MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

S. Carey - All We Grow (2010)

poster
3,5
Sean Carey, lid van Bon Iver, waarvan ik toch wel fan ben. Ik was benieuwd naar deze plaat dus.

'All We Grow' is een mooie plaat geworden, niet te groots, veelal ingetogen. Opener 'Move' is daar een treffend voorbeeld van. In het begin hoor je niet veel, maar wat je hoort, zet wel een perfecte sfeer in. Dan zet de gitaar in, met een simpel akkoord, en begint Carey te zingen. 'If I could run my fingers through your hair' vind ik bijvoorbeeld een mooie zin. Het spijtige aan deze song is wel dat ie voorbij is vooraleer je het goed en wel beseft.

'We Fell' is dan wel iets anders. Bijna vijf minuten duurt deze song, gestoeld op neverending pianogetokkel, en de ietwat hese, ijle stem van Carey. Mooi!

Maar de echte pareltjes moeten nog komen dan. 'In The Dirt' is onmiskenbaar het prijsnummer van deze plaat. En daarmee wil ik niet gezegd hebben dat het het beste nummer is; 't is gewoon het nummer dat zich het meest leent om als single uit te brengen. Als je het nummer beluistert, zal je merken dat dit zeker geen commercieel album is; Carey doet gewoon z'n zin, wat leidt tot mooie melodieën en jazzy structuren.

Om het nog even over 'In The Dirt' te hebben; prachtig nummer. Het handgeklap werkt aanstekelijk, en de pianodeun is ook gewoon erg leuk. In dit nummer hoor ik ook een Sufjan Stevensinvloed. Zowel instrumentaal als vocaal.

'Rothko Fields' doet me enorm denken aan, zoals ik al eerder aanhaalde, de instrumentale nummertjes op de Michigan-plaat van Sufjan Stevens. Voor de rest doet het me niet zoveel, een prettig intermezzo is het wel.

'In The Dirt' vind ik dus niet het beste nummer. Misschien is 'Mothers' dat wel voor mij; in het begin viel het me niet zo op, maar het is luisterbeurt per luisterbeurt gaan groeien. Het is niet al te ingewikkelde muziek, een gitaar, schuchter pianospel, strijkers die zich af en toe laten horen... Ook tekstueel spreekt dit nummer me enorm aan. Vooral de zin 'Their kids can't go to school; because narcotics grow better than books' vind ik fantastisch gevonden.

'Action' is wat mij betreft niet zo speciaal; elektrische gitaar wordt hier gebruikt, en het is volledig instrumentaal. Mijns inziens voegt het niet zoveel toe aan de plaat. 'In The Stream' daarentegen, dat is ook één van de hoogtepunten van deze plaat. Vooral het reffrein neemt me mee naar een mooiere wereld; prachtig gewoon, die samenzang. Een minimalistische song, die goed op dit album past, want het is een minimalistisch album

Dan het titelnummer, 'All We Grow', ook een sterk nummertje. Van in het begin hoor je eigenlijk al dat het een ingetogen pareltje is. IJle geluiden op de achtergrond, sober gitaarspel en een hese Carey. De spanning wordt perfect opgebouwd en afgebouwd. Meer verlangt een mens niet, zou ik denken. Om dan ook nog eens af te sluiten met een jazzy touch: koel pianospel en melancholische blazers (saxofoon? ik ben geen expert, dus als iemand het weet.. )

Afsluiten doet deze plaat met 'Broken', en ook dat is een erg fraai nummertje. Het duurt vrij lang (bijna zeven minuten), maar dat vind ik niet erg. Op termijn kan dit wel eens m'n favoriete song gaan worden, het enige dat me zo nu en dan tegenhoudt, is dat ik er zo moedeloos van word. Carey's manier van zingen geeft me een loodzwaar gevoel. Je moet er wel voor in de mood zijn, althans, dat geldt voor mij.

Met zijn debuut bewijst S. Carey voor mij meteen dat hij z'n plaatsje in de muziekwereld meer dan verdient; hij kan zich wat 2010-releases betreft qua kwaliteit naast singer-songwriters als Damien Jurado en Josh Ritter zetten in mijn ogen; erg mooi, maar nog net niet goed genoeg om 4 sterren uit te delen.

3,5 sterren

Scott Kelly - The Wake (2008)

poster
4,0
Straffe plaat van Scott Kelly, frontman van de Amerikaanse metalgigant Neurosis. Jawel, van Neurosis. Je zou het op het eerste gehoor niet zeggen, maar als je er even over nadenkt, toch weer wel. Want dit is geen doordeweeks folkalbum; hier staan donkere, dreigende melodieën op, Kelly gromt en grauwt alsof het een lieve lust is, en de teksten lijken het midden te zoeken tussen neerslachtigheid en illustere geheimzinnigheid, en daar slaagt Kelly erg goed in.

Meer dan een akoestische stem en zijn rauwe stemgeluid heeft Kelly meestal niet nodig, maar de "elektrische" toevoegingen die toch te horen zijn, hebben dan ook hun effect (zoals in de slepende afsluiter). Dat valt me trouwens wel meer op, dat slepende karakter van de songs. Alsof het karkassen zijn, lijken die men van kast tot kast moet verslepen, een spoor van bloed achterlatend.

De akoestische melodieën van Scott Kelly zijn zeker niet monotoon, wat wel 'ns het gevaar kan zijn als je die term gebruikt. Er is genoeg afwisseling, en is er geen echte afwisseling, dan wel de dreigende ondertoon die alles desondanks spannend weet te houden. Zo'n nummer als 'Figures' bijvoorbeeld, daar komen de haartjes op mijn armen van recht te staan!

Het niveau van Neurosis zelf wordt niet gehaald, omdat dit erg hoog ligt en bijgevolg erg moeilijk is, maar het is zeker geen sukkelplaatje. meer zelfs, Scott Kelly placht hier ongeveer hetzelfde te doen als met z'n band Neurosis, namelijk het mes recht in de ziel van de luisteraar planten. Maar dan op een andere manier.

4 sterren

Scott Matthew - Gallantry's Favorite Son (2011)

poster
4,0
‘Gallantry’s Favorite Son’, de derde plaat van Scott Matthew, is alweer een pareltje geworden. Matthew blijft gewoon doen waar hij goed in is; gouden melodieën schrijven, en fraai omlijsten met zijn kwikzilveren stemgeluid. Al zijn er ook verschillen met zijn twee vorige platen. De toon is net wat luchtiger, alsof Matthew het wat makkelijker heeft nu, en toch wat geluk in zijn leven heeft gevonden. ‘Felicity’ is daar misschien wel het beste voorbeeld van; een vrolijke, schijnbaar zorgeloos klinkende verjaardagswens aan een vriendin, waarin ie zelfs aan het fluiten slaat.

De twee songs die daaraan voorafgaan, klinken nochtans even somber als eerder werk. En, wat ik persoonlijk ook niet onbelangrijk vind, ze klinken even briljant. ‘Black Bird’ is een wondermooi nummer, dat weet te betoveren, en net niet tot de categorie van uitzonderlijke popsongs behoort, waarin mijns inziens ‘German’ van deze artiest thuishoort. Meteen is het duidelijk dat Matthew exact dezelfde wapens gebruikt om zijn luisteraars te ontwapenen; de strijkers spelen nog altijd een hoofdrol, en dat is maar goed ook. ‘True Sting’ klinkt ook niet al te vrolijk; “So it’s goodbye, darling, goodbye’ zingt Matthew, op zulk een ernstige manier dat je niet anders kunt dan ‘m te geloven. Het spaarzame pianospel brengt een frisse toets, en is zeker een meerwaarde voor mensen die op de details letten.

Dat is belangrijk bij Scott Matthew, de details. Je merkt het gewoon dat die man voor z’n muziek leeft, en z’n songs op zo’n manier smeedt dat ze blijven hangen, en dat ze ontroeren. Jawel, de man is begiftigd met een prachtige stem, maar daar alleen red je het niet mee. Inlevingsvermogen en intensiteit, daar gaat het om, en dat toont ie nu al voor de derde keer op rij. Nummer als ‘Duet’ en ‘Buried Alive’ bewijzen dat, en bewijzen ook dat Matthew gewoonweg erg mooie songs schrijft. Hoe je jezelf ook voelt, je kan altijd troost zoeken in ’s mans muziek. De ene keer pakt hij je in met z’n banjo en lichthese stem (sommigen vergelijken hem op dat vlak met David Bowie), de andere keer met een fraai gearrangeerd dameskoor, gekoppeld aan een illuster sfeertje onder een dito titel (‘Buried Alive’, ook de tekst is niet bepaald optimistisch te noemen).

‘Devil’s Only Child’ klinkt weer wat opgewekter (al zou je het niet kunnen afleiden uit de titel), en ook op tekstueel vlak valt daar iets voor te zeggen. Er spreekt een soort van hoop uit de tekst. “Today is the first day, of another life; it may be just as tragic, but at least it’s mine” zingt Matthew. Een nieuw leven, dat vernieuwde hoop met zich meebrengt. Het zou even erg kunnen zijn als het vorige leven, maar je leeft toch maar mooi, en daar gaat het om. ‘Sinking’ wordt ook weer opgeluisterd met een prachtige koorzang op de achtergrond. Kippenvelmoment.

Ook ‘The Wonder of Falling in Love’ is een liedje dat wordt meegedreven op het hoopvollere gevoel dat Matthew uitdraagt. Hij vertelt op een erg mooie manier hoe je verliefd wordt, en wat het met je doet. De tegenstem probeert hem over de streep te trekken (“Why are you crying?; the wonder of falling in love”), de hoop aan te wakkeren. En daarvan verdenk ik Scott Matthew zelf ook (niet negatief bedoeld overigens); hij probeert zichzelf op te trekken aan zijn muziek, en dat lijkt langzaam te lukken.

‘Seedling’ vind ik één van de beste songs van Scott Matthew tot nu toe, al valt hij op zich niet zo erg op hier. Zware toetsaanslagen op piano, Matthew’s van emoties barstende stem, sobere strijkers strijden op de achtergrond een onhoorbaar veldslagje, donker tegen licht. Hard tegen onzacht. Deze song in het bijzonder doet me nadenken over de relativiteit van het heden, en het belang van de toekomst. ‘Sweet Kiss in the Afterlife’ klinkt weer wat opgewekter, maar is toch vooral een vergiftigd geschenk. “So you go on your way; I’m happy to wait; I’ll wait” krijgen we te horen. Maar je kan niet eeuwig wachten, natuurlijk.

Afsluiter ‘No Place Called Hell’ brengt nog een nieuwigheid: Scott Matthew fleurt de song op door van zijn stem een trompet te maken. Dat klinkt erg mooi in combinatie met de vrouwenstemmen en het banjogetokkel. Matthew stelt belangrijke vragen (“are you scared ‘cause you’re losing control; are you scared ‘cause you’re losing that hold”), en stelt dat de hel niet bestaat. Een opvatting die niet genegeerd kan worden.

En zo is ook ‘Gallantry’s Favorite Son’ een erg mooie plaat geworden. Het verschil met de vorige plaat is dat er niet echt een uitschieter is, zoals ‘German’. Daarom krijgt deze ook net een halfje minder. Een carrière vol viersterrenplaten, met af en toe eens een uitschieter; zo zie ik het oeuvre in wording van Scott Matthew. Als hij zo blijft voortdoen, zal hij mij in ieder geval niet gauw gaan teleurstellen.

4 sterren

Scott Matthew - Unlearned (2013)

poster
3,5
Een plaat vol covers van Scott Matthew.. Wat moet je daar nou van denken? Een coverplaat betekent in mijn lexicon meestal zoveel als: "het hart vasthouden". Het is altijd afwachten of het uitdraait op een succes, of een gigantische tegenvaller. Of iets ertussenin, natuurlijk.

