MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Daniel Romano - If I've Only One Time Askin' (2015)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Daniel Romano - If I've Only One Time Askin' - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Come Cry With Me van Daniel Romano werd twee jaar geleden warm onthaald door de liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek, maar om deels onduidelijke redenen (en waarschijnlijk toch ook de wat cheesy cover van de plaat) heb ik het als een debuut gepresenteerde maar feitelijk derde plaat van de singer-songwriter uit het Canadese Ontario laten liggen.

Ten onrechte, want wat ben ik onder de indruk van de nieuwe plaat van de Canadees. If I've Only One Time Askin' is een klassiek aandoende countryplaat die herinnert aan de countryplaten die in de jaren 70 werden gemaakt.

Daniel Romano maakt niet alleen muziek die herinnert aan vervlogen tijden, maar weet ook net zo te ontroeren als destijds in het genre gebruikelijk was. De songs van de Canadees zitten vol persoonlijke ellende en Daniel Romano slaagt er in om zijn ellende over te brengen op de luisteraar.

If I've Only One Time Askin' is hierdoor niet alleen een plaat vol klassieke countrysongs, maar ook een plaat die dwars door de ziel snijdt. De muziek van Daniel Romano roept herinneringen op aan de legendarische platen van Gram Parsons, maar ook flarden Willie Nelson, Merle Haggard en in de in Nederland zo onderschatte Dwight Yoakam duiken met enige regelmaat op.

If I've Only One Time Askin' is voorzien van een traditioneel aandoende en bijzonder smaakvolle instrumentatie. Het is vervolgens aan Daniel Romano om te ontroeren met zijn emotievolle vocalen. De Canadees slaagt hier glansrijk in.

If I've Only One Time Askin' raakt je direct bij eerste beluistering, maar de plaat moet op dat moment nog beginnen met groeien. If I've Only One Time Askin' komt inmiddels voor de zoveelste keer voorbij en is voor mij inmiddels een plaat met louter songs om te koesteren.

Come Cry With Me was twee jaar geleden een toch wat onverwachte gast in menig jaarlijstje en als je het mij vraagt hoort ook het volstrekt tijdloze maar o zo indrukwekkende If I've Only One Time Askin' hierin thuis. Prachtplaat. Erwin Zijleman

Daniel Romano - Modern Pressure (2017)

poster
3,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Daniel Romano - Modern Pressure - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Daniel Romano brak een jaar of vier geleden door met Come Cry With Me. De plaat was verpakt als een wat kitscherige countryplaat uit vervlogen tijden en klonk precies zo.

Ik dacht bij eerste beluistering van de plaat (en zeker bij bestudering van de hoes) nog heel even met een parodie of gimmick te maken te hebben, maar daarvoor waren de songs van Daniel Romano echt veel te goed.

Het kunstje van het laten herleven van een zeer traditioneel aandoend countrygeluid herhaalde de Canadese muzikant op het in 2015 verschenen en nog succesvollere If I've Only One Time Askin', al kleurde Daniel Romano op zijn doorbraakplaat ook wel voorzichtig buiten de lijntjes van de traditionele country.

Dat Daniel Romano geen one-trick-pony is, liet hij nadrukkelijk horen op het precies een jaar geleden verschenen Mosey, waarop de Canadees zich liet inspireren door een breed palet aan genres en stijlen. Het in mono opgenomen en grotendeels door Daniel Romano zelf volgespeelde Mosey deed vaak wat psychedelisch aan, leek zo weggelopen uit de jaren 60 en 70 en bestreek in geografisch opzicht een enorm gebied (om maar eens een zin uit mijn recensie van een jaar geleden te recyclen).

Liefhebbers van het countrygeluid van de Canadees haakten teleurgesteld af en zullen nog minder blij zijn met het deze week verschenen Modern Pressure. Op zijn nieuwe plaat gaat Daniel Romano verder waar Mosey een jaar geleden ophield, maar het zijn geen kleine stapjes die de Canadees zet.

Modern Pressure neemt vrijwel volledig afstand van invloeden uit de country en richt zich vrijwel uitsluitend op de psychedelische pop- en rockmuziek uit de jaren 60 en 70. Op zijn nieuwe plaat klinkt Daniel Romano met enige regelmaat als Bob Dylan of John Lennon geproduceerd door Phil Spector (maar dan anders dan op Lennon’s Rock ’n Roll uit 1975) en dat is niet altijd lichte kost.

Modern Pressure is een behoorlijk fragmentarische plaat, die als een komeet door de popmuziek uit de jaren 60 en 70 schiet, waarbij meer ingetogen en wat stevigere songs elkaar afwisselen.

De nieuwe plaat lijkt echt in niets op Come Cry With Me of If I've Only One Time Askin'. Dat is aan de ene kant jammer, maar het siert de Canadees wat mij betreft ook. Daniel Romano durft op Modern Pressure te experimenten met verschillende stijlen en doet dat vol overgave.

De plaat springt hier en daar wat van de hak op de tak en heeft een productie die dicht tegen de overproductie aan zit. Daniel Romano slaat hierdoor op zijn nieuwe plaat de plank wel eens mis, maar er staan geweldige songs tegenover.

Modern Pressure moet je niet vergelijken met de countryplaten van de Canadees, want het zijn bijna uitersten. Dat zal zeker niet door iedereen worden gewaardeerd, maar na enige gewenning vind ik toch ook Modern Pressure weer een bijzondere plaat. Daniel Romano knutselde zijn nieuwe plaat eigenhandig in elkaar en doet precies waar hij zelf zin in heeft, zoals het een getalenteerde en eigenzinnige muzikant betaamt. Erwin Zijleman

Daniel Romano - Mosey (2016)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Daniel Romano - Mosey - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De Canadese muzikant Daniel Romano debuteerde aan het begin van 2013 officieel (hij maakte eerder twee platen in eigen beheer) met het in een flink cheesy hoes gestoken Come Cry With Me, waarop hij indruk maakte met een authentiek aandoend 70s country geluid.

De plaat, die terecht opdook in meerdere jaarlijstjes, kreeg nog geen jaar geleden een vervolg met het wat mij betreft nog veel betere If I've Only One Time Askin’, waarop wederom de country uit de jaren 70 de boventoon voerde, maar ook voorzichtig andere invloeden werden verkend.

Ook op zijn nieuwe plaat laat Daniel Romano zich weer nadrukkelijk beïnvloeden door muziek uit de jaren 60 en 70, maar dit keer domineren de invloeden uit de country zeker niet.

Daniel Romano liet zich voor Mosey inspireren door een breed palet aan genres en stijlen en verwerkt al deze invloeden tot popsongs die iets met je doen, of je dat nu wilt of niet. Het in mono opgenomen en grotendeels door Daniel Romano zelf volgespeelde Mosey doet vaak wat psychedelisch aan, lijkt zo weggelopen uit de jaren 60 en 70 en bestrijkt in geografisch opzicht een enorm gebied.

Daniel Romano noemde zelf een heel leger aan inspiratiebronnen voor zijn nieuwe plaat, maar de genoemde namen hoor ik lang niet allemaal terug. Ik hoor wel de grandeur van Lee Hazlewood, de weidse soundtracks van de Spaghetti soundtracks Ennio Morricone, de surfgitaren uit het zonnige Californië en de sfeer van het zwoele Parijs zoals Serge Gainsbourg deze zo perfect wist te vangen.

Daniel Romano smeedt al deze invloeden aan elkaar in een geluid waarin ook nog een beetje van Bob Dylan, wat van John Lennon en de nodige andere invloeden uit de monumentale 70s singer-songwriter pop voorbij komen.

Het levert een plaat op die net zo min van deze tijd is als de vorige twee platen van de Canadees en het is een plaat die minstens net zo veel indruk maakt als zijn twee voorgangers.

Daniel Romano balanceert op Mosey constant op het randje van kunst en kitsch, levert aan de lopende band volstrekt tijdloze en direct memorabele popsongs af en stopt zoveel avontuur en variëteit in zijn songs dat het je soms duizelt.

Mosey is in eerste instantie vooral goed voor een glimlach, maar hoe vaker je de plaat hoort hoe beter en indrukwekkender de nieuwe plaat van Daniel Romano wordt. Dat ook dit er weer een is voor de jaarlijstjes is voor mij dan ook zeker. Erwin Zijleman

Danielle Durack - Escape Artist (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Danielle Durack - Escape Artist - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Danielle Durack - Escape Artist
Danielle Durack moet concurreren met heel, heel veel jonge vrouwelijke singer-songwriters in het indiesegment, maar kan de concurrentie in muzikaal en vocaal opzicht makkelijk aan op het fraaie Escape Artist

De Amerikaanse muzikante Danielle Durack verraste drie jaar geleden met haar uitstekende derde album No Place, waarmee ze in muzikaal opzicht weliswaar in de voetsporen van Phoebe Bridgers stapte, maar waarop de muzikante uit Phoenix, Arizona, ook een behoorlijk hoog niveau aantikte. Dat doet ze ook weer op het deze week verschenen Escape Artist, waarop Danielle Durack wederom makkelijk indruk maakt met haar bijzonder mooie stem, met fraai ingekleurde songs en met aansprekende en zeer persoonlijke songs. Het valt niet mee om aandacht te treken in dit (over)volle genre, maar Escape Artist van Danielle Durack steekt ruimschoots boven het maaiveld uit.

Net iets meer dan drie jaar geleden mopperde ik in mijn recensie van No Place van Danielle Durack al over het grote aantal albums van jonge vrouwelijke singer-songwriters in het indiesegment. Dat aantal albums is sindsdien alleen maar gegroeid, waardoor ik wekelijks kan kiezen uit een stapeltje albums waar het etiket indiepop, indierock of indiefolk op kan worden geplakt en waarvan de maker een jonge vrouwelijke singer-songwriter is.

No Place, het derde album van Danielle Durack vond ik ruim drie jaar geleden echter goed genoeg voor een plekje op de krenten uit de pop. De singer-songwriter en multi-instrumentalist uit Phoenix, Arizona, maakte niet alleen indruk met een bijzonder mooie stem en even smaakvolle klanken, maar overtuigde ook met sterke songs, die vooral folky klonken, maar ook uit de voeten konden met invloeden uit de indiepop en indierock. Op No Place liet Danielle Durack zich absoluut beïnvloeden door de koningin van het genre, Phoebe Bridgers, maar liet ze zelf ook voldoende kwaliteit horen om haar vanaf dat moment nauwlettend in de gaten te houden.

Het geduld werd sindsdien wat op de proef gesteld, maar deze week verscheen het vierde album van de Amerikaanse muzikante, die Phoenix sinds kort heeft verruild voor Nashville, Tennessee. Ook op Escape Artist maakt Danielle Durack makkelijk indruk met haar mooie stem, een smaakvolle instrumentatie en sterke songs. Het zijn ook dit keer songs die associaties oproepen met de muziek van Phoebe Bridgers en zeker ook met haar boygenius collega’s Lucy Dacus en Julien Baker, die met zijn drieën nog altijd het indieveld aanvoeren.

Danielle Durack maakte haar nieuwe album voor een belangrijk deel samen met producer Samuel Rosson, die ook een deel van de instrumentatie voor zijn rekening nam. Escape Artist is een vooral ingetogen album waarop de echt prachtige stem van Danielle Durack centraal staat, maar ook in muzikaal opzicht valt er meer dan genoeg te genieten op het album. Bijna serene folky klanken kunnen immers zomaar omslaan in uitbarstingen van stevige gitaren, al domineren de ingetogen klanken op het album met hier en daar wat uitbundigere uitstapjes.

Alleen met haar stem weet Danielle Durack wat mij betreft al voldoende de aandacht te trekken, maar de Amerikaanse muzikante schrijft ook mooie en fantasierijke songs, die steeds weer weten te verrassen met een bijzonder accent of een verrassende wending. Het zal voor Danielle Durack waarschijnlijk niet meevallen om aandacht te trekken, want het is nog altijd stevig dringen in het genre, maar de nieuwe inwoner van Nashville verdient deze aandacht absoluut.

Naast goede songs en flink wat vocale en muzikale kwaliteiten maakt Danielle Durack ook indruk met haar zeer persoonlijke songs, die zijn getekend door een aantal heftige gebeurtenissen in haar leven waaronder de zelfmoord van haar stiefvader, verloren liefdes en de coronapandemie die het leven van een startende muzikante heel erg lastig maakte. Escape Artist is negen songs en ruim een half uur bijzonder mooi en hierna wil ik eigenlijk alleen maar meer muziek van Danielle Durack horen. Dat is op zich geen probleem, wamt ook bij herhaalde beluistering gaat haar nieuwe album niet vervelen en wordt het alleen maar mooier. Erwin Zijleman

Danielle Durack - No Place (2021)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Danielle Durack - No Place - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Danielle Durack - No Place
We worden al jaren overspoeld met albums van jonge vrouwelijke singer-songwriters, maar zo af en toe duikt er nog een op die je echt niet wilt missen, wat absoluut geldt voor Danielle Durack

Na een keer horen was ik verkocht en sindsdien is No Place van Danielle Durack me alleen maar dierbaarder geworden. Het is een knappe prestatie van de jonge singer-songwriter uit Phoenix, Arizona, want er is de afgelopen jaren nogal wat verschenen in dit genre en de lat ligt inmiddels angstig hoog. No Place van Danielle Durack weet zich wat mij betreft makkelijk te onderscheiden van alles dat er al is. Ze heeft een bijzonder aangename stem, ze kleurt haar folky popliedjes op mooie maar ook bijzondere wijze in, ze kan in meerdere genres uit de voeten en schrijft ook nog eens persoonlijke teksten die zijn verpakt in aansprekende songs. Prachtig album.

Vrouwelijke singer-songwriters met een voorkeur voor folky popliedjes, die in deze popliedjes het leed met bakken over je uit scheppen. Ik hou er wel van en heb de laatste jaren echt helemaal niets te klagen, want het aanbod in het genre is enorm. Deze week kwam ik ook No Place van Danielle Durack nog eens tegen en het blijkt een album dat ik eindeloos wil koesteren.

No Place is al het derde album van deze Danielle Durack, maar het is mijn eerste kennismaking met de singer-songwriter uit Phoenix, Arizona, die vooralsnog met bescheiden succes aan de weg timmert.

