MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Gary Moore - We Want Moore! (1984)

poster
5,0
In 1982 zaten topgitaristen als Dave Meniketti (Y&T) en Eddie Van Halen aan tafel bij een Amerikaans magazine, zo vertelt Harry Shapiro in zijn biografie over Gary Moore (2022) op p. 155. Op de vraag wie de beste rockgitarist was, reageerde Meniketti: "Well, the best one isn't here. He's in England and it's Gary Moore."

In 1984 kocht ik We Want Moore! niet, mogelijk omdat ik "alle nummers al kende". Dat was een dom besluit. De afgelopen dagen heb ik 'm via streaming gedraaid en alhoewel ook ik niet per se een fan ben van livedubbelaars, geef ik deze elpee + 12" de volle vijf sterren.
Want: een hecht spelende band (ondanks wijzigingen qua drummers) en nummers die allesbehalve kopieën van de toch al sterke studioversies zijn, maar een enorme dosis live-energie én extra gitaarsolo's krijgen. Bovendien klinkt Moores stem niet schel en werkt de toetreding van toetsenist Neil Carter goed. Deze speelt namelijk ook sterk slaggitaar, wat hier en daar de nummers nog eens verder versterkt. Hij zet op Shapes of Things ook nog eens een goede eerste stem neer.

Vanaf p. 160 beschrijft Shapiro de tournees ter promotie van Victims of the Future. Eerst naar Japan, waar ze werden achtervolgd door hordes fans, wat enkele plezante anekdotes oplevert.
Vervolgens een Amerikaanse tournee, waarbij drummer Ian Paice verstek moest laten gaan omdat zijn vrouw bijna moest bevallen. Opnieuw werd Bobby Chouinard van de Billy Squier Band geleend, maar deze bleek zijn zwakke momenten te hebben, veroorzaakt door alcohol en cocaïne. In San Francisco deden musici van Whitesnake en gitaristen Jeff Beck, Eddie Van Halen, Neal Schon plus Eric Clapton mee.
Terug in Engeland was Paul Thompson, ex-Roxy Music, de nieuwe drummer. Hij bleek echter qua spel niet goed te passen bij de hardrock van Moore & co.
Later in Ierland was Phil Lynott van Thin Lizzy gastbassist, naast vaste bassist Craig Gruber. Moore moest hem helpen bij het instuderen van Black Rose, dat de man enigszins kwijt was. Hier werd Out in the Fields voor het eerst gespeeld, een jaar later op opvolger Run for Cover in studioversie.

Op p. 163-164 is Gruber zeer lovend over deze periode. Een greep uit zijn uitspraken: "I became a better musician, (...) I grew so much. (...) Gary was (...) laser focused, totally organised, there was structure and discipline. (...) Rehearsals were Monday to Friday, 10 - 6. Everbody was on salary. Even the most humble person on the tour he would treat well."

Dat alles hoor je terug aan We Want Moore! De zwakke momenten van Chouinard belandden niet op dit goed geproduceerde album, zodat we horen waarom Moore hem telkens weer vroeg als vervanger van Ian Paice.
Op de cd-versie van 2003 staat een bonus met Lynott en Thompson. Als ik het tegenkom in een platenbak, maak ik mijn fout van 1984 goed...

Gary Moore - Wild Frontier (1987)

poster
5,0
Het nieuws van de dood van Philip Lynott op 4 januari 1986 haalde twee dagen later zelfs de krant van mijn ouders. Ik was ontdaan over zijn plotselinge vertrek en knipte het bericht uit om het bij mijn exemplaar van Thin Lizzy’s laatste album Thunder and Lightning te stoppen.
Des te groter was het verdriet van Gary Moore. Van hem weet ik inmiddels dat deze met grote zorgen Lynotts aftakeling had zien verergeren. Toen Over the Hills and Far Away verscheen (#22 in de Nationale Hitparade in februari 1987, in maart #25 bij Veronica’s Top 40, was meteen duidelijk dat dit Moores ode aan Lynott was en daarmee ook aan Ierland. ‘For Philip’ staat linksonder op de achterzijde van de hoes van Wild Frontier, dat in april #13 haalde in Nederland.

Net als bij de vorige albums van Gary Moore haalde ik enkele opvallende zaken uit de sterke biografie van Harry Shapiro.
De reden dat er digidrums klinken is omdat de gitarist altijd problemen had in de studio met drummers die fouten maakten, waarna ze vervolgens elke improvisatie vermeden. Synthdrummer Roland Kerridge van newwavegroep Re-Flex wijdde hem in in de wereld van de Linn 9000 en leerde hem te samplen. Toen de opnamedata voor Wild Frontier bekend werden, kreeg de teleurgestelde drummer Gary Ferguson te horen dat hij niet nodig was.
Voorganger Run for Cover had eigenlijk helemaal door Peter Collins moeten zijn geproduceerd, maar deze was weggekaapt door Rush. Deze keer wist Moore hem vaker te strikken, want diens kritische en vernieuwende aanpak bevielen hem goed. Zo vond Collins het originele refrein van het nummer Wild Frontier niet goed genoeg, waarop Moore weken werkte aan een nieuw. Gezamenlijk werkten ze hard aan Moores vocalen; voor het eerst had Moore niet de behoefte een externe zanger te gebruiken.

Ook qua gitaren werd er vernieuwd: alhoewel er nog steeds Les Pauls en Strats werden gebruikt, sleutelde gitaartechnicus Keith Page menigmaal op de studiovloer aan een nieuwe, die soms nog diezelfde middag door Moore werd bespeeld. De Charvelgitaren die hij in ’79 bij G-Force gebruikte, keerden zo terug.
Moore loofde toetsenist Neil Carter: “Op Run for Cover is hij weinig te horen, maar hij kwam met fantastische ideeën. Hij is veel belangrijker dan je zou vermoeden.” In de aanloop naar Wild Frontier las Carter diverse boeken over de Ierse historie, wat hem tot de nodige muziek inspireerde.

Verder gaat het akoestische Johnny Boy over Lynott, waarbij Moore wordt geassisteerd door toetsenist Don Airey en de doedelzak van Paddy Moloney van The Chieftains. Over Friday on my Mind, oorspronkelijk van The Easybeats, was hij eveneens tevreden, mede door het gebruik van een sitar. Strangers in the Darkness is Moores waarschuwing tegen drugs, de reden laat zich raden.
Het instrumentale The Loner, geschreven door toetsenist Max Middleton over diens gitarist Jeff Beck en te horen op Over the Top van Cozy Powell, werd door Moore met opzet in de sfeer van Parisienne Walkways herschreven. Zijn eerste instrumentale nummer in jaren, liet Moore de overige gitaarsolo’s korter, op de 12”-versies na.

Toen moest er getourd worden. Bassist Bob Daisley speelde in diezelfde maanden bovendien op Eternal Idol van Black Sabbath en raadde Moore hun drummer Eric Singer aan. Omdat deze zijn eigen drumkit niet kon gebruiken (het management van de Sabs had de rekening niet betaald) leende Singer die van Powell, zodat hij gedurende de tournee op de drumkoffers ‘Cozy Powell – Whitesnake’ had staan.
De tournee begon in maart '87 en deze keer zou Moore om belastingtechnische redenen een jaar buiten het Verenigd Koninkrijk blijven. Tot zijn weerzin, want in Amerika kon hij slechts clubs (400 – 600 man) vullen en was de organisatie vaak minder goed. De overige tijd moest hij op het strand liggen, waar hij veel liever thuis aan nieuwe muziek had gewerkt, in afwachting van de geboorte van zoon Jack. Echtgenote Kerry beviel zonder hem in Engeland, maar voegde zich vervolgens bij Moore in Spanje, waar de kersverse ouders in het huis van Ian Paice verbleven.

En zonder al die feitjes? Voor mij is het duidelijk: Moores beste album ooit met een rijkdom aan ideeën en inspiratie, geholpen door de Keltische invloeden. Met het drumgeluid en andere jaren '80-geluiden heb ik geen problemen: ieder decennium heeft zijn eigen geluid en hier klinkt het goed, gelukkig zonder de holle badkamerdrums die in die periode populair waren. De knipoog naar adult oriented rock in Take a Little Time smaakt me bijvoorbeeld nog altijd prima. Een knallend, energiek album: heerlijk!

Gary Numan - Dance (1981)

poster
3,0
In april 1981 gaf Gary Numan in het Wembley Stadion enkele afscheidsconcerten. Hij was klaar met touren. Zijn oude bandmaatjes maakten een niet onverdienstelijke doorstart als Dramatis met het prima For Future Reference, terwijl Numan al in september een volgend album uitbracht.

Je zou Dance kunnen omschrijven als een synthese van de droomwave van de groep Japan en de synthwave die Numan voorheen maakte. De invloed van gastbassist en -saxofonist Mick Karn - van Japan - is namelijk heel groot, vooral op de A-zijde.
Er zijn nog twee bekende namen te gast. Gitarist Rob Dean, toen al ex-Japan, en drummer Roger Taylor van Queen. Goed voor de publiciteit, maar het is Karn die het geluid sterk bepaalt. Daarmee is dit album mede interessant voor de liefhebbers van Japan.

Mijn favorietjes zitten in de tweede helft, als Numans "oude geluid" meer gewicht krijgt: Stories en You Are, You Are bevatten de stijl van (soms wat kille) synthesizer-new wave; het eerste nummer een sobere drumcomputer, in het tweede juist knallende drumrolls met een stevige band én de viool van Chris Payne.
Dance haalde in zijn thuisland in de albumlijst "slechts" #3 na enkele #1-platen. Single She's Got Claws met aangenaam drumcomputertje en sax haalde begin september '81 #6 in de Britse hitlijst.

