Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Soft Hills - Viva Chi Vede (2022)

4,0
0
geplaatst: 28 juli 2022, 16:48 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Soft Hills - Viva Chi Vede - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Soft Hills - Viva Chi Vede
De Amerikaanse band The Soft Hills heeft al een aantal slechts in kleine kring opgemerkte albums op haar naam staan, maar het deze week verschenen Viva Chi Vede verdient echt alle aandacht
Garrett Hobba maakt inmiddels al een jaar of twaalf met wisselende muzikanten albums als The Soft Hills. Het deze week verschenen zevende album van de band, Viva Chi Vede, is een hele mooie. The Soft Hills maakt muziek met vooral invloeden uit de jaren 60 en 70, maar omdat de band ook invloeden van recentere datum verwerkt is het zeker geen doorsnee retro. Ook qua genres laat het project van de muzikant uit Los Angeles zich niet makkelijk in een hokje duwen. De muziek van The Soft Hills heeft vaak een zonnig en psychedelisch tintje, maar laat zich door van alles en nog wat beïnvloeden. Het levert een bijzonder aangenaam, maar ook fascinerend en avontuurlijk album op.
Er verschenen de afgelopen week een aantal zonnige en laidback albums met een vleugje psychedelica, wat gezien het seizoen ook niet zo gek is. In eerste instantie vond ik het lastig kiezen tussen deze albums, maar uiteindelijk vond ik Viva Chi Vede van The Soft Hills met afstand de beste van het stel.
Het is volgens Spotify al het zevende album van The Soft Hills, maar de naam van de band zei me echt helemaal niets. The Soft Hills blijkt een project van de Amerikaanse muzikant Garrett Hobba, die zijn project ooit startte in Seattle, maar inmiddels is neergestreken in het zonnige Los Angeles.
The Soft Hills bestaat naast Garrett Hobba uit steeds weer andere muzikanten en ook voor het deze week verschenen Viva Chi Vede zijn er weer flink wat aangeschoven. Garrett Hobba vergelijkt zijn muziek op zijn bandcamp pagina met die van Red House Painters, Grizzly Bear en Radiohead. Daar is hier en daar wel wat voor te zeggen, maar het zijn niet de namen die ik zelf zou verzinnen.
Dat verzinnen van namen is overigens niet eens zo makkelijk, want de muziek van The Soft Hills laat zich, in ieder geval door mij, niet vangen met een paar namen. Ik zou bij het zoeken naar vergelijkingsmateriaal zelf wel een aantal decennia eerder beginnen dan de band zelf doet, want Viva Chi Vede neemt je vaak mee terug naar de jaren 60 en 70, met een mix van vooral psychedelica en soft-rock.
The Soft Hills houdt het zeker niet bij deze twee genres, want ook invloeden uit de folk, flink wat invloeden uit de countryrock, en hier en daar hints Westcoast pop en elektronica hebben hun weg gevonden naar dit bijzondere album, dat hier en daar ook nog een toegankelijk randje prog bevat, maar dat ondanks alle invloeden klinkt als een eenheid.
Het is een album dat je op twee manieren kunt beluisteren. Je kunt je allereerst laten benevelen door alle mooie en dromerige klanken en de al even dromerige zang van Garrett Hobba. Viva Chi Vede is dan een heerlijk album om bij te ontspannen, zeker als de zon uitbundig schijnt.
Het nieuwe album van The Soft Hills wordt een stuk interessanter wanneer je het album met volledige aandacht en bij voorkeur met de koptelefoon beluistert. Dan immers hoor je hoe Garrett Hobba en de uitstekende muzikanten die hem vergezellen op Viva Chi Vede niet alleen prachtige muziek maken, maar ook steeds dingen doen die je niet verwacht, waardoor het album met bijzondere sprongen door genres en door de tijd springt. The Soft Hills maakt absoluut muziek met een hoog jaren 60 en 70 gehalte, maar ook de door de band zelf genoemde invloeden uit de jaren 90 en 00 zijn absoluut hoorbaar.
Viva Chi Vede is mijn eerste kennismaking met de muziek van de band uit Los Angeles, maar het is een kennismaking die nieuwsgierig maakt naar het stapeltje albums dat de band eerder maakte. Voorlopig ben ik echter nog lang niet klaar met het fascinerende Viva Chi Vede, dat me niet alleen blijft verrassen, maar me bovendien steeds aangenamer vermaakt met een bonte mix van klanken en invloeden.
Er verschenen deze week meer van dit soort aangenaam dromerige albums en een aantal van deze albums kan op veel meer aandacht rekenen dan de muziek van The Soft Hills. Viva Chi Vede is echter een album dat alle aandacht verdient en niet alleen omdat dit album deze week de beste in zijn soort is, maar bovendien een album is dat over aanzienlijk meer groeipotentie beschikt dan de albums van soortgenoten. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Soft Hills - Viva Chi Vede - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Soft Hills - Viva Chi Vede
De Amerikaanse band The Soft Hills heeft al een aantal slechts in kleine kring opgemerkte albums op haar naam staan, maar het deze week verschenen Viva Chi Vede verdient echt alle aandacht
Garrett Hobba maakt inmiddels al een jaar of twaalf met wisselende muzikanten albums als The Soft Hills. Het deze week verschenen zevende album van de band, Viva Chi Vede, is een hele mooie. The Soft Hills maakt muziek met vooral invloeden uit de jaren 60 en 70, maar omdat de band ook invloeden van recentere datum verwerkt is het zeker geen doorsnee retro. Ook qua genres laat het project van de muzikant uit Los Angeles zich niet makkelijk in een hokje duwen. De muziek van The Soft Hills heeft vaak een zonnig en psychedelisch tintje, maar laat zich door van alles en nog wat beïnvloeden. Het levert een bijzonder aangenaam, maar ook fascinerend en avontuurlijk album op.
Er verschenen de afgelopen week een aantal zonnige en laidback albums met een vleugje psychedelica, wat gezien het seizoen ook niet zo gek is. In eerste instantie vond ik het lastig kiezen tussen deze albums, maar uiteindelijk vond ik Viva Chi Vede van The Soft Hills met afstand de beste van het stel.
Het is volgens Spotify al het zevende album van The Soft Hills, maar de naam van de band zei me echt helemaal niets. The Soft Hills blijkt een project van de Amerikaanse muzikant Garrett Hobba, die zijn project ooit startte in Seattle, maar inmiddels is neergestreken in het zonnige Los Angeles.
The Soft Hills bestaat naast Garrett Hobba uit steeds weer andere muzikanten en ook voor het deze week verschenen Viva Chi Vede zijn er weer flink wat aangeschoven. Garrett Hobba vergelijkt zijn muziek op zijn bandcamp pagina met die van Red House Painters, Grizzly Bear en Radiohead. Daar is hier en daar wel wat voor te zeggen, maar het zijn niet de namen die ik zelf zou verzinnen.
Dat verzinnen van namen is overigens niet eens zo makkelijk, want de muziek van The Soft Hills laat zich, in ieder geval door mij, niet vangen met een paar namen. Ik zou bij het zoeken naar vergelijkingsmateriaal zelf wel een aantal decennia eerder beginnen dan de band zelf doet, want Viva Chi Vede neemt je vaak mee terug naar de jaren 60 en 70, met een mix van vooral psychedelica en soft-rock.
The Soft Hills houdt het zeker niet bij deze twee genres, want ook invloeden uit de folk, flink wat invloeden uit de countryrock, en hier en daar hints Westcoast pop en elektronica hebben hun weg gevonden naar dit bijzondere album, dat hier en daar ook nog een toegankelijk randje prog bevat, maar dat ondanks alle invloeden klinkt als een eenheid.
Het is een album dat je op twee manieren kunt beluisteren. Je kunt je allereerst laten benevelen door alle mooie en dromerige klanken en de al even dromerige zang van Garrett Hobba. Viva Chi Vede is dan een heerlijk album om bij te ontspannen, zeker als de zon uitbundig schijnt.
Het nieuwe album van The Soft Hills wordt een stuk interessanter wanneer je het album met volledige aandacht en bij voorkeur met de koptelefoon beluistert. Dan immers hoor je hoe Garrett Hobba en de uitstekende muzikanten die hem vergezellen op Viva Chi Vede niet alleen prachtige muziek maken, maar ook steeds dingen doen die je niet verwacht, waardoor het album met bijzondere sprongen door genres en door de tijd springt. The Soft Hills maakt absoluut muziek met een hoog jaren 60 en 70 gehalte, maar ook de door de band zelf genoemde invloeden uit de jaren 90 en 00 zijn absoluut hoorbaar.
Viva Chi Vede is mijn eerste kennismaking met de muziek van de band uit Los Angeles, maar het is een kennismaking die nieuwsgierig maakt naar het stapeltje albums dat de band eerder maakte. Voorlopig ben ik echter nog lang niet klaar met het fascinerende Viva Chi Vede, dat me niet alleen blijft verrassen, maar me bovendien steeds aangenamer vermaakt met een bonte mix van klanken en invloeden.
Er verschenen deze week meer van dit soort aangenaam dromerige albums en een aantal van deze albums kan op veel meer aandacht rekenen dan de muziek van The Soft Hills. Viva Chi Vede is echter een album dat alle aandacht verdient en niet alleen omdat dit album deze week de beste in zijn soort is, maar bovendien een album is dat over aanzienlijk meer groeipotentie beschikt dan de albums van soortgenoten. Erwin Zijleman
The Softies - The Bed I Made (2024)

4,0
0
geplaatst: 29 augustus 2024, 15:56 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Softies - The Bed I Made - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Softies - The Bed I Made
Het Amerikaanse duo The Softies is terug van weg geweest en betovert op The Bed I Made makkelijk met sober ingekleurde, maar zeer trefzekere popliedjes met mooie zang en harmonieën als bonus
Het was de afgelopen 24 jaar stil rond The Softies, maar met The Bed I Made zijn Rose Melberg en Jen Sbragia terug. Ze noemen hun popliedjes zelf minimalistisch, maar ik hoor zelf vooral popliedjes waar niets aan ontbreekt. De sobere instrumentatie met gitaren is smaakvol en inventief, de stemmen van de twee zijn mooi en de fraaie harmonieën zijn een waardevolle bonus. Rose Melberg en Jen Sbragia zijn ook nog eens buitengewoon bedreven in het schrijven van aantrekkelijke popsongs, die vermaken maar ook prikkelen. The Bed I Made is het eerste duo album van The Softies in een hele lange tijd en het is een uitstekend album dat echt naar veel meer smaakt.
The Softies is een Amerikaans duo dat bestaat uit Rose Melberg en Jen Sbragia. Het tweetal uit Portland, Oregon, staat volgens hun eigen bandcamp pagina bekend om hun minimalistische benadering van het maken van popmuziek, wat me nieuwsgierig maakte naar het deze week verschenen The Bed I Made.
De naam van het duo deed bij mij eerlijk gezegd geen belletje rinkelen, waardoor ik er even van uit ging dat The Bed I Made het debuutalbum was van het Amerikaanse tweetal. Dat blijkt zeker niet het geval, want The Softies bestaan dit jaar precies dertig jaar. In die dertig jaar maakten Rose Melberg en Jen Sbragia overigens maar vier albums en drie EP’s, waarvan de laatste tot voor kort stamde uit 2000 (een live-album met Tony Molina niet meegerekend).
Het is dus niet zo gek dat de naam van The Softies me niet bekend voor kwam, al bleek ik het debuutalbum van het tweetal gewoon in de kast te hebben staan. Goed, terug naar The Bed I Made, dat deze week enthousiast werd onthaald door onder andere Paste en Pitchfork, waardoor de kans groot is dat de naam van The Softies in enige mate gaat rondzingen de komende tijd, wat overigens zeer terecht zou zijn.
Rose Melberg en Jen Sbragia vinden kennelijk zelf dat ze het maken van popliedjes op een minimalistische manier benaderen, maar persoonlijk vind ik The Bed I Made meer een voorbeeld van “less is more” dan van muzikaal minimalisme. De popsongs van The Softies op The Bed I Made zijn weliswaar popsongs zonder opsmuk, maar ze bevatten wat mij betreft alles dat een goede popsong moet hebben, aangevuld met een bonus.
In muzikaal opzicht zijn de songs van The Softies spaarzaam ingekleurd. Meer dan wat gitaarakkoorden hebben de twee niet nodig, maar het zijn wel hele mooie gitaarakkoorden, die de songs van The Softies voorzien van een fraai ruimtelijk geluid. Bij het geluid van de twee gitaarpartijen, die vaak op bijzondere wijze tegen elkaar in spelen komen verder alleen de stemmen van Rose Melberg en Jen Sbragia. Het zijn mooie heldere stemmen, die perfect passen bij de ruimtelijke maar soms ook wat sereen klinkende gitaarakkoorden.
Het is een eenvoudige basis, maar ik zou zelf niet kunnen bedenken wat de songs van The Softies verder nog nodig hebben. De songs van het duo uit Portland hebben wanneer de akoestische gitaren domineren een folky karakter, maar wanneer de elektrische gitaar wordt ingezet kan het geluid van de twee met een beetje fantasie ook nog wel worden omschreven als zeer ingehouden indierock.
Ik had het eerder over popsongs die alles bevatten dat een goede popsong nodig heeft aangevuld met een bonus. Die bonus komt van de harmonieën die Rose Melberg en Jen Sbragia hebben toegevoegd aan hun songs. Het zijn betoverend mooie harmonieën, die mijn gevoel dat er niets minimalistisch is aan de songs van The Softies nog wat versterken.
Het Amerikaanse duo begint met The Bed I Made aan haar tweede leven en het is een leven dat wat mij betreft een plekje in de spotlights verdient. The Bed I Made verdient immers niet alleen lof voor het fraaie gitaarwerk, de fraaie stemmen en de bijzondere harmonieën, maar ook voor de songs zelf. De popliedjes van The Softies klinken misschien sober een eenvoudig, maar zeker als je ze wat vaker hoort, blijft de schoonheid maar aan de oppervlakte komen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Softies - The Bed I Made - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Softies - The Bed I Made
Het Amerikaanse duo The Softies is terug van weg geweest en betovert op The Bed I Made makkelijk met sober ingekleurde, maar zeer trefzekere popliedjes met mooie zang en harmonieën als bonus
Het was de afgelopen 24 jaar stil rond The Softies, maar met The Bed I Made zijn Rose Melberg en Jen Sbragia terug. Ze noemen hun popliedjes zelf minimalistisch, maar ik hoor zelf vooral popliedjes waar niets aan ontbreekt. De sobere instrumentatie met gitaren is smaakvol en inventief, de stemmen van de twee zijn mooi en de fraaie harmonieën zijn een waardevolle bonus. Rose Melberg en Jen Sbragia zijn ook nog eens buitengewoon bedreven in het schrijven van aantrekkelijke popsongs, die vermaken maar ook prikkelen. The Bed I Made is het eerste duo album van The Softies in een hele lange tijd en het is een uitstekend album dat echt naar veel meer smaakt.
The Softies is een Amerikaans duo dat bestaat uit Rose Melberg en Jen Sbragia. Het tweetal uit Portland, Oregon, staat volgens hun eigen bandcamp pagina bekend om hun minimalistische benadering van het maken van popmuziek, wat me nieuwsgierig maakte naar het deze week verschenen The Bed I Made.
De naam van het duo deed bij mij eerlijk gezegd geen belletje rinkelen, waardoor ik er even van uit ging dat The Bed I Made het debuutalbum was van het Amerikaanse tweetal. Dat blijkt zeker niet het geval, want The Softies bestaan dit jaar precies dertig jaar. In die dertig jaar maakten Rose Melberg en Jen Sbragia overigens maar vier albums en drie EP’s, waarvan de laatste tot voor kort stamde uit 2000 (een live-album met Tony Molina niet meegerekend).
Het is dus niet zo gek dat de naam van The Softies me niet bekend voor kwam, al bleek ik het debuutalbum van het tweetal gewoon in de kast te hebben staan. Goed, terug naar The Bed I Made, dat deze week enthousiast werd onthaald door onder andere Paste en Pitchfork, waardoor de kans groot is dat de naam van The Softies in enige mate gaat rondzingen de komende tijd, wat overigens zeer terecht zou zijn.
Rose Melberg en Jen Sbragia vinden kennelijk zelf dat ze het maken van popliedjes op een minimalistische manier benaderen, maar persoonlijk vind ik The Bed I Made meer een voorbeeld van “less is more” dan van muzikaal minimalisme. De popsongs van The Softies op The Bed I Made zijn weliswaar popsongs zonder opsmuk, maar ze bevatten wat mij betreft alles dat een goede popsong moet hebben, aangevuld met een bonus.
In muzikaal opzicht zijn de songs van The Softies spaarzaam ingekleurd. Meer dan wat gitaarakkoorden hebben de twee niet nodig, maar het zijn wel hele mooie gitaarakkoorden, die de songs van The Softies voorzien van een fraai ruimtelijk geluid. Bij het geluid van de twee gitaarpartijen, die vaak op bijzondere wijze tegen elkaar in spelen komen verder alleen de stemmen van Rose Melberg en Jen Sbragia. Het zijn mooie heldere stemmen, die perfect passen bij de ruimtelijke maar soms ook wat sereen klinkende gitaarakkoorden.
Het is een eenvoudige basis, maar ik zou zelf niet kunnen bedenken wat de songs van The Softies verder nog nodig hebben. De songs van het duo uit Portland hebben wanneer de akoestische gitaren domineren een folky karakter, maar wanneer de elektrische gitaar wordt ingezet kan het geluid van de twee met een beetje fantasie ook nog wel worden omschreven als zeer ingehouden indierock.
Ik had het eerder over popsongs die alles bevatten dat een goede popsong nodig heeft aangevuld met een bonus. Die bonus komt van de harmonieën die Rose Melberg en Jen Sbragia hebben toegevoegd aan hun songs. Het zijn betoverend mooie harmonieën, die mijn gevoel dat er niets minimalistisch is aan de songs van The Softies nog wat versterken.
Het Amerikaanse duo begint met The Bed I Made aan haar tweede leven en het is een leven dat wat mij betreft een plekje in de spotlights verdient. The Bed I Made verdient immers niet alleen lof voor het fraaie gitaarwerk, de fraaie stemmen en de bijzondere harmonieën, maar ook voor de songs zelf. De popliedjes van The Softies klinken misschien sober een eenvoudig, maar zeker als je ze wat vaker hoort, blijft de schoonheid maar aan de oppervlakte komen. Erwin Zijleman
The Sound - From the Lions Mouth (1981)

4,5
1
geplaatst: 13 april 2025, 21:29 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Sound - From The Lion's Mouth (1981) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Sound - From The Lion's Mouth (1981)
Adrian Borland en zijn band The Sound waren helaas niet geboren voor het geluk, maar wat maakte de Britse band met From The Lion’s Mouth uit 1981 een fantastisch en uiteindelijk bijzonder invloedrijk album
Toen aan het eind van de jaren 80 de balans werd opgemaakt doken flink wat albums met invloeden uit de new wave en de postpunk op in de lijstjes. De albums van de Britse band The Sound waren toen al lang vergeten, want de Britse band kreeg destijds niet de waardering die het zo verdiende. Als ik luister naar het eerste en vooral het tweede album van The Sound begreep en begrijp ik daar niets van, want wat is From The Lion’s Mouth uit 1981 een briljant album. Het is een album dat flink wat bands die in de jaren 80 groot zouden worden heeft beïnvloed, maar er waren niet veel bands die het niveau van The Sound wisten te benaderen, wat het gebrek aan succes van de band extra schrijnend maakte.
Als ik in 1980 mijn geld had moeten zetten op een van de vele nieuwe bands met een voorliefde voor new wave en postpunk, had ik mijn geld waarschijnlijk gezet op The Sound en niet op een aantal andere nieuwe bands die destijds opdoken. Het zou geen goede investering zijn geweest, want waar een aantal van deze andere bands aan het begin van de jaren 80 heel groot zouden worden, kwam The Sound nooit veel verder dan de cultstatus.
Dat is bijzonder, want de Britse band leverde in 1980 met Jeopardy een geweldig debuutalbum af en overtrof dit album wat mij betreft met het in 1981 verschenen From The Lion’s Mouth. Met From The Lion’s Mouth had The Sound absoluut moeten doorbreken naar een groot publiek, maar dat gebeurde helaas niet.
De platenmaatschappij verloor hierna snel het vertrouwen in de band uit Londen en stak weinig energie meer in het derde album van The Sound. Het in 1982 verschenen All Fall Down was misschien niet zo indrukwekkend als de eerste twee albums van The Sound, maar het album, dat echt niets deed, was zeker niet slecht.
De carrière van The Sound ging als een nachtkaars uit met de albums Heads And Hearts uit 1985 en Thunder Up uit 1987, waarna de leden van de band elk hun eigen weg ging. Zanger en voorman Adrian Borland begon aan een solocarrière en startte een aantal gelegenheidsbands, maar het succes leek niet weggelegd voor de eigenzinnige Britse muzikant, die in 1999 een einde maakte aan zijn leven.
De muziek van The Sound was lange tijd nauwelijks verkrijgbaar, maar krijgt in het huidige millennium gelukkig meer aandacht dan tijdens het bestaan van de band. Ik was in de jaren 80 enorm onder de indruk van Jeopardy en From The Lion’s Mouth, maar koos uiteindelijk ook voor de bands die wel succesvol waren, waarvan Echo & The Bunnymen in muzikaal opzicht het dichtst in de buurt kwam.
Sinds een aantal maanden ben ik echter weer flink in de ban van From The Lion’s Mouth, dat met de kennis van nu alsnog moet worden uitgeroepen tot een van de onbetwiste klassiekers uit de jaren 80. The Sound was in 1981 een stuk verder dan de meeste concurrenten en leverde met haar tweede album een prachtalbum af.
Als ik luister naar From The Lion’s Mouth begrijp ik echt niet waarom het album in 1981 niet als een mokerslag aankwam bij een breed publiek. De songs met invloeden uit de new wave en de postpunk zijn stuk voor stuk aansprekend en aanstekelijk en vallen op door een geweldig spelende ritmesectie, stevig aangezette synths en vooral lekker breed uitwaaiend gitaarwerk. Het wordt gecombineerd met de prima stem van Adrian Borland, die een betere zanger was dan de zangers van de bands die het wel maakten aan het begin van de jaren 80.
From The Lion’s Mouth is wat mij betreft niet alleen een onbetwiste 80s klassieker, maar het album kan ook de competitie aan met bands van het moment die hun inspiratie zoeken in de new wave en postpunk van weleer. Ik was The Sound zelf eerlijk gezegd ook vergeten sinds de jaren waarin ze hun beste albums maakten, maar tot mijn verrassing was From The Lion’s Mouth nog beter dan in mijn herinnering.
Iedereen die na het beluisteren van postpunk en new wave bands uit het heden op zoek gaat naar de inspiratiebronnen uit het verleden moet zeker luisteren naar Jeopardy en From The Lion’s Mouth van The Sound. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Sound - From The Lion's Mouth (1981) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Sound - From The Lion's Mouth (1981)
Adrian Borland en zijn band The Sound waren helaas niet geboren voor het geluk, maar wat maakte de Britse band met From The Lion’s Mouth uit 1981 een fantastisch en uiteindelijk bijzonder invloedrijk album
Toen aan het eind van de jaren 80 de balans werd opgemaakt doken flink wat albums met invloeden uit de new wave en de postpunk op in de lijstjes. De albums van de Britse band The Sound waren toen al lang vergeten, want de Britse band kreeg destijds niet de waardering die het zo verdiende. Als ik luister naar het eerste en vooral het tweede album van The Sound begreep en begrijp ik daar niets van, want wat is From The Lion’s Mouth uit 1981 een briljant album. Het is een album dat flink wat bands die in de jaren 80 groot zouden worden heeft beïnvloed, maar er waren niet veel bands die het niveau van The Sound wisten te benaderen, wat het gebrek aan succes van de band extra schrijnend maakte.
Als ik in 1980 mijn geld had moeten zetten op een van de vele nieuwe bands met een voorliefde voor new wave en postpunk, had ik mijn geld waarschijnlijk gezet op The Sound en niet op een aantal andere nieuwe bands die destijds opdoken. Het zou geen goede investering zijn geweest, want waar een aantal van deze andere bands aan het begin van de jaren 80 heel groot zouden worden, kwam The Sound nooit veel verder dan de cultstatus.
Dat is bijzonder, want de Britse band leverde in 1980 met Jeopardy een geweldig debuutalbum af en overtrof dit album wat mij betreft met het in 1981 verschenen From The Lion’s Mouth. Met From The Lion’s Mouth had The Sound absoluut moeten doorbreken naar een groot publiek, maar dat gebeurde helaas niet.
De platenmaatschappij verloor hierna snel het vertrouwen in de band uit Londen en stak weinig energie meer in het derde album van The Sound. Het in 1982 verschenen All Fall Down was misschien niet zo indrukwekkend als de eerste twee albums van The Sound, maar het album, dat echt niets deed, was zeker niet slecht.
De carrière van The Sound ging als een nachtkaars uit met de albums Heads And Hearts uit 1985 en Thunder Up uit 1987, waarna de leden van de band elk hun eigen weg ging. Zanger en voorman Adrian Borland begon aan een solocarrière en startte een aantal gelegenheidsbands, maar het succes leek niet weggelegd voor de eigenzinnige Britse muzikant, die in 1999 een einde maakte aan zijn leven.
De muziek van The Sound was lange tijd nauwelijks verkrijgbaar, maar krijgt in het huidige millennium gelukkig meer aandacht dan tijdens het bestaan van de band. Ik was in de jaren 80 enorm onder de indruk van Jeopardy en From The Lion’s Mouth, maar koos uiteindelijk ook voor de bands die wel succesvol waren, waarvan Echo & The Bunnymen in muzikaal opzicht het dichtst in de buurt kwam.
Sinds een aantal maanden ben ik echter weer flink in de ban van From The Lion’s Mouth, dat met de kennis van nu alsnog moet worden uitgeroepen tot een van de onbetwiste klassiekers uit de jaren 80. The Sound was in 1981 een stuk verder dan de meeste concurrenten en leverde met haar tweede album een prachtalbum af.
Als ik luister naar From The Lion’s Mouth begrijp ik echt niet waarom het album in 1981 niet als een mokerslag aankwam bij een breed publiek. De songs met invloeden uit de new wave en de postpunk zijn stuk voor stuk aansprekend en aanstekelijk en vallen op door een geweldig spelende ritmesectie, stevig aangezette synths en vooral lekker breed uitwaaiend gitaarwerk. Het wordt gecombineerd met de prima stem van Adrian Borland, die een betere zanger was dan de zangers van de bands die het wel maakten aan het begin van de jaren 80.
From The Lion’s Mouth is wat mij betreft niet alleen een onbetwiste 80s klassieker, maar het album kan ook de competitie aan met bands van het moment die hun inspiratie zoeken in de new wave en postpunk van weleer. Ik was The Sound zelf eerlijk gezegd ook vergeten sinds de jaren waarin ze hun beste albums maakten, maar tot mijn verrassing was From The Lion’s Mouth nog beter dan in mijn herinnering.
Iedereen die na het beluisteren van postpunk en new wave bands uit het heden op zoek gaat naar de inspiratiebronnen uit het verleden moet zeker luisteren naar Jeopardy en From The Lion’s Mouth van The Sound. Erwin Zijleman
The Staves - All Now (2024)