Mistakes, de openingstrack van het album, duurt maar net een minuut, maar het is een minuut die me onmiddellijk overtuigde van het talent van de jonge Amerikaanse muzikante. Het is een track met wat sobere, maar ook fraai en bijzonder klinkende gitaarakkoorden, een mooie heldere stem met een voorzichtig rauw randje en een licht zuidelijke tongval, mooie koortjes die bestaan uit meerdere lagen van deze stem en in de tekst de aankondiging van een breakup album.

Het zijn ingrediënten die allemaal terugkeren op de rest van het album, al zijn de meeste songs op het album veel voller ingekleurd dan de sobere openingstrack. Danielle Durack sluit met No Place aan bij een flinke stapel geweldige albums van soortgenoten, van wie ik in ieder geval Phoebe Bridgers wil noemen. Ik wil echter niet te lang stil staan bij de vergelijking met anderen, want wat is Danielle Durack goed.

Ik was direct gecharmeerd van haar bijzonder aangename stem, die het oor intens streelt, maar het is ook nog eens een stem die flink wat gevoel kan bevatten en die zich ook makkelijk staande houdt wanneer de instrumentatie een stuk voller of steviger is.

Deze instrumentatie is het volgende dat opvalt bij beluistering van No Place. Het is een mooie maar ook bijzondere en vaak wat donker gekleurde instrumentatie, die varieert van ingetogen tot stevig en die uit de voeten kan met invloeden uit de folk, country, pop en rock. Het is een instrumentatie die niet alleen donker, maar ook wat broeierig klinkt en die er bovendien steeds weer in slaagt om niet alleen aangenaam maar ook speels en avontuurlijk te klinken.

Het zorgt voor een verrassend veelzijdig album dat ook nog eens vol uitstekende songs staat. Het zijn songs met een liefdesbreuk als centraal thema, wat van No Place een persoonlijk album maakt, maar Danielle Durack maakt er zeker geen overdreven gedeprimeerd album van.

Zeker wanneer de instrumentatie nog net wat donkerder kleurt, Danielle Durack wat gevoeliger zingt en de boel versiert met koortjes van haar eigen stem, zijn associaties met het laatste album van Phoebe Bridgers nauwelijks te onderdrukken, maar ik vind No Place een stuk helderder en wat minder zompig klinken, waardoor de overeenkomsten ook weer niet overdreven moeten worden.

Met Phoebe Bridgers hebben we overigens een van mijn favoriete singer-songwriters van het moment te pakken en ik moet zeggen dat No Place van Danielle Durack qua niveau niet al teveel onder doet voor het laatste album van Phoebe Bridgers, dat het afgelopen jaar nogal wat jaarlijstjes aanvoerde. Phoebe Bridgers is inmiddels een wereldster, terwijl Danielle Durack haar bescheiden muzikantenbestaan betaalt met een baantje in een pizzeria. Dat moet maar eens heel snel gaan veranderen. Erwin Zijleman

Danielle Howle - Current (2023)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Danielle Howle - Current - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Danielle Howle - Current
Danielle Howle maakt al een aantal decennia muziek, maar op het na een lange stilte verschenen Current maakt de Amerikaanse muzikante nog net wat meer indruk met fraai ingekleurde rootsmuziek en een geweldige stem

Danielle Howle heeft op Current niet veel tijd nodig om indruk te maken. Direct vanaf de eerste noten trekt de muzikante uit South Carolina de aandacht met een krachtige en doorleefde stem, die haar songs voorziet van veel gevoel. Het zijn mooie en bijzondere songs, die niet alleen opvallen door de sterke zang, maar zeker ook door de sfeervolle muziek, die de expressieve stem van Danielle Howle prachtig omlijst. De Amerikaanse muzikante heeft een verleden in andere genres, maar op Current maakt ze tijdloze en behoorlijk veelzijdige Amerikaanse rootsmuziek, die niet voor niets stevig wordt bewierookt in de recensies die vooralsnog van het album zijn verschenen.

Current van Danielle Howle kwam ik op het spoor door een zeer positieve recensie in het Britse muziektijdschrift Uncut. Uncut riep Current in het december nummer uit tot Americana album van de maand en dat is voor mij reden genoeg om een album te beluisteren. Bij het lezen van de recensie viel ik overigens wel van de ene in de andere verbazing. Zo las ik dat Current al het zestiende (!) album is van Danielle Howle, die al sinds het eind van de jaren 80 muziek maakt.

Een deel van deze albums maakte ze met haar band Lay Quiet Awhile, die van Uncut het etiket “thrash folk metal” krijgt opgeplakt. AllMusic.com beschrijft de eerste soloalbums van Danielle Howle, die aan het eind van de jaren 90 verschenen, vervolgens als countrypunk, wat me nieuwsgierig maakte naar het vroege werk van de muzikante uit Charleston, South Carolina. De typeringen van Uncut en AllMusic herken ik niet direct, maar de muziek die Danielle Howle in het verleden maakte, en die ik zelf eerder zou typeren als indierock of indiefolk, klinkt absoluut interessant en doet me wel wat denken aan de muziek die Ani DiFranco in dezelfde periode maakte.

Ik heb het allemaal gemist, maar dankzij de aandacht van Uncut ben ik alsnog op het spoor gekomen van de Amerikaanse muzikante, die de afgelopen vijftien jaar overigens weinig van zich liet horen. Met Current keert ze deze maand terug en ik begrijp wel dat Uncut zo gecharmeerd is van het nieuwe album van Danielle Howle. Direct in de eerste noten van Current maakt de Amerikaanse singer-songwriter indruk met een opvallend krachtige en karakteristieke stem, die de emotie en de doorleving in flinke hoeveelheden uit de speakers laat komen.

Vooral door de zang kwam Current van Danielle Howle bij mij direct flink binnen en de muzikante uit South Carolina houdt de aandacht makkelijk vast. De expressieve en krachtige zang bepaalt elf tracks lang het geluid op Current en voorziet het album wat mij betreft van meer dan voldoende onderscheidend vermogen. Het is niet het enige dat in positieve zin opvalt, want het nieuwe album van Danielle Howle is prachtig geproduceerd door de mij onbekende producer Jeff Leonard Jr., die de doorleefde stem van de muzikante uit South Carolina terecht centraal heeft gezet, maar het album ook heeft voorzien van een warm en zeer sfeervol geluid, wat prachtig contrasteert met de vaak wat ruwe zang.

Op Current werkt Danielle Howle met een redelijk compacte band, maar de solide bassist Kerry Brooks (Amy Ray), de uitstekende gitarist Josh Roberts (Josh Roberts & The Hinges) en vooral de fantastisch spelende Tony Lauria op de accordeon, voorzien de geweldige stem van Danielle Howle van een bijna even indrukwekkend klankentapijt, dat met name door de accordeon wel wat doen denken op het geluid van Cowboy Junkies.

De Amerikaanse muzikante heeft misschien een verleden in de “thrash folk metal”, de countrypunk of gewoon de indierock, maar op Current maakt ze redelijk conventionele Amerikaanse rootsmuziek. In theorie dan, want door de karakteristieke zang, de bijzondere klanken, het brede palet qua invloeden en de gloedvolle productie klinkt Current van Danielle Howle anders dan de meeste andere Amerikaanse rootsalbums van het moment. Current blinkt ook nog eens uit door geweldige songs, waardoor op de lof van Uncut niets valt af te dingen. Jammer dat ik Danielle Howle pas na een paar decennia ontdek, maar ze heeft er een fan bij. Erwin Zijleman

Danny Schmidt - Owls (2015)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Danny Schmidt - Owls - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De Amerikaanse singer-songwriter Danny Schmidt timmert inmiddels al behoorlijk wat jaren aan de weg (zijn debuut stamt uit 2000), maar een groot liefhebber van zijn platen was ik tot dusver niet.

Ik kan niet heel goed uitleggen waarom de platen van Danny Schmidt tot dusver geen onuitwisbare indruk op mij wisten te maken en ik kan evenmin goed uitleggen waarom het eerder dit jaar verschenen Owls dit wel heeft gedaan. Feit is echter dat ik Owls een fantastische plaat vind.

Danny Schmidt is na omzwervingen langs alle uithoeken van de Verenigde Staten uiteindelijk in Austin, Texas, beland, maar in muzikaal opzicht is Danny Schmidt hier toch een wat vreemde eend in de bijt.

Owls bevat flink wat invloeden uit de folk en de country, maar is vervolgens overgoten met een rijke saus die je onmiddellijk mee terugneemt naar de jaren 60. Luister naar Owls en je hoort flarden psychedelica, flarden countryrock en flarden folkrock uit vervlogen tijden, maar Danny Schmidt is ook een echte singer-songwriter.

De Amerikaan is een prima zanger, al beschikt hij over een stem die niet bij iedereen in de smaak zal vallen. Ik liep in het verleden altijd tegen deze stem (die heel af en toe wel wat heeft van die van Cat Stevens) aan, maar op Owls bevallen de vocalen me zeer. Danny Schmidt laat zich op Owls in vocaal opzicht omringen door een aantal andere stemmen, waaronder de stemmen van zangeres Ali Holder en zijn kersverse echtgenote Carrie Elkin. Het zorgt voor wat meer balans in zijn eigen stem, waardoor Danny Schmidt dit keer in vocaal opzicht makkelijker weet te overtuigen en nauwelijks meer tegen de haren in strijkt.

Wanneer je de vocalen eenmaal hebt omarmd, wordt het een stuk eenvoudiger om van Owls te houden. In muzikaal opzicht is het een zeer gevarieerde plaat met volop uitstapjes richting de jaren 60 en een aantal songs die lekker mogen rocken, maar Owls bevat ook genoeg intieme singer-songwriter songs. Owls klinkt lekker vol, maar maakt ook steeds weer indruk met fraai en subtiel gitaarwerk.

Ik heb eerder aangegeven dat Danny Schmidt ook een echte singer-songwriter is, wat zich moet uiten in songs die mooie en indringende verhalen vertellen. Bij het luisteren naar muziek duik ik meestal niet direct diep in de teksten, maar de teksten van Danny Schmidt op Owls zijn absoluut de moeite waard. Het zijn verhalen die met veel gevoel worden verteld, waardoor Owls een intense en meeslepende plaat is.

Owls van Danny Schmidt bevat al met al alle ingrediënten die nodig zijn voor een goede rootsplaat en het is ook nog eens een rootsplaat die buiten de lijntjes durft te kleuren, bijvoorbeeld door flink wat accenten uit de jaren 60 toe te voegen.

Ik was tot dusver misschien geen groot fan van de muziek van Danny Schmidt, maar met Owls heeft de Amerikaan mij volledig overtuigd. Ik sluit niet uit dat zijn andere platen gaan volgen, want dat Danny Schmidt veel te bieden heeft is me op basis van Owls wel duidelijk. Erwin Zijleman

Dans Dans - 6 (2022)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Dans Dans - 6 - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Dans Dans - 6
De Belgische band Dans Dans levert ook met 6 weer een buitengewoon fascinerend instrumentaal album af, dat eenvoudig schakelt tussen benevelende passages en ruw gitaargeweld

Zink was in de lente van 2021 mijn eerste kennismaking met de muziek van de Antwerpse band Dans Dans en het was er een die naar veel meer smaakte. Ik heb maar zelden iets met instrumentale muziek, maar de bonte mix van invloeden en de intrigerende dynamiek maakten van Zink een album om te koesteren. Ook op haar zesde album 6 staat Dans Dans weer garant voor bloedstollend mooie en angstaanjagend dynamische muziek. Het Belgische drietal kan prachtig ingetogen spelen, maar gooit de remmen ook met enige regelmaat volledig los, wat fraaie spanningsbogen oplevert. Ook 6 is weer een wonderschone soundtrack waarbij je zelf de beelden mag bedenken.

Ik heb over het algemeen niet zo heel veel met instrumentale muziek, maar ik was bijna anderhalf jaar geleden erg onder de indruk van Zink, het vijfde album van de Belgische band Dans Dans. Op Zink hield de band uit Antwerpen de luisteraar in een bijna een uur durende wurggreep vol torenhoge spanningsbogen en een bont palet aan invloeden. Zink werd hier en daar in het hokje jazz(rock) geduwd, maar invloeden uit de rock, psychedelica, blues en filmmuziek speelden een minstens even belangrijke rol op het album.

Dans Dans keert deze week terug met haar zesde album, dat de eenvoudige titel 6 heeft meegekregen. De Belgische band stond vanwege de coronapandemie het afgelopen anderhalf jaar weinig op het podium, waardoor veel tijd in de studio kon worden doorgebracht. Die tijd had de band echter niet nodig, want 6 stond al na drie dagen in de studio op de band.

Bert Dockx (gitaar), Fred Lyenn (bas) en Steven Cassiers (drums) hebben hun sporen in de Belgische popmuziek inmiddels ruimschoots verdiend, maar ze varen ook dit keer zeker niet op de routine. De band noemt 6 op haar bandcamp pagina het meest ongefilterde, spontane en punk album tot dusver, maar objectief beschouwd zijn de verschillen met voorganger Zink niet heel groot.

De band opent haar nieuwe album betrekkelijk ingetogen met een subtiel maar ook inventief spelende ritmesectie en natuurlijk de beeldende gitaarlijnen van Bert Dockx. Dans Dans maakt ook dit keer muziek die onmiddellijk de aandacht trekt en de fantasie stevig prikkelt, maar zeker in de openingstrack is de muziek van de band uit Antwerpen wat minder dynamisch dan op Zink.

Die dynamiek keert terug in de tweede track, die langzaam maar zeker transformeert in een stevige rocksong vol spetterend gitaarwerk. Het is de eerste track waarin de ruwe energie van de drie dagen in de studio nadrukkelijk aan de oppervlakte komt en waarin de betovering van Zink terugkeert.

Ondanks het feit dat de band maar uit drie muzikanten bestaat, gebeurt er van alles in de muziek van Dans Dans. Aan de andere kant zorgt het beperkte instrumentarium ook voor veel open ruimte in de muziek op 6, wat het beeldende karakter van de muziek van Dans Dans versterkt.

