MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Sixteen Horsepower - Sackcloth 'n' Ashes (1996)

poster
4,0
"Every man is evil, yes every man's a liar..." De muzikale verbeelding van de wereld van Flannery O'Connors Wise blood, van Deliverance, van Nick Cave's debuutroman And the ass saw the angel, van Tennesse Williams, van The night of the hunter, een mix van dat alles, doorgeslagen fire and brimstone preachers. Sterke melodieën, arrangementen die binnen het beperkte instrumentarium opmerkelijk gevarieerd zijn, een Stem die als gemáákt voor deze muziek is (toen ik die voor het eerst hoorde begon ik meteen in reïncarnatie te geloven: Jeffrey Lee Pierce herboren!), kortom een klein meesterwerk dat een groot meesterwerk zou zijn als de tweede helft even sterk zou zijn als de eerste.
        Nu echter moet het raam omhoog, de deur wijd open, de wind door het huis blazen, het verstikkende zondebesef dat deze plaat uitwasemt uit mijn huis worden verdreven.

Slaid Cleaves - Broke Down (2000)

poster
3,5
Ik sluit me aan bij alle bovenstaande berichten, maar ik heb wel een paar kanttekeningen. Zo staan wat mij betreft de twee prijsnummers helemaal vooraan, en met uitzondering van Lydia haalt de rest van de plaat dat niveau eigenlijk niet meer, met Horseshoe Lounge en Key chain zelfs als uitgesproken matige tracks, dus is dit album als geheel toch een beetje wisselvallig. En het tweede punt, muziekhater hierboven heeft het al over de "aardig melodramatische teksten", maar dat is een bezwaar wat ik ook wel een beetje tegen de zang heb. Cleaves heeft een mooie warme, licht hese en bijna gebronsde stem waarmee hij een hoop kan uitdrukken, maar zoals hij bijvoorbeeld op Cold and lonely helemaal in het begin "I'm still on the farm" zingt, dat is bijna teveel van het goede, dat klinkt haast als een parodie, net als op het toch al zo dramatische Breakfast in Hell (inclusief het "Hoo! Hah!" van de werklui). Juist de wat onderkoelde zang op One good year en Lydia geven die nummers een zekere onontkoombaarheid die in mijn optiek beter werkt dan het nadrukkelijk-navrante van Cold and lonely en This morning I am born again. Gek genoeg werkt Cleaves' fraaie stem soms dus tégen hem wat mij betreft. Maar goed, deze twee bezwaren kunnen niet verhullen dat dit album toch veel mooie nummers met altijd smaakvolle arrangementen bevat, en de tekstuele invalshoek van aandacht voor de geboren verliezer is altijd welkom.

Sleeping Beauties (2009)

Alternatieve titel: Songs We Shouldn't Forget

poster
4,0
Altijd toe te juichen wanneer vergeten briljantjes weer eens worden afgestoft. Een mooie verzameling vanaf de sixties doorheen de popgeschiedenis tot nu, dus interessant voor zowel oude als nieuwe oren. Grofweg vallen de bands uiteen in drie categorieën; er staan flink wat obscure artiesten op (Bettye Swann, Willis Alan Ramsey, Blaze Foley, John Gorka, Teitur – allemaal namen die mij persoonlijk niets zeggen), en ook behoorlijk wat inmiddels-niet-meer-dan-redelijk bekende bands (James Taylor [de man op de hoes], Karla Bonoff, Gene Clark, Fairport Convention, King Crimson – voor mij en liefhebbers uit mijn generatie zelfs tamelijk gróte namen, maar ik geloof niet dat je ze dagelijks op de radio hoort), maar de Beach Boys, David Bowie, The Band en Elton John horen op deze compilatie eigenlijk niet thuis, ook al staan er van hen dan (iets) minder bekende nummers op (voor zover dat kan met artiesten van hun statuur), en Jeff Buckley's versie van Hallelujah is inmiddels ook al geen sleeper meer. Maakt niet uit, een interessante collectie waarmee een hoop graafwerk kan worden ingezet. Wel een enigszins scheve verhouding tussen solo-singer/songwriters (34) en bands (6), maar misschien mag je dat verwachten met Leo Blokhuis als samensteller.

Small Faces - Ogdens' Nut Gone Flake (1968)

poster
4,5
Ben ik de enige hier die zich niet stoort aan het gebrabbel van Stanley Unwin? Toegegeven, vroeger was dat wel anders en vond ook ik dat die flauwekul de plaat maar ophield en het tempo eruit haalde, maar nu ik in het verhaaltje ben gedoken en de "Unwinese" teksten mee heb gelezen vind ik het wel een leuke aanvulling die me juist meer de sfeer van de plaat intrekt. Eerder stoor ik me soms aan momenten waarop nummers te lang doorgaan, zoals op René en The journey – als je op kant 2 die outro's en de gesproken gedeeltes weghaalt blijven er niet zo gek veel minuten over, maar wàt er overblijft is dan meteen ook wel weer geweldig. De power van Jones' drums (Afterglow, Song of a baker) en Marriotts gitaar en zang blijven indrukwekkend, zowel voor die tijd als anno nu, en de vrolijkheid, het spelplezier, de inventiviteit, de "veelkleurigheid" en de melodieuze rijkdom maken van dit album een vrij unieke ervaring. En als de Small Faces volgens AllMusic "the best English band never to hit it big in America" waren, dan is het des te leuker dat ze in hun thuisland zo gewaardeerd werden, want daar stond Ogden zes weken lang op nummer 1.
        Overigens, in Rock of ages – the Rolling Stone history of rock and roll schrijft Geoffrey Stokes dat Steve Marriott in Lazy Sunday heel "solicitous" (bezorgd) aan ene Mrs Jones vraagt: "How's your bird's lumbago?" Erg grappig, en een parkiet met spit past ook wel bij de vrolijke meligheid van de tekst van dat nummer, maar het is misschien logischer dat Marriott niet naar de gezondheid van Mrs Jones' vógel informeert maar (heel prozaïsch) naar die van haar echtgenoot: "How's your Bert's lumbago?"

