MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Alquin - Nobody Can Wait Forever (1975)

poster
4,0
Kijk, zo doe je dat dus wanneer je meer de kant van de rock op wil maar je toch ook je oudere symfonische fans niet van je wilt vervreemden : je opent je plaat met een prachtig stukje symfo, dan schakel je halverwege om naar een stevig rocknummer, maar dat doe je zó goed en zó swingend (en toch ook zó apart, met breaks hier en daar plus een fraaie fluitsolo) dat je beide kampen meer dan voldaan achterlaat. Michel van Dijk brengt met zijn stem en zijn frasering dezelfde swagger als Herman Brood een paar jaar later (en wanneer ik hem in combinatie met de sax en dat dameskoortje hoor moet ik regelmatig ook echt aan de Wild Romance denken), en de band houdt de mix van stevige maar toch ook subtiele rock met symfonische oprispingen en blazers het hele album door vol. Geweldige muzikanten zijn dit toch ook; met name de gitaar en de sax vallen op, maar ik moet bekennen dat ik de viool van de vorige platen wel een beetje mis. En de Thunderthighs, ach, ik heb nooit zoveel met zulke dameskoortjes, maar ik vind ze hier niet storen (hoewel ik het ook best zònder hen had kunnen stellen – maar ja, tegen een koortje dat ook op Lou Reeds Transformer zong zeg je natuurlijk niet zo gauw nee).

Alquin - The Mountain Queen (1973)

poster
4,5
Nog net zo fris als het debuut en met zonder uitzondering sterke composities. Uiteraard vragen de drie lange nummers om de meeste aandacht (de twee allerlangste staan bij de Statistieken dan ook met grote voorsprong op de eerste twee plaatsen van de Favoriete Tracks, en ik doe daar aan mee), maar de korte stukken mogen er ook zijn, met Soft-eyed woman dat me aan Focus doet denken (een gitaarnummer met fluitsolo, mooi idee) en Convicts of the air met dat hypnotiserende "vooruit-echoënde" gitaarnootje en dat einde met sax, fluit en (even later) elektrische gitaar in unisono. Sowieso voelt dit album als meer gitaar-georiënteerd aan, hoewel ik het moeilijk zou vinden om dat "cijfermatig" hard te maken – misschien hebben de toetsen en de blaasinstrumenten wel evenveel speeltijd, maar wat bij mij beklijft is de indruk van een iets belangrijker rol voor de gitaar, zowel ten opzichte van Marks als in verhouding tot de overige instrumenten op dit album. Hoe dan ook zorgen al die verschillende melodie-instrumenten (gitaar, piano, orgel, fluit, sax, viool) er voor dat ook deze tweede plaat weer enorm kleurrijk en afwisselend is, hetgeen ook een zeer hoge draaibaarheidsfactor in de hand werkt. Zoals gezegd een foutloze plaat, maar mijn favoriete passage wordt toch gevormd door de subtiele manier waarop het openingsnummer door de laatste wegstervende anderhalve minuut wordt afgebouwd, inclusief vanaf 12:30 die prachtige glissando-nootjes van de gitaar.

Anathema - Judgement (1999)

poster
2,5
Bij het stemoverzicht zie ik dat 90% van de stemmen op 3½* of hoger zit, dus wat mijn paar centen aan mening hier voor verschil zouden kunnen uitmaken weet ik niet. Het moet me echter van het hart dat dit album werkelijk subliem begint met een fraaie reeks van vier nummers, maar dat daarna de verveling toeslaat omdat alle nummers een beetje hetzelfde klinken, misschien niet qua arrangementen of tempo maar wel wat betreft de emotionele noot die steeds wordt aangeslagen. Het is allemaal een beetje verdrietig en een beetje berustend : "no one seems to care any more. . ." Alles zeer oprecht, uitstekend gecomponeerd en gearrangeerd en met de beste bedoelingen gebracht, maar soms zou ik wel eens een andere muzikale kleur willen horen dan de vrij constante Pink-Floyd-meets-Porcupine-Tree-sfeer die dit album voor mij kenmerkt.

Anderson / Stolt - Invention of Knowledge (2016)

poster
2,5
Roine Stolt is maar 12 jaar jonger dan Jon Anderson en zal zijn bewondering voor de progveteraan dus niet hebben laten omslaan in willoze aanbidding, maar het klinkt toch alsof hij veel moeite heeft gedaan om het Anderson naar de zin te maken, met als resultaat naar mijn idee meer een Anderson-plaat dan een gelijkwaardige samenwerking. Op de twee (hogelijk bewonderde) albums die ik van de Flower Kings ken laat Stolt al zien dat hij het geluid van Yes goed heeft bestudeerd en daarop een eigen energieke variant heeft gemaakt, maar waar op Invention of knowledge wel zijn lyrische kant aan bod komt mis ik een beetje de stevige en lang uitgesponnen passages die zo'n mooi contrast vormen met die "kleinere" melodieën en songstructuren. Anderson daarentegen kan zich ruimschoots te buiten gaan aan eindeloze lappen tekst vol light, soul, love, dance, peace, Heaven, stars, freedom, dream, golden, sing en eternity, en waar ik dat bijvoorbeeld bij Yes wel kan hebben omdat Howe en Squire daar altijd een flinke portie stuwkracht achter zetten, wordt het me hier toch dikwijls te veel. Zo is deze plaat voor mij in muzikaal opzicht te vrijblijvend en klein en in tekstueel opzicht te "jubelig", zodat het gemis aan een groter en meeslepend ontwerp zich doet voelen.
        Overigens zou het Anderson verboden moeten worden om ooit nog in het openbaar te zingen. Hij staat nu al een halve eeuw achter de microfoon, maar hoewel zijn stem inmiddels een klein beetje rafelig is en misschien niet meer de hoge noten van Heart of the sunrise of Close to the edge haalt, heeft hij nog altijd een helderheid, een warmte en een emotionele zeggingskracht waar vele jongere collega's een puntje aan kunnen zuigen. Schandalig.

