Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Waterboys - Room to Roam (1990)

5,0
0
geplaatst: 20 juli 2016, 14:20 uur
Ik ken eigenlijk maar heel weinig platen met zo'n natuurlijke èn sterke flow als Room to roam. Veertig minuten lang scheppen Mike Scott en co. een overdaad aan ijzersterke melodieën op ons bord, afwisselend feestelijk en serieus, vrolijk en sentimenteel, uitbundig en ingetogen, en gedurende die veertig minuten kakt deze plaat echt geen seconde in, want korte flarden als The star and the sea en Upon the wind and waves hebben evenveel bestaansrecht en zijn even bepalend voor de sfeer van dit album als intensere en daardoor misschien meer in het oog springende nummers als Something that is gone en A life of Sundays.
Waar Fisherman's blues soms nog de indruk wekte dat het daar meer ging om typische Waterboys-composities met een (nóg) folkier sausje dan voorheen, omarmt de opvolger het folkidioom van ganser harte, maar tegelijkertijd geeft Scott daar zijn eigen draai aan door er naadloos elementen die er eigenlijk mee zouden moeten schuren in te verwerken, zoals de klaaglijke saxsolo, de "achterstevoren" gespeelde gitaarsolo en de ELO-strijkers in Something that is gone, de knetterende gitaarsolo op het einde van A life of Sundays en de Dixieland-blazers op Spring comes to Spiddall, en zo klinkt het allemaal (1) weliswaar folky, maar toch ook (2) zeer uniek en (3) bijzonder "des Waterboys".
De drie mooiste momenten voor mij: op 3 de emotionele inzet van de saxsolo op How long will I love you? (sowieso een zeer aandoenlijk liefdesliedje), op 2 dat rare overgangsakkoord op het titelnummer (de maat waarin Scott "And its curing song" zingt) en op 1 het stiekeme invallen van conga's (of vergelijkbare percussie) op "All that ever stays the same is change" bij A life of Sundays. Maar in feite begint de plaat al met een trio nummers dat op elke andere plaat al het absolute hoogtepunt zou vormen, alleen gaat dít album dan nog even 35 minuten op hetzelfde niveau door. Wát een levenslustige plaat – die vergeef ik zelfs dat de nummering van het boekje van mijn vroege CD-versie al vanaf het vierde nummer niet meer klopt (omdat Kalliope House daarop als apart nummer staat vermeld terwijl het op de CD zelf één geheel met het voorafgaande A man is in love vormt).
Waar Fisherman's blues soms nog de indruk wekte dat het daar meer ging om typische Waterboys-composities met een (nóg) folkier sausje dan voorheen, omarmt de opvolger het folkidioom van ganser harte, maar tegelijkertijd geeft Scott daar zijn eigen draai aan door er naadloos elementen die er eigenlijk mee zouden moeten schuren in te verwerken, zoals de klaaglijke saxsolo, de "achterstevoren" gespeelde gitaarsolo en de ELO-strijkers in Something that is gone, de knetterende gitaarsolo op het einde van A life of Sundays en de Dixieland-blazers op Spring comes to Spiddall, en zo klinkt het allemaal (1) weliswaar folky, maar toch ook (2) zeer uniek en (3) bijzonder "des Waterboys".
De drie mooiste momenten voor mij: op 3 de emotionele inzet van de saxsolo op How long will I love you? (sowieso een zeer aandoenlijk liefdesliedje), op 2 dat rare overgangsakkoord op het titelnummer (de maat waarin Scott "And its curing song" zingt) en op 1 het stiekeme invallen van conga's (of vergelijkbare percussie) op "All that ever stays the same is change" bij A life of Sundays. Maar in feite begint de plaat al met een trio nummers dat op elke andere plaat al het absolute hoogtepunt zou vormen, alleen gaat dít album dan nog even 35 minuten op hetzelfde niveau door. Wát een levenslustige plaat – die vergeef ik zelfs dat de nummering van het boekje van mijn vroege CD-versie al vanaf het vierde nummer niet meer klopt (omdat Kalliope House daarop als apart nummer staat vermeld terwijl het op de CD zelf één geheel met het voorafgaande A man is in love vormt).
The Waterboys - The Waterboys (1983)

4,0
2
geplaatst: 3 juli 2016, 10:26 uur
Na al die jaren is dit nog steeds een indrukwekkend debuut, met Scotts fraaie melodieën, rijke gitaar-arrangementen, zeer sterke en vaak bijzonder beeldende teksten en altijd gepassioneerde voordracht. De openingsregel van de plaat is een knipoog naar de eerste regel van het beroemde gedicht The waste land van T.S. Eliot uit 1922, alleen geldt daar dat "April is the cruellest month", en het hoogtepunt van het album is voor mij het kippevelmoment van Gala (toch al het mooiste nummer van de plaat), wanneer de begeleiding aan het einde van de laatste magische strofe bijna de adem inhoudt :
because there are sailors on the sea tonight in
ships that God made
Look they... cast out a line with a... heave two three four
and they sing as they pull...
...our lost souls aboard...
Nog altijd briljant. (Sowieso bevat deze plaat veel woordjes en frasen die in de loop der jaren zomaar onuitgenodigd als oorwurmen tussen mijn gedachten zijn blijven opduiken vanwege de aparte manier waarop Scott ze nadruk geeft: "through venom sick and scum", "ashes and saaand", "to change or to BE changED", "ssssixes and sevens", "I'll never need you anywaaaaaay", "Gala doesn't want, Gala doesn't need", "but I will NOT", "you can shine like Blake's eternal tiger in the night" – nóg een Engelse dichter.)
De laatste twee nummers vind ik aanzienlijk minder impact hebben dan de rest van het album, alsof daar de compositorische koek ineens op was, maar er wordt vooral afbreuk aan deze plaat gedaan door het overdadige gebruik van ofwel uiterst beperkte drum-machines ofwel drumpartijen die meestentijds zó monotoon zijn dat ze niet van nep zijn te onderscheiden, waardoor dit album de organische kwaliteit mist die latere Waterboys-platen zo kenmerken (en waardoor ze zo de moeite waard blijven). December is mede daardoor voor mij ook niet een favoriet nummer, hoewel ik het met dix eens ben dat die mechanische drums bij Gala juist weer wèl goed werken. Eeuwig zonde, hoewel dat niet wegneemt dat dit debuutalbum niet een aanloop naar This is the sea is maar gewoon een uitstekende plaat van een singer/songwriter die hier al precies weet wat hij wil maar nog niet helemaal het juiste gereedschap tot zijn beschikking heeft.
because there are sailors on the sea tonight in
ships that God made
Look they... cast out a line with a... heave two three four
and they sing as they pull...
...our lost souls aboard...
Nog altijd briljant. (Sowieso bevat deze plaat veel woordjes en frasen die in de loop der jaren zomaar onuitgenodigd als oorwurmen tussen mijn gedachten zijn blijven opduiken vanwege de aparte manier waarop Scott ze nadruk geeft: "through venom sick and scum", "ashes and saaand", "to change or to BE changED", "ssssixes and sevens", "I'll never need you anywaaaaaay", "Gala doesn't want, Gala doesn't need", "but I will NOT", "you can shine like Blake's eternal tiger in the night" – nóg een Engelse dichter.)
De laatste twee nummers vind ik aanzienlijk minder impact hebben dan de rest van het album, alsof daar de compositorische koek ineens op was, maar er wordt vooral afbreuk aan deze plaat gedaan door het overdadige gebruik van ofwel uiterst beperkte drum-machines ofwel drumpartijen die meestentijds zó monotoon zijn dat ze niet van nep zijn te onderscheiden, waardoor dit album de organische kwaliteit mist die latere Waterboys-platen zo kenmerken (en waardoor ze zo de moeite waard blijven). December is mede daardoor voor mij ook niet een favoriet nummer, hoewel ik het met dix eens ben dat die mechanische drums bij Gala juist weer wèl goed werken. Eeuwig zonde, hoewel dat niet wegneemt dat dit debuutalbum niet een aanloop naar This is the sea is maar gewoon een uitstekende plaat van een singer/songwriter die hier al precies weet wat hij wil maar nog niet helemaal het juiste gereedschap tot zijn beschikking heeft.
The Waterboys - This Is the Sea (1985)

4,5
0
geplaatst: 11 juli 2016, 21:45 uur
Een fantastische eerste helft die nog altijd hoog scoort op het lijstje met beste plaatkanten aller tijden, met opzwepende composities en warme arrangementen – big music in optima forma, Mike Scott maximaal geïnspireerd. Kant 2 is helaas wat minder, met naast het prachtige Old England (het nummer dat voor mij deze plaat "openbrak") en het melancholische titelnummer helaas ook twee minder interessante rockers (inclusief het zéér Dylaneske Be my enemy) en het uitgesproken melige Trumpets. Daardoor is dit voor mij helaas net geen meesterwerk, maar omdat dit de plaat is waardoor ik deze band leerde kennen blijft hij toch altijd het bekende warme plekje in mijn hart houden (mede dankzij die sfeervolle "blauwe" videoclip van The whole of the moon), en nog steeds krijg ik de rillingen wanneer ik de zoekende eerste tonen van Don't bang the drum hoor.
Sommige bands hebben één plaat die algemeen wordt gezien als het hoogtepunt in hun oeuvre, waarbij de meeste mensen het er wel over eens zijn dat ze nooit beter zijn geweest, een plaat waarop ze tot volle wasdom kwamen en waarop ze al hun kwaliteiten maximaal ten toon konden spreiden. This is the sea is niet mijn favoriete Waterboys-plaat, maar als dit de enige CD is die van hen naar het spreekwoordelijke onbewoonde eiland mee zou gaan zou ik daar geen problemen mee hebben. "Surrender, surrender, surrender..."
Sommige bands hebben één plaat die algemeen wordt gezien als het hoogtepunt in hun oeuvre, waarbij de meeste mensen het er wel over eens zijn dat ze nooit beter zijn geweest, een plaat waarop ze tot volle wasdom kwamen en waarop ze al hun kwaliteiten maximaal ten toon konden spreiden. This is the sea is niet mijn favoriete Waterboys-plaat, maar als dit de enige CD is die van hen naar het spreekwoordelijke onbewoonde eiland mee zou gaan zou ik daar geen problemen mee hebben. "Surrender, surrender, surrender..."
The Who - 30 Years of Maximum R & B (1994)

