Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Reds, Pinks & Purples - Summer at Land's End (2022)

4,0
0
geplaatst: 8 februari 2022, 15:38 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Red's, Pinks And Purples - Summer At Land's End - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Red's, Pinks And Purples - Summer At Land's End
Ook op album nummer vier dompelt de Amerikaanse band The Reds, Pinks And Purples je onder in heel veel nostalgie uit de jaren 80 en vroege jaren 90, wat wederom een volstrekt onweerstaanbaar album oplevert
Het is na drie geweldige albums geen verrassing meer, maar wat geniet ik toch weer van de muziek van The Reds, Pinks And Purples. Het project van de uit San Francisco afkomstige Glenn Donaldson klinkt als een omgevallen platenkast met heel veel moois uit de jaren 80 en 90, maar gedateerd klinkt het geen moment. De Amerikaanse muzikant staat ook dit keer garant voor melodieuze popliedjes met zowel zonnestralen als melancholie en het zijn popliedjes die, als je van dit soort muziek houdt, zeer zwaar verslavend zijn. Summer At Land’s End is niet heel ver verwijderd van zijn voorgangers, maar de songs zijn nog wat beter en het klinkt allemaal nog wat mooier. Voor mij geen moment te weerstaan.
De Amerikaanse band The Reds, Pinks And Purples verraste in 2019, 2020 en 2021 met bijzonder lekkere albums, die je onmiddellijk mee terugnamen naar het Engeland van de jaren 80 en vroege jaren 90 en af en toe stiekem ook naar de Amerikaanse jangle pop uit dezelfde periode.
De band van en rond de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson slaagde er in om al mijn favoriete bands uit de genoemde periode op een hoop te gooien en verwerkte alle invloeden vervolgens in songs waar ik keer op keer zielsgelukkig van werd. Het muziekjaar 2022 is pas net begonnen, maar ook dit jaar verrijkt The Red, Pinks And Purples het jaar met een geweldig album.
Heel veel veranderd is er niet. Laat Summer At Land’s End uit de speakers komen en het is weer 1983, 1988 of hooguit 1992. In mijn recensies van de vorige albums van The Reds, Pinks And Purples noemde ik de namen van The La’s, Felt, The Smiths, Pulp, Aztec Camera, The Lotus Eaters (van het briljante album No Sense Of Sin), Lloyd Cole & The Commotions en China Crisis als vergelijkingsmateriaal. Het zijn namen die ook weer allemaal voorbij komen bij beluistering van Summer At Land’s End, maar ik kan er nog allerlei namen aan toevoegen, want wat zijn er veel echo’s uit het verleden te horen op het album.
Met het noemen van namen uit het verleden doe ik de muziek van Glenn Donaldson overigens ook wel wat tekort. Wanneer ik luister naar de albums van de hierboven genoemde bands, valt me op dat het hier en daar toch wel wat gedateerd klinkt en bovendien hebben de galmende jaren 80 producties de tand des tijds vaak maar matig doorstaan. De muziek van The Reds, Pinks And Purples klinkt ook op Summer At Land’s End weer geen moment gedateerd en ook dit keer komt alles glashelder uit de speakers.
De verschillen met de vorige albums van de band zijn subtiel, waardoor ook het vierde album van de hand van Glenn Donaldson weer een feest van herkenning is. De muzikant uit San Francisco heeft zijn songs en geluid nog wat verder geperfectioneerd en trakteert de luisteraar ook dit keer op vocalen waarvoor of waarvan je alleen maar kunt smelten.
Misschien nog wel het grootste verschil met de vorige drie albums is de lange instrumentale titeltrack halverwege het album, die direct kan worden gebruikt voor wat weemoedige documentaires over de jaren 80 en vroege jaren 90. Ik heb zelf overigens alleen maar mooie herinneringen aan deze twee decennia, zeker ook in muzikaal opzicht, waardoor ik maar geen genoeg kan krijgen van de melodieuze songs op Summer At Land’s End.
Zorgeloos waren de jaren 80 zeker niet, maar Glenn Donaldson slaagt er wederom in om vooral mooie herinneringen uit het verleden op te roepen. Net als op de vorige drie albums van The Reds, Pinks And Purples schept Glenn Donaldson bakken melancholie uit over de luisteraar, maar zijn vierde album klinkt net wat zonniger dan de drie voorgangers.
De songs op het album klinken bovendien net wat scherper en puntiger, waardoor ook Summer At Land’s End weer iets toevoegt aan het nu al prachtige oeuvre van The Reds, Pinks And Purples. Album nummer vijf vraagt misschien om net wat grotere stappen om interessant te blijven, maar met album nummer vier ben ik weer dik tevreden, al is het maar om weer even terug te keren naar vervlogen maar o zo mooie tijden. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Red's, Pinks And Purples - Summer At Land's End - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Red's, Pinks And Purples - Summer At Land's End
Ook op album nummer vier dompelt de Amerikaanse band The Reds, Pinks And Purples je onder in heel veel nostalgie uit de jaren 80 en vroege jaren 90, wat wederom een volstrekt onweerstaanbaar album oplevert
Het is na drie geweldige albums geen verrassing meer, maar wat geniet ik toch weer van de muziek van The Reds, Pinks And Purples. Het project van de uit San Francisco afkomstige Glenn Donaldson klinkt als een omgevallen platenkast met heel veel moois uit de jaren 80 en 90, maar gedateerd klinkt het geen moment. De Amerikaanse muzikant staat ook dit keer garant voor melodieuze popliedjes met zowel zonnestralen als melancholie en het zijn popliedjes die, als je van dit soort muziek houdt, zeer zwaar verslavend zijn. Summer At Land’s End is niet heel ver verwijderd van zijn voorgangers, maar de songs zijn nog wat beter en het klinkt allemaal nog wat mooier. Voor mij geen moment te weerstaan.
De Amerikaanse band The Reds, Pinks And Purples verraste in 2019, 2020 en 2021 met bijzonder lekkere albums, die je onmiddellijk mee terugnamen naar het Engeland van de jaren 80 en vroege jaren 90 en af en toe stiekem ook naar de Amerikaanse jangle pop uit dezelfde periode.
De band van en rond de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson slaagde er in om al mijn favoriete bands uit de genoemde periode op een hoop te gooien en verwerkte alle invloeden vervolgens in songs waar ik keer op keer zielsgelukkig van werd. Het muziekjaar 2022 is pas net begonnen, maar ook dit jaar verrijkt The Red, Pinks And Purples het jaar met een geweldig album.
Heel veel veranderd is er niet. Laat Summer At Land’s End uit de speakers komen en het is weer 1983, 1988 of hooguit 1992. In mijn recensies van de vorige albums van The Reds, Pinks And Purples noemde ik de namen van The La’s, Felt, The Smiths, Pulp, Aztec Camera, The Lotus Eaters (van het briljante album No Sense Of Sin), Lloyd Cole & The Commotions en China Crisis als vergelijkingsmateriaal. Het zijn namen die ook weer allemaal voorbij komen bij beluistering van Summer At Land’s End, maar ik kan er nog allerlei namen aan toevoegen, want wat zijn er veel echo’s uit het verleden te horen op het album.
Met het noemen van namen uit het verleden doe ik de muziek van Glenn Donaldson overigens ook wel wat tekort. Wanneer ik luister naar de albums van de hierboven genoemde bands, valt me op dat het hier en daar toch wel wat gedateerd klinkt en bovendien hebben de galmende jaren 80 producties de tand des tijds vaak maar matig doorstaan. De muziek van The Reds, Pinks And Purples klinkt ook op Summer At Land’s End weer geen moment gedateerd en ook dit keer komt alles glashelder uit de speakers.
De verschillen met de vorige albums van de band zijn subtiel, waardoor ook het vierde album van de hand van Glenn Donaldson weer een feest van herkenning is. De muzikant uit San Francisco heeft zijn songs en geluid nog wat verder geperfectioneerd en trakteert de luisteraar ook dit keer op vocalen waarvoor of waarvan je alleen maar kunt smelten.
Misschien nog wel het grootste verschil met de vorige drie albums is de lange instrumentale titeltrack halverwege het album, die direct kan worden gebruikt voor wat weemoedige documentaires over de jaren 80 en vroege jaren 90. Ik heb zelf overigens alleen maar mooie herinneringen aan deze twee decennia, zeker ook in muzikaal opzicht, waardoor ik maar geen genoeg kan krijgen van de melodieuze songs op Summer At Land’s End.
Zorgeloos waren de jaren 80 zeker niet, maar Glenn Donaldson slaagt er wederom in om vooral mooie herinneringen uit het verleden op te roepen. Net als op de vorige drie albums van The Reds, Pinks And Purples schept Glenn Donaldson bakken melancholie uit over de luisteraar, maar zijn vierde album klinkt net wat zonniger dan de drie voorgangers.
De songs op het album klinken bovendien net wat scherper en puntiger, waardoor ook Summer At Land’s End weer iets toevoegt aan het nu al prachtige oeuvre van The Reds, Pinks And Purples. Album nummer vijf vraagt misschien om net wat grotere stappen om interessant te blijven, maar met album nummer vier ben ik weer dik tevreden, al is het maar om weer even terug te keren naar vervlogen maar o zo mooie tijden. Erwin Zijleman
The Reds, Pinks & Purples - The Past Is a Garden I Never Fed (2025)

4,5
0
geplaatst: 5 juli 2025, 10:24 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Reds, Pinks & Purples - The Past Is A Garden I Never Fed - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Reds, Pinks & Purples - The Past Is A Garden I Never Fed
Je weet zo langzamerhand waar je aan toe bent bij een nieuw album van de Amerikaanse band The Reds, Pinks & Purples, maar ook op The Past Is A Garden I Never Fed benadert Glenn Donaldson keer op keer de perfectie
Het is ongelooflijk hoe productief de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson is. In een paar jaar tijd staat er een aardig rijtje The Reds, Pinks & Purples in de platenkast en dat is nog maar het topje van de ijsberg. De muzikant uit San Francisco had nog wat singles over en die zijn terecht gekomen op het deze week verschenen The Past Is A Garden I Never Fed. Het is een album vol bitterzoete popsongs vol nostalgie, maar Glenn Donaldson is zeker niet blijven steken in de jaren 80 of 90. The Reds, Pinks & Purples zou in de jaren 80 ongetwijfeld een van mijn lievelingsbands zijn geweest, maar dat is de band in het heden ook, want ook The Past Is A Garden I Never Fed is weer betoverend mooi en echt onweerstaanbaar lekker.
The World Doesn’t Need Another Band zingt de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson in de openingstrack van het nieuwe album van zijn band The Reds, Pinks & Purples. Ik denk het eerlijk gezegd ook wel eens wanneer ik wekelijks een imposant stapeltje nieuwe albums beluister, maar het gaat zeker niet op voor de band van Glenn Donaldson, wat die is zo langzamerhand behoorlijk onmisbaar.
De muzikant uit San Francisco dook een jaar of vijf geleden op met zijn band en voor mij was het liefde op het eerste gehoor. Laat de muziek van The Reds, Pinks & Purples uit de speakers komen en een tijdmachine flitst je in een paar seconden terug naar de jaren 80 en af en toe naar de vroege jaren 90 en dat zijn decennia waarin heel veel mooie muziek werd gemaakt.
Mijn eerste kennismaking met de muziek van The Reds, Pinks & Purples smaakte vooral naar veel meer en hiervoor ben je bij Glenn Donaldson gelukkig aan het juiste adres. De Amerikaanse muzikant bracht de afgelopen vijf jaar niet alleen het ene na het andere prachtige album uit, maar schreef in totaal zo’n 200 songs, waarvan een aantal als losse track werd uitgebracht. Een aantal van deze tracks zijn nu verzameld op het deze week verschenen The Past Is A Garden I Never Fed, dat weer veertien 24-karaat popsongs toevoegt aan het geweldige oeuvre van The Reds, Pinks & Purples.
Dat Glenn Donaldson alleen maar geweldige songs schrijft is maar een van de vele zekerheden die je hebt wanneer een nieuw album van The Reds, Pinks & Purples verschijnt. De cover van het album is weer veelkleurig, de inspiratie komt vooral uit de jaren 80 en 90 en zowel de zang als het gitaarwerk van Glenn Donaldson bedwelmen weer meedogenloos.
In al mijn besprekingen van de albums van de Amerikaanse band noem ik een imposant rijtje namen van bands uit met name de jaren 80, maar ik hou het er deze keer maar op dat The Reds, Pinks & Purples muziek maakt die het beste van een groot aantal van mijn persoonlijke favorieten uit de jaren 80 en vroege jaren 90 combineert. Het zijn vooral favorieten die zich destijds toelegden op het schrijven van nagenoeg perfecte en vooral bitterzoete popsongs.
De jaren 80 waren deels bijzonder donker gekleurd en dat hoorde je in de muziek uit het decennium, maar ik had ook een geweldige tijd en die hoorde ik terug in de wat dromerige en melodieuze songs van bands waarvan ik de namen dit keer dus eens niet ga noemen. Ik ga ze niet noemen omdat ik Glenn Donaldson hiermee tekort doe. De muzikant uit San Francisco heeft immers alleen de afgelopen vijf jaar al een aantal direct memorabele songs geschreven waarvan de meeste bands uit de jaren 80 en 90 alleen maar kunnen dromen.
Het zijn songs die worden gedragen door de bijzonder aangename stem van Glenn Donaldson en de onweerstaanbaar lekkere gitaarakkoorden, die ook zeker zijn beïnvloed door de janglepop, maar ook in de rest van de muziek klopt echt alles. Het klinkt allemaal direct bekend, maar The Reds, Pinks & Purples heeft toch ook weer flink wat songs toegevoegd die ik echt niet had willen missen.
Hier en daar klinkt het net wat gruiziger, soms juist net wat meer ingetogen, maar alles dat Glenn Donaldson aanraakt op The Past Is A Garden I Never Fed verandert weer in goud. The World Doesn’t Need Another Band zingt Glenn Donaldson in de openingstrack en hij heeft in ieder geval even gelijk, want ik ben nog lang niet klaar met het wederom geweldige album van zijn band. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Reds, Pinks & Purples - The Past Is A Garden I Never Fed - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Reds, Pinks & Purples - The Past Is A Garden I Never Fed
Je weet zo langzamerhand waar je aan toe bent bij een nieuw album van de Amerikaanse band The Reds, Pinks & Purples, maar ook op The Past Is A Garden I Never Fed benadert Glenn Donaldson keer op keer de perfectie
Het is ongelooflijk hoe productief de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson is. In een paar jaar tijd staat er een aardig rijtje The Reds, Pinks & Purples in de platenkast en dat is nog maar het topje van de ijsberg. De muzikant uit San Francisco had nog wat singles over en die zijn terecht gekomen op het deze week verschenen The Past Is A Garden I Never Fed. Het is een album vol bitterzoete popsongs vol nostalgie, maar Glenn Donaldson is zeker niet blijven steken in de jaren 80 of 90. The Reds, Pinks & Purples zou in de jaren 80 ongetwijfeld een van mijn lievelingsbands zijn geweest, maar dat is de band in het heden ook, want ook The Past Is A Garden I Never Fed is weer betoverend mooi en echt onweerstaanbaar lekker.
The World Doesn’t Need Another Band zingt de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson in de openingstrack van het nieuwe album van zijn band The Reds, Pinks & Purples. Ik denk het eerlijk gezegd ook wel eens wanneer ik wekelijks een imposant stapeltje nieuwe albums beluister, maar het gaat zeker niet op voor de band van Glenn Donaldson, wat die is zo langzamerhand behoorlijk onmisbaar.
De muzikant uit San Francisco dook een jaar of vijf geleden op met zijn band en voor mij was het liefde op het eerste gehoor. Laat de muziek van The Reds, Pinks & Purples uit de speakers komen en een tijdmachine flitst je in een paar seconden terug naar de jaren 80 en af en toe naar de vroege jaren 90 en dat zijn decennia waarin heel veel mooie muziek werd gemaakt.
Mijn eerste kennismaking met de muziek van The Reds, Pinks & Purples smaakte vooral naar veel meer en hiervoor ben je bij Glenn Donaldson gelukkig aan het juiste adres. De Amerikaanse muzikant bracht de afgelopen vijf jaar niet alleen het ene na het andere prachtige album uit, maar schreef in totaal zo’n 200 songs, waarvan een aantal als losse track werd uitgebracht. Een aantal van deze tracks zijn nu verzameld op het deze week verschenen The Past Is A Garden I Never Fed, dat weer veertien 24-karaat popsongs toevoegt aan het geweldige oeuvre van The Reds, Pinks & Purples.
Dat Glenn Donaldson alleen maar geweldige songs schrijft is maar een van de vele zekerheden die je hebt wanneer een nieuw album van The Reds, Pinks & Purples verschijnt. De cover van het album is weer veelkleurig, de inspiratie komt vooral uit de jaren 80 en 90 en zowel de zang als het gitaarwerk van Glenn Donaldson bedwelmen weer meedogenloos.
In al mijn besprekingen van de albums van de Amerikaanse band noem ik een imposant rijtje namen van bands uit met name de jaren 80, maar ik hou het er deze keer maar op dat The Reds, Pinks & Purples muziek maakt die het beste van een groot aantal van mijn persoonlijke favorieten uit de jaren 80 en vroege jaren 90 combineert. Het zijn vooral favorieten die zich destijds toelegden op het schrijven van nagenoeg perfecte en vooral bitterzoete popsongs.
De jaren 80 waren deels bijzonder donker gekleurd en dat hoorde je in de muziek uit het decennium, maar ik had ook een geweldige tijd en die hoorde ik terug in de wat dromerige en melodieuze songs van bands waarvan ik de namen dit keer dus eens niet ga noemen. Ik ga ze niet noemen omdat ik Glenn Donaldson hiermee tekort doe. De muzikant uit San Francisco heeft immers alleen de afgelopen vijf jaar al een aantal direct memorabele songs geschreven waarvan de meeste bands uit de jaren 80 en 90 alleen maar kunnen dromen.
Het zijn songs die worden gedragen door de bijzonder aangename stem van Glenn Donaldson en de onweerstaanbaar lekkere gitaarakkoorden, die ook zeker zijn beïnvloed door de janglepop, maar ook in de rest van de muziek klopt echt alles. Het klinkt allemaal direct bekend, maar The Reds, Pinks & Purples heeft toch ook weer flink wat songs toegevoegd die ik echt niet had willen missen.
Hier en daar klinkt het net wat gruiziger, soms juist net wat meer ingetogen, maar alles dat Glenn Donaldson aanraakt op The Past Is A Garden I Never Fed verandert weer in goud. The World Doesn’t Need Another Band zingt Glenn Donaldson in de openingstrack en hij heeft in ieder geval even gelijk, want ik ben nog lang niet klaar met het wederom geweldige album van zijn band. Erwin Zijleman
The Reds, Pinks & Purples - The Town That Cursed Your Name (2023)

4,5
0
geplaatst: 29 maart 2023, 15:42 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Reds, Pinks And Purples - The Town That Cursed Your Name - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Reds, Pinks And Purples - The Town That Cursed Your Name
Er zijn veel meer bands die klinken alsof ze rechtstreeks uit de jaren 80 komen overgewaaid, maar er zijn maar weinig bands als The Reds, Pinks And Purples, die ook in de jaren 80 met de allerbesten hadden meegekund
Sinds ik de muziek van de Amerikaanse band The Reds, Pinks And Purples heb ontdekt, strooit de band rond de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson met geweldige albums. Het zijn albums die je onmiddellijk de jaren 80 in sleuren en die zowel strooien met zonnestralen als met melancholie. De bitterzoete songs van The Reds, Pinks And Purples worden alleen maar beter, want ook op The Town That Cursed Your Name zet Glenn Donaldson weer stappen. De nieuwe songs van de Californische muzikant klinken net wat gruiziger, maar zijn nog altijd even onweerstaanbaar. Alsof mijn platenkast uit de jaren 80 is omgevallen en het beste is gecombineerd op één album. Heerlijk, nee onweerstaanbaar.
Aan het eind van 2020 maakte ik, min of meer bij toeval, kennis met de muziek van The Reds, Pinks And Purples. You Might Be Happy Someday, het tweede album van de band rond de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson, strooide in de donkere wintermaanden van 2020 driftig met zonnestralen en verruilde de het door de coronapandemie geteisterde 2020 voor zorgelozere tijden.
Toen de eerste noten van het album door de speakers kwamen was het geen 2020 meer, maar zat ik weer midden in de jaren 80 en legde ik de ene na de andere LP met bitterzoete gitaarsongs op de platenspeler. The Reds, Pinks And Purples wist op You Might Be Happy Someday niet alleen de sfeer van de muziek uit de jaren 80 (en stiekem ook de jaren 90) perfect te vangen, maar grossierde ook in direct memorabele popsongs, die in de jaren 80 ongetwijfeld tot mijn favorieten zouden hebben behoord.
You Might Be Happy Someday was zeker geen toevalstreffer, want er ligt inmiddels een bescheiden stapeltje albums van The Reds, Pinks And Purples en ze zijn allemaal even mooi. Vorig jaar bracht Glenn Donaldson zelfs twee albums uit en nog geen half jaar later ligt er al weer een nieuwe worp.
Het deze week verschenen The Town That Cursed Your Name ligt gelukkig in het verlengde van zijn voorgangers en is, net als deze voorgangers, een album dat mooie muziekherinneringen uit de jaren 80 aan de oppervlakte brengt. Vorig jaar droeg ik The La’s, Felt, The Smiths, Pulp, Aztec Camera, The Lotus Eaters, Lloyd Cole & The Commotions en China Crisis als relevant vergelijkingsmateriaal aan en dit lijstje is ook weer van toepassing op The Town That Cursed Your Name, al kan ik ook een rijtje andere namen noemen.
Glenn Donaldson en andere recensenten noemen overigens weer hele andere namen (The Magnetic Fields en The Go-Betweens bijvoorbeeld) en ook die zijn absoluut relevant, wat iets zegt over het brede palet dat de Amerikaanse muzikant bestrijkt. De muziek van The Reds, Pinks And Purples lijkt voor mij nog altijd op alles dat ik leuk vond in de jaren 80 en 90 en het knappe is dat de Amerikaanse band ook dit keer met songs op de proppen komt die niet onderdoen voor alles dat ik in deze decennia intens koesterde.
Zodra de eerste noten van The Town That Cursed Your Name uit de speakers komen begint de zon te schijnen en ben ik weer even terug in het verre verleden. Glenn Donaldson maakt op het nieuwe album van The Reds, Pinks And Puples muziek volgens een inmiddels beproefd recept, maar The Town That Cursed Your Name is zeker niet meer van hetzelfde. Hier en daar klinken de soms net wat gruiziger of incidenteel flink gruiziger dan op de vorige albums van de band uit San Francisco, af en toe is het tempo wat lager en zo nu en dan worden de zonnestralen net wat langer verdreven door wolken melancholie.
Het zijn subtiele verschillen, maar ze zorgen er voor dat ook The Town That Cursed Your Name weer een album is dat ik weer eindeloos ga koesteren. Het nieuwe album van The Reds, Pinks And Purples lijkt wat breder te worden opgepikt dan zijn voorgangers en ik lees terecht vooral hele positieve woorden. Alles wat Glenn Donaldson inmiddels heeft uitgebracht onder de naam The Reds, Pinks And Purples is me heel dierbaar, maar dit nieuwe album sla ik nog net wat hoger aan. Wat een fantastisch album weer. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Reds, Pinks And Purples - The Town That Cursed Your Name - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Reds, Pinks And Purples - The Town That Cursed Your Name
Er zijn veel meer bands die klinken alsof ze rechtstreeks uit de jaren 80 komen overgewaaid, maar er zijn maar weinig bands als The Reds, Pinks And Purples, die ook in de jaren 80 met de allerbesten hadden meegekund
Sinds ik de muziek van de Amerikaanse band The Reds, Pinks And Purples heb ontdekt, strooit de band rond de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson met geweldige albums. Het zijn albums die je onmiddellijk de jaren 80 in sleuren en die zowel strooien met zonnestralen als met melancholie. De bitterzoete songs van The Reds, Pinks And Purples worden alleen maar beter, want ook op The Town That Cursed Your Name zet Glenn Donaldson weer stappen. De nieuwe songs van de Californische muzikant klinken net wat gruiziger, maar zijn nog altijd even onweerstaanbaar. Alsof mijn platenkast uit de jaren 80 is omgevallen en het beste is gecombineerd op één album. Heerlijk, nee onweerstaanbaar.
Aan het eind van 2020 maakte ik, min of meer bij toeval, kennis met de muziek van The Reds, Pinks And Purples. You Might Be Happy Someday, het tweede album van de band rond de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson, strooide in de donkere wintermaanden van 2020 driftig met zonnestralen en verruilde de het door de coronapandemie geteisterde 2020 voor zorgelozere tijden.
Toen de eerste noten van het album door de speakers kwamen was het geen 2020 meer, maar zat ik weer midden in de jaren 80 en legde ik de ene na de andere LP met bitterzoete gitaarsongs op de platenspeler. The Reds, Pinks And Purples wist op You Might Be Happy Someday niet alleen de sfeer van de muziek uit de jaren 80 (en stiekem ook de jaren 90) perfect te vangen, maar grossierde ook in direct memorabele popsongs, die in de jaren 80 ongetwijfeld tot mijn favorieten zouden hebben behoord.
You Might Be Happy Someday was zeker geen toevalstreffer, want er ligt inmiddels een bescheiden stapeltje albums van The Reds, Pinks And Purples en ze zijn allemaal even mooi. Vorig jaar bracht Glenn Donaldson zelfs twee albums uit en nog geen half jaar later ligt er al weer een nieuwe worp.
Het deze week verschenen The Town That Cursed Your Name ligt gelukkig in het verlengde van zijn voorgangers en is, net als deze voorgangers, een album dat mooie muziekherinneringen uit de jaren 80 aan de oppervlakte brengt. Vorig jaar droeg ik The La’s, Felt, The Smiths, Pulp, Aztec Camera, The Lotus Eaters, Lloyd Cole & The Commotions en China Crisis als relevant vergelijkingsmateriaal aan en dit lijstje is ook weer van toepassing op The Town That Cursed Your Name, al kan ik ook een rijtje andere namen noemen.
Glenn Donaldson en andere recensenten noemen overigens weer hele andere namen (The Magnetic Fields en The Go-Betweens bijvoorbeeld) en ook die zijn absoluut relevant, wat iets zegt over het brede palet dat de Amerikaanse muzikant bestrijkt. De muziek van The Reds, Pinks And Purples lijkt voor mij nog altijd op alles dat ik leuk vond in de jaren 80 en 90 en het knappe is dat de Amerikaanse band ook dit keer met songs op de proppen komt die niet onderdoen voor alles dat ik in deze decennia intens koesterde.
Zodra de eerste noten van The Town That Cursed Your Name uit de speakers komen begint de zon te schijnen en ben ik weer even terug in het verre verleden. Glenn Donaldson maakt op het nieuwe album van The Reds, Pinks And Puples muziek volgens een inmiddels beproefd recept, maar The Town That Cursed Your Name is zeker niet meer van hetzelfde. Hier en daar klinken de soms net wat gruiziger of incidenteel flink gruiziger dan op de vorige albums van de band uit San Francisco, af en toe is het tempo wat lager en zo nu en dan worden de zonnestralen net wat langer verdreven door wolken melancholie.
Het zijn subtiele verschillen, maar ze zorgen er voor dat ook The Town That Cursed Your Name weer een album is dat ik weer eindeloos ga koesteren. Het nieuwe album van The Reds, Pinks And Purples lijkt wat breder te worden opgepikt dan zijn voorgangers en ik lees terecht vooral hele positieve woorden. Alles wat Glenn Donaldson inmiddels heeft uitgebracht onder de naam The Reds, Pinks And Purples is me heel dierbaar, maar dit nieuwe album sla ik nog net wat hoger aan. Wat een fantastisch album weer. Erwin Zijleman
The Reds, Pinks & Purples - They Only Wanted Your Soul (2022)

