MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

The Mysterines - Afraid of Tomorrows (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Mysterines - Afraid Of Tomorrows - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Mysterines - Afraid Of Tomorrows
De Britse band The Mysterines klonk op haar debuutalbum uit 2022 nog niet heel onderscheidend, maar heeft in Los Angeles samen met topproducer John Congleton een fraai en interessant eigen geluid gevonden

“Lekker, maar niet heel bijzonder” was en bleef twee jaar geleden mijn oordeel over het debuutalbum van The Mysterines uit Liverpool. Hoe anders is het twee jaar later, want met Afraid Of Tomorrows heeft de band wat mij betreft wel een bijzonder album afgeleverd. Het is een album waarop flink wat gas wordt teruggenomen, maar de muziek van The Mysterines kan ook nog altijd flink gruizig klinken. De donkere tinten en alle dynamiek in het nieuwe geluid van de Britse band vragen wat meer van de zang en die is bij frontvrouw Lia Metcalfe in goede handen. Afraid Of Tomorrows is een duister album vol onderhuidse spanning, maar er komt ook heel veel schoonheid aan de oppervlakte.

The Britse band The Mysterines debuteerde in het voorjaar van 2022 met Reeling. Ik vond het best een aardig album, maar ook niet veel meer dan dat. Op haar debuutalbum maakte de band uit Liverpool lekker stevige rockmuziek met invloeden uit de 90s indierock en de grunge. De band viel vooral op door de venijnige zang van frontvrouw Lia Metcalfe, waardoor het debuutalbum van The Mysterines vooral deed denken aan de muziek van een jonge PJ Harvey en de muziek van Hole, al konden de songs van de Britse band zich op een enkele song na niet meten met die van de grote voorbeelden.

We zijn inmiddels ruim twee jaar verder en na het verschijnen van het tweede album van The Mysterines kunnen we nagaan hoe het staat met de ontwikkeling van de Britse band. Ik durf inmiddels wel te beweren dat het met de ontwikkeling van The Mysterines wel goed zit. Ik vind het deze week verschenen Afraid Of Tomorrows echt klassen beter dan het debuutalbum van de band. Op basis van dat debuutalbum werd de band al een mooie toekomst voorspeld, maar na de release van het tweede album staat niets een hele mooie toekomst meer in de weg.

The Mysterines werkten op hun debuutalbum samen met de ervaren producer Catherine Marks (boygenius, PJ Harvey, Manchester Orchestra, Wolf Alice), maar kozen voor hun tweede album een van de meest gewilde producers van het moment. Afraid Of Tomorrows werd immers opgenomen in de gloednieuwe studio van John Congleton (St. Vincent, Angel Olsen, Sleater Kinney, Black Pumas) in Los Angeles.

Ik vond het debuutalbum van The Mysterines ruim twee jaar geleden lekker gruizig en ruw klinken, maar ik vond de muziek van de Britse band ook wel wat eenvormig en weinig onderscheidend. Op Afraid Of Tomorrows heeft de band om te beginnen wat meer dynamiek ingebouwd in haar geluid. The Mysterines wisselen op hun tweede album tussen ingehouden passages en ruwe uitbarstingen, wat de songs van de band een stuk spannender maakt. Ik vind persoonlijk de zich wat langzamer voortslepende en behoorlijk donkere songs op het album het mooist. In deze songs komen de gitaarmuren bijna in slow motion uit de speakers en ook de zang van Lia Metcalfe heeft in deze songs iets bijna beangstigends en bezwerends.

John Congleton kan het geluid van een band flink glad strijken, maar de ervaren producer heeft Afraid Of Tomorrows voorzien van een lekker ruw geluid zonder opsmuk. Gitaren staan centraal in het muzikale palet van The Mysterines, waarna de ritmesectie vooral het tempo aangeeft. Het combineert echt prachtig met de stem van Lia Metcalfe, die met name in de wat meer ingehouden en bijna folky klinkende tracks laat horen dat ze een zangeres is met een fascinerend eigen geluid.

Het is een geluid dat me nog steeds doet denken aan dat van een jonge PJ Harvey, maar in de meest bezwerende momenten hoor ik ook wel wat van Patti Smith. In muzikaal opzicht doet het album me ook wel wat aan Placebo en Garbage denken. Ik kan me voorstellen dat liefhebbers van het rechttoe rechtaan rockgeluid van The Mysterines het nieuwe album van de band in een aantal tracks wat aan de saaie kant vinden, maar ik vind het nieuwe geluid van de band uit Liverpool echt veel interessanter. Reeling was in 2022 voor mij een twijfelgeval dat het uiteindelijk niet haalde, maar over het prachtige Afraid Of Tomorrows heb ik echt geen moment getwijfeld. Prachtalbum. Erwin Zijleman

The National - First Two Pages of Frankenstein (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The National - First Two Pages Of Frankenstein - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The National - First Two Pages Of Frankenstein
First Two Pages Of Frankenstein, het nieuwe album van The National, laat een vertrouwd geluid horen zonder al te veel scherpe kantjes, maar er valt wel degelijk veel moois te horen op dit beladen album

The National heeft met First Two Pages Of Frankenstein een sfeervol, melancholisch en behoorlijk ingetogen album afgeleverd. Het is een album dat mijlenver is verwijderd van het stekelige postpunk en indierock geluid van de vroege albums van de band, maar het is ook een album zonder grote verrassingen, dat vrijwel onmiddellijk vertrouwd klinkt. Het is een album vol ellende en weemoed, maar het is zeker geen deprimerend album. Op het eerste gehoor kabbelt het allemaal rustig maar zeer aangenaam voort, maar The National heeft ook dit keer veel moois verstopt in haar muziek en in de teksten. Een mooie aanvulling op een bijzonder, veelkleurig en inmiddels rijk oeuvre.

De Amerikaanse band The National levert deze week met First Two Pages Of Frankenstein haar negende studioalbum af. De band uit Brooklyn, New York, bouwt inmiddels al ruim twintig jaar aan een bijzonder en verrassend veelkleurig oeuvre. Ik heb de vorige acht albums van de Amerikaanse band de afgelopen week eens achter elkaar beluisterd en hoorde invloeden uit de postpunk, Americana, indierock en chamber pop, om de belangrijkste invloeden te noemen. Het heeft een serie geweldige albums opgeleverd, met voor mij het geweldige Boxer uit 2007 als voorlopig hoogtepunt.

Het deze week verschenen First Two Pages Of Frankenstein is de opvolger van het uit 2019 stammende I Am Easy To Find, dat vanwege het toevoegen van flink wat verschillende vrouwenstemmen en een nogal rijk georkestreerd geluid een wat atypisch The National album was. Ook op First Two Pages Of Frankenstein zijn er gastbijdragen van Sufjan Stevens, Taylor Swift en Phoebe Bridgers, van wie laatstgenoemde in twee tracks opduikt. Buiten de bijdrage van Taylor Swift zijn de gastbijdragen dit keer echter behoorlijk subtiel en beperkt tot achtergrondvocalen, waardoor het album flink anders klinkt dan zijn wat lauw ontvangen voorganger.

First Two Pages Of Frankenstein volgt op een geweldig soloalbum van Matt Berninger (Serpentine Prison), een tweede Big Red Machine album (Aaron Dessner en Justin Vernon), het album van Complete Mountain Almanac (broers en zus Dessner en Rebekka Karijord) en het productionele werk van Aaron Dessner voor met name Taylor Swift, maar het nieuwe album van de band klinkt onmiskenbaar als The National. Het album werd opgehouden door de coronapandemie en door de gemoedstoestand en een ‘writer’s block’ van Matt Berninger (die pas weer inspiratie vond na het openslaan van het boek Frankenstein) en dat hoor je.

Het album bevat vooral ingetogen en wat stemmige songs en het zijn songs die overlopen van melancholie, al is het album zeker niet zo somber als het soloalbum van Matt Berninger. Het is ook een coming of age album van de veertigers en vijftigers in de band. Liefhebbers van het wat stevigere en ruwere werk van The National komen er wederom bekaaid af, al hoor je zeer incidenteel wel wat flarden van het meer uitgesproken werk van de band.

The National liet op haar vorige albums vaak indrukwekkende koerswijzigingen horen, maar First Two Pages Of Frankenstein klinkt toch vooral vertrouwd. Het is een sfeervol en ingetogen album dat over het algemeen genomen aangenaam voortkabbelt. Bij eerste beluistering vond ik het allemaal wat netjes binnen de lijnen kleuren of zelfs wat gezapig klinken, maar de melancholische songs van de band winnen snel aan kracht.

De songs op First Two Pages Of Frankenstein missen misschien de urgentie en de vernieuwingsdrang van de vroegere albums van de Amerikaanse band, maar zeker als je het album wat vaker hebt beluisterd zijn de songs veel beter en interessanter dan bij de eerste kennismaking en hoor je steeds meer moois in de zang en in de fraaie inkleuring van de songs.

En zo blijft First Two Pages Of Frankenstein een album dat wat lastig is te duiden. Het is aan de ene kant een mooi en sfeervol album met songs vol groeipotentie, maar aan de andere kant verwacht je van een band als The National stiekem wel wat meer dan een album zonder hele grote verrassingen. Het blijft ondertussen wel een album dat ruim boven het maaiveld uit steekt en langzaam maar zeker wordt het me dierbaarder. Erwin Zijleman

The National - I Am Easy to Find (2019)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The National - I Am Easy To Find - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The National - I Am Easy To Find
The National geeft alle ruimte aan vrouwenstemmen, wat weer extra dimensies toevoegt aan het zo bijzondere geluid van de band uit New York

The National behoort inmiddels tot de grote bands, maar moet niets hebben van consolideren. Het nieuwe album van de band klinkt weer totaal anders dan zijn voorgangers en dat is dit keer vooral de verdienste van de gastzangeressen, die een verrassend stevig stempel drukken op I Am Easy To Find. Het nieuwe album van The National bevat flink wat tracks die duetten mogen worden genoemd en een warmer, sfeervoller en intiemer geluid laten horen dan we van de band kennen. Het zal niet iedereen bevallen, maar een ieder die, net als ik, een voorliefde heeft voor vrouwenstemmen, zal waarschijnlijk zeer gecharmeerd zijn van I Am Easy To Find.

Nog geen twee jaar na het geweldige Sleep Well Beast is The National terug met een nieuw album. De band uit Brooklyn, New York, heeft zich inmiddels geschaard onder de grote bands van het moment, maar zoekt nog altijd naar vernieuwing.

I Am Easy To Find is een album waar de ambitie van af spat. The National komt niet alleen op de proppen met maar liefst 16 songs en meer dan een uur muziek, maar levert samen met regisseur en producer Mike Mills ook een bijbehorende korte film af.

I Am Easy To Find opent met twee even mooie als spannende tracks, die ook op het vorige album van de band hadden kunnen staan, maar stiekem klinkt het toch anders. In de openingstracks duikt na een tijdje een vrouwenstem op, maar vanaf de derde track neemt de dominantie van de vrouwenstemmen toe.

Vanaf deze track krijgen de wat sombere vocalen van Matt Berninger met grote regelmaat gezelschap van vrouwenstemmen, die nogal bepalend blijken voor het nieuwe geluid van de Amerikaanse band, dat deels werd geïnspireerd door de bijbehorende film over het leven en de dood van een jonge vrouw.

In het recente verleden stond The National op de planken met onder andere Phoebe Bridgers en Leslie Feist, die ik ook graag had terug gehoord op I Am Easy To Find. Veel te klagen is er echter niet voor de liefhebbers van vrouwenstemmen, want onder andere Mina Tindle, Lisa Hannigan, Kate Stables (This Is The Kit), Sharon Van Etten en de van David Bowie bekende Gail Ann Dorsey drukken een verrassend stempel op het nieuwe album van The National.

In de eerste reacties op het Internet lees ik zeker niet alleen enthousiaste reacties op het toevoegen van vrouwenstemmen aan de muziek van The National, maar ik vind het persoonlijk prachtig. Ik ben niet alleen gek op vrouwenstemmen, maar hoor ook dat ze de muziek van The National dromeriger, zachter, maar ook melodieuzer, sfeervoller en intiemer maken, wat deels ook op het conto van de rijkelijk toegevoegde strijkers mag worden geschreven.

Vanaf de derde track van het album, gaat het tempo omlaag en vloeit de stem van Matt Berninger verrassend mooi samen met vrouwenstemmen in tracks die als duetten kunnen worden getypeerd. Het is in eerste instantie Gaill Ann Dorsey die indruk maakt in een lome track met zwaar aangezette piano en strijkers, donkere vocalen van Matt Berninger en spannende ritmes, maar in de volgende track neemt Mina Tindle het stokje prachtig over met nog veel nadrukkelijker aanwezige vocalen, die prachtig kleuren bij de wederom spannende instrumentatie en de fraai ondersteunende zang van The National voorman.

I Am Easy To Find klinkt wat lichtvoetiger en toegankelijker dan we van de New Yorkse band gewend zijn, maar rafel de verschillende lagen uiteen en je hoort toch weer van alles dat het oor streelt en de fantasie prikkelt. De instrumentatie komt steeds in meerdere lagen uit de speakers, waarbij vaak wat donker getinte gitaarlijnen of elektronica worden gecombineerd met bijzondere ritmes, die de muziek van The National toch weer een eclectisch karakter geven.

Matt Berninger en de vele vrouwelijke gastmuzikanten op het album tekenen voor prachtig melodieuze duetten, maar de muziek van de band mag gelukkig ook nog af en toe ontsporen, bijvoorbeeld wanneer Matt Berninger en Lisa Hannigan mooie klanken afwisselen met spoken word, waarna de instrumentatie, die dit keer wat minder is gefocust op elektronica, los mag gaan.

Zeker in de meer ingetogen songs klinkt The National anders dan we van de band gewend zijn en hetzelfde geldt voor de songs waarin niet alleen een enkele vrouwenstem opduikt maar een compleet koor (Brooklyn Youth Chorus). Het pakt wat mij betreft prachtig uit.

I Am Easy To Find is zo avontuurlijk en afwisselend als je van een album van The National mag verwachten en biedt bovendien de vernieuwing die je van de band verwacht. Een volgend hoogtepunt in het prachtige oeuvre van de band. Erwin Zijleman

The National - Sleep Well Beast (2017)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The National - Sleep Well Beast - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

The War On Drugs maakte vorige maand een plaat waarop het de transformatie van een eigenzinnige indie-band naar een grootse rockband voltooide. Ik blijf dat een bijzonder proces vinden, vooral omdat het zeer heftige reacties oproept bij zowel de critici als de fans.

De plaat van The War On Drugs is de hemel in geprezen en volledig afgebrand, ook door de critici die de vorige platen van de band (die niet zo gek veel verschilden van de laatste) nog intens koesterden. Het zou ook zomaar kunnen gebeuren met een plaat van The National, misschien zelfs wel met de nieuwe plaat van de band.

De band uit Cincinnati, Ohio, debuteerde in 2001 bescheiden, maar wist met Sad Songs For Dirty Lovers twee jaar later de jaarlijstjes te halen. Met Alligator (2005), Boxer (2007), High Violet (2010) en Trouble Will Find Me (2013) volgden nog vier prachtplaten die de jaarlijstjes kleur gaven en nu is er dan Sleep Well Beast. Het is een plaat die voor een deel in het verlengde ligt van zijn voorgangers, maar The National zet ook stappen in andere richtingen en dat is niet zonder risico.