Sinds 1999 verkrijgbaar met enkele extra nummers (zie de tracklist bovenaan vanaf track 12, ook op streaming). Soms klinkt het bij de extra's enigszins als Ultravox. Toch valt vooral op dat Numan zijn geluid durfde te veranderen in plaats van zijn voorbije formule te herhalen. Alleen niet helemaal mijn kopje thee.
Het was het kortste pensioen ooit, als je tenminste 'retirement' met dat woord wilt vertalen, want spoedig stond Numan weer op de planken, de maatjes van Dramatis terughalend.

Gary Numan - I, Assassin (1982)

poster
2,5
Het tweede album van Gary Numan in jaren '30-stijl ging wederom aan Nederland voorbij en werd ook door mij gemist. Niet dat hij daarvan wakker zal hebben gelegen: in zijn Brittannië en zijn nieuwe thuisland U.S.A. was de aandacht er wel.

Wikipedia meldt dat de dan 24-jarige Numan voorafgaand een solovlucht om de wereld maakte en bij een ongeval bijna om het leven kwam. Avontuurlijk was hij zeker en qua muziek deed hij eveneens wat hem goed deed.
Net als op voorganger Dance is er op I, Assassin veel ruimte voor een fretloze basgitaar, deze keer van Welshman Pino Pallidino. Hierdoor doet de muziek mij denken aan de dromerige nummers van David Bowie en Japan in deze periode. Wat klinkt is een ingetogen, sferische vorm van new wave.
Daarbij was geen plek meer voor zijn bandmaatjes, die na Numans kortstondige pensioen de groep Dramatis vormden en vervolgens bij Numan terugkeerden als zijn liveband. Opvallendste naam bij de sessiemuzikanten is inmiddels die van Chris Slade, zeven jaar later toetredend tot AC/DC. Tegelijkertijd klinkt ook frequent een drumcomputer en bepalen toetsen met leadbasgitaar het geluid.

De belastingen in het Verenigd Koninkrijk waren in die jaren van economische crisis extreem hoog. Numan emigreerde daarom naar de Verenigde Staten. In Los Angeles nam hij de video voor We Take Mystery (to Bed) op (het MTV-tijdperk was daar begonnen), gevolgd door zijn eerste livetour sinds zijn afscheidstournee in juni 1981. Dit door de V.S. Hierna verhuisde hij naar Jersey, het Britse eiland voor de Franse kust.

Deze stijl is eigenlijk niet mijn ding, ook niet in 2023. Zo verklaart The 1930's Rust weliswaar de hoesfoto, maar de mondharmonica en saxofoon pakken mij bepaald niet. Twee keer werkt het wel en laten dat nou net de Britse hitsingles zijn geweest: Music for Chameleons (#19 in maart 1982) en vooral We Take Mystery (#9 in juni, zijn laatste top 10-hit tot de dag van vandaag).

Gary Numan - Living Ornaments '79 (1981)

poster
3,0
Eerste van drie livealbums van degene die synthwave de hitlijsten in katapulteerde. Weergave van Gary Numans tournee The Touring Principle.
Living Ornaments '79 laat zich het best omschrijven als een best-of-met-publiek, voor mij nauwelijks iets toevoegend aan de studio-opnamen van Tubeway Army / Gary Numan. Tegelijkertijd is er ook helemaal niets mee mis: de band speelt als een geoliede machine en deze pioniers van het genre bewezen het geluid ook live te kunnen waarmaken. Op viool klinken de gastbijdragen van Billy Currie van Ultravox, die Numan ook in de studio assisteerde.

Numan bracht dit album niet alleen als enkele schijf uit, maar ook als duo-lp met Living Ornaments '80.

In Nederland deed dit zowat niets. In het Verenigd Koninkrijk haalde het in de enkele versie in april 1981 #47. Een week later, begin mei 1981 #2 in de duoversie Living Ornaments '79 and '80.

Gary Numan - Living Ornaments '80 (1981)

poster
3,5
In 1981 beleefde synth wave een topjaar. Pionier Gary Numan bracht eind april gelijktijdig twee live-elpees uit, die zowel los verkrijgbaar waren als in een dubbelbox. Meer info over Living Ornaments ’79 en de 2LP-versie vinden we hier op MuMe.

Living Ornaments ’80, weergave van zijn Teletour van september tot november 1980, verkocht als enkelelpee net iets beter dan de '79-plaat: in de eerste week van mei reikte het in het Verenigd Koninkrijk tot #39. Klinkt op beide albums het publiek vrij afstandelijk maar zeer enthousiast, op deze ’80-editie is het grote verschil met de vorige tournee het geluid van drummer Cedric Sharpley, dat inmiddels voller in de mix zit.
Verder hoor ik nauwelijks verschil met de studioversies; verwacht geen drumsolo’s of extravagante toetsenpatserij. Dat is uiteraard fijn, maar wellicht tevens de reden dat de verkopen ook in het thuisland niet in de buurt kwamen van de studioalbums; de laatste drie van Numan (inclusief Numans band Tubeway Army) haalden namelijk #1 en stonden veel langer in de albumlijst. Waarom een plaat kopen met als grootste verschil het gejuich van het publiek? Alleen Are ‘Friends’ Electric? onderscheidt zich nogal van de studioversie, doordat het intro afwijkt en Numan de melodielijn anders invult.

Zovele jaren later doen statistieken als albumnoteringen er uiteraard weinig toe. Interessant is vooral om te horen hoe vroege synthesizerpop / synthwave klonk. Muziek uit een verre toekomst, zoals die in 1980 werd omgezet in ernstige muziek zoals hier, soms op het sombere af. Retro sci-fi door synthpioniers, net zo knus als de oorspronkelijke versies van de Star Warstrilogie.

Zeventien jaar later verscheen zowaar een derde deel, Living Ornaments ’81.

Gary Numan - Living Ornaments '81 (1998)

poster
3,5
Fijn album van pionier van synthpop/wave Gary Numan en zijn band, live opgenomen eind april 1981 in Wembley, Londen. Deel 3 in de reeks Living Ornaments. De delen '79 en '80 verschenen in 1981, dit deel '81 in 1998. Dat jaar slechts uitgebracht op 2cd.
Toch hadden fans de muziek al in huis kunnen hebben. Na een ingekorte uitzending op de Britse televisie verscheen het volledige concert namelijk in 1982 op VHS-video, zoals la-fleur allang wist. Twaalf jaar na de 2cd verscheen in 2010 de dvd-versie, aldus Wikipedia.

Uiteraard bevat de tracklist dubbelopjes met de vorige delen, maar wederom horen we een band in vorm en een best-of-setlist. Naast zang is Numan verantwoordelijk voor de gitaar, het toetsenwerk liet hij over aan Chris Hayne (die tevens viool speelt) en Dennis Haines; bassist is Paul Gardiner en drummer Cedric Sharpley. Een enkele keer horen we een eenvoudige drumcomputer, helemaal passend bij de muziek.
Temidden van het eigen werk staat één cover: Trois Gymnopédies van Erik Satie, oorspronkelijk uit 1888. Waarschijnlijk had de Fransman deze synthesizerversie wel kunnen waarderen. Halverwege de set staat bonusnummer Conversation in een ruwe mix, dissonerend met de goede audiokwaliteit van de rest.

Een dikke twee uur voor de liefhebber van (vroege) synthpop, waarbij ik eens te meer de invloeden van Kraftwerk en David Bowie's Berlijnse trilogie herken, gedrenkt in melancholische new wave en gemarineerd in een wat sombere science-fictionstemming. De soms sinistere stem van Numan maakt het helemaal compleet.
Hierna zocht Numan naar muzikale verandering, tot uiting komend op het in september datzelfde jaar verschenen Dance.

Gary Numan - New Man Numan (1982)

Alternatieve titel: The Best Of

poster
4,0
In Nederland haalde Gary Numan alleen in 1979 de hitlijsten, in zijn Verenigd Koninkrijk was dat anders. Zo haalde hij in 1980 met We Are Glass alweer zijn derde hit onder eigen naam. Na de #1 van Cars (1979) en de #5 met Complex (ook 1979) werd wederom de top 10 gehaald, te weten een tweede #5 eind mei, begin juni dat jaar.
De non-albumsingle werd in 1982 op dit New Man Numan gezet, in december dat jaar #45 halend in de Britse albumlijst. Daarop uiteraard meer hits van de man met de Bowieaanse uitstraling, kille stem en stevige synthrock, waarbij ook het nummer van zijn begeleidingsgroep Dramatis, dat in 1981 het album For Future Reference uitbracht. Plus het nummer met Paul Gardiner Stormtrooper in Drag, in augustus 1981 bescheiden #49. Gardiner was bassist in Tubeway Army.

Uiteraard verschenen later meer verzamelaars van Numan, die met veertig titels de Britse top 75 zou halen, de laatste keer in 2007.
Mijn reis door de new wave van mei 1980 kwam vanaf I'm Forever Blowing Bubbles van oi!-punks Cockney Rejects en vervolgt alwéér met een non-albumsingle: Rat Race van The Specials, voor het eerst op album verschenen op de cd-editie van hun tweede album More Specials, dat in 1988 in de VS en Canada verscheen, acht jaar na de oorspronkelijke elpee. Op MusicMeter vinden we dat album hier.

