MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

The Soft Machine - The Soft Machine (1968)

Alternatieve titel: Volume One

poster
5,0
Tja, deze plaat kwam in mijn ouderlijk huis al tot mij toen ik nog een klein mannetje was, op een leeftijd waarop je gewoon alle muziek accepteert "omdat die nou eenmaal zo in elkaar zit en dus kennelijk zo hoort", en nu ik deze plaat vijfenveertig jaar en talloze luisterbeurten later weer opzet is het voor mij een kristalheldere plaat waarin alles op z'n plaats valt "want alles hoort zo". Een uiterst naïeve manier van muziek ondergaan misschien, maar het heeft deze plaat wel tot een onvervreemdbaar bestanddeel van mijn muzikale leven gemaakt. Als ik er bewust naar luister hoor ik wel dat er hele rare fratsen worden uitgehaald, maar op de een of andere manier past het toch allemaal bij elkaar, van het precieze drumwerk via de prachtige atmosferische orgelpartijen, de soms woeste en soms zo breekbare composities en het heerlijke geluidsbeeld (perfect geluid op mijn 2009-remaster), tot die kwetsbare stem. En wat is er nou eigenlijk ontoegankelijk aan deze plaat wanneer vrijwel elk nummer of fragment een eigen identiteit en dikwijls ook een ijzersterke melodie heeft? Nog altijd een unieke plaat.

The Soft Machine - Volume Two (1969)

poster
4,5
Vijf-en-een-half jaar radiostilte bij dit album, jongens toch... Deze band gaat toch niet in de vergetelheid geraken, juist nu ik er zo bezeten van ben geraakt? Volume two borduurt min of meer voort op het debuut, maar in plaats van wat ik persoonlijk ervaar als de vrij vloeiende sequentie dáárvan lijken de nummers hier vooral voor hun contrastwerking achter elkaar geplakt te zijn (de overgang van Hibou naar het tweede alfabet!), hetgeen resulteert in een soms even fragmentarisch als kleurrijk klanktapijt dat z'n consistentie vooral aan de inventiviteit en het hoge niveau van de geweldige melodieën ontleent, en zoals dat bij mij wel vaker gaat met "rare" muziek gaat de plaat hoe langer hoe meer samenhangen naarmate ik hem vaker draai. Nieuwe aanwinst Hugh Hopper laat zich meteen duidelijk gelden, enerzijds via zijn composities en anderzijds met zijn heerlijk vette basspel dat in het totaalgeluid alle ruimte krijgt, prima te horen in de uitstekende remaster uit 2009. Misschien niet zo overrompelend als z'n voorganger, maar dit album herbergt toch voldoende verrassingen, vondsten en bovenal prachtige en met de unieke stem van Robert Wyatt gelardeerde melodieën om een waardige opvolger te zijn. En de eerste twee nummers van Esther's nose job (tracks 11 en 12) hadden in een alternatief universum zomaar succesvolle singles kunnen wezen...

The Spencer Davis Group - Autumn '66 (1966)

poster
4,0
Het derde en laatste album van dit kwartet in de bezetting met Steve Winwood. Prima keuze van covers (met uitzondering van een totaal tandeloze Midnight special en het flauwe Mean woman blues), vier sterke originals waaronder de twee hits When I come home (UK #12) en Somebody help me (UK #1), een volle sound waarin met name de drums en de zang op de voorgrond mogen treden (en die bijgevolg dan ook lekker hard en fel is), en met als voornaamste troef natuurlijk Steve Winwood, die hier inmiddels zó goed en "soulful" is gaan zingen dat ik er zelfs niet eens aan denk dat When a man loves a woman eigenlijk onlosmakelijk met Percy Sledge verbonden is en feitelijk hèm "toebehoort". De beste van de drie Davis-Winwood-platen.

The Spencer Davis Group - Eight Gigs a Week (1996)

Alternatieve titel: The Steve Winwood Years

poster
4,5
Nou ja, naast die Amerikaanse mix van Gimme some lovin' ontbreekt er dan ook nog een nummer waar in het boekje gewag van wordt gemaakt, Det war in Schöneburg, een Duitse traditional die ze omstreeks 1967 in Hamburg opnamen om de Duitse markt (èn docent Duits Spencer Davis zelf) te plezieren – wie het aandurft kan het op YouTube vinden. Gelukkig staat hier verder heel veel moois op (en, eerlijk is eerlijk, ook wel wat onbenulligs), want naast de 36 nummers van de drie elpees staan er nog 13 B-kantjes, live-opnames en nummers van EP's op, plus natuurlijk de twee briljante maar nooit op de studioplaten verschenen singles Gimme some lovin' en I'm a man.
        Twee dingen die me storen. Ten eerste : waarom staat alles hier niet normaal in chronologische volgorde op? Ik kan het nog begrijpen wanneer een compilatie begint met de belangrijkste hit(s), maar van de vijf grote hits van deze band staat er één aan het begin van CD2, één op plaats vijf en drie helemaal achteraan een CD, en verder kun je de drie studioalbums wel een beetje op volgorde vinden maar staan de nummers ervan allemaal dwars door elkaar. Een echt goede chronologische volgorde had juist mooi doen uitkomen hoe Steve Winwood binnen korte tijd evolueerde van een veelbelovende jonge zanger naar een gouden strot dat zelfs aan middelmatige nummers nog een grote meerwaarde kon geven, maar ook had je zo kunnen horen hoe de band als geheel ook steeds sterker en "losser" wordt, zodat zelfs een redelijk niemendalletje als Back into my life again een onweerstaanbare groove meekrijgt (en natuurlijk culmineerde die groei in die geweldige laatste twee singles).
        En verder hoor ik af en toe geluidjes die ik niet anders dan als vinyltikken kan interpreteren, bijvoorbeeld op Here right now voordat na ongeveer 10 seconden de gitaar invalt, en gedurende de laatste seconden van de piano-fadeout van It hurts me so. Heel vreemd, ik kan me niet voorstellen dat dit echt zo is, maar wanneer ik ze op mijn WAV-editor duidelijk zie (en ze daarmee ook kan wegpoetsen) weet ik toch niet wat ik hiervan moet denken.