In het geval van Scott Matthew helt de balans eerder over naar de succeszijde. Als je begiftigd bent met het soort engelenstem waarover Matthew beschikt, heb je meteen een streepje voor. De nummers die hij heeft gekozen, liggen ook niet altijd voor de hand, maar er zit geen enkel gedrocht tussen. Ik heb zijn versie van 'I Wanna Dance with Somebody' recentelijk zelfs nog gebruikt als muziekfragment in m'n quiz. Zeer mooie versie, gevoelige verbetering ten opzichte van de Whitney Houstonversie. Maar dat is een kwestie van smaak.

Aero heeft de plaat hierboven al uitgebreid besproken, en daarbij zijn alle nummers aan de kassa gepasseerd. Ik, iets minder lyrisch, zal me beperken tot enkele hoogvliegers. Vooreerst is er 'Love Will Tear Us Apart'. Het origineel van Joy Division vind ik al erg mooi, maar Matthew slaagt erin me werkelijk te begeesteren. Het nummer opent heel ingetogen op piano, in het begin heb je niet eens door dat het wereldberoemde nummer gecoverd wordt. Dat Matthew zich het nummer heeft toegeëigend, spreekt boekdelen. Maar het is pas wanneer hij zich volledig geeft, dat ik helemaal wordt betoverd. De hese fluisterzang van Scott Matthew gaat dan door merg en been. Prachtige cover.

'No Surprises' (Radiohead) en 'Harvest Moon' (Neil Young) zijn nog enkele erg bekende nummers, en de versie van Matthew blijft in beide gevallen iets meer schatplichtig aan het origineel. Op 'No Surprises' pakt Matthew vooral uit met zijn prachtige stem, 'Harvest Moon' hoeft hij niet veel bij te peperen voor mij. Een zeer geschikte songkeuze, één van de betere nummers op één van m'n favoriete albums van Ome Neil. De plotse omslag van traag en statig naar sneller en zwieriger bevalt me ook wel in dat nummer. Het origineel heeft dat ook wel 'n beetje, maar hier wordt het nog uitvergroot.

Er staan ook nog enkele zeer sterke covers van nummers die me op het eerste gehoor niet zoveel zeiden, maar me toch bekend in de oren klonken. Zo heb je het korte 'L.O.V.E.', dat meer aanleunt bij de cabaretier in Marc Almond. Ook op 'Jesse' (origineel van Roberta Flack) zoekt Matthew het altijd al aanwezig gewezen grensgebied met Marc Almond op, zij het de ingetogener variant.

Het laatste nummer dat zeer zeker een vermelding verdient, is 'Darklands'. Het nummer is van The Jesus and Mary Chain, maar Scott Matthew maakt er iets zeer fraais van. Aandoenlijk, meeslepend, net dik genoeg.

'Unlearned' van Scott Matthew is een lekker tussendoortje; het slag tussendoortje waar ik soms uit honger 's middags al aan begin. Ik hoop wel dat er snel nieuw werk van Matthew uitkomt, want aan zijn drie platen met eigen nummers kan dit toch ook weer niet tippen.

3,5 sterren

Seabear - We Built a Fire (2010)

poster
3,5
Ik moet toch constateren dat er dit jaar al heel wat uitstekende platen zijn uitgebracht, en dit 'We Built A Fire' van het IJslandse Seabear is er in mijn ogen één van.

Nooit eerder van gehoord, van Seabear, en door het feit dat ze afkomstig zijn van IJsland, dacht ik: 'Misschien een variant op het bij mij hoog aangeschreven 'Sigur Ros'?' Toen ik de posts bij dit album las, en de eerste noten van deze plaat me zachtjes in de oren klonken, bleek dit helemaal niet waar te zijn. Seabear is een groepje dat folkpop maakt, soms ingetogen, soms druk, met rijkelijke arrangementen, maar één constante zit er wel in: kwaliteit.

'Lion Face Boy' is de opener, en de blazers doen hier zeer zeker aan Beirut denken (goed gezien, joramhoogink!). Dat Beirut hier nog niet aan gelinkt werd, heeft waarschijnlijk veel te maken met het zachte, Sufjan Stevens-hese stemgeluid van de zanger.

'Fire Dies Down' en 'I'll Build You A Fire' zijn twee uitstekende songs, gedragen door een zowel aanstekelijk als aandoenlijke combinatie van knappe orchestratie en bij vlagen harmonische zang.

Bij het nummer ‘Cold Summer’ is de vergelijking met Sufjan Stevens al helemaal onvermijdelijk. De piano verweeft zich heerlijk met de hese, gevoelige zang en de violen en blazers, die bescheiden op de achtergrond hun ding doen, maar af en toe toch wat nadrukkelijker komen piepen. Halfweg komt het nummer ineens, aangenaam verrassend, in een stroomversnelling. Naar het einde toe komen alle instrumenten bijeen in een fantastische ontknoping.

Het volgende nummer, ‘Wooden Teeth’, heeft een vrolijke ondertoon. Als ik het goed heb, hoor ik ook een banjo. Tja, dat is wel erg Sufjan Stevens natuurlijk, maar ze komen er mee weg! De zangeressen geven het nog dat tikkeltje extra, waardoor dit toch één van de topnummers is op deze plaat.

‘Leafmask’ is duidelijk opgebouwd rond een nostalgisch aandoend gitaargeluid. Het geeft een andere indruk dan voorgaande nummers, maar dat maakt het niet minder geslaagd. De engelachtige achtergrondzangeressen doen dit nummer opstijgen naar het soort dromerige pop waarvan de meeste bands enkel kunnen dromen. Dit nummer bleef me na enkele luisterbeurten het minste bij, maar groeit nu toch uit tot een erg sterk nummer.

Dan komen we bij ‘Softship’, ook weer zo’n geweldig nummer. Staan hier wel mindere nummers op, vraag ik me af. Je moet wel voor dit soort muziek zijn om het echt te kunnen appreciëren denk ik, want het lijkt wel of de meeste liedjes zijn opgebouwd volgens hetzelfde trucje. In het midden van het nummer krijgen we hier een bescheiden gitaarsolootje. Weer die mooie achtergrondzang, die hier, op dit album, toch echt iets toevoegt, mijns inziens.

De strofe van ‘We Fell Of The Roof’ doet me vaag denken aan een nummer van Ozark Henry (jawel, Ozark Henry!). Over het algemeen is dit een heerlijk rustig nummer, de akoestische gitaar werkt hier prima, en na ongeveer anderhalve minuut versnelt men eventjes, en mogen drums en violen samen spelen. De drums vind ik in dit nummer heel erg goed. Later horen we ook nog wat belletjes à la Sufjan Stevens (weer hij) in het nummer.

In ‘Warm Blood’ treedt de piano weer op het voorplan, en speelt een korte intro, waarna de akoestische gitaar erbij komt. Ingetogen samenzang leidt na ongeveer een minuut tot een wat drukker stuk, waarin de elektrische gitaar zijn zin mag doen. Dit duurt echter niet lang, maar de elektrische gitaar zal in dit nummer echter nooit ver weg zijn. Het ‘La-la-la’ op de achtergrond voegt dromerigheid toe aan het geheel. Ik voel ook een zekere, constante spanning in het nummer hangen, alsof het elke seconde helemaal kan losbarsten. Wat in de laatste minuut in zekere zin ook wel gebeurt, en dit keer tot het einde van de song. M’n persoonlijke favoriet tot nu toe.

Het begindeuntje van ‘In Winters Eyes’ doet me denken aan ‘A Sunday Smile’ van Beirut, en dat gevoel gaat eigenlijk niet meer weg. Na een minuut schakelt het nummer over in een hogere versnelling, wat ik wel kan waarderen. Een beetje variatie kan nooit kwaad, is mijn motto. Het is de mix van alle gebruikte instrumenten (gitaar, piano, drums, violen, achtergrondzang, noem maar op) dat dit nummer zo aantrekkelijk maakt. Depressief zou ik het zeker niet noemen.

Het album wordt afgesloten door het –ingeval van dit album –snellere en intensere ‘Wolfboy’. Hierin was ik aanvankelijk wel een beetje teleurgesteld, omdat ik had verwacht dat ze toch zeker zouden afsluiten met een trager, meeslepender pareltje, zoals er hier wel meer opstaan. Maar als ik m’n teleurstelling even opzij zet, moet ik toch constateren dat het een meer dan degelijke song is, zeker niet m’n favoriet, maar toch ook de moeite waard.

11 songs een goeie drie kwartier later moet ik concluderen dat hier geen skipnummers opstaan, ze zijn zeker ook niet allemaal even fantastisch, uitschieters zijn naar mijn mening 'Cold Summer'; 'Wooden Teeth' en 'Warm Blood'. Om het in drie woorden samen te vatten: een aangename verrassing.

4 sterren

Secrets of the Moon - Seven Bells (2012)

poster
4,0
Secrets of the Moon, de zoveelste onbekende naam die in mijn muziekmand gevallen is dit jaar. Maar, het is niet zomaar de zoveelste plaat. Daarmee bedoel ik dat het geen plaat van dertien in een dozijn is geworden; ‘Seven Bells’ is een duistere, sfeervolle black metalplaat, al dekt die term de lading niet geheel.

Met Tom G. Warrior als co-producer van de plaat, kan je één en ander verwachten. De man heeft zijn sporen al lang verdiend met Celtic Frost, en met Triptykon bracht hij in 2010 ‘Eparistera Daimones’ uit, één van de meest duistere, onheilspellende platen die ik ooit heb gehoord. ‘Seven Bells’ komt wat dat betreft net niet aan die intensiteit en geeft me minder een gevoel van pure angst, maar komt soms akelig dicht in de buurt. Met de nadruk op akelig, jawel.

De titel van de plaat verwijst meteen naar de oerslagen van een klokkentoren of gong of – in ieder geval een reusachtig, machtig iets, die je in zo goed als elk nummer te horen krijgt. De “zeven bellen” komen als thema voor in de openingssong, die de albumtitel draagt. Uit de tekst kan je opmaken dat je maar beter oplet voor die zeven bellen; zij bepalen de morbide gang van zaken. De schitterende gitaarsolo in het midden van het nummer is een mooi extraatje.

En zo gaat het qua lyrics de hele plaat voort in dezelfde stijl; aardedonkere thema’s, gitzwart uitgeschreven in angstaanjagende bewoordingen. ‘Goathead’ mag qua tempo wat lager dan de soms furieuze opener, en legt een eerste rustpunt aan. De beklemmende sfeer waarin het nummer de luisteraar steeds meer onderdompelt, is wel erg geslaagd.

De bandleden lijken ook een voorliefde te hebben voor de slang, want in ‘Serpent Messiah’ wordt zij afgebeeld als een godheid. Dit nummer combineert de agressie van de opener met de terughoudendheid van ‘Goathead’, en creëert zo een mooi stukje metal, dat alleszins geen straf vormt om naar te luisteren. De vocalen krijgen hier wat meer ruimte, en gaan soms een keertje hoger. Volgens de meesten is de leeuw de koning van het dierenrijk; volgens Secret of the Moon valt die eer te beurt aan de slang. “Snake is king; serpent messiah!”

Ook ‘Blood Into Wine’ begint weer met enkele van die typische, machtige belslagen. Toch wel het handelsmerk van dit album een beetje, en zo kan je mede een nummer van dit album eruit halen. Een mooie manier om zich te onderscheiden van de rest. Het kortste nummer van de plaat (hoewel nog steeds langer dan 5 minuten!) is wat mij betreft het minste, maar nog altijd meer dan behoorlijk. Het niveau is gewoon hoog, en ook vrij constant, op dit nummer na dan. De titel kan verwijzen naar de Bijbel, en dat is dan niet de zonnige kant van dit boek, want meteen haalt men er “The black apostle bij”. Ik ben niet zo’n Bijbelkenner, maar het klinkt alleszins niet positief.

De muziek sleept zich intussen lekker voort, zoals goeie black metal met iets meer dat kan. ‘Seven Bells’ is progressieve black metal, of zo wordt het toch genoemd. ‘Worship’ is zo’n nummer dat slepend begint, en na een vijftal minuten een tempowisseling kent. Zo wordt het nummer niet gauw saai, en is de houdbaarheid een stuk hoger. En het is ook gewoon van ontzettend goeie kwaliteit. Tekstueel, muzikaal, op elk vlak spat de sinistere horror er van af.

