvoor in de plaats laat Peter Visser zijn kermende fuzz gitaar in echotaal spreken. I Can’t Stand It heeft alles wat er in What Goes On ontbreekt. Berend Dubbe zorgt voor een dansbare ritmische drumbasis, de rest hoeft alleen nog maar in te haken. Waarom moeilijk doen als het ook gemakkelijk kan. De geestverruimende Madchester waanzin zorgt voor een hedendaags funkend eindexamenwerk, wat in alles in het voordeel werkt.

Het is een gedurfde keuze om de twee langste stukken achter elkaar te spelen. Toch lukt het Bettie Serveert om die aandacht volledig vast te houden. Met een hypnotiserende herhalende drumroes trapt European Son af. Misschien kunnen de gitaren en versterkers eerder op de avond deze veeleisende smerige effectenbrij niet aan, en is dit het juiste moment om het dansende publiek in trance te brengen. Dit zijn van die optredens die je zelf live wil ervaren, om dat gevoel na afloop trots te delen. Wat een meesterlijke spacende uitvoering is dit toch, en het bewijst nogmaals dat Bettie Serveert veel meer dan die Palomine hitsingle is.

Rock and Roll is meer het New Yorkse CBGB punkhol, dan de artistieke Andy Warhol kant. Lou Reed in topvorm, stoer, potig, kortom echte Rock and Roll. Carol van Dijk bezit ondertussen meer dan genoeg muzikale bagage, overtuigingskracht en levenservaringen om deze song te dragen. Daarvoor moet je het doorleefde leven zelf beleefd hebben, of er van dichtbij getuige van zijn geweest. Afterhours is hoe dan ook de ideale afsluiter, daarna is het klaar en mogen de lichten aan. Dat ze er in de geremasterde versie uit 2019 nog Here She Comes Now, Guess I’m Falling In Love, Run Run Run en There She Goes Again achteraan plakken, is eigenlijk overbodig, en dus verder niet noemenswaardig.

Bettie Serveert - Plays Venus in Furs and Other Velvet Underground Songs | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Bettie Serveert - Private Suit (2000)

poster
4,0
Natuurlijk volgt Bettie Serveert de versnellende veranderingen in het muziekklimaat, en is getuige van het feit dat een schuchtere PJ Harvey tot een zelfverzekerde rockdiva uitgroeit. Producer John Parish laat iets dierlijks ontembaars in haar ontwaken en drijft de zangeres tot het uiterste van haar kunnen. Een sensuele, gevoelige, maar ook steenharde femme fatale kant welke zelfs diep in Carol Van Dijk schuilt. Door het geëmancipeerde girlpower begrip tellen vrouwen meer dan ooit in het rockgebeuren mee, een jaren negentig erfenis die Bettie Serveert zeker met beide handen aangrijpt. Bij de bijna veertiger Carol Van Dijk beginnen de jaren langzaam te tellen, toch heeft ze nog steeds die aantrekkelijke jeugdige dromerige charisma. Anderzijds straalt ze ook het zelfverzekerde vrijgevochten feministische uit. Ondanks dat ze zich altijd als one of the guys etaleert, is het vanzelfsprekend dat ze die sexappeal meer uitspelen. De mysterieuze half ontblote Private Suit albumhoes sluit daar passend op aan.

Er is in de tussentijd wel wat in de stabiele bandsamenstelling veranderd. Berend Dubbe heeft Bettie Serveert ondertussen verlaten en brengt zelfs als Bauer in 1999 zijn aardig ontvangen eerste On The Move soloplaat uit. Voormalig De Artsen bandlid Reinier Veldman vervangt zijn plek achter het drumstel, en ondanks dat daar niks op aan te merken is, blijft hij maar voor een korte periode aan Bettie Serveert verbonden. Ook het Amerikaanse Matador label is wat terughoudend, waardoor de gitaarband noodgedwongen met het kleinere Parasol Records in zee gaat. John Parish creëert rust en evenwicht, de schreeuwerige gitaar krijgt zijn sabbaticalmomenten gegund. Piano, orgel, cello en viool zijn de nieuwe spelers op het uitbreidende werkveld. Pascal Deweze van het Belgische bijna non-actieve Metal Molly treedt bij White Tales als achtergrondzanger op, en smeedt met Carol Van Dijk stilletjes aan al plannen om zich als duo in een aansluitend Chitlin’ Fooks avontuur te storten. Niet vreemd trouwens, de stemmen kleuren elkaar prachtig in.

Een roerige tijd dus, waarvan de spanningen echter op Private Suit volledig geëlimineerd zijn. Althans, de buitenstaander ervaart vooral een vredige gemoedstoestand. Juist dat is het verraderlijke, juist die creatieve spanningen staan garant voor Bettie Serveert. De Velvet Underground concertreeks heeft weldegelijk invloed op het geluid, en buiten deze psychedelische baanbrekers, duiken ze hoe dan ook dieper de muziekgeschiedenis in. Bij mij valt ook zeker de naam van Roxy Music, die met hun experimentele artrock platen in de jaren zeventig voor de nodige roering zorgen. Private Suit is weer een prachtige plaat, maar die kenmerkende Bettie Serveert sound en verfrissende vernieuwingsdrang is schijnbaar onbewust naar de achtergrond verdrongen. Ze zijn zeker niet afgeschreven, en er klinkt ook absoluut geen uitgebluste band, die zich krampachtig als een karikatuur van zichzelf opstelt. Bettie Serveert is zoekende, ergens raken ze zichzelf kwijt. Maar waar, hoe, en wat? Het is de kunst om dat te ontdekken.

De prachtige Unsound avondduisternis staat voor het gedurfde omdenken. De nervositeit en de plankenkoorts voor het optreden. Ervaring leidt hier tot onzekerheid. Ben je nog relevant? Beheers je het kunstje nog? Of teer je juist teveel op dat aangeleerde kunstje? Doodvermoeid na afloop in een hotelkamer in slaap vallen. Morgen weer een nieuwe dag, weer een nieuwe stad, weer een nieuw publiek. Het is ironisch dat Berend Dubbe zich steeds verder van het rockgebeuren distantieert, en zijn heil in de elektronica zoekt. Bettie Serveert laat toevallig ook juist nu meer mechanische geluidseffecten toe. Op de sobere Satisfied zelfreflectie heersen de Zuid Amerikaanse ritmes van Reinier Veldman, die hiermee zijn meerwaarde verzekert. Treurviolen accentueren de duisternis, uiteindelijk zaagt de vertrouwde Peter Visser gitaar de track in precisie doormidden.

Het orkestrale winterkoude Private Suit titelstuk verschijnt als eerste op single, waar die kenmerkende lang uitgerekte Carol Van Dijk stemuithalen prettig aanwezig zijn. Ze herpakt zich niet alleen verbaal, tekstueel geeft ze ook aan dat men zich vooral geen zorgen om haar moet maken, en dat ze nog steeds meetelt. Vallen en opstaan, vooral heel diep in het spokend psychedelische Recall vallen. Het heeft die manische dEUS gekte, een gewaagd Radiohead intro, maar dus ook die voort marcherende Roxy Music fun(k)beats, waarbij Carol Van Dijk zich ook aan het swingende Bryan Ferry stemgeluid waagt. Is Auf Wiedersehen een eerbetoon aan Nico, of dekken ze hiermee een eventueel definitief afscheid in? Het is maar goed dat de plaat niet op vinyl is verschenen, dan zou het nummer namelijk de eerste kant afsluiten, nu is het een mooi ingetogen tussenstuk.

