MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Mastedon - 3 (2009)

Alternatieve titel: Three

poster
5,0
De gebroeders John en Dino Elefante produceren en schrijven voor derden én zichzelf. Bij de start van zijn solocarrière genoot John bekendheid als ex-zanger van Kansas, maar omdat de groep in zijn periode progrock verruilde voor adult oriented rock / hardrock, werd hem dat door sommige fans aangerekend.
In '89 en '90 verschenen twee aor-albums onder de vlag van Mastedon, waarop de nodige gastmuzikanten en -zangers waren te horen. In de periode '95 - '99 maakten John en zijn gitaarspelende broer drie popalbums onder Johns naam. Eigenlijk in dezelfde stijl, waarbij de scheurende gitaren achterwege bleven.

Na (negen)tien stille jaren keerde de olifant onverwacht terug van de savanne. Dit met een album dat het beste van de vijf voorgangers verenigt, vandaar wellicht dat de hoes van 3 eveneens "with John Elefante" vermeldt.
De eerste drie nummers bevatten ijzersterke melodieën in aor-kledij, waarbij gitarist Dave Amato net als op de Mastedonplaten vingervlug soleert. Meteen valt op dat de productie nog rijker is dan toen. Waar ik helemaal vrolijk van werd, al drong het niet direct tot met door: op de eerste drie nummers klinken schitterende warme gitaren en koortjes, herinnerend aan de energieke kant van Boston.
Wat wél meteen opviel is dat op track 4, het een dikke 10 minuten durende One Day Down by the Lake (See You Real Soon), Mastedon klinkt als Kansas in de jaren '70. Kerry Livgren was de derde gitarist op dit album; schreef hij mee aan dit nummer? De hoes vermeldt echter dat het John was die alle muziek schreef. Het nummer gaat wervelend van het ene naar het andere deel, stevig, melodieus en vooral meeslepend.

Meer verbazing bij Water Into Wine (Fassa Rokka), waar een AC/DC-achtige riff wordt gekoppeld aan een "engelenkoor". Werk dat? Jazeker! Sterker nog: een verslavende oorwurm die optimaal profiteert van deze vreemde combinatie en bovendien ijzersterke melodielijnen bevat.
Hierna wordt teruggekeerd naar de aor van Mastedon, zij het niet altijd op het extreem hoge niveau van de eerste vijf nummers. Questions is een prima semi-ballade, waarin de associatie met Boston terugkeert, bij de jaren '80-toetsengeluiden in het intro van You Can't Take Anything zou je ook aan het Europe van midden jaren '80 kunnen denken: het wordt spoedig lekkere pophardrock en met koortje en brug is Boston er weer.
Die laatste associatie was er bij eerste beluistering van 3 meteen bij Lying, dat zowel hard als melodieus klinkt; na twee aardige nummers een terugkeer naar het hoogste niveau. Prachtige gitaarlijnen en die ronde gitaarmuur daaronder: zwáár genieten.
Het swingende Western World heeft een jaren '70-gevoel met z'n riff en orgeltje. Het lied groeit bij vaker afspelen. Het intro van That's What You Do bevat dan weer lichte proginvloeden in jaren '80-stijl en is met zijn tegendraadse riff tegelijkertijd stevig.
In zijn teksten bekijkt Elefante de wereld en zichzelf. In de teksten klinkt (zelf)kritiek (Lying), maar ook hoop; hij is immers een gelovig mens.

Een jaar later in de Verenigde Staten uitgebracht, de artiestennamen verwisseld tot John Elefante with Mastedon met de titel Revolution of Mind, biedt Mastedons 3 echter bovendien nog track 11. Hierop covert hij Dust in the Wind, dat hij sinds 1982 vele malen zal hebben gezongen. Nu echter geen gitaaroefening maar een piano-rockballade; dan veel liever het origineel...

Dit najaar niet verkrijgbaar op mijn streaming platform en afgezien van een enkel nummer ook niet op JijBuis. Liefhebbers van melodieuze hardrock zullen echter bij aanschaf bepaald géén miskoop doen: mijn vijf sterren drukken een 9,5 als schoolcijfer uit.

Mastedon - It's a Jungle Out There! (1989)

poster
4,5
In 1989, vijf jaar na zijn laatste album als zanger van Kansas, bracht John Elefante onder de vlag van Mastedon dan eindelijk zijn eerste soloalbum uit. Ik werd omvergeblazen door de opener, vooral toen ik níet zijn stem hoorde. En ook niet op track 2; pas op nummer 3 klinkt zijn stem.
Het bleek hier om een project te gaan in plaats van simpelweg een soloalbum. Een verrassend debuut, zeker voor iemand die alles rond Kansas op de voet volgde. Wat was bekend van de "stille jaren" van Elefante?

