MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Mogg / Way - Edge of the World (1997)

poster
4,5
Eindelijk lukte het Phil Mogg om een nieuw album met UFO inclusief Michael Schenker op te nemen met bovendien podiumbeest Pete Way aan hun zijde, vergezeld door oudgediende Andy Parker op drums. Toch haalde Walk on Water niet de gehoopte albumlijsten. Als er dan bovendien net als in de jaren '70 onenigheid komt tussen Mogg en Schenker en de laatste zijn biezen pakt, zijn de rapen gaar.
Mogg en Way zullen elkaar eens vertwijfeld in de ogen hebben gekeken over die onnodige beperking in het contract, want zoals jailhouserocker1 schreef: "In die periode mocht men de naam UFO niet gebruiken wanneer Schenker niet in de band zat".

Schenkers voorganger in de jaren '90 was Tommy McClendon en opnieuw wordt een Amerikaanse shredder gevonden: George Bellas. Het resultaat is een ij-zer-sterk album, waarbij men onder de vlag Mogg / Way vaart. Edge of the World is onbekend en wellicht daarom onbemind. Tijd om 'm aan de vergetelheid te ontrukken.
Wat dit album zo sterk maakt, is dat de blues weer opduikt en daarmee ook de melancholie in Moggs stem. Maar ook wordt op z'n metals gerockt blijkens Gravy Train of robuust gespeeld zoals Fortune Town laat horen. Laat ik daarbij niet de partijen van drummer Aynsley Dunbar vergeten; hij brengt de composities extra stevigheid.
De sfeer en kwaliteit van het UFO van de jaren '70 (Love to Love !) keert sterk terug in de coupletten van High Wire en als in Saving Me from Myself de stem van Mogg weent als toen, ben ik zó gelukkig...

De reprise van Mother Mary vormt het slot van een zegereeks van zeven nummers, want het navolgende House of Pain heeft het net niet en hetzelfde geldt voor It's a Game, ondanks de slidegitaar. Het uptempo History of Flames is dan weer ráák, Spell on You is okay en het instrumentale Totaled een heerlijk slot. Een instrumentaal nummer bij UFO, in dit geval Mogg / Way? Als ik me niet vergis een primeur en het werkt ook nog.
Negen hele sterke nummers en drie prima nummers. Bellas doet meer dan razendsnel snarenracen, hij heeft oor voor melodie én speelt de blues. Details als de achtergrondzang van onder meer Eric Martin (Mr. Big) tonen de zorg die door producer Mike Varney is besteed. Echt, Edge of the World verdient herwaardering.

Opvallende volgende stap volgens de UFO-bio 'High Stakes & Dangerous Men': in augustus 1997 wordt opgetreden als UFO, want Michael Schenker voegt zich met Paul Raymond en Simon Wright voor twee shows bij Mogg en Way in de Hollywood Palace. Hier enkele foto's.
Sterker nog, van november tot en met begin 1998 volgt een Europese/Japanse UFO-tournee, waarbij Schenker omwille van de lieve vrede gescheiden van de anderen reist. In Japan echter laait een volgende ruzie op, waarop Schenker weer eens zijn biezen pakt.

Nieuwe onderhandelingen met Schenker volgen, terwijl de Duitser met Ulli Jon Roth en Joe Satriani tourt als G3 en aan het MSG-album The Unforgiven werkt. Paul Raymond werkt tegelijkertijd aan Man on a Mission, waarop zijn UFO-maatjes te gast zijn.
In de tussentijd bereiden de heren Mogg / Way de opvolger voor, mijn volgende album in de historie van UFO. Op naar Chocolate Box.

Moggs Motel - Moggs Motel (2024)

poster
4,5
In 2024 werd definitief duidelijk dat het legendarische UFO niet meer zal vliegen. Hun laatste was een tegenvallend coveralbum, maar de voorganger met eigen werk A Conspiracy of Stars (2015) vond ik vijf sterren waard. Als ik in de nazomer van 2024 verneem dat zanger Phil Mogg (76!) terugkeert met een nieuwe groep genaamd Moggs Hotel, sta ik áán.
Gezien Moggs hartproblemen zit een (buitenlandse) tournee er niet in: hij zal het bij hooguit een enkel concert houden. Dat betekent dus dat hun titelloze debuut het werk moet doen, hetgeen de groep glansrijk lukt.

Waar UFO vanaf 1973 steevast een niet-Engelsman op gitaar had - zelfs Paul Chapman was Welsh - is Moggs Hotel een geheel Engelse groep, al zijn de groepsnaam en de thematiek van de hoes sterk Amerikaans. Anders dan de laatste UFO's werd de muziek in Engeland opgenomen. Er klinkt robuuste, melodieuze hardrock, gegoten in sterke composities die dankzij de melancholie in de stem van Mogg extra cachet krijgen.
De laatste tour die UFO maakte was met de teruggekeerde gitarist/toetsenist/saxofonist/dwarsfluitist Neil Carter in de gelederen. Hij bleef in Moggs Hotel aan de zijde van de frontman en speelt een prominente rol.
Het verhaal begint echter als Mogg tijdens de covid-lockdown bassist Tony Newton ontmoet. De twee gaan samen muziek maken waarvoor Steve Harris van Iron Maiden zijn studio beschikbaar stelt. Naast Carter sluiten gitarist Tommy Gentry en drummer Joe Lazarus zich aan.

De composities zijn zonder uitzondering prima en met alle uptempo hardrock soms verrassend, zoals het instrumentale kleinood Harry's Place dat als opstapje voor The Wrong House fungeert, of slotlied Storyville dat op een eenvoudig maar effectief pianothema leunt. Mijn grootste favoriet is het stoempende The Princess Bride, dat net als menig ander nummer profiteert van de koortjes van zangeressen Zoe Devlin Love en Laurie Mansworth en een prachtig, opvallend uittro bevat.
Bij dit alles kreeg Newton zeven schrijfcredits en Carter zes: het levert de nodige variatie in composities en melodielijnen op. Daarbij is het genieten is van het klassieke rockspel van de laatste, dat in fraai contrast staat met de modernere aanpak van Gentry.

En daarmee eindigt mijn reis door het oeuvre van UFO / Mogg/Way, inclusief de zijstapjes naar het solowerk van Pete Way. Beste Kondoro0614, hopelijk kun je er wat mee! Moggs Hotel is een onverwacht pareltje van 2024 gebleken. Niet grensverleggend maar wel vertrouwd goed, vol creatieve klasse.

Molly Hatchet - Take No Prisoners (1981)

poster
3,0
Indertijd plukte ik Take no Prisoners uit de biebbak, mede vanwege de hoes. Waar ik harde, gemeen klinkende hardrock verwachtte, klonk echter southern rock; soms stevig, soms loom.
Drie nummers belandden op cassettebandje. Van de A-kant het uptempo Loss of Control en op de B-kant het swingende en vrolijke Lady Luck, waarin ik zelfs de blazers kon waarderen (daarover waren mijn schoolvriend en ik verbaasd: trompetten en toch lekker?), met de semiballade Power Play (met congo's en tóch werkt het! Alweer verbazing!).
Het gitaarwerk was regelmatig genieten, de zang was me echter te vlak. De binnenhoes was weer eens gejat, ik ontbeerde dus alle achtergrondinformatie.