Small Faces - Ultimate Collection (2003)

poster
5,0
Merkwaardig dat ik het zo lang zonder dit overzicht van de Small Faces in mijn platenkast heb uitgehouden. Met hun complete discografie in de hand lijkt dít toch wel de ultieme compilatie, met zo ongeveer alles wat ik essentieel vind (natuurlijk niet héél Ogdens' nut gone flake, maar wel een ruime zeven van de twaalf nummers daarvan), alles in de juiste chronologie, en een goed geluid (en inclusief You need loving, zeg maar de proto-Whote lotta love). De eerste CD ("The Decca sessions") begint met rhythm & blues die in de richting van de pop evolueert, de tweede CD ("The Immediate sessions") perfectioneert die pop en schuift dan op naar de psychedelica, en wat bij het geheel vooral opvalt is dat er eigenlijk geen enkel nummer opstaat waar níét iets bijzonders gebeurt, een loopje, een solo, een koortje, of gewoon de briljantie van het totaal – Itchycoo Park en Lazy Sunday behoren niet voor niets tot het collectieve popgeheugen van een hele generatie.
        Uiteraard springen naast die twee klassiekers ook de andere grote hits eruit (All or nothing, Here come the nice [hier trouwens consequent met een enkelvoudige werkwoordsvorm geschreven], Tin soldier), maar mijn persoonlijke favorieten zijn toch de net iets minder bekende nummers, zoals de onvoorstelbare power van hun laatste single Afterglow (of your love), de pastorale verstildheid van The autumn stone (het titelnummer van de postume verzamelelpee waardoor ik deze band leerde kennen), of het magnifieke I'm only dreaming, nota bene "slechts" een B-kantje, maar toch ook weer zo'n klein groeibriljantje, met z'n kwetsbare en ingetogen begin (effectieve xylofoon), dan wat meer up-tempo terwijl Marriott zich herpakt, en dan tenslotte het voluit gaan tijdens het einde. Vier geweldige muzikanten, een stem als een orkaan, en de compositorische kwaliteiten van het magische duo Lane/Marriott – in deze band viel alles op z'n plaats.
        Er moet dus een tijd zijn geweest waarin de Beatles, de Stones, de Who, de Kinks, de Yardbirds en de Small Faces tegelijkertijd actief waren, nog afgezien van de Hollies, de Zombies, Herman's Hermits, Manfred Mann en de Spencer Davis Group. The mind boggles.
        Wat is dat trouwens toch met die boekjes van sixties-bands-compilaties? Bij mijn Kinks-verzameling zijn twee pagina's met teksten omgewisseld, bij mijn Animals-boxje zijn een paar alinea's helemaal verkeerd in de tekst geplaatst, en bij deze Small Faces-CD zijn pagina's 1 en 5 van het boekje verwisseld (en nee, niet zodanig dat je de nietjes kunt lostornen en de pagina's daarna weer goed kunt samenvoegen). Niet belangrijk genoeg om terug naar de winkel mee te gaan (waar natuurlijk sowieso zou blijken dat àlle boekjes die fout bevatten), maar wel irritant.

Smith & Burrows - Funny Looking Angels (2011)

poster
5,0
Kerst is niet mijn favoriete seizoen, en veel Kerstplaten roepen bij mij dan ook associaties op met gedwongen samenzijn, teveel eten, geforceerde vrolijkheid op televisie en wachten tot het gewone leven hervat wordt op de 27ste. Maar als er dan toch een Kerstplaat nodig is, doe dan maar eentje zoals déze: een sfeer van weemoed en melancholie, gematigd optimistisch, blij met je vrienden, en mooie muziek. De redelijk verrassende covers stonden me in het begin een beetje tegen maar gaan na verloop van tijd steeds meer binnen de context passen, de arrangementen zijn smaakvol en de stemmen warm en vriendelijk, het repertoire is afwisselend en zonder zwakke plekken, en de verwijzing naar de eeuwige kerstklassieker It's a wonderful life met James Stewart uit 1946 hartverwarmend. Een innemend en sympathiek album met een zeer hoge draaibaarheidsfactor, ook búíten dat vermaledijde seizoen.

Smith & Burrows - Only Smith & Burrows Is Good Enough (2021)

poster
4,0
Eigenlijk een heel ouderwetse plaat : tien poppy liedjes van 3 à 4 minuten, een totale speelduur van nog geen 37 minuten, nummers met vrijwel steeds een klassieke structuur met coupletten en refreinen, heel veel zang en praktisch geen solo's (volgens mij hoor ik alleen een korte twangy gitaarsolo op Aimee move on) en een speelplezier dat een aanstekelijk soort levenslust uitstraalt, ook al zitten er dan genoeg gebroken harten en verloren illusies in de teksten. Niets hemelbestormends of spectaculairs, daardoor ook zonder de emotionele weerklank van hun alternatieve kerstplaat, maar ook zonder missers, en daarmee een fijne popplaat die toch in de loop van een aantal luisterbeurten langzaam maar zeker is gaan groeien.

Smokie - The ★ Collection (1989)

Alternatieve titel: The Collection

poster
3,5
Eén van de tientallen compilaties die er van dit aardige seventies-bandje op de markt zijn (de All Music Guide noemt er al 64). Met slechts 14 (niet chronologisch geordende) tracks tamelijk kort maar daardoor ook kernachtig, inclusief de tien nummers die tussen 1975 en 1978 in de Nederlandse top-40 kwamen (vijf top-10-hits waaronder de nummers 1 Living next door to Alice en Lay back in the arms of someone) en ook in de Engelse top-40 (eveneens vijf top-10-hits maar geen nummers 1; in Amerika werd alleen Alice een zeer bescheiden hitje [#25]). De minimale annotatie behelst alleen de namen van de componisten, in elf van de veertien gevallen die van Nicky Chinn en Mike Chapman (tevens de mannen achter vele grote hits van onder anderen The Sweet, Mud en Suzi Quatro), maar buiten de selectie is het belangrijkste natuurlijk het geluid, en dat is prima. Overigens geen Stumblin' in, het succesvolle duet van Smokie-zanger Chris Norman met Suzi Quatro uit 1978, maar daar kan ik persoonlijk geen traan om laten. Leuke pop met af en toe een vriendelijk melancholisch randje dankzij Normans stem (die ik vroeger altijd als een lite-versie van die van Rod Stewart beschouwde), absoluut niet essentieel maar zeker ook niet onbenullig of pover.

Snarky Puppy - Tell Your Friends (2010)

poster
4,0
Met de volheid die mijn voorganger enigszins tegen de borst stuit heb ik persoonlijk geen moeite, want de muziek is afwisselend genoeg en kent wat mij betreft ook voldoende rustpunten om dat bezwaar te ondervangen. Wat ik (komend vanuit de rockhoek en niet bijzonder gevoelig voor jazz) hieraan zo leuk vind zijn de rijke en warme blazersarrangementen die mij (met rockbands als referentiepunten) soms aan Chicago en soms aan Steely Dan doen denken, en in combinatie met een heerlijke losheid binnen het hechte ensemble, een stevig in 4/4 doorwerkende drummer, een gitarist die af en toe flink los mag gaan en diverse sterke melodieën, levert dat een album op waar ik redelijk onbeperkt naar kan luisteren. Het begin van het eerste nummer blies mij meteen weg toen ik het voor het eerst hoorde, en hoewel dat niveau niet het hele album vastgehouden wordt is dit als geheel toch een leuke en lekkere plaat.
        Oorspronkelijk verschenen in 2010 met een DVD met filmopnames; tien jaar later geremixt en geremasterd met 2 bonustracks opnieuw uitgegeven. Zie de informatie op discogs:
Tell your friends .