Eind 1983 verlieten zowel gitarist/toetsenist/componist Kerry Livgren als bassist Dave Hope Kansas om verder te gaan als Kerry Livgren/AD. Gitarist Rich Williams en drummer Phil Ehart probeerden nog de groep voort te zetten met John Elefante, zanger op de laatste twee van Kansas. Voor verzamelaar The Best Of nam het trio zelfs één nieuw nummer op.
Het lukte niet om een nieuw platencontract te scoren en Elefante verliet de groep. Hij richtte zich in thuisstaat Californië met hulp van broer Dino op een solocarrière. Eerste resultaat was in 1985 een sterke track onder de naam Elefante op de soundtrack van film St. Elmo's Fire, in 1987 gevolgd door een nummer op verzamelaar California Metal onder de vlag van Mastedon, waarna een jaar later op California Metal Volume II een derde levensteken werd afgegeven.
De broers hebben dan inmiddels een eigen opnamestudio en label opgezet onder de naam Pakaderm. Eerste uitgave was het debuut van de groep X-Sinner, waarna dan toch nog een compleet album van Mastedon verscheen.

Dit It’s a Jungle Out There! bleek dus tot mijn grote verrassing geen soloalbum maar een onvervalste projectplaat te zijn. Het laat horen dat de broers in de jaren ’84 – ’89 een heel netwerk hadden opgebouwd en hun producerskwaliteiten perfectioneerden.
De plaat opent met het titelnummer. Zanger is Dave Robbins van X-Sinner. Diens splijtende zang blijkt verrassend goed te werken voor de doorgaans wat ingetogener stijl van de Elefantes. Sterker nog, een instant ijzersterke oorwurm! Met de openingszin "Ashes are falling like rain down to the grouuuund" werd ik er aan de haren bij gesleurd.

De rest van het album had indertijd meer draaibeurten nodig, zovele jaren later valt me op hoezeer dit album met alle gastbijdragen desondanks als een sterke eenheid klinkt. Mastedons adult oriented rock wordt verrassenderwijs vergezeld door onvervalste hardrock met steeds weer pakkende melodieën.
Op track 2 Glory Bound zingt gitarist Dave Amato, die o.a. bij Ted Nugent speelde. Niet zo stevig als de opener, maar nog altijd steviger dan verwacht met wederom een sterke melodielijn. This is the Day is de eerste met Elefante als frontman, nét wat lichter dan het voorgaande nummer. Met Love Inhalation klinkt weer hardrock met de schurende stem van de onbekend gebleven Perry Lee (niet te verwarren met reggaezanger Lee Perry) én een knallende gitaarsolo van Amato.
De eerste helft sluit af met het iets ingetogener Islands in the Sky, door Elefante gezongen. Het doet me denken aan aor van bijvoorbeeld Bad English, Journey en Styx.

De tweede helft begint met Get Up, ook op California Metal II te vinden. Elefante zingt zijn derde nummer. Wederom uptempo aor, vergelijkbaar met de muziek die de gebroeders Elefante voor Kansas schreven. Bij Love that Will Survive staat Amato weer bij de microfoon bij een ietwat melancholische melodie, bijzonder fraai: uptempo en toch ingetogen.
Melodieuze hardrock met zang van Lee klinkt in Innocent Girl. Pas bij track 9 is sprake van een balladeachtig nummer, tegelijkertijd is het daarvoor te symfonisch/progrock met bovendien een ijzersterk thema. Shine On wordt gezongen door Dave Pack, van 1975 - 1982 in Amerika bekend als zanger van de groep Ambrosia. Een tweetal achtergrondzangeressen versterkt de melodie.
Afgesloten wordt met flitsend gitaarwerk in het intro van het stampend-swingende Right Hand. Hier zingt Amato sterke melodieën, de troef van dit album. Het eindigt met een lange gitaarsolo van opnieuw Amato, waarna het nummer vrij abrupt wordt beëindigd.

In 2009 verscheen het album opnieuw met drie bonustracks: de eerste is Wasn’t it Love, oorspronkelijk op California Metal te vinden. Het wordt gevolgd door twee liveversies. Op de achterzijde is een foto van Elefante afgedrukt, die zichtbaar niet meer het groentje uit zijn dagen bij Kansas was.