The Spencer Davis Group - The Second Album (1966)

poster
3,5
Wel even een stukje beter dan het debuut. Er zitten nog wel een paar lichtgewichtjes bij, zoals het melige This hammer, de enigszins flauwe afsluiter en de doorsnee R&B van Please do something en You must believe me, en die jazzpiano-solo op de verder niet verkeerde (want uitstekend gezongen) cover van Georgia on my mind is niet mijn kopje thee, maar dat wordt allemaal ruimschoots gecompenseerd door het bluesy openingsnummer, het waarlijk wanhopige Let me down easy, het fantastische Hey darling (gecomponeerd door Davis en Winwood) en natuurlijk de klassieke hitsingle. Alles strak gespeeld, helder geproduceerd met een prettig helder geluid, en (uiteraard) geweldig gezongen (hoewel Spencer Davis het op twee nummers van Steve Winwood overneemt, maar gelukkig niet al te onverdienstelijk). Lekkere sixties-R&B-plaat.

The Spencer Davis Group - Their First LP (1965)

poster
3,0
heartofsoul verwoordt het al adekwaat in het allereerste bericht bij dit album: aardig met wat schaarse uitschieters, met vooral covers die niet veel toevoegen aan de Amerikaanse r&b-voorbeelden, hoewel ter verdediging kan worden aangevoegd dat het ook nergens echt slecht wordt en dat er steeds een zekere professionaliteit wordt geëtaleerd. (Uitzondering is het gruwelijke I'm blue (the gong-gong song) dat hier wordt gezongen met een infantiel piepstemmetje à la Don't think twice it's all right van de Four Seasons-incarnatie The Wonder Who en dat bijna net zo stomvervelend is.) It hurts me so is inderdaad een hoogtepunt, maar mijn persoonlijke favoriet is Every little bit hurts, dat ikzelf eerder kende in een geweldige en intensere cover van de Small Faces, maar ook déze versie voldoet dankzij de stem van Winwood. En daarmee is dan ook meteen de belangrijkste troef van dit album genoemd, want met name de rustiger en wat bluesy nummers (zoals het door hemzelf geschreven Here right now) komen vooral dankzij zijn zang tot leven. Totaalindruk, zoals gezegd: sympathiek maar te doorsnee.

The Steve Miller Band - Book of Dreams (1977)

poster
4,0
Ik herinner me (of meen me te herinneren) dat Muziekkrant Oor (na hun enthousiasme voor Fly like an eagle) deze plaat indertijd een meesterwerk noemde – niet in de zin van een fantastische plaat, maar als het werk van een meester, die vanwege zijn vakmanschap geen slechte plaat "kan" afleveren maar hier echter toch niet het niveau van z'n vorige plaat haalt. Dat laatste kan ik er echter niet aan afhoren, want er staan hier voldoende hoogtepunten op en bovendien geen skipmomenten (zelfs dat orgeltje op het slotnummer kan ik hebben). Persoonlijke favorieten: Jet airliner, Winter time en Sacrifice. (Overigens weet ik wel dat deze plaat altijd in de schaduw van Fly like an eagle heeft gestaan, maar toch vind ik het onbegrijpelijk dat ik hier pas de achtste schrijver ben.)
 

The Stone Roses - Second Coming (1994)

poster
3,5
Bij een goed elftal hoor je al gauw dat "het geheel meer is dan de som der delen", maar bij dit album is het voor mij net andersom: de som is meer dan het geheel der delen. De plaat begint met twee uitstekende nummers gevolgd door het eerste hoogtepunt, de perfecte popsong Ten storey love song, en na het middengedeelte (tracks 3 t/m 9) eindigt het precies andersom met het tweede hoogtepunt (het lange Tears met de eindsolo die mij qua textuur steeds aan Stairway to Heaven doet denken) nu juist gevólgd door twee uitstekende nummers.
        Helaas is dat middengedeelte zelf niet al te sterk, met een soort dance-funk (Daybreak, Straight to the man, het even drukke als vervelende Begging you), de melige psychedelische ballade Your star will shine, de irritante "meezinger" Tightrope en het vervelende Good times dat juist allesbehálve feestelijk klinkt –– hoewel zelfs die mindere nummers af en toe nog hun prachtige momenten hebben, zoals Squire's gitaarsolo's op het einde van Daybreak (op een mooi orgelbedje) en Good times.
        Een zeer wisselvallige plaat dus, maar desalniettemin pieker ik er niet over om hem weg te doen, want die eerste drie en die laatste drie nummers zijn toch wel erg sterk, en bovendien bewonder ik de moed die ze bleken te hebben door na vijf jaar tegen het maken van een nieuw popalbum te hebben aangehikt (en opboksend tegen zulke hoge verwachtingen) met zo'n verrassende plaat op de proppen te komen (die bluesinvloeden had ik persoonlijk toch niet aan zien komen). Geen fantastische maar wel een redelijk sterke en zeer intrigerende plaat.
        Overigens werd er toen deze plaat uitkwam door sommige critici gemord dat het lange intro van Breaking into Heaven "afgekeken" zou zijn van Osibisa's The dawn, maar als ik dat laatste nummer nu op YouTube beluister vraag ik me af waar ze dat idee vandaan hadden. En wat betreft die manie van "ghost tracks" die hier geparodieerd wordt met 86 nummers van elk 4 seconden stilte, begon die gekte niet met die noise-explosie na tien minuten stilte op het einde van Nirvana's Nevermind uit 1991?

The Stone Roses - The Complete Stone Roses (1995)

poster
4,5
Poging van hun oude label om nog even wat munt te slaan uit de back catalogue. Maar wat maakt dat uit wanneer de muziek zo subliem is? Die bijna gefluisterde liedjes als Sally Cinnamon zijn wat mij betreft heilig. Heel even kon deze band alles.