4,0
2
geplaatst: 10 april 2019, 12:42 uur
Altijd moeilijk, een box als deze. Als je hem koopt krijg je veel essentieels, want de ene helft is een prima overzicht van het beste dat deze briljante band op plaat heeft gezet, maar de andere helft bestaat uit rarities die indertijd de albums niet hebben gehaald omdat ze niet goed genoeg waren, of niet in het totaalplaatje pasten, of al op single waren verschenen... kortom, nummers die eigenlijk vooral essentieel zijn voor de fan die alles van deze band wil hebben, maar die fan heeft ongetwijfeld ook al alle reguliere albums gekocht en dus die éne helft al in huis (plus de nummers die ook als bonustracks op de rijk bedeelde re-releases uit 1995/1996 zijn verschenen). Maar diezelfde die-hard-fan wil natuurlijk ook déze box hebben vanwege de nummers die níét op die re-releases zijn verschenen, maar krijgt daarbij dan dus weer ontzettend veel muziek dubbel (en dan nòg heeft hij nog altijd niet de single-versie van Substitute in huis).
Kortom, of dat het allemaal waard is moet ieder voor zich maar beslissen. Feit is dat er hier erg veel moois op staat en dat ik zelf erg blij ben met bijvoorbeeld het complete werk van de High Numbers (vooral het simpele maar aanstekelijke Zoot suit), de (iets) langere versie van het ontroerende The kids are alright, het melige radio-intro van Happy Jack ("Joke over now, no fucking about, let's get down to good serious recording!" en Moon: "Let's get down to brass tacks"), het onverwacht lieve Dogs, de studio-versie van Heaven and Hell, en natuurlijk Pete Townshends hilarische advanced course in crowd control : "I'LL TELL YOU FUCKERS SOMETHING, ALL RIGHT? NOW LISTEN! THIS FUCKING INSTANT – SHUT UP, RIGHT? EITHER SIT DOWN OR STAND UP OR LAY DOWN OR DO SOMETHING, BUT SHUT UP, RIGHT? THIS IS A FUCKING ROCK 'N' ROLL CONCERT, NOT A FUCKING TEA PARTY !"
Kortom, of dat het allemaal waard is moet ieder voor zich maar beslissen. Feit is dat er hier erg veel moois op staat en dat ik zelf erg blij ben met bijvoorbeeld het complete werk van de High Numbers (vooral het simpele maar aanstekelijke Zoot suit), de (iets) langere versie van het ontroerende The kids are alright, het melige radio-intro van Happy Jack ("Joke over now, no fucking about, let's get down to good serious recording!" en Moon: "Let's get down to brass tacks"), het onverwacht lieve Dogs, de studio-versie van Heaven and Hell, en natuurlijk Pete Townshends hilarische advanced course in crowd control : "I'LL TELL YOU FUCKERS SOMETHING, ALL RIGHT? NOW LISTEN! THIS FUCKING INSTANT – SHUT UP, RIGHT? EITHER SIT DOWN OR STAND UP OR LAY DOWN OR DO SOMETHING, BUT SHUT UP, RIGHT? THIS IS A FUCKING ROCK 'N' ROLL CONCERT, NOT A FUCKING TEA PARTY !"
The Who - A Quick One (1966)
Alternatieve titel: Happy Jack

2,0
0
geplaatst: 20 februari 2019, 12:18 uur
Met afstand het slechtste album dat ik van deze band ken. In de voorgaande berichten is al voldoende geschreven over hoe ook Daltrey en Moon er toe kwamen om eigen nummers aan te leveren, met in beide gevallen nietszeggende composities die als enige lichtpuntje hebben dat Moons drums op I need you bijna uit mijn speakers komen knallen. Heatwave is verder een zielloze cover, op Cobwebs and strange hebben de bandleden duidelijk meer plezier dan ik, en de flauwe afsluitende "mini-opera" is gewoon een met schaar en lijmpot geconstrueerde sekwens van net zo flauwe mini-nummertjes compleet met pijnlijke hoge koortjes.
Wat overblijft zijn de aardige rocker Run run run, het intrigerende Whiskey man waarop Entwistle zwartgallig commentaar levert op een (zijn) mogelijk alcoholdelirium, en slechts twee nummers die ik ècht goed kan noemen: Boris the Spider dat op voor Entwistle karakteristieke wijze tegelijk creepy en komisch is, en het absoluut fantastische So sad about us, de perfecte mix van powerpop en melancholie.
De tien bonusnummers bevatten eigenlijk veel meer leuks dan de plaat zelf, met vrolijke wegwerp-surf, een tweede creepy Entwistle-nummer (Doctor, doctor), een ijzersterke cover van Man with the money (dat zó lekker klinkt dat het bijna lijkt alsof het speciaal voor The Who werd geschreven) en Townshends geweldige Disguises. Zo verhult de tweede helft van deze uitgebreide CD nog bijna dat de eerste helft een af en toe werkelijk infantiel werkstuk is dat na het uitstekende debuut een enorme teleurstelling is – als ik dit in 1966 had leren kennen betwijfel ik of ik me het jaar daarop nog blind aan The Who sell out zou hebben gewaagd.
Wat overblijft zijn de aardige rocker Run run run, het intrigerende Whiskey man waarop Entwistle zwartgallig commentaar levert op een (zijn) mogelijk alcoholdelirium, en slechts twee nummers die ik ècht goed kan noemen: Boris the Spider dat op voor Entwistle karakteristieke wijze tegelijk creepy en komisch is, en het absoluut fantastische So sad about us, de perfecte mix van powerpop en melancholie.
De tien bonusnummers bevatten eigenlijk veel meer leuks dan de plaat zelf, met vrolijke wegwerp-surf, een tweede creepy Entwistle-nummer (Doctor, doctor), een ijzersterke cover van Man with the money (dat zó lekker klinkt dat het bijna lijkt alsof het speciaal voor The Who werd geschreven) en Townshends geweldige Disguises. Zo verhult de tweede helft van deze uitgebreide CD nog bijna dat de eerste helft een af en toe werkelijk infantiel werkstuk is dat na het uitstekende debuut een enorme teleurstelling is – als ik dit in 1966 had leren kennen betwijfel ik of ik me het jaar daarop nog blind aan The Who sell out zou hebben gewaagd.
The Who - Live at Leeds (1970)