Na de eerste vijf nummers heb je al een flinke brok muziek beluisterd, die soms wat moeilijk te behappen valt, maar eens je er van kan proeven, smaakt het heerlijk. Maar de geweldige apotheose moet dan nog komen, in de vorm van twee nummers. Het grootse slotakkoord bestaat uit ‘Nyx’ en ‘The Three Beggars’, twee knallers van black metalsongs, twee onberispelijke staaltjes van het kunnen van de Duitsers.

‘Nyx’ begint rustig, met een dreigende intro op gitaar, en de drums die wat losjes meespelen. Dan komt het nummer op gang, met geweldige, donkere gitaarsalvo’s. Om de titel te begrijpen, moet je wel wat kennis van de Griekse en Romeinse mythologie hebben. Nyx was namelijk de Griekse oergodin van de nacht (‘Nox’ bij de Romeinen), geboren uit Chaos. Net als Erebus, alias de duisternis. Als men dan ook nog de thematiek van de slang erbij haalt in de tekst (“Rise, o my snake, into brilliance of bloom; from the corpse of Nyx, afloat in the tomb”), is de cirkel weer rond. ‘Nyx’ (de song) is een monster, dat de luisteraar dreigt te verzwelgen, en de getormenteerde vocalen zingen een lied over dood en verderf.

Het rustige, zelfs dromerige slot kan de pret niet bederven; na al dat geweld is een tikje meewarigheid welverdiend. En zolang het van deze schoonheid is, hoor je mij sowieso niet klagen. Het biedt ook de gelegenheid om zelf even op adem te komen, want ‘Seven Bells’ is een erg intense trip, verslik u daar vooral niet in! Bovendien moet de langste song nog komen, ‘The Three Beggars’.

Die trapt meteen af met een machtige klokslag. De agressie en duisternis druipt wederom van het gitaarspel, alle registers worden opengetrokken. De drummer doet het, zoals de gehele plaat, op zijn eigen manier, niet te snel en niet te traag, niet te hard en niet te zacht. Hij is erin geslaagd het geschikte tempo en volume te vinden voor deze plaat. De titel lijkt gebaseerd te zijn op een film van Lars von Trier, waarin de zin “When the three beggars arrive, someone must die” voorkomt. De “three beggars” zijn overigens pain, grief en despair. De film kan dan weer geïnspireerd zijn door een oude Servische mythe, maar dat is niet zeker. In het nummer wordt ook geopperd dat de drie bedelaars de vermomming zijn van Satan (“Satan, I am the three, and they are all in me”), die zijn eigen heerschappij wil vestigen op aarde, en de bestaande wereld wil vernietigen, en al zijn principes.

Maar de teksten geven geen zekerheden, enkel veel ruimte voor eigen interpretaties. Zoals ik in dit stuk heb gedaan, kan je er waarschijnlijk ook op tien andere manieren een invulling aan geven. Daar kan je ook goeie songwriting aan herkennen. Tel dat op bij de geweldige muzikale omkadering, de duistere en intense sfeer en de rauwe vocalen, en je hebt een erg sterk album.

4 sterren

Senyawa - Sujud (2018)

poster
3,5
Een bijzonder album is dit zeker. Senyawa is een tweekoppige Javaanse band die experimentele muziek brengt. De groep bestaat uit vocalist Rully Shabara en multi-instrumentalist Wukir Suryadi.

Sujud is gezegend met een behoorlijk intense hoes, waar de primaire kleuren zwart en wit domineren; een weerspiegeling, wat mij betreft, van de muziek. De songs op de plaat hebben een hoog spiritueel, zelfs transcendentaal gehalte, alsof ze expliciet bedoeld zijn de luisteraar naar een hogere staat van extase te begeleiden. De verschillende zangtechnieken die Shabara aanwendt, zorgen voor wat afwisseling: in het eerste nummer horen we vooral erg diepe, hypnotiserende vocalen (keelzang?), later klinkt hij wat dynamischer.

Het is echter vooral Suryadi die bij vlagen weet te imponeren. De beste man maakt zijn eigen instrumenten, en gaat daar erg kundig en creatief mee om. Op het titelnummer weet hij op die manier een mystiek sfeertje op te roepen. Penjuru Menyatu klinkt dan weer heerlijk opzwepend.

Toch weet het album me niet over de gehele lijn te overtuigen. Het lijkt zijn effect wat te missen op mij, ik raak er niet echt van in een trance, het weet me niet geheel te bevliegen. Fijn om eens te beluisteren is het zeer zeker wel, en de opvolger van dit album, dat vandaag is uitgekomen, ga ik zeker ook beluisteren. Een indruk heeft het tweetal dus wel op me nagelaten.

3,5 sterren

Sepultura - Machine Messiah (2017)

poster
4,0
Ik moet eerlijk bekennen: tot voor kort wist ik maar bitter weinig van de muziek van Sepultura. Natuurlijk ken ik wel enkele songs, en kan ik vooral de albums ‘Beneath the Remains’ en ‘Arise’ wel smaken, maar verder is het één groot zwart gat. Hoe dat komt, weet ik niet precies. Wellicht heeft de perceptie dat de Braziliaanse band niet mijn kopje thee is, altijd de bovenhand gevoerd.

Tot voor kort, dus. Want in het prille begin van dit jaar is Sepultura met een nieuw album op de proppen gekomen, en dat heeft me haast van m’n sokken geblazen. Sepultura kiest op ‘Machine Messiah’ (een plaat die vooral de alsmaar verder vorderende digitalisering van onze aardkloot als thematiek heeft) volop de kaart van de diversiteit, en dat vind ik zeer fijn. Dat ik een behoorlijke leek ben wat hun eerder werk betreft, is in dit geval ook een voordeel; het zorgt er namelijk voor dat ik grotendeels onbevangen aan de beluistering kon beginnen, en enkel moest afrekenen met die hardnekkige perceptie. Wat van een leien dakje liep.

Tien nummers lang laten de Brazilianen horen dat ze veel aankunnen. De titelsong, die de debatten mag openen, laat een traag, zwaar geluid horen. De doom van early Black Sabbath doemt op, zanger Derrick Green speelt afwisselend zanger en brulboei. Bijna zes minuten lang wordt je in een aardedonkere, tergend dreigende sfeer ondergedompeld. Het contrast met ‘I Am the Enemy’, dat daarna meteen furieus van leer trekt, kon niet groter zijn. Deze song is snoeihard en snel, en het thrashgeluid van de band wordt op geslaagde manier vermengd met hardcore punk. Een kopstoot vanjewelste!

Wie denkt dat daarmee de kous af is, komt bedrogen uit. ‘Phantom Self’ opent met een bossanova-ritme, om niet veel later open te barsten. Later in de song wordt het Latijns-Amerikaanse geluid ingenieus gecombineerd met een oriëntaals viool-ensemble, waarmee gitarist Andreas Kisser op indrukwekkende wijze in duel gaat. Kisser levert overigens over de volledige lengte van de plaat een glansprestatie; drummer Eloy Casagrande verdient ook een forse pluim.

‘Alethea’ weet als eerste song op de plaat niet compleet te overdonderen, maar blijft overeind als een bakstenen huis, wederom dankzij het fantastische gitaarspel. ‘Iceberg Dances’ is een inspirerende instrumental waarin Green zich even afzijdig houdt en de andere drie muzikanten hun kunsten mogen vertonen, sporadisch in de achtergrond bijgestaan door een Hammond-orgel.

Waar de eerste helft van het album werkelijk fabuleus klinkt, raakt de klad er op de tweede plaatkant wat in. ‘Sworn Oath’ gooit, met zijn symfonische, naar regelrechte bombast riekende geluid en catchy refrein, nog hoge ogen; daarna is het vet evenwel van de soep. Het moet wel gezegd dat de soep van zichzelf nog steeds voldoende gekruid is om een pittig smaakje te hebben, en aldus slaat de verveling gelukkig niet helemaal toe.

Al vroeg dit jaar heeft Sepultura voor een prettige verrassing gezorgd; dat er nog vele mogen volgen in 2017!

4 sterren

shame - Drunk Tank Pink (2021)

poster
4,0
Een stapje vooruit wat mij betreft, deze tweede plaat van het Londense shame. Het debuut vond ik iets radiovriendelijker klinken, al kan dat aan mijn oren liggen natuurlijk. Met Drunk Tank Pink (de titel refereert aan de kleur waarin in de jaren '80 gevangeniscellen werden geverfd, omdat die zogezegd een kalmerend effect had op agressieve gevangenen) behoudt shame die aanstekelijkheid wel, maar zorgt de band van Charlie Steen tegelijk ook voor een zekere stekeligheid; genoeg weerhaken te ontwaren, en ook wel wat agressie en ontevredenheid in de teksten, wat de albumtitel dus een fijn ironische lading geeft.

Shame is één van de inmiddels talrijke jonge Britse bands die de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond zijn geschoten. Zij steken hun kop echter wel boven het maaiveld uit. Enerzijds door de intensiteit en rauwe energie die van de songs uitgaat, maar anderzijds ook door de uitgekiende songwriting. Zo is Alphabet de perfecte, vinnige single annex albumopener (met de deur in huis vallen is voor shame de normaalste zaak van de wereld), bulken Born in Luton, Water in the Well en Snow Day van de klasse en hebben ze met Station Wagon een erg sterke afsluiter geschreven.

Post-punk is dezer dagen een vruchtbare voedingsbodem in het Verenigd Koninkrijk; iets waar de huidige maatschappelijke tendensen zonder twijfel voor iets tussen zullen zitten. Deze band liet met het debuut echter al horen dat hun sound niet in een hokje te douwen is, en dat eclecticisme is op de opvolger nog wat duidelijker geworden. Talking Heads (ook een band die niet in één hokje kon worden ondergebracht) lijkt me een belangrijke invloed te hebben, wat zeker hoorbaar is in de vaak dansbare ritmes (March Day bijvoorbeeld). Die waaier aan invloeden, en vooral het feit dat shame er iets eigens van maakt, is één van de sterke punten van dit album.

De voordracht van Charlie Steen is een ander belangrijk aspect. Als hij fel van leer trekt zal je het geweten hebben, maar zijn wat onderkoeld klinkende voordracht (bijvoorbeeld in de eerste strofe van Snow Day, in Human, for a Minute of de onderhuids kolkende afsluiter) is minstens even indrukwekkend. Hij weet moeiteloos de aandacht te vatten, het heeft iets hypnotiserend. Heerlijk is het effect dan ook van een compromisloze song als Great Dog, die je meteen na Human, for a Minute op geweldige manier wakker schudt.

Deze jonge honden hebben een plaat gemaakt die me telkens weer helemaal meekrijgt, van de catchy opener tot en met de memorabele afsluiter, die laatste misschien wel hun sterkste song tot nu toe. Heerlijk hoe die rustig begint, zeer geduldig een climax opbouwt, en in de tweede helft doelgericht naar een noisy explosie toewerkt, die finaal doel treft. Net als Drunk Tank Pink dat doet, eigenlijk.

4 sterren

shame - Songs of Praise (2018)

poster
3,5
Meer dan aardig debuut van deze jonge Britse ratten uit het postpunknest. Al is dat label wat te eng, want ze laten op Songs of Praise toch behoorlijk wat variatie horen. Zo doet de knappe opener denken aan Joy Division, terwijl de afsluiter Oasis ademt, met bijbehorende grandeur; een mooi uitgesponnen popsong, eigenlijk.

De hoes lijkt wat aan de klassieker Pet Sounds van Beach Boys te refereren, maar de muziek doet dat allerminst, al is ook dit erg aanstekelijk. De energieke stijl zorgt voor een zekere spontaniteit, en scoort punten bij mij. Concrete, een kat-en-muisspel tussen vraag en antwoord, en het bijzonder catchy One Rizla zijn twee uitstekende singles die het bijvoorbeeld erg goed zouden doen op Studio Brussel, al hoor ik ze daar jammer genoeg bijna niet langskomen.