Anderson, Bruford, Wakeman, Howe - Anderson Bruford Wakeman Howe (1989)

poster
4,0
Dit is een album wat ik nooit één keer maar altijd twee keer draai: de eerste keer om te wennen aan die horribele platgeslagen jaren-80-sound van eenvormige keyboards, overstuurde gitaar en elektronische of in ieder geval zwaar elektronisch klinkende drums (als ik die snaredrum van Long lost brother of mine hoor zie ik altijd zo'n overbelichte videoclip voor me waarin bij elke klap op de snaredrum het water dat de visueel ingestelde regisseur daarin heeft gegooid vol "lens flares" opspat), en de tweede keer om te genieten van de talloze fraaie melodieën en instrumentale vondsten.
        Want daar komt het voor mij op neer: ondanks dat vervelende gedateerde geluid vind ik dit eigenlijk een geweldige plaat, met drie lange epossen waarvan er twee (Brother of mine en Order of the universe) ouderwets goed geconstrueerd zijn en de derde (Quartet) uit vier ontroerende miniatuurtjes bestaat. Die lange nummers worden ook heel effectief afgewisseld met kortere tracks die eigenlijk net zo mooi (The meeting) en op hun plaats (Let's pretend) zijn, en zelfs aan Teakbois kan ik geen hekel hebben: in principe vind ik dat vrolijke Caribische gedoe verschrikkelijk, maar vanaf het moment dat "Bobby Dredd and the kool running" wordt gezongen krijgt het nummer een wat serieuzer sfeer, en de instrumentale afronding is best aardig.
        En tja, de teksten van Jon Anderson, ik ken geen andere band die mij zo dierbaar is en waarvan de teksten tegelijk zo totaal onzinnig zijn, "fantastically bad poetry" zoals een Engelse recensent ooit schreef, maar dat dondert ook op deze plaat weer niet, ze passen perfect bij de muziek, de klemtonen vallen prima in de maat, en je kan ze heerlijk meeblèren. (Hoewel je die Engelse recensenten ook niet op hun woord moet geloven: ik had indertijd een CD-ROM van Music Central 97 met daarop een review van het Engelse muziekblad Q toen een serie albums van Yes voor het eerst op CD verscheen: "Even in our generous, retroscopic climate, these 15 albums constitute a uniquely punishing oeuvre." Yuck.)

Andreas Vollenweider - ... Behind the Gardens - Behind the Wall - Under the Tree ... (1981)

poster
3,0
Toen deze plaat uitkwam was hij in mijn muzikale kringen volstrekt onbespreekbaar, maar tegen de wijdere en tolerantere muzikale horizonten van de eenentwintigste eeuw heb ik me hier ook maar eens aan gewaagd. En eigenlijk is hier niet zoveel tegenin te brengen: sterke melodieën (vooral bij de eerste twee nummers die de sfeer ook wat langer kunnen vasthouden dan de wat fragmentarischer tweede helft), een redelijk vol geluid (geen elfenachtig überromantisch minstreelgedoe) en afwisselende en tamelijk rijke arrangementen. Maar weet je wat het is? Deze plaat doet me een beetje denken aan de Wereldwinkel: als ik daar kom staat er zo'n bord met twintig of dertig pastelkleurige vakjes, en zodra je op één van die vakjes drukt gaat de bijbehorende CD spelen en hoor je de muziek van ruisende bergbeken of snaterende dolfijnen of het geluid van maneschijn, en hoewel al die geestverruimende muziek me qua concept ontzettend interessant lijkt kan ik er nooit langer dan een halve minuut naar luisteren om de eenvoudige reden dat het allemaal zo ontzettend anoniem en daardoor eenvormig klinkt. Ik weet het wel, elk nummer op deze plaat heeft een eigen melodie en een eigen sfeer, maar als iemand me een stukje hieruit zou laten horen zou ik vermoedelijk met de beste wil van de wereld niet kunnen zeggen of het uit het begin of het midden of het einde van de dertig minuten speelduur van dit album komt. Het zal wel aan mijn oren liggen – die zijn natuurlijk niet gewend aan dit soort New Age- of lounge- of wellness-muziek, of welk etiket je hier ook maar op wilt plakken, maar die wetenschap helpt mij ook niet verder in de waardering van deze muziek (om nog maar te zwijgen van het feit dat ik aan het eind van dit album snàk naar een elektrische gitaarsolo). En als ik onder het genot van een harp dan toch naar een kop vol krullen moet kijken, dan liever naar die van Harpo Marx.

Andreas Vollenweider - Caverna Magica (1983)

Alternatieve titel: ...Under the Tree - In the Cave...

poster
1,5
Een jazzy gitaartje, steeldrums en Oosterse invloeden toegevoegd aan de mix, maar het blijft allemaal angstwekkend dicht tegen muzak aanzitten. Op het einde van Huiziopochtli (pakkende songtitel, verwijst naar de Azteekse oorlogs- en zonnegod zoals iedereen wel zal weten) vindt er opeens een sfeerwisseling plaats die me overeind doet zitten, verder blijf ik ingedut. Eén album hiervan (de voorganger, Vollenweiders debuut) is in mijn collectie wel voldoende (en eigenlijk al teveel, vind ik in somberder buien).

Andrew Lloyd Webber & Tim Rice - Jesus Christ Superstar (1970)