John Darmy vermeldt specifiek dat de muziek door De Artsen geschreven is. Een gevalletje aan inspiratie armoede, of gewoon te geslaagd om te laten liggen en geen gebruik van te maken. Je hoort er in ieder geval ook overduidelijk de Palomine beginselen in terug, en ik sta er niet van te kijken als blijkt dat deze drumpartijen nog van Berend Dubbe afkomstig zijn, of levert Reinier Veldman al jaren geleden het geraamte van dit hit succes af? De klassieke My Fallen Words pianoballad memoreert aan het baanbrekende The Beatles werk, maar dan met een loensende knipoog naar de meesterlijke Tori Amos, ook zo’n prachticoon. Het prachtige Healer likt de kapot gestreden wonden, en is een meer dan waardige afsluiter waar Carol Van Dijk totaal onverwacht rappend haar innerlijke twijfel een weerwoord schenkt. Niet alles is van het gelijkwaardige hoge niveau, toch is Private Suit over de gehele linie gezien een behoorlijke sterke plaat.

Bettie Serveert - Private Suit | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Big Country - The Crossing (1983)

poster
5,0
Schotse mannen hebben vaak een stoerdere uitstraling.
Bon Scott (AC/DC), Gordon Ramsey, Sean Connery en Ewan McGregor.
Afstammelingen van William Wallace
Bekend als de oer Schot Braveheart.

Trommels en Highland pipes.
Strijdend tegen de Britten.
Met opgestroopte mouwen.
Schotse Hooglanden passerend.
In A Big Country.
Fields Of Fire als noodlottig vervolg.

Het uitzichtloze bestaan van fabrieksarbeider.
Generatie op generatie.
Vader die zoon laat kennis maken met het toekomstperspectief.
Zichzelf vernederd voelend.
Willen verschuilen achter de ruiten van de kilt.
Strijdvolk veranderd in volgelingen.
Change.

Woeste zoetwatermeren.
Lochs vol met geheimen.
Omgeven door rotsachtig gebergte.
Waardoor het onweer niet weg kan.
Vissers die de regen voor willen zijn.
Thuishaven al in zicht.

The Storm is tevens verantwoording.
Geschiedenisboeken herschrijven.
Veldslagen en plundering proberen goed te praten.

Porroh Man is bijna traditioneel.
Struikrovers die hun prooi op wachten.
Ergens verscholen in de bossen.
De serie Dick Turpin.
Gestopt in een lied.
Richard O'Sullivan als de Porrohman.

Tijdsgenoten van U2.
The Edge liet in zijn gitaarspel Ierland horen.
Stuart Adamson doet hetzelfde met Schotland.
Je hoort de doedelzak er in terug.
Ruig en melodieus.

Wat met Skids niet lukte wordt hier wel bereikt.
Gelijk al de aansluiting met het grote publiek.
Al zal Big Country altijd de underdog blijven.
Net als The Alarm in de schaduw staan van Simple Minds en U2.

BIG SPECIAL - Postindustrial Hometown Blues (2024)

poster
4,5
Joe Hicklin is een stadsdichter, de nachtburgemeester van Birmingham en vooral de intense gesproken woord rappende, croonende, schreeuwende zanger van het Big Special duo. Met hun choose life Trainspotting getinte voordracht zijn de nieuwste naam in het alsmaar groeiende postpunk lichting. De kwaadaardige zaadjes ontkiemen zich in de zijstraten van de achterbuurt van Birmingham, waar dit tweetal opgroeit en samen het snode plan smeden om het verscheurde afgerafelde Groot Brittannië te veroveren.

Toch komt het succesverhaal niet zomaar uit de lucht vallen. Joe Hicklin start in 2015 zijn muzikale loopbaan met de minimaal opgepakte singer-songwritersplaat The Flesh and Bone. Er is niks mis met dit commerciële bluesfolk pop album waarop de lichtelijke maniakale verbale uitspattingen van de zanger al hoorbaar zijn. Het is dus niet verkeerd om alsnog naar het kale The Flesh and Bone op zoek te gaan, zeker als je breed georiënteerd bent, die roots graag wil terug horen en jouw interesse in prachtige luisterliedjes ligt.

Stel dat het publiek hem dan had opgepakt, dan zou de geschiedenis van Big Special een totaal andere wending hebben gehad, en er misschien zelfs geen bestaansrecht hebben. Nee, de vocalist heeft geen behoefte om zijn dagen in lokale pubs te slijten en als twee jaar later IDLES hun eersteling Brutalism uitbrengt ontstaat er een kenteling in de hersenspinsels van Joe Hicklin. Zo kan het dus ook. In de aansluitende acht jaar handeld de zanger met de nodige tegenslagen te maken, wat hem in een geharde straatvechter veranderd. Postindustrial Hometown Blues schept een realistisch negatief beeld over het gebrek aan kansen die de Brexit jongeren voorschotelen, de vergiftigende pandemie en de respectloze kijk op muzikanten die amper bestaansrecht hebben.

Juist die demonische depressies zorgen ervoor dat Big Special zichzelf boven de middenmoot uit worstelt en dat hebben ze helemaal aan zichzelf te danken. Deze spreekbuizen van de arbeidersklasse geven dat onbegrip een weerwoord. Het zijn opruiende geuzenhelden die de boosheid van de generatie Alpha verschoppelingen demonstratief op de kaart zetten. Doordat Big Special dus gebruik van spoken word passages en rap maakt en deze in een dansbaar new wave disco decor plaatst hebben ze bijna meer raakvlakken met Sleaford Mods en Arab Strab (toevallig ook duo’s) dan met de grijze alsmaar groeiende postpunk rioolratten leger.

Alleen maar lof over Joe Hicklin dus, en dan heb ik zijn maat Callum Maloney nog niet eens genoemd. Het is echter het aandeel van de drummer die het grote verschil maakt. Met de harde beats, Radio Gaga synths, industrial noise, gestoorde punkende zangpartijen van Shithouse trekken ze een jaar geleden al mijn aandacht. Hier broeit iets wat langzaamaan tot ontploffing dreigt te komen. De eerste van een zestal handgranaten waarmee ze voor de Postindustrial Hometown Blues release als hooligans al de nodige onrust zaaien, het zijn precisiebommetjes, doelgericht geplaatst. Shithouse is glamcamp in een Franz Ferdinand jasje. Met de Assepoester en Mickey Mouse verwijzing een aanklacht tegen de veramerikanisering, een ongeloofwaardige kleurrijke Disney maatschappij met de nodige droomillusies en voedingsarme fata morgana’s.

Postindustrial Hometown Blues opent echter met de nadreunende Black Country Gothic oerknal van Callum Maloney. Cyberpunkers op een Krautrock vakantietripje waar ze op geestverruimende middelen los gaan en een verstorende verstrooide chaos achterlaten. Engeland is met stront bemest en Big Special roert pijnlijk in die stinkende voedingsbodem rond. No Future 2.0 anno 2022, waar dromen genivelleerd worden en waar roem nog slechts een donker heimelijk onbereikbaar verlangen is. Met stroperige herhalende psychedelische grungeriffs schakelen we vervolgens naar de I Mock Joggers mantra over. I Mock Joggers bespot de meelopers van de maatschappij, de zielloze volgelingen die netjes in de rij lopen. Een reflecterende nachtduistere Parklife vertelling met de nodige Damon Albarn verwijzingen.