The Strokes - Is This It (2001)

poster
4,0
Mijn voorganger brandos somt voor het (= mijn) gemak nog even de bands op: de Velvets, Lou solo, de Modern Lovers, de Buzzcocks, Television en de Ramones – al die namen waren ook aan mijn geestesoog voorbijgezweefd, met name vanwege de Newyorkse connectie (met uitzondering dus van Pete Shelley & co, en Jonathan Richman is eigenlijk een Bostonian). En toch klinkt dit nergens als epigonisme, want hoewel de "keldervibe" van CBGB overal aanwezig is (in mijn oren althans) is deze muziek eigenlijk toch vrij tijdloos, dankzij de combinatie van elf extreem catchy zangmelodieën, een doorzagende slaggitaar, een zeurende maar scherpe sologitaar, een stevige en soms lekker wandelende bas, flink doorwerkende drums (ik moet opeens denken aan Clem Burke, de drummer van het –uiteraard– Newyorkse Blondie) en een klassiek-nasale stem vol attitude, in de verte herinnerend aan Liam Gallagher maar zonder diens snerende arrogantie, en al die muzikale elementen dan ook nog eens netjes uitgebalanceerd in een heldere mix die resulteert in een album dat aandoet als een doos vol feestelijk verpakte cadeautjes. Verslavende undergroundpop.

The Tangent - The Music That Died Alone (2003)

poster
4,0
Met Roine Stolt (en Jonas Reingold en Zoltan Csórsz) aan boord ga ik automatisch denken aan de Flower Kings, en op zich is dat niet zo'n gekke vergelijking, want net als bij díé band is deze muziek vrolijk, energiek en kleurrijk, met veel ruimte voor solo's en een positieve insteek van de teksten. Voornaamste minpunt vind ik (zoals wel meer mensen hier) de matige zang van Andy Tillison, wiens stem zo sonoor is dat het soms meer op praatzingen lijkt, terwijl ik Stolt juist zo'n geweldige en expressieve stem vind hebben, maar dat bezwaar wordt bijna goedgemaakt door de heerlijke saxpartijen van David Jackson (die me soms aan Solutions Tom Barlage doet denken, ook al iemand met zo'n heerlijke timbre in zijn instrument). Fijne plaat met een goede vibe, en natuurlijk doet The Canterbury sequence mij als Caravan-liefhebber veel deugd, maar het hoogtepunt ligt voor mij toch bij de laatste twee minuten van Up-hill from here wanneer Stolt even helemaal los mag gaan.

The Triffids - Beautiful Waste and Other Songs (2008)

Alternatieve titel: Mini-Masterpieces 1983-1985

poster
4,0
Alleen al het feit dat deze 3 EP's + 2 B-kantjes + 1 vroege single op een CD zijn verzameld (en dan ook nog met zulke keurige annotatie) verdient eigenlijk de hoogste waardering. De muziek zelf is natuurlijk enigszins wisselvallig, zoals te verwachten valt bij een songschrijver en een band die op zoek zijn naar hun eigen stem en waarvan de ontwikkeling dankzij de verhuizing naar één van de centra van de popmuziek in een stroomversnelling is gekomen, maar op de beste momenten kan deze muziek moeiteloos mee met de hoogtepunten die hierna zouden komen (met name Born Sandy devotional en Calenture). In tegenstelling tot vele andere gebruikers hier vind ik zelf het veelgeprezen Field of glass een enigszins gekunsteld en daardoor gemankeerd experiment, en de meligheid van de Lawson Square infirmary-nummers bevalt me niet zo, maar bijna de hele Raining pleasure-EP (tracks 1 t/m 7), de twee overige nummers van Field of glass (14 en 15) en de laatste drie sympathieke nummers maken hier toch een plaat van die ik als "herboren" Triffids-liefhebber niet zou willen missen.

The Triffids - Born Sandy Devotional (1986)

poster
5,0
In zijn recensie voor AllMusic prijst Wilson Neate David McCombs "talent for creating a lyrical and musical resonance between the stark, isolated geography of western Australia and universally recognizable, desolate interior landscapes." En zo is het precies: de beelden die deze nummers mij aanreiken, met hun wilderness en hun wide open road, "miles from nowhere, just a dot on the map", worden niet alleen door de wat mij betreft ikonische hoes aangevuld, maar ook door de breed uitwaaierende muziek en de teksten vol eenzame, verlaten en zoekende personages. Prachtige composities die nog een treetje hoger worden gebracht door de arrangementen vol strijkers, steelgitaren en xylofoons, met daarbovenuit die prachtige stem van David McComb die soms niet eens lijkt te beseffen hoe intens hij kan overkomen wanneer hij overschakelt op zijn harde bas – ik kan begrijpen hoe mensen bij hem aan Nick Cave en Ian McCulloch moeten denken, maar voor mij zit McComb vanwege de romantische inslag van zijn teksten toch in een geheel eigen univesum.
        Voornoemde Neate vindt Born Sandy Devotional trouwens "the most accomplished work from McComb's tragically short career", en ook daarin kan ik helemaal meegaan, ook al is Calenture mij dan nog een graadje dierbaarder. Kleine minpuntjes van dít album vind ik het suffe Chicken killer en het feit dat de helft van de nummers net wat te lang doorgaan, maar de impact van het geheel is toch zodanig dat ik hier niet minder dan 5* voor kan geven.
        Nog meer mensen die bij Tarrilup Bridge associaties hebben met Ode to Billie Joe ?