poster
5,0
Muziekles tijdens de eerste klas van mijn middelbare schooltijd, en de leraar zette deze toen nog praktisch onbekende plaat op (twee langspeelplaten in een mooie doos). Een schok: sterke rockmuziek, gepassioneerde zang, intelligente teksten, meeslepende melodieën, grote thematiek. Thuisgekomen doorzocht ik de platenkast van mijn vader, en hoewel zijn verzameling voornamelijk uit klassiek, Glenn Miller en Ray Conniff bestond en niet progressiever dan Simon & Garfunkel en The Mama's & the Papa's werd, stond Jesus Christ superstar er warempel óók tussen. Als in een roes draaide ik de hele dubbelelpee achter elkaar, en ik was diep onder de indruk.
        Was dit mijn eerste kennismaking met het lijdensverhaal? Hoewel ik niet in enige geloofsrichting ben opgevoed zal ik de hoofdlijnen ervan wel hier en daar hebben opgepikt, maar dit album was de eerste gedetailleerde versie die mij ervan onder ogen (en oren) kwam, en pas naderhand heb ik begrepen dat de invalshoek van het perspectief van Judas en de menselijke benadering van een kwetsbare Jezus bepaald niet gangbaar en in zekere zin zelfs tamelijk revolutionair waren (toen in 1988 The last temptation of Christ verscheen was mijn eerste reactie: maar Tim Rice had het hier in 1970 toch óók al over?). Voor religieuze mensen klinkt dit misschien triviaal, maar in zekere zin is mijn beeld van het essentiële verhaal van het Christelijke geloof door JCS gevormd, net zoals sommige teksten van Ian Anderson op Jethro Tulls Aqualung (1971) dat deden. En daarin ben ik wellicht niet de enige van mijn generatie, getuige het succes van de verfilming uit 1973 en de enorme populariteit hier ten lande van de soundtrack daarvan (ruim een jaar in de elpee-top-20, waarvan 4 weken op nummer 1).
        Hoewel mijn toenmalige niet-geloven sindsdien is verhard tot een overtuigd atheïsme, is mijn bewondering voor Tim Rice's benadering nooit verminderd. Maar uiteraard zou die boodschap nooit zo goed zijn overgekomen zonder de technische onderbouwing daarvan, enerzijds Rice's vermogen om zijn teksten zowel qua ritme als qua vocabulaire rijk, elegant en perfect "lopend" te brengen (inclusief grappig gebuik van "moderne anachronismen": "One thing I'll say for him – Jesus is cool", "our expenses are good", "You'll escape in the final reel", "I only ask things I'd ask any superstar"), en anderzijds natuurlijk het hart van de plaat, Andrew Lloyd Webbers muziek die na 45 jaar nog altijd staat als een huis. Soms lees ik ergens een willekeurig tekstregeltje uit één of ander liedje waarvan ik de bijbehorende melodie ken, en als die melodie toevallig erg mooi of pakkend is loopt er dan een denkbeeldige rilling over mijn rug. En als getuigenis van hoe sterk de muziek van JCS is: wie deze plaat goed kent zal vermoedelijk bij elk van de volgende tekstregels meteen de bijbehorende briljante melodie in zijn hoofd horen, en bij wie loopt er dan niet zo'n rilling over de rug? "You have set them all on fire...", "It seems to me a strange thing mystifying", "Matter... more... than your... feet... and HAIR!", "No wait – we need a more permanent solution to our problem", "for ever and ever and ever", "...and leaving me the blame","Should I bring him down?", "Everytime I look at you I don't understand", "But – if – I – die", "Prove to me that you're no fool : walk across my swimming pool!", "The slime and the slime and the slime and the mud", "You innocent puppet!"... Misschien voor elke luisteraar nog wel met diverse voorbeelden aan te vullen. (Zelf begin ik ook te huiveren bij die geweldige gitaarriff waarmee Heaven on their minds opent en die de ruggegraat van The 39 lashes vormt.)
        Opgegroeid als ik ben met de originele JCS ben ik die altijd blijven prefereren boven de (misschien wel veel beroemdere) soundtrack van de verfilming; voor iets jongere mensen of voor mensen die de muziek pas via de film leerden kennen gold dikwijls het omgekeerde. Wat mij betreft is en blijft het doorslaggevende argument voor mijn eigen voorkeur toch de aanwezigheid van 's werelds beste rockzanger in de titelrol. En voor alle duidelijkheid: nee, ik kan niet zeggen dat ik vertrouwd ben met alle zangers van alle bands die er ooit hebben bestaan, en soms luister ik ook wel eens liever naar Robert Plant of Sam Cooke of Bob Dylan, maar de intensiteit die Ian Gillan hier meebrengt is wat mij betreft niet te evenaren. Ook de "soulfulle" Yvonne Elliman en vooral de emotionele Murray Head leveren indrukwekkende prestaties, en de andere zangers (inclusief een persoonlijke favoriet, Michael d'Abo als koning Herodes) brengen met soms rafelige maar altijd karaktervolle vertolkingen hun personages eveneens bewonderenswaardig tot leven, maar naast de teksten van Tim Rice en de muziek van Andrew Lloyd Webber is het toch Ian Gillan die dit album voor mij zijn meerwaarde geeft.
        Mooi (en "pijnlijk" eerlijk) fotobijschrift (van Roger Glover?) in het boekje bij de 25th anniversary edition van Deep Purple's Machine head : "Ian Gillan [...] grabbed an extra dose of fame singing the part of Christ on an album that nobody thought would go anywhere, 'Jesus Christ Superstar'." (mijn cursivering)

Andy Burrows - Company (2012)

poster
4,5
Ik leerde deze man kennen via het prachtige alternatieve kerstalbum Funny looking angels dat hij samen met Editor Tom Smith maakte. Op die plaat bevielen mij vooral de nummers die door Smith werden gezongen, want Burrows vond ik in het begin maar een matige en saaie zangstem hebben. Na verloop van tijd raakte ik echter steeds meer onder de indruk van zijn stem, en inmiddels ben ik er helemaal verslingerd aan geraakt, zoals dat soms kan gebeuren zonder dat je precies kunt zeggen wát je zo in een bepaalde zanger aanspreekt. Vriendelijk, warm, melancholisch en menselijk zijn een paar trefwoorden die voor mij zijn stem karakteriseren zonder dat ze mijn liefde geheel kunnen verklaren.
        Gelukkig wordt die uiterst subjectieve waardering hier op dit album geschraagd door tien prachtige nummers, allemaal traditionele intieme popliedjes met een klassiek couplet-refrein-structuur. De bezetting is klein met ritmesectie, akoestische gitaar en piano als hoofdmoot, en ter afwisseling incidentele zachte blazers plus een enkele keer een flinke fuzzgitaar om er even een solo uit te persen. Niets nieuws onder de zon dus, maar allemaal zó smaakvol gedaan en met zulke mooie melodielijnen dat ik elke keer weer voor de bijl ga, en dan komt daar nog eens die stèm bovenop... Lieve, mooie, kleine, kwalitatief hoogstaande popmuziek.

Andy Burrows - Fall Together Again (2014)

poster
3,5
Slechts één bericht hierbij, en dat dan ook nog eens van meer dan tien jaar geleden, ten tijde van de release dus – wát een magere oogst. En ik betwijfel of daar veel verandering in gaat komen, want ik moet het helaas met mijn voorganger eens zijn. Company vind ik echt een prachtige plaat, en deze opvolger bouwt daar op voort met dezelfde soort nummers, dezelfde sfeer en dezelfde arrangementen (met uitzondering van Watch me fall again waarop de elektronische invloed van Tom Smith duidelijk te horen is), maar helaas zijn de composities een stuk minder sterk. De hoogtepunten (You won't find love, Hearts and minds en de afsluiter) zijn van hetzelfde niveau als Company, maar de rest van de nummers beklijft gewoon veel minder – niets hierop is echt slecht, maar teveel is gewoon niet goed genoeg. Ik luister graag naar dit album omdat Andy Burrows zo'n innemende en warme stem heeft en omdat de insteek van zowel muziek als teksten sympathiek is, maar als geheel is het toch wel een pak minder dan Company.