In de zich langzaam voortslepende openingstrack is er nog niets aan de hand. Nobody Else Will Be There is een prachtige en intense song, die langzaam maar zeker de spanning opbouwt met een uiterst subtiele instrumentatie en die bij herhaalde beluistering alleen maar mooier en vooral ook intiemer wordt. Precies zoals we ze van de band kennen dus.

In de tweede track gaat het roer om. Day I Die is een groots klinkende track vol invloeden uit de post-punk. Het is een track waarin The National een band als Editors naar de kroon steekt en daar nog aardig in slaagt ook. Het is een song die nadrukkelijk de aandacht van de critici trekt en The National hier en daar zelfs de vergelijking met U2 of Coldplay oplevert, wat ik overigens volkomen misplaatst vind.

Sleep Well Beast is absoluut meer beïnvloed door platen uit het verleden dan zijn voorgangers, maar enige relativering is op zijn plaat. Hier en daar duiken zeer nadrukkelijk invloeden van Joy Division en New Order op, maar dat zijn wat mij betreft invloeden waar geen enkele band zich voor hoeft te schamen. Sleep Well Beast is ondanks de zeer incidentele flirt met groots klinkende rock en de wat toegenomen invloed van elektronica, echter ook een plaat die voor een belangrijk deel aansluit op de vorige platen van The National.

Het contrast tussen de introverte en indringende songs en de extroverte en grootser of rauwer klinkende rocksongs op de plaat maakt de eerste serie songs alleen maar mooier en trefzekerder en waar The National in een, overigens zeer beperkt aantal songs absoluut kiest voor een wat grootser, steviger en toegankelijker geluid blijven eigenzinnigheid en avontuur gelukkig voorop staan.

Luister wat beter naar Sleep Well Beast en je hoort met hoeveel aandacht, smaak en avontuur The National haar nieuwe plaat heeft gemaakt. Iedere song op de plaat is weer anders en in iedere song zitten prachtige details verstopt.

The National kan op Sleep Well Beast groots en meeslepend klinken, maar de band levert ook een aantal van haar meest subtiele en bezwerende songs af. Ook ik heb een voorkeur voor de intense en intieme songs vol fluisterzachte vocalen en wonderschone accenten en deze domineren gelukkig op Sleep Well Beast, maar ook als The National op het eerste gehoor wat eenvoudiger rockt behoudt de band haar bijzondere geluid en overwint uiteindelijk de schoonheid.

Sleep Well Beast maakt om voor mij onduidelijke redenen niet direct de onuitwisbare indruk van zijn voorgangers, maar hoe vaker ik de plaat hoor hoe meer ik er van overtuigd raak dat The National ook dit keer een plaat heeft gemaakt die het uiteindelijk goed kan doen in de jaarlijstjes. Sleep Well Beast wint immers alleen maar aan kleur, dynamiek en schoonheid en past uitstekend binnen het fascinerende oeuvre van de Amerikaanse band. Erwin Zijleman

The National Parks - Wildflower (2020)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The National Parks - Wildflower - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The National Parks - Wildflower
Zelden een band gehoord die zo mooi en zo trefzeker schakelt tussen behoorlijk ingetogen rootsmuziek en grootse en aanstekelijke pop als de Amerikaanse band The National Parks

Wildflower van The National Parks is een album dat makkelijk tussen wal en schip valt. Liefhebbers van traditionele rootsmuziek vinden het ongetwijfeld teveel pop, terwijl liefhebbers van pure pop het mogelijk te rootsy zullen vinden. Ik hou van pop en roots en vind het prachtig. Wildflower staat bol van de invloeden uit de rootsmuziek, al is het maar vanwege de instrumentatie, maar The National Parks grossiert ook in grootse en meeslepende popsongs. De band uit Provo, Utah, schakelt bijzonder knap tussen beide uitersten en weet steeds weer te overtuigen met songs die verleiden en betoveren. Het doet me wel wat denken aan het meesterwerk van The Lumineers (III), wat genoeg moet zeggen over de kwaliteit van dit album.

De albums van de Amerikaanse band The National Parks waren me al eerder opgevallen, maar eerlijk gezegd alleen vanwege fraai artwork en niet vanwege de muziek. Het wederom in een fraaie hoes gestoken Wildflower is dan ook mijn eerste kennismaking met de muziek van de band uit Provo, Utah, en het is een kennismaking die me uitstekend bevalt.

Als ik me iets probeer voor te stellen bij muziek die past bij de nationale parken in de Verenigde Staten of die in de thuisstaat van de band, denk ik aan ingetogen en ruimtelijke rootsklanken. Het zijn precies de klanken waar Wildflower mee opent. De instrumentale openingstrack bevat beeldende klanken met een breed uitwaaiende pedal steel in de hoofdrol.

De atmosferische openingstrack gaat langzaam maar zeker over in de tweede track, die laat horen dat ik The National Parks wat te vroeg in een hokje heb geduwd. The National Parks moet op het grootste deel van haar nieuwe album niet veel hebben van ingetogen rootsklanken, maar combineert invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek met veel en behoorlijk groots klinkende pop.

Daar moet je van houden, dat is zeker. Rootspuristen zullen Wildflower waarschijnlijk snel links laten liggen, maar voor een ieder die niet bang is voor rootsmuziek die is doorspekt met invloeden uit de pop of voor popmuziek met een vleugje roots, valt er op het nieuwe album van The National Parks heel veel te genieten.

De uit twee mannen en twee vrouwen bestaande band uit Utah, blijkt op Wildflower heel goed in het maken van popliedjes die zich onmiddellijk en genadeloos opdringen. Het zijn popliedjes die absoluut in de categorie aanstekelijk of zelfs hitgevoelig vallen, maar het zijn ook popliedjes die zich wat mij betreft makkelijk onderscheiden van die van de 13 in een dozijn popbands.

The National Parks onderscheidt zich allereerst door toch flink wat invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek in haar muziek te stoppen. Het voorziet Wildflower van een mooi klinkend geluid dat zo nu en dan explodeert in grootse popplanken. Het wat zwaar aangezette geluid van The National Parks knalt werkelijk uit de speakers en zoekt de grenzen van de overdaad nadrukkelijk op, maar de band uit Utah kan haar muziek ook prachtig ingetogen inkleuren, om dan onmiddellijk op te schuiven richting rootsmuziek.

Ook in vocaal opzicht schakelt de band makkelijk tussen betrekkelijk ingetogen klanken en grootse uitbarstingen, waarbij de mannen- en vrouwenstemmen in de band steeds prachtig samenvloeien en met name de koortjes wonderschoon zijn. De rootspurist zal het wat aan de gladde kant vinden, maar ik ben zelf steeds meer onder de indruk van de prachtig ingekleurde songs, de uitstekende vocalen en vooral het gevoel voor popliedjes die garant staan voor een goed gevoel.

Zeker wanneer je Wildflower met de koptelefoon beluistert hoor je goed hoe fraai het geluid van de band in elkaar is geknutseld en hoe knap invloeden uit de rootsmuziek worden gecombineerd met pure pop op een manier die wel wat doet denken aan de albums van The Lumineers. In de ingetogen momenten hoor je een rootsband met oog en oor voor traditie, maar wanneer de aanstekelijke refreinen het winnen transformeert The National Parks onmiddellijk in een popband. Uiteindelijk gaat het niet om de hokjes maar om de songs en die zijn drie kwartier lang prachtig. Erwin Zijleman

The New Pornographers - Brill Bruisers (2014)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The New Pornographers - Brill Bruisers - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Het predicaat ‘supergroep’ werd in de jaren 60 en 70 uitsluitend gebruikt wanneer de groten der aarde de krachten bundelden, maar is de afgelopen decennia flink gedevalueerd.

Dat de Canadese band The New Pornographers direct bij de oprichting in 1996 het stempel ‘supergroep’ kreeg opgedrukt was wat mij betreft dan ook wat overdreven, maar zo langzamerhand beginnen The New Pornographers het stempel ook echt te verdienen.

A.C. Newman, Daniel Bejar (Destroyer) en Neko Case zijn inmiddels gelouterde muzikanten met een bloeiende carrière en ook de andere leden van de band hebben inmiddels hun sporen in de muziek ruimschoots verdiend. Desondanks is er zo af en toe is gelukkig nog steeds tijd voor de The New Pornographers.

De band maakte op haar vorige plaat, Together uit 2010, misschien net wat minder indruk dan in haar beginjaren, maar een nieuwe plaat van The New Pornographers blijft iets om naar uit te kijken.

Op Brill Bruisers hebben we ruim vier jaar moeten wachten. Dat is lang, maar direct wanneer de eerste noten van de plaat uit de speakers komen, weet je dat de wat langere pauze The New Pornographers goed heeft gedaan. Vanaf het moment dat deze eerste noten uit de speakers komen is het feest.

The New Pornographers pakken direct stevig uit met aanstekelijke refreinen, heerlijke koortjes, verslavende gitaren, frivole synths en stevig aangezette drums. De muziek van de band past nog steeds in het hokje powerpop, al is deze powerpop dit keer verrijkt met een 80s sausje, dat me persoonlijk wel bevalt.

Brill Bruisers maakt indruk met onweerstaanbare popsongs en een bijzonder solide muzikale basis, maar hier bovenop komen nog eens de vocalen. Deze zijn door het aan boord hebben van meerdere prima vocalisten uiteraard lekker veelzijdig, waarbij iedereen zijn of haar eigen persoonlijke favoriet zal hebben. Ik veer vooral op wanneer Neko Case achter de microfoon plaats neemt voor het van haar bekende vocale vuurwerk, maar ook wanneer Neko Case de vocalen aan anderen moet laten en genoegen moet nemen met een plekje op de achtergrond is het smullen.

Met name de eerste helft van de plaat klinken de songs van The New Pornographers groots en meeslepend, maar aan het einde van de plaat is er gelukkig ook nog wat ruimte voor wat meer ingetogen en avontuurlijkere momenten.

Iedere keer als Brill Bruisers uit de speakers komt krijgt mijn humeur een positieve boost en iedere keer ben ik verbaast als de plaat al weer is afgelopen, terwijl Brill Bruisers toch echt 13 tracks bevat en een speelduur heeft van ruim 40 minuten.

Valt er nog meer te zeggen over Brill Bruisers? Ja, naast de hoge kwaliteit van de songs (ook dit keer weer vooral van de hand van A.C. Newman; check ook zeker zijn drie geweldige soloplaten, met The Slow Wonder uit 2004 als vergeten meesterwerk), verdient ook de (door de bandleden zelf ter hand genomen) productie van de plaat een pluim. Geweldige band. Heerlijke plaat. Punt. Erwin Zijleman

The New Pornographers - Continue as a Guest (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The New Pornographers - Continue As A Guest - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The New Pornographers - Continue As A Guest
De Canadese ‘gelegenheidsband’ The New Pornographers maakt inmiddels al meer dan twintig jaar uitstekende albums en geeft haar geluid op Continue As A Guest wederom een bijzondere impuls

Het is een mooi stapeltje albums dat de Canadese band The New Pornographers inmiddels op haar naam heeft staan. Wat ooit begon als een uit de hand gelopen hobbyproject is die status inmiddels volledig ontgroeid. Toch leek de rek er wel wat uit bij de band rond A.C. Newman, maar op het deze week verschenen Continue As A Guest heeft de band uit Vancouver toch de weg omhoog weer gevonden. The New Pornographers staan nog altijd garant voor knap in elkaar zittende maar ook aanstekelijke popsongs, maar mede door de fraaie bijdragen van de saxofoon klinken ze net wat anders en wat mij betreft interessanter dan op de vorige albums. Een zeer aangename verrassing.

De Canadese band The New Pornographers begon aan het eind van de jaren 90 als een uit de hand gelopen hobbyproject van een aantal muzikanten uit de muziekscene van Vancouver. De band werd geformeerd door de Canadese muzikant Carl Newman (ook bekend onder de naam A.C. Newman), die onder andere gitarist Dan Bejar (Destroyer), bassist John Collins (The Evaporators), gitarist Todd Fancey (Limblifter), drummer Kurt Dahle (Limblifter), toetsenist en filmmaker Blaine Thurier en de Amerikaanse singer-songwriter Neko Case aan zich wist te binden.

De gelegenheidsband debuteerde in 2000 met het uitstekende Mass Romantic, dat echt veel te goed was om het bij één album te laten. Het deze week verschenen Continue As A Guest is al het negende album van The New Pornographers, waardoor het zo langzamerhand geen gelegenheidsband meer te noemen is, al is het maar omdat de bezetting van de band redelijk constant is.

Ik ben zeer gecharmeerd van nagenoeg alle albums van de band, maar het in 2019 verschenen In The Morse Code Of Brake Lights beviel me opeens wat minder goed, waardoor ik dit album voor de afwisseling niet heb besproken. Toen ik het album eerder deze week nog eens beluisterde begreep ik dat overigens niet heel goed, want ook het tot voor kort laatste album van de Canadese band staat vol met in kwalitatief opzicht uitstekende popsongs.

Het geldt ook weer voor het deze week verschenen Continue As A Guest, dat ik toch wat hoger in schat. Ook op dit album heeft A.C. Newman de touwtjes weer stevig in handen, want de Canadese muzikant schreef alle songs op het album, hier en daar bijgestaan door een van de andere leden, nam een flink deel van de instrumentatie voor zijn rekening en produceerde het album. De vocalen op het album zijn dit keer verdeeld tussen oudgedienden A.C. Newman en Neko Case en toetseniste Kathryn Calder, die inmiddels ook al heel wat jaren een vaste waarde is in de band.

The New Pornographers stonden lange tijd bekend om hun onweerstaanbaar aanstekelijke popsongs, maar in de loop der jaren is de band ook wel wat dieper gaan graven. Het is ook weer het geval op Continue As A Guest, dat een aantal songs bevat die zich onmiddellijk opdringen, maar waarop ook een aantal songs staan die je wat vaker moet horen.

Ik was zoals gezegd een kleine vier jaar geleden net wat minder gecharmeerd van The Morse Code Of Brake Lights, maar Continue As A Guest doet niet onder voor de beste albums van The New Pornographers. De band kiest op haar nieuwe album deels voor beproefde ingrediënten, maar weet zich toch ook te vernieuwen.

Dat Continue As A Guest net wat anders klinkt dan zijn voorgangers is deels de verdienste van het nieuwe bandlid Zach Djanikian, die de songs van The New Pornographers voorziet van zeer fraaie saxofoon bijdragen. De impulsen van de saxofoons van Zach Djanikian voorzien het nieuwe album van de Canadese band van een vleugje David Bowie en net wat meer Roxy Music en dat bevalt me eerlijk gezegd uitstekend.

Het is knap hoe A.C. Newman het bord met kikkers dat The New Pornographers toch is, al zo lang in bedwang weet te houden, wat inmiddels al meer dan twintig jaar uitstekende albums oplevert. En gezien de hoge kwaliteit van Continue As A Guest is het einde nog lang niet in zicht. Erwin Zijleman

The New Pornographers - Whiteout Conditions (2017)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The New Pornographers - Whiteout Conditions - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De Canadese band The New Pornographers werd ongeveer twintig jaar geleden opgericht door een aantal Canadese muzikanten die allemaal voorzichtig aan de weg timmerden met hun eigen bands.

De gelegenheidsband werd opgericht met het idee om zo af en toe eens een plaat te maken en dat idee is na twintig jaar nog altijd springlevend.

The New Pornographers maakten tussen 2000 en 2014 zes platen en het zijn platen van een akelig constant en opvallend hoog niveau. Het zijn ook platen die steeds weer net wat andere accenten leggen, al staat het perfecte popliedje bij The New Pornographers altijd centraal.