Lang leve streaming, inmiddels kan ik de muziek van verloren gegane cassettes herbeluisteren. Mijn voorkeuren blijken onveranderd, maar er komt een favorietje bij: Respect me in the Morning. Herken ik in dit duet niet de stem van (Baby Jean) Joyce Kennedy van Mother's Finest? Jawel, het is haar en wélk een passie voegt die stem onmiddelijk toe!

Stevige southern rock, een genre dat ik sinds enkele jaren meer kan waarderen dan voorheen. Vier favorieten op dit album dat ik met drie sterren waardeer. Ik moet eens een playlist van deze band en het genre gaan maken.

Monsters of Rock (1980)

poster
4,0
16 augustus 1980 was een mooie dag voor Britse liefhebbers van scheurende gitaren. Het leidde tot midprice-elpee Monsters of Rock, maar met de grote concurrentie en mijn kleine budget kwam het nooit tot aanschaf. 44 jaar later kwam ik 'm in Den Bosch bij The Record Hustler alsnog tegen.

Indertijd was ik vooral nieuwsgierig naar het Rainbow met Graham Bonnet, die via Down to Earth en vervolgens bij MSG met Assault Attack grote indruk maakte. In de jaren '90 hoorde ik hem op verzamelaar Hard Rock Live (1982) Stargazer zingen, oorspronkelijk met Ronnie James Dio opgenomen. Dat je dat überhaupt aandurfde...
25 jaar verder hoor ik die opname weer. Hij slaat zich er verrassend goed doorheen. Sterker nog, ook deze versie kan ik heel goed waarderen. Grootste gewenning is eigenlijk dat het symfonieorkest van de studio ontbreekt, maar een grootse klassieker als deze kan dat wel hebben.

Dan de twee nummers van de Scorpions, charmante hardrock, zoals het bericht van gigage hierboven al aangeeft. Ondanks het simplistische drumintro van Another Piece of Meat blijkt de som der delen weer eens ijzersterk: wat een hecht team waren de Scorpions inmiddels met gitarist Matthias Jabs. Dit waren dan ook de jaren dat de groep zich warmdraaide voor een Amerikaanse doorbraak.

Kant 1 sluit af met Backs to the Wall, eerder op het debuut van Saxon. Die plaat bevat een mix van jaren '70 hardrock en metal nieuwe stijl. Dit nummer valt in de eerste categorie, maar is met alle live-energie tegelijkertijd overdonderend. Je hoort een groep zojuist tot de Europese top doorgebroken, hard en zelfverzekerd spelend. Zéker in hun eigen Engeland.

Met All Night Long van Rainbow-nieuwe-stijl start kant 2. Geschikt om mee te zingen (dat moet het publiek dan ook doen) en op het lijf geschreven van Bonnet, weliswaar een ervaren zanger maar hier nog groen als gras in het hardrockwereldje. Verrassend is het slot met het instrumentale Blues, dat ik kende van hun befaamde On Stage uit '77.

Het Canadese April Wine was net begonnen om de oversteek naar Europa te maken. Tot een grote doorbraak kwam het niet, toch was dit in 1980 een naam om rekening mee te houden en I Like to Rock bevestigt dat. Leuk om de liveversie te horen van dit nummer dat ik kende van verzamelaar Metalmania uit 1980, maar eigenlijk van hun Harder..... Faster uit datzelfde jaar.

Touch uit de Verenigde Staten is nooit echt tot mij doorgedrongen. Melodieuze hardrock / adult oriented rock, kalmer dan de collega's op dit festival, waarmee de groep enigszins uit de toon viel. Laat onverlet dat Don't Ya Know What Love Is? goed in elkaar zit. De studioversie staat op hun titelloze debuut, dat ik maar eens moet gaan beluisteren.

Slotnummer is Road Racin' van Riot uit New York. Heerlijk nummer en dat er hier moet worden meegezongen mag de pret bijna niet drukken - je krijgt immers een goede indruk van de livecapaciteiten van de groep. Ouderwetse hardrock, maar net als Saxons Backs to the Wall zó energiek dat het voor metal kan doorgaan. En wat had Guy Speranza een gouden keeltje...

Ook leuk: de fotootjes op de achterzijde van de hoes, die een beeld geven van hoe een hardrockende groep zich in die dagen kleedde. Met de foto's van Rudolf Schenker en Klaus Meine van Scorpions snap ik nu opeens waar Stryper vier jaar later het idee van wespenkleuren aan ontleende... Het album is geproduceerd door de eigen producers van de groepen, waarbij Rainbows/Polydors Roger Glover er als executive producer voor waakte dat het geluid uniform bleef.
Polydor had kennelijk een dikke vinger in de pap van deze eerste editie van Monsters of Rock, dat later als festival ook buiten Engeland actief zou zijn én zou worden gebruikt als naam van een tv-show op Sky Channel. Door de regie van de platenmaatschappij ontbreekt namelijk één groep van de line-up op deze langspeler, desondanks een fijn tijdsdocumentje.

De hoes van de US-versie mag er trouwens ook zijn qua foto-indrukken.
Een sfeervolle terugblik met de nodige foto’s en verhalen is hier te vinden.

Montrose - Montrose (1973)

poster
4,0
Toen ik eind jaren '70 hardrock ontdekte, draaiden zowel Alfred Lagarde als Hanneke Kappen in hun Hilversum 3-hardrockshows werk van Montrose. Af en toe las ik over de groep met naar schijnt een ijzersterke gitarist en natuurlijk Sammy Hagar, wiens solowerk door Lagarde enthousiast werd gedraaid. Ik wist nog niet dat ook drummer Denny Carmassi deel uitmaakte van die groep; midden jaren '80 zou ik hem bij Heart tegenkomen.

Ik zal een jaar of zestien zijn geweest toen ik dit debuut van een vriend leende, maar het viel me dik tegen: geen snarenracerij in de gitaarsolo's. Dat was het minste wat ik verwachtte van een hardrockgitarist! De eerste drie nummers vond ik desondanks prima, daar niet van. Rock the Nation met een afkeer van huiswerk die ik helemaal deelde ("Just a-wanna have fun"), de motorgeluiden van Bad Motor Scooter en na enige gewenning ook Space Station #5. Nummers die het dichtst kwamen bij de snelle metal die mijn hart had veroverd en op een cassettebandje werden opgenomen.