Anekdoten - From Within (1999)

poster
4,0
Er zitten nog wel wat grommende gitaarpassages bij, maar over het geheel genomen komt dit album op mij wat rustiger over, als een schip in kalmer vaarwater dat nog altijd een gevaarlijke onderstroom heeft. Misschien dat die onderstroom wat vaker naar de oppervlakte zou moeten komen in de vorm van wat extra kleur voor de arrangementen, maar aan de andere kant zou dat de sombere en soms bijna contemplatieve sfeer wellicht ook te veel verstoren. Knap hoe het accent niet alleen maar bij de gitaarpartijen, de cello en het opvallende mellotron ligt, want ook de zware bas en de roffelende drums vragen en krijgen veel aandacht, waardoor bijvoorbeeld de lange instrumental The sun absolute één van de hoogtepunten van het album wordt, terwijl daar toch eigenlijk niet zo gek veel op gebeurt. De zang blijft in kwalitatief opzicht het minste onderdeel van deze band, maar op de een of andere manier stoort me dat niet echt, alsof de enigszins aarzelende voordracht alleen maar het unieke karakter van deze band benadrukt.

Anekdoten - Gravity (2003)

poster
3,0
Deze band blijft een unieke sound houden, met in de krachtige opener mooie gitaar- en drumpartijen (en een leuke xylofoon), in Ricochet een prachtige mellotron (ik had niet anders verwacht), op What should but did not die een golvend ritme dat de luisteraar hoger en hoger meeneemt, en natuurlijk die unieke en direct herkenbare stem die ik absoluut niet goed zou durven noemen maar die wel zó expressief en inmiddels zódanig met de muziek verweven is dat hij gewoon een volwaardig onderdeel van het muzikale palet is gaan vormen.
        Jammer dat de tweede helft van dit album kwalitatief een stuk minder is : SW4 heeft een beetje zo'n 80's-gitaar à la Faith van de Cure, in het titelnummer hoor ik dan juist zo'n 90's-cirkelzaag-gitaar à la Therapy? en de Pumpkins, The games we play doet mij teveel denken aan een melige versie van Pink Floyd eind jaren 60, en Seljak gaat eigenlijk nergens heen. Die laatste vier nummers zijn is niet bepaald slecht, maar ze zeggen me niet veel en doen me nog minder. Ik maak er *** van, maar dit is toch de minste van de vier Anekdoten-albums die ik ken.

Anekdoten - Until All the Ghosts Are Gone (2015)

poster
4,5
De dromerigheid van een mellotron gecombineerd met de intensiteit van een scheurende elektrische gitaar (met op Writing on the wall echo's van het gitaargeluid van Television's Tom Verlaine), dan kun je me sowieso al wegdragen. If it all comes down to you is extreem ontroerend, het slotnummer blaast me omver en laat me met een brok in mijn keel achter. Enige minpuntje is die wiebelige stem, die me soms aan die van de oudere John Lodge van de Moody Blues doet denken, geen compliment. Misschien ook af en toe Andy Latimer? Hoe dan ook, nog even wennen – misschien stoort hij me bij de volgende draaibeurt al niet meer en gaat de score nog omhoog. Voorlopig in ieder geval op z'n minst een geweldige aanwinst. (Met dank aan Casartelli.)

Anekdoten - Vemod (1993)

poster
4,0
Oeh, over dit album heb ik gemengde gevoelens. Met King Crimson heb ik altijd moeite gehad: sommige complete albums en individuele nummers vind ik geweldig, op andere momenten staan de hectiek van het gitaarspel en het geweld van de algemene benadering me wel eens tegen. Dat heb ik ook hier: die knallende bas is geweldig, als de gitaar het voortouw neemt komt hij overal doorheen en het klinkt allemaal prachtig, maar soms is het ook uiterst vermoeiend (zoals dat tussenstuk vanaf 4:48 op The flow dat dan wordt gevolgd door die karakteristieke Fripp-nootjes). Dus knap maar ook wel eens te veel, en dan heb ik het er nog niet eens over gehad dat de KC-invloed hier sowieso wel èrg overheersend is – uiteraard begrijpelijk gezien de achtergrond van deze band, maar iets meer afstand nemen van hun grote voorbeeld had misschien wel gemogen.
        Aan de andere kant zijn de composities steeds weloverwogen en zeker voor een debuut al tamelijk uitgebalanceerd, is het totaalbeeld behoorlijk rijk dankzij de warme en gevarieerde arrangementen, voelen de lyrische passages aan als een warm bad en zijn de mellotrons een weldaad voor de oren van deze ouwe progger, dus al met al luister ik hier toch met heel veel plezier naar. Maar persoonlijk ben ik toch blij dat de KC-invloeden een stuk minder sterk aanwezig zijn op de eerste plaat die ik van deze band heb leren (Until all the ghosts are gone uit 2015).
        Waren deze mannen (en vrouw) er behoorlijk vroeg bij? Dit album stamt uit 1993, slechts één jaar na Dream Theaters Images and words dat vaak gezien wordt als de plaat die progmetal als "nieuwe beweging" definitief op de kaart zette. Aan de andere kant kwam het debuut van Änglagård zelfs al in 1992 uit en kwamen Opeth en de Flower Kings ook niet veel later met hun eerste plaat. Kennelijk waren ze daar in het hoge noorden al een tijdje met hun eigen muzikale revolutie bezig.

Aphrodite's Child - 666 (1972)