4,0
1
geplaatst: 24 maart 2024, 19:25 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Staves - All Now - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Staves - All Now
The Staves is op All Now gereduceerd tot een duo, maar Camilla en Jessica Staveley-Taylor laten horen dat ze ook zonder zus Emily garant staan voor uitstekende songs en voor zang die goed is voor flink wat kippenvel
Het is een mooi stapeltje albums dat Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor het afgelopen decennium hebben gemaakt als The Staves. Camilla en Jessica moeten het vanaf All Now zonder zus Emily doen, maar de zang en de harmonieën zijn er niet minder mooi om. Aan de hand van topproducer John Congleton combineren de Britse zussen de liefde voor de Britse folk met een vleugje pop, maar het geluid van The Staves is over de hele linie smaakvol, terwijl een verrassing nooit ver weg is. De toekomst van de The Staves hing even aan een zijden draadje, maar Camilla en Jessica Staveley-Taylor laten op All Now horen dat het een verstandig besluit is geweest om samen verder te gaan.
De zussen Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor leverden in 2012 met Dead & Born & Grown het debuutalbum van hun project The Staves af. Op het door de legendarische Glyn Johns en zijn zoon Ethan geproduceerde album lieten de Britse zussen zich vooral beïnvloeden door Britse folk en vertrouwden ze op hun prachtige stemmen, die elkaar versterkten zoals alleen de stemmen van zussen dat kunnen.
De zussen Staveley-Taylor lieten op de albums die volgden horen dat ze een goede neus hebben voor interessante samenwerkingsverbanden. Zo duwde producer Justin Vernon (aka Bon Iver) Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor op hun tweede album If I Was richting een wat meer door Amerikaanse folk beïnvloed geluid, terwijl de samenwerking met het bijzondere New Yorkse kamerorkest yMusic op het prachtige The Way Is Read de Britse zussen voorzag van een uniek en bijzonder fraai geluid.
Het aan het begin van 2021 verschenen Good Woman was tot voor kort het laatste wapenfeit van The Staves. Het door topproducer John Congleton geproduceerde album liet een net wat toegankelijker en bijzonder mooi geluid horen, maar Good Woman was ook een intens en persoonlijk album dat werd getekend door de nodige persoonlijke misère van de zussen Staveley-Taylor.
Op alle albums van The Staves stonden de prachtige stemmen en de betoverend mooie harmonieën van Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor centraal. Op het deze week verschenen All Now moeten we het helaas met een stem minder doen, want Emily (die overigens nog wel heeft bijgedragen aan het album) heeft gekozen voor haar gezin, waardoor The Staves vanaf nu bestaat uit Camilla en Jessica Staveley-Taylor.
De Britse zussen kozen tot dusver op ieder nieuw album voor een interessante nieuwe producer, maar de samenwerking met John Congleton is kennelijk zo goed bevallen dat de Amerikaanse producer nog een keer mocht opdraven. All Now volgt op een periode waarin al het leed dat werd bezongen op Good Woman moest worden verwerkt. Ook All Now is hierdoor weer een emotioneel album, waarop Camilla en Jessica Staveley-Taylor met veel passie en emotie zingen.
De Britse zussen moeten het misschien zonder Emily doen, maar de zang op het nieuwe album klinkt fantastisch en zeker wanneer de stemmen van de twee samensmelten is kippenvel nooit ver weg. In muzikaal opzicht ligt het nieuwe album in het verlengde van zijn voorganger, al is de hand van John Congleton misschien net wat duidelijker hoorbaar. De Amerikaanse producer heeft het nieuwe album van The Staves voorzien van een lekker toegankelijk geluid met een aangenaam laagje elektronica.
Het is hier en daar redelijk ver verwijderd van de eerste stappen van The Staves, die vooral waren geworteld in de Britse folk, maar door de zang heeft All Now nog zeker wat folky accenten en het album bevat ook een aantal wat sober ingekleurde folksongs. Het is absoluut degelijk werk dat John Congleton heeft afgeleverd, maar de grootste kracht van de muziek van The Staves schuilt nog altijd in de fantastische stemmen van Camilla en Jessica Staveley-Taylor, die er voor zorgen dat het album nooit door slaat richting doorsnee pop.
All Now bevat deels het geluid dat we kennen van het vorige album van The Staves, maar de Britse zussen verkennen ook op All Now weer nieuwe richtingen en laten horen dat ook 1+1 in het geval van The Staves nog meer is dan de som van de delen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Staves - All Now - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Staves - All Now
The Staves is op All Now gereduceerd tot een duo, maar Camilla en Jessica Staveley-Taylor laten horen dat ze ook zonder zus Emily garant staan voor uitstekende songs en voor zang die goed is voor flink wat kippenvel
Het is een mooi stapeltje albums dat Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor het afgelopen decennium hebben gemaakt als The Staves. Camilla en Jessica moeten het vanaf All Now zonder zus Emily doen, maar de zang en de harmonieën zijn er niet minder mooi om. Aan de hand van topproducer John Congleton combineren de Britse zussen de liefde voor de Britse folk met een vleugje pop, maar het geluid van The Staves is over de hele linie smaakvol, terwijl een verrassing nooit ver weg is. De toekomst van de The Staves hing even aan een zijden draadje, maar Camilla en Jessica Staveley-Taylor laten op All Now horen dat het een verstandig besluit is geweest om samen verder te gaan.
De zussen Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor leverden in 2012 met Dead & Born & Grown het debuutalbum van hun project The Staves af. Op het door de legendarische Glyn Johns en zijn zoon Ethan geproduceerde album lieten de Britse zussen zich vooral beïnvloeden door Britse folk en vertrouwden ze op hun prachtige stemmen, die elkaar versterkten zoals alleen de stemmen van zussen dat kunnen.
De zussen Staveley-Taylor lieten op de albums die volgden horen dat ze een goede neus hebben voor interessante samenwerkingsverbanden. Zo duwde producer Justin Vernon (aka Bon Iver) Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor op hun tweede album If I Was richting een wat meer door Amerikaanse folk beïnvloed geluid, terwijl de samenwerking met het bijzondere New Yorkse kamerorkest yMusic op het prachtige The Way Is Read de Britse zussen voorzag van een uniek en bijzonder fraai geluid.
Het aan het begin van 2021 verschenen Good Woman was tot voor kort het laatste wapenfeit van The Staves. Het door topproducer John Congleton geproduceerde album liet een net wat toegankelijker en bijzonder mooi geluid horen, maar Good Woman was ook een intens en persoonlijk album dat werd getekend door de nodige persoonlijke misère van de zussen Staveley-Taylor.
Op alle albums van The Staves stonden de prachtige stemmen en de betoverend mooie harmonieën van Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor centraal. Op het deze week verschenen All Now moeten we het helaas met een stem minder doen, want Emily (die overigens nog wel heeft bijgedragen aan het album) heeft gekozen voor haar gezin, waardoor The Staves vanaf nu bestaat uit Camilla en Jessica Staveley-Taylor.
De Britse zussen kozen tot dusver op ieder nieuw album voor een interessante nieuwe producer, maar de samenwerking met John Congleton is kennelijk zo goed bevallen dat de Amerikaanse producer nog een keer mocht opdraven. All Now volgt op een periode waarin al het leed dat werd bezongen op Good Woman moest worden verwerkt. Ook All Now is hierdoor weer een emotioneel album, waarop Camilla en Jessica Staveley-Taylor met veel passie en emotie zingen.
De Britse zussen moeten het misschien zonder Emily doen, maar de zang op het nieuwe album klinkt fantastisch en zeker wanneer de stemmen van de twee samensmelten is kippenvel nooit ver weg. In muzikaal opzicht ligt het nieuwe album in het verlengde van zijn voorganger, al is de hand van John Congleton misschien net wat duidelijker hoorbaar. De Amerikaanse producer heeft het nieuwe album van The Staves voorzien van een lekker toegankelijk geluid met een aangenaam laagje elektronica.
Het is hier en daar redelijk ver verwijderd van de eerste stappen van The Staves, die vooral waren geworteld in de Britse folk, maar door de zang heeft All Now nog zeker wat folky accenten en het album bevat ook een aantal wat sober ingekleurde folksongs. Het is absoluut degelijk werk dat John Congleton heeft afgeleverd, maar de grootste kracht van de muziek van The Staves schuilt nog altijd in de fantastische stemmen van Camilla en Jessica Staveley-Taylor, die er voor zorgen dat het album nooit door slaat richting doorsnee pop.
All Now bevat deels het geluid dat we kennen van het vorige album van The Staves, maar de Britse zussen verkennen ook op All Now weer nieuwe richtingen en laten horen dat ook 1+1 in het geval van The Staves nog meer is dan de som van de delen. Erwin Zijleman
The Staves - Good Woman (2021)

4,0
0
geplaatst: 11 februari 2021, 16:04 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Staves - Good Woman - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Staves - Good Woman
Het is een paar jaar stil geweest rond The Staves, maar het Britse trio is terug met een nieuw album waarop niet alleen ruimte is voor een nieuw geluid, maar ook voor persoonlijke verhalen
Bij The Staves denk ik direct aan engelachtige folk vol wonderschone harmonieën, maar Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor konden altijd al veel meer dan dat. Op Good Woman verwerken de zussen het nodige persoonlijk leed en komen ze bovendien op de proppen met een voller en veelzijdiger geluid, waarin ook ruimte is voor invloeden uit de pop en rock. De gouden keeltjes zijn er gelukkig ook nog altijd en staan ook op Good Woman weer garant voor vocaal vuurwerk. The Staves hebben altijd gezocht naar uitstapjes buiten de gebaande paden en doen dat ook weer op Good Woman, dat zomaar kan uitgroeien tot het sterkste album van het drietal.
Good Woman is het derde reguliere album van het Britse trio The Staves. De zussen Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor brachten hiernaast een live-album en een aantal prima EP’s uit, maar maakten wat mij betreft de meeste indruk met het in 2017 verschenen en samen met het New Yorkse muzikantencollectief yMusic gemaakte The Way Is Read, waarop de gouden keeltjes van de Britse zussen werden gecombineerd met de bijzondere klassieke klanken van yMusic.
The Staves houden sowieso wel van bijzondere samenwerkingen, want voor hun debuut wisten ze niet alleen de roemruchte Britse producer Glyn Johns, maar ook zijn zoon Ethan te strikken, terwijl Justin Vernon (Bon Iver) plaats nam achter de knoppen bij de opnames van het tweede album van het Britse drietal.
Het deze week verschenen Good Woman is de opvolger van het vier jaar geleden terecht zo bewierookte The Way Is Read, waardoor de lat flink hoog ligt. De Britse zussen hebben inmiddels de nodige levenservaring opgedaan en kregen te maken met pieken en zeker ook dalen.
Het heeft zijn invloed gehad op de muziek van het drietal, want na een lange pauze keren de zussen Staveley-Taylor terug met een volwassener en veelzijdiger geluid. Waar we in het verleden vooral drie engeltjes mooie folksongs hoorden zingen, slaan Camilla, Emily en Jessica op Good Woman hun vleugels uit en laten ze het gevoel nadrukkelijk spreken.
In het verleden slaagden de Britse zussen er in om aansprekende producers en muzikanten te strikken en dat is ze ook weer gelukt op hun nieuwe album. Niemand minder dan John Congleton (St. Vincent, Angel Olsen, Chelsea Wolfe en vele anderen) tekende immers voor de productie van Good Woman, dat duidelijk anders klinkt dan zijn voorgangers en de hand van de topproducer verraadt.
Invloeden uit de folk hebben een stapje teruggedaan en hebben plaatsgemaakt voor invloeden uit de pop en de rock, die meer dan eens herinnert aan het geweldige debuut van Wilson Phillips. Natuurlijk hebben Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor hun sterkste wapen niet achter zich gelaten. Ook op Good Woman schitteren de drie zussen met wonderschone harmonieën, maar ze worden minder vaak ingezet dan op de vorige albums van het drietal.
Het grootste verschil hoor je in de instrumentatie, die een stuk veelzijdiger is geworden. The Staves kunnen op Good Woman uit de voeten met stevige gitaren en een veel voller klinkend geluid dan we van ze gewend waren, maar gelukkig doen deze gitaren regelmatig een stapje terug, keren de akoestische klanken van de vorige albums terug en imponeren de zussen Staveley-Taylor weer met engelachtige vocalen.
Die gingen me na een tijdje ook wel wat tegen staan en ik ben daarom blij met het wat vollere en vooral ook veelzijdigere geluid van The Staves. Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor laten horen dat ze een paar jaar ouder zijn geworden en de schattige folkmeisjes van weleer achter zich hebben gelaten. Deze folkmeisjes zijn getransformeerd in volwassen muzikanten die open staan voor meerdere invloeden, maar die ook nog altijd beschikken over een uitstekende smaak en ook nog eens de sterren van de hemel zingen.
Voor folkpuristen is het misschien net wat teveel pop en rock hier en daar, maar een ieder die folk bij voorkeur niet al te traditioneel heeft, maar wel een zwak heeft voor harmonieën, zoals ik, is Good Woman een geweldig album. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Staves - Good Woman - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Staves - Good Woman
Het is een paar jaar stil geweest rond The Staves, maar het Britse trio is terug met een nieuw album waarop niet alleen ruimte is voor een nieuw geluid, maar ook voor persoonlijke verhalen
Bij The Staves denk ik direct aan engelachtige folk vol wonderschone harmonieën, maar Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor konden altijd al veel meer dan dat. Op Good Woman verwerken de zussen het nodige persoonlijk leed en komen ze bovendien op de proppen met een voller en veelzijdiger geluid, waarin ook ruimte is voor invloeden uit de pop en rock. De gouden keeltjes zijn er gelukkig ook nog altijd en staan ook op Good Woman weer garant voor vocaal vuurwerk. The Staves hebben altijd gezocht naar uitstapjes buiten de gebaande paden en doen dat ook weer op Good Woman, dat zomaar kan uitgroeien tot het sterkste album van het drietal.
Good Woman is het derde reguliere album van het Britse trio The Staves. De zussen Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor brachten hiernaast een live-album en een aantal prima EP’s uit, maar maakten wat mij betreft de meeste indruk met het in 2017 verschenen en samen met het New Yorkse muzikantencollectief yMusic gemaakte The Way Is Read, waarop de gouden keeltjes van de Britse zussen werden gecombineerd met de bijzondere klassieke klanken van yMusic.
The Staves houden sowieso wel van bijzondere samenwerkingen, want voor hun debuut wisten ze niet alleen de roemruchte Britse producer Glyn Johns, maar ook zijn zoon Ethan te strikken, terwijl Justin Vernon (Bon Iver) plaats nam achter de knoppen bij de opnames van het tweede album van het Britse drietal.
Het deze week verschenen Good Woman is de opvolger van het vier jaar geleden terecht zo bewierookte The Way Is Read, waardoor de lat flink hoog ligt. De Britse zussen hebben inmiddels de nodige levenservaring opgedaan en kregen te maken met pieken en zeker ook dalen.
Het heeft zijn invloed gehad op de muziek van het drietal, want na een lange pauze keren de zussen Staveley-Taylor terug met een volwassener en veelzijdiger geluid. Waar we in het verleden vooral drie engeltjes mooie folksongs hoorden zingen, slaan Camilla, Emily en Jessica op Good Woman hun vleugels uit en laten ze het gevoel nadrukkelijk spreken.
In het verleden slaagden de Britse zussen er in om aansprekende producers en muzikanten te strikken en dat is ze ook weer gelukt op hun nieuwe album. Niemand minder dan John Congleton (St. Vincent, Angel Olsen, Chelsea Wolfe en vele anderen) tekende immers voor de productie van Good Woman, dat duidelijk anders klinkt dan zijn voorgangers en de hand van de topproducer verraadt.
Invloeden uit de folk hebben een stapje teruggedaan en hebben plaatsgemaakt voor invloeden uit de pop en de rock, die meer dan eens herinnert aan het geweldige debuut van Wilson Phillips. Natuurlijk hebben Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor hun sterkste wapen niet achter zich gelaten. Ook op Good Woman schitteren de drie zussen met wonderschone harmonieën, maar ze worden minder vaak ingezet dan op de vorige albums van het drietal.
Het grootste verschil hoor je in de instrumentatie, die een stuk veelzijdiger is geworden. The Staves kunnen op Good Woman uit de voeten met stevige gitaren en een veel voller klinkend geluid dan we van ze gewend waren, maar gelukkig doen deze gitaren regelmatig een stapje terug, keren de akoestische klanken van de vorige albums terug en imponeren de zussen Staveley-Taylor weer met engelachtige vocalen.
Die gingen me na een tijdje ook wel wat tegen staan en ik ben daarom blij met het wat vollere en vooral ook veelzijdigere geluid van The Staves. Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor laten horen dat ze een paar jaar ouder zijn geworden en de schattige folkmeisjes van weleer achter zich hebben gelaten. Deze folkmeisjes zijn getransformeerd in volwassen muzikanten die open staan voor meerdere invloeden, maar die ook nog altijd beschikken over een uitstekende smaak en ook nog eens de sterren van de hemel zingen.
Voor folkpuristen is het misschien net wat teveel pop en rock hier en daar, maar een ieder die folk bij voorkeur niet al te traditioneel heeft, maar wel een zwak heeft voor harmonieën, zoals ik, is Good Woman een geweldig album. Erwin Zijleman
The Staves - If I Was (2015)

4,0
0
geplaatst: 25 maart 2015, 15:38 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Staves - If I Was - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Dat de Britse zusjes Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor geweldig kunnen zingen lieten ze al horen op het in 2012 verschenen debuut van The Staves.
Dead & Born & Grown maakte diepe indruk met drie prachtige stemmen die los van elkaar prachtig klonken, maar de ware magie kwam als de drie zusjes elkaars stemmen versterkten in harmonieën om van te watertanden.
Ondanks de geweldige vocalen, de diepe wortels in de Britse folk en de fraaie productie van Glyn en Ethan Johns (!) werden de zusjes uit Watford niet wereldberoemd.
Dat de zusjes Staveley-Taylor op hun tweede plaat kiezen voor een net wat ander geluid wekt daarom geen verbazing. Voor de productie deed het trio dit keer een beroep op Justin Vernon, oftewel Bon Iver. Ik had daarom verwacht dat The Staves wat meer op zouden schuiven in de richting van de alternatieve of indie-folk, maar dat is zeker niet het geval.
Waar vader en zoon Johns drie jaar geleden kozen voor een betrekkelijk sober folk-geluid, pakt Justin Vernon op If I Was uit met een veel voller geluid. Het is een veelzijdig geluid dat de ene keer uitpakt met heel veel strijkers, maar niet veel later aan de slag gaat met speelse ritmes.
Ondanks het vollere geluid staan de stemmen van de zusjes Staveley-Taylor uiteraard nog steeds centraal. Op basis van het debuut van The Staves ging ik er van uit dat het stemmen zijn die gemaakt zijn voor traditioneel aandoende Britse folk, maar in het veel modernere klankentapijt van If I Was komen ze nog veel beter tot hun recht.
Justin Vernon heeft er voor gekozen om de drie zussen zoveel mogelijk samen te laten zingen en dat is een wijs besluit. Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor zijn individueel al bovengemiddeld goede zangeressen, maar als ze samen zingen gebeurt er iets bijzonders. 1+1+1 is in het geval van The Staves niet 3 maar eerder 5 of zelfs 10. De stemmen van de zussen zijn alle drie net iets anders, maar ze kleuren perfect bij elkaar (net zoals je dit bij de zussen Lily en Madeleine hoort). Pure magie is het resultaat.
Ik moet eerlijk toegeven dat ik het geluid op If I Was in eerste instantie bij vlagen wel erg gelikt vond klinken. De tweede plaat van The Staves bevat een aantal songs die nog redelijk dicht tegen de Britse folk aan zitten, maar If I Was schuift aan de andere kant ook een aantal keren op richting redelijk toegankelijke pop, waarin het trio opschuift in de richting van de al genoemde Lily & Madeleine, maar hier en daar ook raakt aan de zoete klanken van Wilson Phillips (hun debuut is voor mij overigens een ‘guilty pleasure’ die al meer dan 20 jaar mee gaat) of zelfs The Corrs.
Na flink wat luisterbeurten heb ik mijn mening over de productie overigens wel bijgesteld. Justin Vernon pakt op If I Was zo nu en dan flink uit, maar hij blijft altijd aan de juiste kant van de streep. Verder zijn er natuurlijk altijd de stemmen van de zusjes Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor en die verleiden zelfs met een Hollandse carnavalskraker.
Iedereen die het debuut van The Staves heeft gekoesterd zal even moeten wennen aan If I Was. Iedereen die het trio niet kent maar wel gek is op hemelse vrouwenzang, krijgt met If I was een ware schat in handen. Laten we hopen dat de muziek en vooral ook de zang van de zusjes Staveley-Taylor dit keer wel op de juiste waarde wordt geschat. Erwin Zijleman
The Staves zijn binnenkort te bewonderen op de Nederlandse podia:
09/4: Nijmegen, Doornroosje
10/4: Amsterdam, Melkweg
11/4: Rotterdam, Motel Mozaique
24/4: Maastricht: Muziekgieterij
25/4: Zwolle, Hedon
De krenten uit de pop: The Staves - If I Was - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Dat de Britse zusjes Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor geweldig kunnen zingen lieten ze al horen op het in 2012 verschenen debuut van The Staves.
Dead & Born & Grown maakte diepe indruk met drie prachtige stemmen die los van elkaar prachtig klonken, maar de ware magie kwam als de drie zusjes elkaars stemmen versterkten in harmonieën om van te watertanden.
Ondanks de geweldige vocalen, de diepe wortels in de Britse folk en de fraaie productie van Glyn en Ethan Johns (!) werden de zusjes uit Watford niet wereldberoemd.
Dat de zusjes Staveley-Taylor op hun tweede plaat kiezen voor een net wat ander geluid wekt daarom geen verbazing. Voor de productie deed het trio dit keer een beroep op Justin Vernon, oftewel Bon Iver. Ik had daarom verwacht dat The Staves wat meer op zouden schuiven in de richting van de alternatieve of indie-folk, maar dat is zeker niet het geval.
Waar vader en zoon Johns drie jaar geleden kozen voor een betrekkelijk sober folk-geluid, pakt Justin Vernon op If I Was uit met een veel voller geluid. Het is een veelzijdig geluid dat de ene keer uitpakt met heel veel strijkers, maar niet veel later aan de slag gaat met speelse ritmes.
Ondanks het vollere geluid staan de stemmen van de zusjes Staveley-Taylor uiteraard nog steeds centraal. Op basis van het debuut van The Staves ging ik er van uit dat het stemmen zijn die gemaakt zijn voor traditioneel aandoende Britse folk, maar in het veel modernere klankentapijt van If I Was komen ze nog veel beter tot hun recht.
Justin Vernon heeft er voor gekozen om de drie zussen zoveel mogelijk samen te laten zingen en dat is een wijs besluit. Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor zijn individueel al bovengemiddeld goede zangeressen, maar als ze samen zingen gebeurt er iets bijzonders. 1+1+1 is in het geval van The Staves niet 3 maar eerder 5 of zelfs 10. De stemmen van de zussen zijn alle drie net iets anders, maar ze kleuren perfect bij elkaar (net zoals je dit bij de zussen Lily en Madeleine hoort). Pure magie is het resultaat.
Ik moet eerlijk toegeven dat ik het geluid op If I Was in eerste instantie bij vlagen wel erg gelikt vond klinken. De tweede plaat van The Staves bevat een aantal songs die nog redelijk dicht tegen de Britse folk aan zitten, maar If I Was schuift aan de andere kant ook een aantal keren op richting redelijk toegankelijke pop, waarin het trio opschuift in de richting van de al genoemde Lily & Madeleine, maar hier en daar ook raakt aan de zoete klanken van Wilson Phillips (hun debuut is voor mij overigens een ‘guilty pleasure’ die al meer dan 20 jaar mee gaat) of zelfs The Corrs.
Na flink wat luisterbeurten heb ik mijn mening over de productie overigens wel bijgesteld. Justin Vernon pakt op If I Was zo nu en dan flink uit, maar hij blijft altijd aan de juiste kant van de streep. Verder zijn er natuurlijk altijd de stemmen van de zusjes Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor en die verleiden zelfs met een Hollandse carnavalskraker.
Iedereen die het debuut van The Staves heeft gekoesterd zal even moeten wennen aan If I Was. Iedereen die het trio niet kent maar wel gek is op hemelse vrouwenzang, krijgt met If I was een ware schat in handen. Laten we hopen dat de muziek en vooral ook de zang van de zusjes Staveley-Taylor dit keer wel op de juiste waarde wordt geschat. Erwin Zijleman
The Staves zijn binnenkort te bewonderen op de Nederlandse podia:
09/4: Nijmegen, Doornroosje
10/4: Amsterdam, Melkweg
11/4: Rotterdam, Motel Mozaique
24/4: Maastricht: Muziekgieterij
25/4: Zwolle, Hedon
The Staves / yMusic - The Way Is Read (2017)

4,0
0
geplaatst: 1 december 2017, 15:13 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Staves & yMusic - The Way Is Read - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De zussen Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor maakten als The Staves al twee bijzonder indrukwekkende platen.
Zowel op het door vader en zoon Glyn en Ethan Johns geproduceerde Dead & Born & Grown uit 2012 als op het door Justin Vernon (Bon Iver) geproduceerde If I Was uit 2015 maakten de zussen uit het Britse Watford indruk met stemmen die los van elkaar al prachtig klonken, maar transformeerden in pure magie als Camilla, Emily en Jessica elkaars stemmen versterkten in harmonieën om van te watertanden.
The Staves imponeerden op hun eerste twee platen niet alleen met wonderschone vocalen, maar ook nog eens met bijzonder aangename popliedjes, waardoor menige lome zondagochtend fraai en plezierig werd ingekleurd door de engelachtige zang van het drietal.
Deze week verscheen de derde plaat van The Staves en dit keer kiezen de drie Britse zussen voor een, zeker op het eerste gehoor, veel minder toegankelijk geluid. De zussen Staveley-Taylor werken dit keer intensief samen met het uit New York afkomstige muzikantencollectief yMusic, dat uiteindelijk zo’n grote rol heeft dat The Way Is Read wordt gepresenteerd als een gezamenlijke inspanning.
yMusic duikt de afgelopen jaren wel vaker op met haar bijzondere combinatie van viool, cello, fluit, klarinet en trompet en een geluid dat een brug slaat tussen klassieke muziek, chamber pop en popmuziek. Het Amerikaanse muzikantencollectief was al te horen op platen van onder andere St. Vincent, The National, Bon Iver, My Brightest Diamond en Okkervil River, maar is op de nieuwe plaat van The Staves volledig verantwoordelijk voor de instrumentatie.
The Way Is Read is in muzikaal opzicht een hele spannende plaat. De klassieke klanken van yMusic zijn zeker niet alledaags en zoeken nadrukkelijk het experiment. Het zijn klanken die nadrukkelijk de aandacht op kunnen eisen of zelfs tegen de haren in kunnen strijken, maar yMusic kan ook uitermate subtiel en bijna lieflijk spelen.
Hetzelfde geldt eigenlijk voor de zang van Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor. De zussen konden op hun vorige plaat nog wel eens uitpakken met honingzoete melodieën zoals deze ooit door Wilson-Phillips tot kunst werden verheven, maar op The Way Is Read zingen de zussen vooral ingetogen en kiezen ze voor vocalen die uitstekend passen bij de experimentele muziek van yMusic.
The Staves en yMusic maken het de luisteraar op hun gezamenlijke plaat zeker niet makkelijk met lastig te doorgronden muziek en al even lastig te doorgronden zang, maar geduld wordt absoluut beloond. Naarmate je de plaat vaker hoort vallen steeds meer puzzelstukjes op hun plek en overwint uiteindelijk de schoonheid.
Camilla, Emily en Jessica zingen ook op hun derde plaat weer de sterren van de hemel en tekenen voor harmonieën van een bijna onwaarschijnlijke schoonheid. De vocalen combineren prachtig met de bijzondere klanken van yMusic. De zang en instrumentatie draaien prachtig om elkaar heen of geven elkaar de ruimte, maar de engelachtige zang van het Britse drietal en de avontuurlijke klanken van de New Yorkse muzikanten kunnen elkaar ook prachtig versterken.
Het levert een plaat op die continu buiten de lijntjes kleurt, maar uiteindelijk een fraai en fascinerend kunstwerk oplevert. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Staves & yMusic - The Way Is Read - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De zussen Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor maakten als The Staves al twee bijzonder indrukwekkende platen.
Zowel op het door vader en zoon Glyn en Ethan Johns geproduceerde Dead & Born & Grown uit 2012 als op het door Justin Vernon (Bon Iver) geproduceerde If I Was uit 2015 maakten de zussen uit het Britse Watford indruk met stemmen die los van elkaar al prachtig klonken, maar transformeerden in pure magie als Camilla, Emily en Jessica elkaars stemmen versterkten in harmonieën om van te watertanden.
The Staves imponeerden op hun eerste twee platen niet alleen met wonderschone vocalen, maar ook nog eens met bijzonder aangename popliedjes, waardoor menige lome zondagochtend fraai en plezierig werd ingekleurd door de engelachtige zang van het drietal.
Deze week verscheen de derde plaat van The Staves en dit keer kiezen de drie Britse zussen voor een, zeker op het eerste gehoor, veel minder toegankelijk geluid. De zussen Staveley-Taylor werken dit keer intensief samen met het uit New York afkomstige muzikantencollectief yMusic, dat uiteindelijk zo’n grote rol heeft dat The Way Is Read wordt gepresenteerd als een gezamenlijke inspanning.
yMusic duikt de afgelopen jaren wel vaker op met haar bijzondere combinatie van viool, cello, fluit, klarinet en trompet en een geluid dat een brug slaat tussen klassieke muziek, chamber pop en popmuziek. Het Amerikaanse muzikantencollectief was al te horen op platen van onder andere St. Vincent, The National, Bon Iver, My Brightest Diamond en Okkervil River, maar is op de nieuwe plaat van The Staves volledig verantwoordelijk voor de instrumentatie.
The Way Is Read is in muzikaal opzicht een hele spannende plaat. De klassieke klanken van yMusic zijn zeker niet alledaags en zoeken nadrukkelijk het experiment. Het zijn klanken die nadrukkelijk de aandacht op kunnen eisen of zelfs tegen de haren in kunnen strijken, maar yMusic kan ook uitermate subtiel en bijna lieflijk spelen.
Hetzelfde geldt eigenlijk voor de zang van Camilla, Emily en Jessica Staveley-Taylor. De zussen konden op hun vorige plaat nog wel eens uitpakken met honingzoete melodieën zoals deze ooit door Wilson-Phillips tot kunst werden verheven, maar op The Way Is Read zingen de zussen vooral ingetogen en kiezen ze voor vocalen die uitstekend passen bij de experimentele muziek van yMusic.
The Staves en yMusic maken het de luisteraar op hun gezamenlijke plaat zeker niet makkelijk met lastig te doorgronden muziek en al even lastig te doorgronden zang, maar geduld wordt absoluut beloond. Naarmate je de plaat vaker hoort vallen steeds meer puzzelstukjes op hun plek en overwint uiteindelijk de schoonheid.
Camilla, Emily en Jessica zingen ook op hun derde plaat weer de sterren van de hemel en tekenen voor harmonieën van een bijna onwaarschijnlijke schoonheid. De vocalen combineren prachtig met de bijzondere klanken van yMusic. De zang en instrumentatie draaien prachtig om elkaar heen of geven elkaar de ruimte, maar de engelachtige zang van het Britse drietal en de avontuurlijke klanken van de New Yorkse muzikanten kunnen elkaar ook prachtig versterken.
Het levert een plaat op die continu buiten de lijntjes kleurt, maar uiteindelijk een fraai en fascinerend kunstwerk oplevert. Erwin Zijleman
The Stroppies - Whoosh! (2019)

