Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Graham Parker and the Rumour - The Parkerilla (1978)

3,5
1
geplaatst: 22 mei 2024, 12:57 uur
Graham Parker and The Rumour sloot af een tijdperk bij zijn platenmaatschappij Mercury met dubbelaar The Parkerilla. Drie livekanten plus op kant 4 slechts één nummer, een studio-heropname van single Hey Lord (Don't Ask the Questions) uit 1976, op deze vierde plaatkant Hey Lord, Don't Ask Me Questions geworden, geproduceerd door Robert "Mutt" Lange, dezelfde die vanaf 1979 grote successen zou vieren met zijn werk voor AC/DC en Def Leppard.
De single verscheen in Nederland met wéér een andere titel, als Don't Ask Me Questions werd het nog een hitje ook: juni 1978 #28 in de Nationale Hitparade en #30 in de Top 40. In eigen land #32 in april. Het jaar ervoor maakte ik al kennis met New York Shuffle, de single die van album Stick to Me de Tipparade haalde. In de liveversie één van de hoogtepunten van The Parkerilla.
The Rumour wordt hierop vergezeld door een blazersgroep, hetgeen resulteert in een luide versie van soul en r&b, wat met de felle zangstijl van Parker leidt tot een energieke versie van pubrock, passend bij 1978 waarin luide punk en new wave de nodige aandacht vroegen. De opnamen zijn van ten minste vier diverse concerten, drie in het VK en één in New York. Wie iets weet van producer Lange, zal beseffen dat deze uitgebreid aan het mixen is geweest en wie weet of één en ander achteraf heeft gerepareerd. Desalniettemin klinkt het puur, alsof je erbij bent, maar dan wel met alle details goed hoorbaar.
Daarbij lijkt Tear Your Playhouse Down een alternatieve take van Miss You van de Rolling Stones, waarbij de eenvoudige maar effectieve pianolijn van Bob Andrews verraadt dat The Rumour hier speelt; The Rumour Brass tilt het nummer extra omhoog.
De dubbelaar haalde in mei #14 in het Verenigd Koninkrijk. Later in 1978 bracht The Rumour hun tweede plaat uit: Frogs Sprouts Clogs and Krauts.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave & co kwam vanaf het debuut van Talking Heads en vervolgt met een groep die net als Graham Parker and The Rumour vanuit de pubrock kwamen: de tweede van The Motors, waarvan single Airport kort na die van Graham Parker in de hitlijsten stond.
De single verscheen in Nederland met wéér een andere titel, als Don't Ask Me Questions werd het nog een hitje ook: juni 1978 #28 in de Nationale Hitparade en #30 in de Top 40. In eigen land #32 in april. Het jaar ervoor maakte ik al kennis met New York Shuffle, de single die van album Stick to Me de Tipparade haalde. In de liveversie één van de hoogtepunten van The Parkerilla.
The Rumour wordt hierop vergezeld door een blazersgroep, hetgeen resulteert in een luide versie van soul en r&b, wat met de felle zangstijl van Parker leidt tot een energieke versie van pubrock, passend bij 1978 waarin luide punk en new wave de nodige aandacht vroegen. De opnamen zijn van ten minste vier diverse concerten, drie in het VK en één in New York. Wie iets weet van producer Lange, zal beseffen dat deze uitgebreid aan het mixen is geweest en wie weet of één en ander achteraf heeft gerepareerd. Desalniettemin klinkt het puur, alsof je erbij bent, maar dan wel met alle details goed hoorbaar.
Daarbij lijkt Tear Your Playhouse Down een alternatieve take van Miss You van de Rolling Stones, waarbij de eenvoudige maar effectieve pianolijn van Bob Andrews verraadt dat The Rumour hier speelt; The Rumour Brass tilt het nummer extra omhoog.
De dubbelaar haalde in mei #14 in het Verenigd Koninkrijk. Later in 1978 bracht The Rumour hun tweede plaat uit: Frogs Sprouts Clogs and Krauts.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave & co kwam vanaf het debuut van Talking Heads en vervolgt met een groep die net als Graham Parker and The Rumour vanuit de pubrock kwamen: de tweede van The Motors, waarvan single Airport kort na die van Graham Parker in de hitlijsten stond.
Graham Parker and the Rumour - The Up Escalator (1980)

4,0
2
geplaatst: 18 mei 2025, 19:12 uur
Bij mijn streamingdienst maakte ik de nodige lijsten met new wave en aanverwanten, onder de noemer 'New wave & co'. Bij die losse nummers beluister ik de albums daarachter.
En zo gaat het in dit geval van de San Franciscaanse (noem je die inwoners zo?) punk van het debuut van Dead Kennedys naar het vijfde album van de Londense (pub)rockers Graham Parker & The Rumour, met wie de frontman met snauwende stem al sinds diens debuut Howlin' Wind (1976) samenwerkte. The Up Escalator verscheen in mei 1980.
The Rumour bracht in 1980 zelfs twee albums uit, onder eigen vlag verscheen in september dat jaar Purity of Essence. In vergelijking daarmee is deze Graham Parker een stuk vinniger. Dat komt niet alleen door Parkers stem, ook door de composities. Ik houd de volgorde van de Britse persing uit 1980 aan, waar op streaming en MuMe de Amerikaanse wordt aangehouden. Het is immers een Engelse groep.
De plaat is verdeeld in een Up Side en een Down Side. De eerste start met het opgeruimd klinkende No Holding Back, waarna het midtempo en stemmiger Devil's Sidewalk volgt. Met Stupefaction keert zonnigheid terug ("The sun is burning") maar hij moppert over het domme tv-kijkende volk, oproepend tot "turn out the TV, turn up the radio". Dan ontspannenheid in Love Without Greed.
Opvallend in deze nummers is de inbreng van pianist Nicky Hopkins, wiens sobere maar dansende spel bijzonder effectief is. Dat gebeurt opnieuw in Jolie Jolie, dat verder lekker scheurende gitaartjes kent en The Up Side afsluit.
The Down Side vangt aan met Endless Night met op achtergrondzang Bruce Springsteen: the boss in een sterke bijrol op deze uptempo opener met sterk refrein. Met Paralysed opnieuw vrolijke, energieke rock, de gitaar in de hoofdrol in Maneuvres waarbij drummer Stephen Goulding in de coupletten een aparte groove vindt. Met Empty Lives is het opnieuw vinnig en duikt de albumtitel op. The Beating of Another Heart sluit midtempo en beschouwend af, een fraaie beschrijving van de wegen van het hart in relatie tot een dame. In juni '80 klom het album tot #11 in het VK.
In 2016 verscheen een geremasterde cd-versie met als bonus het heerlijke Women in Charge. Parker en zijn Rumour in topvorm. Vreemd is dat dit album niet volledig op mijn streamingplatform staat, al zijn de meeste nummers wel via verzamelaars van Parker te vinden. Als volledige plaat vond ik het onder andere hier op JijBuis.
Dan is daar het vervolg van de reis bij het Canadese Martha and the Muffins, dat er net als The Rumour in slaagde om in 1980 twee albums te baren. Op naar Trance and Dance.
En zo gaat het in dit geval van de San Franciscaanse (noem je die inwoners zo?) punk van het debuut van Dead Kennedys naar het vijfde album van de Londense (pub)rockers Graham Parker & The Rumour, met wie de frontman met snauwende stem al sinds diens debuut Howlin' Wind (1976) samenwerkte. The Up Escalator verscheen in mei 1980.
The Rumour bracht in 1980 zelfs twee albums uit, onder eigen vlag verscheen in september dat jaar Purity of Essence. In vergelijking daarmee is deze Graham Parker een stuk vinniger. Dat komt niet alleen door Parkers stem, ook door de composities. Ik houd de volgorde van de Britse persing uit 1980 aan, waar op streaming en MuMe de Amerikaanse wordt aangehouden. Het is immers een Engelse groep.
De plaat is verdeeld in een Up Side en een Down Side. De eerste start met het opgeruimd klinkende No Holding Back, waarna het midtempo en stemmiger Devil's Sidewalk volgt. Met Stupefaction keert zonnigheid terug ("The sun is burning") maar hij moppert over het domme tv-kijkende volk, oproepend tot "turn out the TV, turn up the radio". Dan ontspannenheid in Love Without Greed.
Opvallend in deze nummers is de inbreng van pianist Nicky Hopkins, wiens sobere maar dansende spel bijzonder effectief is. Dat gebeurt opnieuw in Jolie Jolie, dat verder lekker scheurende gitaartjes kent en The Up Side afsluit.
The Down Side vangt aan met Endless Night met op achtergrondzang Bruce Springsteen: the boss in een sterke bijrol op deze uptempo opener met sterk refrein. Met Paralysed opnieuw vrolijke, energieke rock, de gitaar in de hoofdrol in Maneuvres waarbij drummer Stephen Goulding in de coupletten een aparte groove vindt. Met Empty Lives is het opnieuw vinnig en duikt de albumtitel op. The Beating of Another Heart sluit midtempo en beschouwend af, een fraaie beschrijving van de wegen van het hart in relatie tot een dame. In juni '80 klom het album tot #11 in het VK.
In 2016 verscheen een geremasterde cd-versie met als bonus het heerlijke Women in Charge. Parker en zijn Rumour in topvorm. Vreemd is dat dit album niet volledig op mijn streamingplatform staat, al zijn de meeste nummers wel via verzamelaars van Parker te vinden. Als volledige plaat vond ik het onder andere hier op JijBuis.
Dan is daar het vervolg van de reis bij het Canadese Martha and the Muffins, dat er net als The Rumour in slaagde om in 1980 twee albums te baren. Op naar Trance and Dance.
Grand Slam - Hit the Ground (2019)

