MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten deric raven als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Pissed Jeans - Half Divorced (2024)

poster
3,5
Het is bijzonder dat een band als Pissed Jeans in de tijd dat Donald Trump regeert amper van zich laat horen. Ook geen kritische noot van deze noiserock punkers tijdens de pandemie misvattingen en het fake news internet misbruik. Juist in de periode dat Europese bondgenoten hun onvrede spuien blijft het aan de andere kant van de wereld vanuit Pennsylvania angstvallig stil. De zesde studioplaat Half Divorced is echter een opeenstapeling aan onvrede, dus diep van binnen brand het hardcore hart van Matt Korvette nog steeds, en die opgekropte woede vecht zich nu eindelijk een weg naar buiten.

Bij opener Killing All the Wrong People worden alle chakra blokkades opgeheven en komt er direct al een brok aan energie vrij. Als die motor eenmaal loopt is er geen houden meer aan. De bemoeienis van de Verenigde Staten staat vaak haaks op het vredesoffensief en levert vooral slachtoffers op. Het blijft een politiek slapstick machtsspel zonder winnaars met alleen maar verliezers.

Pissed Jeans is de lol van het muziek maken allang ontgroeit en toont een kritische blik op de lusteloze Anti-Sapio samenleving. Toch bewapenen ze zichzelf nog steeds met de nodige bittere humor waardoor je ze het beste nog met NOFX kan vergelijken toen deze hun woede tegen het wanbeleid van George W. Bush richten, al is het sarcastische NOFX nog net wat scherper in hun opvattingen.

Waarom zijn de geroutineerde veertigers van Pissed Jeans geloofwaardig en voelen ze de huidige jongeren perfect aan. Het antwoord hierop zit in het feit dat ze net het puberale overal tegen aan schoppen fase ontgroeid zijn en met Half Divorced hun meest volwassen plaat afleveren. Misschien is het gemakkelijker om het systeem te ontregelen door hier minachtig de spot mee te drijven. In een surrealistische wereld heerst nou eenmaal het absurdisme. Iedereen is slecht, maar uiteindelijk zijn we allemaal nietszeggende nietsnutten die als makke lammetjes in de rij lopen. Het doel van Pissed Jeans is om de boel te ontwrichten, te saboteren. Als we gewend zijn om onszelf voor de gek te houden, doe dat dan ook goed.

De vergelijkingen met de pre grunge beweging beperken zich niet enkel tot het Sub Pop label. Vergeet niet dat er ook een leven voor de Nirvana en Soundgarden doorbraak was, grunge zichzelf toen nog niet als modeverschijnsel etaleerde, en dat bands als Mudhoney en Green River zonder compromis en beperkingen te werk gingen. In die hoek kan je Pissed Jeans gemakkelijk plaatsen. De band zit nog steeds in die uitzichtloze opgeblazen bubbel vast waaruit het oerbegrip hardcore punk ontstaat en geeft er een hedendaagse twist aan.

De gitaar van Brad Fry kreunt sexy in de moederlijke Helicopter Parent stoner bemoeienis, waar de jeugd bewust beschermd zonder gevaren van buitenaf wordt opgevoed. De snelheid dat de belerende wijsvinger in de fuck you middelvinger veranderd is amper bij te houden. Half Divorced handelt over de vernedering in een schulden maatschappij, waarin met geluk afkoopt en zich zonder veiligheidsgordel te pletter tegen de geluidsmuur rijdt.

We zijn aan de negatieve aandacht verslaafd. Junktime beantwoordt de dreiging waar de hedendaagse postpunk acts als Idles en Gilla Band naam mee maken. Een haperende handgranaat gevuld met haat welke uiteindelijk professioneel tot ontploffing gebracht wordt. Dit is topsport, dit is de gehoopte interactie met loeizware noise en kamikaze gitaren. Het helse doortraptandem van drummer Sean McGuiness en Randy Huth die binnen vijf minuten de finish willen halen, maar daar een halve minuut aan extra tijd voor nodig hebben.

Diezelfde Randy Huth ramt zich met het tempo van een thrash metal bassist door Cling to a Poisoned Dream heen. En zo hoort het ook, een gemiddelde punksong heeft aan minimale werklengte meer dan genoeg, bij een zevental tracks tikken ze niet eens de twee minuten aan. Dat ze weldegelijk het vermogen bezitten om een heuse single te schrijven bewijzen ze met het positieve solerende Moving On wel, niet achterom kijken, maar je op de toekomst richten. Is er dan toch nog hoop? Zeker niet!

Pissed Jeans - Half Divorced | Rock | Written in Music - writteninmusic.com

Pixies - Bossanova (1990)

poster
4,0
Deze ligt absoluut in het verlengde van Doolittle, maar de productie is hier een stuk vetter.
Waarschijnlijk doet deze mij daarom een stuk minder.
Bij Doolittle leek het alsof ze zelf het geluid hadden uitgevonden.
Op Bossanova heeft Gil Norton er een cleanere sound van gemaakt.
Het is niet zo rommelig, ze lijken het spelen beter te beheersen; dit is minder punkrock, meer glamrock.
De hysterie is hier onder controle, ze vliegen net wat minder de bocht uit.
Maar hoe dan ook een geweldig album.

Pixies - Come On Pilgrim (1987)

poster
4,0
Ikzelf vind dit stukken minder dan Doolittle, maar het gaat mij vooral om de oorsprong van deze geweldige band.
Ergens in een kelder of garage moet toch een begin gemaakt zijn voor een nummer als Caribou.
Het lijkt allemaal zo eenvoudig; inpluggen, intro starten, Kim Deal die Francis Black met haar zang ondersteund; de schreeuw, het rammelend geluid.
Gewoon een moment van puur geluk, het valt toevallig zo uit.
Schijn bedriegt, want dit eenvoudig, maar oh zo aan stekelige rauwe geluid wordt ook in de volgende nummers zo neer gezet.
Is het dan wel werkelijk zo simpel?
Nee, want het zijn geen fragmentarische brokstukken.
De kunst om pakkende tracks als demo’s te laten klinken, terwijl het meer af is dan wat je in eerste instantie denkt.
Of het nu Ed Is Dead, Vamos of Isla de Encanta is, het klinkt niet af, maar na een eerste luisterbeurt lukt het al om een definitieve plek in je geheugen achter te laten.
Alsof een surfsound wordt gecreëerd door een groep Mexicaanse punkers, terwijl we hier gewoon te maken hebben met een groep jonge honden uit Boston die herrie weten om te zetten tot een tijdloze schoonheid.
Alle kenmerken van hun latere sound zijn hier al aanwezig.

Pixies - Doggerel (2022)

poster
4,0
De schoonheid van het vernederen, Pixies komt er probleemloos mee weg. Man, wat blijft Debaser toch een krachtige meestertrack. Frank Black die hongerig oproept om vernederd te worden, en Kim Deal die het vuurtje liefelijk nog eens opstookt. BAM! Doolittle slaat in als een bom. Vrienden confronteren mij al eerder met de surfpunkrockabilly van Surfer Rosa, maar het zou nog een tijdje duren voordat het kwartje valt.

Jaren later ben ik getuige van een vervelend solerende Frank Black die in Nijmegen schijt aan het publiek heeft, het drumstel seksueel mishandelt en mij verdoofd een illusie armer de zaal laat verlaten. De kleine dictator wijst zijn collega bandmaatjes al jaren eerder totaal onverwachts de deur. Ruw, zonder vooraankondiging, zonder begrip en zonder inlevingsvermogen, keihard respectloos. Exit Pixies verhaal, een gehoopte reünie was een kapotgescheurde droom, zonder bestaansrecht en zonder overlevingskans.

Toch loopt het allemaal anders, Kim Deal heeft haar fifteen minutes of fame met het succesvolle Breeders, waarmee ze die cultstatus overstijgt en een nieuw verworven publiek aanspreekt. Zou het jaloezie zijn, arrogantie, of past ze gewoon niet meer in het vervolgverhaal? Inderdaad, het onmogelijke wordt mogelijk. In 2014 verschijnt Indie Cindy, een volwaardige Pixies plaat, met Frank Black, gitarist Joey Santiago, drummer David Lovering en Paz Lenchantin in de vervangende rol van Kim Deal. En ondanks dat laatstgenoemde een prima aanwinst is, ontbreekt die maniakale passie, het hevig ontvlammende vuur en het ongecontroleerde gecontroleerde van het eerdere werk.

Die status van baanbrekende vernieuwers is door het nostalgische geweten vervangen, overschreeuwd door de meer succesvolle volgelingen, scorende op andermans roem. Och, wat maakt het uit, Pixies zijn weer terug, en zijn zeer geliefd bij de bezoekers van zomerfestivals en concertzalen. We zijn dolgelukkig met die doorstart. Head Carrier en het depri duistere Beneath the Eyrie volgen, de vooruitstrevendheid definitief door een ingecalculeerd luistervriendelijkheidsgehalte vervangen. Een prima rockband, waarbij langzaamaan die opdringende vraag steeds vaker de kop opsteekt. Was het niet beter geweest om na Trompe le Monde een dikke punt achter Pixies te zetten, de eer aan zichzelf houdende?

9 juli verschijnt echter There’s A Moon On op single. De donkere stemmigheid heeft veel raakvlakken met het gitzwarte jaren tachtig postpunk geluid, waardoor duidelijk wordt dat Pixies de uitgestippelde lijn van Beneath the Eyrie doortrekt. Frank Black schreeuwt nog steeds zijn stuk gezongen longen uit zijn lijf, maar er heerst vooral verbitterdheid en gedempte wanhoop in zijn stem. Voor mij is deze single een gegronde reden om de aanloop naar Doggerel in de gaten te houden.

Het herhalend marcherende Dregs Of The Wine ontwikkelt zich ook heerlijk explosief tot een duistere powerrocksong. Hollywood is dood, de filmscrips en muzikale originele genialiteit zijn vervangen door plastic gemuteerde wangedrochten. Disney World is een in verval rakend Haunted House, geconsumeerd door Coca Cola en McDonald’s consumpties. De ijzige door merg en been gaande oerkreet van Paz Lenchantin laat de Día de Muertos schimgeesten in Dregs Of The Wine ontwaken, en ook het neerslachtige Vault of Heaven kent vlagen van die oude herkenbare sound. De uitgerangeerde space cowboys zijn figuranten in hun eigen spaghettiwestern decor, waarin de waanzin van weleer de overmacht heeft en Pixies weer standvastig op de kaart zet.

Zijn Pixies dan helemaal terug? Jazeker, maar dan wel in een 2.0 variant, en misschien moeten we ons daar maar gewoon bij neerleggen, dan kun je onbevooroordeeld onbevangen van Doggerel genieten. Die ironische zelfspot van Nomatterday is heerlijk. In het net naast de pot pissende Don’t piss in the fountain zinsdeel zeikt de wildplassende Frank Black tegen het opportunistische van de hedendaagse rockidolen. De gefrustreerde antiheld, gemeend ziekelijk jaloers op de jongere garde. Het cynisme als onuitputbare voedingsbron, de vergiftigende zaadjes herkauwend en brutaal uitspugend. Paz Lenchantin verkeerd in vampiristische bloedvorm en legt een rochelende basbasis neer waaroverheen een gemeen strijdende Joey Santiago de achterhaalde spookbeelddemonen van Frank Black verjaagd. Het is dat Paz Lenchantin niet dat erotische geile van de sensuele Kim Deal bezit, anders was Nomatterday weldegelijk een moordende floorkiller.

Is Frank Black tegenwoordig in de heer? Welnee, de The Lord Has Come Back Today ballad heeft betrekking tot de nieuwe normalisatie, het afsluiten van de mondiale pandemie ellende. De hereniging met het spreekwoordelijke Achter de Wolken Schijnt de Zon gevoel. Pagan Man adoreert juist dat verblindende hemellichaam. Trotseren de avontuurlijke surfrockers voorheen nog de rusteloze golven, tegenwoordig bekijken ze op gepaste afstand het gevaarlijke schouwspel. Een tikkeltje veilig als een licht verkoelend zomerbriesje, ook lekker, maar niet meer echt verfrissend.

Natuurlijk staan er ook een paar misstappen op, Get Simulated heeft de kracht van een uitgedroogde viagra zaadlozing. Fier overeind staande, maar op het moment supreme ingehouden nadruppelend. Thunder and Lightning is prima, maar leunt erg op oudere beter uitgewerkte ideeën. Who’s More Sorry Now? heeft die onderhuidse spanning, maar wordt zorgvuldig afgestraft en klein gehouden. Het is dat Joey Santiago zichzelf hierdoor niet laat afschrikken, en er het nodige kenmerkende gitaargeweld op los laat waardoor het ruimschoots de middenmoot overstijgt.

De puristen zullen het nieuwe werk schijnbaar vervloeken en afdoen als de zoveelste poging om het uit de kluiten gewassen Frankensteinmonster te reanimeren. Waarschijnlijk haken ze al halverwege af, en missen ze hierdoor die overtuigend sterke Doggerel titelstuk afsluiter, waarop ze het onontdekte dansbare werkterrein van de fluisterende nineties Madchester rage verkennen. Die Summer Of Love revival gooit jaren geleden abrupt voor Pixies de deur naar het nieuwe decennium dicht. Het zal nog een tijdje duren voordat de band uit Boston in navolging van de grunge, noise en gitaarrock die erkenning als voorprogramma van de jaren negentig mag terug eisen.

Zelf ben ik uiterst tevreden met Doggerel en heb mij er allang bij neergelegd dat je nooit meer een tweede Doolittle of Surfer Rosa kan verwachten. De geesten uit het verleden bewaken de songtracks en leggen er griezelige spookaccenten op. Hierdoor krijg je de indruk dat de voorheen zo kenmerkende astronautreizen tegenwoordig in het licht van de volle maan plaatsvinden. Halloween is in zicht, laten we de pompoenen vermorzelen, party time!