Soen - Cognitive (2012)

poster
2,5
Ik heb naar dit album "teruggewerkt" vanaf Lykaia (2017), maar dat is voor mij niet alleen in tijd een stap terug. Waar die latere plaat een mooie balans kent tussen hard en ingetogen, somber en berustend, hard en melodieus, agressief en melancholisch, ligt op Cognitive voor mijn idee (en naar mijn smaak) het accent teveel op de metal-elementen en staan er te weinig rustpunten à la Last night en Ideate op. De zware gitaren en de dubbele bassdrum gaan helaas een beetje ten koste van de subtiliteit en de afwisseling, zodat de plaat donker blijft en niet het "ademende" en het rijke van Lykaia heeft. Ik kan begrijpen dat mensen ook van dít album houden, maar ik vind het zelf erg spartaans en spaarzaam, een indruk die nog eens versterkt wordt door al die bepaald niet uitnodigende titels van slechts één woord, dikwijls onbekend of onduidelijk zodat Wikipedia uitkomst moet brengen wat betreft de betekenis en/of de relevantie (wie weet wat Savia betekent?). Een tegenvaller.

Soen - Lotus (2019)

poster
3,5
Opmerkelijk: dit is de hoogst gewaardeerde Soen-plaat (momenteel 4,14) en ook het album waarop na Imperial de meeste stemmen zijn uitgebracht (momenteel 127). Echter, van die 127 stemmers heeft 20% "slechts" 3½* of lager gegeven, maar tegelijkertijd heeft niemand van die laatste groep hier een bericht achtergelaten, alsof iedereen die deze plaat niet zo héél bijzonder vindt beducht is om zich tussen de liefhebbers te mengen. Nou ja, dat zal wel vaker voorkomen, maar het is wel jammer dat er zo niet te lezen valt wat mensen hieraan níét goed vinden.
        Zelf behoor ik ook tot de luisteraars die dit (nèt) niet geweldig vinden: met name stoor ik me een beetje aan de af en toe nogal clichématige cirkelzaag-gitaar-partijen, zoals de manier waarop Opponent, Martyrs en Rival beginnen – die metal-sound in combinatie met een dubbele bassdrum hoort er misschien een beetje bij, maar het komt op mij een beetje belegen over, zeker wanneer je het vergelijkt met de gevarieerde en genuanceerde geluidsbeelden van Penance en Lunacy. Tegelijkertijd hoor ik ook de warme stem van Joel Ekelöf en de prachtige melodieën en pakkende refreinen ("In isolation I slowly drown", "As we reach for the sun", "Spirit of the water", "For all the fire" – allemaal regeltjes met weerhaakjes voor het muziekgeheugen), dus ik zou haast willen dat ik me aan minder dingen stoor en van meer dingen kan genieten. Uiteindelijk daarom toch een meer dan ruime voldoende, maar de score van 4,14 zal ik er niet mee gaan verhogen.

Soen - Lykaia (2017)

Alternatieve titel: Lykaia Revisited

poster
4,0
Veelkleurig en rijkgelaagd gitaarwerk, mooie melodieën en sterke zang, vooralsnog een aangename nieuwkomer. Misschien zou de toevoeging van toetsen de plaat nog wat gevarieerder hebben gemaakt, nu heb ik toch net als Sake af en toe wat moeite om te weten of ik nou met het derde of het zesde nummer bezig ben. Met Tool heb ik nooit veel gehad, ik ken eigenlijk alleen Lateralus en dat vond ik veel te kaal en kil, dus van die associaties heb ik geen last; bij het openingsnummer hoor ik tussen 3:40 en 4:00 Ritchie Blackmore, en Paragon begint met subtiele Suede en komt halverwege in volle David Gilmour-modus, maar dat zijn alleen maar namen die bij me opkomen, geen "beschuldigingen", want daarvoor heeft het gitaarwerk hier veel te veel eigen karakter. Mede door het verzorgde totaalgeluid (goed dramatisch, maar niet té) en de sympathieke zang maakt deze muziek haast een lieve indruk, en dat is als compliment bedoeld. Een heerlijke verrassing.

Soft Machine - Alive & Well: Recorded in Paris (1978)

poster
4,0
Geen Kevin Ayers, Robert Wyatt of Mike Ratledge meer, ook geen Hugh Hopper, Elton Dean of Allan Holdsworth, in geen velden of wegen nog een blazer te zien... en toch is dit weer een ontzettend leuke en ik zou bijna zeggen fééstelijke plaat. Al het materiaal is nieuw, maar ligt min of meer in het verlengde van Bundles en Softs, en het heeft gedurende vinylkant 1 (de eerste zeven nummers) bovendien een opmerkelijke flow. Naast John Etheridge (wiens gitaar hier regelmatig de show steelt) heeft de band nu een tweede solist in de vorm van Rick Sanders, wiens vioolspel zowel op de achtergrond als solo het geluid een extra dimensie en ruimtelijkheid geeft, en wanneer Etheridge en Saunders in tandem spelen denk je soms stiekem toch een sax te horen, zoals op het jazzy-funky eerste deel van Odds bullets and blades.
        Hoogtepunt voor mij is The nodder met een intrigerend thema dat de twee solisten alle gelegenheid biedt om los te gaan, maar het meest bizarre nummer is wel de afsluiter, de tijdens post-produktie in de studio opgenomen single Soft space, een soort mix van de melodie van John Barry's Danny Scipio theme met de begeleiding van I feel love van Donna Summer en Giorgio Moroder. Helaas klinkt dat hilarischer dan het is, want als het nummer eenmaal op stoom is gebeurt er niet zo gek veel nieuws meer, en dan zijn er wel nog heel wat minuten te gaan. Neemt niet weg dat het album als geheel erg vrolijk stemt, met een kleurrijk en afwisselend geluid, warme arrangementen en solo's en geen skipmomenten.
        De Esoteric-re-release uit 2010 bevat niet alleen het oorspronkelijke album in uitstekende geluidskwaliteit plus een aardig boekje, maar ook een tweede CD met nog eens ruim drie kwartier livemuziek uit dezelfde concertreeks van 6 tot en met 9 juli 1977. Daarbij zitten een paar bekende nummers, te weten The nodder (ook al op de eerste CD) en drie nummers (Song of Aeolus, The tale of Taliesin en One over the eight) die van Softs stammen, plus het voor de single-release in tweeën geknipte Soft space. Kwalitatief is deze tweede plaat verder natuurlijk niet verkeerd, hoewel toch wel iets minder dan het oorspronkelijke album, mede vanwege een stuurloze (maar gelukkig korte) gitaarjam, een naar mijn smaak vervelende (en helaas niet korte, want bijna 8 minuten lange) drumsolo en een bassolo – ja, die kan er dan ook nog wel bij. Als geheel toch een leuke aanvulling.