4,0
1
geplaatst: 14 januari 2025, 17:54 uur
In 2019 miste ik dat gitarist Laurence Archer het voortijdig gestopte Grand Slam nieuw leven had ingeblazen. De groep die Phil Lynott ná zijn dagen met Thin Lizzy startte, actief in 1983 en '84. Gestopt omdat men er niet in slaagde een platencontract te versieren. Aan de kwaliteit van de muziek lag dat niet, wel aan de onbetrouwbare reputatie die de frontman inmiddels had opgebouwd als heroïneverslaafde. Pas vorige maand ontdekte ik de comeback via dit Hit the Ground toen ik deze box besprak.
Dan snap ik dat Archer zovele jaren later vond dat het werk nogmaals onder de aandacht moest worden gebracht. Aangevuld met een enkel nieuw nummer, waarbij de snarenracer in de sterke opener Gone Are the Days en de instrumentale (bonus)afsluiter Grand Slam laat horen bovendien gevoel te hebben voor melodie en lange noten, inclusief het gebruik van een Spaanse gitaar. Het album heeft zo de stijl van de Britse hardrock van begin jaren '80, vastgelegd in de spetterende productiestandaard van 2019.
Hobbel die dan moet worden genomen: wie zet je bij de microfoon? Wie moet de kenmerkende dictie en herkenbare stem van Phil Lynott gaan vervangen? De keus viel op ene Mike Dyer, die weliswaar een prima stem heeft, maar mij niet zo kan raken als Lynott deed en doet. Neemt niet weg dat deze bezetting van Grand Slam met bassist Dave Boyce en drummer Benjy Reid zich met verve van hun taak kwijt, lenig zowel het oude als het recentere werk vertolkend.
In dit Grand Slam zit geen vaste toetsenist: ten opzichte van toen is toetsenist en medeoprichter Mark Stanway er niet meer bij. Ik las op internet dat een teleurgestelde fan daarom vond dat dit geen Grand Slam mag heten. Daar is Stanway het niet mee eens, blijkens zijn bescheiden gastbijdragen op een vijftal nummers; ik mis op deze voluit hardrockende gitaarplaat diens destijds dominante bijdragen niet.
Fraai is ook de loom swingende ballade Long Gone, die zich prima kan meten met de muziek en teksten van Lynott uit de jaren '80 (Nineteen, Military Man, Dedication, Sisters of Mercy en Crime Rate).
Bij verschijnen in november 2019 plaatste Classic Rock een uitgebreid interview met Archer over het album, die daarbij inging op de afzonderlijke tracks en hun historie; zie hier. In 2024 herverschenen als Hit The Ground - Revised met een track extra.
Kortom, lekker album, maar zo intens als Lynott destijds kon roepen naar zijn moeder in Sisters of Mercy ; dát lukt Dyers niet. Valt er desondanks nog altijd véél te genieten, wat is die Archer een klasbak op de zes snaren... Vorig jaar verscheen opvolger Wheel of Fortune, komende 2 maart is Grand Slam in Tilburg als voorprogramma van Saxon te zien.
Dan snap ik dat Archer zovele jaren later vond dat het werk nogmaals onder de aandacht moest worden gebracht. Aangevuld met een enkel nieuw nummer, waarbij de snarenracer in de sterke opener Gone Are the Days en de instrumentale (bonus)afsluiter Grand Slam laat horen bovendien gevoel te hebben voor melodie en lange noten, inclusief het gebruik van een Spaanse gitaar. Het album heeft zo de stijl van de Britse hardrock van begin jaren '80, vastgelegd in de spetterende productiestandaard van 2019.
Hobbel die dan moet worden genomen: wie zet je bij de microfoon? Wie moet de kenmerkende dictie en herkenbare stem van Phil Lynott gaan vervangen? De keus viel op ene Mike Dyer, die weliswaar een prima stem heeft, maar mij niet zo kan raken als Lynott deed en doet. Neemt niet weg dat deze bezetting van Grand Slam met bassist Dave Boyce en drummer Benjy Reid zich met verve van hun taak kwijt, lenig zowel het oude als het recentere werk vertolkend.
In dit Grand Slam zit geen vaste toetsenist: ten opzichte van toen is toetsenist en medeoprichter Mark Stanway er niet meer bij. Ik las op internet dat een teleurgestelde fan daarom vond dat dit geen Grand Slam mag heten. Daar is Stanway het niet mee eens, blijkens zijn bescheiden gastbijdragen op een vijftal nummers; ik mis op deze voluit hardrockende gitaarplaat diens destijds dominante bijdragen niet.
Fraai is ook de loom swingende ballade Long Gone, die zich prima kan meten met de muziek en teksten van Lynott uit de jaren '80 (Nineteen, Military Man, Dedication, Sisters of Mercy en Crime Rate).
Bij verschijnen in november 2019 plaatste Classic Rock een uitgebreid interview met Archer over het album, die daarbij inging op de afzonderlijke tracks en hun historie; zie hier. In 2024 herverschenen als Hit The Ground - Revised met een track extra.
Kortom, lekker album, maar zo intens als Lynott destijds kon roepen naar zijn moeder in Sisters of Mercy ; dát lukt Dyers niet. Valt er desondanks nog altijd véél te genieten, wat is die Archer een klasbak op de zes snaren... Vorig jaar verscheen opvolger Wheel of Fortune, komende 2 maart is Grand Slam in Tilburg als voorprogramma van Saxon te zien.
Grand Slam - Slam Anthems (2023)
Alternatieve titel: ... Renovations

4,0
0
geplaatst: 24 december 2024, 14:55 uur
6cd-box van Grand Slam, de groep die Phil Lynott begon ná het einde van Thin Lizzy in 1983.
Na zijn dood in januari 1986 werd het aanvankelijk vooral stil wat betreft werk dat nog op de planken lag. Pas in 1991 was er een eerste teken dankzij de verzamelaar Dedication met het titelnummer als nieuwe track, ingespeeld door Scott Gorham maar stammend uit de dagen met Grand Slam. Tien jaar later volgde de verzamelbox Vagabonds Kings Warriors Angels en in 2020 de box Rock Legends.
En dan zijn er speciale edities van albums van Thin Lizzy met extra's, zoals in januari 2023 de uitgebreide box van Live and Dangerous met daarop alle concerten waaruit de dubbelelpee destijds werd samengesteld.
Toen werd het tijd voor Grand Slam. Wat ik heb gemist is dat in juni 2023 deze verzamelbox verscheen, totdat ik hem op streaming ontdekte en op zoek ging naar de geluidsdrager. Een deel hiervan kwam bovendien uit op vinyl onder de titel Slam Anthems ...Renovations. Hierboven bij de tracklist zijn dat de tracks zonder sterretje.
Ik heb de cd-box, waarbij ook een boekje vol achtergrondinformatie zit over Grand Slam en ander solowerk van Lynott. In feite begon de aanloop naar Grand Slam al in 1978, toen Lynott de sessies voor Black Rose eveneens gebruikte voor solowerk; waar de musici dachten mee te werken aan de volgende Lizzy, belandde sommig werk op Solo in Soho.
Op cd1 staan geremixte demo-opnamen van Grand Slam onder de titel Renovations: 2022 Remixes. Die originele demo's staan op cd6 onder de titel Demos 1983 / 1984 en dan valt het enorme kwaliteitsverschil op wat betreft productie. Wat mij betreft had cd6 zelfs niet gehoeven. Renovations klinkt dus goed, al is hoorbaar dat dit niet een reguliere studioproductie betreft. Met name het drumgeluid heeft een livegevoel, wat uiteraard helemaal niet erg is.
Ik heb de andere boxen van de groep staan en toch kwam ik nieuw werk tegen. Bekend zijn echter Dedication, Military Man (anders dan de versie van Gary Moore met Lynott), Sisters of Mercy, een rockende versie van Nineteen (later door Lynott met producer Paul Hardcastle uitgebracht) en Sarah van Black Rose. Hier dus in de jasjes van Lynott solo en Grand Slam en die doen niet onder voor de versies die voordien verschenen.
Cd2 heet Orebro 1983 en bevat aan de setlist te zien dezelfde opnamen als Phil Lynott - Live in Sweden 1983 uit 2002. Hij deed deze tour kort na het einde van Lizzy met dan nog gitarist John Sykes en drummer Brian Downey in de gelederen, plus toetsenist Mark Stanway en gitarist Doish Nagle.
Sykes en Downey vertrokken, de groep werd Grand Slam gedoopt en op de navolgende drie live-cd's zijn de twee vervangen door respectievelijk Laurence Archer en Robbie Brennan. Die drie concerten stammen alle uit 1984 en bevatten logischerwijs de nodige overlap. Cd 4 (London 1984) bevat daarbij een karige vijf nummers en is qua tracklist eigenlijk overbodig.
Onverwachte pareltjes in die livesets: Solo in Soho, nooit eerder door Lynott op de planken gebracht; Dear Miss Lonely Hearts van datzelfde solodebuut; de terugkeer van Whisky in the Jar, zij het in een ander arrangement; en ook Lizzy's Cold Sweat werd gespeeld. Bij de demo-cd valt vooral cover Whiter Shade of Pale / Like a Rolling Stone op, plus enkele nummers die niet de remix haalden.
Aanbevolen voor de fanatiekere liefhebbers van Phil Lynott en Thin Lizzy. Let op, niet overal even duur - ik was te snel met aanschaffen en betaalde veel meer dan nodig. Maar nummers als Crime Rate en Harlem zijn nieuwe juweeltjes in mijn verzameling.
Bovendien ontdekte ik dat Grand Slam in 2019 terugkeerde met oud werk in nieuwe jasjes én dit jaar een album met nieuw materiaal uitbracht. Huh? Op naar Hit the Ground.
Na zijn dood in januari 1986 werd het aanvankelijk vooral stil wat betreft werk dat nog op de planken lag. Pas in 1991 was er een eerste teken dankzij de verzamelaar Dedication met het titelnummer als nieuwe track, ingespeeld door Scott Gorham maar stammend uit de dagen met Grand Slam. Tien jaar later volgde de verzamelbox Vagabonds Kings Warriors Angels en in 2020 de box Rock Legends.
En dan zijn er speciale edities van albums van Thin Lizzy met extra's, zoals in januari 2023 de uitgebreide box van Live and Dangerous met daarop alle concerten waaruit de dubbelelpee destijds werd samengesteld.
Toen werd het tijd voor Grand Slam. Wat ik heb gemist is dat in juni 2023 deze verzamelbox verscheen, totdat ik hem op streaming ontdekte en op zoek ging naar de geluidsdrager. Een deel hiervan kwam bovendien uit op vinyl onder de titel Slam Anthems ...Renovations. Hierboven bij de tracklist zijn dat de tracks zonder sterretje.
Ik heb de cd-box, waarbij ook een boekje vol achtergrondinformatie zit over Grand Slam en ander solowerk van Lynott. In feite begon de aanloop naar Grand Slam al in 1978, toen Lynott de sessies voor Black Rose eveneens gebruikte voor solowerk; waar de musici dachten mee te werken aan de volgende Lizzy, belandde sommig werk op Solo in Soho.
Op cd1 staan geremixte demo-opnamen van Grand Slam onder de titel Renovations: 2022 Remixes. Die originele demo's staan op cd6 onder de titel Demos 1983 / 1984 en dan valt het enorme kwaliteitsverschil op wat betreft productie. Wat mij betreft had cd6 zelfs niet gehoeven. Renovations klinkt dus goed, al is hoorbaar dat dit niet een reguliere studioproductie betreft. Met name het drumgeluid heeft een livegevoel, wat uiteraard helemaal niet erg is.
Ik heb de andere boxen van de groep staan en toch kwam ik nieuw werk tegen. Bekend zijn echter Dedication, Military Man (anders dan de versie van Gary Moore met Lynott), Sisters of Mercy, een rockende versie van Nineteen (later door Lynott met producer Paul Hardcastle uitgebracht) en Sarah van Black Rose. Hier dus in de jasjes van Lynott solo en Grand Slam en die doen niet onder voor de versies die voordien verschenen.
Cd2 heet Orebro 1983 en bevat aan de setlist te zien dezelfde opnamen als Phil Lynott - Live in Sweden 1983 uit 2002. Hij deed deze tour kort na het einde van Lizzy met dan nog gitarist John Sykes en drummer Brian Downey in de gelederen, plus toetsenist Mark Stanway en gitarist Doish Nagle.
Sykes en Downey vertrokken, de groep werd Grand Slam gedoopt en op de navolgende drie live-cd's zijn de twee vervangen door respectievelijk Laurence Archer en Robbie Brennan. Die drie concerten stammen alle uit 1984 en bevatten logischerwijs de nodige overlap. Cd 4 (London 1984) bevat daarbij een karige vijf nummers en is qua tracklist eigenlijk overbodig.
Onverwachte pareltjes in die livesets: Solo in Soho, nooit eerder door Lynott op de planken gebracht; Dear Miss Lonely Hearts van datzelfde solodebuut; de terugkeer van Whisky in the Jar, zij het in een ander arrangement; en ook Lizzy's Cold Sweat werd gespeeld. Bij de demo-cd valt vooral cover Whiter Shade of Pale / Like a Rolling Stone op, plus enkele nummers die niet de remix haalden.
Aanbevolen voor de fanatiekere liefhebbers van Phil Lynott en Thin Lizzy. Let op, niet overal even duur - ik was te snel met aanschaffen en betaalde veel meer dan nodig. Maar nummers als Crime Rate en Harlem zijn nieuwe juweeltjes in mijn verzameling.
Bovendien ontdekte ik dat Grand Slam in 2019 terugkeerde met oud werk in nieuwe jasjes én dit jaar een album met nieuw materiaal uitbracht. Huh? Op naar Hit the Ground.
Grand Slam - Twilight's Last Gleaming (2003)
Alternatieve titel: The Last of Grand Slam