Ik heb normaal gesproken een voorkeur voor songs met een kop en een staart en vocalen, maar Bert Dockx, Fred Lyenn en Steven Cassiers houden me ook dit keer op het puntje van de stoel. Dans Dans is ook dit keer een meester in het opbouwen van spanningsbogen en dynamiek. Uiterst ingetogen passages kunnen binnen een paar noten genadeloos ontsporen in gitaargeweld, maar Dans Dans kan minstens net zo snel terugkeren naar dromerige klanken. De Belgische band maakt ook dit keer filmische muziek waarbij het goed wegdromen is, al is de kans dat je een paar keer ruw wordt wakker geschud levensgroot.

Met name het prachtige gitaarwerk op het album dringt zich makkelijk op, maar vergeet ook zeker niet te luisteren naar de geweldig spelende ritmesectie, die de fraaie gitaarloopjes en ruwe uithalen voorzien van een solide basis. Zink was bijna anderhalf jaar geleden mijn eerste kennismaking met de muziek van Dans Dans, waarna ik het hele oeuvre van de Belgische band oppikte. Het is een oeuvre waarin het deze week verschenen 6 met de beste albums mee kan. Fascinerend album. Erwin Zijleman

Dans Dans - Zink (2021)

poster
4,0
Volledige recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Dans Dans - Zink - dekrentenuitdepop.blogspot.com

De Belgische band Dans Dans imponeert op haar nieuwe album Zink met een even mooie als fascinerende luistertrip die zich niet laat vangen in hokjes en die sneller om kan slaan dan het weer

Zink is mijn eerste kennismaking met de muziek van het Belgische trio Dans Dans en wat is het een indrukwekkende kennismaking. Het volledig instrumentale album is beeldend, dynamisch en experimenteel, bouwt torenhoge spanningsbogen op en doet continu dat wat je niet had verwacht. De ritmesectie legt een fraaie basis voor de geweldige gitaarpartijen, die echt alle kanten op kunnen en variëren van zwoel en melodieus tot ruw en tegendraads. Het levert een luistertrip op die je 55 minuten lang bij de strot grijpt en dat bij herhaalde beluistering ook blijft doen. Het leek op voorhand niet helemaal mijn ding, maar wat ben ik onder de indruk van Zink van Dans Dans.

Dar Williams - Hummingbird Highway (2025)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Dar Williams - Hummingbird Highway - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Dar Williams - Hummingbird Highway
Dar Williams debuteerde meer dan dertig jaar geleden en heeft een carrière die helaas niet altijd over rozen ging, maar haar albums zijn eigenlijk altijd goed, wat ook weer geldt voor Hummingbird Highway

Dar Williams zat na haar vorige album, het overigens in alle opzichten uitstekende I'll Meet You Here, weer eens zonder platencontract, maar gelukkig heeft ze onderdak gevonden bij het label van Ani Difranco, dat met Dar Williams een gelouterde en getalenteerde singer-songwriter in huis heeft gehaald. Ook op Hummingbird Highway laat de Amerikaanse muzikante weer horen wat ze kan. Het geluid van Dar Williams is in de ruim dertig jaar dat ze albums maakt niet eens zo heel veel veranderd, maar dat geldt ook voor de kwaliteit van haar muziek. Hummingbird Highway is daarom een feest van herkenning, maar het zijn ook weer tien extra Dar Williams songs om te koesteren.

Ergens halverwege de jaren 90 werd mijn liefde voor vrouwelijke singer-songwriters aangewakkerd en begon ik een muzikale ontdekkingsreis die me vooral langs muzikanten met een voorliefde voor Amerikaanse rootsmuziek leidde. Dar Williams werd een van mijn persoonlijke favorieten en dat dankte ze aan de albums The Honesty Room (1993), Mortal City (1996) en End Of The Summer (1997), die ik tot op de dag van vandaag koester. In muzikaal opzicht waren de albums van de Amerikaanse muzikante niet eens zo heel bijzonder, maar Dar Williams beschikt over een zeer karakteristiek stemgeluid, schrijft aansprekende songs en ook nog eens scherpe en geestige teksten.

Ook nadat ik Dar Williams eenmaal had ontdekt bleef de muzikante uit Boston en later Northampton, Massachusetts, uitstekende albums maken, waarvan de verzamelaar Many Great Companions uit 2010 en In The Time Of Gods uit 2012 ook op deze site werden besproken. Vervolgens raakte Dar Williams haar platencontract kwijt en verloor ik haar uit het oog. Toen ze in 2021 eindelijk terugkeerde met het uitstekende I'll Meet You Here bleek ik slechts één album te hebben gemist (het in 2015 verschenen en ook uitstekende Enmerald).

I'll Meet You Here was niet alleen een uitstekend album, maar deed bovendien niet onder voor de albums waarmee ik Dar Williams ooit leerde kennen en dat was best bijzonder na zoveel jaren in de muziek. Het is weer een tijdje stil geweest rond de volgens haar bandcamp pagina inmiddels naar New York uitgeweken muzikante, maar deze week keert ze terug met Hummingbird Highway, inmiddels haar elfde studioalbum (naast een verzamelaar en een live-album).

Na haar zeer geslaagde vorige album moest Dar Williams helaas opnieuw op zoek naar een nieuw platencontract, maar gelukkig heeft ze onderdak gevonden bij het sympathieke Righteous Babe label van Ani DiFranco. Of Hummingbird Highway veel geld in het laatje gaat brengen bij het label waag ik te betwijfelen, maar in artistiek opzicht mag Righteous Babe best blij zijn met Dar Williams.

Ik ken de Amerikaanse muzikante inmiddels dus al een jaar of 30, maar Dar Williams maakt het soort muziek waar ik nooit genoeg van krijg. Heel veel nieuws onder de zon is er overigens niet. De meeste songs op Hummingbird Highway zijn typische Dar Williams songs. Het zijn tijdloze en lekker in het gehoor liggende songs met vooral invloeden uit de folk.

Het zijn songs die sober maar smaakvol zijn ingekleurd en die direct bekend klinken door de uit duizenden herkenbare stem van Dar Williams. Ook de songs en de teksten dragen het zo herkenbare signatuur van de Amerikaanse muzikante en een enkel uitstapje richting een wat jazzier geluid verandert daar niets aan.

Net als de vorige albums van Dar Williams is ook Hummingbird Highway misschien weer een album zonder hele grote verrassingen, maar wel een album van een hele degelijke en opvallend constante kwaliteit en dat is voor een muzikante die inmiddels veertig jaar actief is in de muziek (ze debuteerde in 1985 op het verzamelalbum Boston Women’s Voice met de track You’re Aging Well, die acht jaar later op haar debuutalbum zou terecht komen) absoluut een knappe prestatie. Van mij mag ze nog flink wat albums maken. Erwin Zijleman

Dar Williams - I'll Meet You Here (2021)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Dar Williams - I’ll Meet You Here - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Dar Williams - I’ll Meet You Here
De Amerikaanse singer-songwriter Dar Williams was een tijdje uit beeld, maar keert terug met een album dat niet alleen haar zo karakteristieke geluid laat horen, maar ook behoort tot haar beste albums tot dusver

Toen ik Dar Williams in 1997 ontdekte, had ik direct drie geweldige albums in handen. Sindsdien heeft de Amerikaanse singer-songwriter me nooit teleurgesteld, al was het het afgelopen decennium wel erg stil. Dat maakt Dar Williams deze week goed met het sterke I’ll Meet You Here. Op haar nieuwe album laat Dar Williams nog maar eens horen dat ze een zeer getalenteerd songwriter en tekstschrijver is, maar ook haar zo karakteristieke stem en de fraaie instrumentatie dragen nadrukkelijk bij aan het eindresultaat. Verplichte kost voor de fans van het eerste uur, maar ook een prachtige kennismaking met het werk van Dar Williams.

De Amerikaanse singer-songwriter Dar Williams deed in 1997 mee aan de eerste Lilith Fair Tour. De tour die aandacht vroeg voor de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen in de muziekindustrie was in ieder geval voor mij een succes, want vanaf de eerste Lilith Fair Tour domineerden vrouwen mijn muzieksmaak.

Het bracht me ook in aanraking met de muziek van Dar Williams, die op dat moment al drie uitstekende albums op haar naam had staan. Daar kwamen in de jaren die volgden nog een aantal prima albums bij, maar een jaar of tien geleden verloor ik haar uit het oog. Heel veel gemist heb ik niet, want zonder platencontract bracht de muzikante uit de staat New York slechts één album uit.

Deze week verscheen een nieuw album van Dar Williams en I’ll Meet You Here wordt gelukkig wel weer wereldwijd onder de aandacht gebracht en ligt ook in Nederland in de betere platenwinkels. Op de cover zien we de Amerikaanse muzikante op een vlot in het open water. Het lijkt een verwijzing naar het isolement waarin de coronapandemie ons dwong, maar het grootste deel van het album werd eind 2019 al opgenomen.

Ik moet toegeven dat ik de afgelopen tien jaar niet of nauwelijks meer naar de muziek van Dar Williams heb geluisterd, maar I’ll Meet You Here is vanaf de eerste noten een feest van herkenning. Het is een feest van herkenning dat me mee terugneemt naar het jaar van de eerste Lilith Fair tour, waarin Jewel en Fiona Apple mijn onbetwiste favorieten waren, maar Dar Williams niet ver achterbleef.

I’ll Meet You Here voelt direct vertrouwd vanwege de uit duizenden herkenbare stem van Dar Williams. Het is een warme maar ook expressieve stem, die de songs op het album met veel gevoel vertolkt. Met die songs hebben we het tweede sterke wapen van Dar Williams te pakken, want de Amerikaanse muzikante schrijft geweldige songs. Het zijn songs met inhoud, maar het zijn ook songs die zich makkelijk opdringen en die na één keer horen in je hoofd zitten. Het is ook niet voor niets dat niemand minder dan Joan Baez Dar Williams schaart onder haar favoriete songwriters.

Ook de teksten van Dar Williams, die ook een aantal boeken schreef en tijdens de coronapandemie werkte aan een boek over het schrijven van songs, zijn interessant en vertellen vaak persoonlijke verhalen vol mooie anekdotes. De combinatie van een karakteristieke stem, sterke songs en persoonlijke verhalen is ook dit keer genoeg voor een uitstekend album, dat overigens prachtig is ingekleurd, wat ook niet anders kan als je kijkt naar de indrukwekkende lijst met topmuzikanten die bijdroegen aan het albium. Het is bovendien een album dat niet kijkt op een genre meer of minder, met folk als constante factor.

Voor liefhebbers van de muziek van Dar Williams, en hier reken ik mezelf nog steeds toe, is I’ll Meet You Here tien songs lang een warm bad, maar het album is ook zeker een aanrader voor liefhebbers van vrouwelijke singer-songwriters in het rootssegment die nog niet eerder in aanraking zijn gekomen met de muziek van Dar Williams. Het is ook een prima startpunt voor het ontdekken van het fraaie oeuvre van de Amerikaanse muzikante, want hoe vaker ik naar I’ll Meet You Here luister, hoe meer ik er van overtuigd raak dat Dar Williams bijna 30 jaar na haar debuut misschien wel haar beste album tot dusver heeft gemaakt (naast End Of The Summer uit 1997). Erwin Zijleman

Darla Sinners - Aaron (2015)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Darla Sinners - Aaron - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Darla Sinners is een gelegenheidsband die is geformeerd door Herman Ypma (Giant Tiger Hooch, Eins, Zwei Orchestra) en Jeroen Ligter (Giant Tiger Hooch). Het zijn namen die me eerlijk gezegd helemaal niets zeiden en dat geldt overigens ook voor de namen van de andere muzikanten die hebben bijgedragen aan de plaat van Darla Sinners en de bands waaruit deze muzikanten afkomstig zijn (The Felchers, Brezhnev, Yawp, State of Mind en Autoblonde; het zegt me echt niets).

Gelukkig gaat het niet om de namen maar om de muziek en die heeft me bijzonder aangenaam verrast.

De achtergrond van Aaron is een mooie. Jeroen Ligter wilde een plaat maken voor zijn peuterzoontje (Aaron) en dook daarom wekelijks met Herman Ypma de studio in. Of het vanaf het begin af aan de bedoeling is geweest om een geweldige plaat te maken weet ik niet, maar ik weet wel dat Aaron een hele mooie plaat is geworden.

Darla Sinners maakt op Aaron muziek die zich niet onmiddellijk in een hokje laat duwen. Het is muziek met flink wat invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek, maar het is zeker geen pure rootsmuziek.

Bij beluistering van Aaron moest ik aan van alles en nog wat denken, maar uiteindelijk is R.E.M. de associatie die het meest is blijven hangen. R.E.M. uit de jaren voor de commerciële doorbraak c.q. uitverkoop om precies te zijn. Veel meer dan een associatie is het overigens niet, want de muziek van Darla Sinners lijkt nooit heel veel op die van R.E.M., al is het maar omdat Darla Sinners haar muziek een stuk kleiner en eenvoudiger houdt en daarom in vocaal opzicht niet en in muzikaal opzicht slechts bij vlagen is te vergelijken met de band uit Athens, Georgia.

Aaron duurt maar net iets meer dan een half uur en bevat tien songs. Het zijn tien songs die me eigenlijk direct bij eerste beluistering dierbaar waren, al kon ik niet direct uitleggen wat ik zo goed vond aan Aaron.

Inmiddels weet ik dat wel. Het debuut van Darla Sinners valt op door fraai bijzonder fraai gitaarspel dat tussen roots en American Underground in zit, de rest van de instrumentatie zit vol verrassingen en in vocaal opzicht klinkt de plaat puur en oprecht. Aaron van Darla Sinners is boven alles een plaat die met veel liefde is gemaakt en dat geeft de plaat wat speciaals.

Daarnaast is Aaron van Darla Sinners ook nog eens een plaat die steeds beter wordt. De tien popliedjes op de plaat liggen lekker in het gehoor, maar blijken ook lang te groeien. Steeds hoor ik weer wat anders op het debuut van Darla Sinners. De ene keer valt op hoe lekker het orgeltje met enige regelmaat om het gitaarwerk krult, de andere keer valt op hoe goed de ritmesectie is of hoe mooi de vrouwelijke achtergrondvocalen passen bij warme vocalen van Jeroen Ligter.