4,0
1
geplaatst: 20 oktober 2022, 17:46 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Reds, Pinks & Purples - They Only Wanted Your Soul - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Reds, Pinks & Purples - They Only Wanted Your Soul
De Amerikaanse band The Reds, Pinks & Purples verrast de afgelopen drie jaar met onweerstaanbare popliedjes vol flarden 80s en doet er deze week nog een schepje bovenop met een volgend album
Aan het eind van 2020, in tijden van lockdowns en avondklokken, was er opeens de muziek van The Reds, Pinks & Purples. Het project van Glenn Donaldson uit San Francisco nam je mee terug naar de bitterzoete popmuziek uit de jaren 80 en vroege jaren 90 en strooide driftig met popliedjes waarvan je alleen maar eindeloos kon houden. Het leverde begin dit jaar nog een volgend geweldig album op, maar er komt nu nog een toetje bij. They Only Wanted Your Soul bevat vier tracks van een obscure EP, maar Glenn Donaldson heeft er nog zes onweerstaanbaar lekkere popliedjes bij gepend. Het levert een half uur popmuziek op waarvan ik in ieder geval zielsgelukkig word.
Ik maak graag lange wandelingen door de prachtige stad waarin ik woon, waarbij ik bij voorkeur naar muziek luister. Toen ik een paar dagen geleden luisterde naar het nieuwe album van de Amerikaanse band The Reds, Pinks & Purples transformeerden mijn moderne iPhone en AirPods in één klap in een stokoude Sony Walkman en werd ik teruggeworpen naar mijn studententijd in dezelfde stad. De muziek van het project van de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson zit immers vol zoete herinneringen aan de popmuziek uit de jaren 80, met hier en daar een gruizige jaren 90 ondertoon.
Dat de muziek van The Reds, Pinks & Purples mooie herinneringen uit vervlogen tijden aan de oppervlakte brengt is overigens niet nieuw, want Glenn Donaldson strooit al sinds 2019 met geweldige albums. Anxiety Art uit 2019 heb ik nog gemist, maar You Might Be Happy Someday uit 2020, Uncommon Weather uit 2021 en het eerder dit jaar verschenen Summer at Land's End koester ik sinds de dag van de release.
Glenn Donaldson vond één album per jaar uitbrengen kennelijk niet genoeg dit jaar, want ruim acht maanden na het vorige album van de muzikant uit San Francisco, California, ligt er al weer een nieuw album van The Reds, Pinks & Purples op ons te wachten. Op zich geen slecht idee natuurlijk, want in tijden waarin de crises elkaar in rap tempo opvolgen kunnen we wel wat extra zonnestralen gebruiken. Het deze week verschenen They Only Wanted Your Soul voorziet in ruime mate in deze zonnestralen, al is een wolkje melancholie of een bitterzoet moment bij The Reds, Pinks & Purples nooit ver weg.
They Only Wanted Your Soul is direct vanaf de eerste noten een feest van mijn herkenning. In mijn recensies van de vorige albums van de Amerikaanse band noemde ik The La’s, Felt, The Smiths, Pulp, Aztec Camera, The Lotus Eaters (check het briljante No Sense Of Sin), Lloyd Cole & The Commotions en China Crisis als vergelijkingsmateriaal en dit lijstje is ook van toepassing op They Only Wanted Your Soul, al kan ik met gemak een lijstje andere jaren 80 en vroege jaren 90 favorieten toevoegen.
Een echt nieuw album is They Only Wanted Your Soul overigens niet. Voordat ik in aanraking kwam met de muziek van Glenn Donaldson verscheen op een obscuur Zweeds label (I Dischi Del Barone) de EP I Should Have Helped You. Het is een EP die niet in brede kring werd opgepikt, maar de vier songs op deze EP waren echt veel te mooi om te laten liggen.
Omdat de EP ook nog eens tegen woekerprijzen werd aangeboden op platforms als Discogs, besloot Glenn Donaldson om de vier songs van de EP opnieuw uit te brengen, aangevuld met zes nieuwe songs. Het levert een half uur muziek op dat in het verlengde ligt van de albums die de Amerikaanse band de afgelopen drie jaar uitbracht, wat betekent dat het ene na het andere onweerstaanbare popliedjes voorbij komt, de een nog mooier en melodieuzer dan de ander.
Het is een welkome aanvulling op een oeuvre dat steeds mooier begint te worden. Nog even terug naar de tijd van de walkman. Het waren prima dingen, maar even een track skippen was niet zo eenvoudig. Het zou in het geval van They Only Wanted Your Soul van The Reds, Pinks & Purples niet nodig zijn geweest, want alle tracks zijn even goed. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Reds, Pinks & Purples - They Only Wanted Your Soul - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Reds, Pinks & Purples - They Only Wanted Your Soul
De Amerikaanse band The Reds, Pinks & Purples verrast de afgelopen drie jaar met onweerstaanbare popliedjes vol flarden 80s en doet er deze week nog een schepje bovenop met een volgend album
Aan het eind van 2020, in tijden van lockdowns en avondklokken, was er opeens de muziek van The Reds, Pinks & Purples. Het project van Glenn Donaldson uit San Francisco nam je mee terug naar de bitterzoete popmuziek uit de jaren 80 en vroege jaren 90 en strooide driftig met popliedjes waarvan je alleen maar eindeloos kon houden. Het leverde begin dit jaar nog een volgend geweldig album op, maar er komt nu nog een toetje bij. They Only Wanted Your Soul bevat vier tracks van een obscure EP, maar Glenn Donaldson heeft er nog zes onweerstaanbaar lekkere popliedjes bij gepend. Het levert een half uur popmuziek op waarvan ik in ieder geval zielsgelukkig word.
Ik maak graag lange wandelingen door de prachtige stad waarin ik woon, waarbij ik bij voorkeur naar muziek luister. Toen ik een paar dagen geleden luisterde naar het nieuwe album van de Amerikaanse band The Reds, Pinks & Purples transformeerden mijn moderne iPhone en AirPods in één klap in een stokoude Sony Walkman en werd ik teruggeworpen naar mijn studententijd in dezelfde stad. De muziek van het project van de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson zit immers vol zoete herinneringen aan de popmuziek uit de jaren 80, met hier en daar een gruizige jaren 90 ondertoon.
Dat de muziek van The Reds, Pinks & Purples mooie herinneringen uit vervlogen tijden aan de oppervlakte brengt is overigens niet nieuw, want Glenn Donaldson strooit al sinds 2019 met geweldige albums. Anxiety Art uit 2019 heb ik nog gemist, maar You Might Be Happy Someday uit 2020, Uncommon Weather uit 2021 en het eerder dit jaar verschenen Summer at Land's End koester ik sinds de dag van de release.
Glenn Donaldson vond één album per jaar uitbrengen kennelijk niet genoeg dit jaar, want ruim acht maanden na het vorige album van de muzikant uit San Francisco, California, ligt er al weer een nieuw album van The Reds, Pinks & Purples op ons te wachten. Op zich geen slecht idee natuurlijk, want in tijden waarin de crises elkaar in rap tempo opvolgen kunnen we wel wat extra zonnestralen gebruiken. Het deze week verschenen They Only Wanted Your Soul voorziet in ruime mate in deze zonnestralen, al is een wolkje melancholie of een bitterzoet moment bij The Reds, Pinks & Purples nooit ver weg.
They Only Wanted Your Soul is direct vanaf de eerste noten een feest van mijn herkenning. In mijn recensies van de vorige albums van de Amerikaanse band noemde ik The La’s, Felt, The Smiths, Pulp, Aztec Camera, The Lotus Eaters (check het briljante No Sense Of Sin), Lloyd Cole & The Commotions en China Crisis als vergelijkingsmateriaal en dit lijstje is ook van toepassing op They Only Wanted Your Soul, al kan ik met gemak een lijstje andere jaren 80 en vroege jaren 90 favorieten toevoegen.
Een echt nieuw album is They Only Wanted Your Soul overigens niet. Voordat ik in aanraking kwam met de muziek van Glenn Donaldson verscheen op een obscuur Zweeds label (I Dischi Del Barone) de EP I Should Have Helped You. Het is een EP die niet in brede kring werd opgepikt, maar de vier songs op deze EP waren echt veel te mooi om te laten liggen.
Omdat de EP ook nog eens tegen woekerprijzen werd aangeboden op platforms als Discogs, besloot Glenn Donaldson om de vier songs van de EP opnieuw uit te brengen, aangevuld met zes nieuwe songs. Het levert een half uur muziek op dat in het verlengde ligt van de albums die de Amerikaanse band de afgelopen drie jaar uitbracht, wat betekent dat het ene na het andere onweerstaanbare popliedjes voorbij komt, de een nog mooier en melodieuzer dan de ander.
Het is een welkome aanvulling op een oeuvre dat steeds mooier begint te worden. Nog even terug naar de tijd van de walkman. Het waren prima dingen, maar even een track skippen was niet zo eenvoudig. Het zou in het geval van They Only Wanted Your Soul van The Reds, Pinks & Purples niet nodig zijn geweest, want alle tracks zijn even goed. Erwin Zijleman
The Reds, Pinks & Purples - Uncommon Weather (2021)

4,5
0
geplaatst: 13 april 2021, 15:59 uur
Volledige recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Reds, Pinks And Purples - Uncommon Weather - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Op Uncommon Weather herhaalt The Reds, Pinks And Purples het kunstje van de net een half jaar oude voorganger en betovert het met bitterzoete popliedjes die herinneren aan veel moois uit de jaren 80
Het vorige album van The Reds, Pinks And Purples ontdekte ik net wat te laat voor mijn jaarlijstje, maar Uncommon Weather schrijf ik alvast op voor het lijstje van dit jaar. De band van de Amerikaanse muzikante Glenn Donaldson grossiert ook dit keer in de bitterzoete popliedjes zoals die in de jaren 80 zoveel werden gemaakt. De gitaren zorgen voor de zonnestralen, terwijl de synths en de zang het album voorzien van melancholie. Het is de muziek waar ik in de jaren 80 maar geen genoeg van kon krijgen, maar het derde album van The Reds, Pinks And Purples doet zeker niet onder voor alles dat ik al heb. Een album om je eindeloos mee op te sluiten.
De krenten uit de pop: The Reds, Pinks And Purples - Uncommon Weather - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Op Uncommon Weather herhaalt The Reds, Pinks And Purples het kunstje van de net een half jaar oude voorganger en betovert het met bitterzoete popliedjes die herinneren aan veel moois uit de jaren 80
Het vorige album van The Reds, Pinks And Purples ontdekte ik net wat te laat voor mijn jaarlijstje, maar Uncommon Weather schrijf ik alvast op voor het lijstje van dit jaar. De band van de Amerikaanse muzikante Glenn Donaldson grossiert ook dit keer in de bitterzoete popliedjes zoals die in de jaren 80 zoveel werden gemaakt. De gitaren zorgen voor de zonnestralen, terwijl de synths en de zang het album voorzien van melancholie. Het is de muziek waar ik in de jaren 80 maar geen genoeg van kon krijgen, maar het derde album van The Reds, Pinks And Purples doet zeker niet onder voor alles dat ik al heb. Een album om je eindeloos mee op te sluiten.
The Reds, Pinks & Purples - Unwishing Well (2024)

4,5
0
geplaatst: 13 april 2024, 10:24 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Reds, Pinks & Purples - Unwishing Well - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Reds, Pinks & Purples - Unwishing Well
The Reds, Pinks & Purples nemen je album voor album mee terug naar de jaren 80 en ook Unwishing Well lijkt weer zo weggelopen uit dit decennium en had destijds met de allerbeste albums mee gekund
Nog geen vijf jaar geleden maakte de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson een onuitwisbare indruk met het eerste album van zijn band The Reds, Pinks & Purples. Sindsdien schudt de muzikant uit San Francisco de onweerstaanbaar lekkere popsongs met een sterke jaren 80 vibe in razend tempo uit de mouw. De albums van The Reds, Pinks & Purples worden zo langzamerhand misschien net wat minder verrassend, maar in kwalitatief opzicht houdt Glenn Donaldson de stijgende lijn nog altijd vast. Unwishing Well is een bijzonder aangename trip door vervlogen tijden, maar ook in het hier en nu verleiden de bitterzoete popsongs van The Reds, Pinks & Purples meedogenloos.
Het is nog niet eens vijf jaar geleden dat de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson voor het eerst opdook met zijn band The Reds, Pinks & Purples. De muzikant uit San Francisco is in die kleine vijf jaar bijzonder productief gebleken. Het oeuvre van The Reds, Pinks & Purples bestaat inmiddels uit zeven albums, een handvol EP’s en een stapeltje singles en alles is wat mij betreft even onweerstaanbaar.
Als ik luister naar de muziek van The Reds, Pinks & Purples zet een tijdmachine me in één keer terug naar de jaren 80 en komen flarden van al mijn favoriete albums uit dit decennium en het eerste deel van de jaren 90 voorbij. Ik was in de jaren 80 in muzikaal opzicht zeker niet eenkennig, maar als de albums van The Reds, Pinks & Purples in de jaren 80 waren verschenen weet ik wel wat destijds mijn favoriete band was geweest.
De albums die Glenn Donaldson onder de naam The Reds, Pinks & Purples maakt zijn op het eerste gehoor grotendeels inwisselbaar. Het is dan ook niet zo gek dat ik in al mijn recensies van de albums van de band ongeveer dezelfde woorden gebruik. Ook het deze week verschenen Unwishing Well is een album dat mooie herinneringen uit de jaren 80 naar boven haalt, dat strooit met zonnestralen, dat meedogenloos verleidt met heerlijk melodieuze songs, dat uitnodigt tot eindeloos wegdromen en dat nostalgie combineert met een beetje melancholie.
Ook Unwishing Well is weer een album dat uitnodigt tot het noemen van namen en dat levert bij mij vooral namen van muzikale helden uit de jaren 80 op, waaronder ook dit keer die van The La’s, Felt, The Smiths, Aztec Camera, The Lotus Eaters, Lloyd Cole & The Commotions en China Crisis. Ik kan daar nog een heleboel namen aan toevoegen, maar de muziek van Glenn Donaldson klinkt inmiddels toch vooral als de muziek van The Reds, Pinks & Purples.
Ik ben de afgelopen dagen weer eens door het inmiddels rijke oeuvre van de band gegaan en hoewel de muziek van de band de afgelopen vijf jaar uit grotendeels dezelfde ingrediënten bestaat, hoor ik nog altijd groei op de albums van de band uit San Francisco. Vergeleken met Anxiety Art, het album waar het in 2019 allemaal mee begon, klinkt Unwishing Well echt veel beter.
Ook in muzikaal en vocaal opzicht staat Glenn Donaldson zeker niet stil, waardoor Unwishing Well op zijn minst net zo memorabel is als de vorige albums van The Reds, Pinks & Purples. Ik vind het gitaarwerk op het nieuwe album nog net wat mooier en veelzijdiger en ook de stem van de Amerikaanse muzikant is nog net wat aansprekender dan op de vorige albums.
Er komt, zeker wanneer Glenn Donaldson zo productief blijft als in de afgelopen jaren en wanneer muzikale vernieuwing uitblijft, absoluut een moment waarop het oeuvre van zijn band groot genoeg is, maar dat moment is met Unwishing Well nog zeker niet bereikt. Ook het zevende album van The Reds, Pinks & Purples is een album vol (bitter)zoete verleiding en ook dit keer is het een album dat in de jaren 80 met de allerbeste albums mee zou hebben gekund.
Dat het album verschijnt op een moment dat de lente nogmaals probeert om de winter definitief te verdrijven kan ook geen toeval zijn, want een mooie lentedag wordt nog wat mooier met Unwishing Well door de oortjes, koptelefoon of speakers. Goed nieuws dus dit nieuwe album van The Reds, Pinks & Purples. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Reds, Pinks & Purples - Unwishing Well - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Reds, Pinks & Purples - Unwishing Well
The Reds, Pinks & Purples nemen je album voor album mee terug naar de jaren 80 en ook Unwishing Well lijkt weer zo weggelopen uit dit decennium en had destijds met de allerbeste albums mee gekund
Nog geen vijf jaar geleden maakte de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson een onuitwisbare indruk met het eerste album van zijn band The Reds, Pinks & Purples. Sindsdien schudt de muzikant uit San Francisco de onweerstaanbaar lekkere popsongs met een sterke jaren 80 vibe in razend tempo uit de mouw. De albums van The Reds, Pinks & Purples worden zo langzamerhand misschien net wat minder verrassend, maar in kwalitatief opzicht houdt Glenn Donaldson de stijgende lijn nog altijd vast. Unwishing Well is een bijzonder aangename trip door vervlogen tijden, maar ook in het hier en nu verleiden de bitterzoete popsongs van The Reds, Pinks & Purples meedogenloos.
Het is nog niet eens vijf jaar geleden dat de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson voor het eerst opdook met zijn band The Reds, Pinks & Purples. De muzikant uit San Francisco is in die kleine vijf jaar bijzonder productief gebleken. Het oeuvre van The Reds, Pinks & Purples bestaat inmiddels uit zeven albums, een handvol EP’s en een stapeltje singles en alles is wat mij betreft even onweerstaanbaar.
Als ik luister naar de muziek van The Reds, Pinks & Purples zet een tijdmachine me in één keer terug naar de jaren 80 en komen flarden van al mijn favoriete albums uit dit decennium en het eerste deel van de jaren 90 voorbij. Ik was in de jaren 80 in muzikaal opzicht zeker niet eenkennig, maar als de albums van The Reds, Pinks & Purples in de jaren 80 waren verschenen weet ik wel wat destijds mijn favoriete band was geweest.
De albums die Glenn Donaldson onder de naam The Reds, Pinks & Purples maakt zijn op het eerste gehoor grotendeels inwisselbaar. Het is dan ook niet zo gek dat ik in al mijn recensies van de albums van de band ongeveer dezelfde woorden gebruik. Ook het deze week verschenen Unwishing Well is een album dat mooie herinneringen uit de jaren 80 naar boven haalt, dat strooit met zonnestralen, dat meedogenloos verleidt met heerlijk melodieuze songs, dat uitnodigt tot eindeloos wegdromen en dat nostalgie combineert met een beetje melancholie.
Ook Unwishing Well is weer een album dat uitnodigt tot het noemen van namen en dat levert bij mij vooral namen van muzikale helden uit de jaren 80 op, waaronder ook dit keer die van The La’s, Felt, The Smiths, Aztec Camera, The Lotus Eaters, Lloyd Cole & The Commotions en China Crisis. Ik kan daar nog een heleboel namen aan toevoegen, maar de muziek van Glenn Donaldson klinkt inmiddels toch vooral als de muziek van The Reds, Pinks & Purples.
Ik ben de afgelopen dagen weer eens door het inmiddels rijke oeuvre van de band gegaan en hoewel de muziek van de band de afgelopen vijf jaar uit grotendeels dezelfde ingrediënten bestaat, hoor ik nog altijd groei op de albums van de band uit San Francisco. Vergeleken met Anxiety Art, het album waar het in 2019 allemaal mee begon, klinkt Unwishing Well echt veel beter.
Ook in muzikaal en vocaal opzicht staat Glenn Donaldson zeker niet stil, waardoor Unwishing Well op zijn minst net zo memorabel is als de vorige albums van The Reds, Pinks & Purples. Ik vind het gitaarwerk op het nieuwe album nog net wat mooier en veelzijdiger en ook de stem van de Amerikaanse muzikant is nog net wat aansprekender dan op de vorige albums.
Er komt, zeker wanneer Glenn Donaldson zo productief blijft als in de afgelopen jaren en wanneer muzikale vernieuwing uitblijft, absoluut een moment waarop het oeuvre van zijn band groot genoeg is, maar dat moment is met Unwishing Well nog zeker niet bereikt. Ook het zevende album van The Reds, Pinks & Purples is een album vol (bitter)zoete verleiding en ook dit keer is het een album dat in de jaren 80 met de allerbeste albums mee zou hebben gekund.
Dat het album verschijnt op een moment dat de lente nogmaals probeert om de winter definitief te verdrijven kan ook geen toeval zijn, want een mooie lentedag wordt nog wat mooier met Unwishing Well door de oortjes, koptelefoon of speakers. Goed nieuws dus dit nieuwe album van The Reds, Pinks & Purples. Erwin Zijleman
The Reds, Pinks & Purples - You Might Be Happy Someday (2020)

4,0
0
geplaatst: 12 december 2020, 08:33 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Reds, Pinks And Purples - You Might Be Happy Someday - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Reds, Pinks And Purples - You Might Be Happy Someday
You Might Be Happy Someday van The Reds, Pinks And Purples is een album vol zonnestralen, flarden 80s en 90s en wonderschone melodieën, maar stiekem ook wel de nodige melancholie
Laat You Might Be Happy Someday van The Reds, Pinks And Purples uit de speakers komen en de donkere herfst- en winterklanken van het moment worden tijdelijk verdreven. De band rond of het alter ego van de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson opereert vanuit het zonnige San Francisco, maar neemt je mee terug naar het Engeland van de late jaren 80 en vroege jaren 90. You Might Be Happy Someday staat vol met heerlijk jengelende gitaren en wonderschone gitaarlijnen en boven alles met prachtig melodieuze songs die toch vooral de zon laten schijnen. Het lijkt aan de ene kant op van alles, maar aan de andere kant op helemaal niets. Heerlijk album voor deze donkere dagen.
De zon laat het de afgelopen dagen flink afweten, maar de behoefte aan zonnestralen is er niet minder om. Die zonnestralen komen de afgelopen weken helaas steeds minder vaak door de speakers, want het seizoen van de donkere herfst- en winteralbums is een tijdje geleden al begonnen. Zo af en toe duikt er gelukkig nog een uitzondering op.
You Might Be Happy Someday van The Reds, Pinks And Purples heeft qua titel weinig met zonnestralen te maken, maar de muziek van de band laat de zon gelukkig flink schijnen, al waait er ook in de muziek wel eens een donkere wolk over. Een echte band is The Reds, Pinks And Purples overigens niet. Het is een project van de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson, die in het verleden in cultbands als The Skygreen Leopards, The Art Museums, Vacant Gardens en The Ivytree speelde.
Glenn Donaldson woont en werkt vanuit het Californische San Francisco, dat momenteel zucht onder de coronapandemie, maar waar de zon nog altijd frequent schijnt. Die zon hoor je zoals gezegd terug in de muziek van The Reds, Pinks And Purples, maar de Amerikaanse eenmansband maakt zeker geen typisch Californische muziek. You Might Be Happy Someday, het debuut van The Reds, Pinks And Purples, klinkt vooral Brits en neemt je mee terug naar de tweede helft van de jaren 80 en de vroege jaren 90.
In de eerste recensies van het album wordt vrijwel zonder uitzondering gerefereerd naar de catalogus van het Britse label Sarah Records. De naam van dat label en de bands die dit label destijds tekende, deden bij mij niet direct een belletje rinkelen, maar de muziek van Glenn Donaldson nam me onmiddellijk mee terug naar het betreffende tijdperk.
Ik vind het niet heel makkelijk om de muziek van The Reds, Pinks And Purples heel precies te vergelijken met bands uit het verleden en als ik wat grover vergelijk komt er direct een lijst namen opzetten waarmee ik deze hele recensie kan vullen. You Might Be Happy Someday herinnert aan de romantische en zorgeloze popmuziek uit de jaren 80, maar hoorbare invloeden lopen door tot en met de Britpop van de jaren 90.
De muziek van The Reds, Pinks And Purples zit vol heerlijk jengelende gitaren, maar blinkt ook uit door wonderschone gitaarlijnen. Hiernaast zijn er de typische jaren 80 synths en de wat lome en onderkoelde vocalen, die me ook aan van alles uit de jaren 80 doen denken. Het debuut van de band is bovendien een album vol prachtig melodieuze en lekker in het gehoor liggende songs, dat de zon ook nog eens stevig laat schijnen.
Van The La’s en The Smiths tot Pulp en terug naar Aztec Camera en Lloyd Cole & The Commotions. Het bestrijkt direct een breed terrein aan invloeden, maar het is nog niet genoeg om de muziek van The Reds, Pinks And Purples te typeren, zo mis ik onder andere het geniale debuut van The Lotus Eaters nog.
You Might Be Happy Someday klonk mij direct zonnig in de oren, maar als je goed luistert komt er ook nog wel de nodige melancholie voorbij op het album. “The joy of sadness” is een treffende omschrijving die ik tegenkwam, maar het kan ook zo zijn dat het debuut van The Reds, Pinks And Purples zo zonnig klinkt omdat de meeste andere muziek van het moment zo donker is. Wat het ook is, You Might Be Happy Someday overtuigt me steeds meer. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Reds, Pinks And Purples - You Might Be Happy Someday - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Reds, Pinks And Purples - You Might Be Happy Someday
You Might Be Happy Someday van The Reds, Pinks And Purples is een album vol zonnestralen, flarden 80s en 90s en wonderschone melodieën, maar stiekem ook wel de nodige melancholie
Laat You Might Be Happy Someday van The Reds, Pinks And Purples uit de speakers komen en de donkere herfst- en winterklanken van het moment worden tijdelijk verdreven. De band rond of het alter ego van de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson opereert vanuit het zonnige San Francisco, maar neemt je mee terug naar het Engeland van de late jaren 80 en vroege jaren 90. You Might Be Happy Someday staat vol met heerlijk jengelende gitaren en wonderschone gitaarlijnen en boven alles met prachtig melodieuze songs die toch vooral de zon laten schijnen. Het lijkt aan de ene kant op van alles, maar aan de andere kant op helemaal niets. Heerlijk album voor deze donkere dagen.
De zon laat het de afgelopen dagen flink afweten, maar de behoefte aan zonnestralen is er niet minder om. Die zonnestralen komen de afgelopen weken helaas steeds minder vaak door de speakers, want het seizoen van de donkere herfst- en winteralbums is een tijdje geleden al begonnen. Zo af en toe duikt er gelukkig nog een uitzondering op.
You Might Be Happy Someday van The Reds, Pinks And Purples heeft qua titel weinig met zonnestralen te maken, maar de muziek van de band laat de zon gelukkig flink schijnen, al waait er ook in de muziek wel eens een donkere wolk over. Een echte band is The Reds, Pinks And Purples overigens niet. Het is een project van de Amerikaanse muzikant Glenn Donaldson, die in het verleden in cultbands als The Skygreen Leopards, The Art Museums, Vacant Gardens en The Ivytree speelde.
Glenn Donaldson woont en werkt vanuit het Californische San Francisco, dat momenteel zucht onder de coronapandemie, maar waar de zon nog altijd frequent schijnt. Die zon hoor je zoals gezegd terug in de muziek van The Reds, Pinks And Purples, maar de Amerikaanse eenmansband maakt zeker geen typisch Californische muziek. You Might Be Happy Someday, het debuut van The Reds, Pinks And Purples, klinkt vooral Brits en neemt je mee terug naar de tweede helft van de jaren 80 en de vroege jaren 90.
In de eerste recensies van het album wordt vrijwel zonder uitzondering gerefereerd naar de catalogus van het Britse label Sarah Records. De naam van dat label en de bands die dit label destijds tekende, deden bij mij niet direct een belletje rinkelen, maar de muziek van Glenn Donaldson nam me onmiddellijk mee terug naar het betreffende tijdperk.
Ik vind het niet heel makkelijk om de muziek van The Reds, Pinks And Purples heel precies te vergelijken met bands uit het verleden en als ik wat grover vergelijk komt er direct een lijst namen opzetten waarmee ik deze hele recensie kan vullen. You Might Be Happy Someday herinnert aan de romantische en zorgeloze popmuziek uit de jaren 80, maar hoorbare invloeden lopen door tot en met de Britpop van de jaren 90.
De muziek van The Reds, Pinks And Purples zit vol heerlijk jengelende gitaren, maar blinkt ook uit door wonderschone gitaarlijnen. Hiernaast zijn er de typische jaren 80 synths en de wat lome en onderkoelde vocalen, die me ook aan van alles uit de jaren 80 doen denken. Het debuut van de band is bovendien een album vol prachtig melodieuze en lekker in het gehoor liggende songs, dat de zon ook nog eens stevig laat schijnen.
Van The La’s en The Smiths tot Pulp en terug naar Aztec Camera en Lloyd Cole & The Commotions. Het bestrijkt direct een breed terrein aan invloeden, maar het is nog niet genoeg om de muziek van The Reds, Pinks And Purples te typeren, zo mis ik onder andere het geniale debuut van The Lotus Eaters nog.
You Might Be Happy Someday klonk mij direct zonnig in de oren, maar als je goed luistert komt er ook nog wel de nodige melancholie voorbij op het album. “The joy of sadness” is een treffende omschrijving die ik tegenkwam, maar het kan ook zo zijn dat het debuut van The Reds, Pinks And Purples zo zonnig klinkt omdat de meeste andere muziek van het moment zo donker is. Wat het ook is, You Might Be Happy Someday overtuigt me steeds meer. Erwin Zijleman
The Robert Cray Band - In My Soul (2014)