En zo staan er nog een paar goeie songs op deze plaat, die niet geheel gevrijwaard is van mindere momenten. In de vorm van het duistere, maar niet echt uit de verf komende The Lick en het geinige niemendal Donk zijn er wat mij betreft twee pekelzonden te vinden, maar geen erg; dit wordt gecompenseerd door de rest.

Songs of Praise is een album dat me vooral zal bijblijven dankzij enkele songs, denk ik, niet zozeer als album op zich. Daarvoor is de band nog wat teveel zoekende naar een eigen richting. Ik heb er echter, als ik dit zo hoor, alle vertrouwen in dat dit wel goed komt!

3,5 sterren

Sharon Van Etten - Remind Me Tomorrow (2019)

poster
4,0
Ik heb begrepen dat Remind Me Tomorrow, de vijfde plaat van de Amerikaanse singer-songwriter Sharon Van Etten, een bescheiden stijlbreuk is ten opzichte van vorig werk. Waar haar eerdere albums introverter zouden zijn, en ook wat minder optimistisch qua teksten, valt er hier heel wat te beleven. Dat zij even bezijden de muziekscène heeft vertoeft (ze heeft meegespeeld in de Netflix-serie The OA, een cursus psychologie gevolgd en ondertussen ook nog moeder geworden), heeft haar wellicht doen inzien dat het tijd was voor iets anders op muzikaal vlak.

Nu ken ik haar vroeger werk niet, en stap ik in met deze plaat. Een plaat die me wel weet te grijpen, eerlijk gezegd. De stem van Sharon Van Etten wekt weemoed op, en gaat verbazingwekkend goed samen met de snuifjes elektronica die smaakvol in een aantal songs worden verweven.

De hoes van de plaat is alvast een fraaie pastiche, vermoedelijk deels ingegeven door het moederschap daar er twee kleine kinderen in een tjokvol rommel gepropte speelkamer te zien zijn. Op de grond meen ik, tussen alle trivia, een foto van Sharon Van Etten zelf waar te nemen. Het beeld roept een tweeledig gevoel op: enerzijds werpt het een hoopvolle blik op de toekomst, anderzijds lijkt het ook wat weg te hebben van een mijmering.

Die tweespalt is ook in de nummers en opzet van de plaat terug te vinden. De fraaie opener houdt zich wat dat betreft nog een beetje op de vlakte, maar daarna breekt het mooi open. De tandem Memorial Day & Comeback Kid vormt een eerste hoogtepunt. Het weeë stemgeluid van Van Etten betovert en bezweert, de instrumentatie smaakt goed af. Af en toe moet ik naar Feist denken, ook een straffe dame die weet wat ze wil, en nieuwe dingen aandurft.

Dat Seventeen als een single vooraf werd vrijgegeven, hoeft niet te verbazen. Het nummer heeft in feite alles om het als radio-hit – zij het een wat astrant buitenbeentje, maar die moeten er toch ook zijn? – te maken. In België was dit ook een bescheiden succes, als ik me niet vergis. De song is aanstekelijk en bezit een onweerstaanbare schwung. Hier komt die mijmering ook bovendrijven, en moet ik zelfs wat denken aan de grandeur van de betere Springsteen-song.

Waar Seventeen alles heeft om te scoren in de charts, moeten we dat van songs als Jupiter 4 en Malibu niet verwachten. Dit zijn echte albumtracks, die zich het best laten beluisteren als onderdeel van de plaat, in functie van het grotere geheel. Ze beklijven, blijven kleven aan je vel. Vooral het drone-achtige effect van Jupiter 4 begeestert. Er gaat iets hypnotiserend vanuit.

You Shadow is vervolgens de laatste felle ster, wat mij betreft; de laatste twee songs halen het niveau van de eerste acht net niet (uiteraard gewoon mijn mening), de rek lijkt er daar wat uit te zijn. Al kan dat ook liggen aan het feit dat dit toch best een intens album is om te beluisteren. Maar goed, You Shadow had van mij ook al de afsluiter mogen zijn; het karakter van die song leent zich er wel toe als sluitstuk te opereren. Een milde meezinger, die tot neuriën aanzet, met het begin van een glimlach om de lippen gevormd. De tekst luistert ook als een kwinkslag weg.

Bovenstaande alinea is echter geen smet op het album, slechts een voetnoot. Remind Me Tomorrow is namelijk een erg geslaagd album, dat ik met graagte nog regelmatig zal opzetten. Ik vraag me nu wel af of ik me in het oeuvre van deze dame moet gaan storten of er beter even wegblijf, om op een later tijdstip die verkenningstocht in te zetten. Ik neig tot het tweede.

4 sterren

Shining - Redefining Darkness (2012)

poster
3,0
Het Zweedse Shining is er dan toch in geslaagd een plaat te maken die me niet echt weet te bekoren. ‘Redefining Darkness’ is de plaat waarin men wat de titel betreft afstapt van de nummering, en is het ook een kentering? Neen, eerder een vervolg op een eerder ingezet procedé.

Met ‘Halmstad’ en ‘Klagopsalmer’was Shining namelijk op het hoogtepunt van hun kunnen gekomen, en daarna kunnen er zich (merendeels) twee verschillende scenario’s voordoen. Scenario 1: de band slaat een nieuwe weg in, en blijft hoge toppen scheren, enkel op ander terrein. Scenario 2: de band houdt vast aan die geperfectioneerde stijl, en wordt een karikatuur, een schim van zichzelf. De meeste bands/artiesten kiezen helaas voor het tweede scenario, zo ook Shining, blijkt nu.

De weg die de Zweden gekozen hebben door het inblikken van ‘Född Förlorare’, wordt nu verdergezet op ‘Redefining Darkness’. Ik zal maar meteen met de sterke passages beginnen. De openingsriff van ‘Du, Mitt Konstverk’ is er eentje zoals ik ze graag hoor. Clean geproducet, maar toch wel diabolisch genoeg om één en ander los te weken. Dat doet het gebruikelijke piano-intermezzo, ‘Det Stora Grå’, hoe voorspelbaar dit ondertussen ook is geworden, ook wel. Maar ik heb ze al beter en dieper gehoord.

Een ander pluspunt, en iets wat ik uiteindelijk toch wel een beetje als ontwikkeling zie, is de jazzy bijklank van ‘The Ghastly Silence’. Daartegenover staat dan wel weer het feit dat die “creepy” sound me iets te veel doet denken aan de score van de film ’28 Weeks Later’ (voorganger ’28 Days Later’ heb ik niet gekeken, ik weet dus niet of daar dezelfde muzikale thema’s gebruikt worden). En ook de stukken met cleane vocalen klinken ontzettend cheesy. De jazz redt het nummer dus wel van de volledige ondergang.

Eigenlijk is de afsluiter gewoon het beste nummer. Die maakt de plaat, samen met de al eerder aangehaalde passages, uiteindelijk toch de moeite waard. Het is mooi dat deze band zo productief is, maar een beetje meer originaliteit moedig ik zeker aan. Nu lijkt het alsof ze hun hoekje gevonden hebben, en daar niet meer uitkomen. Akkoord, puur kwalitatief gezien is het goed, zeer goed zelfs, en op de productie is in principe niets aan te merken, maar laat dat nou net het probleem zijn. Het komt ook niet bepaald overeen met hun imago; bij een band die automutilatie verheerlijkt, en zulke gestoorde video’s als diegene die deze plaat inluidde, online zet, heb je toch meestal het gedacht dat dit vuige klereherrie is, geen te schoon geproduceerde black metal.

3 sterren

Shining - V: Halmstad (2007)

poster
4,5
Het Zweedse Shining is ondertussen qua bekendheid al wel ingelopen door het Noorse Shining (ook omdat de laatste platen wat minder waren), maar toen ze anno 2007 met ‘V: Halmstad’ kwamen, waren de mismeesterde geest Kvarforth en de zijnen outstanding. Ze tilden met dit album de black metal, en dan de suicidal black metal in het bijzonder, naar een ander niveau, door te choqueren, en bovenal fantastische nummers uit hun kokers te schudden.

De opener trapt meteen luguber af; de eerste strofe van het gedicht ‘Antigonish’ van de Amerikaanse dichter Hughes Mearns wordt op een creepy manier gefluisterd. Niet meteen een naam die veel belletjes doet rinkelen, maar de strofe is wel erg bekend:

“As I was going up the stair;
I met a man who wasn’t there;
He wasn’t there again today;
I wish, I wish he’d go away…”

De toon is meteen gezet, want deze plaat doet eigenlijk exact wat er in het gedicht van Mearns doorklinkt; het spookt. Maar ‘V: Halmstad’ is nog veel meer. Vocalist Niklas Kvarforth geeft de eigenlijk best gestroomlijnde muziek een ontzettend ziek karakter. Te danken aan zijn rauwe, onvaste stem. Je kan zijn toon nog het best omschrijven als “door de duivel bezeten en vol misselijke lust”.

Muzikaal is het echter, zoals eerder gezegd, opvallend clean, er schuilt zelfs een uitmuntende productie achter. De gitaren klinken net goed, de drumpatronen vallen altijd mooi samen (in de rustigere passages is het was meer losjes, wat voor een jazzy gevoel zorgt). De rustpunten zijn trouwens de grote sterkte van Shining, en in het bijzonder van dit album, dat ik, in vergelijking met de andere albums, toch wel op een voetstuk plaats. Er zit geen enkele misser tussen, zelfs geen ietwat minder compositie; elk nummer is een verschroeiende loeier. Vreemde eend in de bijt is het voorlaatste nummer, een kort nummer gestoeld op hemels pianospel, een adaptatie van Beethoven’s “Moonlight Sonata” trouwens. Een markant intermezzo tussen de langste song van het album, en de smerige afsluiter.

Een optreden van Shining zal ik zo goed als zeker nooit bijwonen. Ze hebben, zoals al eerder werd beschreven bij dit en andere albums, een speciaal karakter, in dien trant dat het gewoon erg exhibitionistisch, grof en ziek is. Van horen zeggen, uiteraard. De albumhoes (‘Black Suicide’ zou geen misse titel zijn) spreekt boekdelen, en in het albumboekje staan ook enkele fraaie plaatjes, zoals een bedrukt kijkend meisje met vreemde schrammen op haar armen, een scheermesje dat vlijmscherp en gewet is om een gewillige tong open te halen, en de uiteindelijke zelfmoord in de badkuip. Beetje cliché, dat laatste beeld, maar dan nog; behoorlijk angstaanjagend. Een lichtelijk misplaatst (of in dit geval passend?) gevoel voor humor mag ook niet ontbreken; het voorlaatste plaatje toont ons een arm waarop staat geschreven: “I’m fine”. In bloed, gok ik.

Halmstad is, als ik me niet vergis, de vestigingsplaats van de band, meer hoef je daar niet achter te zoeken. De titel die men eerst had, is die van het 4de (en langste) nummer. Ik ga deze hier niet neerschrijven, maar het betekent zoveel als “De afgrijselijke monotonie van de teleurstelling”. Deze titel had de lading mijns inziens een pak beter gedekt.

Invloeden moeten er natuurlijk ook zijn, daar Shining niet alles zelf heeft uitgevonden. Beethoven werd daarstraks al genoemd, andere (in deze context meer vertrouwde) namen zijn Black Sabbath (vooral het gitaarspel in het tweede nummer) en Celtic Frost. Ook worden er op dit album verschillende (vaak snikkende) vrouwen uit films gesampled. De meest bijblijvende is de volgende:

“Gradually, then suddenly; that’s how depression hits.”