4,0
2
geplaatst: 18 maart 2019, 15:23 uur
Moeilijk wat ik nou moet recenseren : de oorspronkelijke elpee van 39 minuten, de dubbele speelduur van de geremasterde CD, of de versie met Tommy van ruim twee uur... Ik probeer maar een beetje te schipperen en een gemiddelde te vinden, maar in feite is dat ook niet echt van belang, want in welke versie dan ook is Live at Leeds voor mij boven alles de grote Keith Moon-show. Als iemand mij vraagt waarom hij mijn favoriete drummer is, dan kan ik hem dat niet duidelijker maken dan door de eerste minuut van Heaven and Hell te laten horen. Moon uit de startblokken, in één seconde van 0 naar 100, hij slaat alles en iedereen bij elkaar en lijkt in één nummer meer te doen dan andere drummers tijdens een heel concert, bijna één lange solo, en toch vliegt hij nergens uit de bocht en overvleugelt hij het nummer nergens. Daarnaast is de sound op dit album werkelijk superbe (althans op mijn geremasterde en uitgebreide CD uit 1995), zodat je al zijn knallende roffels perfect kan horen. Natuurlijk gaat het af en toe wel eens mis – zo komt hij op 0:40 van Tattoo (vlak na "only women wear long hair") niet lekker uit met zijn "rondje", maar de grommende trommels waarmee hij vanaf 1:11 "I expect I'll regret you" begeleidt maken dan weer alles goed. Orthodox maat houden is het zeker niet, maar zoals hij eigenhandig Substitute verandert van een perfecte popsingle in een striemende rock&roll-tornado (net zoals de andere twee singles in deze mini-medley trouwens) vind ik hem opwinderder dan welke andere drummer ook.
Als document van hoe goed Keith Moon kan zijn is Live at Leeds wat mij betreft dus onovertroffen, maar als geheel vind ik dit album toch niet zo ijzersterk dat ik hier de maximale waardering aan kwijt kan. De eerste helft is fantastisch, en het melige A quick one while he's away wordt zelfs wat beter dan op de studioversie dankzij de heavy begeleiding van de flauwe zangpartijen, maar het laatste halve uur vind ik gewoon minder interessant : Summertime blues is niet zo leuk als Eddie Cochrans origineel, die vertraging in Shakin' all over werkt voor mij niet, de flarden Tommy en andere niet nader uitgewerkte thema's in My generation gaan veel te lang door, en Magic bus vind ik gewoon flauw. En verder kan Townshend natuurlijk als geen ander pop- en rock-klassiekers schrijven, maar als sologitarist vind ik hem niet bijster goed. Zijn rauwe spel past misschien wel goed bij de ambiance van dit concert, maar als ik er echt naar ga zitten luisteren hoor ik toch maar weinig solo's die mijn interesse vasthouden; ik hoef daar niet per se een "gitaargod" als Hendrix of Page of Clapton te horen, maar dit is gewoon te mager en te weinig melodieus. (Overigens staat daar tegenover dat Daltrey dankzij het eindeloze touren met Tommy inmiddels een stem als een leeuw heeft ontwikkeld en nu een indrukwekkend rock & roll-monster is geworden.)
Met de live-versie van Tommy ben ik persoonlijk zeer gelukkig : alles wat op de studioplaat netjes afgewerkt, strak en zuiver was, is hier los, soepel en smerig, met weglating van een paar minder belangrijke nummers (Underture, Sensation, Welcome) maar helaas ook zonder Cousin Kevin. Zonder de studioversie overbodig te maken is dit een spektakel dat laat zien hoe hecht de groep inmiddels was geworden en hoe energiek ze de bijna klassieke structuur van de oorspronkelijke plaat over het voetlicht konden brengen. (Overigens is de tracklisting zoals die momenteel hierboven staat niet helemaal juist, want tussen tracks 14 (Overture) en 15 (1921) staat nog It's a boy. Ik kan nu wel een verbetering indienen, maar dat zou er toe kunnen leiden dat iedereen een melding krijgt dat hij/zij z'n favoriete nummers opnieuw moet aankruisen omdat de trackvolgorde gewijzigd is, en omdat It's a boy (32 seconden) waarschijnlijk niet of nauwelijks als favoriet nummer zal worden aangekruist lijkt het me verstandiger om het zo maar te laten.)
Al met al voor mij een niet foutloze maar wel essentiële live-plaat als (1) een liveregistratie van een favoriete band, (2) een document van hoe goed ze op het toppunt van hun kunnen waren, en (3) een uitstekende staal van kunnen van het fenomeen Keith Moon.
Als document van hoe goed Keith Moon kan zijn is Live at Leeds wat mij betreft dus onovertroffen, maar als geheel vind ik dit album toch niet zo ijzersterk dat ik hier de maximale waardering aan kwijt kan. De eerste helft is fantastisch, en het melige A quick one while he's away wordt zelfs wat beter dan op de studioversie dankzij de heavy begeleiding van de flauwe zangpartijen, maar het laatste halve uur vind ik gewoon minder interessant : Summertime blues is niet zo leuk als Eddie Cochrans origineel, die vertraging in Shakin' all over werkt voor mij niet, de flarden Tommy en andere niet nader uitgewerkte thema's in My generation gaan veel te lang door, en Magic bus vind ik gewoon flauw. En verder kan Townshend natuurlijk als geen ander pop- en rock-klassiekers schrijven, maar als sologitarist vind ik hem niet bijster goed. Zijn rauwe spel past misschien wel goed bij de ambiance van dit concert, maar als ik er echt naar ga zitten luisteren hoor ik toch maar weinig solo's die mijn interesse vasthouden; ik hoef daar niet per se een "gitaargod" als Hendrix of Page of Clapton te horen, maar dit is gewoon te mager en te weinig melodieus. (Overigens staat daar tegenover dat Daltrey dankzij het eindeloze touren met Tommy inmiddels een stem als een leeuw heeft ontwikkeld en nu een indrukwekkend rock & roll-monster is geworden.)
Met de live-versie van Tommy ben ik persoonlijk zeer gelukkig : alles wat op de studioplaat netjes afgewerkt, strak en zuiver was, is hier los, soepel en smerig, met weglating van een paar minder belangrijke nummers (Underture, Sensation, Welcome) maar helaas ook zonder Cousin Kevin. Zonder de studioversie overbodig te maken is dit een spektakel dat laat zien hoe hecht de groep inmiddels was geworden en hoe energiek ze de bijna klassieke structuur van de oorspronkelijke plaat over het voetlicht konden brengen. (Overigens is de tracklisting zoals die momenteel hierboven staat niet helemaal juist, want tussen tracks 14 (Overture) en 15 (1921) staat nog It's a boy. Ik kan nu wel een verbetering indienen, maar dat zou er toe kunnen leiden dat iedereen een melding krijgt dat hij/zij z'n favoriete nummers opnieuw moet aankruisen omdat de trackvolgorde gewijzigd is, en omdat It's a boy (32 seconden) waarschijnlijk niet of nauwelijks als favoriet nummer zal worden aangekruist lijkt het me verstandiger om het zo maar te laten.)
Al met al voor mij een niet foutloze maar wel essentiële live-plaat als (1) een liveregistratie van een favoriete band, (2) een document van hoe goed ze op het toppunt van hun kunnen waren, en (3) een uitstekende staal van kunnen van het fenomeen Keith Moon.
The Who - My Generation (1965)
Alternatieve titel: The Who Sings My Generation

4,0
0
geplaatst: 17 februari 2019, 10:12 uur
Een geweldig energiek en afwisselend debuut. Is dit inderdaad "the hardest mod pop recorded by anyone" zoals AMG meent, of komen de Small Faces nog aardig in de buurt? Hoe dan ook, dit is zo'n plaat die ik probleemloos meerdere keren achter elkaar kan draaien vanwege de heerlijke sound: zwaar in de drums, maar in het gitaarwerk de ene keer poppy-jangly, de andere keer knarsend en dreigend. De stem van Daltrey heeft nog niet het gewicht en de orkaankracht die hij tijdens de tournees tussen Tommy en Who's next zou ontwikkelen maar al wel de expressie en de warmte, en hoewel Townshend nog wat poppier en meer sixties-beat-achtig componeert zitten er toch ook al zwaardere nummers als The good's gone en het titelnummer bij. Moeilijk om een derde favoriet naast My generation en The kids are alright aan te kruisen, maar uiteindelijk kies ik toch voor de perfecte pop van A legal matter. Dit is het enige Who-album (t/m By numbers) dat ik niet als geremasterde CD met bonustracks heb (ik beluister hem in de vroege maar niet slecht klinkende MCA-versie met Amerikaanse tracklist), maar misschien moet ik daar toch ook maar eens aan geloven, want wat is dit toch een leuke plaat.
The Who - Quadrophenia (1973)

5,0
3
geplaatst: 31 maart 2019, 22:16 uur
Voor mij absoluut het beste dat The Who heeft gemaakt. Zeventien nummers die stuk voor stuk van de eerste tot en met de laatste seconde interessant en pakkend zijn, met dank bovenal aan Townshends geweldige melodieën maar ook aan de rijke klankkleur van piano, synthesizers, warempel een banjo (in I've had enough) en een reeks prachtige ambient-geluiden (de zee, een nieuwslezer, een blazersharmonie) en incidentele aparte sfeerverhogende geluidjes (bijvoorbeeld die afgeknepen zang na "the punk with the stutter" in The punk and the godfather of die "drone" op het einde van Doctor Jimmy). Uiteraard dragen alle bandleden hun steentjes (stenen) bij, met Moon vaak zeer dienstbaar, Townshend als de dirigent en Entwistle zoals gebruikelijk superieur op zijn instrument (solerend in The real me maar ook uiterst functioneel steeds één noot een maat lang aanhoudend in I've had enough), maar voor mijzelf is Daltrey toch de ster van de show. Ik hoor hier de beste en meest expressieve zang uit z'n z'n carrière, met de agressie en de hopeloze macho-attitude die Jimmy als schild hanteert ("I'll take on anyone, ain't scared of a bloody nose!"), maar ook de wanhoop wanneer hij zich onbespied waant ("why that uncertain feeling is still here in my brain...", "you stop dancing", "The girl I loved...") en natuurlijk de fantastische kwetsbaarheid van Love reign o'er me. Waarlijk superbe.
En die expressiviteit kan natuurlijk vooral floreren omdat Townshend hier zo'n prachtig verhaal over een verloren ziel heeft geschreven. Het stuk proza voorin het boekje verklaart al veel van wat de teksten soms enkel schetsen, de foto's geven de achtergrond de textuur van de grimmige omgeving waarin Jimmy is opgegroeid (wat ben ik blij dat dat tijdsdocument bij de CD-versie van 1996 is meegekomen), en voor wie ze gezien heeft vullen de documentaire van Matt O'Casey en de film van Franc Roddam het beeld nog verder aan. Een verhaal dat je hart kan breken met z'n urgentie en z'n ontgoocheling ("Bell boy – I gotta get runnin' now!"), en de briljante muziek is daar de perfecte begeleiding bij. Fantastisch album, indrukwekkend en aangrijpend.
En die expressiviteit kan natuurlijk vooral floreren omdat Townshend hier zo'n prachtig verhaal over een verloren ziel heeft geschreven. Het stuk proza voorin het boekje verklaart al veel van wat de teksten soms enkel schetsen, de foto's geven de achtergrond de textuur van de grimmige omgeving waarin Jimmy is opgegroeid (wat ben ik blij dat dat tijdsdocument bij de CD-versie van 1996 is meegekomen), en voor wie ze gezien heeft vullen de documentaire van Matt O'Casey en de film van Franc Roddam het beeld nog verder aan. Een verhaal dat je hart kan breken met z'n urgentie en z'n ontgoocheling ("Bell boy – I gotta get runnin' now!"), en de briljante muziek is daar de perfecte begeleiding bij. Fantastisch album, indrukwekkend en aangrijpend.
The Who - Ready Steady Who (1965)

3,0
0
geplaatst: 20 februari 2019, 12:11 uur
Melig maar leuk. Die nummers op het B-kantje (de inbreng van surfgek Moon die op Bucket T en Barbara Ann de leadzang mag doen) stellen niet veel voor maar zijn vrolijk en energiek, Circles (instant party) is een leuk psychedelisch nummer (fraai slotnummer van mijn Amerikaanse MCA-versie van My generation) en het Beatle-eske Disguises vind ik echt een geweldig nummer. Licht en luchtig, maar Bucket T kwam in Zweden toch maar mooi op nummer 1, iets dat de Who met hun eigen nummers noch in Engeland noch in Amerika ooit is gelukt.
The Who - The Who by Numbers (1975)