Soft Machine - Bundles (1975)

poster
4,5
Ja, dit is wel even wat anders, na de vorige platen van deze band waarop blazers en keyboards om-en-om de vaak geïmproviseerde lijnen uitzetten : hier is de hoofdrol duidelijk voor Allan Holdsworth, en die maakt al op het eerste nummer duidelijk dat hij wel eens vaker gitaar heeft gespeeld (volgens de All Music Guide zijn zijn loopjes "so insanely fast that even air guitarists might have trouble keeping up"). Mike Ratledge heeft hier een zeer ondergeschikte rol (en zou de groep na dit album als laatste der oprichters verlaten), Karl Jenkins schrijft niet alleen het leeuwendeel van de nummers maar krijgt ook regelmatig de ruimte om te soleren, en de ritmesectie is en blijft duidelijk aanwezig, maar in het totaalplaatje overheerst toch Holdsworths gitaarspel. Hoewel hij altijd een Grote Naam voor mij was is dit de eerste keer dat ik hem bewust hoor, maar het smaakt zeker naar meer. Helaas zal ik hem niet via de platen van déze band kunnen proeven, want ik begrijp dat ook híj na dit album eruit stapte, maar op Wikipedia zie ik dat hij tijdens zijn carrière bepaald niet stilgezeten heeft. Leuk dat ik zijn briljante spel via deze plaat heb leren kennen; Bundles is mede dankzij hem een geweldig album, niet zonder flauwe momenten (de nerveuze tweede helft van Peff, de melige percussie van Four gongs two drums), maar over het geheel genomen toch levendig, warm en ijzersterk. (Beluisterd via de Esoteric-uitgave waar ChrisX het op 24-5-2010 over had, inderdaad een uitstekend klinkende en goed geannoteerde release.)

Soft Machine - Fifth (1972)

Alternatieve titel: 5

poster
3,0
Als iemand die uit de pop/rock/progrockhoek komt kan ik toch ook in deze muziek opgaan, mits hij voor mijn ongeoefende oren enigszins gestructureerd is. Sommige nummers hier klinken als uitgesponnen jams, anderen hebben meer vorm met in ieder geval een kop en een staart (zoals het goedgeluimde Pigling bland en de opener met z'n bijzonder spannende intro en die dansende elektrische piano) of hebben een mooie sfeervolle abstracte opzet, zoals het fascinerende slotnummer waarin dat prachtige intro van All white ook weer terugkeert, en de eerste helft van Drop (jammer dat het fuzzorgeltje van Mike Ratledge in de solo daarna niet de volle en warme klank heeft die ik van hem gewend ben). Dat zijn momenten die ik koester, en dan neem ik de stuurloze solo's van As if (door willemmusic hierboven geprezen, maar aan mij echt niet besteed – hoewel de entree van die donkerbruin brommende contrabas een héél ander verhaal is) en de abominabele maar godzijdank korte drumsolo op L B O maar voor lief. Wie weet hoe deze muziek nog op mij gaat groeien?

Soft Machine - Fourth (1971)

poster
3,0
Net als Third een groeiplaat, waarbij ik als pop/rockliefhebber maar vrijwel totale jazz-leek bij de eerste malen luisteren vooral geniet van de losse en "vrije" sfeer en het incidentele fuzzorgeltje. Pas later worden structuren duidelijk en beginnen bijvoorbeeld de vier delen van Virtually meer en meer in elkaar te grijpen. Is dit jazz? De muziek die ik met dat woord associeer en die ik tegen ben gekomen in de platenverzameling van mijn vader, op televisie en in films maakt eveneens gebruik van veel blazers en een uiterst lenige ritmesectie, maar de "([al dan niet] backward) tape loops", het eigenzinnige orgeltje en de soms desoriënterende structuur van de nummers horen daar in mijn beleving juist weer absoluut níét bij, tenzij ik dan weer meer aan VPRO's Vrije Geluiden op NPO1 zondagochtend moet denken... Genres en labeltjes maken natuurlijk helemaal niets uit, maar het intrigeert me gewoon hoe je deze muziek zou kunnen noemen en welke omschrijving de heren zelf in gedachten zouden kunnen hebben gehad.
        Hoe dan ook, deze muziek raakt mij op een zeer basaal niveau. Ik begin echter met niet meer dan ****, enerzijds omdat ik hier nog wel even mijn tanden in moet zetten, anderzijds omdat ik (laat ik eerlijk zijn) dat chaotische getoeter en die patroonloze drumpartijen op Fletcher's blemish absoluut niet trek. Misschien even wennen, ik hoor het de jazzliefhebber zeggen, maar momenteel bestaat dat nummer voor mij uit 277 seconden op de tanden bijten op weg naar de verademing van Virtually. (De achtergrond van mijn twofer vermeldt trouwens Virtuality als titel daarvan, maar binnenin het boekje, bij de door de Windows Media Player opgehaalde gegevens en overal op internet wordt dat nummer Virtually genoemd, dus ik neem aan dat dát de juiste titel is?)
        Volgende halte: de biografie van Graham Bennett.

Soft Machine - Seven (1973)

poster
4,0
Weer een wilde mix van lange solo's op steeds herhaalde keyboardriffs, dromerige saxsolo's, hypnotiserende toetsentapijten en klassieke Ratledge-Canterbury-Lowrey-solo's, alles steeds ondersteund door gevarieerd drumwerk en een lekker eigenzinnige bas. Op sommige momenten duren die solo's wel èrg lang (het openingsnummer), op andere momenten (Tarabos!) kunnen ze me juist niet lang genoeg duren. De plaat vlíégt voorbij, en zelfs van de momenten die me niet bevallen word ik nog vrolijk vanwege de energie en de inventiviteit. En wat is dat voor instrument op Down the road – eerst lijkt het op een sax die klinkt als een viool, daarna lijkt het ècht een viool te zijn, maar het boekje maakt daar nergens gewag van, intrigerend.
        Overigens toch wel merkwaardig : de plaatopener bestaat uit een riff van een keyboard die de hele tijd doorgaat, af en toe afgewisseld met een tweede riff, waarna de eerste riff de zaak weer overneemt. Componist van dit nummer is Karl Jenkins, die volgens het boekje naast alle blazers alleen de elektrische piano bespeelt, maar de synthesizersolo die bijna het gehele nummer (4:51) duurt is volgens mij van de hand van Mike Ratledge ("Organ, Synthisiser and Electric Piano"). Merkwaardig dan dat Ratledge dus een groot deel van dit nummer bepaalt, maar geen songschrijverscredit krijgt.