4,0
0
geplaatst: 25 april 2019, 15:39 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Stroppies - Whoosh - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Stroppies - Whoosh
Noem het rammelpop, maar de Australische band The Stroppies maakt wel rammelpop van het allerbeste en meest onweerstaanbare soort
Wat is dit een heerlijk album. De songs van de Australische band The Stroppies rammelen aan alle kanten, maar na één keer horen ga je ze niet meer vergeten. Whoosh is een album vol songs die de zon laten schijnen met gitaarloopjes om zielsgelukkig van te worden. Authentiek klinkende synths en wat onvaste maar o zo sympathieke vocalen maken het geluid van The Stroppies compleet. Whoosh staat vol met songs die op van alles en nog wat lijken, maar op hetzelfde moment lijkt het op helemaal niets. Verwacht geen muzikale hoogstandjes op dit album, maar ondertussen staan er alleen maar songs op om zielsgelukkig van te worden.
In de nieuwsbrief van de webshop van het Nieuw-Zeelandse Flying Out Records werden eind vorige week nogal wat lovende woorden besteed aan Whoosh van de Australische band The Stroppies.
Het klonk eerlijk gezegd nogal obscuur, maar het tweede album van de band uit Melbourne is deze week ook gewoon in Nederland te beluisteren via de streaming media diensten en het album ligt tot mijn verbazing ook gewoon in de winkel.
Of The Stroppies ook in Nederland potten gaan breken met hun tweede album durf ik niet te voorspellen, maar iedereen die het album beluistert zal waarschijnlijk als een blok vallen voor de onweerstaanbare muziek van de Australische band.
The Stroppies maken op Whoosh muziek die vaak wat oneerbiedig als rammelpop zal worden omschreven. Het is rammelpop waarvan je alleen maar heel vrolijk kunt worden. Whoosh staat vol met zonnige gitaarloopjes, springerige ritmes, wat onvaste vrouwen- en mannenvocalen, wat ouderwets klinkende synths en vooral volstrekt onweerstaanbare melodieën en refreinen.
Het is muziek die aan van alles en nog wat en tegelijkertijd aan helemaal niets doet denken. The Feelies, Pavement, The Go-Betweens, The Chills, The Clean, Guided By Voices hebben hun sporen nagelaten in de muziek van The Stroppies, maar de Australische band heeft alle invloeden op geheel eigen wijze verwerkt.
Een aantal songs op Whoosh is schatplichtig aan de postpunk en new wave uit de late jaren 70, maar wanneer de synths opduiken slepen The Stroppies je zo de jaren 80 in en is weer een nieuw lijstje namen te bedenken (met alles tussen The Inspiral Carpets en Bis) dat even zinnig als onzinnig vergelijkingsmateriaal aandraagt.
De muziek van The Stroppies rammelt aan alle kanten, maar ondertussen is Whoosh wel 10 songs en 34 minuten raak. De gitaren jengelen 34 minuten lang onweerstaanbaar door en laten de zon schijnen, de vocalen klinken heerlijk onderkoeld, de synths zorgen voor wat nostalgie en de songs zijn allemaal van het soort dat na één keer horen voorgoed in het geheugen is opgeslagen.
Het lijkt allemaal erg eenvoudig, maar ondertussen sleept de Australische band er ook nog wat invloeden uit de jaren 60 bij en worden invloeden gecombineerd die nog niet vaak gecombineerd zijn. Whoosh is daarom veel meer dan een ultieme feelgood plaat, maar ook met een ultieme feelgood plaat is natuurlijk helemaal niets mis. Laat het tweede album van The Stroppies uit de speakers komen en je hebt gegarandeerd 34 minuten lang een brede glimlach op je gezicht. Heerlijk album deze aangename verrassing uit het verre Australië. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Stroppies - Whoosh - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Stroppies - Whoosh
Noem het rammelpop, maar de Australische band The Stroppies maakt wel rammelpop van het allerbeste en meest onweerstaanbare soort
Wat is dit een heerlijk album. De songs van de Australische band The Stroppies rammelen aan alle kanten, maar na één keer horen ga je ze niet meer vergeten. Whoosh is een album vol songs die de zon laten schijnen met gitaarloopjes om zielsgelukkig van te worden. Authentiek klinkende synths en wat onvaste maar o zo sympathieke vocalen maken het geluid van The Stroppies compleet. Whoosh staat vol met songs die op van alles en nog wat lijken, maar op hetzelfde moment lijkt het op helemaal niets. Verwacht geen muzikale hoogstandjes op dit album, maar ondertussen staan er alleen maar songs op om zielsgelukkig van te worden.
In de nieuwsbrief van de webshop van het Nieuw-Zeelandse Flying Out Records werden eind vorige week nogal wat lovende woorden besteed aan Whoosh van de Australische band The Stroppies.
Het klonk eerlijk gezegd nogal obscuur, maar het tweede album van de band uit Melbourne is deze week ook gewoon in Nederland te beluisteren via de streaming media diensten en het album ligt tot mijn verbazing ook gewoon in de winkel.
Of The Stroppies ook in Nederland potten gaan breken met hun tweede album durf ik niet te voorspellen, maar iedereen die het album beluistert zal waarschijnlijk als een blok vallen voor de onweerstaanbare muziek van de Australische band.
The Stroppies maken op Whoosh muziek die vaak wat oneerbiedig als rammelpop zal worden omschreven. Het is rammelpop waarvan je alleen maar heel vrolijk kunt worden. Whoosh staat vol met zonnige gitaarloopjes, springerige ritmes, wat onvaste vrouwen- en mannenvocalen, wat ouderwets klinkende synths en vooral volstrekt onweerstaanbare melodieën en refreinen.
Het is muziek die aan van alles en nog wat en tegelijkertijd aan helemaal niets doet denken. The Feelies, Pavement, The Go-Betweens, The Chills, The Clean, Guided By Voices hebben hun sporen nagelaten in de muziek van The Stroppies, maar de Australische band heeft alle invloeden op geheel eigen wijze verwerkt.
Een aantal songs op Whoosh is schatplichtig aan de postpunk en new wave uit de late jaren 70, maar wanneer de synths opduiken slepen The Stroppies je zo de jaren 80 in en is weer een nieuw lijstje namen te bedenken (met alles tussen The Inspiral Carpets en Bis) dat even zinnig als onzinnig vergelijkingsmateriaal aandraagt.
De muziek van The Stroppies rammelt aan alle kanten, maar ondertussen is Whoosh wel 10 songs en 34 minuten raak. De gitaren jengelen 34 minuten lang onweerstaanbaar door en laten de zon schijnen, de vocalen klinken heerlijk onderkoeld, de synths zorgen voor wat nostalgie en de songs zijn allemaal van het soort dat na één keer horen voorgoed in het geheugen is opgeslagen.
Het lijkt allemaal erg eenvoudig, maar ondertussen sleept de Australische band er ook nog wat invloeden uit de jaren 60 bij en worden invloeden gecombineerd die nog niet vaak gecombineerd zijn. Whoosh is daarom veel meer dan een ultieme feelgood plaat, maar ook met een ultieme feelgood plaat is natuurlijk helemaal niets mis. Laat het tweede album van The Stroppies uit de speakers komen en je hebt gegarandeerd 34 minuten lang een brede glimlach op je gezicht. Heerlijk album deze aangename verrassing uit het verre Australië. Erwin Zijleman
The Strypes - Spitting Image (2017)

4,5
0
geplaatst: 4 januari 2018, 16:34 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Strypes - Spitting Image - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De platen van de Ierse band The Strypes krijg ik al een aantal jaren toegestuurd, maar tot dusver was ik niet echt onder de indruk van de muziek van de band uit Cavan. De bluesy pubrock van de band deed wat ouderwets aan en de echt memorabele songs ontbraken.
Ook het in de zomer van 2017 verschenen Spitting Image lag daarom al lang op de stapel van af te voeren cd’s, toen ik een citaat van Allmusic.com tegen kwam waarin de laatste plaat van The Strypes met gemak de beste new wave plaat van het nieuwe millennium wordt genoemd.
Dat gaat wel wat (te) ver, maar dat Spitting Image een hele goede plaat is, is zeker. De Ierse band schuift op Spitting Image op van de wat belegen pubrock uit de vroege jaren 70 naar energieke gitaarsongs met vooral invloeden uit de punk en new wave uit de tweede helft van de jaren 70. Het was halverwege de jaren 70 een stap die door veel meer bands werd gemaakt en het is een stap die nog steeds werkt.
Spitting Image heeft het frisse van de eerste platen van The Buzzcocks, doet wat denken aan The Jam, heeft raakvlakken met de eerste platen van Elvis Costello & The Attractions, maar The Strypes zijn ook de klassiekers uit de jaren 60 en vroege jaren 70 niet vergeten.
Het levert een plaat op vol buitengewoon aangename gitaarsongs. Het zijn gitaarsongs die soms rauw, energiek en punky klinken, maar Spitting Image kan ook opschuiven richting de muziek van The Kinks en The Beatles of die van de eendagsvlieg The La’s, om nog maar eens wat namen te noemen.
Spitting Image valt op door heerlijk veelzijdig gitaarwerk, dat ook zo maar kan ontsporen in bluesy solo’s, maar ook het aangenaam zeurende orgeltje mag niet onvermeld blijven. Dat The Strypes kunnen spelen lieten ze ook al wel op hun vorige platen horen, maar waar de songs van de Ierse band op de vorige platen niet echt bleven hangen, zijn nagenoeg alle songs op Spitting Image raak.
In muzikaal opzicht doet de band op haar laatste plaat geen hele spannende dingen en ook in vocaal opzicht is Spitting Image van The Strypes geen opzienbarende plaat, maar wat heeft de band uit het Ierse Cavan dit keer een geweldige serie songs afgeleverd. Het zijn songs die geen geheim maken van de belangrijkste inspiratiebronnen en dat zijn er op Spitting Image heel wat. Ook in dit opzicht verdient de plaat niet de originaliteitsprijs, maar hoeveel bands slagen er in om op een plaat dertien songs waarvan je alleen maar heel vrolijk kunt worden uit de hoge hoed te toveren?
The Strypes doen het en ze doen het met speels gemak. Spitting Image schiet dertien songs alle kanten op met een voorliefde voor punk en new wave, maar waar soortgenoten in de jaren 70 alle andere muziek moesten verafschuwen en vergeten, grijpen The Strypes op Spitting Image alles vast wat ze nog meer tegen komen, waarbij vooral de blues het goed doet.
Het levert een plaat op die 48 minuten lang goed is voor een brede glimlach, maar het is ook een plaat die 48 minuten lang imponeert met songs die misschien geen bijzondere dingen laten horen, maar waarin wel alles klopt. Buitengewoon knappe plaat dus van deze wat ondergewaardeerde band uit Ierland en een pluim voor Allmusic.com, die het als een van de weinigen hebben gehoord vorig jaar. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Strypes - Spitting Image - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De platen van de Ierse band The Strypes krijg ik al een aantal jaren toegestuurd, maar tot dusver was ik niet echt onder de indruk van de muziek van de band uit Cavan. De bluesy pubrock van de band deed wat ouderwets aan en de echt memorabele songs ontbraken.
Ook het in de zomer van 2017 verschenen Spitting Image lag daarom al lang op de stapel van af te voeren cd’s, toen ik een citaat van Allmusic.com tegen kwam waarin de laatste plaat van The Strypes met gemak de beste new wave plaat van het nieuwe millennium wordt genoemd.
Dat gaat wel wat (te) ver, maar dat Spitting Image een hele goede plaat is, is zeker. De Ierse band schuift op Spitting Image op van de wat belegen pubrock uit de vroege jaren 70 naar energieke gitaarsongs met vooral invloeden uit de punk en new wave uit de tweede helft van de jaren 70. Het was halverwege de jaren 70 een stap die door veel meer bands werd gemaakt en het is een stap die nog steeds werkt.
Spitting Image heeft het frisse van de eerste platen van The Buzzcocks, doet wat denken aan The Jam, heeft raakvlakken met de eerste platen van Elvis Costello & The Attractions, maar The Strypes zijn ook de klassiekers uit de jaren 60 en vroege jaren 70 niet vergeten.
Het levert een plaat op vol buitengewoon aangename gitaarsongs. Het zijn gitaarsongs die soms rauw, energiek en punky klinken, maar Spitting Image kan ook opschuiven richting de muziek van The Kinks en The Beatles of die van de eendagsvlieg The La’s, om nog maar eens wat namen te noemen.
Spitting Image valt op door heerlijk veelzijdig gitaarwerk, dat ook zo maar kan ontsporen in bluesy solo’s, maar ook het aangenaam zeurende orgeltje mag niet onvermeld blijven. Dat The Strypes kunnen spelen lieten ze ook al wel op hun vorige platen horen, maar waar de songs van de Ierse band op de vorige platen niet echt bleven hangen, zijn nagenoeg alle songs op Spitting Image raak.
In muzikaal opzicht doet de band op haar laatste plaat geen hele spannende dingen en ook in vocaal opzicht is Spitting Image van The Strypes geen opzienbarende plaat, maar wat heeft de band uit het Ierse Cavan dit keer een geweldige serie songs afgeleverd. Het zijn songs die geen geheim maken van de belangrijkste inspiratiebronnen en dat zijn er op Spitting Image heel wat. Ook in dit opzicht verdient de plaat niet de originaliteitsprijs, maar hoeveel bands slagen er in om op een plaat dertien songs waarvan je alleen maar heel vrolijk kunt worden uit de hoge hoed te toveren?
The Strypes doen het en ze doen het met speels gemak. Spitting Image schiet dertien songs alle kanten op met een voorliefde voor punk en new wave, maar waar soortgenoten in de jaren 70 alle andere muziek moesten verafschuwen en vergeten, grijpen The Strypes op Spitting Image alles vast wat ze nog meer tegen komen, waarbij vooral de blues het goed doet.
Het levert een plaat op die 48 minuten lang goed is voor een brede glimlach, maar het is ook een plaat die 48 minuten lang imponeert met songs die misschien geen bijzondere dingen laten horen, maar waarin wel alles klopt. Buitengewoon knappe plaat dus van deze wat ondergewaardeerde band uit Ierland en een pluim voor Allmusic.com, die het als een van de weinigen hebben gehoord vorig jaar. Erwin Zijleman
The T.S. Eliot Appreciaton Society - Turn It Golden! (2016)

4,5
0
geplaatst: 6 oktober 2016, 14:41 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The T.S. Eliot Appreciation Society - Turn It Golden! - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Drie jaar geleden verscheen A New History, het debuut van The T.S. Eliot Appreciation Society.
Het alter ego van de Nederlandse muzikant Tom Gerritsen liet zich op dit debuut zeer nadrukkelijk inspireren door de folk uit de jaren 60 en 70, maar kleurde zijn folksongs op hele bijzondere wijze in.
A New History drong zich zeker niet heel makkelijk op, maar de plaat is me uiteindelijk zeer dierbaar geworden.
Dat ook opvolger Turn It Golden! me dierbaar gaat worden durf ik na een paar keer horen al wel te voorspellen, want The T.S. Eliot Appreciation Society laat op haar tweede plaat flinke groei horen.
Folk uit de jaren 60 en 70 vormt nog steeds de basis voor de muziek van Tom Gerritsen, maar toch is Turn It Golden! een net wat andere plaat dan A New History. Ook het op het Berlijnse Greywood Records verschenen Turn It Golden! bevat vooral ingetogen folksongs, die opvallen door een vaak bijna minimalistische instrumentatie.
Het is echter, nog meer dan op het debuut, een instrumentatie die indruk maakt door fraaie subtiele accenten en door een opvallend breed palet aan klankkleuren. Turn It Golden! is nog wat mooier en subtieler ingekleurd dan zijn voorganger en klinkt bovendien warmer en melodieuzer.
Het warme en melodieuze hoor je ook terug in de zang van Tom Gerritsen, die anders en wat mij betreft mooier is gaan zingen. Waar ik op A New History vooral associaties had met de vroege platen van Bob Dylan, klinken op Turn It Golden! vooral de vroege platen van Leonard Cohen door, waardoor de muziek van The T.S. Eliot Appreciation Society minder schuurt.
Nu is de vergelijking met grootheden als Bob Dylan of Leonard Cohen natuurlijk een kansloze vergelijking, maar The T.S. Eliot Appreciation Society blijft ook op haar tweede plaat makkelijk overeind omdat het alle invloeden uit het verleden verrijkt met invloeden uit het heden en uiteindelijk een uniek eigen geluid creëert.
Het is een eigen geluid dat nog alle kanten op kan en dat hoor je op Turn It Golden! meer dan op het betrekkelijk eenvormige debuut. Naast uiterst ingetogen songs hoor je op de nieuwe plaat van The T.S. Eliot Appreciation Society ook een bijna speels popliedje of wordt het experiment juist opgezocht.
Het levert een plaat op die van de eerste tot de laatste noot intrigeert en die voorlopig nog wel even doorgroeit. Een talent om te koesteren, dat is wederom zeker. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The T.S. Eliot Appreciation Society - Turn It Golden! - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Drie jaar geleden verscheen A New History, het debuut van The T.S. Eliot Appreciation Society.
Het alter ego van de Nederlandse muzikant Tom Gerritsen liet zich op dit debuut zeer nadrukkelijk inspireren door de folk uit de jaren 60 en 70, maar kleurde zijn folksongs op hele bijzondere wijze in.
A New History drong zich zeker niet heel makkelijk op, maar de plaat is me uiteindelijk zeer dierbaar geworden.
Dat ook opvolger Turn It Golden! me dierbaar gaat worden durf ik na een paar keer horen al wel te voorspellen, want The T.S. Eliot Appreciation Society laat op haar tweede plaat flinke groei horen.
Folk uit de jaren 60 en 70 vormt nog steeds de basis voor de muziek van Tom Gerritsen, maar toch is Turn It Golden! een net wat andere plaat dan A New History. Ook het op het Berlijnse Greywood Records verschenen Turn It Golden! bevat vooral ingetogen folksongs, die opvallen door een vaak bijna minimalistische instrumentatie.
Het is echter, nog meer dan op het debuut, een instrumentatie die indruk maakt door fraaie subtiele accenten en door een opvallend breed palet aan klankkleuren. Turn It Golden! is nog wat mooier en subtieler ingekleurd dan zijn voorganger en klinkt bovendien warmer en melodieuzer.
Het warme en melodieuze hoor je ook terug in de zang van Tom Gerritsen, die anders en wat mij betreft mooier is gaan zingen. Waar ik op A New History vooral associaties had met de vroege platen van Bob Dylan, klinken op Turn It Golden! vooral de vroege platen van Leonard Cohen door, waardoor de muziek van The T.S. Eliot Appreciation Society minder schuurt.
Nu is de vergelijking met grootheden als Bob Dylan of Leonard Cohen natuurlijk een kansloze vergelijking, maar The T.S. Eliot Appreciation Society blijft ook op haar tweede plaat makkelijk overeind omdat het alle invloeden uit het verleden verrijkt met invloeden uit het heden en uiteindelijk een uniek eigen geluid creëert.
Het is een eigen geluid dat nog alle kanten op kan en dat hoor je op Turn It Golden! meer dan op het betrekkelijk eenvormige debuut. Naast uiterst ingetogen songs hoor je op de nieuwe plaat van The T.S. Eliot Appreciation Society ook een bijna speels popliedje of wordt het experiment juist opgezocht.
Het levert een plaat op die van de eerste tot de laatste noot intrigeert en die voorlopig nog wel even doorgroeit. Een talent om te koesteren, dat is wederom zeker. Erwin Zijleman
The Teskey Brothers - Run Home Slow (2019)

4,5
1
geplaatst: 15 augustus 2019, 16:54 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Teskey Brothers - Run Home Slow - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Teskey Brothers - Run Home Slow
Wat een fantastische, nee weergaloze soulplaat van de Australische band The Teskey Brothers, die de gloriedagen van de Southern Soul op indrukwekkende wijze doen herleven
Liefhebbers van goede soulmuziek hadden dit jaar al niets te klagen, maar de uit het Australische Melbourne afkomstige band The Teskey Brothers doet er nog een schepje bovenop. De instrumentatie en productie zijn prachtig, de songs blijven stuk voor stuk lekker hangen en hier en daar sleept de Australische band er bijzondere invloeden bij, maar de meeste indruk maakt zanger Josh Teskey, die beschikt over een soulstrot waarop heel wat soulzangers stikjaloers zullen zijn. Het levert een soulplaat op die direct zorgt voor broeierige temperaturen, maar het is ook een soulplaat die de fantasie maar blijft prikkelen. Jaarlijstjesmateriaal, dat zal inmiddels duidelijk zijn.
Er zijn dit jaar al heel veel goede soulplaten verschenen, maar na het fenomenale debuut van Black Pumas, dat weer net wat beter was dan het ook al zo goede debuut van Los Coast of de prachtplaat van Carlton Jumel Smith, lag de lat wat mij betreft wel erg hoog.
Ik begon dan ook met enige reserves aan de beluistering van het nieuwe album van de Australische band The Teskey Brothers, want wat kunnen deze blanke Australiërs nu weten van pure soul. Heel wat blijkt bij beluistering van Run Home Slow, want heeft deze band uit Melbourne veel soul.
The Teskey Brothers is een band rond de broers Josh en Sam Teskey. De eerste tekent voor een heerlijk soulvolle strot, terwijl de tweede heerlijk soulvolle gitaarlijnen uit de speakers laat komen. De band wordt aangevuld met een soepel spelende ritmesectie, terwijl voor de gelegenheid ook nog flink wat blazers en toetsen werden aangerukt.
Run Home Slow is een album dat je binnen een paar noten meesleurt naar de hoogtijdagen van de soul zoals die aan het eind van de jaren 60 in het diepe zuiden van de Verenigde Staten werd gemaakt. The Teskey hebben een goed gevoel voor tijdloze soulsongs en voeren deze op bijzonder fraaie wijze uit, waarbij ook nog wat invloeden uit onder andere de blues en de gospel worden meegepikt.
De instrumentatie op Run Home Slow is verrassend gevarieerd. De Australische band kan het authentieke Southern soul geluid uit de jaren 60 prachtig reproduceren, maar kan ook moeiteloos omschakelen richting zwoele soulpop of richting wat meer psychedelisch getinte klanken, zeker wanneer de orgels aanzwengelen en de gitaren mogen kiezen voor langer aanhoudende akkoorden. Het heeft dan opeens wel wat van de blue-eyed soul van Joe Cocker in zijn allerbeste dagen, maar op het grootste deel van Run Home Slow klinken The Teskey Brothers gitzwart.
De band uit Melbourne overtuigt bijzonder makkelijk met soulvolle muziek uit vervlogen tijden, met songs vol vuur en passie en met een instrumentatie die steeds weer de juiste snaar weet te raken, maar het sterkste wapen van de Australische band is zonder enige twijfel de fantastische stem van Josh Teskey. De Australische zanger heeft in zijn kleine teen al veel meer soul dan de meeste blue-eyed soulzangers van het moment en herinnert meer dan eens aan de allergrootsten uit het genre.
Ik was er een week of wat geleden nog 100% zeker van dat Black Pumas aan het einde van het jaar tekent voor met afstand de beste soulplaat van 2019, maar hoe vaker ik Run Home Slow van The Teskey Brothers hoor, hoe meer ik ervan overtuigt raak dat het zeker nog geen gelopen race is en dat de hoofdprijs in december net zo makkelijk naar een band uit Australië kan gaan.
Voor de liefhebbers van goede soulmuziek is er alleen maar winst, want na het overlijden van soulsterren als Sharon Jones en Charles Bradley staan er deze zomer gelukkig flink wat nieuwe soulsterren op. Natuurlijk helpt het dat ik Run Home Slow beluister op een prachtige en zomerse locatie, maar ik weet bijna zeker dat dit album ook de rest van het jaar wonderen gaat verrichten. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Teskey Brothers - Run Home Slow - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Teskey Brothers - Run Home Slow
Wat een fantastische, nee weergaloze soulplaat van de Australische band The Teskey Brothers, die de gloriedagen van de Southern Soul op indrukwekkende wijze doen herleven
Liefhebbers van goede soulmuziek hadden dit jaar al niets te klagen, maar de uit het Australische Melbourne afkomstige band The Teskey Brothers doet er nog een schepje bovenop. De instrumentatie en productie zijn prachtig, de songs blijven stuk voor stuk lekker hangen en hier en daar sleept de Australische band er bijzondere invloeden bij, maar de meeste indruk maakt zanger Josh Teskey, die beschikt over een soulstrot waarop heel wat soulzangers stikjaloers zullen zijn. Het levert een soulplaat op die direct zorgt voor broeierige temperaturen, maar het is ook een soulplaat die de fantasie maar blijft prikkelen. Jaarlijstjesmateriaal, dat zal inmiddels duidelijk zijn.
Er zijn dit jaar al heel veel goede soulplaten verschenen, maar na het fenomenale debuut van Black Pumas, dat weer net wat beter was dan het ook al zo goede debuut van Los Coast of de prachtplaat van Carlton Jumel Smith, lag de lat wat mij betreft wel erg hoog.
Ik begon dan ook met enige reserves aan de beluistering van het nieuwe album van de Australische band The Teskey Brothers, want wat kunnen deze blanke Australiërs nu weten van pure soul. Heel wat blijkt bij beluistering van Run Home Slow, want heeft deze band uit Melbourne veel soul.
The Teskey Brothers is een band rond de broers Josh en Sam Teskey. De eerste tekent voor een heerlijk soulvolle strot, terwijl de tweede heerlijk soulvolle gitaarlijnen uit de speakers laat komen. De band wordt aangevuld met een soepel spelende ritmesectie, terwijl voor de gelegenheid ook nog flink wat blazers en toetsen werden aangerukt.
Run Home Slow is een album dat je binnen een paar noten meesleurt naar de hoogtijdagen van de soul zoals die aan het eind van de jaren 60 in het diepe zuiden van de Verenigde Staten werd gemaakt. The Teskey hebben een goed gevoel voor tijdloze soulsongs en voeren deze op bijzonder fraaie wijze uit, waarbij ook nog wat invloeden uit onder andere de blues en de gospel worden meegepikt.
De instrumentatie op Run Home Slow is verrassend gevarieerd. De Australische band kan het authentieke Southern soul geluid uit de jaren 60 prachtig reproduceren, maar kan ook moeiteloos omschakelen richting zwoele soulpop of richting wat meer psychedelisch getinte klanken, zeker wanneer de orgels aanzwengelen en de gitaren mogen kiezen voor langer aanhoudende akkoorden. Het heeft dan opeens wel wat van de blue-eyed soul van Joe Cocker in zijn allerbeste dagen, maar op het grootste deel van Run Home Slow klinken The Teskey Brothers gitzwart.
De band uit Melbourne overtuigt bijzonder makkelijk met soulvolle muziek uit vervlogen tijden, met songs vol vuur en passie en met een instrumentatie die steeds weer de juiste snaar weet te raken, maar het sterkste wapen van de Australische band is zonder enige twijfel de fantastische stem van Josh Teskey. De Australische zanger heeft in zijn kleine teen al veel meer soul dan de meeste blue-eyed soulzangers van het moment en herinnert meer dan eens aan de allergrootsten uit het genre.
Ik was er een week of wat geleden nog 100% zeker van dat Black Pumas aan het einde van het jaar tekent voor met afstand de beste soulplaat van 2019, maar hoe vaker ik Run Home Slow van The Teskey Brothers hoor, hoe meer ik ervan overtuigt raak dat het zeker nog geen gelopen race is en dat de hoofdprijs in december net zo makkelijk naar een band uit Australië kan gaan.
Voor de liefhebbers van goede soulmuziek is er alleen maar winst, want na het overlijden van soulsterren als Sharon Jones en Charles Bradley staan er deze zomer gelukkig flink wat nieuwe soulsterren op. Natuurlijk helpt het dat ik Run Home Slow beluister op een prachtige en zomerse locatie, maar ik weet bijna zeker dat dit album ook de rest van het jaar wonderen gaat verrichten. Erwin Zijleman
The The - Ensoulment (2024)