Pixies - Doggerel | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Pixies - Doolittle (1989)

poster
5,0
Adrenaline stroomt door het bloed van een 16 jarige jongen.
Na mijn eerste echte vrijpartij dit mee mogen maken.
Nee, niet het geluk van een Puch Maxi uitpakken op je verjaardag.
Ook niet onder het genot van de primaire ervaring van een jointje in de nerven van groene eikenblaadjes pulserende aderen kunnen waarnemen.
Het is allemaal een stuk groter; de ervaring is zowat niet meer van deze wereld.
Pa en ma, ik weet waar ik sta in mijn leven.
Decaan, eindelijk heb ik een doel in mijn leven.
Ik wil vernederd worden!!

Zoals Frank Black hier over zingt, moet dit wel een geweldige ervaring zijn.
Nog nooit iemand met zoveel overtuiging zoiets horen zeggen.
Ik open de deur voor Jehova getuigen en laat ze mij hun visie van God aanbieden, en ik omarm de bijbel.
Ik bel spontaan een telefoonpanel en ga een uur lang in discussie over tijdschriften, en laat me een jaarabonnement op de Magriet aan praten.

The Pixies openen mijn ogen.
Up To Be
Be A Debaser
Debaser


Ik heb hun teksten nooit echt begrepen, maar wat voel ik me goed bij het luisteren van Doolittle.
Debaser, Tame, Monkey Gone To Heaven, Hey.
Popmuziek openbaart zich aan mij in nieuwe vormen van dimensies.
The Pixies geeft ons mede Smashing Pumpkins en Nirvana.
Doolittle is het voorprogramma van de jaren 90.
Na het vele plastic uit de jaren 80, grijpen we terug naar roestig metaal.
Welkom in het nieuwe tijdperk.

Pixies - Head Carrier (2016)

poster
3,0
Head Carrier klinkt wel als Pixies, maar wat trager en duisterder.
Ze stonden bekend door hun ongepolijste, opgefokte, jonge honden energie, en dat is meer naar de achtergrond verdrongen.
Kim Deal die gewoon meetelde met de maat van haar basgitaar om dat ze zo verdoofd was door de drugs, en anders niet het besef had met welke nummer ze aan het mee spelen was.
Frank Black die zichzelf nog al eens verloor in de een of andere oerkreet, waar hij zelf niet eens het besef van had, dat deze ergens in het binnenste van zijn ziel een weg naar buiten zocht.
Regelmatig moet ik denken aan zijn eerste solo albums, waarschijnlijk overheerst dat nostalgische gevoel.
Pixies zijn volwassen geworden en beheersen net te goed hun instrumenten; de schreeuw is naar de achtergrond gemixt, en eeuwige puber Kim Deal maakt al lang geen deel meer uit van de band.
Dit zijn Pixies op een zondagochtend.
Door de weeks zich gewoon bezig houdend met het huisje, boompje, beestje gevoel, en hun ingecalculeerde tijd door brengen in de studio.
Herinneringen ophalen, en ondertussen wat liedjes opnemen.
Het puntige en stekende was nog wel aanwezig op Indie Cindy, maar hier voel ik het niet meer.
Gewoon een prima gitaarplaat; that’s all.

Pixies - Indie Cindy (2014)

poster
3,0
Ik heb altijd gedacht dat ik een groot liefhebber was van Pixies, maar als het op albums aankomt, dan vind ik eigenlijk vooral Doolittle erg goed.
Dit is een prettige adrenaline stoot, genot van begin tot einde.
Van andere albums vind ik vooral losse nummers erg goed, zoals Gigantic, Dig For Fire en Alec Eiffel.
Dat heb ik ook bij The Breeders met Cannonball en Divine Hammer en Franks Blacks Los Angeles.
Hiermee behoren ze echt tot de top, maar het niveau van Doolittle wordt nergens gehaald.
Ondanks de wat negatieve geluiden bij Indie Cindy, heb ik mij toch aan dit album gewaagd.
Kim Deal ontbreekt, en ik verwachtte dus dat dit een veredeld solo album van Frank Black zou zijn; uitgebracht onder de naam Pixies, want dat verkoopt beter.
Dat Frank Black eigenlijk een irritant ventje is, welke schijt heeft aan zijn platen kopend publiek, heb ik live eens mogen ervaren bij een optrden waarbij alle interactie met de zaal ontbreekt.
Ondanks zijn genialiteit, want die bezit hij wel degelijk.

Indie Cindy overtuigd gelijk al vanaf What Goes Boom.
De agressie is terug, en ook de baspartijen klinken als vroeger.
Je zou denken dat Kim Deal deze heeft ingespeeld, en natuurlijk is de vrouwelijke tweede stem een stuk minder op de voorgrond dan die van Deal, ze bezit wel dezelfde sensualiteit.
Bagboy, Bagboy, Bagboy.
Andere Kim, bijna hetzelfde gevoel.
Verder zijn de space geluiden aanwezig, ik denk ook nog altijd dat Astronaut van Spinvis een ode is aan Frank Black.
Bij Greens and Blues heb ik beelden voor me van een te zware Black, net zwevend boven de grond in een wit ruimtepak.
Indie Cindy klinkt een stuk meer geordend dan de oude albums, de gekheid en chaos is hier onder controle.
Het is niet meer zo fris als vroeger, maar verder is dit voor mij een volwaardig Pixies album.

Pixies - The Night the Zombies Came (2024)

poster
3,5
Zonder het ongecontroleerde bijna kinderlijke enthousiasme van Kim Deal is Pixies toch een totaal andere band. Haar gemeende uitbundige zangpartijen, de uitnodigende houding en haar bijna tellende wijze van basgitaar spelen maken het toch wel af. Na eerdere vervanger Kim Shattuck en de onlangs weggebonjourde Paz Lenchantin mag de van Band Of Skulls afkomstige Emma Richardson het nu proberen. Blijkbaar is het van groot belang dat de stem enige gelijkenis met die van Kim Deal vertoont, al plaatst meesterbrein Frank Black nieuweling Emma Richardson bewust niet teveel op de voorgrond. Een maand nadat The Night the Zombies Came verschijnt, komt eindelijk het langverwachte debuutalbum van Kim Deal uit, en eerlijk gezegd, ben ik daar stiekem stukken nieuwsgieriger naar.

Ondanks dat de eerste reacties over het algemeen behoorlijk positief zijn, wijkt mijn gematigde mening daar dus wat van af. Het oude werk geeft je direct al een adrenalinekick, welke al bij de eerste track losbarst en welke ze vervolgens tot het einde toe vasthouden. Op muzikaal vlak is The Night the Zombies Came zelfs nog interessanter als Doggerel. Op Doggerel is die urgente overstuurde speenvarken schreeuw van Frank Black nog zeker aanwezig en presenteren ze zich als een brutale eigenzinnige band. Niet het gemis van Kim Deal staat centraal, het is juist eerder de vervlakking van Frank Black. De frontman kruipt tegenwoordig in het gedaante van de zielloze zombie. Gelukkig ontbreekt zijn gevoel voor humor niet. In The Vegas Suite laat de zanger zich als een volgevreten Elvis Presley met de nodige sterallures behandelen. God is nedergedaald en woonde in het gokparadijs.

Blijkbaar heeft de zanger alle sciencefiction films op de streamingdiensten ondertussen gezien, en verdiept hij zich tegenwoordig in B-film horrors. Met de donkere postpunkgalmen van Jane (The Night the Zombies Came) pikken ze een stukje jaren tachtig wall of sound melancholica mee. De lyrics zijn heerlijk duister, een vermoedelijke seriemoordenaar verdwijnt met zijn slachtoffer in de donkere nacht, waarna het slachtoffer alleen terugkeert. Tekstueel is het weer lekker cryptisch vaag, en meestal moet je er dan ook niet teveel diepgang achter zoeken. Juist die eigen invulling maakt het zo leuk. In het daarop aansluitende Chicken altcountry neemt de verdwaalde moordenaar wraak, al raakt hij in zijn eigen horrorscenario verstrengeld. De afronding van Chicken is net zo dood als een glas verschaald bier. Ook geen stoere snelheidsduivel motorsongs meer, in Motoroller rijdt Frank Black op zijn scooter wat zwalkend door het centrum van Berlijn.

De inzet van Joey Santiago beloont zich gelijk al in Primrose. Nog steeds is hij een meester in het creëren van het herkenbare berustende surfrock geluid. Emma Richardson mengt zich voorzichtig afzijdig in het geheel, samen met drummer David Lovering wachten ze geduldig op het moment dat Frank Black los gaat. Die explosie blijft dus uit. Aan Joey Santiago ligt het dus niet, zijn gitaarspel is nog zo krachtig en herkenbaar als in de beste Surfer Rosa en Doolittle jaren. In het new wave getinte I Hear You Mary krijgt Joey Santiago alle vrijheid om met zijn effectenpedalen te klooien. Hij probeert nog steeds een stempel op het geluid te drukken. Ook de amper ingespeelde Emma Richardson kan je niks kwalijk nemen. Bij het psychedelische Hypnotised werkt de samenzang tussen de dominante Frank Black en de wat aarzelende Emma Richardson best aardig en legt de nieuwwassen bassist ook genoeg eigenheid in haar dromerige geluid. Bij de rustige nummers springt het zacht gezongen om vergeving vragende Mercy Me er positief uit. Ook hier komt het samenspel tussen Frank Black en Emma Richardson er verrassend sterk samen.

Maar Pixies waren zo bepalend voor de punkrockgolf revival, werden geprezen door Nirvana en leverden eind jaren tachtig de soundtrack voor het gitaargerichte jaren negentig af. Johnny Good Man en Kings of the Prairie houden zich prima staande tegenover de gelijkwaardige Wave of Mutilation klassieker, maar missen het aangekondigde Frank Black afscheid en de beantwoorde rockende smeekbede van het daar zo voortreffelijk op inspelende Joey Santiago. Ze herpakken zich in het glamthrashende You’re So Impatient, maar ook hier weigert Frank Black om tot het uiterste te gaan. Oké, de jaren gaan tellen, dat neem ik hem voor lief, de bijna zestiger Frank Black heeft ook niet de eeuwige jeugd. Schijnbaar is het live als de oudere nummers voorbij komen, nog steeds een feestje. Nu veer ik voornamelijk bij het op scherp gespeelde Oyster Beds en het garage rockende Ernest Evans op. Je kan het slimste jongetje van de klas geen onvoldoende geven, al weet je donders goed dat hij tot meer in staat is.

Pixies - The Night the Zombies Came | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

PJ Harvey - B-Sides, Demos & Rarities (2022)

poster
4,0
Nu PJ Harvey de afgelopen drie jaar zowat al haar soloplaten aangevuld met demo’s opnieuw op de markt brengt, verwacht je bijna dat ze hiermee haar wekcatalogus afsluit en als 53 jarige icoon in alle rust de stilte opzoekt. Ook dat zou prima zijn geweest, ze heeft ons zoveel moois geschonken. The Hope Six Demolition Project is alweer zes jaar oud, en zou een mooi waardig slotakkoord zijn geweest. Toch blijkt het dat ze de afgelopen periode zeker niet heeft stilgezeten. Sterker nog, volgend jaar zal er daadwerkelijk weer een nieuwe plaat van haar verschijnen. In het verleden heeft ze op Stories from the City, Stories from the Sea al met Thom Yorke van Radiohead samengewerkt. Dat ze een groot liefhebber van de filmsoundtracks van zijn maatje Jonny Greenwood is, en zwaar onder de indruk is van hun The Smile project (wie niet trouwens!) heeft ze al eerder publiekelijk gedeeld. Het zou heimelijk wenselijk zijn als ze een soortgelijke richting inslaat.

Eerst brengt ze nog de maar liefst 59 songs tellende verzamelaar B-Sides, Demos & Rarities uit. Het is een mooie aanvulling op haar eerdere demo platen en het is begrijpelijk dat het derde schijfje met de in Peaky Blinders gebruikte slowrock versie van de Nick Cave cover van Red Right Hand eindigt. Beide artiesten spelen een prominente rol op de gitzwarte boevensoundtrack van deze meesterlijke verfilming, en trekken hiermee een heel nieuw fris jong publiek. Maar goed, het is maar een klein indrukwekkend facet van deze mooi vormgegeven aanvulling op het veelzijdige PJ Harvey werk.

Het is bijzonder dat de eerste 5 in Dorset opgenomen demotracks Dry, Man-Size, Missed, Highway ’61 Revisited en Me-Jane al voor haar eersteling Dry zijn opgenomen en later hun weg naar haar tweede plaat Rid of Me vinden. Rid Of Me is trouwens de enige plaat waarvan er de afgelopen jaren geen demo versie verscheen. Blijkbaar omdat veel materiaal ook op de in 1993 verschenen 4-Track Demos verzamelaar terug te vinden is. De titeltrack Dry staat dus niet op het gelijknamige debuut, maar stamt schijnbaar wel uit diezelfde periode. De demo versie is kaler, later is blijkbaar het drumwerk van mede bandlid en producer Rob Ellis nog aan het geheel toegevoegd. Zo mist Man-Size ook die kenmerkende droge percussie, al blijft de spanning en het explosieve gitaarwerk zeker behouden. Die Man-Size gitaaruithalen zijn zelfs nog rauwer en staan stukken harder in de demo opgesteld, echt een toevoeging om zo terug te horen. Het dromerige Missed gaat overduidelijk van een stevig opbouwende akoestische basis uit. Highway 61 Revisited klinkt misschien nog wel meer af, dan de gedempte Rid Of Me versie. Me-Jane zou zich later nog tot een stoere potige grunge song ontwikkelen en wordt hier nog gekenmerkt door laag overvliegende straaljager gitaaruithalen.