Bij veel platen die ik beluister neemt het aantal namen waarmee ik de plaat associeer steeds verder toe, bij beluistering van Aaron blijft er uiteindelijk maar één naam over: Darla Sinners. Ik denk dat ik al die anders bands uit de openingsalinea maar eens moet gaan checken, al weet ik dat een plaat van het kaliber van Aaron uiterst zeldzaam is. Erwin Zijleman

Darling West - Cosmos (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Darling West - Cosmos - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Darling West - Cosmos
Darling West wordt onder het kopje Nordicana geschaard, maar op Cosmos blijkt de band uit Oslo ook niet vies van Amerikaanse Westcoast pop, wat een bijzonder aangenaam, maar ook knap album oplevert

De Noorse band Darling West draait inmiddels al een aantal jaren mee, maar de vorige albums van de band overtuigden me niet volledig. Het deze week verschenen Cosmos heb ik al wat langer en na wat eerste aarzelingen is het album me steeds dierbaarder geworden. Op Cosmos verwerkt Darling West net wat minder invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek en net wat meer uit de Amerikaanse Westcoast pop en met name van Fleetwood Mac en het resultaat mag er zijn. Cosmos is een mooi en fantasierijk album met een bijzonder fraaie instrumentatie, aansprekende songs en zeker ook de mooie en bijzondere stem van Mari Sandvær Kreken. Ik ben om.

Noorwegen en Americana gaan de afgelopen jaren verrassend goed samen, wat de zogenaamde Nordicana scene heeft opgeleverd. Het leverde de afgelopen jaren een stapeltje prachtige albums op van met name The Northern Belle en Silver Lining, maar ook de band Darling West moet niet worden onderschat. De band uit Oslo bracht de afgelopen tien jaar vier studioalbums en een livealbum uit en daar wordt deze week een vijfde studioalbum aan toegevoegd.

Waar The Northern Belle en Silver Lining me vrijwel onmiddellijk wisten te overtuigen met hun muziek, heb ik wat meer energie moeten steken in de muziek van Darling West. Waarom dat zo is kan ik niet goed uitleggen, want ook Darling west maakt op zich albums die makkelijk tot de verbeelding spreken en die goed in mijn muzikale straatje passen.

Het geldt ook weer voor het deze week verschenen Cosmos, dat bijzonder aangenaam opent met een toegankelijke popsong die het geluid van Fleetwood Mac uit de jaren 70 combineert met Amerikaanse rootsmuziek en waarin de prima zang van Mari Sandvær Kreken centraal staat. Het zijn invloeden die terugkeren in de meeste songs op het album, dat dit keer zwaarder tegen de Amerikaanse Westcoast pop dan tegen de Amerikaanse rootsmuziek aanleunt.

Het wat meer pop georiënteerde, hier en daar stevig door Fleetwood Mac beïnvloede en ook wat zonniger klinkende geluid van Darling West overtuigt me kennelijk wat minder makkelijk dan de wat melancholischere en meer roots georiënteerde muziek van de andere Nordicana bands uit Oslo, maar na een paar keer horen raak ik steeds meer gecharmeerd van Cosmos en zeker wanneer de lentezon zich voorzichtig laat zien komt het album makkelijk tot leven.

Darling West vertrouwt voor een belangrijk deel op de zang van Mari Sandvær Kreken, die beschikt over een mooi en karakteristiek stemgeluid en bovendien over een stem die het goed doet in de zwoele roots- en Westcoast pop die Darling West maakt. Het is een stem waarvoor ik niet direct smolt, maar ik vind de zang op Cosmos bij iedere luisterbeurt mooier.

Ook in muzikaal opzicht laat Darling West interessante dingen horen. De band uit Oslo maakt bij oppervlakkige beluistering lekker in het gehoor liggende popsongs met een hang naar het California van de jaren 70, maar de prima muzikanten van de band kiezen zeker niet voor de makkelijkste weg en hebben Cosmos niet alleen fraai maar ook zeer inventief ingekleurd.

Liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek kunnen het album waarschijnlijk net iets minder waarderen dan de vorige albums van de Noorse band of de albums van de eerder genoemde andere bands uit het hoge noorden, al heeft Darling West de invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek zeker niet verloochent op haar nieuwe album.

De zang van Mari Sandvær Kreken blijft voor mij het sterkste wapen van Darling West, maar sinds ik het album een paar keer met de koptelefoon heb beluisterd, valt me ook steeds meer op hoe mooi en gevarieerd de instrumentatie op het album is, met de strijkers van de momenteel zeer gewilde Rob Moose in twee tracks als kers op de taart. Ik heb de muziek van Darling West tot dusver laten liggen, maar nu ik Cosmos steeds mooier begin te vinden, ga ik ook de rest van het oeuvre van de Noorse band er eens bij pakken. Erwin Zijleman

Darrell Scott - 10 (2015)

Alternatieve titel: Songs of Ben Bullington

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Darrell Scott - Ten: Songs Of Ben Bullington - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Wanneer ik de naam van Darrell Scott tegen kom als gastmuzikant op een rootsplaat (en er zijn nogal wat (roots)platen waarop zijn naam opduikt) is mijn interesse direct gewekt, maar vreemd genoeg laat ik de meeste platen die de Amerikaanse singer-songwriter de afgelopen decennia heeft gemaakt liggen.

Dat dit onterecht is weet ik ook al lang, want de platen van Darrell Scott die ik wel heb opgepikt zijn stuk voor stuk van een bijzonder hoog niveau. Darell Scott is immers niet alleen een snarenwonder, maar ook een zeer overtuigend songwriter en een prima zanger.

Dat hij een uitstekend songwriter is laat hij overigens niet horen op zijn laatste plaat Ten, want zoals de ondertitel van de plaat aangeeft vertolkt Darrell Scott op deze plaat de songs van ene Ben Bullington.

Nu zal de naam Ben Bullington bij liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek (of liefhebbers van andere genres) waarschijnlijk geen belletje doen rinkelen. Dat klopt ook, want Ben Bullington was in het dagelijks leven arts en maakte muziek vooral als hobby, waardoor zijn in eigen beheer uitgebrachte platen slechts in zeer kleine kring werden opgepikt.

Darrell Scott leerde deze Ben Bullington goed kennen in Yellowstone National Park, toen beiden daar met hun kinderen kampeerden. Twee gescheiden vaders met een liefde voor muziek; het was de basis voor een mooie vriendschap.

Toen Ben Bullington in 2012 ongeneeslijk ziek werd, deelde hij steeds meer songs met Darrell Scott en toen hij in 2013 overleed, had Darrell Scott een flinke selectie Ben Bullington songs verzameld. Op Ten komen er 10 voorbij en het blijken tien hele mooie songs.

Dat ligt natuurlijk voor een deel aan de geweldige wijze waarop Darrell Scott de songs vertolkt. Darrell Scott staat ook op Ten weer garant voor geweldig snarenwerk op de gitaar en de banjo, maar neemt ook twee keer plaats achter de piano, wat verrassend goed uitpakt.

De songs op dit eerbetoon aan Ben Bullington zijn stuk voor stuk voorzien van een vrij sobere instrumentatie en hiernaast is er steeds de mooie en inmiddels ietwat doorleefde stem van Darrell Scott. Scott heeft gekozen voor vertolkingen zonder al teveel opsmuk, wat overigens niet wil zeggen dat er voor de liefhebbers van het snarenwerk van Darrell Scott niets te genieten valt, zodat alles draait om de songs van Ben Bullington.

Het zijn verrassend sterke songs. Het zijn songs die buitengewoon lekker in het gehoor liggen, maar het zijn ook songs die uitblinken door de mooie verhalen die ze vertellen. De teksten van Ben Bullington zitten soms vol humor, maar vertellen ook indringende verhalen die fraai in historisch perspectief worden geplaatst.

Ben Bullington en Darrell Scott waren vrienden en dat hoor je op Ten. Darrell Scott heeft de songs van zijn overleden vriend met veel liefde opgepikt en vertolkt ze met hart en ziel. Het geeft een extra dimensie aan een uitstekende Darrell Scott plaat, want dat is Ten: Songs Of Ben Bullington uiteindelijk ook. Erwin Zijleman

Darren Jessee - The Jane, Room 217 (2018)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Darren Jessee - The Jane, Room 217 - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Ben Folds Drummer Darren Jessee imponeert met dromerige en weemoedige singer-songwriter plaat
Je moet in de stemming zijn voor deze plaat, maar als je er voor in de stemming bent zijn de uiterst ingetogen en opvallend dromerige popliedjes van de Amerikaanse muzikant Darren Jessee van grote schoonheid. Opgenomen met zeer bescheiden middelen en later opgepoetst met de strijkers van Spacebomb kleurt The Jane, Room 217 op bijzonder fraaie wijze de ruimte in. De popliedjes van de Amerikaanse muzikant zijn weemoedig maar ook wonderschoon, hetzelfde geldt voor zijn fluisterzachte vocalen. Darren Jessee maakt popliedjes die zich niet heel nadrukkelijk opdringen, maar als dit je raakt ga je genadeloos voor de bijl.


De naam Darren Jessee deed bij mij geen belletje rinkelen. Dat is ook niet zo gek, want de Amerikaanse muzikant manifesteerde zich tot dusver voornamelijk als drummer.

De in Houston, Texas, geboren Darren Jessee maakte deel uit van Ben Folds Five (en was onder andere te horen op de prachtplaat Whatever And Ever Amen en schreef mee aan het wonderschone Brick), speelde hiernaast in de mij onbekende band Hotel Lights (dat tussen 2006 en 2016 vier door de critici zeer gewaardeerde platen maakte) en was tenslotte als drummer te horen op recent verschenen platen van Sharon Van Etten, Hiss Golden Messenger en The War On Drugs.

Met The Jane, Room 217 heeft de tegenwoordig vanuit North Carolina opererende muzikant zijn eerste soloplaat afgeleverd. The Jane, Room 217 is geen plaat die zich nadrukkelijk opdringt, zeker niet in het enorme aanbod van het moment, maar toen ik op een zeer regenachtige zondag naar de plaat luisterde was ik direct onder de indruk.

Darren Jessee nam zijn eerste soloplaat op in zijn appartement in New York. Hij speelde zelf op de akoestische gitaar en voegde piano en wat subtiele bijdragen van keyboards toe. De drummer liet de drums achterwege, maar trok na het voltooien van de plaat nog wel naar de Spacebomb Studios in Richmond, Virginia, waar Trey Pollard (Natalie Prass, Bedouine en binnenkort ook Amber Arcades) de inmiddels van hem bekende strijkersarrangementen toevoegde aan de plaat. Deze strijkers worden spaarzaam en subtiel ingezet, zodat het dromerige karakter van The Jane, Room 217 geen moment verloren gaat.

Dat dromerige karakter van de plaat wordt nog wat verder versterkt door de ingetogen en soms zelfs fluisterzachte zang van Darren Jessee. De Amerikaanse muzikant manifesteerde zich tot dusver misschien vooral als drummer, maar op zijn eerste soloplaat laat hij horen dat hij ook als zanger en als songwriter uitstekend uit de voeten kan.

The Jane, Room 217 staat vol met zeer ingetogen en vaak wat melancholisch klinkende popliedjes, maar vervelen doet de plaat niet. De eerste soloplaat van Darren Jessee deed het uitstekend op de regenachtige zondag waarop de temperatuur voor het eerst in tijden weer eens onder de 15 graden dook, maar ook bij herhaalde beluistering wist de Amerikaan me te overtuigen met wat weemoedige popliedjes met een dromerige sfeer.

Ik heb niet veel informatie over de plaat, maar heb het idee dat Darren Jessee zijn intieme popliedjes vooral in de kleine uurtjes heeft opgenomen en niemand wilde storen (ook in “the city that never sleeps” wordt geslapen). Het doet af en toe wel wat denken aan die vroege platen van Ben Folds Five, al is de instrumentatie een stuk soberder en is de rol van de piano een stuk kleiner.

Het zal in deze weken met stapels releases niet meevallen om aandacht te trekken met een plaat als The Jane, Room 217, maar Darren Jessee verdient deze aandacht absoluut. Erwin Zijleman

Daryll-Ann - Spring (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Daryll-Ann - Spring - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Daryll-Ann - Spring
Spring van Daryll-Ann klinkt alsof de tijd twintig jaar heeft stilgestaan, maar de songs van de Nederlandse band klinken na de lange afwezigheid ook nog altijd fris en geïnspireerd, wat een heerlijk album oplevert

Niet meer verwacht, maar toch nog gekomen, een nieuw album van de Nederlandse band Daryll-Ann. De band trok twintig jaar geleden vrij abrupt de stekker er uit, maar laat op Spring horen dat de magie van weleer hierbij niet verloren is gegaan. Spring klinkt hier en daar net wat steviger dan we van de band gewend zijn, maar het comeback album is toch ook een feest van herkenning met uiterst melodieuze songs die aan de ene kant de zon doen schijnen, maar ook niet bang zijn voor donkere wolken en diepgang. Er zijn niet heel veel bands die na een stilte van ruim twintig jaar nog met een acceptabel album op de proppen komen, maar Spring van Daryll-Ann is in alle opzichten memorabel.

De Nederlandse band Daryll-Ann debuteerde in 1992 nog vrij anoniem, trok vervolgens de aandacht met het in 1995 verschenen Seaborne West en groeide hierna uit tot een van de leukste Nederlandse bands van de jaren 90 en vroege jaren 00 met de op het Excelsior label uitgebrachte albums Daryll-Ann Weeps (1996), Happy Traum (1999), Trailer Tales (2002) en Don't Stop (2004).

Net als labelgenoten Johan vermaakte Daryll-Ann met op het eerste gehoor zorgeloze popsongs die de zon lieten schijnen, maar de songs van de band waren veel meer dan een dosis zonnestralen, al was het maar vanwege alle melancholie in de songs. Datzelfde Johan dook eerder dit jaar op met een uitstekend album dat volgde op een redelijk lange stilte en nu is het de beurt aan Daryll-Ann.

Rond Daryll-Ann is het nog veel langer stil geweest. Tien jaar geleden deed de band al eens een reünie tour, maar tot een opvolger van Don’t Stop kwam het destijds niet. Die opvolger is nu wel verschenen, want ruim twintig jaar na de vermeende zwanenzang van de band is Spring verschenen. Ik zal er niet over zeuren dat Spring misschien een paar maanden te laat komt, al is het maar omdat de Nederlandse band, net als in het verleden, de lentezon laat schijnen op haar nieuwe album.