Met de decennia steeg mijn waardering en bovendien kwam ik wat leentjebuur tegen. Kennelijk waren er gitaristen enorm geïnspireerd door Ronnie Montrose. Is het iemand weleens opgevallen dat Rock Candy lijkt op Rock 'n' Roll Shower van Vengeance (uit 1988, het jaar ervoor al de herkenningstune van VARA's Vuurwerk)? En vergelijk de riff van I Don't Want It met die van Redline (1983) van Saxon.
Of dit werkelijk zo is, zou de desbetreffende gitaristen moeten worden gevraagd. Feit is dat het album aanvankelijk redelijk succesvol was in de VS, maar vervolgens een 'slow burner' werd, in de jaren erna tot een klassieker uitgroeiend en in het thuisland platinum halend.
Ik word vrolijk van het gitaargeluid, onder andere met een fuzzeffect gemaakt, die een eigenwijs soort hardrock helpt maken, met de ijzersterke zang van Hagar en Carmassi's drumwerk als extra troeven, gegoten in minimaal degelijke composities.

In 2017 verscheen het album als dubbelelpee/-cd met op de bonusschijf de eerste radio-uitzending waarin de groep schitterde, waarbij drie onuitgebrachte nummers. Die is inmiddels vrij prijzig, maar ik ben geïnteresseerd...

Montrose - Paper Money (1974)

poster
2,0
Ik ben de carrière van Sammy Hagar aan het doorwerken tot het moment dat hij toetrad tot Van Halen. De tweede elpee waarop hij is te horen is net als zijn debuut in dienst van gitarist Ronnie Montrose.

Die tweede Montrose maakte eind jaren '70 op mij bij voorbaat al een slechte indruk. Als je een tiener wilt verleiden tot het kopen en beluisteren van een (hard)rockalbum moet je niet met een hoes als die van Paper Money komen. Grijs aan de voorkant, grijs aan de achterkant, slechts onderbroken door letters. Saaaaaaaaai. Ik kende dan ook niemand die 'm had staan, gratis lenen was onmogelijk en zo bleef dit tot afgelopen week buiten mijn gehoorveld.

Klopte mijn vooroordeel? Zoals gigage een kleine zes jaar geleden noteerde, is de energie van het debuut zo goed als verdwenen. Wél staan hier vingervlugge solo's op en die blijken lekker.
Ik kom niet hoger dan twee sterren. Die worden verdiend door Starliner (al komt dat met enige moeite op gang) en het mij bekende I Got the Fire, dat indertijd op Hilversum 3 door Alfred Lagarde en Hanneke Kappen werd gedraaid. Mét daarin de eerste snelle gitaarsolo, iets wat op het debuut ontbreekt! Ook hoor je hier waar Riot met hun eerste drie albums inspiratie vandaan haalde.

Al dan niet positieve vermeldingen voor drie nummers: Spaceage Sacrifice rockt aardig en het door Montrose zelf (?) gezongen We're Going Home bevat de tweede snelle solo én progrockelementen dankzij een mellotron, ingespeeld door een gastmuzikant. Connection is een overbodige cover van de Rolling Stones (te vinden op Between the Buttons uit 1967) en doet vermoeden dat Montrose zijn beste composities op het debuut had verbruikt en in tijdnood was gekomen om nieuw materiaal te schrijven.

Voor degenen die over Paper Money positiever zijn: in 2017 bracht Rock Candy een speciale editie uit. Ik ga echter door naar de eerste soloplaat van Hagar: Nine on a Ten Scale uit 1976.

Moody Marsden - Real Faith (1994)

poster
3,5
Na hun debuutplaat was de Moody Marsden Band frequent op het podium te zien. Soms met blueslegende Peter Green en ook werd met Gary Moore gespeeld, die in diezelfde periode was teruggekeerd naar de blues.

Op het in een studio in Stuttgart opgenomen Real Faith klinkt dan ook blues, bluesrock en rhythm & blues plus één popliedje. Ik heb meer met de hardrockkant (Whitesnake) van de heren, liefhebbers van pure blues zullen hier enthousiaster van worden dan ik.
In de bezetting drummer John Trotter, bassist Peter Stroud, op toetsen de Duitser Volker Kunscher en een gastrol voor de mondharmonica van Mark Feltham, die ook met Rory Gallagher en Gary Moore speelde / zou gaan spelen.
Micky Moody en Bernie Marsden doen afwisselend de leadzang. Dat Marsden als een archeoloog de oorsprong van de elektrische blues had onderzocht op studiereis in Amerika, laat zich horen. Hij besteedt er in zijn biografie veel aandacht aan.

De Midnight Horns, die ik ken van Gary Moores After Hours (1992), zijn ook hier regelmatig te horen. Meer afwisseling is er dankzij Moody die naast gitaar ook mandoline en dobro speelt, te horen op het titelnummer dat bovendien een aangenaam gospelkoortje bevat.
Het rockende Foolin' with My Heart doet aan de dagen met Whitesnake denken; 2000 Miles from Hell is zowel een ode aan het festival in het Noorse dorp Hell als aan Muddy Waters; op Kinda Wish You Would klinkt r&b alsof Keith Richards het schreef. Mijn favoriet is Someday, een aangenaam popliedje van Marsden in jaren '70-stijl. Verder klinkt vooral blues in diverse smaken.

De groep trad frequent in wisselende samenstellingen op, onder andere met toetsenist Don Airey, toetsenist-zanger Tony Ashton plus drummers Zak Starkey, Dave Dowle (ex-Whitesnake) en Terry Williams (ex-Dire Straits).
In Bern, Zwitserland, werd op een festival gespeeld met als headliner de Amerikaanse hardrockgroep Great White, dat niet blij was met de enorme sfeer die de Moody Marsden Band bij het publiek losmaakte. Boos vroeg de zanger zich af waarom die onbekenden allerlei muziek van Whitesnake speelden. "They wrote the songs!" meldde de organisator droogjes, die vervolgens toestond dat de groep een toegift speelde: Here I Go Again, luid meegezongen door het publiek onder de blikken van een chagrijnige Mark Kendall.
Marsdens fysieke verschijning (ouder wordende rocker) leidde ertoe dat hij in 1995 werd gecast door de Duitse omroep ZDF voor de serie Frankie, waarin hij een grijzende mentor van een jonge muzikant speelde; zijn stem werd door een stemacteur nagesynchroniseerd. Er verscheen een soundtrack bij.

Door gebrekkige distributie is Real Faith een een moeilijk verkrijgbaar album, maar liefhebbers kunnen ook terecht op streaming. De hoes die MuMe toont is de originele uit 1994, het verscheen later met andere hoes (2016) en zelfs andere titel en tracklist (2000).

Moody Marsden - The Night the Guitars Came to Play (2000)

poster
3,5
Livealbum van de heren Micky Moody en Bernie Marsden. Ooit samen werkzaam in Whitesnake, een grote liefde voor de blues delend.
Kijk maar naar wat de heren in de navolgende jaren solo deden: Marsden bracht in 2002 Big Boy Blue uit, in 2008 Blues Rock en een jaar later kwam een ode aan Rory Gallagher uit; Moody kwam in 2002 met het met Paul Williams opgenomen Smokestacks, Broom Dusters & Hoochie Coochie Men en in 2009 de dubbelslag Acoustic Journeyman en Electric Journeyman.