3,5
2
geplaatst: 29 november 2023, 16:59 uur
Nadat Thin Lizzy was gestopt, probeerde Phil Lynott het tevergeefs met Grand Slam. De groep maakte prima muziek, want liedjes schrijven en spelen konden Lynott en zijn kompanen (gitaristen Doish Nagle en Laurence Archer, toetsenist Mark Stanway en drummer Robbie Brennan) als de besten. Toch kwam het niet tot een platencontract: waar Lynott in de jaren '70 stoer over zijn 'bad reputation' had gezongen, was het nu aan eenieder in de muziekwereld bekend dat de man behoorlijk verslaafd was en daardoor onbetrouwbaar.
Mark Stanway schrijft in het cd-boekje dat de meeste liveopnamen van dit Twilight's Last Gleaming werden opgenomen in de Londense Marquee op 4 december 1984. Wat we horen is waarschijnlijk hetgeen het mengpaneel in de zaal binnenkwam, dat door hem en Martin Walker "painstakingly compiled and digitally re-mastered" werd.
Begrijpelijk is dat de groep zoveel mogelijk nummers van Thin Lizzy vermeed, al duikt wel Cold Sweat in de set op, zij het dat de riff net anders wordt gespeeld dan indertijd door John Sykes en Scott Gorham.
Van de Lizzyverzamelaar Dedication kende ik al het titelnummer, maar hier klinkt de originele versie met co-componist Archer, dat vooral in het solodeel afwijkt van de Lizzy's studioversie, waarvoor Gorham een nieuwe solo construeerde.
Verder komt muziek van zijn soloalbums voorbij, waarbij ook Nineteen van de gelijknamige single en EP en Military Man dat via Gary Moore de wereld inkwam, oorspronkelijk alleen met Lynott als componist maar de hoes vermeldt nu ook Stanway.
Ook klinkt mij onbekend werk. Om te beginnen de midtempo popsong Harlem. Lynott schreef dit met Nagle en het gaat eigenlijk over zijn geboortewijk Crumlin, aldus zijn introductie; een heerlijk liedje. Ook is er Breakdown, uptempo met een heerlijk weemoedige melodie; traditional Here We Go is een lekker rockertje geworden waarvan je zin in bier krijgt; en in de introductie van het jazz-swingachtige Gay Boys maakt Lynott enkele grappen die heden ten dage tot klachten zouden kunnen leiden. Nee, het is géén homohaatgeleuter zoals u misschien zou denken, maar politiek correct is hij evenmin. Melancholie klinkt eveneens in Can't Get Away en opnieuw is duidelijk dat toetsen een prominentere plek innamen in het geluid van Grand Slam, meer dan Lynott bij zijn vorige band toestond.
Het boekje biedt enkele leuke foto's, waarbij opvalt dat hairmetal zijn invloed liet gelden op de blonde heren Archer en Stanway, terwijl Nagle het bij zijn gewone donkere kapsel hield. En verder: het is leuk om Lynotts bekende zinnetjes als "We need your hélping hánds" en "Are you óut there?" met dat dikke Ierse accent te horen. De wijze waarop hij het publiek bespeelt bleef meesterlijk, verplichte kost voor iedereen die wil leren hoe je contact maakt met je publiek.
Ik zou ondanks de sterke nieuwe nummers kunnen klagen over de geluidkwaliteit, maar tegelijkertijd voelt deze rauwe mix alsof ik erbij was. Je ruikt bijna de sigaretten en het bier...
Mark Stanway schrijft in het cd-boekje dat de meeste liveopnamen van dit Twilight's Last Gleaming werden opgenomen in de Londense Marquee op 4 december 1984. Wat we horen is waarschijnlijk hetgeen het mengpaneel in de zaal binnenkwam, dat door hem en Martin Walker "painstakingly compiled and digitally re-mastered" werd.
Begrijpelijk is dat de groep zoveel mogelijk nummers van Thin Lizzy vermeed, al duikt wel Cold Sweat in de set op, zij het dat de riff net anders wordt gespeeld dan indertijd door John Sykes en Scott Gorham.
Van de Lizzyverzamelaar Dedication kende ik al het titelnummer, maar hier klinkt de originele versie met co-componist Archer, dat vooral in het solodeel afwijkt van de Lizzy's studioversie, waarvoor Gorham een nieuwe solo construeerde.
Verder komt muziek van zijn soloalbums voorbij, waarbij ook Nineteen van de gelijknamige single en EP en Military Man dat via Gary Moore de wereld inkwam, oorspronkelijk alleen met Lynott als componist maar de hoes vermeldt nu ook Stanway.
Ook klinkt mij onbekend werk. Om te beginnen de midtempo popsong Harlem. Lynott schreef dit met Nagle en het gaat eigenlijk over zijn geboortewijk Crumlin, aldus zijn introductie; een heerlijk liedje. Ook is er Breakdown, uptempo met een heerlijk weemoedige melodie; traditional Here We Go is een lekker rockertje geworden waarvan je zin in bier krijgt; en in de introductie van het jazz-swingachtige Gay Boys maakt Lynott enkele grappen die heden ten dage tot klachten zouden kunnen leiden. Nee, het is géén homohaatgeleuter zoals u misschien zou denken, maar politiek correct is hij evenmin. Melancholie klinkt eveneens in Can't Get Away en opnieuw is duidelijk dat toetsen een prominentere plek innamen in het geluid van Grand Slam, meer dan Lynott bij zijn vorige band toestond.
Het boekje biedt enkele leuke foto's, waarbij opvalt dat hairmetal zijn invloed liet gelden op de blonde heren Archer en Stanway, terwijl Nagle het bij zijn gewone donkere kapsel hield. En verder: het is leuk om Lynotts bekende zinnetjes als "We need your hélping hánds" en "Are you óut there?" met dat dikke Ierse accent te horen. De wijze waarop hij het publiek bespeelt bleef meesterlijk, verplichte kost voor iedereen die wil leren hoe je contact maakt met je publiek.
Ik zou ondanks de sterke nieuwe nummers kunnen klagen over de geluidkwaliteit, maar tegelijkertijd voelt deze rauwe mix alsof ik erbij was. Je ruikt bijna de sigaretten en het bier...
Grand Slam - Wheel of Fortune (2024)

3,5
0
geplaatst: 15 januari 2025, 18:03 uur
Het tweede officiële studioalbum van Grand Slam, de groep ooit door Phil Lynott (Thin Lizzy) en Mark Stanway opgericht en in 2019 dankzij gitarist Laurence Archer uit de as herrezen voor Hit the Ground.
Op de opvolger geen grote verwijzingen naar Lynott of Lizzy, afgezien van de twingitaarlijnen van de lekkere opener There Goes My Heart. Archer speelde in 1992 bij UFO en wat betreft de melodieuze hardrock van Grand Slam zou je ook een vergelijking met die groep kunnen maken, of de hardrockplaten van Gary Moore.
Grote verschil is echter de vrij zware stem van Mike Dyer, die weliswaar gezegend is met een rauw randje maar tegelijkertijd spanning mist - in mijn beleving, zeg ik er nederig bij. Tegelijkertijd kan Archer volop ouderwets schitteren met afwisselend melodieus of flitsend gitaarwerk, dankzij de solide basis van nieuwe bassist Rocky Newton en drummer Benjy Reid. Lekkere gitaarlijntjes bijvoorbeeld in Trail of Tears, heavy én swingend is het in Pirate Song en vooral het beschouwende en gevarieerde Afterlife valt op.
Het leidt tot een aangenaam album dat evenwel toch iets mist: een compositie die er qua melodie uitspringt. Zo'n nummer dat echt wat extra's heeft. Wat langskomt is desondanks zonder uitzondering degelijk en aangenaam, leidend tot een wat saaie 7,5 als schoolcijfer. Vooral een plaat voor de fanatiekere gitaarliefhebber, eentje die bovendien lekker vet is geproduceerd, mede dankzij (Nederlander?) Pieter Rietkerk.
2 maart staat Grand Slam in Tilburg in het voorprogramma van Saxon. Eens kijken hoe mijn agenda er dan uitziet, nieuwsgierig ben ik namelijk wél.
Op de opvolger geen grote verwijzingen naar Lynott of Lizzy, afgezien van de twingitaarlijnen van de lekkere opener There Goes My Heart. Archer speelde in 1992 bij UFO en wat betreft de melodieuze hardrock van Grand Slam zou je ook een vergelijking met die groep kunnen maken, of de hardrockplaten van Gary Moore.
Grote verschil is echter de vrij zware stem van Mike Dyer, die weliswaar gezegend is met een rauw randje maar tegelijkertijd spanning mist - in mijn beleving, zeg ik er nederig bij. Tegelijkertijd kan Archer volop ouderwets schitteren met afwisselend melodieus of flitsend gitaarwerk, dankzij de solide basis van nieuwe bassist Rocky Newton en drummer Benjy Reid. Lekkere gitaarlijntjes bijvoorbeeld in Trail of Tears, heavy én swingend is het in Pirate Song en vooral het beschouwende en gevarieerde Afterlife valt op.
Het leidt tot een aangenaam album dat evenwel toch iets mist: een compositie die er qua melodie uitspringt. Zo'n nummer dat echt wat extra's heeft. Wat langskomt is desondanks zonder uitzondering degelijk en aangenaam, leidend tot een wat saaie 7,5 als schoolcijfer. Vooral een plaat voor de fanatiekere gitaarliefhebber, eentje die bovendien lekker vet is geproduceerd, mede dankzij (Nederlander?) Pieter Rietkerk.
2 maart staat Grand Slam in Tilburg in het voorprogramma van Saxon. Eens kijken hoe mijn agenda er dan uitziet, nieuwsgierig ben ik namelijk wél.
Granny's Intentions - Honest Injun (1969)