Deze komt uit de film ‘Prozac Nation’ met Christina Ricci, en zegt het eigenlijk helemaal. Een depressie kan je tergend traag opvreten, en dan opeens uit het niets de finale mokerslag geven. ‘V: Halmstad’ is een plaat die dit gegeven lijkt de behandelen, en biedt maar één uitweg; zelfmoord. Deze plaat is zo fout dat ik er niet af kan blijven. Hetzelfde geldt vanuit een bepaald perspectief voor frontman Kvarforth; een gestoord psychopaat die er trots op is dat hij al enkele mensen heeft aangezet tot zelfmoord, dit openlijk aanmoedigt. Een megalomaan individu (in het boekje staat te lezen: “Shining is: Niklas Kvarforth”), die in 2006 compleet van de radar verdween (zelfmoord?), maar uiteindelijk gewoon weer opdook wanneer bleek dat hij de nieuwe zanger Ghoul was. Een freak die in het midden van een optreden de ritssluiting van zijn leren broek opent en zijn geval eruit laat hangen, pal voor het publiek, tot een andere freak zich geroepen voelt zijn genitaliën vast te pakken, waarop deze fan een trap in de borststreek krijgt. Ik bedoel, het is allemaal zo gestoord, zo ziek, zo verdorven dat het in feite onweerstaanbaar wordt.

‘V: Halmstad’ is waarschijnlijk de plaat waarvoor ik me het meest schaam dat ik ‘m zo ontzettend goed vind, zonder er echt een slecht gevoel bij te krijgen. Telkens ik ‘m opleg, vergeet ik al de heisa en miserie, en luister ik puur naar de muziek.

4,5 sterren

Shining - VII: Född Förlorare (2011)

poster
4,0
De Zweedse metalband Shining heb ik dit jaar helemaal ontdekt. Het begon met ‘Halmstad’, die ik meteen erg goed vond. Daarna kwam ‘Klagopsalmer’ en het vroegere werk. En nu is er ook een nieuwe plaat, ‘Född Förlorare’, de opvolger van ‘Klagopsalmer’. Ik was wel eens benieuwd of dit even gitzwart zou zijn als zijn voorgangers.

Als je naar de hoes kijkt, zou je wedden van wel. Het is weer zo’n donkere, naar morbide tristesse riekende cover. Op de achterkant van het boekje staat de Mens van Vitruvius. De Gulden Snede loert achter de hoek, en dat is ook aan de muziek te merken, vind ik. Met grote zorg zijn de zes songs die deze plaat rijk is gecomponeerd. Shining is geen gewone metalband; er komt eigenlijk veel meer bij kijken. Enorm sfeervolle muziek is het, gevarieerd ook. Staalharde stukken worden afgewisseld met wondermooie rustpunten op onder andere piano. Zanger Kvarforth heeft een geweldige strot, en spuwt de woorden uit met afkeer en haat in zijn stem. In het boekje is er sprake van “The Holy Trinity”. Daarmee worden Kvarforth (vocals, guitars and concept), Graby (lead and rhythm guitars) en Huss (lead and rhythm guitars) bedoeld. Van elk van deze drie staat er ook een grauwe foto in het boekje. Beslist geen kerels om in een donker steegje tegen te komen.

Maar genoeg achtergrondinformatie over de band, trivia over de hoes en een ruwe schets van de muziek die Shining maakt. Laat ik me nu eens grondig focussen op deze nieuwe plaat. ‘Född Förlorare’ is Zweeds voor “born loser”. Niet bepaald een positief thema dus. Dat laat zich ook meteen merken bij de intro van opener ‘Förtvivlan, min Arvedel’ (“Despair, My Inheritance”). Een kinderstem die ‘You Are My Sunshine’ ten beste geeft, met geen greintje hoop in haar stem. Na de intro vliegt men er meteen stevig in. ‘Tiden läker inga sar’ (“Time Heals No Wounds”) opent op akoestische wijze, om dan na een lang uitgesponnen en harde uiting van woede op zijn einde te lopen.

‘Människa o’avskyvärda människa’ (“Man, O’ Despicable Man”) drukt van bij het begin stevig het gaspedaal in, Kvarforth schreeuwt zich haast de longen uit het lijf, dat moet wel. Het komt bij mij over als een soort klaaglied, en op de titel afgaand is het de mensheid die ter discussie staat. De gitaarsolo die na ongeveer drieënhalve minuut begint, is ronduit schitterend. De tweede gitaarsolo zo mogelijk nog angstaanjagender. Die werd trouwens ingespeeld door Chris Amott, gitarist bij onder andere Arch Enemy. Althans, zo staat het in mijn boekje.

Het sterkste nummer is voor mij toch ‘Tillsammans är vi allt’ (“Together We Are Everything”), dat inzet met een erg mooie piano, bespeeld door Marcus Palsson. De song zwelt aan dankzij de drums, en ontploft vervolgens recht in je gezicht. Een groots, meeslepend epos. Het refrein is zonder meer memorabel, ingezongen door Hakan “Nordman” Hemlin. Kvarforth neemt de strofes voor zijn rekening, even intens en dolgedraaid als altijd. Het tussenstuk is griezelig onheilspellend, om de koude rillingen van te krijgen. Een geweldige solo mag natuurlijk niet ontbreken, wat een orgelpunt. Maar de song is nog niet ten einde, dat mooie refrein komt ook nog eens langs. De outro wordt beheerst door de piano, met cello in een ondersteunende rol. Schoonheid en duisternis kunnen soms erg dicht bij elkaar liggen.

‘I Nattens Timma’ (“In the Hour of the Night”) begint verrassend luchtig, met mellotron, als ik me niet vergis. De hele song borduurt voort op die luchtigheid, dat ben ik toch niet echt gewoon van deze band. Ik vind het dan ook het minste nummer op de plaat, ook omdat het geprangd zit tussen twee geweldige nummers. Een verrassend rustpunt, maar het is net de afwisseling tussen relatieve rust en intensiteit die ik zo waardeer bij de Zweden.

Afsluiter ‘FFF’ is opgedragen aan Susanne Kvarforth, naar ik mag aannemen de moeder van de frontman, maar dat durf ik niet met stelligheid te beweren. De song begint een beetje vreemd, maar de gitaren komen dan stilaan op stoom, om even terug te verdwijnen, zodat een akoestisch stuk kan plaatsvinden. Na de eerste zinnen duiken de gitaren weer op, en ook de drummer doet z’n best. Kvarforth is inmiddels van zalvende stem veranderd in een schreeuwende maniak. Het lijkt of hij al zijn opgekropte frustraties en verdriet van zich af probeert te werpen. Spookachtig achtergrondgezang danst sierlijk rond de vocalen van Kvarforth. Één van die typisch griezelige intermezzo brengt wat variatie, waarna de song weer helemaal openbarst. Het gitaarwerk is echt van hoog niveau op deze plaat. De riffs zijn bijna allemaal sterk, en de solo’s zijn weergaloos, zo ook op dit laatste nummer. Akoestische gitaar leidt de song naar het eind, en zo kent deze plaat een rustig einde. Een berustend einde? Wie zal het zeggen.

Wat ik wel kan zeggen, is dat Shining het toch weer heeft geflikt. ‘Född Förlorare’ is inmiddels hun zevende langspeler, en vooral de laatste drie platen zijn in mijn ogen ijzersterk. Het overige werk ken ik ook nog niet zo goed, moet ik in alle eerlijkheid bekennen. Maar daar ga ik zeker verandering in brengen.

4 sterren

Shining - X: Varg Utan Flock (2018)

poster
4,0
Shining is de band van de, om het met een understatement te zeggen, excentrieke Niklas Kvarforth. Hij zwaait de helleplak in dit Zweedse ensemble, en na het vertrek van de Finse gitarist Euge Valovirta, die in belangrijke mate meewerkte aan de songs op de vorige plaat, hoofdstuk 9, Everyone, Everything, Everywhere, Ends, heeft hij het rijk weer voor zijn eigen verknipte zelf. De hand van Valovirta was duidelijk op de vorige plaat, die ook andere horizonten ging verkennen; ik vind het nog steeds een verrassend goeie plaat. In die optiek was het dus een beetje met een klein, bloedeloos hartje afwachten. Ook opmerkelijk; de vorige plaat is goed tweeënhalf jaar oud.

Na het horen van enkele nummers voorafgaand aan de release bleek echter dat m'n hartje gerust in bloeden mocht uitbarsten, want Kvarforth gaf weer blijk van ontzielde bezieling. Het is vooral op zijn waanzin dat Shining-platen drijven, bijgevolg hangt daar veel van af. De opener is behoorlijk bruut en rechttoe-rechtaan, maar de tweede song, Gyllene Portarnas Bro, laat een melancholischer geluid horen. Hoewel ook die song iets na halfweg weer abrupt een paar vitesses hoger schakelt, klaar voor overdrive.

Na deze twee songs begint de plaat pas echt wat mij betreft. De derde track opent met een typische Shining-intro, na een halve minuut zet Kvarforth z'n typische kreun in, en daarna ontaardt de song op de wrang smakende wijze die de band zo kenmerkt. De herinneringen aan vroegere pareltjes als Halmstad zijn dichtbij. De gitaarsolo is ook erg beklijvend. Han Som Lurar Inom is ongeveer in dezelfde categorie in te delen, maar nog net wat zinderender.

De vijfde track is, traditiegetrouw welhaast, een pianostukje van pak 'm beet drie minuten. Het klinkt een beetje off, wat het een naargeestig, onheilspellend sfeertje verleent. Het blijkt dan ook een prima opmaat richting de afsluiter, het uit drie bedrijven bestaande Mot Aokigahara. Het eerste gedeelte is grotendeels akoestisch, en Kvarforth fluisterkreunt en -zingt er, wat mistroostig zelfs, door. Een lang uitgesponnen gitaarsolo luidt het tweede bedrijf in, waarin Kvarforth z'n eigen sterfdatum lijkt aan te kondigen, die tijdens de opnames wellicht nog in de toekomst lag, maar heden in het verleden. Best grappig.

Het laatste gedeelte wordt gevormd door anderhalve minuut je reinste, allesverterende black metal (alle registers open), waarna de song - en de plaat- op memorabele wijze wordt afgerond.

De titel van de plaat, Varg Utan Flock, betekent vrij vertaald Wolf zonder Roedel. Dit doet me wat denken aan het meesterwerk Der Steppenwolf van Hermann Hesse, maar het is vooral een verwijzing naar het subgenre waar Kvarforth boegbeeld van is: suicidal (black) metal. De songtitels verwijzen hier ook naar; zo zijn de Golden Gate Bridge (song 3) en het woud van Aokigahara (afsluiter) zijn, naar verluidt, erg populaire plaatsen voor zelfmoord. Daar heb ik zelf dan weer wat minder mee, maar de sfeer die de band schept op bijvoorbeeld de succulente afsluiter, is bij vlagen geniaal.

Men zou zich, tot slot, kunnen afvragen of de band zichzelf op den duur niet aan het plagiëren is. Eigenlijk is dat ergens wel zo, maar je kan het ook zien als een trademark: Shining is Shining, je herkent ze meteen. En ik heb het gevoel dat Kvarforth daar ook ernstig mee bezig is. Het merk Shining. Laat dat het luisterplezier (of eerder gesidder) vooral niet vergallen.

4 sterren

Sigur Rós - ( ) (2002)

poster
4,5
'Njósnavélin' vind ik het nummer met de leukste titel. Het bekt gewoon goed. 'Njósnavélin'. Het is echter niet het beste nummer. Op deze plaat staat muziek zoals ze alleen uit IJsland kan komen, neem ik aan. Of uit een ander bar land, waar men zich optrekt aan elkaars warmte. Dat wordt perfect weerspiegeld in de muziek, naar mijn mening. De verhouding warm-koud. De strijkers en het sfeertje dat opgezet wordt, leiden je naar dromenwereld. Maar de piano zorgt ervoor dat het besef blijft; "hé, je bent in IJsland, man! Stop met dromen."

Die wisselwerking heeft haast een louterend effect, een mañana-effect als het ware. Morgen is er altijd nog een dag. 'Samskeyti' loopt over de ruggengraat, als een net niet volmaakte rilling. Niets is volmaakt, we moeten de relativiteit van het leven onder ogen zien. Deze muziek lijkt te spreken, net niet te preken. Jónsi loopt met z'n makkers van Sigur Rós over de kille, mistroostige ijsvlakte in z'n thuisland, maar er is iets vrolijks aan hun tred. Alsof ze zweven. De droomvlucht vind je niet in de Efteling, dit is de droomvlucht.