Soft Machine - Six (1973)

poster
4,0
Een album met twee gezichten voor mij. De liveplaat combineert melige of zelfs stuurloze improvisaties (All white, Lefty), een oninteressante orgelsolo (de eerste Riff) en een vervelende drumsolo (5 from 13) met mooie sfeervolle tussenstukjes (Between, E.P.V.), mooi blazerswerk (37½, E.P.V.) en heerlijk drumwerk, zodat het resultaat eigenlijk een kwalitatief grillige lappendeken is waar ik niet helemaal goed raad mee weet.
        Op de tweede plaat lijkt de focus te verschuiven van jazz-als-hoofdmoot naar een soort vroege ambient met jazzinvloeden. The soft weed factor is lang en monotoon maar ook hypnotisch en verslavend, met heerlijk drumwerk (zoals trouwens op het hele album) en een mooie samenwerking tussen sopraan-saxofoon (?) en orgel, Chloe and the pirates bevat een prachtige eenzame saxofoon die zijn weg in een lege ruimte lijkt te zoeken, en de beschrijving van 1983 als "een bezeten psychopaat [die] ergens in een spookachtig kasteel op een vleugelpiano zit te spelen" (kaztor op 13-2-2008) is vrij definitief wat mij betreft (en bij die rare percussie-achtige geluidseffectjes zie ik ook nog eens van die duiveltjes-waterspuwers bovenin de hal). Uiteindelijk is de suffe solo van Mike Ratledge op Stanley stamps gibbon album (een soort knipoog naar Edward Stanley Gibbons [1840-1913], oprichter van Stanley Gibbons, the home of stamp collecting neem ik aan) tegen een verder qua melodie en slagwerk heerlijke begeleiding eigenlijk de enige storende factor binnen dit kwartet nummers.
        Conclusie is dat dit album hoge ogen gooit wat betreft inventiviteit, compromisloosheid en spanningsopbouw, waarbij de niet over de hele linie even boeiende eerste helft ruimschoots gecompenseerd wordt door de sfeervolle en rijke tweede helft. Ik twijfel tussen ***½ en ****, maar kies gevoelsmatig toch vrij snel voor het laatste vanwege de belofte van doorgroei.

Soft Machine - Softs (1976)

poster
4,0
Grappig hoe de twee lange nummers van de eerste helft dezelfde structuur hebben : eerst een mooie melodie, daarna een gitaarsolo waarbij de nieuwe aanwinst John Etheridge alle hoeken van de minimale begeleiding moet verkennen om met iets contrastrijks op de proppen te kunnen komen, en dan ter afsluiting een terugkeer naar de melodische rijkdom van het begin. En eerlijk is eerlijk, Etheridge doet z'n best, maar, net zo eerlijk, het resultaat van die passages kan mij niet steeds bekoren, hetgeen tegelijkertijd het effect heeft dat de laatste delen van die twee nummers juist weer extra impact krijgen, zodat die eerste plaathelft (met twee mooie korte nummers als "bookends") uiteindelijk toch als een sterk geheel overkomt.
        De tweede helft is wat fragmentarischer, met wat meer onderkoelde elektronica, weer zo'n pieldrumsolo waarbij ik altijd even koffie ga zetten (maar dat kan ook liggen aan mijn ouderwetse opvatting dat een drumsolo toch altijd wel íéts van ritmische consistentie of "maat" moet hebben) en een daaropvolgende gitaarsolo waarvoor ik langer dan strikt noodzakelijk bij het koffiezetapparaat blijf hangen, maar voor Nexus ben ik weer tijdig bij de versterker in de buurt, in One over the eight mag Alan Wakeman even lekker los gaan (op het einde duchtig gesteund door een stevige gitaarriff), en de afsluiter brengt mij warempel bijna in pastorale sferen.
        Zo is dit uiteindelijk eerder een afwisselende dan een wisselvallige plaat, en ondanks een paar beurse plekken (en hoewel ik John Etheridge iets minder indrukwekkend dan Allan Holdsworth vind) kan ik hier over de hele linie toch bijna net zo van genieten als van de voorganger. (Weer een fraaie re-release van Esoteric met een aardig essay dat vooral ingaat op het vertrek van Holdsworth, de komst van Etheridge en het geruisloze verdwijnen van Mike Ratledge.)

Soft Machine - Third (1970)

poster
5,0
Tja, ik, eh, ik, eh, ik heb op zich veel affiniteit met de Britse psychedelica van eind jaren 60 (waar je Soft Machine voor mijn gevoel heel goed bij kan indelen), nog veel meer met de progrock van eind jaren 60 / begin jaren 70 (waar ze voor mijn gevoel meer qua sound dan qua composities bij passen), maar dan weer vrijwel helemaal niet met jazz, en nog minder met fusion. Ook vind ik het vervelend wanneer iemand zijn zangmelodie precies gelijk laat lopen met wat hij op zijn melodie-instrument speelt (zoals Robert Wyatt op Moon in June doet) en had dat intro van Facelift misschien wel wat korter gekund (zonder dat de lengte ervan me overigens stoort). Toch kan ik niet anders dan dit album zonder voorbehoud ***** geven, een score die ik zelfs al bereikt had toen de eerste keer draaien mij nog voornamelijk murw had achtergelaten, om de eenvoudige reden dat ik nog maar héél weinig platen ben tegengekomen waarbij ik het gevoel had (en heb) dat er nog zóveel aan te ontdekken viel. Een album van een onmetelijke rijkdom: een basis van toetsen en ritmesectie, daaroverheen blazers en een viool, maar steeds ook weer die musical left turns met tempowisselingen of tape-loops (inderdaad, Stalin op 17-6-2010, Out-bloody-rageous = Underworld 23 jaar eerder – hoewel bij de eerste seconden mijn eigen associatie Silent sorrow in empty boats van Genesis was) of totaal de sfeer omgooien of vleermuiskrijsjes op een viool (ook op Moon in June)...
        Wat na afloop van deze 75 (of 115) minuten overblijft is een gevoel van mateloze vreugde dat er mensen zijn (geweest) met zóveel vrijheid in hun hoofd dat ze deze muziek in elkaar hebben kunnen zetten zonder met iets voor de dag te komen dat in welk hokje dan ook past. Nou ja, natuurlijk is er wel een hokje voor, het enige hokje dat er toe doet zelfs, die lege ruimte van ongeveer één centimeter breed in mijn CD-kast. (Met dank aan alle voorgaande schrijvers hier die hun licht over dit album hebben laten schijnen; bij de momenteel 112 berichten zaten er zeker 20 die ik vanwege een treffend inzicht of een precies goed geformuleerde omschrijving had willen citeren, maar dat zal ik maar niet doen.)
        Nog een grappig feitje : hoe ontwrichtend of tegendraads deze muziek ook is, toen deze plaat 47 jaar geleden verscheen kwam hij in de Britse albumlijsten toch tot de 18de plaats, hoger dan een der beide voorgangers ooit gelukt was. Misschien was dat maar een kort succes gebaseerd op hoge verwachtingen en kelderde de verkoop zodra "word of mouth" duidelijk maakte dat dit bepaald niet de nieuwe plaat van David Cassidy was (net zoals ik denk dat het geval was toen drie jaar later opeens Tales from topographic oceans op 1 kwam te staan), maar het was toch éven een opmerkelijke dagzege.