4,0
3
geplaatst: 4 april 2019, 11:35 uur
The Who by numbers is wel eens Townshends eerste soloplaat genoemd, en daar is veel voor te zeggen. Dit lijkt bijna een singer-songwriter-album, maar waar ik bij de Amerikaanse West Coast-genre-genoten eerder denk aan overpeinzingen vol melancholie en kwetsbaarheid gaat Townshend hier all out en schrijft hij onbeschaamd over zijn problemen met drankverslaving, de oppervlakkigheid van roem, de verleiding van pornoblaadjes, ijdelheid, leugenachtigheid, wantrouwen, het verleden, en het perspectief ingehaald te worden door de jongere generatie en de bijbehorende twijfel over hoe het nu verder moest. (Wat die drankverslaving betreft, volgens Moon-biograaf Tony Fletcher gaf Roger Daltrey de zang van However much I booze terug aan Townshend – vermoedelijk niet alleen omdat Daltrey het enige bandlid zonder alcoholprobleem was, maar ook omdat iemand die zichzelf in een songtekst zó fileert het recht heeft om dat nummer zelf te zingen.)
Toch zou al die openheid en eerlijkheid niet voldoende zijn zonder de juiste muziek, en gelukkig heeft Townshend hierbij een reeks nummers verzameld die dankzij hun melodische rijkdom, gevarieerdheid en bereik de bitterheid en de zelfbeschuldigingen draaglijk houden, en de afwisselende arrangementen (de blazers op Blue red and grey, de banjo-solo van Squeeze box, het pianospel van Nicky Hopkins, de waanzinnige baspartijen van John Entwistle op Dreaming from the waist en In a hand or a face) geven de plaat extra kleur en maken hier eigenlijk een vrij uniek Who-produkt van. Nee, er staan geen anthems als My generation, Baba O'Riley en Won't get fooled again op (hoewel het slotnummer die status wel had verdiend), maar onder z'n eigen vlag en op eigen stoom is dit een dapper en rijk album dat een weg uit Townshends eigen doolhof lijkt (of leek) te wijzen en dat aangaf dat The Who nog wel degelijk levensvatbaar was en een toekomst had. En aan de drie bonusnummers van de CD-uitgave van 1996 valt te horen dat ze live ook nog altijd een aardig bandje waren – van met name de live-versie van Dreaming from the waist kun je toch niet met goed fatsoen beweren dat het hier een band betreft die over z'n hoogtepunt heen is.
Toch zou al die openheid en eerlijkheid niet voldoende zijn zonder de juiste muziek, en gelukkig heeft Townshend hierbij een reeks nummers verzameld die dankzij hun melodische rijkdom, gevarieerdheid en bereik de bitterheid en de zelfbeschuldigingen draaglijk houden, en de afwisselende arrangementen (de blazers op Blue red and grey, de banjo-solo van Squeeze box, het pianospel van Nicky Hopkins, de waanzinnige baspartijen van John Entwistle op Dreaming from the waist en In a hand or a face) geven de plaat extra kleur en maken hier eigenlijk een vrij uniek Who-produkt van. Nee, er staan geen anthems als My generation, Baba O'Riley en Won't get fooled again op (hoewel het slotnummer die status wel had verdiend), maar onder z'n eigen vlag en op eigen stoom is dit een dapper en rijk album dat een weg uit Townshends eigen doolhof lijkt (of leek) te wijzen en dat aangaf dat The Who nog wel degelijk levensvatbaar was en een toekomst had. En aan de drie bonusnummers van de CD-uitgave van 1996 valt te horen dat ze live ook nog altijd een aardig bandje waren – van met name de live-versie van Dreaming from the waist kun je toch niet met goed fatsoen beweren dat het hier een band betreft die over z'n hoogtepunt heen is.
The Who - The Who Sell Out (1967)

4,5
2
geplaatst: 26 februari 2019, 11:12 uur
Voor mij de plaat waarop Townshend plotseling een groeispurt inzette en bewees niet alleen maar perfecte harde popsongs te kunnen schrijven maar eigenlijk van alle markten thuis te zijn: romantische liedjes, powerpop, sociale observaties, tongue-in-cheek-fantasietjes, en natuurlijk steeds de geweldige melodieën waarvan sommige al preludeerden op Tommy. Alles samengeperst in een extreem afwisselende melange met een zeer gevarieerd instrumentarium plus als bindmiddel diverse grappige (al dan niet nep-) reclamefilmpjes ("Radio London reminds you : go to the church of your choice!") die, hoe vaker je ze hoort, steeds meer onderdeel van de plaat gaan worden in plaats van storende onderbrekingen. Een feilloos en veelgelaagd popalbum.
Wat de bonustracks betreft, ik kan zo één-twee-drie geen ander album verzinnen waarbij de extra "content" zowel inhoudelijk als kwalitatief zo naadloos bij het oorspronkelijke materiaal aansluit, met zelfs een knappe bijdrage van Keith Moon (Girl's eyes) en minstens één nummer dat ik zou hebben aangevinkt wanneer het op de originele plaat zou zijn verschenen (Melancholia). Nú gaat die eer naar I can see for miles, I can't reach you (geweldig piano-intro) en het wonderbaarlijke Odorono waarvan de zeldzaam verdrietige melodie zelfs bestand is tegen de uiteindelijke onthulling dat het hier slechts (zogenaamd) gaat om zoiets triviaals als een reclame voor deodorant. Een prachtig nummer dat ook met de voorkennis van de uiteindelijke clou nog ontroerend blijft.
Nog een triviaal feitje dat niets maar dan ook níéts met de muziek te maken heeft : merkwaardig genoeg is bij dit album (en bij een paar andere CD's uit de re-release-reeks uit 1995 van deze band, in ieder geval bij A quick one en Live at Leeds) de laatste letter van de naam van de band op het dunne ruggetje (dus wat je ziet als de CD in een rijtje CD's in de kast staat) vervangen door het cijfer nul – kijk maar eens naar het verschil met de letter O van Out. Er staat dus niet The Who sell out maar The Wh0 sell out. Totaal zinloos detail, maar het valt mij gewoon op.
Wat de bonustracks betreft, ik kan zo één-twee-drie geen ander album verzinnen waarbij de extra "content" zowel inhoudelijk als kwalitatief zo naadloos bij het oorspronkelijke materiaal aansluit, met zelfs een knappe bijdrage van Keith Moon (Girl's eyes) en minstens één nummer dat ik zou hebben aangevinkt wanneer het op de originele plaat zou zijn verschenen (Melancholia). Nú gaat die eer naar I can see for miles, I can't reach you (geweldig piano-intro) en het wonderbaarlijke Odorono waarvan de zeldzaam verdrietige melodie zelfs bestand is tegen de uiteindelijke onthulling dat het hier slechts (zogenaamd) gaat om zoiets triviaals als een reclame voor deodorant. Een prachtig nummer dat ook met de voorkennis van de uiteindelijke clou nog ontroerend blijft.
Nog een triviaal feitje dat niets maar dan ook níéts met de muziek te maken heeft : merkwaardig genoeg is bij dit album (en bij een paar andere CD's uit de re-release-reeks uit 1995 van deze band, in ieder geval bij A quick one en Live at Leeds) de laatste letter van de naam van de band op het dunne ruggetje (dus wat je ziet als de CD in een rijtje CD's in de kast staat) vervangen door het cijfer nul – kijk maar eens naar het verschil met de letter O van Out. Er staat dus niet The Who sell out maar The Wh0 sell out. Totaal zinloos detail, maar het valt mij gewoon op.
The Who - Tommy (1969)

5,0
2
geplaatst: 6 maart 2019, 13:38 uur
Mijn probleem met Tommy is dat ik deze oorspronkelijke plaat pas leerde kennen ná Lou Reizners orkestrale versie op de dubbelelpee met het London Symphony Orchestra en naast de Who zelf ook een serie gastzangers (onder andere Steve Winwood, Sandy Denny, Maggie Bell, Rod Stewart, Ringo Starr, Richie Havens en Richard Harris); Roger Daltrey had in 1973 nog een kleine hit met I'm free van dat album. En dàt project is in muzikaal opzicht net wat uitgesprokener : melodieën worden iets verder doorgetrokken, zanglijnen worden zwaarder aangezet, arrangementen zijn voller en suggesties worden accenten. Dus toen ik jaren later voor het eerst de versie van de Who hoorde vond ik die in eerste instantie vooral droog, kaal, onuitgewerkt, bijna schetsmatig. Inmiddels heb ik hem wel zó vaak gedraaid dat die beperkte aanpak me niet meer stoort en dat ik de directe en strakke benadering van de Who juist steeds meer ben gaan waarderen (hoewel ik nog steeds bij sommige passages niet alleen Daltrey of Townshend maar ook één van de bovengenoemde andere zangers of zangeressen eroverheen hoor brullen).
Als rockplaat van de Who dan (dus niet als orkestraal werkstuk, en ook niet als soundtrack bij Ken Russells film, en ook niet als musical, en zéker niet als de soundtrack bij een produktie van Les Grands Ballets Canadiens, en ook los van z'n mythische status als ongeveer de eerste "rockopera" en als de plaat die van de Who definitief supersterren maakte) vind ik dit nog steeds een indrukwekkend werkstuk, met zeker op de eerste helft een overdaad aan sterke en afwisselende nummers en zóveel inventiviteit in de arrangementen dat je soms bijna vergeet dat het grootste deel daarvan gebruikmaakt van niets anders dan gitaar, bas en drums. Jammer dat de vierde kant een beetje inzakt, iets waarvan in mijn optiek wel meer dubbelalbums last hebben (The white album, The lamb lies down on Broadway, The wall, Sign o' the times, allemaal platen waarvan ik het laatste kwart een stuk minder interessant vind), dat verhindert voor mij net de maximale score. Neemt niet weg dat bij mij, net als bij Richard Barnes in zijn essay bij de 1995-release van Tommy, de haartjes in mijn nek overeind gaan staan bij de eerste tonen van Overture – hetgeen misschien ondanks alles toch ook het gevolg van die orkestrale versie uit 1972 is.
(Ik ontdek overigens net dat die versie een paar jaar geleden ook op CD is verschenen. Meteen besteld – als die dan weer "over" de oorspronkelijke plaat van de Who komt draai ik wel weer de live-versie van Tommy bij Live at Leeds, ook briljant.)
Als rockplaat van de Who dan (dus niet als orkestraal werkstuk, en ook niet als soundtrack bij Ken Russells film, en ook niet als musical, en zéker niet als de soundtrack bij een produktie van Les Grands Ballets Canadiens, en ook los van z'n mythische status als ongeveer de eerste "rockopera" en als de plaat die van de Who definitief supersterren maakte) vind ik dit nog steeds een indrukwekkend werkstuk, met zeker op de eerste helft een overdaad aan sterke en afwisselende nummers en zóveel inventiviteit in de arrangementen dat je soms bijna vergeet dat het grootste deel daarvan gebruikmaakt van niets anders dan gitaar, bas en drums. Jammer dat de vierde kant een beetje inzakt, iets waarvan in mijn optiek wel meer dubbelalbums last hebben (The white album, The lamb lies down on Broadway, The wall, Sign o' the times, allemaal platen waarvan ik het laatste kwart een stuk minder interessant vind), dat verhindert voor mij net de maximale score. Neemt niet weg dat bij mij, net als bij Richard Barnes in zijn essay bij de 1995-release van Tommy, de haartjes in mijn nek overeind gaan staan bij de eerste tonen van Overture – hetgeen misschien ondanks alles toch ook het gevolg van die orkestrale versie uit 1972 is.
(Ik ontdek overigens net dat die versie een paar jaar geleden ook op CD is verschenen. Meteen besteld – als die dan weer "over" de oorspronkelijke plaat van de Who komt draai ik wel weer de live-versie van Tommy bij Live at Leeds, ook briljant.)
The Who - Who's Next (1971)