De normalisering van de ordinary people met hun vaste persoonlijke Desperate Breakfast lockdown ochtendrituelen. Een spanningsarm zinloos bestaan zonder uitdagingen waar beukende drums je wakker schudden, en een beetje roering in het kopje thee veroorzaken. Joe Hicklin kan zich nog zo tegen deze standaardisering verzetten, uiteindelijk leiden zijn allergische jeukende frustraties niet tot de gehoopte veranderingen. Een continu terugkerend generatieconflict waarin idealisme de uiteindelijke verliezer is. This Here Ain’t Water dramatiek perst de laatste emotionele hardwerkende druppels uit het emotionele gekwetste lijf van Joe Hicklin die zich hier als vergelijkbare soulzanger Brandon Flowers in zijn betere geloofwaardige The Killers jaren presenteert. We zijn hongerig, dorstig, maar de middelen om deze behoefte te lesten ontbreken. De vernietigende werking van media, politiek en het vluchtgedrag in beschikbare genotsmiddelen.

De verdovende My Shape (Blocking the Light) trance moet voor verlichting zorgen. Drugs gerelativeerd escapisme, een opgewekte mindfulness met de troostende verzachtende Joe Hicklin voordracht en neurotische beangstigende tripgoth beats die je juist dieper die magnetische afgrond in trekken. Het dansbare ritmische Black Dog / White Horse heeft iets van het croonende Arctic Monkeys werk, een lichtgewicht tranentrekker song over de liefde en deze met suïcidaal gedrag beantwoorden. Ja, helemaal vrolijk wordt het nergens. Een klein liedje over schaamte, genade, schuldgevoelens met bijna dierlijk gefloten intermezzo’s. Na een kort shoegazer intro en diep nagalmende spookzang volgen de kinderlijke Broadcast: Time Away dromen van een jeugdige Joe Hicklin die nog in een idealistische toekomst gelooft. Een gelukzalige wereld gevuld met kansen, mogelijkheden en een positief perspectief.

Bij het manisch prekende Ill klampt Joe Hicklin zich aan religie vast, en als deze niet het verlossende effect geeft, ligt daar altijd nog de beschikbare medicatie binnen handbereik. Een heerlijke verheerlijkende drugstore cowboy track met typerende Big Special uitspattingen. De theatrale opgefokte Mongrel voordracht staat als outsider wat verkeerd opgesteld. Het kan dienen als opruiende opwarmer of geslaagd nawoord, nu is het letterlijk een middenmoter, die daar niet geheel tot zijn recht komt. Het meer blikkerig computergestuurde Butcher’s Bin zet de maatschappelijke onderklasse als hedendaags verkoopwaar neer. Joe Hicklin in de rol van opruiende lontje ontstekende Firestarter. Slavenhandel in de nieuwe gouden eeuw. Materialistische grootverdieners werpen een stuk vlees in een kooigevecht en kijken amuserend minachtend toe hoe de menigte elkaar bloeddorstig verslindt.

Dust Off / Start Again haakt op het uitbenen van de maatschappelijke mislukkelingen in. Parasieten die als bloedzuigers mensenrechten minimaliseren en de scheefhouding versterken door als ongedierte flink aan de uitkeringen te knabbelen en geschikte huisvesting onmogelijk maken. Bij gebrek aan cement kan je van modder geen woningen en luchtkastelen bouwen. De grijpgrage armen werpen zich als kolossale takken boven het uitschot uit. Ze creëren een donkere verstikkende Trees schaduw over de sociale zwakkelingen. De junkies, de zwervers en de overige daklozen vormen een steeds groter strijdmacht van de zelfkant van het bestaan. Big Special mobiliseert deze minderheid tot een meerderheid, een slachtvaardig volk, maar trekt daar vervolgens abrupt de stekker uit.

For The Birds is de dromerige onvermijdelijke bezinnende pianoballad welke alle eerder geuite emoties tot een vredig geheel kanaliseert. Onnodig? Zeker niet, een bewustwording die tot het overweldigende Dig! leidt. Het slotakkoord van de lijdensweg. We begraven het verleden en in die eerder aangehaalde rottende bodem ontstaat uiteindelijk nog een zuurstofrijke voortzetting van het bestaan. Het is allemaal zo cliché, maar hangt het leven niet als clichés aan elkaar? Postindustrial Hometown Blues is de zoveelste verrijking van het postpunk klimaat, waarin bands steeds meer een eigen identiteit opbouwen.

Big Special - Postindustrial Hometown Blues | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Big Thief - Dragon New Warm Mountain I Believe in You (2022)

poster
4,0
Maar liefst twee studio albums levert het uit Brooklyn afkomstige indie folkrock gezelschap Big Thief in 2019 af. U.F.O.F. verschijnt in de lente en Two Hands ziet in het najaar het licht. Genoeg nieuw materiaal dus om een wereldtournee mee op te starten. 2020 begint echter dramatisch met de dreigende lockdown die uiteindelijk roet in het eten gooit. Teleurgesteld wordt er een flinke streep door de concertenreeks gezet, en zondert vooral leadzangeres Adrianne Lenker zich van de rest af. In Massachusetts werkt ze aan haar hutje in de bergen tweeluik Songs & Instrumentals, waarmee ze de eenzaamheid met kleine geluksmomenten bestrijdt en op ontroerende wijze de sleur van de opgelegde traagheid met de prille natuurlijke lente zaligheid inmengt. Vanuit stilstand het bloeiproces volgend, letterlijk en figuurlijk op de gevoelige plaat vastleggend.

De dubbelaar Dragon New Warm Mountain I Believe in You telt maar liefst twintig tracks, een fors aantal dus. Maar eigenlijk is dit nog zelfs een beperkte keuze uit de ruim vijfenveertig afgeronde nummers die het viermaandelijkse creatieve proces oplevert. Een indrukwekkend reisverslag van een op hol geslagen kompas die je naar een viertal opnameplekken brengt. Waren Adrianne Lenkers kindjes op Songs & Instrumentals nog naakt in hun onschuld, op Dragon New Warm Mountain I Believe in You zijn ze vertroeteld met lekkere warm zittende kleding.

Och, zijn de avonden maar allemaal zo zwoel en plakkerig als bij Change. Korrels strandzand kruipen tevreden tegen de akoestische instrumenten aan, knisperen in de laaghangende gloed die het aangestoken brandhout opwarmt. De stemmige melancholische blauwe maan laat zich door horizontale zilveren glinstergolven wegdragen welke in eb positie afstandelijk een wakende blik op het folky viertal werpt. Dit is de Big Thief die je wil horen, met de vertrouwde hoge Adrianne Lenkers vocalen, haar fragiliteit wegspoelend in het dorstlessende besef dat de dood ook gewoon een deel van het leven is, en daar proosten we op.