'Álafoss' zet in. Dezelfde ijsvlakte als die van in de vorige alinea strekt zich uit, maar er gloort licht aan de einder. Een grote, houten kerk, gebouwd in een ver verleden. 500 jaar geleden platgebrand, maar inmiddels gerestaureerd. Of wat er in het verleden ook mee gebeurd is, als het maar schimmig is. Jónsi zingt met z'n zalvende stem, gele bloemetjes ontluiken aan zijn voeten (zei ik al dat ze blootvoets op pad zijn?). Iemand luidt de klokken. Dan openen de massieve houten deuren zich, als in een opwelling. De rust wordt echter snel hervonden. Men neemt plaats achterin de kerk, op een gammel bankje. De priester heeft het in een tirade over demons en heiligschennis. Op de achtergrond schellen de klokken steeds harder. De sfeer wordt om te snijden, een uitbarsting staat op til. Uiteindelijk komt er een eind aan de tirade van de priester. Het wordt stil.

'E-Bow' luidt een nieuw begin in. Hypnotiserende, repetitieve drums. Een spanningsboog werpt zich op, Jónsi vormt het engelenkoor. In zijn eentje, nota bene. Bedrukte gezichten vullen het beeld, al is er altijd wel minstens één hoopvolle ziel te vinden. Het einde van het nummer is magisch. Zo ongelooflijk mooi, zeg. Er bestaat vast een woord voor, maar niemand kent dat woord. Jónsi wel.

En het mooiste moet nog komen. 'Dauðalagið' sleept zich traag op gang, om via een paar heftige passages te ontluiken in een grandioze finale. Een beetje zoals een goeie thriller. Inclusief berustende epiloog. 'Popplagið' zet in met een gitaarlijntje, gestoeld op onder de huid kruipende achtergrondgeluiden. De drums rollen in het geheel, blazers weerklinken in de verte, misschien zelfs een misthoorn. Jónsi en co nemen ons mee naar een klif. De nevel verbergt het grootste deel van het indrukwekkende vergezicht. Geen probleem, we laten ons leiden door de muziek. Een panorama op zich. Een ruwe samenvatting van wat IJsland te bieden heeft. 4 kerels met talent te koop, en tijd te veel. Deze afsluiter had best wat indrukwekkender gemogen, is mijn enige puntje van kritiek op deze plaat. Al is de hele opbouw naar het einde van het nummer toe best wel sterk, daar hebben de IJslanders een handje van weg.

Met 'Popplagið' klinkt het slotsalvo van deze plaat weer wat venijniger dan het middenstuk. Dat klonk vrediger, daarin kon ik praten over gele bloemetjes. Die zijn inmiddels bloedrood geworden. Het gecamoufleerde gif dat in het begin van de plaat werd toegediend, in 'Vaka' en 'Fyrsta', onder het mom van goedigheid, begint zijn uitwerking te hebben. De luisteraar wordt stilletjesaan versmacht en verstikt, en gaat uiteindelijk ten onder, op de laatste tonen van dit album.

Het Untitled-album van Sigur Rós heeft z'n tijd nodig gehad bij mij. Maar ik denk dat ik er nu toch uit ben. Ik vind 'm gewoon nog ietsje beter dan opvolger 'Takk...', tot voor kort mijn favoriet van de IJslanders. De klik is er nu gekomen, en daar hoorde een mening bij. Die heb ik nu uitgeschreven, en mijn cijfer zal ik ook maar bekend maken.

4,5 sterren

Sigur Rós - Brennisteinn (2013)

poster
3,5
Deze EP is de voorbode voor een nieuw album van de IJslanders, hun tweede in evenveel jaren tijd reeds. Het titelnummer van de EP zal op de later te verschijnen plaat komen te staan, de overige twee songs zijn eerder sfeerschetsen dan eigenlijke songs. Veel ambient-invloeden, en titelnummer 'Brennistein' als groots en duister monument. Dit nummer is dreigend en ook een beetje mistroostig, en vooral spannender dan de nummers op 'Valtari'. Hoewel dat album ook wel zijn charmes heeft.

Ik heb de EP de laatste twee weken geregeld beluisterd, en ik ga er niet om liegen; dat was vooral ter wille van het titelnummer. "Waarom dan niet enkel dat nummer draaien?", vraagt een mens zich af. Wel, ik wilde wel 'ns kijken of de twee andere nummers qua feeling na een aantal luisterbeurten plots wel zouden opleven. Wat dan ook gedeeltelijk het geval is.

'Hryggjarsúla' schoot de eerste keren bijna blindelings op me af, om me als een flauwe schim te passeren. Maar het is best meeslepend, en de sfeer is ook dermate fraai neergezet dat ik er überhaupt geen graten in zie door dit soort nummers te worden meegesleept.

Het is gewoon weer op en top Sigur Rós die we hier horen, en daar ben ik blij om. De band grijpt weer wat verder terug in het verleden, en lijkt dat keerpunt voorbij; het kan alleen maar beter nu, of dat lijkt de muziek me toch voor te spiegelen.

Deze EP verdient een goeie score, maar toch vooral omwille van het titelnummer. Maar als ze dit niveau een hele plaat lang kunnen vasthouden, zou dit er wel 'ns eentje kunnen worden die zich terug kan meten met hun allerbeste werk.

3,5 sterren

Sigur Rós - Kveikur (2013)

poster
4,0
Alweer de zevende studioplaat van Sigur Rós. ‘Kveikur’ is de titel, en dat betekent zoiets als “ontsteking”. Gepaste titel, als je de opener dan hoort voort denderen. Een hemelsbreed verschil met de ambient songs op voorganger ‘Valtari’. ‘Brennistein’ heb ik al een keertje besproken (zie de gelijknamige EP die de langspeler voorafging), en ik blijf het een verduiveld sterk nummer vinden. Het machinale, koude element steekt af tegen de vocalen van Jónsi.

Tweede single ‘Ísjaki’ is al bijna even goed. Ik moest even wennen toen ik het nummer voor het eerst hoorde, want het klinkt behoorlijk anders dan de opener. Het leunt wat dat betreft wat meer aan bij ouder werk, en draagt, net als nog enkele andere nummers, een bittere soort melancholie in zich. De strijkersarrangementen zijn trouwens van de hand van landgenoot Daníel Bjarnason, en die zijn uiterst doeltreffend. Meeslepend als het moet, maar vooral in een dienende rol. Jónsi blijft de koning.

Want de excentrieke noorderling klinkt weer als een spokende entiteit in topvorm. Vooral zijn hoge uithalen gaan door merg en been, zoals we van hem gewoon zijn. Nog een belangrijk verschil met de vorige plaat; nadrukkelijk minder gebruik van de piano. Pas in afsluiter ‘Var’ treedt deze echt op de voorgrond, hoewel het eerder een stilleven is, of een langzaam uitdovende kaars, die de hele nacht fel heeft gebrand.

Dat de IJslanders nog steeds een mens kunnen beroeren, bewijst ‘Yfirborð’. Met zijn kalme aanloop lijkt het nummer weg te zijn geplukt uit de opnamesessies van ‘Valtari’, maar gaandeweg treedt er af en toe een langzame versnelling in, en worden er weer wat hardere, koudere elementen gebruikt. De zang houdt het geheel meesterlijk bijeen. ‘Stormur’ klinkt dan weer als een storm die zich constant net onder de oppervlakte lijkt op te houden. Die songtitels zijn nog zo gek niet, in het bevestigen van mijn indrukken.

Toch is er nergens een ware parel te bespeuren, zoals dat op de meeste van de vorige albums, inclusief ‘Valtari’ (het fabelachtige ‘Ekki Múkk’, welteverstaan), wel het geval is. Het niveau is echter constant; het zakt nergens in. Het feit dat ze hier voor het eerst onder de 50 minuten duiken wat speelduur betreft, kan daar ook wel voor iets tussen zitten. Hoe dan ook, het zorgt er voor dat ik die kleine 50 minuten aan mijn muziekspeler gekluisterd blijf, of de klanken nu uit mijn speakers of headphones komen.

En zo heeft deze unieke band toch maar weer ‘ns een fraaie prestatie geleverd. Bevestigen moeten ze al lang niet meer, integendeel, ze hebben al een tijdje de status bereikt dat ze zich een paar miskleunen zouden kunnen veroorloven. Maar dat zit er voorlopig nog niet aan te komen. Sigur Rós blijft meespelen in de hoogste regionen.

4 sterren

Sigur Rós - Takk... (2005)

poster
4,0
Na één luisterbeurt heb ik dit album aan de kant geschoven, dit was niet aan mij besteed, zo ondervond ik.

Nu, drie maanden later, liggend in m'n luie stoel, kwam dit album plots weer in m'n gedachten opduiken, het smeekte me om een tweede kans. En deze muziek werd deze keer door mij veel beter gesmaakt.

Vooral het tweede deel van de plaat bracht me helemaal van slag; wat een fantastische opbouw in die nummers, onbeschrijfelijk eigenlijk.

Takk... is zo'n album dat ik niet zomaar elke dag kan opleggen, het weegt te zwaar op mijn gemoed. Luister maar eens naar 'Svo Hljott', of 'Andvari'.

De eerste nummers grepen me niet zo bijster veel aan, het is pas vanaf 'Sé Lest' dat ik word meegesleurd in een rivier van dromerigheid en verzuchting.

'Heysatan' is de perfecte afsluiter voor deze plaat. Je hoort het geluid stukje bij beetje wegebben, tot de absolute stilte overheerst.

Tip: als dit album je na een eerste luisterbeurt niet kan bekoren, gooi het dan niet in de prullenbak, maar geef het na enkele maanden nog een kans.

4.5 sterren

Sigur Rós - Valtari (2012)

poster
3,5
Een plaat van Sigur Rós beschrijven, het heeft meestal iets weg van een sprookje. Dit komt doordat de muziek die de band onder aanvoering van frontman Jónsi maakt, daadwerkelijk sprookjesachtig klinkt. Feeëriek. Waarom? Het is een combinatie van factoren, zoals die ook aan de hand van de nieuwe plaat, ‘Valtari’, kan worden uitgelegd.

De eerste, en misschien wel belangrijkste factor, is het stemgeluid van Jónsi. Het geluid dat hij produceert, lijkt wat op engelengezang, het komt op je af, bijzonder lieflijk en bekoorlijk, maar ook indringend en soms scherp. Op ‘Valtari’ wordt veeleer voor de rustige aanpak gekozen, maar het unieke stemgeluid blijft een sterkhouder; en zorgt er ook deze keer weer voor dat de IJslanders een geschikte plaat afleveren. Let wel, ik heb het over een geschikte plaat, en geen geweldige plaat; dat is ook zo, naar mijn gevoel zijn voorgangers als ‘()’ en ‘Ágætis Byrjun’ veel sterker, en veel beter gelukt in het opzet om magie over te brengen naar de luisteraar. Die platen hebben ook meer intensiteit, vind ik; op ‘Valtari’ heb je eerder ingehouden nummers, waarvan er ook wel enkele prachtig zijn, zoals het openingsduo, maar om de gehele rit uit te zitten, maakt dit er iets moeilijker op.

De stem van Jónsi leent zich hier, gelukkig, wel voor melancholische, droefgeestige muziek, want ik vind het persoonlijk wat minder passen bij hetgeen op het vorige album werd gedaan, of op het solo-uitstapje van de frontman. De stem tilt de muziek naar een hoger niveau.

De tweede factor: de muzikale omlijsting. Op ‘Valtari’ is een minder vol geluid te horen, en ook amper uitbarstingen, waar ze in het verleden zo goed in bleken te zijn. Toch klinkt ‘Valtari’ als een sprookje; de weemoedig klinkende pianoklanken, de ambient soundscapes; ze roepen een hele wereld op. Elke Sigur Rós plaat roept een nieuw universum op; ‘Valtari’ roept dat van een desolaat, groezelig landschap op, of van een schip dat boven de golven dobbert, in plaats van erop. Die inspiratie haal ik vooral uit de hoes.