4,0
1
geplaatst: 8 januari 2025, 17:06 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The The - Ensoulment - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The The - Ensoulment
Matt Johnson’s The The was voor mij een aantal decennia een synoniem voor het briljante Uncertain Smile, maar de afgelopen week ontdekte ik alsnog het fascinerende oeuvre van The The, waaronder Ensoulment uit 2024
Met Ensoulment maakte The The vorig jaar volgens de critici een fraaie comeback. Ik liet het album zelf liggen, want The The was voor mij vooral de band van die ene briljante single. Op dit misverstand moet ik na een jaar of veertig terug komen, want ik ben alsnog gevallen voor het oeuvre van de Britse muzikant, inclusief het vorig jaar verschenen Ensoulment, dat inderdaad een uitstekend album is. Het is een album dat niet onder doet voor de albums die Matt Johnson zo’n veertig jaar geleden maakte en dat is een prestatie die maar weinig muzikanten gegeven is. Ensoulment zag ik opduiken in meerdere jaarlijstjes en ik kan alleen maar concluderen dat dit terecht is.
Toch wel enigszins tot mijn verbazing bleek ik twee LP’s en drie cd’s van de Britse band The The in de kast te hebben staan. Tot mijn verbazing, want ik heb op een of andere manier nooit iets gehad met de muziek van de band rond Matt Johnson, en dacht eigenlijk dat ik het bij Soul Mining uit 1983 had gelaten.
Dat ik nooit iets heb gehad met de muziek van The The klopt overigens niet helemaal, want er is één song van de band die ik in het hart heb gesloten en die is versmolten met hele mooie herinneringen uit de jaren 80. Het gaat om de single Uncertain Smile en dan bij voorkeur de lange versie met die eindeloze pianosolo van Jools Holland. Het is wat mij betreft een van de allermooiste songs uit de jaren 80, maar ook een song die de rest van het oeuvre van The The wat mij betreft deed verbleken.
Ik veerde vorig jaar dan ook niet enthousiast op toen Matt Johnson weer opdook met het album Ensoulment, maar zette in plaats van dit album het briljante Uncertain Smile weer eens op, al was het maar om de herinneringen van lang geleden weer eens op te frissen. De positieve recensies van het album negeerde ik, mede omdat Matt Johnson tijdens de coronapandemie niet vies was van een complottheorie op zijn tijd.
De afgelopen weken werd het album me echter door meerdere lezers van deze blog getipt als een van de allermooiste albums van 2024 en daarom ben ik toch eens naar Ensoulment gaan luisteren. Hier bleef het niet bij, want ik ben uiteindelijk een flink deel van het oeuvre van The The gaan ontdekken.
Uncertain Smile blijft voor mij in dit oeuvre het onbetwiste hoogtepunt, maar ook de rest van Soul Mining vond ik veel en veel mooier dan in mijn herinnering en ook albums als Infected (1986), Mind Bomb (1989), Dusk (1993) en NakedSelf (2000) bleken van een verrassend hoog niveau.
En aan dit rijtje kan het vorig jaar verschenen Ensoulment worden toegevoegd. Het album opent fantastisch met het geweldige Cognitive Dissident, dat alles heeft wat een goede popsong moet hebben (buiten de soms wat dubieuze tekst misschien). Ensoulment is over het algemeen genomen een behoorlijk ingetogen album met wat minder dynamiek dan in de openingstrack, maar ook als Matt Johnson kiest voor songs zonder al te veel opsmuk maakt hij makkelijk indruk.
De zang van de Britse muzikant is wat mij betreft beter dan een aantal decennia geleden en ook de songs op het nieuwe album van The The doen zeker niet onder voor de songs uit het verleden (oké, Uncertain Smile uitgezonderd). Matt Johnson heeft het leven volgens mij nooit door een roze bril bekeken en ook de songs op Ensoulment zijn over het algemeen donker, maar het is wel donkere pracht die is te horen op het album.
De muziek is vaak stemmig en dat past perfect bij de donkere stem van de Britse muzikant, die wordt ondersteund door fraaie koortjes. Het doet af en toe denken aan de muziek die Nick Cave de afgelopen jaren maakt, maar waar ik Nick Cave op de afgelopen albums niet trek, doet Matt Johnson met mij wat hem in het verleden alleen maar met die ene song lukte.
De Brit zingt uitstekend, heeft een aantal zeer competente muzikanten om zich heen verzameld, onder wie topgitarist Barrie Cadogan, en heeft iets te melden in zijn teksten (en daar hoef je het niet altijd mee eens te zijn). Ik heb Ensoulment vorig jaar vooral vanwege vooroordelen laten liggen, maar heb hiermee een van de mooiste albums van 2024 gemist. Tot de eerste week van 2025 dan. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The The - Ensoulment - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The The - Ensoulment
Matt Johnson’s The The was voor mij een aantal decennia een synoniem voor het briljante Uncertain Smile, maar de afgelopen week ontdekte ik alsnog het fascinerende oeuvre van The The, waaronder Ensoulment uit 2024
Met Ensoulment maakte The The vorig jaar volgens de critici een fraaie comeback. Ik liet het album zelf liggen, want The The was voor mij vooral de band van die ene briljante single. Op dit misverstand moet ik na een jaar of veertig terug komen, want ik ben alsnog gevallen voor het oeuvre van de Britse muzikant, inclusief het vorig jaar verschenen Ensoulment, dat inderdaad een uitstekend album is. Het is een album dat niet onder doet voor de albums die Matt Johnson zo’n veertig jaar geleden maakte en dat is een prestatie die maar weinig muzikanten gegeven is. Ensoulment zag ik opduiken in meerdere jaarlijstjes en ik kan alleen maar concluderen dat dit terecht is.
Toch wel enigszins tot mijn verbazing bleek ik twee LP’s en drie cd’s van de Britse band The The in de kast te hebben staan. Tot mijn verbazing, want ik heb op een of andere manier nooit iets gehad met de muziek van de band rond Matt Johnson, en dacht eigenlijk dat ik het bij Soul Mining uit 1983 had gelaten.
Dat ik nooit iets heb gehad met de muziek van The The klopt overigens niet helemaal, want er is één song van de band die ik in het hart heb gesloten en die is versmolten met hele mooie herinneringen uit de jaren 80. Het gaat om de single Uncertain Smile en dan bij voorkeur de lange versie met die eindeloze pianosolo van Jools Holland. Het is wat mij betreft een van de allermooiste songs uit de jaren 80, maar ook een song die de rest van het oeuvre van The The wat mij betreft deed verbleken.
Ik veerde vorig jaar dan ook niet enthousiast op toen Matt Johnson weer opdook met het album Ensoulment, maar zette in plaats van dit album het briljante Uncertain Smile weer eens op, al was het maar om de herinneringen van lang geleden weer eens op te frissen. De positieve recensies van het album negeerde ik, mede omdat Matt Johnson tijdens de coronapandemie niet vies was van een complottheorie op zijn tijd.
De afgelopen weken werd het album me echter door meerdere lezers van deze blog getipt als een van de allermooiste albums van 2024 en daarom ben ik toch eens naar Ensoulment gaan luisteren. Hier bleef het niet bij, want ik ben uiteindelijk een flink deel van het oeuvre van The The gaan ontdekken.
Uncertain Smile blijft voor mij in dit oeuvre het onbetwiste hoogtepunt, maar ook de rest van Soul Mining vond ik veel en veel mooier dan in mijn herinnering en ook albums als Infected (1986), Mind Bomb (1989), Dusk (1993) en NakedSelf (2000) bleken van een verrassend hoog niveau.
En aan dit rijtje kan het vorig jaar verschenen Ensoulment worden toegevoegd. Het album opent fantastisch met het geweldige Cognitive Dissident, dat alles heeft wat een goede popsong moet hebben (buiten de soms wat dubieuze tekst misschien). Ensoulment is over het algemeen genomen een behoorlijk ingetogen album met wat minder dynamiek dan in de openingstrack, maar ook als Matt Johnson kiest voor songs zonder al te veel opsmuk maakt hij makkelijk indruk.
De zang van de Britse muzikant is wat mij betreft beter dan een aantal decennia geleden en ook de songs op het nieuwe album van The The doen zeker niet onder voor de songs uit het verleden (oké, Uncertain Smile uitgezonderd). Matt Johnson heeft het leven volgens mij nooit door een roze bril bekeken en ook de songs op Ensoulment zijn over het algemeen donker, maar het is wel donkere pracht die is te horen op het album.
De muziek is vaak stemmig en dat past perfect bij de donkere stem van de Britse muzikant, die wordt ondersteund door fraaie koortjes. Het doet af en toe denken aan de muziek die Nick Cave de afgelopen jaren maakt, maar waar ik Nick Cave op de afgelopen albums niet trek, doet Matt Johnson met mij wat hem in het verleden alleen maar met die ene song lukte.
De Brit zingt uitstekend, heeft een aantal zeer competente muzikanten om zich heen verzameld, onder wie topgitarist Barrie Cadogan, en heeft iets te melden in zijn teksten (en daar hoef je het niet altijd mee eens te zijn). Ik heb Ensoulment vorig jaar vooral vanwege vooroordelen laten liggen, maar heb hiermee een van de mooiste albums van 2024 gemist. Tot de eerste week van 2025 dan. Erwin Zijleman
The Third Mind - The Third Mind (2020)

4,0
2
geplaatst: 18 februari 2020, 16:56 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Third Mind - The Third MInd - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Third Mind - The Third MInd
Gelegenheidsband The Third Mind gaat aan de haal met 60s en 70s psychedelica, jazzrock, folkrock en blues en betovert met muziek die niet van deze tijd is maar wel wonderschoon
Na het lezen van een Miles Davis biografie wilde rootsmuzikant Dave Alvin eens wat anders en ging hij op zoek naar geschikte muzikanten voor de gelegenheidsband The Third Mind. Toen hij deze gevonden had dook het gezelschap de studio in voor een bezwerend album vol invloeden uit de psychedelica, jazzrock, bluesrock en folkrock, om maar eens een aantal invloeden te noemen. Er wordt druk geëxperimenteerd en geïmproviseerd, maar omdat The Third Man heeft gekozen voor een aantal covers zijn er wel degelijk grenzen. Binnen deze grenzen schiet het gelukkig alle kanten op en valt er verschrikkelijk veel te genieten. Mooi project.
De Amerikaanse muzikant Dave Alvin heeft zijn sporen in de Amerikaanse rootsmuziek ruimschoots verdiend. Hij deed dit in de jaren 80 met zijn band The Blasters en sindsdien solo, wat een imposante stapel uitstekende albums heeft opgeleverd, met Dave Alvin & The Guilty Women uit 2009 als mijn persoonlijke favoriet.
Voor zijn nieuwe project, The Third Mind, liet Dave Alvin zich inspireren door de Miles Davis biografie So What van John Szwed. In deze biografie wordt uitgebreid beschreven hoe Miles Davis in de vroege jaren 70 een baanbrekend album als Bitches Brew maakte. Experimenteren en improviseren speelde hierbij een belangrijke rol en na het lezen van het boek wilde Dave Alvin ook wel eens met deze werkwijze aan de slag.
Hij vond geschikte medemuzikanten in Victor Krummenacher (Cracker, Camper Van Beethoven), David Immerglück (Cracker, Counting Crows), Michael Jerome (John Cale, Richard Thompson) en singer-songwriter Jesse Sykes, waarna samen met een beperkt aantal gastmuzikanten het titelloze debuut van The Third Mind werd opgenomen.
Met het debuut van The Third Mind begeeft Dave Alvin zich ver buiten zijn tot dusver bekende comfort zone. Het debuut van de band klinkt hier en daar bluesy, maar je hoort toch vooral invloeden uit de psychedelica, jazzrock, folkrock en experimentele rockmuziek. Het debuut van The Third Mind bevat zes tracks die in lengte variëren van bijna drie tot ruim zestien minuten. De wat langer uitgesponnen tracks zijn in de meerderheid en dit past ook wel bij de muziek die The Third Mind maakt.
Het debuut van de gelegenheidsband bevat vooral covers en het zijn covers die aansluiten bij de genres die op het album worden verkend en bij de decennia die de meeste invloeden hebben aangereikt. Met covers van songs van Alice Coltrane, Fred Neil, Tim Rose, The Paul Butterfield Blues Band en The 13th Floor Elevators neemt The Third Mind je mee terug naar de jaren 60 en 70 en de eigen compositie op het album sluit hier goed bij aan.
The Third Mind maakt op haar debuut zich langzaam voortslepende muziek vol bezwering. Door de keuze voor een aantal bestaande songs lag de richting van de muziek van The Third Mind voor een belangrijk deel vast, waardoor de band wel wat ruimte heeft voor experiment en improvisatie, maar niet al teveel afdwaalt.
Het geluid van The Third Mind is heerlijk zweverig, maar zeker bij beluistering met de koptelefoon hoor je ook het ene na het andere muzikale hoogstandje. De psychedelische gitaarlijnen op het album zijn van een bedwelmende schoonheid, waarna de synthesizers je nog wat verder richting dromenland helpen. Vocalen spelen op het grootste deel van het album een ondergeschikte rol, maar wanneer Dave Alvin zingt, kleurt de stem van Jesse Sykes, die de hoofdrol vertolkt in het fraaie Morning Dew, hier prachtig bij.
Het debuut van The Third Mind is een album dat ook makkelijk in de jaren 60 of 70 gemaakt had kunnen worden en staat vol muziek die tegenwoordig nauwelijks meer wordt gemaakt, want waar hoor je nog een jam van ruim 16 minuten vol indrukwekkend gitaargeluid? Je moet er even voor gaan zitten, maar hierna kun je alleen maar concluderen dat het debuut van gelegenheidsband The Third Mind een bijzonder geslaagd experiment is. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Third Mind - The Third MInd - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Third Mind - The Third MInd
Gelegenheidsband The Third Mind gaat aan de haal met 60s en 70s psychedelica, jazzrock, folkrock en blues en betovert met muziek die niet van deze tijd is maar wel wonderschoon
Na het lezen van een Miles Davis biografie wilde rootsmuzikant Dave Alvin eens wat anders en ging hij op zoek naar geschikte muzikanten voor de gelegenheidsband The Third Mind. Toen hij deze gevonden had dook het gezelschap de studio in voor een bezwerend album vol invloeden uit de psychedelica, jazzrock, bluesrock en folkrock, om maar eens een aantal invloeden te noemen. Er wordt druk geëxperimenteerd en geïmproviseerd, maar omdat The Third Man heeft gekozen voor een aantal covers zijn er wel degelijk grenzen. Binnen deze grenzen schiet het gelukkig alle kanten op en valt er verschrikkelijk veel te genieten. Mooi project.
De Amerikaanse muzikant Dave Alvin heeft zijn sporen in de Amerikaanse rootsmuziek ruimschoots verdiend. Hij deed dit in de jaren 80 met zijn band The Blasters en sindsdien solo, wat een imposante stapel uitstekende albums heeft opgeleverd, met Dave Alvin & The Guilty Women uit 2009 als mijn persoonlijke favoriet.
Voor zijn nieuwe project, The Third Mind, liet Dave Alvin zich inspireren door de Miles Davis biografie So What van John Szwed. In deze biografie wordt uitgebreid beschreven hoe Miles Davis in de vroege jaren 70 een baanbrekend album als Bitches Brew maakte. Experimenteren en improviseren speelde hierbij een belangrijke rol en na het lezen van het boek wilde Dave Alvin ook wel eens met deze werkwijze aan de slag.
Hij vond geschikte medemuzikanten in Victor Krummenacher (Cracker, Camper Van Beethoven), David Immerglück (Cracker, Counting Crows), Michael Jerome (John Cale, Richard Thompson) en singer-songwriter Jesse Sykes, waarna samen met een beperkt aantal gastmuzikanten het titelloze debuut van The Third Mind werd opgenomen.
Met het debuut van The Third Mind begeeft Dave Alvin zich ver buiten zijn tot dusver bekende comfort zone. Het debuut van de band klinkt hier en daar bluesy, maar je hoort toch vooral invloeden uit de psychedelica, jazzrock, folkrock en experimentele rockmuziek. Het debuut van The Third Mind bevat zes tracks die in lengte variëren van bijna drie tot ruim zestien minuten. De wat langer uitgesponnen tracks zijn in de meerderheid en dit past ook wel bij de muziek die The Third Mind maakt.
Het debuut van de gelegenheidsband bevat vooral covers en het zijn covers die aansluiten bij de genres die op het album worden verkend en bij de decennia die de meeste invloeden hebben aangereikt. Met covers van songs van Alice Coltrane, Fred Neil, Tim Rose, The Paul Butterfield Blues Band en The 13th Floor Elevators neemt The Third Mind je mee terug naar de jaren 60 en 70 en de eigen compositie op het album sluit hier goed bij aan.
The Third Mind maakt op haar debuut zich langzaam voortslepende muziek vol bezwering. Door de keuze voor een aantal bestaande songs lag de richting van de muziek van The Third Mind voor een belangrijk deel vast, waardoor de band wel wat ruimte heeft voor experiment en improvisatie, maar niet al teveel afdwaalt.
Het geluid van The Third Mind is heerlijk zweverig, maar zeker bij beluistering met de koptelefoon hoor je ook het ene na het andere muzikale hoogstandje. De psychedelische gitaarlijnen op het album zijn van een bedwelmende schoonheid, waarna de synthesizers je nog wat verder richting dromenland helpen. Vocalen spelen op het grootste deel van het album een ondergeschikte rol, maar wanneer Dave Alvin zingt, kleurt de stem van Jesse Sykes, die de hoofdrol vertolkt in het fraaie Morning Dew, hier prachtig bij.
Het debuut van The Third Mind is een album dat ook makkelijk in de jaren 60 of 70 gemaakt had kunnen worden en staat vol muziek die tegenwoordig nauwelijks meer wordt gemaakt, want waar hoor je nog een jam van ruim 16 minuten vol indrukwekkend gitaargeluid? Je moet er even voor gaan zitten, maar hierna kun je alleen maar concluderen dat het debuut van gelegenheidsband The Third Mind een bijzonder geslaagd experiment is. Erwin Zijleman
The Tubs - Dead Meat (2023)

4,0
0
geplaatst: 22 december 2023, 16:33 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Tubs - Dead Meat - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Tubs - Dead Meat
De uit Wales afkomstige band Joanna Gruesome viel helaas al na twee geweldige albums uit elkaar, maar acht jaar na de trieste zwanenzang van Joanna Gruesome laten The Tubs horen dat er leven is na de band
Dankzij de zoveelste tip van de Amerikaanse website Paste kwam ik op het spoor van het debuutalbum van de Britse band The Tubs. De band is ontstaan na het uit elkaar vallen van Joanna Gruesome, dat het helaas slechts twee albums vol hield. De eerste worp van The Tubs is raak, want het debuutalbum van de band staat vol aanstekelijke gitaarsongs. Het zijn songs die door flink wat invloeden uit de janglepop flink anders klinken dan noisy gitaarmuziek van Joanna Gruesome, maar de songs van The Tubs zijn zeker niet minder onweerstaanbaar. Dead Meat is goed voor 26 minuten zonnestralen, die bij herhaalde beluistering zeker niet minder aanstekelijk worden.
Leden van de Britse band The Tubs maakten eerder deel uit van de band Joanna Gruesome, die met Weird Sister uit 2013 en Peanut Butter uit 2015 twee geweldige albums afleverde. Het zijn albums die ik zelf omschreef als een mix van Lush, Sleater Kinney, The Dum Dum Girls, The Ramones en Slumber Party, maar de omschrijving “a hint of Lush and a ton of Rush” was met afstand de mooiste (al was het niet de meest treffende).
Joanna Gruesome vermaakte meedogenloos met een gruizig en noisy gitaargeluid, wat fraai contrasteerde met de zoete vrouwenvocalen van de band. Het blijft doodzonde dat Joanna Gruesome is blijven steken op twee albums, maar gelukkig is er leven na de band. Dead Meat, het debuutalbum van The Tubs, borduurt voor een klein deel voort op de twee geweldige albums van Joanna Gruesome, maar tapt vooral uit een ander vaatje.
De muziek van The Tubs vertrouwt veel minder op vrouwenstemmen en maakt ook in muzikaal opzicht andere keuzes. Ook Dead Meat laat hier en daar wat invloeden uit de postpunk horen, maar de songs van The Tubs zijn een stuk minder gruizig dan die van Joanna Gruesome. Invloeden uit de jangle pop hebben daarentegen flink aan terrein gewonnen en ook invloeden uit de 70s Britpop en 80s college rock spelen een voorname rol op Dead Meat.
Een ding is niet veranderd en dat is het feit dat The Tubs net als Joanna Gruesome uitblinkt in het schrijven van onweerstaanbaar lekkere popsongs. Het zijn songs die dit keer vooral worden gedragen door heerlijk jengelende gitaren, die de ruimte vullen met zonnestralen. Het heerlijke gitaarwerk op Dead Meat wordt dit keer voornamelijk gecombineerd met mannenstemmen, wat misschien net wat minder verleidelijk klinkt dan de vrouwenstemmen van Joanna Gruesome, maar ik heb echt helemaal niets aan te merken op de zang van The Tubs, die hier en daar nog een beroep doet op vrouwenstemmen.
Wanneer de onweerstaanbaar lekkere gitaarloopjes worden gecombineerd met diepe bassen komen wat invloeden uit de postpunk aan de oppervlakte, maar ik heb bij beluistering van Dead Meat vooral associaties met de muziek van The Jam en hier en daar ook zeker The Undertones.
Waar postpunk meestal donker gekleurd is, is de muziek van The Tubs vooral zonnig. Het is deels de verdienste van het echt bijzonder lekkere gitaarwerk op het album, maar ook de geweldige melodieën en de aanstekelijke refreinen dragen flink bij aan het geweldige eindresultaat. Dead Meat is een album zonder poespas of opsmuk, maar ondertussen zijn alle songs op het album raak.
Na negen songs en net iets meer dan 26 minuten zit het er al weer op, maar na beluistering van de onweerstaanbare gitaarsongs van The Tubs kan je dag niet meer stuk. Dead Meat is ook nog eens een aangenaam zoekplaatje, want naast de eerder genoemde invloeden heeft de Britse band ook nog wat invloeden uit de folkrock verstopt in haar songs.
Ik heb Dead Meat zelf eerder dit jaar compleet over het hoofd gezien, maar ben blij dat ik het album door de lijst met de beste debuutalbums volgens Paste toch nog heb opgepikt. Het is een album dat door de aanstekelijke songs bijzonder makkelijk weet te verleiden, maar het is ook een veel knapper album dan het bij eerste beluistering lijkt. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Tubs - Dead Meat - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Tubs - Dead Meat
De uit Wales afkomstige band Joanna Gruesome viel helaas al na twee geweldige albums uit elkaar, maar acht jaar na de trieste zwanenzang van Joanna Gruesome laten The Tubs horen dat er leven is na de band
Dankzij de zoveelste tip van de Amerikaanse website Paste kwam ik op het spoor van het debuutalbum van de Britse band The Tubs. De band is ontstaan na het uit elkaar vallen van Joanna Gruesome, dat het helaas slechts twee albums vol hield. De eerste worp van The Tubs is raak, want het debuutalbum van de band staat vol aanstekelijke gitaarsongs. Het zijn songs die door flink wat invloeden uit de janglepop flink anders klinken dan noisy gitaarmuziek van Joanna Gruesome, maar de songs van The Tubs zijn zeker niet minder onweerstaanbaar. Dead Meat is goed voor 26 minuten zonnestralen, die bij herhaalde beluistering zeker niet minder aanstekelijk worden.
Leden van de Britse band The Tubs maakten eerder deel uit van de band Joanna Gruesome, die met Weird Sister uit 2013 en Peanut Butter uit 2015 twee geweldige albums afleverde. Het zijn albums die ik zelf omschreef als een mix van Lush, Sleater Kinney, The Dum Dum Girls, The Ramones en Slumber Party, maar de omschrijving “a hint of Lush and a ton of Rush” was met afstand de mooiste (al was het niet de meest treffende).
Joanna Gruesome vermaakte meedogenloos met een gruizig en noisy gitaargeluid, wat fraai contrasteerde met de zoete vrouwenvocalen van de band. Het blijft doodzonde dat Joanna Gruesome is blijven steken op twee albums, maar gelukkig is er leven na de band. Dead Meat, het debuutalbum van The Tubs, borduurt voor een klein deel voort op de twee geweldige albums van Joanna Gruesome, maar tapt vooral uit een ander vaatje.
De muziek van The Tubs vertrouwt veel minder op vrouwenstemmen en maakt ook in muzikaal opzicht andere keuzes. Ook Dead Meat laat hier en daar wat invloeden uit de postpunk horen, maar de songs van The Tubs zijn een stuk minder gruizig dan die van Joanna Gruesome. Invloeden uit de jangle pop hebben daarentegen flink aan terrein gewonnen en ook invloeden uit de 70s Britpop en 80s college rock spelen een voorname rol op Dead Meat.
Een ding is niet veranderd en dat is het feit dat The Tubs net als Joanna Gruesome uitblinkt in het schrijven van onweerstaanbaar lekkere popsongs. Het zijn songs die dit keer vooral worden gedragen door heerlijk jengelende gitaren, die de ruimte vullen met zonnestralen. Het heerlijke gitaarwerk op Dead Meat wordt dit keer voornamelijk gecombineerd met mannenstemmen, wat misschien net wat minder verleidelijk klinkt dan de vrouwenstemmen van Joanna Gruesome, maar ik heb echt helemaal niets aan te merken op de zang van The Tubs, die hier en daar nog een beroep doet op vrouwenstemmen.
Wanneer de onweerstaanbaar lekkere gitaarloopjes worden gecombineerd met diepe bassen komen wat invloeden uit de postpunk aan de oppervlakte, maar ik heb bij beluistering van Dead Meat vooral associaties met de muziek van The Jam en hier en daar ook zeker The Undertones.
Waar postpunk meestal donker gekleurd is, is de muziek van The Tubs vooral zonnig. Het is deels de verdienste van het echt bijzonder lekkere gitaarwerk op het album, maar ook de geweldige melodieën en de aanstekelijke refreinen dragen flink bij aan het geweldige eindresultaat. Dead Meat is een album zonder poespas of opsmuk, maar ondertussen zijn alle songs op het album raak.
Na negen songs en net iets meer dan 26 minuten zit het er al weer op, maar na beluistering van de onweerstaanbare gitaarsongs van The Tubs kan je dag niet meer stuk. Dead Meat is ook nog eens een aangenaam zoekplaatje, want naast de eerder genoemde invloeden heeft de Britse band ook nog wat invloeden uit de folkrock verstopt in haar songs.
Ik heb Dead Meat zelf eerder dit jaar compleet over het hoofd gezien, maar ben blij dat ik het album door de lijst met de beste debuutalbums volgens Paste toch nog heb opgepikt. Het is een album dat door de aanstekelijke songs bijzonder makkelijk weet te verleiden, maar het is ook een veel knapper album dan het bij eerste beluistering lijkt. Erwin Zijleman
The Veils - ...And Out of the Void Came Love (2023)

4,0
1
geplaatst: 4 maart 2023, 11:08 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Veils - ..And Out Of The Void Came Love - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Veils - ..And Out Of The Void Came Love
Het was heel lang stil rond The Veils, maar met het fraai ingekleurde en emotievolle ..And Out Of The Void Came Love laat voorman Finn Andrews horen dat zijn band er nog steeds toe doet
Bij beluistering van het nieuwe album van The Veils heb ik associaties met flink wat grootheden uit de muziek. Voorman Finn Andrews maakt dit keer zeker geen geheim van zijn belangrijke inspiratiebronnen, maar hij houdt zich makkelijk staande. Het nieuwe album van The Veils is aan de lange kant, maar door de veelkleurige instrumentatie en de variatie in de zang, houdt ..And Out Of The Void Came Love de aandacht makkelijk vast. Door de lange afwezigheid was ik The Veils al bijna weer vergeten, maar met dit uitstekende nieuwe album laat Finn Andrews nog maar eens horen hoe goed hij is. En iedere keer dat ik naar ..And Out Of The Void Came Love luister is het album weer wat beter.
Na het in de zomer van 2016 verschenen Total Depravity is het bijna zeven jaar lang stil geweest rond de Britse band The Veils. In 2019 verscheen nog wel een prima soloalbum van voorman Finn Andrews, het sfeervolle One Piece At A Time, maar een lange revalidatie na een polsbreuk, de ruim twee jaar durende coronapandemie, een terugkeer naar het land waarin hij opgroeide (Nieuw-Zeeland), een huwelijk en het vaderschap maakten het lange tijd onzeker of we nog een levensteken van The Veils zouden krijgen.
Dat levensteken komt deze week in de vorm van ...And Out Of The Void Came Love, dat maar liefst vijftien songs en bijna een uur muziek bevat en moet worden gezien als een dubbelalbum. Het album opent met flink wat strijkers en zwaar aangezet pianospel, waarna de expressieve en karakteristieke stem van Finn Andrews invalt. Het klinkt onmiskenbaar als The Veils, maar ik had nog niet eerder zoveel associaties met de muziek van Nick Cave bij beluistering van een album van The Veils.
Door de strijkers ligt ..And Out Of The Void Came Love ook zeker in het verlengde van het soloalbum van Finn Andrews, dat met de kennis van nu net zo goed een album van The Veils had kunnen zijn. De band rond Finn Andrews kiest op haar nieuwe album vooral voor stemmige en redelijk ingetogen songs, al bevat het album ook een aantal uptempo songs en een enkele woeste uitbarsting.
Nadat Finn Andrews in de openingstrack Time in vocaal opzicht dicht tegen Nick Cave aankroop, hoor ik in No Limit Of Stars ook wel wat van Bryan Ferry, wat ook te maken heeft met het volle geluid met hier en daar een vleugje Roxy Music. Ik hoor wel meer invloeden van grootheden in de muziek op ..And Out Of The Void Came Love, want na Nick Cave en Bryan Ferry, duiken ook David Bowie, David Byrne en Bob Dylan op. Uiteindelijk hoor ik nog het meest van Leonard Cohen, die de belangrijkste inspiratiebron lijkt op het tweede deel van het album. Het zijn niet de minste namen, maar het album is ook zeker een logisch vervolg op de vorige albums van The Veils, dat in een kleine twintig jaar toch nog tot zes albums is gekomen.
Ook op het nieuwe album van The Veils is Finn Andrews weer niet vies van flink wat drama, maar zijn stem, die ook in het verleden wel eens tegen de haren in kon strijken, zit me nergens in de weg. The Veils laat in de meeste songs op een opvallend rijk georkestreerd geluid horen, waarin vooral de strijkers en de piano opvallen, maar het klinkt wat mij betreft nergens overdadig. Het album bevat overigens ook een aantal songs waarin gitaren en elektronica domineren en een aantal meer akoestisch getinte songs, waardoor het behoorlijk lange ..And Out Of The Void Came Love zeker niet eenvormig klinkt.
Het is zo lang stil geweest rond de band dat ik zonder duidelijke verwachtingen ben begonnen aan ..And Out Of The Void Came Love, dat voor mij wat uit de lucht kwam vallen, maar ik ben zeker gecharmeerd van de nieuwe muziek van Finn Andrews, die zich meer als singer-songwriter dan als aanvoerder van een rockband profileert.
Na veertien eigen songs eindigt ..And Out Of The Void Came Love bijzonder met Cradle Song, dat zijn vader Barry Andrews (bekend van de bands XTC en Shriekback) schreef bij de geboorte van Finn en dat nu de dochter van de voorman van The Veils verwelkomt. Het is een mooi slot van een bijzonder en sterk album, dat zeker nog wat door zal groeien. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Veils - ..And Out Of The Void Came Love - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Veils - ..And Out Of The Void Came Love
Het was heel lang stil rond The Veils, maar met het fraai ingekleurde en emotievolle ..And Out Of The Void Came Love laat voorman Finn Andrews horen dat zijn band er nog steeds toe doet
Bij beluistering van het nieuwe album van The Veils heb ik associaties met flink wat grootheden uit de muziek. Voorman Finn Andrews maakt dit keer zeker geen geheim van zijn belangrijke inspiratiebronnen, maar hij houdt zich makkelijk staande. Het nieuwe album van The Veils is aan de lange kant, maar door de veelkleurige instrumentatie en de variatie in de zang, houdt ..And Out Of The Void Came Love de aandacht makkelijk vast. Door de lange afwezigheid was ik The Veils al bijna weer vergeten, maar met dit uitstekende nieuwe album laat Finn Andrews nog maar eens horen hoe goed hij is. En iedere keer dat ik naar ..And Out Of The Void Came Love luister is het album weer wat beter.
Na het in de zomer van 2016 verschenen Total Depravity is het bijna zeven jaar lang stil geweest rond de Britse band The Veils. In 2019 verscheen nog wel een prima soloalbum van voorman Finn Andrews, het sfeervolle One Piece At A Time, maar een lange revalidatie na een polsbreuk, de ruim twee jaar durende coronapandemie, een terugkeer naar het land waarin hij opgroeide (Nieuw-Zeeland), een huwelijk en het vaderschap maakten het lange tijd onzeker of we nog een levensteken van The Veils zouden krijgen.
Dat levensteken komt deze week in de vorm van ...And Out Of The Void Came Love, dat maar liefst vijftien songs en bijna een uur muziek bevat en moet worden gezien als een dubbelalbum. Het album opent met flink wat strijkers en zwaar aangezet pianospel, waarna de expressieve en karakteristieke stem van Finn Andrews invalt. Het klinkt onmiskenbaar als The Veils, maar ik had nog niet eerder zoveel associaties met de muziek van Nick Cave bij beluistering van een album van The Veils.
Door de strijkers ligt ..And Out Of The Void Came Love ook zeker in het verlengde van het soloalbum van Finn Andrews, dat met de kennis van nu net zo goed een album van The Veils had kunnen zijn. De band rond Finn Andrews kiest op haar nieuwe album vooral voor stemmige en redelijk ingetogen songs, al bevat het album ook een aantal uptempo songs en een enkele woeste uitbarsting.
Nadat Finn Andrews in de openingstrack Time in vocaal opzicht dicht tegen Nick Cave aankroop, hoor ik in No Limit Of Stars ook wel wat van Bryan Ferry, wat ook te maken heeft met het volle geluid met hier en daar een vleugje Roxy Music. Ik hoor wel meer invloeden van grootheden in de muziek op ..And Out Of The Void Came Love, want na Nick Cave en Bryan Ferry, duiken ook David Bowie, David Byrne en Bob Dylan op. Uiteindelijk hoor ik nog het meest van Leonard Cohen, die de belangrijkste inspiratiebron lijkt op het tweede deel van het album. Het zijn niet de minste namen, maar het album is ook zeker een logisch vervolg op de vorige albums van The Veils, dat in een kleine twintig jaar toch nog tot zes albums is gekomen.
Ook op het nieuwe album van The Veils is Finn Andrews weer niet vies van flink wat drama, maar zijn stem, die ook in het verleden wel eens tegen de haren in kon strijken, zit me nergens in de weg. The Veils laat in de meeste songs op een opvallend rijk georkestreerd geluid horen, waarin vooral de strijkers en de piano opvallen, maar het klinkt wat mij betreft nergens overdadig. Het album bevat overigens ook een aantal songs waarin gitaren en elektronica domineren en een aantal meer akoestisch getinte songs, waardoor het behoorlijk lange ..And Out Of The Void Came Love zeker niet eenvormig klinkt.
Het is zo lang stil geweest rond de band dat ik zonder duidelijke verwachtingen ben begonnen aan ..And Out Of The Void Came Love, dat voor mij wat uit de lucht kwam vallen, maar ik ben zeker gecharmeerd van de nieuwe muziek van Finn Andrews, die zich meer als singer-songwriter dan als aanvoerder van een rockband profileert.
Na veertien eigen songs eindigt ..And Out Of The Void Came Love bijzonder met Cradle Song, dat zijn vader Barry Andrews (bekend van de bands XTC en Shriekback) schreef bij de geboorte van Finn en dat nu de dochter van de voorman van The Veils verwelkomt. Het is een mooi slot van een bijzonder en sterk album, dat zeker nog wat door zal groeien. Erwin Zijleman
The Veils - Asphodels (2025)