Alternatieve titel: The Apocalypse of John, 13/18

poster
4,5
1973 was het jaar dat ik serieus naar popmuziek op de radio begon te luisteren, en nog steeds kan ik van een heleboel singles uit dat jaar opnoemen hoeveel weken ze in de top-40 stonden en wat hun hoogste positie was. Aan het eind stonden Angie, We were all wounded at Wounded Knee, Radar love, Blockbuster en Go like Elijah allemaal in de top-10 van meest succesvolle singles van dat jaar – kom daar nu nog maar eens om! De keerzijde van die muzikale medaille waren natuurlijk mensen als Freddy Breck, Vicky Leandros en Nico Haak, maar wat echt het aller-aller-allerergste was – wat regelmatig mijn plezier in die hele top-40 verpestte wanneer hij weer eens op nummer 1 stond – dat was Demis Roussos. Forever and ever, Goodbye my love goodbye, My friend the wind en Schönes Mädchen aus Arcadia – ongelooflijke kwijlmuziek, gebracht door een man die niet eens kon zingen, hoe konden zóveel mensen zó voor die pittoreske poncho van Griekse schapenwol vallen?
        Toen een vriend mij ongeveer twee decennia geleden dan ook een CD van godbeterehet Aphrodite's Child uitleende, had ik moeite om mijn gezicht in de plooi te houden. Really? Ik met een plaat waarop Demis Roussos zingt? Maar goed, om hem niet voor het hoofd te stoten nam ik de dubbel-CD toch maar mee, en zoals te begrijpen valt was minder dan een halve draaibeurt al voldoende om mij te bekeren. Na de plaat eigenlijk jaren niet meer te hebben gehoord heb ik hem nu toch ook maar zelf aangeschaft, en vanaf de eerste seconden zit ik weer gevangen in een audio-avontuur dat mij van het ene naar het andere uiterste voert, van pop naar rock naar spoken word naar experimenteel naar wereldmuziek naar performance-kunst, soms lekker schurend en soms naadloos in elkaar overlopend, en tussendoor zingt mijn eigenste Demis op een wijze en in een emotioneel register dat binnen het kader van dit album totaal anders is dan al die kleffe liefdesliedjes van vroeger.
        Is het vreemd dat ik vanwege de religieuze thematiek, de soms onheilspellende muziek en de Oosterse invloeden associaties krijg met de woestenij-setting van de verfilming van Jesus Christ superstar uit 1973? 666 is in ieder geval voor mij een vergelijkbare psychedelische ervaring. Nèt niet goed voor de volle 5***** omdat ik naar ∞ echt niet serieus kan luisteren, en dat regelmatige terugkeren van fragmenten van eerdere nummers in All the seats were occupied gaat op een gegeven moment ook vervelen (terwijl de muziek zèlf van dat nummer juist heel mooi is).
        Overigens is mijn 2CD (nog in zo'n ouderwets dubbel-doosje dat je volgens mij tegenwoordig niet meer tegenkomt) gemasterd door Hans Brethouwer, een naam die misschien niet meteen een belletje zal doen rinkelen, maar ikzelf herinnerde me meteen dat hij ook verantwoordelijk was voor de twee 2-on-1-CD's van de eerste vier platen van Alquin (en wellicht nog meer platen uit die serie, bijvoorbeeld van Supersister), en hij heeft ook een eigen lemma bij Discogs. Zijn werk voor 666 is in ieder geval uitstekend, want het klinkt allemaal als een klok, en de bas en de drums komen heerlijk fel door.

Apocalyptica - Apocalyptica (2005)

poster
2,0
Tja, als je op basis van deze formule (of is het een concept?) een carrière van twintig jaar hebt opgebouwd, dan kun je niet meer spreken van een gimmick. Maar als ik dit album opzet zonder te weten wat er gaat komen, hoor ik toch voornamelijk redelijk eenvoudige instrumentals die wel mooi zijn (alsof de melodieën bedoeld zijn als love theme in een tranentrekker of als rouwmuziek in een historisch epos) maar ook vrij ééndimensionaal. Het openingsnummer (toen ik dus nog niet wist wat...) vind ik erg lekker met die 70's/80's-vibe, en dat tweede nummer is fraai (en mooier dan de vocale versie die als ghost track achter Deathzone is geplakt), maar vanaf het vierde nummer zit er voor mij toch te weinig leven in. Apart, en vermoedelijk ook wel uniek, maar een cello bovenop een metalbegeleiding, ik vind die geluiden gewoon niet mooi "bovenop elkaar liggen" – de beste analogie is voor mij nog hoe twee kleuren niet samengaan hoewel elk voor zich wèl mooi is.

Apollo 100 - Joy (1972)

poster
3,0
Even melig als onweerstaanbaar – toen mijn goede vader dit uit mijn jongenskamertje hoorde komen stormde hij naar binnen onder het vertwijfeld uitroepen van "Maar waarom luister je nou niet naar de originelen ?!" En gelijk had ie, maar ja, een drumbeat ging er nou eenmaal wat makkelijker in dan een pauk, en een synthesizer had toen toch wel de voorkeur boven echte violen. ("En op Danse macabre zit toch zeker een echt klavecimbel, pap?") Ik heb er nog altijd plezier in, het klinkt allemaal nog redelijk kwiek en fris (met uitzondering van die gruwelijke sax in Air), Tom Parkers eigen Classical wind is eigenlijk gewoon een geweldige afsluiter, en ik heb met de titels op deze plaat zelfs mijn jeugdige woordenschat uitgebreid ("Aha, dus dát is de muzikale weergave van een libido!").
        Wie geen sentimentele waarde hecht aan vinyl, hoes of compleetheid kan feitelijk net zo goed (zo niet beter) de CD-compilatie Joy – the best of Apollo 100 (Repertoire 2005) aanschaffen, met daarop 10 van de 11 nummers van bovenstaande tracklisting (= minus Jazz pizzicato), 7 van de 10 nummers van de tweede plaat Master pieces (1973), 7 van de 12 nummers van de derde plaat Countdown (1975) en 6 nummers van singles of latere compilaties, in totaal dus 30 nummers met een gulle speelduur van 78 minuten en een lekker geluid. (En als je dán nog geen genoeg van deze edelkitsch hebt weet ik het ook niet meer – na Mendelssohn en Mozart heb je dan ook bewerkingen van Amazing grace, Telstar en Lady Madonna voor je kiezen gehad. En o ja, ook en vooral Besame mucho, dat ik voor het eerst leerde kennen in de versie van Apollo 100 en waar ik al 45 jaar verslaafd aan ben – niet verder vertellen!)

Arena - Contagion (2003)

poster
3,5
Zoals wel vaker bij deze band: niets nieuws, maar alles wel zeer degelijk, uitstekend gespeeld en met prima refreintjes. Het bijzondere dat sommige 5*-uitdelers hier in horen gaat aan mij voorbij, want daarvoor hoor ik toch te weinig verrassingen en word ik te weinig "opgelift", maar goed van snit is dit zéker, met een geweldige opener, een paar sfeervolle instrumentals en een sterke afsluiter. (Beluisterd via de enkele CD-versie uit 2003, waarop Bitter harvest volgens de achterkant van het CD-doosje opeens Fallow ground heet; eerstgenoemde titel schijnt de juiste te zijn, maar uit de tekst van dat nummer kan ik dat niet afleiden, want geen van die vier woorden komt daar in voor.)