Gary Numan - Telekon (1980)

poster
3,5
Gary Numans derde achtereenvolgende Britse #1-album, lees ik op Wikipedia en het verbaast me lichtelijk. Smaken verschillen, zo blijkt maar weer eens, want ik vind voorganger The Pleasure Principle veel beter.
Ook met hetgeen mensen hierboven schrijven verschil ik van mening. Voor mij zitten de sterke nummers juist in de tweede helft, waar ik op de eerste plaatkant het idee heb naar een vormcrisis te luisteren. De composities pakken me niet. Dat de extra's zeer de moeite waard zijn, is echter een conclusie die ik met de MuMensen hierboven van harte deel.

Vreemd genoeg werd Telekon voorafgegaan door twee non-albumsingles: We are Glass piekte in het Verenigd Koninkrijk in mei 1980 op #5 en I Die: You Die in september #6. De elpee verschijnt diezelfde maand waarna in december de derde en laatste single This Wreckage volgt, dat wél op de langspeelplaat is te vinden en in januari 1981 #20 haalt.
Ik vind deze info op de site van British Charts. Indertijd ging dit volkomen langs me heen; kan me niet herinneren iets hiervan op de Nederlandse radio te hebben gehoord. In Oor fikte Swie Tio Telekon af.

Slechts twee favorietjes tref ik op het originele Britse album aan en ze staan beiden op de B-kant: I'm an Agent en The Joy Circuit, waarin de viool van het vorige album terugkeert. Wat dat betreft is de uitgebreide cd-versie uit 1998 een meer dan welkome aanvulling, omdat daar die eerste twee sterke singles op zijn te vinden met B-kantjes die er eveneens mogen zijn. Mijn 3,5 sterwaardering betreft die uitgave.

In 2011 schreef fluidvirgo over een documentaire over synthpop. De link die hij plaatste doet het niet meer, maar de docu trof ik eveneens op YouTube gelukkig toch aan. "Ik kan nog niet beoordelen, maar het zal vermoedelijk wel rond de **** uitkomen, denk ik," schreef hij. Ben twaalf jaar later toch nieuwsgierig wat je ervan vindt!

Gary Numan - The Pleasure Principle (1979)

poster
4,5
Herfstvakantie 1979. Mijn ouders gingen met het gezin naar een huisje van Sporthuis Centrum. Twee radioliedjes horen bij die week in oktober: Lene Lovich met Bird Song en Cars van Gary Numan.
De tweede zou niet de hitlijsten halen, maar net als Are 'Friends' Electric? dat twee maanden eerder de top 10 haalde, toen nog onder de vlag van Tubeway Army, kwam dit onmiddelijk binnen.
Het was me duidelijk dat dit één het hetzelfde vehikel was. Dat van de man met de toepasselijke naam Nu Man, nieuw mens. Zijn Bowieaanse androïde uiterlijk, de kenmerkende stem en die dan nog zeldzame synthesizerklanken maakten dat ik dit hoogst interessant vond.

De bijbehorende elpee The Pleasure Principle zou ik niet horen, tot de voorbije week. Muzikaal wijkt het niet veel af van voorganger Replicas, toch zijn er twee verschillen. De muziek is wat toegankelijker, zonder gitaar en af en toe klinkt een viool, wat enige warmte toevoegt aan deze muziek uit het kille, oneindige heelal zoals ik die op tv bij Blake's 7 zag. De geluiden van het album zouden perfect bij deze serie hebben gepast. Ook opvallend: alle songtitels bestaan uit één woord.

De meeste nummers bevallen mij goed. De plaat opent sterk met het instrumentale Airlane, waarna Metal hierop pakkend en snijdend voortborduurt. Complex is rustiger en de eerste met viool, M.E. klinkt als één van de nummers op de intrigerende B-kant van Low van David Bowie; ook hier de viool van Billy Currie van Ultravox.
De B-kant van de oorspronkelijke elpee. Waarom Tracks niet op single verscheen, is mij een raadsel; was misschien een betere keus geweest dan het desondanks sterke Cars, maar Tracks is melodieuzer met aan het einde pianospel dat klassieke invloeden verraadt. Dan dus Cars met die eigenzinnige drumsound, die het jaar erop bij Joy Division en The Cure zou volgen.
Qua compositie minder sterk vind ik Random, maar hier is het grappig dat er dezelfde keyboardgeluiden klinken als in Love on the Telephone van Foreigner, uit een hele andere muziekwereld. De Poly-Moog, lees ik hierboven.

Op streaming staan twee sterke bonussen, afkomstig van de eerste cd-versie die in 1998 verscheen. Met Random en Asylum is het wederom instrumentaal, de laatste nogmaals als een voortzetting van de B-kant van Low klinkend.
Bovendien is op streaming de oorspronkelijke demo te vinden plus een expanded edition van het album. Hierop Trois Gymnopédies No. 1; een ode aan de pianomuziek van Erik Satie? De albumtitel blijkt geïnspireerd door dit schilderij van René Magritte.

New wave als retro-sci-fi, ouderwets en toch futuristisch. Jammer dat ik dit album niet tijdens die herfstvakantie heb gehoord, dan was het nog veel dieper binnengekomen…

Gary Numan - Warriors (1983)

poster
2,5
Op Warriors verruilt Gary Numan zijn jaren ’30-uiterlijk voor dat van een geblondeerde leren sci-fi-bergbeklimmer. Er was de nodige onenigheid met de platenmaatschappij rond het opnemen en uitbrengen van Warriors, waarover Wikipedia het nodige interessants vertelt.

De muziek is weer een stap verder in vergelijking met de voorganger. Voor de derde achtereenvolgende keer geeft hij een bassist die fretloos speelt veel ruimte; deze keer is dat ene Joe Hubbard. Anders dan zijn twee voorgangers is deze ook goed in slappen. Het leidt tot een album dat behoorlijk funkgericht is en daarmee ook interessant voor liefhebbers van Prince of Level 42.
In het geval van Numan wordt dat gecombineerd met zijn strenge synthwave, gedragen door diens monotone stem. In contrast hiermee zingt Tracy Ackerman op diverse nummers, wat verrassend goed werkt. Bovendien is een belangrijke bijrol weggelegd voor saxofonist Dick Morrissey.
Voor mij is het echter te funk, te pop. Het enige nummer dat me echt goed smaakt is This Prison Moon, waar dansbare melancholie klinkt.

Numan kopieerde dus niet zijn vorige successen, maar ging zijn eigen weg. Hartstikke goed, maar ik houd van new wave en niet zo van de namen met wie ik de muziek zojuist vergeleek. Funk is niet per se mijn ding. Tegelijkertijd is dit passend in de ontwikkeling van het synthpopgenre in die tijd, waarbij de invloeden van "lichtere" popmuziek (idem bij The Human League en Eurythmics) steeds groter werden. Eveneens interessant voor liefhebbers van "introverte" pop in de lijn van Japan en David Sylvian.

Gary Pickford-Hopkins - GPH (2003)

poster
4,0
Gary Pickford-Hopkins kreeg vanaf 1971 de eerste bekendheid als zanger van de twee albums van Wild Turkey. Die groep kreeg in eerste instantie aandacht omdat ze was geformeerd rond bassist Glenn Cornick, bekend van Jethro Tull, welke een sterke bezetting om zich heen had verzameld met onder meer gitarist Alan Lewis en Pickford-Hopkins. Diens rauw-hese stem wist bovendien live de muziek tot grotere hoogten te brengen.

De groep wist echter ondanks fanatiek touren geen doorbraak te bewerkstelligen en stopte in 1974. Het talent van Pickford-Hopkins was ter ore gekomen van Rick Wakeman van Yes, die de zanger voor twee van diens soloplaten naar binnen haalde: eerst op Journey to the Centre of the Earth (1974), een jaar later bij The Myths and Legends of King Arthur and the Knights of the Round Table.
De man uit Wales zong nadien niet meer bij grote namen, maar bouwde desalniettemin een interessant vervolg aan zijn carrière. Daarbij slechts één soloplaat, dit prima GPH uit 2003.

Goed geproduceerd album, de man zingt sterk en bovendien heeft hij in Ray Williams een prima bluesgitarist naast zich. De man speelt ergens in het gitaaruniversum tussen Gary Moore en Mark Knopfler: subtieler dan de eerste, rauwer dan de tweede en soms lekker snel solerend. Je zou hem ook met Snowy White kunnen vergelijken.
Bovendien zijn de elf nummers allemaal van niveau en soms meer dan dat. Met bovendien een goede bassist (Andy Collins) en drummer (Brian Thomas, eveneens te horen op Wild Turkeys comebackplaat uit '96) plus sober toetsenspel (Alan Thomas) klinkt zo een uurtje lichte kwaliteitsrock met uitstapjes naar blues en soms een vleugje countryrock.

Wat dat betreft is opener Outlaw Blues een sterk visitekaartje, gevolgd door het ingetogener Faraway Friends en met Across the Muddy River klinkt voor het eerst pure blues.
Qua genre is UB Love de eerste uitzondering : poprock met pakkende melodie, waarvan je denkt dat je het al jaren kent. Als een hit uit de jaren '70 of '80, eentje die je al jaren meezingt met de radio. Het wordt gevolgd door Take It and Shake It, waar temidden van de ingetogen bluesrock jazzakkoorden zijn te horen. Ze geven het nummer extra glans.
Op Loving You Means Leaving You klinkt Welshwoman-met-rauwe-stem Bonnie Tyler. Geen duet (gelukkig!), maar halverwege valt haar scheurende bijdrage bij als tweede stem. En dan tóch in de hoofdrol: werkt heel goed. Twee strotjes die heel aangenaam samenvallen, terwijl Williams' gitaar lange noten zingt. Op afsluiter Holocaust soleert hij nog eens vloeiend en vlot, waarna de bonusnummers volgen.