The Triffids - Calenture (1987)

poster
5,0
Dit was het eerste album dat ik van de Triffids leerde kennen, en zo'n plaat blijft vaak (hoewel niet altijd) een streepje vóór houden, maar ook als ik hier met "nieuwe" oren naar luister vind ik dit toch hun beste plaat, met composities die van a tot z perfect zijn, teksten die echt ergens over gaan, overdadige arrangementen die echter bij en om de ambitieuze nummers passen als de spreekwoordelijke handschoen, en bovendien die tegelijkertijd extraverte en intieme stem van David McComb.
        Juist de kwaliteit van deze plaat werkt voor mij het enige minpunt ervan in de hand, want terwijl ik bij de meeste albums waar ik drie favorieten mag kiezen meestal twijfel tussen vier of vijf nummers, staan op Calenture ongelogen négen kandidaten (hetgeen betekent dat ik bij elke volgende draaibeurt misschien weer twee of drie ándere nummers zou aanvinken). Ik herinner me dat Kelly's blues indertijd mijn eerste favoriet was, maar momenteel ga ik voor het heilige reeksje Blinder by the hour, Vagabond holes en Jerdacuttup man (maar "deze aanbieding is geldig tot vanavond 23:59" zoals gezegd).
        Wat dat laatste nummer betreft, een vroegere buurman die de hele dag met de radio aan werkt, zegt nooit naar teksten van liedjes te luisteren – voor hem is het allemaal "kretologie". Ik ben laatst eens begonnen met een lijstje van "verhalende" nummers waarvan ik durf te beweren dat je wel iets mist wanneer je niet weet waar de betreffende tekst over gaat, en op dat lijstje neemt Jerdacuttup man toch wel een belangrijke plaats in.
        Ik ken dit album al vanaf vlak na de release (met dank aan die ene collega die tegelijkertijd met Calenture en het eveneens geweldige Brave words van de Chills kwam aanzetten – kennelijk had hij even een down under-periode), maar nu ik weer helemaal in een Triffids-bui zit lijkt het wel of ik dit album mooier vind dan ooit, of beter gezegd: of ik hem nú pas op waarde kan schatten. Het merkwaardige fenomeen dat dit album me nu emotioneler maakt dan 35 jaar geleden zal ik maar beschouwen als de positieve zijde van het verschijnsel dat er helaas ook heel veel muziek uit de jaren 80 is waar ik niet of nauwelijks meer naar kan en wil luisteren. (Ik houd het overigens nog altijd bij mijn oude CD – wat ik op Spotify van de bonusnummers hoor schept bij mij niet de noodzaak om die door de uitgebreide versie te vervangen.)

The Triffids - Field of Glass (1985)

poster
2,5
De eerste twee (relatief korte) nummers zijn meer dan geweldig en laten horen tot welke meeslepende hoogten deze band inmiddels in staat was, maar het titelnummer daarentegen slaat wat mij betreft de plank behoorlijk mis. Als David McComb na een paar minuten (vanaf "If you would ride with me") vrijuit begint te associëren en improviseren tegen een achtergrond van percussie en een creepy orgeltje moet ik automatisch aan The end denken, maar dat niveau haalt hij hier nergens, en bovendien geeft de dubbele zang het geheel iets bedachts dat niet helemaal strookt met de emotionele uitbarsting van de oerkreet die hij lijkt te willen overbrengen. Ik heb me altijd verzet tegen de vergelijking van McComb met Nick Cave, maar die deed het in deze jaren toch heel wat beter en effectiever op A box for Black Paul, een nummer dat wèl het drama en de zeggingskracht van Jim Morrison benaderde. Wat mij betreft is McCombs prijzenswaardige ambitie hier groter dan zijn vermogen.

The Triffids - In the Pines (1986)

poster
3,0
Ik kan het enthousiasme voor dit album toch niet helemaal delen. Ik hoor natuurlijk wel de vrolijkheid, de spontaniteit en het ongedwongen musiceren, en er staan ook wel een paar sterke nummers op (bijvoorbeeld het openingstrio), maar veel klinkt toch ook als demo's die hun definitieve arrangement nog moeten krijgen (waarbij de solo's van akoestische gitaren hopelijk vervangen worden door iets met meer smoel) of als grappige tussendoortjes waarvan het eigenlijk niet de bedoeling was dat ze ooit buiten de muren van de "schapenscheerschuur" te horen zouden zijn (met name de nummers die iets of veel korter dan 2 minuten duren). Bovendien heeft Alsy MacDonald (zanger op Do you want me near you) een ongelooflijk vervelende stem en schiet het pseudo-dronken gejoel van Once a day mij totaal in het verkeerde keelgat, zodat de plaat op die momenten voor mij gewoon stilstaat. McComb klinkt gedreven als altijd, de muzikanten hebben duidelijk lol en het repertoire is niet slecht (getuige het feit dat er op de uitgebreide versie vier nummers staan die in meer solide arrangementen tot de hoogtepunten van Calenture zouden gaan behoren), maar als geheel doet mij dit toch iets te vrijblijvend aan.
        Een paar in mijn ogen leuke details. Grappig om te horen dat bij Trick of the light het derde couplet ("I was beating on her like an anvil") hier nog dezelfde melodie heeft als de eerste twee coupletten (en dus nog niet is veranderd in een brug of "middle-eight" met een afwijkende melodie zoals op Calenture). Verder word ik bij het titelnummer steeds op het verkeerde been gezet omdat ik bij de eerste regels steeds denk dat ze beginnen met het refrein van de gelijknamige bluegrass-traditional, en hetzelfde geldt voor Love and affection omdat dat begint met de akkoorden van (of sterk gelijkend op) Sweet Jane van de Velvet Underground, en dan begint McComb ook nog met "Sweet sweet..." te zingen. En wat de uitgebreide versie betreft, mooi dat ze de moeite hebben genomen om de geluidskwaliteit zo op te krikken en er ook nog eens vijf bonustracks aan toe te voegen, maar aan één onderdeel van de verpakking hadden ze nèt wat meer aandacht moeten besteden, want de kleine rode letters op de donkergroene achterkant van het CD-doosje zijn bijna niet te ontcijferen waardoor ik niet goed kan lezen wat de volgorde van de songtitels is, heel ergerlijk.