Arena - Double Vision (2018)

poster
3,5
Degelijke plaat die zich voor mij onderscheidt door het vermogen van de componsiten om zelfs de iets minder sterke nummers (bijvoorbeeld The mirror lies of Scars) nog van een pakkend refrein te voorzien, en door de geweldige stem van Paul Manzi die elk nummer een grote zeggingskracht en de warmte van zijn persoonlijkheid meegeeft – met name dat laatste vind ik toch wel heel bijzonder. De eerste vier nummers zijn voor mij ongeveer van hetzelfde niveau, met Red eyes gaat de intensiteit een treetje omhoog, en met Poisoned zakt het niveau opeens door de ondergrens, een ouderwetse draak met als dieptepunt Manzi's voorspelbare omhoog-gaan tijdens de laatste "Where's the miracle" op 3:50. Gelukkig sluit het album dan af met het magnifieke The legend of Elijah Shade, volgens progwereld "Een epic die ontstaan lijkt door middelmatig knip- en plakwerk", maar hoe je dat als bezwaar zou kunnen aanvoeren wanneer alle zeven delen stuk voor stuk zo sterk zijn ontgaat mij. Al met al sluit ik me aan bij Metal-D78 : "Prima plaat weer van Arena. Niets nieuws onder de zon, maar dat is niet nodig." Zeer fraai boekje trouwens.

Arena - Songs from the Lions Cage (1995)

poster
3,0
Ik vind het allemaal eigenlijk niet zo bijzonder. Alles klinkt lekker, het geluidsbeeld is aangenaam en na een paar keer draaien stoor ik me ook niet meer zo aan de vele malen dat ik aan Fish, Tony Banks en Genesis moet denken, maar de melodieën vind ik gewoon niet zo sterk en de arrangementen springen er maar zelden echt uit – eigenlijk ga ik alleen bij de instrumentale gedeeltes van het openings- en slotnummer rechtop zitten. Misschien heb ik onderhand teveel prog gehoord en raakt het redelijk goede daardoor ondergesneeuwd doordat ik op een gegeven moment het kaf van het koren wil scheiden, maar ik hoor hier gewoon te weinig bijzonders in, ondanks de onbetwijfelbare ambitie. Zelfs de solo van Steve Rothery komt niet uit de verf op deze melodie en met deze begeleiding.

Arena - The Theory of Molecular Inheritance (2022)

poster
4,0
Heerlijke plaat met een stevig en warm geluid waarin gitaar en toetsen afwisselend de hoofdrol spelen zonder elkaar ooit het licht in de ogen misgunnen, met tekstueel een mooi concept over wetenschap op de rand van waar het gevaarlijk wordt en muzikaal diverse sterke melodieën, zij het met de vermelding dat het compositorische zwaartepunt voor mij in het begin ligt, waardoor mijn aandacht tijdens de laatste nummers enigszins verslapt. Alle bezwaren worden echter van tafel geveegd door die geweldige zanger met dat ultieme karakteristieke stemgeluid waarmee hij in zowel de harde als de zachte stukken uitstekend uit de voeten kan; in zijn zang zit een persoonlijkheid die ook zónder gebral een enorme kracht kan uistralen zonder in attitude of maniertjes te vervallen. Dat alles maakt hier uiteindelijk toch een vrij intense luisterervaring van.

Arena - The Unquiet Sky (2015)

poster
3,0
Mijn eerste kennismaking met deze band, maar al vanaf de eerste seconde klinkt dit vertrouwd en warm. Ik zou dit eigenlijk als "ontspannen" prog-metal willen omschrijven, want hoe complex de nummers en de arrangementen ook zijn, het klinkt allemaal heel toegankelijk, het geluid is vol en helder en de nummers hebben duidelijk een kop en een staart. Zeer belangrijke troef is de stem van Paul Manzi, die mij heel soms aan Seal doet denken, maar meestal aan Gary Brooker, net als hij een zanger die goed "een verhaal kan vertellen". Dat levert zeker in het begin een paar prachtige nummers op, maar gedurende de tweede helft verslapt mijn aandacht af en toe een beetje. Het titelnummer klinkt bijvoorbeeld wat àl te gemakkelijk (hoewel de laatste anderhalve minuut veel goed maakt), Time runs out (aardig Genesis-intro) komt niet echt "los", en Returning the curse is wel mooi maar ook een beetje gewoontjes, en dan gaat het toegankelijke dat ik eerder noemde een beetje tégen de plaat werken – op zulke momenten zou het album wel wat gemenere muzikale bochten mogen maken. Zodoende is dit een mooie maar toch niet helemaal bevredigende plaat voor mij.
        Leuk trouwens, die verwijzingen naar één van mijn favoriete horrorfilms, The night of the demon (of Curse of the demon) uit 1957, voor mij vooral evident in de teksten van What happened before en Returning the curse. (Dat is trouwens ook de film waaruit Kate Bush de kreet "It's in the trees – it's coming!" leende voor het titelnummer van Hounds of love.)

Arena - The Visitor (1998)

poster
4,0
Mooie melodieuze progrock waarbij ik niet om de echo's van het verleden heen kan (Steve Rothery, David Gilmour, Fish) maar met meer dan voldoende eigens om de hele plaat lang te boeien. Nergens gemeen buiten de lijntjes kleurend, maar ook nergens door het ijs zakkend. Qua melodie een mooie mix van sober en poppy, tekstueel een soms schrijnend verslag van eenzaamheid dat nooit te zwaar wordt, en de mogelijke religieuze ondertoon blijft discreet op de achtergrond. Sterke troef is Paul Wrightson, wiens prettige stem de juiste dosis drama kan toevoegen zonder ergens uit de bocht te vliegen, en die overtuigingskracht trekt mij op aangename wijze de plaat in. Geen meesterwerk in mijn oren, maar wel een warm, serieus en emotioneel bevredigend album.