5,0
1
geplaatst: 26 maart 2019, 13:25 uur
Vaak gezien als de beste plaat van deze band. Terecht? Bij het opnieuw draaien en ontdekken van hun discografie valt mij juist op hoe weinig kwalitatief verschil er eigenlijk zit tussen Sell out, Tommy, dít album en Quadrophenia – allemaal geweldige platen die op hun eigen mérites bijna maximaal scoren. Misschien dat ik elk van deze vier nèt een beetje beter vind dan z'n voorganger (met uitzondering van Sell out die ik echt een straatlengte beter dan A quick one vind), en Who's next staat dan voor mij als bijna het beste dat deze band heeft voortgebracht. De composities zijn gevarieerder met meer dynamiek, het instrumentarium is rijker dankzij de verschillende gastmuzikanten plus de anders klinkende gitaren en natuurlijk Townshends synthesizers, Moons drumwerk is gedisciplineerd wanneer het moet en woest wanneer het mag (Bargain!), de bijdrage van Entwistle knalt bijna uit de speakers, Daltrey heeft zijn brul inmiddels geperfectioneerd, en met de opener en de afsluiter hebben ze twee voor de eeuwigheid bestemde klassiekers in huis (huidige stand bij de Favoriete Tracks: Baba O'Riley 314 stemmen, Won't get fooled again 279, Behind blue eyes 113, Bargain 40).
Qua bonustracks is de uitgebreide uitgave uit 1995 net zo gul als die van Live at Leeds, maar helaas wel wat minder succesvol. Pure and easy is een prachtig nummer dat gemakkelijk met de hoogtepunten van het oorspronkelijke album meekan, maar daarna wordt het een stuk minder. Waarom zowel de Small Faces als de Band als de Who Baby don't you do it leuk genoeg vond om te coveren is mij altijd een raadsel geweest, en Naked eye en Water bevatten allebei interessante ideeën maar gaan allebei ook te lang door met veel herhalingen en veel plechtstatigheid. Pas Too much of anything en I don't even know myself komen weer op niveau, en de vroege versie van Behind blue eyes is een aardige maar niet opzienbare variant.
Maar goed, al die extraatjes tellen niet mee in (en doen dus ook niets af aan) mijn waardering van dit album. Quadrophenia is mij nog net iets dierbaarder, maar als compact rockalbum èn als een staalkaart van het geweld dat dit kwartet ook in de studio wist te ontketenen is Who's next moeilijk te overtreffen.
Qua bonustracks is de uitgebreide uitgave uit 1995 net zo gul als die van Live at Leeds, maar helaas wel wat minder succesvol. Pure and easy is een prachtig nummer dat gemakkelijk met de hoogtepunten van het oorspronkelijke album meekan, maar daarna wordt het een stuk minder. Waarom zowel de Small Faces als de Band als de Who Baby don't you do it leuk genoeg vond om te coveren is mij altijd een raadsel geweest, en Naked eye en Water bevatten allebei interessante ideeën maar gaan allebei ook te lang door met veel herhalingen en veel plechtstatigheid. Pas Too much of anything en I don't even know myself komen weer op niveau, en de vroege versie van Behind blue eyes is een aardige maar niet opzienbare variant.
Maar goed, al die extraatjes tellen niet mee in (en doen dus ook niets af aan) mijn waardering van dit album. Quadrophenia is mij nog net iets dierbaarder, maar als compact rockalbum èn als een staalkaart van het geweld dat dit kwartet ook in de studio wist te ontketenen is Who's next moeilijk te overtreffen.
The Yardbirds - Five Live Yardbirds (1964)

4,0
0
geplaatst: 6 april 2016, 11:10 uur
Van de verschillende releases die er van dit album in omloop zijn heb ik zelf de Repertoire-release uit 1999, mooi verzorgd met een aardig boekje (zoals altijd bij dat label) en "Restored & Remastered". Die laatste kwalificatie kan niet verhinderen dat dit toch een bak herrie blijft waarin individuele instrumenten regelmatig verzuipen in de mix (je moet hier niet naar luisteren als je een jonge Clapton wil horen of überhaupt wil kunnen onderscheiden), en ik vrees dat geen enkele wijze van remastering dat ooit recht kan trekken, maar zoals Droombolus hierboven al zegt hoort dat er nou eenmaal bij.
Mocht iemand dit album toch willen hebben, dan kan ik déze versie zeker aanraden, want naast de tien nummers van de oorspronkelijke plaat staan er hier nog acht bonustracks van samen bijna 33 minuten in goede (en veel gedetailleerdere) geluidskwaliteit op: zes van een optreden in de Crawdaddy Club uit 1965 (overigens allemaal ook te vinden op London 1963, inclusief de geweldige rave-ups van Bo Diddley's Who do you love [beter bekend via de hitversie van Ronnie Hawkins], B.B. Arnolds I wish you would [waarvan de studioversie de debuutsingle van de Yardbirds was] en het superbe Smokestack lightnin' in een langere en betere uitvoering dan de eerdere / oudere versie); en twee nummers live in Duitsland in 1967, I'm a man en Shapes of things (aangezien Beck in 1966 uit de Yardbirds werd gezet moeten die nummers dus met alleen Page op gitaar zijn, en te oordelen naar de Dazed and confused-atmospherics op I'm a man kan dat wel kloppen).
Mocht iemand dit album toch willen hebben, dan kan ik déze versie zeker aanraden, want naast de tien nummers van de oorspronkelijke plaat staan er hier nog acht bonustracks van samen bijna 33 minuten in goede (en veel gedetailleerdere) geluidskwaliteit op: zes van een optreden in de Crawdaddy Club uit 1965 (overigens allemaal ook te vinden op London 1963, inclusief de geweldige rave-ups van Bo Diddley's Who do you love [beter bekend via de hitversie van Ronnie Hawkins], B.B. Arnolds I wish you would [waarvan de studioversie de debuutsingle van de Yardbirds was] en het superbe Smokestack lightnin' in een langere en betere uitvoering dan de eerdere / oudere versie); en twee nummers live in Duitsland in 1967, I'm a man en Shapes of things (aangezien Beck in 1966 uit de Yardbirds werd gezet moeten die nummers dus met alleen Page op gitaar zijn, en te oordelen naar de Dazed and confused-atmospherics op I'm a man kan dat wel kloppen).
The Yardbirds - London 1963 (1981)
Alternatieve titel: The First Recordings!

3,5
0
geplaatst: 4 maart 2016, 19:26 uur
Een merkwaardig samenraapsel van blues-work-outs, een verdwaald wegwerppopnummertje en (te) getrouwe covers van grote bluesvoorbeelden als Howlin' Wolf, Chuck Berry en John Lee Hooker; misschien voornamelijk interessant voor wie deze band ook in hun begindagen aan het werk wil horen, maar sommige nummers zijn ook los van het historische belang (en afgezien van die onsamenhangendheid) al behoorlijk indrukwekkend, zoals het openingsnummer, de ontspannen samenwerking met Sonny Boy Williamson op Take it easy baby en (zoals heartofsoul al vermeldt) I wish you would. Niet op alle momenten groots, wel erg leuk.
The Yardbirds - Shapes of Things (2010)
Alternatieve titel: The Best Of

5,0
0
geplaatst: 22 maart 2015, 14:53 uur
Na vele, vele malen draaien kan ik alleen maar concluderen dat dit een krankzinnige compilatie is, niet omdat hier nummers uit alle periodes dwars door elkaar heen staan (hoewel dat natuurlijk ook niet hèlpt om hier een gestroomlijnde verzameling van te maken) maar omdat deze band schijnbaar alle genres door elkaar beoefende: blues (de Five live Yardbirds-elpee, hier met drie nummers vertegenwoordigd), klassieke pop (Small Faces-achtig zoals in I can't make your way, of West-Coast in de trant van de Turtles zoals in Sweet music, of de prachtige "protestsong" Mister you're a better man than I), rhythm & blues (Here 'tis doet mij mede vanwege de zang wel wat aan de vroege Moody Blues denken, althans tót het door Bo Diddley geïnspireerde instrumentale tussenstuk) en psychedelica (de Gregoriaanse zang op Still I'm sad uit 1965, of het instrumentale gedeelte van Shapes of things, of de fantastische single Happenings ten years time ago, allebei uit 1966, dus een jaar eerder dan Sgt Pepper's en Piper at the gates of dawn!), en dat dan niet alleen in opeenvolgende periodes, maar ook met verschillende stijlen binnen dezelfde periode, en soms zelfs binnen één en hetzelfde nummer, zoals in het Kinks-achtige A certain girl dat een knetterende gitaarsolo krijgt, of de lange instrumentale workout van Lost women, of in het heel gewone poppy Rack my mind waarin de solo's je opeens blaren op je trommelvliezen geven.
Dat maakt de muziek tamelijk onvoorspelbaar en moeilijk te categoriseren, hetgeen meteen ook verklaart waarom deze band buiten de (briljante) klassieke singles (allemaal aan het begin van beide CD's geplaatst) nooit het commerciële succes heeft gekregen dat ze op artistieke gronden wel verdienen. De af en toe ietwat nietszeggende wegwerpnummers (Putty in your hands, Honey in your hips – dat zijn twee verschillende titels) of "ouderwetse" bluescovers neem ik dan maar voor lief: dit is gewoon een geweldige compilatie van een groep die in geen enkel hokje paste en daarom een halve eeuw later nog steeds fris klinkt. (Overigens staan hierop dus ook de enige drie Yardbirds-nummers waarop Beck en Page samen op dueling guitars te horen zijn: de single Happenings ten years time ago [met John Paul Jones op bas], de B-kant daarvan Psycho daisies [proto-Led Zeppelin], en het nummer dat de band voor hun optreden in Michelangelo Antonioni's Blow-up (1966) opnam, Stroll on – alledrie nog steeds stevige en bijzondere nummers.)
Dat maakt de muziek tamelijk onvoorspelbaar en moeilijk te categoriseren, hetgeen meteen ook verklaart waarom deze band buiten de (briljante) klassieke singles (allemaal aan het begin van beide CD's geplaatst) nooit het commerciële succes heeft gekregen dat ze op artistieke gronden wel verdienen. De af en toe ietwat nietszeggende wegwerpnummers (Putty in your hands, Honey in your hips – dat zijn twee verschillende titels) of "ouderwetse" bluescovers neem ik dan maar voor lief: dit is gewoon een geweldige compilatie van een groep die in geen enkel hokje paste en daarom een halve eeuw later nog steeds fris klinkt. (Overigens staan hierop dus ook de enige drie Yardbirds-nummers waarop Beck en Page samen op dueling guitars te horen zijn: de single Happenings ten years time ago [met John Paul Jones op bas], de B-kant daarvan Psycho daisies [proto-Led Zeppelin], en het nummer dat de band voor hun optreden in Michelangelo Antonioni's Blow-up (1966) opnam, Stroll on – alledrie nog steeds stevige en bijzondere nummers.)
The Yardbirds - The Yardbirds Story by Giorgio Gomelsky (2002)