The Triffids - Lawson Square Infirmary (1984)

poster
2,0
"These Performances were recorded live, in a couple of takes, with [a] minimum of Technology and fuss." En dat nog wel tijdens een stiekeme nachtelijke sessie in het Sydney Opera House! Inderdaad een uitstapje in de richting van de country, met veel brushes, mid-tempo-liefdesliedjes en een zeer dominante dobro. Persoonlijk kan het mij niet erg charmeren: When my heart breaks klinkt alsof de zangers moeite moeten doen om niet in lachen uit te barsten, Alsy Macdonalds zang op Mother silhouette kan mij niet overtuigen (net zo min als op het flauwe Nothing can take your place op Treeless plain), en de dobro vind ik een mooi instrument maar de constante aanwezigheid ervan hier vind ik een beetje een zwaktebod – niet voor niets heeft annotator James Patterson het in het boekje bij Beautiful waste and other songs over "a desperately-needed touch of 'authenticity' to our deviation into the country idiom." Misschien dat vollere en zwaardere arrangementen hier wat meer gewicht aan hadden kunnen geven, maar zoals hij nu is klinkt deze EP voor mij veel te vrijblijvend, met Mercy als enige echt goede uitschieter. (Zoals hierboven al vermeld nu in z'n geheel verkrijgbaar op de verzamelaar Beautiful waste and other songs uit 2008.)

The Triffids - Love in Bright Landscapes (1986)

poster
4,5
The Triffids leerde ik kennen via het prachtige en wonderbaarlijk gelaagde Calenture, en op de één of andere manier ging ik er van uit dat alles wat ik van daarvóór van ze hoorde wel vrij rudimentair zou zijn. Een vriend gaf mij kort daarna een bandje met Love in bright landscapes, en tot mijn verbazing vond (en vind) ik die eigenlijk bijna net zo goed. Heel veel ijzersterke melodieën, donkere teksten zonder in gothic-somberheid te vervallen, een stem die afwisselend (en soms tegelijkertijd) rauw en intiem is, en goed doordachte arrangementen die elk nummer een eigen kleur geven (inclusief superbe gebruik van viool). Jesus calling is de enige misser op de plaat, en als Monkey on my back al een sterke afsluiter is is het weemoedige Madeline dat zo mogelijk nog meer. Vanaf Calenture terugwerkend ken ik Born Sandy devotional inmiddels ook al een aantal jaren, maar ik moet nu toch ook maar eens aan het nóg vroegere werk beginnen.

The Triffids - Raining Pleasure (1984)

poster
4,0
Van die ietwat leutige kant van de Triffids ben ik niet zo'n liefhebber, dus het openingsnummer met z'n jolige viool gaat geheel langs mij heen (hoewel ik het refrein niet uit m'n kop krijg), maar de bizarre zwarte humor van Everybody has to eat en Ballad of Jack Frost past al meer in mijn straatje, en de overige vier nummers zitten wat mij betreft al op of hoogstens net ónder het niveau van Born Sandy devotional en Calenture. Embedded en Property is condemned zijn donker en dwingend, van de eenzaamheid van St James infirmary krijg ik de rillingen (ook al is dit dan niet de eerste versie die ik hoor), en die strijkers-drone maakt van het titelnummer meteen het hoogtepunt. Nee, Jill Birt kan niet echt goed zingen, en vroeger stoorde ik me daar ook wel aan, maar tegenwoordig ben ik wel gecharmeerd van het contrast tussen haar kleine-meisjes-stemmetje en de serieuze ondertoon van haar teksten, of dat nou de zelfmoord van Tarrilup Bridge, het verbreken van een relatie van Goodbye little boy of de warme erotiek van Raining pleasure is. Kortom, een prachtig einde van een EP met meer gewicht dan z'n korte speelduur doet vermoeden. (Nu in z'n geheel verkrijgbaar op de verzamelaar Beautiful waste and other songs uit 2008.)

The Triffids - The Black Swan (1989)

poster
4,5
Voor mij niet zozeer een verleggen van grenzen alswel een uitsteken van voelhorens in alle mogelijke muzikale richtingen: pop, jazz, rockabilly, opera, ballade en hiphop (à la Rise to the occasion van Climie Fisher en Keep on movin' van Soul II Soul uit die tijd), alles bijeengehouden door de romantiek, de compositionele vaardigheid en de stem van David McComb. Heel veel rijke arrangementen waarbij je niet altijd kunt horen door wat voor instrument een bepaald geluid wordt voortgebracht, met uitzondering natuurlijk van de stem van Rita Menendez die regelmatig een extra vleugje extase toevoegt. Niet alles kan ik evenzeer waarderen, maar wanneer het raak is is het meteen ook góéd raak, zoals in het broeierige openingsnummer, het geweldige miniatuurtje dat daarop volgt, het meesterwerk The clown prince en het suikerzoete maar prachtige Fairytale love. (Lastig dat de tracklisting van hierboven afwijkt van mijn CD uit 1989, ook al is dat dan meer conform McCombs wensen.)
        Hierboven valt al een paar keer de naam van Muziekkrant Oor. Wie wat bewaart die heeft wat: in een vier pagina's lang gesprek in Oor 11 van 3 juni 1989 waarin David McComb alle nummers van The black swan becommentarieert, zegt interviewer Jacky Huys: "One mechanic town [...] is de enige song van de plaat die ik niet goed vind." Waarop McComb: "Ik ben het volkomen met je eens. Ik had zo'n song of twintig geschreven en we namen One mechanic town op als een B-kantje. Dacht ik. Want ik vond het niet goed genoeg. Maar de rest van de band en vooral Stephen [Street, de producer] waren het niet eens met me, ze vonden dat er niet genoeg uptempo-songs op de plaat stonden. Mijn hart zei nee, maar mijn hoofd ja. Het is ellendige cowpunk, als je het mij vraagt (lacht)." Grappig detail; ik kan me voorstellen dat McComb het zelf van aanzienlijk lager allooi vond dan New Year's greetings (dat Huys tegenover hem "een van je allergrootste songs" noemt), maar ik vind het zelf een erg geestig nummer (alleen al die titel als parodie op een "one horse town"!).