4,0
0
geplaatst: 31 maart 2014, 17:20 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Robert Cray Band - In My Soul - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De vorige plaat van The Robert Cray Band, het in de zomer van 2012 verschenen Nothin But Love, ontdekte ik pas na bijna anderhalf jaar. Dit keer ben ik er gelukkig weer wat sneller bij, want het in een bijzonder fraaie hoes gestoken In My Soul verscheen een paar dagen geleden. Bij beluisteringen van opener You Move Me weet je direct dat het weer goed zit. Robert Cray debuteerde in 1980 en heeft inmiddels een uit duizenden herkenbaar geluid, waarin zijn geweldige bluesy gitaarspel en zijn soulvolle vocalen een belangrijke rol spelen. Toch is In My Soul geen herhaling van zetten. Dat hoor je eigenlijk in bijna alle tracks die volgen, waaronder de cover van het van Otis Redding bekende Nobody’s Fault But Mine, waarin Cray de blues tijdens de tweede track op de plaat tijdelijk verruild voor pure soul en laat horen dat hij niet alleen als gitarist maar ook als zanger op een bijzonder hoog niveau opereert. In My Soul bevat meer tracks waarin invloeden uit de soul belangrijker zijn dan invloeden uit de blues en dat bevalt me wel. Ook wanneer Robert Cray zijn gitaarlijnen wat subtieler inkleurt, maakt hij diepe indruk met snarenwerk waarvan de meeste muzikanten alleen maar kunnen dromen. Waar voorganger Nothin But Love af en toe verzoop in een productie waarin de strijkers wel erg zwaar werden aangezet, is In My Soul een opvallend pure plaat zonder al te veel opsmuk. Het is een plaat waarop liefhebbers van de stem en het gitaarspel van Robert Cray ruimschoots aan hun trekken komen, maar ook een ieder die geen liefhebber is van de bluesy muziek van Robert Cray, zal onder de indruk zijn van de mooie soulvolle klanken op de nieuwe plaat van de muzikant uit Columbus, Georgia. In My Soul is een gedreven klinkende plaat waarop Cray zich niet heeft laten verleiden tot een maken van muziek met hitpotentie. Het tempo ligt op In My Soul wat lager dan we van Robert Cray gewend zijn en in een aantal songs mag Cray net wat langer door jammen, wat spectaculair gitaarwerk oplevert. Maar ook in de wat kortere songs met een ondersteunende rol van fraaie blazers, maakt Cray een gepassioneerde indruk en maakt hij muziek die geen compromissen heeft gesloten. Ik heb inmiddels een flink rijtje Robert Cray platen in huis, maar Cray klonk wat mij betreft nog niet vaak zo puur als op In My Soul. Natuurlijk helpt het lenteweer van het moment wat mee, maar ook als het twintig graden zou vriezen zou In My Soul van The Robert Cray Band zorgen voor zomerse temperaturen. Robert Cray heeft als succesvol bluesmuzikant de schijn wat tegen (idioot natuurlijk, maar het is niet anders) en hoeft daarom bij de critici niet te rekenen op heel veel krediet, maar wat hij op In My Soul laat horen is van grote klasse. Ik was eind vorig jaar met enige vertraging zeer onder de indruk van Nothin But Love, maar In My Soul is als je het mij vraagt nog een stuk beter. Robert Cray heeft een heerlijke plaat gemaakt voor late avonden en vroege ochtenden, maar ook in de tussenliggende perioden kan ik deze plaat uitstekend verdragen. In My Soul is de zoveelste kroon op het indrukwekkende werk van Robert Cray. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Robert Cray Band - In My Soul - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De vorige plaat van The Robert Cray Band, het in de zomer van 2012 verschenen Nothin But Love, ontdekte ik pas na bijna anderhalf jaar. Dit keer ben ik er gelukkig weer wat sneller bij, want het in een bijzonder fraaie hoes gestoken In My Soul verscheen een paar dagen geleden. Bij beluisteringen van opener You Move Me weet je direct dat het weer goed zit. Robert Cray debuteerde in 1980 en heeft inmiddels een uit duizenden herkenbaar geluid, waarin zijn geweldige bluesy gitaarspel en zijn soulvolle vocalen een belangrijke rol spelen. Toch is In My Soul geen herhaling van zetten. Dat hoor je eigenlijk in bijna alle tracks die volgen, waaronder de cover van het van Otis Redding bekende Nobody’s Fault But Mine, waarin Cray de blues tijdens de tweede track op de plaat tijdelijk verruild voor pure soul en laat horen dat hij niet alleen als gitarist maar ook als zanger op een bijzonder hoog niveau opereert. In My Soul bevat meer tracks waarin invloeden uit de soul belangrijker zijn dan invloeden uit de blues en dat bevalt me wel. Ook wanneer Robert Cray zijn gitaarlijnen wat subtieler inkleurt, maakt hij diepe indruk met snarenwerk waarvan de meeste muzikanten alleen maar kunnen dromen. Waar voorganger Nothin But Love af en toe verzoop in een productie waarin de strijkers wel erg zwaar werden aangezet, is In My Soul een opvallend pure plaat zonder al te veel opsmuk. Het is een plaat waarop liefhebbers van de stem en het gitaarspel van Robert Cray ruimschoots aan hun trekken komen, maar ook een ieder die geen liefhebber is van de bluesy muziek van Robert Cray, zal onder de indruk zijn van de mooie soulvolle klanken op de nieuwe plaat van de muzikant uit Columbus, Georgia. In My Soul is een gedreven klinkende plaat waarop Cray zich niet heeft laten verleiden tot een maken van muziek met hitpotentie. Het tempo ligt op In My Soul wat lager dan we van Robert Cray gewend zijn en in een aantal songs mag Cray net wat langer door jammen, wat spectaculair gitaarwerk oplevert. Maar ook in de wat kortere songs met een ondersteunende rol van fraaie blazers, maakt Cray een gepassioneerde indruk en maakt hij muziek die geen compromissen heeft gesloten. Ik heb inmiddels een flink rijtje Robert Cray platen in huis, maar Cray klonk wat mij betreft nog niet vaak zo puur als op In My Soul. Natuurlijk helpt het lenteweer van het moment wat mee, maar ook als het twintig graden zou vriezen zou In My Soul van The Robert Cray Band zorgen voor zomerse temperaturen. Robert Cray heeft als succesvol bluesmuzikant de schijn wat tegen (idioot natuurlijk, maar het is niet anders) en hoeft daarom bij de critici niet te rekenen op heel veel krediet, maar wat hij op In My Soul laat horen is van grote klasse. Ik was eind vorig jaar met enige vertraging zeer onder de indruk van Nothin But Love, maar In My Soul is als je het mij vraagt nog een stuk beter. Robert Cray heeft een heerlijke plaat gemaakt voor late avonden en vroege ochtenden, maar ook in de tussenliggende perioden kan ik deze plaat uitstekend verdragen. In My Soul is de zoveelste kroon op het indrukwekkende werk van Robert Cray. Erwin Zijleman
The Rolling Stones - Black and Blue (1976)
Alternatieve titel: Black n Blue

4,5
0
geplaatst: 16 november 2025, 20:19 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Rolling Stones - Black And Blue, Deluxe Edition (1976) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Rolling Stones - Black And Blue, Deluxe Edition (1976)
Bijna vijftig jaar geleden verscheen Black And Blue, een wat onderschat album van The Rolling Stones, dat wel degelijk moet worden gerekend tot het stapeltje met de betere albums van de Britse band
Black And Blue was voor mij tot voor kort een blinde vlek. Ik ken de albums ervoor en de albums erna, maar naar Black And Blue had ik nog nooit geluisterd. Het album is deze week verschenen in een luxe uitgave. De luxe editie van Black And Blue bevat een aantal bonus tracks met de andere gitaristen die de band uitprobeerde naast Ron Wood en werkelijk geweldig livemateriaal, maar het draait om het originele album, dat van een nieuwe mix is voorzien door niemand minder dan Steven Wilson. Black And Blue is een typisch Rolling Stones album, maar het is ook een album waarop de band nieuwe wegen verkent. Het was voor mij een onbekend album, maar vanaf nu een favoriet album van de band.
Ik ben thuis eerder opgevoed met de muziek van The Beatles dan met de muziek van The Rolling Stones en ook toen ik zelf muziek ging ontdekken ging mijn voorkeur in eerste instantie uit naar de muziek van The Beatles, wiens oeuvre ik al vrij snel kende. Mijn eerste kennismaking met de muziek van The Stones stamt uit 1978 toen het uitstekende Some Girls verscheen.
Na Some Girls pikte ik ook Emotional Rescue uit 1980 nog op, maar hierna begon ik aan een ontdekkingstocht naar het verleden van de roemruchte Britse band. Hierbij richtte ik me op alles dat de band tussen 1966 (Aftermath) en 1974 (It’s Only Rock ’n Roll) uitbracht. Het leverde me favoriete Stones albums als Their Satanic Majesties Request, Beggars Banquet, Let It Bleed, Get Yer Ya-Ya's Out!, Sticky Fingers, en Exile On Main St. op.
Er is precies één album dat wat tussen wal en schip viel en dat album is deze week opnieuw uitgebracht. Dat gebeurt op een enigszins onlogisch moment, want het album Black And Blue viert pas komend voorjaar de vijftigste verjaardag. Black And Blue werd opgenomen in voor de band roerige tijden. De twee albums die volgden op Exile On Main St., Goat Heads Soup en It’s Only Rock ’n Roll, werden niet zo goed ontvangen als de serie albums die er aan vooraf ging en tot overmaat van ramp keerde ook gitarist Mick Taylor de band de rug toe.
De sessies die uiteindelijk zouden leiden tot Black And Blue waren ook sessies waarmee de band een nieuwe gitarist naast Keith Richards probeerde te vinden. Harvey Mandel, Wayne Perkins, Jeff Beck, Robert A. Johnson en Ron Wood probeerden het allemaal, maar laatstgenoemde, kreeg uiteindelijk de felbegeerde baan, nadat hij in 1975 ook al op het podium had gestaan met de band.
Ik had Black And Blue nog nooit volledig beluisterd en kende op voorhand eigenlijk maar drie songs van het album: Cherry Oh Baby, Hot Stuff en Fool To Cry. De eerste vind ik niks, de middelste zozo en de laatste prachtig, maar de rest van Black And Blue was op zijn minst redelijk nieuw voor mij.
Het album is niet in de geschiedenisboeken terecht gekomen als een van de betere albums van The Rolling Stones, maar Black And Blue bevalt me eigenlijk verrassend goed. Op Black And Blue klinken de wat stevigere songs nog vol vuur en zijn de ballads ijzersterk. Black And Blue klinkt nog deels als de albums die de band aan het begin van de jaren 70 maakte, maar je hoort ook al de impulsen uit onder andere de funk die op Some Girls en Emotional Rescue verder zouden worden uitgewerkt.
De nieuwe mix van Steven Wilson klinkt werkelijk fantastisch en uiteraard is er ook veel bonusmateriaal. Zo zijn er opnames uit de sessies waarin onder andere Jeff Beck is te horen als gitarist, maar de kers op de taart vind ik de liveopnamen uit 1976. Ik zag de Stones zelf pas in de jaren 80 voor het eerst, maar in 1976 was de band echt veel beter. Met name het gitaarwerk is heerlijk, maar Mick Jagger is ook nog uitstekend bij stem.
Ondanks het geweldige livemateriaal en de waardevolle bonustracks is het originele album voor mij het meest waardevol. Black And Blue was bij mij tussen wal en schip gevallen, maar ik voeg het album alsnog toe aan het lijstje met mijn favoriete albums van de legendarische Britse band. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Rolling Stones - Black And Blue, Deluxe Edition (1976) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Rolling Stones - Black And Blue, Deluxe Edition (1976)
Bijna vijftig jaar geleden verscheen Black And Blue, een wat onderschat album van The Rolling Stones, dat wel degelijk moet worden gerekend tot het stapeltje met de betere albums van de Britse band
Black And Blue was voor mij tot voor kort een blinde vlek. Ik ken de albums ervoor en de albums erna, maar naar Black And Blue had ik nog nooit geluisterd. Het album is deze week verschenen in een luxe uitgave. De luxe editie van Black And Blue bevat een aantal bonus tracks met de andere gitaristen die de band uitprobeerde naast Ron Wood en werkelijk geweldig livemateriaal, maar het draait om het originele album, dat van een nieuwe mix is voorzien door niemand minder dan Steven Wilson. Black And Blue is een typisch Rolling Stones album, maar het is ook een album waarop de band nieuwe wegen verkent. Het was voor mij een onbekend album, maar vanaf nu een favoriet album van de band.
Ik ben thuis eerder opgevoed met de muziek van The Beatles dan met de muziek van The Rolling Stones en ook toen ik zelf muziek ging ontdekken ging mijn voorkeur in eerste instantie uit naar de muziek van The Beatles, wiens oeuvre ik al vrij snel kende. Mijn eerste kennismaking met de muziek van The Stones stamt uit 1978 toen het uitstekende Some Girls verscheen.
Na Some Girls pikte ik ook Emotional Rescue uit 1980 nog op, maar hierna begon ik aan een ontdekkingstocht naar het verleden van de roemruchte Britse band. Hierbij richtte ik me op alles dat de band tussen 1966 (Aftermath) en 1974 (It’s Only Rock ’n Roll) uitbracht. Het leverde me favoriete Stones albums als Their Satanic Majesties Request, Beggars Banquet, Let It Bleed, Get Yer Ya-Ya's Out!, Sticky Fingers, en Exile On Main St. op.
Er is precies één album dat wat tussen wal en schip viel en dat album is deze week opnieuw uitgebracht. Dat gebeurt op een enigszins onlogisch moment, want het album Black And Blue viert pas komend voorjaar de vijftigste verjaardag. Black And Blue werd opgenomen in voor de band roerige tijden. De twee albums die volgden op Exile On Main St., Goat Heads Soup en It’s Only Rock ’n Roll, werden niet zo goed ontvangen als de serie albums die er aan vooraf ging en tot overmaat van ramp keerde ook gitarist Mick Taylor de band de rug toe.
De sessies die uiteindelijk zouden leiden tot Black And Blue waren ook sessies waarmee de band een nieuwe gitarist naast Keith Richards probeerde te vinden. Harvey Mandel, Wayne Perkins, Jeff Beck, Robert A. Johnson en Ron Wood probeerden het allemaal, maar laatstgenoemde, kreeg uiteindelijk de felbegeerde baan, nadat hij in 1975 ook al op het podium had gestaan met de band.
Ik had Black And Blue nog nooit volledig beluisterd en kende op voorhand eigenlijk maar drie songs van het album: Cherry Oh Baby, Hot Stuff en Fool To Cry. De eerste vind ik niks, de middelste zozo en de laatste prachtig, maar de rest van Black And Blue was op zijn minst redelijk nieuw voor mij.
Het album is niet in de geschiedenisboeken terecht gekomen als een van de betere albums van The Rolling Stones, maar Black And Blue bevalt me eigenlijk verrassend goed. Op Black And Blue klinken de wat stevigere songs nog vol vuur en zijn de ballads ijzersterk. Black And Blue klinkt nog deels als de albums die de band aan het begin van de jaren 70 maakte, maar je hoort ook al de impulsen uit onder andere de funk die op Some Girls en Emotional Rescue verder zouden worden uitgewerkt.
De nieuwe mix van Steven Wilson klinkt werkelijk fantastisch en uiteraard is er ook veel bonusmateriaal. Zo zijn er opnames uit de sessies waarin onder andere Jeff Beck is te horen als gitarist, maar de kers op de taart vind ik de liveopnamen uit 1976. Ik zag de Stones zelf pas in de jaren 80 voor het eerst, maar in 1976 was de band echt veel beter. Met name het gitaarwerk is heerlijk, maar Mick Jagger is ook nog uitstekend bij stem.
Ondanks het geweldige livemateriaal en de waardevolle bonustracks is het originele album voor mij het meest waardevol. Black And Blue was bij mij tussen wal en schip gevallen, maar ik voeg het album alsnog toe aan het lijstje met mijn favoriete albums van de legendarische Britse band. Erwin Zijleman
The Rolling Stones - Some Girls (1978)

4,5
1
geplaatst: 6 augustus 2023, 20:06 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Rolling Stones - Some Girls (1978) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Rolling Stones - Some Girls (1978)
Het rijtje met favoriete Rolling Stones albums bevat meestal albums uit de late jaren 60 en vroege jaren 70, maar ik heb persoonlijk nog altijd een enorm zwak voor het in 1978 verschenen Some Girls
Toen de punkgolf Europa overspoelde leek het gedaan met de grote rockbands uit het verleden, die onder de met uitsterven bedreigde dinosaurussen werden geschaard. The Rolling Stones verkeerden sowieso al niet in goeden doen na een aantal zwakke albums en het vertrek van gitarist Mick Taylor, maar met Some Girls stond de band weer op. Het album bevatte een geslaagde flirt met disco (Miss You), maar liet toch vooral het rauwe rockgeluid uit de gloriejaren van de band horen. Op Some Girls klinkt de band gedreven en grossiert het in memorabele songs, wat na dit album helaas niet al te vaak meer zou gebeuren. Some Girls is misschien geen erkende Stones klassieker, maar het is absoluut een van hun beste albums.
Ik zat nog op de kleuterschool toen de strijd tussen The Beatles en The Stones haar hoogtepunt bereikte, maar toen ik een paar jaar later geïnteresseerd raakte in popmuziek, had ik veel meer met de muziek van The Beatles dan met die van The Rolling Stones. Toen ik zo ongeveer alles van The Beatles in huis had gehaald, kwam er één album van The Rolling Stones bij. Het was het in 1978 verschenen Some Girls, dat ik vooral vanwege de bijzondere hoes met draaischijf had gekocht.
Ik heb de schade later aardig ingehaald en als ik nu mijn favoriete Rolling Stones album zou moeten kiezen zou ik twijfelen tussen Beggars Banquet, Let It Bleed, het live-album Get Yer Ya-Ya's Out!, Sticky Fingers en Exile On Main Street, maar ik heb ook altijd een zwak gehouden voor de twee albums die ik als eerste kocht. Dat was naast Some Girls ook het in 1981 verschenen Tattoo You, dat objectief beschouwd het laatste echt goede Rolling Stones album is en zeker het laatst echt goede studioalbum met eigen songs. Ik heb echter een groter zwak voor Some Girls, dat ik echt niet veel minder vind dan het eerder genoemde rijtje met klassiekers van de band.
Some Girls is een album dat in de tijd moet worden geplaatst. Het is het eerste Rolling Stones studioalbum dat verscheen nadat de punk zijn intrede had gedaan in het Verenigd Koninkrijk. Het is bovendien een album dat volgt op een aantal wat mindere albums van de band en op het vertrek van Mick Taylor. Vergeleken met deze albums klinkt Some Girls een stuk energieker en laat de band bovendien een geluid horen dat dichter bij dat van de genoemde topalbums ligt.
Some Girls bevat met Miss You en Beast Of Burden twee geweldige singles, terwijl de derde single Respectable laat horen dat ook The Rolling Stones nog ruwe muziek zonder opsmuk konden maken. Miss You bevatte een vleugje disco en met Far Away Eyes bevatte het album ook nog een countryrock track, maar de nadruk lag op Some Girls weer op de ruwe rocksongs met hier en daar wat bluesy accenten.
Keith Richards en Ron Wood, die voor het eerst als volwaardig lid van de band is te horen, tekenen voor lekker rauw gitaargeluid, Bill Wyman en Charlie Watts spelen solide en Mick Jagger is goed bij stem. Het in Parijs opgenomen album werd degelijk geproduceerd door Mick Jagger en Keith Richards en het is een album dat 45 jaar na de release nog opvallend fris klinkt.
Net als zoveel andere grote rockbands uit de jaren 60 en vroege jaren 70 werden The Rolling Stones als belegen popsterren afgeschreven toen de punkgolf Engeland bereikte, maar met Some Girls leefde de Britse band juist weer op na een aantal magere jaren. De band zou de goede vorm nog één album (Tattoo You) vast weten te houden, maar bereikte hierna nooit meer het niveau van Some Girls.
Ik heb het album voor deze recensie de afgelopen week weer een aantal keren beluisterd en was direct weer onder de indruk van de songs op het album. In de geschiedenisboeken volgt Some Girls op eerbiedige afstand van de erkende klassiekers van The Rolling Stones, maar objectief beschouwd vind ik het verschil niet zo groot. Op Some Girls is de Britse band uitstekend op dreef en beschikt het nog in ruime mate over de vaardigheid om memorabele songs te schrijven.
Het zijn songs die ik als tiener geweldig vond en dat is nog steeds zo, al hebben de wat seksistische teksten de tand des tijds wat minder goed doorstaan. En die inmiddels wat versleten platenhoes met draaischijf, die nog steeds werkt, blijft absoluut een van de meest bijzondere hoezen die ik voorbij heb zien komen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Rolling Stones - Some Girls (1978) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Rolling Stones - Some Girls (1978)
Het rijtje met favoriete Rolling Stones albums bevat meestal albums uit de late jaren 60 en vroege jaren 70, maar ik heb persoonlijk nog altijd een enorm zwak voor het in 1978 verschenen Some Girls
Toen de punkgolf Europa overspoelde leek het gedaan met de grote rockbands uit het verleden, die onder de met uitsterven bedreigde dinosaurussen werden geschaard. The Rolling Stones verkeerden sowieso al niet in goeden doen na een aantal zwakke albums en het vertrek van gitarist Mick Taylor, maar met Some Girls stond de band weer op. Het album bevatte een geslaagde flirt met disco (Miss You), maar liet toch vooral het rauwe rockgeluid uit de gloriejaren van de band horen. Op Some Girls klinkt de band gedreven en grossiert het in memorabele songs, wat na dit album helaas niet al te vaak meer zou gebeuren. Some Girls is misschien geen erkende Stones klassieker, maar het is absoluut een van hun beste albums.
Ik zat nog op de kleuterschool toen de strijd tussen The Beatles en The Stones haar hoogtepunt bereikte, maar toen ik een paar jaar later geïnteresseerd raakte in popmuziek, had ik veel meer met de muziek van The Beatles dan met die van The Rolling Stones. Toen ik zo ongeveer alles van The Beatles in huis had gehaald, kwam er één album van The Rolling Stones bij. Het was het in 1978 verschenen Some Girls, dat ik vooral vanwege de bijzondere hoes met draaischijf had gekocht.
Ik heb de schade later aardig ingehaald en als ik nu mijn favoriete Rolling Stones album zou moeten kiezen zou ik twijfelen tussen Beggars Banquet, Let It Bleed, het live-album Get Yer Ya-Ya's Out!, Sticky Fingers en Exile On Main Street, maar ik heb ook altijd een zwak gehouden voor de twee albums die ik als eerste kocht. Dat was naast Some Girls ook het in 1981 verschenen Tattoo You, dat objectief beschouwd het laatste echt goede Rolling Stones album is en zeker het laatst echt goede studioalbum met eigen songs. Ik heb echter een groter zwak voor Some Girls, dat ik echt niet veel minder vind dan het eerder genoemde rijtje met klassiekers van de band.
Some Girls is een album dat in de tijd moet worden geplaatst. Het is het eerste Rolling Stones studioalbum dat verscheen nadat de punk zijn intrede had gedaan in het Verenigd Koninkrijk. Het is bovendien een album dat volgt op een aantal wat mindere albums van de band en op het vertrek van Mick Taylor. Vergeleken met deze albums klinkt Some Girls een stuk energieker en laat de band bovendien een geluid horen dat dichter bij dat van de genoemde topalbums ligt.
Some Girls bevat met Miss You en Beast Of Burden twee geweldige singles, terwijl de derde single Respectable laat horen dat ook The Rolling Stones nog ruwe muziek zonder opsmuk konden maken. Miss You bevatte een vleugje disco en met Far Away Eyes bevatte het album ook nog een countryrock track, maar de nadruk lag op Some Girls weer op de ruwe rocksongs met hier en daar wat bluesy accenten.
Keith Richards en Ron Wood, die voor het eerst als volwaardig lid van de band is te horen, tekenen voor lekker rauw gitaargeluid, Bill Wyman en Charlie Watts spelen solide en Mick Jagger is goed bij stem. Het in Parijs opgenomen album werd degelijk geproduceerd door Mick Jagger en Keith Richards en het is een album dat 45 jaar na de release nog opvallend fris klinkt.
Net als zoveel andere grote rockbands uit de jaren 60 en vroege jaren 70 werden The Rolling Stones als belegen popsterren afgeschreven toen de punkgolf Engeland bereikte, maar met Some Girls leefde de Britse band juist weer op na een aantal magere jaren. De band zou de goede vorm nog één album (Tattoo You) vast weten te houden, maar bereikte hierna nooit meer het niveau van Some Girls.
Ik heb het album voor deze recensie de afgelopen week weer een aantal keren beluisterd en was direct weer onder de indruk van de songs op het album. In de geschiedenisboeken volgt Some Girls op eerbiedige afstand van de erkende klassiekers van The Rolling Stones, maar objectief beschouwd vind ik het verschil niet zo groot. Op Some Girls is de Britse band uitstekend op dreef en beschikt het nog in ruime mate over de vaardigheid om memorabele songs te schrijven.
Het zijn songs die ik als tiener geweldig vond en dat is nog steeds zo, al hebben de wat seksistische teksten de tand des tijds wat minder goed doorstaan. En die inmiddels wat versleten platenhoes met draaischijf, die nog steeds werkt, blijft absoluut een van de meest bijzondere hoezen die ik voorbij heb zien komen. Erwin Zijleman
The Rural Alberta Advantage - The Rise & The Fall (2023)

4,0
0
geplaatst: 27 december 2023, 19:56 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Rural Alberta Advantage - The Rise & The Fall - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Rural Alberta Advantage - The Rise & The Fall
Bij eerste beluistering van het vijfde album van The Rural Alberta Advantage had ik wat teveel associaties met de muziek van The Lumineers, maar The Rise & The Fall blijkt al snel een uitstekend album
Liefhebbers van de albums van de Amerikaanse band The Lumineers zullen onmiddellijk gecharmeerd zijn van de muziek van de Canadese band The Rural Alberta Advantage, al kan de overeenkomst met de muziek van de Amerikaanse band de Canadezen ook in de weg zitten. Ik had zelf wat tijd nodig om te wennen aan de overeenkomsten tussen beide bands, maar uiteindelijk ben ik behoorlijk onder de indruk van The Rise & The Fall, dat wat mij betreft niet onder doet voor de albums van The Lumineers. Een mooier compliment kan ik de band uit Toronto niet maken en The Rise & The Fall is ook nog eens een album dat nog wel even door groeit.
Bij beluistering van The Rise & The Fall, het afgelopen herfst verschenen vijfde album van de Canadese band The Rural Alberta Advantage dacht ik even met nieuw werk van de Amerikaanse band The Lumineers te maken te hebben. De openingstrack van The Rise & The Fall lijkt zowel qua muziek als qua zang sprekend op de muziek die The Lumineers de afgelopen jaren hebben gemaakt en ook de song zelf is van het soort waar de Amerikaanse band patent op heeft.
Nu ben ik persoonlijk gek op de muziek van The Lumineers. Vrijwel alle albums van de Amerikaanse band haalden mijn jaarlijstje en met name III uit 2019 schaar ik onder mijn favoriete albums van de afgelopen jaren. Alle reden dus om te houden van de muziek van The Rural Alberta Advantage, maar de eerste vier albums van de band uit Toronto schoof ik terzijde en ook album nummer vijf kwam afgelopen herfst op de verkeerde stapel terecht en dat terwijl ik het het afgelopen jaar moest doen zonder een nieuw album van The Lumineers.
Ik weet eerlijk gezegd niet of de vergelijking met de Amerikaanse band me echt in de weg zat, want The Lumineers verdienen het wat mij betreft om een belangrijke inspiratiebron te zijn. Oktober was ook gewoon een erg drukke release maand, waarin er weinig tijd was om goed naar alle verschenen albums te luisteren. Dat had in het geval van The Rise & The Fall van The Rural Alberta Advantage zeker geholpen, want nu ik het album vaker heb beluisterd ben ik zeer gecharmeerd van het album en hoor ik dat de Canadese band meer kan dan songs in de stijl van The Lumineers maken.
Met name door de zang heeft The Rise & The Fall in vrijwel alle tracks een aangename The Lumineers vibe, maar zeker in de wat meer ingetogen songs schuift The Rural Alberta Advantage wat op richting Amerikaanse rootsmuziek en heeft de band een duidelijker eigen geluid. Dat heeft de band ook wanneer het kiest voor juist wat stevigere songs met mooi gitaarwerk.
De raakvlakken met de populaire Amerikaanse band zijn natuurlijk ook niet alleen de zwakte van The Rise & The Fall. Het album staat vol met aantrekkelijke songs en in muzikaal opzicht zit het album knap in elkaar. Ook over de zang van zanger en gitarist Nils Edenloff ben ik zeer te spreken, zeker als bassist en toetsenist Amy Cole subtiele achtergrondvocalen toevoegt.
The Rise & The Fall is een album dat meer verdient dan snelle beluistering van de eerste paar tracks (wat ik in oktober deed). De songs van de Canadese band zijn immers behoorlijk veelzijdig en het zijn bovendien songs die beter worden wanneer je ze vaker hoort. De vergelijking met de muziek van The Lumineers wordt verder steeds meer naar de achtergrond verdrongen, enerzijds omdat The Rural Alberta Advantage ook op meerdere manieren anders kan klinken dan de Amerikaanse band en anderzijds omdat de songs op The Rise & The Fall goed genoeg zijn om de vergelijking met andere bands goed te kunnen doorstaan.
Ik heb na The Rise & The Fall inmiddels ook de andere albums van de Canadese band beluisterd, maar vind het nieuwe album van de band, dat overigens vorm kreeg tijdens een aantal Zoom meetings tijdens de coronapandemie, er flink uitspringen. Ik zag het album de afgelopen week opduiken in een Canadees jaarlijstje en dat is niet overdreven, want The Rise & The Fall is meer dan het geweldige Lumineers album dat de Amerikaanse band in 2023 zelf niet heeft gemaakt. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Rural Alberta Advantage - The Rise & The Fall - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Rural Alberta Advantage - The Rise & The Fall
Bij eerste beluistering van het vijfde album van The Rural Alberta Advantage had ik wat teveel associaties met de muziek van The Lumineers, maar The Rise & The Fall blijkt al snel een uitstekend album
Liefhebbers van de albums van de Amerikaanse band The Lumineers zullen onmiddellijk gecharmeerd zijn van de muziek van de Canadese band The Rural Alberta Advantage, al kan de overeenkomst met de muziek van de Amerikaanse band de Canadezen ook in de weg zitten. Ik had zelf wat tijd nodig om te wennen aan de overeenkomsten tussen beide bands, maar uiteindelijk ben ik behoorlijk onder de indruk van The Rise & The Fall, dat wat mij betreft niet onder doet voor de albums van The Lumineers. Een mooier compliment kan ik de band uit Toronto niet maken en The Rise & The Fall is ook nog eens een album dat nog wel even door groeit.
Bij beluistering van The Rise & The Fall, het afgelopen herfst verschenen vijfde album van de Canadese band The Rural Alberta Advantage dacht ik even met nieuw werk van de Amerikaanse band The Lumineers te maken te hebben. De openingstrack van The Rise & The Fall lijkt zowel qua muziek als qua zang sprekend op de muziek die The Lumineers de afgelopen jaren hebben gemaakt en ook de song zelf is van het soort waar de Amerikaanse band patent op heeft.
Nu ben ik persoonlijk gek op de muziek van The Lumineers. Vrijwel alle albums van de Amerikaanse band haalden mijn jaarlijstje en met name III uit 2019 schaar ik onder mijn favoriete albums van de afgelopen jaren. Alle reden dus om te houden van de muziek van The Rural Alberta Advantage, maar de eerste vier albums van de band uit Toronto schoof ik terzijde en ook album nummer vijf kwam afgelopen herfst op de verkeerde stapel terecht en dat terwijl ik het het afgelopen jaar moest doen zonder een nieuw album van The Lumineers.
Ik weet eerlijk gezegd niet of de vergelijking met de Amerikaanse band me echt in de weg zat, want The Lumineers verdienen het wat mij betreft om een belangrijke inspiratiebron te zijn. Oktober was ook gewoon een erg drukke release maand, waarin er weinig tijd was om goed naar alle verschenen albums te luisteren. Dat had in het geval van The Rise & The Fall van The Rural Alberta Advantage zeker geholpen, want nu ik het album vaker heb beluisterd ben ik zeer gecharmeerd van het album en hoor ik dat de Canadese band meer kan dan songs in de stijl van The Lumineers maken.
Met name door de zang heeft The Rise & The Fall in vrijwel alle tracks een aangename The Lumineers vibe, maar zeker in de wat meer ingetogen songs schuift The Rural Alberta Advantage wat op richting Amerikaanse rootsmuziek en heeft de band een duidelijker eigen geluid. Dat heeft de band ook wanneer het kiest voor juist wat stevigere songs met mooi gitaarwerk.
De raakvlakken met de populaire Amerikaanse band zijn natuurlijk ook niet alleen de zwakte van The Rise & The Fall. Het album staat vol met aantrekkelijke songs en in muzikaal opzicht zit het album knap in elkaar. Ook over de zang van zanger en gitarist Nils Edenloff ben ik zeer te spreken, zeker als bassist en toetsenist Amy Cole subtiele achtergrondvocalen toevoegt.
The Rise & The Fall is een album dat meer verdient dan snelle beluistering van de eerste paar tracks (wat ik in oktober deed). De songs van de Canadese band zijn immers behoorlijk veelzijdig en het zijn bovendien songs die beter worden wanneer je ze vaker hoort. De vergelijking met de muziek van The Lumineers wordt verder steeds meer naar de achtergrond verdrongen, enerzijds omdat The Rural Alberta Advantage ook op meerdere manieren anders kan klinken dan de Amerikaanse band en anderzijds omdat de songs op The Rise & The Fall goed genoeg zijn om de vergelijking met andere bands goed te kunnen doorstaan.
Ik heb na The Rise & The Fall inmiddels ook de andere albums van de Canadese band beluisterd, maar vind het nieuwe album van de band, dat overigens vorm kreeg tijdens een aantal Zoom meetings tijdens de coronapandemie, er flink uitspringen. Ik zag het album de afgelopen week opduiken in een Canadees jaarlijstje en dat is niet overdreven, want The Rise & The Fall is meer dan het geweldige Lumineers album dat de Amerikaanse band in 2023 zelf niet heeft gemaakt. Erwin Zijleman
The Sadies - Colder Streams (2022)