4,0
4
geplaatst: 31 januari 2025, 17:00 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Veils - Asphodels - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Veils - Asphodels
Het vorige album van The Veils was meer een soloalbum van voorman Finn Andrews dan een echt bandalbum en dat geldt ook weer voor het ingetogen maar echt bijzonder mooie en sfeervolle Asphodels
Het is bijna niet te geloven dat het al weer meer dan twintig jaar geleden is dat de Nieuw-Zeelandse band The Veils opdook. Dat deed de band rond Finn Andrews met twee verpletterend mooie albums, die werden gevolgd door een aantal prima albums. Twee jaar geleden keerde Finn Andrews na een lange stilte en een soloalbum terug met een nieuw album van The Veils, maar het klonk meer als een volgend soloalbum. Het geldt ook weer voor Asphodels, waarop de prachtige stem van Finn Andrews vooral wordt gecombineerd met sfeervolle maar ook behoorlijk ingetogen klanken. De songs op het album zijn ook dit keer van hoog niveau, waardoor ook Asphodels me uitstekend bevalt.
Bij de Nieuw-Zeelandse band The Veils denk ik nog altijd in eerste instantie aan de eerste twee albums van de band. Zowel The Runaway Found uit 2004 als Nux Vomica uit 2006 lieten een grootse band horen, die uiteindelijk terecht de jaarlijstjes bestormde. Voorman Finn Andrews, zoon van voormalig XTC en Shriekback toetsenist Barry Andrews, maakte diepe indruk met zijn gepassioneerde zang en ook de songs van de band overstegen het gemiddelde niveau van een beginnende band op alle fronten ruimschoots.
Sun Gangs (2009) en Time Stays, We Go (2013) vond ik net wat minder imponerend dan de eerste twee albums, maar het waren nog altijd uitstekende albums, waarna Total Depravity (2016) weer een stap omhoog was. Hierna was het een flinke tijd stil rond de band, tot in het prille voorjaar van 2023 het buitengewoon stemmige ..And Out Of The Void Came Love verscheen.
Het door piano en strijkers gedomineerde album deed me qua zang en ook qua sfeer afwisselend aan Nick Cave en Bryan Ferry denken en was meer een soloalbum van Finn Andrews dan een bandalbum. Dat was aan de ene kant jammer, maar ..And Out Of The Void Came Love was wat mij betreft een mooi en interessant album.
Ook het deze week verschenen Asphodels klinkt meer als een soloalbum van Finn Andrews dan als een bandalbum, maar ik vind het wederom een heel mooi album. Vergeleken met ..And Out Of The Void Came Love neemt Finn Andrews op Asphodels nog wat meer gas terug. In de openingstrack en titeltrack is de muziek fraai maar uiterst zacht en ook de stem van Finn Andrews klinkt zacht en breekbaar.
Het zet de toon voor de rest van het album, dat grotendeels in het verlengde ligt van zijn voorganger, maar nog wat minder uitbundig is ingekleurd. De vooral door piano, strijkers en wat subtiele klanken op de achtergrond ingekleurde songs klinken sober en melancholisch en het zijn klanken die veel vragen van de zang van Finn Andrews. Ik heb de Britse muzikant, die opgroeide in Nieuw-Zeeland, altijd hoog aangeslagen als zanger en op Asphodels vind ik de zang nog wat mooier en intenser dan op het vorige album van The Veils.
Op dat album schoof Finn Andrews af en toe wel erg dicht tegen Nick Cave aan en dat is op het nieuwe album minder het geval. Asphodels bevat een aantal songs die ook in het oeuvre van Nick Cave niet zouden hebben misstaan, maar waar ik de zang en de muziek van Nick Cave vaak wat teveel van alles vind, is het nieuwe album van The Veils wat mij betreft meer in balans en spreekt de zang van Finn Andrews mij persoonlijk meer aan.
Het heeft niet zoveel meer te maken met de geweldige muziek die de band twintig jaar geleden maakte, want het intense bandgeluid van destijds heeft plaatsgemaakt voor ingehouden songs met hier en daar klassiek aandoende arrangementen en slechts een enkele uitbarsting.
Door de mooie klanken, de wat mij betreft zeer aangename en emotievolle stem van Finn Andrews en de intieme en intense songs op het album doet Asphodels het hier uitstekend, zeker wanneer de zon onder is. En als ik het bandgeluid van The Veils wil horen, pak ik gewoon de memorabele albums uit het verleden erbij. De meningen over het nieuwe album van The Veils lijken wat verdeeld, maar ik vind Asphodels prachtig. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Veils - Asphodels - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Veils - Asphodels
Het vorige album van The Veils was meer een soloalbum van voorman Finn Andrews dan een echt bandalbum en dat geldt ook weer voor het ingetogen maar echt bijzonder mooie en sfeervolle Asphodels
Het is bijna niet te geloven dat het al weer meer dan twintig jaar geleden is dat de Nieuw-Zeelandse band The Veils opdook. Dat deed de band rond Finn Andrews met twee verpletterend mooie albums, die werden gevolgd door een aantal prima albums. Twee jaar geleden keerde Finn Andrews na een lange stilte en een soloalbum terug met een nieuw album van The Veils, maar het klonk meer als een volgend soloalbum. Het geldt ook weer voor Asphodels, waarop de prachtige stem van Finn Andrews vooral wordt gecombineerd met sfeervolle maar ook behoorlijk ingetogen klanken. De songs op het album zijn ook dit keer van hoog niveau, waardoor ook Asphodels me uitstekend bevalt.
Bij de Nieuw-Zeelandse band The Veils denk ik nog altijd in eerste instantie aan de eerste twee albums van de band. Zowel The Runaway Found uit 2004 als Nux Vomica uit 2006 lieten een grootse band horen, die uiteindelijk terecht de jaarlijstjes bestormde. Voorman Finn Andrews, zoon van voormalig XTC en Shriekback toetsenist Barry Andrews, maakte diepe indruk met zijn gepassioneerde zang en ook de songs van de band overstegen het gemiddelde niveau van een beginnende band op alle fronten ruimschoots.
Sun Gangs (2009) en Time Stays, We Go (2013) vond ik net wat minder imponerend dan de eerste twee albums, maar het waren nog altijd uitstekende albums, waarna Total Depravity (2016) weer een stap omhoog was. Hierna was het een flinke tijd stil rond de band, tot in het prille voorjaar van 2023 het buitengewoon stemmige ..And Out Of The Void Came Love verscheen.
Het door piano en strijkers gedomineerde album deed me qua zang en ook qua sfeer afwisselend aan Nick Cave en Bryan Ferry denken en was meer een soloalbum van Finn Andrews dan een bandalbum. Dat was aan de ene kant jammer, maar ..And Out Of The Void Came Love was wat mij betreft een mooi en interessant album.
Ook het deze week verschenen Asphodels klinkt meer als een soloalbum van Finn Andrews dan als een bandalbum, maar ik vind het wederom een heel mooi album. Vergeleken met ..And Out Of The Void Came Love neemt Finn Andrews op Asphodels nog wat meer gas terug. In de openingstrack en titeltrack is de muziek fraai maar uiterst zacht en ook de stem van Finn Andrews klinkt zacht en breekbaar.
Het zet de toon voor de rest van het album, dat grotendeels in het verlengde ligt van zijn voorganger, maar nog wat minder uitbundig is ingekleurd. De vooral door piano, strijkers en wat subtiele klanken op de achtergrond ingekleurde songs klinken sober en melancholisch en het zijn klanken die veel vragen van de zang van Finn Andrews. Ik heb de Britse muzikant, die opgroeide in Nieuw-Zeeland, altijd hoog aangeslagen als zanger en op Asphodels vind ik de zang nog wat mooier en intenser dan op het vorige album van The Veils.
Op dat album schoof Finn Andrews af en toe wel erg dicht tegen Nick Cave aan en dat is op het nieuwe album minder het geval. Asphodels bevat een aantal songs die ook in het oeuvre van Nick Cave niet zouden hebben misstaan, maar waar ik de zang en de muziek van Nick Cave vaak wat teveel van alles vind, is het nieuwe album van The Veils wat mij betreft meer in balans en spreekt de zang van Finn Andrews mij persoonlijk meer aan.
Het heeft niet zoveel meer te maken met de geweldige muziek die de band twintig jaar geleden maakte, want het intense bandgeluid van destijds heeft plaatsgemaakt voor ingehouden songs met hier en daar klassiek aandoende arrangementen en slechts een enkele uitbarsting.
Door de mooie klanken, de wat mij betreft zeer aangename en emotievolle stem van Finn Andrews en de intieme en intense songs op het album doet Asphodels het hier uitstekend, zeker wanneer de zon onder is. En als ik het bandgeluid van The Veils wil horen, pak ik gewoon de memorabele albums uit het verleden erbij. De meningen over het nieuwe album van The Veils lijken wat verdeeld, maar ik vind Asphodels prachtig. Erwin Zijleman
The Veils - Total Depravity (2016)

4,0
0
geplaatst: 1 september 2016, 14:40 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Veils - Total Depravity - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het was een tijd geleden dat ik naar muziek van The Veils had geluisterd, maar ook als dat niet het geval was geweest was ik waarschijnlijk flink verrast door de nieuwe plaat van de band rond Finn Andrews.
De vijfde plaat van de band, het vorige week verschenen Total Depravity, opent immers loodzwaar en klinkt bovendien veel elektronischer dan ik van de band gewend ben.
De grotere rol van elektronica blijft niet beperkt tot de openingstrack en ook de zware en bijna industriële ritmes uit deze openingstrack keren nog meerdere keren terug op Total Depravity. Ze worden gecombineerd met buitengewoon fraaie gitaarlijnen en de nog altijd zeer expressieve vocalen van Finn Andrews, die hier en daar wat vervormd worden door de elektronica.
De elektronica springt misschien het meest in het oor bij eerste beluistering van de nieuwe plaat van The Veils, maar het zijn de gitaren die uiteindelijk de meeste indruk maken. Deze gitaren kunnen rauw scheuren, maar sluiten ook aan bij de bijna spookachtige en van veel galm voorziene gitaren die in de country-noir en de folk-noir gemeengoed zijn. Gecombineerd met de elektronica en de beats levert het een fascinerend geluid op, waarin Finn Andrews volop kan schitteren.
Total Depravity heeft de intensiteit en de onderhuidse spanning van de platen van Nick Cave, maar klinkt uiteindelijk anders dan de platen van Nick Cave en zijn Bad Seeds. Total Depravity heeft overigens ook de kleuren van de muziek van Nick Cave, want The Veils gebruiken op hun nieuwe plaat vooral zwart en hiernaast hooguit wat donkergrijs. Het zorgt ervoor dat de vijfde van The Veils geen makkelijke plaat is, al is het na enige gewenning al heel snel een hele mooie plaat.
Dit is deels de verdienste van Finn Andrews en zijn medemuzikanten, maar ook de producers van de plaat verdienen veel lof. Total Depravity werd geproduceerd door Adam Greenspan, die werkte met Nick Cave & The Bad Seeds en zorgt voor de intensiteit en de emotie, Dean Hurley, die onder andere voor David Lynch achter de knoppen zat en garant staat voor filmische muziek vol duistere beelden, en de vanuit de rap afkomstige El-P, die de band inspireerde tot het nadrukkelijk buiten de lijntjes kleuren.
Total Depravity past misschien niet zo goed bij de laatste zomerdagen van 2016, maar de stormachtige herfstdagen en donkere en koude winterdagen komen vanzelf. Indrukwekkende plaat en voorlopig wordt hij alleen maar mooier. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Veils - Total Depravity - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het was een tijd geleden dat ik naar muziek van The Veils had geluisterd, maar ook als dat niet het geval was geweest was ik waarschijnlijk flink verrast door de nieuwe plaat van de band rond Finn Andrews.
De vijfde plaat van de band, het vorige week verschenen Total Depravity, opent immers loodzwaar en klinkt bovendien veel elektronischer dan ik van de band gewend ben.
De grotere rol van elektronica blijft niet beperkt tot de openingstrack en ook de zware en bijna industriële ritmes uit deze openingstrack keren nog meerdere keren terug op Total Depravity. Ze worden gecombineerd met buitengewoon fraaie gitaarlijnen en de nog altijd zeer expressieve vocalen van Finn Andrews, die hier en daar wat vervormd worden door de elektronica.
De elektronica springt misschien het meest in het oor bij eerste beluistering van de nieuwe plaat van The Veils, maar het zijn de gitaren die uiteindelijk de meeste indruk maken. Deze gitaren kunnen rauw scheuren, maar sluiten ook aan bij de bijna spookachtige en van veel galm voorziene gitaren die in de country-noir en de folk-noir gemeengoed zijn. Gecombineerd met de elektronica en de beats levert het een fascinerend geluid op, waarin Finn Andrews volop kan schitteren.
Total Depravity heeft de intensiteit en de onderhuidse spanning van de platen van Nick Cave, maar klinkt uiteindelijk anders dan de platen van Nick Cave en zijn Bad Seeds. Total Depravity heeft overigens ook de kleuren van de muziek van Nick Cave, want The Veils gebruiken op hun nieuwe plaat vooral zwart en hiernaast hooguit wat donkergrijs. Het zorgt ervoor dat de vijfde van The Veils geen makkelijke plaat is, al is het na enige gewenning al heel snel een hele mooie plaat.
Dit is deels de verdienste van Finn Andrews en zijn medemuzikanten, maar ook de producers van de plaat verdienen veel lof. Total Depravity werd geproduceerd door Adam Greenspan, die werkte met Nick Cave & The Bad Seeds en zorgt voor de intensiteit en de emotie, Dean Hurley, die onder andere voor David Lynch achter de knoppen zat en garant staat voor filmische muziek vol duistere beelden, en de vanuit de rap afkomstige El-P, die de band inspireerde tot het nadrukkelijk buiten de lijntjes kleuren.
Total Depravity past misschien niet zo goed bij de laatste zomerdagen van 2016, maar de stormachtige herfstdagen en donkere en koude winterdagen komen vanzelf. Indrukwekkende plaat en voorlopig wordt hij alleen maar mooier. Erwin Zijleman
The Vryll Society - Course of the Satellite (2018)

4,0
0
geplaatst: 27 augustus 2018, 16:55 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Vryll Society - Course Of The Satellite - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Vryll Society is een band uit Liverpool, die al een paar jaar onder de grote beloften van de Britse stad met de imposante muziekgeschiedenis wordt geschaard. De band heeft de tijd genomen voor haar debuut, maar onlangs verscheen dan eindelijk Course Of The Satellite.
In veel van de recensies die tot dusver over de plaat zijn verschenen wordt melding gemaakt van dominante invloeden uit de Krautrock, terwijl ook de naam van Kraftwerk zo nu en dan opduikt, waardoor ik met extra veel belangstelling begon aan de beluistering van het debuut van The Vryll Society.
Bij eerste beluistering hoorde ik inderdaad wel wat invloeden uit de intrigerende Krautrock, maar heel dominant vond en vind ik de invloeden niet. Invloeden van Kraftwerk heb ik eerlijk gezegd nog niet kunnen ontdekken. Bij beluistering van Course Of The Satellite hoor ik vooral zeer verzorgde en hier en daar zelfs wat gepolijste popmuziek met vooral invloeden uit de (neo-)psychedelica, de 80s pop en de progrock.
Het is absoluut een bijzondere combinatie van invloeden, waardoor ik de muziek van The Vryll Society niet direct kan vergelijken met de muziek van anderen. En als het al lukt houdt de vergelijking meestal niet lang stand. Bij beluistering van Course Of The Satellite domineren wat mij betreft invloeden uit de psychedelica, waarbij de band uit Liverpool vooral raakt aan neo-psychedelische bands als Mercury Rev, Tame Impala en zeker ook aan The Coral in haar beste dagen.
Course Of The Satellite heeft hiernaast met grote regelmaat een 80s geluid, waarbij ik in het begin wat associaties had met een band als China Crisis, maar die vergelijking houdt uiteindelijk geen stand. Wanneer wordt gekozen voor wat complexere muziek kan ook zomaar een vleugje Yes opduiken, maar The Vryll Society draait ook haar hand niet om voor invloeden uit de 70s jazz-rock of kan opschuiven richting de zweverige klanken van bijvoorbeeld Sigur Rós.
Het maakt van het debuut van de band uit Liverpool een vat vol tegenstrijdigheden, maar zo voelt de muziek op de plaat zeker niet aan. Course Of The Satellite is voorzien van een warm geluid dat is volgestopt met lome zang en prachtige gitaarlijnen, die in meerdere lagen zijn opgenomen.
Het doet zeker op het eerste gehoor wat gepolijst aan, maar het debuut van The Vryll Society is ook een plaat die steeds nieuwe dingen en nieuwe lagen laat horen. Het zijn ook nog eens dingen en lagen van grote schoonheid, waardoor de plaat veel interessanter is dan je bij eerste en oppervlakkige beluistering zult vermoeden.
Course Of The Satellite valt bij aandachtige en herhaalde beluistering niet alleen op door de even verzorgde als fraaie instrumentatie, maar blijkt ook steeds meer invloeden in haar muziek te hebben verstopt, waarbij de band uit Liverpool met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de popmuziek loopt.
Ik weet nog dat ik het debuut van The Vryll Society een week of drie geleden vluchtig beluisterde en het allemaal net wat te glad en netjes vond, maar inmiddels kan ik geen genoeg krijgen van de veelkleurige muziek van de band. Zeker op de vroege ochtend en late avond is het heerlijk wegdromen op de aangename klanken van The Vryll Society, maar na enige gewenning is het een plaat voor alle momenten. Ik ben in ieder geval om. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Vryll Society - Course Of The Satellite - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Vryll Society is een band uit Liverpool, die al een paar jaar onder de grote beloften van de Britse stad met de imposante muziekgeschiedenis wordt geschaard. De band heeft de tijd genomen voor haar debuut, maar onlangs verscheen dan eindelijk Course Of The Satellite.
In veel van de recensies die tot dusver over de plaat zijn verschenen wordt melding gemaakt van dominante invloeden uit de Krautrock, terwijl ook de naam van Kraftwerk zo nu en dan opduikt, waardoor ik met extra veel belangstelling begon aan de beluistering van het debuut van The Vryll Society.
Bij eerste beluistering hoorde ik inderdaad wel wat invloeden uit de intrigerende Krautrock, maar heel dominant vond en vind ik de invloeden niet. Invloeden van Kraftwerk heb ik eerlijk gezegd nog niet kunnen ontdekken. Bij beluistering van Course Of The Satellite hoor ik vooral zeer verzorgde en hier en daar zelfs wat gepolijste popmuziek met vooral invloeden uit de (neo-)psychedelica, de 80s pop en de progrock.
Het is absoluut een bijzondere combinatie van invloeden, waardoor ik de muziek van The Vryll Society niet direct kan vergelijken met de muziek van anderen. En als het al lukt houdt de vergelijking meestal niet lang stand. Bij beluistering van Course Of The Satellite domineren wat mij betreft invloeden uit de psychedelica, waarbij de band uit Liverpool vooral raakt aan neo-psychedelische bands als Mercury Rev, Tame Impala en zeker ook aan The Coral in haar beste dagen.
Course Of The Satellite heeft hiernaast met grote regelmaat een 80s geluid, waarbij ik in het begin wat associaties had met een band als China Crisis, maar die vergelijking houdt uiteindelijk geen stand. Wanneer wordt gekozen voor wat complexere muziek kan ook zomaar een vleugje Yes opduiken, maar The Vryll Society draait ook haar hand niet om voor invloeden uit de 70s jazz-rock of kan opschuiven richting de zweverige klanken van bijvoorbeeld Sigur Rós.
Het maakt van het debuut van de band uit Liverpool een vat vol tegenstrijdigheden, maar zo voelt de muziek op de plaat zeker niet aan. Course Of The Satellite is voorzien van een warm geluid dat is volgestopt met lome zang en prachtige gitaarlijnen, die in meerdere lagen zijn opgenomen.
Het doet zeker op het eerste gehoor wat gepolijst aan, maar het debuut van The Vryll Society is ook een plaat die steeds nieuwe dingen en nieuwe lagen laat horen. Het zijn ook nog eens dingen en lagen van grote schoonheid, waardoor de plaat veel interessanter is dan je bij eerste en oppervlakkige beluistering zult vermoeden.
Course Of The Satellite valt bij aandachtige en herhaalde beluistering niet alleen op door de even verzorgde als fraaie instrumentatie, maar blijkt ook steeds meer invloeden in haar muziek te hebben verstopt, waarbij de band uit Liverpool met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de popmuziek loopt.
Ik weet nog dat ik het debuut van The Vryll Society een week of drie geleden vluchtig beluisterde en het allemaal net wat te glad en netjes vond, maar inmiddels kan ik geen genoeg krijgen van de veelkleurige muziek van de band. Zeker op de vroege ochtend en late avond is het heerlijk wegdromen op de aangename klanken van The Vryll Society, maar na enige gewenning is het een plaat voor alle momenten. Ik ben in ieder geval om. Erwin Zijleman
The WAEVE - The WAEVE (2023)

4,5
0
geplaatst: 8 februari 2023, 15:16 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The WAEVE - The WAEVE - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The WAEVE - The WAEVE
Rose Elinor Dougall (The Pipettes) en Graham Coxon (Blur) bundelen op bijzondere wijze de krachten als The WAEVE en laten bijna een uur lang horen dat één plus één soms veel meer dan twee is
De samenwerking tussen Rose Elinor Dougall en Graham Coxon kwam bij toeval tot stand maar had grote gevolgen voor het tweetal. Daar mogen we nu in muzikaal opzicht van mee genieten, want de eerste stappen van hun gezamenlijke project The WAEVE leveren een ijzersterk debuutalbum op. Het is een album dat zich door van alles en nog wat heeft laten inspireren, maar dat op een of andere manier toch ook consistent klinkt. In muzikaal en vocaal opzicht is het smullen en ook de songs van het Britse tweetal blijven de fantasie maar prikkelen. Laten we hopen dat de samenwerking tussen Rose Elinor Dougall en Graham Coxon lang stand houdt, want dit smaakt echt naar veel meer.
The WAEVE is een project van de Britse muzikanten Rose Elinor Dougall en Graham Coxon. Rose Elinor Dougall ken ik vooral van de band The Pipettes, maar ze bracht inmiddels ook drie soloalbums uit, waarvan ik overigens alleen de eerste ken. Graham Coxon is uiteraard bekend als de gitarist van Blur, maar heeft inmiddels ook een respectabel soloalbums op zijn naam staan, die stuk voor stuk op zijn minst interessant zijn.
Rose Elinor Dougall en Graham Coxon grepen de coronapandemie aan om samen muziek te gaan maken, in eerste instantie voor een nieuw soloalbum van Rose Elinor Dougall, waarbij de twee open stonden voor zeer uiteenlopende invloeden. De samenwerking tussen de twee leverde inmiddels al een relatie en een liefdesbaby op, waaraan deze week het titelloze debuutalbum van The WAEVE wordt toegevoegd. Naar verluidt bracht een gezamenlijke liefde voor Britse folkrock uit de jaren 60 en 70 de twee bij elkaar, maar het debuutalbum van The WAEVE bevat veel meer invloeden.
Graham Coxon is vooral bekend als gitarist, maar op het debuutalbum van The WAEVE heeft hij ook zijn oude liefde de saxofoon weer opgepakt. Het fraaie saxofoonspel van de Britse muzikant is belangrijk in het geluid van het duo en roept meer dan eens associaties op met het werk van David Bowie, die zijn liefde voor de saxofoon met enige regelmaat liet blijken, en het vroege werk van Roxy Music. Zelfs wat invloeden van de bijzondere Britse band Van der Graaf Generator zijn nooit ver weg en dat is een inspiratiebron die ik tot dusver nog nooit heb gebruikt.
Rose Elinor Dougall en Graham Coxon uiten incidenteel hun liefde voor de folk(rock), maar het debuutalbum van de twee citeert met grotere regelmaat uit de archieven van de artrock en de Krautrock. Naast het fraaie saxofoonspel valt het debuut van The WAEVE ook op door eigenzinnig gitaarspel, speelse elektronica en fraaie orkestraties. Net als op de soloalbums van de andere leden van Blur, klinkt ook in het werk van Graham Coxon altijd wel iets door de van de Britse band en dat is dit keer niet anders.
Rose Elinor Dougall en Graham Coxon hebben elkaar op meerdere vlakken gevonden, maar ook in vocaal opzicht passen de twee goed bij elkaar. De stemmen van de twee Britse muzikanten vullen elkaar mooi aan en zorgen er bovendien voor dat The WAEVE een karakteristiek eigen geluid heeft. De songs van The WAEVE zijn mooi en sfeervol, maar er gebeurt ook van alles in de muziek van het tweetal, die af en toe herinneringen oproept aan de Berlijnse periode van David Bowie, maar me persoonlijk in muzikaal opzicht ook meer dan eens aan Radiohead doet denken.
Graham Coxon heeft zoals gezegd een interessante solocarrière opgebouwd en ook Rose Elinor Dougall heeft al aardig wat muziek op haar naam staan, maar zo interessant als het debuutalbum van The WAEVE was het wat mij betreft nog niet. De songs van het Britse tweetal zijn stuk voor stuk aangenaam en avontuurlijk, maar het debuutalbum van The WAEVE is ook een heerlijk veelzijdig album, dat in iedere track weer een andere kant op schiet en na een folky track ook zomaar de kant van de postpunk op kan schieten of een jazzy track uit de hoge hoed kan toveren. De samenwerking tussen Rose Elinor Dougall en Graham Coxon was een min of meer toevallige, maar het heeft de twee muzikanten al veel moois gebracht, waar we nu ook als muziekliefhebbers volop van mee kunnen genieten. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The WAEVE - The WAEVE - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The WAEVE - The WAEVE
Rose Elinor Dougall (The Pipettes) en Graham Coxon (Blur) bundelen op bijzondere wijze de krachten als The WAEVE en laten bijna een uur lang horen dat één plus één soms veel meer dan twee is
De samenwerking tussen Rose Elinor Dougall en Graham Coxon kwam bij toeval tot stand maar had grote gevolgen voor het tweetal. Daar mogen we nu in muzikaal opzicht van mee genieten, want de eerste stappen van hun gezamenlijke project The WAEVE leveren een ijzersterk debuutalbum op. Het is een album dat zich door van alles en nog wat heeft laten inspireren, maar dat op een of andere manier toch ook consistent klinkt. In muzikaal en vocaal opzicht is het smullen en ook de songs van het Britse tweetal blijven de fantasie maar prikkelen. Laten we hopen dat de samenwerking tussen Rose Elinor Dougall en Graham Coxon lang stand houdt, want dit smaakt echt naar veel meer.
The WAEVE is een project van de Britse muzikanten Rose Elinor Dougall en Graham Coxon. Rose Elinor Dougall ken ik vooral van de band The Pipettes, maar ze bracht inmiddels ook drie soloalbums uit, waarvan ik overigens alleen de eerste ken. Graham Coxon is uiteraard bekend als de gitarist van Blur, maar heeft inmiddels ook een respectabel soloalbums op zijn naam staan, die stuk voor stuk op zijn minst interessant zijn.
Rose Elinor Dougall en Graham Coxon grepen de coronapandemie aan om samen muziek te gaan maken, in eerste instantie voor een nieuw soloalbum van Rose Elinor Dougall, waarbij de twee open stonden voor zeer uiteenlopende invloeden. De samenwerking tussen de twee leverde inmiddels al een relatie en een liefdesbaby op, waaraan deze week het titelloze debuutalbum van The WAEVE wordt toegevoegd. Naar verluidt bracht een gezamenlijke liefde voor Britse folkrock uit de jaren 60 en 70 de twee bij elkaar, maar het debuutalbum van The WAEVE bevat veel meer invloeden.
Graham Coxon is vooral bekend als gitarist, maar op het debuutalbum van The WAEVE heeft hij ook zijn oude liefde de saxofoon weer opgepakt. Het fraaie saxofoonspel van de Britse muzikant is belangrijk in het geluid van het duo en roept meer dan eens associaties op met het werk van David Bowie, die zijn liefde voor de saxofoon met enige regelmaat liet blijken, en het vroege werk van Roxy Music. Zelfs wat invloeden van de bijzondere Britse band Van der Graaf Generator zijn nooit ver weg en dat is een inspiratiebron die ik tot dusver nog nooit heb gebruikt.
Rose Elinor Dougall en Graham Coxon uiten incidenteel hun liefde voor de folk(rock), maar het debuutalbum van de twee citeert met grotere regelmaat uit de archieven van de artrock en de Krautrock. Naast het fraaie saxofoonspel valt het debuut van The WAEVE ook op door eigenzinnig gitaarspel, speelse elektronica en fraaie orkestraties. Net als op de soloalbums van de andere leden van Blur, klinkt ook in het werk van Graham Coxon altijd wel iets door de van de Britse band en dat is dit keer niet anders.
Rose Elinor Dougall en Graham Coxon hebben elkaar op meerdere vlakken gevonden, maar ook in vocaal opzicht passen de twee goed bij elkaar. De stemmen van de twee Britse muzikanten vullen elkaar mooi aan en zorgen er bovendien voor dat The WAEVE een karakteristiek eigen geluid heeft. De songs van The WAEVE zijn mooi en sfeervol, maar er gebeurt ook van alles in de muziek van het tweetal, die af en toe herinneringen oproept aan de Berlijnse periode van David Bowie, maar me persoonlijk in muzikaal opzicht ook meer dan eens aan Radiohead doet denken.
Graham Coxon heeft zoals gezegd een interessante solocarrière opgebouwd en ook Rose Elinor Dougall heeft al aardig wat muziek op haar naam staan, maar zo interessant als het debuutalbum van The WAEVE was het wat mij betreft nog niet. De songs van het Britse tweetal zijn stuk voor stuk aangenaam en avontuurlijk, maar het debuutalbum van The WAEVE is ook een heerlijk veelzijdig album, dat in iedere track weer een andere kant op schiet en na een folky track ook zomaar de kant van de postpunk op kan schieten of een jazzy track uit de hoge hoed kan toveren. De samenwerking tussen Rose Elinor Dougall en Graham Coxon was een min of meer toevallige, maar het heeft de twee muzikanten al veel moois gebracht, waar we nu ook als muziekliefhebbers volop van mee kunnen genieten. Erwin Zijleman
The Waifs - Beautiful You (2015)