The Triffids - Treeless Plain (1983)

poster
4,0
Ik ben eigenlijk op de verkeerde manier tot dit album gekomen, want de verzamelaar Love in bright landscapes kende ik veel eerder; toen ik merkte hoeveel nummers daarvan (zes) afkomstig zijn van Treeless plain heb ik die eveneens aangeschaft, en daarbij moet ik de samensteller van die eerdere compilatie een pluim geven, want die zes nummers zijn ook in míjn optiek de zes beste die hij of zij van dit album had kunnen selecteren. Dat zet de rest op een achterstand die niet helemaal terecht is, want hoewel er bij het overige halve dozijn twee missers staan (het flauwe I am a lonesome hobo dat in Dylans oorspronkelijke versie ook al niet geweldig was, en het tenenkrommende slotnummer met z'n gênante "fa-ja-ja-jace" en "pla-ja-ja-jace") staan er ook een paar nummers op die op Love in bright landscapes niet zouden hebben misstaan, met name Branded en het spannende en uiterst suggestieve Hanging shed.
        Het is eigenlijk een soort proto-Triffids: de gefocuste composities, de overtuigende zang, de romantische duisternis van de teksten en de heerlijke arrangementen (de combinatie van bas en orgel op Red pony en Hell of a summer!) zijn hier al volledig aanwezig, maar het wachten is nog op Born Sandy devotional om de volledige rijkdom van de arrangementen en de reikwijdte van hun totaalsound te kunnen ondergaan (om nog maar te zwijgen van de bijna filmische kamerbrede benadering van Calenture). Gelukkig kan dit album ook los van die sublieme opvolgers heel goed op eigen benen staan.

The Vaughan Brothers - Family Style (1990)

poster
3,5
Dit zal voor mij nooit een regulier SRV-album kunnen vervangen, maar toch ben ik blij dat ie in mijn kast staat. Het voornaamste pluspunt is tegelijk ook het belangrijkste minpunt: de "vibe" is heerlijk los, ontspannen en "good-timey", maar het gevolg is wel dat ik soms wat verlang naar wat intensiteit, wat spanning, wat meer donker in de muziek. Maar ja, niet zeuren, daarvoor moet ik dan gewoon niet bij dit album zijn. De eerste twee nummers zijn het sterkst, Tick tock vind ik een behoorlijke draak (hoewel ik tot mijn verbazing zie dat de gebruikers hier het met afstand het beste nummer van de plaat vinden), en de rest zit daar aangenaam tussenin, met een lekkere produktie en een strak geluid.
        Bizar trouwens, dat Hillbillies from outerspace. Ik zou hebben durven zwéren dat het lead-instrument daarop een soort Hammondorgeltje met allemaal effecten is, vergelijkbaar met wat Joe Meek op Telstar gebruikte (volgens Wikipedia "either a clavioline, or the similar Jennings Univox, both keyboard instruments with distinctive electronic sounds"), maar volgens het tekstboekje is het een steel-gitaar. Wow!

The Veils - Nux Vomica (2006)

poster
3,5
Wat harder en grilliger dan het debuut, met meer "big music", meer Nick Cave en meer cinerama, maar dat staat deze band helemaal niet verkeerd. Het openingstrio is sowieso al geweldig, het titelnummer is een ander hoogtepunt, en House where we all live sluit de plaat sfeervol en waardig af. Op de een of andere manier raken de overige nummers me minder, misschien mis ik de intimiteit daar een beetje door de uitbundigheid, maar dat Andrews over het geheel genomen geen moeite heeft gehad om het niveau van The runaway found vast te houden lijkt me duidelijk.

The Veils - The Runaway Found (2004)

poster
4,0
Mijn voorganger legt de vinger al op de zere plek, want Finn Andrews heeft wel een beetje een love-it-or-hate-it-stem met de dramatiek van een zware omfloerstheid die gauw teveel kan worden, zeker wanneer hij er zo duidelijk op gaat inzetten dat zijn luisterrijke stem in z'n eentje wel voldoende is om een verder kaal gearrangeerd nummer als The valleys of New Orleans te dragen. Persoonlijk heb ik geen moeite met zijn stem (die me soms trouwens aan Waterboy Mike Scott doet denken), en gelukkig kan hij daarnaast ook scherp en hard uithalen, hetgeen van dit album zo'n diverse ervaring maakt. Wat die variatie betreft moet ik wel zeggen dat ik indertijd vooral viel voor nummers als Guiding light en The tide that left and never came back, die voor mij op optimale wijze de drie ingrediënten voor een perfect liedje combineerden: een melancholische tekst, een ultieme melodie en een jangle-gitaar. Het ruigere en monotonere werk als More heat than light en Vicious traditions kan ik ook wel waarderen, maar dat variëren op twee akkoorden vind ik toch niet de sterkste kant van deze band. De mooie momenten overheersen echter ruimschoots.

The Ventures - The Original (1995)

poster
4,0
Eén van de vele, vele Ventures-compilaties, maar zeker niet de slechtste. Twintig zeer aanstekelijke instrumentals met sterke surf-invloeden en heerlijke twangy gitaar, waarvan het leeuwendeel uit hun klassieke beginperiode (1960-1962), inclusief hun zes Amerikaanse top-40-hits (met beide versies van Walk don't run, dus het origineel uit 1960 en hun eigen remake uit 1964) alsmede veel nummers uit (of over) films en TV-series.
        Wat de release betreft is dit een typische Disky-uitgave, met alle gebruikelijke pluspunten (een goede selectie met redelijk goed geluid voor weinig geld) en minpunten (de informatie blijft beperkt tot jaartal, componist en muziekuitgever, dus geen vermelding van producer, muzikanten of opnamedata, en de gehele verpakking gebruikt vier keer dezelfde foto). Who's complaining?