Solution - Cordon Bleu (1975)

poster
5,0
Wat een prachtige plaat is en blijft dit toch. Het geluid is fabelachtig warm (met dank aan Gus Dudgeon), de sound van elk instrument is precies zoals hij zou moeten zijn en de melodieën (àlle melodieën) zijn ijzersterk. Chappaqua is voor mij het hoogtepunt, 635 seconden perfectie, geleid door de sax maar steeds aangestuurd door de toetsen en de pratende bas, en de roffels (4:26!) en het bekkenwerk (bijvoorbeeld vanaf 5:20 in samenwerking met die stiekeme tamboerijn, maar ook vanaf 7:03 en tijdens de laatste anderhalve minuut) van Hans Waterman geven aan dit nummer een hemelse swing. Toch zakt het album ook na die opener nergens in, want elk nummer zit goed in elkaar, de zangpartijen storen niet en zijn vaak uitstekend met de muziek verweven (Third line), de koortjes zijn gloedvol en effectief, en zelfs wanneer er even gas terug moet worden genomen levert dat een knappe ballade op. Leuk ook die geluidjes die niet meteen zijn te plaatsen, zoals dat geluid van die blazer op Whirligig vanaf 2:49 – zo zit de hele plaat eigenlijk van seconde tot seconde vol moois. Superlatieven schieten te kort voor dit album, en ik blijf bij het standpunt dat ik op 8 mei 2012 verwoordde : nog altijd het beste album dat ik ooit van een Nederlandse band heb gehoord.

Solution - Divergence (1972)

poster
4,5
Een iets ander recept dan op het debuut, want van de drie langste nummers bestaat steeds de eerste helft uit een soulful gezongen ballade en de tweede helft uit een (heerlijk) instrumentaal slot. De stem van Guus Willemse is wat rauw, maar ook zo expressief dat hij niet misstaat bij de muziek (die immers zelf subtiel maar zeker niet krachteloos is), en dat levert een aardige extra dimensie op. Ik zou er zelf geen moeite mee hebben als de muziek geheel instrumentaal was gebleven, maar de afwisseling pakt verder niet verkeerd uit, en wanneer de band dan eenmaal voluit gaat is het ook meteen weer raak. Spannende melodieën, geweldige sax, perfect ruimtelijk drumwerk, een uitstekende opvolger.

Solution - Fully Interlocking (1977)

poster
3,0
Het klinkt allemaal prachtig, het is professioneel ingespeeld (met dank aan Ray Cooper, indertijd Elton Johns vaste percussionist en vermoedelijk via Gus Dudgeon binnengehaald) en het is met geen mogelijkheid slecht te noemen, maar het is naar mijn smaak ook allemaal een beetje te braaf en te weinig avontuurlijk. Voor mijn gevoel hangt dit album meer tegen de pophits van Level 24 aan dan tegen de vroegere spannende Solution, en de momenten waarop ze de grenzen opzoeken zijn schaars. Sowieso overheerst de zware romantische synthesizer van Willem Ennes, en de lange solo's into the blue van Tom Barlage worden node gemist. De meeste nummers klinken ook al vanaf de eerste keer bekend, alsof ze verder geen geheimen meer hebben om bij volgende draaibeurten prijs te geven.
        De twee gezongen nummers zijn dan nog degelijke pop, maar Sonic sea is voornamelijk een saaie sfeerschets op synthesizer, en French melodie (let op de Franse spelling, jongens toch) is in mijn oren gewoon muzak (dat klavecimbel op het einde!). Gelukkig zijn daar dan nog Carousel met z'n leuke breaks en mooie solo en het speelse Free inside met een paar lekkere Booker T-achtige orgelsolo's om het gemiddelde op te krikken, maar als geheel vind ik dit album toch een flinke teleurstelling – ongetwijfeld heeft dat veel met de veranderde tijdgeest te maken (en Solution was niet de enige band die wat toegankelijker muziek moest gaan maken), maar het resultaat is helaas behoorlijk melig.
        Overigens is mijn voorganger al sinds juli 2016 niet meer op deze site geweest, maar in reactie op zijn bericht kan ik hem melden dat dit album volgens discogs al in 1988 op CD is verschenen.

Solution - Solution (1971)

poster
5,0
In zijn autobiografie (memoires?) Drumsolo – 35 jaar te laat naar bed beschrijft Hans Waterman dit debuutalbum als "een soort mix van Zappa, jazz en veel melodieuze structuren van eigen hand" met "de aanwijsbare invloeden van Jimmy Webb, Frank Zappa en John Coltrane". Dat klinkt alsof deze plaat springerig en tegendraads zou zijn, maar niets is minder waar, want dit zijn zorgvuldig uitgewerkte en strak gespeelde composities met een jazzy bovenlaag maar een solide basisstructuur van een stuwende ritmesectie, resulterend in een album dat uitermate toegankelijk is en bij de eerste keer luisteren al perfect in het gehoor ligt. Solution is mijn favoriete Nederlandse band, en op deze plaat is al meteen te horen welke elementen ik in deze sound zo waardeer : het perfecte saxgeluid, de melodische rijkdom van de toetsen en het superbe swingende drumwerk. De melodieën zijn pakkend, de solo's blijven steeds interessant en inventief, de ritmepatronen zijn spannend, de nummers doen qua kleur en afwisseling weinig voor elkaar onder, de zang op Phases is niet briljant maar valt ook niet uit de toon, en als geheel is dit een debuutalbum dat meteen al staat als een huis, een volwassen werk zonder jeugdpuistjes.
        Vraag : als componisten van het laatste nummer worden drie van de vier Solution-leden, de Franse componist Jacques Ibert en ene Emmerson genoemd. Wie is die laatste? Is dat een medewerker van Ibert, is dat zijn muziekuitgever wiens naam per ongeluk bij de credits terecht is gekomen, is dat Keith Emerson die ooit aan een arrangement hiervan heeft gewerkt, of is dat iemand anders? Op internet vind ik hier geen informatie over, wie kan mij helpen?

Son House - Raw Delta Blues (2011)