Alhoewel, bonusnummers? Van dit album verscheen blijkens Discogs slechts één editie en de toevoegingen zijn dus eigenlijk vanzelfsprekend.
Maar toch: Why blijkt een single uit 1986 te zijn, met drummer Terry Williams van Dire Straits, sessiebassist Kevin Dunne, gitarist Andy Fairweather-Low van o.a. Amen Corner en sindsdien bij diverse "grote namen" te horen en zien; plus leadgitarist Deke Leonard. Het blijkt een ode aan twee gevallen muziekhelden, wat pas goed duidelijk wordt op de B-kant. Deze grotendeels gesproken versie van Why, met de diepe stem van Conrad Mayleon, blijkt te gaan over de in Wales legendarische groep Badfinger.

Makkelijk online verkrijgbaar, is het album tevens op op YouTube te vinden. Gary Pickford-Hopkins overleed in 2013 en bleef sindsdien in Wales één van de bekende namen uit de rockhistorie. Voor mij tot voor kort een onbekende naam, heb ik inmiddels de nodige uren genoten van zijn stem op deze en andere albums.

Gen X - Kiss Me Deadly (1981)

poster
3,0
Het eerste bericht bij dit album was in 2008 en Jumperjack maakt me nieuwsgierig: "Net 18 jaar en met mijn vrienden op zaterdagmiddag in Dordrecht bij Simpele Fons ( Dirk, R.I.P.) als kado gekregen voor mijn 18e verjaardag." Wat een mooie anekdote! En dan vraag ik me af: hoe beleef je dit album zovele jaren later?

De derde van Generation X kwam niet makkelijk. Na de voorganger lag de groep op apegapen. Gitarist Derwood Andrews en drummer Matt Laff verlaten de groep en bovendien loopt het tussen bassist Tony James en zanger Billy Idol ook stroever. Met nieuwe gitarist James Stevenson en drummer Terry Chimes wordt evenwel aan een opvolger gewerkt, waarbij de groepsnaam wordt ingekort tot Gen X.
Nieuwe frictie ontstaat met Stevenson, die hierdoor niet op Kiss Me Deadly is te horen, al suggereert de hoes dat anders. Zijn partijen werden ingespeeld door vooral John McGeoch (Magazine, Siouxsie) en Steve Jones (Sex Pistols).
Het hitsucces is uiterst bescheiden. Dancing with Myself staat in januari-februari 1981 in het VK twee weken #60 (ik ken het nummer van De Kreuners, die met de cover Ik dans wel met mijzelf het jaar erop een Vlaams hitje scoorden) en de elpee haalt de albumlijst niet eens.

Al blijft dit voor punk lichte muziek, de teksten zijn minder naïef dan voorheen. Idol benoemt in zijn biografie Dancing With Myself uit 2014 "troubled complexities of life in the metropolitan Western World at the end of the 20th century, with reflections on city life, social isolation, narcotic abuse and drug dependency, and the ambition and exhilaration of youth."
In de muziek hoor je nogal eens de invloed van jaren '70 glamrock, zoals in de swing van de hitsingle, of Untouchables dat een vleugje T-Rex heeft en Oh Mother. Of powerpop, zoals in Heavens Inside en Stars Look Down. Hier en daar kun je in de hardrockende pop zelfs wat Cheap Trick horen, zoals in Triumph. Producer Keith Forsey verwerkte bovendien wat dub in de muziek.
Die laatste invloed blijkt helemaal uit de bonustracks, te vinden op de cd-editie van 2005 met een nummer als Hubble, Bubble, Toil and Dubble.

Opnieuw viel Generation X uit elkaar en deze keer definitief. Idol keerde nog datzelfde jaar met Forsey achter de knoppen terug met de solo-EP Don't Stop en het jaar erop met elpee Billy Idol.
De anderen zitten evenmin bij de pakken neer. Derwood (Bob) Andrews begint met Laff de groep Empire, Tony James landt bij Sigue Sigue Sputnik en Sisters of Mercy, James Stevenson is te horen op het debuut van Kim Wilde en daarna bij John Watts van Fischer-Z en nog véél meer namen: van Gene Loves Jezebel tot The Alarm. Terry Chimes ten slotte komt bij Hanoi Rocks en vervolgens Black Sabbath.

Op reis door de new wave van 1981 kwam ik vanaf The Saints en album The Monkey Puzzle. De volgende nummers op mijn afspeellijsten besprak ik al bij de bijbehorende albums: die van Spandau Ballet (The Freeze van Journeys to Glory), The Clash (Ivan Meets G.I. Joe van Sandinista!) en XTC (Sgt. Rock van Black Sea). Daarom is de volgende halte van experimenteler aard: Thirst van Clock DVA.

Generation X - Generation X (1978)

poster
3,0
Op reis door new wave en aanverwanten reis ik op chronologische volgorde door 1978, maar regelmatig blijkt dat ik eerder werk heb overgeslagen. Zo reis ik nu vanaf het debuut van Siouxsie and the Banshees uit november '78 terug naar maart dat jaar, als het debuut van Generation X verschijnt. Single Ready Steady Go belandde in mijn afspeellijst met wave uit die maanden, te vinden op hun eerste langspeler.

Met zanger Billy Idol maakte ik pas echt kennis in het videocliptijdwerk, toen hij zijn pruillip tot marketinggadget had verheven. Ik werd daar niet vrolijk van, met de gemaakte muziek erbij - maar dit is een dikke tien jaar eerder. Generation X hoorde bij de eerste generatie punks en Idol was onderdeel van de Bromley Contigent, een groep fans die de Sex Pistols overal volgde. Hier is hij nog geen imago op tv, maar een straatratje.

Zoals het me met de meeste punk van de eerste generatie vergaat: Generation X klinkt erg braaf. Mijn beeld van punk als 'wild en gevaarlijk' kan ook hier beter worden vervangen door 'lief en stevig'. Scheurende gitaartjes en popmelodietjes en bijbehorende oe-hoe-aa-koortjes. Als de teksten nou confronterend waren geweest, hadden we een ander verhaal, maar ook wat dat betreft is het nogal veilig. "I don't want no uniform, I don't want no book of rules".
Okay, het is een statement, maar op hun eerste demo, die in februari 1977 werd opgenomen voor het label Chiswick, stonden teksten tegen de neonazi's van het National Front en over de Troubles in Noord-Ierland, meldt Wikipedia helaas zonder bronvermelding.

In april '77 treden ze op in Parijs met The Police en The Jam, waarna de BBC ze in hun studio laat opnemen en vervolgens tekent Chrysalis hen. Met Martin Rushent en Alan Winstanley aan de studioknoppen wordt hun debuut opgenomen. De twee zijn uitgekozen vanwege hun werk voor The Stranglers.
Non-albumsingle Your Generation haalt in september 1977 #36 in de Britse hitlijst, Ready Steady Go in maart 1978 #47 en het titelloze album een maand later #29.
Punk beloofde de muziekelite omver te halen, weg met de rockdinosaurussen. Wie de top 50 van de Britse hitlijst van april bekijkt, weet beter. Neem de top 5: feeërieke pop van Kate Bush op 1, new wave van Blondie op 2, folkpop met kinderkoor van Brian and Michael op 3, kwaliteitspop van Gerry Rafferty op 4 en Duitse disco van Eruption op 5.
Tegelijkertijd past Generation X hier wel bij als een ruigere variant, al is Five Minutes van The Stranglers op 35 wel een stuk ruiger gezongen.

Kortom, het debuut van Generation X bevat een aangename verzameling poppunk of punkpop, geschikt om af te spelen in je tienerkamer en je af te zetten tegen je ouders en leraren. Grappig is de tekst van Kleenex, over wat je allemaal met die zakdoekjes kunt afvegen: "sex (...), love (...), John Paul George." Ook "governments use Kleenex, use a Kleenex, solve world problems, Better blow your nose right now."
Het is de livereputatie die de groep een zwaarder imago bezorgt, de woorden in het bericht hierboven zijn terecht: "geen Eredivisie, meer power pop dan punk". Al werd dat in 1977-78 anders beleefd! De plaat eindigt met het ruim zes minuten durende Youth Youth Youth, compleet met woeste gitaren. En nee, soleren was helemaal niet taboe in punk, zoals ook hier weer eens blijkt.
In 2002 volgt een cd-editie met diverse bonustracks, waaronder de non-albumopnamen.

Mijn reis vervolgt bij een ex-lid van Generation X, dat terecht kwam bij Alternative TV. Op naar mei 1978.

Generation X - Valley of the Dolls (1979)

poster
2,5
Na hun debuut vervolgde Generation X in januari 1979 met Valley of the Dolls. De groep begon met punk, boos en wild, al was het geluid op de eersteling al iets getemd. Die trend zet zich hier voort. Geproduceerd door ex-Mott the Hoople Ian Hunter.
Er wordt uptempo geopend met Running with the Boss Sound, aangenaam gevolgd door Night of the Cadillacs, waarvan het pompende gitaarwerk aan de glamrock van Slade en The Sweet doet denken.