Aretha Franklin - The Best Of (1984)

poster
4,0
Uit de tijd dat dit soort compilaties nog op zowel vinyl als CD werd uitgebracht. Dat verklaart ook de korte speelduur van dit album, maar wat dat dan weer níét verklaart is waarom dit album "slechts" 9 van Franklins 14 Amerikaanse top-10-hits bevat (aangevuld met drie albumtracks van het klassieke I never loved a man the way I love you uit 1967). Of werden die overige vijf hits gespaard voor een The best of – volume 2 ? (Dit is natuurlijk ook niet een Greatest hits maar een The best of, subtiel verschil.) Volgens mij is die opvolger er nooit gekomen, althans niet in de vorm van een echte companion piece hierbij, maar sindsdien zijn er natuurlijk talloze veel completere compilaties gekomen. Hoe dan ook, wat dit dan wèl is is een prima verzamelaar met diverse ijzersterke nummers uit de periode 1967-1973, met minimale annotatie (alleen componisten, niets over jaartallen, producers of muzikanten) maar een lekker vol en vet geluid (aan de sound van die geweldige arrangementen was vóór de loudness wars natuurlijk ook niet veel te verpesten).
        Ook voor mij is het "schreeuwerige" waar Reijersen het op 26-7-2008 over heeft een belangrijk obstakel bij het waarderen van Franklin (naar Another night kan ik bijvoorbeeld echt niet luisteren, en dan bepaald niet alleen vanwege dat foeilijke eighties-arrangement), maar in déze periode houdt ze haar stem meestal perfect onder controle zonder overbodige kijk-eens-wat-ik-kan-uithalen, en dan zijn nummers als Chain of fools, Think en Respect toch wel tamelijk onbetaalbaar, qua compositie, qua arrangement èn qua zang. Enige misser vind ik zelf Spanish Harlem, dat voor mij nou eenmaal onlosmakelijk is verbonden met Ben E. King (USA #10 in 1961), maar Franklins versie scoorde tien jaar later nog aanzienlijk hoger (#2 in zowel Amerika als Nederland), dus ik mag niet zeuren.

Arjen Anthony Lucassen - Lost in the New Real (2012)

poster
2,5
Toch wel wezenlijk anders dan Lucassens gebruikelijke output, met pop in plaats van metal, amper gitaarsolo's en slechts één leadzanger, dus geheel terecht dat dit niet als een Ayreon-album is uitgebracht. Zeker niet zonder z'n charmes, met al die stijlen die me vaak aan Pink Floyd doen denken en een enkele keer aan ELO (maar op Dr Slumber's eternity home en Where pigs fly ook aan de Waterboys) en af en toe grappige vondsten ("If you want to propagate / First prove you can educate / Parental Procreation Permit", de mooie pastiche van When I'm a hundred sixty-four, en de hilarische tekst van Where pigs fly). Ook qua zang valt dit me niet tegen, want de "serieuze" zangstem die Lucassen hier in plaats van zijn "hippie"-stem van Into the electric castle gebruikt vind ik zeer acceptabel, en Rutger Hauer voegt geweldig sfeervolle vignetjes toe, en dat het album als geheel weer perfect klinkt behoeft geen betoog.
        Alle lof dus voor de poging om weer eens iets anders te doen, maar wat dit album eigenlijk min of meer torpedeert is de afwezigheid van werkelijk goede liedjes. E-police is wel een mooi voorbeeld : een lekker geluid, goede ideeën, een aardige tekst en leuk gezongen, maar zonder sterke hooks of riffs, nergens echt pakkend en met een slot dat climactisch aanvoelt maar helaas nooit opzwepend wordt. Dat geldt voor wel meer nummers op dit album, en wanneer er op het slotnummer van de eerste CD eigenlijk ook steeds maar middelmatige melodietjes verschijnen gaan de tien minuten daarvan dan ineens wel héél lang duren.
        Lucassens vijf eigen composities op de tweede CD zitten ongeveer op het niveau van de eerste tien, maar de vijf covers voegen weinig tot niets toe aan de originelen, en die van The battle of Evermore slaagt er zelfs in om alle magie van de versie met Sandy Denny te elimineren. Het is natuurlijk ook bepaald niet het gemakkelijkste nummer om te coveren, maar dat is maar een héél beperkt excuus voor de zouteloosheid van deze bewerking. Gelukkig staat het ingeklemd tussen de sterke tekst van The social recluse en het geestige The space hotel, en dat zijn dan weer wèl aardige nummers. Al met al echter vind ik dit een vrij vlakke en teleurstellende plaat.

Arjen Anthony Lucassen - Songs No One Will Hear (2025)

poster
4,0
Vreemd, iemand met hier op MusicMeter toch een vrij uitgebreide fanbase brengt drie maanden geleden een nieuwe plaat uit, maar na de eerste zes weken volgt er hier qua berichten opeens anderhalve maand radiostilte – zijn de Ayreonites niet gespitst op een release onder Lucassens eigen naam? Of was er misschien te veel "word of mouth" over de matige kwaliteit van dit album… In dat geval mea culpa, want in mijn vorige bericht was ook ik niet zo enthousiast, maar veel nummers hiervan bleven toch maar in mijn hoofd doormalen, en na een paar extra luisterbeurten moet ik bekennen dat dit toch wel een erg verslavende plaat is. Mijn bezwaren tegen met name die melige tussenstukjes van de DJ en de inmiddels wat te geheide muzikale insteek zijn daarmee nog niet verdwenen, maar worden als het ware overschaduwd door de (gebruikelijke) kwaliteiten van Lucassens muziek en door zijn altijd aanstekelijke enthousiasme, waardoor ik toch met mijn waardering omhoog ga. Deze man blijft een fenomeen wiens enorme produktie eigenlijk nog nooit echt door een ondergrens is gezakt, zijn "quality control" is toch bewonderenswaardig.
        Apart ook hoe teksten over het somberste onderwerp denkbaar tegelijkertijd zo lebensbejahend kunnen zijn, want zonder dat ik nou jubelend door het winkelcentrum loop ga ik me toch meer bewust zijn van wat ik heb en hoe ik leef. Just not today, indeed.

Arjen Lucassen's Supersonic Revolution - Golden Age of Music (2023)

poster
3,5
Bowie, Smoke on the water, Pink Floyd, Alice Cooper, The Sweet, ABBA, de Beatles, Steven Spielberg en zijn films (Jaws, Duel en Close encounters of the third kind), T. Rex, Jesus Christ superstar, Farrah Fawcett, Slade, Radio Caroline, The war of the worlds, Rainbow, Thin Lizzy, Mohammed Ali en Joe Frazier – heb ik nog iets of iemand vergeten? Ongetwijfeld, maar omdat Arjen Lucassen en ik precies 45 dagen schelen (en toevallig ook nog eens in dezelfde stad geboren zijn) denk ik dat ik de meeste verwijzingen wel opgepikt heb.
        Leuk hoe er niet alleen tekstuele maar ook muzikale knipoogjes in de nummers zitten: The rise of the starman eindigt met de begin- en eindroffel van Five years, en op Burn it down spelen de drums tijdens de Hammond-solo hetzelfde ritme als tijdens de solo van Smoke on the water – Lucassen kent z'n klassiekers, maar dat was natuurlijk al duidelijk, en sowieso leunt de muziek sterk op Jon Lords, ik bedoel Joost van den Broeks seventies-Hammond (hoewel het gitaarwerk dan weer vooral het moderne shredding van twee of drie decennia later behelst).
        Enthousiasme, spelplezier en vintage-jaren-70-hardrock voeren dus de boventoon, maar jammer genoeg maakt de propvolle productie (met de uitstekende maar steeds zo aanwezige zang van Jaycee Cuijpers voorop) mij op een gegeven moment enigszins murw, en dat de leukste nummers helemaal vooraan het album staan helpt dan ook niet mee. En wat de bonusnummers betreft, als vonk van inspiratie was het idee om de funk van Fantasy in rock te veranderen misschien wel geestig, maar víér verschillende nummers met zo'n uniform hardrocksausje overgoten zijn er voor mij al gauw drie te veel.
        Conclusie wat mij betreft: een 10 voor insteek en uitvoering, maar overdaad schaadt.