De stadse zelfverzekerdheid van het grimmige Two Hands geeft een vertekend beeld. De wereld beperkt zich niet tot metropolen, dit zijn echter veilige startpunten het rumoerige leven kanaliserend. U.F.O.F. is de picknick in de buitenlucht. Het geplande jaarlijkse uitstapje om onbestaande herinneringen te verbreden. Adrianne Lenkers neemt op Dragon New Warm Mountain I Believe in You haar collega muzikanten mee naar het aangrenzende New Yorkse platteland. Daar in het schaduwgebied van de torenhoge uitstekende gebouwen verdringen ze de pandemie naar de achtergrond om de hersenenleegstand met bewoonbaar verklaarde ideeën te vullen.

De verkoelende frisheid halen ze uit de aan de rand van California gelegen Topanga. Een rustgevende omgeving waar voorheen Hollywoodsterren de roem ontvluchten en anoniem in hun vakantie resorts verblijven. Die luxe ontbreekt in het verdorde hete Tucson woestijngebied. Vurig en broeierig, prikkelend als de vertakkingen van de verwilderde woekerende grijpgrage cactusgroei. Het schilderachtige Bob Ross decor van The Rocky Mountains sluit nog het meeste bij die omstandigheden aan waarin Adrianne Lenkers solerend aan de slag ging.

Hierdoor kan de viool in het stadse Spud Infinity als een krolse straatkat jammeren, en bij de melancholische countryklanken van Red Moon de duisternis toelachen. In verdrukking rakende gitaarsnaren ontleden zichzelf in de retro new wave disco stemmingsakkoorden van Time Escaping. Het ene moment wordt je corrigerend door strenge afstraffende beats op de vingers getikt die vervolgens tot een jubelende marcherende fanfare toegift overgaan. Risico eliminerend bij Heavy Bend en in het safety first gefloten No Reason niemendalletje. Lust opwekkend verstrengelend in de Sparrow speeltuin van Eden. Dragon New Warm Mountain I Believe in You is de bevrijdende sprookjesachtige droomvlucht in een te vredig milieu, prachtig in haar onbegrensde eenvoud.

Big Thief - Dragon New Warm Mountain I Believe in You | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Bikini Atoll - Moratoria (2003)

poster
3,5
Dat een sportcarrière maar een beperkte houdbaarheidsgarantie biedt, beseft Britse turnster Viva Seifert maar al te goed. Haar deelname aan de Olympische Zomerspelen van 1992 te Barcelona levert niet het gehoopte succes op. Samen met haar broer Joe Gideon richt ze zich op hun wederzijdse liefde, de muziek. De met Heather Nova toerende bassist Bastian Juel sluit zich aan, net als drummer Ché Albrighton, zoon van Roye Albrighton, zanger van het Duitse Nektar. Zo is Bikini Atoll rond de eeuwwisseling een feit.

Vanwege dit internationale karakter klinkt Bikini Atoll zo veelzijdig als maar zijn kan. Dat merkt Simon Raymonde ook op, die het viertal voor zijn Bella Union label contracteert. Door de vele Sonic Youth invloeden komt het in 2004 verschenen Moratoria in het vizier van producent Steve Albini. Met hem nemen ze opvolger Liar’s Exit op. Bikini Atoll is ondertussen allang opgedoekt, Viva Seifert en Joe Gideon zetten hun samenwerking in Joe Gideon & the Shark voort. Na twee platen wordt het stil en het tweetal raakt in vergetelheid. Niet bij Simon Raymonde, die het twintig jarige bestaan van Moratoria eert en er een jubileumheruitgave aan koppelt.

Moratoria is dan ook een bijzondere plaat. Het Moratoria titelstuk zet je direct al op het verkeerde spoor. Met vervreemdende elektronica, vaag pianospel, vlagen aan gitaarakkoorden en een meesterlijk spelende Bastian Juel, introduceren ze een kosmische trip door het muzikale Bikini Atoll sterrenstelsel. Then Amplify wast je oren met schel nadreunende garagenoise en de bijeen gezochte zinnen van Joe Gideon. De nadruk ligt het spelen met versterkte krachtexplosies en het ontwrichten van de songstructuur. Stelt Joe Gideon hier zijn geraffineerde postpunk voordracht nog ondergeschikt aan het lawaai op, bij het uitgesneden Cinnamon maatwerk voegt hij daar meebuigende dromerige rauwe melodielijnen aan toe.

Black River Falls is het rustige middelpunt in de tornado. Alles draait in versneld tempo om deze kern. Volgens de Amerikaanse negentiger jaren gitaarrock ideologie spelen ze met harde en zachte passages. Black Dog hakt er vervolgens lomp hard in. Hoe kan je binnen een minuut tijd de studio de vernieling in helpen? Black Dog voelt als onvrede, zo destructief als maar zijn kan. Het heeft een hoog psychedelisch postrock gehalte, waar Bikini Atoll onverschillig doordacht mee omgaat. Juist die eigenzinnigheid siert ze en juist die eigenzinnigheid maakt het ze zo lastig. Niet vreemd dus dat het gezelschap zich vernoemd heeft naar de testlocatie waar kernbommen tot ontploffing worden gebracht. De perfecte benaming voor die creatieve experimentele sound.

Cheap Trick leunt erg op het stemgeluid van Thurston Moore, al geeft Bikini Atoll er een vroege jaren tachtig new wave twist aan. Ergens zijn ze dus in staat om weldegelijk alternatieve kop- en staart-liedjes te componeren. Met het donkere melancholische Perfect Method Flawed wagen ze zich in de The Jesus and Mary Chain visvijver waar ze rond Darklands in baden. In het afsluitende Desolation Highway en Clear Water Gravity tweeluik benutten ze alle vrijheid om zich op gebruiksvriendelijke wijze nog even flink uit te leven. Het psychedelische duistere Desolation Highway als de berusting om Clear Water Gravity te verantwoorden. Daar pakken ze in een episch eindconclusie uit, de sprankelende schoonheid van het minimalisme. Juist met die lang uitgerekte nummers maken ze het verschil.

Bikini Atoll - Moratoria | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Bill MacKay & Nathan Bowles - Keys (2021)

poster
3,5
Het mag duidelijk zijn dat een grootheid als de Britse folk held Michael Chapman er niet voor kiest om met de minste collega’s aan de slag te gaan. Tijdens zijn Amerikaanse avontuur werkt hij samen met artiesten die ondergebracht zijn bij het Paradise of Bachelors label. Zo vertolkt gitarist Nathan Bowles een grote rol op het Americana album True North, terwijl hij ondertussen gewoon zelf doorgaat met het maken van schitterende soloplaten. Bill Mackay is tevens een geroutineerde gitarist en heeft een verleden als begeleidende compagnon bij singer-songwriter Ryley Walker opzitten. Dit zijn maar een paar voorbeelden uit de rijkelijk gevulde curriculum vitae van de twee rasartiesten die elkaar nu vinden in het experimentele Keys, een sleutelplaat in hun gezamenlijke zoektocht in de folky rootsmuziek.

Keys is dus overduidelijk een warme gitaaralbum geworden met hier en daar wat stijlvol pianotoetsenwerk van Nathan Bowles, die als multi-instrumentalist grotendeels verantwoordelijk is voor het fundament. Zijn banjo gepingel zorgt voor de opkomst van de zonnestralen in de groene omgeving van North Carolina. Het laat de luisteraar kennis maken met een intens verlangen naar de bepalende horizon van de Appalachen gebergtes en de geheimen van de eeuwenoude tradities die hij laat samenvloeien in een breed beeldende natuurbeleving. Voorzichtig stopt hij er nog zachte percussie tussen, die er alles aan doen om het landelijke evenwicht niet te verstoren. En de uit Chicago afkomstige Bill Mackay? Die past zich wel aan. Met zijn verleden in de avant-garde, jazz en folk kan hij zich overal wel schikken. Geef hem maar een gitaar in zijn handen en hij volgt wel. Het klinkt allemaal zo simpel, maar dat is het zeker niet.