0
geplaatst: 25 oktober 2014, 19:56 uur
Maar helaas zullen die die-hard-fans hier misschien ook niet al te blij mee zijn, want dit verhaal is niet echt compleet: het bevat weliswaar alle tracks die de Yardbirds onder Gomelsky's bewind opnamen, maar na zijn vertrek nam de groep nog de elpee Roger the engineer en de singles Over under sideways down en Happenings ten years time ago op, niet hun minste wapenfeiten dus, en dan heb ik het nog niet eens over de nummers uit de periode dat ook Beck vertrokken was en Page als enige gitarist overbleef. Kortom, een interessante en zeer "uitputtende" maar allesbehalve complete box.
Them - The Angry Young Them (1965)

4,0
0
geplaatst: 19 maart 2016, 19:56 uur
Op hun beste momenten was deze band absoluut briljant, maar tegenover Mystic eyes, Gloria, Don't look back en I'm gonna dress in black staan ook onbenullige nummers als Just a little bit, I like it like that en My little baby waar ik niet koud of warm van word. De altijd competente arrangementen, het vaak uitstekende spel en Morrisons bevlogen zang zorgen ervoor dat deze plaat nergens echt slecht wordt, maar hij bevat toch ook veel dat de reputatie van deze band niet altijd rechtvaardigt. De echo's van de Animals (de stem van Eric Burdon, de piano en het orgel van Alan Price, en het songmateriaal) zijn begrijpelijk omdat ze voor hun repertoire vaak in dezelfde vijver visten (John Lee Hooker, Jimmy Reed, Chuck Berry). Overigens heet dit album volgens mij gewoon Them, en wie snel wil klaar wil zijn kan het nu samen met alle overige opnames met Morrison vinden op The complete Them 1964-1967.
Them - The Complete 1964-1967 (2015)

5,0
0
geplaatst: 22 februari 2016, 18:32 uur
Tja, complete zal dit dan inderdaad wel niet zijn naar bovenstaande berichten te oordelen (net als bijvoorbeeld de evenmin complete Complete Animals en Complete Stone Roses), maar zoals nlkink op 13 november 2015 al schrijft is dit toch wel een geweldige compilatie : als ik de discografieën die ik van Them vind uitpluis, staat inderdaad alles uit het Van Morrison-tijdperk bij de tweemaal 64 minuten van de eerste twee CD's, terwijl de derde (74 minuten) dus nog een heleboel extra moois bevat, en dat alles netjes chronologisch geordend en in prima geluidskwaliteit. Jammer dat de geschiedenis van deze band zó chaotisch is dat het onbegonnen werk lijkt om de muzikanten bij elk nummer op te sporen, maar naar wat er op deze box staat ga ik nog heel veel luisteren.
Them - Them Again (1966)

4,5
0
geplaatst: 1 april 2016, 20:45 uur
Een ontzettend leuke plaat, afwisselend melancholisch en feestelijk, en steeds heerlijk warm gearrangeerd en geproduceerd. Er staan een paar mindere momenten op: Something you got vond ik ook in de versies die ik eerder kende (van Hu & the Hilltops en de Moody Blues) al niet geweldig, de covers van Ray Charles, James Brown en Fats Domino doen nogal plichtmatig aan, het verder fraaie Call my name doet mij bij het couplet steeds onafwendbaar aan Don't let me be misunderstood denken, en hoewel I can only give you everything één van de hoogtepunten van de plaat is doen riff en ritme me wel héél erg aan (I can't get no) Satisfaction denken (en dat refrein van I try and I try helpt ook niet echt om die associatie tegen te gaan).
Daar staan diverse prachtige nummers tegenover: de opener (waarvan de titel elke liefhebber van Astral weeks meteen de oren zal doen spitsen), I put a spell on you (opmerkelijk ingetogen, met niets van de gekte die Eric Burdon, Arthur Brown, John Fogerty en natuurlijk Screamin' Jay Hawkins zelf er in vonden), het opzwepende Bad or good (misschien een opvullertje maar dan wel een héle lekkere), het spannende want onderkoelde Don't you know, het lyrische Hey girl dat bijna een voorstudie van Morrisons twee-akkoorden-werk op bijvoorbeeld Veedon fleece lijkt te zijn, en natuurlijk het absolute hoogtepunt My lonely sad eyes, dat ik al eerder kende via de eveneens geweldige cover van Maria McKee op haar tweede soloplaat You gotta sin to get saved, maar Morrisons origineel is nóg beter. Misschien is dat nummer vooral zo magisch omdat je hierin al hoort tot welke hoogten Morrison niet veel later zou gaan stijgen, maar ook zonder die kennis is het een magnifiek nummer, echt briljant. "Fill me my cup..." Het middelpunt van, nogmaals, een heerlijke plaat.
Daar staan diverse prachtige nummers tegenover: de opener (waarvan de titel elke liefhebber van Astral weeks meteen de oren zal doen spitsen), I put a spell on you (opmerkelijk ingetogen, met niets van de gekte die Eric Burdon, Arthur Brown, John Fogerty en natuurlijk Screamin' Jay Hawkins zelf er in vonden), het opzwepende Bad or good (misschien een opvullertje maar dan wel een héle lekkere), het spannende want onderkoelde Don't you know, het lyrische Hey girl dat bijna een voorstudie van Morrisons twee-akkoorden-werk op bijvoorbeeld Veedon fleece lijkt te zijn, en natuurlijk het absolute hoogtepunt My lonely sad eyes, dat ik al eerder kende via de eveneens geweldige cover van Maria McKee op haar tweede soloplaat You gotta sin to get saved, maar Morrisons origineel is nóg beter. Misschien is dat nummer vooral zo magisch omdat je hierin al hoort tot welke hoogten Morrison niet veel later zou gaan stijgen, maar ook zonder die kennis is het een magnifiek nummer, echt briljant. "Fill me my cup..." Het middelpunt van, nogmaals, een heerlijke plaat.
Them Crooked Vultures - Them Crooked Vultures (2009)

3,0
1
geplaatst: 19 juni 2014, 16:02 uur
Ik kan er niet precies de vinger op leggen, maar om de een of andere reden draai ik deze plaat eigenlijk niet voor mijn plezier. Misschien is het allemaal te zwaar, misschien ademen de nummers niet, misschien klinkt het allemaal te bedacht, misschien krijg ik er (net als bij de Mars Volta) te weinig lucht bij, maar ik mis hier alle variatie en luchtigheid en vanzelfsprekendheid en speelplezier die ik bij met name de tweede, derde en vierde platen van QOTSA zo goed vind (en omdat Josh Homme hier zo nadrukkelijk zijn stempel op heeft gedrukt beschouw ik Them crooked vultures toch vooral als een album dat in het verlengde van de Queens ligt). Af en toe barst de hemel even open en komt er licht en lucht, zoals bij Bandoliers en het lekker vette Gunman, en de climax van Warsaw is indrukwekkend in al z'n sluwe doordachtheid, maar al met al blijft dit album voor mij helaas toch vooral op afstand.
Therapy? - Infernal Love (1995)