Jelle Paulusma en Anne Soldaat schreven allebei een aantal songs voor het nieuwe album van Daryll-Ann, die vervolgens mede werden ingekleurd door bandleden van het eerste uur Jeroen Kleijn, Coen Paulusma en Jeroen Vos. Spring klinkt direct vertrouwd met popsongs die het unieke stempel van Daryll-Ann dragen. Dit betekent overigens niet dat Spring fantasieloos voortborduurt op Don’t Stop, want je hoort wel dat er twintig jaren zijn verstreken.

Daryll-Ann schuift op haar album wat vaker op richting indierock, maar ook flarden Westcoast pop en alt-country zijn nog duidelijk hoorbaar en af en toe komt ook een uiterst ingetogen song voorbij. In een aantal tracks doet Spring bovendien wat Beatlesque aan, wat niet zo gek is gezien de bijdragen van de Lennon en McCartney van de Nederlandse popmuziek, want zo mogen Paulusma en Soldaat best genoemd worden.

In de jaren 90 maakte vooral het melodieuze karakter van de muziek van Daryll-Ann de songs van de band zo onweerstaanbaar en dat melodieuze karakter is ook weer goed hoorbaar op Spring, dat ook als de gitaren gruizig klinken of wanneer de songs behoorlijk melancholisch zijn vermaakt met prachtige melodieën.

In mijn recensie van het laatste album van Johan schreef ik dat het best knap is om na lange afwezigheid terug te keren met een album dat verder gaat waar het vorige album ophield maar dat op hetzelfde moment is mee gegaan met de tijd. De prestatie van Daryll-Ann is gezien de afwezigheid van ruim twintig jaar nog een stuk knapper. Spring klinkt direct als Daryll-Ann, maar de band is zeker niet blijven steken in het verleden en overtuigt op Spring met fris klinkende popsongs met hooguit een nostalgisch tintje.

In muzikaal opzicht klinkt het allemaal weer fantastisch, met een hoofdrol voor het veelkleurige gitaarwerk van Anne Soldaat, maar ook de bijdragen van de soepel spelende ritmesectie zijn het vermelden waard. Spring kon twintig jaar na die prachtige serie albums eigenlijk alleen maar tegenvallen, maar dat doet het album zeker niet. Daryll-Ann is terug en dat is echt geweldig nieuws. Erwin Zijleman

Daudi Matsiko - The King of Misery (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Daudi Matsiko - The King Of Misery - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Daudi Matsiko - The King Of Misery
Daudi Matsiko ging tijdens het schrijven van de songs voor The King Of Misery door diepe dalen en dat hoor je in de zang en in de instrumentatie op dit intieme en intense en uiteindelijk prachtige album

The King of Misery van de Brits-Ugandese muzikant Daudi Matsiko bestaat voor een belangrijk deel uit sobere en vaak wat donkere klanken en behoorlijk zachte zang. Die donkere klanken en zachte zang worden gecombineerd met donker getinte songs. Daudi Matsiko maakt geen muziek waar je vrolijk van wordt, maar het is wel muziek die steeds mooier wordt. Dat bereikt hij deels door het toevoegen van subtiele maar bijzonder trefzekere accenten aan zijn songs, maar ook als hij zijn songs uiterst sober houdt gebeurt er iets met je bij beluistering van het album. Je moet er tegen kunnen en voor in de stemming zijn, maar als aan deze voorwaarden is voldaan groeit het album maar door.

Daudi Matsiko heeft Ugandese wortels, maar is geboren en getogen in het Verenigd Koninkrijk. Daar maakte hij in 2017 zijn fascinerende debuutalbum An Introduction To Failure, dat ik persoonlijk overigens pas heb ontdekt nadat ik zijn deze week verschenen tweede album The King Of Misery had beluisterd.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik het debuutalbum van Daudi Matsiko bij eerste beluistering echt veel beter vond dan de opvolger. Op beide albums maakt de Brits-Ugandese muzikant behoorlijk ingetogen folksongs, maar deze zijn op zijn debuutalbum verrijkt met af en toe bonte maar ook zeer avontuurlijke klankentapijten, wat van An Introduction To Failure een razend spannend album maakt.

Ook het debuutalbum van Daudi Matsiko heeft zijn rustmomenten en juist deze zijn doorgetrokken op The King Of Misery. Het tweede album van Daudi Matsiko, dat overigens wordt gepresenteerd als zijn debuutalbum, werd gemaakt in een periode waarin de Brits-Ugandese muzikant worstelde met depressies. Het verklaart waarom de songs op het album behoorlijk donker klinken. Zeker wanneer Daudi Matsiko zich beperkt tot de akoestische gitaar en behoorlijk zachte zang doet The King Of Misery me flink denken aan de albums van Elliott Smith, die ook niet bekend stond om zijn zonnige kijk op het leven.

Ook op The King Of Misery beperkt Daudi Matsiko zich niet tot akoestische gitaar en zang, maar de extra inkleuring van zijn songs is een stuk subtieler dan op zijn debuutalbum, dat met een speelduur van 30 minuten misschien moet worden gezien als een minialbum. Waar de extra accenten op An Introduction To Failure hier en daar behoorlijk heftig waren, zijn de bijdragen van extra instrumenten op The King Of Misery vooral subtiel en sfeervol.

Dat maakt misschien wat minder makkelijk indruk dan heftige uitbarstingen op het vorige album, maar na een paar keer horen begon ik de subtiliteit op het tweede album meer te waarderen. Het is misschien even wennen aan de bijna minimalistische klanken en de fluisterzachte zang, maar als ze eenmaal binnen komen, komen ze ook hard binnen en regeert de kracht van de eenvoud.

Daudi Matsiko deed heel veel zelf op The King Of Misery, maar op het tweede deel van het album duiken meer gastmuzikanten op. Die dragen in eerste instantie subtiele blazers, mooie achtergrondzang en stemmige strijkers bij, maar een aantal songs wordt wat voller en duisterder ingekleurd. Het klinkt zeker niet zo uitbundig als het zeven jaar geleden kon klinken, maar de sfeer op het album verandert wel.

Wanneer je The King Of Misery op het verkeerde moment beluistert kun je het zomaar een bloedsaai of deprimerend album vinden, maar op het juiste moment wordt het een wonderschoon album, dat ondanks de spaarzame inkleuring steeds weer nieuwe dingen laat horen en dat je bovendien veel makkelijker weet te raken. De zang van Daudi Matsiko heeft een vergelijkbaar effect. Op het verkeerde moment word ik heel ongeduldig van de zachte en zich langzaam voortslepende zang op The King Of Misery, maar niet veel later snijdt diezelfde zang door de ziel.

Laat ik het er maar op houden dat je in de stemming moet zijn voor de muziek van de Brits-Ugandese muzikant, maar als je er voor in de stemming bent is The King Of Misery een geweldig album. Ik ging er bij eerste beluisteringen van uit dat ik niet vaak in de stemming zou zijn voor dit album, maar het bleek snel een prachtige soundtrack voor de soms stormachtige en in ieder geval donkere avonden van dit moment. Erwin Zijleman

Daughter - Not to Disappear (2016)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Daughter - No To Disappear - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De Britse band Daughter debuteerde al weer bijna drie jaar geleden met het mooie en bijzondere If You Leave.

Op haar debuut combineerde Daughter op buitengewoon fraaie en inventieve wijze invloeden uit de folk, de shoegaze en dreampop, minimalistische elektronische muziek en de rijke historie van haar label 4AD (alles van Cocteau Twins tot Pixies).

Het is een lijn die wordt doorgetrokken in de openingstrack van Not To Disappear waarin de heldere vocalen van Elena Tonra weer prachtig samensmelten met ingetogen ritmes, atmosferische klanken en prachtige, door dreampop en shoegaze geïnspireerde gitaarlijnen.

Het is een lijn die ook wordt doorgetrokken in de tracks die volgen. In de met uiterst subtiele gitaarlijnen en minimalistische elektronica ingekleurde songs begeeft Daughter zich nadrukkelijk op het terrein van een band als The Xx, maar Daughter behoudt door de nog steeds aanwezige invloeden uit de al eerder genoemde genres en de fraaie uitspattingen ook zeker haar eigen geluid.

Not To Disappear is een stemmige plaat vol lagen die het best tot zijn recht komt wanneer je de plaat hard afspeelt of beluistert met de koptelefoon.

Elena Tonra kan nog steeds net zo mooi en zweverig zingen als Elizabeth Fraser (Cocteau Twins), maar experimenteert ook met meer down to earth vocalen, die wel wat doen denken aan die van Florence Welch (Florence + The Machine), met de onderkoelde vocalen die het geluid van het al eerder genoemde The Xx is zo bijzonder maken, met de bezwering van triphop zangeressen of juist met de folkie zang die aansluit bij die van de gekwelde vrouwelijke singer-songwriters.

De bijzonder fraaie vocalen worden gecombineerd met een instrumentatie waarin van alles gebeurt. Het gitaarwerk is uiterst veelzijdig en wonderschoon, de ritmes zijn subtiel maar aanwezig, terwijl de atmosferische elektronica de muziek van Daughter een weids en beeldend karakter geeft. Het is bovendien een instrumentatie vol dynamiek, waarin uiterst ingetogen passages binnen een paar noten om kunnen slaan in donkere gitaarwolken. Wat mij betreft is ook Not To Disappear weer een plaat van grote schoonheid. Erwin Zijleman

Daughter - Stereo Mind Game (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Daughter - Stereo Mind Game - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Daughter - Stereo Mind Game
Het is lang stil geweest rond de Britse band Daughter, maar met het uitstekende Stereo Mind Game gaat de band aan de ene kant verder waar het gebleven was, maar slaat het aan de andere kant nieuwe wegen in

Ik denk niet dat ik de afgelopen zes jaar naar de muziek van de Britse band Daughter heb geluisterd en er ging ook niet direct een belletje rinkelen toen ik het derde album van de band tussen de nieuwe releases vond deze week, maar toen ik de muziek van de band hoorde was ik direct weer bij de les. Daughter combineert fraaie gitaarlijnen en trefzekere ritmes met prachtige elektronische klankentapijten en de al even mooie stem van Elena Tonra. Het klinkt allemaal net wat compacter en toegankelijker dan in het verleden, maar dat komt de kwaliteit van de muziek van Daughter wat mij betreft alleen maar ten goede. Stereo Mind Game is een niet meer verwachte maar zeer aangename terugkeer.

Ongeveer tien jaar geleden verscheen If You Leave, het debuutalbum van de Britse band Daughter. Het album verscheen op het legendarische 4AD label en leek zo ongeveer de complete historie van dit label met zich mee te slepen. Daughter maakte indruk met zweverige maar bij vlagen ook zeer dynamische klankentapijten, waarna de heldere en dromerige zang van Elena Tonra zorgde voor de ultieme verleiding en betovering.

If You Leave werd in 2016 gevolgd door het minstens even mooie en soms net wat steviger klinkende No To Disappear, dat het geluid van het debuutalbum verder perfectioneerde, maar na de in 2017 verschenen filmsoundtrack Music From Before The Storm werd het helaas stil rond de band uit Londen. Een jaar later verscheen onder de naam Ex:Re wel een fascinerend soloalbum van Elena Tonra, maar sindsdien hebben we ook van de Britse zangeres niets meer gehoord.

Deze week keert Daughter, voor mij uit het niets, terug met haar derde album. Op Stereo Mind Game, wederom verschenen op het 4AD label, lijkt de tijd zo nu en dan stil te hebben gestaan. Daughter opent ook haar derde album met mooie en wat zweverige klanken, waarna de stem van Elena Tonra prachtig invalt.

Ik was Daughter eerlijk gezegd vergeten, maar direct bij de eerste noten voelt het nieuwe album van de band aan als een warm bad. Het is een warm bad waardoor London Grammar zich de afgelopen jaren stevig heeft laten inspireren, want nu pas valt me op hoeveel het geluid van London Grammar lijkt op dat van Daughter.

Net als op haar vorige albums combineert Daughter op Stereo Mind Game invloeden uit de folk, dreampop en shoegaze met de muziek die in de jaren 80 op het 4AD label werd gemaakt, bijvoorbeeld door The Cocteau Twins. Vergeleken met The Cocteau Twins kiest Daughter, zeker op haar nieuwe album, vaker voor behoorlijk toegankelijke popsongs, waardoor het derde album van Daughter zeker niet fantasieloos voortborduurt op zijn twee voorgangers.

Het zijn popsongs waarin mooie gitaarlijnen worden gecombineerd met ruimtelijk klinkende elektronica en een afwisselend strak en avontuurlijk spelende ritmesectie. Het sterkste wapen van Daughter is en blijft de bijzonder mooie stem van Elena Tonra en dit wapen wordt op Stereo Mind Game optimaal gebruikt.

De leden van de band wonen inmiddels ver uit elkaar, waardoor het album deels bestaat uit aan elkaar geplakte individuele bijdragen, maar op een of andere manier klinkt Daughter hechter dan op haar eerste twee albums. De Britse band schuift op haar nieuwe album enerzijds op richting wat compactere popsongs, maar de band durft ook meer af te wijken van de zweverige geluidstapijten van de eerste twee albums en zoekt af en toe het experiment.

Daughter heeft de pech dat er inmiddels meer bands zijn die vergelijkbare muziek maken, waaronder het eerder genoemde London Grammar, maar met een album als Stereo Mind Game doet het Londense trio er nog steeds toe. Stereo Mind Game is door de fraaie klanken en de prachtige stem van Elena Tonra een album dat vrij makkelijk overtuigt, maar het is ook een album dat nog lang aan kracht blijft winnen en steeds weer andere interessante andere dingen laat horen. Het was zes jaar stil rond Daughter, maar na herhaalde beluistering van het niet meer verwachte derde album ben ik heel blij dat de band terug is. Erwin Zijleman

Daughter of Swords - Alex (2025)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Daughter Of Swords - Alex - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Daughter Of Swords - Alex
Daughter Of Swords debuteerde bijna zes jaar geleden heel aardig met Dawnbreaker, maar slaat op het onlangs verschenen Alex fascinerende nieuwe wegen in, wat een opvallend fris en avontuurlijk album oplevert

Ik was de naam Daughter Of Swords eerlijk gezegd al lang weer vergeten, want er is flink wat tijd verstreken sinds het debuutalbum van het project van Alex Sauser-Monnig uit North Carolina. De hernieuwde kennismaking met de muziek van de Amerikaanse muzikant bevalt uitstekend. Daughter Of Swords kiest op het tweede album voor een duidelijk ander geluid dan op het debuutalbum, waarop de Appalachen folk nog een rol speelde. Het is een meer pop georiënteerd geluid en het is een behoorlijk eigenzinnig geluid, waardoor het album je blijft verrassen. Daughter Of Swords heeft een album gemaakt dat niet makkelijk in een hokje is te duwen, maar dat absoluut de aandacht verdient.