Op plaat nummer zeven, het onlangs verschenen Whiteout Conditions, zijn vier van de zes leden van het eerste uur nog altijd present, onder wie gelukkig ook meester songwriter A.C. Newman en natuurlijk Neko Case, die absoluut hoort bij de beste Canadese zangeressen van het moment.

Whiteout Conditions is een typische New Pornographers plaat, maar het is ook een plaat die weer anders klinkt dan zijn voorgangers. Wat is gebleven is de liefde van de band voor het perfecte popliedje. Wat ook is gebleven is de mate waarin deze perfecte popliedjes worden benaderd.

Ook Whiteout Conditions is een plaat die je bij eerste beluistering al jaren lijkt te kennen en ook de nieuwe plaat van de Canadese supergroep is een plaat die niet alleen opvalt door zeer aanstekelijke popliedjes, maar ook door razend knap in elkaar stekende popliedjes.

The New Pornographers leggen op al hun platen andere accenten en ook Whiteout Conditions legt weer een accent dat we nog niet zo goed kennen van de band. Op de nieuwe plaat laat de Canadese supergroep, want zo mogen we de band inmiddels toch wel noemen, zich nadrukkelijk inspireren door popmuziek uit de jaren 80 in het algemeen en de jaren 80 syntyhpop in het bijzonder.

Bij beluistering van Whiteout Conditions moest ik heel vaak denken aan de muziek van The Human League, maar waar de muziek van de Britse band vaak flinterdun was, valt de synthpop van The New Pornographers op door de vele lagen en diepgang. Door de stevige inzet van breed uitwaaierende synths klinkt Whiteout Conditions bijzonder lekker, maar er valt ook zoveel te horen dat je constant op het puntje van je stoel zit.

Op hun nieuwe plaat klinken The New Pornographers heerlijk lichtvoetig, maar de kwaliteit van de songs van de band is zoals altijd opvallend hoog. A.C. Newman heeft ook dit keer een serie geweldige popliedjes geschreven, waarin allerlei invloeden zijn verwerkt, waardoor synthpop (van The Human League tot New Order) moeiteloos transformeert in de perfecte jaren 80 pop van Fleetwood Mac of toch opeens uitstapjes richting het heden of richting Westcoast pop uit een heel ver verleden (zoals The Bangles dat ooit eens zo mooi deden) worden gemaakt. Het is nog maar het topje van de ijsberg, want de plaat klinkt als een omgevallen platenkast.

Het elektronische klankentapijt klinkt onweerstaanbaar lekker en past opvallend goed bij de krachtige vocalen van Neko Case, die ook dit keer imponeert en in werkelijk ieder genre uit de voeten lijkt te kunnen.

Het levert dit keer een heerlijke jaren 80 plaat op, maar zo goed als deze werden ze in het betreffende decennium slechts bij hoge uitzondering gemaakt, waardoor Whiteout Conditions van The New Pornographers veel meer is dan a trip down Memory lane. Erwin Zijleman

The Night Café - 0151 (2019)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Night Cafe - 0151 - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Night Cafe - 0151
The Night Cafe heeft een debuut afgeleverd dat op het eerste gehoor aangenaam maar niet heel opzienbarend klinkt, maar vervolgens begint aan een indrukwekkende groeispurt

Een maand of twee geleden was het heel warm in Nederland en ontdekte ik het debuut van Swimming Tapes. Een heerlijk gitaaralbum zonder scherpe kantjes, maar dat is op zijn tijd wel zo lekker. De afgelopen week was het weer heel warm in Nederland en raakte ik verknocht aan het debuut van The Night Cafe. Het debuut van de band, 0151, is een album dat opvalt door prachtig ingekleurde en zeer melodieuze songs die op fraaie wijze citeren uit een aantal decennia Britse popmuziek. Het zijn songs die zich in eerste instantie niet heel erg opdringen, tot je door hebt dat de ene na de andere song van dit debuut zich voorgoed in het brein heeft genesteld en aangenaam kietelt.

Je hebt jonge gitaarbands die wild tegen de haren instrijken en je hebt jonge gitaarbands die de ruimte vullen met zonnige gitaarloopjes en verzorgde of zelfs bijna lieflijke klanken. De eerste groep gitaarbands kan over het algemeen rekenen op meer sympathie van de critici en ook ik hoor meestal liever jonge honden die tegen de stroom inroeien en zich afzetten tegen de gevestigde orde dan nieuwe bandjes die zich conformeren aan alles dat er al is.

Zo nu en dan is het echter best lekker om ook eens een gitaarplaat te horen die netjes binnen de lijnen kleurt, maar toch vermaakt. Het uit Londen afkomstige Swimming Tapes maakte een maand of twee geleden zo’n plaat (Morningside) en het is een plaat die ik omarmde toen hij op een dag waarop de thermometer de 30 graden aantikte uit de speakers kwam. Het debuut van Swimming Tapes heeft vervolgens nog meer zomerdagen ingekleurd en krijgt nu concurrentie van 0151 van The Night Cafe, overigens ook een album dat mij wist te overtuigen op een dag die in de boeken is gekomen als zeer zomers.

The Night Cafe is een band uit Liverpool die inmiddels aardig wat aandacht trekt in Engeland en al een tijdje in de gaten wordt gehouden door een deel van de Britse muziekpers. Dat is niet zo gek, want de Britse band grossiert op haar debuut in buitengewoon aangename gitaarsongs.

Het zijn gitaarsongs die opvallen door geweldige melodieën, pakkende refreinen, verslavende gitaarloopjes en lome en zonnige klanken. Het zijn ook gitaarsongs met flink wat echo’s uit de geschiedenis van de Britse popmuziek, waarbij The Night Cafe zich geen beperkingen heeft opgelegd. 0151 doet vaak denken aan popmuziek uit de jaren 80, maar flirt ook hier en daar met postpunk van een paar jaar eerder of met de mooi verzorgde gitaarmuziek zoals die vanaf de jaren 90 is gemaakt. Het doet in een aantal songs wel wat denken aan het (nog wel) interessante debuut van Coldplay, maar ik hoor ook flarden van bands als Aztec Camera, Travis en zo kan ik nog wel even door gaan, zo lang dat het nauwelijks zinvol is.

The Night Cafe maakt muziek die te snel als braaf zal worden bestempeld, maar ondertussen klinkt het allemaal bijzonder aangenaam en is iedere song op het album raak. Hier en daar klinkt het net wat steviger, maar over het algemeen is de muziek van The Night Cafe vooral te omschrijven als loom. Het is lome muziek waarin niets heel erg opvalt, al is het gitaarwerk hier en daar van een bijzondere schoonheid, maar ondertussen klopt alles in de songs van de band uit Liverpool en is het geluid van de band prachtig in balans.

In eerste instantie leek het me vooral een aardig tussendoortje voor warme dagen, maar inmiddels is 0151 van The Night Cafe toch flink doorgegroeid en begrijp ik de superlatieven die een deel van de Britse pers over heeft voor de band. Zo geliefd als Fontaine D.C. zal The Night Cafe waarschijnlijk niet worden, zeker niet bij de alternatievere muziekpers, maar het debuut van de band uit Liverpool mag er zeker zijn en groeit voorlopig nog wel even door. Erwin Zijleman

The Northern Belle - Bats in the Attic (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Northern Belle - Bats In The Attic - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Northern Belle - Bats In The Attic
De Noorse Nordicana scene bloeit de afgelopen jaren flink, wat deze week met Bats In The Attic van The Northern Belle wederom een uitstekend rootsalbum met zowel een folky als een lichtvoetig tintje oplevert

Stine Andreassen is actief in meerdere Noorse bands, maar The Northern Belle is haar thuisbasis. Dat leverde al een aantal uitstekende albums op en ook het deze week verschenen Bats In The Attic is er weer een. De eindeloze Scandinavische winter kleurt muziek uit het hoge noorden vaak donker, maar ook het nieuwe album van The Northern Belle klinkt weer verrassend opgewekt. De band uit Oslo smelt invloeden uit de Britse folk, de Amerikaanse rootsmuziek en tijdloze pop samen tot Nordicana en dat klinkt bijzonder aangenaam. In muzikaal opzicht zet de Noorse band een prima prestatie neer, waarna Stine Andreassen er nog een schepje bovenop doet met haar bijzonder mooie stem.

De muziek van de Noorse band The Northern Belle ontdekte ik aan het eind van 2020, toen ik het album We Wither, We Bloom tegen kwam in een wat obscuur jaarlijstje, dat vooral gevuld was met Amerikaanse rootsmuziek. Noorse popmuziek met invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek en zeker ook invloeden uit de Britse folk klinkt vaak wat donker en zwaarmoedig, maar We Wither, We Bloom van The Northern Belle klonk verrassend opgewekt.

De band uit Oslo liet zich op haar album niet alleen beïnvloeden door Amerikaanse rootsmuziek en Britse folk, maar ook door de tijdloze popmuziek van Fleetwood Mac uit de jaren 70, wat een bijzonder aangenaam album opleverde. Het is een album dat mede werd gedragen door de zang van Stine Andreassen, die in 2022 ook opdook in de eveneens Noorse band The Silver Lining, waarin ze de zang deelde met Live Miranda Solberg, die onlangs nog een uitstekend soloalbum uitbracht als Louien. Stine Andreassen maakte in het verleden ook nog deel uit van Darling West, een derde band die de rootsscene van Oslo kleur geeft.

Na We Wither, We Bloom ontdekte ik ook nog de eerste twee albums van The Northern Belle (The Northern Belle uit 2015 en Blinding Blue Neon uit 2018) en was ik bovendien zeer gecharmeerd van het in 2021 verschenen mini-album The Women in Me. Alle reden dus om heel nieuwsgierig te zijn naar het deze week verschenen Bats In The Attic.

Bats In The Attic is een conceptalbum dat losjes is geïnspireerd door de vele brieven die de opa van Stine Andreassen naar haar oma stuurde toen hij op zee of in het buitenland verbleef, maar de Noorse zangeres staat op het album ook stil bij het moederschap en het verlies van dierbaren.

The Northern Bell maakt ook op Bats In The Attic muziek die zonniger en lichtvoetiger klinkt dan de meeste andere muziek uit Noorwegen. Het album opent met een vooral door Britse folk geïnspireerde zong, maar hierna volgen een aantal bijzonder makkelijk in het gehoor liggende songs.

Het zijn songs waarin Stine Andreassen weer makkelijk indruk maakt met haar mooie en gevoelige stem, maar The Northern Belle bestaat ook uit een flink aantal geweldige muzikanten, waaronder de nodige snarenvirtuozen. De Noorse band noemt haar door zowel door Amerikaanse rootsmuziek, Britse folk en Californische popmuziek beïnvloede songs zelf Nordicana en dat label ga ik er in houden. Het Scandinavische karakter van de muziek van de band bevat dit keer overigens ook een subtiel snufje ABBA, al slaat Bats In The Attic nooit te ver door richting pop.

The Northern Belle heeft op Bats In The Attic niet zo heel veel veranderd aan haar Nordicana, maar het album klinkt in meerdere opzichten nog wat beter dan het fraaie We Wither, We Bloom. De stem van Stine Andreassen vind ik nog wat mooier, zeker wanneer andere leden van de band fraaie harmonieën toevoegen, en ook in muzikaal opzicht is het nieuwe album van The Northern Belle nog wat aansprekender, waarbij met name het gitaarwerk en de pedal steel de aandacht trekken.

Persoonlijk vind ik de wat folky songs op het album, waarin Stine Andreassen vooral zacht zingt, het mooist, maar ook de zonnige popsongs op Bats In The Attic spreken zeer tot de verbeelding. The Northern Belle is helaas nog niet heel bekend, maar de vorige albums van de band waren uitstekend en Bats In The Attic is nog net wat beter. Aanrader dus. Erwin Zijleman

The Northern Belle - We Wither, We Bloom (2020)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Northern Belle - We Wither, We Bloom - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Northern Belle - We Wither, We Bloom
Noorse rootsmuziek is meestal nogal donker en zwaarmoedig, maar de muziek van The Northern Belle klinkt verrassend licht en zonnig en is ook nog eens van een hoog niveau

Zonder een Amerikaans jaarlijstje had ik We Wither, We Bloom van The Northern Bell waarschijnlijk nooit ontdekt, maar direct bij eerste beluistering was ik overtuigd van de muziek van de band uit Oslo. The Northern Belle sluit enerzijds aan bij de Amerikaanse folk en country, maar de band is ook niet vies van een wat meer pop georiënteerd geluid met hier en daar een vleugje 70s Fleetwood Mac. Zeker voor Noorse begrippen klinkt het verrassend licht en zonnig, zeker wanneer aanstekelijke gitaarakkoorden het geluid op We Wither, We Bloom bepalen. Ik had tot voor kort nog nooit van de band gehoord, maar de eerste kennismaking is een bijzonder aangename.

Ook We Wither, We Bloom van The Northern Belle haalde ik de afgelopen weken uit een jaarlijstje met voornamelijk rootsalbums. Het is een album dat ik vorig jaar niet ben tegengekomen, maar het derde album van de Noorse band is absoluut de moeite waard.

The Northern Belle maakt op We Wither, We Bloom geen geheim van de liefde voor country en folk, maar de band uit Oslo klinkt meestal niet als een doorsnee rootsband. Waar Scandinavische bands vaak een voorkeur hebben voor behoorlijk donkere popmuziek, strooit The Northern Belle driftig met zonnestralen.

We Wither, We Bloom staat vol met heerlijke gitaarloopjes die het verlangen naar de zomer aanwakkeren en grossiert ook in aanstekelijke popliedjes die al even makkelijk de winter verdrijven. Zeker de wat meer uptempo songs op het album bevatten flink wat invloeden uit de pop, maar The Northern Belle kiest zo nu en dan ook voor meer ingetogen songs die dichter tegen de pure folk en country aan kruipen.

Dat We Wither, We Bloom niet erg Scandinavisch klinkt is overigens niet zo gek. Zangeres Stine Andreassen schreef de teksten van de songs voor het derde album van haar band toen ze in Nashville, Tennessee, verbleef.

Deze Stine Andreassen was niet alleen verantwoordelijk voor de teksten, maar bepaalt met haar aangename stem ook voor een belangrijk deel het geluid van de band. Het is een stem die folky kan klinken, maar die ook heel goed uit de voeten kan met de wat lichtvoetigere en meer pop georiënteerde songs op het album.

Samen met de rest van de band tekende Stine Andreassen voor de muziek op We Wither, We Bloom en ook die is dik in orde. The Northern Belle kent de klassiekers uit Nashville, maar verrijkt haar rootsy geluid hier en daar met heerlijk zonnig klinkende gitaren.

Dat klinkt onweerstaanbaar lekker, maar ook als de zonnige klanken tijdelijk worden verruild voor een soberder en stemmiger geluid valt de muziek van The Northern Belle in positieve zin op door mooie arrangementen en smaakvolle accenten. De Noorse band kan bovendien uit de voeten met zowel meer ingetogen als wat stevigere songs, waardoor We Wither, We Bloom een lekker veelzijdig album is.

Rootspuristen vinden het waarschijnlijk net wat teveel pop, maar persoonlijk ben ik zeer gecharmeerd van het geluid van The Northern Belle en zeker van de stem van Stine Andreassen, die de songs op We Wither, We Bloom stuk voor stuk voorziet van het beetje extra dat nodig is om op te vallen binnen het enorme aanbod in het genre.