2,5
0
geplaatst: 21 april 2023, 23:32 uur
Meer dan prijzenswaardig dat Therapy? ervoor koos om geen Troublegum II te maken: langere nummers die ook niet allemaal up-tempo zijn, een af en toe afwijkend gitaargeluid, koortjes, natuurlijker klinkende drums, elektronische tussendoortjes, en een uitgebreider instrumentarium met cello, sax en achtergrondzang. Maar waar het geluid daardoor kleuriger is en de songs gevarieerder zijn, klinken veel composities mij helaas ook geforceerd in de oren, alsof Andy Cairns de grenzen van zijn nummers probeert op te rekken maar daar niet altijd een gelukkige hand in heeft. Het couplet van Stories lijkt als twee druppels water op dat van Trigger inside, de refreinregel van Jude the obscene trekt op niets, Misery stottert maar een beetje voort zonder een groove te kunnen vinden, Loose heeft een heel flauw en voorspelbaar refrein, het uitstekende slotnummer is na twee minuten eigenlijk al afgelopen, de elektronische tussendoortjes duren soms tergend lang, en al dat melige gedoe met Jezus ("your ass like Jesus' feet"?!) heb ik onderhand ook wel gezien.
Het "vervelende" is dat er tegenover die hinderlijke stukken ook een aantal geweldige nummers staan, zoals het majestueuze A moment of clarity, het bijna intimiderende Bad mother (met die schroeiende gitaarsound), het genoemde slotnummer (sterke tekst), en natuurlijk het schrijnende Bowels of love dat wat mij betreft het emotionele hoogtepunt van de plaat is. Het resultaat is dus eigenlijk een plaat die voor mij van top naar dal en weer terug schiet, maar waar bij andere platen de sterke nummers uiteindelijk het zwaartepunt van de plaat vormen weegt voor mij bij de eindafrekening van Infernal love het geforceerde en gekunstelde aspect het zwaarst. Ik hoor de kwaliteiten en de ambitie, maar te veel nummers zakken voor mij door het ijs.
In zijn klassieke biografie van James Joyce vertelt Richard Ellmann hoe de jonge Joyce eens zijn nog jongere broer Stanislaus vroeg om "Jude the obscure" voor hem uit de bibliotheek mee te nemen. Achteraf bleek dat Stanislaus met lood in de schoenen op de bibliothecaris was afgestapt omdat hij dacht dat dat boek "Jude the obscene" heette. Zou Andy Cairns die anekdote in de biografie van zijn beroemde landgenoot hebben gelezen, of is dit gewoon een gangbare opzettelijke verspreking onder Engelstalige schoolkinderen?
Het "vervelende" is dat er tegenover die hinderlijke stukken ook een aantal geweldige nummers staan, zoals het majestueuze A moment of clarity, het bijna intimiderende Bad mother (met die schroeiende gitaarsound), het genoemde slotnummer (sterke tekst), en natuurlijk het schrijnende Bowels of love dat wat mij betreft het emotionele hoogtepunt van de plaat is. Het resultaat is dus eigenlijk een plaat die voor mij van top naar dal en weer terug schiet, maar waar bij andere platen de sterke nummers uiteindelijk het zwaartepunt van de plaat vormen weegt voor mij bij de eindafrekening van Infernal love het geforceerde en gekunstelde aspect het zwaarst. Ik hoor de kwaliteiten en de ambitie, maar te veel nummers zakken voor mij door het ijs.
In zijn klassieke biografie van James Joyce vertelt Richard Ellmann hoe de jonge Joyce eens zijn nog jongere broer Stanislaus vroeg om "Jude the obscure" voor hem uit de bibliotheek mee te nemen. Achteraf bleek dat Stanislaus met lood in de schoenen op de bibliothecaris was afgestapt omdat hij dacht dat dat boek "Jude the obscene" heette. Zou Andy Cairns die anekdote in de biografie van zijn beroemde landgenoot hebben gelezen, of is dit gewoon een gangbare opzettelijke verspreking onder Engelstalige schoolkinderen?
Therapy? - Semi-Detached (1998)

2,5
0
geplaatst: 27 april 2023, 17:06 uur
Redelijke verzameling redelijk kleurrijke pop/rock/punk/metalnummers waarop Andy Cairns de perfectie van Troublegum lijkt te willen combineren met de emotionele achtbaan die Infernal love was, maar het resultaat klinkt eerder geforceerd en onevenwichtig dan kwalitatief stabiel. Dat is althans míjn oordeel, maar blijkens de berichten hier is dit voor verschillende van de (teleurstellend weinige) gebruikers hierboven juist de favoriete Therapy?-plaat. Voor mij zitten de beste nummers in de eerste helft (Tightrope walker, Lonely cryin' only en Born too soon) en slaan na Safe de verveling en de voorspelbaarheid toe, en hoewel ik indertijd echt moeite heb gedaan om hier enthousiast over te zijn kan ik hier nu niet meer warm voor lopen.
Misschien heb ik langzaam maar zeker ook wel een beetje genoeg gekregen van Cairns' verbeten en bijna dwangmatige zwartgalligheid, hoe energiek hij die ook in zijn muziek verpakt. Natuurlijk, als dat zijn wereldbeeld is, dan is dat nou eenmaal zo, en ik kan moeilijk van hem eisen dat hij de dingen eens van een andere en iets vrolijker kant gaat beschouwen, maar op een gegeven moment wordt het allemaal zó zwaar op de hand dat het me bijna karikaturaal aandoet. Ik herinner me nog dat ik indertijd volop meebrulde met mijn favoriete nummer Lonely, cryin' only (bijna Weezer-slim), maar dat ik tegelijkertijd dacht: ja, nou voelt de ik-figuur zich eenzaam en zwak, en hij zoekt steun bij iemand anders, maar waarom moet de liefde die hij voor twee minuten van haar vraagt nou meteen weer een "twisted love" zijn? (Of zoek ik onbewust een stok om de hond mee te slaan omdat ik niet goed kan verklaren waarom ik hierna met Therapy? ben opgehouden?)
Misschien heb ik langzaam maar zeker ook wel een beetje genoeg gekregen van Cairns' verbeten en bijna dwangmatige zwartgalligheid, hoe energiek hij die ook in zijn muziek verpakt. Natuurlijk, als dat zijn wereldbeeld is, dan is dat nou eenmaal zo, en ik kan moeilijk van hem eisen dat hij de dingen eens van een andere en iets vrolijker kant gaat beschouwen, maar op een gegeven moment wordt het allemaal zó zwaar op de hand dat het me bijna karikaturaal aandoet. Ik herinner me nog dat ik indertijd volop meebrulde met mijn favoriete nummer Lonely, cryin' only (bijna Weezer-slim), maar dat ik tegelijkertijd dacht: ja, nou voelt de ik-figuur zich eenzaam en zwak, en hij zoekt steun bij iemand anders, maar waarom moet de liefde die hij voor twee minuten van haar vraagt nou meteen weer een "twisted love" zijn? (Of zoek ik onbewust een stok om de hond mee te slaan omdat ik niet goed kan verklaren waarom ik hierna met Therapy? ben opgehouden?)
Therapy? - Troublegum (1994)

5,0
2
geplaatst: 11 april 2023, 21:35 uur
"Nirvana have got some scary neighbours," luidde volgens mij de laatste zin van de recensie van Q indertijd (als ik het me goed herinner), en zo is het maar net. Veertien briljante dynamietstaafjes op het snijpunt van metal, punk en powerpop, met een eindeloze hoeveelheid pakkende melodieën, overtuigende (en overtuigde) zang, een moddervette gitaar, arrangementen die weinig van de gitaar-bas-drums-basis afwijken maar toch nergens saai of monotoon aandoen, en natuurlijk dat enorme arsenaal van meebrulbare one-liners: "All people are shit, bad trip tattooed on my brain", "Screw that, forget about that / I don't wanna think about anything like that", "I've got nothing to do but hang around and get screwed up on you", "You just wanna be Jesus without the suffering", "Heaven kicked you out / You wouldn't wear a tie", "Masturbation saved my life / I was nervous as a child" – enfin, ik kan zo nog wel even doorgaan, wat moet Andy Cairns tijdens het schrijven in een flow hebben gezeten. Minder dan vijf sterren kan ik hier niet voor geven, met de vermelding dat ik blij ben dat ik deze plaat al vanaf 1994 ken en er dus al helemaal aan gewend ben, want als ik hem nú zou leren kennen zou ik vermoedelijk al snel een enorme hekel gaan krijgen aan dat lelijke synthetische snaredrum-geluid.
Thrice - Vheissu (2005)

3,0
0
geplaatst: 25 juni 2011, 19:09 uur
Mooie plaat, maar je kan merken dat ik geen echte Thrice-fan ben doordat ik aan het eind van het album denk: zo, nou even wat anders want ik ben doodop. Al dat emotionele oprechte geschreeuw is soms wel een beetje te veel van het goede.
Tiësto - Elements of Life (2007)

2,0
0
geplaatst: 20 december 2020, 16:24 uur
Matige melodieën, nauwelijks pakkende riffs, kleurloze zang, saaie arrangementen, geen verrassende wendingen die nummers nog onverwachte of spetterende climaxen geven – ja, dan wordt dit al gauw gezichtsloze dertien-in-een-dozijn-muziek, alsof de inspiratie na In my memory (voor mij 3½*) en Just be (4*) even op was. De enige twee hoogtepunten zitten tegen het einde van het album: In the dark is een prima Ultravox-y popsong (hoewel het nòg sterker zou zijn geworden met een echte "belter" als Keane's Tom Chaplin), en omdat ik nooit naar de radio luister ben ik Dance4life ook nooit zat geworden, hoewel ik die half lome half dreigende praatzang van Maxi Jazz langzaam maar zeker wel begin te ervaren als een trucje dat me enigszins begint te vervelen. Helaas komen er na die twee mooie nummers nog het titelnummer (acht minuten lang één en hetzelfde loopje) en een totaal fantasieloze bewerking van het Pirates-thema om alsnog een vieze smaak in mijn mond achter te laten. Nee, dit derde album van Tiësto is een behoorlijke teleurstelling.
Tiësto - Just Be (2004)

4,0
0
geplaatst: 17 december 2020, 14:01 uur
Wat vloeiender en "vloeibaarder" dan In my memory, maar dat maakt dit album tegelijkertijd tot een warmere luisterervaring. Traffic doet me helemaal niets en Adagio for strings is een weinig spectaculair en dus vrij teleurstellend slotnummer, maar verder staat hier geen zwak nummer op, met mooie melodieën, subtiele dan wel opzwepende synths en intrigerende vocalen. Hoogtepunten zijn voor mij de opener en het trio nummers vóór de afsluiter, dus dat wordt nog moeilijk met de (slechts) twee favorieten – een fijne overdaad aan keuze. (De manier waarop in Walking on clouds de spanning wordt opgebouwd tót dat verlossende loopje op 2:48...)
Tim Buckley - Blue Afternoon (1969)