Gas eraf met een saaie ballade: Paradise West met cleane gitaar. De vlotte powerpop van Friday's Angels brengt de vaart er weer in, compleet met koortjes, als single #62 in de Britse hitlijst van juni '79. Kant 1 sluit af met het op rockabilly gebaseerde King Rocker met een tekst over Memphis, Tennessee. Dat werkt niet, maar als eerste single van de plaat #11 in februari.

Het titelnummer trapt kant 2 af en opnieuw verbreedt Generation X het geluid, dankzij een dameskoortje. Toekomstmuziek: alsof The Alarm wordt gekruist met de dames uit The Human League. Nog aangenaam ook en #23 in april '79.

Dan twee middelmatige nummers, waarna het gecompliceerdste nummer de plaat afsluit. Het akoestische, uptempo, in tweeën gedeelde The Prime Of Kenny Silvers is gevarieerd met akoestische én elektrische gitaar, piano en Hammond. Geheel punkloos, in de stijl van artrock van de jaren '70.
Aardig nummer, waarbij het vooral de diverse instrumenten en opbouw zijn die het maken. De stem van zanger Billy Idol pakt me namelijk niet. Een heel album naar hem luisteren duurt te lang. De twee bonussen van de cd-editie van 2002 versterken dat alleen nog maar.
De groep was interessanter voor een singlekopend tienerpubliek dan voor de vaak oudere lp-koper: als langspeler reikte Valley of the Dolls in maart '79 slechts tot #51.

Wisselvallig vervolg van een debuut dat ik 3 sterren gaf. Hier zak ik naar de 2,5. Mijn reis door new wave kwam van het onbekende pareltje Ghostown van de Ierse Radiators, dat er wél overtuigend in slaagde zijn punkstart met een bredere aanpak te vervolgen. Volgende halte is in het Britse Noord-Ierland: het debuut van Stiff Little Fingers, waar punk rauwer en oprechter klinkt dan bij Generation X.

Gert Vlok Nel - Beaufort-Wes Se Beautiful Woorde (2006)

poster
2,5
Het eerste bericht in elf jaar. Is Gert Vlok Nel een beetje vergeten? Kwam Beaufort-Wes se Beautiful Woorde tegen in een bak met tweedehands werk in de versie met bonus-dvd, waarop de documentaire van Walter Stolkman staat.
Er zijn wel overeenkomsten tussen de cd en de dvd. Het leven in Beaufort-Wes zoals ik dat voorbij zag komen was kalm en regelmatig, op het monotone af. Dat keert terug in zijn muziek, waarin Timotei sjampoe, Epitaph en vooral het een dikke elf minuten durende Waarom roep ek na jou vanaand vanwege alle herhaling en simpele gitaarspel lichtelijk op de zenuwen gaan werken.

Hierboven wordt Nick Drake als vergelijking gebruikt; ik denk eerder aan Vlok Nels landgenoot Koos Kombuis, ook niet de grootste virtuoos op akoestische gitaar. Maar die maakt overwegend kortere liedjes en biedt daarmee veel meer variatie.

Met de taal (hierboven noemen mensen het 'taaltje', zó neerbuigend) bewijst Vlok Nel echter een poëet te zijn. Hij is voor mij dan ook meer een dichter die muziek maakt dan een muzikant die teksten schrijft. Afrikaans is een prachtige taal, rijk aan woorden en uitdrukkingen.
Onlangs kwam ik de nieuwe Fokofpolisiekar tegen. Een heel ander genre, waarbij echter de taal opnieuw recht tussen de ogen kan knallen. Voor een Nederlander is het Afrikaans zowel herkenbaar als afwijkend. Zou dat tot een bepaalde vertedering leiden, waardoor (Mu)Mensen het met een verkleinwoord aanduiden? Net zoals ik dat soms richting het Vlaams en zijn dialecten hoor?

In 2011 en 2013 stond Vlok Nel in Nederland op het Festival voor het Afrikaans, dat vorige maand zijn terugkomst vierde in Den Haag, na de jaren van de coronapandemie. In 2018 deed hij een kleine tournee door Nederland, sindsdien werd het vrij stil rond hem.
Het zou leuk zijn als hij over twee jaar op de volgende editie van het Festival staat met nieuw werk. Want al ben ik niet heel enthousiast, geboeid word ik hier en daar wél, met name op het titelnummer van de cd, Moenie my hier vergeet nie, Dixie en Rivier.

Gilgamesj - Another Daybreak (2023)

poster
4,0
Begin jaren '80 was Gilgamesj een naam die frequent opdook in de concertagenda's in Oor en op de radio (VARA's Vuurwerk). Muziek van hen hoorde ik echter nimmer. Tot ik afgelopen zomer dit vorig jaar juni verschenen Another Daybreak in een platenbak ontwaarde, waarbij de groepsnaam nieuwsgierigheid opriep: "Is dat niet die groep van toen?"
Ik kocht 'm nog niet, maar mijn brein was geprikkeld; blijkt dat dit hun eerste langspeler is! Volgens MuMe verscheen slechts in 1984 eerder plaatwerk, te weten de EP Take One. Kan me niet herinneren die destijds te zijn tegengekomen, maar aangezien ik onder de indruk was van zowel de fraaie hoes als het feit dat de groep nog steeds actief is, heb ik Another Daybreak aangeschaft.

Daar heb ik bepaald geen spijt van, al kocht ik de cd op de gok, niet wetend wat voor genre ik zou horen. Wat blijkt: Gilgamesj maakt pakkende melodieuze hardrock op de grens met symfonische rock. Ik schrijf met opzet niet 'progressive rock', omdat dit niet progressief is; noem het retrogressive symfohardrock.

Pakkend songmateriaal en bovendien goed gemusiceerd. Ervaring én speelplezier druipen ervan af. Snelle nummers ontbreken, waar ik normaliter wel van houd. Toch is dit gevarieerd, variërend van langzaam tot uptempo.
Gilgamesj heeft een eigen stijl, maar ter oriëntatie: bij de midtempo rockers denk ik soms een flardje Scorpions te ontwaren; of dankzij de twingitaren Thin Lizzy. Vaker heb ik associaties met de muziek van Saga of het Marillion met Fish als zanger. Ergens tussen die vier namen en dus vooral klinkend als zichzelf, waarbij aan de warme productie is te horen dat dit van recente datum is.

Another Daybreak is een gelijkmatig album, dat erin slaagt nergens in te kakken. Het zit 'm in de gevarieerde composities, die wellicht jarenlang als Leerdammer kaas hebben liggen rijpen. Men beschikt daarbij over alle ervaring, inclusief enkele troeven. Bij herhaald draaien blijken dat groeikwaliteiten.
Allereerst de heldere stem van Frank van Stijn, die lenig over de gitaarpartijen zijn vocalen legt. Gitaristen Gerrie den Hartog en Sylvester van Leeuwen leggen daarbij práchtige solo's neer, die dartelen van melodie en bovendien heerlijk snel kunnen zijn. Met de sober spelende toetsenist (geen solo's) en ritmesectie duurt het enige tijd voordat de favorieten komen bovendrijven.

Van de tien nummers springen de volgende er voor mij uit: de uptempo opener Down Like Rain met een heerlijk gitaarduel, het wat onheilspellende Lost Horizon, het optimistische en uptempo Right Here Right Now, In My Dreams dankzij de koortjes, het stevige Down the Road, Tales of No Tomorrow met z'n tempowisselingen plus een gitaarsolo met prachtige melodielijn en slotlied The Unknown dat statig rockend een prachtige finale vormt.
De cd kent drie bonussen: het stemmige No Contact, het rockende Into the Fire met alwéér een héérlijke gitaarsolo en het kalme Carry On met de zoveelste prachtige, in dit geval melancholieke solo op de zes snaren. Eén ding ontbeert de cd-versie: de hoes komt op elpee veel beter uit.

Misschien is dit ook iets voor Hans Brouwer, gaucho, B.Robertson, Roxy6 en vielip?

Gillan - Double Trouble (1982)

poster
3,5
Ik vond het maar raar in 1981. Een dubbelelpee die zowel een studio- als een liveplaat bevatte. Een hybride album, maar die term kende ik toen vermoedelijk nog niet. De scepsis werd verhoogd door het feit dat gitarist Bernie Tormé plaats had gemaakt voor ene Janick Gers. Op het studioalbum staan bovendien geen composities van Tormé, waarmee zijn invloed spoedig was verdampt. Alleen op de liveplaat bleek zijn erfenis met vier songs mede van zijn hand én een nummer waarop hij zelf speelde.

Met al mijn scepsis viel de plaat niet tegen. Stevig is ie zeker, zij het niet zo snel als de voorganger. Ian Gillan zingt en schreeuwt weer regelmatig de longen uit zijn lijf met alle kracht die hij bezat. Bovendien bleek die Gers eveneens een goede gitarist te zijn, die qua soleren bovendien een niet-onverdienstelijk zoon van Ritchie Blackmore leek met eenzelfde soort timing. Alsof Gillan iets van de oude magie wilde terughalen. Toch krijgt toetsenist Colin Towns de meeste ruimte voor soleren.

De studioplaat bevatte 8 nummers, vier per zijde. Favoriete nummers: op de A-zijde Restless, Men of War en Sunbeam met in het laatste nummer zo’n Blackmoriaanse gitaarsolo.
Op de B-kant Life Goes On met opnieuw zo’n solo en Born to Kill: net als op de vorige albums is dit het epische nummer dat iedere Gillan bevatte, steevast met een lang en intrigerend toetsenintro. Hier klinkt een vleugje jazz door in het pianospel, wat ik inmiddels goed kan waarderen. De invloed van Towns op de muziek van (de groep) Gillan kan niet worden onderschat. Later in het lied wordt het ouderwets snel, wat me direct beviel.