Alweer bijna zes jaar geleden besprak ik Dawnbreaker, het debuutalbum van Daughter Of Swords. Het eerste album van het project van de uit Durham, North Carolina, afkomstige Alexandra Sauser-Monnig, die we ook kenden als lid van het vocale trio Mountain Man en van de band The A’s, bevatte een aantal Spartaans klinkende folksongs die herinnerden aan de Appalachen folk van lang geleden, maar ook een aantal wat voller klinkende popsongs. Het is een album dat bij vluchtige beluistering misschien niet heel opzienbarend klonk, maar hoe vaker ik naar Dawnbreaker luisterde, hoe knapper en leuker ik het album vond.

Er zijn flink wat jaren verstreken sinds het debuutalbum van Daughter Of Swords, maar onlangs verscheen eindelijk een tweede album, Alex. De titel van het album verwijst naar de nieuwe identiteit van Alexandra Sauser-Monnig, die zich tegenwoordig Alex noemt en zichzelf bovendien ziet als non-binair persoon. Ook ik in muzikaal opzicht is er het een of andere veranderd, want het tweede album van Daughter Of Swords klinkt duidelijk anders dan het debuutalbum uit 2019.

Alex Sauser-Monnig heeft het tweede album van Daughter Of Swords gemaakt met een flink aantal muzikale vrienden, onder wie haar vaste kompaan Amelia Meath (Sylvan Esso, Mountain Man, The A’s) en ervaren muzikanten als Jenn Wasner (Wye Oak, Flock of Dimes), Nick Sanborn (Sylvan Esso), TJ Maiani (Weyes Blood, Neneh Cherry en Caleb Wright (Samia).

Daughter Of Swords schakelde op Dawnbreaker nog tussen sober klinkende folksongs met echo’s uit de Appalachen folk en wat voller ingekleurde popsongs. Op Alex staat nog één track die zich heeft laten beïnvloeden door de folk uit het verre verleden, maar op het album domineren de popsongs. Het zijn popsongs die het avontuur stevig omarmen, die niet bang zijn om uit de bocht te vliegen en die ook nog eens alle kanten op kunnen. Zo opent het album met een wat stevige en gruizige song die aansluit bij de indierock van het moment, maar is er in de tweede track alle ruimte voor het experiment, dat je zowel hoort in de gebruikte elektronica als in de zang.

Alex wordt in een recensie als volgt omschreven: “Their second album, Alex, is a different story entirely. It’s louder, weirder, and way more fun - like someone who’s gone through something and come out the other side with more questions than answers, but way more energy. If Dawnbreaker felt like sitting with your feelings in a quiet room, Alex is about getting up, going outside, and seeing what happens when you let life - your thoughts, your desires, your relationships -be a little messy.” Het is een mooie omschrijving van een album dat inderdaad ruw en vreemd kan klinken, maar het is ook een album waar je vrolijk van wordt en dat de fantasie maar blijft prikkelen.

Daughter Of Swords doet dit met de bijzondere klanken op het album van onder andere blazers en elektronica, maar zeker ook met de zang, die ik een stuk mooier vind dan op het debuutalbum. Het leukst zijn echter de popsongs die je stuk voor stuk weten te verrassen en als je er vatbaar voor bent ook genadeloos vermaken. Op het eerste gehoor klinkt het misschien wat ongrijpbaar en rammelt het wat, maar de popsongs van Daughter Of Swords worden echt steeds leuker. Erwin Zijleman

Daughter of Swords - Dawnbreaker (2019)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Daughter Of Swords - Dawnbreaker - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Daughter Of Swords - Dawnbreaker
Daughter Of Swords heeft niet veel nodig op Dawnbreaker, maar weet met minimale middelen een maximaal effect te sorteren op een album dat aan schoonheid blijft winnen

Daughter Of Swords, het alter ego van de Amerikaanse singer-songwriter Alexandra Sauser-Monnig kiest op haar debuut voor subtiliteit. De instrumentatie is sober, de stem is puur en de beperkt toegevoegde effecten zijn smaakvol en trefzeker. Ondanks de beperkte middelen weet Daughter Of Swords een opvallend veelkleurig geluid neer te zetten en is het steeds weer genieten van de mooi verzorgde popliedjes van de Amerikaanse muzikante, waarin bovendien steeds weer nieuwe dingen zijn te horen. Het is een van de obscure nieuwe albums van deze week, maar het is er een die echt alle aandacht verdient.

Ik heb diep respect voor singer-songwriters die genoeg hebben aan een akoestische gitaar, een stem en hier en daar wat subtiele versiersels, maar op hetzelfde moment moet ik toegeven dat albums waarop de eenvoud regeert me lang niet zo makkelijk boeien als albums waarop in muzikaal, vocaal en productioneel opzicht flink wat uit de kast wordt getrokken. Natuurlijk zijn er uitzonderingen en Dawnbreaker van Daughter of Swords is er absoluut een.

Daughter Of Swords is het alter ego van de uit Durham, North Carolina, afkomstige Alexandra Sauser-Monnig en die kennen we weer als lid van het vocale trio Mountain Man.

Als Daughter Of Swords heeft Alexandra Sauser-Monnig een album gemaakt dat alle haast uit je leven haalt. Dawnbreaker opent met een uiterst ingetogen song, waarin een paar subtiele akkoorden op de akoestische gitaar worden gecombineerd met een wat loom klinkende stem. Veel eenvoudiger en soberder kan het niet, maar de openingstrack van het debuut van Daughter Of Swords komt stevig aan.

Alexandra Sauser-Monnig slaagt er in om je direct haar muzikale wereld in te slepen en het is een wereld die ver lijkt verwijderd van onze hectische samenleving. De eerste track van Dawnbreaker herinnert aan Appalachen folk uit een ver verleden en heeft ondanks de eenvoudige middelen een bezwerende of zelfs hypnotiserende uitwerking. Daughter Of Swords had van mij alleen maar van dit soort bijzondere luisterliedjes mogen maken, maar dat ging zelfs Alexandra Sauser-Monnig net wat te ver.

In de tweede track van haar debuutalbum wordt wat subtiele elektronica en percussie toegevoegd en verwarmt Daughter Of Swords je hart met een suikerzoet en wonderschoon popliedje. Het is een popliedje vol warme klanken en fluisterzachte vocalen, die de ruwe Appalachen tijdelijk hebben verruild voor landschappen waar het leven een stuk zorgelozer is.

Het zijn pas de eerste twee songs van Dawnbreaker, maar het was voor mij al genoeg om te verdrinken in de bijzondere muziek van het alter ego van Alexandra Sauser-Monnig. De songs van Daughter Of Swords zijn ondanks de eenvoud verrassend melodieus en veelkleurig en laten keer op keer horen dat de warme klanken van de akoestische gitaar en de prachtig ingetogen zang van Alexandra Sauser-Monnig perfect bij elkaar passen.

Om niet te eenvormig te klinken, komt er in vrijwel iedere track een ander accent voorbij. Soms wat elektronica, soms een elektrische gitaar, soms een tweede stem, een keer een mondharmonica, soms net wat dromeriger opgenomen vocalen en alles dat Daughter Of Swords doet pakt perfect uit. Het is overigens mede de verdienste van Sylvan Esso’s Nick Sanborn die het album mede produceerde en al zijn elektronica dit keer achter slot en grendel liet.

Dawnbreaker is de soundtrack van een mooie zomerdag, maar het is ook de soundtrack van een donkere avond of van een lange autorit. Het is vanwege de sobere arrangementen en productie niet eens zo makkelijk om te beschrijven wat er precies zo mooi is aan de songs op het solodebuut van Alexandra Sauser-Monnig, maar ondertussen heeft iedere song op het album je te pakken.

Direct bij eerste beluistering was ik verkocht, maar de songs van Daughter Of Swords zitten ook nog eens vol groeipotentie. Tien songs en net iets meer dan een half uur muziek is alles dat we nu van Alexandra Sauser-Monnig krijgen, maar het is een half uur muziek van een bijzondere schoonheid. Erwin Zijleman

Dave Desmelik - We Don't Want a Dying Flame (2014)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Dave Desmelik - We Don't Want A Dying Flame - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Ook op deze laatste zaterdag van 2014 heb ik weer een uiterst aangename plaat in de categorie minder bekend of zelfs miskend talent in het rootssegment in de aanbieding. Het is een categorie die in 2014 een enorme stapel prachtplaten heeft opgeleverd.

Of het bij Dave Desmelik nu gaat om onbekend of miskend talent durf ik niet te zeggen, maar feit is dat de Amerikaanse singer-songwriter al bijna 20 jaar aan de weg timmert en inmiddels een zeer respectabel stapeltje platen op zijn naam heeft staan.

Dave Desmelik opereert vanuit Brevard, North Carolina. Het enige interessante dat ik over deze plaats heb kunnen vinden is dat The Hunger Games film in het nabijgelegen natuurpark werd gefilmd, maar Brevard associeer ik vanaf nu ook met prima rootsmuziek.

Het is overigens zeker geen dertien in een dozijn rootsmuziek die Dave Desmelik maakt. De Amerikaanse muzikant uit North Carolina wordt op het Internet niet alleen singer-songwriter maar ook multi-instrumentalist genoemd en waarom dat zo is hoor je direct in de openingstrack. In deze instrumentale openingstrack laat Dave Desmelik horen dat hij geweldig uit de voeten kan op diverse snareninstrumenten, wat buitengewoon fascinerende duels tussen elektrische en akoestische gitaren oplevert.

De aandacht is hiermee getrokken, waarna We Don’t Want A Dying Flame zich ook op singer-songwriter terrein kan begeven. Ook op dit terrein kan Dave Desmelik uitstekend uit de voeten.

Ook in de tweede track worden akoestische gitaren fraai gecombineerd met rauwe elektrische gitaren. Het doet wel wat denken aan het werk van Neil Young in zijn wildste jaren, maar in vocaal opzicht tapt Dave Desmelik uit een ander vaatje. De singer-songwriter uit North Carolina beschikt over een even aangenaam als doorleefd stemgeluid, dat fraai kleurt bij de contrasterende gitaarmuren.

De songs van Dave Desmelik die zijn voorzien van vocalen passen voor een belangrijk deel binnen de conventies van de Amerikaanse folk, maar ze krijgen door de inzet van rauw gitaarwerk een bijzonder eigen geluid. Het is een geluid dat me uitstekend bevalt, want singer-songwriter muziek mag vaak best wat minder ingetogen. Dave Desmelik is bovendien een uitstekend gitarist waardoor zowel in zijn akoestische als zijn elektrische werk veel fraaie details zijn te ontwaren.

Na de bijna zeven minuten durende tweede track was ik eigenlijk al om, maar We Don’t Want A Dying Flame blijft verbazen. Deels met bijzonder inventieve instrumentale intermezzo’s, deels met prachtige rootssongs, die steeds weer net wat anders klinken.

Ik heb normaal gesproken wel wat moeite met instrumentale intermezzo’s, maar op We Don’t Want A Dying Flame van Dave Desmelik hebben ze absoluut meerwaarde. Mijn voorkeur gaat uiteindelijk echter uit naar de meer conventionele rootssongs, die stuk voor stuk over het vermogen beschikken om onder de huid te kruipen en dit in veel gevallen ook doen.

Dat de muziek van Dave Desmelik veel meer aandacht verdient zal inmiddels duidelijk zijn. De Amerikaanse singer-songwriter maakt immers niet alleen rootsmuziek van hoog niveau, maar maakt bovendien rootsmuziek die anders klinkt dan die van zijn soortgenoten en dat blijft in dit genre met veel oog voor traditie bijzonder. Het fenomenale gitaarwerk is de kers op een buitengewoon smakelijke taart. Ga dat horen! Erwin Zijleman

Dave Matthews Band - Come Tomorrow (2018)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Dave Matthews Band - Come Tomorrow - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Dave Matthews is sinds het begin van de jaren 90 een grootheid in de Verenigde Staten. Deze status dankt de in Zuid-Afrika geboren muzikant aan een aantal zeer succesvolle platen en vooral aan zijn geweldige staat van dienst op het podium (die resulteerde in een onwaarschijnlijk groot aantal live albums).

In Nederland oogst Dave Matthews vooralsnog veel minder lof en het is maar de vraag of dit nog gaat veranderen. Ik heb het zelf ook vaak geprobeerd met de platen van de Dave Matthews Band, maar meer dan aardig vond ik ze vrijwel nooit.

Een aantal dagen geleden werd ik door Spotify getrakteerd op een tip nadat ik een ander album had afgespeeld (een soms irritante maar soms ook waardevolle feature). Ik kon deze tip niet direct plaatsen, maar het beviel me zeer. Het bleek uiteindelijk te gaan om Come Tomorrow van de Dave Matthews Band; een album dat ongeveer een maand geleden verscheen.

Dave Matthews concentreerde zich de afgelopen jaren op touren, maar zes jaar na het goed ontvangen Away From The World moest het weer eens komen van een nieuw studioalbum. Dave Matthews liet niets aan het toeval over en rekruteerde voor Come Tomorrow meerdere producers van naam en faam en ook nog eens een waslijst aan gastmuzikanten. Toch is Come Tomorrow een bij vlagen opvallend ingetogen en introspectieve plaat geworden.

Een aantal songs op de plaat is zeer sober ingekleurd, waarbij overigens wel steeds net wat andere kleuren worden gebruikt. Ik heb in het verleden nooit zo gelet op de stem van Dave Matthews, maar op Come Tomorrow maakt de in de Verenigde Staten op handen gedragen muzikant wat mij betreft indruk met gevoelige en doorleefde vocalen. Het zijn vocalen die worden begeleid door prachtig en zeer gevarieerd gitaarwerk.