Kortom, akoestische en elektrische blues. Toch zullen Moody en Marsden bij hun meeste fans bekend zijn geworden als vertolkers van hardrock bij het Whitesnake van David Coverdale; Moody is daarbij een gerespecteerd slidegitarist en beiden schreven juweeltjes voor die groep. Gitaristen van het klassieke rockstempel, welke dus elke noot spelen en geen aaneenschakeling van arpeggio's propageren zoals shredders doen.

Ouderwetse bluesrock en soms steviger klinkt op dit live opgenomen The Night the Guitars Came; meestal elektrisch, echter op hun persoonlijke klassieker Ain't Gonna Cry No More en cover Statesboro Blues akoestisch.
De heren speelden vooral eigen werk, afgewisseld met covers van Blind Willie McTell, Freddie King en Fleetwood Mac/Peter Green. Met op bas sessiemuzikant Peter Stroud en op drums Dave Dowle, de stokkenman van Whitesnake op hun eerste albums en inmiddels zijn tuinbedrijf combinerend met incidentele muziekklusjes.

Het was een genoeglijk avondje voor het publiek dat genoot van topmusici met topbluesrock; dat de twee groepsleiders hun instrumenten beheersten moge duidelijk zijn. Op Tore Down bijvoorbeeld zingen de gitaren in een heerlijk gitaarduet, net als in het stampende en instrumentale Whitesnakeoudje Belgian Tom's Hat Trick. Slidegitaar klinkt vooral in Silver on Her Person, dat uitgroeit tot een fel rockertje. Het eveneens uptempo Kinda Wish You Would heeft in het tweestemmige refrein een countrygevoel.

Aanbevolen voor liefhebbers van pakkumbeet ZZ Top, Wishbone Ash en het Thin Lizzy in de jaren '74 - 78. Om maar een richting te duiden.

Moon Safari - Himlabacken Vol. 2 (2023)

poster
4,0
Voor mij is Moon Safari een geheel nieuwe band en dat in een genre dat ik vroeger niet zo boeiend vond. De muziek brengt mij terug naar de jaren '80 toen Wim van Putten bij de TROS op donderdagavonden nogal eens symfonische rock (zoals het toen nog heette) liet horen, heel anders dan de hitparadegerichte muziek die de omroep overdag op Hilversum/Radio 3 uitzond.

Eppers' mening van twee berichten hierboven was in eerste instantie ook de mijne, maar omdat ik interessante details hoorde, besloot ik Himlabacken Vol. 2 nogmaals te draaien, waarbij weer andere details om aandacht vroegen.
Enkele luisterbeurten verder is de muziek geland. Het is niet braaf, wel op een vernuftige wijze gelikt klinkend en diverse muzikale lagen bevattend. En het zit gevarieerd in elkaar. Bij opener 198X denk ik met alle bombast en koortjes naar Styx te luisteren, de dikke tien minuten van Between the Devil and Me vertellen zowel qua gevarieerde muziek als tekst een verhaal.
Je zou de muziek een kruising tussen de jaren '80 van Alan Parsons Project en Saga kunnen noemen; groepen die ik slechts oppervlakkig ken, dus verbeter me als ik ernaast zit. Wat ik bedoel is de vriendelijke versie van symfonische rock met veel, véél ruimte voor melodie.

Omdat ik het label progressive rock op de muziek zag geplakt, was ik bij eerste beluisteringen eveneens verbaasd over de betrekkelijke toegankelijkheid van de muziek. Maar na de 88 minuten muziek constateer ik dat hier retrogressive rock klinkt, enerzijds leunend op de symforock van de jaren '80, anderzijds in details (gitaar- en drumwerk) verradend dat dit de jaren 2020 zijn.
Wat ik ook prettig vind, is dat niet alle nummers lang duren, zoals vaak het geval is in progressive rock. Vier van de negen nummers klokken af onder de vier minuten. Hierbij is Beyond the Blue a capella, klinkend als een kerklied.
Mijn favoriet is echter een lang nummer: Teen Angel Meets the Apocalypse duurt 21 minuten en luistert als een filmsoundtrack met de nodige wendingen.

Morgendust - Morgendust (2023)

poster
4,5
Ik kwam deze band tegen via… Instagram. Of eigenlijk kwamen ze mij tegen. Kennelijk heeft het Alwetende Algoritme daarvan in de gaten dat dit mogelijk interessant voor mij zou zijn. In diverse (al dan niet online) magazines kreeg het titelloze album van Morgendust een lovende recensie, hier op MuMe bleef het stil, op één stem na. Altijd leuk om de spits af te bijten!

Bij Morgendust klinkt alternatieve gitaarwave, die je zowel terugbrengt naar de vroege jaren ’80 als de revival van dat genre die rond 2005 de kop opstak. Je zou een term als ‘postpunk’ kunnen gebruiken, maar dat associeer ik toch met donkerder sferen dan Morgendust doet. Bij hen klinkt weliswaar melancholie maar dan zonder somber te worden. Lichte weemoed.
Een strakke ritmesectie vormt de basis van de muziek, het geluid wordt bij voorbaat vol gemaakt door een toetsenbed waaroverheen sterke gitaarlijnen en melodieën zweven, met een licht-rauw randje in de zang. Een volle, warme productie maakt het geluidsplaatje compleet.

Ik zou met allerlei grote namen kunnen vergelijken. Ga ik niet doen. Morgendust heeft binnen dit genre een eigen geluid en weet héél goed hoe je sterke en gevarieerde liedjes moet schrijven.
Drie nummers die me opvielen (de lijst is bepaald niet volledig): het vlotte 1982 beitelt zich onmiddellijk in mijn hoofd met die stevige gitaren en kekke synthgeluidjes erbij, het midtempo Would it Hurt You? deint langzaam-swingend rond in mijn huis, Realtime klinkt in het intro bijna dreigend als in een thriller en bevat huilende gitaarlijnen; prachtig!

Een band die op de Lowlands en Best Kept Secrets en Rock Werchters van onze lage landen thuishoort en het ook in popzalen alleen maar goed kan doen. Ik ga bij het doorspitten van de concertagenda’s deze naam in de gaten houden.

Morgendust. Gitaarwave. Alleen maar sterke liedjes. Veel variatie. Mooie melodieën. Sterke zang. Een ingespeelde band. Vol geproduceerd. Een dikke 9.

PS Ze zijn Nederlands. Niet verder vertellen. Menigeen denkt dat het dan niet goed kan zijn. Dit is van internationale klasse. Gewoon uit Zwolle. Ja, dat kan. Weg met de vooroordelen.

Morning Dew - Morning Dew (1970)

poster
4,0
Ik kom hier omdat ik de discografie van Kansas en hun afzonderlijke groepsleden beluister. Vijf jaar voordat die groep debuteerde (1974) schreef Kerry Livgren met huisgenoot Mal Robinson, zanger/gitarist van Morning Dew, het nummer Save Me en daarmee is deze plaat de eerste waarop diens naam staat vermeld. Maar ook zonder die connectie is dit een fijne plaat.