Wat een geweldige aftrap van B-Sides, Demos & Rarities is dit toch, alleen daarom al de moeite waard om aan te schaffen. Als we vroeger voor singletjes en later cdsingles de platenzaken opzochten, waren we ook altijd erg benieuwd naar de B-kantjes. De Daddy accordeon dramatiek is het B-kantje van Man-Size, en ligt meer in het verlengde van het bevriende Björk werk. Als een jaren vijftig hoempapa begrafenis treurorkest komen de blazers in grote olifantenstappen voorbij. Het klein intieme Lying in the Sun en het dravend galopperende Somebody’s Down, Somebody’s Name slidegitaar werkstuk komen van de Down By The Water single, maar spartelen tijdens de To Bring You My Love sessies als vreemde vissen in het vaarwater rond, al hoor je hierin overduidelijk die gitzwarte duistere periode in terug.

Die vruchtbare tijd krijgt een vervolg met het restmateriaal welke de C’mon Billy single vergezeld. Het zwaar aangezette Darling Be Here is bijna een kerkelijke harmonium song, leunende op de donker bezwerende vocalen van PJ Harvey. Maniac flirt met The Sugarcubes achtige pianovervreemding, inheemse percussie en stemvervorming, en ligt aardig in het verlengde van Down By The Water. De stevig gitaar rockende One Time Too Many past inderdaad ook minder goed op To Bring You My Love, maar is wel een blauwdruk van haar latere werk. Het sensuele rauwe Harder zou je eerder op Rid of Me verwachten, toch stamt deze Send His Love to Me B-kant weldegelijk uit de creatieve To Bring You My Love periode.

De retro Naked Cousin glamrocker staat op de The Crow: City Of Angels soundtrack en is minder aardedonker dan de desbetreffende film. Het fraaie Rainer Ptacek eerbetoon Losing Ground staat mijlenver verwijdert van zijn eigen countryversie. PJ Harvey maakt er een spannende rumoerige sensuele track van, waarmee ze vooral dichter bij zichzelf blijft. De adembenemende prachtige sprookjesachtige scheidingssong Who Will Love Me Now gaat erg diep en vormt een mooi aandeel in de psychologische horrordrama The Passion Of Darkly Noon van Philip Ridley. Het eerste schijfje sluit af met het hakwerk van het nooit eerder uitgebrachte Patti Smith achtige Why D’ya Go to Cleveland. Ik ben een goed verzadigde tevreden man, alleen deze eerste zestien tracks zijn de moeite waard om B-Sides, Demos & Rarities te kopen.

Het Instrumental #1 probeerseltje stelt bar weinig voor, en heeft minimale meerwaarde. Dan is het bevreemdende druggy samen met James Lynch gezongen The Northwood stukken interessanter. Samen met het gedempte met emotionele snik gedragen rondspokende The Bay, het toegankelijk fraaie door drums ingeleide Sweeter Than Anything en het tikkeltje overbodige duister jammende Instrumental #3 de B-kanten van A Perfect Day Elise uit de Is This Desire? periode. The Faster I Breathe the Further I Go is lomp, gedurfd, lekker experimenteel en absoluut een mooie aanwinst.

Het gedeeltelijk van Middle of the Road geleende Chirpy Chirpy Cheep Cheep doet in Nina In Ecstasy wat schools jeugdig aan en dit tweetal vormt samen met de donkere Nine Inch Nails achtige pianotrack Rebecca en Instrumental #2 de opvulling van de The Wind single. The Wicked Tongue is een typische jaren negentig indierock track, waarbij PJ Harvey overduidelijk naar het Throwing Muses werk geluisterd heeft. Het maakt allemaal niks uit, ik hou nou eenmaal van die rauwe gitaarsound. Good Fortune van Stories from the City, Stories from the Sea is met het heerlijke engeltjesdromerige Memphis, de broeierige bijna fluisterende slidegitaarsong 30 inclusief tribal drum einde en het hoogwaardige geweldige typische PJ Harvey track 66 Promises ook ruimschoots vertegenwoordigd.

Ook nu passeren de overige singles nog de revue. A Place Called Home wordt aangevuld door het funkdrukkende sfeervolle As Close as This, de licht nerveuse opruiende My Own Private Revolution gitaartrack en het lekkere lome Kick It to the Ground . The Letter en You Come Through zijn de singles van Uh Huh Her. Het duidelijk doorontwikkelde The Falling van The Letter zou met die hemelse postpunk synthpop uithalen zeker op deze plaat niet misstaan en met het ruimtelijk misvormde dwalende The Phone Song en het in het verlengde van de To Bring You My Love sessies liggende Bows & Arrows is ook niks mis mee. Vooruit, bonustrack Angel teert wel heel erg op eerder gedaan werk, maar is wel weer eigenzinnig genoeg is samen met de opgefokte gitaardramatiek van Stone een goede reden om vroeger de rustige exotische You Come Through single aan te schaffen.

Zelf heb ik het minste met haar latere albums, al weet ik dat velen deze mening niet delen, dus hier ben ik het minste enthousiast over. Niet getreurd, op het derde schijfje is er meer dan genoeg ruimte voor die tijd vrijgemaakt. Het ruwe 92 heeft heerlijke hoge kopstem uithalen, funkt eigenwijs en is een verademing om te horen, al nijgt ze hier al naar die theatrale kant waar ik meer moeite mee heb. Het tevens van Shame afkomstige Dance nodigt inderdaad uit om te bewegen, maar klinkt nog wat onaf. Wat ook terecht klinken zijn de demo’s van het schelle Oosterse Cat On The wall, het houten You Come Through klankenbord, het verleidende The Birthday Party achtige Uh Huh Her en het kwaadaardige femme fatale Evol van de Uh Huh Her sessies die vreemd genoeg niet op de korte vorig jaar verschenen Uh Huh Her – Demos staan. Niks mis mee, lekker slordig rammelend met hier en daar wat onverwachte vreemde instrumentatie toevoegingen. Maar goed Uh Huh Her is hier met alle singles en demo’s dus ruim voldoende vertegenwoordigt.

Van de White Chalk singles wordt er telkens maar een nummer toegevoegd. De folky seventies bluesrock Wait van When Under Ether, het bijna onherkenbaar exotische ritmische psychedelische gezongen Heaven van The Piano, en het traag stekende Liverpool Tide van The Devil. Het verrassend goed ontvangen Let England Shake komt uiteraard ook aan bod. The Big Guns Called Me Back Again van The Words is volgepropt met de nodige gastmuzikanten. De zeer goed bij stem zijnde PJ Harvey klinkt kinderlijker, emotioneler, melodieuzer, veiliger en liever dan ooit tevoren. Het is eventjes wennen, net alsof ze haar zangkwaliteiten nu pas echt ontdekt heeft. En toch heeft die vrouwelijke sensualiteit van het eerdere werk zoveel meer kracht en zeggingskracht.

Het schelle The Nightingale van The Glorious Land zit wel tegen het schreeuwerige aan. Bij Shaker Aamer grijpt PJ Harvey weer enigszins terug naar haar roots, maar het mist die ouderwetse vocale diepte. Guilty wordt met de old school ska blazers invloeden wel op single uitgebracht, maar komt uiteindelijk niet op The Community of Hope terecht. Het holle Homo Sappy Blues en het hatelijke niemendalletje I’ll Be Waiting worden in dezelfde periode opgenomen, maar missen dus ook die ouderwetse wrange gemeenheid en die typerende PJ Harvey humor. The Age of the Dollar is in de verte te tot Dolar, Dolar van The Hope Six Demolition Project te herleiden.

The Camp is de stevige folkcountry single die PJ Harvey samen met de Egyptische hardrock zanger Ramy Essam maakt. De samenwerking met componist Harry Escott levert het breed gearrangeerde pianotrack An Acre Of Land op, welke als themasong voor de plattelandse dramafilm Dark Rivers wordt gebruikt. Een geweldige sfeervolle duistere samenwerking, welke zeker een vervolg verdiende. Ook het heerlijk stampende The Crowded Cell is uitbundig muzikaal filmmateriaal, in dit geval voor de heftige Brits-Ierse dramaserie The Virtues van Shane Meadows. De Vlaamse operaregisseur Ivo van Hove is vooral bekend door zijn vriendschappelijke relatie met David Bowie, de Lazarus musical is een van de laatste projecten waaraan David Bowie meewerkt. Ivo van Hove bewerkt de filmklassieker All About Eve tot een theaterstuk, waarvoor PJ Harvey in 2019 het klassieke The Sandman en The Moth pianostukken aanlevert. Heerlijke bonustraktaties en waarschijnlijk tevens voorstudiewerk voor haar volgend jaar te verschijnen nieuwe plaat. Een waardig eindstuk om de uitgebreide demo tijdperk mee af te sluiten.

PJ Harvey - B-Sides, Demos & Rarities | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

PJ Harvey - Dry (1992)

poster
4,0
PJ Harvey wist mij op Pinkpop nog niet te boeien.
Blijkbaar vond ik het in 1992 op dat tijdstip belangrijker om op zoek te gaan naar iets te eten, en daarvan heb ik achteraf wel spijt.
Als je nagaat hoeveel maanden je in een mensenleven besteed aan het naar binnen werken van voedsel, terwijl ik niet de moeite nam om eventjes die, wat zou het zijn, drie kwartier, de tijd nam voor dit fragiel ogende kleine meisje op het podium.
De enige keer namelijk dat ik haar live heb gezien.
Niet wetende dat PJ Harvey zich later als podiumbeest zou ontwikkelen.
En als ik nu de opnames terug kijk, moet ik tot de conclusie komen, dat ze hier absoluut nog niet de uitstraling had van de diva, welke ze wel degelijk zou worden.
De uitvoering van Dress is gewoontjes, zonder de sensualiteit die ze bij latere live opnames zeker in haar uitvoeringen kan leggen.
Dus ik begrijp mijn keuze enigszins wel.
En tussen het hardere gitaargeweld van Pearl Jam, The Cult en Soundgarden aan de ene kant, en iconen als David Byrne en Lou Reed valt ze bijna niet op.
Ja, op het eind van het concert liep ik wel naar voren, niet voor Polly Jean, maar meer om als Limburger mee te springen op Rowwen Hèze.

Toch is Dry een sterk debuut.
Schuchter, en op de achtergrond gemixt komt de zang invallen bij Oh My Lover.
Onzekerheid en twijfel zijn de woorden die in mij op komen.
Bijna huilend wordt het afscheid van een vreemd gaande geliefde bezongen.
Och, Henry Lee, haar wraak zal jaren later zoet zijn.
De uitvoering van Dress op Dry is ook stukken wanhopiger, en sterker dan de toch wel softe Pinkpop uitvoering.
Hier hoor je de waanzin wel terug, en zou ze zich prima staande kunnen houden langs een Eddie Vedder of Lou Reed.
De baspartijen op Victory hebben dat slepende van Soundgarden, ik vind ze zelfs behoorlijk op die van Jesus Christ Pose lijken.
Toch blijft PJ Harvey op Dry beschaafd en netjes klinken.
De meeste ophef kwam door de achterkant van de albumhoes, waarop een foto te zien was van haar ontblote borsten.
Foei toch!

PJ Harvey - Dry - Demos (2020)

poster
4,0
Wat komt PJ Harvey op Pinkpop 1992 nog onschuldig over. Daar tussen al het stevige gitaargeweld en grote klinkende namen in de popgeschiedenis staat dat verlegen, ietwat schuchtere zangeresje met haar twee handenvol aan alternatieve rocknummers. Gewoontjes gekleed in een eenvoudige leren jasje, haren in een staart en grote opvallende gouden oorringen. Een gigantisch, enorm contrast met de uitdagende vamp die drie jaar later op Torhout de volle aandacht volledig weet op te eisen. Toch was in 1992 hiervan weinig aan haar presentatie van terug te zien. Het toekomstige podiumdier is hier nog gekooid en getemd.

Haar bewuste vrouwelijkheid viel echter wel al eerder op. Dry is een verrassend sterk debuut waarbij men vooral valt over de gewaagde hoesfoto met ontbloot bovenlichaam, en de dominante, quasi meesteres/feministische teksten. Zonde dat hier voornamelijk over gesproken wordt en men zich inhoudelijk minder over haar sterke plaat uitlaat. Pas later zal dit ruimschoots goed gemaakt worden, en ontwikkelt ze zich als prominent rolmodel voor de nieuwe lichting seksueel bewuste vrouwelijke singer-songwriters.

Dry is een typische bovengemiddelde indieplaat. De sensualiteit is nog ver op de achtergrond weggestopt, en ondanks dat de plaat regelmatig wat lo-fi aandoet, is men reuze nieuwsgierig naar de basis van de tracks. Zeker nadat een aantal songs al in een kalere uitvoering in 2006 op The Peel Sessions 1991-2004 verschijnen. Nu komen al haar albums op vinyl uit met de demo’s als mooi bonus materiaal. Een geschikte reden om stil te staan bij haar prachtige eersteling en vooral daar de aandacht op te richten. De kern waarmee het verhaal rond dat kleine dametje PJ Harvey als het ware start.

Zoals verwacht ligt de nadruk hier vooral op het ruwe, schetsmatige gitaarspel van PJ Harvey. Hier hoor je wel al enigszins de herkenning in terug, al is die vooral op haar eigen conto te schrijven. Van haar toekomstige band is alleen Mike Paine van de partij, en die beperkt zijn gitaarakkoorden tot Fountain en Water. De overige sporadische hulp is beperkt tot een gastrol van cellist Tom Rickman op Dress en vocalist Stephen Allen die meezingt op Victory.