En dan zijn we meteen bij factor drie aanbeland; de hoes. De hoes van zo’n plaat roept ook altijd heel wat vragen op, en is altijd net mysterieus genoeg om ze nooit allemaal te kunnen beantwoorden. Alles blijft daardoor een beetje vaag, laat de muziek maar spreken. Ook hier is dat weer het geval, we zien een schip boven de oceaan “vliegen”, het is een bijzonder schouwspel.

Ik heb al aangegeven dat ‘Valtari’ minder indruk maakt op mij. Dat is voor een groot deel te wijten aan het gebrek aan uitbarstingen, maar in principe is dat slechts schijn. Men speelt nu veel meer met “onzichtbare” uitbarstingen; bescheiden climaxen, die zich liever op de achtergrond bezighouden, zonder echt de algehele aandacht te trekken. ‘Varúð’ is daar een aardig voorbeeld van. De song trekt de aandacht niet echt binnen het geheel, maar er zit eigenlijk heel wat beweging in, en er gebeurt van alles. En de opbouw is zo geduldig, misschien net iets te geduldig. Daar wringt het schoentje wat mij betreft.

Toch kan Sigur Rós in mijn ogen amper iets slechts doen, zelfs een matig nummer heb ik nog nooit gehoord van hen. Dat alleen verdient al een applausje, maar het is ook nog eens niet de gemakkelijkste muziek die er is. Het vergt van de luisteraar fysieke en mentale inspanning om zich doorheen het complexe kluwen te manoeuvreren, en het etiket “groeiplaat” is dan ook van toepassing, ook op ‘Valtari’. Tegelijkertijd is het muziek die het enorm moet hebben van het gevoel, en daar ook op inspeelt, dus vanuit dat perspectief kan je ook weer zeggen dat het je ligt, of het ligt je niet. Laat het net die schijnbare tegenstelling zijn die me aantrekt in hun muziek.

‘Valtari’ is een goeie plaat, maar lang niet zo indrukwekkend als enkele van z’n voorgangers. Het is wel een dappere voortzetting in hun evolutieproces, en het maakt me gelijk benieuwd waar het met de volgende plaat alweer heengaat. In afwachting zal deze plaat zeker nog de revue passeren, maar toch wat minder vaak dan ‘Ágætis Byrjun’, ‘()’ en ‘Takk…’.

3,5 sterren

Slauter Xstroyes - Winter Kill (1985)

poster
3,5
Stevige plaat, die afklokt onder de 40 minuten. Het enige nadeel volgens Guinness1980, wat mij betreft is dat echter ideaal. Zo dreigt het nooit te gaan vervelen.

De opener toont meteen wat deze band voor ons in petto heeft; lekkere riffs, stevig beukwerk en een goeie zanger met een snerpende stem, wat wel bij de muziek past. Het is ook één van de sterkste nummers op deze plaat. Elk nummer heeft wel iets waar je bij opflakkert, zoals de solo in 'The Stage'.

Progressive metal met een likje powermetal, zegt jasper1991 hierboven. Dat soort beschrijvingen schrikt mij meestal af, maar ik ben in dit geval toch blij dat ik de plaat geprobeerd heb, want het verrast me in positieve zin.

Zoals eerder gezegd, ze hebben een erg begaafde zanger. Maar soms lijkt het me dat hij iets teveel krachttoeren wil uithalen. 'Charlotte' is daar een voorbeeld van, nochtans een goed nummer. Maar de zang steekt me een beetje tegen in dit nummer, lijkt de draad een beetje kwijt te zijn. Het is maar een indruk natuurlijk, gebaseerd op mijn eigen mening.

Goeie plaat dus, alweer. De meeste Metal Albums van de Week vallen me tot nu toe goed mee, enkele vind ik zelfs erg sterk. Deze valt onder de noemer "goed", en verdient dus ook een goede score.

3,5 sterren

Social Distortion - Hard Times and Nursery Rhymes (2011)

poster
3,0
Social Distortion, de band van frontman Mike Ness. Toch wel één van mijn idolen in mijn puberteit. Toch wel één van mijn favoriete bands in mijn puberteit. Een band die ‘Ring Of Fire’ coverde, van Johnny Cash, waardoor ik die beste man leerde kennen. En ‘Under My Thumb’, van The Rolling Stones.

Afgaande op de twee vorige platen, moest dit een topper worden. Social Distortion staat niet bekend om het snel en veel afleveren van platen, maar zij doen er toch altijd een hele tijd over, zo blijkt. Hun laatste dateert alweer van 2004, en mijn favoriete plaat (‘White Light, White Heat, White Trash’) is al van 1996. Toen was ik 6 jaar, nu bijna 21. In een tijdsbestek van 15 jaar drie platen afleveren, dat is niet veel. Maar kwalitatief zijn die twee platen natuurlijk wel hoogstaand. De vraag was of de nieuwe, ‘Hard Times And Nursery Rhymes’ ook zo’n topplaat zou zijn.

De hoes spreekt in ieder geval wel aan. Een zwart-witfoto van een man in werktenue, een vrouw en twee kinderen, op de drempel van hun armzalige huisje. Een arbeidersfamilie, of een boerenfamilie zo u wilt. Veel vreugde spreekt niet uit de hoes, maar dat is prima zo, Social Distortion is een band die het best tot zijn recht komt als ze, Mike Ness bedoel ik dan vooral, de kwetsbaarheid van de menselijke soort tonen.

De muziek zelf dan maar. De plaat wordt op gang geschoten met een instrumental. We horen het typische Social Distortion-geluid, en weten dan al dat we niet veel verandering moeten verwachten. Het wordt geen plaat die ons gaat verrassen, of wegblazen, dat is dan al wel duidelijk. ‘California (Hustle And Flow)’ is een aardig nummer, maar weet me eigenlijk niet meteen bij de kladden te grijpen. ‘Gimme The Sweet And Lowdown’ vind ik wel een erg goed nummer; helemaal in de traditie van vroegere nummers.

‘Diamond In The Rough’ is misschien wel het mooiste eigen nummer dat op de plaat staat. het refrein weet me wel te raken, de tekst ook. ‘Machine Gun Blues’ is een wat steviger nummer, het sleept niet zo aan, wat de meeste nummers van Social Distortion wel doen (wat trouwens niet altijd negatief hoeft te zijn, integendeel). Er zit wel pit in, moet ik toegeven, al wordt dit een beetje tenietgedaan door het tussenstuk.

‘Bakersfield’ is zo’n aanslepend nummer. Waar op vorige platen zulke nummers me in al hun schoonheid wisten te verleiden, doet dit nummer dat niet. het lijkt wel alsof Social Distortion die magie onderweg kwijtgespeeld is. Het einde van het nummer klinkt me ook een beetje te “bekend” in de oren (het is een trucje dat Social Distortion niet voor het eerst toepast). ‘Far Side Of Nowhere’ klinkt poppy, en bevalt me toch niet echt. Erg cliché, ook tekstueel (zoals lowieke eerder al aanhaalde). Het klinkt wel prettig, maar doet me eerlijk gezegd bitter weinig.

‘Alone And Forsaken’ is een cover. Ook dit keer weten Mike Ness en de zijnen een mooi nummer uit te zoeken om te coveren. Het is immers een nummer van countrylegende Hank Williams, een man waarvan ik al heel lang eens wat meer wil luisteren, maar er om één of andere manier nog nooit toe ben gekomen. Misschien komt het er nu wel van, dan heeft Social Distortion dat toch alweder op hun conto. Het is een goeie cover, kwalitatief is dit het beste nummer dat op de hele plaat terug te vinden is, en dat zegt al wat natuurlijk. Nu ja, de weinige nummers die ik ken van Hank Williams, zijn uitmuntend (onder andere ‘Cold, Cold Heart).

De laatste drie nummers vind ik vrij zwak, eerlijk gezegd. Zij hadden er voor mij niet op gehoeven, maar ach, een plaatje van een halfuur, was dat niet te kort geweest dan? Ik meen van niet. In dat geval had deze plaat toch minstens een half sterretje meer gekregen.

3 sterren

Social Distortion - Live at the Roxy (1998)

poster
4,0
Erg fijne live-plaat van Social Distortion, de cover van 'Ring of Fire' komt hier veel beter uit de verf dan op hun titelloze uit 1990; gepaste slotsong.

Maar dat is lang niet alles natuurlijk, en wie een beetje bekend is met het werk van deze band (en er ook wel van houdt, da 's een belangrijke voorwaarde), weet dat deze kerels een set kunnen spelen om van te smullen.

Dat doen ze dan ook. Dit live-album is uitgebracht zo'n 2 jaar na hun meesterwerkje 'White Light, White Heat, White Trash', en er passeren dan ook een aantal songs van die plaat de revue. Maar ook oudere nummers, zoals 'Prison Bound', 'The Creeps' en 'Another State of Mind', worden ten gehore gebracht, en wat me daarbij opvalt, is dat die nummers opeens een pak meer dynamiek bevatten. Het ultieme bewijs, volgens mij, dat deze band een hele evolutie heeft doorgemaakt, en anno 1998 een pak verder stond dan, pakweg, in 1985.

De bindteksten van Mike Ness klinken af en toe wat te patserig, maar hij weet soms wel een leuke grap uit zijn koker te schudden, met de hierboven reeds aangehaalde quote als uithangbord.

Straffe performance!

4 sterren

Sonne Adam - Transformation (2011)

poster
3,5
Inmiddels deze plaat aangeschaft, omdat ik het toch best een goeie plaat vind. De eerste luisterbeurten was ik niet meteen onder de indruk, maar ik had toch het gevoel dat ik deze wat meer kansen moest geven, dat het er wel in zat. En inderdaad, ik ben 'm blijven beluisteren, de brute riffs begonnen me steeds meer te bevallen en ik bestelde het album. Nu heb ik 'm toch al een tijdje in mijn bezit, net als die van Triptykon trouwens. Daar lijkt dit eigenlijk wel op, dus fans van 'Eparistera Daimones' kunnen hier ook wel hun gading vinden.

De nummers op deze plaat zijn niet zo lang als die op 'Eparistera Daimones', maar ik hoor wel eenzelfde geluid in de riffs en ook de grunt lijkt er van de verte wel wat op. Andere namen die in me opkomen zijn Morbid Angel (het staat ook op een sticker op het hoesje: "For fans of Morbid Angel, Asphyx and old Paradise Lost. Witness the return of ancient death metal.", en dat is niet gelogen) en Watain. Dit klinkt ouderwets goed, lomp, bruut. Het gaat er niet om te tonen hoe vaardig je bent met een gitaar, maar bij vlagen gaat het er toch erg hevig aan toe. Maar het algemene tempo ligt laag, het is een logge mammoet.

Sterke debuut dus, maar niet voor elke dag op te leggen; het werkt behoorlijk op het gemoed. Mijn favoriete nummers zijn de opener en de afsluiter.

3,5 sterren

Sonny Sharrock - Black Woman (1969)

poster
4,0
Heerlijke plaat, hoor. Vier van de vijf tracks werden door Sonny Sharrock zelf gecomponeerd (Bialero is een traditional), en zeker ook op maat van Linda Sharrock, die met haar halsbrekende stemcapriolen ontroert en ontreddert, teistert en zalft, betovert en beangstigt. Het hele emotionele spectrum, zeg maar.

Sonny Sharrock speelt bij vlagen geweldige stukjes op zijn gitaar, die in flarden lijken te zijn gescheurd waardoor het lijkt dat meneer en mevrouw Sharrock steevast een krankzinnig duet opzoeken. Maar het zijn vooral de hyperkinetische drummer Milford Graves en de (geflipte) pianist Dave Burrell die wat mij betreft de show stelen. Héérlijk gewoon, hoe zij meedrijven op de chaos en die nog weten te versterken.