Het gehele album is hier te beluisteren. In mijn geval een onverwacht leuke bijvangst! Passend bij de psychedelische rock die in die dagen gangbaar was, waarbij melancholie welig tiert. Het leidt tot mooie melodieën en soms pittige slaggitaren zoals in Crusader's Smile, fel klinkend als de Britse gitaarnewwave vanaf 1976. Upon Leaving is deels ingetogen maar kent een stevig deel. Stevig drumwerk in het intro van Young Man, een heerlijk knallend nummer in de traditie van de Britse r&b-golf van de jaren '60.

Kant 2 start met Gypsy luid als bij tijdgenoten Iron Butterfly, met als contrast de bijna folkrock van Something You Say, gevolgd door het vrolijke uptempo Country Boy met daarin mondharmonica. Save Me is een aardig nummer, in niets lijkend op de complexe muziek van Livgren. Dan liever het bijzonder in elkaar geknutselde drieluik Epic- The Mann-Death Is a Dream dat de plaat afsluit.

In 1995 verscheen een retrospectief album van de groep, Second Album genaamd. Wie wil lezen hoe de rivalen van Kansas begin jaren '70 klonken, kan hier terecht.

Mother's Finest - Another Mother Further (1977)

poster
4,0
Eén van de bands die Alfred Lagarde in zijn Betonuur fanatiek promootte was Mother’s Finest. Zwarte jongens, op de gitarist én een meisje met een strot van hier tot gunder na. Legendarisch is het verhaal hoe Lagarde de band ophaalde van Schiphol in zijn Amerikaanse auto, whiskey onder de autostoel.

Jarenlang heb ik gedacht dat Another Mother Further hun debuutelpee was en in zekere zin klopte dat. Buiten de Verenigde Staten waren ze namelijk bij het uitkomen ervan nog onbekend, maar dankzij Lagardes steun haalde single Piece of the Rock in juli 1978 #7 en het album diezelfde maand #13. In de BRT Top 30 haalde Piece bovendien in augustus #27. Dit dankzij één enthousiasteling, die ervoor zorgde dat Mother’s Finest enkele maanden na de uitgave van het album in Amerika ook voet aan wal in Europa kreeg.
Ik kocht indertijd tijdschrift Hitkrant, waarin Ferry Maat van de TROS Soulshow een rubriek had. Hij schreef daarin dat hij na enig nadenken de hit had toegelaten tot zijn eigen lijst. Het is een echo van de verwarring die de band in Amerika vaak tegenkwam: is dit soul/funk of (hard)rock?

Was Lagardes enthousiasme terecht? Ja, luidt mijn oordeel 45 jaar later. De plaat van nog geen 35 minuten staat vol eigenzinnige muziek. Hier staan namelijk niet de gitaren vooraan in de mix, maar de bas en toetsen, die laatste twee heel intens riffs spuwend. Je zou het kunnen vergelijken wat The Stranglers ongeveer gelijktijdig lieten horen: een vette bas is óók een geluidsmuur.
De muziek is een mix van soul, funk en hardrock, waarbij de zang van Baby Jean Kennedy en Doc Murdock soms bijna als uitzinnige gospel klinkt. De rol van gitarist Moses Mo is relatief bescheiden maar uiterst passend: hij scheurt op de juiste momenten.
Daarbij valt op dat de grooves zó ontzettend belangrijk zijn. En lekker! Naast de single werden Baby Love en Burning Love radiohits. Maar ook Truth’ll Set You Free met zijn briljante ritme en de knipogen naar disco in Dis Go Dis Way, Dis Go Dat Way en de wereld van heavy gitaren in Hard Rock Lover maken indruk.
Op de A-kant staat de semiballade Thank You for the Love, waarop vooral soul klinkt; een lekker nummer, zij het dat het me met zijn dikke 5 minuten net iets te lang duurt.

In de podcast over Alfred Lagarde hoor je in aflevering 6, 'Koekiemonster bij Yab Yum', op 30’50” een fraai voorbeeld van Lagardes gastvrijheid voor bassist Jerry Wyzard Seay en diens vrouw. De man vertelt met veel gevoel over die periode, waarin Lagarde zijn Haagse woning uitleende.
Another Mother Further klinkt in de productie van Tom Werman nog altijd warm en bijtend tegelijk, een perfecte synthese tussen muzikale uitersten. Is dit funk of hardrock? Het is het allebei, waarbij de groep een verre voorloper werd van groepen als 24/7 Spyz en andere crossoverbands.

Motherlode - The Sanctuary (1986)

poster
3,5
Het Zweedse Motherlode bracht in 1986 The Sanctuary uit. Een elpee die ik rond '88 voor een verlaagde prijs kocht in de Grote Stad, alleen al vanwege de fantastische hoes van Rodney Matthews én omdat Sonny Larsson daar op zong. Diens stem kende ik van deze soloplaat van gitarist Björn Stigsson. Niet alles was even goed, maar al met al smaakte de melodieuze hardrock me goed. Bovendien in sterke, transparante productie van Engelsman Kit Woolven.

Zo'n tien jaar later de plaat weggegeven aan een vriend, omdat mijn smaak was veranderd. Het was me niet stevig genoeg en té jaren '80; ik draaide 'm nooit meer. En dan ben ik 25 jaar later toch benieuwd hoe The Sanctuary nou klonk... Hoera, hij staat op streaming.
Voor wilde hardrock moet je hier niet zijn, maar evenmin is het popachtige aor. Nee, Motherlode biedt een eigen geluid binnen de wereld van de melodieuze hardrock. Met gitarist Tom Nilsson, toetsenist Johan Lindström, bassist Peter Rundström en drummer Martin Hedberg hoor ik een hechte en bekwame groep muzikanten, zowel individueel als collectief.
Naast de kristalheldere stem van Larsson viel ik vooral voor de akoestische gitaardelen; de klassieke invloeden druipen van Nilssons spel af. In Downtown klinkt de invloed van Thin Lizzy, maar ook hier vooral de eigen stijl.

Mijn favorietjes: op kant 1 opener Moving Emotion, al heeft dat voor een eerste nummer van een plaat tijd nodig om op gang te komen. Wise Man bevat de eerste akoestische gitaar, vergezeld door ijle toetsen en de heldere stem van Larsson. Ik moet hierbij aan het Uriah Heep van midden jaren '70 denken, toen de groep sferisch kon zijn met invloeden vanuit symfonische rock. The Rock of Ages begint met heerlijke klassieke gitaar, waarna het op hoger uptempo vervolgt.
Kant 2 start sterk met dansende gitaarlijnen in het afwisselende Line of Thought. Bijna 8 minuten duurt Father of Lies en waar ik normaliter niet zo van langere nummers ben, pakt Motherlode me hier bij de haren: eerst uptempo met afwisseling tussen akoestische en elektrische gitaardelen, waarna het stilvalt met akoestische gitaar, het midtempo-stevig vervolgt en dan weer terug naar het eerste thema. Meer hemelse klassieke gitaar in het instrumentale The Sanctuary.