Ik kan niet ontkennen dat mijn persoonlijke aandacht direct naar het trio Oh My Lover, Dress en Sheela-Na-Gig wordt getrokken. Toch wel de drie-eenheid die gedurende de jaren zijn uitgegroeid tot de krachtigste tracks van Dry, en waarmee live ook de nodige spanning wordt opgeroepen.

De volkomen onbekende Lisa Comer verzorgt de tweede stem op Oh My Lover, waardoor het nummer een totaal andere impact heeft. Kreeg je voorheen nog de indruk dat een mannelijke minnaar werd toegezongen, nu ga je het toch op een totaal andere manier naar luisteren. Het mysterie rondom de geheimzinnige Polly Jean Harvey wordt hierdoor alleen maar groter.

De wanhoop van de uiteindelijke versie is misschien nog wel primitiever van opzet te noemen. Zonder de akkoorden uitbrakende krassende gitaar blijft er een zwaar dromerig geheel over, veel sneller en vrouwelijker. De samenzang is een verademing, zeker zoals de stemmen als verleidende slangen uit het hof van Eden over elkaar heen kronkelen. Polly komt stukken feller over, als het bedrieglijke verleden, terwijl Lisa Comer de kinderlijke onschuld uitademt.

Dress is nou het perfecte voorbeeld van hoe een nummer zich uiteindelijk door de vele tourervaringen zich live alleen maar verder weet te ontwikkelen. De smerige rocksound die zich op Dry manifesteert is niet te vergelijken met de intimiteit waaruit deze is uitgewerkt. Feit is dat de stem van Polly Jean al genoeg overtuiging brengt. Het is geweldig om te horen hoe klein het allemaal begint, door met het einde op het startpunt van Dry te belanden. De te bewandelen weg is hoekig en hobbelig, maar het geeft hierdoor zoveel extra. Helaas heeft de ondersteunende cello de uiteindelijke finishlijn niet gehaald.

Het sterke opzwepende drumwerk op Sheela-Na-Gig ontbreekt nog op de demoversie, maar is vreemd genoeg niet eens zo groot gemis. Wel is de zang hier nog te schel en onvolwassen. Dat het een ruwe diamant is waaraan flink geschaafd moet worden is geen vervelende conclusie. Het blijven uiteraard beginsels waarmee Polly Jean zichzelf probeert te vinden en te verkopen.

Wat heel erg opvalt is dat de opnames van verrassend hoog niveau zijn. Het afsluitende viertal Joe, Plants and Rags, Fountain en Water verschilt niet bijzonder veel van de uiteindelijke versies. Eigenlijk is dit min of meer een bevestiging dat het soms niet nodig is om in de studio nog veel te veranderen, herschrijven of te camoufleren.

Kwalitatief is er dus weinig op aan te merken, ook de helderheid zorgt ervoor dat het nergens echt rommelig overkomt. Het is erg gaaf om te ontdekken dat de rockende songs vaak van oorsprong country roots hebben. Daar ligt de ziel van Dry in verborgen. Deze componerende eigenschappen wordt vervolgens een beetje overschreeuwd door het harde snijdende rammelende gitaarspel en de overstuurde vocale uithalen. Man, als deze eerste demo al zoveel moois oplevert, dan kan je niet wachten totdat die schatkist volledig geopend wordt. Wordt vervolgd.

PJ Harvey - Dry - Demos | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

PJ Harvey - I Inside the Old Year Dying (2023)

poster
4,5
Tussen het harde Pinkpop grunge mannengeweld in 1992 valt mij de schuchtere vrouwelijke persoonlijkheid PJ Harvey amper op. Onder die lieflijke gekooide presentatie gaat echter een ontembare feministische felheid schuil die ze vervolgens helemaal uitbuit. Ze ontwikkelt zich tot een overtuigende podiumdiva, verwoordt haar gitzwarte depressies, stelt als een rondzwervende nomade multiculturele vraagstellingen aan de kaak en geeft haar Britse culturele Dorset roots een bevestigend woord. Met The Hope Six Demolition Project sluit ze in 2016 haar muzikale verslaglegging zinvol af.

Vrijwel anoniem bundelt ze haar poëtische verhalen in het semi biografische Orlam. Een intiem boekwerk over het achterlaten en loslaten van de zorgeloze kindertijd om het volwassen rijpingsproces te bewerkstellen. Haar hoofdpersonage Ira-Abel Rawles bezit vrijwel dezelfde identieke achtergrond kenmerken als PJ Harvey. Het heeft raakvlakken met de And The Ass Saw The Angel geschiedvertellingen van haar voormalige liefdespartner Nick Cave, die tevens geloofswaanzin en het verliezen van de jeugdige onschuld hierin een plek geeft. Het inspireert haar om opnieuw de studio in te duiken.

Oudgedienden John Parish en Flood staan haar als producers bij. Uiteindelijk is het PJ Harvey die zelf die eindverantwoording opeist. Het is een gedurfde overweging om haar intrigerende teksten muzikaal te ondersteunen. Net als de bevriende Thom Yorke van Radiohead bezit ze het vermogen om verknipte grensoverschrijdende muziek af te leveren. Dat ze zwaar onder de indruk van het The Smile project is geeft ze publiekelijk toe, en misschien is dat laatste zetje wel de I Inside the Old Year Dying aanzet. De aftrap is onderhand gelijktijdig met het indrukwekkende Londense The Smile concert van Thom Yorke, Jonny Greenwood en Tom Skinner.

Haar tiende I Inside the Old Year Dying studioplaat is een literair muzikaal hoogstandje met de nodige Bijbelse en Shakespeareaanse verwijzingen. Een artistiek kunstwerk van een zangeres die zichzelf voor de zoveelste keer opnieuw uitvindt. De beangstigende duisterheid past perfect bij de betoverende sprookjesvoordracht van PJ Harvey, die dan weer betrouwbaar moederlijk, dan weer zo vals als een bijtende feeks van zich laat horen. In het onheilspellende Prayer at the Gate staat het centrafiguur Ira-Abel Rawles twijfelend als een Alice in Wonderland voor de duivelse paradijspoort.

Zijn de verlokkingen zo groot dat deze niet te weerstaan zijn, of neem je gepast van I Inside the Old Year Dying afstand, en distantieer je jezelf van de kronkelende bevindingen van PJ Harvey. Ik kan mijn nieuwsgierigheid amper bedwingen en trotseer die mythische twaalftallige odyssee van deze persoonlijke heldin. I Inside the Old Year Dying overstijgt de menselijke waarneming doordat PJ Harvey zich tekstueel ver boven de mensheid plaatst. Het kost teveel inlevingsvermogen om haar hierin te volgen. PJ Harvey heeft haar kenmerkende laagtes voor hemel bestijgende hoogtes ingeruild.

De Prayer at the Gate beschermheer verovert als een rattenvanger de onschuldige harten van de volgende kinderen. De mythologische opslokkende duisternis overstijgt PJ Harvey, een observerend bijfiguur, die van de zijlijn toekijkt hoe het geloof zijn kwaadaardige tentakels uitwerpt en de prooivangst binnenhaalt. Getergd huilt de vocalist het verdriet van haar af, en trekt mij dieper de diepte in, de jazzy Prayer at the Gate triphop gospel is ondoorzichtig zwart, uitzichtloos zwart. Die moordende angst versterkt zich in het slagvaardige stroperige Autumn Term. De reis naar de afgrond vergelijkt ze met die benauwende traumatische eerste schooldag, het afscheid, de onzekerheid en de paniek om nooit meer naar het ouderlijke huis terug te keren.

Lwonesome Tonight ontmaagdt het maagdelijke. Alles is nieuw, alles is vreemd, anders. Is de liefde een amicale betrouwbare metgezel, of juist het duivelse onbetrouwbare verraad. Het korte I Inside the Old Year Dying titelstuk rijmt met haar C’mon Billy verleden en heeft nog de nodige hit potentie en een vatbaar karakter, verder is het vooral naar de toegankelijke stukken zoeken. A Child’s Question, July is een griezelig hoorspel, welke misschien het beste met The Ninth Wave van Kate Bush te vergelijken is. De grimmige A Noiseless Noise kakofonie sluit I Inside the Old Year Dying af.

Door het verknipte experimentele karakter krijg je de indruk dat de doordachte cryptische zinnen juist die innerlijke gevoelens camoufleren. Net als bij Nick Cave hebben de evangelische Bijbelse verwijzingen de overhand en haalt ze Elvis Presley als het overkoepelende Goddelijke wezen aan. Het grote verschil is dat bij mannen het aardse destructieve verval de overmacht heeft, PJ Harvey gaat juist van de wederopbouwende schoonheid uit. Ze is zich bewust van de liefdevolle natuurbeleving.

Laten we stellen dat de vrouw de daadwerkelijke schepper van de wereld is, welke negen maanden in haar schoot groeit. Het mannelijke tegenbeeld heeft er zeven dagen voor nodig om deze de vernieling in te werken. De vier jaargetijden bewaken het groeiproces, de afbraak en de wederopbouw waarbij ze folkloristische flarden aan veldopnames als basisbeginsel neemt. Nooit eerder levert een PJ Harvey plaat juist zoveel onbeantwoorde vragen op. Gemakkelijk? Zeker niet, maar is het leven dan eenvoudig en gemakkelijk?

PJ Harvey - I Inside the Old Year Dying | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

PJ Harvey - Is This Desire? (1998)

poster
4,0
Opener Angelina zou zo een nummer van Patti Smith kunnen zijn; maar bij The Sky Lit Up hoor je weer een Chrissie Hynde van The Pretenders in terug.
Het zouden onderhand odes aan deze twee grootheden kunnen zijn.
Maar PJ Harvey heeft dat niet nodig.
Ondanks dat ik Chrissie Hynde en Patti Smith als artiesten hoog heb zitten, hebben beide nooit zo’n geweldig album als To Bring You My Love afgeleverd.
En dat is heel lang voor mij het eindstation van PJ Harvey geweest.
Een paar jaar eerder zag ik ze op Pinkpop, en maakte ze weinig indruk.
Vervolgens komt ze met een sterk album, waarbij de invloeden van een Nick Cave hoorbaar zijn, met wie ze in dezelfde periode Henry Lee opneemt.
Wel hier en daar een nummer van Polly Jean gehoord, maar daar bleef het voorlopig wel bij.
Totdat ik Bubblegum van Mark Lanegan kocht, en overdonderd werd door het geweldige Hit The City.
Deze vrouw kon nog steeds indruk maken.
Na de sterke twee eerste nummers en het duet met haarzelf op The Wind, gaat het album meer richting de elektronica waarmee Radiohead en vooral Thom Yorke later indruk mee maakt, al kan ik het juist van die band niet altijd hebben.
Die invloed blijft aanwezig, met daarin soms uitstapjes naar het verstilde geluid van de latere Talk Talk (Catherine), het mysterieuze van Portishead (Electric Light) of het broeierige van Massive Attack (The Garden).

PJ Harvey - Rid of Me (1993)

poster
4,0
Rid Of Me is een stuk rauwer dan Dry.
Waarschijnlijk speelt het ook mee dat Steve Albini hier verantwoordelijk is voor de productie.
Deze producer was rond dezelfde periode ook actief bij Nirvana’s album In Utero.
Opener Rid Of Me zet gelijk de toon.
Wat is dit een geweldig nummer.
Het benauwde begin om vervolgens helemaal los te gaan.
Lick my legs I'm on fire
Lick my legs of desire

Duidelijke taal.
Ook haar podium presentatie is in deze periode totaal veranderd.
De spijkerbroek en leren jas zijn vervangen door een sexy jurkje, met daaronder hoge hakken.
Weg is de schuchterheid.
Het onschuldige meisje is gegroeid tot een Femme Fatale.
Rid Of Me is een stuk minder toegankelijker dan Dry en zelfs als opvolger To Bring You My Love.
Ik kocht deze vrij snel na To Bring You My Love voor een paar gulden, omdat hij flink afgeprijsd was.
Maar wat was ik teleur gesteld toen ik thuis kwam.
Volgens mij heb ik deze toen een keer gedraaid, en is hij toen voor jaren in de kast verdwenen.
In die tijd had je ook zangeressen als Alanis Morissette, Jewel, Heather Nova en Joan Osborne, en die klonken allen een stuk toegankelijker dan de bijna hysterische dramatiek van Polly Jean op het nummer Legs.
Als je de tekst en uitvoering van Rid Of Me en Legs goed luisterd, dan zou je bijna denken dat PJ Harvey model heeft gestaan voor het karakter Xenia Onatopp in de James Bond film GoldenEye, de vrouw die kon doden met haar dijen ; gespeeld door onze eigen Famke Janssen.
Rid Of Me is waarschijnlijk nog steeds het minst toegankelijke album van PJ Harvey, maar zeker niet haar minste.

PJ Harvey - Stories from the City, Stories from the Sea (2000)

poster
4,0
PJ Harvey klinkt hier gelukkiger en opgeruimder.
Alsof ze in New York in de anonimiteit wilde verdwijnen.
Gewoon een persoon in een grote stad.
Gewoon een wereldburger tussen die 8 miljoen anderen.
Deze metropolische mierenhoop geeft haar rust en bezinning.
Een zoektocht naar levensgeluk lijkt voltooid.
Hier klinkt ze niet meer als het vrouwelijke evenbeeld van Nick Cave.
Al blijft de link wel aanwezig.
Bad Seed Mick Harvey is mede verantwoordelijk voor de productie.
Het dreigende element van haar muziek lijkt onder controle.
Waarschijnlijk de reden dat ik dit album te lang niet gedraaid heb.
Dit claustrofobische rupsje zat te lang gevangen in een krappe cd-kast.
Bang om haar teveel vrijheid te geven.
Waardoor het zich niet kon ontpoppen tot een veelzijdige vlinder.
Mijn voorkeur ging vaak uit naar To Bring You My Love.
En hoor ik dan One Line en Beautiful Feeling, dan krijg ik spijt.
Toch wel degelijk PJ Harvey op haar best.
Zou ik dan toch misleid zijn door de keuze van de toegankelijke singles?
Great Fortune en A Place Called Home lijken mij gericht op het grotere publiek.
De samenwerking met Thom Yorke in This Mess We're In is redelijk geslaagd te noemen.
Ik hoor haar stem liever in combinatie met Nick Cave, Tricky of Mark Lanegan.
Qua klankkleur en duisternis geeft dit meer het euforische effect.
Wel een prettige herontdekking.