Het derde album van de band uit Oslo is ook nog eens een groeiplaatje, want zowel de rootsy songs als de songs met vooral invloeden uit de pop met hier en daar een vleugje Fleetwood Mac uit de jaren 70, worden nog lange tijd beter, interessanter en zeker ook aangenamer.

Het is niet veel Scandinavische bands gegeven om potten te breken in de thuisbasis van de Amerikaanse rootsmuziek, maar We Wither, We Bloom kon vorig jaar rekenen op goede recensies in de Verenigde Staten en wist dus zelfs een keer een gerespecteerd jaarlijstje te halen. Ik begrijp het wel, want iedere keer als ik luister naar dit aangename album word ik er weer wat vrolijker van en hoor ik nog meer moois in de muziek van The Northern Belle. Erwin Zijleman

The Notwist - Vertigo Days (2021)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Notwist - Vertigo Days - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Notwist - Vertigo Days
Ik ben nooit heel gek geweest op de muziek van The Notwist, maar het deze week verschenen Vertigo Days blaast me keer op keer van mijn sokken en wordt alleen maar mooier en indrukwekkender

Het is een tijd stil geweest rond The Notwist, maar met Vertigo Days levert de band uit het Duitse Beieren deze week een bijzonder indrukwekkend album af. Invloeden uit de Krautrock hebben absoluut hun weg gevonden naar het nieuwe album van The Notwist, maar de Duitse band integreert deze invloeden op fascinerende wijze in haar muziek. Het levert een album op dat bol staat van de verrassende wendingen, maar het is ook een album met een aantal wonderschone en behoorlijk toegankelijke songs. Het zijn songs die alle kanten op kunnen schieten en je maar blijven verbazen, maar het zijn ook songs die je vanaf nu alleen maar intens wilt koesteren.

Toen Vertigo Days van The Notwist hier een week of twee geleden op de mat plofte, heb ik het album direct aan de kant gelegd. Ik had tot dusver immers helemaal niets met de muziek van de Duitse band. Ik had niets met de post-hardcore uit de vroege jaren van de band, niets met de elektronica van latere datum en zelf niets of hoogstens heel weinig met het uit 2002 stammende en wereldwijd uitvoerig bejubelde Neon Golden.

Nu moet ik wel toegeven dat mijn oordeel over de muziek van The Notwist was gebaseerd op een beperkt aantal observaties, want als je eenmaal denkt dat een band niets voor je is, is de neiging om eens uitvoerig naar een nieuw album te gaan luisteren niet zo heel groot. Alle reden dus om ook Vertigo Days onmiddellijk terzijde te schuiven, tot er wel heel veel vijfsterren recensies opdoken en ik toch nieuwsgierig werd naar de nieuwe verrichtingen van de Duitse band.

Negentien jaar geleden leverde dat bij beluistering van Neon Golden vooral teleurstelling op, maar dit keer liep het totaal anders. Al binnen enkele minuten was ik overtuigd van de kwaliteit van het nieuwe album van The Notwist en toen ik het album helemaal had gehoord, lag ook bij mij het woord meesterwerk op de lippen. Inmiddels ben ik een aantal luisterbeurten verder en Vertigo Days is eigenlijk alleen maar mooier en indrukwekkender geworden.

De Duitse band heeft tijdens haar inmiddels ruim dertig jaar durende carrière al flink wat genres verkent, maar op Vertigo Days zoekt de band het vooral dicht bij huis. Invloeden uit de Krautrock spelen immers een belangrijke rol op het nieuwe album van The Notwist. Dat betekent overigens niet dat Vertigo Days ook een flinke stap terug zet in de tijd, want de band heeft invloeden uit de Krautrock gemoderniseerd en geïntegreerd in een geluid dat toch vooral eigentijds klinkt.

Vertigo Days bevat voor een belangrijk deel popsongs met een kop en een staart, maar tussen die kop en die staart mag flink geëxperimenteerd worden. Het levert hier en daar betoverend mooie klanken op, die vervolgens worden gecombineerd met invloeden uit de elektronische muziek en de Krautrock. Atmosferische klanken krijgen gezelschap van meedogenloze ritmes, van een explosie van patronen en bijzondere geluiden en hier en daar van mooie vrouwenstemmen, die een fraai alternatief bieden voor de Duitse tongval van zanger Markus Archer.

Het is razend knap hoe alle verschillende stromen waaruit de muziek van The Notwist bestaat steeds weer samen komen in songs die bol staan van het experiment, maar op een of andere manier toch aanstekelijk klinken. Het is minstens net zo knap hoe The Notwist steeds weer kan beginnen bij de pioniers van de Krautrock of de elektronische popmuziek uit Duitsland, maar in no time toch weer een of meerdere decennia later uit weet te komen.

Soms blijft het hangen in de postpunk uit de jaren 80, soms in de popmuziek uit de jaren 90, maar The Notwist maakt ook de muziek van het heden en de toekomst. De bijzondere ritmes voorzien het album van heel veel tempo en dynamiek, waarna met name de elektronica de wat industrieel aandoende ruimtes mag vullen met heel veel moois.

Vertigo Days sprankelt en betovert 49 minuten lang en sluit geweldig af met gastbijdragen van Juana Molina en Zayaendo, die dit prachtalbum nog een extra zetje omhoog geven. Absoluut een van de meest bijzondere releases van het prille muziekjaar 2021. Erwin Zijleman

The Nude Party - Midnight Manor (2020)

poster
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Nude Party - Midnight Manor - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Nude Party - Midnight Manor
The Nude Party neemt je een aantal decennia mee terug in de tijd met een opwindende mix van vooral countryrock, rock ’n roll en een beetje van The Rolling Stones in hun beste jaren

The Nude Party waren twee jaar geleden goed voor een glimlach, maar zetten een flinke stap met hun tweede album Midnight Manor. De band klinkt op haar tweede album verrassend hecht en is op alle mogelijke manieren gegroeid. Midnight Manor omarmt nadrukkelijk de Amerikaanse rootsmuziek, met een voorkeur voor countryrock uit een ver verleden, maar invloeden uit de rock ’n roll zijn minstens even belangrijk. Hier en daar klinkt The Nude Party als The Rolling Stones in hun beste jaren en een veel groter compliment kun je de jonge honden uit de Catskill Mountains volgens mij niet maken. Midnight Manor is voor mij het feelgood album van deze week. Heerlijk.

The Nude Party ontstond een jaar of acht geleden toen een zestal studenten van de Appalachian State University in Boone, North Carolina, besloten een band te formeren. De meeste leden van de band waren zeker geen ervaren muzikanten, maar de dagelijkse jamsessies in de kelder van het huis waarin de leden van de band hun intrek hadden genomen begonnen steeds beter te klinken. Het ging allemaal snel toen de band werd ontdekt door Oakley Munson, de drummer van de Amerikaanse band Black Lips, die de band onder zijn hoede nam en gebruik liet maken van zijn studio in de Catskill Mountains bij New York.

Het leverde twee jaar geleden een heel aardig debuut op, dat deze week een vervolg krijgt met Midnight Manor. The Nude Party werkt ook op haar tweede album met mentor Oakley Munson, maar vond ook niemand minder dan John Agnello (met zijn CV zou ik deze hele recensie kunnen vullen, maar de naam van Dinosaur Jr. wil ik zeker noemen) bereid om het album te mixen.

Ik was twee jaar geleden best te spreken over het debuut van The Nude Party, maar het tweede album van de band vind ik veel beter. The Nude Party heeft zich inmiddels gevestigd in de Catskill Mountains en heeft zich zeker laten beïnvloeden door de rijke muziekgeschiedenis van het gebied. Net als op haar debuut vind The Nude Party de belangrijkste inspiratie vooral in ver verleden. De band kent haar klassiekers in de countryrock, maar ook invloeden The Velvet Underground, The Kinks en vooral The Rolling Stones spelen een belangrijke rol op Midnight Manor. En hier en daar komen ook The Doors en Creedence Clearwater Revival nog voorbij.

Toen The Nude Party acht jaar geleden begon waren de meeste leden van de band nog geen geweldige muzikanten, maar er is sindsdien veel bijgeleerd. Midnight Manor is voorzien van een lekker vol geluid dat wordt gedomineerd door uitstekend gitaarwerk, maar waarin ook piano, orgel, mondharmonica en een pedal steel opduiken. Het klinkt allemaal alweer een stuk hechter en strakker dan op het twee jaar geleden verschenen debuut, maar de muziek van The Nude Party klinkt gelukkig ook nog steeds rauw en energiek. Het geldt niet alleen voor de instrumentatie, maar zeker ook voor de zang, die het energieniveau van het album nog wat verder opstuwt.

Midnight Manor staat met één been in de Amerikaanse rootsmuziek, maar het andere been staat stevig in de rock ’n roll. Het is rock ’n roll uit de jaren 60 en 70, maar de muziek van The Nude Party klinkt zeker niet gedateerd. Midnight Manor is vaak te omschrijven als het album dat The Rolling Stones gemaakt zouden kunnen hebben wanneer ze in 1971 voor het opnemen van Exile On Main Street niet naar Zuid-Frankrijk maar naar de Catskill Mountains waren afgereisd. Zeker wanneer de zang wat aan die van Mick Jagger doet denken hoor je op Midnight Manor The Rolling Stones in hun jonge jaren, maar The Nude Party heeft meer goede voorbeelden uit deze periode en kan haar songs ook zomaar onderdompelen in Amerikaanse rootsmuziek of opschuiven richting glamrock.

Het levert een album op dat best in de jaren 60 of 70 gemaakt had kunnen zijn, maar wat word ik er in 2020 vrolijk van. Het debuut van The Nude Party vond ik twee jaar geleden nog een twijfelgeval, maar het tweede album van de band uit de Catskill Mountains is uitstekend en ook nog eens bijzonder aangenaam. Erwin Zijleman

The Ocean Blue - Kings and Queens / Knaves and Thieves (2019)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Ocean Blue - Kings And Queens/Knaves And Thieves - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Ocean Blue - Kings And Queens/Knaves And Thieves
The Ocean Blue kiest op haar nieuwe album vol voor de nostalgie en neemt je mee terug naar een prachtige en zorgeloze zomer in de jaren 80

Kings And Queens/Knaves And Thieves is pas het zevende album van The Ocean Blue, want het heeft de band niet altijd meegezeten. De band maakte een aantal klassieke albums met 80s popmuziek en had de pech dat die albums achteraf bezien net een paar jaar te laat kwamen. Dat maakt nu niet meer uit, want de songs van The Ocean Blue klinken anno 2019 volstrekt tijdloos en zijn stuk voor stuk onweerstaanbaar lekker. Niet iedereen zal vallen voor de charmes van de Amerikaanse band, maar muziekliefhebbers met een voorliefde voor de popmuziek die in de jaren 80 werd gemaakt zullen smullen van deze brok pure nostalgie verpakt in louter zonnestralen.

The Ocean Blue is een Amerikaanse band die precies dertig jaar geleden zeer veelbelovend debuteerde, maar de grote belofte in commercieel opzicht in ieder geval niet waarmaakte.

Dat had niets te maken met de kwaliteit van de eerste drie albums van de band, want met de kwaliteit van die albums, die verschenen tussen 1989 en 1992 was helemaal niets mis. Toen het succes uitbleef viel de productie van de band flink terug en nam helaas ook de kwaliteit van de albums wat af.

Het deze week verschenen Kings And Queens/Knaves And Thieves is dan ook pas het zevende album van de band en de opvolger van het zes jaar geleden verschenen Ultramarine, dat mij destijds overigens is ontgaan. Kings And Queens/Knaves And Thieves kwam gelukkig wel tijdig op mijn netvlies, want wat is dit een heerlijk album.

The Ocean Blue maakte altijd al tijdloze popmuziek en doet dat nog steeds. Het is popmuziek die bij muziekliefhebbers die opgroeiden in de jaren 80 onmiddellijk mooie herinneringen oproepen aan dit bijzondere decennium. In de openingstrack lijkt het of The Go-Betweens Morrissey hebben ingehuurd en in de tracks die volgen keer je terug naar de tijd waarin bands als Aztec Camera en Prefab Sprout popliedjes maakte waar je voor eeuwig verliefd op werd.

The Ocean Blue draait inmiddels al een flinke tijd mee en kiest op Kings And Queens/Knaves And Thieves voor de nostalgie. Zowel de gitaren als de synths lijken rechtstreeks afkomstig van een vergeten klassieker uit de jaren 80 en ook in vocaal en productioneel opzicht herinnert het nieuwe album van The Ocean Blue aan vervlogen tijden.

In de tracks waarin de gitaren het voortouw nemen hoor ik van alles van de eerder genoemde bands (inclusief The Smiths), maar wanneer de synths het een enkele keer overnemen kan de lijst met zinvol vergelijkingsmateriaal worden aangevuld met 80s bands die de gitaren hadden afgezworen (met Orchestral Manoeuvres In The Dark als voorbeeld).

Bij een jaren 80 geluid hoort een jaren 80 productie en ook hierin heeft The Ocean Blue voorzien. Kings And Queens/Knaves And Thieves is voorzien van een vol en warm geluid dat is volgestopt met tierelantijntjes, die allemaal bijdragen aan de feelgood luisterervaring.

Mijn muzikale vorming vond voor een belangrijk deel plaats in de jaren 80, maar ik val zelf nauwelijks meer terug op de muziek uit dit decennium. Albums als Kings And Queens/Knaves And Thieves kunnen dan ook niet zonder meer rekenen op mijn sympathie, maar het nieuwe album van The Ocean Blue kan ik met geen mogelijkheid weerstaan. De popliedjes van de Amerikaanse band nestelen zich een voor een voorgoed in het geheugen en alles klinkt zo mooi en lekker dat de klanken van de band je humeur onmiddellijk een boost geven.

Laat Kings And Queens/Knaves And Thieves van The Ocean Blue uit de speakers komen en het is weer even de zomer van 1985. Een zomer zonder smartphones, zonder Internet en zonder Spotify. Een zomer waarin je de nieuwe bandjes vaak bij toeval ontdekte in de platenzaak, die nog het monopolie had op de verspreiding van muziek. Grote kans dat de lokale Plato het album op een mooie zomerdag uit de speakers had laten komen. Grote kans ook dat ik het album had aangeschaft. Dat gaat tegenwoordig een stuk makkelijker, maar het gevoel dat dit zorgeloze album vol perfecte 80s popliedjes oproept is niet anders. Erwin Zijleman

The Ophelias - Crocus (2021)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Ophelias - Crocus - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Ophelias - Crocus
De Amerikaanse band The Ophelias schotelt je een vat vol tegenstrijdigheden voor, maar als alles eenmaal op zijn plek is gevallen is Crocus ook een spannend en wonderschoon album

Bij de eerste beluisteringen wist ik niet zo goed wat ik aan moest met Crocus van de Amerikaanse band The Ophelias. De muziek van de band uit Ohio klinkt bij vluchtige beluistering bekend, maar uiteindelijk doet Crocus bijna nooit wat je verwacht. Het album valt op door een sobere instrumentatie, fraai gearrangeerde strijkers en de prachtige stem van Spencer Peppet, maar de songs van de band bieden weinig houvast. Het zijn songs die een bijzondere sfeer creëren, maar iedere keer als je ze hoort lijk je ze weer voor de eerste keer te horen. Het is daarom lang wennen aan de muziek van The Ophelias, maar als je eenmaal bent gevallen voor dit bijzondere album groeit het maar door. Crocus is een obscure parel, maar het is echt een hele mooie.