4,0
1
geplaatst: 7 oktober 2023, 12:33 uur
De allereerste plaat waarop de latere fusion- en hardrock- en bluesgitarist en -zanger Gary Moore is te horen, was een vriendendienst aan zijn vrienden van Granny's Intentions, waar heel andere muziek werd gemaakt. Omdat het enige album Honest Injun inmiddels op streaming is te vinden, is het zeldzame plaatje inmiddels voor eenieder te beluisteren. Het stamt uit 1969 of 1970, afhankelijk van de bron die wordt geraadpleegd.
De Republiek Ierland is in de jaren '60 een land waar de straten nog handmatig met gaslantaarns werden verlicht en waar de zogenaamde showbands de wereld van de populaire livemuziek bepaalden, door hits in een keurig danszaaljasje te steken. Maar aan het einde van het decennium ontstaat onder invloed van Amerikaanse westcoast- en folk- en psychedelische rock eindelijk een volwaardige scene. Bij de eerste namen met een platencontract horen Sweeney's Men, Granny's Intentions, Dr. Strangely Strange en Skid Row, iets later gevolgd door Thin Lizzy.
Het was een interessant wereldje, leerde ik indertijd uit de popbio 'The Rocker' (1994) van Mark Putterford over Philip Lynott. Recentelijk bracht de biografie 'Gary Moore' (2022) van Harry Shapiro meer details: Granny's Intentions begon in Limerick, maar verhuisde naar Dublin; Johnny Duhan en Johnny Hockedy deelden in Dublin een kelderappartement. Als de laatste terugkeert naar Limerick, biedt Lynott zich bij Duhan aan "om te helpen met het betalen van de huur". Gary Moore trekt later bij hen in: hij had geen cent te makken en verbleef in een slaapzak op de grond.
Granny's Intentions bestaat dan uit zanger Johnny Duhan, gitarist en mandolinespeler Johnny Hockedy, toetsenist John Ryan, bassist en fluitist Pete Cummins, tevens ontwerper van de hoes van Honest Injun, plus drummer Noel Bridgeman.
In de Londense Deccastudio wordt begonnen aan de opnamen voor het debuut. Na vier nummers te hebben vastgelegd, verlaten zowel Hockedy als Bridgeman de groep. De resterende drie leden keren terug naar Ierland en herpakken zich met de zeventienjarige Gary Moore van Skid Row als tijdelijk vervanger, alsmede drummer Pat Nash, ex-The Uptown Band. Met hen wordt bij Decca de plaat afgemaakt.
Qua muziekstijlen gaat het diverse kanten op: stevige westcoastgitaren in opener Maybe, gevolgd door countryrock in We Both Need to Know. De groep maakte oorspronkelijk soul, waarvan dankzij gastblazers iets doorklinkt op With Salty Eyes.
Dwarsfluit en akoestische gitaren bepalen het levendige Fourthskin Blues dat geen bluesschema bevat: pure folk. Meer dwarsfluit op het swingende instrumentaal Nutmeg, Bitter-Sweet dat met zijn jazzdrumspel aan Jethro Tull of Focus doet denken en bovendien een gitaar- en hammondsolo bevat.
Dat ze uit Ierland kwamen blijkt pas tegen het einde met I'm Going waar een jigmelodie wordt gecombineerd met beat in Liverpoolstijl. Het lijkt een oud nummer te zijn, want op afsluiter Heavy Loaded Minds klinkt swingende en stevige rock met honkytonkpiano, gitaar en de rauwe kant van Duhans stem.
Op één uitzondering na (Dirty Lies met 5'04") duren de nummers niet langer dan 3'35". Het brengt extra afwisseling en na enige draaibeurten valt op dat de composities sterk zijn en de band in de diverse stijlen consequent geolied speelt. De stem van Duhan is aangenaam om naar te luisteren. Rode draad vormt elektrische westcoastrock met soms tweestemmige vocalen.
Gary Moore werd in 1970 opnieuw als gastmuzikant gevraagd, deze keer door Dr. Strangely Strange voor hun tweede elpee.
Noel Bridgeman is dan al overgestapt naar Skid Row en groeide uit tot één van Ierlands rocklegenden. In 1989 trad hij toe tot The Waterboys met wie hij op album Room to Roam speelde; hij overleed in 2021.
In 1972 stopt Granny's Intentions. Johnny Duhan, dan nog geen 21 jaar, begint een carrière als folkzanger en dichter en brengt vanaf 1996 negen albums uit; hij schreef muziek voor onder meer Christy Moore en Mary Black, alsmede bruiloftsklassieker The Voyage.
In 2004 verscheen Honest Injun op cd en zoals genoemd is de plaat inmiddels op streaming te vinden. In 2014 verscheen postuum de dvd/cd The Story of David met daarop ook een documentaire.
Muziek die mogelijk interessant is voor potjandosie, die hopelijk extra van deze muziek kan genieten!
De Republiek Ierland is in de jaren '60 een land waar de straten nog handmatig met gaslantaarns werden verlicht en waar de zogenaamde showbands de wereld van de populaire livemuziek bepaalden, door hits in een keurig danszaaljasje te steken. Maar aan het einde van het decennium ontstaat onder invloed van Amerikaanse westcoast- en folk- en psychedelische rock eindelijk een volwaardige scene. Bij de eerste namen met een platencontract horen Sweeney's Men, Granny's Intentions, Dr. Strangely Strange en Skid Row, iets later gevolgd door Thin Lizzy.
Het was een interessant wereldje, leerde ik indertijd uit de popbio 'The Rocker' (1994) van Mark Putterford over Philip Lynott. Recentelijk bracht de biografie 'Gary Moore' (2022) van Harry Shapiro meer details: Granny's Intentions begon in Limerick, maar verhuisde naar Dublin; Johnny Duhan en Johnny Hockedy deelden in Dublin een kelderappartement. Als de laatste terugkeert naar Limerick, biedt Lynott zich bij Duhan aan "om te helpen met het betalen van de huur". Gary Moore trekt later bij hen in: hij had geen cent te makken en verbleef in een slaapzak op de grond.
Granny's Intentions bestaat dan uit zanger Johnny Duhan, gitarist en mandolinespeler Johnny Hockedy, toetsenist John Ryan, bassist en fluitist Pete Cummins, tevens ontwerper van de hoes van Honest Injun, plus drummer Noel Bridgeman.
In de Londense Deccastudio wordt begonnen aan de opnamen voor het debuut. Na vier nummers te hebben vastgelegd, verlaten zowel Hockedy als Bridgeman de groep. De resterende drie leden keren terug naar Ierland en herpakken zich met de zeventienjarige Gary Moore van Skid Row als tijdelijk vervanger, alsmede drummer Pat Nash, ex-The Uptown Band. Met hen wordt bij Decca de plaat afgemaakt.
Qua muziekstijlen gaat het diverse kanten op: stevige westcoastgitaren in opener Maybe, gevolgd door countryrock in We Both Need to Know. De groep maakte oorspronkelijk soul, waarvan dankzij gastblazers iets doorklinkt op With Salty Eyes.
Dwarsfluit en akoestische gitaren bepalen het levendige Fourthskin Blues dat geen bluesschema bevat: pure folk. Meer dwarsfluit op het swingende instrumentaal Nutmeg, Bitter-Sweet dat met zijn jazzdrumspel aan Jethro Tull of Focus doet denken en bovendien een gitaar- en hammondsolo bevat.
Dat ze uit Ierland kwamen blijkt pas tegen het einde met I'm Going waar een jigmelodie wordt gecombineerd met beat in Liverpoolstijl. Het lijkt een oud nummer te zijn, want op afsluiter Heavy Loaded Minds klinkt swingende en stevige rock met honkytonkpiano, gitaar en de rauwe kant van Duhans stem.
Op één uitzondering na (Dirty Lies met 5'04") duren de nummers niet langer dan 3'35". Het brengt extra afwisseling en na enige draaibeurten valt op dat de composities sterk zijn en de band in de diverse stijlen consequent geolied speelt. De stem van Duhan is aangenaam om naar te luisteren. Rode draad vormt elektrische westcoastrock met soms tweestemmige vocalen.
Gary Moore werd in 1970 opnieuw als gastmuzikant gevraagd, deze keer door Dr. Strangely Strange voor hun tweede elpee.
Noel Bridgeman is dan al overgestapt naar Skid Row en groeide uit tot één van Ierlands rocklegenden. In 1989 trad hij toe tot The Waterboys met wie hij op album Room to Roam speelde; hij overleed in 2021.
In 1972 stopt Granny's Intentions. Johnny Duhan, dan nog geen 21 jaar, begint een carrière als folkzanger en dichter en brengt vanaf 1996 negen albums uit; hij schreef muziek voor onder meer Christy Moore en Mary Black, alsmede bruiloftsklassieker The Voyage.
In 2004 verscheen Honest Injun op cd en zoals genoemd is de plaat inmiddels op streaming te vinden. In 2014 verscheen postuum de dvd/cd The Story of David met daarop ook een documentaire.
Muziek die mogelijk interessant is voor potjandosie, die hopelijk extra van deze muziek kan genieten!
Green Bullfrog - Green Bullfrog (1971)

3,5
0
geplaatst: 4 juli 2024, 15:16 uur
Een album waarbij liefhebbers van Deep Purple de oren moeten spitsen. Ten eerste vanwege twee van de deelnemers aan dit eenmalige project Green Bullfrog, te weten Ritchie Blackmore en Ian Paice. Ten tweede vanwege het moment van opnemen en uitbrengen, namelijk in maart 1971 tussen In Rock en Fireball in.
Het album werd in 1980 in de VS en later in het cd-tijdperk ook daarbuiten ten onrechte heruitgegeven als een album van Blackmore met deze hoes (tot gisteren ook op MuMe als zodanig te vinden). Bovendien onder die vlag op streaming te vinden. Tijd voor enige correcties en vooral: wat is dit album Green Bullfrog wél?
Opgenomen van februari tot en met mei 1970, waarbij Discogs vermeldt dat het in 3 dagen op band werd gezet. Het zou allebei tegelijk waar kunnen zijn. In ieder geval tussen de drukke verplichtingen van de leden door. Green Bullfrog was het idee van producer Derek Lawrence, waarbij de muzikanten vanwege contractuele verplichtingen niet onder eigen naam werkten. Technicus was Martin Birch, in diezelfde periode naam makend met zijn producerswerk voor Deep Purple. Wie was wie en wat was zijn rol?
Zanger was Jordan oftewel Earl Jordan, die hierna zou toetreden tot Les Humphries Singers. Maar liefst vier leden speelden gitaar:
- Boots oftewel Ritchie Blackmore van Deep Purple;
- Pinta oftewel Albert Lee, dezelfde die in ’71 op Jon Lords Gemini Suite speelde en later bij onder meer Emmylou Harris en Bill Wyman zou opduiken;
- The Boss oftewel Big Jim Sullivan, sessiemuzikant bij onder meer Françoise Hardy, Cliff Richard en Gilbert O’ Sullivan;
- en The Vicar, alias van Rod Alexander, actief in onder meer de groep Axe.
Toetsen werden bespeeld door Sorry oftewel Matthew Fisher (piano) van Procol Harum én Bevy, alias van Tony Ashton (piano en orgel), die later opnieuw met Purpleleden zou werken in Paice Ashton Lord. Bassist is Sleepy oftewel Chas Hodges, als muliti-instrumentalist bekend van solowerk en op de drumkruk zat Speedy, beter bekend als Ian Paice van Deep Purple.
Tot 1978 is dit een obscuur album. Dan echter wordt Blackmore geïnterviewd door Guitar Player en met het bespreken van Green Bullfrog wordt voorkomen is dat het project in de vergetelheid verdwijnt. Wel ontstaat onnodige verwarring: ten onrechte noemt hij Roger Glover als bassist, een citaat dat op de Amerikaanse hoes van 1980 belandt.
En de muziek: een aangename verzameling van uptempo blues en klassieke r&b. De elpeeversie verschilt qua trackvolgorde van de cd-versie en streaming. De oorspronkelijke is toch echt veel logischer.
Na drie dampende r&b-nummers sluit het lange, instrumentale Bullfrog kant 1 af en laten de musici hun virtuositeit horen. Kant 2 vervolgt met meer r&b, waarbij op de eerste twee nummers blazers klinken en in Walk a Mile in My Shoes strijkers. Lovin' You Is Good for Me, Baby is het langzaamste nummer van de plaat maar nog altijd midtempo, waarin de blues het sterkst klinkt.
Bepaald niet alleen interessant voor liefhebbers van Deep Purple, maar ook voor hen die van energieke, klassieke r&b houden. Wie het album in zijn meest uitgebreide vorm wil horen, verwijs ik naar YouTube, waar een bonustrackversie is te vinden met naast de originele ook een opgepoetste mix én niet eerder verschenen nummers.
Het album werd in 1980 in de VS en later in het cd-tijdperk ook daarbuiten ten onrechte heruitgegeven als een album van Blackmore met deze hoes (tot gisteren ook op MuMe als zodanig te vinden). Bovendien onder die vlag op streaming te vinden. Tijd voor enige correcties en vooral: wat is dit album Green Bullfrog wél?
Opgenomen van februari tot en met mei 1970, waarbij Discogs vermeldt dat het in 3 dagen op band werd gezet. Het zou allebei tegelijk waar kunnen zijn. In ieder geval tussen de drukke verplichtingen van de leden door. Green Bullfrog was het idee van producer Derek Lawrence, waarbij de muzikanten vanwege contractuele verplichtingen niet onder eigen naam werkten. Technicus was Martin Birch, in diezelfde periode naam makend met zijn producerswerk voor Deep Purple. Wie was wie en wat was zijn rol?
Zanger was Jordan oftewel Earl Jordan, die hierna zou toetreden tot Les Humphries Singers. Maar liefst vier leden speelden gitaar:
- Boots oftewel Ritchie Blackmore van Deep Purple;
- Pinta oftewel Albert Lee, dezelfde die in ’71 op Jon Lords Gemini Suite speelde en later bij onder meer Emmylou Harris en Bill Wyman zou opduiken;
- The Boss oftewel Big Jim Sullivan, sessiemuzikant bij onder meer Françoise Hardy, Cliff Richard en Gilbert O’ Sullivan;
- en The Vicar, alias van Rod Alexander, actief in onder meer de groep Axe.
Toetsen werden bespeeld door Sorry oftewel Matthew Fisher (piano) van Procol Harum én Bevy, alias van Tony Ashton (piano en orgel), die later opnieuw met Purpleleden zou werken in Paice Ashton Lord. Bassist is Sleepy oftewel Chas Hodges, als muliti-instrumentalist bekend van solowerk en op de drumkruk zat Speedy, beter bekend als Ian Paice van Deep Purple.
Tot 1978 is dit een obscuur album. Dan echter wordt Blackmore geïnterviewd door Guitar Player en met het bespreken van Green Bullfrog wordt voorkomen is dat het project in de vergetelheid verdwijnt. Wel ontstaat onnodige verwarring: ten onrechte noemt hij Roger Glover als bassist, een citaat dat op de Amerikaanse hoes van 1980 belandt.
En de muziek: een aangename verzameling van uptempo blues en klassieke r&b. De elpeeversie verschilt qua trackvolgorde van de cd-versie en streaming. De oorspronkelijke is toch echt veel logischer.
Na drie dampende r&b-nummers sluit het lange, instrumentale Bullfrog kant 1 af en laten de musici hun virtuositeit horen. Kant 2 vervolgt met meer r&b, waarbij op de eerste twee nummers blazers klinken en in Walk a Mile in My Shoes strijkers. Lovin' You Is Good for Me, Baby is het langzaamste nummer van de plaat maar nog altijd midtempo, waarin de blues het sterkst klinkt.
Bepaald niet alleen interessant voor liefhebbers van Deep Purple, maar ook voor hen die van energieke, klassieke r&b houden. Wie het album in zijn meest uitgebreide vorm wil horen, verwijs ik naar YouTube, waar een bonustrackversie is te vinden met naast de originele ook een opgepoetste mix én niet eerder verschenen nummers.
Greg Lake - Greg Lake (1981)