Met de liveplaat kon ik minder: twee klassiekertjes uit de rock ‘n’ roll, mwah. Ik hoorde liever de eigen composities en drie daarvan hoorden niet bij mijn favorieten. Maar goed, eigenlijk kreeg je deze plaat er in de winkel gratis bij, al moest ik bij het lenen wel de dubbele huurprijs betalen.
Nieuw was voor mij Mutually Assured Destruction met een ironische introductie van de zanger over zijn contacten met de presidenten van de V.S. en de U.S.S.R. Lekkere gitaarsolo alweer, die Gers was gewoon goed! De boodschap van het nummer over “mushrooms in the sky” kwam aan. Helaas momenteel weer akelig actueel.

Met de bonussen die ik op streaming aantref ben ik zeker content. Spanish Guitar bevat sterk akoestisch gitaarwerk, de extra livenummers had ik liever meteen op de oorspronkelijke elpee gehoord.
Resumé: niet zo goed als de vorige twee albums, maar dik okay. Mijn drieëneenhalve ster betreft de oorspronkelijke dubbelelpee, met de levendige bonussen mag er zeker een halfje bij.

Gillan - Future Shock (1981)

poster
4,5
Toen in 2016 een boxset verscheen met daarin de platen van de band Gillan op vinyl, las ik ergens een interview waarin de zanger met trots terugkeek: ‘Wat hadden wij toen snelle nummers!’
Wel, dát klopt. Zoals op Future Shock, met de hoes die ik als stripboekenliefhebber prachtig vond. De mannen zijn afgebeeld als sci-fi-coureurs in snelle pakken, een snelle luchtbolide op de achtergrond. De belettering is in computerstijl, ook achterop, het leek op de spaceverhalen die ik las. Wie de versie met klaphoes kent, weet dat die meer dan fraai is. Helaas had de bieb in mijn dorp slechts de gewone hoes.

Net als de voorganger haalde de plaat in het Verenigd Koninkrijk #4 in de albumlijst: Gillan telde na enkele jaren in de luwte weer mee in zijn thuisland, na te zijn teruggekeerd naar heavy rock.
De plaat kent het nodige snelle werk, waarop de band heel hard moet werken: op kant A Future Shock, (The Ballad of) Lucitania dat allesbehalve een ballade is en Sacre Bleu. Op de tweede zijde knalt Bite the Bullet dat bovendien de luisteraar een hart onder de riem steekt.
Naast dit fraais valt er ook op lagere tempi één en ander te genieten. De laatste drie nummers van de plaat bevinden zich in die categorie: de kippenvelballade-met-dwarsfluit If I Sing Softly en de uptempo liedjes Don’t Want the Truth en For Your Dreams, die langzaam lijken door al die snelle songs.

Bandleider en zanger Ian Gillan vergt net als op voorganger Glory Road veel van zijn stembanden. Gitarist Bernie Tormé trakteert ons af en toe op een vingervlugge gitaarsolo en daarnaast hanteert hij de jengelhengel - zo noemt een vriend van mij de tremolo - rijkelijk. Drummer Mick Underwood was niet van de generatie die met dubbele basdrum speelt, maar rost zijn drumkit af.
Veel songs werden geschreven door het drietal Gillan, Tormé en bassist John McCoy, waarmee de compositorische invloed van toetsenist/fluitist Colin Towns iets minder is geworden, al komen we zijn naam in die rol nog altijd op vier nummers tegen.
Het is niet alleen maar gloria: de nummers die ik niet noemde, doen me weinig tot niets.

Bij de bonussongs die ik op streaming tegenkomt, bevalt het snelle The Maelström mij, indertijd B-kant van single Mutually Assured Direction, die ook als bonus is te vinden. Medegeschreven door Tormé, die de band halverwege de daarop volgende tournee verliet.
Op YouTube kwam ik liveversies van nummers van Future Shock tegen, waar Janick Gers inmiddels diens vervanger is. Een geoliede machine, die zich prima kon meten met de jongehondenbands die inmiddels in groten getale actief waren. Opvallend: bijna géén denim and leather voor Gillan en co. Dat jasje van McCoy vooral! Weer eens wat anders in vergelijking met wat ik in het publiek zie.

Future Shock is dik in orde. Sterker nog: ik zou willen dat Gillan & co op de laatste twee platen met Deep Purple (Infinite en Whoosh!) een enkele snelle song hadden gezet, want juist daaraan ontbreekt het daar. Geef mij dan het Gillan van deze plaat, een fijn bandje met gevarieerde composities en tonnen energie.

Gillan - Glory Road (1980)

poster
4,0
Degenen die onvrijwillig Deep Purple verlieten hadden allen moeite hun carrière weer op de rails te krijgen. Ian Gillan was zelfs enige tijd helemaal klaar met muziekmaken.

Purple was vóór mijn tijd, maar vanaf eind 1977 ontdekte ik als jonge tiener (hard)rock en dus ook Purple. Zo leerde ik over drie nazaten van de band. Allereerst Rainbow, waarvan bandbaas Ritchie Blackmore vrijwillig was vertrokken en daarom al iin '75 op snelheid was.
Vanaf 1979/1980 kregen ook de carrières van voormalig Purplezangers David Coverdale en Ian Gillan zoveel vaart dat ze doordrongen tot de fonotheek van mijn dorp en vervolgens op mijn pas aangeschafte platenspeler belandden, bij elkaar gespaard met een krantenwijk.

De eerste plaat van Gillan die door de dorpsbieb werd aangeschaft was Glory Road, de derde van de band. De reliëfhoes vond ik niet aantrekkelijk, maar na één keer draaien had ik er een nieuwe gitaarheld bij: Bernie Tormé! Colin Towns vond ik nuttig, hij hamert immers driftig op zijn elektrische piano.
Beiden hebben een heel andere stijl dan Blackmore en Lord, de overeenkomsten met Purple zijn daarom beperkt. Geen invloeden uit de klassieke muziek, geen hammondorgel - voor dat instrument was ik toen trouwens allergisch, dat kwam dus goed uit.
Ook de ritmesectie klinkt anders. Wennen was de aanblik van een dikke kale John McCoy op basgitaar, maar met drummer Mick Underwood hoorde ik een ritmesectie met een bovengemiddeld energiepeil.

Songs van Gillan/Tormé/McCoy domineren de eerste helft, die van Gillan/Towns belandden vooral op de B-kant. Toch vormen ze een homogeen en energiek geheel.
Met Unchain Your Brain schiet de plaat uit de startblokken, Tormé racet in de solo kort maar rap over de snaren. Dat had hij van mij vaker mogen doen, want pas met de lange introsolo van No Easy Way gaat hij weer los.
Sleeping on the Job schoot mij in de jaren erna regelmatig te binnen, vooral als mijn werk me niet beviel. Fijne song.
De B-kant opent filmisch met het thrillerachtige toetsenintro van On the Rocks. Daarna de song zelf, energiek en creatief; het schrijversduo Gillan/Towns kon aparte songs maken!
De blues van If You Believe Me bevat een gierende tremologitaarsolo en een piano-exposé, waarbij Gillan een vraag- en antwoordspel doet met beide instrumenten.
Hierna een snel pareltje: Running, White Face, City Boy is weer heerlijk op hoog tempo met knallende gitaar- en toetsensolo.
Afsluiter Nervous is niet de beste song van de plaat, maar Gillan probeert een nieuwe techniek op zijn stembanden uit. Anno 2022 noem ik het grunten-avant-le-lettre.

Indertijd was ik iets minder enthousiast dan heden ten dage, omdat ik nu niet meer hoofdzakelijk op snelle gitaarsolo's afga. Zou ik toen 3 sterren hebben gegeven, nu ga ik voor de vier.

Gillan - Magic (1982)

poster
2,5
Magic is het tweede album dat de groep Gillan met gitarist Janick Gers opnam, waarna de band uiteenviel. Dit tot chagrijn van de leden, op Ian Gillan na die aan boord van Black Sabbath klom.
Ik hoor liever het Gillan met gitarist Bernie Tormé, zoveel is snel duidelijk. Het materiaal is namelijk flets in vergelijking met voorheen. Energie genoeg op dit plaatje, maar dat geldt niet voor de inspiratie. Je zou niet zeggen dat het dezelfde Gers is die later Iron Maiden een schop onder de bips gaf. Zijn partijen zitten bovendien lager in de mix. En dus kan ik mij goed vinden in het bericht hierboven.

Herhaaldelijk afspelen maakt dat als heul bescheiden favorieten komen bovendrijven: de felle opener What's the Matter, de aor-achtige Living a Lie en You're so Right, plus de single Living for the City; Oorspronkelijk van Stevie Wonder, waarbij ze het origineel sterk naar eigen hand zetten.

Twee nummers vallen in de categorie net niet. Iedere Gillanplaat kent een episch, lang nummer. Hier is dat Demon Driver, maar het refrein is bijna irritant; wel schittert toetsenist Colin Towns bij vlagen.
Long Gone klinkt als de inspiratiebron van het latere Now You're Gone (1989) van Whitesnake, maar dan slechter gedaan: het keyboardthema is aardig, maar waar Gers dat vervolgens kopieert, had hij er beter omheen kunnen spelen en zo melodie toevoegen. Nu klinkt het lomp.