Voor het overige klinkt degelijke melodierijke hardrock, nergens massief, wél lenig. Ik liet al de namen van Uriah Heep en Thin Lizzy vallen; invloeden die zijn omgezet in een eigen, unieke stijl en een bekwame productie. Of is de naam van Ritchie Blackmore ook passend, zij het dan diens renaissancemuziek? Wat ook opvalt is dat de groep onverbloemd een christelijke boodschap heeft. Niet in elk nummer, wel meerdere malen.

In 2021 postte drummer Hedberg na deze recensie de volgende reactie: "We did break up but it took uptil 89, and then we reformed 91-96. After this Tom and Sonny started all over again 2000 and kept going til 2014, when Motherlode was put to sleep. We started Stoneface 2014, with the core of Motherlode, and recorded 2 albums. Tom passed away in cancer 2020, and Stoneface is not active. I still work on old material from Motherlode, stuff we demoed in 1988. It might be recorded this fall, with Rob Marcello on guitars."

Anno 2024 heb ik spijt dat ik deze langspeler heb weggedaan. Alleen al om de hoes... Maar de nieuwe eigenaar heeft er ongetwijfeld veel meer plezier aan beleefd, houd ik mezelf dan voor. Joe, als je dit leest: ben benieuwd!

Motherlode - Tomorrow Never Comes (2010)

poster
3,5
24 jaar na hun debuut The Sanctuary bracht het uit Örebro, Zweden, afkomstige Motherlode hun tweede album uit. In de tussentijd was Sonny Larsson onder andere zanger van XT, waarmee hij drie albums opnam. In 2000 keert Motherlode terug met één nummer op A Tribute To Grand Funk Railroad, het jaar erop gevolgd door een nummer op compilatie The Spirit Of The Black Rose - A Tribute To Philip Parris Lynott.

Weer eens 9 jaar verder volgt dan dit album, waarop Larsson met gitarist Tom Nilsson wordt herenigd. Juist deze twee waren belangrijk voor het geluid op het debuut: enerzijds Larssons heldere stem, anderzijds de klassieke invloeden van Nilsson, die nogal eens de akoestische gitaar pakte.
Qua stijl klinkt op Tomorrow Never Comes echter op Amerikaanse leest geschoeide hardrock met de wortels in blues, anders dan het Europees klinkende debuut. Wat is gebleven zijn de rijke melodieën, die veel massiever worden ondersteund dan in '86 het geval was.

Enkele hoogtepunten: de uptempo opener Predators met zijn wahwahgitaar, in Tomorrow Never Comes mede door de 7/4-maat een wat geheimzinnige sfeer, mijn favoriet van dit album. In het slepende Crying wederom zo'n sterk refrein én een akoestische gitaarsolo.
Icecream Man is géén cover van Van Halen, maar heeft wel een slimme riff en subtiele koortjes. Slepend en vrij somber met subtiele toetsen is Crawling Through the Desert, de melodie van het eveneens langzame I Don't Know is juist weer vrolijk.
Tweede topfavoriet is Eaten by the Pigs dat met akoestische gitaar begint, die veel minder klinkt dan op het debuut. Slepend, zwaar en melodieus. You is alweer uit hetzelfde hout gesneden.

Waar de muziek sneller wordt, klinkt soms enige funk in de stevige riffs door, waar ik minder van houd. Wie dat beter waardeert, zou hier een pareltje in kunnen horen, ik mis echter het Europese / klassieke gevoel uit 1986.
Al met al een overtuigende comeback waarbij de melodieën groeien bij vaker afspelen. Hier een interview door AOR-Europe met Larsson bij het verschijnen. Na 2010 werd het opnieuw stil om Motherlode, al hintte oorspronkelijke drummer Martin Hedberg in 2021 op een nieuwe release, gebaseerd op demo's uit 1988. Nilsson is dan inmiddels overleden.

Motörhead - Another Perfect Day (1983)

poster
4,0
Het album waar Motörhead wordt gekruist met Thin Lizzy. Hetzelfde geldt voor de publieksreacties, die hierboven o zo herkenbaar zijn. De fans van Motörhead vinden het vaak te melodieus, die van Thin Lizzy vinden het wel lekker.

Alhoewel ik de groepen ongeveer tegelijkertijd leerde kennen (rond '78, '79 denk ik), gaat mijn voorkeur uit naar Lizzy. Juist daarom vond ik dit een frisse combinatie, waarna ik het betreurde dat Brian Robertson alweer zo snel was vertrokken: wat mij betreft smaakte dit naar meer.
Wel vond ik het jammer dat hij zo raar deed met de kortgeknipte haartjes. Het tutuverhaal dat Lonesome Crow hierboven deelde, is veelzeggend. Weet nog dat ik me indertijd afvroeg waarom Robbo altijd zo dwars moest zijn. Vast de aard van het het beestje.
Daarbij vind ik het moddervette basgeluid van Lemmy, zijn denderende baslijnen en grommende zang heerlijk in contrast met Robertsons gitaarspel, dat zowel melodieus, energiek als dynamisch is.

Bovendien is het weer genieten van het drumwerk van Phil Taylor, die als kind de beginselen leerde in een drumband. Met hulp van zijn vader begon hij met het spelen van marsmuziek, zo herinner ik uit een interview met hem. In mijn oren is zijn marsspel enigszins stug maar wel herkenbaar; Taylor is dé grondlegger van de moderne metaldrumstijl.

Mijn favorieten van Another Perfect Day zijn Back at the Funny Farm, Shine en vooral I Got Mine met een prach-ti-ge riff plus tekst waarin Lemmy... gevoelig uit de hoek komt.

"Come on, babe, stay close to me
You got me falling out my tree
Be my lover, the only one
Be anything but don't be gone"


Poëtisch toch? Al snap ik dat de doorsnee Motörheadfan hier niet op zat te wachten.

Motörhead - No Sleep 'til Hammersmith (1981)

poster
4,0
Mei 1982. Ik viel op mijn zolderkamer in slaap, terwijl No Sleep ‘Til Hammersmith op 10 door de kamer denderde. Raar.
We waren met de klas op werkweek geweest en tijdens de laatste nacht hadden we in onze stacaravan niet geslapen, maar gekaart, gekletst en gegeind. Hartstikke onschuldig allemaal, maar ik was na afloop wel wat moe. Bovendien had ik drie dagen enthousiaste verhalen van enkele klasgenotes over Doe Maar moeten aanhoren. Bij thuiskomst dus snel douchen en daarna Motörhead draaien, de liveplaat die ik uit de bieb had geleend. De hárdste plaat ooit gemaakt, zoals ie werd gepromoot.