4,0
0
geplaatst: 29 augustus 2023, 21:13 uur
Lezend in Harry Shapiro's biografie over Gary Moore kwam ik iets tegen wat ik volkomen kwijt was. Nuclear Attack kende ik van concerten van Moore, gehoord op de radio. Maar de eerste keer dat ik het nummer van vinyl hoorde was bij dit album van Greg Lake.
In 1982, '83 ontdekte ik dat de gitarist ook nog een tijdje bij de voormalige zanger/bassist van Emerson, Lake & Palmer had gespeeld. Hoera, die stond in de bak van de dorpsfonotheek! Het eerste nummer van diens solodebuut (Nuclear Attack) vond ik het sterkste, in het tweede (I Love You Too Much) klinkt zowaar lekkere adult oriented rock en de derde (It Hurts) is een prima rockballade. En dan is de koek op, volgt rustiger muziek en gaat Lake's zalvende stem mij tegenstaan.
Shapiro vertelt hoe Moore wel albums opnam voor Jet, maar de platenmaatschappij legde deze vervolgens in de kast. Als je dan wordt gevraagd door Lake, die met zijn muzikale verleden een groot budget had gekregen, zeg je niet nee.
Hij zou één nummer inspelen. Moore liep de studio binnen en zonder het nummer vooraf te beluisteren, speelde hij meteen mee. Dit was I Love You Too Much, wat Lake had geschreven met Bob Dylan. De take was perfect en Lake stomverbaasd. De man "kon praten als een politicus" en haalde Moore niet alleen over om méér in te spelen. Nee, Moore werd lid van de Greg Lake Band.
Het album werd wisselvallig in kwaliteit en qua stijlen een allegaartje met zelfs jazzachtige pop, waar Clarence Clemons van The E-Street Band meespeelt en verder bijdragen van onder meer Steve Lukather en Jeff Porcaro van Toto. Vaste toetsenist was Tommy Eyre, die ik inmiddels kende van The Michael Schenker Group, drummer Ted McKenna was ik bij Rory Gallagher én Schenker tegengekomen.
Maar de inzet van "grote namen" betekent niet per se een groots album. De stem van Lake doet wel denken aan die van Gerry Rafferty: prima voor pop met folkinvloeden of ballades, niet voor stevige rock. De composities hebben het niet: als liefhebber van het werk van Gary Moore beleefde ik dit als een afgezwakte vorm daarvan.
Lake's platenbazen hadden grote verwachtingen, maar alhoewel het debuut niet slecht verkocht waren het niet de gewenste verkoopcijfers van E, L & P. Hij kreeg echter nog een kans en Moore speelde bovendien op opvolger Manoeuvres. Dat laatste wist ik tot vorige week niet, tijd om dat plaatje te gaan beluisteren.
In 1982, '83 ontdekte ik dat de gitarist ook nog een tijdje bij de voormalige zanger/bassist van Emerson, Lake & Palmer had gespeeld. Hoera, die stond in de bak van de dorpsfonotheek! Het eerste nummer van diens solodebuut (Nuclear Attack) vond ik het sterkste, in het tweede (I Love You Too Much) klinkt zowaar lekkere adult oriented rock en de derde (It Hurts) is een prima rockballade. En dan is de koek op, volgt rustiger muziek en gaat Lake's zalvende stem mij tegenstaan.
Shapiro vertelt hoe Moore wel albums opnam voor Jet, maar de platenmaatschappij legde deze vervolgens in de kast. Als je dan wordt gevraagd door Lake, die met zijn muzikale verleden een groot budget had gekregen, zeg je niet nee.
Hij zou één nummer inspelen. Moore liep de studio binnen en zonder het nummer vooraf te beluisteren, speelde hij meteen mee. Dit was I Love You Too Much, wat Lake had geschreven met Bob Dylan. De take was perfect en Lake stomverbaasd. De man "kon praten als een politicus" en haalde Moore niet alleen over om méér in te spelen. Nee, Moore werd lid van de Greg Lake Band.
Het album werd wisselvallig in kwaliteit en qua stijlen een allegaartje met zelfs jazzachtige pop, waar Clarence Clemons van The E-Street Band meespeelt en verder bijdragen van onder meer Steve Lukather en Jeff Porcaro van Toto. Vaste toetsenist was Tommy Eyre, die ik inmiddels kende van The Michael Schenker Group, drummer Ted McKenna was ik bij Rory Gallagher én Schenker tegengekomen.
Maar de inzet van "grote namen" betekent niet per se een groots album. De stem van Lake doet wel denken aan die van Gerry Rafferty: prima voor pop met folkinvloeden of ballades, niet voor stevige rock. De composities hebben het niet: als liefhebber van het werk van Gary Moore beleefde ik dit als een afgezwakte vorm daarvan.
Lake's platenbazen hadden grote verwachtingen, maar alhoewel het debuut niet slecht verkocht waren het niet de gewenste verkoopcijfers van E, L & P. Hij kreeg echter nog een kans en Moore speelde bovendien op opvolger Manoeuvres. Dat laatste wist ik tot vorige week niet, tijd om dat plaatje te gaan beluisteren.
Greg Lake - In Concert (1996)
Alternatieve titel: King Biscuit Flower Hour

3,5
0
geplaatst: 30 augustus 2023, 18:18 uur
Beter dan de twee studioalbums die Greg Lake maakte. Althans, in de oren van iemand die via Gary Moore bij diens jaartje bij Lake uitkomt. Op In Concert, opgenomen in Londen in november 1981 tijdens de tournee bij album Greg Lake, wordt minder op twee gedachten gehinkt (wil ik poppen of rocken?) en wint de gitaar. De omfloerste stem van Lake stoort me hier niet of nauwelijks, behalve als hij Parisienne Walkways van Philip Lynott en Moore zingt.
De nummers uit Lake's tijd bij King Crimson passen goed bij Moore, die in 21st Century Schizoid Man en Court of the Crimson King de ruimte krijgt om ondanks Lake's vlakke vertolkingen de muziek omhoog te tillen. Hetzelfde gebeurt op C'est la Vie, oorspronkelijk van Emerson, Lake & Palmer.
Greg Lake deed behalve leadzang ook de tweede gitaar. Verder horen we toetsenist Tommy Eyre, bassist Tris Margetts en drummer Ted McKenna; ze kwijten zich prima van hun taak, al had de productie (gedaan door de frontman zelf) wel wat beter gemogen. Zelfs zijn eigen stem klinkt wat ver weg.
De heren waren in de Greg Lake Band verzekerd van vaste inkomsten, maar ik kan me niet voorstellen dat ze in creatief opzicht tevreden waren, wat zeker voor Moore moet hebben gegolden. Die werd echter onder de hoede genomen van manager Steve Barnett, die erin slaagde om de solodoorbraak van Moore te arrangeren. Eindelijk. Dit met Corridors of Power uit 1982.
Lake bereikte nooit meer het niveau wat hij sinds eind jaren '60 haalde en overleed na diverse reünies van zijn vorige groepen in 2016.
De nummers uit Lake's tijd bij King Crimson passen goed bij Moore, die in 21st Century Schizoid Man en Court of the Crimson King de ruimte krijgt om ondanks Lake's vlakke vertolkingen de muziek omhoog te tillen. Hetzelfde gebeurt op C'est la Vie, oorspronkelijk van Emerson, Lake & Palmer.
Greg Lake deed behalve leadzang ook de tweede gitaar. Verder horen we toetsenist Tommy Eyre, bassist Tris Margetts en drummer Ted McKenna; ze kwijten zich prima van hun taak, al had de productie (gedaan door de frontman zelf) wel wat beter gemogen. Zelfs zijn eigen stem klinkt wat ver weg.
De heren waren in de Greg Lake Band verzekerd van vaste inkomsten, maar ik kan me niet voorstellen dat ze in creatief opzicht tevreden waren, wat zeker voor Moore moet hebben gegolden. Die werd echter onder de hoede genomen van manager Steve Barnett, die erin slaagde om de solodoorbraak van Moore te arrangeren. Eindelijk. Dit met Corridors of Power uit 1982.
Lake bereikte nooit meer het niveau wat hij sinds eind jaren '60 haalde en overleed na diverse reünies van zijn vorige groepen in 2016.
Greg Lake - Manoeuvres (1983)