Stuwden Towns, Tormé en Gillan elkaar op de vorige platen omhoog in het liedschrijven, op Magic lukte dat nauwelijks. Enkele bonussen zijn desondanks aardig, op Breaking Chains en Purple Sky klinkt zelfs iets van de oude magie.

In 1991 maakte hij nog een album onder de vlag (bandnaam en logo) van Gillan, het mij onbekende Toolbox. Dit met andere muzikanten, ben benieuwd. Nu eerst zijn solo- en Purplealbums vanaf 1984.

Gillan - Mr. Universe (1979)

poster
4,0
Wat was er toch met die Ian Gillan gebeurd, nadat hij kort na de release van liveklassieker Made in Japan Deep Purple had (moeten) verlaten? Eén van de zaken die ik me eind jaren ’70 begon af te vragen, nadat het kwartje voor scheurende gitaren was gevallen.

Inmiddels weten we dat hij even klaar was met opnames en eindeloos touren. Hij knipte de haren korter en begon drie bedrijfjes, die op een opnamestudio na mislukten. Als hij door Roger Glover wordt gevraagd om Ronnie James Dio te vervangen voor de live-uitvoering van The Butterfly Ball, krijgt hij weer lol in het zingen en start de Ian Gillan Band. Heavy rock verruilt hij voor fusion, volgens de Popencyclopedie van Oor slechts geschikt voor een "kleine, fanatieke Purple-aanhang", dus niet voor kersverse liefhebbers als ik. In deze stijl maakte hij drie studioalbums.

Drie jaar later maakt hij een doorstart met Gillan, waarmee hij terugkeert naar het ruige werk. In de platenbakken van de alternatieve platenzaak in de Grote Stad kwam ik de dure Japanse importelpee Gillan tegen, met enige vertraging gevolgd door Mr. Universe, voor een normale prijs verkrijgbaar.
In Nederland kreeg hij nauwelijks aandacht: er waren twee hardrockshows op Hilversum 3, maar ik kan me niet herinneren daar iets van die twee te hebben gehoord. Het bleven voor mij schimmige platen en de hoes van Mr. Universe vond ik veel te zomers voor heavy rock. Daar waagde ik me niet aan.

Ik had het weer eens mis! Pas met Glory Road (1980) werd mij duidelijk dat Gillan weer muziek maakte in mijn straatje. Het is met terugwerkende kracht dat ik de voorbije weken het (Europese) debuut Mr. Universe ontdekte. Mijn streamingplatform laat daarvan drie nummers ontoegankelijk, gelukkig is er YouTube.

Dan word ik in 2023 toch nog verrast. Mr. Universe kan zich namelijk prima meten met de sterke drie opvolgers. Het heeft alle kwaliteiten van die platen én een goede productie.
De invloed van toetsenist Colin Towns is groot: alle nummers zijn (mede) door hem geschreven, waarbij hij wijselijk nalaat het hammondorgel te gebruiken, waardoor vergelijken met Deep Purple minder voor de hand ligt.
Idem voor de gitarist. Een ander groot verschil met Purple is namelijk de speelstijl van de Ier Bernie Tormé. Deze combineert de jengelhengel met snelle, vaak vrij korte solo’s, wat hij in zijn eigen (punk!)band ook al deed. Zo laat de tremolo de gitaar janken, waarna vaak over de snaren wordt geracet. Sterke voorbeelden van hun kunsten zijn Second Sight, Secret of the Dance, Roller en de titelsong.
Bassist John McCoy legt met drummer Mick Underwood een stevige basis, geschikt voor zowel het snelle als het langzamere werk. In afsluiter Fighting Man laten de vijf bovendien horen hoe je een ballade met een sterke melodie kunt opbouwen naar een pakkende climax. Een groeibriljantje.

En zo krijgen we een heerlijk stevig en meestal uptempo of zelfs snel album, waarbij de zanger wordt gedwongen de grenzen van zijn stem op te zoeken. Hiermee was hij net op tijd voor de New wave of British heavy metal, die een jaar later losbarstte. Een degelijke acht lijkt mij een heel eerlijk cijfer.

Girls at Our Best! - Pleasure (1981)

poster
Op mijn reis door new wave kom ik langs grote en kleine namen. Girls At Our Best! behoort tot de laatste categorie: slechts drie jaar bestond de groep uit Leeds en zelfs in hun eigen Engeland haalden ze slechts eenmaal de hitlijst. Ik kom hier omdat ik op single Getting Nowhere Fast stuitte, dat in april 1980 verscheen en in de independant charts van het VK #9 zou hebben gehaald volgens Wikipedia. Die lijst is niet online te vinden, wel vond ik dat BBC Radio 1-dj John Peel het nummer op 31 maart in zijn programma speelde; hier de tracklist van die aflevering die ook ergens (waar?) online zou moeten staan.

Getting Nowhere Fast is muziek die ik, had ik die destijds gehoord, meteen zou hebben omarmd. Scheurend gitaartje van James "Jez" Alan (het heeft wel wat weg van Sex Pistols), felle zang van zangeres Judy "Jo" Evans en een melodie die me meteen grijpt. Destijds werden ze omschreven als postpunk en letterlijk gezien klopt dat. Toch staat het nummer dicht bij de punk van 1976 - '77, waarbij ik aan Siouxsie and The Banshees moet denken.

Een jaar later verscheen album Pleasure waar de single niet op stond, maar in 1994 belandde het als openingstrack op de cd-versie. Als ik qua wave bij 1981 ben aanbeland, keer ik hier terug.

Mijn reis door de new wave van 1980 kwam van Gruppo Sportivo en Copy Copy en vervolgt bij de industrial klanken van Throbbing Gristle en hun vierde elpee Heathen Earth.

Glenn Hughes - Chosen (2025)

poster
3,5
Vorige maand meldden kort na elkaar twee zangers uit de historie van Deep Purple ermee te gaan stoppen. David Coverdale met onmiddellijke ingang wegens falende stembanden en Ian Gillan doet nog één tournee met Purple, waar diens toenemende gezichtsbeperking hem kennelijk zal dwingen daarna een punt achter zijn carrière te zetten.
Glenn Hughes was tweede zanger bij Purple in de dagen met Coverdale. Hij is ondanks diens voorbije drugsverslavingen echter nog altijd zeer actief én beschikt over lenige stembanden. Ik ben niet 's mans grootste fan, had altijd moeite met diens funkkant, die zich vocaal uitte in gilletjes en ad libs. Als ik dan lees dat dat aspect hier ontbreekt, raak ik echter geïnteresseerd.

Chosen biedt inderdaad robuuste hardrock, waar zijn stem, riffs en ander gitaarwerk plus een ronkend basgeluid samengaan. Daarbij geniet ik vooral van de melodieën in opener Voice in My Head, titellied Chosen dat ingetogen en stevige delen kent, Heal heeft een pakkende melodielijn en riff, In the Golden heeft een onverwacht fel start en slot, met tussendoor een slepende groove. Daarna treedt bij mij een verzadiging op en word ik nergens echt bij de lurven gepakt, terwijl het niveau nergens is gezakt. Ligt dat aan mij?
Producer en gitarist is de Deen Søren Andersen, die niet uit is op lange solo's maar wél in dienste van de composities speelt. Toch had ik wel iets meer spetterend gitaarwerk willen horen.

Chosen is minimaal degelijk met soms wat extra's; voor de pure rocker waarschijnlijk meer dan dat. De sfeer van feel-good maakt dat ik er uiteindelijk een 7 aan geef.

Glenn Hughes - Resonate (2016)

poster
4,0
Ik schreef laatst iets bij de nieuwe van Glenn Hughes, Chosen uit 2025. De reactie van milesdavisjr prikkelde mij om de voorganger te gaan beluisteren.
Dit Resonate is dus van negen jaar eerder en warempel, het is langzamerhand gegroeid en gegroeid. Qua funkinvloeden vind ik het nogal meevallen, het is een voluit rockend album met op Landmines een vleugje funk. Echter, waar die stijl er vroeger toe leidde dat Hughes ad libs en gilletjes zong - die werken op mijn humeur als dezelfde dingetjes van bijvoorbeeld Mariah Carey, kwestie van smaak - laat hij die hier achterwege. Het nummer hoort zelfs bij mijn favorieten.

Hughes zingt robuust en anders dan op Chosen duikt af en toe het geluid van het Hammond op. Dat orgel past goed bij zowel de historie als de composities van de voormalige Deep Purpleaan.
Andere favorieten: bij Let It Shine word ik voor het eerst vol geraakt. Wat een bizar korte, maar effectieve en heavy riff. In combinatie met het lichtere refrein werkt dat érg goed.
In Steady duikt Jon Lord, excuseer Lachy Doley op met zijn orgel: een heerlijk intro gevolgd door een dansende riff. Het ingetogener When I Fall draagt een fraaie melancholie met zich mee en Stumble & Go heeft een pakkende riff en aparte bruggen. Long Time Gone tenslotte begint akoestisch en wordt dan stevig met - toch nog - enige scheurende funkgitaar. Lekkerrr.

Anders dan bij Chosen heb ik in de tweede helft dus totaal geen last van verzadiging, integendeel, de sterke nummers bevinden zich vooral aan die kant. Miles, bedankt voor je aanzet!