Armand - Armand (1967)

Alternatieve titel: Blommenkinders

poster
4,0
Het is gemakkelijk om deze man weg te zetten als "Neerlands symbool-hippie", als onze nationale protestzanger annex bijdrage aan de flower-power, maar uit en op dit debuutalbum klinkt toch een heel eigen stem van een man die zich niet alleen afzet tegen hypocrisie en burgerlijkheid, maar die ook niet schroomt om over zijn eigen onzekerheid en zijn problematische liefdes en relaties te zingen. De invloed van Dylan is groot en gaat soms te ver: Marijke is een variant op Sad-eyed lady of the lowlands, Nooit, ik ben benieuwd begint precies als Visions of Johanna, en bij Ma, je had gelijk moet ik automatisch aan It's alright ma (I'm only bleeding) denken, maar gelukkig houdt arrangeur Harry van Hoof de begeleiding afwisselend en kleurrijk en zijn de liedjes bijna steeds kort en krachtig, met uitzondering van het slotnummer dat met z'n dertien coupletten iets te veel klinkt alsof het als Belangrijk Nummer Met Programmatische Tekst is bedoeld. Al met al echter nog steeds leuk en interessant om naar te luisteren.
        Een jaar ná de release (dus in 1968) werd deze plaat opnieuw uitgebracht als Blommenkinders, met de twee kanten van de single Blommenkinders / Opgedragen aan de oorden der benevelde agrariërs erbij geperst, de A-kant vóóraan kant 1 van de elpee en de B-kant helemaal achteraan kant 2.

Armand - Ben Ik Te Min (1999)

poster
4,5
CD-compilatie die het werk van Armand van tussen 1966 en 1969 handzaam samenvat, met de A- en B-kantjes van alle zeven singles die hij in die tijd uitbracht (op één B-kantje na) plus alle nummers van zijn titelloze debuutalbum uit 1967 (ook weer op één nummer na), helaas alles in een vrij willekeurige volgorde. Los daarvan is dit dus een prima (en uitstekend klinkende) verzameling van het werk van deze toch vrij unieke verschijning in de Nederlandse popmuziek, met uiteraard als openingsnummer zijn grote hit (oorspronkelijk slechts een B-kantje) en verder afwisselend genoeg om de hele 55 minuten lang te blijven boeien. Het belangrijkste manco is het ontbreken van het ruim 9 minuten lange slotnummer van zijn elpee, Boeren burgers en buitenlui, dat er qua speelduur nog best bij had gekund; het is een enigszins geforceerd aandoend nummer met maar liefst 13 coupletten dat pretendeert min of meer een definitief statement omtrent Armands levenshouding te zijn, maar het doet mijzelf een beetje gekunsteld aan door de evidente opzet als Magnum Opus dat is geïnspireerd door Dylans lange epossen uit die tijd, dus ik prefereer duidelijk Armands compactere nummers.
        Het meest curieus zijn wel tracks 8 en 9. De single Waar wil je heen gaan m'n liefste is een door Peter Koelewijn uitstekend vertaalde (en geproduceerde) versie van Peter Sarstedts Where do you go to my lovely, en het bijbehorende B-kantje Laat maar is Armands eigen versie van een nummer dat hij samen met Lenny Kuhr voor haar debuutsingle schreef; het doet me steeds denken aan Laat me van Ramses Shaffy, en het heeft ook dezelfde desolate sfeer, maar het overal doorheen tetterende koortje van de gezusters Paay slaagt er in om alles wat tekst, muziek en arrangement zo zorgvuldig opbouwen steeds weer de grond in te boren. Bizar.
        Eindoordeel: een niet perfecte maar wel zeer dienstbare compilatie met uitstekend geluid (die bas, die drums, heerlijk).

Astral Travellers - The Truth Beyond (2009)

poster
4,0
De eerdere incarnaties van deze band (met dezelfde muzikanten) heetten achtereenvolgens The Lower Lifeforms en Oker, en onder die laatste naam maakten ze omstreeks 2001 een in het Tilburgse 013 opgenomen en in eigen beheer uitgegeven CD. Die titelloze plaat van 24 minuten bevatte zes goede tot ijzersterke nummers met Muse-achtige powerrock met proginvloeden, en een aantal jaren later nam de groep het besluit om definitief in de richting van de progmetal verder te gaan. Na de bijbehorende naamsverandering (overigens niet door het bijna gelijknamige nummer van Yes geïnspireerd) kwam dan in 2009 dit opnieuw in eigen beheer uitgegeven album uit, en wie vooreerst wil weten welke muzikale invloeden daarbij in het spel zijn mag voornamelijk aan Dream Theater en Tool denken.
        De bezetting van de band was en is Barry Veeke (gitaar), Jochem Brok (toetsen), Maarten Vermeulen (bas), Tristan de Rijk (drums) en Gerben van Oosterhout (zang). De laatste zegt in het bezit te zijn van een "love it or hate it"-stem, en daar kan ik het wel mee eens zijn, zeker in de dramatischer passages wanneer hij soms een beetje gaat schallen. Wie zich daar echter eenmaal overheen heeft gezet (of gewoon aan gewend is geraakt) vindt hier de betere progrock waarbij de subtiliteit van de arrangementen en de stevige insteek van gitarist Barry Veeke (wiens strakke en felle gitaarlijnen voor mij de belangrijkste trekpleister zijn) elkaar nergens bijten. Prima composities die pas na verloop van tijd hun structuur blootgeven, een degelijk en goed uitgebalanceerd geluid met lekker veel "bite" en dynamiek, en een band die goed weet wat hij wil – spijtig dat een paar jaar na dit album het doek viel voor deze band, onder welke naam dan ook.