The Verve - Urban Hymns (1997)

poster
4,5
Deze plaat heb ik om de een of andere dwaze reden altijd links laten liggen – ik geloof dat het iets te maken had met het achterlijke vooroordeel dat Richard Ashcroft een druggy warhoofd met onvoldragen muzikale ideeën zou zijn, terwijl, als deze plaat íéts duidelijk maakt is het wel dat hij c.q. The Verve zeer gestructureerde en zorgvuldig gearrangeerde muziek aflevert. Met de psychedelische en soms te lang doorzeurende gitaarjams op het einde van op zich interessante nummers als The rolling people, Catching the butterfly, This time en Come on heb ik niet zo veel (bij Oasis en het tweede album van de Stone Roses vond ik dat ook al de minst interessante passages), maar van nummers als Space and time, Weeping willow, Lucky man, One day en Velvet morning lust ik wel pap, steeds met dat mooi volle en gedetailleerde maar tegelijkertijd heldere en warme geluid. De opvallendste nummers staan echter aan het begin van de plaat, met de beruchte opener en de fantastische single The drugs don't work – die laatste track zou voor mij het hoogtepunt van het album zijn, ware het niet dat het nog afgetroefd wordt door Sonnet, een nummer waarvan ik letterlijk tranen in mijn ogen krijg elke keer dat ik het hoor. Onversneden schoonheid, melancholie die nergens sentimenteel wordt, een melodie om een moord voor te plegen, prachtig gezongen, me dunkt dat je je leven al als half geslaagd mag beschouwen wanneer je één zo'n nummer uit je pen krijgt.

The Waterboys - A Pagan Place (1984)

poster
4,5
Toen ik deze plaat leerde kennen vond ik altijd dat hij in één bepaald opzicht het spiegelbeeld van het debuut was: waar ik op The Waterboys de laatste twee nummers een stuk minder dan de rest vond, haalden op A pagan place juist de eerste twee nummers het gemiddelde omlaag. Inmiddels ben ik daar wel van teruggekomen, hoewel ik het met dat steeds herhaalde trompetloopje na de refreinregel van het openingsnummer op een gegeven moment wel een beetje heb gehad. Verder als geheel een zeer sterke plaat zonder zwakke nummers, misschien iets minder gepolijst en iets minder vol gearrangeerd dan z'n opvolger en bovendien zonder een fantastisch uithangbord als The whole of the moon, en daardoor zonder de klassieke status van This is the sea, maar voor mijn gevoel eigenlijk net zo goed: de grote muziek waar Mike Scott van droomde is hier toch dikwijls al in z'n volle glorie aanwezig. (Overigens staan op de voorkant van het boekje van de CD die ik in de jaren 80 kocht –dus de oorspronkelijke versie zonder bonustracks en helaas ook zonder enige vermelding van de muzikanten– de belettering en het logo niet in rode maar groene letters.)
        Mooie persoonlijke associatie: een vriend van mij trok door India, en op een dag zat hij in zo'n overvolle trein met mensen in en bovenop de coupé, en die enorme mensenmassa waar hij op dat moment deel van uitmaakte (en als buitenstaander en observator toch ook weer niet) en die hij bovendien vanuit zijn raampje op de akkers zag werken fascineerde hem in hoge mate en gaf hem een gevoel van verbondenheid. Dat was in de tijd waarin dit album uitkwam, en (de tekst van) Somebody might wave back is voor hem met die ervaring verbonden gebleven: als hij naar buiten had gewuifd was er ongetwijfeld terug gezwaaid, door één hand, of tientallen. (Ik ben hem al jaren geleden uit het oog verloren – zou hij dit lezen?)
        En wat Red Army blues betreft, beter dan dat worden verhalende nummers niet (en niet-verhalende nummers ook maar zelden).

The Waterboys - Dream Harder (1993)

poster
2,5
Indertijd was deze plaat een enorme teleurstelling, en bijna een kwart eeuw later is mijn ervaring hierbij eigenlijk niet veel anders. De eerste twee nummers zijn nog uitstekend (ondanks het enigszins vlakke geluid), het daaropvolgende duo kan er ook nog mee door (inclusief dat loopje uit The Pan within dat in The return of Pan returnt), maar daarna stort het album als dynamo d's pudding in elkaar : Corn circles en Spiritual city zijn genadeloos melig, van Love and death en Wonders of Lewis krijg ik last van mijn vullingen, Suffer is een vormeloze rocker met een vervelend doorzeurende sologitaar, en de belofte die wordt gewekt door de titel van The return of Jimi Hendrix wordt door de bijbehorende monotone geluidsmuur geen moment waargemaakt (en moest nou echt niemand minder dan Jim Keltner voor die fantasieloze percussiepartij opdraven?). De enige lichtpuntjes zijn Winter winter (een prachtig begin van wat een heart-wrenching ballade lijkt te worden, maar helaas al weer afgelopen voordat je er erg in hebt) en de mooie pianomelodie van het sfeervolle slotnummer. Een uiterst matige plaat met bovendien af en toe een klatergouden sound (met name het holle geluid van sologitaar en drums) en voorzien van een lelijke hoes (die foto van de licht weerspiegelende gitaar!) en een suffe titel. Mike Scott heeft zijn terugkeer van folk naar rock bepaald niet vlekkeloos volbracht.