Motörhead werd ingedeeld bij metal, maar Lemmy noemde zijn muziek altijd rock ‘n’ roll en dat klopt helemaal. Vooral qua gitaarwerk leunt de band meer op rock dan op metal, je proeft de blues erin. Maar dan wél met de volumeknop op 11: wie op zijn basgitaar akkoorden speelt en een drummer als een mitrailleur heeft, zorgt voor een bak energie waar zelfs die vermaledijde punks van onder de indruk waren. De band werd daarmee dubbel invloedrijk.
Mede dankzij deze plaat werd hun invloed op punk groot, waardoor hardcorebands als GBH en Exploited het genre een schop onder de bips gaven; het driemanschap Kilmister, Clarke en Taylor sloeg echter niet alleen een brug tussen beide stromingen, ze stonden zo ook aan de basis van de Grote Stroomversnelling, zo leerde ik uit Oor. Het hielp mede aan de doorbraak van de new wave of British heavy metal. Dit genre baande op zijn beurt de weg voor het alweer snellere thrash metal.
Net als bij de Ramones, die ongeveer tegelijk begonnen, hoor je hoe rock ‘n’ roll tot op het bot is uitgekleed en vervolgens onder stroom gezet. High voltage rock 'n' roll, zoals ene Bon Scott ons enkele jaren eerder toezong.

In de biografie Lemmy (2016) van Mick Wall wordt verteld dat de band kort ervoor met de meisjes van Girlschool in Top of the Pops had gestaan; dit leidde er mede toe dat No Sleep op #1 binnenkwam in de Britse albumlijst. De briljante titel is verzonnen door één van hun tourchauffeurs, die de tekst op de voorkant van zijn truck had gekalkt, omdat ze 52 optredens in 54 dagen moesten doen met de Londense Hammersmith als eindstation.

Ondanks het hoge volume en de sterke albumtitel viel ik dus in slaap. Een nacht overslaan was kennelijk sterker dan beukers als Ace of Spades, Overkill en Bomber, nog altijd mijn favorieten en niet geheel toevallig de snelste nummers. Een dikke veertig jaar later vind ik ‘m nog altijd fris klinken, inclusief de openingstune en de sirene aan het einde. Heerlijk! Op streaming staat de bonusversie met daarop meer interessants. Een klassieker.

Motörhead - Under Cöver (2017)

poster
4,0
Aangenaam dit Under Cöver, waarbij je al aan de titel ziet dat het Motörhead is. Opnames van verschillende sessies en uit diverse jaren, met als persoonlijke favorieten God Save the Queen, Heroes, Starstruck en Whiplash.

Op streaming slechts incompleet te vinden, laat de volledige lijst horen wie wortels en bevriende collega's waren van de groep, inclusief de bijdrage van Biff Byford van Saxon op Starstruck. Toch is vooral opvallend hoe de heren de covers naar zichzelf toetrekken, zelfs al is soms hoorbaar dat dit niet een project is dat in één studio is opgenomen. Maar Heroes is zó fraai heavy bijvoorbeeld...

Zoals Nouvelle Vague onlangs weer met heerlijke loungeversies van originelen kwam van onder meer The Clash, zo wist Motörhead wel raad met Sex Pistols, David Bowie, Rainbow, tweemaal Rolling Stones, Ted Nugent, Metallica en meer. Je hoort de lol die de groep hierbij had en bovendien waren dit strak spelende mannen met een heerlijk robuust geluid.

MSG - Don't Sell Your Soul (2025)

poster
3,5
Qua gitaarspel is het weer smullen op deze nieuwe Michael Schenker Group met de zang van respectievelijk Erik Grönwall (vijfmaal), Michael Voss (driemaal), Robin McAuley (tweemaal) en de mij onbekende Roberto Dimitri Liapakis (eenmaal).

Hier op MuMe kwam ik bij UFO nogal eens tegen dat die groep alleen wat voorstelde met Schenker in de gelederen. Daarbij valt op dat zijn terugkeer bij de groep in de jaren '90 en '00 op minder enthousiasme kan rekenen van diezelfde fans, die al helemaal stil blijven bij het nodige solowerk van Der Michael. Er staan hier op MuMe diverse albums van Schenker waarbij je nauwelijks berichten leest of stemmen vindt. Zijn de fans van UFO's illustere albums uit de jaren '70 lichtelijk afgehaakt? En kan dit plaatje die tendens ombuigen?

Qua composities is het minder spannend. Coupletje, refreintje, een kunst die de gitarist aanvankelijk nog niet meester was, wat vijftig jaar geleden leidde tot onconventioneler werk als Rock Bottom en Love to Love. Nu schrijft hij keurig in dit format, waarmee het wat voorspelbaar is.
Laat onverlet dat ik geniet van de compositie Danger Zone met Grönwall, de bijdragen van McAuley, het (opnieuw een voormalige groep van Schenker) Scorpionsachtige I Can't Stand Waiting had een single kunnen zijn in de jaren '80, heerlijk! - en het fellere Sign of the Times.

Waar je speciaal voor moet gaan zitten, is het spel van de meester zelf. Je concentreren op diens loopjes en solo's. Verrassend is het enerzijds niet, maar de liefde voor de gitaar druipt van zijn spel af, net als zijn gevoel voor melodie en een warm geluid. Dan blijkt dat Don't Sell Your Soul, dat ik aanvankelijk te mak vond, toch aan glans wint.

MSG - One Night at Budokan (1982)

poster
4,5
Dit album brengt me onmiddellijk terug naar de kamer van mijn schoolmaatje. Enthousiast als altijd liet hij me One Night at Budokan horen. Een hele zit zo’n dubbelaar, maar bij deze Schenker was ik het volledig met hem eens: dit was fantastisch!
Dankzij de introtape was dit tevens mijn eerste kennismaking met werk van de componist Wagner. Overdonderend begin. Daarna volgt het ene na het andere hoogtepunt, waarbij onmiddellijk opviel dat de drumsound na die eerste twee studioplaten eindelijk in orde was. Dit was dezelfde Cozy Powell die mij in diezelfde jaren (met terugwerkende kracht) overdonderde met zijn werk bij Rainbow. Welk een weelde!

We vergeleken dit album geen moment met Schenkers vorige livealbum, UFO’s Strangers in the Night. Daarvoor waren zowel het geluid van Powell als dat van zanger Gary Barden te verschillend. Onze beleving was exact als Sir Spamalot in december 2007 omschreef: een perfecte samenvatting van Schenkers eerste twee soloplaten. Bovendien was dan eindelijk de productie in orde met alle instrumenten in balans. Iets wat Kees Baars al had geconcludeerd in Oor.
Gelukkig is Baars’ sombere verwachting uit dat vroege voorjaar van 1982 niet uitgekomen; sterker nog, Schenkers drankjaren liggen achter hem en hij is de laatste jaren actief als een malle.

Vanavond genoot ik opnieuw met de speakers luid van dit livealbum, alweer veertig jaar oud, waarop Schenker nog meer excelleert dan in de studio. Dit ondanks Bardens gezwoeg bij de hoge noten. Wat is zijn stem in de lagere regionen toch mooi, zoals in Never Trust a Stranger.
Slechts één nieuw nummer hoorden we, waarbij ik als altijd op de enige stoel in de kamer zat en mijn maat op zijn bed, een camouflagenet boven ons: Courvoisier Concert was een heerlijk instrumentaal krachtpatserijtje, tegelijkertijd ingetogen zonder bas en drums. Het vormde de opmaat naar het favoriete nummer van mijn maat: Lost Horizons, dat met zijn lange stiltes de spanning nog eens extra opbouwt naar die prachtige melodie, waar Barden schittert en Schenker de plinten van de muren soleert.