The Ophelias is een band uit Cincinnati, Ohio, die ik de afgelopen jaren al een of twee keer ben tegengekomen, maar echt bijgebleven was de muziek van de Amerikaanse band me eerlijk gezegd niet. Het nieuwe album van The Ophelias, alweer het derde album van de band, viel me in eerste instantie vooral op vanwege de vermelde bijdrage van Julien Baker, die met haar stem opduikt in de track Neil Young On High.

Het is altijd goed om Julien Baker te horen, maar haar bijdrage aan het album van The Ophelias is zeer beperkt en zou me zonder de vermelding waarschijnlijk niet zijn opgevallen. Het heeft me er wel toe gebracht om eens te luisteren naar de muziek van The Ophelias en inmiddels bevalt deze muziek me wel, al ging dat zeker niet vanzelf.

The Ophelias heeft met Crocus een album gemaakt dat zich niet makkelijk in een hokje laat duwen of laat duiden. Het is een album waarmee de band uit Ohio waarschijnlijk niet de wereld gaat veroveren, maar interessant is het zeker.

De muziek van The Ophelias zal in de smaak vallen bij liefhebbers van zachte vrouwenstemmen en liefhebbers van muziek die afwisselend sereen en gruizig klinkt. Crocus opent fluisterzacht met akoestische gitaarlijnen, flink wat strijkers en de fluisterzachte stem van frontvrouw Spencer Peppet, die ook tekent voor flink wat instrumenten op het album en voor alle songs.

Het viertal uit Cincinnati bedwelmt in de openingstrack met mooie klanken, maar de muziek van de band heeft ook iets tegenstrijdigs, zonder dat direct duidelijk is wat dit is. In de tweede track klinkt de muziek van The Ophelias opeens wat gruiziger en dat gruizige geluid keert nog een enkele keer terug op het album.

Over het algemeen genomen is de muziek van de Amerikaanse band echter behoorlijk ingetogen. De meeste songs op het album hebben een laag tempo en zijn redelijk sober ingekleurd. In de instrumentatie vallen vooral de strijkers op, die hier en daar wat steviger uit mogen pakken, zonder dat de muziek zich heel erg opdringt of de fluisterzachte zang in de weg zit.

Na een paar tracks heb je door waarom de muziek van The Ophelias zich ondanks een aantal smakelijke ingrediënten niet genadeloos opdringt. Het zijn overigens smakelijke ingrediënten, die met name in de jaren 90 heel wat uitstekende albums hebben opgeleverd, maar waar deze in de jaren 90 werden gecombineerd met aanstekelijke popliedjes, blijft Crocus ver weg van refreinen die je na één keer horen mee kunt zingen.

The Ophelias zoeken het vooral in het creëren van een bijzondere sfeer in songs die ook folky klinken, maar dan anders dan je gewend bent. Het betekent overigens niet dat de muziek van de Amerikaanse band ontoegankelijk is, want dat is Crocus zeker niet.

Zeker als je in de stemming bent voor de muziek van The Ophelias of wanneer je enigszins gewend bent aan de songs op het album, is het een album vol songs die de fantasie eindeloos prikkelen en die zijn voorzien van een bijzondere schoonheid en hier en daar een bijzondere twist.

Crocus is een album vol flarden uit de jaren 90, maar het nieuwe album van The Ophelias borduurt nu eens niet fantasieloos voort op alles dat er al is. Crocus is bovendien een album vol groeibriljanten die je zelf mag slijpen. Geen album dat je in één keer van je sokken blaast, maar geef het een kans en je hebt er een heel bijzonder album bij. Erwin Zijleman

The Ophelias - Spring Grove (2025)

poster
3,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Ophelias - Spring Grove - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: The Ophelias - Spring Grove
De Amerikaanse band The Ophelias wist voor haar vierde album Spring Grove niemand minder dan Julien Baker te strikken als producer, wat een lekker vol geproduceerd maar ook zeer sfeervol klinkend album oplevert

De Amerikaanse band The Ophelias ontdekte ik een paar jaar geleden, toen ik zeer te spreken was over het album Crocus. Dat was een album dat meerdere kanten op sprong, maar op het deze week verschenen Spring Grove kiest de band voor een wat consistenter geluid. Het is een geluid dat op een of andere manier aan de jaren 90 doet denken, maar het album klinkt ook zeker eigentijds. De hand van debuterend producer Julien Baker hoor je in het gitaarwerk, maar de grote rol voor de viool is hetgeen dat het meest opvalt bij beluistering van het album, overigens naast de echt bijzonder mooie stem van Spencer Peppet, die het geluid van de band nog wat verder optilt.

Het deze week verschenen Spring Grove is het vierde album van de Amerikaanse band The Ophelias. De band uit Cincinnati, Ohio, debuteerde tien jaar gelden, maar ik ontdekte de uit drie vrouwen en één man bestaande band pas in 2021 toen het derde album Crocus verscheen. Het is een album dat ik in mijn recensie omschreef als een vat vol tegenstrijdigheden, maar ook als een spannend en wonderschoon album.

Crocus had in vrijwel alle songs een jaren 90 vibe, maar schakelde makkelijk tussen behoorlijk gruizige, wat meer folky en juist wat zwaarder georkestreerde songs. Ik heb sindsdien niet heel vaak meer naar het album geluisterd, waardoor de naam The Ophelias bij mij eerlijk gezegd geen belletje meer deed rinkelen deze week.

De songs op Spring Grove wisten me echter redelijk makkelijk te overtuigen, want de Amerikaanse band heeft ook op haar vierde album weer veel te bieden. Ook op Spring Grove heeft de muziek van The Ophelias een jaren 90 vibe. Die hoor je duidelijk wanneer de band uit Ohio vooral kiest voor invloeden uit de indierock en dreampop, maar ook wat meer ingetogen songs en songs met een prominente rol voor de viool hebben hun weg gevonden naar het album.

De band liep een paar jaar geleden niemand minder dan Julien Baker tegen het lijf, die vervolgens op Crocus was te horen in de Neil Young cover On High. De samenwerking beviel zo goed dat Julien Baker toezegde het volgende album van The Ophelias te produceren en aan die belofte heeft ze zich gehouden. Het is het eerste album dat Julien Baker heeft geproduceerd en wat mij betreft heeft ze fraai werk afgeleverd.

Je hoort de hand van Julien Baker vooral in het gitaarwerk op het album, zeker wanneer dit wat voller en steviger klinkt. Vergeleken met het vorige album van The Ophelias bevat Spring Grove wat meer stevigere en vooral wat meer voller klinkende songs en het zijn songs die zijn voorzien van een zeer aansprekend geluid.

Juist als wat gas wordt teruggenomen hoor je meer invloeden uit de muziek van Julien Baker, zoals in het mooie Parade, maar Spring Grove doet me veel vaker denken aan de muziek van een jaren 90 band als ‘Til Tuesday, de band waarmee Aimee Mann ooit opdook. De zang van The Ophelias frontvrouw Spencer Peppet heeft af en toe wel wat van Aimee Mann, al moeten de overeenkomsten niet overdreven worden.

De stem van Spencer Peppet is wel een van de sterke punten van The Ophelias en zorgt bovendien voor een herkenbaar geluid. Spring Grove klinkt vaak behoorlijk vol en dat is niet altijd mijn smaak. Het geluid op het album is echter verassend sfeervol en bovendien is de Amerikaanse band ook op haar nieuwe album niet vies van variatie.

In mijn recensie van het vorige album van The Ophelias schreef ik nog dat de band niet per se koos voor toegankelijke popsongs, maar de songs op het nieuwe album vind ik juist behoorlijk toegankelijk. Zeker de songs met flink wat violen dringen zich makkelijk op en met name in deze songs is de stem van Spencer Peppet echt bijzonder mooi. Het is wat mij betreft vooral de zang waarmee het album van The Ophelias zich weet te onderscheiden, maar ook in alle andere opzichten is Spring Grove een opvallend en opvallend goed album. Hopelijk geeft de naam van Julien Baker The Ophelias de boost die de band verdient. Erwin Zijleman

The Pains of Being Pure at Heart - The Echo of Pleasure (2017)

poster
3,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Pains Of Being Pure At Heart - The Echo Of Pleasure - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Ik was en ben zeer gecharmeerd van de eerste twee platen van de uit New York afkomstige band The Pains Of Being Pure At Heart.

Op het titelloze debuut van de band uit 2009 werden invloeden uit de shoegaze en dreampop op fraaie wijze vermengd met invloeden uit de indiepop, terwijl op het nog betere Belong uit 2001 wederom invloeden uit de shoegaze en dreampop een belangrijke rol speelden en dit keer werden gecombineerd met invloeden uit de 90s indierock.

Op het drie jaar geleden verschenen Days Of Abandon ging het helaas mis. Het zo aangename geluid van The Pains Of Being Pure At Heart was ontdaan van alle scherpe randjes en ging uiteindelijk het ene oor in en het andere weer uit.

Ik had dan ook geen hoge verwachtingen ten aanzien van de vierde plaat van de New Yorkse band en dat leek bij eerste beluistering van The Echo Of Pleasure terecht. Ook op de vierde plaat van The Pains Of Being Pure At Heart spelen invloeden uit de shoegaze en dreampop een bescheiden rol en kiezen de New Yorks voor een wat gepolijster geluid dan op de eerste twee platen.

Waar Days Of Abandon me drie jaar geleden ook bij een nieuwe kans niet wist te overtuigen, ben ik langzaam maar zeker wel onder de indruk geraakt van The Echo Of Pleasure. The Pains Of Being Pure At Heart leunt op haar nieuwe plaat nauwelijks meer op de invloeden uit de shoegaze en dreampop en heeft een nieuwe liefde gevonden in de postpunk en new wave uit de jaren 80.

The Echo Of Pleasure doet aan van alles en nog wat uit de jaren 80 denken, maar het knappe van de plaat is dat het niet eens zo makkelijk is om concrete namen te verbinden aan de invloeden op de nieuwe plaat. Alle invloeden zijn verstopt in heerlijk melodieuze en vrijwel zonder uitzondering lekker in het gehoor liggende songs.

Het is een kunstje dat de band ook op haar vorige plaat uitprobeerde, maar waar Days Of Abandon zouteloze popmuziek opleverde voelt The Echo Of Pleasure als een warm bad. Het is een warm bad dat de ene keer wordt gevuld met de heerlijke vocalen van zangeres Jen Goma, terwijl de andere keer voorman Kip Berman het voortouw neemt.

Invloeden uit de Britse new wave en postpunk domineren op de vierde plaat van The Pains Of Being Pure At Heart, maar hier en daar hoor je ook nog wel een vleugje shoegaze, dreampop of indierock. Net wat vaker hoor ik invloeden uit de 90s indiepop. Zeker wanneer blazers worden ingezet schuurt The Pains Of Being Pure At Heart tegen Belle & Sebastian aan in popliedjes die net wat zoeter zijn dan de rest.

Het is niet eens zo makkelijk uit te leggen waarom The Echo Of Pleasure een veel betere plaat is dan zijn voorganger. Qua ingrediënten en productie scheelt het misschien niets eens zo veel, maar waar de songs de vorige keer niets met me deden staat de nieuwe plaat van de New Yorkers vol met vrijwel onweerstaanbare popliedjes. Het is lastig om in te schatten hoe deze plaat gaat worden ontvangen, maar ik vind hem echt de moeite waard. Erwin Zijleman

The Paper Kites - At the Roadhouse (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Paper Kites - At The Roadhouse - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Paper Kites - At The Roadhouse
De Australische band The Paper Kites vond ‘in the middle of nowhere’ haar inspiratie en levert een aangenaam en rustgevend album af dat vooral is geïnspireerd door 70s countryrock en echt prachtig klinkt

Na de samenwerking met tien verschillende zangeressen op Roses, doet de Australische band The Paper Kites op At The Roadhouse alles zelf. De band sloot zich op in een verlaten gebouw op het Australische platteland en maakte er zowel een studio als een podium van. Het verblijf in The Roadhouse leverde uiteindelijk bijna 80 minuten muziek op. At The Roadhouse is een stuk minder veelzijdig dan het vorige album van de band uit Melbourne, maar het vooral door countryrock beïnvloede geluid is bijzonder aangenaam. In muzikaal opzicht is er niets aan te merken op het album, maar de zang is nog net wat beter. Het levert een aangenaam rustgevende en bijzonder mooie luistertrip op.

De Australische band The Paper Kites ken ik alleen van het in 2021 verschenen album Roses. Het is een album dat destijds onmiddellijk mijn aandacht trok omdat de band uit Melbourne de samenwerking had gezocht met een flink legioen zangeressen, onder wie persoonlijke favorieten als Aoife O'Donovan, Julia Stone, Nadia Reid, Lucy Rose, Gena Rose Bruce en Rosie Carney. Het leverde een zeer sfeervol en verrassend consistent album op, dat deed uitzien naar meer.

Dat meer is deze week verschenen, al moet The Paper Kites het dit keer doen zonder al die geweldige zangeressen, die het vorige album van de band flink optilden. Dat The Paper Kites ook op eigen kracht een uitstekend album kan maken is te horen op het deze week verschenen At The Roadhouse, het zesde album van de Australische band.

De band huurde voor het nieuwe album een gebouw in het Australische Campbells Creek af, waarin het doordeweeks aan nieuwe muziek werkte en in het weekend optrad voor fans en toevallige voorbijgangers. De band noemde het gebouw The Roadhouse, wat de titel van het nieuwe album van The Paper Kites verklaart.

Het was kennelijk een productie setting, want At The Roadhouse bevat maar liefst zestien songs en heeft en speelduur van bijna 80 minuten. Dat is bijna altijd te veel muziek om een album lang te blijven boeien, maar hier is At The Roadhouse bij mij inmiddels meerdere keren in geslaagd.

Door de bijdragen van een heleboel verschillende zangeressen was het vorige album van The Paper Kites een behoorlijk gevarieerd album, maar op At The Roadhouse kiest de band voor een consistent en vaak wat eenvormig geluid. De band heeft zich op haar nieuwe album vooral laten beïnvloeden door de Amerikaanse rootsmuziek in het algemeen en door 70s countryrock in het bijzonder.

Het geluid van de band wordt gedomineerd door snareninstrumenten, die zorgen voor een warm en gloedvol geluid. Het is een geluid dat zich direct bij eerste beluistering als de spreekwoordelijke warme deken om je heen slaat, zeker als je een zwak hebt voor countryrock. Het gitaarwerk op het album is bijzonder mooi ben hetzelfde geldt voor de bijdragen en de banjo en de pedal steel, maar het is vooral de stem van voorman Sam Bentley die de muziek van The Paper Kites op At The Roadhouse zo mooi maakt.

De Australische muzikant beschikt over een mooie en aangename stem, maar hij zingt bovendien ontspannen, waardoor de muziek van The Paper Kites een rustgevende uitwerking heeft. De mooie klanken van diverse snareninstrumenten en de uitstekende stem van Sam Bentley zorgen er voor dat het geluid van The Paper Kites zich onmiddellijk opdringt, maar de band uit Melbourne tekent ook voor een serie bijzonder aangenaam klinkende maar ook sterke songs.