Graham Bonnet - Line-Up (1981)

poster
3,5
In 1968 had Graham Bonnet succes als pop/r&b-zanger bij The Marbles, zoals Von Helsing al duidde. Ik leerde hem echter kennen van het hardrockende Rainbow middels Down to Earth (1979), waarmee hij aan het tweede deel van zijn carrière begon. Dat zal voor de meesten hier op MuMe gelden. Op dit album probeerde hij de twee te combineren.
Dank aan degenen die er hierboven over schreven: was Line-up totaal vergeten. Indertijd wel in de platenbakken gezien, maar laten staan omdat het niet goed voelde.

Had ik 'm toen wel aangeschaft, dan had ik dit inderdaad veel te soft gevonden. De man was afhankelijk van liedschrijvers en zo werd een regiment covers voorzien van gastmuzikanten die bekwaam musiceren. Voor het hardrockertje dat ik was, was dit echter te veel van alles wat.

Maar ik ben geen tiener meer. 'Van alles wat' kun je ook opvatten als 'afwisselend' en dát is het zeker. Grappig om te zien hoe van Whitesnake Micky Moody en Jon Lord kwamen opdraven (Hans Brouwer, is dit iets voor jou?) en Status Quo werd vertegenwoordigd door Rick Parfitt, Francis Rossi (synthesizer op Night Games!) en Andy Bown. Mét anderen zoals de hierboven terecht geprezen drummer Cozy Powell.
Als single haalde Night Games in april 1981 #6 in het VK en zo was Bonnet in Top of the Pops te zien, waarna Liar in juni #51 haalde. De elpee haalde er in november bescheiden #62.

Mijn favorieten: opener Night Games, het rockende S.O.S., That's the Way that It Is (al is de versie van Uriah Heep van het jaar erop beter!), de Chuck Berrycover en het Quo-achtige Anthony Boy en de poprock van Set Me Free. Op streaming enkele prima extra's, afkomstig van de cd-versie van 2016.

Ik zie hierboven een opmerking van vielip en denk dat ik mijn broertje hier wel een plezier mee kan doen: dadelijk een berichtje sturen naar de verkoper.

Graham Parker - Howlin' Wind (1976)

poster
3,5
Mijn reis door new wave en punk komt vanaf het gelijktijdig met Howlin' Wind verschenen debuut van de Ramones. Met de historische context die Reint hierboven schetste, wordt Graham Parker geheel juist onder pubrock geschaard, de wegbereiders van Britse punk. Maar wie zich beperkt tot luisteren, hoort op Howlin' Wind wat Droombolus beschreef: muziek in de voetsporen van Van Morrison. En dan klinkt het totaal níét als een wegbereider, maar als goed georkestreerde blue-eyed r&b.

Verschenen in april 1976 en geproduceerd door Nick Lowe. Met een goed ingespeelde band bij de frontman: The Rumour, al wordt hun naam niet groot op de hoes vermeld. Daarin enkele veteranen uit de pubrockscene: gitarist/toetsenist Brinsley Schwarz en toetsenist Bob Andrews kwamen uit Brinsley Schwarz, gitarist Martin Belmont uit Ducks Deluxe. En dan is er de ritmesectie: bassist Andrew Bodnar en drummer Steve Goulding, namen die we de jaren erop tegenkwamen bij Nick Lowe, The Cure, Elvis Costello en The Associates.

Maar ook die namen zetten je op het verkeerde been bij dit conventionele plaatje, waarop prima composities staan zoals White Honey, vaak ondersteund door een blazerssectie. Centraal staat de snerpende stem van Parker. Op Back to Schooldays dat kant 1 afsluit klinkt zelfs countryrock, niet verbazingwekkend gezien de voorgeschiedenis van leden van The Rumour. Kortom, wat is hier nieuw en wegbereidend aan? Waar hoor ik Londen in 1976 terug?
Wel, in het titelnummer klinkt opeens reggae. We zijn dan al een eind onderweg op de tweede plaatkant. Na het bluesje van Not If It Pleases Me komt een nummer dat niet veel later een ander jasje zou krijgen: Don't Ask Me Questions is hier kalmpjes met opnieuw reggae.

Op het moment dat punk zijn gezicht liet zien, oktober '76, was daar al de opvolger.
Mijn reis vervolgt. Omdat ik het debuut van Blondie uit juni '76 al eerder beschreef vervolg ik bij The 101'ers.

Graham Parker and the Rumour - Heat Treatment (1976)

poster
3,5
Toen ik eind jaren '70 alles over muziek verslond, met hardrock, metal, punk en new wave als lievelingsgerechten, leerde ik dat pubrock de bodem rijp maakte voor die laatste twee genres. Bovendien wilden enkele namen in dit genre hitjes scoren in Nederland.
In 1976 was het nog niet zover en als ik Heat Treatment hoor, plaats ik dit dichter bij Bruce Springsteen en diens E Street Band dan bij de muzikale revolte van najaar 1976. Toch is het oktober 1976 dat de plaat verschijnt, slechts zes maanden na het debuut Howlin' Wind.
Die vergelijking is echter alweer anders dan het debuut, waar Them en Van Morrison de inspiratiebronnen leken, of algemener: de rhythm & blues van de jaren '50 en '60. Parkers scherpe stem, soms op het snauwende af, geeft de muziek echter wél een bijtend effect en sterke liedjes schrijven deed hij ook. Dit met een minder rond geluid dan de voorganger die door Nick Lowe was geproduceerd, klinkt de opvolger meer als van de straat. Producer: Robert John "Mutt" Lange, die vanaf 1979 furore maakte met o.a. AC/DC en Def Leppard; alleen bij Back Door Love deed Lowe dit onderdeel.

Het dus bepaald niet zo militant als de zwart-withoes doet vermoeden, maar begeleidingsgroep The Rumour is hoorbaar beter ingespeeld en meer vertrouwd met de stijl van de frontman.
Mijn favoriet is Somethin' You're Going Through, dat een licht reggaegevoel heeft en een sterke zangpartij.
In 2001 kwam een cd-versie uit met als bonussen de twee studionummers van zijn EP The Pink Parker uit maart 1977. Daarbij pareltje Hold Back the Night, een tijdloos en vrolijk liedje met blazers.

De reis gaat verder: ik kwam vanaf Patti Smiths Radio Ethiopia en vervolg door één maand terug te gaan in de tijd: in september '76 verscheen liveplaat Stupidity van Dr. Feelgood.

Graham Parker and the Rumour - Squeezing Out Sparks (1979)

poster
3,5
Wat vervelend dat mijn streamingdienst niet alle nummers van Squeezing Out Sparks van Graham Parker and The Rumour wil afspelen! Heeft vast iets met de rechten te maken, al is ook dat verwonderlijk: alle nummers werden door Parker geschreven.

Hoe dan ook, dankzij YouTube kan ik het volledige album draaien, al blijft het jammer dat mijn grote favoriet, opener Discovering Japan, "grijs" is op mijn streamingdienst en dus niet in mijn afspeellijst met new wave kan.
Puntige gitaarliedjes met de gedreven, bijtende stem van Parker en zijn betrouwbare begeleidingsgroep, die in het jaar ervoor bovendien hun tweede album zonder Parker had uitgebracht. Dat de laatste zo tijd kreeg om nieuwe liedjes te schrijven, blijkt op dit sterke album waar inderdaad vonken worden uitgeperst.
Andere hoogtepunten: Local Girls, Nobody Hurts You, het felle Saturday Nite is Dead, Waiting for the UFO's en livebonus Mercury Poisoning met een heerlijk orgeltje op z'n Elvis Costello's.
Die bonus is afkomstig van de cd-editie uit 2001, waar als tweede extraatje een cover van I Want You Back van The Jackson 5 staat. Verrassende keuze die goed uitpakt.

Hitsingles wist Parker hiermee niet te scoren, maar als album haalde het in de eerste week van april 1979 #18 in de Britse albumlijst. Wellicht kom ik ook ooit nog de 2cd Squeezing Out Sparks & Live Sparks uit 1996 tegen met daarop veel meer livemateriaal. Voor het originele album geef ik een 7,5 als schoolcijfer.

Ik ben bezig aan een ontdekkingsreis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en aanverwante muziek. De tocht kwam van industrial klanken van Throbbing Gristle en vervolgt bij de tweede langspeler van het Amerikaanse Devo.

Graham Parker and the Rumour - Stick to Me (1977)

poster
4,0
Ben op reis door new wave en aanverwanten en belandde zo vanaf Dead Boys bij deze elpee uit oktober 1977, die ik voor de verandering wél heb staan. Was echter vergeten dat ik bovenstaande bericht al had gepost.

Vanmiddag herbeluisterd. Vallen me nieuwe zaken op? Jazeker!

Zo realiseer ik me dat single New York Shuffle dankzij de radio mijn eerste kennismaking was met Graham Parker. Vanmiddag viel me bovendien op dat dit zijn eerste album was waarop hij de energie uit punk en new wave integreerde in zijn muziek. Zijn beste album tot dan toe.
Ook noemenswaardig is dat begeleidingsgroep The Rumour na de vorige Parker Heat Treatment uit 1976 hun eerste plaat zonder de frontman uitbracht, het lekkere Max uit juli '77. Oftewel, een drukbezet kwintet met een begeleidings- en eigen carrière.

In april 1978 zou hun Frogs Sprouts Clogs and Krauts volgen, een maand later verscheen van hen met Graham Parker livedubbelaar The Parkerilla.

Maar ik reis eerst verder door new wave uit het najaar van '77 en kom bij een obscure EP waarop nare dingen over Nederlanders worden beweerd: Another Close Shave van Engelsman John Dowie.