4,0
3
geplaatst: 27 juli 2022, 11:59 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Sadies - Colder Streams - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Sadies - Colder Streams
Door het overlijden van voorman Dallas Good eerder dit jaar is Colder Streams waarschijnlijk de zwanenzang van de Canadese band The Sadies, maar het is gelukkig een afscheid in stijl geworden
De Canadese band The Sadies heeft de afgelopen 25 jaar een bijzonder oeuvre opgebouwd. Het is een oeuvre dat zo lijkt weggelopen uit de jaren 60 en dat uit dit decennium zeer uiteenlopende invloeden verwerkt. De band verkeerde in topvorm op het in 2017 verschenen Northern Passages en werkte door de coronapandemie lang aan de opvolger Colder Streams, dat vorig jaar werd aangekondigd. Door het onverwachte overlijden van voorman Dallas Good eerder dit jaar is de terugkeer van The Sadies helaas ook direct een afscheid geworden. Het levert een typisch The Sadies album op met een veelheid aan invloeden, waarvan de meeste uit de jaren 60 komen.
Begin dit jaar overleed de Canadese muzikant Dallas Good. Het is een naam die niet bij iedereen een belletje zal doen rinkelen, maar liefhebbers van de Canadese band The Sadies kennen hem als de zanger en gitarist van deze bijzondere band. Dallas Good formeerde de band samen met zijn broer Travis aan het begin van de jaren 90 en bouwde vanaf de tweede helft van de jaren 90 aan een bijzonder oeuvre. The Sadies maakten tussen 1998 en 2017 negen studioalbums, maar trokken minstens evenveel aandacht met de samenwerking met andere muzikanten, onder wie Andre Williams, John Doe, Neko Case en The Tragically Hip zanger Gord Downie.
Het in 2017 verschenen en zeer overtuigende Northern Passages leek door de trieste dood van Dallas Good de zwanenzang van de Canadese band te worden, maar deze week verscheen dan toch nog het album waar de band tijdens de coronapandemie aan werkte. De overgebleven leden van de band zijn inmiddels begonnen aan een tour ter promotie van het tiende album van de band, maar dat Colder Streams de zwanenzang van The Sadies is lijkt zeker.
De Canadese band verkeerde op het in 2017 verschenen Northern Passages in topvorm en begon dan ook vol vertrouwen aan het opnemen van Colder Streams. In 2019 dook de band voor het eerst de studio in Montreal in, waar Richard Reed Parry plaats nam achter de knoppen. De Canadese muzikant en producer is vooral bekend van The Arcade Fire, maar hij is ook een groot fan van The Sadies.
The Sadies en Richard Reed Parry waren nog maar net begonnen aan het opnemen van het album toen de coronapandemie de wereld in haar greep kreeg en het opnemen van muziek opeens een stuk lastiger werd. De band nam de tijd voor Colder Streams, maar eind vorig jaar kondigde Dallas Good het album vol trots aan. De trieste dood van de pas 48 jaar oude muzikant leek roet in het eten te gooien, maar gelukkig kon het album toch worden afgerond en uitgebracht.
Colder Streams ligt in het verlengde van het zo goede Northern Passages, dat zo leek weggelopen uit de jaren 60. Dat geldt ook weer voor Colder Streams, dat niet van deze tijd lijkt. The Sadies vinden ook op Colder Streams hun inspiratie weer vooral in de jaren 60, waarbij er niet wordt gekeken op een genre meer of minder. The Sadies maken ook op Colder Streams geen geheim van hun liefde voor psychedelica, maar de Canadese band kan ook overweg met invloeden uit de folkrock, country, surf en rock, om maar eens een paar invloeden te noemen, en gaat zelfs een vleugje reggae niet uit de weg.
The Sadies speelden de afgelopen twee decennia in dezelfde samenstelling en dat hoor je, want wat klinkt de band weer hecht en gedreven, met vaak een glansrol voor multi-instrumentalist en snarenwonder Travis Good en hier en daar bijdragen van gastmuzikanten, onder wie Jon Spencer. De inspiratie ligt misschien in het verleden, maar The Sadies zijn zeker geen gezapig retro bandje.
Dallas Good schreef eind vorig jaar de begeleidende tekst voor het album op de bandcamp pagina van The Sadies en zegt het volgende over het album: “Colder Streams' is, by far, the best record that has ever been made by anyone. Ever.”. Dat is misschien wat overdreven, maar het is een album dat binnen het oeuvre van de band met de beste albums mee kan, wat van Colder Streams een mooi en waardig slotakkoord maakt. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Sadies - Colder Streams - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Sadies - Colder Streams
Door het overlijden van voorman Dallas Good eerder dit jaar is Colder Streams waarschijnlijk de zwanenzang van de Canadese band The Sadies, maar het is gelukkig een afscheid in stijl geworden
De Canadese band The Sadies heeft de afgelopen 25 jaar een bijzonder oeuvre opgebouwd. Het is een oeuvre dat zo lijkt weggelopen uit de jaren 60 en dat uit dit decennium zeer uiteenlopende invloeden verwerkt. De band verkeerde in topvorm op het in 2017 verschenen Northern Passages en werkte door de coronapandemie lang aan de opvolger Colder Streams, dat vorig jaar werd aangekondigd. Door het onverwachte overlijden van voorman Dallas Good eerder dit jaar is de terugkeer van The Sadies helaas ook direct een afscheid geworden. Het levert een typisch The Sadies album op met een veelheid aan invloeden, waarvan de meeste uit de jaren 60 komen.
Begin dit jaar overleed de Canadese muzikant Dallas Good. Het is een naam die niet bij iedereen een belletje zal doen rinkelen, maar liefhebbers van de Canadese band The Sadies kennen hem als de zanger en gitarist van deze bijzondere band. Dallas Good formeerde de band samen met zijn broer Travis aan het begin van de jaren 90 en bouwde vanaf de tweede helft van de jaren 90 aan een bijzonder oeuvre. The Sadies maakten tussen 1998 en 2017 negen studioalbums, maar trokken minstens evenveel aandacht met de samenwerking met andere muzikanten, onder wie Andre Williams, John Doe, Neko Case en The Tragically Hip zanger Gord Downie.
Het in 2017 verschenen en zeer overtuigende Northern Passages leek door de trieste dood van Dallas Good de zwanenzang van de Canadese band te worden, maar deze week verscheen dan toch nog het album waar de band tijdens de coronapandemie aan werkte. De overgebleven leden van de band zijn inmiddels begonnen aan een tour ter promotie van het tiende album van de band, maar dat Colder Streams de zwanenzang van The Sadies is lijkt zeker.
De Canadese band verkeerde op het in 2017 verschenen Northern Passages in topvorm en begon dan ook vol vertrouwen aan het opnemen van Colder Streams. In 2019 dook de band voor het eerst de studio in Montreal in, waar Richard Reed Parry plaats nam achter de knoppen. De Canadese muzikant en producer is vooral bekend van The Arcade Fire, maar hij is ook een groot fan van The Sadies.
The Sadies en Richard Reed Parry waren nog maar net begonnen aan het opnemen van het album toen de coronapandemie de wereld in haar greep kreeg en het opnemen van muziek opeens een stuk lastiger werd. De band nam de tijd voor Colder Streams, maar eind vorig jaar kondigde Dallas Good het album vol trots aan. De trieste dood van de pas 48 jaar oude muzikant leek roet in het eten te gooien, maar gelukkig kon het album toch worden afgerond en uitgebracht.
Colder Streams ligt in het verlengde van het zo goede Northern Passages, dat zo leek weggelopen uit de jaren 60. Dat geldt ook weer voor Colder Streams, dat niet van deze tijd lijkt. The Sadies vinden ook op Colder Streams hun inspiratie weer vooral in de jaren 60, waarbij er niet wordt gekeken op een genre meer of minder. The Sadies maken ook op Colder Streams geen geheim van hun liefde voor psychedelica, maar de Canadese band kan ook overweg met invloeden uit de folkrock, country, surf en rock, om maar eens een paar invloeden te noemen, en gaat zelfs een vleugje reggae niet uit de weg.
The Sadies speelden de afgelopen twee decennia in dezelfde samenstelling en dat hoor je, want wat klinkt de band weer hecht en gedreven, met vaak een glansrol voor multi-instrumentalist en snarenwonder Travis Good en hier en daar bijdragen van gastmuzikanten, onder wie Jon Spencer. De inspiratie ligt misschien in het verleden, maar The Sadies zijn zeker geen gezapig retro bandje.
Dallas Good schreef eind vorig jaar de begeleidende tekst voor het album op de bandcamp pagina van The Sadies en zegt het volgende over het album: “Colder Streams' is, by far, the best record that has ever been made by anyone. Ever.”. Dat is misschien wat overdreven, maar het is een album dat binnen het oeuvre van de band met de beste albums mee kan, wat van Colder Streams een mooi en waardig slotakkoord maakt. Erwin Zijleman
The Sadies - Northern Passages (2017)

4,0
0
geplaatst: 16 februari 2017, 15:39 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Sadies - Northern Passages - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De Canadese band The Sadies draait al weer zo’n 20 jaar mee en heeft inmiddels een flinke stapel platen op haar naam staan.
Met name de platen die de band uit Toronto 10-15 jaar geleden maakte (met Favourite Colours uit 2004 als onbetwiste persoonlijke favoriet) hebben een mooi plekje in mijn platenkast gekregen, maar de laatste paar jaar ben ik de band eerlijk gezegd compleet uit het oog verloren, wat verklaart dat The Sadies nu pas voor het eerst opduiken op deze BLOG.
Met het onlangs verschenen Northern Passages hebben The Sadies mijn aandacht weer getrokken en daar ben ik heel blij mee. Het in een prachtige hoes gestoken Northern Passages laat immers goed horen wat de band rond de broers Dallas en Travis Good in huis heeft en dat is heel wat.
Northern Passages opent met loom klinkende countryrock die associaties oproept met Crosby, Stills & Nash en herinnert aan het mij bekende werk van de band, maar dat The Sadies ook een ander gezicht hebben blijkt in de tweede track waarin de gitaren mogen scheuren en de Canadese band garant staat voor een rauwe portie garagerock.
Northern Passages verrast ook in de derde track met gitaren die flink uit de bocht mogen vliegen, maar ook dit keer domineren de dromerige en zonnige countryrock en de licht zweverige psychedelica.
Northern Passages imponeert over de hele linie met geweldig en veelkleurig gitaarwerk en songs die heel makkelijk overtuigen. Als ik moet kiezen heb ik een voorkeur voor het meer countryrock georiënteerde of psychedelische werk van de band en dit domineert zoals gezegd op de nieuwe plaat van The Sadies.
Het is muziek die je vrijwel onmiddellijk mee terug sleept naar de jaren 60, waarin de broers Good nog niets eens geboren waren, maar het is ook muziek die je steeds op het verkeerde been zet.
Dat doen The Sadies op Northern Passages het opvallendst met de twee wat rauwere songs, maar ook de andere songs op de plaat zitten vol subtiele invloeden uit meerdere decennia muziekgeschiedenis.
De band bestaat inmiddels meer dan 20 jaar in dezelfde samenstelling en dat hoor je. Northern Passages klinkt hecht en schakelt makkelijk tussen meerdere genres. Naast de al eerder genoemde invloeden is de band ook niet vies van up-tempo folk of van pure bluegrass en uiteraard duikt er ook dit keer een gastvocalist op (een handelsmerk van The Sadies, in het verleden werkte de band onder andere met Neko Case en Jon Langford) in de persoon van Kurt Vile. Het is overigens een zeer geslaagde samenwerking.
Door het veelzijdige karakter van de plaat drong Northern Passsages zich bij mij niet direct zo op als de platen uit het verleden, maar na een paar keer horen heb ik op de nieuwe plaat van The Sadies toch weer flink wat songs gevonden die ik niet meer los wil laten. The Sadies blijft een bijzondere band, Northern Passages is de zoveelste uitstekende plaat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Sadies - Northern Passages - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De Canadese band The Sadies draait al weer zo’n 20 jaar mee en heeft inmiddels een flinke stapel platen op haar naam staan.
Met name de platen die de band uit Toronto 10-15 jaar geleden maakte (met Favourite Colours uit 2004 als onbetwiste persoonlijke favoriet) hebben een mooi plekje in mijn platenkast gekregen, maar de laatste paar jaar ben ik de band eerlijk gezegd compleet uit het oog verloren, wat verklaart dat The Sadies nu pas voor het eerst opduiken op deze BLOG.
Met het onlangs verschenen Northern Passages hebben The Sadies mijn aandacht weer getrokken en daar ben ik heel blij mee. Het in een prachtige hoes gestoken Northern Passages laat immers goed horen wat de band rond de broers Dallas en Travis Good in huis heeft en dat is heel wat.
Northern Passages opent met loom klinkende countryrock die associaties oproept met Crosby, Stills & Nash en herinnert aan het mij bekende werk van de band, maar dat The Sadies ook een ander gezicht hebben blijkt in de tweede track waarin de gitaren mogen scheuren en de Canadese band garant staat voor een rauwe portie garagerock.
Northern Passages verrast ook in de derde track met gitaren die flink uit de bocht mogen vliegen, maar ook dit keer domineren de dromerige en zonnige countryrock en de licht zweverige psychedelica.
Northern Passages imponeert over de hele linie met geweldig en veelkleurig gitaarwerk en songs die heel makkelijk overtuigen. Als ik moet kiezen heb ik een voorkeur voor het meer countryrock georiënteerde of psychedelische werk van de band en dit domineert zoals gezegd op de nieuwe plaat van The Sadies.
Het is muziek die je vrijwel onmiddellijk mee terug sleept naar de jaren 60, waarin de broers Good nog niets eens geboren waren, maar het is ook muziek die je steeds op het verkeerde been zet.
Dat doen The Sadies op Northern Passages het opvallendst met de twee wat rauwere songs, maar ook de andere songs op de plaat zitten vol subtiele invloeden uit meerdere decennia muziekgeschiedenis.
De band bestaat inmiddels meer dan 20 jaar in dezelfde samenstelling en dat hoor je. Northern Passages klinkt hecht en schakelt makkelijk tussen meerdere genres. Naast de al eerder genoemde invloeden is de band ook niet vies van up-tempo folk of van pure bluegrass en uiteraard duikt er ook dit keer een gastvocalist op (een handelsmerk van The Sadies, in het verleden werkte de band onder andere met Neko Case en Jon Langford) in de persoon van Kurt Vile. Het is overigens een zeer geslaagde samenwerking.
Door het veelzijdige karakter van de plaat drong Northern Passsages zich bij mij niet direct zo op als de platen uit het verleden, maar na een paar keer horen heb ik op de nieuwe plaat van The Sadies toch weer flink wat songs gevonden die ik niet meer los wil laten. The Sadies blijft een bijzondere band, Northern Passages is de zoveelste uitstekende plaat. Erwin Zijleman
The Saxophones - Songs of the Saxophones (2018)

4,0
1
geplaatst: 31 december 2018, 10:13 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Saxophones - Songs Of The Saxophones - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Amerikaans tweetal maakt bijna verstilde muziek vol wonderschone details en verwarmt op bijzondere wijze de avond
Songs Of The Saxophones van het Amerikaanse tweetal The Saxophones lag al maanden op de stapel, maar steeds weerhielden de wat oubollige cover en de verwijzing naar een nogal dominant en uitbundig instrument me ervan om naar de plaat te luisteren. Toen ik dit eenmaal had gedaan werd ik snel betoverd en beneveld door de uiterst ingetogen, maar bijzonder fraai ingekleurde songs van het Amerikaanse tweetal, dat met haar debuut aansluiting vindt bij prachtalbums van bands als Sparklehorse, Spain en Tindersticks. Een prachtplaat voor de kleine uurtjes, maar ook een plaat om met flink volume te beluisteren, want dan pas komt alle schoonheid aan de oppervlakte.
Ik worstel mezelf op het moment door de enorme stapel met albums die zijn blijven liggen de afgelopen maanden, waarbij ik af en toe word geholpen door tips van lezers van deze BLOG. Een van deze lezers wees me op Songs Of The Saxophones van het Amerikaanse duo The Saxophones.
Het is een plaat die ik al een tijd had liggen, maar ik werd door twee dingen op het verkeerde been gezet. Allereerst is er de naam van het Amerikaanse tweetal. Hoewel er muzikanten zijn die de saxofoon fraai hebben weten te integreren in hun geluid (Roxy Music, zo af en toe Bowie, Prince en natuurlijk Springsteen’s E-Street Band) is het zeker niet mijn favoriete instrument, waardoor ik wat aarzelde over het uit de verpakking halen van de cd van The Saxophones. Hiernaast is er de cover van de plaat, die wat oubollig overkomt en doet denken aan rijk georkestreerde platen uit de jaren 50 of eerder; ook geen muziek die ik onder mijn favorieten schaar.
Dankzij de tip van een lezer van deze BLOG ben ik toch gaan luisteren naar het debuut van The Saxophones en kwam ik er al snel achter dat de muziek van The Saxophones verre van rijk georkestreerd is en dat de rol van de saxofoon bovendien niet al te groot is.
The Saxophones is zoals gezegd een tweetal, en een echtpaar, uit Oakland, California, en bestaat Alison Alderlice die drumt en zingt en Alexi Erenkov, die zingt en hiernaast de synthesizer, gitaar, fluit en, precies, de saxofoon bespeelt.
Op Songs Of The Saxophones maakt het tweetal muziek, waarop vooral gitaar en de stem van Alexi Erenkov zijn te horen. Het is uiterst ingetogen muziek die bij mij associaties oproept met de muziek van bands als Sparklehorse, Spain en Tindersticks, dat laatste vooral omdat de stem van Alexi Erenkov me wel wat doet denken aan die van Stuart Staples.
Mooie gitaarlijnen en de stem vormen de basis van de songs van The Saxophones, maar het zijn songs die op uiterst subtiele wijze zijn ingekleurd met de andere instrumenten die hierboven worden genoemd, waarbij de saxofoon wordt ingezet voor subtiele klanken.
The Saxophones maken muziek die het goed doet op koude en donkere winteravonden, maar het is ook muziek die mooier en interessanter wordt wanneer je het volume wat opvoert of de muziek van het Amerikaanse tweetal met de koptelefoon beluistert.
Bij aandachtige beluistering hoor je pas hoe goed de songs en de instrumentatie van het tweetal in elkaar steken en hoor je hoe The Saxophones aan de haal gaan met invloeden uit de klassieke muziek, de jazz en de chamber pop. The Saxophones maken hiernaast muziek die garant staat voor mooie, vaak wat donker getinte beelden, waardoor David Lynch voor het maken van een soundtrack bij een volgende film best een beroep kan doen op het Californische tweetal.
Songs Of The Saxophones is een uiterst subtiele plaat en hierdoor een plaat die zich niet heel nadrukkelijk en ook niet onmiddellijk opdringt, maar neem de tijd voor de muziek van The Saxophones en het debuut van het tweetal wordt mooier en mooier. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Saxophones - Songs Of The Saxophones - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Amerikaans tweetal maakt bijna verstilde muziek vol wonderschone details en verwarmt op bijzondere wijze de avond
Songs Of The Saxophones van het Amerikaanse tweetal The Saxophones lag al maanden op de stapel, maar steeds weerhielden de wat oubollige cover en de verwijzing naar een nogal dominant en uitbundig instrument me ervan om naar de plaat te luisteren. Toen ik dit eenmaal had gedaan werd ik snel betoverd en beneveld door de uiterst ingetogen, maar bijzonder fraai ingekleurde songs van het Amerikaanse tweetal, dat met haar debuut aansluiting vindt bij prachtalbums van bands als Sparklehorse, Spain en Tindersticks. Een prachtplaat voor de kleine uurtjes, maar ook een plaat om met flink volume te beluisteren, want dan pas komt alle schoonheid aan de oppervlakte.
Ik worstel mezelf op het moment door de enorme stapel met albums die zijn blijven liggen de afgelopen maanden, waarbij ik af en toe word geholpen door tips van lezers van deze BLOG. Een van deze lezers wees me op Songs Of The Saxophones van het Amerikaanse duo The Saxophones.
Het is een plaat die ik al een tijd had liggen, maar ik werd door twee dingen op het verkeerde been gezet. Allereerst is er de naam van het Amerikaanse tweetal. Hoewel er muzikanten zijn die de saxofoon fraai hebben weten te integreren in hun geluid (Roxy Music, zo af en toe Bowie, Prince en natuurlijk Springsteen’s E-Street Band) is het zeker niet mijn favoriete instrument, waardoor ik wat aarzelde over het uit de verpakking halen van de cd van The Saxophones. Hiernaast is er de cover van de plaat, die wat oubollig overkomt en doet denken aan rijk georkestreerde platen uit de jaren 50 of eerder; ook geen muziek die ik onder mijn favorieten schaar.
Dankzij de tip van een lezer van deze BLOG ben ik toch gaan luisteren naar het debuut van The Saxophones en kwam ik er al snel achter dat de muziek van The Saxophones verre van rijk georkestreerd is en dat de rol van de saxofoon bovendien niet al te groot is.
The Saxophones is zoals gezegd een tweetal, en een echtpaar, uit Oakland, California, en bestaat Alison Alderlice die drumt en zingt en Alexi Erenkov, die zingt en hiernaast de synthesizer, gitaar, fluit en, precies, de saxofoon bespeelt.
Op Songs Of The Saxophones maakt het tweetal muziek, waarop vooral gitaar en de stem van Alexi Erenkov zijn te horen. Het is uiterst ingetogen muziek die bij mij associaties oproept met de muziek van bands als Sparklehorse, Spain en Tindersticks, dat laatste vooral omdat de stem van Alexi Erenkov me wel wat doet denken aan die van Stuart Staples.
Mooie gitaarlijnen en de stem vormen de basis van de songs van The Saxophones, maar het zijn songs die op uiterst subtiele wijze zijn ingekleurd met de andere instrumenten die hierboven worden genoemd, waarbij de saxofoon wordt ingezet voor subtiele klanken.
The Saxophones maken muziek die het goed doet op koude en donkere winteravonden, maar het is ook muziek die mooier en interessanter wordt wanneer je het volume wat opvoert of de muziek van het Amerikaanse tweetal met de koptelefoon beluistert.
Bij aandachtige beluistering hoor je pas hoe goed de songs en de instrumentatie van het tweetal in elkaar steken en hoor je hoe The Saxophones aan de haal gaan met invloeden uit de klassieke muziek, de jazz en de chamber pop. The Saxophones maken hiernaast muziek die garant staat voor mooie, vaak wat donker getinte beelden, waardoor David Lynch voor het maken van een soundtrack bij een volgende film best een beroep kan doen op het Californische tweetal.
Songs Of The Saxophones is een uiterst subtiele plaat en hierdoor een plaat die zich niet heel nadrukkelijk en ook niet onmiddellijk opdringt, maar neem de tijd voor de muziek van The Saxophones en het debuut van het tweetal wordt mooier en mooier. Erwin Zijleman
The Scientists - A Place Called Bad (2016)

4,0
0
geplaatst: 31 augustus 2016, 17:51 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Scientists - A Placed Called Bad - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De Australische band The Scientists werd opgericht in 1978 en viel negen jaar later uit elkaar. In die negen jaar maakte de band rond voorman Kim Salmon een negental platen.
Het zijn platen die in de meeste platenkasten zullen ontbreken (ik moet toegeven dat ik ook helemaal niets van de band in de kast heb staan). Dit overigens in tegenstelling tot de stapels platen die, zeker achteraf bezien, hoorbaar zijn beïnvloed door het pionierswerk van The Scientists.
Het werk van The Scientists is nu prachtig samengevat op de uit vier cd’s bestaande box-set A Place Called Bad, die rijkelijk citeert uit het bekende oeuvre van de band en bovendien flink wat extra’s toevoegt.
Wat mij bij beluistering van deze vier cd’s vooral opvalt is hoe zeer The Scientists zich in de negen jaar van hun bestaan hebben ontwikkeld. Het vroege werk van de band citeerde vooral uit de power pop en het werk van The Beatles, The Kinks en The Who, maar dan vermengt met flink wat invloeden uit vooral de Amerikaanse punk (met name Ramones).
Vergeleken met hun Amerikaanse en Britse soortgenoten waren The Scientists echter ook niet vies van bijzonder lekker in het gehoor liggende pop- en rocksongs en het merendeel van deze songs heeft de tand des tijd uitstekend doorstaan. Tijdens haar bestaan schoof de Australische band op richting de rock en voegde het invloeden uit de bluesrock en de swamprock toe.
Het is een geluid dat bijvoorbeeld werd omarmd door de Jon Spencer Blues Explosion, maar de muziek van The Scientists is veel afwisselender en in artistiek opzicht ook een stuk interessanter.
Hoewel de muziek van The Scientists veel ingrediënten uit de jaren 70 en 80 bevat, klinken veel van de songs nog verrassend fris en eigentijds. Het beste van deze verzamelaar zou absoluut goed zijn voor een van de betere, zo niet de beste gitaarplaat van 2016 en dat is nogal wat.
Omdat ik niets van The Scientists in huis had, is A Place Called Bad voor mij vooral een flinke hoeveelheid bijzonder aangename en interessante nieuwe muziek, maar het is ook de ontbrekende schakel tussen de muziek uit de late jaren 70 en de jaren 90 en later.
Natuurlijk is niet alles even goed op de 80 tracks tellende compilatie, maar 20 tracks die je nooit meer wilt vergeten duik je zo op. Gezien de goed gevulde platenkast ga ik er over het algemeen van uit dat ik niet heel erg meer verrast kan worden door onbekende muziek uit het verleden. A Place Called Bad van The Scientists bewijst het tegendeel. En hoe. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Scientists - A Placed Called Bad - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De Australische band The Scientists werd opgericht in 1978 en viel negen jaar later uit elkaar. In die negen jaar maakte de band rond voorman Kim Salmon een negental platen.
Het zijn platen die in de meeste platenkasten zullen ontbreken (ik moet toegeven dat ik ook helemaal niets van de band in de kast heb staan). Dit overigens in tegenstelling tot de stapels platen die, zeker achteraf bezien, hoorbaar zijn beïnvloed door het pionierswerk van The Scientists.
Het werk van The Scientists is nu prachtig samengevat op de uit vier cd’s bestaande box-set A Place Called Bad, die rijkelijk citeert uit het bekende oeuvre van de band en bovendien flink wat extra’s toevoegt.
Wat mij bij beluistering van deze vier cd’s vooral opvalt is hoe zeer The Scientists zich in de negen jaar van hun bestaan hebben ontwikkeld. Het vroege werk van de band citeerde vooral uit de power pop en het werk van The Beatles, The Kinks en The Who, maar dan vermengt met flink wat invloeden uit vooral de Amerikaanse punk (met name Ramones).
Vergeleken met hun Amerikaanse en Britse soortgenoten waren The Scientists echter ook niet vies van bijzonder lekker in het gehoor liggende pop- en rocksongs en het merendeel van deze songs heeft de tand des tijd uitstekend doorstaan. Tijdens haar bestaan schoof de Australische band op richting de rock en voegde het invloeden uit de bluesrock en de swamprock toe.
Het is een geluid dat bijvoorbeeld werd omarmd door de Jon Spencer Blues Explosion, maar de muziek van The Scientists is veel afwisselender en in artistiek opzicht ook een stuk interessanter.
Hoewel de muziek van The Scientists veel ingrediënten uit de jaren 70 en 80 bevat, klinken veel van de songs nog verrassend fris en eigentijds. Het beste van deze verzamelaar zou absoluut goed zijn voor een van de betere, zo niet de beste gitaarplaat van 2016 en dat is nogal wat.
Omdat ik niets van The Scientists in huis had, is A Place Called Bad voor mij vooral een flinke hoeveelheid bijzonder aangename en interessante nieuwe muziek, maar het is ook de ontbrekende schakel tussen de muziek uit de late jaren 70 en de jaren 90 en later.
Natuurlijk is niet alles even goed op de 80 tracks tellende compilatie, maar 20 tracks die je nooit meer wilt vergeten duik je zo op. Gezien de goed gevulde platenkast ga ik er over het algemeen van uit dat ik niet heel erg meer verrast kan worden door onbekende muziek uit het verleden. A Place Called Bad van The Scientists bewijst het tegendeel. En hoe. Erwin Zijleman
The Secret Love Parade - Late Night Sunlight (2019)