At The Roadhouse weet mij moeiteloos 80 minuten te boeien en te vermaken en doet me misschien nog wel het meest denken aan de albums van The Eagles, al leunt The Paper Kites wat minder zwaar op harmonieën. Deze harmonieën duiken overigens wel af en toe op en als ik hoor hoe mooi de stemmen van Christina Lacy en David Powys blenden met die van Sam Bentley denk ik dat The Paper Kites dit wapen nog wel wat beter kan inzetten. At The Roadhouse is pas mijn tweede kennismaking met de muziek van de Australische band, maar vanaf nu ben ik fan. Erwin Zijleman

The Paper Kites - If You Go There, I Hope You Find It (2026)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Paper Kites - If You Go There, I Hope You Find It - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: The Paper Kites - If You Go There, I Hope You Find It
Na een fantastisch album met gastzangeressen en een ode aan de countryrock, klinkt de muziek van de Australische band The Paper Kites op het nieuwe album weer net anders, maar het voelt wederom aan als een warm bad

Direct vanaf de eerste noten klinkt If You Go There, I Hope You Find It bekend in de oren. Ik kan er de vinger niet precies op leggen, maar wat klinkt het weer aangenaam. De band beschikt in de persoon van Sam Bentley over een uitstekende zanger, maar de extra vocalen van zangeres Christina Lacy zijn voor mij de kers op de taart. In muzikaal opzicht neemt de band je mee terug naar de jaren 70, maar de muziek van The Paper Kites heeft ook iets tijdloos en is boven alles warm en sfeervol. De vorige twee albums van de band koester ik inmiddels en ook If You Go There, I Hope You Find It zou het wel eens heel goed kunnen gaan doen de komende tijd. Heerlijk album.

Ik had tot de zomer van 2021 nog nooit van de Australische band The Paper Kites gehoord, maar in dat jaar bedacht de band de ultieme strategie om mij te verleiden. Op het in 2021 verschenen Roses, volgens mij het vijfde album van de band, werkte The Paper Kites met een legioen aan aansprekende gastzangeressen, waaronder een aantal persoonlijke favorieten. Door de geweldige vrouwenstemmen op het album was de ene track nog mooier dan de andere, waardoor Roses me tot op de dag van vandaag dierbaar is.

Op het in de vroege herfst van 2023 verschenen At The Roadhouse deed de Australische band het zonder gastzangeressen, maar ook het zesde album van The Paper Kites viel bij mij zeer in de smaak. At The Roadhouse werd opgenomen in de Australische ‘middle of nowhere’, maar klonk als een vergeten countryrock klassieker uit de vroege jaren 70. De gastzangeressen van Roses werden gemist, maar de stemmen van vaste bandleden Christina Lacy en Sam Bentley klonken ook zo mooi bij elkaar dat At The Roadhouse niet onder deed voor zijn voorganger.

Deze week is het nieuwe album van The Paper Kites verschenen en ook If You Go There, I Hope You Find It bevalt me weer uitstekend. Invloeden uit de countryrock klinken iets minder dominant dan op het vorige album, maar zijn zeker niet helemaal verdwenen. In de openingstrack domineert de stem van Sam Bentley en die is echt prachtig, maar toch was ik vooral aan het wachten op de stem van Christina Lacy. Die duikt uiteindelijk ook op, maar is wat minder prominent aanwezig dan op het vorige album. Persoonlijk vind ik de muziek van The Paper Kites het mooist wanneer de stemmen van de twee worden gecombineerd, wat ook te maken heeft met mijn voorkeur voor vrouwenstemmen, maar ook Sam Bentley weet me zeker te raken.

If You Go There, I Hope You Find It heeft zich wat minder laten beïnvloeden door de countryrock uit de jaren 70, maar invloeden uit de jaren 70 staan ook op het nieuwe album centraal. If You Go There, I Hope You Find It is een album dat net zo goed vele decennia oud zou kunnen zijn. Voor vernieuwing ben je bij The Paper Kites ook dit keer niet aan het juiste adres, maar dat zorgt er wel voor dat If You Go There, I Hope You Find It je waarschijnlijk makkelijk weet te overtuigen.

Het geluid van de band klinkt bekend en klinkt ook nog eens warm en zorgeloos, precies hetgeen dat we nodig hebben op dit moment. Het is misschien net wat minder indrukwekkend dan het met alle mooie vrouwenstemmen gevulde Roses of de countryrock van At The Roadhouse, maar ik kan If You Go There, I Hope You Find It maar moeilijk weerstaan. De muziek van The Paper Kites heeft op mij ongeveer hetzelfde effect als albums van The Eagles hebben. Soms ben ik er direct op uitgekeken, maar soms is het zo verschrikkelijk aangenaam of zelf bloedstollend mooi dat ik blijf luisteren.

Bij beluistering van If You Go There, I Hope You Find It valt de zang het meest op en is het af en toe treuren om de kleinere rol voor Christina Lacey, maar als ze zingt ben ik meteen weer verkocht. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal degelijk, maar ik word ook direct heel vrolijk van de verzorgde klanken en al het moois dat de Australische band heeft verstopt op dit nieuwe album, waardoor If You Go There, I Hope You Find It hier nog vaak voorbij gaat komen. Erwin Zijleman

The Paper Kites - Roses (2021)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Paper Kites - Roses - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Paper Kites - Roses
Samen met een legioen aan gastzangeressen tovert de Australische band The Paper Kites op Roses het ene na het andere even memorabele als verwarmende popliedje uit de hoge hoed

Mede dankzij een indrukwekkende lijst gastmuzikanten begon ik aan Roses van de Australische band The Paper Kites. Het was mijn eerste kennismaking met de muziek van de band uit Melbourne en het is er een die naar veel meer smaakt. Roses staat vol met bijzonder aangename, zeer sfeervolle en vaak wat dromerige popliedjes. Het zijn popliedjes die opvallen door de mooie stem van voorman Sam Bentley en uiteraard ook door de bijdragen van de geweldige zangeressen die de band op heeft weten te trommelen voor dit album. Heerlijke muziek om je mee op te sluiten als het buiten koud en donker is of als je niet naar buiten mag, zoals op het moment.

De muziek van de Australische band The Paper Kites was me tot voor kort, om onduidelijke redenen, volledig ontgaan. Het is zonde, doodzonde zelfs, want de vier albums die de band uit Melbourne tussen 2013 en 2018 heeft uitgebracht vind ik inmiddels prachtig en hadden zeker niet misstaan op de krenten uit de pop.

Dat Roses, het vijfde album van de Australische band, wel mijn aandacht heeft getrokken, dankt The Paper Kites in eerste instantie aan de imposante lijst gastzangeressen die werd opgetrommeld voor het nieuwe album. Op de gastenlijst prijken immers de namen van onder andere Aoife O'Donovan, Julia Stone, Nadia Reid, Lucy Rose en Rosie Carney en dat zijn stuk voor stuk persoonlijke favorieten. Inmiddels weet ik dat de andere zangeressen op het album (MARO, Lydia Cole, Ainslie Wills, Amanda Bergman en Gena Rose Bruce) zomaar persoonlijke favorieten kunnen worden.

Met tien tracks en tien gastzangeressen deed Roses van The Paper Kites me op voorhand wel wat denken aan het recent verschenen In Quiet Moments van het Britse project Lost Horizons, maar dat valt na beluistering erg mee. Op Roses van The Paper Kites staan tien duetten en bovendien is het album van de Australische band een stuk consistenter dan dat van Lost Horizons, dat eind vorige maand een bont gekleurd album afleverde. De muziek van The Paper Kites is bijzonder sfeervol en doet verlangen naar een fraai winterlandschap buiten en een knisperende open haard binnen.

Iedereen die de bovenstaande zangeressen kent zal begrijpen dat het in vocaal opzicht wel goed zit op Roses. Dat is overigens niet alleen de verdienste van deze zangeressen, want ook The Paper Kites voorman Sam Bentley beschikt over een bijzonder aangenaam stemgeluid.

De muziek van de band uit Melbourne is van het zwoele soort en verwarmt de ruimte op even fraaie als aangename wijze. Hier en daar hoor ik een vleugje uit de jaren 80 in de muziek van The Paper Kites en door dit vleugje 80s en de keuze voor duetten, hoor ik hier en daar wel wat echo’s van een band als Cock Robin, al klinkt de muziek van The Paper Kites wel wat lomer en zwoeler. Sam Bentley heeft een zwak voor zangeressen die zacht en dromerig zingen en dat past waarschijnlijk ook het best bij de muziek van de Australische band die laveert tussen folk en softpop.

Van alle zangeressen die meedoen op dit album is Julia Stone waarschijnlijk de bekendste, naar vreemd genoeg vind ik haar bijdrage het minst goed. De Australische zangeres trekt de song net wat teveel haar eigen kant op, waardoor de song wat detoneert op dit album. Voor de rest is het heerlijk wegdromen en genieten van de wonderschone klanken en de heerlijke stemmen, met hier en daar een snufje Mazzy Star als bonus.

The Paper Kites beschikt in de persoon van Christina Lucy zelf overigens ook over een prima zangeres, maar zij had het betrekkelijk rustig tijdens de opnamen van het album, al draaft ze wel op voor het duet met Lucy Rose.

Albums met veel gastmuzikanten en zeker albums met veel gastvocalisten doen vaak wat fragmentarisch aan en zijn daarom lang niet altijd interessant. Lost Horizons liet een week of twee geleden al horen dat het ook anders kan en The Paper Kites doet het met het sfeervolle en vaak wonderschone Roses wat mij betreft nog net wat beter. We moeten het nog even doen met de avondklok, maar met dit albums door de speakers is dat geen straf. Erwin Zijleman

The Pineapple Thief - Magnolia (2014)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Pineapple Thief - Magnolia - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Magnolia van The Pineapple Thief zie ik hier en daar opduiken in jaarlijstjes. Ik geef toe dat het vooral obscure jaarlijstjes zijn, maar een jaarlijstje is een jaarlijstje.

Nu heb ik de plaat zelf al een aantal weken of misschien zelfs wel een aantal maanden in huis, maar het was er nog niet van gekomen om er naar te luisteren, waarbij het etiket progrock op de cover vast een rol van betekenis heeft gespeeld.

Progrock is voor mij vooral een jeugdliefde (of jeugdzonde) en als ik er naar moet luisteren beperk ik me bij voorkeur tot de gevestigde namen uit het verre verleden, waardoor Magnolia tot dusver buiten de boot viel.

Dat is om meerdere redenen onterecht. Magnolia is om te beginnen een verrassend sterke plaat die absoluut aandacht verdient en is hiernaast een plaat die niet zo gek veel met progrock te maken heeft, althans niet met de progrock uit het genoemde verre verleden. Op Magnolia zal je tevergeefs zoeken naar songs van vele minuten, naar een aaneenschakeling van onnavolgbare tempowisselingen of naar ellenlange solo’s vol spierballenvertoon.

Op Magnolia maakt The Pineapple Thief voornamelijk redelijk toegankelijke popmuziek met hier en daar een stevige rockimpuls. Het is muziek die hier en daar doet denken aan die van collega Britse bands als Muse en Radiohead of zelfs Coldplay in haar jonge jaren. Het is muziek die vaak sfeervol en ingetogen begint, maar vervolgens incidenteel wordt voorzien van stevige riffs of veel vaker van betoverend mooie intermezzo’s.

Het is de muziek waarmee de genoemde andere Britse bands wereldberoemd zijn geworden en The Pineapple Thief verdient niet anders. Alle songs op Magnolia zijn even aantrekkelijk een aanstekelijk, maar wat zitten ze allemaal ook knap in elkaar.

The Pineapple Thief heeft een rijk verleden in de progrock. Dat hoor je niet direct terug in de songstructuren, die allemaal zijn voorzien van een kop, een staart en betoverend mooie melodieën, maar je hoort het wel wanneer je wat beter naar de muziek van The Pineapple Thief luistert en alle subtiele details naar de oppervlakte tovert. In deze details hoor je wel degelijk invloeden uit de progrock, maar het zijn wel invloeden die zijn meegegaan met de tijd.

Het knappe van Magnolia is dat de twee uitersten, aan de ene kant aardse toegankelijke popsongs en aan de andere kant zweverige invloeden uit de progrock, steeds meer samenvloeien wanneer je de plaat vaker hoort, waardoor The Pineapple Thief met een steeds specialer of zelfs unieker geluid op de proppen komt.

Omdat Magnolia nog steeds in het hokje progrock wordt gepropt, dreigt de plaat tussen wal en schip te belanden. De progrock liefhebber vindt het teveel pop en rock, terwijl de liefhebber van pop en rock bang is voor teveel prog. Magnolia is de perfecte synthese van beiden en is een plaat die inderdaad jaarlijstjeswaardig is, zoals een enkeling inmiddels al heeft geconcludeerd. Zet alle voordelen en verwachtingen overboord en geniet. Ik weet bijna zeker dat Magnolia van The Pineapple Thief niet tegen zal vallen. Erwin Zijleman

The Pink Stones - Introducing... The Pink Stones (2021)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Pink Stones - Introducing... The Pink Stones - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Pink Stones - Introducing... The Pink Stones
Eerder dit jaar bij mij helaas wat ondergesneeuwd, maar hoe vaker ik naar het debuutalbum van de Amerikaanse band The Pink Stones luister, hoe leuker hun tijdloze countryrock wordt

De Amerikaanse band The Pink Stones heeft zich naar verluidt laten inspireren door de muziek van Gram Parsons. Heel onwaarschijnlijk is dit niet, want Introducing… The Pink Stones is inderdaad een album vol echo’s van de countryrock zoals die in de jaren 70 in de Verenigde Staten werd gemaakt, al is ook de alt-country uit de vroege jaren 90 de band uit Athens, Georgia, niet ontgaan. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal bijzonder lekker en ook in vocaal opzicht is er niets aan te merken op het debuutalbum van The Pink Stones, dat ook nog eens prima songs bevat. Er had van mij ook best een duet met Emmylou op gemogen, maar ook zonder dat is het een heerlijk album.

In de huidige weken met maar heel weinig interessante nieuwe releases, ga ik weer eens door de enorme stapel met in 2021 verschenen albums, waarbij ik ook een aantal albums tegen kom die me uitstekend bevielen, maar die uiteindelijk toch niet op deze BLOG terecht kwamen. Introducing… The Pink Stones van de Amerikaanse band The Pink Stones is zo’n album.

Het is zo’n album dat onmiddellijk vermaakt met bijzonder aangename of zelfs onweerstaanbaar lekkere klanken. Het is bovendien een album dat bijzonder goed is gemaakt en dat zowel in muzikaal als in vocaal opzicht indruk maakt. Dat ik het album eerder dit jaar desondanks niet promoveerde tot een krent uit de pop heeft alles te maken met het feit dat ik al heel veel albums als Introducing… The Pink Stones in de kast heb staan.

De band uit Athens, Georgia, laat zich immers stevig inspireren door de countryrock uit de jaren 70 en heeft het oeuvre van Gram Parsons als belangrijke inspiratiebron. Hiermee scharen The Pink Stones zich onder een heel legioen countryrock bands, waardoor opvallen net was lastiger is, zeker in weken waarin het aantal nieuwe albums bijna onwaarschijnlijk groot was. Toen ik het debuutalbum van The Pink Stones eerder deze week nog eens beluisterde twijfelde ik echter geen moment meer aan het album en vroeg ik me zelf af of het geen plekje in mijn jaarlijstje had verdiend.

The Pink Stones zijn een stel jonge honden uit Athens, Georgia, die voor wat extra ervaring de van Drive-By Truckers bekende John Neff hebben gerekruteerd. Alle jonge leden van de band werden ver na het overlijden van countryrock legende Gram Parsons geboren, maar zijn muzikale erfenis is bij hen in goede handen.

Op Introducing… The Pink Stones wordt met veel gevoel gemusiceerd en met name de wat meer ingetogen songs, met fraai pedal steel werk van John Neff, zijn prachtig. The Pink Stones beperken zich op hun debuut overigens niet tot de countryrock uit de jaren 70, maar slepen er ook nog wat andere invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek uit dit decennium bij. Ook invloeden uit de pioniersdagen van de alt-country, die natuurlijk ook begon bij de countryrock uit de jaren 70, hebben een plekje gekregen in de muziek van de Amerikaanse band.