poster
4,0
Jammer dat de annotatie bij het boekje hiervan niet wat completer is, want dan zou blijken dat dit eigenlijk een behoorlijk interessante compilatie is. Na gesurf en gepuzzel mijnerzijds blijkt deze dubbel-CD van 121 minuten in feite in twee delen uiteen te vallen:
– de eerste anderhalve CD (grofweg) bevat 20 van de 26 nummers die House in 1930, 1941 en 1942 opnam, hoewel niet in de juiste chronologische volgorde;
– de laatste halve CD (grofweg) bevat de bekendste twee (van de negen) nummers van zijn "comeback"-LP The legendary Son House : father of the folk blues uit 1965 (opgenomen op instigatie van Canned Heats Al Wilson en geproduceerd door John Hammond)
– en maar liefst 10 (van de 12) nummers van Live at Gaslight Cafe, 1965, ook weer niet in de juiste volgorde (en met bovendien veel hiss op de band).
Daarbij is House op alle nummers solo met alleen stem en gitaar te horen, met uitzondering van de zeven nummers uit 1942, waarbij hij hulp krijgt van Willie Brown (gitaar/zang), Fiddlin' Joe Martin (mandoline) en Leroy Williams (harmonica), en aangezien de enige plek met elektriciteit een winkel vlakbij een spoorlijn was komt er bij deze sessie af en toe ook een trein dwars door het geluidsbeeld tjoeketjoeken om de feestvreugde nog te verhogen (de muzikanten trekken zich er niets van aan).
        Raar trouwens, die a-chronologische volgorde van deze verzameling, met als extreemste voorbeeld het openingsnummer, want hoewel de eerste anderhalve CD dus nummers uit de jaren 30 en 40 bevat, stamt het openingsnummer van CD1 Death letter blues uit 1965, omdat dat het nummer is "that fans most associate with Son House" volgens het CD-boekje. Je kunt je voorstellen dat je bij een popbandje de nummers wel een beetje door elkaar gooit om de compilatie "lekker" te houden en niet de grootste hits allemaal aan het begin te zetten, maar iemand als dit trekt toch alleen luisteraars die geïnteresseerd zijn in authenticiteit en het werk dus liever chronologisch horen? En nu we het toch over de tracklisting hebben, mijn dubbel-CD-uitgave bevat dezelfde nummers als hierboven aangegeven maar in een iets andere volgorde, en op internet kom ik ook vinyl-uitgaves tegen met slechts 23 nummers op een dubbelelpee, of zelfs maar 14 nummers op een ènkele LP, dus het loont de moeite om even precies te kijken wat je koopt of bestelt.
        Wat je in ieder geval in welke releasevorm dan ook krijgt is een fraaie verzameling nummers van een tijdgenoot van Charley Patton en Robert Johnson uit de vroege Deltablues. De nummers van zijn eerste solosessie zijn puntig, rauw en direct dankzij House's stem en gitaar die helder boven de vinylkraken uit klinken, terwijl de samenwerking met de drie begeleiders op de tweede sessie tot een iets uitbundiger en soms vrolijker insteek leiden (waar ik overigens niet onverdeeld gelukkig mee ben – met name die soms doorzeurende mondharmonica trek ik niet altijd), en daardoor komt de sobere begeleiding van de derde sessie des te strakker en indrukwekkender over. De opnames van een kwart eeuw later laten een iets ingetogener zanger horen die noten en pauzes langer en met meer dramatisch effect oprekt en daardoor "slepender" zingt; volgens de All Music Guide is House op de live-opnames nog maar "a mere shadow of his former musical self", maar dat zie (en hoor) ik zelf toch iets anders.
        Onvermijdelijke hoogtepunten (en meest bekende nummers) zijn het hier in een liveversie opgenomen Preachin' the blues (over hoe het goddelijke predikantenschap en de duivelse bluesmuziek om beurten aan House trokken: "You know I wanted to be a Baptist preacher / So I wouldn't have to work"), het pakkende John the Revelator dat House zingt met geen andere begeleiding dan (zo te horen) zijn handen die op zijn bovenbenen slaan, en het tamelijk briljante Death letter blues ("I got a letter this mornin', how do you reckon it read? / It said, 'Hurry, hurry, the girl you love is dead' "), maar eigenlijk zijn alle nummers waarop House solo te horen is de moeite waard. Een uitstekende compilatie, hoewel de rare volgorde mij wel een beetje een doorn in het oog is.

Son Seals - Midnight Son (1976)

poster
2,0
Een degelijke bluesplaat, maar daar is dan ook alles positiefs mee gezegd. De begeleidingsband doet z'n best, met een pianist en een tweetal blazers die de muziek soms wat punch geven en een bassist die af en toe lekker z'n eigen gang mag gaan, maar vrijwel alle nummers volgen het standaard-blues-schema, de opzet van de meeste nummers bestaat eruit dat na elk stukje tekst de rest van de regel met een gitaarloopje wordt opgevuld, Seals heeft geen bijzondere of "door het leven getekende" stem, zijn solo's zijn niet erg pakkend, en (mijn grootste pijnpunt) zijn gitaar heeft de hele tijd hetzelfde geluid en dezelfde "attack", hetgeen in mijn geval al spoedig lijdt tot verveling en desinteresse. Ik geef toe, de meeste van deze bezwaren zou je ook kunnen aanvoeren bij veel van B.B. Kings nummers, maar diens vloeiende solo's, diens intensiteit en het idee dat King echt tegen mij zingt mis ik bij Seals ten ene male. Pijnloze blues die professioneel de gebaande paden volgt en na afloop bij mij totaal geen indruk blijkt te hebben achtergelaten, met uitzondering van het slotnummer, ook weer een klassieke blues waarop echter alle elementen nu wèl versmelten tot een meeslepend en intens geheel.

Sonny & Cher - The Beat Goes On (1991)

Alternatieve titel: The Best Of

poster
5,0
Misschien is het omdat de periode waarin Sonny & Cher hun hits scoorden zo kort was (amper twee jaar), misschien omdat Sonny zo evident geen echte hippie was (want al 30 jaar oud ten tijde van hun doorbraak), en misschien ook wel omdat het accent juist op dat moment begon te verschuiven van singles naar elpees, maar feit is dat dit duo er bij de overzichten van klassieke sixties-popacts saltijd een beetje bekaaid vanaf komt. En áls er dan aandacht voor ze is, dan gaat het vaak over de randverschijnselen van hun sixties-popsucces, zoals Sonny's vroege songschrijverschap (o.a. Needles and pins), zijn burgemeesterschap van Palm Springs (1988-1992) en zijn fatale ski-ongeluk in 1998 (63 jaar oud), en bij Cher gaat het dan vaak om haar enorme solocarrière, haar turbulente huwelijk met Gregg Allman (1975-1978) en haar filmcarrière (inclusief een Oscar voor Moonstruck).
        Deze verzamel-CD laat echter zien dat Sonny & Cher in die twee jaren toch ook een heleboel leuke muziek hebben gemaakt. Geen van beiden had een erg mooie stem, Sonny nogal grof en Cher nasaal en enigszins monotoon, maar op de een of andere manier vulden ze elkaar perfect aan en klonken ze sámen alsof ze voor elkaar gemaakt waren. Het vlaggeschip is en blijft natuurlijk I got you babe, dat in zowel Amerika en Engeland de eerste plaats van de hitparade bereikte, maar in Nederland was Little man hun grote klapper (maar liefst 6 weken #1 in 1966).
        Van de negentien nummers hier schreef Sonny er 14 in z’n eentje (en een vijftiende in samenwerking), en kennelijk voelde hij heel goed aan hoe hij hun stemmen en hun persoonlijkheden het voordeligst voor de dag kon laten komen. Muzikaal worden Sonny & Cher vaak ingedeeld bij de folkrock-hippies vanwege Sonny’s teksten waarin hij vaak inspeelde op het generatieconflict (Why don’t they let us fall in love), maar in feite is de begeleiding vaak een variatie op Phil Spectors Wall of Sound, met overvolle arrangementen, nadrukkelijk gespeelde melodie-motieven en zwaar echoënd slagwerk. Bovendien had Sonny een zeer goed oor voor een lekker lopende melodie, en toen de koek na twee jaar op was en het publiek uitgekeken was op Sonny’s manier van componeren en op hun personae als het ideale hippie-koppel, bleken ze toch een heleboel leuke en zeer meezingbare (meebrulbare) nummers te hebben gemaakt.
        Deze vrijwel perfecte compilatie bevat in praktisch chronologische volgorde alle nummers die in Amerika en/of Engeland en/of Nederland tussen 1965 en 1967 de hitparade hebben gehaald, inclusief drie solo-singles van Sonny (maar geen enkele van Cher, wiens carrière natuurlijk lang genoeg heeft geduurd om eigen compilaties te rechtvaardigen). Na die tijd waren ze nog populair genoeg om in Las Vegas op te treden en daarna een succesvolle televisieshow bij CBS te krijgen, en in het begin van de jaren 70 hadden ze bij een andere platenmaatschappij (Kapp) nog een paar hits die hier niet op staan (All I ever need is you en A cowboy’s work is never done, allebei USA top-10), maar déze compilatie vangt toch de essentie van die jaren 60 toen Sonny & Cher éven onsterfelijk waren. (Nou ja, misschien is Cher wel ècht onsterfelijk – toen ze in 1981 hoorde dat haar single You haven’t seen the last of me nummer 1 op de Dance Club Songs-chart stond en dat ze daarmee de eerste artiest was die in zes verschillende decennia nummer-1-hits op de verschillende Billboard-charts had gescoord, reageerde ze met: "How can it be six decades when I am only four decades?")
        Een plaat vol jeugdsentiment waarvan het me verbaast hoe veel pakkende pop en hoe weinig filler er op staat.