De avontuurlijke grenzen van het broeierige spanningsveld worden opgezocht in het prachtige samenspel van het avondduistere Thruth. De hymne Idumea is uitgekleed en opnieuw gestyled zal men misschien vaag herkennen maar niet direct kunnen plaatsen. De gezongen klaagzang versie van deze 200 jaar oude traditional is onder andere terug te horen op de Cold Mountain soundtrack. Zonder die dramatische spookachtige vocalen is het wel wat minder spannend. Toch is het in deze dromerige uitvoering een prima opener, te herplaatsen in een totaal andere context met een totaal andere doelstelling. Honey Time gaat terug naar het oer primitieve rock & roll ontwikkelingspunt van waar vanuit Elvis Presley te werk ging. Met een klein beetje fantasie is deze te herleiden tot Suspicious Minds.

Toch klinkt het Keys een stuk universeler dan de gemiddelde country roots plaat. Vreemd genoeg roepen de prikkelende tracks als Idumea, The I in Silence en de twee Dry Ration stukken bij mij juist regelmatig een Oosters gemoedstoestand op. Er straalt hoe dan ook al zoveel rust van Keys uit, en de zoemende geluidsgolven werken concentrerend mediterend volgens het boeddhistische Zen principe. De vrolijkheid van Joy Ride nodigt je uit om ouderwets al liftend naar buiten te trekken. Zoals je daar getriggerd het oog richt op de kleine dingen is het hier het gehoor wat gestreeld wordt. Een sterke instrumentale basis waaroverheen soms flarden songteksten het afwijkende pad belopen. Als God daadwerkelijk de wereld in zeven dagen geschept heeft, dan is het religieuze I See God en het instrumentale ochtendwandeling Dowsing een mooi eervol dankwoord waarbij stil gestaan wordt bij de schoonheid van de natuur.

Bill MacKay & Nathan Bowles - Keys | Roots | Written in Music - writteninmusic.com

Bill Nace - Both (2020)

poster
3,5
Both is een partijtje vrije improvisatie van de uit Pennsylvania afkomstige gitaarbeul Bill Nace. Een redelijke bekende naam in de avant-garde scene, zeker bij de voormalige Sonic Youth boegbeelden Thurston Moore en Kim Gordon. Met die laatste ging hij met het rauwe onheilspellende Body/Head project aan de slag, waarbij de verslavende zang van Gordon er net genoeg herkenning in stopt, en het in de alternatieve kringen nog enigszins opgepakt wordt. Zonde, want het is een plaat die zeker meer aandacht verdiende.

Dan is Both nog een tikkeltje lastiger te plaatsen. Het is gitaarmuziek in verregaande staat van ontbinding, klaar om tot aan het ontblote bot ontleed te worden. Het instrument schreeuwt om mishandeld en afgewezen te worden. Vanaf het startschot gilt en schuurt Both het zich als een gepijnigd fijn geknepen explosief karakter meedogenloos je gehoor binnen. Alsof Bill Nace totaal geen invloed meer heeft op de zwaar industriële krachten die zich vanuit het tot het uiterste versterkte stuk hout openbaren. Dit is een slagveld van gewelddadige onnatuurlijke geluiden die juist door het bevreemdende karakter zoveel rust uitstralen.

Bill Nace start een gerichte aanval op de veilig opgestapelde gitaarmuur waarbij elke steen door oorverdovend lawaai tot afbrokkelen gedwongen wordt. Een knap samenspel tussen zoemende gitaarakkoorden met op de achtergrond verlichtende mediterende Oosterse new age geluidsgolven zich eenvoudig laten bevruchten door Christelijke kerkelijke harmonium stuiptrekkingen met een universele voedzame ejaculatie als gevolg.

Het bevind zich aan de voet van de kakofonische industrial. Aarzelend en herhalend zoeken de unheimische krachten een doorgang om definitief toe te slaan. Met minimale fracties van veranderingen in het speelveld blijft het als een hongerig roofdier zijn prooi verstijven om vanuit gepaste afstand zijn angstzweet te ruiken, echter zonder daadwerkelijk toe te slaan. En dat is wel een lastig heikel punt bij Both, er gebeurt genoeg om verder mee aan de slag te gaan, maar het blijft hangen in langdradige onberekende collages.

Toch is het die stimulans die hem in samenwerkingsverbanden tot het uiterste drijft, welke hier gemist wordt. De katalysator zit ingekapseld in onuitgewerkte passages, waarbij juist die hard bijtende passant ontbreekt en het een eenzame strijd wordt tegen de gangbare normen en waardes in de instrumentale muziek. Heerlijke ritmische mitrailleurschoten worden weg gefilterd door een zwerm aan rond suizende noise en onmenselijke hoge klanken die proberen te ontsnappen aan alles waar de definitie van muziek ooit voor gestaan heeft.

Both is net als de indrukwekkende albumhoes een bijzonder kunstwerk met onvoorspelbare vernietigende wendingen, waarachter zich ondertussen alweer iets moois sereens vluchtbaars tot groei komt. Zelfs het meest hardnekkige onkruid kan prachtige kleurrijke bloemetjes voortbrengen. Het is de maatschappij die ze als lelijk en overbodig betitelt.

Bill Nace - Both | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Bill Ryder-Jones - Iechyd Da (2024)

poster
4,5
Als Bill Ryder-Jones in januari 2008 de cruciale beslissing neemt om uit het succesvolle Britse The Coral rockband te stappen is hij genoodzaakt om zich op zijn solocarrière te richten. De podiumangsten slopen de mentale gezondheid van deze singer-songwriter welke in zijn jeugd ook al getuige is van een traumatisch ongeval wat het leven van zijn broer opeist. In het geval van Bill Ryder-Jones levert deze ommekeer bloedmooie songs op, welke vooral op het meesterlijke Yawn volledig tot bloei komen. Written in Music heeft een zeer open gesprek van deze ambitieuze dromer die op de vooravond van zijn solo doorbraak door de pandemie storm verzwolgen wordt en onzichtbaar in de luwte verdwijnt.

Het is een onzekere periode, de stilte wakkert zijn onderliggende paniekaanvallen opnieuw aan en als dan ook nog een relatie sneuvelt stelt Bill Ryder-Jones zich voor de keuze om zich definitief uit de muziek business terug te trekken of om het verdriet therapeutisch van zich af te schrijven. Hij kiest voor het laatste. Vanwege zijn perfectionisme duurt het opnameproces langer dan verwacht. Zelf beschouwt hij Iechyd Da als zijn meest uitgebalanceerde werk sinds A Bad Wind Blows in My Heart, zijn persoonlijke favoriet.