Een aantal leden van de band heeft een verleden in de punk, wat verklaart dat er lekker losjes wordt gemusiceerd. Het klinkt desondanks allemaal heel erg bekend, zeker als je wat vaker naar muziek in dit genre luistert, maar het zit me geen moment in de weg. The Pink Stones doen misschien niet aan vernieuwing, maar dat hoeft ook niet altijd.

In muzikaal opzicht is Introducing… The Pink Stones maar moeilijk te weerstaan, maar ook de zang van voorman Hunter Pinkston en de harmonieën van de andere bandleden bevallen me uitstekend. Voor een band die het oeuvre van Gram Parsons hoog heeft zitten, had ik persoonlijk ook wel wat duetten met een zangeres verwacht, maar je kunt niet alles hebben.

Het debuutalbum van de band uit Athens, Georgia, viel eerder dit jaar wat jammerlijk buiten de boot, maar sinds ik het album heb omarmd, kan ik er geen genoeg van krijgen en dringen met name de 100% countryrock songs zich steeds genadelozer op. Wat voor mij geldt, geldt mogelijk voor veel meer muziekliefhebbers. Luisteren dus naar dit aangename album. Erwin Zijleman

The Plague Monkeys - Surface Tension (1998)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Plague Monkeys - Surface Tension (1998) - dekrentenuitdepop.blogspot.com

The Plague Monkeys - Surface Tension (1998)
De Ierse band The Plague Monkeys bestond maar een paar jaar en had weinig succes, maar het in 1998 verschenen debuutalbum van de band is een zeer interessant album dat destijds niet op de juiste waarde werd geschat

Ruim 25 jaar na de oorspronkelijke release is Surface Tension van The Plague Monkeys voor het eerst te beluisteren op de streaming media diensten. Het zal niet voor een stormloop hebben gezorgd, want de band uit Dublin bleef in de tweede helft van de jaren 90 helaas onbekend. Dat had niets te maken met de muziek van de band, want die is prachtig. Surface Tension is in muzikaal opzicht een mooi en interessant album en ook de songs van de Ierse band verdienen het om gehoord te worden. Het wordt allemaal nog wat mooier door de fraaie zang van frontvrouw Carol Keogh, die het geluid van haar band meerdere kanten op kan duwen en dat ook doet op deze vergeten parel uit de jaren 90.

Vorige week wees iemand me op de reissue van Surface Tension van The Plague Monkeys, dat nu voor het eerst via de streaming media diensten is te beluisteren. Het oorspronkelijk uit 1998 stammende album is het debuutalbum van de band uit Dublin, die in 1995 werd opgericht en in 2000 uit elkaar viel. In de vijf jaar van haar bestaan maakte de band twee EP’s en twee albums, die buiten Ierland nauwelijks aandacht trokken en in Ierland zelf ook niet al te veel.

Hoewel ik de ontwikkelingen binnen de popmuziek ook in de tweede helft van de jaren 90 goed in de gaten hield weet ik zeker dat ik de naam The Plague Monkeys nooit ben tegengekomen. Het ontbeerde de band uit Dublin destijds waarschijnlijk aan geluk, want Surface Tension is een album dat in 1998 ook had kunnen worden overladen met positieve recensies en aandacht van muziekliefhebbers. Ik heb Surface Tension inmiddels meerdere keren beluisterd en ik vind het een mooi en interessant album.

Binnen The Plague Monkeys draait veel om zangeres Carol Keogh, die met haar stem het geluid van de band voor een belangrijk deel bepaalt. Het is een stem die met enige regelmaat herinnert aan die van Cocteau Twins zangeres Elizabeth Fraser, maar ik hoor ook wel wat van Dolores O'Riordan van The Cranberries of van Mazzy Star zangeres Hope Sandoval, met hier en daar ook nog een vleugje Kate Bush.

Dat ik juist deze namen noem heeft van alles te maken met de muziek van The Plague Monkeys, die zich laat omschrijven als een wat minder zweverige versie van Cocteau Twins, als een dromerige versie van The Cranberries of als Mazzy Star dat een paar jaar in Ierland heeft doorgebracht. Met vergelijken doe je de muziek van The Plague Monkeys ook wel wat te kort, want de band uit Dublin heeft wat mij betreft ook een bijzonder eigen geluid.

Surface Tension is, zeker voor een debuutalbum, een bijzonder knap album. Het geluid van de Ierse band wordt gedomineerd door breed uitwaaierende gitaarlijnen, die hier en daar gezelschap krijgen van keyboards. Naast het mooie en melodieuze gitaarwerk valt ook zeker het subtiele en avontuurlijke spel van de ritmesectie op. Het zorgt voor een wat dromerig of zelfs hypnotisererend geluid, waarin de gitaarakkoorden de kans krijgen om eindeloos af te dwalen.

Zeker in de meest dromerige passages is de muziek van Cocteau Twins niet ver weg, wat wordt versterkt door de bijzonder mooie zang van Carol Keogh, die het eigen geluid van The Plague Monkeys weer wat unieker maakt. Ik verbaas me er echt over dat het album in 1998 zo weinig deed, al besef ik me ook dat de songs van The Plague Monkeys weliswaar bijzonder mooi zijn, maar het zeker geen makkelijk in het gehoor liggende popsongs zijn. Surface Tension is een album waar je even de tijd voor moet nemen en het is bovendien een album dat mooier en interessanter wordt wanneer je er met volledige aandacht naar luistert, bij voorkeur met de volumeknop wat verder opengedraaid.

Carol Keogh probeerde het na The Plague Monkeys nog met de mij eveneens onbekende bands The Tycho Brahe, The Natural History Museum en Autamata en bracht bovendien een soloalbum uit. Ik ken het allemaal niet, maar haar eerste wapenfeit met The Plague Monkeys is voor mij echt een enorme verrassing. Hopelijk wordt de reissue van het album hier en daar opgepikt. Erwin Zijleman

The Police - Reggatta de Blanc (1979)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Police - Reggatta De Blanc (1979) - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: The Police - Reggatta De Blanc (1979)
The Police liftte in eerste instantie mee op de golven van de punk, maar ook op hun tweede album kunnen Gordon Sumner, Stewart Copeland en Andy Summers niet verbergen dat ze stuk voor stuk geweldige muzikanten zijn
The Police moet worden gerekend tot de meest succesvolle bands van de late jaren 70 en vroege jaren 80. De vijf albums die het trio afleverde zijn allemaal van hoog niveau, maar Reggatta De Blanc is wat mij betreft het beste album van The Police. Het is een album waarop de eenvoud van de songs van het debuutalbum wordt gecombineerd met het muzikale vernuft van de latere albums van de Britse band. Ik luister eerlijk gezegd zelden meer naar de muziek van The Police, maar wat heb ik genoten van de hernieuwde kennismaking met Reggatta De Blanc, dat een aantal songs bevat die eenvoudig lijken, maar waar de muzikaliteit van afdruipt. Luister alleen maar eens naar het fenomenale drumwerk.

Gordon Sumner, ook wel bekend onder de bijnaam Sting, speelde in 1975 in de jazzband Last Exit en kwam op een gegeven moment in contact met Stewart Copeland, die drumde in de arty progrock band Curved Air. In 1977 kregen ze gezelschap van gitarist Henri Padovani en formeerden ze een band en begon de zoektocht nar een platencontract.

De band leek direct uit elkaar te vallen toen Gordon Sumner en Stewart Copeland, samen met gitarist Andy Summers, die in Soft Machine en The Animals had gespeeld, werden gevraagd voor de band Strontium 90. Toen dat niet van de grond kwam sloot Andy Summers aan bij Gordon Sumner, Stewart Copeland en Henri Padovani en was The Police geboren. Uiteindelijk bleek één gitarist wel genoeg en verdween Henri Padovani van het toneel. De Franse gitarist ging zijn eigen weg en zou pas 30 jaar later weer aansluiten bij de reünie tour van The Police.

We gaan terug naar 1977. Met Gordon Sumner, Stewart Copeland en Andy Summers beschikte The Police over drie geschoolde en zeer ervaren muzikanten, maar in het jaar waarin de punk definitief doorbrak, was dat eerder een nadeel dan een voordeel. De drie muzikanten vergaten daarom hun muzikale bagage en kozen voor een geluid met invloeden uit de punk, rock en reggae. Wat waterstofperoxide deed de rest.

Het leverde in 1978 het album Outlandos d'Amour op, waarna de muzikale formule van The Police al snel bleek aan te slaan. Mede dankzij uitstekende singles als So Lonely, Can’t Stand Losing You en Roxanne werd het debuutalbum van The Police een enorm succes. Het geluid van The Police klonk op Outlandos d'Amour misschien betrekkelijk eenvoudig, maar als je wat beter luisterde hoorde je drie topmuzikanten.

Ik vind Outlandos d'Amour nog altijd het meest charmante album van The Police, maar het is ook een wat wisselvallig album. Vanaf het in 1980 verschenen Zenyatta Mondatta ging The Police wat complexere muziek maken en die lijn werd doorgetrokken op het in 1981 verschenen Ghost In The Machine en nog wat meer op de in 1983 verschenen zwanenzang Synchronicity.

Het tweede album van The Police, het in 1979 uitgebrachte Reggatta De Blanc, is daarom mijn favoriete album van de Britse band. Reggatta De Blanc heeft nog de ruwe eenvoud van Outlandos d'Amour, maar over het geheel genomen zijn de songs beter en constanter dan op het debuutalbum. De Amerikaanse muziekencyclopedie AllMusic denkt er anders over en vindt Reggatta De Blanc het zwakste album van de band, maar de score op MusicMeter sluit weer wel aan bij mijn voorkeur.

Nog meer dan op Outlandos d'Amour is de eenvoud van de songs op Reggatta De Blanc maar schijn, want wat wordt er fantastisch gespeeld. De geweldige baslijnen van Sting, het veelkleurige gitaarspel van Andy Summers en het weergaloze drumwerk van Stewart Copeland tillen de songs van The Police mijlenver op. Je hoort het bijvoorbeeld in de titeltrack waarin Stewart Copeland fantastisch drumt, in Bring On The Night waarin het gitaarwerk echt schitterend is of in The Bed’s Too Big Without You met dat heerlijke basloopje.

The Police maakte uiteindelijk slechts vijf albums in vijf jaar tijd en het is inmiddels meer dan veertig jaar geleden dat het doek viel voor de band. Desondanks klinkt Regatta de Blanc nog altijd verrassend fris. Dat had ik eerlijk gezegd niet verwacht, maar ik ga er van uit dat het album de komende tijd nog wel vaker voorbij gaat komen. Erwin Zijleman

The Pop Group - Citizen Zombie (2015)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Pop Group - Citizen Zombie - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De uit het Britse Bristol afkomstige band The Pop Group werd in 1977 opgericht en daarom voor het gemak maar in het hokje punk geduwd.

Met punk had de muziek van The Pop Group echter niet zoveel te maken en dat werd duidelijk toen in 1979 het debuut van de band verscheen. Y is een plaat die in iedere platenkast moet staan, maar in de meeste platenkasten kom je de plaat helaas niet tegen. Dat is aan de andere kant ook niet zo gek, want Y is met haar mix van dub, noise, free jazz, funk en nog een handvol andere stijlen een volstrekt ongrijpbare plaat.

De critici waren terecht laaiend enthousiast, maar de plaat verkocht voor geen meter. Toen The Pop Group met het een jaar later verschenen For How Much Longer Do We Tolerate Mass Murder? ook nog de steun van de critici verloor, viel vrijwel onmiddellijk het doek voor The Pop Group en raakte ook Y helaas in de vergetelheid.

De afgelopen 35 jaar was het stil rond The Pop Group, maar bijna uit het niets is de band terug met een nieuwe plaat. Voor haar eerste plaat in 35 jaar tijd wist The Pop Group een producer van naam en faam te strikken. De onder andere van Adele, Lana Del Rey, Cee-Lo Green, U2, Paul McCartney en FKA Twigs bekende Paul Epworth produceerde Citizen Zombie en wat is het een geweldige plaat geworden.

The Pop Group is haar wilde haren inmiddels voor een deel kwijt en klinkt op haar nieuwe plaat niet meer zo tegendraads als op haar vergeten debuut, maar gelukkig is Citizen Zombie wel een lekker eigenzinnige plaat geworden. Op haar comebackplaat maakt The Pop Group redelijk lekker in het gehoor liggende, maar op hetzelfde moment ook compromisloze muziek.

Een groot deel van de plaat klinkt als de plaat die Bowie zou hebben gemaakt wanneer hij in zijn Berlijnse periode definitief in de goot zou zijn terecht gekomen. Het is donkere muziek waarin popliedjes met een kop en een staart zijn omgeven door een duister klankentapijt.

Citizen Zombie riep bij mij in eerste instantie vooral associaties op met de muziek van David Bowie in zijn Berlijnse periode, maar dankzij de funk-injectie heeft het ook zeker wat van ABC, Gang Of Four, A Certain Ratio, Talking Heads en The Fall. Het zijn namen die je ook direct weer moet vergeten, want uiteindelijk klinkt Citizen Zombie toch vooral als The Pop Group.

De wederopstanding van de band met de geweldige naam heeft een plaat opgeleverd die uit de speakers knalt, maar het is ook een plaat met een bijna vervreemdende uitwerking. The Pop Group heeft nooit alledaagse muziek gemaakt en doet dat nog steeds niet.

Wat mij vooral opvalt is de enorme intensiteit en energie van Citizen Zombie. Er zijn niet veel bands die na 35 jaar stilte een plaat kunnen maken die er toe doet, maar bands die vervolgens ook nog eens aan weten te haken bij de rauwe energie van weleer zijn uiterst schaars.

Citizen Zombie is een plaat waar de urgentie van af spat. Dat hoor je in de messcherpe funky riffs, in de dubachtige ritmes en in de soms bijna krankzinnige vocalen. De eerste keer dat ik de terugkeer van The Pop Group beluisterde deed ik dit met open mond en de verbazing is gebleven.

Citizen Zombie is een frisse en energieke plaat die na 36 jaar het briljante Y recht doet. Dat Pitchfork er slechts een 2.4 voor over heeft begrijp ik dan ook totaal niet, maar Pitchfork begrijp ik de laatste tijd wel vaker niet. Ik vertrouw daarom liever op mijn eigen oordeel: Citizen Zombie van The Pop Group is een briljante plaat van een grote band. Erwin Zijleman

The Pretenders - Learning to Crawl (1984)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Pretenders - Learning To Crawl (1984) - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Pretenders - Learning To Crawl (1984)
Na de dood van bandleden Pete Farndon en James Honeyman-Scott krabbelde de Britse band Pretenders toch weer overeind en leverde het in 1984 met Learning To Crawl haar derde uitstekende album op rij af

Na alle ellende die volgde op het volgens velen teleurstellende tweede album van Pretenders gaf niemand meer een cent voor de toekomst van de band rond Chrissie Hynde, maar met Learning To Crawl sloeg de band in 1984 hard terug. Learning To Crawl klinkt wat degelijker dan de eerste twee albums van Pretenders, maar het is een prima rockalbum met een aantal uitstekende songs. Met Back On The Chain Gang eerde de band niet alleen de twee overleden leden, maar leverde het bovendien een van haar beste songs af. Na Learning To Crawl werd het snel minder, maar het derde album van Pretenders is wat mij betreft net zo memorabel als de eerste twee.