4,0
0
geplaatst: 29 augustus 2015, 09:56 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Waifs - Beautiful You - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Waifs is een van oorsprong Australische band rond de zussen Donna en Vicki Simpson, die in hun jongere jaren de kost verdienden met het vertolken van songs van Bob Dylan.
Inmiddels opereert de band al een tijdje vanuit de Verenigde Staten en zijn The Waifs al weer toe aan hun zevende plaat.
Het zijn platen waarvan de eerste zes me volledig zijn ontgaan, zodat Beautiful You mijn eerste kennismaking is met de muziek van de band.
Het is een kennismaking die naar veel meer smaakt, want sinds de eerste noten van de plaat uit de speakers kwamen heb ik een zwak voor muziek van The Waifs.
Beautiful You is een plaat met mooi verzorgde Amerikaanse rootsmuziek, die het goed zal doen op de Amerikaanse radiostations die zich concentreren op rootsmuziek.
Het is rootsmuziek die voor een belangrijk deel vertrouwt op de mooie stemmen van Donna en Vicky Simpson en de minstens even mooie stem van mede bandleider Josh Cunningham, al valt ook op de verzorgde en afwisselende instrumentatie niets aan te merken.
Beautiful You volgt op een pauze van ruim vier jaar, waarin alle leden van de band vochten met hun eigen demonen. Deze zijn allemaal meegesleept naar de nieuwe plaat van de band, die de grote persoonlijk verhalen niet schuwt, waarbij het niet zoveel uitmaakt of het gaat om heimwee en liefdesverdriet, om zware verslavingen of om gevonden geloof.
Vanwege mijn liefde voor vrouwenstemmen zal het niemand verbazen dat ik een duidelijke voorkeur heb voor de songs waarin de prachtige doorleefde stemmen van de zussen Simpson domineren, maar ook de songs met Josh Cunningham achter de microfoon mogen er zijn.
Liefhebbers van puurdere vormen van Amerikaanse rootsmuziek zullen het misschien net wat te glad en te braaf vinden, maar vergeleken met een band als Lady Antebellum blijven The Waifs toch vrij makkelijk aan de juiste kant van de streep. Ik kan er in ieder geval geen genoeg van krijgen. Heerlijke plaat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Waifs - Beautiful You - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Waifs is een van oorsprong Australische band rond de zussen Donna en Vicki Simpson, die in hun jongere jaren de kost verdienden met het vertolken van songs van Bob Dylan.
Inmiddels opereert de band al een tijdje vanuit de Verenigde Staten en zijn The Waifs al weer toe aan hun zevende plaat.
Het zijn platen waarvan de eerste zes me volledig zijn ontgaan, zodat Beautiful You mijn eerste kennismaking is met de muziek van de band.
Het is een kennismaking die naar veel meer smaakt, want sinds de eerste noten van de plaat uit de speakers kwamen heb ik een zwak voor muziek van The Waifs.
Beautiful You is een plaat met mooi verzorgde Amerikaanse rootsmuziek, die het goed zal doen op de Amerikaanse radiostations die zich concentreren op rootsmuziek.
Het is rootsmuziek die voor een belangrijk deel vertrouwt op de mooie stemmen van Donna en Vicky Simpson en de minstens even mooie stem van mede bandleider Josh Cunningham, al valt ook op de verzorgde en afwisselende instrumentatie niets aan te merken.
Beautiful You volgt op een pauze van ruim vier jaar, waarin alle leden van de band vochten met hun eigen demonen. Deze zijn allemaal meegesleept naar de nieuwe plaat van de band, die de grote persoonlijk verhalen niet schuwt, waarbij het niet zoveel uitmaakt of het gaat om heimwee en liefdesverdriet, om zware verslavingen of om gevonden geloof.
Vanwege mijn liefde voor vrouwenstemmen zal het niemand verbazen dat ik een duidelijke voorkeur heb voor de songs waarin de prachtige doorleefde stemmen van de zussen Simpson domineren, maar ook de songs met Josh Cunningham achter de microfoon mogen er zijn.
Liefhebbers van puurdere vormen van Amerikaanse rootsmuziek zullen het misschien net wat te glad en te braaf vinden, maar vergeleken met een band als Lady Antebellum blijven The Waifs toch vrij makkelijk aan de juiste kant van de streep. Ik kan er in ieder geval geen genoeg van krijgen. Heerlijke plaat. Erwin Zijleman
The Waifs - Ironbark (2017)

4,5
1
geplaatst: 25 maart 2017, 10:25 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Waifs - Ironbark - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Waifs bestaan al sinds 1992, maar mijn eerste kennismaking met de van oorsprong Australische band stamt uit 2015, toen het bijzonder aangename Beautiful You verscheen.
Op Beautiful You grossierde de tegenwoordig deels vanuit Australië en deels vanuit de Verenigde Staten opererende band met bijzonder lekker in het gehoor liggende en op het eerste gehoor betrekkelijk lichtvoetige Amerikaanse rootsmuziek, maar bij herhaalde beluistering bleek het wel lichtvoetige Amerikaanse rootsmuziek van hoog niveau en met inhoud.
De band bestaat dit jaar 25 jaar en pakt om dit te vieren flink uit met een heus dubbelalbum. Nu vind ik 25 songs en 1 uur en drie kwartier muziek in de meeste gevallen te veel van het goede en dat geldt in beperkte mate ook wel voor Ironbark. De nieuwe plaat van The Waifs heeft me echter ook aangenaam verrast en heeft echt heel veel moois te bieden.
Direct in de openingstrack verrast de band met een track die niet had misstaan op Tusk van Fleetwood Mac. Ironbark roept bij mij veel vaker associaties op met één van de beste platen van Fleetwood Mac, maar de Amerikaans/Australische band maakt ook nog altijd muziek die in het hokje Amerikaanse rootsmuziek kan worden geduwd.
Omdat de band met enige regelmaat buiten de lijntjes van de Amerikaanse rootsmuziek kleurt, is Ironbark een opvallend veelzijdige plaat. Ironbark is mede hierdoor een minder lange zit dan het op basis van de speelduur lijkt.
The Waifs maken op hun nieuwe plaat indruk met een werkelijk prachtige instrumentatie. Het maakt hierbij niet zoveel uit of de band kiest voor meer pop georiënteerde songs of voor de rootssongs die het de afgelopen 25 jaar zo veelvuldig heeft omarmd. Ironbark valt over de hele linie op door subtiele en prachtig klinkende muziek.
De band heeft gekozen voor een ingetogen en organisch klinkend geluid zonder heel veel opsmuk. Het is een geluid dat spaarzaam wordt versierd met extra instrumenten, maar zowel de subtiele basis vol geweldig gitaarwerk als de aangebrachte versieringen zijn van grote schoonheid en bovendien zeer functioneel.
Door de aangename klanken dringt Ironbark zich heel makkelijk op, maar de nieuwe plaat van The Waifs heeft nog veel meer moois te bieden. Voorganger Beautiful You viel al op door bijzonder mooie mannen- en vooral vrouwenstemmen, maar op de nieuwe plaat van The Waifs klinken ze nog mooier en zorgen met name de mooie vrouwenstemmen ervoor dat Ironbark meer dan eens doet denken aan de klassiekers van Fleetwood Mac.
Omdat de songs op de nieuwe plaat van The Waifs ook nog eens van hoog niveau zijn maar ook genadeloos vermaken, is Ironbark de afgelopen weken een steeds graag gezienere gast in mijn cd speler geworden.
In eerste instantie had ik nog wel wat moeite met de speelduur, maar deze heeft het The Waifs ook mogelijk gemaakt om te experimenteren met verschillende geluiden en ook een aantal net wat minder aanstekelijke en zich langzaam voortslepende songs vol bezwering toe te voegen aan de plaat. Het zijn deze songs die uiteindelijk stevig bijdragen aan de kwaliteit van Ironbark.
De afgelopen 25 jaar heb ik het meeste van The Waifs gemist, maar sinds ik het uitstekende Ironbark koester, weet ik dat ik echt helemaal niets meer van deze band wil missen. The Waifs zijn jarig en hebben een prachtig cadeautje gemaakt voor de muziekliefhebber. Ga dat horen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Waifs - Ironbark - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Waifs bestaan al sinds 1992, maar mijn eerste kennismaking met de van oorsprong Australische band stamt uit 2015, toen het bijzonder aangename Beautiful You verscheen.
Op Beautiful You grossierde de tegenwoordig deels vanuit Australië en deels vanuit de Verenigde Staten opererende band met bijzonder lekker in het gehoor liggende en op het eerste gehoor betrekkelijk lichtvoetige Amerikaanse rootsmuziek, maar bij herhaalde beluistering bleek het wel lichtvoetige Amerikaanse rootsmuziek van hoog niveau en met inhoud.
De band bestaat dit jaar 25 jaar en pakt om dit te vieren flink uit met een heus dubbelalbum. Nu vind ik 25 songs en 1 uur en drie kwartier muziek in de meeste gevallen te veel van het goede en dat geldt in beperkte mate ook wel voor Ironbark. De nieuwe plaat van The Waifs heeft me echter ook aangenaam verrast en heeft echt heel veel moois te bieden.
Direct in de openingstrack verrast de band met een track die niet had misstaan op Tusk van Fleetwood Mac. Ironbark roept bij mij veel vaker associaties op met één van de beste platen van Fleetwood Mac, maar de Amerikaans/Australische band maakt ook nog altijd muziek die in het hokje Amerikaanse rootsmuziek kan worden geduwd.
Omdat de band met enige regelmaat buiten de lijntjes van de Amerikaanse rootsmuziek kleurt, is Ironbark een opvallend veelzijdige plaat. Ironbark is mede hierdoor een minder lange zit dan het op basis van de speelduur lijkt.
The Waifs maken op hun nieuwe plaat indruk met een werkelijk prachtige instrumentatie. Het maakt hierbij niet zoveel uit of de band kiest voor meer pop georiënteerde songs of voor de rootssongs die het de afgelopen 25 jaar zo veelvuldig heeft omarmd. Ironbark valt over de hele linie op door subtiele en prachtig klinkende muziek.
De band heeft gekozen voor een ingetogen en organisch klinkend geluid zonder heel veel opsmuk. Het is een geluid dat spaarzaam wordt versierd met extra instrumenten, maar zowel de subtiele basis vol geweldig gitaarwerk als de aangebrachte versieringen zijn van grote schoonheid en bovendien zeer functioneel.
Door de aangename klanken dringt Ironbark zich heel makkelijk op, maar de nieuwe plaat van The Waifs heeft nog veel meer moois te bieden. Voorganger Beautiful You viel al op door bijzonder mooie mannen- en vooral vrouwenstemmen, maar op de nieuwe plaat van The Waifs klinken ze nog mooier en zorgen met name de mooie vrouwenstemmen ervoor dat Ironbark meer dan eens doet denken aan de klassiekers van Fleetwood Mac.
Omdat de songs op de nieuwe plaat van The Waifs ook nog eens van hoog niveau zijn maar ook genadeloos vermaken, is Ironbark de afgelopen weken een steeds graag gezienere gast in mijn cd speler geworden.
In eerste instantie had ik nog wel wat moeite met de speelduur, maar deze heeft het The Waifs ook mogelijk gemaakt om te experimenteren met verschillende geluiden en ook een aantal net wat minder aanstekelijke en zich langzaam voortslepende songs vol bezwering toe te voegen aan de plaat. Het zijn deze songs die uiteindelijk stevig bijdragen aan de kwaliteit van Ironbark.
De afgelopen 25 jaar heb ik het meeste van The Waifs gemist, maar sinds ik het uitstekende Ironbark koester, weet ik dat ik echt helemaal niets meer van deze band wil missen. The Waifs zijn jarig en hebben een prachtig cadeautje gemaakt voor de muziekliefhebber. Ga dat horen. Erwin Zijleman
The Waltz - Looking-Glass Self (2022)

4,0
2
geplaatst: 4 februari 2022, 15:46 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Waltz - Looking-Glass Self - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Waltz - Looking-Glass Self
Looking-Glass Self van de Belgische band The Waltz komt als een tornado uit de speakers en is vaak rauw en onnavolgbaar, maar het debuut van de band uit Kortrijk loopt ook over van de goede ideeën
Het debuutalbum van de Vlaamse band The Waltz is een album waar je niet te snel over moet oordelen.
Ik vond het bij eerste beluistering een bijzonder heftig en eclectisch album, maar hoe vaker ik naar het album luister, hoe meer ik onder de indruk ben. The Waltz is niet vies van invloeden uit de postpunk, maar blijft hier gelukkig niet in steken. Invloeden uit de 90s indierock en noiserock zijn minstens even prominent aanwezig op het album en ook voor wat metal riffs draait The Waltz haar hand niet om. Looking-Glass zelf klinkt hierdoor anders, ruwer en compromislozer dan de meeste andere gitaaralbums van het moment, maar staat ook vol met songs die zich langzaam maar zeker genadeloos opdringen.
Er is momenteel zeker geen gebrek aan nieuwe bandjes die aan de slag gaan met invloeden uit de postpunk van de late jaren 70 en vroege jaren 80. Helaas hebben bijna al deze bands een irritante praatzanger, waardoor ik keer op keer afhaak. Ook de Belgische band The Waltz is niet vies van invloeden uit de postpunk.
Wanneer het debuutalbum van de band na een wat vaag intro losbarst putten zowel de ritmesectie als de gitaren nadrukkelijk uit de archieven van de postpunk. De zanger van de band doet in ieder geval zijn best om te zingen, al zit het in de eerste echte track van Looking-Glass Self nog wel bij praten in de buurt.
Waar veel postpunk bands van het moment redelijk fantasieloos voortborduren op de muziek van de smaakmakers van de eerste postpunk golf, sleept The Waltz er meteen op haar debuut van alles bij. De eerste song op het album citeert misschien uit de archieven van de postpunk, maar sleept er ook invloeden uit de 90s noiserock en indierock bij en voegt bovendien een flinke dosis hysterie toe. Looking-Glass Self is daarom veel meer dan een postpunk album en is wat mij betreft de zoveelste hele interessante rockplaat uit de Belgische muziekgeschiedenis.
Looking-Glass Self opent met een aantal behoorlijk stevige en ook behoorlijk rauwe tracks. Het zijn tracks met een aantal interessante tempowisselingen en gevarieerd gitaarwerk, dat net zo makkelijk aansluit bij de postpunk voorbeelden uit de jaren 70 als bij de noiserock en metal uit de jaren 90.
Direct in de eerste tracks gebeurt er van alles in de muziek van The Waltz en al na een paar tracks is Looking-Glass Self een stuk interessanter en relevanter dan de meeste andere stevige gitaaralbums van het moment en ook een stuk veelzijdiger.
Zeker bij de eerste beluisteringen is het debuut van de Vlaamse band een album dat behoorlijk overweldigend over komt. Er komt zeker in de eerste paar tracks nogal wat op je af, maar halverwege het album laat The Waltz horen dat het ook uit de voeten kan met een meer ingetogen en bijna dromerige song, al is een uitbarsting nooit ver weg.
In de net wat meer ingetogen tracks op het album boort de Vlaamse band weer hele andere invloeden aan en hebben invloeden uit de postpunk bijna volledig plaats gemaakt voor invloeden uit de indierock. Het is hierdoor niet makkelijk om de muziek van The Waltz te vergelijken met de muziek van anderen. Soms hoor ik wat van de eveneens Belgische band dEUS, maar het is wel een behoorlijk gruizige en explosieve versie van dEUS.
The Waltz trakteert je op haar debuut vooral op een aantal compromisloze ruwe diamanten, maar de belofte spat er, track voor track, van af. De band uit Kortrijk heeft een debuut vol ruwe randjes en scherpe kantjes afgeleverd, maar staat ook garant voor songs waarin echt van alles gebeurt. Soms klinkt het opeens heel toegankelijk en doet het aan van alles en nog wat denken, maar niet veel later schiet de muziek van de band alle kanten op en is de muziek van de Vlamingen opeens onnavolgbaar.
Looking-Glass is zoals gezegd een behoorlijk heftig album, tot de band je in de slottrack trakteert op een honingzoet popliedje. Het maakt me nu al nieuwsgierig naar de volgende verrichtingen van The Waltz, maar na herhaalde beluistering van dit fascinerende debuutalbum, durf ik al wel te beweren dat onze Zuiderburen er een bijzonder leuk bandje bij hebben. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Waltz - Looking-Glass Self - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Waltz - Looking-Glass Self
Looking-Glass Self van de Belgische band The Waltz komt als een tornado uit de speakers en is vaak rauw en onnavolgbaar, maar het debuut van de band uit Kortrijk loopt ook over van de goede ideeën
Het debuutalbum van de Vlaamse band The Waltz is een album waar je niet te snel over moet oordelen.
Ik vond het bij eerste beluistering een bijzonder heftig en eclectisch album, maar hoe vaker ik naar het album luister, hoe meer ik onder de indruk ben. The Waltz is niet vies van invloeden uit de postpunk, maar blijft hier gelukkig niet in steken. Invloeden uit de 90s indierock en noiserock zijn minstens even prominent aanwezig op het album en ook voor wat metal riffs draait The Waltz haar hand niet om. Looking-Glass zelf klinkt hierdoor anders, ruwer en compromislozer dan de meeste andere gitaaralbums van het moment, maar staat ook vol met songs die zich langzaam maar zeker genadeloos opdringen.
Er is momenteel zeker geen gebrek aan nieuwe bandjes die aan de slag gaan met invloeden uit de postpunk van de late jaren 70 en vroege jaren 80. Helaas hebben bijna al deze bands een irritante praatzanger, waardoor ik keer op keer afhaak. Ook de Belgische band The Waltz is niet vies van invloeden uit de postpunk.
Wanneer het debuutalbum van de band na een wat vaag intro losbarst putten zowel de ritmesectie als de gitaren nadrukkelijk uit de archieven van de postpunk. De zanger van de band doet in ieder geval zijn best om te zingen, al zit het in de eerste echte track van Looking-Glass Self nog wel bij praten in de buurt.
Waar veel postpunk bands van het moment redelijk fantasieloos voortborduren op de muziek van de smaakmakers van de eerste postpunk golf, sleept The Waltz er meteen op haar debuut van alles bij. De eerste song op het album citeert misschien uit de archieven van de postpunk, maar sleept er ook invloeden uit de 90s noiserock en indierock bij en voegt bovendien een flinke dosis hysterie toe. Looking-Glass Self is daarom veel meer dan een postpunk album en is wat mij betreft de zoveelste hele interessante rockplaat uit de Belgische muziekgeschiedenis.
Looking-Glass Self opent met een aantal behoorlijk stevige en ook behoorlijk rauwe tracks. Het zijn tracks met een aantal interessante tempowisselingen en gevarieerd gitaarwerk, dat net zo makkelijk aansluit bij de postpunk voorbeelden uit de jaren 70 als bij de noiserock en metal uit de jaren 90.
Direct in de eerste tracks gebeurt er van alles in de muziek van The Waltz en al na een paar tracks is Looking-Glass Self een stuk interessanter en relevanter dan de meeste andere stevige gitaaralbums van het moment en ook een stuk veelzijdiger.
Zeker bij de eerste beluisteringen is het debuut van de Vlaamse band een album dat behoorlijk overweldigend over komt. Er komt zeker in de eerste paar tracks nogal wat op je af, maar halverwege het album laat The Waltz horen dat het ook uit de voeten kan met een meer ingetogen en bijna dromerige song, al is een uitbarsting nooit ver weg.
In de net wat meer ingetogen tracks op het album boort de Vlaamse band weer hele andere invloeden aan en hebben invloeden uit de postpunk bijna volledig plaats gemaakt voor invloeden uit de indierock. Het is hierdoor niet makkelijk om de muziek van The Waltz te vergelijken met de muziek van anderen. Soms hoor ik wat van de eveneens Belgische band dEUS, maar het is wel een behoorlijk gruizige en explosieve versie van dEUS.
The Waltz trakteert je op haar debuut vooral op een aantal compromisloze ruwe diamanten, maar de belofte spat er, track voor track, van af. De band uit Kortrijk heeft een debuut vol ruwe randjes en scherpe kantjes afgeleverd, maar staat ook garant voor songs waarin echt van alles gebeurt. Soms klinkt het opeens heel toegankelijk en doet het aan van alles en nog wat denken, maar niet veel later schiet de muziek van de band alle kanten op en is de muziek van de Vlamingen opeens onnavolgbaar.
Looking-Glass is zoals gezegd een behoorlijk heftig album, tot de band je in de slottrack trakteert op een honingzoet popliedje. Het maakt me nu al nieuwsgierig naar de volgende verrichtingen van The Waltz, maar na herhaalde beluistering van dit fascinerende debuutalbum, durf ik al wel te beweren dat onze Zuiderburen er een bijzonder leuk bandje bij hebben. Erwin Zijleman
The War and Treaty - Healing Tide (2018)

4,5
0
geplaatst: 12 augustus 2018, 10:04 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The War And Treaty - Healing Tide - dekrentenuitdepop.blogspot.com
De muziek van het Amerikaanse duo The War And Treaty wordt in nogal wat recensies vergeleken met de platen waarop Ike en Tina Turner elkaar naar grote hoogten wisten te stuwen.
Dat is nogal wat, want de rauwe energie van de platen van dit roemruchte Amerikaanse tweetal is sindsdien nog maar zelden geëvenaard, waardoor scepsis domineerde voordat ik Healing Tide uit de speakers liet komen.
Michael Trotty Jr. ging als jonge militair naar Irak, raakte ernstig gewond en zong na zijn herstel op herdenkingsdiensten voor gesneuvelde militairen. Tijdens een van deze diensten liep hij zangeres Tanya Blount tegen het lijf. De vonk tussen de twee sloeg op meerdere terreinen over en sindsdien zijn de twee niet alleen een echtpaar, maar ook het duo The War And Treaty.
Healing Tide is het debuut van het duo en het is een debuut waarop niets aan het toeval is overgelaten. Niemand minder dan Buddy Miller tekende voor de productie van het debuut van The War And Treaty en de Amerikaanse rootsmuzikant sleepte ook nog een aantal gelouterde muzikanten de studio in, onder wie topkrachten als Brady Blade, Adam Chaffins, Jim Hoke, Russ Pahl, Sam Bush en Emmylou Harris die in een van de tracks opduikt.
Direct in de openingstrack laten Tanya en Michael Trotty horen wat ze in huis hebben. Brady Blade zorgt voor wat eenvoudige percussie, waarna de stemmen van de twee voor het vuurwerk zorgen. De energie en soul spatten er direct van af en naast flink wat groten uit de soul (en met name Aretha Franklin) doemen inderdaad ook echo’s uit de archieven van Ike & Tina Turner op.
Ik ben niet altijd gek op soulzangers die voluit gaan, maar de openingstrack van het debuut van The War And Treaty is geweldig. In de tweede track schuiven ook de andere muzikanten aan en imponeert het tweetal uit Washington D.C. met dampende soul, die net zo makkelijk in de hoogtijdagen van de 70s soul gemaakt had kunnen worden. De band speelt fantastisch, maar het zijn Tanya en Michael Trotty die je van de sokken blazen met hun krachtige en prachtig bij elkaar passende stemmen.
Alleen op basis van de eerste twee tracks durf ik Healing Tide van The War And Treaty al uit te roepen tot een van de betere soulplaten van de laatste jaren, maar de twee hebben nog veel meer in huis, waardoor Healing Tide alleen maar mooier en indrukwekkender wordt.
Soul en gospel domineren op Healing Tide, maar Tanya en Michael Trotty kunnen ook uit de voeten met blues, country, folk en rhythm & blues. Zeker wanneer het Amerikaanse tweetal voluit zingt gaan de pannen van het dak, maar gelukkig is er op het debuut van The War And Treaty ook ruimte voor meer ingetogen vocalen, die er voor zorgen dat de rillingen af en toe over je rug lopen. Op voorhand leek de vergelijking met de allergrootsten uit de geschiedenis van de Amerikaanse soulmuziek me overdreven, maar deze plaat kan de vergelijking wat mij betreft aan.
In vocaal opzicht is Healing Tide een bijzonder indrukwekkende plaat, maar de prachtige en subtiele instrumentatie (met een glansrol voor meesterdrummer Brady Blade en de subtiel overal doorheen snijdende pedaal steel), die ook buiten de kaders van de soul kleurt en flink wat country toevoegt, geeft Healing Tide nog flink wat extra glans.
Ik vind het debuut van The War And Tide het mooist wanneer wat gas wordt teruggenomen en flink wat gevoel en detail wordt toegevoegd aan de songs van het tweetal, maar ook als Tanya en Michael Trotty voluit gaan spelen ze in de meeste gevallen een gewonnen wedstrijd. Het levert een soulplaat op die je stevig bij de strot grijpt en voorlopig niet aan los laten denkt. Bijzonder indrukwekkend. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The War And Treaty - Healing Tide - dekrentenuitdepop.blogspot.com
De muziek van het Amerikaanse duo The War And Treaty wordt in nogal wat recensies vergeleken met de platen waarop Ike en Tina Turner elkaar naar grote hoogten wisten te stuwen.
Dat is nogal wat, want de rauwe energie van de platen van dit roemruchte Amerikaanse tweetal is sindsdien nog maar zelden geëvenaard, waardoor scepsis domineerde voordat ik Healing Tide uit de speakers liet komen.
Michael Trotty Jr. ging als jonge militair naar Irak, raakte ernstig gewond en zong na zijn herstel op herdenkingsdiensten voor gesneuvelde militairen. Tijdens een van deze diensten liep hij zangeres Tanya Blount tegen het lijf. De vonk tussen de twee sloeg op meerdere terreinen over en sindsdien zijn de twee niet alleen een echtpaar, maar ook het duo The War And Treaty.
Healing Tide is het debuut van het duo en het is een debuut waarop niets aan het toeval is overgelaten. Niemand minder dan Buddy Miller tekende voor de productie van het debuut van The War And Treaty en de Amerikaanse rootsmuzikant sleepte ook nog een aantal gelouterde muzikanten de studio in, onder wie topkrachten als Brady Blade, Adam Chaffins, Jim Hoke, Russ Pahl, Sam Bush en Emmylou Harris die in een van de tracks opduikt.
Direct in de openingstrack laten Tanya en Michael Trotty horen wat ze in huis hebben. Brady Blade zorgt voor wat eenvoudige percussie, waarna de stemmen van de twee voor het vuurwerk zorgen. De energie en soul spatten er direct van af en naast flink wat groten uit de soul (en met name Aretha Franklin) doemen inderdaad ook echo’s uit de archieven van Ike & Tina Turner op.
Ik ben niet altijd gek op soulzangers die voluit gaan, maar de openingstrack van het debuut van The War And Treaty is geweldig. In de tweede track schuiven ook de andere muzikanten aan en imponeert het tweetal uit Washington D.C. met dampende soul, die net zo makkelijk in de hoogtijdagen van de 70s soul gemaakt had kunnen worden. De band speelt fantastisch, maar het zijn Tanya en Michael Trotty die je van de sokken blazen met hun krachtige en prachtig bij elkaar passende stemmen.
Alleen op basis van de eerste twee tracks durf ik Healing Tide van The War And Treaty al uit te roepen tot een van de betere soulplaten van de laatste jaren, maar de twee hebben nog veel meer in huis, waardoor Healing Tide alleen maar mooier en indrukwekkender wordt.
Soul en gospel domineren op Healing Tide, maar Tanya en Michael Trotty kunnen ook uit de voeten met blues, country, folk en rhythm & blues. Zeker wanneer het Amerikaanse tweetal voluit zingt gaan de pannen van het dak, maar gelukkig is er op het debuut van The War And Treaty ook ruimte voor meer ingetogen vocalen, die er voor zorgen dat de rillingen af en toe over je rug lopen. Op voorhand leek de vergelijking met de allergrootsten uit de geschiedenis van de Amerikaanse soulmuziek me overdreven, maar deze plaat kan de vergelijking wat mij betreft aan.
In vocaal opzicht is Healing Tide een bijzonder indrukwekkende plaat, maar de prachtige en subtiele instrumentatie (met een glansrol voor meesterdrummer Brady Blade en de subtiel overal doorheen snijdende pedaal steel), die ook buiten de kaders van de soul kleurt en flink wat country toevoegt, geeft Healing Tide nog flink wat extra glans.
Ik vind het debuut van The War And Tide het mooist wanneer wat gas wordt teruggenomen en flink wat gevoel en detail wordt toegevoegd aan de songs van het tweetal, maar ook als Tanya en Michael Trotty voluit gaan spelen ze in de meeste gevallen een gewonnen wedstrijd. Het levert een soulplaat op die je stevig bij de strot grijpt en voorlopig niet aan los laten denkt. Bijzonder indrukwekkend. Erwin Zijleman
The War and Treaty - Hearts Town (2020)