Sonny & Cher - The Best Of (1967)

poster
4,0
Prima compilatie, ook voor mij de eerste kennismaking met dit duo, hoewel ik hem met déze hoes had. Op Gilbert Bécauds Let it be me na staat alles hiervan op de uitstekende verzamelaar The beat goes on – the best of Sonny & Cher.

Sonny Boy Williamson II - The Best Of (1986)

poster
3,5
Een prima compilatie van de blueszanger en mondharmonicaspeler (1912?-1965) die werd geboren als Alex of Aleck Ford en later door het leven ging als Aleck of Rice Miller en Little Boy Blue, maar die beroemd werd als Sonny Boy Williamson (vaak voorzien van het achtervoegsel II, om verwarring met John Lee Curtis "Sonny Boy" Williamson nummer 1 [1914-1948] te voorkomen). Deze verzameling bevat 12 A-kantjes en 9 B-kantjes van de 18 singles die hij tussen 1955 en 1965 met een elektrische begeleidingsband voor het Chess-sublabel Checker opnam, plus één nummer (Checkin' up on my baby) dat nooit als single werd uitgebracht maar naderhand faam verwierf op Williamsons postume album The real folk blues (1966).
        Een aardig overzicht dus, en Williamson heeft een lekker gruizige en soms sardonische stem, maar persoonlijk vind ik veel nummers een beetje "samey", ook al omdat ze vaak gebruik maken van een wandeltempo, alsof de band zonder tegenbericht automatisch een soort midtempo-shuffle inzet. Afwijkende ritmes zoals op het John Lee Hooker-achtige Trust my baby en het ijzersterke Help me komen wat mij betreft iets te weinig voor, en dat komt de draaibaarheid van deze CD niet ten goede. Ook krijg ik wel genoeg van steeds die mondharmonica-opvulstukjes; ik weet het, dan had ik ook maar niet een plaat van een mondharmonicaspeler moeten gaan luisteren, maar af en toe een lekkere gitaar- of pianosolo zou ter afwisseling wel eens welkom zijn.
        Afgezien daarvan is het leuk om te zien welke nummers hiervan door latere (rock)bands werden gecoverd. Andere gebruikers hier zullen nog wel meer coverversies kunnen opnoemen, maar zelf herkende ik in ieder geval Don't start me to talkin' (ook op Toulouse Street van de Doobie Brothers), Born blind (ook op Tommy van de Who als Eyesight to the blind), One way out (ook op At Fillmore East van de Allman Brothers : "Ain't but one way out baby, and Lord I just can't go out the door / 'Cause there's a man down there, might be your man, I don't know") en Help me (ook op It's too late to stop now van Van Morrison, maar volgens internet ook door minstens 40 anderen gecoverd), en dan hebben we natuurlijk ook nog Your funeral and my trial dat de titel voor het vierde album van Nick Cave heeft geleverd. Het geeft maar weer eens aan wat een inspiratie de vroege (en iets latere) bluesmannen voor een hele generatie rockmuzikanten zijn geweest.
        Een verhaal apart is in dit verband Williamsons Bring it on home, want op het tweede album van Led Zeppelin (berucht vanwege hun lichtvaardige opvatting over auteursrechten) staat natuurlijk een gelijknamig nummer. Jimmy Page daarover : "The thing with Bring it on home, there's only a tiny bit taken from Sonny Boy Williamson's version and we threw that in as a tribute to him. People say, 'Oh, Bring it on home is stolen.' Well, there's only a little bit in the song that relates to anything that had gone before it, just the end." Maar in 1972 kreeg Zeppelin van Chess Records wel een proces aan hun broek wegens plagiaat (van de oorspronkelijke componist Willie Dixon), en zoals je wel vaker leest : "the case was settled out-of-court for an undisclosed sum." (Wikipedia)
        Overigens heb ik dit album (met dus dezelfde tracklisting) onder de titel The best of Sonny Boy Williamson met een andere hoes, verschenen op het Chess-label met op het schijfje zelf de vermelding "P 1986", en een boekje zonder vermelding van muzikanten, producers, studio's of opnamedata, maar wel met een 4 pagina's lang tekstje van Neil Slaven, ook uit 1986, waaruit ik opmaak dat mijn uitgave wellicht ouder is dan de versie van SPH uit 1991 waar ik dit bericht bij schrijf. (En waar Wikipedia 1912 als Williamsons mogelijke geboortedatum geeft, komt Slaven trouwens aanzetten met 1909, 1908 of zelfs 1897...)

Soup - Remedies (2017)

poster
4,0
Dit heb ik leren kennen via The boy and the snow in de Progladder 2022 (hoewel het nummer daar al in eerdere edities was verschenen). Toen ik daarna de hoes zag moest ik eigenlijk denken aan subversieve grunge à la Alice In Chains, maar niets bleek minder waar, want dit is eerder een soort mix van prog (de lang uitgespronnen composities), psychedelica (de mellotron) en folk (de warme melodieën, de innemende zang en de algemene, soms pastorale uitstraling). De zangstem doet me denken aan de Band Of Horses, Midlake en The Horse Company, alledrie bands die eveneens af en toe tegen het arcadische aan zitten, en de combinatie van die zang met de soms trance-achtige arrangementen en de dynamiek van de rustige zangpassages versus de instrumentale uitbarstingen (waarbij ik soms niet eens kan horen of het enorme geluid veroorzaakt wordt door gitaren, keyboards of een mengelmoes daarvan) levert een fraai en steeds spannend geluidsbeeld op. Het is bovendien een plaat die meerdere luisterbeurten goed kan verdragen, want hoewel individuele nummers vaak leunen op lang uitgesponnen melodieën heeft het album als geheel zóveel kleur en zóveel variatie dat hij van a tot z blijft boeien.