2,0
0
geplaatst: 30 augustus 2023, 09:20 uur
De opvolger van Greg Lakes titelloze solodebuut was wegens lage verkoopcijfers meteen de laatste die hij maakte, aldus Harry Shapiro in zijn biografie over Gary Moore. Laatstgenoemde is wat mij betreft de enige die de muziek van Lake een beetje naar niveau tilt.
Eerder was Greg Lake met zijn groep (waarin verder toetsenist Tommy Eyre en drummer Ted McKenna) op tournee geweest in de Verenigde Staten. Die was voor Moore om dubbele reden onbevredigend. Niet alleen vielen de bezoekersaantallen tegen, ook ontdekte hij dat zijn naam en reputatie nog altijd niet het land van uncle Sam hadden bereikt.
Net als op het debuut staan de meer gepeperde nummers op de eerste helft. Oftewel, waar Moores gitaar klinkt en waar de Noord-Ier aan meeschreef. Waar hij op de voorganger Nuclear Attack meebracht, zijn nu opener en titelnummer Manoeuvres, A Woman Like You en I Don't Wanna Lose Your Love Tonight van zijn hand.
Op Manoeuvres mis ik een gitaarsolo. Die zit wel in het door Lake geschreven Too Young to Love, een uptempo rockertje en tilt de boel meteen naar een hoger niveau, hetgeen op het eveneens door Lake neergepende Paralysed gebeurt.
Moores A Woman Like You blijkt een popnummer te zijn met korte gitaarsolo en Moore hoorbaar in het koortje bij het refrein. I Don't Wanna Lose Your Love Tonight is dus ook van Moore en heeft gelukkig een gitaarsolo, zij het kort.
Op de tweede helft voert zouteloze pop de boventoon, al klinken in I Don't Know Why I Still Love You aangename symfonische toetsen. De melodie is echter als een doorsnee popnummer, passend bij het 1983 waarin de plaat verscheen. Vergeef me dat ik denk dat hij het liedje beter aan een popzangeres van het kaliber Anita Meyer had kunnen geven.
Lake trok de stekker uit zijn solocarrière, om te beginnen door zijn korte verblijf bij Asia, later kwam ik zijn naam tegen bij Emerson, Lake & Powell. In 1995 verscheen King Biscuit Flower Hour Presents Greg Lake in Concert met opnamen uit 1981, dus mét Gary Moore. Op MuMe te vinden als In Concert. De man die hoogst noodzakelijk zout en peper aan Lakes muziek toevoegde.
Eerder was Greg Lake met zijn groep (waarin verder toetsenist Tommy Eyre en drummer Ted McKenna) op tournee geweest in de Verenigde Staten. Die was voor Moore om dubbele reden onbevredigend. Niet alleen vielen de bezoekersaantallen tegen, ook ontdekte hij dat zijn naam en reputatie nog altijd niet het land van uncle Sam hadden bereikt.
Net als op het debuut staan de meer gepeperde nummers op de eerste helft. Oftewel, waar Moores gitaar klinkt en waar de Noord-Ier aan meeschreef. Waar hij op de voorganger Nuclear Attack meebracht, zijn nu opener en titelnummer Manoeuvres, A Woman Like You en I Don't Wanna Lose Your Love Tonight van zijn hand.
Op Manoeuvres mis ik een gitaarsolo. Die zit wel in het door Lake geschreven Too Young to Love, een uptempo rockertje en tilt de boel meteen naar een hoger niveau, hetgeen op het eveneens door Lake neergepende Paralysed gebeurt.
Moores A Woman Like You blijkt een popnummer te zijn met korte gitaarsolo en Moore hoorbaar in het koortje bij het refrein. I Don't Wanna Lose Your Love Tonight is dus ook van Moore en heeft gelukkig een gitaarsolo, zij het kort.
Op de tweede helft voert zouteloze pop de boventoon, al klinken in I Don't Know Why I Still Love You aangename symfonische toetsen. De melodie is echter als een doorsnee popnummer, passend bij het 1983 waarin de plaat verscheen. Vergeef me dat ik denk dat hij het liedje beter aan een popzangeres van het kaliber Anita Meyer had kunnen geven.
Lake trok de stekker uit zijn solocarrière, om te beginnen door zijn korte verblijf bij Asia, later kwam ik zijn naam tegen bij Emerson, Lake & Powell. In 1995 verscheen King Biscuit Flower Hour Presents Greg Lake in Concert met opnamen uit 1981, dus mét Gary Moore. Op MuMe te vinden als In Concert. De man die hoogst noodzakelijk zout en peper aan Lakes muziek toevoegde.
Grian Chatten - Chaos for the Fly (2023)

4,0
0
geplaatst: 7 september 2024, 07:13 uur
deric raven schreef:
Hm... Mijn ervaring is juist dat het je goed kan doen als je afstand neemt van je oude bestaan. Dat je dan beter ziet hoe het leven thuis is en wie je zelf bent.
En wie zijn die "trouwe hulpeloze volgelingen"? Zijn bandmaatjes van Fontaines D.C.? Wel, die broedden op de sterke opvolger die onlangs verscheen: niks hulpeloos.
Vanaf de jaren '60 trokken vele Ierse muzikanten naar Londen, al was dat vaak noodzaak om een carrière verder te doen groeien. Een mooi voorbeeld zijn The Pogues, die juist op afstand op het idee kwamen om punk te combineren met traditionele Ierse folk.
In eigen land kreeg hun muziek weinig applaus: jigs en reels in een nieuw jasje? Niet leuk. In het Verenigd Koninkrijk en elders beleefde men dat anders. The Pogues hadden in eigen land nooit de hoogten kunnen bereiken die ze in Londen ontwikkelden.
Iets soortgelijks zie ik bij Grian Chatten op solodebuut Chaos for the Fly. De belangstelling was groot omdat hij als zanger van postpunkgroep Fontaines D.C. naam had gemaakt. Ook zonder die kennis was ik echter onder de indruk. Met andere muzikanten en in andere stijlen vaart hij een eigen koers die hij omzet in tien sterke liedjes. Hij beschouwt in die liedjes Ierland, het leven én zichzelf. Bovendien kan hij zo uit andere muzikale vaatjes tappen.
Drie voorbeelden: Last Time Every Time Forever heeft met zijn 6/8 maat en strijkers weg van Tindersticks - maar dan met die kenmerkende stem van Chatten; bij Bob's Casino denk ik dankzij de loungetrompetjes aan het werk van Herb Alpert - maar dan met die eigenwijze stem van Chatten en als contrast die van zangeres Georgie Jesson - hoe mooi; in Salt Throwers Off A Truck klinkt folk - met die soms dwarrelende zanglijnen van Chatten.
Skinty Fia, de derde van Fontaines D.C. van het jaar ervoor, vond ik qua melodieën niet altijd even sterk, al kwam ik nog altijd op drieëneenhalve ster uit. Chaos for the Fly bevalt beter. Ik heb wel wat met Chattens frasering, zangstijl en de Ierse sfeer die doorwerkt. Zeker op dit persoonlijke en gevarieerde plaatje, dat met z'n 36 minuten niet te lang doorgaat en mij als schoolcijfer een 8,5 waard is.
Grian Chatten verlaat zijn trouwe hulpeloze volgelingen in de strijd tegen de onmacht. Hoe ironisch is het dat hij nu al Londen als zijn nieuwe muzikale hoofdstad beschouwd, waarmee hij al een stukje Ierse mentaliteit in de uitverkoop gooit. Het voelt wel een beetje als verraad aan.
Hm... Mijn ervaring is juist dat het je goed kan doen als je afstand neemt van je oude bestaan. Dat je dan beter ziet hoe het leven thuis is en wie je zelf bent.
En wie zijn die "trouwe hulpeloze volgelingen"? Zijn bandmaatjes van Fontaines D.C.? Wel, die broedden op de sterke opvolger die onlangs verscheen: niks hulpeloos.
Vanaf de jaren '60 trokken vele Ierse muzikanten naar Londen, al was dat vaak noodzaak om een carrière verder te doen groeien. Een mooi voorbeeld zijn The Pogues, die juist op afstand op het idee kwamen om punk te combineren met traditionele Ierse folk.
In eigen land kreeg hun muziek weinig applaus: jigs en reels in een nieuw jasje? Niet leuk. In het Verenigd Koninkrijk en elders beleefde men dat anders. The Pogues hadden in eigen land nooit de hoogten kunnen bereiken die ze in Londen ontwikkelden.
Iets soortgelijks zie ik bij Grian Chatten op solodebuut Chaos for the Fly. De belangstelling was groot omdat hij als zanger van postpunkgroep Fontaines D.C. naam had gemaakt. Ook zonder die kennis was ik echter onder de indruk. Met andere muzikanten en in andere stijlen vaart hij een eigen koers die hij omzet in tien sterke liedjes. Hij beschouwt in die liedjes Ierland, het leven én zichzelf. Bovendien kan hij zo uit andere muzikale vaatjes tappen.
Drie voorbeelden: Last Time Every Time Forever heeft met zijn 6/8 maat en strijkers weg van Tindersticks - maar dan met die kenmerkende stem van Chatten; bij Bob's Casino denk ik dankzij de loungetrompetjes aan het werk van Herb Alpert - maar dan met die eigenwijze stem van Chatten en als contrast die van zangeres Georgie Jesson - hoe mooi; in Salt Throwers Off A Truck klinkt folk - met die soms dwarrelende zanglijnen van Chatten.
Skinty Fia, de derde van Fontaines D.C. van het jaar ervoor, vond ik qua melodieën niet altijd even sterk, al kwam ik nog altijd op drieëneenhalve ster uit. Chaos for the Fly bevalt beter. Ik heb wel wat met Chattens frasering, zangstijl en de Ierse sfeer die doorwerkt. Zeker op dit persoonlijke en gevarieerde plaatje, dat met z'n 36 minuten niet te lang doorgaat en mij als schoolcijfer een 8,5 waard is.
Gruppo Sportivo - 10 Mistakes (1977)

3,5
0
geplaatst: 3 mei 2024, 15:35 uur
Ook al vind ik niet alle nummers even goed: dit is oprecht een mijlpaaltje, niet alleen in de Nederlandse popgeschiedenis maar met alle vrolijkheid ook in de historie van new wave. Iets soortgelijks was tot dan toe niet voorgekomen in dit genre / deze stroming. 47 jaar later is dat iets wat alleen maar indrukwekkender is.
Het verbaast me dan ook dat online over de groep en dit debuut in het bijzonder, weinig is te vinden. Zo was het een hele speurtocht om te ontdekken in welke maand 10 Mistakes verscheen. Oktober van 1977, denk ik inmiddels. Hopelijk kunnen andere MuMensen meer vertellen bij deze plaat!
Het verbaast me dan ook dat online over de groep en dit debuut in het bijzonder, weinig is te vinden. Zo was het een hele speurtocht om te ontdekken in welke maand 10 Mistakes verscheen. Oktober van 1977, denk ik inmiddels. Hopelijk kunnen andere MuMensen meer vertellen bij deze plaat!
Gruppo Sportivo - Back to 78 (1978)