4,5
0
geplaatst: 6 december 2019, 09:18 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Secret Love Parade - Late Night Sunlight - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Secret Love Parade - Late Night Sunlight
Helaas door bijna iedereen over het hoofd gezien, maar wat is het derde album van het Nederlandse duo The Secret Love Parade mooi en bijzonder
Alweer zeven jaar geleden bracht het Amsterdamse duo The Secret Love Parade een goed ontvangen tweede album uit. Album nummer drie liet lang op zich wachten, maar verscheen eerder dit jaar. Het album werd nauwelijks opgemerkt, maar is van een bijzondere schoonheid. Janna Coomans en Aino Vehmasto verrassen op hun derde album met een prachtig geluid, dat varieert van sprookjesachtig tot bezwerend en van loom tot tegendraads. Het wordt gecombineerd met al even mooie vocalen, die het bijzondere effect van de songs versterken. Nog altijd ongrijpbaar, maar ook klassen beter dan zijn voorganger. Late Night Sunlight van The Secret Love Parade is een album dat echt alle aandacht verdient.
Het Nederlandse duo The Secret Love Parade debuteerde tien jaar geleden met een veelbelovend debuut, waarvan het geluid drie jaar later vervolmaakt werd op het tweede album van het Amsterdamse tweetal. Mary Looking Ready was een honingzoete verleiding die al snel onweerstaanbaar bleek, al was het maar omdat de zoete maar ook stekelige popliedjes van The Secret Love Parade geen moment in een hokje te duwen waren.
Mary Looking Ready kon in 2012 rekenen op uitstekende recensies, maar het was helaas niet genoeg om de schoorsteen van Janna Coomans en Aino Vehmasto voldoende te laten roken, waardoor na tweede album het doek leek te vallen voor het Nederlandse duo.
Eerder dit jaar keerde het tweetal onverwachts terug. The Secret Love Parade moet het inmiddels helaas doen zonder platenlabel, waardoor het niet meeviel om aandacht te trekken met Late Night Sunlight. Ik moet eerlijk toegeven dat ik de zoete verleiding van de eerdere muziek van het tweetal ook al lang weer was vergeten, maar op een of andere manier kwam het nieuwe album van The Secret Love Parade op de goede stapel terecht en kwam ik het een week of wat geleden weer tegen.
Janna Coomans en Aino Vehmasto wisten een flinke stap te zetten op hun tweede album, maar het derde album van het Amsterdamse duo is nog veel beter. Mary Looking Ready leunde vaak nogal zwaar op de jaren 80 en flirtte bovendien meer dan eens met Bananarama achtige pop. Niets mis mee, zeker niet omdat het ging om Bananarama in betere tijden, maar op Late Night Sunlight graaft het Nederlandse tweetal flink dieper.
Ook op het nieuwe album maakt The Secret Love Parade op bijzondere wijze gebruik van elektronica, In veel songs op het album duiken flarden synthpop en electropop op, maar Janna Coomans en Aino Vehmasto zijn ook niet vies van chillwave of experimentelere elektronische muziek. Hiernaast is Late Night Sunlight een album vol atmosferische soundscapes, die herinneren aan de klanken waarmee Scandinavische ijsprinsessen zichzelf begeleiden, en duikt af en toe wat dreampop op.
In muzikaal opzicht is het derde album van The Secret Love Parade een wonderschoon album. Avontuurlijke elektronica domineert op het album, maar ook de hier en daar opduikende gitaren kleuren het geluid op het album prachtig in.
De fraaie instrumentatie past op zijn beurt weer prachtig bij de mooie stemmen van Janna Coomans en Aino Vehmasto, die vergeleken met hun vorige album veel beter zijn gaan zingen en een bijzondere sfeer creëren met de wisselwerking tussen de speelse elektronica en de mooie zang.
Het levert een album op dat je de hele speelduur op het puntje van de stoel houdt. De songs van The Secret Love Parade zijn mooi en verleidelijk, maar ook indringend en bezwerend en prikkelend en avontuurlijk.
Als ik zoek op het Internet kom ik helaas niet al teveel reacties tegen op het album. Dat is niet zo gek vanwege het soms idiote aanbod van het moment, maar ook doodzonde. Janna Coomans en Aino Vehmasto hebben eerder dit jaar een wonderschoon en bijzonder album afgeleverd dat echt alle aandacht verdient en wat mij betreft moet worden gerekend tot de obscure parels van het muziekjaar 2019. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Secret Love Parade - Late Night Sunlight - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Secret Love Parade - Late Night Sunlight
Helaas door bijna iedereen over het hoofd gezien, maar wat is het derde album van het Nederlandse duo The Secret Love Parade mooi en bijzonder
Alweer zeven jaar geleden bracht het Amsterdamse duo The Secret Love Parade een goed ontvangen tweede album uit. Album nummer drie liet lang op zich wachten, maar verscheen eerder dit jaar. Het album werd nauwelijks opgemerkt, maar is van een bijzondere schoonheid. Janna Coomans en Aino Vehmasto verrassen op hun derde album met een prachtig geluid, dat varieert van sprookjesachtig tot bezwerend en van loom tot tegendraads. Het wordt gecombineerd met al even mooie vocalen, die het bijzondere effect van de songs versterken. Nog altijd ongrijpbaar, maar ook klassen beter dan zijn voorganger. Late Night Sunlight van The Secret Love Parade is een album dat echt alle aandacht verdient.
Het Nederlandse duo The Secret Love Parade debuteerde tien jaar geleden met een veelbelovend debuut, waarvan het geluid drie jaar later vervolmaakt werd op het tweede album van het Amsterdamse tweetal. Mary Looking Ready was een honingzoete verleiding die al snel onweerstaanbaar bleek, al was het maar omdat de zoete maar ook stekelige popliedjes van The Secret Love Parade geen moment in een hokje te duwen waren.
Mary Looking Ready kon in 2012 rekenen op uitstekende recensies, maar het was helaas niet genoeg om de schoorsteen van Janna Coomans en Aino Vehmasto voldoende te laten roken, waardoor na tweede album het doek leek te vallen voor het Nederlandse duo.
Eerder dit jaar keerde het tweetal onverwachts terug. The Secret Love Parade moet het inmiddels helaas doen zonder platenlabel, waardoor het niet meeviel om aandacht te trekken met Late Night Sunlight. Ik moet eerlijk toegeven dat ik de zoete verleiding van de eerdere muziek van het tweetal ook al lang weer was vergeten, maar op een of andere manier kwam het nieuwe album van The Secret Love Parade op de goede stapel terecht en kwam ik het een week of wat geleden weer tegen.
Janna Coomans en Aino Vehmasto wisten een flinke stap te zetten op hun tweede album, maar het derde album van het Amsterdamse duo is nog veel beter. Mary Looking Ready leunde vaak nogal zwaar op de jaren 80 en flirtte bovendien meer dan eens met Bananarama achtige pop. Niets mis mee, zeker niet omdat het ging om Bananarama in betere tijden, maar op Late Night Sunlight graaft het Nederlandse tweetal flink dieper.
Ook op het nieuwe album maakt The Secret Love Parade op bijzondere wijze gebruik van elektronica, In veel songs op het album duiken flarden synthpop en electropop op, maar Janna Coomans en Aino Vehmasto zijn ook niet vies van chillwave of experimentelere elektronische muziek. Hiernaast is Late Night Sunlight een album vol atmosferische soundscapes, die herinneren aan de klanken waarmee Scandinavische ijsprinsessen zichzelf begeleiden, en duikt af en toe wat dreampop op.
In muzikaal opzicht is het derde album van The Secret Love Parade een wonderschoon album. Avontuurlijke elektronica domineert op het album, maar ook de hier en daar opduikende gitaren kleuren het geluid op het album prachtig in.
De fraaie instrumentatie past op zijn beurt weer prachtig bij de mooie stemmen van Janna Coomans en Aino Vehmasto, die vergeleken met hun vorige album veel beter zijn gaan zingen en een bijzondere sfeer creëren met de wisselwerking tussen de speelse elektronica en de mooie zang.
Het levert een album op dat je de hele speelduur op het puntje van de stoel houdt. De songs van The Secret Love Parade zijn mooi en verleidelijk, maar ook indringend en bezwerend en prikkelend en avontuurlijk.
Als ik zoek op het Internet kom ik helaas niet al teveel reacties tegen op het album. Dat is niet zo gek vanwege het soms idiote aanbod van het moment, maar ook doodzonde. Janna Coomans en Aino Vehmasto hebben eerder dit jaar een wonderschoon en bijzonder album afgeleverd dat echt alle aandacht verdient en wat mij betreft moet worden gerekend tot de obscure parels van het muziekjaar 2019. Erwin Zijleman
The Secret Sisters - Mind, Man, Medicine (2024)

4,0
0
geplaatst: 1 april 2024, 10:59 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Secret Sisters - Mind, Man, Medicine - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Secret Sisters - Mind, Man, Medicine
Er zijn veel mooie stemmen te vinden in de Amerikaanse rootsmuziek van het moment, maar The Secret Sisters hebben er twee, die prachtig blenden en verder worden opgetild door een een bijzonder fraai geluid
Het is alweer bijna veertien jaar geleden dat The Secret Sisters opdoken met hun door stokoude folk en country beïnvloede repertoire. Het debuutalbum van Laura en Lydia Rogers trok echter vooral de aandacht door de prachtige stemmen van de Amerikaanse zussen, die tekenden voor waanzinnige harmonieën. Het ging The Secret Sisters niet altijd voor de wind, maar het in 2020 verschenen Saturn Return leverde naast veel lof ook een Grammy nominatie op. Op Mind, Man, Medicine maken The Secret Sisters nog wat meer indruk. De zang van Laura en Lydia Rogers is zoals altijd wonderschoon, maar ook in muzikaal opzicht maakt het nieuwe album va The Secret Sisters makkelijk indruk.
De Amerikaanse zussen Laura en Lydia Rogers debuteerden aan het eind van 2010 als The Secret Sisters. Op hun titelloze debuutalbum maakten de zussen uit Muscle Shoals, Alabama, vooral indruk met hun prachtig bij elkaar kleurende stemmen, die goed waren voor langdurig kippenvel. Op het door Dave Cobb geproduceerde album stonden de stemmen van Laura en Lydia Rogers centraal, maar The Secret Sisters trokken ook de aandacht met een repertoire dat vele decennia terug ging in de tijd.
De stokoude folk en country kwam destijds op het juiste moment, waardoor het debuutalbum van The Secret Sisters niet over aandacht te klagen had, maar desondanks viel de verkoop tegen waardoor het met hard werken verdiende platencontract net zo snel verdween als het gekomen was. Ook op de twee albums die volgden, Put Your Needle Down uit 2014 en You Don't Own Me Anymore uit 2017, was de zang van de zussen Rogers echt hemeltergend mooi, maar toch deden de wederom door stokoud repertoire geïnspireerde albums me een stuk minder dan het debuutalbum.
Het in 2020 vlak voor het uitbreken van de coronapandemie verschenen en door Brandi Carlile geproduceerde Saturn Return deed me veel meer. Op dit album waren de invloeden uit een heel ver verleden vervangen door een zeer aangename jaren 70 vibe, die zich als een warme deken om je heen sloeg, waarna Laura en Lydia Rogers hun vocale wonderen konden verrichten.
The Secret Sisters keren deze week terug met Mind, Man, Medicine en het zal niemand verbazen dat ook het nieuwe album van de zussen uit Alabama weer vol staat met wonderschone zang. Na twee albums met Brandi Carlile kozen de zussen Rogers er dit keer voor om hun muziek zelf te produceren al werden met Ben Tanner en John Paul White wel twee zeer ervaren co-producers ingehuurd.
Mind, Man, Medicine werd opgenomen in de fameuze Muscle Shoals’ Fame Studios in Alabama, waar ook nog een aantal uitstekende muzikanten aanschoven, onder wie Larry Carlton en Ray LaMontagne, die ook tekent voor een prachtig soulvol duet. Natuurlijk trekt de zang van Laura en Lydia Rogers onmiddellijk de aandacht, maar Mind, Man, Medicine valt ook op door een veel eigentijdser en gelaagder geluid dan we van The Secret Sisters gewend zijn.
Het is een wat broeierig en zeer smaakvol geluid, waarin piano en gitaren zorgen voor aardse klanken, terwijl synths hier en daar een atmosferische laag toevoegen aan de songs. Mind, Man, Medicine begeeft zich deels op het terrein van de eigentijdse Amerikaanse rootsmuziek met respect voor de tradities van het genre, maar The Secret Sisters zoeken ook nadrukkelijk de grenzen op met klanken die zomaar van de hand van Daniel Lanois hadden kunnen zijn.
Zowel de songs met invloeden uit de country en de folk als de songs met een atmosferische en beeldend karakter passen perfect bij de stemmen van de zussen Rogers, die ook op hun nieuwe album weer de sterren van de hemel zingen. Zowel Laura als Lydia beschikt over een prachtige stem, maar de magie ontstaat wanneer hun stemmen blenden zoals alleen de stemmen van zussen dit kunnen. Door de zang verdient ieder album van The Secret Sisters een dikke voldoende, maar het wat warmere en eigentijdsere geluid op Mind, Man, Medicine tilt de songs op het album nog een flink stuk op, waardoor The Secret Sisters zichzelf op alle fronten overtreffen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Secret Sisters - Mind, Man, Medicine - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Secret Sisters - Mind, Man, Medicine
Er zijn veel mooie stemmen te vinden in de Amerikaanse rootsmuziek van het moment, maar The Secret Sisters hebben er twee, die prachtig blenden en verder worden opgetild door een een bijzonder fraai geluid
Het is alweer bijna veertien jaar geleden dat The Secret Sisters opdoken met hun door stokoude folk en country beïnvloede repertoire. Het debuutalbum van Laura en Lydia Rogers trok echter vooral de aandacht door de prachtige stemmen van de Amerikaanse zussen, die tekenden voor waanzinnige harmonieën. Het ging The Secret Sisters niet altijd voor de wind, maar het in 2020 verschenen Saturn Return leverde naast veel lof ook een Grammy nominatie op. Op Mind, Man, Medicine maken The Secret Sisters nog wat meer indruk. De zang van Laura en Lydia Rogers is zoals altijd wonderschoon, maar ook in muzikaal opzicht maakt het nieuwe album va The Secret Sisters makkelijk indruk.
De Amerikaanse zussen Laura en Lydia Rogers debuteerden aan het eind van 2010 als The Secret Sisters. Op hun titelloze debuutalbum maakten de zussen uit Muscle Shoals, Alabama, vooral indruk met hun prachtig bij elkaar kleurende stemmen, die goed waren voor langdurig kippenvel. Op het door Dave Cobb geproduceerde album stonden de stemmen van Laura en Lydia Rogers centraal, maar The Secret Sisters trokken ook de aandacht met een repertoire dat vele decennia terug ging in de tijd.
De stokoude folk en country kwam destijds op het juiste moment, waardoor het debuutalbum van The Secret Sisters niet over aandacht te klagen had, maar desondanks viel de verkoop tegen waardoor het met hard werken verdiende platencontract net zo snel verdween als het gekomen was. Ook op de twee albums die volgden, Put Your Needle Down uit 2014 en You Don't Own Me Anymore uit 2017, was de zang van de zussen Rogers echt hemeltergend mooi, maar toch deden de wederom door stokoud repertoire geïnspireerde albums me een stuk minder dan het debuutalbum.
Het in 2020 vlak voor het uitbreken van de coronapandemie verschenen en door Brandi Carlile geproduceerde Saturn Return deed me veel meer. Op dit album waren de invloeden uit een heel ver verleden vervangen door een zeer aangename jaren 70 vibe, die zich als een warme deken om je heen sloeg, waarna Laura en Lydia Rogers hun vocale wonderen konden verrichten.
The Secret Sisters keren deze week terug met Mind, Man, Medicine en het zal niemand verbazen dat ook het nieuwe album van de zussen uit Alabama weer vol staat met wonderschone zang. Na twee albums met Brandi Carlile kozen de zussen Rogers er dit keer voor om hun muziek zelf te produceren al werden met Ben Tanner en John Paul White wel twee zeer ervaren co-producers ingehuurd.
Mind, Man, Medicine werd opgenomen in de fameuze Muscle Shoals’ Fame Studios in Alabama, waar ook nog een aantal uitstekende muzikanten aanschoven, onder wie Larry Carlton en Ray LaMontagne, die ook tekent voor een prachtig soulvol duet. Natuurlijk trekt de zang van Laura en Lydia Rogers onmiddellijk de aandacht, maar Mind, Man, Medicine valt ook op door een veel eigentijdser en gelaagder geluid dan we van The Secret Sisters gewend zijn.
Het is een wat broeierig en zeer smaakvol geluid, waarin piano en gitaren zorgen voor aardse klanken, terwijl synths hier en daar een atmosferische laag toevoegen aan de songs. Mind, Man, Medicine begeeft zich deels op het terrein van de eigentijdse Amerikaanse rootsmuziek met respect voor de tradities van het genre, maar The Secret Sisters zoeken ook nadrukkelijk de grenzen op met klanken die zomaar van de hand van Daniel Lanois hadden kunnen zijn.
Zowel de songs met invloeden uit de country en de folk als de songs met een atmosferische en beeldend karakter passen perfect bij de stemmen van de zussen Rogers, die ook op hun nieuwe album weer de sterren van de hemel zingen. Zowel Laura als Lydia beschikt over een prachtige stem, maar de magie ontstaat wanneer hun stemmen blenden zoals alleen de stemmen van zussen dit kunnen. Door de zang verdient ieder album van The Secret Sisters een dikke voldoende, maar het wat warmere en eigentijdsere geluid op Mind, Man, Medicine tilt de songs op het album nog een flink stuk op, waardoor The Secret Sisters zichzelf op alle fronten overtreffen. Erwin Zijleman
The Secret Sisters - Saturn Return (2020)

4,0
0
geplaatst: 1 maart 2020, 10:48 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Secret Sisters - Saturn Return - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Secret Sisters - Saturn Return
De gouden keeltjes van Laura en Lydia Rogers zijn op het eerste gehoor misschien wat overweldigend, maar al snel valt alles op zijn plek op dit uitstekende album
Eind 2010 maakten The Secret Sisters een onuitwisbare indruk met hun fraaie debuut, maar mijn liefde voor de muziek van de Amerikaanse zussen doofde om onverklaarbare redenen snel. Ook Saturn Return had me niet onmiddellijk te pakken, maar nadat ik was gevallen voor de net wat meer ingetogen tracks op het album en de invloeden uit de 70s singer-songwriter muziek, volgde de rest snel. Het door Brandi Carlile geproduceerde album is voorzien van een warm en gloedvol geluid, waarin Laura en Lydia Rogers mogen imponeren met hun stemmen. Overdaad ligt op de loer, maar hoe vaker ik naar Saturn Return luister, hoe mooier het album wordt.
Mijn liefde voor de muziek van The Secret Sisters is vooralsnog zeker niet onvoorwaardelijk. De zussen Laura en Lydia Rogers doken aan het eind van 2010 op met het samen met topproducers T-Bone Burnett en Dave Cobb gemaakte titelloze debuut. Het album maakte in productioneel en muzikaal opzicht een uitstekende indruk, maar imponeerde door de prachtige stemmen van Laura en Lydia Rogers, die elkaar steeds weer naar grote hoogten wisten te tillen en ook mij vrijwel direct wisten te overtuigen.
Op het eveneens door T-Bone Burnett geproduceerde Put Your Needle Down uit 2014 klikte het op een of andere manier niet tussen The Secret Sisters en mij. In muzikaal en vocaal opzicht was het album misschien nog wel beter dan zijn voorganger, maar het deed me allemaal niet zoveel.
Het overkwam me ook weer bij beluistering van You Don't Own Me Anymore uit 2014. Het samen met Brandi Carlile gemaakte album werd, volkomen terecht, overladen met positieve recensies, maar ook dit keer had ik geen klik met het album. Ik kan niet goed uitleggen waarom het twee keer mis ging met een album van de Amerikaanse zussen. Ik hou van het genre, ik hou van vrouwenstemmen en ik hou van de harmonieën waar Laura en Lydia zo goed in zijn.
Het gekke is dat het ook bij beluistering van het nieuwe album van het tweetal direct weer mis ging. Saturn Return opent met stevig vocaal vuurwerk, prachtig gitaarwerk en een aansprekende song, maar het raakte me wederom niet. Gelukkig ben ik blijven luisteren, want met de tweede track van Saturn Return hadden Laura en Lydia Rogers me wel stevig te pakken.
De door piano gedomineerde tweede track schuift wat op richting de singer-songwriter muziek uit de jaren 70 en laat wat subtielere zang en meer solozang horen. De wat meer ingetogen zang en harmonieën waren in tegenstelling tot de zwaar aangezette variant uit de openingstrack wel direct goed voor kippenvel.
Het wederom door Brandi Carlile geproduceerde album bevat veel meer van dit soort songs, maar natuurlijk ook de nodige songs waarin de zussen uit Alabama kiezen voor wat traditioneler klinkende roots en in vocaal opzicht voluit gaan. Kennelijk moet ik daar aan wennen, want na een aantal luisterbeurten ontbreekt de klik met de muziek van The Secret Sisters niet meer. Integendeel zelfs.
Brandi Carlile heeft het nieuwe album van Laura en Lydia Rogers voorzien van een lekker vol geluid en het is een geluid vaak een 70s feel heeft. Zeker in de tracks met vooral rootsinvloeden is, geven de stembanden van de twee zussen vol gas, maar Saturn Return bevat gelukkig ook voldoende rustpunten.
Mijn aarzeling om vol overgave te houden van de muziek van The Secret Sisters zal zeker niet uniek zijn, dus ik ga er van uit dat meer muziekliefhebbers zich wat overweldigd zullen voelen door het vocale geweld op het album. Even doorbijten helpt. Wanneer je eenmaal gewend bent aan de volle productie van het album, hoor je dat The Secret Sisters een serie geweldige popliedjes op de band hebben geslingerd en fantastisch zingen.
Het zijn tijdloze popliedjes vol invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek, maar ook uit de singer-songwriter pop uit de jaren 70 en hier en daar een vleugje 50s. In productioneel en vocaal opzicht lijkt het op het eerste gehoor misschien wat overdadig, maar wat steekt het allemaal knap in elkaar. Ruim 9 jaar na het debuut ben ik toch weer fan van de zussen uit Alabama en de liefde voor Saturn Return groeit. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Secret Sisters - Saturn Return - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Secret Sisters - Saturn Return
De gouden keeltjes van Laura en Lydia Rogers zijn op het eerste gehoor misschien wat overweldigend, maar al snel valt alles op zijn plek op dit uitstekende album
Eind 2010 maakten The Secret Sisters een onuitwisbare indruk met hun fraaie debuut, maar mijn liefde voor de muziek van de Amerikaanse zussen doofde om onverklaarbare redenen snel. Ook Saturn Return had me niet onmiddellijk te pakken, maar nadat ik was gevallen voor de net wat meer ingetogen tracks op het album en de invloeden uit de 70s singer-songwriter muziek, volgde de rest snel. Het door Brandi Carlile geproduceerde album is voorzien van een warm en gloedvol geluid, waarin Laura en Lydia Rogers mogen imponeren met hun stemmen. Overdaad ligt op de loer, maar hoe vaker ik naar Saturn Return luister, hoe mooier het album wordt.
Mijn liefde voor de muziek van The Secret Sisters is vooralsnog zeker niet onvoorwaardelijk. De zussen Laura en Lydia Rogers doken aan het eind van 2010 op met het samen met topproducers T-Bone Burnett en Dave Cobb gemaakte titelloze debuut. Het album maakte in productioneel en muzikaal opzicht een uitstekende indruk, maar imponeerde door de prachtige stemmen van Laura en Lydia Rogers, die elkaar steeds weer naar grote hoogten wisten te tillen en ook mij vrijwel direct wisten te overtuigen.
Op het eveneens door T-Bone Burnett geproduceerde Put Your Needle Down uit 2014 klikte het op een of andere manier niet tussen The Secret Sisters en mij. In muzikaal en vocaal opzicht was het album misschien nog wel beter dan zijn voorganger, maar het deed me allemaal niet zoveel.
Het overkwam me ook weer bij beluistering van You Don't Own Me Anymore uit 2014. Het samen met Brandi Carlile gemaakte album werd, volkomen terecht, overladen met positieve recensies, maar ook dit keer had ik geen klik met het album. Ik kan niet goed uitleggen waarom het twee keer mis ging met een album van de Amerikaanse zussen. Ik hou van het genre, ik hou van vrouwenstemmen en ik hou van de harmonieën waar Laura en Lydia zo goed in zijn.
Het gekke is dat het ook bij beluistering van het nieuwe album van het tweetal direct weer mis ging. Saturn Return opent met stevig vocaal vuurwerk, prachtig gitaarwerk en een aansprekende song, maar het raakte me wederom niet. Gelukkig ben ik blijven luisteren, want met de tweede track van Saturn Return hadden Laura en Lydia Rogers me wel stevig te pakken.
De door piano gedomineerde tweede track schuift wat op richting de singer-songwriter muziek uit de jaren 70 en laat wat subtielere zang en meer solozang horen. De wat meer ingetogen zang en harmonieën waren in tegenstelling tot de zwaar aangezette variant uit de openingstrack wel direct goed voor kippenvel.
Het wederom door Brandi Carlile geproduceerde album bevat veel meer van dit soort songs, maar natuurlijk ook de nodige songs waarin de zussen uit Alabama kiezen voor wat traditioneler klinkende roots en in vocaal opzicht voluit gaan. Kennelijk moet ik daar aan wennen, want na een aantal luisterbeurten ontbreekt de klik met de muziek van The Secret Sisters niet meer. Integendeel zelfs.
Brandi Carlile heeft het nieuwe album van Laura en Lydia Rogers voorzien van een lekker vol geluid en het is een geluid vaak een 70s feel heeft. Zeker in de tracks met vooral rootsinvloeden is, geven de stembanden van de twee zussen vol gas, maar Saturn Return bevat gelukkig ook voldoende rustpunten.
Mijn aarzeling om vol overgave te houden van de muziek van The Secret Sisters zal zeker niet uniek zijn, dus ik ga er van uit dat meer muziekliefhebbers zich wat overweldigd zullen voelen door het vocale geweld op het album. Even doorbijten helpt. Wanneer je eenmaal gewend bent aan de volle productie van het album, hoor je dat The Secret Sisters een serie geweldige popliedjes op de band hebben geslingerd en fantastisch zingen.
Het zijn tijdloze popliedjes vol invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek, maar ook uit de singer-songwriter pop uit de jaren 70 en hier en daar een vleugje 50s. In productioneel en vocaal opzicht lijkt het op het eerste gehoor misschien wat overdadig, maar wat steekt het allemaal knap in elkaar. Ruim 9 jaar na het debuut ben ik toch weer fan van de zussen uit Alabama en de liefde voor Saturn Return groeit. Erwin Zijleman
The Shivas - Better Off Dead (2016)

4,0
0
geplaatst: 29 februari 2016, 20:56 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Shivas - Better Of Dead - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan? De uit Portland, Oregon, afkomstige band The Shivas propt 8 songs in 28 minuten en maakt hierbij totaal geen geheim van haar inspiratiebronnen.
Deze inspiratiebronnen liggen in de jaren 60 en werden destijds vooral in de hokjes psychedelica en garagerock gepropt.
Het levert een aantal decennia later muziek op die door Allmusic.com bijzonder fraai wordt omschreven als “Languid and lazily blissful, like a lo-fi Brian Wilson on a heavy dose of pain killers”.
Het is een omschrijving die een deel van het verhaal vertelt, want The Shivas hebben voor Better Off Dead niet alleen heel goed naar de legendarische Nuggets boxen geluisterd, maar kennen ook de van melancholie overlopende songs van Roy Orbison en The Everly Brothers of de weemoedige songs van Les Paul & Mary Ford.
Voor een band die met een titel als Better Of Dead op de proppen komt, klinkt de muziek van The Shivas verrassend levendig, al duurt het even voor het trio uit Portland echt op gang is.
Wanneer dat eenmaal het geval is worden de voornamelijk Amerikaanse invloeden tijdelijk verruild voor Britse inspiratiebronnen en komen invloeden van The Beatles en met name The Kinks aan de oppervlakte.
Heel veel tijd om dit alles te beluisteren heb je niet, want na 28 minuten zit het er al weer op. In die 28 minuten heb je echter wel kunnen genieten van briljante en vaak verrassend zonnige gitaarloopjes, dromerige vocalen, verleidelijke vrouwenvocalen, prachtig zweverige klanken en songs met een kop en een staart die weliswaar zweverig en gruizig klinken, maar de melodie hoog in het vaandel hebben staan.
Het leuke van Better Off Dead is dat The Shivas geen moment proberen om eigentijdse muziek te maken of om eigenzinnige elementen aan hun muziek toe te voegen. Better Of Dead had ook in de jaren 60 gemaakt kunnen worden en had The Shivas ongetwijfeld meerdere plekjes op de fraaie Nuggets verzamelaars opgeleverd.
Die pak ik er binnenkort ook weer eens bij, maar voorlopig geniet ik nog even van de verrassend sterke en zeker ook verrassend verslavende plaat van The Shivas. Better Of Dead? Niet met dit aantrekkelijke en uiteindelijk ook aansprekende plaatje uit de speakers. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Shivas - Better Of Dead - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan? De uit Portland, Oregon, afkomstige band The Shivas propt 8 songs in 28 minuten en maakt hierbij totaal geen geheim van haar inspiratiebronnen.
Deze inspiratiebronnen liggen in de jaren 60 en werden destijds vooral in de hokjes psychedelica en garagerock gepropt.
Het levert een aantal decennia later muziek op die door Allmusic.com bijzonder fraai wordt omschreven als “Languid and lazily blissful, like a lo-fi Brian Wilson on a heavy dose of pain killers”.
Het is een omschrijving die een deel van het verhaal vertelt, want The Shivas hebben voor Better Off Dead niet alleen heel goed naar de legendarische Nuggets boxen geluisterd, maar kennen ook de van melancholie overlopende songs van Roy Orbison en The Everly Brothers of de weemoedige songs van Les Paul & Mary Ford.
Voor een band die met een titel als Better Of Dead op de proppen komt, klinkt de muziek van The Shivas verrassend levendig, al duurt het even voor het trio uit Portland echt op gang is.
Wanneer dat eenmaal het geval is worden de voornamelijk Amerikaanse invloeden tijdelijk verruild voor Britse inspiratiebronnen en komen invloeden van The Beatles en met name The Kinks aan de oppervlakte.
Heel veel tijd om dit alles te beluisteren heb je niet, want na 28 minuten zit het er al weer op. In die 28 minuten heb je echter wel kunnen genieten van briljante en vaak verrassend zonnige gitaarloopjes, dromerige vocalen, verleidelijke vrouwenvocalen, prachtig zweverige klanken en songs met een kop en een staart die weliswaar zweverig en gruizig klinken, maar de melodie hoog in het vaandel hebben staan.
Het leuke van Better Off Dead is dat The Shivas geen moment proberen om eigentijdse muziek te maken of om eigenzinnige elementen aan hun muziek toe te voegen. Better Of Dead had ook in de jaren 60 gemaakt kunnen worden en had The Shivas ongetwijfeld meerdere plekjes op de fraaie Nuggets verzamelaars opgeleverd.
Die pak ik er binnenkort ook weer eens bij, maar voorlopig geniet ik nog even van de verrassend sterke en zeker ook verrassend verslavende plaat van The Shivas. Better Of Dead? Niet met dit aantrekkelijke en uiteindelijk ook aansprekende plaatje uit de speakers. Erwin Zijleman
The Shoe - I'm Okay (2014)