Kort voor het einde de UFO-klassieker Doctor Doctor met het heerlijke pianointro van Paul Raymond, dezelfde als die van die andere liveplaat; dat vervolgens ter variatie de stem van Barden klinkt vonden we helemaal lekker. Dan nog lekker knallen met die riff van Are You Ready to Rock, dat live wél werkte, ondanks het verplichte meezingblokje.
Allemaal fijn op die middag na school. Tevreden fietste ik naar huis, waar mijn moeder het eten bijna klaar had en ik het huiswerk weer eens zal hebben uitgesteld.

Kortom, dat Sir Spamalot het album tien jaar na zijn eerste bericht inmiddels drievuldig in bezig heeft, is helemaal te begrijpen. Jammer vond ik in ’82 dat er geen bedrukte binnenhoezen bij zaten, de buitenhoes met alle foto’s vonden we echter prachtig. Mocht mijn maat nog hebben geleefd, dan had hij vast een geremasterde en expanded editie gekocht.
Streaming is leuk, maar ik mis de hoes. Gek toch dat ik deze plaat nooit in tweedehandsvinylwinkels tegenkom. Warempel op één avond opgenomen, dat is extra knap, zeker als je weet hoe dat bij veel collegabands anders was met bovendien de nodige reparaties aan het geluid. One Night at Budokan laat horen hoe het ook kan.

MSG - Universal (2022)

poster
3,0
Mijn muziekmaatje op de middelbare school was een groot fan van Michael Schenker. Wie tegen 1980 in de heavy rock rolde, kon ook niet om deze gitarist heen. UFO’s liveplaat Strangers in the Night (1979) had zijn status definitief gevestigd.

Hij kocht dan ook de platen die Schenker vervolgens met MSG maakte en ik luisterde mee. De gitarist was de crème de la crème van de sologitaristen met zijn vingervlugge maar ook melodieuze stijl, wat hem onderscheidde van alle andere gitaristen.
De vriend is helaas helaas niet meer onder ons. Naar Schenker luisteren verbindt mij altijd weer een beetje met hem. Ik voel me zelfs een soort van verplicht om de carrière van de Duitse gitarist te volgen. Maar ook uit eigen interesse: hoe vergaat het dit voormalige wonderkind?

Er valt een interessante biografie over hem te schrijven, de man maakte vele ups en downs mee. De laatste jaren wil hij bij zijn passies blijven: muziek maken met vrienden. Dat hij er veel heeft en dat ze veel talent hebben, blijkt ook op Universal, de laatste van de Michael Schenker Group. Alhoewel het tevens Schenker en vrienden betreft, is wel degelijk sprake van een vaste band, met onder andere de Nederlandse bassist Barend Courbois. Dat had mijn muziekmaatje mooi gevonden!
Het album bevat stuk voor stuk sterke songs, ingebed in de traditionele songstructuren. Verrassend is het zelden, maar hij soleert nog steeds als de beste, daar zit geen enkele sleet op.

Goede songs, prachtig soleerwerk vol melodie en snelheid, maar desondanks zal ik deze plaat weinig tot niet draaien. De oorzaak hiervan is de stem van Ronnie Romero. Beste en zeer gewaardeerde Ritchie Blackmore, Adriaan van den Berg, Michael Schenker en anderen die deze getalenteerde uitzendzanger inhuurden: deze nederige maar eigenwijze fan heeft helemaal níets met de klankkleur van de man. Geforceerd rauw, het werkt op mijn zenuwen.

Dan wordt het lastig luisteren naar Universal. Gelukkig voor mij zijn er dan vrienden van Michael. Op A King has Gone zingt Michael Kiske, op The Universe deels Gary Barden, op Wrecking Ball Ralf Scheepers. Opeens trek ik het wél, sterker nog, het is zwaar genieten!
Helemaal fijn is dat toetsenist Tony Carey ook een vriend van Michael is, hij speelt op twee nummers. Goed om de Amerikaan te horen die op Rainbows klassieker Rising (1976) speelde, nu wederom in een fraai instrumentaaltje dat doet denken aan de kleine twee introminuten van die plaat.

Dan mag ik sterren geven. Oei. Het worden er drie. Wie geen last heeft van Romero-allergie kan daar rustig één of meer aan toevoegen.

MSG - Unplugged Live (1992)

poster
3,5
Najaar 1991 schakelde MTV Amerika over van metal naar grunge. Een belangrijk podium voor deze groepen verdween. Dat betekende dat de talrijke groepen in de hardrock en metal moeilijk aan de bak kwamen, zeker wat betreft de melodieuzere varianten. Zo kwam ik anderhalf jaar geleden bij Jet Red tegen dat zij hierdoor in 1992 de handdoek in de ring moesten gooien.
Later hoorde ik een Amerikaan uit het wereldje vertellen dat de rage rond unplugged ertoe bijdroeg dat menig groep desondanks op de been bleef, of in ieder geval langer kon doorgaan.

Mij is onbekend of de veranderde programmering bij MTV ook voor de McAuley Schenker Group negatieve gevolgen had; logischerwijs heeft dat een rol gespeeld. Evenmin weet ik of dat de reden was voor het opnemen van dit Unplugged Live, wel weten we dat dit de zwanenzang van de groep zou blijken.

Ben niet zo van unplugged volgens de MTV-formule (elektrische groepen gaan akoestisch), toch ben ik aangenaam verrast. Dat gitarist Michael Schenker ook op de akoestische gitaar uit de voeten kan is geen verrassing, wel lijkt het alsof de stem van Robin McAuley het hierbij nog beter doet en de twee zetten een energieke set neer, adequaat ondersteund door Spencer Sercombe.
Extra leuk is dat er viermaal werk in akoestisch jasje uit Schenkers jaren bij UFO langskomt, iets wat die groep nooit deed. Ik had wat dat betreft ook wel werk van de eerste vier studioplaten van MSG willen horen, nu komt alleen Perrier/Courvoisier langs en blijkens setlist fm is de bonusversie van dit album het volledige concert.

Het publiek in Anaheim (Duitse wortels van deze stad in Californië?) was dolenthousiast en iets daarvan straalt uit naar de geluidsdrager. Toch was dit het einde van dit hoofdstuk, waarover ik op internet tegenkom dat McAuley ging trouwen en zich voor enkele jaren terugtrok uit de muziekwereld. In 1993 bracht Michael Schenker zijn eerste soloalbum uit dat hij Thank You noemde. Datzelfde jaar keerde hij terug bij UFO, dat twee jaar later met hem in de gelederen Walk on Water uitbracht.

Die overige albums van Schenker, het zijn er heel wat, ga ik ook eens langs. Dit in de wetenschap dat McAuley in 1999 terugkeerde met de slechts in Japan verschenen solo-cd Business as Usual (nog niet op MuMe vermeld) en in 2006 weer bij Schenker zou opduiken. Nu echter ga ik op aanraden van milesdavisjr naar Black Swan en hun Shake the World, met in de gelederen diezelfde Ier.