Iechyd Da verschijnt bijna precies zestien jaar nadat hij zijn werkzaamheden bij The Coral afsluit. Iechyd Da, we proosten met een veelvoud aan goede voornemens op het nieuwe jaar. Iechyd Da verwelkomt 2024 in dertien prachtige nummers, precies zoals we van Bill Ryder-Jones kunnen verwachten. De liedjesschrijver brengt de schoonheid van het verdriet tot leven, en is hierin nog persoonlijker dat wat men van hem gewend is. Het vreugdevolle If Tomorrow Starts Without Me lentesong legt zich bij het feit neer dat de wereld zich voor een mooie doorstart klaarmaakt. De aarde zal ook zonder de fysieke aanwezigheid van Bill Ryder-Jones doordraaien, zeker omdat zijn liedjes wel die langdurige eeuwigheidswaarde bezitten.

Dat hij veel waarde aan zijn kinderjaren hecht getuigt wel van het feit dat hij op Iechyd Da veelvoudig gebruik van een kinderkoor maakt en met het We Don’t Need Them slaapliedje het nageslacht tegen de toekomstige gevaren beschermt. Uiteindelijk ben je toch op jezelf aangewezen en vervormt de directe omgeving slechts dit beeld. De onschuld van de jeugd staat in groot contrast tot de geleefde jaren van Bill Ryder-Jones, en roept juist bij hem onbezorgde nostalgische gevoelens op. Hij teert op die kracht en buit deze liefdevol uit. Dichter bij die kern is hij nooit eerder gekomen. Mick Head van The Pale Fountains kruipt bij …And the Sea… in de vaderrol en leest in het bombastisch theatraal aangezette stuk een gedeelte uit de Ulysses roman van James Joyce voor. Zo eenvoudig simpel huiselijk kan het zijn.

Cristinha laat de zon definitief in de zee wegzinken, een vergeten parel te ruste. I Hold Something in My Hand houdt dat laatste sprankje hoop stevig vast. Loslaten is in de praktijk lastiger dan herinneringen blijven koesteren. De track beschikt de God Only Knows echo van The Beach Boys waardoor er onbewust een vraag en antwoord spel ontstaat. De gedirigeerde How Beautiful I Am pianotrack biedt troost en bevestigd nogmaals dat je na alle tegenspoed altijd in jezelf moet blijven geloven. Soulvolle slidegitaarakkoorden wentelen de song in een badje aan innemende geluidsgolven tragiek onder en mengen zich geruisloos tussen het betere latere Spiritualized geluid. Hier spreekt de liefde voor het psychedelische Jason Pierce geluid, een leermeester die hij naast zijn andere grote voorbeeld Gruff Rhys van Super Furry Animals op een gelijkwaardig voetstuk plaatst.

I Know That It’s Like This (Baby) begraaft de achterliggende romantische breuk in zacht tederheid. Na het beladen emotionele vrouwen intro volgt een coole staande bas met op de achtergrond de For What It’s Worth sampler van de Buffalo Springfield. Met backing vocals die de gedachte aan het betere Velvet Underground werk oproepen. Een perfecte wiegende basis voor het heerlijk opbouwende relaas van deze indrukwekkende verslaglegging, waar Bill Ryder-Jones alles uit de kast haalt om deze song die extra injectie aan kracht te gunnen. Sirene zuchtmeisjes verleiding, pianoballad zekerheden en vooral die kenmerkende mijmerende praatzang van de uitvoerder zelf.

Ja, Bill Ryder-Jones pakt groot uit, en schuwt hierbij tevens het magistrale The Beatles verleden niet. Hij durft zich in A Bad Wind Blows in My Heart Pt. 3 naast tekstschrijvers als John Lennon en Paul McCartney te plaatsen. Grootheden waarbij hij net uit die schaduw treedt en zijn eigen breekbare voordracht aan toevoegt. Zielenpijn in gebroken liedjes kleinkunst. Een potentiële klassieker waarmee hij zijn schrijverstalent nogmaals verzilvert. Het is een meer dan waardig vervolg op het A Bad Wind Blows in My Heart thema van de gelijknamige plaat, een sleutelsong waar hij al eerder aan refereert. Het Thankfully for Anthony sentiment is dan ook een Anthony & Owen zustertrack van datzelfde album en vult de openstaande hiaten van zijn vroegere werk op.

In het nachtelijke spirituele This Can’t Go On en verduisterend Nos Da afscheid boetseert Bill Ryder-Jones zijn sterrenhemel verder uit. Hij kneedt de tracks liefkozend beminnend tot een stevig bruikbaar fundament. De Welshman verloochent zijn afkomst nergens en behalve de Iechyd Da albumtitel en het afsluitende Nos Da goodbye song grijpt hij met de kinderstemmen opgesierde Nothing to Be Done folk overduidelijk naar zijn roots trots terug. In het verregende melancholische It’s Today Again herplaatst hij de jaren tachtig nostalgie in het identieke heden. Ergens verandert er alles, ergens blijft alles hetzelfde.

Bill Ryder-Jones - Iechyd Da | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Billy Idol - Idol Songs (1988)

Alternatieve titel: 11 of the Best

poster
3,0
Blijft een geval apart.
Deze punker met musical ambities.
Wilde volgens mij graag figureren in de Grease film.
Samen met John Travolta Olivia Newton-John versieren.
Die dan ontmaagd zou worden in een heftige trio.

Met Adam Ant vormt Billy Idol de Britse Batman en Robin.
Samen vechten tegen de boze buitenwereld.
Vermeende seksuele relatie.
Mislukte tieneridolen.
Waarvan de Hitkrant posters verschillende puberkamers net niet haalden.
Categorie teveel haar op verkeerde plaatsen.
Herinner me zo ook nog een plaatje van de band Imagination.
Waarbij de schaamstreek begroeiing van de zanger zichtbaar was.
Dat soort artiesten.
Gemaakt om te mislukken.

Is de muziek dan zo verkeerd?
Daar is op zich niks mis mee.
Genepte stoerdoenerij.
Vuist in de lucht bij een liefdesliedje.
Eyes Without A Face.
Wat had ik dat grietje graag een gezicht zonder ogen gewenst.

Doet me denken aan een goed scorend televisie programma.
Op Goed Geluk.
Ook jaren 80.
Gaat die schuif omlaag.
Staat daar opeens Billy Idol tegenover je.
En dan de week erop verslag doen over de date.
Omdat je verplicht een avond samen moet door brengen.

Hij is het net niet.
Al blijft Billy er zelf in geloven.
Zijn huis hangt vol met foto’s van zichzelf.
Spiegelend plafond.
Blonderend stekels met arrogante kop.
Kicken op zijn ego terwijl hij de ruimte rond danst.
Denkend aan een mooi huwelijk met zijn zestienjarige buurmeisje.

In de Verenigde Staten kreeg hij wel voet aan de grond.
Vreemd genoeg past zijn muziek prima bij series als Miami Vice.
Al is de verklaring duidelijk.
De afwezigheid van die lachwekkende serieus boze blik.
Die de camera blijft volgen.

Billy Meier - Sounds from Erra (2019)

poster
3,0
De uit Zwitserland afkomstige schrijver Billy Meier is zijn hele leven al gefascineerd geraakt door het leven op andere planeten. Hij kwam regelmatig in het nieuws vanwege foto’s van UFO’s. Zijn visie raakte regelmatig in opspraak vanwege het gerommel met zijn bewijsstukken, waarvan bij vele waarnemingen achteraf bewezen werd dat het hier om trucage ging. De psychedelische Noorweegse band Billy Meier heeft zich genoemd naar deze schijnbare ziekelijke fantast.