4,0
0
geplaatst: 30 juni 2014, 20:43 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Shoe - I'm Okay - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Shoe is een Amerikaans duo dat bestaat uit singer-songwriter en actrice Jena Malone (die onder andere was te zien in The Hunger Games) en pianist en producer Lem Jay Ignacio.
Over zingende actrices wordt meestal nogal denigrerend gedaan, maar Jena Malone snoert direct in de openingstrack van het debuut van The Shoe de critici de mond. En hoe.
In deze openingstrack laat Jena Malone zich uitsluitend begeleiden door bijzonder subtiele pianoklanken, maar overtuigt ze met speels gemak. In deze openingstrack is ook direct duidelijk dat The Shoe niet gaat voor de makkelijkste weg. Het is geen makkelijk popliedje dat de introductie vormt tot dit Amerikaanse duo, maar dankzij de mooie en veelkleurige stem van Jena Malone was ik direct fan.
The Shoe houdt haar muziek niet de hele tijd zo ingetogen en sober als in de openingstrack en titeltrack van I’m Okay, maar heel uitbundig wordt het nooit. De instrumentatie is in het merendeel van de tracks ingetogen en zacht, zodat Jena Malone kan schitteren met haar mooie stem, die ook vaak fluisterzacht is. De instrumentatie is misschien ingetogen en zacht, maar verrast wel keer op keer door wonderschone accenten die uitblinken door subtiliteit en trefzekerheid. De stem van Jena Malone draait zich prachtig om deze instrumentatie heen en heeft een verleidingskracht om bang van te worden.
Gezien de samenstelling van The Shoe (actrice/zangeres en een getalenteerd muzikant) ligt de vergelijking met She & Him voor de hand, al is het maar omdat de stem van Jena Malone net zo honingzoet kan zijn als die van Zooey Deschanel, maar uiteindelijk is de muziek van The Shoe toch een stuk minder uitbundig en een stuk avontuurlijker.
Het valt niet mee om met slechts een beperkt aantal ingrediënten een plaat te maken die je continu in zijn greep houdt, maar het debuut van The Shoe slaagt daar inmiddels al een tijdje in. Omdat Jena Malone en Lem Jay Ignacio niet kiezen voor makkelijk in het gehoor liggende popliedjes of zelfs perfecte popsongs, blijf je maar nieuwe dingen horen in de muziek van het tweetal. Dit geldt met name voor de vocalen, die heel af en toe ook wel wat doen denken aan die van een jonge Cat Power, maar ook de prachtige instrumentatie en de bijzonder trefzekere productie weten je keer op keer weer te verleiden en te verrassen.
I’m Okay van The Shoe krijgt tot dusver 0,0 aandacht in Nederland en dat is werkelijk doodzonde. I’m Okay maakt immers iedere zondagochtend tot een ultiem moment van ontspanning en maakt iedere zomeravond tot een oase van rust.
Gezien het acteerverleden van Jena Malone wordt I’m Okay van The Shoe ook in de Verenigde Staten met de nodige reserves ontvangen. Volkomen onterecht, want er zijn de afgelopen maanden niet veel leukere indie-platen verschenen. Het indie-karakter van de muziek van The Shoe hoor je misschien nog wel het best in de wat voller klinkende songs op de plaat, waarin zowel de instrumentatie als de vocalen zich niet in een keurslijf laten dwingen en I’m Okay steeds meer sprankelt en vermaakt. Heerlijke plaat van een duo dat een plekje vol in de spotlights verdient. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Shoe - I'm Okay - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Shoe is een Amerikaans duo dat bestaat uit singer-songwriter en actrice Jena Malone (die onder andere was te zien in The Hunger Games) en pianist en producer Lem Jay Ignacio.
Over zingende actrices wordt meestal nogal denigrerend gedaan, maar Jena Malone snoert direct in de openingstrack van het debuut van The Shoe de critici de mond. En hoe.
In deze openingstrack laat Jena Malone zich uitsluitend begeleiden door bijzonder subtiele pianoklanken, maar overtuigt ze met speels gemak. In deze openingstrack is ook direct duidelijk dat The Shoe niet gaat voor de makkelijkste weg. Het is geen makkelijk popliedje dat de introductie vormt tot dit Amerikaanse duo, maar dankzij de mooie en veelkleurige stem van Jena Malone was ik direct fan.
The Shoe houdt haar muziek niet de hele tijd zo ingetogen en sober als in de openingstrack en titeltrack van I’m Okay, maar heel uitbundig wordt het nooit. De instrumentatie is in het merendeel van de tracks ingetogen en zacht, zodat Jena Malone kan schitteren met haar mooie stem, die ook vaak fluisterzacht is. De instrumentatie is misschien ingetogen en zacht, maar verrast wel keer op keer door wonderschone accenten die uitblinken door subtiliteit en trefzekerheid. De stem van Jena Malone draait zich prachtig om deze instrumentatie heen en heeft een verleidingskracht om bang van te worden.
Gezien de samenstelling van The Shoe (actrice/zangeres en een getalenteerd muzikant) ligt de vergelijking met She & Him voor de hand, al is het maar omdat de stem van Jena Malone net zo honingzoet kan zijn als die van Zooey Deschanel, maar uiteindelijk is de muziek van The Shoe toch een stuk minder uitbundig en een stuk avontuurlijker.
Het valt niet mee om met slechts een beperkt aantal ingrediënten een plaat te maken die je continu in zijn greep houdt, maar het debuut van The Shoe slaagt daar inmiddels al een tijdje in. Omdat Jena Malone en Lem Jay Ignacio niet kiezen voor makkelijk in het gehoor liggende popliedjes of zelfs perfecte popsongs, blijf je maar nieuwe dingen horen in de muziek van het tweetal. Dit geldt met name voor de vocalen, die heel af en toe ook wel wat doen denken aan die van een jonge Cat Power, maar ook de prachtige instrumentatie en de bijzonder trefzekere productie weten je keer op keer weer te verleiden en te verrassen.
I’m Okay van The Shoe krijgt tot dusver 0,0 aandacht in Nederland en dat is werkelijk doodzonde. I’m Okay maakt immers iedere zondagochtend tot een ultiem moment van ontspanning en maakt iedere zomeravond tot een oase van rust.
Gezien het acteerverleden van Jena Malone wordt I’m Okay van The Shoe ook in de Verenigde Staten met de nodige reserves ontvangen. Volkomen onterecht, want er zijn de afgelopen maanden niet veel leukere indie-platen verschenen. Het indie-karakter van de muziek van The Shoe hoor je misschien nog wel het best in de wat voller klinkende songs op de plaat, waarin zowel de instrumentatie als de vocalen zich niet in een keurslijf laten dwingen en I’m Okay steeds meer sprankelt en vermaakt. Heerlijke plaat van een duo dat een plekje vol in de spotlights verdient. Erwin Zijleman
The Slow Show - Dream Darling (2016)

4,5
2
geplaatst: 2 oktober 2016, 10:23 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Slow Show - Dream Darling - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Net iets meer dan anderhalf jaar geleden publiceerde ik mijn recensie van White Water van de uit Manchester afkomstige band The Slow Show.
De recensie behoort inmiddels tot de tien best gelezen recensies op de krenten uit de pop en dook ook de afgelopen weken weer regelmatig op in de top 10 van de betreffende week.
Waar het aan ligt weet ik niet precies, maar het heeft ook vast wat met de kwaliteit van de plaat te maken. White Water heb ik zelf in ieder geval heel veel gedraaid en koester ik nog steeds.
The Slow Show werd anderhalf jaar geleden vooral met The National vergeleken, maar klinkt op haar nieuwe plaat Dream Darling toch vooral als The Slow Show.
Het geluid van de Britse band wordt nog altijd voor een belangrijk deel bepaald door de bijzondere stem van zanger Rob Goodwin. De Brit beschikt over een wat krakerige stem waarvan je absoluut moet houden en ook de manier van zingen van de Brit is er een die niet bij iedereen in de smaak zal vallen. Persoonlijk hou ik wel van de bijzondere vocalen, die meer dan eens raken aan vooral Tindersticks en Queensryche, al krijg ik die kerel van Crash Test Dummies (Mmm Mmm Mmm) ook niet helemaal uit mijn hoofd).
De bijzondere stem van Rob Goodwin wordt op Dream Darling gecombineerd met werkelijk prachtige klanken en wonderschone arrangementen. In de openingstrack pakt The Slow Show meteen flink uit met blazers en strijkers, een stevig aangezet koor en hele fraaie pianoklanken, maar The Slow Show neemt op haar nieuwe plaat ook met enige regelmaat flink gas terug.
Zeker wanneer The Slow Show gas terug neemt draagt Rob Goodwin zijn teksten meer voor dan hij ze zingt, wat de muziek van de band uit Manchester een bijzonder eigen geluid en een indringende lading geeft. Het is een geluid dat zich door de bijzondere zang, de werkelijk prachtige klanken en een flinke dosis drama en bombast nadrukkelijk opdringt.
Dream Darling is wat ingetogener dan zijn voorganger en bovendien is dit keer net wat meer zorg besteed aan de instrumentatie, de arrangementen en de productie. Net als op White Water zijn de vocalen behoorlijk dominant, maar wat gebeurt er op de achtergrond veel moois en wat is het allemaal raak.
Ook dit keer zijn het vooral de blazers die keer op keer zorgen voor kippenvel, maar ook de subtiele strijkers, de fraaie gitaarlijnen en de subtiele ritmesectie dragen bij aan het fraaie resultaat. Ook de schitterende stem van Kesha Ellis (helaas maar twee keer te horen) is het vermelden overigens meer dan waard.
Dream Darling mist natuurlijk de verrassing van White Water, maar compenseert dit met songs die je na één keer horen dierbaar zijn, maar die ook nog heel lang nieuwe dingen laten horen.
Dream Darling verschijnt in een week met een bijna onwerkelijk aantal interessante releases, maar steekt er wat mij betreft toch net wat bovenuit. Laat de herfst nu maar komen, want met de bijzonder fraaie soundtrack van The Slow Show kan het alleen maar een prachtseizoen worden. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Slow Show - Dream Darling - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Net iets meer dan anderhalf jaar geleden publiceerde ik mijn recensie van White Water van de uit Manchester afkomstige band The Slow Show.
De recensie behoort inmiddels tot de tien best gelezen recensies op de krenten uit de pop en dook ook de afgelopen weken weer regelmatig op in de top 10 van de betreffende week.
Waar het aan ligt weet ik niet precies, maar het heeft ook vast wat met de kwaliteit van de plaat te maken. White Water heb ik zelf in ieder geval heel veel gedraaid en koester ik nog steeds.
The Slow Show werd anderhalf jaar geleden vooral met The National vergeleken, maar klinkt op haar nieuwe plaat Dream Darling toch vooral als The Slow Show.
Het geluid van de Britse band wordt nog altijd voor een belangrijk deel bepaald door de bijzondere stem van zanger Rob Goodwin. De Brit beschikt over een wat krakerige stem waarvan je absoluut moet houden en ook de manier van zingen van de Brit is er een die niet bij iedereen in de smaak zal vallen. Persoonlijk hou ik wel van de bijzondere vocalen, die meer dan eens raken aan vooral Tindersticks en Queensryche, al krijg ik die kerel van Crash Test Dummies (Mmm Mmm Mmm) ook niet helemaal uit mijn hoofd).
De bijzondere stem van Rob Goodwin wordt op Dream Darling gecombineerd met werkelijk prachtige klanken en wonderschone arrangementen. In de openingstrack pakt The Slow Show meteen flink uit met blazers en strijkers, een stevig aangezet koor en hele fraaie pianoklanken, maar The Slow Show neemt op haar nieuwe plaat ook met enige regelmaat flink gas terug.
Zeker wanneer The Slow Show gas terug neemt draagt Rob Goodwin zijn teksten meer voor dan hij ze zingt, wat de muziek van de band uit Manchester een bijzonder eigen geluid en een indringende lading geeft. Het is een geluid dat zich door de bijzondere zang, de werkelijk prachtige klanken en een flinke dosis drama en bombast nadrukkelijk opdringt.
Dream Darling is wat ingetogener dan zijn voorganger en bovendien is dit keer net wat meer zorg besteed aan de instrumentatie, de arrangementen en de productie. Net als op White Water zijn de vocalen behoorlijk dominant, maar wat gebeurt er op de achtergrond veel moois en wat is het allemaal raak.
Ook dit keer zijn het vooral de blazers die keer op keer zorgen voor kippenvel, maar ook de subtiele strijkers, de fraaie gitaarlijnen en de subtiele ritmesectie dragen bij aan het fraaie resultaat. Ook de schitterende stem van Kesha Ellis (helaas maar twee keer te horen) is het vermelden overigens meer dan waard.
Dream Darling mist natuurlijk de verrassing van White Water, maar compenseert dit met songs die je na één keer horen dierbaar zijn, maar die ook nog heel lang nieuwe dingen laten horen.
Dream Darling verschijnt in een week met een bijna onwerkelijk aantal interessante releases, maar steekt er wat mij betreft toch net wat bovenuit. Laat de herfst nu maar komen, want met de bijzonder fraaie soundtrack van The Slow Show kan het alleen maar een prachtseizoen worden. Erwin Zijleman
The Slow Show - Lust and Learn (2019)

4,5
3
geplaatst: 1 september 2019, 10:22 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Slow Show - Lust And Learn - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Slow Show - Lust And Learn
Derde album van de Britse band The Slow Show en het is net als zijn twee voorgangers een album waarin nog heel lang veel moois te ontdekken valt
Het debuut van The Slow Show werd in 2015 binnengehaald als een sensatie, terwijl het een jaar later verschenen tweede album van de band de belofte bevestigde. Met album nummer drie consolideert The Slow Show haar positie als een van de meest interessante Britse bands van het moment. Lust And Learn borduurt voort op de eerste twee albums van de band, maar klinkt nog wat grootser en meeslepender. De donkere en melodieuze muziek bestaat uit meerdere lagen en al die lagen zitten vol mooie en bijzondere elementen. Het past allemaal prachtig bij de al even bijzondere vocalen op het album. The Slow Show heeft een album gemaakt dat direct verwondert en betovert, maar het is ook een album dat voorlopig nog wel even door zal groeien.
Begin 2015 verscheen het debuut van de Britse band The Slow Show. White Water werd door de critici onmiddellijk de hemel in geprezen en de muziek van de band uit Manchester werd vergeleken met die van grote bands als The National en Elbow. Het leek me op voorhand wat overdreven, maar na eerste beluistering van het album moest ik de critici direct gelijk geven.
White Water stond vol met zich over het algemeen langzaam voortslepende songs, die opvielen door de vele lagen waaruit de muziek bestond en door de prachtige arrangementen binnen deze lagen. Het werd fraai afgemaakt door de bijzondere stem van zanger Rob Goodwin, die zich in vocaal opzicht ergens tussen de zangeres van Queensryche, Lambchop, The National en Tindersticks in wurmde en stiekem ook wel wat deed denken aan de zanger van Crash Test Dummies.
White Water bleek ook nog eens een album dat bij herhaalde beluistering steeds meer geheimen prijs gaf, waardoor het aan het eind van 2015 in flink wat jaarlijstjes opdook. De in de herfst van 2016 verschenen opvolger Dream Darling vond ik persoonlijk nog net wat mooier en volgde in grote lijnen hetzelfde recept als het debuut van de Britse band.
Op het derde album van The Slow Show hebben we bijna drie jaar moeten wachten, maar deze week verscheen dan eindelijk Lust And Learn. Na de eerste paar luisterbeurten kan ik alleen maar concluderen dat de Britse band het weer geflikt heeft. De band heeft lang gewerkt en gesleuteld aan het nieuwe album en dat hoor je.
The Slow Show heeft haar muziek wederom uit flink wat lagen opgebouwd en in al deze lagen zijn de arrangementen en melodieën van een bijzondere schoonheid. Een deel van deze lagen doet bijna (neo-)klassiek aan, maar er is ook veel ruimte voor atmosferische klanken en hier en daar een voorzichtige uitbarsting.
De stemmige instrumentatie op Lust And Learn wordt gecombineerd met de bijzondere stem van Rob Goodwin, die veel van zijn teksten meer voordraagt dan zingt en met zijn wat krakende stem veel doorleving toevoegt aan de muziek van de band. Het levert een album op dat van alle kanten op je af komt, maar op een of andere manier passen alle lagen in de muziek van The Slow Show perfect bij elkaar en weten ze elkaar te versterken.
Lust And Learn volgt in grote lijnen hetzelfde recept als de vorige twee albums van The Slow Show, maar klinkt ook net wat anders. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal net wat subtieler, maar ook wat dynamischer, bombastischer (zeker wanneer het koor aanzwelt) en sprookjesachtiger, terwijl de vocalen nog meer dan in het verleden zorgen voor een uniek geluid. Het is een geluid dat, met name door de vocalen, donker en melancholisch aan doet, maar Lust And Learn staat ook vol muziek van een unieke schoonheid.
Ook Lust And Learn zal wel weer vergeleken worden met bands als The National en Elbow, maar nu de band uit Manchester drie geweldige albums op haar naam heeft staan hoeft het niet langer gezien te worden als het kleine broertje van deze bands. De vorige twee albums van The Slow Show begonnen na de eerste beluisteringen aan een indrukwekkend groeiproces, maar het derde album van de band vond ik eigenlijk direct prachtig. Het belooft wat voor de komende maanden. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Slow Show - Lust And Learn - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Slow Show - Lust And Learn
Derde album van de Britse band The Slow Show en het is net als zijn twee voorgangers een album waarin nog heel lang veel moois te ontdekken valt
Het debuut van The Slow Show werd in 2015 binnengehaald als een sensatie, terwijl het een jaar later verschenen tweede album van de band de belofte bevestigde. Met album nummer drie consolideert The Slow Show haar positie als een van de meest interessante Britse bands van het moment. Lust And Learn borduurt voort op de eerste twee albums van de band, maar klinkt nog wat grootser en meeslepender. De donkere en melodieuze muziek bestaat uit meerdere lagen en al die lagen zitten vol mooie en bijzondere elementen. Het past allemaal prachtig bij de al even bijzondere vocalen op het album. The Slow Show heeft een album gemaakt dat direct verwondert en betovert, maar het is ook een album dat voorlopig nog wel even door zal groeien.
Begin 2015 verscheen het debuut van de Britse band The Slow Show. White Water werd door de critici onmiddellijk de hemel in geprezen en de muziek van de band uit Manchester werd vergeleken met die van grote bands als The National en Elbow. Het leek me op voorhand wat overdreven, maar na eerste beluistering van het album moest ik de critici direct gelijk geven.
White Water stond vol met zich over het algemeen langzaam voortslepende songs, die opvielen door de vele lagen waaruit de muziek bestond en door de prachtige arrangementen binnen deze lagen. Het werd fraai afgemaakt door de bijzondere stem van zanger Rob Goodwin, die zich in vocaal opzicht ergens tussen de zangeres van Queensryche, Lambchop, The National en Tindersticks in wurmde en stiekem ook wel wat deed denken aan de zanger van Crash Test Dummies.
White Water bleek ook nog eens een album dat bij herhaalde beluistering steeds meer geheimen prijs gaf, waardoor het aan het eind van 2015 in flink wat jaarlijstjes opdook. De in de herfst van 2016 verschenen opvolger Dream Darling vond ik persoonlijk nog net wat mooier en volgde in grote lijnen hetzelfde recept als het debuut van de Britse band.
Op het derde album van The Slow Show hebben we bijna drie jaar moeten wachten, maar deze week verscheen dan eindelijk Lust And Learn. Na de eerste paar luisterbeurten kan ik alleen maar concluderen dat de Britse band het weer geflikt heeft. De band heeft lang gewerkt en gesleuteld aan het nieuwe album en dat hoor je.
The Slow Show heeft haar muziek wederom uit flink wat lagen opgebouwd en in al deze lagen zijn de arrangementen en melodieën van een bijzondere schoonheid. Een deel van deze lagen doet bijna (neo-)klassiek aan, maar er is ook veel ruimte voor atmosferische klanken en hier en daar een voorzichtige uitbarsting.
De stemmige instrumentatie op Lust And Learn wordt gecombineerd met de bijzondere stem van Rob Goodwin, die veel van zijn teksten meer voordraagt dan zingt en met zijn wat krakende stem veel doorleving toevoegt aan de muziek van de band. Het levert een album op dat van alle kanten op je af komt, maar op een of andere manier passen alle lagen in de muziek van The Slow Show perfect bij elkaar en weten ze elkaar te versterken.
Lust And Learn volgt in grote lijnen hetzelfde recept als de vorige twee albums van The Slow Show, maar klinkt ook net wat anders. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal net wat subtieler, maar ook wat dynamischer, bombastischer (zeker wanneer het koor aanzwelt) en sprookjesachtiger, terwijl de vocalen nog meer dan in het verleden zorgen voor een uniek geluid. Het is een geluid dat, met name door de vocalen, donker en melancholisch aan doet, maar Lust And Learn staat ook vol muziek van een unieke schoonheid.
Ook Lust And Learn zal wel weer vergeleken worden met bands als The National en Elbow, maar nu de band uit Manchester drie geweldige albums op haar naam heeft staan hoeft het niet langer gezien te worden als het kleine broertje van deze bands. De vorige twee albums van The Slow Show begonnen na de eerste beluisteringen aan een indrukwekkend groeiproces, maar het derde album van de band vond ik eigenlijk direct prachtig. Het belooft wat voor de komende maanden. Erwin Zijleman
The Slow Show - Still Life (2022)

1
geplaatst: 5 februari 2022, 10:07 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Slow Show - Still Life - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Slow Show - Still Life
We weten inmiddels wat we kunnen verwachten van de Britse band The Slow Show, maar het wederom wonderschoon ingekleurde Still Life laat ook voldoende subtiele vernieuwing horen
The Slow Show uit Manchester keert tweeënhalf jaar na het uitstekende Lust And Learn terug met een nieuw album. De verrassing is er inmiddels wel wat af, want ook album nummer vier valt vooral op door een prachtige en vaak beeldende instrumentatie en door de zo karakteristieke vocalen, maar Still Life klinkt toch ook weer net wat anders dan zijn voorgangers. Zeker de wat complexere songs op het album zitten volgestopt met heel veel moois, maar The Slow Show klinkt af en toe ook net wat toegankelijker. Dat is niet altijd een pre, maar de meeste songs op het album zijn weer zo mooi als we inmiddels van de Britse band gewend zijn en strelen even uitvoerig als meedogenloos het oor.
De Britse band The Slow Show levert met het deze week verschenen Still Life (officieel met alleen hoofdletters) alweer haar vierde album af. Van de vorige drie vond ik persoonlijk Dream Darling uit 2016 het mooist, maar ook White Water uit 2015 en Lust And Learn uit 2019 waren prachtige albums, die terecht in nogal wat jaarlijstje opdoken.
Op Still Life trekt de band uit Manchester de lijn van de vorige drie albums door, maar The Slow Show slaat ook op album nummer vier weer net wat andere wegen in, al moet gezegd worden dat de verschillen subtiel zijn. De twee belangrijkste ingrediënten in de muziek van de Britse band zijn gelukkig niet verdwenen. Ook op Still Life is er de muzikale pracht die we inmiddels kennen van de band en ook de zo karakteristieke zang van Rob Goodwin is op Still Life weer sfeerbepalend.
De diepe en donkere stem van de zanger van de band roept afwisselend associaties op met Tindersticks, Queensryche, The National, Lambchop en zelfs Crash Test Dummies (Mmm Mmm Mmm), maar heeft een eigen geluid doordat de stem steeds wat over lijkt te slaan. Ik moest er in 2015 wel wat aan wennen, ook omdat de zang wel wat monotoon kan klinken, maar inmiddels hoort het bij de muziek van The Slow Show en zou ik de bijzondere vocalen niet willen missen.
De bijzondere stem van Rob Goodwin laat zich op Still Life bijstaan door een al even opvallende vrouwenstem, wat zorgt voor fraaie contrasten. Dit is zeker niet nieuw, maar het klinkt toch weer net wat anders dan op de vorige albums. De zang strijkt misschien nog enigszins tegen de haren in, maar in muzikaal opzicht zitten ook de songs op het vierde album van The Slow Show weer prachtig in elkaar.
De muziek van de band is door een combinatie van piano en strijkers nog altijd bijzonder sfeervol, wat wordt versterkt door de inzet van mooie gitaarlijnen, sfeervolle blazers en atmosferische keyboards. Net als op de vorige albums is de muziek van The Slow Show vaak groots en meeslepend en vol of zelfs overvol, maar Still Life heeft ook zijn meer ingetogen momenten.
De grootste klanken van de band zijn niet alleen mooi, maar ook beeldend en zouden niet misstaan bij de films vol uitgestrekte landschappen, al zitten de vocalen dan misschien wel wat in de weg. Zeker wanneer je het album met een goede koptelefoon beluistert, wordt het oor genadeloos gestreeld door alle mooie klanken en hoor je steeds weer nieuwe dingen in de uit meerdere lagen bestaande instrumentatie, die je makkelijk meevoert. In productioneel opzicht is het af en toe net wat teveel allemaal van het goede, maar het blijft wat mij betreft mooi.
In muzikaal opzicht laat ook Still Life zich weer vergelijken met de muziek van bands als Elbow en The National (een song van deze band leverde The Slow Show haar naam op) en dan met name in de meest bombastische dagen van deze bands. Hier en daar vind ik het misschien net wat te lichtvoetig, maar de paar kleine uitglijders op het album moeten we de band maar vergeven.
The Slow Show flirt hier en daar met net wat toegankelijkere of zelfs aanstekelijke songs, maar het mooist zijn toch de songs die een paar keer van kleur verschieten en waarin een bijzondere wending nooit ver weg is. Openingstrack Mountbatten is zo’n songs en zet direct de toon voor de rest van het album.
Still Life laat het inmiddels uit duizenden herkenbare geluid van The Slow Show horen, maar de subtiele koerswijzingen en het gebruik van net wat andere accenten in de instrumentatie en vocalen, zorgen er wat mij betreft voor dat het niet meer van hetzelfde is. Wat wel is gebleven is de hoge kwaliteit van de muziek van de band. Prachtalbum. Wederom. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Slow Show - Still Life - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Slow Show - Still Life
We weten inmiddels wat we kunnen verwachten van de Britse band The Slow Show, maar het wederom wonderschoon ingekleurde Still Life laat ook voldoende subtiele vernieuwing horen
The Slow Show uit Manchester keert tweeënhalf jaar na het uitstekende Lust And Learn terug met een nieuw album. De verrassing is er inmiddels wel wat af, want ook album nummer vier valt vooral op door een prachtige en vaak beeldende instrumentatie en door de zo karakteristieke vocalen, maar Still Life klinkt toch ook weer net wat anders dan zijn voorgangers. Zeker de wat complexere songs op het album zitten volgestopt met heel veel moois, maar The Slow Show klinkt af en toe ook net wat toegankelijker. Dat is niet altijd een pre, maar de meeste songs op het album zijn weer zo mooi als we inmiddels van de Britse band gewend zijn en strelen even uitvoerig als meedogenloos het oor.
De Britse band The Slow Show levert met het deze week verschenen Still Life (officieel met alleen hoofdletters) alweer haar vierde album af. Van de vorige drie vond ik persoonlijk Dream Darling uit 2016 het mooist, maar ook White Water uit 2015 en Lust And Learn uit 2019 waren prachtige albums, die terecht in nogal wat jaarlijstje opdoken.
Op Still Life trekt de band uit Manchester de lijn van de vorige drie albums door, maar The Slow Show slaat ook op album nummer vier weer net wat andere wegen in, al moet gezegd worden dat de verschillen subtiel zijn. De twee belangrijkste ingrediënten in de muziek van de Britse band zijn gelukkig niet verdwenen. Ook op Still Life is er de muzikale pracht die we inmiddels kennen van de band en ook de zo karakteristieke zang van Rob Goodwin is op Still Life weer sfeerbepalend.
De diepe en donkere stem van de zanger van de band roept afwisselend associaties op met Tindersticks, Queensryche, The National, Lambchop en zelfs Crash Test Dummies (Mmm Mmm Mmm), maar heeft een eigen geluid doordat de stem steeds wat over lijkt te slaan. Ik moest er in 2015 wel wat aan wennen, ook omdat de zang wel wat monotoon kan klinken, maar inmiddels hoort het bij de muziek van The Slow Show en zou ik de bijzondere vocalen niet willen missen.
De bijzondere stem van Rob Goodwin laat zich op Still Life bijstaan door een al even opvallende vrouwenstem, wat zorgt voor fraaie contrasten. Dit is zeker niet nieuw, maar het klinkt toch weer net wat anders dan op de vorige albums. De zang strijkt misschien nog enigszins tegen de haren in, maar in muzikaal opzicht zitten ook de songs op het vierde album van The Slow Show weer prachtig in elkaar.
De muziek van de band is door een combinatie van piano en strijkers nog altijd bijzonder sfeervol, wat wordt versterkt door de inzet van mooie gitaarlijnen, sfeervolle blazers en atmosferische keyboards. Net als op de vorige albums is de muziek van The Slow Show vaak groots en meeslepend en vol of zelfs overvol, maar Still Life heeft ook zijn meer ingetogen momenten.
De grootste klanken van de band zijn niet alleen mooi, maar ook beeldend en zouden niet misstaan bij de films vol uitgestrekte landschappen, al zitten de vocalen dan misschien wel wat in de weg. Zeker wanneer je het album met een goede koptelefoon beluistert, wordt het oor genadeloos gestreeld door alle mooie klanken en hoor je steeds weer nieuwe dingen in de uit meerdere lagen bestaande instrumentatie, die je makkelijk meevoert. In productioneel opzicht is het af en toe net wat teveel allemaal van het goede, maar het blijft wat mij betreft mooi.
In muzikaal opzicht laat ook Still Life zich weer vergelijken met de muziek van bands als Elbow en The National (een song van deze band leverde The Slow Show haar naam op) en dan met name in de meest bombastische dagen van deze bands. Hier en daar vind ik het misschien net wat te lichtvoetig, maar de paar kleine uitglijders op het album moeten we de band maar vergeven.
The Slow Show flirt hier en daar met net wat toegankelijkere of zelfs aanstekelijke songs, maar het mooist zijn toch de songs die een paar keer van kleur verschieten en waarin een bijzondere wending nooit ver weg is. Openingstrack Mountbatten is zo’n songs en zet direct de toon voor de rest van het album.
Still Life laat het inmiddels uit duizenden herkenbare geluid van The Slow Show horen, maar de subtiele koerswijzingen en het gebruik van net wat andere accenten in de instrumentatie en vocalen, zorgen er wat mij betreft voor dat het niet meer van hetzelfde is. Wat wel is gebleven is de hoge kwaliteit van de muziek van de band. Prachtalbum. Wederom. Erwin Zijleman
The Slow Show - White Water (2015)