4,0
0
geplaatst: 11 juli 2024, 10:50 uur
Op reis door de new wave van 1978 kom ik vanaf het tweede album van The Clash hier terecht.
"She said 'Your nose is running, honey'
I said 'Sorry but it's not."
Spreek dit hardop uit en je hoort de woordgrap in de hitsingle van dit album.
Er valt meer te lachen. Voor wie de vinylversie van Back to 78 van Gruppo Sportivo niet kent: een grijze hoes met een gat in het midden, waarin precies het platenlabel past. Doe je de elpee daarin, dan zie je de scene zoals bovenaan deze pagina afgebeeld. Foto van Anton Corbijn. Ik kan me voorstellen dat de fotoshoot hilarisch is geweest...
Het album is de opvolger van 10 Mistakes en eind december 1978 was mijn eerste kennismaking middels hun tweede hit. Hey Girl betrad op 23 december de Nationale Hitparade en zou in januari '79 op #13 pieken. In mijn persoonlijke top 15 echter veel hoger met zijn héérlijk felle riffje. Op bezoek bij een oom en tante bleek ook mijn even oude nicht gecharmeerd te zijn van de groep; dit was de muziek van een nieuwe generatie, althans, zo voelde dat.
De single opent ook het album en de trompetsolo blijkt van Rein van de Broek te zijn, dezelfde van diverse tourjingles bij Radio Tour de France! In deze julimaand extra vermeldenswaardig.
En er zijn meer briljantjes. Op kant 1 staan maar liefst acht nummers, waarvan de grootste uitschieters: het door Meike Touw en Josee van Iersel gezongen Bernadette met pakkend orgeltje en hetzelfde geldt voor hun P.S. 78 met daarin enige Franse tekst. Dan het akoestische (!) klassiekertje Tokyo, gezongen door gitarist en gezicht van de groep Hans Vandenburg; reggae in Are You Ready? en het uptempo en vrolijke The Booby-Trap Boogie sluit de eerste helft af.
Kant 2 begint met pareltje Blah-Blah Magazines, over de vergelijkingen die de groep ten deel vielen. Vele namen komen voorbij, destijds een favoriet van mijn nicht en mij. Het zwoele One Way Love (from Me to You) is ingetogener. Bottom of the Class bezingt de sleur van een saaaaaaie schooldag ("Do you homework and your parents love you") met steunzang van, hoe slim, een tienerkoor van het Aloysius College.
In 2013 zette Henk Westbroek op bezoek bij Gerard Ekdom in Toppop op 3 de groep in het zonnetje. Daarin vanaf 5'00" het verhaal hoe Dexter Holland van The Offspring Tokyo stal van Gruppo Sportivo zonder auteursgelden af te staan, via een Japanse groep daarmee een hit scoorde en hoe het toch een happy end kreeg.
Op streaming staan als bonussen de niet-albumsingles Disco Really Made It (sluw op discobeat gezet), #10 in maart 1979 en #27 in Vlaanderen, en Sleeping Bag, de liefdesode aan de slaapzak, dat in juni dat jaar mijn zomervakantie inluidde. Ik was op het nippertje over... Als ik het hoor, weet ik nog altijd hoe die zalige tijd begon! Het haalde #43.
Die staan dus niet op het originele vinyl, ik zal die toch eens op cd moeten aanschaffen - of via één van de verzamelaars van de groep. Gruppo Sportivo ging ter ziele terwijl Sleeping Bag nog een hit was, waardoor de single niet hoger reikte. Nog altijd een juweeltje.
Vandenburg keerde nog in '79 terug met The Buddy Odor Stop, in 1980 was hij er weer met Gruppo Sportivo met Copy Copy.
Mijn reis door new wave blijft nog even in 1978: op naar The Scream van Siouxsie and the Banshees.
"She said 'Your nose is running, honey'
I said 'Sorry but it's not."
Spreek dit hardop uit en je hoort de woordgrap in de hitsingle van dit album.
Er valt meer te lachen. Voor wie de vinylversie van Back to 78 van Gruppo Sportivo niet kent: een grijze hoes met een gat in het midden, waarin precies het platenlabel past. Doe je de elpee daarin, dan zie je de scene zoals bovenaan deze pagina afgebeeld. Foto van Anton Corbijn. Ik kan me voorstellen dat de fotoshoot hilarisch is geweest...
Het album is de opvolger van 10 Mistakes en eind december 1978 was mijn eerste kennismaking middels hun tweede hit. Hey Girl betrad op 23 december de Nationale Hitparade en zou in januari '79 op #13 pieken. In mijn persoonlijke top 15 echter veel hoger met zijn héérlijk felle riffje. Op bezoek bij een oom en tante bleek ook mijn even oude nicht gecharmeerd te zijn van de groep; dit was de muziek van een nieuwe generatie, althans, zo voelde dat.
De single opent ook het album en de trompetsolo blijkt van Rein van de Broek te zijn, dezelfde van diverse tourjingles bij Radio Tour de France! In deze julimaand extra vermeldenswaardig.
En er zijn meer briljantjes. Op kant 1 staan maar liefst acht nummers, waarvan de grootste uitschieters: het door Meike Touw en Josee van Iersel gezongen Bernadette met pakkend orgeltje en hetzelfde geldt voor hun P.S. 78 met daarin enige Franse tekst. Dan het akoestische (!) klassiekertje Tokyo, gezongen door gitarist en gezicht van de groep Hans Vandenburg; reggae in Are You Ready? en het uptempo en vrolijke The Booby-Trap Boogie sluit de eerste helft af.
Kant 2 begint met pareltje Blah-Blah Magazines, over de vergelijkingen die de groep ten deel vielen. Vele namen komen voorbij, destijds een favoriet van mijn nicht en mij. Het zwoele One Way Love (from Me to You) is ingetogener. Bottom of the Class bezingt de sleur van een saaaaaaie schooldag ("Do you homework and your parents love you") met steunzang van, hoe slim, een tienerkoor van het Aloysius College.
In 2013 zette Henk Westbroek op bezoek bij Gerard Ekdom in Toppop op 3 de groep in het zonnetje. Daarin vanaf 5'00" het verhaal hoe Dexter Holland van The Offspring Tokyo stal van Gruppo Sportivo zonder auteursgelden af te staan, via een Japanse groep daarmee een hit scoorde en hoe het toch een happy end kreeg.
Op streaming staan als bonussen de niet-albumsingles Disco Really Made It (sluw op discobeat gezet), #10 in maart 1979 en #27 in Vlaanderen, en Sleeping Bag, de liefdesode aan de slaapzak, dat in juni dat jaar mijn zomervakantie inluidde. Ik was op het nippertje over... Als ik het hoor, weet ik nog altijd hoe die zalige tijd begon! Het haalde #43.
Die staan dus niet op het originele vinyl, ik zal die toch eens op cd moeten aanschaffen - of via één van de verzamelaars van de groep. Gruppo Sportivo ging ter ziele terwijl Sleeping Bag nog een hit was, waardoor de single niet hoger reikte. Nog altijd een juweeltje.
Vandenburg keerde nog in '79 terug met The Buddy Odor Stop, in 1980 was hij er weer met Gruppo Sportivo met Copy Copy.
Mijn reis door new wave blijft nog even in 1978: op naar The Scream van Siouxsie and the Banshees.
Gruppo Sportivo - Copy Copy (1980)

3,5
0
geplaatst: 17 maart 2025, 19:52 uur
Door bovenstaande bericht ging ik even twijfelen. Dames eruit, blazers erin? Ja, dat klopt én er kwam nóg een groepslid bij: mevrouw Anne Martin, voorheen zangeres bij Deaf School dat drie albums uitbracht. Dat verklaart waarom ik op diverse nummers vrouwelijke leadzang hoor.
Opgenomen in de befaamde Rockfield Studios in Wales, gemixt in de Hilversumse Wisseloord Studios. Dat leidde evenwel niet tot groot succes, al herinner ik me dat Gruppo Sportivo het onverminderd goed deed in het clubcircuit.
Na het plotselinge einde van Gruppo Sportivo in 1979, daarmee het succes van single Sleeping Bag smorend (aldus mijn herinnering, of dat werkelijk zo was?) volgde datzelfde jaar een soloproject van Hans Vandenburg: het plezante maar minder succesvolle The Buddy Odor Stop.
Toen de Haagse groep in juli 1980 terugkeerde, was het momentum van de groep kennelijk voorbij. Op deze doorstart staan diverse nummers met hitpotentieel, toch blijft Sleeping Bag tot op de dag van vandaag hun laatste hit.
Ik hoor desondanks diverse leuke nummers met eigenwijze new wave, dankzij de stem van Vandenburg en diens regelmatig ironische invallen. Allereerst de stevige opener Don't Count on Me (Hans Vandenburg gaat níet voor u naar Afghanistan!) en de ska van Goodbye Radio; in beide heeft de blazerssectie een belangrijke rol. Dan volgen twee nummers met Anne Martin bij de microfoon, waarvan vooral It's Too Late eruit springt. De groep klinkt plotseling Britser dan ooit.
Dan volgt minder werk, inclusief het door Martin gezongen I Don't Need You. Het swingende instrumentale The Unusual Soup Recipe Blues duurt nog geen minuut en Up to Date is een volwaardig, uptempo poplied met de kenmerkende zang van Vandenburg. Only on Weekends heeft door de blaaspartijen zowaar een vleugje soul, maar melodie en ritme pakken niet.
Met In Love Again volgt dankzij de toetsen van Peter Calicher weer een nummer in wavesfeer; zijn invloed op het geluid van Gruppo Sportivo is groot. Opgewekte reggae in Ramona over het einde van een liefde: "You're my wonder woman and I'm your man of steel, why would we change that, that's how I feel?" Slotlied What Happened to Romance heeft wel iets weg van hun eerste hit Rock 'n' Roll, Vandenburg speelt weer de rol van romantische verliezer.
Met Goodbye Radio, It's Too Late, Up to Date en Ramona hoor ik vier liedjes met hitpotentie. Dit had meer verdiend. Ook leuk is de ontdekking dat de foto's van de groepsleden werden gemaakt door Anton Corbijn. Als album een brave 7 en dat is eigenlijk te weinig voor deze groep. Daar veranderen de sterke blaaspartijen niets aan.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van de Londense pubrockers Eddie & The Hot Rods en Fish 'n' Chips en ik keer terug naar die stad. Op naar de (post-)punks van Girls at Our Best! en de non-albumsingle Getting Nowhere Fast, later verschenen op hun Pleasure.
Opgenomen in de befaamde Rockfield Studios in Wales, gemixt in de Hilversumse Wisseloord Studios. Dat leidde evenwel niet tot groot succes, al herinner ik me dat Gruppo Sportivo het onverminderd goed deed in het clubcircuit.
Na het plotselinge einde van Gruppo Sportivo in 1979, daarmee het succes van single Sleeping Bag smorend (aldus mijn herinnering, of dat werkelijk zo was?) volgde datzelfde jaar een soloproject van Hans Vandenburg: het plezante maar minder succesvolle The Buddy Odor Stop.
Toen de Haagse groep in juli 1980 terugkeerde, was het momentum van de groep kennelijk voorbij. Op deze doorstart staan diverse nummers met hitpotentieel, toch blijft Sleeping Bag tot op de dag van vandaag hun laatste hit.
Ik hoor desondanks diverse leuke nummers met eigenwijze new wave, dankzij de stem van Vandenburg en diens regelmatig ironische invallen. Allereerst de stevige opener Don't Count on Me (Hans Vandenburg gaat níet voor u naar Afghanistan!) en de ska van Goodbye Radio; in beide heeft de blazerssectie een belangrijke rol. Dan volgen twee nummers met Anne Martin bij de microfoon, waarvan vooral It's Too Late eruit springt. De groep klinkt plotseling Britser dan ooit.
Dan volgt minder werk, inclusief het door Martin gezongen I Don't Need You. Het swingende instrumentale The Unusual Soup Recipe Blues duurt nog geen minuut en Up to Date is een volwaardig, uptempo poplied met de kenmerkende zang van Vandenburg. Only on Weekends heeft door de blaaspartijen zowaar een vleugje soul, maar melodie en ritme pakken niet.
Met In Love Again volgt dankzij de toetsen van Peter Calicher weer een nummer in wavesfeer; zijn invloed op het geluid van Gruppo Sportivo is groot. Opgewekte reggae in Ramona over het einde van een liefde: "You're my wonder woman and I'm your man of steel, why would we change that, that's how I feel?" Slotlied What Happened to Romance heeft wel iets weg van hun eerste hit Rock 'n' Roll, Vandenburg speelt weer de rol van romantische verliezer.
Met Goodbye Radio, It's Too Late, Up to Date en Ramona hoor ik vier liedjes met hitpotentie. Dit had meer verdiend. Ook leuk is de ontdekking dat de foto's van de groepsleden werden gemaakt door Anton Corbijn. Als album een brave 7 en dat is eigenlijk te weinig voor deze groep. Daar veranderen de sterke blaaspartijen niets aan.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van de Londense pubrockers Eddie & The Hot Rods en Fish 'n' Chips en ik keer terug naar die stad. Op naar de (post-)punks van Girls at Our Best! en de non-albumsingle Getting Nowhere Fast, later verschenen op hun Pleasure.
Gruppo Sportivo - Pop! Goes the Brain (1981)