4,0
0
geplaatst: 8 januari 2021, 16:31 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The War And Treaty - Hearts Town - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The War And Treaty - Hearts Town
Het Amerikaanse duo The War And Treaty overtuigt ook op haar tweede album met een mix van stijlen, een mooi geluid en vooral met twee geweldige stemmen die elkaar steeds weer versterken
Het debuut van het Amerikaanse The War And Treaty kreeg ruim twee jaar geleden veel aandacht, maar rond het tweede album van het tweetal is het helaas behoorlijk stil gebleven. Dat is jammer, want ook Hearts Town is een uitstekend album. Michael Trotty Jr. en Tanya Blount kunnen nog altijd in meerdere genres uit de voeten, hebben een stel prima muzikanten om zich heen verzameld en zijn nog wat beter geworden in het schrijven van lekker in het gehoor liggende songs. Sterkste punt van The War And Treaty blijft echter het muzikale vuurwerk dat ook op album nummer twee weer uit de speakers knalt.
Ik werd ruim twee jaar geleden nieuwsgierig naar de muziek van het Amerikaanse duo The War And Treaty door een aantal recensies waarin de muziek van Michael Trotty Jr. en Tanya Blount werd vergeleken met de memorabele albums van Ike & Tina Turner. De hele rauwe energie van dit roemruchte duo hoorde ik niet altijd terug op het debuut van The War And Treaty, maar het was absoluut een memorabel soulalbum, dat nog wat extra punten kreeg door het mooie verhaal achter de samenwerking tussen de twee.
Michael Trotty Jr. ging als militair naar Irak, raakte ernstig gewond en zong na zijn herstel op herdenkingsdiensten voor gesneuvelde militairen. Tijdens een van deze diensten liep hij zangeres Tanya Blount tegen het lijf. De vonk tussen de twee sloeg op meerdere terreinen over en sindsdien zijn de twee niet alleen een echtpaar, maar ook het duo The War And Treaty.
Hearts Town is het tweede album van het duo uit Nashville, Tennessee, en het is een album dat sinds afgelopen zomer bij mij op de stapel lag. Dat heeft niets te maken met de kwaliteit van het album, want ook op hun tweede album zingen Michael Trotty Jr. en Tanya Blount weer de sterren van de hemel en komt de soul hier en daar uit de tenen.
In muzikaal opzicht klinkt Hearts Town net wat gepolijster dan het debuut van het Amerikaanse duo, maar dat hoeft niet altijd ten koste te gaan van de kwaliteit. Persoonlijk vind ik het geluid op het album net wat mooier dan het geluid op het debuut van het tweetal. Het is een geluid dat put uit de archieven van met name de soul, rock en pop, maar er komen nog wel wat meer invloeden voorbij, waaronder invloeden uit de gospel en de country.
The War And Treaty haalde flink wat muzikanten naar de studio onder wie Jason Isbell, die in een van de tracks aanschuift. Hearts Town is een vol en rijk ingekleurd album, maar de instrumentatie blijft altijd smaakvol en combineert op fraaie wijze uiteenlopende invloeden.
Ook de songs op het album vind ik net wat sterker dan die op het debuut van The War And Treaty. Het zijn songs die voortborduren op muziek uit het verleden en die hier en daar een aantal decennia terug gaan in de tijd, maar het zijn ook songs die fris en eigentijds klinken en die bovendien verrassend veelzijdig zijn en variëren van gevoelige ballads tot uptempo soulsongs vol power.
De sterkste wapens van The War And Treaty zijn ook dit keer de stemmen van Michael Trotty Jr. en Tanya Blount. Het zijn stemmen die los van elkaar al meer dan uitstekend zijn, maar de magie ontstaat wanneer de stemmen worden gecombineerd en de twee elkaar flink opzwepen. Het roept hier en daar herinneringen op aan de al eerder Ike & Tina Turner, maar ik heb ook associaties met meerdere andere soul duo’s.
Het debuut van The War And Treaty werd in 2018 stevig gehyped, maar over Hearts Town heb ik niet zo gek veel gelezen, wat het voor mij ook wat makkelijker maakte om het album zo lang te laten liggen. Dat had zoals gezegd niet zoveel te maken met de kwaliteit van het album, want ook het tweede album van het echtpaar uit Nashville is een uitstekend album.
Het is dan ook niet zo gek dat Hearts Town de afgelopen weken in meerdere jaarlijstjes is opgedoken. Of het album ook mijn lijstje zou hebben gehaald weet ik niet, maar een lekker album is het absoluut. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The War And Treaty - Hearts Town - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The War And Treaty - Hearts Town
Het Amerikaanse duo The War And Treaty overtuigt ook op haar tweede album met een mix van stijlen, een mooi geluid en vooral met twee geweldige stemmen die elkaar steeds weer versterken
Het debuut van het Amerikaanse The War And Treaty kreeg ruim twee jaar geleden veel aandacht, maar rond het tweede album van het tweetal is het helaas behoorlijk stil gebleven. Dat is jammer, want ook Hearts Town is een uitstekend album. Michael Trotty Jr. en Tanya Blount kunnen nog altijd in meerdere genres uit de voeten, hebben een stel prima muzikanten om zich heen verzameld en zijn nog wat beter geworden in het schrijven van lekker in het gehoor liggende songs. Sterkste punt van The War And Treaty blijft echter het muzikale vuurwerk dat ook op album nummer twee weer uit de speakers knalt.
Ik werd ruim twee jaar geleden nieuwsgierig naar de muziek van het Amerikaanse duo The War And Treaty door een aantal recensies waarin de muziek van Michael Trotty Jr. en Tanya Blount werd vergeleken met de memorabele albums van Ike & Tina Turner. De hele rauwe energie van dit roemruchte duo hoorde ik niet altijd terug op het debuut van The War And Treaty, maar het was absoluut een memorabel soulalbum, dat nog wat extra punten kreeg door het mooie verhaal achter de samenwerking tussen de twee.
Michael Trotty Jr. ging als militair naar Irak, raakte ernstig gewond en zong na zijn herstel op herdenkingsdiensten voor gesneuvelde militairen. Tijdens een van deze diensten liep hij zangeres Tanya Blount tegen het lijf. De vonk tussen de twee sloeg op meerdere terreinen over en sindsdien zijn de twee niet alleen een echtpaar, maar ook het duo The War And Treaty.
Hearts Town is het tweede album van het duo uit Nashville, Tennessee, en het is een album dat sinds afgelopen zomer bij mij op de stapel lag. Dat heeft niets te maken met de kwaliteit van het album, want ook op hun tweede album zingen Michael Trotty Jr. en Tanya Blount weer de sterren van de hemel en komt de soul hier en daar uit de tenen.
In muzikaal opzicht klinkt Hearts Town net wat gepolijster dan het debuut van het Amerikaanse duo, maar dat hoeft niet altijd ten koste te gaan van de kwaliteit. Persoonlijk vind ik het geluid op het album net wat mooier dan het geluid op het debuut van het tweetal. Het is een geluid dat put uit de archieven van met name de soul, rock en pop, maar er komen nog wel wat meer invloeden voorbij, waaronder invloeden uit de gospel en de country.
The War And Treaty haalde flink wat muzikanten naar de studio onder wie Jason Isbell, die in een van de tracks aanschuift. Hearts Town is een vol en rijk ingekleurd album, maar de instrumentatie blijft altijd smaakvol en combineert op fraaie wijze uiteenlopende invloeden.
Ook de songs op het album vind ik net wat sterker dan die op het debuut van The War And Treaty. Het zijn songs die voortborduren op muziek uit het verleden en die hier en daar een aantal decennia terug gaan in de tijd, maar het zijn ook songs die fris en eigentijds klinken en die bovendien verrassend veelzijdig zijn en variëren van gevoelige ballads tot uptempo soulsongs vol power.
De sterkste wapens van The War And Treaty zijn ook dit keer de stemmen van Michael Trotty Jr. en Tanya Blount. Het zijn stemmen die los van elkaar al meer dan uitstekend zijn, maar de magie ontstaat wanneer de stemmen worden gecombineerd en de twee elkaar flink opzwepen. Het roept hier en daar herinneringen op aan de al eerder Ike & Tina Turner, maar ik heb ook associaties met meerdere andere soul duo’s.
Het debuut van The War And Treaty werd in 2018 stevig gehyped, maar over Hearts Town heb ik niet zo gek veel gelezen, wat het voor mij ook wat makkelijker maakte om het album zo lang te laten liggen. Dat had zoals gezegd niet zoveel te maken met de kwaliteit van het album, want ook het tweede album van het echtpaar uit Nashville is een uitstekend album.
Het is dan ook niet zo gek dat Hearts Town de afgelopen weken in meerdere jaarlijstjes is opgedoken. Of het album ook mijn lijstje zou hebben gehaald weet ik niet, maar een lekker album is het absoluut. Erwin Zijleman
The War on Drugs - A Deeper Understanding (2017)

4,5
4
geplaatst: 26 augustus 2017, 10:13 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The War On Drugs - A Deeper Understandig - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De uit Philadelphia, Pennsylvania, afkomstige band The War On Drugs maakte voor het eerst indruk op mij met haar derde plaat Slave Ambient uit 2011.
Op deze plaat combineerde de band rond Adam Granduciel (die na het vertrek van Kurt Vile als frontman overbleef) de folk van Bob Dylan en de power van Bruce Springsteen met een bak aan invloeden, waaronder invloeden uit de shoegaze, psychedelica, Krautrock en ambient.
Het inspireerde me tot een recensie waarin vooral namen van anderen werden genoemd, maar met Slave Ambient zette The War On Drugs uiteindelijk vooral zichzelf op de kaart.
De belofte van het uitstekende Slave Ambient werd drie jaar later volledig ingelost met het buitengewoon succesvolle Lost In The Dream, dat nog wat extra namen en invloeden toevoegde aan het geluid van The War On Drugs. Lost In The Dream klonk net wat gepolijster dan Slave Ambient, maar bleek al snel een bezwerende luistertrip.
Op de deze week verschenen opvolger A Deeper Understanding trekt The War On Drugs de lijn van Lost In The Dream nadrukkelijk door en in eerste instantie wist ik niet of ik daar nu blij mee moest zijn of niet. A Deeper Understanding voelt dankzij de heerlijk melodieuze songs onmiddellijk als een warm bad, terwijl ik bij een band als The War On Drugs toch ook verrassing of zelfs verbazing verwacht.
Ik heb me echter snel over de eerste teleurstelling heen gezet en me vervolgens volledig ondergedompeld in A Deeper Understanding. Het is net als zijn voorganger een plaat die op het eerste gehoor een behoorlijk toegankelijk of zelfs wat voortkabbelend rockgeluid laat horen, maar luister net wat beter en je wordt een fascinerend muzikaal universum binnen gezogen.
A Deeper Understanding is voorzien van een nog wat voller geluid dan voorganger Lost In The Dream. Het is bij vlagen een behoorlijk overweldigend geluid, maar waar The War On Drugs vroeger wel eens flirtte met de power van The E-Street Band kiest de band nu voor een veelkleurig geluid met veel diepgang en met oog voor detail.
Centraal staat een warm en sfeervol geluid vol mooi gitaarspel en dromerige synths, maar hier heeft The War On Drugs vervolgens flink wat lagen opgestapeld. Zeker bij beluistering met de koptelefoon is A Deeper Understanding een plaat die steeds weer nieuwe dingen laat horen, terwijl de wat meer rechttoe rechtaan klinkende songs verleiden met heerlijk solerende gitaren en toetsenpartijen die afwisselend lijken weggelopen uit de postpunk en de synthpop. Net als het allemaal wel heel aanstekelijk dreigt te worden, betovert de band uit Philadelphia gelukkig nog steeds net zo makkelijk met dromerige songs met ambient achtige klanken.
A Deeper Understanding imponeert met een prachtig geluid vol fraaie details en met vocalen die nog steeds aan Dylan en Springsteen doen denken (als ik af en toe wat van Bryan Adams hoor onderdruk ik dat), maar de prachtige spanningsbogen in de songs maken misschien nog wel de meeste indruk. De meeste songs beginnen ingetogen of zelfs voorzichtig, maar worden steeds verder opgetuigd tot monumentale maar ook eigentijdse rocksongs.
Op de achtergrond kabbelt het misschien aangenaam voort, maar duik volledig in de fascinerende wereld van The War On Drugs en je hoort een plaat die nog heel lang zal blijven betoveren en die uiteindelijk toch weer een flinke stap vooruit zet. Ik heb A Deeper Understanding na een korte aarzeling omarmd als een van de mooiste platen van 2017 tot dusver. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The War On Drugs - A Deeper Understandig - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De uit Philadelphia, Pennsylvania, afkomstige band The War On Drugs maakte voor het eerst indruk op mij met haar derde plaat Slave Ambient uit 2011.
Op deze plaat combineerde de band rond Adam Granduciel (die na het vertrek van Kurt Vile als frontman overbleef) de folk van Bob Dylan en de power van Bruce Springsteen met een bak aan invloeden, waaronder invloeden uit de shoegaze, psychedelica, Krautrock en ambient.
Het inspireerde me tot een recensie waarin vooral namen van anderen werden genoemd, maar met Slave Ambient zette The War On Drugs uiteindelijk vooral zichzelf op de kaart.
De belofte van het uitstekende Slave Ambient werd drie jaar later volledig ingelost met het buitengewoon succesvolle Lost In The Dream, dat nog wat extra namen en invloeden toevoegde aan het geluid van The War On Drugs. Lost In The Dream klonk net wat gepolijster dan Slave Ambient, maar bleek al snel een bezwerende luistertrip.
Op de deze week verschenen opvolger A Deeper Understanding trekt The War On Drugs de lijn van Lost In The Dream nadrukkelijk door en in eerste instantie wist ik niet of ik daar nu blij mee moest zijn of niet. A Deeper Understanding voelt dankzij de heerlijk melodieuze songs onmiddellijk als een warm bad, terwijl ik bij een band als The War On Drugs toch ook verrassing of zelfs verbazing verwacht.
Ik heb me echter snel over de eerste teleurstelling heen gezet en me vervolgens volledig ondergedompeld in A Deeper Understanding. Het is net als zijn voorganger een plaat die op het eerste gehoor een behoorlijk toegankelijk of zelfs wat voortkabbelend rockgeluid laat horen, maar luister net wat beter en je wordt een fascinerend muzikaal universum binnen gezogen.
A Deeper Understanding is voorzien van een nog wat voller geluid dan voorganger Lost In The Dream. Het is bij vlagen een behoorlijk overweldigend geluid, maar waar The War On Drugs vroeger wel eens flirtte met de power van The E-Street Band kiest de band nu voor een veelkleurig geluid met veel diepgang en met oog voor detail.
Centraal staat een warm en sfeervol geluid vol mooi gitaarspel en dromerige synths, maar hier heeft The War On Drugs vervolgens flink wat lagen opgestapeld. Zeker bij beluistering met de koptelefoon is A Deeper Understanding een plaat die steeds weer nieuwe dingen laat horen, terwijl de wat meer rechttoe rechtaan klinkende songs verleiden met heerlijk solerende gitaren en toetsenpartijen die afwisselend lijken weggelopen uit de postpunk en de synthpop. Net als het allemaal wel heel aanstekelijk dreigt te worden, betovert de band uit Philadelphia gelukkig nog steeds net zo makkelijk met dromerige songs met ambient achtige klanken.
A Deeper Understanding imponeert met een prachtig geluid vol fraaie details en met vocalen die nog steeds aan Dylan en Springsteen doen denken (als ik af en toe wat van Bryan Adams hoor onderdruk ik dat), maar de prachtige spanningsbogen in de songs maken misschien nog wel de meeste indruk. De meeste songs beginnen ingetogen of zelfs voorzichtig, maar worden steeds verder opgetuigd tot monumentale maar ook eigentijdse rocksongs.
Op de achtergrond kabbelt het misschien aangenaam voort, maar duik volledig in de fascinerende wereld van The War On Drugs en je hoort een plaat die nog heel lang zal blijven betoveren en die uiteindelijk toch weer een flinke stap vooruit zet. Ik heb A Deeper Understanding na een korte aarzeling omarmd als een van de mooiste platen van 2017 tot dusver. Erwin Zijleman
The War on Drugs - I Don't Live Here Anymore (2021)

4,0
3
geplaatst: 30 oktober 2021, 10:23 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The War On Drugs - I Don’t Live Here Anymore - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The War On Drugs - I Don’t Live Here Anymore
The War On Drugs kiest op haar nieuwe album voor een nog wat gepolijster geluid, maar wat zit het knap in elkaar en wat zit er veel mooist verstopt in de aan de jaren 80 herinnerende muziek van de band
Tien jaar geleden was de muziek van The War On Drugs nog een vat vol tegenstrijdigheden, maar op I Don’t Live Here Anymore trekt de band uit Philadelphia de lijn van haar vorige twee albums door. The War On Drugs kruipt op haar nieuwe album nog wat dichter tegen de toegankelijke rockmuziek aan en laat zich nog wat meer beïnvloeden door de rockmuziek uit de jaren 80. Het klinkt op het eerste gehoor wel erg gepolijst, maar I Don’t Live Here Anymore is een album dat je moet uitpluizen en ontdekken om vervolgens steeds meer moois en bijzonders te horen in de prachtige songs en klanken op het album, die lang niet altijd de platgetreden paden bewandelen.
De Amerikaanse band The War On Drugs maakte tussen 2008, het jaar waarin het debuutalbum Wagonwheel Blues verscheen, en 2017, het jaar van A Deeper Understanding, het tot voor kort laatste studioalbum van de band uit Philadelphia, een fascinerende ontwikkeling door. Die ontwikkeling vond met name plaats op de twee albums die ik nog niet genoemd heb, het avontuurlijke en veelkleurige Slave Ambient uit 2011 en Lost In The Dream uit 2014, waarop de band opschoof richting een veel gepolijster rockgeluid.
Dat toegankelijke en stevig geproduceerde rockgeluid keert terug op het deze week verschenen I Don’t Live Here Anymore, de opvolger van het vorig jaar verschenen live-album Live Drugs, dat ik vorig jaar, ondanks het mooie geluid en de gloedvolle vertolkingen van de inmiddels bekende songs van The War On Drugs, heb laten liggen.
Zeker bij de eerste beluisteringen van I Don’t Live Here Anymore had ik dezelfde ervaring als bij A Deeper Understanding vier jaar geleden. Het nieuwe album van The War On Drugs klinkt direct vanaf de eerste noten bijzonder aangenaam en het klinkt bovendien als een omgevallen platenkast vol helden uit de rockmuziek uit met name de jaren 70 en 80, maar het album klinkt op hetzelfde moment ook wel wat gewoontjes en mist de spanning en het avontuur van bijvoorbeeld het briljante Slave Ambient uit 2011.
Net als zijn voorganger is ook I Don’t Live Here Anymore echter een album dat alleen maar aangenamer en beter wordt. In muzikaal opzicht klinkt het misschien wat aan de gladde of zelfs saaie kant, maar beluister het album met een goede koptelefoon en je wordt zielsgelukkig van het prachtige geluid en de zeer smaakvolle wijze waarop gemusiceerd wordt door de Amerikaanse band.
Voorman Adam Granduciel doet met zijn zang nog altijd hier en daar denken aan Bob Dylan en Bruce Springsteen, maar ik hoor dit keer ook wel wat van Tom Petty. De vier jaar geleden overleden Tom Petty heeft ook in muzikaal opzicht zijn sporen nagelaten op I Don’t Live Here Anymore, maar het album klinkt zoals gezegd als een omgevallen platenkast waarin steeds weer nieuwe invloeden opduiken.
Het zijn hier en daar invloeden waar ik in de jaren 80 nog met een grote boog omheen liep, maar ook de songs waarin The War On Drugs flirt met de aalgladde Amerikaanse radiorock uit de jaren 80, zijn wat mij betreft niet te versmaden. Het knappe van I Don’t Live Here Anymore is dat The War On Drugs nooit precies doet wat je verwacht, waardoor de net wat te gepolijste songs op het album toch een ruw randje krijgen of de songs die dreigen te exploderen toch opeens omslaan in zoete klanken.
Hoe vaker ik naar het nieuwe album van The War On Drugs luister, hoe beter het wordt. In de instrumentatie duiken steeds meer bijzondere dingen op, de zang wordt steeds trefzekerder en de songs op het album beginnen bij aangename herinneringen uit de jaren 80, maar slepen je langzaam maar zeker het heden in.
Ik moest in de jaren 80 niet veel hebben van veel van de rockmuziek die is te horen op I Don’t Live Here Anymore, maar The War On Drugs laat me decennia later horen dat ik misschien wel fout zat. De band uit Philadelphia is zo langzamerhand een totaal andere band dan tien jaar geleden, maar het is absoluut de grote band geworden die ik er toen in hoorde. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The War On Drugs - I Don’t Live Here Anymore - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The War On Drugs - I Don’t Live Here Anymore
The War On Drugs kiest op haar nieuwe album voor een nog wat gepolijster geluid, maar wat zit het knap in elkaar en wat zit er veel mooist verstopt in de aan de jaren 80 herinnerende muziek van de band
Tien jaar geleden was de muziek van The War On Drugs nog een vat vol tegenstrijdigheden, maar op I Don’t Live Here Anymore trekt de band uit Philadelphia de lijn van haar vorige twee albums door. The War On Drugs kruipt op haar nieuwe album nog wat dichter tegen de toegankelijke rockmuziek aan en laat zich nog wat meer beïnvloeden door de rockmuziek uit de jaren 80. Het klinkt op het eerste gehoor wel erg gepolijst, maar I Don’t Live Here Anymore is een album dat je moet uitpluizen en ontdekken om vervolgens steeds meer moois en bijzonders te horen in de prachtige songs en klanken op het album, die lang niet altijd de platgetreden paden bewandelen.
De Amerikaanse band The War On Drugs maakte tussen 2008, het jaar waarin het debuutalbum Wagonwheel Blues verscheen, en 2017, het jaar van A Deeper Understanding, het tot voor kort laatste studioalbum van de band uit Philadelphia, een fascinerende ontwikkeling door. Die ontwikkeling vond met name plaats op de twee albums die ik nog niet genoemd heb, het avontuurlijke en veelkleurige Slave Ambient uit 2011 en Lost In The Dream uit 2014, waarop de band opschoof richting een veel gepolijster rockgeluid.
Dat toegankelijke en stevig geproduceerde rockgeluid keert terug op het deze week verschenen I Don’t Live Here Anymore, de opvolger van het vorig jaar verschenen live-album Live Drugs, dat ik vorig jaar, ondanks het mooie geluid en de gloedvolle vertolkingen van de inmiddels bekende songs van The War On Drugs, heb laten liggen.
Zeker bij de eerste beluisteringen van I Don’t Live Here Anymore had ik dezelfde ervaring als bij A Deeper Understanding vier jaar geleden. Het nieuwe album van The War On Drugs klinkt direct vanaf de eerste noten bijzonder aangenaam en het klinkt bovendien als een omgevallen platenkast vol helden uit de rockmuziek uit met name de jaren 70 en 80, maar het album klinkt op hetzelfde moment ook wel wat gewoontjes en mist de spanning en het avontuur van bijvoorbeeld het briljante Slave Ambient uit 2011.
Net als zijn voorganger is ook I Don’t Live Here Anymore echter een album dat alleen maar aangenamer en beter wordt. In muzikaal opzicht klinkt het misschien wat aan de gladde of zelfs saaie kant, maar beluister het album met een goede koptelefoon en je wordt zielsgelukkig van het prachtige geluid en de zeer smaakvolle wijze waarop gemusiceerd wordt door de Amerikaanse band.
Voorman Adam Granduciel doet met zijn zang nog altijd hier en daar denken aan Bob Dylan en Bruce Springsteen, maar ik hoor dit keer ook wel wat van Tom Petty. De vier jaar geleden overleden Tom Petty heeft ook in muzikaal opzicht zijn sporen nagelaten op I Don’t Live Here Anymore, maar het album klinkt zoals gezegd als een omgevallen platenkast waarin steeds weer nieuwe invloeden opduiken.
Het zijn hier en daar invloeden waar ik in de jaren 80 nog met een grote boog omheen liep, maar ook de songs waarin The War On Drugs flirt met de aalgladde Amerikaanse radiorock uit de jaren 80, zijn wat mij betreft niet te versmaden. Het knappe van I Don’t Live Here Anymore is dat The War On Drugs nooit precies doet wat je verwacht, waardoor de net wat te gepolijste songs op het album toch een ruw randje krijgen of de songs die dreigen te exploderen toch opeens omslaan in zoete klanken.
Hoe vaker ik naar het nieuwe album van The War On Drugs luister, hoe beter het wordt. In de instrumentatie duiken steeds meer bijzondere dingen op, de zang wordt steeds trefzekerder en de songs op het album beginnen bij aangename herinneringen uit de jaren 80, maar slepen je langzaam maar zeker het heden in.
Ik moest in de jaren 80 niet veel hebben van veel van de rockmuziek die is te horen op I Don’t Live Here Anymore, maar The War On Drugs laat me decennia later horen dat ik misschien wel fout zat. De band uit Philadelphia is zo langzamerhand een totaal andere band dan tien jaar geleden, maar het is absoluut de grote band geworden die ik er toen in hoorde. Erwin Zijleman
The War on Drugs - Lost in the Dream (2014)