4,0
0
geplaatst: 15 maart 2015, 10:06 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Slow Show - White Water - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Ik krijg met grote regelmaat tips toegestuurd van lezers van deze BLOG, maar het gebeurt eigenlijk nooit dat meerdere lezers dezelfde plaat onder mijn aandacht willen brengen. Toen ik in twee dagen tijd vijf keer werd gewezen op White Water van The Slow Song kon ik dan ook niet anders dan luisteren naar het debuut van deze Britse band.
The Slow Song komt uit het Britse Manchester, maar wordt tot dusver vooral vergeleken met een Amerikaanse band; The National. Dat is een vergelijking waar op zich niet veel eer aan te behalen is, want The National opereert al jaren op eenzame hoogte.
Ik heb White Water van The Slow Song daarom beluisterd zonder onmiddellijk aan The National te denken en dat lukt best. Natuurlijk is de muziek van The Slow Song verwant aan die van The National, maar de muziek van de band uit Manchester heeft genoeg unieke kenmerken om los van de muziek van het grote voorbeeld te worden beschreven.
White Water opent met een klassiek koor, waarna een prachtige gitaarlijn en de unieke stem van zanger Rob Goodwin het overnemen. Het is een stem die direct doet denken aan die van de zanger van de Crash Test Dummies, maar The Slow Song moet toch tot meer in staat worden gedacht dan een ‘guilty pleasure’ als Mmm Mmm Mmm.
Opener Dresden is met het geweldige gitaarwerk en de langzaam opbouwende spanning direct een van de sterkste tracks op White Water, maar ook de andere tracks op de plaat zijn zeer de moeite waard.
De songs van The Slow Song slepen zich over het algemeen langzaam voort en hebben een wat donkere ondertoon, waardoor de plaat een bijna bezwerende uitwerking heeft. Vooral in de arrangementen is de vergelijking met The National nauwelijks te onderdrukken, maar de Amerikaanse band heeft natuurlijk niet het alleenrecht op knap in elkaar stekende songs vol magie en wonderschone accenten.
Verder heeft The Slow Song met zanger Rob Goodwin een bijzonder wapen in bezit. In eerste instantie moest ik vooral gniffelen om de donkerbruine stem van de Brit, maar na enige gewenning kan ik toch alleen maar concluderen dat deze stem The Slow Song een bijzonder eigen geluid geeft en het debuut van de band voorziet van een bijzondere sfeer. Bovendien wordt Goodwin na enige gewenning een steeds betere zanger, die over een groter bereik beschikt dan je in eerste instantie zult vermoeden en uiteindelijk dichter tegen Queensryche, Lambchop of Tindersticks dan tegen de Crash Test Dummies aan zit.
White Water van The Slow Song is een plaat die schreeuwt om beluistering met de koptelefoon. Dan pas immers hoor je uit hoeveel lagen de muziek van de band bestaat en hoe knap deze lagen door elkaar heen lopen. Bovendien hoor je pas bij aandachtige beluistering hoe knap The Slow Song de spanning opbouwt in haar songs.
Ik lees in flink wat recensies dat de muziek van The Slow Song door het lage tempo als saai wordt ervaren, maar die ervaring heb ik absoluut niet. White Water is als een wolkenlucht die iedere keer verandert van kleur en vorm. Kijk af en toe eens omhoog en je ziet alleen wolken. Kijk met aandacht en je ziet een imposant schouwspel vol subtiele verschuivingen.
Veel songs op White Water hebben een atmosferisch aandoend klankentapijt als onderlaag, waarop het bijzonder mooie gitaarwerk en de bijzondere stem voor de variatie zorgen, maar incidenteel komt deze variatie ook van blazers, strijkers en synths. Het blijft lastig om de muziek van The Slow Song goed te beschrijven, maar dat termen als ‘wonderschoon’ en ‘bezwerend’ op zijn plaats zijn weet ik zeker. Ga dus vooral zelf luisteren naar deze bijzondere plaat. Ga je geen spijt van krijgen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Slow Show - White Water - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Ik krijg met grote regelmaat tips toegestuurd van lezers van deze BLOG, maar het gebeurt eigenlijk nooit dat meerdere lezers dezelfde plaat onder mijn aandacht willen brengen. Toen ik in twee dagen tijd vijf keer werd gewezen op White Water van The Slow Song kon ik dan ook niet anders dan luisteren naar het debuut van deze Britse band.
The Slow Song komt uit het Britse Manchester, maar wordt tot dusver vooral vergeleken met een Amerikaanse band; The National. Dat is een vergelijking waar op zich niet veel eer aan te behalen is, want The National opereert al jaren op eenzame hoogte.
Ik heb White Water van The Slow Song daarom beluisterd zonder onmiddellijk aan The National te denken en dat lukt best. Natuurlijk is de muziek van The Slow Song verwant aan die van The National, maar de muziek van de band uit Manchester heeft genoeg unieke kenmerken om los van de muziek van het grote voorbeeld te worden beschreven.
White Water opent met een klassiek koor, waarna een prachtige gitaarlijn en de unieke stem van zanger Rob Goodwin het overnemen. Het is een stem die direct doet denken aan die van de zanger van de Crash Test Dummies, maar The Slow Song moet toch tot meer in staat worden gedacht dan een ‘guilty pleasure’ als Mmm Mmm Mmm.
Opener Dresden is met het geweldige gitaarwerk en de langzaam opbouwende spanning direct een van de sterkste tracks op White Water, maar ook de andere tracks op de plaat zijn zeer de moeite waard.
De songs van The Slow Song slepen zich over het algemeen langzaam voort en hebben een wat donkere ondertoon, waardoor de plaat een bijna bezwerende uitwerking heeft. Vooral in de arrangementen is de vergelijking met The National nauwelijks te onderdrukken, maar de Amerikaanse band heeft natuurlijk niet het alleenrecht op knap in elkaar stekende songs vol magie en wonderschone accenten.
Verder heeft The Slow Song met zanger Rob Goodwin een bijzonder wapen in bezit. In eerste instantie moest ik vooral gniffelen om de donkerbruine stem van de Brit, maar na enige gewenning kan ik toch alleen maar concluderen dat deze stem The Slow Song een bijzonder eigen geluid geeft en het debuut van de band voorziet van een bijzondere sfeer. Bovendien wordt Goodwin na enige gewenning een steeds betere zanger, die over een groter bereik beschikt dan je in eerste instantie zult vermoeden en uiteindelijk dichter tegen Queensryche, Lambchop of Tindersticks dan tegen de Crash Test Dummies aan zit.
White Water van The Slow Song is een plaat die schreeuwt om beluistering met de koptelefoon. Dan pas immers hoor je uit hoeveel lagen de muziek van de band bestaat en hoe knap deze lagen door elkaar heen lopen. Bovendien hoor je pas bij aandachtige beluistering hoe knap The Slow Song de spanning opbouwt in haar songs.
Ik lees in flink wat recensies dat de muziek van The Slow Song door het lage tempo als saai wordt ervaren, maar die ervaring heb ik absoluut niet. White Water is als een wolkenlucht die iedere keer verandert van kleur en vorm. Kijk af en toe eens omhoog en je ziet alleen wolken. Kijk met aandacht en je ziet een imposant schouwspel vol subtiele verschuivingen.
Veel songs op White Water hebben een atmosferisch aandoend klankentapijt als onderlaag, waarop het bijzonder mooie gitaarwerk en de bijzondere stem voor de variatie zorgen, maar incidenteel komt deze variatie ook van blazers, strijkers en synths. Het blijft lastig om de muziek van The Slow Song goed te beschrijven, maar dat termen als ‘wonderschoon’ en ‘bezwerend’ op zijn plaats zijn weet ik zeker. Ga dus vooral zelf luisteren naar deze bijzondere plaat. Ga je geen spijt van krijgen. Erwin Zijleman
The Small Glories - Assiniboine & the Red (2019)

4,5
0
geplaatst: 2 juli 2019, 16:19 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Small Glories - Assiniboine & The Red - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Small Glories - Assiniboine & The Red
The Small Glories betoveren met prachtig snarenwerk, maar vooral met twee geweldige stemmen, die ook individueel durven te imponeren op deze prachtplaat
Wat een prachtplaat heeft het Canadese duo The Small Glories afgeleverd. Cara Luft en JD Edwards hebben hun tweede album voorzien van fraai snarenwerk, dat de basis vormt van een prachtig ingekleurd geluid. De stemmen van de twee maken nog veel meer indruk. Het zijn stemmen die meedogenloos verleiden in harmonieën, maar ook individueel zijn Cara Luft en JD Edwards goed voor kippenvel. Het komt allemaal samen in songs die allemaal net wat anders klinken en variëren van traditioneel tot eigentijds. Zonder twijfel een van de leukste en mooiste rootsalbums die ik de laatste tijd gehoord heb.
Assiniboine & The Red is het tweede album van het Canadese duo The Small Glories. Het debuut van het tweetal wist me een paar jaar geleden niet volledig te overtuigen, maar direct in de openingstrack van het nieuwe album doen Cara Luft en JD Edwards alles goed.
Openingstrack Alberta valt op door mooi door elkaar lopende gitaar en banjo lijnen en vooral door twee prachtige stemmen. Het zijn stemmen die allebei op de voorgrond willen en mogen treden, maar die ook zo nu en dan mooi samensmelten, wat in vocaal opzicht de nodige dynamiek oplevert.
Alleen de combinatie van snaren en stemmen is al voldoende om te vallen voor de muziek van The Small Glories, maar het duo uit Winnipeg, Manitoba, heeft direct in de openingstrack ook al meer te bieden. Het prachtige snarenwerk wordt fraai gecombineerd met drums en andere accenten van onder andere strijkers, wat zowel het snarenwerk als de stemmen voorziet van meer diepgang. Bovendien verrassen Cara Luft en JD Edwards direct in de openingstrack van Assiniboine & The Red met een song die dieper graaft dan gebruikelijk in het genre.
Alberta slaat meerdere malen een andere weg in dan je verwacht en schakelt bovendien tussen zich langzaam voortslepende klanken en door de banjo aangejaagde versnellingen. Zeker wanneer de banjo een dominante rol speelt in de muziek klinken The Small Glories behoorlijk traditioneel, maar ze blijven hier zeker niet in hangen. Met de meer traditionele klanken op Assiniboine & The Red is overigens niets mis. Wanneer The Small Glories wat opschuiven richting bluegrass, klinkt Cara Luft opeens wel wat als Alison Krauss, wat vergelijkingsmateriaal is waarvoor geen enkele rootsmuzikant zich zal schamen.
The Small Glories laten op Assiniboine & The Red horen dat ze makkelijk kunnen schakelen tussen meerdere genres binnen de Amerikaanse en Canadese rootsmuziek en dat doen ze dan ook veelvuldig. Het Canadese duo klinkt hierdoor afwisselend traditioneel en net wat lichtvoetiger, maar ook als Cara Luft en JD Edwards de teugels wat voeren blijven de songs van het tweetal opvallen door een enorme intensiteit.
Deze intensiteit zit deels in de fraaie spanningsbogen die worden opgebouwd door het prachtige snarenwerk op het album, maar uit zich vooral door de prachtige stemmen van het tweetal. Cara Luft en JD Edwards zingen op Assiniboine & The Red vol passie en emotie en zeker wanneer de vocale chemie tussen de twee oplaait, tillen de twee elkaar naar grote hoogten.
Qua vocaal vuurwerk en vocale intensiteit doet het nieuwe album van The Small Glories me wel wat denken aan de twee albums van The Civil Wars, maar ook Kacy & Clayton dragen relevant vergelijkingsmateriaal aan. De harmonieën op Assiniboine & The Red zijn stuk voor stuk prachtig, maar de individuele bijdragen van Cara Luft en JD Edwards vind ik minstens even indrukwekkend. Het debuut van The Small Glories deed me drie jaar geleden net wat te weinig, maar het tweede album van het Canadese tweetal heeft me volledig ingepakt. Prachtplaat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Small Glories - Assiniboine & The Red - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Small Glories - Assiniboine & The Red
The Small Glories betoveren met prachtig snarenwerk, maar vooral met twee geweldige stemmen, die ook individueel durven te imponeren op deze prachtplaat
Wat een prachtplaat heeft het Canadese duo The Small Glories afgeleverd. Cara Luft en JD Edwards hebben hun tweede album voorzien van fraai snarenwerk, dat de basis vormt van een prachtig ingekleurd geluid. De stemmen van de twee maken nog veel meer indruk. Het zijn stemmen die meedogenloos verleiden in harmonieën, maar ook individueel zijn Cara Luft en JD Edwards goed voor kippenvel. Het komt allemaal samen in songs die allemaal net wat anders klinken en variëren van traditioneel tot eigentijds. Zonder twijfel een van de leukste en mooiste rootsalbums die ik de laatste tijd gehoord heb.
Assiniboine & The Red is het tweede album van het Canadese duo The Small Glories. Het debuut van het tweetal wist me een paar jaar geleden niet volledig te overtuigen, maar direct in de openingstrack van het nieuwe album doen Cara Luft en JD Edwards alles goed.
Openingstrack Alberta valt op door mooi door elkaar lopende gitaar en banjo lijnen en vooral door twee prachtige stemmen. Het zijn stemmen die allebei op de voorgrond willen en mogen treden, maar die ook zo nu en dan mooi samensmelten, wat in vocaal opzicht de nodige dynamiek oplevert.
Alleen de combinatie van snaren en stemmen is al voldoende om te vallen voor de muziek van The Small Glories, maar het duo uit Winnipeg, Manitoba, heeft direct in de openingstrack ook al meer te bieden. Het prachtige snarenwerk wordt fraai gecombineerd met drums en andere accenten van onder andere strijkers, wat zowel het snarenwerk als de stemmen voorziet van meer diepgang. Bovendien verrassen Cara Luft en JD Edwards direct in de openingstrack van Assiniboine & The Red met een song die dieper graaft dan gebruikelijk in het genre.
Alberta slaat meerdere malen een andere weg in dan je verwacht en schakelt bovendien tussen zich langzaam voortslepende klanken en door de banjo aangejaagde versnellingen. Zeker wanneer de banjo een dominante rol speelt in de muziek klinken The Small Glories behoorlijk traditioneel, maar ze blijven hier zeker niet in hangen. Met de meer traditionele klanken op Assiniboine & The Red is overigens niets mis. Wanneer The Small Glories wat opschuiven richting bluegrass, klinkt Cara Luft opeens wel wat als Alison Krauss, wat vergelijkingsmateriaal is waarvoor geen enkele rootsmuzikant zich zal schamen.
The Small Glories laten op Assiniboine & The Red horen dat ze makkelijk kunnen schakelen tussen meerdere genres binnen de Amerikaanse en Canadese rootsmuziek en dat doen ze dan ook veelvuldig. Het Canadese duo klinkt hierdoor afwisselend traditioneel en net wat lichtvoetiger, maar ook als Cara Luft en JD Edwards de teugels wat voeren blijven de songs van het tweetal opvallen door een enorme intensiteit.
Deze intensiteit zit deels in de fraaie spanningsbogen die worden opgebouwd door het prachtige snarenwerk op het album, maar uit zich vooral door de prachtige stemmen van het tweetal. Cara Luft en JD Edwards zingen op Assiniboine & The Red vol passie en emotie en zeker wanneer de vocale chemie tussen de twee oplaait, tillen de twee elkaar naar grote hoogten.
Qua vocaal vuurwerk en vocale intensiteit doet het nieuwe album van The Small Glories me wel wat denken aan de twee albums van The Civil Wars, maar ook Kacy & Clayton dragen relevant vergelijkingsmateriaal aan. De harmonieën op Assiniboine & The Red zijn stuk voor stuk prachtig, maar de individuele bijdragen van Cara Luft en JD Edwards vind ik minstens even indrukwekkend. Het debuut van The Small Glories deed me drie jaar geleden net wat te weinig, maar het tweede album van het Canadese tweetal heeft me volledig ingepakt. Prachtplaat. Erwin Zijleman
The Smashing Pumpkins - Adore (1998)

5,0
3
geplaatst: 27 februari 2022, 19:10 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Smashing Pumpkins - Adore (1998) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Smashing Pumpkins - Adore (1998)
Na een heleboel ellende sloeg de Amerikaanse band The Smashing Pumpkins op haar vierde album een nieuwe en wat onbegrepen en ondergewaardeerde weg in, maar Adore is echt een prachtig album
Vraag fans van The Smashing Pumpkins naar hun favoriete album van de band en ik verwacht dat Adore, het vierde album van de band, maar weinig genoemd gaat worden. Adore verscheen in 1998, was in dat jaar mijn favoriete Smashing Pumpkins album en dat is het nog steeds. Op Adore slaat de band een andere weg in en het is een weg die op de volgende albums van de band meteen weer zou worden verlaten. Mede door een heleboel persoonlijke misère, klinkt de band uit Chicago op Adore melancholischer en ook ingetogener dan we van de band gewend zijn. De gitaarmuren blijven uit, net als de hard-zacht dynamiek, en elektronica speelt een voornamere rol. Het klinkt anders, maar wat zijn de songs goed en wat klinkt het nog altijd mooi en bijzonder.
Binnen het oeuvre van de Amerikaanse band The Smashing Pumpkins worden de eerste drie albums van de band, Gish uit 1991, Siamese Dream uit 1993 en Mellon Collie And The Infinite Sadness uit 1995, door de critici het hoogst gewaardeerd, gevolgd door de albums die de band de afgelopen tien jaar heeft gemaakt. Mijn persoonlijke favoriet in het oeuvre van de band rond Billy Corgan is echter het in 1998 verschenen Adore, dat destijds door de critici werd verguisd.
Adore is in het oeuvre van de Amerikaanse band een wat vreemde eend in de bijt. De verschillen met de andere albums van The Smashing Pumpkins moeten ook weer niet overdreven worden, maar Adore klinkt wel wezenlijk anders dan zijn voorgangers en de albums die zouden volgen.
De band maakte Adore in een extreem moeilijke periode. De toetsenist van de band overleed aan een overdosis, terwijl de drummer van de band een te grote hoeveelheid drugs maar net overleefde en vervolgens werd ontslagen. Voorman Billy Corgan kreeg hiernaast ook nog eens te maken met het overlijden van zijn moeder en het einde van zijn huwelijk. Het zijn meer dan voldoende ingrediënten voor een nogal melancholisch album.
Adore opent met het uiterst ingetogen en akoestische eerbetoon aan Billy Corgan's moeder To Sheila, dat de toon zet voor het album. In de muziek van The Smashing Pumpkins zaten altijd al meer ingetogen passages, maar deze werden altijd gecombineerd met uitbarstingen en hoge gitaarmuren. To Sheila moet het doen zonder deze dynamiek, maar komt daarom alleen maar harder aan.
De tweede track van het album, de single Ava Adore, past eigenlijk niet zo goed op het album. Het is de ruwste en stevigste track op het album en ook de track die het dichtst bij het vertrouwde Smashing Pumpkins geluid ligt, al is de grotere rol voor elektronica wel opvallend. Ik vind het ook de minste track overigens.
Adore vervolgt met een serie relatief ingetogen tracks, waarin wederom de rol van elektronica opvalt. De band moest het op Adore doen zonder drummer Jimmy Chamberlain, maar het drumwerk op het album springt er wat mij betreft in positieve zin uit. Het hele albums, waarvoor meerdere producers werden ingeschakeld, klinkt overigens fantastisch.
Het is opvallend dat The Smashing Pumpkins op hun eerste drie albums hadden getekend voor het rockgeluid van de jaren 90, maar op Adore deels terug grijpen op de combinatie van gitaren en synths uit de jaren 80. Het bevalt me persoonlijk net wat beter dan de gitaarmuren en de steeds terugkerende hard-zacht dynamiek op de eerste albums van de band.
Adore is zoals gezegd veel mooier geproduceerd en heeft mede hierdoor de tand des tijds veel beter doorstaan. Ik vind ook de songs op Adore beter en waar de zang van Billy Corgan op veel albums van The Smashing Pumpkins scherp en soms zelf onaangenaam klinkt, vind ik zijn zang op Adore wel raak.
Ondanks alle verschillen met de drie voorgangers en de albums die na Adore zouden volgen, vind ik Adore wel een typisch Smashing Pumpkins album, want veel ingrediënten die de muziek van de Amerikaanse band zo bijzonder maakten en maken, zijn ook op dit album te horen.
Mede dankzij het net wat andere geluid en de wat meer ingetogen en ook melodieuzere songs, kon Adore niet rekenen op de sympathie van de critici en ook onder de fans van de band is het zeker niet het meest populaire album, maar mij raakte het album eigenlijk direct en dat doet het album nog steeds. Het is het enige album van The Smashing Pumpkins dat ik nog geregeld beluister en ik vind het nog minstens net zo mooi als bijna 24 jaar geleden. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Smashing Pumpkins - Adore (1998) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Smashing Pumpkins - Adore (1998)
Na een heleboel ellende sloeg de Amerikaanse band The Smashing Pumpkins op haar vierde album een nieuwe en wat onbegrepen en ondergewaardeerde weg in, maar Adore is echt een prachtig album
Vraag fans van The Smashing Pumpkins naar hun favoriete album van de band en ik verwacht dat Adore, het vierde album van de band, maar weinig genoemd gaat worden. Adore verscheen in 1998, was in dat jaar mijn favoriete Smashing Pumpkins album en dat is het nog steeds. Op Adore slaat de band een andere weg in en het is een weg die op de volgende albums van de band meteen weer zou worden verlaten. Mede door een heleboel persoonlijke misère, klinkt de band uit Chicago op Adore melancholischer en ook ingetogener dan we van de band gewend zijn. De gitaarmuren blijven uit, net als de hard-zacht dynamiek, en elektronica speelt een voornamere rol. Het klinkt anders, maar wat zijn de songs goed en wat klinkt het nog altijd mooi en bijzonder.
Binnen het oeuvre van de Amerikaanse band The Smashing Pumpkins worden de eerste drie albums van de band, Gish uit 1991, Siamese Dream uit 1993 en Mellon Collie And The Infinite Sadness uit 1995, door de critici het hoogst gewaardeerd, gevolgd door de albums die de band de afgelopen tien jaar heeft gemaakt. Mijn persoonlijke favoriet in het oeuvre van de band rond Billy Corgan is echter het in 1998 verschenen Adore, dat destijds door de critici werd verguisd.
Adore is in het oeuvre van de Amerikaanse band een wat vreemde eend in de bijt. De verschillen met de andere albums van The Smashing Pumpkins moeten ook weer niet overdreven worden, maar Adore klinkt wel wezenlijk anders dan zijn voorgangers en de albums die zouden volgen.
De band maakte Adore in een extreem moeilijke periode. De toetsenist van de band overleed aan een overdosis, terwijl de drummer van de band een te grote hoeveelheid drugs maar net overleefde en vervolgens werd ontslagen. Voorman Billy Corgan kreeg hiernaast ook nog eens te maken met het overlijden van zijn moeder en het einde van zijn huwelijk. Het zijn meer dan voldoende ingrediënten voor een nogal melancholisch album.
Adore opent met het uiterst ingetogen en akoestische eerbetoon aan Billy Corgan's moeder To Sheila, dat de toon zet voor het album. In de muziek van The Smashing Pumpkins zaten altijd al meer ingetogen passages, maar deze werden altijd gecombineerd met uitbarstingen en hoge gitaarmuren. To Sheila moet het doen zonder deze dynamiek, maar komt daarom alleen maar harder aan.
De tweede track van het album, de single Ava Adore, past eigenlijk niet zo goed op het album. Het is de ruwste en stevigste track op het album en ook de track die het dichtst bij het vertrouwde Smashing Pumpkins geluid ligt, al is de grotere rol voor elektronica wel opvallend. Ik vind het ook de minste track overigens.
Adore vervolgt met een serie relatief ingetogen tracks, waarin wederom de rol van elektronica opvalt. De band moest het op Adore doen zonder drummer Jimmy Chamberlain, maar het drumwerk op het album springt er wat mij betreft in positieve zin uit. Het hele albums, waarvoor meerdere producers werden ingeschakeld, klinkt overigens fantastisch.
Het is opvallend dat The Smashing Pumpkins op hun eerste drie albums hadden getekend voor het rockgeluid van de jaren 90, maar op Adore deels terug grijpen op de combinatie van gitaren en synths uit de jaren 80. Het bevalt me persoonlijk net wat beter dan de gitaarmuren en de steeds terugkerende hard-zacht dynamiek op de eerste albums van de band.
Adore is zoals gezegd veel mooier geproduceerd en heeft mede hierdoor de tand des tijds veel beter doorstaan. Ik vind ook de songs op Adore beter en waar de zang van Billy Corgan op veel albums van The Smashing Pumpkins scherp en soms zelf onaangenaam klinkt, vind ik zijn zang op Adore wel raak.
Ondanks alle verschillen met de drie voorgangers en de albums die na Adore zouden volgen, vind ik Adore wel een typisch Smashing Pumpkins album, want veel ingrediënten die de muziek van de Amerikaanse band zo bijzonder maakten en maken, zijn ook op dit album te horen.
Mede dankzij het net wat andere geluid en de wat meer ingetogen en ook melodieuzere songs, kon Adore niet rekenen op de sympathie van de critici en ook onder de fans van de band is het zeker niet het meest populaire album, maar mij raakte het album eigenlijk direct en dat doet het album nog steeds. Het is het enige album van The Smashing Pumpkins dat ik nog geregeld beluister en ik vind het nog minstens net zo mooi als bijna 24 jaar geleden. Erwin Zijleman
The Smile - Wall of Eyes (2024)