PJ Harvey - The Hope Six Demolition Project (2016)

poster
3,5
Voor mij is The Hope Six Demolition Project de opvolger van Stories from the City, Stories from the Sea.
Werd bij laatst genoemde album het leven bekeken vanuit New York, nu vanuit de hele wereld.
PJ Harvey is ouder geworden, en bij een bredere kijk hoort schijnbaar ook een groter oppervlak.
Muzikaal gebeurt er meer dan genoeg op dit nieuwe album, wat zeker een pluswaarde heeft, maar Pj Harvey zelf klinkt wat terughoudender.
Minder sensueel, minder kwaadheid, minder spanningsbogen.
Die koortjes tussendoor vind ik ook niet veel toevoegen.
Laat de liedjes maar weer kleiner in het vervolg, en wat meer persoonlijker.
The Wheel springt er positief boven uit, maar de rest is niet van deze klasse.

PJ Harvey - To Bring You My Love (1995)

poster
5,0
Pinkpop 1992.
De droom.

Tussen de stoere mannenrock van Pearl Jam, Soundgarden en The Cult staat daar dat sympathieke schattige zangeresje geprogrammeerd met die te grote oorbellen, bij dat te grote hoofd met daaronder dat breekbare lijfje.
Lekker onderuit in het vochtige gras een beetje weg dromen, met je gedachten ergens zwevend boven Landgraaf.
Ver weg, ergens in een roes.

Nijmegen 1995.
De ontwaking.

Via een koptelefoon waar alleen de rechterkant nog functioneel is, luister ik in een platenzaak naar de nieuwe PJ Harvey.
Verdwenen is het fragiele meisje.
Vanaf de eerste seconden van To Bring You My Love weet je dat het hier een krachtige diva aan het werk is.
De toon is harder, bijna duister zelfs.
Hoe is deze vrouw zo geworden?
Wat heeft zich in de afgelopen 3 jaar in haar leven af gespeeld?

Hoe verder het album vordert, des te minder zicht krijg ik op de antwoorden van deze vragen.
Nick Cave heeft er een concurrent bij.
Niet voor niks zal hij een jaar later door haar symbolisch afgemaakt worden in Henry Lee
PJ Harvey is synoniem geworden van het sterke geslacht.

Bij Down By The Water is ze de halfgodin Sirene, die met haar mooie zang zeelieden in de val lokt.
In C’mon Billy is ze de bedrogen echtgenoot die haar man martelt in gevangenschap.
Pas in The Dancer toont ze enige vorm van berouw, en kan ik alleen maar haar dit alles vergeven.

PJ Harvey - White Chalk - Demos (2021)

poster
4,0
Als PJ Harvey een half jaar na het verschijnen van Rid of Me in de winter van 1993 4-Track Demos uitbrengt is het al snel duidelijk dat die pure demoversies misschien nog wel interessanter zijn dan haar toch al niet misselijke tweede album. Het is net wat ongepolijster en rauwer en in principe heeft de veelal geprezen producer Steve Albini weinig nieuws toegevoegd. Des te wonderbaarlijker is het dus dat juist hij degene is die het initiatief neemt om de originele versies op de markt te brengen.

Ruim een jaar geleden komt het nieuws naar buiten dat al haar platen opnieuw op vinyl worden uitgebracht, met als extraatje de demoversies van de oorspronkelijke songs. Ze weet direct te verrassen met de schoonheid van de Dry Demos. Ondertussen is haar zevende album White Chalk aan de beurt. White Chalk is hoe dan ook een stijlbreuk met haar eerdere verschenen platen. De piano staat sterk op de voorgrond, en de stoere rockchick klinkt hier bijna hemels fragiel. Ze zoekt veel meer de hoogte op en het duurde voor mij dan ook een langere tijd voordat deze zou landen. Ondertussen is White Chalk mij net zo lief als het overige werk en begrijp ik beter de keuze om voor een intiemer geluid te gaan.

Doordat PJ Harvey haar sound in de loop der jaren zo geperfectioneerd heeft had ik geen flauw benul wat ik van de demo’s moest verwachten. De sound is al zo kaal mogelijk op White Chalk gebracht, waardoor je de indruk krijgt dat de zangeres met een goed voorbereid plan de studio ingedoken is. Sterker nog, ik sta er niet eens van te kijken als er niet eens demoversies van de nummers verschenen waren, en dat het in een keer goed op de plaat terecht is gekomen. Hierdoor zit ik behoorlijk in dubio. Het zou mij niet verbazen als het weinig toevoegt, al hoop ik uiteraard dat het mij aangenaam zal verrassen. We hebben hier namelijk wel te maken met PJ Harvey.

Het verschil zit hem in de details. Door minimaal gebruik te maken van ritmes loert The Devil dreigend om de hoek, terwijl hij bij de uiteindelijke versie lomp voorbij marcheert. Het geknepen stemmetje van PJ Harvey is ontsnapt, terwijl ze in oorsprong hulpeloos haar lot afwacht. Het zijn prachtige lichtgewicht veertjes, gerijpt om geplukt te worden. PJ Harvey voegt het Kate Bush theatrale van Wuthering Heights toe, met de vocalist in de hoofdrol van de rusteloze geestverschijning van Catherine, waarbij het sensuele Tori Amos gekleurde pianogepingel een geschoold dieppaarse achtergrond vormt. Ze offert hiermee een overtuigend aanwezig stukje eigenheid op, wat in de demo uitvoering nog overduidelijker tot uiting komt.

Maar zoals ik al eerder aangaf zit het hem dus in die kleine summiere differentiatie. De frêle zangeres stapt uit haar afgemeten divajasje, en presenteert zich zo naakt mogelijk aan het publiek. Er hangt een kille aura omheen die nog niet door het Jim White drumwerk en de baspartijen van Eric Drew Feldman tot leven is gewekt. De spookachtige geestverschijning van een in wit geklede PJ Harvey op de albumhoes past perfect bij het jammerende doodse karakter. Kwetsbaar en gebroken voegt het meer dan genoeg toe.

PJ Harvey - White Chalk Demos | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Placebo - Without You I'm Nothing (1998)

poster
4,0
Placebo is een muzikale samenvatting van wat er de 10 jaar daarvoor gebeurde.
Dromerige gitaarpop ondersteund door een typisch brits stemgeluid.
Ondersteund door een strak ritme.
Smashing Pumpkins en Stone Roses.
Al kost het enige tijd om te wennen aan het geluid van Brian Molko.

Pure Morning en Every You Every Me hebben een hypnotiserende werking.
Als een mantra nestelt de tekst in je hoofd.
Religieuze hymne.
De opwekkende werking is als cafeïne.
Warme mok zwarte koffie tegen de slapenloosheid.
Energie voor de komende uren.

Vervolgens de agressie in Brick Shithouse.
Maar wat klinken die akkoorden verfrissend.
Alsof je naar het betere werk van Sonic Youth aan het luisteren bent.
Daydream Nation en Sister in mijn achterhoofd.

You Don’t Care About Us.
Een begin dat veel weg heeft van Just Like Heaven van The Cure.
Invloeden die ook hoorbaar zijn in Burger Queen en Without You I’m Nothing.
Laatstgenoemde had perfect op Wish gepast.

Met Scared Of Girls en Allergic presenteren ze zich als ideale festivalsband.
Het gevoel weten ze over te brengen.
Beelden van een hossende massa.
Het verlangen om dit live te ervaren wordt steeds groter.

Meer de diepte in met The Crawl, My Sweet Prince en Ask For Answers.
Puberangsten openbaren zich.
Al moet Molko qua emotie een soortgelijke androgene artiest als Brett Anderson van Suede voor zich houden.

Plastic Mermaids - It's Not Comfortable to Grow (2022)

poster
4,0
Woodstock wordt nog altijd gezien als het eerste echt grote popfestival, maar zoals vaker in het Verenigde Staten het geval is, komt de inspiratie hiervoor uit Europa. Het Britse Isle of Wight Festival heeft zijn aftrap al een jaar eerder, en in 1968 staan Smile (pre-Queen), Arthur Brown, Fairport Convention, Tyrannosaurus Rex en het op beide plekken optredende Jefferson Airplane daar op het podium. Het Isle of Wight festival bouwt een legendarische cultstatus op, welke door de herstart van dit mythische gebeuren in 2002 versterkt wordt. Het hier gesettelde Plastic Mermaids heeft dit beroemde eiland als thuisbasis en groeit mee met de tweede lichting concertgangers al heeft hun muziek verrassend veel vergelijkingen met de folk en glamrock van die eerste groep aan uitvoerende muzikanten.

Ze zijn er nog, cartooneske tegenpartij figuranten. Eigenzinnige antihelden die zich heerlijk dwars opdringend tegen de gevestigde popideologie verzetten en hun eigen koers varen. Werden we eerder dit jaar al verrast door de androgene eightieswave van Walt Disco, Plastic Mermaids gaat op muzikaal vlak nog net een stapje verder. Plastic Mermaids is het product van de zap-generatie, zonder ingecalculeerd hokjes denken, maar inclusief die creatieve vrijheden van overal aan snuffelen, proeven en je eigen menggerecht in elkaar flansen. Waarom in een vervreemde wereld leven die niet de jouwe is. Waarom geen eigen regels creëren en de muziekgeschiedenis simpelweg herschrijven. Waarom opgroeien, waarom niet die eeuwige jeugd vasthouden en claimen. Ja, waarom eigenlijk?

Was de gekte van eersteling Suddenly Everyone Explodes al onnavolgbaar, verwacht ook nu niet meer duidelijkheid en inzicht in het Plastic Mermaids verhaal. Hoekige postpunk intro’s, gospelsoul disco, karakteriserend sober gitaarspel, bevrijdende neo-psychedelica en croonend orgelsentiment. Het Marbles tweeluik ontstaat in brekende fragiliteit om vervolgens in een bekogelend jazzritmeslagveld en een veelkleurige waterval aan bijna tastbare dancebeats helemaal los te gaan. Plastic Mermaids weet verrekte goed waar ze in die subcultuur staan en verwoorden dat in het aan The MGMT memorerende Disposable Love perfect. We’ll make a band and rip off all the ’80s tunes. We’ll play the game and fuck the art. And dressed in clothes that don’t purvey our attitudes. We’ll mix it with the avant-garde. Het is een stukje aansprakelijkheidsgevoel en relativerende zelfkennis, welke hierbij zeker in het voordeel meespeelt.

De donkere kant van het It’s Not Comfortable to Grow concept. Dit is absoluut geen gemakkelijke tijd. De elektronische hartslag van de opener wordt door doodse futuristische klanken zo strak ingepakt dat Plastic Mermaids een piano nodig heeft om dit regiem te doorbreken. We vallen allemaal te pletter, het pluche klankenpalet vangt je op, geeft wat verlichting om vervolgens in snoeiharde jazzritmes en overstuurde orkestratie door te dreunen. Plastic Mermaids is Douglas Richards bastaardkindje welke hij met zijn broertje Jamie geadopteerd heeft en gezamenlijk de nodige culturele beschaving bijbrengt. Verder bemoeien Chris Newnham, Tom Farren en Chris Jones zich met de gelijkwaardige opvoeding, en stopt een ieder er genoeg eigenheid in. Dit zijn allemaal veelzijdige multi-instrumentalisten,die met hun mierzoete achtergrondzangpartijen een anticlimax reactie oproepen.

Ondanks die chaotische invalshoek bezit hun deprimerende tweede studioplaat It’s Not Comfortable to Grow meer dan genoeg structuur en stof om dieper over na te denken. Douglas Richards worstelt met zijn eigen persoonlijkheid, raakt de grip en het contact met de buitenwereld kwijt, en verdrinkt in zijn eigen genialiteit. Kortom, hij maakt dezelfde gemeenschappelijke ellende mee en durft deze maatschappelijke kwestie aan de kaak te stellen. De vocalist van Plastic Mermaids verontschuldigt zich voor het verslechterend mondiale waarnemingsvermogen en verraadt hierin al min of meer vrij direct zijn sterke dichterlijke schrijfkwaliteiten. En als je jezelf zo mooi poëtisch kan verantwoorden, een tekst gedragen kan voordragen en ook nog het volk zo duidelijk aanspreekt, valt al snel de vergelijkbare naam van theatraal Pulp voorman Jarvis Cocker.

We dwalen allemaal in ons isolement door die nachten heen en groeperen ons tot een groot collectief aan volksvertegenwoordigers die samen de meerderheid vormen. Als we deze ronddraaiende stronthopen overleven eindigen we uiteindelijk toch uitgerangeerd afgeschreven in een bejaardenhuis. A million things to ask myself, i’m caught up staring at the old people in an old peoples home. Will we grow old and be alone and die in pain is that the way it goes?. Het is slechts Elastic Time, de tijd is rekbaar, totdat deze versleten, afgeraffeld op springen staat. Het niet te vermijden slotakkoord.

Plastic Mermaids - It's Not Comfortable to Grow | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Plush - More You Becomes You (1998)

poster
3,0
Juist op het moment dat de Unplugged hype een beetje wegebt, komt het wollige Liam Hayes alter-ego Plush met een kale huiskamerplaat waar de liefhebbers smullend mee zullen weglopen. Echter, dan moet het schijfje wel onder de aandacht van het ambitieuze lo-fi beminnende publiek gebracht worden. Het krakkemikkige More You Becomes You ziet in de nazomer van 1998 het licht.