Ik dacht bij de naam Dave Matthews tot dusver aan lekker in het gehoor liggende maar niet erg opzienbarende Amerikaanse rockmuziek, maar Come Tomorrow laat horen dat hij veel meer kan. Met name de ingetogen songs op de plaat zijn geweldig, maar ook als Dave Matthews kiest voor aanstekelijke rockmuziek of voor soulvolle klanken met flink wat blazers, vallen zijn songs op door de fraaie instrumentatie en door de uitstekende vocalen.

Zeker wanneer je wat beter luistert naar de muziek van Dave Matthews en zijn band, hoor je hoeveel invloeden de Zuid-Afrikaanse muzikant verwerkt in zijn muziek. Come Tomorrow laat invloeden uit de rock, soul, jazz, blues en funk horen en met deze invloeden heb ik slechts het topje van de ijsberg te pakken. De Dave Matthews Band (vaak afgekort tot DMB) krijgt vaak het etiket jam-band opgeplakt, maar waar ik bij jam-bands denk aan eindeloos soleren in songs zonder kop of staart, steken de songs van Dave Matthews buitengewoon knap in elkaar en wordt het perfecte popliedje vrijwel nooit uit het oog verloren.

Veelzijdigheid is de kracht van Come Tomorrow, maar het is ook de zwakte. Na een songs waarin de onderhuidse spanning prachtig wordt gemaximeerd, doen de grootse en soulvolle songs wat gewoontjes aan, maar deze zijn op de bijna een uur durende plaat gelukkig in de minderheid.

Na de eerste kennismaking met de nieuwe plaat van Dave Matthews heb ik Come Tomorrow nog vaak beluisterd en mijn waardering voor de plaat blijft maar groeien. Er zijn in Nederland nogal wat muziekliefhebbers die niets moeten hebben van de muziek van de Dave Matthews Band, maar ik weet bijna zeker dat zijn nieuwe plaat veel van deze muziekliefhebbers uitstekend zal bevallen. Erwin Zijleman

Dave McGraw & Mandy Fer - Off-Grid Lo-Fi (2016)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Dave McGraw & Mandy Fer - Off-Grid Lo-Fi - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Maritime van Dave McGraw en Mandy Fer werd vorig jaar overladen met zeer positieve recensies.


De tweede plaat van het Amerikaanse duo (in 2012 verscheen hun debuut Seed Of A Pine) wist uiteindelijk zelfs de nodige jaarlijstjes te halen, maar om onduidelijke redenen ben ik nooit toegekomen aan Maritime.

Het onlangs verschenen Off-Grid Lo-Fi is dan ook mijn eerste kennismaking met de muziek van het duo en het is een kennismaking die naar veel meer smaakt.

Off-Grid Lo-Fi werd, net als zijn voorganger, opgenomen in een blokhut ver van de bewoonde wereld (niet dezelfde blokhut overigens). Dave McGraw en Mandy Fer hadden hier de beschikking over bescheiden middelen, maar ik moet zeggen dat Off-Grid Lo-Fi fantastisch klinkt. Het lijkt af en toe wel of de twee tussen de schuifdeuren in de woonkamer staan te spelen, wat van de beluistering van de plaat een bijzondere ervaring maakt.

De muziek van het duo is vaak uiterst ingetogen, maar kan af en toe ook wel uit de bocht vliegen. Dave McGraw speelt akoestische gitaar en zorgt incidenteel voor percussie, terwijl Mandy Fer naast de akoestische gitaar ook de elektrische variant en de banjo bespeelt. De instrumentatie is over het algemeen ingetogen, maar dat weerhoudt de twee er niet van om indruk te maken met geweldig snarenwerk.

Bij dit snarenwerk komen de vocalen van Dave McGraw en met name Mandy Fer. Laatstgenoemde beschikt over een warme en heldere stem die gemaakt lijkt voor Americana en die de songs op Off-Grid Lo-Fi stuk voor stuk naar een hoger plan tilt. Ook met de stem van Dave McGraw is overigens helemaal niets mis, maar ik hou nu eenmaal meer van vrouwenstemmen.

De meeste songs op de plaat bevatten vooral invloeden uit de folk, maar wanneer Mandy Fer naar de elektrische gitaar grijpt en opeens stevig uithaalt, past de muziek van het Amerikaanse man-vrouw duo niet meer uitsluitend in dit hokje.

In de sobere en zich langzaam voortslepende songs doet Off-Grid Lo-Fi soms wel wat denken aan de muziek van Gillian Welch en Dave Rawlings, maar over het algemeen genomen is de muziek van Dave McGraw en Mandy Fer flink wat uitbundiger en draagt deze muziek wat meer plezier uit.

Ik mag de vorige twee platen van het duo in eerste instantie gemist hebben, maar Off-Grid Lo-Fi heb ik onmiddellijk omarmd en heeft inmiddels gezelschap gekregen van de twee al even goede voorgangers. Live schijnt het tweetal ook diepe indruk te maken, maar voorlopig doe ik het even met deze goudeerlijke en bijzonder overtuigende plaat. Erwin Zijleman

Dave Rawlings Machine - Nashville Obsolete (2015)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Dave Rawlings Machine - Nashville Obsolete - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Dave Rawlings en Gillian Welch maken inmiddels bijna 20 jaar samen muziek. In die twintig jaar zijn de twee niet altijd even productief geweest, wat heeft geleid tot eindeloze speculaties over het writer’s block van met name Gillian Welch. Zinloze speculaties als je het mij vraagt.

Dave Rawlings hebben inmiddels zeven platen op hun naam staan. Vijf op naam van Gillian Welch en met de release van Nashville Obsolete inmiddels twee op naam van Dave Rawlings Machine. Zeven platen in bijna twintig jaar is misschien niet heel veel, maar het zijn wel zeven platen van uitzonderlijke klasse.

Het geldt ook weer voor Nashville Obsolete van Dave Rawlings Machine. Net als op het in 2009 verschenen A Friend Of A Friend neemt Dave Rawlings in vocaal opzicht het voortouw, maar in muzikaal opzicht zijn de platen van Gillian Welch en Dave Rawlings Machine nauw met elkaar verweven.

Nashville Obsolete is een akoestische plaat, die vaak genoeg heeft aan akoestische gitaren, de prachtig bij elkaar kleurende stemmen van Dave Rawlings en Gillian Welch en wat strijkers.

Nashville Obsolete bevat maar 7 tracks, maar heeft desondanks een speelduur van bijna 45 minuten. Waar veel muzikanten moeite hebben om de aandacht langer dan een aantal minuten vast te houden zijn Dave Rawlings en Gillian Welch meesters in het subtiel opbouwen van spanning, waardoor ook een song van bijna 11 minuten geen seconde verveelt.

In muzikaal opzicht vinden Rawlings en Welch nog altijd inspiratie in de Amerikaanse folk, waarbij net zo makkelijk wordt terug gegrepen op de stokoude folk uit de Appalachen als op de toegankelijke folkrock uit de jaren 70 of de fraaie verhalen van Bob Dylan.

Nashville Obsolete is een rustgevende plaat, waarop het draait om de details. Het gitaarwerk is van grote klasse, de strijkers zijn uitermate trefzeker en de vocalen zijn ook dit keer hartverscheurend mooi. Het levert een plaat op die niet onder doet voor de al even briljante voorgangers. Dave Rawlings en Gillian Welch zijn misschien niet de meest productieve muzikanten, maar in kwalitatief opzicht geven ze vrijwel iedereen het nakijken. Ook deze keer weer. Erwin Zijleman

Dave Rowntree - Radio Songs (2023)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Dave Rowntree - Radio Songs - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Dave Rowntree - Radio Songs
Na Damon Albarn, Alex James en Graham Coxon laat ook drummer Dave Rowntree horen dat er leven is na(ast )Blur op een prachtig ingekleurd album dat direct intrigeert, maar pas na een keer horen volledig tot bloei komt

Bij de naam Dave Rowntree zal niet iedereen direct opveren, maar fans van de Britse band Blur weten dat het de drummer van de roemruchte band betreft. Dave Rowntree laat op Radio Songs fraai drumwerk horen, maar hij blijkt ook een verdienstelijk zanger en boven alles een begenadigd muzikant die op zijn solodebuut tekent voor even mooie als avontuurlijke klanken. Radio Songs heeft hier en daar een loom en filmisch karakter, maar het is ook een spannend album waarop van alles gebeurt. Ik vond tot dusver vooral de soloalbums van Damon Albarn interessant, maar ook drummer Dave Rowntree heeft een album gemaakt dat niet misstaat naast het oeuvre van Blur.

Als ik de vier leden van de Britse band Blur zou moeten noemen, zou ik met zanger Damon Albarn, gitarist Graham Coxon en bassist Alex James een heel eind komen, maar de naam van de drummer zou ik echt niet meer weten. De naam Dave Rowntree deed bij mij ook echt geen belletje rinkelen, waardoor ik het eerste soloalbum van de voormalige drummer van Blur bijna had laten liggen. Gelukkig heb ik Radio Songs wel beluisterd, want Dave Rowntree heeft, in het jaar dat Blur voor het eerst sinds 2015 weer op het podium zal staan, een verrassend sterk album afgeleverd.

De titel Radio Songs suggereert dat de Britse muzikant ons een serie makkelijk in het gehoor liggende popsongs voor gaat schotelen, maar dat is maar zeer ten dele het geval. De Britse muzikant kiest op zijn solodebuut vooral voor bijzonder sfeervolle en beeldende klanken, waarin naast zijn subtiele drumwerk vooral heel veel elektronica is te horen. Het tempo ligt over het algemeen laag en de klanken zijn warm, waardoor Radio Songs het vooral in de avonduren uitstekend doet.

Zeker wanneer de strijkers aanzwellen en de elektronica als een warme deken over je heen valt, is Dave Rowntree op Radio Songs ver verwijderd van de puntige popsongs van Blur, maar de Britse muzikant heeft invloeden van de band, die ooit samen met Oasis streed om heerschappij binnen de Britse popmuziek, niet volledig naast zich neergelegd, zoals is te horen in het aanstekelijke London Bridge, waarin naast een snufje postpunk ook absoluut een vleugje Blur opduikt, al is het maar omdat de stem van Dave Rowntree af en toe wel wat doet denken aan die van Damon Albarn.

Over het algemeen genomen is de muziek van Dave Rowntree echter een stuk filmischer of experimenteler dan de muziek die Blur in haar hoogtijdagen maakte. Dat laatste hoor je in de tracks waarin de elektronica het volledig overneemt, een zwoele vrouwenstem opduikt en Dave Rowntree alleen met de bijzondere ritmes zijn verleden als drummer laat horen. Wanneer de elektronica de overhand heeft en de ritmes het tempo wat opvoeren schuift Radio Songs op richting elektronische popmuziek, maar de meeste tracks op het album moeten het hebben van lome klanken en een bijzondere sfeer. Het is een sfeer die niet zo ver is verwijderd van de muziek die Dave Rowntree samen met Ian Arber maakte voor een aantal Britse tv-series.

Radio Songs is zoals gezegd geen album met hapklare brokken, maar ontoegankelijk is de muziek van Dave Rowntree zeker niet. De songs van de Britse muzikant verleiden door de mooie klanken verrassend makkelijk, maar Radio Songs is ook een album waarop pas na verloop van tijd alles op zijn plek valt. De rol van de Britse drummer leek in Blur betrekkelijk anoniem, maar gezien de hoge kwaliteit van de songs op zijn solodebuut vermoed ik dat Dave Rowntree meer heeft bijgedragen aan de muziek van de roemruchte band dan menigeen dacht.

Radio Songs laat horen dat Dave Rowntree een prima zanger is, maar de meeste indruk maakt hij toch als songwriter en vooral als arrangeur. De tracks op Radio Songs zijn stuk voor stuk fraai opgebouwd en prikkelen steeds weer de fantasie en de nieuwsgierigheid. De instrumentatie is vooral groots, meeslepend en wonderschoon, maar een verrassende wending is nooit ver weg. Drummers van grote bands leveren maar zeer zelden een soloalbum af dat minstens net zo interessant is als de albums van hun bands, maar Dave Rowntree is met Radio Songs een zeer interessante uitzondering. Erwin Zijleman

David Bowie - ★ (2016)

Alternatieve titel: Blackstar

poster
5,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: David Bowie - Blackstar - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

David Bowie maakte zijn beste platen tussen 1970 en 1980. Sindsdien verrast hij nog wel eens een enkele keer met een aardige plaat, maar meer dan voetnoten bij zijn memorabele platen uit de jaren 70 zijn het wat mij betreft niet.

In 2004 kreeg David Bowie te maken met serieuze gezondheidsproblemen en verdween hij vrijwel volledig uit beeld. Twee jaar geleden keerde hij gelukkig terug met het verrassend sterke en door oudgediende Tony Visconti geproduceerde The Next Day, dat vooral herinneringen opriep aan zijn werk uit de jaren 70.

Ook het deze week verschenen Blackstar herinnert meer dan eens aan de unieke platen die David Bowie decennia geleden afleverde, maar Blackstar zet vooral een paar flinke stappen vooruit.

Dat hoor je direct in de bijna 10 minuten durende titeltrack waarmee de plaat opent. De track begint met bijna pastorale vocalen, die worden omgeven door subtiel ingezette elektronica en de bijzondere ritmes die voor het eerst opdoken op Outside (1995) en Earthling (1997).

Blackstar is wederom geproduceerd door Tony Visconti, maar Bowie koos ook dit keer voor nieuwe muzikanten, onder wie James Murphy (LCD Soundsystem) en enkele muzikanten met een achtergrond in de free jazz. Dat laatste hoor je goed in het middenstuk van de openingstrack waarin woeste saxofoonuithalen, atmosferische elektronische klanken en onnavolgbare ritmes het geluid bepalen.

De titeltrack eindigt vervolgens met een aantal minuten die voor een belangrijk deel zo lijken weggelopen uit de jaren 70 en het hele echt memorabele decennium van Bowie samenvatten, al worden er ook wel wat moderne accenten gelegd.

Blackstar is na de openingstrack 10 minuten onderweg en op dat moment is al duidelijk dat Bowie eindelijk weer eens een plaat heeft afgeleverd met de magie van de klassiekers die hij heel lang geleden maakte.