Op Sounds from Erra staat de denkbeeldige planeet Erra centraal. Dit vreemde conceptalbum heeft raakvlakken met het baanbrekende werk van het zwaar door drugs beïnvloedde Gong van Daevid Allen. Billy Meier mengt traditionele instrumenten als viool en fluit met gitaar, drums en synthesizer. Hierdoor ontstaat er een toekomstig beeld van een leefgemeenschap in het verre sterrenstelsel, welke als basis terug gaat naar de sprookjesachtige Middeleeuwen, met zijn sages en legendes. Uiteraard zijn er ook raakvlakken met Tolkiens Midden-Aarde, welke centraal staat in de In De Ban Van De Ring verhalen.

Door de exotische New Age van het sterke Leaving Planet Earth waan je jezelf in een proefrit van een pas geopende Efteling attractie. Het wekt genoeg nieuwsgierigheid op om deze psychedelische trip te vervolgen. Met een yoga achtige voice-over wordt je tot rust gebracht om helemaal zen in de wereld van Billy Meier te stappen. Waarbij de traditionele westerse volkscultuur de basis lijkt te vormen voor de oosterse uitstapjes.

Woeste tribal percussie ontfermen zich over lieve knuffeldieren bliepjes in het bijzonder springerige Contact. Vervormde violen spannen samen met aangename gitaarecho’s onder een mantra beat van zwoele donkere drumpartijen in Semjase’s Cry (To Her Lost Lover Billy). Steeds als er iets dreigt te gebeuren gaat vervolgens de rem er op met ambient soundscapes. De introducerende reisleidster is leuk, maar mag vervolgens achterwege blijven. Dit geeft afbreuk aan het avontuurlijke, waardoor de ruimte om zelf de muziek te ontdekken wordt geminimaliseerd.

Het funky bas gefreak van Plejarens By The River is misschien wel minder futuristisch, en meer retro seventies gericht. Het wil wel de vertroebelde aandacht wegvagen. Direct is de focus terug naar deze Noorweegse muzikanten. Met gedurfde jazzy snapshots vervolgt een meer improviserende lijn. Een heerlijke lijn waarvan alle logica lijkt te ontbreken. Speels is daar het Casio klinkend electronisch orgeltje waar heel basic op gepield wordt in het zwaar bezopen Space Train. Helaas gaat dit te lang door tot een effectloos einde. Al snel zwakt het af tot een opgedroogde bron van inspiratie.

Het jengelende banjo gitaartje dat overgaat in aangenaam bas en fluit gejam maakt van Billy’s Night Out een overheersend hoogtepunt. Dit weten ze tot in alle finesse uit te bouwen, om volledig los te gaan met repeterende trompet spel. De gestoorde drones in Double Full Moon overschrijden de irritatie grens, zeker als daar amateuristisch synth geklooi aan toegevoegd wordt. Verschrikt gaan we op zoek naar andere levensvormen op Leaving Planet Erra, concluderend dat ze daar minder ontwikkeld zijn dan op onze Aarde.

Sounds from Erra wil teveel rondcirkelen. Verder dan de belevingswereld van twee dementerende goudvissen die rondjes zwemmen in een vissenkom komt het niet.

Billy Meier - Sounds from Erra | Jazz | Written in Music - writteninmusic.com

Bitter Moon - The World Above (2020)

poster
4,0
Dat de belangstelling naar The World Above van het uit Zwitserland afkomstige duo Bitter Moon in Nederland bovengemiddeld is, komt voornamelijk door het feit dat Jacco Gardner verantwoordelijk is voor de productie. Dit muzikaal wonderkind weet zelfs buiten de landsgrenzen indruk te maken met zijn psychedelische sixties sound op het droomdebuut Cabinet of Curiousities. Vervolgens vervaagt hier stilletjes de aandacht, en na het minder goed ontvangen instrumentale Somnium is daar zijn ontdekking Bitter Moon, die als voorprogramma met hem op stap gaat.

Het is de kunst om het unieke geluid van Bitter Moon groots neer te zetten. Met deze lastige opdracht gaat het schuchtere studiodier aan de slag. Een onmogelijke opgave waarbij hulplijn Simon Heyworth ingezet wordt. Zijn ervaringen met de krautrock pioniers van Tangerine Dream en een indrukwekkende bijrol in het opnameproces van Mike Oldfields Tubular Bells maakt van hem een veelgevraagde producer die het alternatieve geluid kan vercommercialiseren. Hierbij blijft hij dicht bij de kern die de artiesten willen overbrengen. De leerling en de meester aan het werk, met The World Above als wonderbaarlijk eindproduct.

Zenos Paradox is een tochtende open deur die je verwelkomt in de kille wereld van Bitter Moon. De dromerige elektronica wordt ingeleid door de stampende percussie van Nic Mauskovic om over te gaan in de bombastische geluidsexplosies en tempowisselingen vanaf Images die ergens tussen de blikken jaren tachtig avant-garde en de new age ambient sound van de negentiger jaren zweven. Gedurfd, en geslaagd. Titeltrack The World Above heeft dat typerende seventies futuristische, wat vaak als omlijsting gebruikt wordt bij de Japanse science fiction tekenfilmseries uit die periode.

De meerwaarde zit hem in de praatzang die helaas minimaal aanwezig is. Zo weet Reka Csiszer in Formlos al een bepalende leegte toe te voegen die zich perfect kan hechten aan de sobere kleurklanken van Simon Bernardoni. Bij Gloria is het tegenovergestelde gaande, hier geeft haar lazy zang juist meer diepgang aan de heersende exotica. Het gesproken mysterieuze Kontakteinseit zou zeker mede door de Duitse taal prima passen op een donkere Wim Wenders soundtrack. Een bijzondere afsluiter waarbij de vocalist met haar verdiepende treurnis vocalen in topvorm verkeert. De lugubere sfeer geurt naar de zijstegen van de grote stad, waar randfiguren een worden met de schaduw om in de duisternis te shinen.

Een geslaagde samenwerking, waarbij weer eens het belang van de juiste personen achter de knoppen benadrukt wordt. Gardner houdt zich al een tijdje minder gericht bezig met de retro hippie sound, en laat ruimte toe voor jaren zeventig synths. Precies op dat punt treffen ze elkander. Vanwege de huidige onzekere toekomst van de muzikanten is de release bewust een maand naar achteren geschoven.

Bitter Moon - The World Above | Electronic | Written in Music - writteninmusic.com

Björk - Debut (1993)

poster
4,0
Eigenlijk was het bij The Sugarcubes al duidelijk dat Björk de persoon met het meeste talent was, en met haar aparte stemgeluid en verschijning, het gezicht van de band was.
Het kindstemmetje is gebleven, maar toch klinkt ze hier een stuk volwassener.
Wel was ik verrast door het hoge nivo van Debut, en de variatie op dit album.
Ondanks de productie van een Nelly Hooper is het gelukkig geen Triphop album geworden, terwijl die stroming toen net in opkomst was. Dit is duidelijk Björk.
Human Behaviour is bijvoorbeeld een nummer met de typische Sugarcubes invloeden, maar wat zo door een Big Band kon worden uitgevoerd. Bij het volgende album Post is het nog beter hoorbaar bij It’s All So Quiet.
Verder wordt er ook hoorbaar met House geflirt. Het mooiste resultaat hierop is Big Time Sensuality.
Regelmatig moet ik aan slaapliedjes denken (ken er aardig wat, met een jonge dochter), vanwege de klanken die er tussendoor gebruikt worden.
Persoonlijk ben ik ook wel blij dat later Play Dead van de film The Young Americans nog is toe gevoegd.
Helaas werden de volgende albums steeds moeilijker en artistieker. Op Debut was de balans het beste in orde.