3,5
1
geplaatst: 17 november 2025, 18:51 uur
Op reis door new wave gaat het soms langs uitersten. Vorige haltes waren de twee ernstige industrialalbums van Dome uit 1980, gevolgd door sombere dansmuziek op To Each... van A Certain Ratio uit april 1981. Ik blijf in die maand met de comebackplaat van Gruppo Sportivo, Pop! Goes the Brain, eveneens op 1 april verschenen. Hier echter is de sfeer juist luchtig en opgewekt.
Gruppo Sportivo maakte indruk in de jaren 1977-'79 waarbij meerdere malen de Nederlandse hitlijsten werd gehaald en ook over de grenzen was belangstelling. Dan stopt de groep plotseling en vervolgt als The Buddy Odor Stop, om in '81 terug te keren met Pop! Goes the Brain, geproduceerd door Robert Jan Stips.
Alhoewel maar liefst vijf singles worden uitgebracht (My Old Cortina en Up To Date in 1980, Holland Now (fraaie hoes!), Rhythmisaconstantbeat en Very Nice in '81) wil een hitparadenotering niet lukken. Was dat omdat de dameskoortjes ontbraken? Of was de mode simpelweg veranderd en was het singlekopende publiek (doorgaans de jongere tiener) inmiddels van andere namen gecharmeerd?
Desondanks was Gruppo Sportivo een vaste waarde in het clubcircuit en Pop! Goes the Brain verscheen in september '81 bovendien via Ariola, Avon en Attic in Europese landen als Duitsland, Italië, Frankrijk en Spanje en ook in Canada werd de plaat geperst.
Vrolijke gitaarliedjes die soms, zoals Dibbel eveneens beleefde, het ene oor in en het andere uitgaan. Tegelijkertijd is er geen muzikaal dieptepunt te vinden op deze elpee vol muzikaal snoepgoed. Frisse rock 'n' roll en steeds die herkenbare, lichte stem van frontman Hans van den Burg.
Rhythmisaconstantbeat is een apart gearrangeerd liedje en menig tekst doet de teksten krullen: in UFO blijkt een alien dagelijks met Hans te praten, de met extra toetsen versierde My Old Cortina is een ode aan het Fordmodel. In Holland Now moet het Verenigd Koninkrijk het in vergelijking met Nederland dík afleggen, ondanks dat wij de "Stars on 45" hadden; een sax (Ruud Brink) zorgt voor extra sjeu. Allemaal potentiële hits.
Bovendien een speciale vermelding voor Christina, een fraai liefdesliedje met staccato groove die tegen ska aanleunt plus lekkere gitaar- en toetsenlijnen. Dat in I'm a Lucky Guy "Starsky & Hutch" rijmt op "too much" verhoogt het pretgehalte.
Twaalf liedjes, zes per plaatkant: aangenaam album. Op streaming staan twee nummers die niet op het originele vinyl staan: My Favourite Song en No Shampoo (Also Very Nice) waar popreggae klinkt.
Ik blijf in april 1981: volgende station is Prayers on Fire van The Birthday Party.
Gruppo Sportivo maakte indruk in de jaren 1977-'79 waarbij meerdere malen de Nederlandse hitlijsten werd gehaald en ook over de grenzen was belangstelling. Dan stopt de groep plotseling en vervolgt als The Buddy Odor Stop, om in '81 terug te keren met Pop! Goes the Brain, geproduceerd door Robert Jan Stips.
Alhoewel maar liefst vijf singles worden uitgebracht (My Old Cortina en Up To Date in 1980, Holland Now (fraaie hoes!), Rhythmisaconstantbeat en Very Nice in '81) wil een hitparadenotering niet lukken. Was dat omdat de dameskoortjes ontbraken? Of was de mode simpelweg veranderd en was het singlekopende publiek (doorgaans de jongere tiener) inmiddels van andere namen gecharmeerd?
Desondanks was Gruppo Sportivo een vaste waarde in het clubcircuit en Pop! Goes the Brain verscheen in september '81 bovendien via Ariola, Avon en Attic in Europese landen als Duitsland, Italië, Frankrijk en Spanje en ook in Canada werd de plaat geperst.
Vrolijke gitaarliedjes die soms, zoals Dibbel eveneens beleefde, het ene oor in en het andere uitgaan. Tegelijkertijd is er geen muzikaal dieptepunt te vinden op deze elpee vol muzikaal snoepgoed. Frisse rock 'n' roll en steeds die herkenbare, lichte stem van frontman Hans van den Burg.
Rhythmisaconstantbeat is een apart gearrangeerd liedje en menig tekst doet de teksten krullen: in UFO blijkt een alien dagelijks met Hans te praten, de met extra toetsen versierde My Old Cortina is een ode aan het Fordmodel. In Holland Now moet het Verenigd Koninkrijk het in vergelijking met Nederland dík afleggen, ondanks dat wij de "Stars on 45" hadden; een sax (Ruud Brink) zorgt voor extra sjeu. Allemaal potentiële hits.
Bovendien een speciale vermelding voor Christina, een fraai liefdesliedje met staccato groove die tegen ska aanleunt plus lekkere gitaar- en toetsenlijnen. Dat in I'm a Lucky Guy "Starsky & Hutch" rijmt op "too much" verhoogt het pretgehalte.
Twaalf liedjes, zes per plaatkant: aangenaam album. Op streaming staan twee nummers die niet op het originele vinyl staan: My Favourite Song en No Shampoo (Also Very Nice) waar popreggae klinkt.
Ik blijf in april 1981: volgende station is Prayers on Fire van The Birthday Party.
Guardian - First Watch (1989)

3,5
0
geplaatst: 22 september 2024, 08:25 uur
Eén van de groepen die in de slipstream van Stryper opkwam was Guardian uit Californië. Opgericht in 1982 als Fusion, viel men aanvankelijk in de glamrockscene van Los Angeles op door zich onder de naam Gardian in harnassen á la The Ninja Turtles te kleden.
Als het debuut First Watch (sterke titel!) wordt opgenomen zijn die pakken in de kliko beland en wordt de naam als Guardian gespeld. Producer is Oz Fox van Stryper, die de klus onder meer in de Pakaderm Studio van de gebroeders Elefante klaarde. Hier klinkt geen partymetal zoals je bij de harnassen zou verwachten, maar melodieuze hardrock in de voetsporen van Van Halen.
Op kant 1 is het te kalm. Eerst het midtempo I'll Never Leave You met het brede gitaargeluid van Tony Palacios, gevolgd door de hese zang van zanger-gitarist Paul Cawley. Koortjes in het refrein en een lekkere gitaarsolo, alles ademt de zonnige sfeer van Californië. En zo volgen drie nummers die ik graag steviger en sneller had gehoord.
Afsluiter van de eerste helft is het uptempo Saints Battalion, voor mij het hoogtepunt van de plaat; alsof de plaat nu pas op gang komt.
Op kant 2 wordt het steviger en pakkender, met als hoogtepunten het stevige Kingdom of Rock, het swingende One of a Kind dat met z'n koortjes nog het meest aan Van Halen doet denken, al is de soleerstijl van Palacios anders; ook lekker is World without Love, uptempo met sterk slepende riff en sterk refrein en het snelle slotlied Rock in Victory waar Palacios nog éénmaal zijn kunnen etaleert.
Indertijd vond ik First Watch te vaak te mak; de wat saaie zang van Cawley, zonder een extra versnelling, helpt niet. Dat vind ik nog steeds. Het zijn echter de vijf sterke nummers, het spel van Palacios en de open productie die de boel boven de middelmaat uittillen, waarbij ik aan onder meer Dokken moet denken. Als het sneller of steviger wordt, komt Guardian meteen boven het maaiveld uit en dan is er die swinger op de tweede helft die als een rockende hitsingle klinkt.
Cawley vertrok na dit album om op te duiken in Phantom Generation, waarvan in 1994 Rennaissance verscheen, een jaar later gevolgd door Your Karma Ran over My Dogma ; de links verwijzen naar YouTube waar de groep de albums nadien plaatste.
Guardian ging door met een nieuwe zanger met een rauwere stem. Met hem erbij verscheen in 1990 Fire and Love.
Als het debuut First Watch (sterke titel!) wordt opgenomen zijn die pakken in de kliko beland en wordt de naam als Guardian gespeld. Producer is Oz Fox van Stryper, die de klus onder meer in de Pakaderm Studio van de gebroeders Elefante klaarde. Hier klinkt geen partymetal zoals je bij de harnassen zou verwachten, maar melodieuze hardrock in de voetsporen van Van Halen.
Op kant 1 is het te kalm. Eerst het midtempo I'll Never Leave You met het brede gitaargeluid van Tony Palacios, gevolgd door de hese zang van zanger-gitarist Paul Cawley. Koortjes in het refrein en een lekkere gitaarsolo, alles ademt de zonnige sfeer van Californië. En zo volgen drie nummers die ik graag steviger en sneller had gehoord.
Afsluiter van de eerste helft is het uptempo Saints Battalion, voor mij het hoogtepunt van de plaat; alsof de plaat nu pas op gang komt.
Op kant 2 wordt het steviger en pakkender, met als hoogtepunten het stevige Kingdom of Rock, het swingende One of a Kind dat met z'n koortjes nog het meest aan Van Halen doet denken, al is de soleerstijl van Palacios anders; ook lekker is World without Love, uptempo met sterk slepende riff en sterk refrein en het snelle slotlied Rock in Victory waar Palacios nog éénmaal zijn kunnen etaleert.
Indertijd vond ik First Watch te vaak te mak; de wat saaie zang van Cawley, zonder een extra versnelling, helpt niet. Dat vind ik nog steeds. Het zijn echter de vijf sterke nummers, het spel van Palacios en de open productie die de boel boven de middelmaat uittillen, waarbij ik aan onder meer Dokken moet denken. Als het sneller of steviger wordt, komt Guardian meteen boven het maaiveld uit en dan is er die swinger op de tweede helft die als een rockende hitsingle klinkt.
Cawley vertrok na dit album om op te duiken in Phantom Generation, waarvan in 1994 Rennaissance verscheen, een jaar later gevolgd door Your Karma Ran over My Dogma ; de links verwijzen naar YouTube waar de groep de albums nadien plaatste.
Guardian ging door met een nieuwe zanger met een rauwere stem. Met hem erbij verscheen in 1990 Fire and Love.