4,5
2
geplaatst: 28 januari 2024, 12:02 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Smile - Wall Of Eyes - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Smile - Wall Of Eyes
‘Supergroep’ The Smile debuteerde bijna twee jaar geleden prachtig, maar het wat subtielere maar zeker niet minder spannende Wall Of Eyes is nog een stuk beter en steekt flink wat Radiohead albums naar de kroon
Thom Yorke, Jonny Greenwood en Tom Skinner hebben het gelukkig niet bij één studioalbum gelaten en keren deze week terug met hun project The Smile. Het debuutalbum van de band overtrof bijna twee jaar geleden alle verwachtingen. De verwachtingen rond Wall Of Eyes waren daarom onrealistisch hoog, maar het tweede album van The Smile stelt zeker niet teleur. In muzikaal opzicht is het album wat subtieler en wat minder divers, maar de songs op het album zijn complexer en bieden volop ruimte voor experiment. Met name bij beluistering met de koptelefoon struikel je over alle bijzondere details en komt het album op bijzonder fraaie wijze tot leven.
Toen in de lente van 2022 A Light For Attracting Attention van The Smile verscheen waren de verwachtingen zo hooggespannen dat het album eigenlijk alleen maar tegen kon vallen. Dat deed het debuutalbum van de band echter niet. Thom Yorke en Jonny Greenwood van Radiohead en de fantastische drummer Tom Skinner van Sons Of Kemet leverden een album met een behoorlijk hoog Radiohead gehalte af, maar het album beviel me persoonlijk beter dan de meeste Radiohead albums.
Het was mede de verdienste van topproducer Nigel Godrich (Radiohead, Paul McCartney, Arcade Fire), die A Light For Attracting Attention voorzag van een prachtig geluid, waarin de talloze subtiele details fraai aan de oppervlakte kwamen. Dat het album aan het eind van 2022 hoog opdook in menig jaarlijstje was dan ook geen verrassing.
Deze week herhaalt de geschiedenis zich, want ook het tweede album van The Smile is een album dat door de hooggespannen verwachtingen eigenlijk alleen maar tegen kan vallen. De samenwerking tussen Thom Yorke, Jonny Greenwood en Tom Skinner is inmiddels immers bekend, terwijl producer Sam Petts-Davies een minder grote naam is dan Nigel Godrich. Wall Of Eyes levert dan ook een beperkt aantal wat zuinigere recensies op, maar gelukkig wordt het album in de meeste recensies wel op de juiste waarde geschat.
Wall Of Eyes is een wat minder veelzijdig album dan zijn voorganger, maar het is zeker geen minder spannend album, al is de opborrelende spanning wel wat subtieler dan op het debuutalbum. Producer Sam Petts-Davies ken ik eigenlijk alleen van Warpaint en van het eerder deze maand verschenen album van Marika Hackman, maar de Brit heeft een indrukwekkender cv als studiotechnicus. Met Wall Of Eyes levert hij fraai werk af, want net als het debuutalbum van The Smile klinkt ook album nummer twee prachtig.
Het drumwerk van Tom Skinner is dit keer wat meer ingetogen, maar keer op keer weergaloos en hetzelfde geldt voor de gitaar- en keyboardpartijen op het album, die hier en daar worden verrijkt met een batterij aan strijkers. Het kleurt allemaal prachtig bij de vooral ingetogen zang van Thom Yorke, die de muziek van The Smile de kant van Radiohead opduwt, maar een enkele keer ook verrassend Beatlesque laat klinken (zoals in het fraaie Friend Of A Friend).
Wall Of Eyes is een ander album dan A Light For Attracting Attention, maar ik vind het zeker niet minder goed. AllMusic.com maakt een vergelijking met de overgang van Kid A naar Amnesiac en dat is best een aardige vergelijking. De muziek van The Smile is op Wall Of Eyes net wat meer naar binnen gekeerd en wat subtieler, maar beluister het album met de koptelefoon en je wordt getrakteerd op een bijna eindeloze stroom van subtiele details en op songs die hoorbaar meer ruimte bieden aan improviseren.
Ik heb persoonlijk meer met Amnesiac van Radiohead dan met Kid A en dat verklaart misschien waarom ik zo enorm onder de indruk ben van Wall Of Eyes, dat voor mij geen mindere momenten kent en vergeleken met zijn voorganger een veel consistentere luisterervaring oplevert.
Ik vind het album zelfs zo goed dat ik niet veel Radiohead albums kan noemen die ik beter vind dan dit album, al is dat misschien vloeken in de kerk. Het is wat mij betreft dan ook heel goed nieuws dat The Smile inmiddels een wat meer permanent karakter lijkt te krijgen. Voor een zijproject is ook het tweede album van de Britse band immers echt veel te goed. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Smile - Wall Of Eyes - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Smile - Wall Of Eyes
‘Supergroep’ The Smile debuteerde bijna twee jaar geleden prachtig, maar het wat subtielere maar zeker niet minder spannende Wall Of Eyes is nog een stuk beter en steekt flink wat Radiohead albums naar de kroon
Thom Yorke, Jonny Greenwood en Tom Skinner hebben het gelukkig niet bij één studioalbum gelaten en keren deze week terug met hun project The Smile. Het debuutalbum van de band overtrof bijna twee jaar geleden alle verwachtingen. De verwachtingen rond Wall Of Eyes waren daarom onrealistisch hoog, maar het tweede album van The Smile stelt zeker niet teleur. In muzikaal opzicht is het album wat subtieler en wat minder divers, maar de songs op het album zijn complexer en bieden volop ruimte voor experiment. Met name bij beluistering met de koptelefoon struikel je over alle bijzondere details en komt het album op bijzonder fraaie wijze tot leven.
Toen in de lente van 2022 A Light For Attracting Attention van The Smile verscheen waren de verwachtingen zo hooggespannen dat het album eigenlijk alleen maar tegen kon vallen. Dat deed het debuutalbum van de band echter niet. Thom Yorke en Jonny Greenwood van Radiohead en de fantastische drummer Tom Skinner van Sons Of Kemet leverden een album met een behoorlijk hoog Radiohead gehalte af, maar het album beviel me persoonlijk beter dan de meeste Radiohead albums.
Het was mede de verdienste van topproducer Nigel Godrich (Radiohead, Paul McCartney, Arcade Fire), die A Light For Attracting Attention voorzag van een prachtig geluid, waarin de talloze subtiele details fraai aan de oppervlakte kwamen. Dat het album aan het eind van 2022 hoog opdook in menig jaarlijstje was dan ook geen verrassing.
Deze week herhaalt de geschiedenis zich, want ook het tweede album van The Smile is een album dat door de hooggespannen verwachtingen eigenlijk alleen maar tegen kan vallen. De samenwerking tussen Thom Yorke, Jonny Greenwood en Tom Skinner is inmiddels immers bekend, terwijl producer Sam Petts-Davies een minder grote naam is dan Nigel Godrich. Wall Of Eyes levert dan ook een beperkt aantal wat zuinigere recensies op, maar gelukkig wordt het album in de meeste recensies wel op de juiste waarde geschat.
Wall Of Eyes is een wat minder veelzijdig album dan zijn voorganger, maar het is zeker geen minder spannend album, al is de opborrelende spanning wel wat subtieler dan op het debuutalbum. Producer Sam Petts-Davies ken ik eigenlijk alleen van Warpaint en van het eerder deze maand verschenen album van Marika Hackman, maar de Brit heeft een indrukwekkender cv als studiotechnicus. Met Wall Of Eyes levert hij fraai werk af, want net als het debuutalbum van The Smile klinkt ook album nummer twee prachtig.
Het drumwerk van Tom Skinner is dit keer wat meer ingetogen, maar keer op keer weergaloos en hetzelfde geldt voor de gitaar- en keyboardpartijen op het album, die hier en daar worden verrijkt met een batterij aan strijkers. Het kleurt allemaal prachtig bij de vooral ingetogen zang van Thom Yorke, die de muziek van The Smile de kant van Radiohead opduwt, maar een enkele keer ook verrassend Beatlesque laat klinken (zoals in het fraaie Friend Of A Friend).
Wall Of Eyes is een ander album dan A Light For Attracting Attention, maar ik vind het zeker niet minder goed. AllMusic.com maakt een vergelijking met de overgang van Kid A naar Amnesiac en dat is best een aardige vergelijking. De muziek van The Smile is op Wall Of Eyes net wat meer naar binnen gekeerd en wat subtieler, maar beluister het album met de koptelefoon en je wordt getrakteerd op een bijna eindeloze stroom van subtiele details en op songs die hoorbaar meer ruimte bieden aan improviseren.
Ik heb persoonlijk meer met Amnesiac van Radiohead dan met Kid A en dat verklaart misschien waarom ik zo enorm onder de indruk ben van Wall Of Eyes, dat voor mij geen mindere momenten kent en vergeleken met zijn voorganger een veel consistentere luisterervaring oplevert.
Ik vind het album zelfs zo goed dat ik niet veel Radiohead albums kan noemen die ik beter vind dan dit album, al is dat misschien vloeken in de kerk. Het is wat mij betreft dan ook heel goed nieuws dat The Smile inmiddels een wat meer permanent karakter lijkt te krijgen. Voor een zijproject is ook het tweede album van de Britse band immers echt veel te goed. Erwin Zijleman
The Smiths - The Queen Is Dead (1986)

4,5
1
geplaatst: 26 oktober 2017, 15:00 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Smiths - The Queen Is Dead, Deluxe Edition - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
In de zomer van 1986 verscheen The Queen Is Dead van The Smiths. Het is de middelste van de vijf platen (de live-plaat Rank meegerekend) die de band uit Manchester zou maken en het is wat mij betreft de beste.
Iets meer dan 31 jaar na de oorspronkelijke release verschijnt de inmiddels tot een klassieker uitgegroeide plaat in een luxe editie, die flink wat restmateriaal en live-opnamen toevoegt.
The Queen Is Dead is zoals gezegd de middelste van de vijf platen die de band zou maken en het is een plaat die een brug slaat tussen de eerste twee en de laatste twee platen.
The Queen Is Dead volgde op een periode waarin de band zeer uitgebreid toerde en dat is te horen. De plaat werd ook gemaakt in een periode waarin de band, ondanks de status als een van de belangrijkste bands van dat moment, onvoldoende inkomsten genereerde, wat de relatie met de platenmaatschappij er niet beter op zal hebben gemaakt. Het zal ongetwijfeld invloed hebben gehad op de band, maar op The Queen Is Dead is er niet veel van te horen.
De band klinkt op haar derde plaat door het vele toeren hechter dan ooit tevoren, terwijl zanger Morrissey veel beter is gaan zingen. Op The Queen Is Dead kiest The Smiths deels voor een behoorlijk stevig geluid en deels voor juist verrassend ingetogen en verrassend poppy songs en beide uitersten gaan de band uit Manchester uitstekend af.
Morrissey zingt niet alleen veel beter en melodieuzer dan op de vorige platen van de band, maar heeft ook een scherpere pen. Het is een pen die wederom in azijn is gedoopt, maar Morrissey verwerkt ook op The Queen Is Dead weer veel humor en cynisme in zijn songs en stelt ook nog eens feilloos enkele misstanden in het Engeland van 1986 aan de kaak (en die waren er destijds volop), maar The Queen Is Dead biedt ook ruimte aan persoonlijke teksten.
De messcherpe en persoonlijke teksten en de bijzondere en uit duizenden herkenbare stem van Morrissey (overigens lang niet door iedereen gewaardeerd) zijn belangrijke ingrediënten op The Queen Is Dead, maar de prachtige gitaarlijnen van Johnny Marr zijn minstens net zo belangrijk.
Johnny Marr was destijds nog piepjong, maar strooit driftig met de ene na de andere memorabele gitaarlijn. Het zijn gitaarlijnen die 31 jaar later nog niets van hun kracht en souplesse hebben verloren en nog altijd behoren tot het beste dat Johnny Marr heeft gemaakt.
De ritmesectie van de band speelde destijds al tweede viool (wat later nog zou leiden tot eindeloze rechtszaken over het lage honorarium dat voor het tweetal was gereserveerd), maar op The Queen Is Dead doet de ritmesectie niets fout.
Vergeleken met de meeste andere platen uit 1986 klinkt The Queen Is Dead van The Smiths verrassend fris en urgent. De tien songs op de plaat zijn allemaal even goed en zijn niet alleen de soundtrack van een jaar dat ver achter ons ligt, maar ook songs die tot op de dag van vandaag enorm veel invloed hebben gehad.
The Smiths heeft nog altijd een uniek eigen geluid en beter dan op The Queen Of Dead is dit geluid niet te horen. De luxe editie bevat een vracht aan bonusmateriaal, maar de tien tracks van het origineel blijven uiteraard het meest interessant. Het zou een van de beste platen uit de jaren 80 opleveren en het is een plaat die er nog steeds volop toe doet. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Smiths - The Queen Is Dead, Deluxe Edition - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
In de zomer van 1986 verscheen The Queen Is Dead van The Smiths. Het is de middelste van de vijf platen (de live-plaat Rank meegerekend) die de band uit Manchester zou maken en het is wat mij betreft de beste.
Iets meer dan 31 jaar na de oorspronkelijke release verschijnt de inmiddels tot een klassieker uitgegroeide plaat in een luxe editie, die flink wat restmateriaal en live-opnamen toevoegt.
The Queen Is Dead is zoals gezegd de middelste van de vijf platen die de band zou maken en het is een plaat die een brug slaat tussen de eerste twee en de laatste twee platen.
The Queen Is Dead volgde op een periode waarin de band zeer uitgebreid toerde en dat is te horen. De plaat werd ook gemaakt in een periode waarin de band, ondanks de status als een van de belangrijkste bands van dat moment, onvoldoende inkomsten genereerde, wat de relatie met de platenmaatschappij er niet beter op zal hebben gemaakt. Het zal ongetwijfeld invloed hebben gehad op de band, maar op The Queen Is Dead is er niet veel van te horen.
De band klinkt op haar derde plaat door het vele toeren hechter dan ooit tevoren, terwijl zanger Morrissey veel beter is gaan zingen. Op The Queen Is Dead kiest The Smiths deels voor een behoorlijk stevig geluid en deels voor juist verrassend ingetogen en verrassend poppy songs en beide uitersten gaan de band uit Manchester uitstekend af.
Morrissey zingt niet alleen veel beter en melodieuzer dan op de vorige platen van de band, maar heeft ook een scherpere pen. Het is een pen die wederom in azijn is gedoopt, maar Morrissey verwerkt ook op The Queen Is Dead weer veel humor en cynisme in zijn songs en stelt ook nog eens feilloos enkele misstanden in het Engeland van 1986 aan de kaak (en die waren er destijds volop), maar The Queen Is Dead biedt ook ruimte aan persoonlijke teksten.
De messcherpe en persoonlijke teksten en de bijzondere en uit duizenden herkenbare stem van Morrissey (overigens lang niet door iedereen gewaardeerd) zijn belangrijke ingrediënten op The Queen Is Dead, maar de prachtige gitaarlijnen van Johnny Marr zijn minstens net zo belangrijk.
Johnny Marr was destijds nog piepjong, maar strooit driftig met de ene na de andere memorabele gitaarlijn. Het zijn gitaarlijnen die 31 jaar later nog niets van hun kracht en souplesse hebben verloren en nog altijd behoren tot het beste dat Johnny Marr heeft gemaakt.
De ritmesectie van de band speelde destijds al tweede viool (wat later nog zou leiden tot eindeloze rechtszaken over het lage honorarium dat voor het tweetal was gereserveerd), maar op The Queen Is Dead doet de ritmesectie niets fout.
Vergeleken met de meeste andere platen uit 1986 klinkt The Queen Is Dead van The Smiths verrassend fris en urgent. De tien songs op de plaat zijn allemaal even goed en zijn niet alleen de soundtrack van een jaar dat ver achter ons ligt, maar ook songs die tot op de dag van vandaag enorm veel invloed hebben gehad.
The Smiths heeft nog altijd een uniek eigen geluid en beter dan op The Queen Of Dead is dit geluid niet te horen. De luxe editie bevat een vracht aan bonusmateriaal, maar de tien tracks van het origineel blijven uiteraard het meest interessant. Het zou een van de beste platen uit de jaren 80 opleveren en het is een plaat die er nog steeds volop toe doet. Erwin Zijleman
The Smoking Flowers - Let's Die Together (2018)

4,0
0
geplaatst: 21 september 2018, 20:35 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Smoking Flowers - Let's Die Together - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Amerikaans duo grijpt je bij de strot met een beetje roots, veel rock en vocalen die uit de tenen komen
Bij een duo uit Nashville dat in het verleden is vergeleken met Gram Parsons en Emmylou Harris had ik iets totaal anders verwacht, maar de intense rock op Let's Die Together van The Smoking Flowers overtuigt uiteindelijk makkelijk, al is het maar vanwege de geweldige zang die keer op keer vanuit de tenen komt en er voor zorgt dat de plaat aan komt als de spreekwoordelijke mokerslag. Een mokerslag waaraan overigens steeds wat meer roots wordt toegevoegd. Bijzondere plaat.
Het is op het moment al lastig om te kiezen uit alle releases die volop aandacht krijgen van platenmaatschappijen en de pers en dan zijn er ook nog al die platen die het doen met veel minder aandacht. Het zijn platen die ik meestal maar even vluchtig kan beluisteren en die dus direct indruk moeten maken.
Let’s Die Together van The Smoking Flowers deed dit en maakt sindsdien alleen maar meer indruk.
The Smoking Flowers is een Amerikaans duo dat bestaat uit Kim en Scott Collins. De twee zijn getrouwd, maken al ruim twintig jaar muziek en hebben de nodige ups en downs achter zich gelaten. Voordat ik de nieuwe plaat van het duo beluisterde, kwam ik een recensie van hun vorige plaat tegen en deze plaat werd vergeleken met de duetten van Gram Parsons en Emmylou Harris, maar ook de vergelijking met Sonny & Cher dook op.
Wanneer je country of 60s duetten verwacht is Let’s Die Together waarschijnlijk wel even schrikken, want Kim en Scott Collins gaan er op hun nieuwe plaat hier en daar stevig tegenaan en kiezen vooral voor een stevig rockgeluid. Het is een rockgeluid dat hier en daar zelfs tegen de hardrock aan schuurt, maar door de fraaie samenzang van de twee klinkt het toch net wat anders.
Kim en Scott Collins zijn allebei voorzien van een lekkere rauwere strot en zingen of hun leven er van af hangt. Ik hoor in de stevige tracks op de plaat niets meer van Gram Parsons of Emmylou Harris. Let’s Die Together klinkt als een stevige versie van Cock Robin, een hele rauwe versie van The Civil Wars of als Heart in haar beste dagen.
Wanneer The Smoking Flowers kiezen voor rock hoor je geen moment dat de twee afkomstig zijn uit Nashville, maar wanneer gas wordt terug genomen duiken toch wat invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek op. Het is een keuze die op Let’s Die Together niet vaak wordt gemaakt, want de plaat draait toch vooral om rock, al neemt aan het einde van de plaat het aandeel van rootsmuziek toe.
Het tweetal uit Nashville kiest hierbij vooral voor groots klinkende rockmuziek die het uitstekend zal doen op de Amerikaanse radio, maar gewoontjes wordt het gelukkig nooit. Het lekker in gehoor liggende rockgeluid op de plaat, met een stuwende ritmesectie en heerlijk gitaarwerk, durft immers flink buiten de lijntjes te kleuren en wordt verder flink opgestuwd door de gepassioneerde en intense zang van Kim en Scott Collins.
Na de openingstrack was ik overtuigd van de kwaliteiten van het tweetal, maar vervolgens heb ik nog wel flink moeten wennen aan de muziek van The Smoking Flowers. Zeker in de stevigere tracks komt er een muur van geluid uit de speakers en duurt het even voor je hoort hoe goed het allemaal is. Eenmaal gewend blijkt Let’s Die Together een verslavende plaat waarop steeds meer op zijn plek valt, waarna het echtpaar uit Nashville je steeds steviger bij de strot grijpt met haar intense muziek en de fantastische zang op de plaat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Smoking Flowers - Let's Die Together - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Amerikaans duo grijpt je bij de strot met een beetje roots, veel rock en vocalen die uit de tenen komen
Bij een duo uit Nashville dat in het verleden is vergeleken met Gram Parsons en Emmylou Harris had ik iets totaal anders verwacht, maar de intense rock op Let's Die Together van The Smoking Flowers overtuigt uiteindelijk makkelijk, al is het maar vanwege de geweldige zang die keer op keer vanuit de tenen komt en er voor zorgt dat de plaat aan komt als de spreekwoordelijke mokerslag. Een mokerslag waaraan overigens steeds wat meer roots wordt toegevoegd. Bijzondere plaat.
Het is op het moment al lastig om te kiezen uit alle releases die volop aandacht krijgen van platenmaatschappijen en de pers en dan zijn er ook nog al die platen die het doen met veel minder aandacht. Het zijn platen die ik meestal maar even vluchtig kan beluisteren en die dus direct indruk moeten maken.
Let’s Die Together van The Smoking Flowers deed dit en maakt sindsdien alleen maar meer indruk.
The Smoking Flowers is een Amerikaans duo dat bestaat uit Kim en Scott Collins. De twee zijn getrouwd, maken al ruim twintig jaar muziek en hebben de nodige ups en downs achter zich gelaten. Voordat ik de nieuwe plaat van het duo beluisterde, kwam ik een recensie van hun vorige plaat tegen en deze plaat werd vergeleken met de duetten van Gram Parsons en Emmylou Harris, maar ook de vergelijking met Sonny & Cher dook op.
Wanneer je country of 60s duetten verwacht is Let’s Die Together waarschijnlijk wel even schrikken, want Kim en Scott Collins gaan er op hun nieuwe plaat hier en daar stevig tegenaan en kiezen vooral voor een stevig rockgeluid. Het is een rockgeluid dat hier en daar zelfs tegen de hardrock aan schuurt, maar door de fraaie samenzang van de twee klinkt het toch net wat anders.
Kim en Scott Collins zijn allebei voorzien van een lekkere rauwere strot en zingen of hun leven er van af hangt. Ik hoor in de stevige tracks op de plaat niets meer van Gram Parsons of Emmylou Harris. Let’s Die Together klinkt als een stevige versie van Cock Robin, een hele rauwe versie van The Civil Wars of als Heart in haar beste dagen.
Wanneer The Smoking Flowers kiezen voor rock hoor je geen moment dat de twee afkomstig zijn uit Nashville, maar wanneer gas wordt terug genomen duiken toch wat invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek op. Het is een keuze die op Let’s Die Together niet vaak wordt gemaakt, want de plaat draait toch vooral om rock, al neemt aan het einde van de plaat het aandeel van rootsmuziek toe.
Het tweetal uit Nashville kiest hierbij vooral voor groots klinkende rockmuziek die het uitstekend zal doen op de Amerikaanse radio, maar gewoontjes wordt het gelukkig nooit. Het lekker in gehoor liggende rockgeluid op de plaat, met een stuwende ritmesectie en heerlijk gitaarwerk, durft immers flink buiten de lijntjes te kleuren en wordt verder flink opgestuwd door de gepassioneerde en intense zang van Kim en Scott Collins.
Na de openingstrack was ik overtuigd van de kwaliteiten van het tweetal, maar vervolgens heb ik nog wel flink moeten wennen aan de muziek van The Smoking Flowers. Zeker in de stevigere tracks komt er een muur van geluid uit de speakers en duurt het even voor je hoort hoe goed het allemaal is. Eenmaal gewend blijkt Let’s Die Together een verslavende plaat waarop steeds meer op zijn plek valt, waarna het echtpaar uit Nashville je steeds steviger bij de strot grijpt met haar intense muziek en de fantastische zang op de plaat. Erwin Zijleman
The Soft Cavalry - The Soft Cavalry (2019)

4,0
1
geplaatst: 7 juli 2019, 10:32 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Soft Cavalry - The Soft Cavalry - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Soft Cavalry - The Soft Cavalry
The Soft Cavalry is een Brits duo met Rachel Goswell in de gelederen, dat op haar debuut verrast met een verrassende mix van invloeden en een groots en verleidelijk geluid
Rachel Goswell heeft al veel mooie albums op haar naam staan en voegt met het debuut van het duo The Soft Cavalry, dat ze samen vormt met haar echtgenoot Steve Clarke, een nieuwe sectie toe aan haar al zo indrukwekkende CV. De muziek van het duo is een bonte mix van invloeden en valt op door een laag tempo, dromerige klanken en een opvallend uitbundige instrumentatie, waarin de inzet van flink wat strijkers en blazers niet wordt geschuwd. Het is muziek om heerlijk bij tot rust te komen, maar ondertussen gebeurt er zoveel bijzonders dat je ook op het puntje van de stoel wilt blijven zitten.
De naam The Soft Cavalry deed bij mij niet direct een belletje rinkelen, maar mijn interesse was meteen gewekt toen ik las dat Rachel Goswell deel uitmaakt van het Britse duo. Rachel Goswell vormt het duo samen met haar echtgenoot Steve Clarke, die ook al een tijd actief is in de muziek, maar een wat minder indrukwekkend CV heeft dan zijn echtgenote.
Rachel Goswell kennen we natuurlijk van slowcore pioniers Slowdive, maar maakte met Slowdive voorman Neil Halstead ook deel uit van Mojave 3. Hiernaast kennen we haar nog van de gelegenheidsband Minor Victories en maakte ze een jaar of vijftien geleden één prima soloalbum. Het heeft al heel veel goede albums opgeleverd en het album van The Soft Cavalry mag hier wat mij betreft best aan worden toegevoegd.
Rachel Goswell heeft haar sporen vooral verdiend in de slowcore en het is dan ook niet zo gek dat invloeden uit dit genre duidelijk hoorbaar zijn op het debuut van het Britse duo. Het titelloze debuut van The Soft Cavalry mag echter niet zomaar in het hokje slowcore worden geduwd. Rachel Goswell en Steve Clarke hebben nog flink wat andere invloeden toegevoegd aan het geluid van het duo dat ze samen vormen, waardoor het debuut van The Soft Cavalry zich niet zomaar in een hokje laat duwen.
Zeker wanneer de muziek op het album zich langzaam voortsleept zijn invloeden uit de slowcore evident, maar The Soft Cavalry combineert een laag tempo met een verrassend rijk georkestreerd geluid, dat wat dromerigs heeft, maar niet direct als dreampop is te omschrijven. Naast invloeden uit de dreampop zijn ook invloeden uit onder andere de postrock, shoegaze, indierock en hier en daar zelfs progrock hoorbaar, zonder dat het etiket van een van deze genres op dit album is te plakken.
Rachel Goswell was in het verleden zoals gezegd een stuk succesvoller dan haar echtgenoot, maar het is vooral Steve Clarke die zijn stempel drukt op het eerste album van The Soft Cavalry. Terwijl Rachel Goswell druk bezig was met andere projecten, schreef Steve Clarke het merendeel van de songs. Ook in vocaal opzicht neemt Steve Clarke het voortouw op het debuut van The Soft Cavalry. Dit betekent dat Rachel Goswell vooral is te horen als achtergrondzangeres, maar dat is een rol die ze op bijzonder fraaie wijze vervult.
Hierboven noemde ik een aantal genres die vooral in de jaren 90 floreerden, maar The Soft Cavalry heeft ook flink wat invloeden uit de jaren 80 aan haar geluid toegevoegd. Wanneer flink wordt uitgepakt in de instrumentatie en de nodige strijkers en blazers worden toegevoegd, hoor ik wel wat van China Crisis, terwijl de songs waarin de stemmen van Steve Clarke en Rachel Goswell prachtig tegen elkaar aan schuren en worden omgeven door warme en stemmige klanken wel wat hebben van Prefab Sprout.
Het debuut van The Soft Cavalry is het perfecte album voor het weekend na een drukke week. De muziek van het Britse duo heeft immers een rustgevend karakter en verleidt verrassend makkelijk met honingzoete klanken, die bijna een uur lang blijven boeien en vermaken. Het is het zoveelste uitstekende album waarop Rachel Goswell haar naam mag zetten, maar ook Steve Clarke laat zich in muzikaal opzicht gelden op dit uitstekende album. Een aanwinst derhalve dit Britse duo. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Soft Cavalry - The Soft Cavalry - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Soft Cavalry - The Soft Cavalry
The Soft Cavalry is een Brits duo met Rachel Goswell in de gelederen, dat op haar debuut verrast met een verrassende mix van invloeden en een groots en verleidelijk geluid
Rachel Goswell heeft al veel mooie albums op haar naam staan en voegt met het debuut van het duo The Soft Cavalry, dat ze samen vormt met haar echtgenoot Steve Clarke, een nieuwe sectie toe aan haar al zo indrukwekkende CV. De muziek van het duo is een bonte mix van invloeden en valt op door een laag tempo, dromerige klanken en een opvallend uitbundige instrumentatie, waarin de inzet van flink wat strijkers en blazers niet wordt geschuwd. Het is muziek om heerlijk bij tot rust te komen, maar ondertussen gebeurt er zoveel bijzonders dat je ook op het puntje van de stoel wilt blijven zitten.
De naam The Soft Cavalry deed bij mij niet direct een belletje rinkelen, maar mijn interesse was meteen gewekt toen ik las dat Rachel Goswell deel uitmaakt van het Britse duo. Rachel Goswell vormt het duo samen met haar echtgenoot Steve Clarke, die ook al een tijd actief is in de muziek, maar een wat minder indrukwekkend CV heeft dan zijn echtgenote.
Rachel Goswell kennen we natuurlijk van slowcore pioniers Slowdive, maar maakte met Slowdive voorman Neil Halstead ook deel uit van Mojave 3. Hiernaast kennen we haar nog van de gelegenheidsband Minor Victories en maakte ze een jaar of vijftien geleden één prima soloalbum. Het heeft al heel veel goede albums opgeleverd en het album van The Soft Cavalry mag hier wat mij betreft best aan worden toegevoegd.
Rachel Goswell heeft haar sporen vooral verdiend in de slowcore en het is dan ook niet zo gek dat invloeden uit dit genre duidelijk hoorbaar zijn op het debuut van het Britse duo. Het titelloze debuut van The Soft Cavalry mag echter niet zomaar in het hokje slowcore worden geduwd. Rachel Goswell en Steve Clarke hebben nog flink wat andere invloeden toegevoegd aan het geluid van het duo dat ze samen vormen, waardoor het debuut van The Soft Cavalry zich niet zomaar in een hokje laat duwen.
Zeker wanneer de muziek op het album zich langzaam voortsleept zijn invloeden uit de slowcore evident, maar The Soft Cavalry combineert een laag tempo met een verrassend rijk georkestreerd geluid, dat wat dromerigs heeft, maar niet direct als dreampop is te omschrijven. Naast invloeden uit de dreampop zijn ook invloeden uit onder andere de postrock, shoegaze, indierock en hier en daar zelfs progrock hoorbaar, zonder dat het etiket van een van deze genres op dit album is te plakken.
Rachel Goswell was in het verleden zoals gezegd een stuk succesvoller dan haar echtgenoot, maar het is vooral Steve Clarke die zijn stempel drukt op het eerste album van The Soft Cavalry. Terwijl Rachel Goswell druk bezig was met andere projecten, schreef Steve Clarke het merendeel van de songs. Ook in vocaal opzicht neemt Steve Clarke het voortouw op het debuut van The Soft Cavalry. Dit betekent dat Rachel Goswell vooral is te horen als achtergrondzangeres, maar dat is een rol die ze op bijzonder fraaie wijze vervult.
Hierboven noemde ik een aantal genres die vooral in de jaren 90 floreerden, maar The Soft Cavalry heeft ook flink wat invloeden uit de jaren 80 aan haar geluid toegevoegd. Wanneer flink wordt uitgepakt in de instrumentatie en de nodige strijkers en blazers worden toegevoegd, hoor ik wel wat van China Crisis, terwijl de songs waarin de stemmen van Steve Clarke en Rachel Goswell prachtig tegen elkaar aan schuren en worden omgeven door warme en stemmige klanken wel wat hebben van Prefab Sprout.
Het debuut van The Soft Cavalry is het perfecte album voor het weekend na een drukke week. De muziek van het Britse duo heeft immers een rustgevend karakter en verleidt verrassend makkelijk met honingzoete klanken, die bijna een uur lang blijven boeien en vermaken. Het is het zoveelste uitstekende album waarop Rachel Goswell haar naam mag zetten, maar ook Steve Clarke laat zich in muzikaal opzicht gelden op dit uitstekende album. Een aanwinst derhalve dit Britse duo. Erwin Zijleman