Soaring and Boring heeft een bescheiden aandeel in de cultklassiekerfilm High Fidelity, waarna het balletje voorzichtig gaat rollen. Echter aan de andere kant van de oceaan wordt de Amerikaan totaal genegeerd, en komt zijn debuutplaat op de stapel van voortijdig afgeschreven hoopvol talent terecht. Soms overtreft kwantiteit de kwaliteit en tussen dat overschot van releases is het niet eenvoudig om de pareltjes eruit te pikken. Liam Hayes blijft jarenlang geduldig wachten, totdat hij vijfentwintig jaar later concludeert dat de aanpak en het tijdstip misschien niet zorgvuldig genoeg gekozen is.

Op de laatste dag van mei dit jaar komt er een heruitgave op de markt, die door mij totaal over het hoofd wordt gezien. Schijnbaar past de nieuwe in de lente geplande releasedatum beter bij de plaat en komt het verbaal praktisch onhaalbare (I Didn’t Know) I Was Asleep als ontwakende winterslaaptrack nu treffender tot zijn recht. More You Becomes You legt de aandacht bij eenvoudig door pianospel begeleidende luisterliedjes, en niet bij de grote gedurfde complexiteit. De schoonheid zit hem in het pure, Liam Hayes mag er zelfs soms verbaal helemaal langs zitten, zolang dat akoestische raamwerk maar niet ingegooid wordt. Hij stopt in ieder geval meer dan genoeg fysieke arbeid in dit amper een half uur durend verfijnd kleinood.

Tijdens zijn beste momenten brengt Liam Hayes de soortgelijke vergelijkbare intimiteit van een Elvis Costello, vervolgens verrast hij de luisteraar dus weer met hilarische misplaatste valse uithalen. Je vergeeft Liam Hayes deze schijnbaar geplande misstappen en geniet van zijn publiekelijke schaterlach. Jammer dat je hierdoor de spontaniteit in twijfel neemt. Ik ben het er mee eens dat je imperfectie nooit moet wegpoetsen tenzij de foutjes een irritant vervelend aandeel opleveren. Toch besteedt de singer-songwriter vervolgens meer dan genoeg aandacht aan de uitvoering, stapelen lagen zich als een pluche dekbed op. Die amateuristische gedrevenheid zit soms tegen de perfectie aan, terwijl de muzikant bij het aansluitende pianoarrangement weer bijna volledig de mist ingaat.

Chicago is bekend vanwege zijn stadse geschiedenis van groot opgezette orkesten en avondvullende opera’s. Die stedelijke, bijna filmisch theatrale geaardheid hoor je weldegelijk in de beeldende nachtwandeling van More You Becomes You terug. Plush transformeert de blues georiënteerde nachtbeleving in gedempte jazzy kroegpianist songs. De singer-songwriter verwoordt een soort van trieste leegte die overvolle pubs niet kunnen wegnemen. Na afloop wacht slechts een armoedige hotelkamer de muzikanten op, en vergiftigt de alcohol het verdriet. Liam Hayes bezit de innemende verhalende pluche zachtheid van een straatschrijver die gebouwen en plaatsen betekenis geeft.

Zo is Virginia tot een maagdelijke onaangetaste staat te herleiden waar verregende tranen de onschuld en de herinneringen wegspoelen. De overgang naar het More You Becomes You titelstuk wordt slechts door een hardere aanslag op de pianotoetsen geïntroduceerd, verder blijft die schetsende naakte aankleding volledig intact. De klanken zijn slecht passerende bezoekers die hun handtekening in het gastenboek achterlaten. More You Becomes You is de overgang van dagen naar jaren, de identiteitszoektocht naar de volwassenheid, inclusief die definitieve eindbestemming. Het besef dat wij de plek van overleden voorouders innemen, en dat hun karaktertrekjes zich herkenbaar in het nageslacht openbaren.

Soaring and Boring geeft het overduidelijk aan, door de mediterende herhalende saaiheid heeft het ook iets slaapverwekkends. Veel meer dan een zweverige dagdroom is het niet. We moeten de grote observatiedrang loslaten en ons op die kleine niet direct zichtbare (See It in the) Early Morning veranderingen richten. Het is de fragiele huilerige stemverheffing van Liam Hayes die je hiervan bewust maakt. Op die kwetsbare momenten komen deze het sterkste naar voren. Mooi hoe iemand enkel op die emotie leunt. Koester die schoonheid, geniet van al wat binnen handbereik ligt.

Save the People waarschuwt de mensheid voorzichtig tegen losgeslagen gedrag. We bevaren onze eigen golven, The Sailor geeft enkel een koerswijziging aan, het is aan de luisteraar om deze te volgen. Bij mij is dat niet helemaal het geval. Juist door met pracht te spelen ligt de eentonigheid op de loer. More You Becomes You illustreert de vervlakking met voorzichtige speelse draaikolken en rimpelingen in het vaarwater. Een risicoarme voorstelling die zich op een druilerige zondag voormiddag matinee afspeelt.

Plush - More You Becomes You | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

PoiL - Sus (2019)

poster
2,5
Het tegendraadse Franse driemanschap Poil uit Lyon laat zich totaal niet leiden. Met hun absurde samenspel van wiskundige onmeetbare collages treden ze buiten elk traditionele muzikaal pad. De onsamenhangendheid is ondertussen het handelsmerk van deze vreemde band geworden. Niet eens zo’n gek idee van website Everything Is Noise om de plaat Sus als volledige albumstream publiekelijk uit te brengen. Blijkbaar is het vertrouwen in de verkoop van dit product niet gigantisch groot. Met verschrikte gigantische ogen kijkt het Sesamstraat achtige wezen je vanuit de albumhoes aan. Met de gedachte dat Poil in het Frans “haar” betekend, blijf ik met de klassieker van Grover en Koekiemonster in mijn hoofd rond lopen; Pluizig en Blauw.

Het is dan ook monsterlijke muziek, maar dan niet beangstigend. De onevenwichtige loops en schemaveranderingen doen mij aan baanbrekende grootheden als Frank Zappa, Gong en vooruit dan, Primus denken. Al lijkt hier de logica totaal te ontbreken. Bij de overige genoemde acts leidde de funkende jamsessie of jazzy gefreak tot iets wat nog enigszins de definitie song mag dragen. Hier is het een overdosering aan kunstzinnig en onzinnig geklooi, waarbij het trio waarschijnlijk ook niet weet waartoe het zal leiden. En dat compromisloos te werk gaan is eigenlijk best wel gewaagd en lekker.

Dit kunstmatig reanimeren van al lang afgestorven en verloren gegane fragmentarische passages heeft zijn charme. Poil klinkt als een groepje afgekeurde hulpverleners die de studio lijken te bezetten. De instrumenten worden goed bedoeld mishandeld tot er alleen een vaag testbeeld over blijft. Het verwarrende van dit alles blijft het feit dat onder al die ongein behoorlijk goed gespeeld werk doorsijpelt. Met allemaal lastige benamingen wordt er op hun Bandcamp pagina geprobeerd om Sus te definiëren. Meer dan een hectische puinhoop is het eigenlijk niet.

De twee lange nummers zijn door iemand met een forse diepte afwijking in vijf stukken verdeeld, waardoor er een onevenredige verdeling ontstaat. Luseta bestaat uit het repeterende Sus La Peira die doordrenkt door explosieve keyboardspel een prima lichte industriële basis vormt. Na de zelfs tot harmonieus betitelde samenzang gaat het helemaal los. Ontremde psychedelica waarbij fusion en jazz vechten voor een gelijkwaardige tegenreactie. Dat hier dan nog vlagen duistere metal bij wordt toegelaten getuigd van het volle vertrouwen in elkaars kunnen. Met blaren veroorzakend duimgedraai aan de effectenknop wordt een overspannen opgevoerde eindsprint ingezet.

Dan is het folky traditionele meerstemmige Lo Potz eventjes een minuutje bijkomen van alle waanzin. Donderende drumslagen kondigen Luses Fadas aan. Eventjes verwacht je na de vriendelijke pianotoetsen dat het helemaal goed gaat komen. Al snel is daar weer het vingervlugge gerommel en benevelde kwaadaardige gezang. De percussie laat niet zo gemakkelijk over zich heen lopen, en gaat tot het einde de strijd aan om staande te blijven. Ik weet niet welk goedje de heren van Poil geconsumeerd hebben, schijnbaar zijn ze nog steeds in staat om je te verblijden met nog een plaatkant van Sus.

Lou Libre De L ‘Amour is niet de zachte liefdevolle zijde van Sus. Alles wat nog staande was wordt met grof geweld bij Grèu Martire omver gekegeld. Meerdere pogingen worden ondernomen tot met duizelingwekkend disbalans niets meer in evenwicht is. De heilige muzikale poortjes worden hardhandig door elkaar gehusseld.

Geheel ontwricht waag ik mij aan het lange Chin Fou. De klaagzang van de heren heeft iets treurigs in zich. Maar veel tijd om na te jammeren is er niet. Krachtige gillende uitlopen en heerlijk psychedelisch spel laten de keyboard als een gitaar janken. Er valt niet te ontkennen dat het allemaal geniaal en meesterlijk in elkaar steekt. Ze zouden warempel nog in staat zijn om een begrijpbare plaat op te nemen. Zoals verwacht neemt de gekte het weer over. Het is bijna voorspelbaar te noemen, al zal dat absoluut niet de inzet zijn geweest van deze Fransozen.

Poil - Sus | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

PoiL / Ueda - PoiL / Ueda (2023)

poster
3,5
Het nerveus freakende avantgardistische funkrock gezelschap PoiL uit Lyon kiest nooit voor de gemakkelijkste weg. De Japanse Junko Ueda is net zo eigenzinnig, maar prefereert met haar dromerig Oosterse krassende satsuma-biwa snarenspel voor een totaal andere aanpak. Ze tempert in dit samenwerkingsverband de manische Fransozen gekte, maar houdt ook het excentrieke onnavolgbare van haar eigen indrukwekkende persoonlijkheid in ere. De traditionele Japanse stemtechnieken staan op de voorgrond van het mystieke speelveld waarin twee culturen met elkaar het uitdagende gevecht aangaan om tot een universeel geluid te versmelten.

Deze helende bezinning heeft een hypnotiserende mindfulness new age uitwerking, waarbij de bevreemdende zang juist het duivelse in de beleving laat binnenkomen, om deze vervolgens tevreden gestemd terug de duisternis in te sturen. Vanzelfsprekend moet ik hierbij aan de snoezige blauwe wezens met grote vertroetelende knuffeldieren ogen denken, die je op de Sus albumhoes van PoiL aandachtig aanstaren. De PoiL Ueda plaat bestaat uit twee losstaande suites, zeg maar de A-kant en B-kant. Tegenwoordig is het door de vinyl herwaardering weer eenvoudiger om dit onderscheid te maken. De epische Heike-Monogatari vertellingen vormen de leidraad op de plaat, en gaat helemaal terug naar de machtsstrijd tussen twee Japanse clans; de Taira clan en de Minamoto clan. Deze sages hebben de oorsprong in de 13e eeuw en oefenen grote invloed op het boeddhisme uit. De rondtrekkende hedendaagse minstreel rol zit Junko Ueda als gegoten, mooi hoe ze de stem van het volk hier passend in verwerkt.

In het Kujô Shakujô drieluik staat de pelgrimsstaf van de Tibetaanse monniken centraal, welke tevens als wandelstok en verdedigingswapen functioneert. Het straalt vooral kracht uit, de luidruchtige ringen op de scepter houden gevaarlijke dieren en kwaadwillige geesten op veilige afstand. De onderliggende dreiging in Kujô Shakujô Pt. 1 komt vanuit de instrumentatie van het PoiL trio, die de boze demonen uit onderaardse spelonken laten ontwaken om deze naar buiten te lokken. Het is een bijzonder schouwspel, in de Westerse gemeenschappen wekken de woordloze klanken juist angst en onrust op, terwijl deze in de Oosterse culturen juist een sederende rustgevende werking hebben. De angst voor het onwetende botst hier met de orthodoxe vertrouwde aanpak. Een confronterende mediterende antireactie die een bezwerende spirituele oplossing zo danig in de weg zit, dat een in trance rakende Junko Ueda bijna aan haar gedragen voordracht ten onder gaat. Hoe puur kun je dichtbij dat oergevoel komen.

Op Kujô Shakujô, Pt. 2 heeft het filmische karakter de overmacht, en vermengen de mannen van PoiL er typische Franse retro synthesizer gekte in. De geschiedenis is verdreven, bijna volledig door slachtvaardige terroriserende elektronica uitgeroeid. Een fictief futuristisch sprookje, ingekleurd door Japanse getekende animatie beelden en een Franse jaren zeventig soundtrack. Het Kujô Shakujô, Pt. 3 compromis brengt het tweetal dichter bij elkaar, al vragen ze hierbij wel het uiterste. Uiteindelijk komt de emotionele Junko Ueda klaagzang als winnaar uit de strijd en stelt PoiL zich ondergeschikt op. Het getuigt in ieder geval een zeer indrukwekkend theatraal samenspel, waarbij beide kanten van het universum hun kwaliteiten hoorbaar maken. Een stukje aangename gezonde jamsessie spanning, die voor alle partijen nergens helemaal uit de hand loopt, maar waaraan een gemiddeld muziekgezelschap zich nooit aan waagt.