5,0
0
geplaatst: 13 januari 2012, 16:04 uur
Paar aardige weetjes uit Blue melody – Tim Buckley remembered van Lee Underwood:
* Blue afternoon en Lorca werden volgens hem allebei eind 1969 (en dus niet 1968) opgenomen;
* I must have been blind stamt al uit 1966, maar Buckley "had no place to put it until this album";
* ook The river schijnt te stammen uit Buckley's "folk era";
* en gitarist Steve Khan (zoon van songwriter Sammy Cahn, schrijver van Bei mir bist du schön, Come fly with me, Let it snow, let it snow, let it snow, Love and marriage, Three coins in the fountain, (Love is) the tender trap enz. -- een grote meneer dus) speelde mee op Happy time en So lonely, maar werd niet op de hoes vermeld. "Nothing personal, probably just a snafu in the office."
Voor mij is dit het meest complete en bevredigende album van Buckley, net zo subtiel en sfeervol als Happy/sad maar zonder ook maar enige zwakke plek (zoals het vreselijke Gypsy woman dat voornoemde plaat ernstig verminkt).
Ik kom er trouwens nèt achter dat Rhino in oktober 2011 een Orginal album series-box heeft uitgebracht met daarin Buckley's eerste vijf albums -- dus ook het lange tijd moeilijk te vinden Blue afternoon.
* Blue afternoon en Lorca werden volgens hem allebei eind 1969 (en dus niet 1968) opgenomen;
* I must have been blind stamt al uit 1966, maar Buckley "had no place to put it until this album";
* ook The river schijnt te stammen uit Buckley's "folk era";
* en gitarist Steve Khan (zoon van songwriter Sammy Cahn, schrijver van Bei mir bist du schön, Come fly with me, Let it snow, let it snow, let it snow, Love and marriage, Three coins in the fountain, (Love is) the tender trap enz. -- een grote meneer dus) speelde mee op Happy time en So lonely, maar werd niet op de hoes vermeld. "Nothing personal, probably just a snafu in the office."
Voor mij is dit het meest complete en bevredigende album van Buckley, net zo subtiel en sfeervol als Happy/sad maar zonder ook maar enige zwakke plek (zoals het vreselijke Gypsy woman dat voornoemde plaat ernstig verminkt).
Ik kom er trouwens nèt achter dat Rhino in oktober 2011 een Orginal album series-box heeft uitgebracht met daarin Buckley's eerste vijf albums -- dus ook het lange tijd moeilijk te vinden Blue afternoon.
Tim Buckley - Goodbye and Hello (1967)

4,5
1
geplaatst: 8 november 2013, 13:29 uur
Net als de hoes is Goodbye and hello voor mij een plaat met twee gezichten.
Eind jaren negentig kwam ik dit album tegen in de uitverkoopbakken van een sindsdien ter ziele gegane CD-winkel, voor de zeer schappelijke prijs van 10 (toen nog:) gulden. Buckley was voor mij toen alleen nog maar een Beroemde Naam (gelukkig wel al bekend als "an artist in his own right" en niet als vader-van), en omdat ik altijd graag de "zwarte gaten" in mijn kennis van de geschiedenis popmuziek wil opvullen nam ik deze ongezien mee. De eerste twee nummers deden me nog niet echt opveren, maar vanaf de eerste noten van Pleasant Street was het raak, en Buckley heeft me daarna eigenlijk niet meer losgelaten. Ik heb lang niet alles van hem, en op zijn latere platen (vanaf Starsailor) heb ik soms ook wel behoorlijk wat moeite, maar zijn vroege werk vind ik magisch. (Waarom leg ik dit nog uit? Hier bevinden zich veel geloofsgenoten.)
Zo ook het merendeel van de nummers op Goodbye and hello. No man can find the war valt misschien nog binnen de traditie van de klassieke protestsong, en Carnival song is nog een kort (maar fraai) psychedelisch-romantisch nummer, maar daarna nemen de nummers dikwijls een muzikale of tekstuele en in ieder geval altijd emotionele left turn die de plaat nog altijd fris en vooral uniek houdt. Leerden we vroeger op school niet dat literatuur volgens Willem Kloos de allerindividueelste uitdrukking van de allerindividueelste emotie is? Dan schrijft Tim Buckley vaak muzikale literatuur, en die is vaak ook zo allerindividueelst omdat nummers als Pleasant Street, Hallucinations en Morning glory na al die keren dat ik ze heb gedraaid nog altijd geen eenduidige "betekenis" of emotionele lading hebben.
Helaas –het andere gezicht van dit album– gaat dat voor mij slechts voor 28 van de 43 minuten op. Die 28 minuten worden gevuld door acht van de tien nummers, maar die andere twee nummers kan ik maar niet mooi vinden, en helaas zijn dat wel de twee langste tracks van de plaat. In I never asked to be your mountain wordt een toch al niet zo interessante melodie overweldigd door een drukte van congas en akoestische slaggitaar, en door het David Ackles-achtige theatrale orkestrale arrangement en de vele maat- en stemmingswisselingen valt het titelnummer voor mij uiteindelijk als los zand uit elkaar. Ik heb allebei de nummers vaak geprobeerd te waarderen, maar ik kan mijn aandacht er echt niet bij houden, en ze vormen voor mij toch een smet op een verder zo prachtige plaat.
De volle mep qua sterren kan ik dus uiteindelijk niet voor dit album geven. (Als nu dit een ultrakorte plaat van 28 minuten –dus met alleen die acht sterke nummers– was geweest, zoals in de zestiger jaren wel vaker voorkwam, hoe zou ik hem dan gewaardeerd hebben?) Die acht nummers herbergen echter zóveel moois en zóveel muzikale rijkdom dat ik toch tegen de maximale score aan ga leunen. Als mensen mij vragen met welke van Buckley's platen ze moeten beginnen noem ik nog altijd Goodbye and hello, en dan niet eens omdat dat ook voor mij het vertrekpunt was maar vooral omdat dit een zeer veelzijdige plaat is waarop alle facetten van Buckley's genie tot uiting komen.
Eind jaren negentig kwam ik dit album tegen in de uitverkoopbakken van een sindsdien ter ziele gegane CD-winkel, voor de zeer schappelijke prijs van 10 (toen nog:) gulden. Buckley was voor mij toen alleen nog maar een Beroemde Naam (gelukkig wel al bekend als "an artist in his own right" en niet als vader-van), en omdat ik altijd graag de "zwarte gaten" in mijn kennis van de geschiedenis popmuziek wil opvullen nam ik deze ongezien mee. De eerste twee nummers deden me nog niet echt opveren, maar vanaf de eerste noten van Pleasant Street was het raak, en Buckley heeft me daarna eigenlijk niet meer losgelaten. Ik heb lang niet alles van hem, en op zijn latere platen (vanaf Starsailor) heb ik soms ook wel behoorlijk wat moeite, maar zijn vroege werk vind ik magisch. (Waarom leg ik dit nog uit? Hier bevinden zich veel geloofsgenoten.)
Zo ook het merendeel van de nummers op Goodbye and hello. No man can find the war valt misschien nog binnen de traditie van de klassieke protestsong, en Carnival song is nog een kort (maar fraai) psychedelisch-romantisch nummer, maar daarna nemen de nummers dikwijls een muzikale of tekstuele en in ieder geval altijd emotionele left turn die de plaat nog altijd fris en vooral uniek houdt. Leerden we vroeger op school niet dat literatuur volgens Willem Kloos de allerindividueelste uitdrukking van de allerindividueelste emotie is? Dan schrijft Tim Buckley vaak muzikale literatuur, en die is vaak ook zo allerindividueelst omdat nummers als Pleasant Street, Hallucinations en Morning glory na al die keren dat ik ze heb gedraaid nog altijd geen eenduidige "betekenis" of emotionele lading hebben.
Helaas –het andere gezicht van dit album– gaat dat voor mij slechts voor 28 van de 43 minuten op. Die 28 minuten worden gevuld door acht van de tien nummers, maar die andere twee nummers kan ik maar niet mooi vinden, en helaas zijn dat wel de twee langste tracks van de plaat. In I never asked to be your mountain wordt een toch al niet zo interessante melodie overweldigd door een drukte van congas en akoestische slaggitaar, en door het David Ackles-achtige theatrale orkestrale arrangement en de vele maat- en stemmingswisselingen valt het titelnummer voor mij uiteindelijk als los zand uit elkaar. Ik heb allebei de nummers vaak geprobeerd te waarderen, maar ik kan mijn aandacht er echt niet bij houden, en ze vormen voor mij toch een smet op een verder zo prachtige plaat.
De volle mep qua sterren kan ik dus uiteindelijk niet voor dit album geven. (Als nu dit een ultrakorte plaat van 28 minuten –dus met alleen die acht sterke nummers– was geweest, zoals in de zestiger jaren wel vaker voorkwam, hoe zou ik hem dan gewaardeerd hebben?) Die acht nummers herbergen echter zóveel moois en zóveel muzikale rijkdom dat ik toch tegen de maximale score aan ga leunen. Als mensen mij vragen met welke van Buckley's platen ze moeten beginnen noem ik nog altijd Goodbye and hello, en dan niet eens omdat dat ook voor mij het vertrekpunt was maar vooral omdat dit een zeer veelzijdige plaat is waarop alle facetten van Buckley's genie tot uiting komen.
Tim Buckley - Greetings from L.A. (1972)

4,0
0
geplaatst: 21 november 2013, 21:01 uur
Bijna niet te geloven dat dit dezelfde man is die zich een paar jaar eerder zo naakt aan ons presenteerde in Phantasmagoria in two – en in zekere zin presenteert hij zich hier opnieuw naakt, zij het dan in héél ander opzicht. En na de eerste schok klinkt het eigenlijk nergens geforceerd, om de eenvoudige reden dat Buckley zo duidelijk zoveel plezier heeft in zijn nieuwe muzikale stijl en in de thematiek van de fysieke liefde. Niet alles is even sterk: het openingsnummer bijvoorbeeld laat me koud, en Nighthawkin' vind ik zelfs vervelend, maar Get on top heeft een heerlijke gitaarlick, het "It's all right mama"-regeltje van Hong Kong bar werkt bijna als een mantra, en Sweet surrender is een prachtig hoogtepunt van de plaat. Al met al eeon ontzettend leuke muzikale afslag linksaf.
Overigens hebben de afbeeldingen op de postzegels volgens mij wel als inspiratie gediend voor de hoezen van World Party (Karl Wallinger is een groot fan van Buckley) en Steven Wilson.
Overigens hebben de afbeeldingen op de postzegels volgens mij wel als inspiratie gediend voor de hoezen van World Party (Karl Wallinger is een groot fan van Buckley) en Steven Wilson.