4,0
0
geplaatst: 20 maart 2014, 14:39 uur
Net toegevoegd. Mijn recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The War On Drugs - Lost In The Dream - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Voor het laatste wapenfeit van The War On Drugs moesten we tot voor kort terug naar 2011, toen het geweldige Slave Ambient verscheen. Slave Ambient was destijds de eerste plaat van de band zonder Kurt Vile, die inmiddels zeer succesvol is als soloartiest. Ondanks het ontbreken van Kurt Vile was Slave Ambient een uitstekende plaat en ook met opvolger Lost In The Dream blijkt helemaal niets mis. Sterker nog, op Lost In The Dream stijgt The War On Drugs ver boven het niveau van Slave Ambient uit en heeft het een monumentale plaat afgeleverd, die ook de vergelijking met het werk van Kurt Vile met gemak kan doorstaan. Het is een plaat die niet makkelijk is te classificeren. Dat gold ook al voor Slave Ambient, dat ik in eerste instantie omschreef als ‘de folk van Dylan opgepept met de power van Springsteen’, maar waarvoor uiteindelijk ook uiteenlopende namen als Wilco, U2, The Arcade Fire, My Bloody Valentine, Tom Petty, Yo La Tengo, Spacemen 3 en The Verve uit de hoge hoed moesten komen. Lost In The Dream voegt nog heel wat namen toe aan de al nauwelijks te behappen lijst die werd samengesteld voor zijn voorganger. In de openingstrack duikt het latere werk van Roxy Music op, al wordt het laagje polijst in de ruim 8 minuten dat de track duurt steeds dunner. In de tweede track laat Springsteen zich begeleiden door The Cure en zo is er voor iedere track op de plaat wel een nauwelijks te plaatsen vergelijking te vinden. Ik ga in de rest van deze recensie dan ook geen namen meer noemen, want uiteindelijk past er maar één naam bij de prachtige muziek op Lost In The Dream: The War On Drugs. Lost In The Dream is een smeltkroes waarin een aantal decennia rockmuziek worden gecombineerd tot een veelkleurig geluid, dat zowel zeer toegankelijk als experimenteel kan klinken. Met name de langere tracks op de plaat zitten vol dynamiek en werken steeds weer fraai naar een climax toe, maar ook als The War On Drugs kiest voor een meer ingetogen geluid overtuigt het makkelijk. Lost In The Dream ontleent een deel van haart kracht aan het prachtige geluid op de plaat. De muziek van The War On Drugs bestaat uit vele lagen, maar klinkt altijd helder en open, waarbij vooral het geweldige gitaarwerk veel aandacht trekt. Lost In The Dream is een plaat met heel veel aanknopingspunten, maar het is ook een plaat met talloze losse eindjes die je zo snel mogelijk wilt ontrafelen. Met name met de koptelefoon is Lost In The Dream een waar kunststukje, maar ook als de plaat vroeg in de ochtend of laat in de avond uit de speakers komt, kun je je geluk niet op. Er zijn op het moment talloze bands die aan de haal gaan met alle mooie invloeden uit het rijke verleden van de rockmuziek, maar er zijn er niet veel die de inmiddels bekende ingrediënten combineren tot een geheel nieuw recept. Lost In The Dream van The War On Drugs is aan de ene kant een warm bad dat rust en ontspanning geeft, maar het is ook een plaat die de fantasieradartjes op volle toeren laat draaien. Een jaarlijstjesplaat is al door velen geroepen. Ik kan er niets anders van maken. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The War On Drugs - Lost In The Dream - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Voor het laatste wapenfeit van The War On Drugs moesten we tot voor kort terug naar 2011, toen het geweldige Slave Ambient verscheen. Slave Ambient was destijds de eerste plaat van de band zonder Kurt Vile, die inmiddels zeer succesvol is als soloartiest. Ondanks het ontbreken van Kurt Vile was Slave Ambient een uitstekende plaat en ook met opvolger Lost In The Dream blijkt helemaal niets mis. Sterker nog, op Lost In The Dream stijgt The War On Drugs ver boven het niveau van Slave Ambient uit en heeft het een monumentale plaat afgeleverd, die ook de vergelijking met het werk van Kurt Vile met gemak kan doorstaan. Het is een plaat die niet makkelijk is te classificeren. Dat gold ook al voor Slave Ambient, dat ik in eerste instantie omschreef als ‘de folk van Dylan opgepept met de power van Springsteen’, maar waarvoor uiteindelijk ook uiteenlopende namen als Wilco, U2, The Arcade Fire, My Bloody Valentine, Tom Petty, Yo La Tengo, Spacemen 3 en The Verve uit de hoge hoed moesten komen. Lost In The Dream voegt nog heel wat namen toe aan de al nauwelijks te behappen lijst die werd samengesteld voor zijn voorganger. In de openingstrack duikt het latere werk van Roxy Music op, al wordt het laagje polijst in de ruim 8 minuten dat de track duurt steeds dunner. In de tweede track laat Springsteen zich begeleiden door The Cure en zo is er voor iedere track op de plaat wel een nauwelijks te plaatsen vergelijking te vinden. Ik ga in de rest van deze recensie dan ook geen namen meer noemen, want uiteindelijk past er maar één naam bij de prachtige muziek op Lost In The Dream: The War On Drugs. Lost In The Dream is een smeltkroes waarin een aantal decennia rockmuziek worden gecombineerd tot een veelkleurig geluid, dat zowel zeer toegankelijk als experimenteel kan klinken. Met name de langere tracks op de plaat zitten vol dynamiek en werken steeds weer fraai naar een climax toe, maar ook als The War On Drugs kiest voor een meer ingetogen geluid overtuigt het makkelijk. Lost In The Dream ontleent een deel van haart kracht aan het prachtige geluid op de plaat. De muziek van The War On Drugs bestaat uit vele lagen, maar klinkt altijd helder en open, waarbij vooral het geweldige gitaarwerk veel aandacht trekt. Lost In The Dream is een plaat met heel veel aanknopingspunten, maar het is ook een plaat met talloze losse eindjes die je zo snel mogelijk wilt ontrafelen. Met name met de koptelefoon is Lost In The Dream een waar kunststukje, maar ook als de plaat vroeg in de ochtend of laat in de avond uit de speakers komt, kun je je geluk niet op. Er zijn op het moment talloze bands die aan de haal gaan met alle mooie invloeden uit het rijke verleden van de rockmuziek, maar er zijn er niet veel die de inmiddels bekende ingrediënten combineren tot een geheel nieuw recept. Lost In The Dream van The War On Drugs is aan de ene kant een warm bad dat rust en ontspanning geeft, maar het is ook een plaat die de fantasieradartjes op volle toeren laat draaien. Een jaarlijstjesplaat is al door velen geroepen. Ik kan er niets anders van maken. Erwin Zijleman
The Waterboys - Good Luck, Seeker (2020)

3,5
0
geplaatst: 28 augustus 2020, 12:28 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Waterboys - Good Luck, Seeker - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Waterboys - Good Luck, Seeker
Zo goed als in de jaren 80 worden The Waterboys nooit meer, maar net als de vorige albums heeft ook Good Luck, Seeker weer absoluut zijn momenten en toont Mike Scott wederom lef
Ik trek nog met grote regelmaat de beste albums van The Waterboys uit de kast, maar ben toch ook nog steeds benieuwd naar de nieuwe verrichtingen van de band rond Mike Scott. Het zijn verrichtingen die de afgelopen jaren alle kanten op schieten, want Mike Scott slaat graag nieuwe wegen in en dat siert hem. Die nieuwe wegen zijn ook op Good Luck, Seeker niet allemaal even geslaagd, maar de dalen zijn op het nieuwe album niet heel diep, terwijl de pieken toch weer verrassend hoog zijn. Mike Scott verdiende een heleboel krediet in de jaren 80, waardoor ik ook de nieuwe en wat wisselvalligere nieuwe albums van The Waterboys een warm hart toedraag, maar ook zonder dat is Good Luck, Seeker gewoon een prima album.
The Waterboys is een band waarvoor ik volgens mij altijd een zwak zal blijven houden. Dat zwak heeft de Schotse band vrijwel volledig verdiend met haar eerste albums. The Waterboys uit 1983, A Pagan Place uit 1984, This Is The Sea uit 1985, Fisherman’s Blues uit 1988 en in iets mindere mate Room To Roam uit 1990 zijn albums die ik nog met grote regelmaat uit de kast trek en die ik schaar onder de hoogtepunten van de jaren 80.
De band rond voorman Mike Scott is sindsdien albums blijven maken en het zijn bijna allemaal albums die de moeite waard zijn, al zijn het ook albums die wat minder goed zijn dan het bovengenoemde rijtje uit de beginjaren van de band, wat ook niet zo gek is na meer dan 35 jaar in de muziek.
Het belangrijkste probleem met vrijwel alle recentere albums van The Waterboys is de wat mindere consistentie van het geluid van de band, want het schrijven van goede songs is Mike Scott zeker niet verleerd. De Schotse muzikant experimenteert de afgelopen jaren driftig met meerdere genres en soms werkt dat voor mij niet, zeker wanneer moderne elektronica overheerst of er zelfs wordt gerapt, zoals op het dieptepunt van Where The Action Is, het alles bij elkaar genomen best aardige vorige album van de band.
In de openingstrack van Good Luck, Seeker kleurt Mike Scott direct weer stevig buiten de lijntjes van het authentieke Waterboys geluid. The Soul Singer is een uptempo soulsong, waarin de instrumentatie wordt gedomineerd door moddervette blazers. Het klinkt absoluut lekker en het past verrassend goed bij de stem van Mike Scott, achter wie ik toch nooit een soulzanger had gezocht.
The Waterboys springen op hun laatste albums vaak van de hak op tak, maar Good Luck, Seeker houdt het soulvolle geluid in de tweede track nog even vast en verrast nu met bijna gesproken zang van Mike Scott, die wederom overeind blijft. Het klinkt geen moment als The Waterboys, maar er is ook niets mis mee.
Toch was het voor mij goed nieuws toen in de derde track eindelijk iets van het vertrouwde geluid opdook. Invloeden uit de folk en Keltische muziek doen het toch het best in combinatie met de wat nasale stem van Mike Scott en ook de wat vollere en soms wat psychedelisch aandoende instrumentatie herinnert meer aan het authentieke Waterboys geluid dan de zwoelere klanken uit de eerste twee tracks. Het is het eerste hoogtepunt op een album, dat direct weer wat wegzakt door een funky track die wat mij betreft minder goed uitpakt.
Na een track die zich bijna op het terrein van de hip-hop begeeft, keren de soulvollere klanken terug, maar gelukkig horen we ook nog wat meer folk georiënteerde songs en wat rocksongs als het heerlijke My Wanderings In The Weary Land, die meer herinneren aan het oudere werk van de band dan de tracks met een soulinjectie. Een aantal bezwerende songs en een zeer fraaie cover van Why Should I Love You? van Kate Bush laten de balans definitief in de goede richting doorslaan.
Ook Good Luck, Seeker is alles bij elkaar genomen niet zo goed en vooral consistent als mijn favoriete Waterboys albums, maar dat had ik ook niet verwacht. Het album bevat een aantal zwakke songs, een aantal wat atypische songs die verassend goed uitpakken en een aantal sterke songs. Het zijn die sterke songs die Good Luck, Seeker wat mij betreft toch weer boven de middelmaat uit tillen. Deels ook vanwege mijn zwak voor de band, maar zeker ook vanwege het lef van Mike Scott om steeds weer nieuwe wegen in te slaan, wat uiteindelijk toch beter werkt dan voortborduren op roem van weleer. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Waterboys - Good Luck, Seeker - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Waterboys - Good Luck, Seeker
Zo goed als in de jaren 80 worden The Waterboys nooit meer, maar net als de vorige albums heeft ook Good Luck, Seeker weer absoluut zijn momenten en toont Mike Scott wederom lef
Ik trek nog met grote regelmaat de beste albums van The Waterboys uit de kast, maar ben toch ook nog steeds benieuwd naar de nieuwe verrichtingen van de band rond Mike Scott. Het zijn verrichtingen die de afgelopen jaren alle kanten op schieten, want Mike Scott slaat graag nieuwe wegen in en dat siert hem. Die nieuwe wegen zijn ook op Good Luck, Seeker niet allemaal even geslaagd, maar de dalen zijn op het nieuwe album niet heel diep, terwijl de pieken toch weer verrassend hoog zijn. Mike Scott verdiende een heleboel krediet in de jaren 80, waardoor ik ook de nieuwe en wat wisselvalligere nieuwe albums van The Waterboys een warm hart toedraag, maar ook zonder dat is Good Luck, Seeker gewoon een prima album.
The Waterboys is een band waarvoor ik volgens mij altijd een zwak zal blijven houden. Dat zwak heeft de Schotse band vrijwel volledig verdiend met haar eerste albums. The Waterboys uit 1983, A Pagan Place uit 1984, This Is The Sea uit 1985, Fisherman’s Blues uit 1988 en in iets mindere mate Room To Roam uit 1990 zijn albums die ik nog met grote regelmaat uit de kast trek en die ik schaar onder de hoogtepunten van de jaren 80.
De band rond voorman Mike Scott is sindsdien albums blijven maken en het zijn bijna allemaal albums die de moeite waard zijn, al zijn het ook albums die wat minder goed zijn dan het bovengenoemde rijtje uit de beginjaren van de band, wat ook niet zo gek is na meer dan 35 jaar in de muziek.
Het belangrijkste probleem met vrijwel alle recentere albums van The Waterboys is de wat mindere consistentie van het geluid van de band, want het schrijven van goede songs is Mike Scott zeker niet verleerd. De Schotse muzikant experimenteert de afgelopen jaren driftig met meerdere genres en soms werkt dat voor mij niet, zeker wanneer moderne elektronica overheerst of er zelfs wordt gerapt, zoals op het dieptepunt van Where The Action Is, het alles bij elkaar genomen best aardige vorige album van de band.
In de openingstrack van Good Luck, Seeker kleurt Mike Scott direct weer stevig buiten de lijntjes van het authentieke Waterboys geluid. The Soul Singer is een uptempo soulsong, waarin de instrumentatie wordt gedomineerd door moddervette blazers. Het klinkt absoluut lekker en het past verrassend goed bij de stem van Mike Scott, achter wie ik toch nooit een soulzanger had gezocht.
The Waterboys springen op hun laatste albums vaak van de hak op tak, maar Good Luck, Seeker houdt het soulvolle geluid in de tweede track nog even vast en verrast nu met bijna gesproken zang van Mike Scott, die wederom overeind blijft. Het klinkt geen moment als The Waterboys, maar er is ook niets mis mee.
Toch was het voor mij goed nieuws toen in de derde track eindelijk iets van het vertrouwde geluid opdook. Invloeden uit de folk en Keltische muziek doen het toch het best in combinatie met de wat nasale stem van Mike Scott en ook de wat vollere en soms wat psychedelisch aandoende instrumentatie herinnert meer aan het authentieke Waterboys geluid dan de zwoelere klanken uit de eerste twee tracks. Het is het eerste hoogtepunt op een album, dat direct weer wat wegzakt door een funky track die wat mij betreft minder goed uitpakt.
Na een track die zich bijna op het terrein van de hip-hop begeeft, keren de soulvollere klanken terug, maar gelukkig horen we ook nog wat meer folk georiënteerde songs en wat rocksongs als het heerlijke My Wanderings In The Weary Land, die meer herinneren aan het oudere werk van de band dan de tracks met een soulinjectie. Een aantal bezwerende songs en een zeer fraaie cover van Why Should I Love You? van Kate Bush laten de balans definitief in de goede richting doorslaan.
Ook Good Luck, Seeker is alles bij elkaar genomen niet zo goed en vooral consistent als mijn favoriete Waterboys albums, maar dat had ik ook niet verwacht. Het album bevat een aantal zwakke songs, een aantal wat atypische songs die verassend goed uitpakken en een aantal sterke songs. Het zijn die sterke songs die Good Luck, Seeker wat mij betreft toch weer boven de middelmaat uit tillen. Deels ook vanwege mijn zwak voor de band, maar zeker ook vanwege het lef van Mike Scott om steeds weer nieuwe wegen in te slaan, wat uiteindelijk toch beter werkt dan voortborduren op roem van weleer. Erwin Zijleman
The Waterboys - Modern Blues (2015)

4,0
0
geplaatst: 18 januari 2015, 11:13 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Waterboys - Modern Blues - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Er zijn niet zo gek veel grote bands uit de jaren 80 die er in zijn geslaagd om tot op de dag van vandaag relevant te blijven. Veel van de grote bands uit de jaren 80 vielen snel na het decennium uit elkaar of kenden vele en hele diepe dalen, maar het geldt niet voor The Waterboys.
De uit Londen afkomstige band rond de Schot Mike Scott behoorde in de jaren 80 op zijn minst tot de subtop en leverde met A Pagan Place (1984), This Is The Sea (1985) en Fisherman’s Blues minstens drie klassiekers af.
Ook na de jaren 80 stonden The Waterboys, met Mike Scott als enige constante waarde, echter garant voor kwalitatief zeer goede albums. De productiviteit van de band was misschien niet altijd optimaal, maar als The Waterboys een plaat uitbrachten was het bijna altijd een goede.
Het geldt ook weer voor Modern Blues, dat de opvolger is van het licht pretentieuze maar wel erg goede An Appointment With Mr. Yeats uit 2011. Modern Blues laat niet alleen horen dat de band rond Mike Scott nog altijd garant staat voor prima platen, maar laat bovendien horen dat The Waterboys zich keer op keer weten te vernieuwen.
Ook Modern Blues wordt natuurlijk gekenmerkt door het uit duizenden herkenbare, soms wat Dylaneque, stemgeluid van Mike Scott, maar in muzikaal opzicht klinkt de nieuwe plaat van The Waterboys weer anders dan al zijn voorgangers. Waar Mike Scott op de vorige plaat van de band aan de haal ging met de gedichten van de Ierse dichter William Butler Yeats, komt hij op Modern Blues weer op de proppen met zijn eigen songs of beter gezegd teksten.
Modern Blues blijkt een vlag die de lading uitstekend dekt, want invloeden uit de blues zijn prominent aanwezig op de nieuwe plaat van The Waterboys, maar worden door Mike Scott ook verwerkt in een geluid dat onmiskenbaar klinkt als The Waterboys. Mike Scott manifesteerde zich tot dusver vooral als folkie, maar de blues blijkt hem te passen als een maatkostuum.
Het in Nashville opgenomen Modern Blues klinkt vaak tijdloos en oerdegelijk, maar klinkt op hetzelfde moment groots, monumentaal en urgent. In muzikaal opzicht staat het allemaal als een huis, met een hoofdrol voor de gitaren van Mike Scott en de viool van Steve Wickham, maar ook in vocaal opzicht weet Mike Scott zeer te overtuigen.
Omdat Modern Blues ook nog eens vol staat met songs waarvan je niet alleen heel vrolijk wordt, maar die ook nog eens na één keer horen voorgoed in je kop zitten, is het een plaat die met recht een enorme verrassing kan worden genoemd. Dat weet je acht tracks lang, waarna de tien minuten durende afsluiter alle twijfel definitief wegneemt.
The Waterboys wisten ook na hun meest succesvolle dagen het niveau van de klassiekers te benaderen, maar Modern Blues kan er zomaar overheen. Het is een prestatie van formaat van Mike Scott en zijn medemuzikanten, maar Modern Blues is vooral een plaat die al heel snel memorabel is en garant staat voor een gelukzalige glimlach gedurende de hele speelduur. Geweldige band, fantastische plaat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Waterboys - Modern Blues - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Er zijn niet zo gek veel grote bands uit de jaren 80 die er in zijn geslaagd om tot op de dag van vandaag relevant te blijven. Veel van de grote bands uit de jaren 80 vielen snel na het decennium uit elkaar of kenden vele en hele diepe dalen, maar het geldt niet voor The Waterboys.
De uit Londen afkomstige band rond de Schot Mike Scott behoorde in de jaren 80 op zijn minst tot de subtop en leverde met A Pagan Place (1984), This Is The Sea (1985) en Fisherman’s Blues minstens drie klassiekers af.
Ook na de jaren 80 stonden The Waterboys, met Mike Scott als enige constante waarde, echter garant voor kwalitatief zeer goede albums. De productiviteit van de band was misschien niet altijd optimaal, maar als The Waterboys een plaat uitbrachten was het bijna altijd een goede.
Het geldt ook weer voor Modern Blues, dat de opvolger is van het licht pretentieuze maar wel erg goede An Appointment With Mr. Yeats uit 2011. Modern Blues laat niet alleen horen dat de band rond Mike Scott nog altijd garant staat voor prima platen, maar laat bovendien horen dat The Waterboys zich keer op keer weten te vernieuwen.
Ook Modern Blues wordt natuurlijk gekenmerkt door het uit duizenden herkenbare, soms wat Dylaneque, stemgeluid van Mike Scott, maar in muzikaal opzicht klinkt de nieuwe plaat van The Waterboys weer anders dan al zijn voorgangers. Waar Mike Scott op de vorige plaat van de band aan de haal ging met de gedichten van de Ierse dichter William Butler Yeats, komt hij op Modern Blues weer op de proppen met zijn eigen songs of beter gezegd teksten.
Modern Blues blijkt een vlag die de lading uitstekend dekt, want invloeden uit de blues zijn prominent aanwezig op de nieuwe plaat van The Waterboys, maar worden door Mike Scott ook verwerkt in een geluid dat onmiskenbaar klinkt als The Waterboys. Mike Scott manifesteerde zich tot dusver vooral als folkie, maar de blues blijkt hem te passen als een maatkostuum.
Het in Nashville opgenomen Modern Blues klinkt vaak tijdloos en oerdegelijk, maar klinkt op hetzelfde moment groots, monumentaal en urgent. In muzikaal opzicht staat het allemaal als een huis, met een hoofdrol voor de gitaren van Mike Scott en de viool van Steve Wickham, maar ook in vocaal opzicht weet Mike Scott zeer te overtuigen.
Omdat Modern Blues ook nog eens vol staat met songs waarvan je niet alleen heel vrolijk wordt, maar die ook nog eens na één keer horen voorgoed in je kop zitten, is het een plaat die met recht een enorme verrassing kan worden genoemd. Dat weet je acht tracks lang, waarna de tien minuten durende afsluiter alle twijfel definitief wegneemt.
The Waterboys wisten ook na hun meest succesvolle dagen het niveau van de klassiekers te benaderen, maar Modern Blues kan er zomaar overheen. Het is een prestatie van formaat van Mike Scott en zijn medemuzikanten, maar Modern Blues is vooral een plaat die al heel snel memorabel is en garant staat voor een gelukzalige glimlach gedurende de hele speelduur. Geweldige band, fantastische plaat. Erwin Zijleman
The Waterboys - This Is the Sea (1985)

5,0
6
geplaatst: 14 augustus 2022, 19:54 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Waterboys - This Is The Sea (1987) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Waterboys - This Is The Sea (1987)
Mike Scott timmert met zijn band The Waterboys inmiddels bijna veertig jaar aan de weg, wat een aantal geweldige albums heeft opgeleverd, maar This Is The Sea uit 1985 steekt er wat mij betreft bovenuit
Toen in de herfst van 1985 This Is The Sea van The Waterboys verscheen, liet de band een inmiddels bekend geluid horen. This Is The Sea borduurde voort op de eerste twee albums van de Schotse band, maar zette ook flinke stappen. Mike Scott en Karl Wallinger perfectioneerden op This Is The Sea het grootse geluid van de band en zorgden bovendien voor een aantal uitstekende songs. 37 jaar later durf ik This Is The Sea wel het hoogtepunt uit het oeuvre van The Waterboys te noemen en waar de laatste twee albums van de band me tegenvielen, staat het album uit 1985 nog altijd als een huis en heeft het de tand des tijds bovendien beter doorstaan dan de albums waarmee het destijds moest concurreren.
De Schotse band The Waterboys heeft inmiddels vijftien albums op haar naam staan en het zijn bijna allemaal uitstekende albums. Ik ben de band rond Mike Scott helaas wat kwijtgeraakt op de laatste twee albums (Good Luck, Seeker uit 2020 en het onlangs verschenen All Souls Hill), die me echt een stuk minder goed bevallen, maar de band heeft ook twee albums op haar naam staan die behoren tot het allerbeste dat in de jaren 80 werd gemaakt.
Voor het zover was trok de Schotse band ook al stevig mijn aandacht met The Waterboys uit 1983 en A Pagan Place uit 1984, waarop het zo karakteristieke geluid van de band in de steigers werd gezet en direct wist op te vallen door een eigen geluid. De twee beste albums van de band zijn wat mij betreft echter Fisherman’s Blues uit 1988 en vooral This Is The Sea uit 1985..
Het was best een tijd geleden dat ik naar het album had geluisterd, maar direct bij de bombastische openingsnoten van Don’t Bang The Drums kwam alles weer naar boven, inclusief alle herinneringen aan het prachtjaar 1985. Op This Is The Sea komt het geluid dat de band al liet horen op haar eerste twee albums tot volle wasdom en het is een geluid waarmee The Waterboys zich schaarde onder de grote bands van dat moment, zij het op enige afstand van Simple Minds en met name U2.
The Waterboys werden destijds vaak in één adem genoemd met de net wat grotere broers, maar The Waterboys maakten wat mij betreft duidelijk andere muziek. Waar de muziek van Simple Minds en U2 vaak verzoop in galm, creëerde Mike Scott met zijn band een fascinerende ‘wall of sound’ waarin ook plek was voor invloeden uit de Keltische muziek.
Openingstrack Don’t Bang The Drums laat direct horen hoe de ‘wall of sound’ van The Waterboys klinkt. Na het filmische intro met blazers vallen de zwaar aangezette drums in en slaan The Waterboys je bovendien om de oren met strijkers, blazers, piano en gitaren. Het combineert allemaal prachtig met de Dylanesque zang van voorman Mike Scott, die veel emotie in zijn zang legt, waardoor de muziek van The Waterboys, in ieder geval bij mij, stevig binnen kwam en nog steeds komt.
This Is The Sea bevatte met The Whole Of The Moon een hitsingle die nog steeds met enige regelmaat voorbij komt, maar het mooist zijn toch de typische albumtracks als de al genoemde openingstrack, de titeltrack en het wonderschone The Pan Within, dat ik nog steeds schaar onder de mooiste songs uit de jaren 80. This Is The Sea is door alle instrumenten en Mike Scott’s en Karl Wallingers's ‘wall of sound’ een behoorlijk overweldigend album, al nemen de Schotse muzikanten ook gas terug in een aantal tracks, waaronder het ingetogen Spirit en het bijzondere Trumpets.
Ook wanneer de band flink uitpakt, blijft het geluid van The Waterboys op This Is The Sea ruimtelijk en door alle invloeden uit de Keltische muziek ook aards, wat een groot compliment is voor de productie van het album, waarvoor naast Mike Scott en Karl Wallinger ook John Brand en Mike Glossop tekenden.
The Waterboys moesten het na This Is The Sea doen zonder Karl Wallinger, die stevig bijdroeg aan het grootse geluid van de band, maar koos voor zijn eigen band World Party. Het had consequenties voor het geluid van de band, waardoor This Is The Sea een uniek album binnen het oeuvre van de Schotse band blijft. Ik had er echt al een hele tijd niet meer naar geluisterd, maar sinds enige tijd draait This Is The Sea weer overuren, net als in de herfst van 1985. Groots album! Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Waterboys - This Is The Sea (1987) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Waterboys - This Is The Sea (1987)
Mike Scott timmert met zijn band The Waterboys inmiddels bijna veertig jaar aan de weg, wat een aantal geweldige albums heeft opgeleverd, maar This Is The Sea uit 1985 steekt er wat mij betreft bovenuit
Toen in de herfst van 1985 This Is The Sea van The Waterboys verscheen, liet de band een inmiddels bekend geluid horen. This Is The Sea borduurde voort op de eerste twee albums van de Schotse band, maar zette ook flinke stappen. Mike Scott en Karl Wallinger perfectioneerden op This Is The Sea het grootse geluid van de band en zorgden bovendien voor een aantal uitstekende songs. 37 jaar later durf ik This Is The Sea wel het hoogtepunt uit het oeuvre van The Waterboys te noemen en waar de laatste twee albums van de band me tegenvielen, staat het album uit 1985 nog altijd als een huis en heeft het de tand des tijds bovendien beter doorstaan dan de albums waarmee het destijds moest concurreren.
De Schotse band The Waterboys heeft inmiddels vijftien albums op haar naam staan en het zijn bijna allemaal uitstekende albums. Ik ben de band rond Mike Scott helaas wat kwijtgeraakt op de laatste twee albums (Good Luck, Seeker uit 2020 en het onlangs verschenen All Souls Hill), die me echt een stuk minder goed bevallen, maar de band heeft ook twee albums op haar naam staan die behoren tot het allerbeste dat in de jaren 80 werd gemaakt.
Voor het zover was trok de Schotse band ook al stevig mijn aandacht met The Waterboys uit 1983 en A Pagan Place uit 1984, waarop het zo karakteristieke geluid van de band in de steigers werd gezet en direct wist op te vallen door een eigen geluid. De twee beste albums van de band zijn wat mij betreft echter Fisherman’s Blues uit 1988 en vooral This Is The Sea uit 1985..
Het was best een tijd geleden dat ik naar het album had geluisterd, maar direct bij de bombastische openingsnoten van Don’t Bang The Drums kwam alles weer naar boven, inclusief alle herinneringen aan het prachtjaar 1985. Op This Is The Sea komt het geluid dat de band al liet horen op haar eerste twee albums tot volle wasdom en het is een geluid waarmee The Waterboys zich schaarde onder de grote bands van dat moment, zij het op enige afstand van Simple Minds en met name U2.
The Waterboys werden destijds vaak in één adem genoemd met de net wat grotere broers, maar The Waterboys maakten wat mij betreft duidelijk andere muziek. Waar de muziek van Simple Minds en U2 vaak verzoop in galm, creëerde Mike Scott met zijn band een fascinerende ‘wall of sound’ waarin ook plek was voor invloeden uit de Keltische muziek.
Openingstrack Don’t Bang The Drums laat direct horen hoe de ‘wall of sound’ van The Waterboys klinkt. Na het filmische intro met blazers vallen de zwaar aangezette drums in en slaan The Waterboys je bovendien om de oren met strijkers, blazers, piano en gitaren. Het combineert allemaal prachtig met de Dylanesque zang van voorman Mike Scott, die veel emotie in zijn zang legt, waardoor de muziek van The Waterboys, in ieder geval bij mij, stevig binnen kwam en nog steeds komt.
This Is The Sea bevatte met The Whole Of The Moon een hitsingle die nog steeds met enige regelmaat voorbij komt, maar het mooist zijn toch de typische albumtracks als de al genoemde openingstrack, de titeltrack en het wonderschone The Pan Within, dat ik nog steeds schaar onder de mooiste songs uit de jaren 80. This Is The Sea is door alle instrumenten en Mike Scott’s en Karl Wallingers's ‘wall of sound’ een behoorlijk overweldigend album, al nemen de Schotse muzikanten ook gas terug in een aantal tracks, waaronder het ingetogen Spirit en het bijzondere Trumpets.
Ook wanneer de band flink uitpakt, blijft het geluid van The Waterboys op This Is The Sea ruimtelijk en door alle invloeden uit de Keltische muziek ook aards, wat een groot compliment is voor de productie van het album, waarvoor naast Mike Scott en Karl Wallinger ook John Brand en Mike Glossop tekenden.
The Waterboys moesten het na This Is The Sea doen zonder Karl Wallinger, die stevig bijdroeg aan het grootse geluid van de band, maar koos voor zijn eigen band World Party. Het had consequenties voor het geluid van de band, waardoor This Is The Sea een uniek album binnen het oeuvre van de Schotse band blijft. Ik had er echt al een hele tijd niet meer naar geluisterd, maar sinds enige tijd draait This Is The Sea weer overuren, net als in de herfst van 1985. Groots album! Erwin Zijleman