Geen plaatje voor gevoelige oortjes, maar wat een festijn. Halfweg zou ik zeggen dat Peanut de strafste stoot is op Black Woman, maar dan moet natuurlijk die afsluiter nog komen.. Een eerbetoon van Sonny aan Linda, dat nog braaf en statig begint, met samenzang. Na een minuutje zet Sonny dan een heerlijk gitaarriedeltje in, mept Graves erop los en mag Linda zich uitleven. De trompet die we horen, begeleidt dat bij momenten erg mooi, maar kent ook zijn gloriemomentjes. Altijd lastig kiezen tussen die twee composities.

Grappig is dat één van de tags op Last.FM bij het slotnummer "Perfection" is. Zo ver wil ik nog niet gaan, maar een erg goeie plaat is dit zeker.

4 sterren

Spidergawd - Spidergawd V (2019)

poster
4,0
Vrijdag deze vijfde plaat van de Noren voor het eerst beluisterd, en dit weekend de eerste vier platen ook maar 'ns de revue laten passeren. Dit valt namelijk goed in de smaak!

Spidergawd werd in 2013 opgericht door o.a. Bent Sæther van Motorpsycho, maar die is er intussen uitgestapt omdat hij het te druk heeft (voornamelijk met Motorpsycho). De drijvende kracht achter deze band is Per Borten, die het spetterende gitaarwerk en de vocalen voor zijn rekening neemt. Verder vinden we ook o.a. Kenneth Kapstad (die een Motorpsycho-verleden heeft) terug, achter het drumstel, dus helemaal onbekend was ik dus niet met de band.

De fraaie albumhoes doet wat psychedelisch aan, maar laat je niet foppen; deze kerels spelen potige, aanstekelijke rock 'n roll, met invloeden die gaan van Deep Purple en The Doors over Iron Maiden tot Foo Fighters (en zowat alles wat zich daartussen bevindt, ik noem kwansuis wat namen die in me opkomen). Dat levert een energiek zootje op, waarbij headbangen bijna verplichte kost is (probeer maar 'ns stil te zitten!), en bovendien is er een lekkere groove te vinden in de meeste songs.

Een extra (en belangrijk!) ingrediënt is de saxofoon, bespeeld door Rolf Martin Snustad, een nobele onbekende voor mij. En hoewel de sax vooral een gimmick lijkt te zijn (het draait toch vooral om de rock 'n roll bij deze band, me dunkt), is het wél een fraaie gimmick, die een reële toevoeging is voor wat het geluid en de sfeer van deze plaat betreft. De opening van All and Everything is daar een knap voorbeeld van.

Wat mij betreft mag deze band de frequentie van een plaat om de één à twee jaar aanhouden, want ook de eerste vier platen klonken me erg goed in de oren. Dat dit mijn kopje thee is, helpt natuurlijk ook een eind, maar ik kan er toch niet omheen dat dit gewoon allemaal erg lekker klinkt, en dat een kleine veertig minuten lang zonder ergens in te zakken (in mijn opinie, althans).

4 sterren

Stay Ahead of the Weather - We Better Get Goin' If We're Gonna (2010)

poster
2,5
Stay Ahead Of The Weather, een punkbandje, op het eerste gehoor eentje zoals er al zoveel zijn. Deze EP ben ik gaan beluisteren omdat die werd aangebracht in het Review-topic, en de song die ik als voorbeeld op Youtube had beluisterd, klonk best goed, vind ik. Daarom is deze plaat uit de bus gekomen deze week.

'We Better Get Goin' If We're Gonna' is een degelijke EP, maar meer ook niet. 'Impressions And Impressing People' is wat mij betreft het beste nummer, de andere songs zijn zeker niet rotslecht, maar het weet me niet echt te verrassen, niet te boeien. Gewoon degelijke punkpop.

Catchy is het zeker wel, en met catchy muziek heb je altijd het gevaar van het te gemakkelijke dat om de hoek loert. In dit geval is het een beetje een strijd die in het voordeel noch in het nadeel wordt beslecht; wat ik hoor, wordt duidelijk ingespeeld door mensen die hun instrument beheren (ook de zang valt goed mee), maar ik mis toch wel een beetje passie.

Ik zou niet weten waar ik het mee zou kunnen vergelijken, en daar ga ik ook niet achter zoeken. Degelijk plaatje, dat zeker, maar het weet maar weinig in mij los te maken.

2,5 sterren

Steak Number Eight - All Is Chaos (2011)

poster
3,5
Steak Number Eight, winnaar van HUMO’s Rock Rally 2008, heeft met ‘All Is Chaos’ zijn tweede plaat uit. De eerste is vreemd genoeg aan mijn neus voorbijgegaan (kan niet zeggen hoe dat komt), en sinds ik deze plaat ken, ben ik naarstig op zoek naar ‘When the Candle Dies Out…’. Want dat deze jonge West-Vlamingen talent hebben, dat is onmiskenbaar.

‘All Is Chaos’ is eerst en vooral een goeie plaat, gemaakt door jongelui die hun helden op handen dragen, en soms is dat net iets te duidelijk. Zo horen we in de tien nummers die ‘All Is Chaos’ sieren, regelmatig invloeden van Isis, Neurosis en Godspeed You Black Emperor! Toch kan je het er moeilijk mee vergelijken; Steak Number Eight doet zijn eigen ding, zoals ook opener ‘Dickhead’ laat uitschijnen.

Als een debuut symbool staat voor een eerste kennismaking, staat een opvolger meestal symbool voor ambitie. Dat is ook hier het geval; Steak Number Eight is in de Verenigde Staten gaan opnemen en touren, en enkele nummers laten ook horen dat ze een breder publiek willen aanspreken, en meer naamsbekendheid willen verwerven. Op kop natuurlijk ‘The Calling’, een nummer dat niet zou misstaan in bijvoorbeeld De Afrekening op Studio Brussel. De single bij uitstek, als je ’t mij vraagt.

Is ‘All Is Chaos’ dan een knieval voor het grote publiek? Neen, zeer zeker niet. Het is geen hapklare brok, en ik vind Vanneste beter tot z’n recht komen als hij grunt. Opmerkelijk dat hij op die leeftijd (nog geen 20 jaar oud) al zo’n strot heeft. Het gaat nooit echt door merg en been, maar het is wel zeer, zeer degelijk.

Het instrumentale aspect van deze plaat is zeer genietbaar. Het merendeel van de nummers is vrij lang, en het is ook knap dat het nooit echt inzakt. Er staat wel wat zwakker materiaal op (zoals in mijn ogen de instrumental ‘Man Vs. Man’), maar daartegenover staan ook prachtige passages, zoals je kan horen in ‘Black Fall’, ‘Track Into the Sky’ en ‘Drowning in Your Blood’ (flinke scheut Godspeed You Black Emperor!). Ze weten de sludge-invloeden mooi te verweven met de postrock-invloeden. Akkoord, het klinkt af en toe langdradig, maar uiteindelijk weten ze er wat mij betreft toch het tempo in te houden, en vooral de feeling. Ik bedoel daarmee dat je er ook echt in kan opgaan, en daar draait het toch om in muziek; je moet er van kunnen genieten, en het mag zeker niet zomaar langs je heen waaien. Al voelt het aan alsof je in een zware storm terecht bent gekomen, dat is altijd beter dan er niets bij te voelen. En ‘All Is Chaos’ is op dat vlak meer dan geslaagd.

Om nog even door te gaan op mijn opmerking over de ambitie om Amerika te veroveren; niet elk nummer is daar even geschikt voor. Van ‘Dickhead’ moeten ze volgens mij geen clip proberen maken en op MTV laten uitzenden, want dan wordt de helft van de tekst gecensureerd. Extreme vuilbekkerij, en ik herken er ook simpel jeugdig jolijt in terug. Vloeken is stoer, weet je wel.

Als Steak Number Eight er nu nog in zou slagen om een heel eigen geluid en gezicht te gaan creëren, dan zit een meesterwerk eraan te komen. Nogmaals: aan talent ontbeert het hen niet. Het is nu reikhalzend uitkijken geblazen naar hun volgende plaat, en de richting die ze daarmee uitgaan.

3,5 sterren

Steve Earle & The Dukes - Ghosts of West Virginia (2020)

poster
4,0
Fraaie conceptplaat van Steve Earle, die nog steeds erg productief is met zijn Dukes, en bovenal ook gewoon goeie platen blijft uitbrengen.

Dit album, voorzien van een fraaie, representatieve cover en getiteld Ghosts of West Virginia, handelt over The Upper Big Branch Mine Disaster, een verschrikkelijke explosie in een koolmijn in West Virginia, waarbij 38 mijnwerkers om het leven kwamen. Earle geeft hen trouwens op fraaie wijze een eerbetoon, door hun namen op te noemen in het beklemmende It's About Blood.

Over het algemeen weet je wel wat je krijgt als je een album van Steve Earle beluistert, en dat is hier niet anders. Country, blues, americana, bluegrass... Earle gooit al die Amerikaanse muziekgenres in een smeltkroes, en het eindproduct dat eruit is voortgekomen mag er zeker wezen. Earle is erg begaan met degenen die het niet zo breed of makkelijk hebben in het leven, en is een radicaal tegenstander van onrecht. Het spreekt dan ook voor zich dat hij erg bevlogen en geïnspireerd klinkt op deze plaat, waarin hij wellicht ook een stukje van zijn ziel heeft gelegd.

De teksten vertellen verhalen over het leven van de mijnwerkers, en hoe dat ook maar gewone mensen met gewone aspiraties zijn, en vooral een gelukkig leven willen leiden. Dat het een leven is waarin lijden een grote rol speelt (Devil Put the Coal in the Ground, Time Is Never on Our Side), wordt geaccepteerd, zolang er ook maar liefde in het spel is. Dat komt dan weer naar boven in het door Eleanor Whitmore gezongen If I Could See Your Face Again.

En zo krijg je op een halfuurtje tijd een mooie inkijk in het leven van die 38 omgekomen mijnwerkers, en blijven ze voor eeuwig voortleven. Het venijnige Black Lung is het nummer dat, samen met It's About Blood, de diepste indruk nalaat.

4 sterren

Steve Roach - Into the Majestic (2021)

poster
3,5
Sinds 1982 brengt Steve Roach met de regelmaat van een klok muziek uit. Hij begeeft zich met zijn muziek binnen het kader van ambient, en wordt gezien als één van de vaandeldragers van de atmosferische ambient. Vooral zijn Structures from Silence wordt door velen geroemd.

Ik heb zijn inmiddels uitvoerige staat van dienst eens uitgeplozen, en dan merk ik dat hij vooral de laatste jaren erg productief is. Zo bracht hij in 2019 en 2020 telkens drie albums uit, als ik MusicMeter mag geloven, en in 2018 en 2017 zelfs 4. 2016 spant echter de kroon, met maar liefst 6 releases! Akkoord, het zijn nog geen Goh Lee Kwang-proporties, maar het kan toch tellen.

Of die releases dan allemaal de moeite zijn, dat weet ik niet. Ik kende van deze man enkel het hierboven reeds aangehaalde album, en dat doet het vooral goed wanneer de nacht zijn intrede doet. Ambient lijkt daar in het algemeen bij mij behoorlijk wat baat aan te hebben. Ik vind de composities, met behoorlijk wat herhaling (maar wel subtiele details!) en de erg geduldige opbouw vaak rustgevend, en zo kan ik met gerust gemoed mijn optische rolluiken sluiten.

Dit werkstuk, bestaande uit 2 composities (waarvan het titelstuk bijna 50 minuten duurt!), werd uitgebracht op nieuwjaarsdag. En het is wat goeie ambient moet doen voor mij: de aandacht op een niet al te veeleisende wijze vasthouden, waardoor je dit zowel perfect op de achtergrond kan beluisteren, onderwijl in beslag genomen door andere bezigheden. Een doorgedreven beluistering ligt echter ook binnen de mogelijkheden, al is dit net niet sfeervol en dwingend genoeg om dat voor 74 minuten vol te houden. Het niveau van bv. Structures from Silence, maar ook diverse Brian Eno-platen, wordt niet gehaald. Al mag dat geen schande heten, want dat zijn geen misse referenties.

3,5 sterren