Na het uitstekende en tot een klassieker uitgegroeide titelloze debuutalbum uit 1980 was het tweede album van de Britse band Pretenders een zware bevalling. Het in 1981 verschenen Pretenders II werd destijds lauwtjes ontvangen, maar is met de kennis van nu nog altijd een prima album met een aantal hoge pieken.

Na de release van het album ging het echter snel mis met Pretenders. Een paar dagen na het ontslag van bassist Pete Farndon vanwege overmatig drugsgebruik overleed gitarist James Honeyman-Scott aan een overdosis. Ook Pete Farndon zou zijn drugsverslaving uiteindelijk niet overleven, waardoor frontvrouw Chrissie Hynde en drummer Martin Chambers met zijn tweeën overbleven.

De band ging in eerste instantie verder met gitarist Billy Bremner en bassist Tony Butler, maar rekruteerde met gitarist Robbie McIntosh en bassist Malcolm Foster uiteindelijk twee ervaren krachten. De band begon in de nieuwe samenstelling aan de opnames van het derde album van de band, al waren ook met Billy Bremmer en Tony Butler al wat tracks opgenomen.

Learning To Crawl verscheen aan het begin van 1984 en moest laten horen of Pretenders de dood van de twee leden van het eerste uur te boven was gekomen. Dat deed het album op indrukwekkende wijze. Learning To Crawl mist de ruwe energie en flarden punk van het debuutalbum en moet het ook doen zonder het geniale gitaarspel van James Honeyman-Scott, maar het is een uitstekend album, dat terecht werd geprezen door de critici en in commercieel opzicht succesvoller was dan zijn twee voorgangers, met name in de Verenigde Staten.

Op Learning To Crawl horen we een hechte band, wat gezien de voorgeschiedenis best bijzonder is. Martin Chambers drumt strak en fantasierijk en profiteert van het degelijke baswerk van Malcolm Foster. Robbie McIntosh speelt een stuk degelijker dan de zeer talentvolle James Honeyman-Scott, maar het gitaarwerk op Learning To Crawl is dik in orde en meer dan eens wonderschoon. De mooiste akkoorden op het album moest hij overigens aan Billy Bremmer laten, want die is te horen op het prijsnummer van het album Back On The Chain Gang, een eerbetoon aan Pete Farndon en James Honeyman-Scott.

Voor de productie vertrouwde Pretenders wederom op de ervaren Chris Thomas, die Learning To Crawl voorzag van een tijdloos rockgeluid. Learning To Crawl bevatte naast Back On The Chain Gang nog twee singles, de cover Thin Line Between Love And Hate en de kerstsingle 2000 Miles, die beiden een andere kant van Pretenders en van Chrissie Hynde lieten horen. Voor de rest domineert de rock ’n roll en die klonk en klinkt tijdloos.

Met Learning To Crawl voltooide Pretenders tegen alle verwachtingen in een fraaie trilogie en de eerste drie albums van de band staan nog altijd als een huis. De bezetting van Learning To Crawl zou helaas maar één album mee gaan en dat bleef niet zonder gevolgen. Pretenders haalde met de albums die volgden niet het niveau van Pretenders, Pretenders II en Learning To Crawl en komt hier pas de afgelopen tien jaar weer bij in de buurt. Het blijft lastig kiezen tussen de eerste drie albums van Pretenders, maar ook Learning To Crawl heeft na al die jaren nog altijd een speciaal plekje in mijn hart. Erwin Zijleman

The Prettiots - Funs Cool (2016)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Prettiots - Funs Cool - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

The Prettiots is een vrouwelijk duo uit Brooklyn dat op haar debuut Funs Cool grossiert in nagenoeg onweerstaanbare popliedjes.

De muziek van Kay Kasparhauser en Lulu Landolfi wordt meer dan eens vergeleken met die van de legendarische New Yorkse band The Moldy Peaches, maar rammelt over het algemeen toch een stuk minder en bevat bovendien beter uitgewerkte popliedjes (die af en toe wel wat hebben van Lily Allen in haar muzikaal beste en in tekstueel opzicht meest valse dagen).

The Prettiots moeten het zeker niet hebben van muzikale hoogstandjes of van een blinkende productie, maar op een of andere manier doen de charmante popliedjes van het tweetal iets met mij.

Het zijn popliedjes met honingzoete melodieën, vaak een knipoog naar de girl pop uit de jaren 60 en gitzwarte teksten waarin de liefde centraal staat en geen enkel precair onderwerp uit de weg wordt gegaan. Dat laatste doen The Prettiots overigens met bijzonder veel humor, wat beluistering van Funs Cool nog net iets leuker maakt.

Funs Cool is een plaat die continu goed is voor een brede glimlach, maar The Prettiots moeten het zeker niet alleen hebben van hun charme. Meer dan eens hoor je geniale gitaarloopjes, heerlijke basloopjes of wordt het geluid van het tweetal verrassend verrijkt met een ukelele, maar ook in vocaal opzicht kan het duo uit Brooklyn af en toe flink verrassen met verleidelijke zang of bijzonder fraaie harmonieën.

Het zijn in eerste instantie vooral momenten die Funs Cool naar een hoger plan tillen, maar de rest van de plaat trekt zich hier verrassend snel aan op. Wanneer je Funs Cool eenmaal een paar keer hebt gehoord is aan complete verslaving niet meer te ontkomen.

De popliedjes van The Prettiots worden bij herhaalde beluistering leuker en leuker en als ze eenmaal voorgoed in het geheugen zijn opgeslagen is Funs Cool een plaat die je niet meer wilt missen. Het is misschien nog een maand of wat winter, maar met Funs Cool van The Prettiots is de lente al lang begonnen. Erwin Zijleman

The Proper Ornaments - Foxhole (2017)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Proper Ornaments - Foxhole - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Het gaat allemaal zeker niet vanzelf voor The Proper Ornaments.

De vanuit Londen opererende (gelegenheids)band bestond al 9 jaar toen Wooden Head, het debuut van de band, dan eindelijk verscheen en ook de tweede plaat van de band kwam er zeker niet vanzelf.

The Proper Ornaments werd inmiddels twaalf jaar geleden geformeerd door Veronica Falls gitarist James Hoare en de Argentijnse muzikant Max Clapps (tegenwoordig bekend als Max Oscarnold).

Lange tijd moesten we het doen met een paar singles en EP’s, maar met Wooden Head liet de band pas echt horen wat het in huis had.

De twee muzikanten formeerden The Proper Ornaments ooit vanwege hun gedeelde liefde voor 60s psychedelica en West Coast pop en invloeden uit deze genres stonden dan ook centraal op het debuut van de band.

Op hetzelfde moment werden de zo uit de jaren 60 weggelopen gitaarlijnen en harmonieën prachtig verweven met invloeden uit de shoegaze. Wooden Head schakelde traploos tussen The Byrds en Love aan de ene kant en The Jesus & Mary Chain en My Bloody Valentine aan de andere kant en stiekem werden ook nog wat neo-psychedelica invloeden van een al weer bijna vergeten band als The Shins toegevoegd.

Wooden Head smaakte door deze bijzondere combinatie van invloeden en de hopeloos betoverende songs vooral naar meer, maar het zag er lange tijd niet naar uit dat dit meer ook echt zou komen.

Hoare en Oscarnold staken veel tijd in hun andere projecten (respectievelijk Ultimate Painting en TOY) en toen het inmiddels tot een viertal uitgebreide The Proper Ornaments eindelijk alle songs voor de tweede plaat had opgenomen, bleken deze opnamen door een technisch probleem onbruikbaar.

Het zal ongetwijfeld hebben gezorgd voor heel veel stress, maar hier is gelukkig niets van te horen op Foxhole. Ook op hun tweede plaat strooien The Proper Ornaments immers driftig met betoverende melodieën vol invloeden uit de 60s en 70s, maar zorgen ze ook voor een geluid dat geen moment gedateerd klinkt.

De invloeden uit de shoegaze is men dit keer vergeten, maar daar hoeven we niet lang over te treuren, zeker niet omdat ze zijn vervangen door vleugjes George Harrison en Harry Nilsson.

Midden in de winter is Foxhole een plaat die vooral de zon laat schijnen met hemelse gitaarlijnen, lome harmonieën en even melodieuze als melancholische songs die het hart alleen maar kunnen verwarmen.

Het gaat misschien niet vanzelf voor The Proper Ornaments, maar ook op deze tweede plaat is het weer 11 songs en 37 minuten lang genieten van de zomer waarop we nog wel even zullen moeten wachten. Heerlijke plaat. Erwin Zijleman

The Proper Ornaments - Wooden Head (2014)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Proper Ornaments - Wooden Head - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De vanuit Londen opererende band The Proper Ornaments werd zo’n 9 jaar geleden geformeerd door Veronica Falls gitarist James Hoare en de Argentijnse muzikant Max Clapps.

Het leverde tot dusver niet veel meer op dan een paar singles en EP’s, maar inmiddels ligt dan eindelijk het volwaardige debuut van The Proper Ornaments in de winkel. Het is een debuut dat mijn stoutste verwachtingen heeft overtroffen.

James Hoare en Max Clapps formeerden The Proper Ornaments ooit vanwege hun gedeelde liefde voor 60s psychedelica en West Coast pop, waardoor het niemand zal verbazen dat invloeden uit deze genres een voorname rol spelen op Wooden Head.

Het debuut van The Proper Ornaments verleidt geraffineerd en meedogenloos met dromerige melodieën en zo uit de jaren 60 weggelopen gitaarlijnen en harmonieën, maar laat je niet op het verkeerde been zetten door de verleidelijke klanken van Wooden Head. The Proper Ornaments staan weliswaar met één been in de jaren 60, maar hebben het andere been in de jaren 90 gezet; het decennium waarin de shoegaze aan haar eerste opmars begon.

Het levert bijzondere muziek op die je uiteindelijk steeds heen en weer slingert tussen twee verschillende decennia. Wanneer het tempo wat lager ligt en de gitaarsnaren wat rustiger worden beroerd, tovert Wooden Head beelden van Californische stranden en vloeistofdia’s op het netvlies, om deze te verruilen voor donkere en duistere clubs wanneer het tempo wat wordt opgevoerd en het gitaarwerk wat gruiziger wordt.

The Proper Ornaments schakelen zo continu tussen The Byrds en Love aan de ene kant en The Jesus & Mary Chain en My Bloody Valentine aan de andere kant. Hier blijf het niet bij, want ook invloeden uit de neo-psychedelica zijn bij The Proper Ornaments in goede handen, waardoor de band ook nog eens kan klinken als alles tussen The Shins en Temples.

Omdat The Proper Ornaments alle invloeden op bijzonder knappe wijze met elkaar weet te vermengen, is Wooden Head uiteindelijk niet zomaar in een hokje te duwen en is de houdbaarheid van het meeste vergelijkingsmateriaal uiteindelijk beperkt.

James Hoare en Max Clapps hebben overigens nog een gedeelde passie en ook deze komt terug op het debuut van The Proper Ornaments. Zeker wanneer de plaat wat rammelt of net niet verwachte wegen in slaat, zijn invloeden van The Velvet Underground hoorbaar, wat de muziek op Wooden Head nog verder verrijkt.

Zeker wanneer de zomer het even af laat weten komt de muziek van The Proper Ornaments als geroepen, maar Wooden Head levert uiteindelijk veel meer dan zonnestralen en een goed gevoel.

Er zijn heel veel bands die invloeden uit het verleden verwerken in hun muziek, waarbij 60s psychedelica en shoegaze momenteel favoriet zijn. Er zijn echter niet zoveel bands die beide invloeden met elkaar combineren en transformeren tot een nieuw geluid. The Proper Ornaments doet dit op haar debuut wel en doet het bovendien op knappe wijze. Een van de debuten van 2014 om te koesteren wat mij betreft. Erwin Zijleman

The Psycho Sisters - Up on the Chair, Beatrice (2014)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Psycho Sisters - Up on the Chair, Beatrice - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Het gelegenheidsduo The Psycho Sisters werd in eerste instantie al aan het begin van de jaren 90 opgericht.

Susan Cowsill en voormalig gitariste van The Bangles Vicki Peterson speelden samen in The Continental Drifters (eigenlijk ook een gelegenheidsband met onder andere ex-leden van The Dream Syndicate en The dB’s) en hadden nog wel wat tijd over voor een gezamenlijk muzikaal project.

Meer dan een single en wat optredens leverde het destijds niet op, maar bijna 25 jaar later ligt er alsnog een debuut van The Psycho Sisters in de winkel. Het is een plaat die ik inmiddels al een tijdje koester en die me sindsdien alleen maar dierbaarder is geworden.

Op Up on the Chair, Beatrice betoveren Susan Cowsill en Vicki Peterson je met prachtige harmonieën en vooral met geweldige popsongs. Een aantal van deze popsongs neemt je mee terug naar de Westcoast pop dagen van The Bangles, maar Susan Cowsill en Vicki Peterson leunen op Up on the Chair, Beatrice niet al te zwaar op het verleden. In een aantal slechts Spartaans aangeklede songs schuiven The Psycho Sisters wat meer op richting roots, terwijl een aantal andere tracks bijna psychedelisch klinken of steviger rocken.

In al deze tracks spelen de prachtig bij elkaar kleurende stemmen van Susan Cowsill en Vicki Peterson een belangrijke rol. Beiden beschikken over een aangenaam stemgeluid, maar wanneer Susan Cowsill en Vicki Peterson samen zingen gebeurt er iets. Het zorgt er voor dat de songs op Up on the Chair, Beatrice ongelooflijk veel kracht, energie en plezier uitstralen.

Cowsill en Peterson zijn inmiddels door de wol geverfde muzikanten, maar gaan op Up On The Chair, Beatrice los als jonge honden. Het zijn de aan de Bangles herinnerende songs die je het makkelijkst verleiden en direct zorgen voor het zomergevoel, maar juist de wat minder makkelijk te doorgronden songs maken uiteindelijk de meeste indruk.

In deze songs worden roots, psychedelica en rock aan elkaar gesmeed tot uiteindelijk toch behoorlijk toegankelijke popsongs. Het zijn popsongs die direct bekend in de oren klinken, maar toch lukt het me niet goed om zinvol vergelijkingsmateriaal aan te dragen voor de muziek van The Psycho Sisters.

Wat ik wel weet is dat het debuut van het duo alleen maar leuker wordt wanneer je de plaat vaker hoort. Bij eerste beluistering vond ik het leuk maar nog niet heel bijzonder, na een paar keer horen wist ik dat dit een bijzondere plaat is en inmiddels is het een plaat die ik steeds weer wil horen en die zo langzamerhand is uitgegroeid tot een van de feelgood platen van deze zomer.

De meeste songs op de plaat werden geschreven door Vicky Peterson, al dan niet met hulp van anderen, maar ook voormalig Continental Drifters collega Peter Holsapple draagt een heerlijk zomers deuntje aan. Voor het stemmige slotakkoord vertrouwen Susan Cowsill en Vicki Peterson op Harry Nilsson’s Cuddly Toy en ook dit wordt met verve vertolkt.

Up on the Chair, Beatrice is vooral een met heel veel plezier gemaakte plaat, maar het is ook een plaat van hoog niveau. Of er nog meer in het vat van The Psycho Sisters zit moeten we afwachten, maar ik sluit zeker niet uit dat we nog meer gaan horen van deze dames. Up on the Chair, Beatrice smaakt uiteindelijk immers vooral naar meer. Naar veel meer. Erwin Zijleman