De 12e-eeuwse zeeslag aan de Dan-no-Ura baai vormt het decor van de tweede suite. Dan no Ura, Pt. 1 rockt net wat steviger. Guilhem Meier slaat zich slagvaardig door de track heen, en hier is het juist Junko Ueda die verbaal in een demonisch klinkend personage kruipt. PoiL verkeert in topvorm, die gedreven stevige freakpower overheerst, maar blijkbaar is er nu ook daadwerkelijk ruimte voor overzichtelijke songstructuren, waardoor ze het eerdere werk ruimschoots overstijgen. Bijzonder hoe ze hier dus juist de rollen omdraaien en bewijzen dat het verder geen negatieve gevolgen voor de uitvoering heeft. Muzikaal zit het zelfs beter dan de eerste driedelige passage in elkaar. Dan no Ura, Pt. 2 is de totale overgave, vermoeid, leeg, kapot. De laatste stuiptrekkingen persen er nog de nodige onvrede uit, daarna is het klaar. PoiL Ueda is beter te begrijpen dan het eerdere verschenen Sus, maar gemakkelijke hapklare kost scheppen de Fransen nooit op. Een smakelijke maaltijd, al blijven er wel wat vervelende kleine stukjes gemeen irriteren.

PoiL Ueda - PoiL Ueda | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Poliça - When We Stay Alive (2020)

poster
3,5
Met een voet staande in de synthpop uit de jaren tachtig en de andere in de triphop en jungle uit de jaren negentig presenteert de uit Minneapolis afkomstige indiepopband Poliça in 2012 hun debuut Give You the Ghost. Bij de opvolger Shulamith ligt de klemtoon nadrukkelijk op het hitgevoeligere eighties geluid, terwijl op de derde plaat United Crushers weer meer ruimte vrij komt voor de typische nineties breaks. Om niet vast te lopen gaan ze nieuwe uitdagingen aan met het Berlijnse orkestcollectief Stargaze, wat resulteert in het sfeervolle Music for the Long Emergency.

Rond de releasetijd in 2018 slaat het noodlot toe, waardoor het voortbestaan van de band onzeker wordt. Zangeres Channy Leaneagh komt lelijk ten val als ze sneeuw van haar dak aan het scheppen is. Haar wervels krijgen een flinke klap te verduren, en ze is noodgedwongen voor een herstelperiode aan huis gekluisterd. De belasting en nasleep die het ongeval met zich meebrengt schrijft ze van zich af in wat de basis vormt voor When We Stay Alive. Een therapeutische vorm van verwerking en revalidatie, waarbij ze aangemoedigd wordt door de arts die haar in dit proces bijstaat.

Het is ongelofelijk hoe sterk ze uit deze strijd is gekomen. De plaat is een persoonlijk dagboek waarbij de pulserende beats van Driving dat klinische van het steriele ziekenhuis uitstralen. Pompend als een reanimatie apparaat duwen ze de vocalen van Leaneagh door het proces heen. Verlamd kijkt ze in de teksten toe hoe ze als prooi bewegingloos in bed ligt. Afhankelijk van de aasgieren om zich heen, en vervolgens onderworpen aan de medici.

TATA gaat nog een stap verder. Totaal aan zichzelf onderworpen herontdekt ze haar lichaam en mogelijkheden. De bevreemdende schokkende geluiden passen niet bij het beeld dat ze heeft van haar eigen handelen en functioneren, maar plaatsen Leaneagh wel in de harde realiteit. Langzaamaan wordt er naar een evenwicht toe gewerkt. Een moeilijk nummer wat zich perfect in een lastig proces plaatst. Fold Up is het duistere toekomstbeeld. De getraumatiseerde hel die bevochten dient te worden met stroperige ritmes die als kwelgeesten verwarring veroorzaken.

De gehoopte terugkeer in het maatschappelijke leven wordt gevormd in euforie en toegankelijke liefdesliedjes, alleen het sobere Be Again sluit aan op die eerdere aansprekende donkere tracks. Een hergeboorte van een vernieuwde zangeres, die haar somberheid omzet tot overwinningskracht. Helaas zorgt de luchtigheid die volgt ook voor zwakte. De synthpop past hier dan prima bij, al is de afvlakking wel een minpunt. In het eerste gedeelte van When We Stay Alive betrekt ze de luisteraar op een prachtige manier in haar pijnlijke verhaal. Helaas weet de voltooide reis minder te boeien.

Poliça - When We Stay Alive | Electronic | Written in Music - writteninmusic.com

Polly Paulusma - When Violent Hot Pitch Words Hurt (2023)

poster
4,0
De puurheid van de kale eenvoud staat bij Polly Paulusma hoe dan ook al hoog in het vaandel. Op When Violent Hot Pitch Words Hurt duikt ze nog dieper in de zuiverheid van haar songs. Sterker nog, ze ontleedt haar vorig jaar verschenen The Pivot on Which the World Turns plaat, en legt daarbij de nadruk op de demoversies, liveoptredens en andere track benaderingen. De oplettende puzzelaar ziet dat When Violent Hot Pitch Words Hurt een anagram van The Pivot on Which the World Turns is. Voegt het nog iets essentieels toe? Zeker wel! Het blijft hoe dan ook een genot om naar de stem van Polly Paulusma te luisteren. Deze aanpak is voor de folky singer-songwriter niet vreemd. In 2005 brengt ze al als Cosmic Rosy Spine Kites een soortgelijke tweelingzusterplaat van Scissors In My Pocket uit. Fingers and Thumbs krijgt een vervolg in Fights and Numbers en Leaves from the Family Tree krijgt in The Small Feat of my Reverie diezelfde behandeling.

Het oudste nummer Back Of Your Hand stamt oorspronkelijk uit 2013. Haar vruchtbare Leaves from the Family Tree periode, slaat na die release uit 2012 al snel dood. Het duurt vervolgens nog tot 2017 totdat er weer meer bruikbare songs uit haar pen tevoorschijn komen, of het tussenliggende materiaal is niet de moeite waard om verder uit te diepen. Veel van de vijftig probeersels blijven dus in de kast liggen, de handicap van een onzekere perfectionist die maar aan haar songs blijft sleutelen. Het uptempo met Annie Dressner opgenomen duet Back Of Your Hand is als de uiteindelijke albumversie al een verademing. De krachtige Polly Paulusma krijgt een mooi weerwoord van de sober ingetogen ingestelde dromerige Annie Dressner. Hoe mooi is het dat in de kleinere folk demoversie beide stemmen dichter bij elkaar komen, en elkander aan de toppen van hun kunnen zelfs melodieus aanraken.

De vocalen van Polly Paulusma en David Ford kleuren misschien nog wel mooier bij elkaar. Zonder de mee neuriënde diepe brombas ontstaat er een totaal andere Brambles and Briars versie. De rol van David Ford is hier qua opzet stukken groter. Het is jammer dat in de uiteindelijke versie zijn aandeel wat naar de achtergrond gefilterd is, zelf heb ik een voorliefde voor die gelijkwaardige demoversie, waarin ze elkaar zo prachtig harmonieus aanvullen. De Any Other Way indie popsong heeft veel vergelijkingen met die vruchtbare frontvrouwenbodem uit de jaren negentig, maar ademt eigenlijk als demo veel sterker een primair jaren zeventig folk gevoel uit. Beide opzetten hebben voor mij een identieke uitwerking, hierbij kan ik geen voorkeur aanwijzen. Luminary is ook een vergelijkbare indie punkrocker, lekker stevig opbeurend, akoestisch settelt deze zich weer prima in die dromerige sfeerbeleving.

Het is bijzonder dat Snakeskin juist in de demo versie zo’n mooi volwassen zwaarder aangezet begin heeft, pas als de kinderlijke zang weer de overhand krijgt hoor je de latere versie terug. Juist dat moederlijke zelfverzekerde, typische vrouwelijke ontroert mij het meeste. Het kwetsbare praat fluisterende Bracklesham Bay heeft dus wel datgene wat ik in Snakeskin mis, het geweldig uitspelen van die vrouwelijke kwaliteiten. De korte demoversie wint aan kracht wat zuiverheid betreft, maar mist juist dat noemenswaardige half gesproken intro. Het slome in slaap wiegende Tired Old Eyes krijgt op de plaat een heerlijke soulfolk behandeling als de piano, bas, strijkers en gitaar steeds dichter tegen elkaar aanschuiven. Als de piano dan afscheid van haar bevriende instrumenten neemt, en zelf voor de klassieke geschoolde omlijsting zorgt, komt de stem van Polly Paulusma nog meer tot haar recht. Soms heb je aan een enkele partner meer dan genoeg.

Op de live versie van The Big Sky ontbreken de ritmische triphop breaks, en het filmisch vioolspel, maar mag de piano die rol vervullen. Met aangezette vocale hysterie geeft ze de song een andere wending. De zaterdagavond kroegbeleving overheerst op Dirty Circus, en ook het tevens in The Cambridge Folk Club opgenomen Robin is daar een heerlijke verwarmende verslaglegging van. Het meeste nieuwsgierige ben ik toch wel naar de dichtende spoken word voordracht van het licht theatrale Sullen Volcano. De verstilling na de aankondiging zegt al meer dan genoeg. Ze begeeft zich hier op het pad van popdichters als Anne Clark en Patti Smith, maar wat zet ze hier een indrukwekkende rakende performance neer. Zoals ook haar andere zusterplaten is ook When Violent Hot Pitch Words Hurt een geslaagde aanvulling op het repertoire, eigenlijk heeft de aarzelende Polly Paulusma dit helemaal niet nodig. Helaas is ze nooit helemaal tevreden met het eindresultaat en blijft ze zoekende met de opzet van haar songs spelen.

Polly Paulusma - When Violent Hot Pitch Words Hurt | Roots | Written in Music - writteninmusic.com

Pom Poko - Cheater (2021)

poster
4,0
Het Noorse Pom Poko heeft de bravoure van een dappere Klein Duimpje die met grote zeven mijls voetstappen het indie gitaarrock tijdperk van de jaren negentig binnen stapt om er een vermorzelende indruk achter te laten. De lieve fragiele stem van Ragnhild Jamtveit wil daarbij voor de nodige verwarring zorgen. Het heeft iets schattigs en onhandigs, de gun factor is groot voor de stuntelende speelse voordracht van deze bijzondere zangeres.

Twee goed gevulde handen met catchy punksongs vliegen je in een half uur tijd om de oren. De invloed van het Amerikaanse muziekklimaat is hoe dan ook erg groot. Er wordt met regelmaat terug gegrepen naar de bevlogen new wave die zich net voor de jaren tachtig openbaarde, en welke een luchtig antwoord was op de zwaarmoedige Europese postpunk variant.

Cheater is de tweede plaat van dit zootje ongeregeld uit Oslo. Behoorlijk compromisloos allemaal, en daardoor het beste onder te brengen bij het Bella Union label, die bands het vertrouwen geeft om zonder veel lastige voorwaardes lekker heen te klooien. Hierdoor blijft die sprankelende onschuldige jeugdige kernwaarde waarmee ze de studio induiken aanwezig op het eindresultaat.

Het is allemaal een stuk minder futuristisch psychedelisch als het zweverige nerveuse noisy Birthday, waarbij er nog behoorlijk jazzy gefreakt werd door gitarist Martin Tonne. De band klinkt niet meer als een opengebroken stuiterballen automaat waarbij de fluorescerende tracks je al springend tegenmoed treden.

Ragnhild Jamtveit is een romantische ziel, die hunkert naar vastigheid, en geneigd is om de valkuilen van het leven te ontlopen. Een control freak die het overzicht daarover in alle omstandigheden wil overzien, en waarbij de onzekerheid een bepalende rol speelt. Een lastige eigenschap in een band waar de gitaar en drum alle kanten op schieten.

Ondanks een soort van Aziatisch kinderlijkheid in haar vocalen is het voornamelijk die moederlijke typische vrouwelijke eigenschap waarmee ze zichzelf op de kaart zet. Een charmante eigenaardigheid die je ook bij een band als The Breeders terug hoorde.

Titelstuk Cheater heeft van die oppompende energieke riffs en onverwachte wendingen waarbij de melodieuze hoge zanglijnen het losgeslagen gitaarspel proberen te temmen en af te remmen. Een onmogelijke opgave en wat geeft het? De tegendraadse geluidsterreur geeft een rebelse schop aan het geheel, en rammelt er aangenaam op los. Juist dat buiten de lijntjes kleuren getuigd van een natuurlijke vernieuwingsdrang, die ze de hele plaat weten door te zetten.

Like A Lady trapt af met explosieve noise waarmee jaren geleden vernieuwende gitaaracts eind eighties de deur naar de jaren negentig mee opbliezen. Het kunstmatige plastic van de jaren tachtig werd toen weggevaagd door hard gestemde rauwe instrumenten en ritmische tempoverschillen zoals bij Baroque Denial, waarmee de grens tot draagbaarheid verlengd werd.

Die elektronica is wel terug te horen in het dromerige funky Andrew, waarbij Pom Poko een meer lichte popgerichte kant van zich laat zien. Het is ook weer geen dreampop, daarmee doe je de veelzijdigheid van Pom Poko tekort. De verrassende wendingen bij het door slaggitaar onderbroken Danger Baby laten je al snel ontwaken en naar de realiteit terugkeren. Totaal anders dus als het stevige hakwerk waarmee ze door My Candidacy heen harken of de zuigende Krautrock overgang naar de springpunk van Andy Go To School.

Cheater is gestroomlijnder dan zijn voorganger, al balanceren ze nog steeds op het oververhitte oven standje. Het kookpunt waarbij de rook zich door de beveiligde openingen heen wurmt. Heerlijk!