The Waterboys - Fisherman's Blues (1988)

poster
4,5
Met de folkmuziek zoals ik die vroeger bij vrienden leerde kennen heb ik nooit uit de voeten gekund: teveel associaties met galmende stemmen, archaïsch taalgebruik, geaffecteerd-ouderwetse uitspraak en flauwe ritmes. Dat belegen imago werd voor mij door Fisherman's blues echter serieus opgepoetst, want in feite is deze plaat grotendeels gevuld met Mike Scotts gebruikelijke romantische Sturm-und-Drang-nummers vol gedreven melodieën en bezwerende teksten, alleen dan nu met arrangementen waarin het rockelement meer naar de achtergrond is gedrukt en de op This is the sea al aanwezige folkelementen prominent naar voren zijn gehaald, met schitterende resultaten. De eerste helft van het album vormt een prachtig en afwisselend uitbundig en ingetogen geheel, de tweede helft is wat grilliger, met het ietwat melige walsje Has anybody here seen Hank? en een paar instrumentaaltjes die er enerzijds wel bijhoren maar anderszijds de "persoonlijke" flow van de eerste helft enigszins ontwrichten. Desalniettemin als geheel een prachtige plaat die me nog altijd ontroert en daarbij soms de idyllische sfeer oproept die zo fraai is gevangen op de foto op de achterkant van het boekje (de tuin met uitzicht op het meer en de bergen in de verte). Rockmuziek maakt nog altijd het leeuwendeel van mijn collectie uit, maar van de eerste vijf Waterboys-albums raken de folkplaten me (nóg) meer dan de rockplaten (als ik hun werk zo mag simplificeren).
        Ergerlijk: toen ik deze CD bij zijn eerste verschijnen kocht stonden er volgens de achterkant van het doosje elf nummers op de plaat, volgens zowel de binnenkant van het boekje als de opdruk op het schijfje twaalf, en volgens de CD-speler dertien. En als ik het album ga googlen kom ik zelfs een vinyl-remaster uit 2015 tegen die slechts tien nummers vermeldt... (Om nog maar te zwijgen van die box met honderd-en-zoveel tracks.)

The Waterboys - Modern Blues (2015)

poster
3,5
Na Dream harder en A rock in the weary land was ik deze band eigenlijk helemaal uit het oog verloren, gedeeltelijk omdat dat twee heel matige albums waren, gedeeltelijk omdat je soms gewoon het gevoel krijgt van een bepaalde band/artiest/stem/visie nu wel genoeg platen in huis te hebben (kan gebeuren nietwaar), gedeeltelijk omdat mijn muzikale smaak aan het verschuiven was. Na die vijftien jaar radiostilte onverwacht Modern blues van mevrouw OnHeavenHill gekregen, en dat was de aanleiding om de eerste Waterboys-platen weer eens onder de loep te nemen. Veel muziek uit de jaren 80 (in muzikaal opzicht niet een decennium waar ik met warme gevoelens aan terugdenk) heeft mijn persoonlijke tand des tijds niet doorstaan, maar de eerste vijf Waterboys-platen scoorden bij mij nu gemiddeld nog 4½*, dus die kunnen er nog nèt mee door zal ik maar zeggen.
        Hoewel dit album Modern blues heet doet het mij eerder ouderwets-Waterboys-folky aan, want waar een standaard popliedje drie coupletten gebruikt roepen de vele coupletten van Scotts nummers bij mij de herinnering op aan die lange folkballades van vroeger waarin zulke uitgebreide verhalen konden worden verteld. Binnen die structuur is de passie waar Scott vaak over zingt bekend terrein, maar opvallend zijn de verschillende nummers die handelen over liefdes uit het verleden of die een melancholische terugblik behelzen – de vrolijkheid en de relatieve zorgeloosheid van And a bang on the ear lijkt hier plaats te hebben gemaakt voor een gereserveerder en misschien ook wel ontgoochelder blik op het verleden, of is mijn perspectief hierin verkeerd?
        Muzikaal gezien is dit in kwalitatief opzicht een mixed bag. Door de dikwijls lekker volle arrangementen en de overtuiging die Scott nog altijd aan de dag legt maakt dit album op mij altijd de indruk van een degelijke constantheid, maar Still a freak is melige eigen-schouder-klopperij, I can see Elvis net zo flauw als The return of Jimi Hendrix, en de lieve tekst van Beautiful now maskeert een heel middelmatige compositie. Aan de pluskant staan de stevige en spannende opener, het treffende November tale (met op 0'14–0'18 een pianoloopje dat me doet denken aan het beginorgeltje van Dylans Positively 4th Street), het ontroerende en meeslepende The girl who slept for Scotland, en natuurlijk Nearest thing to hip dat elke koper van platen die nu bijna alleen nog maar bij de MediaMarkt terecht kan zal aanspreken (om nog maar te zwijgen van De Slegte...). Die prachtige en krachtige nummers geven blijk van een jeugdigheid die toch wel ernstig contrasteert met die foto van de bebrilde Scott op het binnenwerk van de CD – mooi dat mensen zich graag willen laten zien zoals ze zijn, warts and all, maar zelf zou ik deze foto toch niet voor mijn albumhoes hebben gebruikt (ook al is bóvenstaande hoesafbeelding dan ook bijzonder fraai).
        De grote afknapper hier is voor mij het slotnummer: enorme lang en voorzien van een Dylaneske tekst, maar met een saai couplet, een nietszeggend refrein en een werkelijk stomvervelende drumpartij. Bij de Statistieken staat dit nummer bij de Favoriete Tracks triomfantelijk bovenaan (16 stemmen tegenover de negen van nummer 2), maar daar kan ik met mijn pet niet bij.
        Mooi om weer eens zo'n enthousiast teken van leven van Scott te hebben gekregen, en van de beste nummers is de kwaliteit weer als vanouds, maar er staan eigenlijk toch ook wel wat veel doorsnee-nummers op, en de bijna bovenzinnelijke magie die hij op A pagan place en This is the sea soms wist op te roepen hoor ik op dit album niet meer terug. Leuk dat ik Modern blues heb leren kennen, maar het heeft me niet speciaal benieuwd gemaakt naar volgende Waterboys-albums – misschien is ook tussen Scott en míj de relatie al af.