Björk - Fossora (2022)

poster
4,5
Door haar opvallende verschijning, haar mysterieuze IJslandse geboortegrond en haar lieve feeërieke sprookjeselfjes uiterlijk verovert Björk de harten van de alternatieve muziekliefhebber. Eerst als frontvrouw in het tegendraadse geniaal neurotische The Sugarcubes, vervolgens met de dansbare variant van het toegankelijke vrolijke Debut. Haar feministische zelfverzekerdheid krijgt een flinke deuk wanneer ze in labiele overspannenheid gefrustreerd een aasgierige fotograaf aanvalt. De schrijvende pers zet haar vervolgens als een arrogante wispelturige persoonlijkheid neer. Hoe ver moet echter je gaan om het privéleven van een popster binnen te dringen? Zijn de grootste stalkers niet de grens vervagende paparazzi die koste wat het kost zich als verziekende parasieten opdringen, leegzuigen en het mediacircus met een hoopje aan zurige shituitwerpselen besmetten?

De bescheiden Björk overstijgt deze ellendige benadering door vervolgens nog maar sporadisch interviews te geven. Als een beschermende moederfiguur ontfermt ze zich om haar gezin. Publiciteitsarm zoekt Björk de rust in de flora en fauna van de koude zilverkleurige vlaktes van IJsland. Ze is gelijkwaardig met de natuur en projecteert dat in het gedurfde spirituele Utopia. Haar eigen wereldschepping, haar eigen idealisme in haar eigen omvattende werkelijkheid, botsend met het gevaarlijke realisme. Veilig, overzichtelijk in balans met Moeder Aarde. De cirkel is rond, krachtig als een onbreekbare ijzeren ketting. Muziekliefhebbers hebben er vrede mee dat de zangeres de business vaarwel zegt, de anonimiteit opzoekt en hiermee een vruchtbare gepassioneerde periode afsluit. Men weet dan nog niet dat de ontkiemende barokke resttrack Allow om een vervolg vraagt en gepast het moment afwacht om Fossora te introduceren.

Deze uitgebreide geschiedvertelling is nodig om Fossora beter te begrijpen. Björk graaft haar afgesloten verleden weer op en plaatst die massa aan levensbepalende ervaringen in het heden. Ze graaft dieper in de pijn en het onbegrip, dieper in de geluksmomenten, dieper in haar volksliederen roots waar ze het klassiek traditionele sobere Fagurt Er í Fjörðum treft. Op Fossora confronteert ze schoonheid met lelijkheid, wat een agressief chaotisch geheel oplevert, maar waarin net zoveel ruimte voor de muzikale kunstvormenpracht en adembenemende klimaatbeleving is. Vergeet niet dat de afstervende aarde nog steeds een immense doodbloedende wond is, welke de onzekere milieutoekomst voor strijdbaar kapitalisme opoffert. Vernietigende bulldozers graven dat laatste stukje aan groen weg. Björk plant in de donkere onderlaag een dertiental aan onkruid verdelgende zaadjes, klaar om tot bloei te komen. Het overbevolkte transformerende Fungal City mierennest territorium, half aards ondergronds, half toereikend bovengronds.

De a capella interrupties in het bevreemdende Mycelia vormen hierbij een belangrijke sleuteltrack. Hoe een netwerk aan liefde bedrijvende gevlochten schimmeldraden zich op vergiftigende mestgronden ontplooien tot een organisch ecosysteem. Humusrijke leegrovende Atopos landslakken, die hun slijmerige spoor in de openingstrack achterlaten. Volgevreten traag in een gevuld aardedekbed met dromerige nachtmerrie bestrijdende tegendraadsheid en hemel bestijgende vluchtbasklarinetten. Een hoekige paringsdans waarmee de vocalist naar de opruiende KUKL basisklanken teruggrijpt waarmee het Björk verhaal vorm krijgt. Een kakofonische klankenbrei, in het gareel gehouden door de oorverdovende militante gabberhouse van geluidsterrorist Kasimyn, die er de nodige explosieve dancebeats onder dropt. Zijn gewetenloze aanpak om met het griezelig industriële voodoo exorcistische Trölla-Gabba een angstcultuur te creëren, inhakende op het internet nepnieuws verderf, laat een nog indringende indruk achter.

Kwetsbaarheid loert om de hoek bij het dreigende duistere uitgemergelde Victimhood karkas uit het verleden. De Hell Is Round the Corner echo die haar voormalige vluchtige partner Tricky jaren geleden al van illustratieve melodielijnen voorziet. Het geeft inzicht in de depressieve zelfvernietigingsdrang welke Björks nukkige grillen van het fotograaftrauma opnieuw laat herbeleven. Voor altijd beschadigd, voor altijd een slachtoffer. Geworteld en genageld in de afgesleten groeven van haar bestaan. De dood en de wedergeboorte in het leven scheppende Ovule, de oerknal van het menselijke vermogen. Een emotioneel verknipt treurblazersschouwspel met daar doorheen die kenmerkende Björkiaanse zinskronkelingen.

Ontroerend in het verlies van haar eigen moeder, een geleerde activiste die haar tevens dat gevoel voor universele mensenliefde meegeeft. Sorrowful Soil schenkt de overleden Hildur Rúna Hauksdóttir terug aan die heilige grond. Traditionele bovenaardse engelenlofzang met een stukje eeuwenoude cultuurbeleving. De triestheid van het gemis houdt de herinnering scherp. Melodieuze tikkende tijdsklokken, hemelpoortdeurbellen en krachtige gongslagen geven Ancestress kleur. De strijd tegen de vooruitgang ingehaald door het noodzakelijke goed. Pacemaker techniek vervangt het peacemaker hippie ideologie. De angst voor het definitieve afscheid als haar moeders ziel zich voor altijd in haar hart nestelt. De ontstaande leegte opgevuld door de wijsheden erfenis van haar directe voorouder.

Familiair in de kracht van haar moederschap waarin een intieme rol voor haar kinderen is weggelegd. Bijzonder omdat ze deze juist altijd zo uit de publiciteit houdt. Björk stelt haar toekomst veilig door haar boodschap aan haar zoon Sindri Eldon over te dragen, de versmelting van de gezamenlijke woorden in het refrein van Ancestress. Met dochterlief Ísadóra Bjarkardóttir Barney houdt ze de grote schoonmaak in het opruimend melancholische Her Mother’s House. Nostalgische momenten in het allesomvattend familiealbum ordenen. Het grillige Fossora is geen gemakkelijke plaat, maar wel een typische Björk plaat. Onvoorspelbaar rebels, tegendraads anarchistisch en vooral weer vernieuwend experimenteel. Onder die complexe lagen ligt misschien wel haar meest persoonlijke prestatie verborgen, al moet je weldegelijk moeite doen om dit te ontdekken, te bestuderen en te ervaren.

Björk - Fossora | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com