Ook in de tracks die volgen overheersen subtiele elektronica, af en toe stevige gitaaruithalen, bijzondere en soms onnavolgbare ritmes, geweldig en bij vlagen heerlijk ontsporend saxofoonwerk, de werkelijk geweldige zang van David Bowie, volop momenten die herinneren aan zijn beste werk en nog meer momenten vol avontuur die je doen smeken om meer. Waar The Next Day een aardige plaat was, horen we op Black Star eindelijk weer eens de man die de popmuziek transformeerde.

Bowie kiest nergens voor de makkelijkste weg, maar toch overtuigen de complexe tracks op Blackstar redelijk makkelijk. Op Blackstar wordt volop geëxperimenteerd, maar de songs op de plaat hebben een kop en een staart en combineren redelijk conventionele songstructuren met een fascinerend muzikaal landschap en vocalen die niet heel veel onderdoen voor die uit Bowie's beste jaren.

Wanneer het experiment achterwege blijft waan je je meer dan eens in de jaren 70, maar wanneer de ritmes ontsporen of de saxofoon aanzwelt, weet je dat het echt 2016 is. Bowie haakt aan bij zijn oude werk, maar zet ook nieuwe stappen. Dat is knap, zeker voor een muzikant die de 70 met rasse schreden nadert.

Wie een paar jaar geleden zou hebben voorspeld dat Bowie in 2016 een waar meesterwerk zou afleveren zou voor gek zijn verklaard, maar Bowie heeft dit meesterwerk echt gemaakt. Blackstar is de naam. Wat een plaat. Erwin Zijleman

David Bowie - Glastonbury 2000 (2018)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: David Bowie - Glastonbury 2000 - dekrentenuitdepop.blogspot.com

David Bowie was in 2000 al in de nadagen van zijn carrière op het podium, maar verkeerde op Glastonbury 2000 in grootse vorm

Op voorhand leek het zoveelste live-album van David Bowie dit jaar me niet zo heel interessant, maar het optreden dat de Britse muzikant gaf als hoofdact op de 2000 versie van Glastonbury is verrassend sterk. De band speelt hecht en gloedvol, Bowie is goed bij stem en in een goed humeur en de setlist is om je vingers bij af te likken. Op het Britse festival podium doet Bowie een fraaie greep uit een breed en veelzijdig oeuvre en bijna alles dat hij en zijn band aanpakken is goed op deze memorabele avond. Ook Glastonbury 2000 is daarom weer een live-album waar de Bowie fan niet omheen kan.

Er zijn dit jaar al aardig wat live-platen van David Bowie verschenen. Op Record Store Day verscheen het werkelijk geweldige Welcome To The Blackout, dat de Britse muzikant op zijn allerbest laat horen tijdens de roemruchte Isolar II tour uit de late jaren 70. Vervolgens verscheen een aantal weken geleden de box-set Loving The Alien, waarin werd teruggeblikt op de Serious Moonlight tour uit het begin van de jaren 80, waarin Bowie nog altijd in zeer goede vorm verkeerde, en op de Glass Spider tour uit de late jaren 80, die ik al een stuk minder interessant vond.

Deze week verscheen Glastonbury 2000, waarop we Bowie aan het werk horen als hoofdact op het legendarische Britse popfestival. Vier jaar later zou het Britse icoon stoppen met touren na een hartaanval, maar in 2000 had hij er nog hoorbaar zin in.

Bowie had in 2000 zeker niet zijn beste kapsel, maar speelde volgens velen wel met de beste band die hij ooit had. Er is inderdaad niets mis met de band waarin onder andere gitarist Earl Slick, bassiste Gail Ann Dorsey, drummer Sterling Campbell en pianist Mike Garson te horen zijn, maar als ik moet kiezen geef ik absoluut de voorkeur aan de band die Bowie vergezelde tijdens de Isolar II tour. Geweldige muzikanten als gitarist Carlos Alomar, bassist George Murray, drummer Dennis Davis, toetsenist Roger Powell en vooral gitarist Adrian Belew zorgden voor een veel avontuurlijker en onderkoelder geluid, wat van het bijwonen van de concerten van de Isolar II tour bijna een surrealistische ervaring maakte.

Glastonbury 2000 vind ik dan ook niet zo imponerend als Welcome To The Blackout waarmee het jaar opende en vond ik in eerste instantie ook minder dan de Serious Moonlight registratie uit Loving The Alien, maar het bevalt me een stuk beter dan ik had verwacht. De band van Bowie is in 2000 zeer goed op dreef, met een hoofdrol voor gitarist en oudgediende Earl Slick, die al in de vroege jaren 70 met Bowie speelde en was te horen op Young Americans en Station To Station. Bowie is verder goed bij stem en verassend spraakzaam. Het meest indrukwekkend is echter de setlist, die een bijzonder fraaie dwarsdoorsnede uit het rijke oeuvre van David Bowie laat horen, met zowel aandacht voor zijn oude werk als voor het op dat moment nog betrekkelijk recente werk.

Bowie speelt uiteindelijk bijna twee uur en het twee uur muziek vol hoogtepunten. De oude songs klinken in veel gevallen net wat anders dan in het verleden, zeker wanneer Bowie volledig vertrouwt op pianist Mike Garson, terwijl een aantal wat nieuwere songs beter uit de verf komt dan op de matige platen die Bowie vanaf de tweede helft van de jaren 80 maakte.

Het zorgt er voor dat Glastonbury 2000 echt veel beter en interessanter is dan ik had verwacht en veel tracks op de setlist worden beter als je ze wat vaker hoort. Het is dit jaar een dure grap voor de liefhebbers van David Bowie, maar ook deze zou ik als fan niet laten liggen en uiteindelijk misschien zelfs nog wel prefereren boven de andere live-platen van dit jaar; na het onwaarschijnlijk goede Welcome To The Blackout natuurlijk. Erwin Zijleman

David Bowie - Live Nassau Coliseum '76 (2017)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: David Bowie - Live Nassau Coliseum ’76 - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Ruim een jaar na David Bowie’s zwanenzang Black Star is al een aardig stapeltje “nieuwe” Bowie releases voorbij gekomen.

Ik heb me niet laten verleiden door de Who Can I Be Now boxset met deels nieuw materiaal (het matige The Gouster) uit de Amerikaanse periode van David Bowie (1974-196), de Lazarus soundtrack, de EP No Plan met drie nieuwe restjes van de Black Star sessies of de zoveelste mooi uitgevoerde verzamelaar.

Het vorige week als losse release verschenen Live Nassau Coliseum ’76 vind ik echter wel interessant.

Of dat voor de fanatieke Bowie fan ook zo is durf ik te betwijfelen, want de plaat is al decennia als bootleg verkrijgbaar en is een paar jaar geleden al eens officieel uitgebracht als extraatje bij de zoveelste luxe editie van Station To Station.

Ik had de plaat echter nog niet en heb wat met het live-materiaal van Bowie uit deze periode. Stage uit 1978 is nog altijd een van mijn favoriete Bowie platen aller tijden (ik weet dat ik hier vrijwel alleen in sta) en ook Live Nassau Coliseum ’76 doet wat met me.

Waar Bowie op Stage midden in zijn Berlijnse en wat mij betreft ook beste periode zit, ontworstelt hij zich op Live Nassau Coliseum ’76 aan zijn flirts met Amerikaanse dansmuziek van een jaar eerder.

De plaat werd op 23 maart 1976 opgenomen in The Nassau Coliseum in New York, een van de vele tussenstops van Bowie’s Isolar/Station To Station tour. In de live-set is Bowie Young Americans al weer vergeten (alleen Fame komt voorbij) en concentreert hij zich op songs van Ziggy Stardust, Hunky Dory, Diamond Dogs, Alladin Sane en uiteraard het destijds net verschenen Station To Station.

Het levert een setlist op die flink afwijkt van de Stage setlist van twee jaar later en ook de band die Bowie bijstaat is op bassist George Murray, drummer Dennis Davis en slaggitarist Carlos Alomar na anders dan de band die Bowie bijstond tijdens de Isolar II – 1978 World Tour.

Toch hoor ik flink wat overeenkomsten tussen de twee platen. Zo zingt Bowie geweldig en met enorm veel passie en speelt zijn band al even gedreven en bij vlagen heerlijk avontuurlijk of meedogenloos swingend.

Net als Stage rammelt ook Live Nassau Coliseum ’76 af en toe behoorlijk en is het geluid niet echt geweldig, maar wat mij betreft geeft dit de plaat het bijzondere en dynamische van een live-plaat en zeker een live-plaat uit de jaren 70. Een drumsolo hoort hier natuurlijk bij.

Live Nassau Coliseum ’76 is hierdoor veel interessanter dan de live-platen die David Bowie de afgelopen twee decennia heeft uitgebracht. De ware magie van Stage ontbreekt misschien, maar in flink wat songs zijn David Bowie en zijn band uitstekend op dreef.

Iedereen die Stage, net als ik, koestert en de luxe editie van Station To Station een paar jaar geleden heeft laten staan, moet op zijn minst eens luisteren naar dit bijzondere live album uit 1976. Ik vind Live Nassau Coliseum '76 in ieder geval vele malen interessanter dan al die andere restjes die sinds het prachtige Blackstar zijn verschenen. Erwin Zijleman

David Bowie - Loving the Alien: 1983–1988 (2018)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop
De krenten uit de pop: David Bowie - Loving The Alien (1983-1988), box-set - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Nog maar een lijvige box-set die de carrière van David Bowie samenvat. Een mindere periode, maar het blijft Bowie
Loving The Alien (1983-1988) laat horen wat Bowie na zijn briljante platen uit de jaren 70 en het al even indrukwekkende Ashes To Ashes uit 1980 deed. Kort door de bocht sprong hij over van de alternatieve naar de mainstream pop en haalde hij sloten met geld binnen, maar ook Bowie in net wat mindere doen is nog altijd een zeer interessant muzikant, die met name tijdens de Serious Moonlight Tour uit 1983 nog in uitstekende vorm stak. Voor de rest is het zoeken naar hoogtepunten in deze uit de kluiten gewassen box-set, maar ze zijn er absoluut.



De carrière van David Bowie wordt sinds zijn trieste dood samengevat in even lijvige als prijzige box-sets.

Na Five Years (1969-1973), dat overigens vlak voor zijn dood verscheen, Who Can I Be Now? (1974-1976) en A New Career In A New Town (1977-1982) zijn we inmiddels halverwege de jaren 80 aanbeland; een periode die wordt samengevat op de box-set Loving The Alien (1983-1988).

Het is op voorhand een veel minder interessante periode dan de periodes die door de voorgaande drie box-sets werden afgedekt, maar de minst interessante periode uit de carrière van David Bowie moest nog komen (de box-set over de periode 1989-1994 kan men met een gerust hart overslaan.

Het is de periode die volgt op de Berlijnse trilogie en het minstens even sterke Scary Monsters uit 1980 en het is een periode die begint bij de release van Let’s Dance in 1983. Let’s Dance is in commercieel opzicht een van de meest geslaagde platen van David Bowie, maar in artistiek opzicht is het toch duidelijk minder interessant dan de serie platen die Bowie tussen 1970 en 1980 maakte.

Aan de hand van co-producer Nile Rodgers maakt David Bowie op Let’s Dance de overstap naar een mainstream geluid dat qua productie perfect past in de jaren 80. De plaat opent nog redelijk sterk met de singles Modern Love, China Girl (met een glansrol voor gitarist Stevie Ray Vaughan) en Let’s Dance, maar hierna zakt de plaat flink in en is weinig meer te horen van de vernieuwingsdrang die Bowie op zijn platen uit de jaren 70 en op Scary Monsters liet horen.

Het legde de Britse muzikant echter geen windeieren. De plaat ging in aanzienlijke hoeveelheden over de toonbank en werd gevolgd door een tour die Bowie van de concerthallen van de Isolar en de Isolar II tours naar de stadions van de Serious Moonlight tour bracht.

De Isolar en Isolar II tours, wat mij betreft de beste tours van de Britse muzikant, zijn uitvoerig gedocumenteerd, maar van de Serious Moonlight tour was er nog niet veel en nog niets van goede kwaliteit. Daar komt nu verandering in, want de Loving The Alien bevat een prima registratie van de Serious Moonlight tour, wat mij betreft de meest waardevolle plaat in deze box-set.

Bowie klinkt minder donker dan tijdens zijn Berlijnse jaren, maar vertolkt zijn oudere werk nog op gloedvolle en bijzonder overtuigende wijze en speelt bovendien flink wat prima songs die geen plek kregen tijdens de Isolar tours.

Na Let’s Dance volgde Tonight, dat nog wel een aantal hele aardige singles bevatte en Never Let Me Down, een van de zwakste broeders in het oeuvre van Bowie. Dat vond hij kennelijk zelf ook, want Bowie stemde zelf nog in met de aan de box-set toegevoegde remake van de plaat. Deze nieuwe versie is in productioneel en instrumentaal opzicht inderdaad een stuk mooier en interessanter dan het origineel, dat inmiddels wel erg gedateerd klinkt met zijn galmende 80s productie, maar de songs zijn wat mij betreft niet goed genoeg om er een echt goede plaat van te maken, laat staan een Bowie klassieker. Wel een aardige poging overigens en hoorbaar met liefde gemaakt.

Never Let Me Down werd gevolgd door een nog grootsere stadion tour, de Glass Spider toe, die uiteraard ook van de partij is in deze box-set. Aardig, maar Bowie in topvorm horen we wat mij betreft niet, al is de band echt heel goed, terwijl het combineren van theater en muziek in de stadions totaal niet uit de verf kwam. Hierna volgen nog flink wat remixes en rarities en een enkele nooit verschenen song, maar dit is wat mij betreft voor de liefhebber.

Het zorgt er voor dat de spoeling wat dun is dit keer, zeker vergeleken met de vorige twee box-sets. De registratie van de Serious Moonlight tour is uitstekend en verdient een zelfstandige release en de nieuwe versie van Never Let Me Down is bijzonder. That’s it. Gelukkig staat alles ook gewoon op Spotify, want alleen voor de Serious Moonlight registratie geef ik niet zoveel geld uit, ook al geniet ik behoorlijk van deze nieuwe portie Bowie, die ook in een wat mindere periode interessanter was dan de meeste van zijn tijdgenoten. Erwin Zijleman