Pom Poko - Cheater | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Pom Pom Squad - Death of a Cheerleader (2021)

poster
3,5
Het heeft wel iets, dat cheerleader imago. Aan de ene kant heel preuts en onderdanig, maar ook verleidelijk en oppermachtig. Bedoeld om American football spelers op te hitsen en met een hoog amusementswaarde het publiek te vermaken. Het zijn meestal de veelgevraagde aantrekkelijke meisjes die tijdens het eindejaar bal met de meest gespierde jongens rondlopen. Vaak zijn dit toch ook wel de typetjes die vervolgens alweer snel vergeten worden, terwijl de nerds wel carrière maken. Pom Pom Squad is een naam die je eenvoudig zou koppelen aan zo’n atletische dansgroep die zich met mierzoete Prodent glimlach op het veld manoeuvreert.

Pom Pom Squad is echter een uit Brooklyn afkomstig rockgezelschap met een indrukwekkende zichzelf uitsprekende frontvrouw, die verbaal een heerlijke venijnige overslaande snik tevoorschijn tovert. Mia Berrin verruilde haar prille acteer carrière voor een aandeel in de muziekwereld. Samen met bassist Mari Alé Figeman, gitarist Alex Mercuri en drummer Shelby Keller wordt er gewerkt aan een tweetal EP’s, welke als Hate It Here en Ow naar buiten gebracht worden. Die mix tussen romantische dromerige verhaaltjes als Forever en zwaar deprimerende exorcistische stukjes muziekbeleving houden ze aan op het eerste volwaardige album Death of a Cheerleader.

Pom Pom Squad heeft zich in de tussentijd gesetteld bij het invloedrijke Duitse City Slang label en het springerige Red with Love gelanceerd, welke ook op de plaat is terug te vinden. De aanduiding Death of a Cheerleader roept echter wel de nodige vraagtekens op. Het heeft een soort van Laura Palmer achtige aantrekkingskracht, een mysterie wat zich op Twin Peaks wijze verder ontwikkelt. De tranentrekkende cover van Crimson And Clover is bijna een smeekbede om gebruikt te worden in een door David Lynch geproduceerde film noir. De band van Mia Berrin heeft ook dat absurde in hun duistere, grillige tegen de grunge aanleunende sound.

Het exploderende titelstuk Death of a Cheerleader en het sentimentele in de ziel snijdende Crying halen de basis uit de opwindende jaren negentig indierock, en herplaatsen zich in dit tijdsbestek waar vrouwenbands steeds meer op de voorgrond treden. Songs die worden ingeleid door herkenbare retro slaapliedjes en kinderlijke musicaldeuntjes met een groot Walt Disney gehalte. Bubblegum romantiek met flarden bijtende teksten. De donkere Puerto Ricaanse zangeres worstelt met de #MeToo en Black Lives Matter vraagstukken. Deze maatschappelijk kritische houding kan ze goed kwijt in haar feministische statement.

De New Yorkers bevinden zich met hun intellectuele highschool voordracht in het vaarwater van Weezer, die ondertussen zelf alweer bijna dertig jaar die studentikoze uitstraling met zich meedragen. Tegen wil en dank uitgeroepen tot de Swiebertjes van de punkrock. Pom Pom Squad is net wat minder emo, en wil echt stevig van zich afschreeuwen. Het korte punk rockende Lux zit ergens tussen een aanranding en een heftige uit de hand gelopen vrijpartij in. Mia Berrin heeft het schattige meisjesachtige van een Courtney Love, maar bezit ook wat van haar demonische woede uitbarstingen die sterk op de voorgrond treed in een track als het opgefokte Shame Reactions. Death of a Cheerleader is een uitgesmeerde albumvariant van het Hole hit succes Miss World. Ze zijn er nog steeds, spraakmakende vrouwen met een opruiende punk attitude.

Pom Pom Squad - Death of a Cheerleader | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Pom Pom Squad - Mirror Starts Moving Without Me (2024)

poster
3,0
Ze zijn er genoeg, jonge popsterretjes die de alternatieve lievelingen willen uithangen. Bij een Lana Del Rey komt het uiteindelijk wel goed, maar een would be punker Avril Lavigne valt al snel door de mand. Uiteindelijk draait het allemaal om de roem, bij een Mia Berrin van Pom Pom Squad is het niet anders. Op het debuut wisselen ze sentimentele powerballads met donkere grunge gitaarliedjes, indiedisco en punkende snelheidsduivels af. Niks mis mee, Death of a Cheerleader schittert door de veelzijdigheid, dat een eigen karakter ontbreekt nemen we maar voor lief. Daar denkt de in identiteitscrisis verkerende Mia Berrin dus duidelijk anders over. Als de wereld rondom haar volwassen wordt, loopt ze vast in haar opgepompte tienerkarakter. Dit is toch niet het vooruitzicht welke ze voor ogen heeft.

Mirror Starts Moving Without Me is zelfbewuster dan de eersteling, verder veranderd er niet zoveel. De Messages new wave rocker zou zich prima op het debuut nestelen. Door de kinderlijke indierockstem raakt het tekstuele zware in popdeuntjes gevangen Downhill mij niet. Het is triest dat Mia Berrin op haar vijfentwintigste jaar in een beangstigende neerwaartse spiraal leeft, en zich vanuit die diepte omhoog vecht. Ik betwijfel of ze het allemaal meent, zeker als ze vervolgens een paar zinnen later benadrukt dat ze verslaafd aan aandacht is. Nou, krijg je dit niet op een positieve manier, dan probeer je dit door negatief gedrag te bereiken. Het is de Botox mentaliteit maatschappij, waar je schoonheid kan afkopen en juist hierdoor zoveel onzekerheid creëert.

Het is dus haar strijd, het gevecht met het verleden waarmee ze de toekomstige lijnen uitzet. De pijn is het kostenplaatje waarmee ze in de uptempo Spinning synthpop rocker moet dealen. Door de blikken drummachinesound zet ze percussioniste Shelby Keller even op een zijspoor. Jammer, maar blijkbaar vraagt de track om deze mechanische aanpak. Met een opgevoerde postpunk beat bewandeld ze nieuwe wegen in Street Fighter. Met licht industriële uitspattingen hijgt ze zich sensueel door het mannen verslindende Villian prijsnummer heen.

Tarot Interlude leidt het spirituele zweverige The Tower in. Een mindfulness van de ziel, het gedroomde toekomstperspectief. De Everybody’s Moving On ballad, leeftijdsgenoten stichten een gezin en zoeken zekerheid in een risicoloze baan. Het gebrek aan liefde wordt pijnlijk in het romantische gothic Doll Song wiegelied verwoord. Als een meisje met de zwavelstokjes blikt ze jaloers hongerig door de ramen van de dure buiten haar bereik liggende Montauk kerststemmige winkelstraten. Mia Berrin is slechts een slachtoffer van dit ideaalbeeld.

Het kopiegedrag beheerst het zelf reflecterende Running from Myself, waar ze de luisteraar met breakbeats terroriseert. Hoe pijnlijk is het dat je niet jezelf mag zijn, omdat dit niet in het perfecte plaatje past. Dat ze deze kwestie zo openbaar deelt, siert ze, en daarom heb ik wel een zwak voor Pom Pom Squad. Leegte etaleren en zieltjes terugwinnen. De verrassing is echter al eerder uitgepakt.

Pom Pom Squad - Mirror Starts Moving Without Me | Pop | Written in Music - writteninmusic.com

Pond - 9 (2021)

poster
4,0
Als Pond in het begin van 2009 hun psychedelische luistertrip Psychedelic Mango de muzikale kosmos inschiet zit het trio gelijktijdig in de studio om met Kevin Parker Innerspeaker, het debuutalbum van Tame Impala af te ronden. Ondanks de onrealistische droomstart van dit project blijven de leden trouw aan de hypnotiserende druggy spacende seventies sound van Pond, en gaan steevast door met het afleveren van schitterende soundscapes aan ejaculerende noise terreur en hallucinerende akkoordenschema’s. Stapsgewijs dringen muterende disco vertakkingen zich op die van Man, It Feels Like Space Again een meer pop georiënteerd afgerond geheel maken. De eigenzinnige gekte van The Weather laat weer een gedurfde vooruitstrevende ontwikkeling horen.

Maakt Pond nu dezelfde misstap als het grote sideproject Tame Impala, waar Kevin Parker met het lichtere op de commercie gerichte The Slow Rush zijn ziel aan de grote platenbonzen verkoopt, of gaan ze terug naar die eigenzinnigheid waarmee ze zich ooit op de Australische landkaart plaatsen? Laat ik maar direct duidelijk zijn, de negende studioplaat 9 staat mijlenver verwijdert van die trance verwekkende droompopbasis. Maar wat heeft Pond anno 2021 dan wel te bieden?

Soul, heel veel soul. Uit de ruimte neerdalende computergestuurde vrouwelijke achtergrondvocalen introduceren een herboren drietal welke zich laat dopen in een schoonwassende rivier aan licht vibrerende eighties new wave golven, sympathieke saxofoonblaaspartijen en dominerende hiphopbeats. Song For Agnes nodigt niet zozeer uit om te dansen, dat gebeurt vanzelf wel.

Pond klinkt in alle opzichten vernieuwend en fris, en overtreft The Slow Rush van Tame Impala met gemak. Prettig gestoord dendert een verdwaalde Czech Locomotive over de Duitse Krautrock snelwegen, heerlijk voorthobbelen op het uitbarstende slagveld aan zelfdestructieve drumslagen en geestverruimend postpunk gitaarwerk. Heel eventjes is daar die hunkering naar het old school Pond gebeuren, al wordt die verder totaal niet gemist.

Vanuit geopende keukenraampjes weerklinkt de opkomende discosound van America’s Cup. Een nostalgische wandeling door de jaren zeventig straten van New York waar de opruiende jeugd als een West Side Story gang samenvoegt om zich klaar te maken voor het koortsige zaterdagavond stapfestijn.

De slowly funky wicked drummerboy rekt zich op Take Me Avalon I’m Young uit om vervolgens ingehaald te worden door het levensgrote schaduwsilhouet van Michael Jackson. Verscholen achter zijn Pink Lunettes zonnebrilglazen laat hij de gouden tegeltjes oplichten in van hem geleende Wanna Be Startin’ Somethin’ baslijnen. Heerlijk hoe die dromerige cooling down uitloop het laat versmelten in het ultieme afterparty gevoel.

I need some human connection
I need some human touch
I been behind these screens so long
I’m leading with my crotch
I’m getting dizzy, dizzy, dizzy and I need static, Ecstatic

De stuwende elektropunk van Human Touch is sexy en opzwepend, en flirt openlijk met het Daft Punk nalatenschap. Heerlijke donkere nachtclub erotica voor in de late uurtjes. Opgewonden verlangen we naar die gemiste sensationele verbroedering. Klaar met dat eenzame bestaan, connectie is het sleutelwoord.

The Twenty Four Hour Party People Are Back In Town! Dance, Dance, Dance, To The Radio. Er mag weer gefeest worden. Soms uitbundig, zoals in het vrolijke Rambo, dan weer teruggetrokken schaduw dansend in het sobere Gold Cup / Plastic Sole. Een dorstige Toast op het leven. We drinken om te vergeten totdat we vergeten dat we aan het drinken zijn.

Pond - 9 | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Porches - Ricky Music (2020)

poster
2,5
Op papier is Porches een band, maar reëel gezien is het net iets meer dan een eenmansproject van Aaron Maine. Deze uit New York afkomstige muzikant debuteerde in 2013 met de heerlijke indie popplaat Slow Dance in the Cosmos waarbij de nadruk nog behoorlijk op het licht noisy gitaargeluid gevestigd is en de elektronica nog een prima aanvullende rol heeft.

Veel prominenter zijn de synthesizers aanwezig bij opvolger Pool en wordt er aardig gestoeid met de mogelijkheden om de stem te vervormen. Het is allemaal wat blikkeriger, met valse geluidscollages en standaard beats maakt de muzikant het zichzelf een heel stuk lastiger. De toegankelijkheid wordt min of meer vernietigd door de bevreemdende effecten op de sound. The House brengt hierin weinig verandering, en steeds vaker rijst de vraag op of er sprake is van creativiteit moeheid. Is het de inspiratie die maar niet tot ontplooiing wil komen, waardoor de stroefheid enigszins te verklaren is.

Alle hoop is nu gevestigd op Ricky Music. Patience is mooi klein gehouden, en wil absoluut overtuigen. Een pure song, waarbij de vocalen zo min mogelijk aangetast worden door misleidende auto-tunes en andere mechanische speeltjes. Dat hij halverwege toch nog groots uitpakt, is een prima gegeven, al is de ontstemde elektronica een gewaagde misstap.

De minimale percussie inclusief koebel in Do You Wanna komt veel overtuigender over, al zakt het door de praatzang wel steeds verder weg. Het lijkt er sterk op dat Aaron Maine met zijn gedachtes in een totaal andere wereld verkeerd. En dat is toch wel de rode draad van Ricky Music. Er hangt een neerslachtige lusteloze sfeer over het geheel heen. De zang is vlak en monotoon, met weinig echte uitschieters.

Het niemendalletje PFB is bijna zelfkastijding. Opnames die via een kier vanuit de achterdeur de studio zijn binnen gedrongen en pardoes op de plaat zijn verschenen. De clubrave van Madonna is een verademing, helaas voegen de vervormde vocalen niks toe. Instrumentaal staat het wel als een huis, een kaartenhuis weliswaar, fragiel en breekbaar.

I Can’t Even Think weet de spanning aardig op te bouwen, maar ook hier is het zinloos gedraai aan de knoppen wat zo irritant over komt. De emotie die op Ricky Music overgebracht moet worden blijft hangen in het schetsproces en wil maar niet die gehoopte diepgang oproepen.

Wat een saaie bedoeling! Porches had hier best wat meer van kunnen maken. Met heel veel moeite proppen ze tien nummers in een schamele vijfentwintig minuten, waarvan een vijfde deel enigszins weet te boeien. Zure opgeklopte slagroom met een misselijkmakende nasmaak.

Porches - Ricky Music | Electronic | Written in Music - writteninmusic.com