De muziek is dus dik in orde voor wie houdt van adult oriented rock en melodieuze hardrock, in de lijn van de twee albums die Kansas met John Elefante maakte. Vijf jaren rijping betaalden zich uit in tien sterke composities.
Enige nadeel is het cd-hoesje (ik heb de editie uit ’89). Je kunt niet simpelweg een elpeehoes naar cd-formaat verkleinen en verwachten dat het met slechts twee kantjes tekst (inclusief liedteksten) makkelijk leesbaar blijft. Bovendien staan de nummers noch op de achterzijde, noch in het tekstboekje op de juiste volgorde vermeld.

It’s a Jungle Out There! is op streaming te vinden. Gelukkig maar, want voor de diverse versies op geluidsdrager betaal je momenteel te veel. Sterk en gevarieerd, een feest voor wie van krachtig gezongen aor en hardrock met prachtige melodieën houdt.

Mastedon - Lofcaudio (1990)

poster
4,0
In 1990 vond ik Lofcaudio tegenvallen met de potloodtekeningen van de hoes, waarbij de muziek in vergelijking met het debuut It's a Jungle Out There! wat eenvormig klonk. Drieëntwintig jaar later constateer ik dat ik bananen in de oren had. Tja, ik volgde in die tijd vooral thrash / death metal en bovendien was er iets rond een meisje dat de nodige aandacht vroeg. Met melodieuze hardrock en metal was ik minder bezig.

Mastedon was de groep van de broers John en Dino Elefante. De eerste zong gedurende twee albums bij progrockers Kansas, dat in zijn periode meer de kant van adult oriented rock opging. Het debuut van Mastedon was een projectplaat, hetgeen ook voor Lofcaudio geldt, al is dat veel minder hoorbaar.
Het album gaat bombastisch en knallend van start met Holiest One, op dit album het enige lied waarbij de broers John en Dino Elefante assistentie bij het schrijven kregen. Dit van gitarist Tony Palacios van Guardian, die bovendien een pijlsnelle solo neerzette. In de breaks van het nummer klinken echo’s van Johns verleden bij Kansas, in de tekst leggen de broers hun beweegredenen uit.

Geleidelijk wordt bij dit album duidelijk dat de nummers meer op elkaar lijken dan op de voorganger. De muziek is vooral uptempo en bombastisch, een enkele uitzondering daargelaten.
De stemmen van de drie gastzangers verschillen daarbij niet al te veel van die van John, wat dat betreft dus minder variatie dan op de eersteling. Het zijn Dave Amato die ook op It’s a Jungle Out There zong; Tom Bowes (hierna zanger bij soul/funkgroep Tower of Power) en de verder onbekende “James” Dean Longacre. Jammer genoeg vermeldt het boekje niet wie er op welk nummer zingt, dat werd puzzelen.

Ik kom uit op de volgende verdeling wat betreft leadzang, maar verbeter me als ik het mis heb: John Elefante op Holiest One, Run to the Water, Taken Down Below met daarin echo’s van Kansas en It Is Done dat de plaat midtempo afsluit; Amato op When it All Comes Down en People of this Time; de “zwarte stem” van Bowes meen ik te herkennen op Living for You; tenslotte Longacre op Life on the Line en het swingende Thief in the Night. Zijn omfloerste stem doet denken aan die van Bobby Kimball van Toto.
Het korte Stampede (2’27”) is semi-instrumentaal en bevat onvervalste progrock. In het intro met daarin invloed van Afrikaanse muziek zingt Elefante; daarna volgen op hoog tempo een tegendraadse riff en de nodige tempowisselingen.

Naast zang zet Amato op Lofcaudio her en der vingervlugge en scheurende gitaarsolo’s neer, zoals in When it All Comes Down. Of horen we hier Michael Thompson of Steph Burns? De inlay vermeldt wederom niet wie aan welk nummer werkte, Palacios in de opener daargelaten. Sterker nog, er wordt genoemd dat er veel meer "mystery guests" waren, die vanwege "the usual legal entangelment" niet worden genoemd.

De Elefantes zijn christenen wat in de teksten doorklinkt, zonder dat het oubollig of betuttelend wordt: de broers putten uit hun persoonlijke ervaring. Dat net als op het debuut, maar qua muziek is het dus iets minder gevarieerd: een progballade als Shine On ontbreekt op deze bombastische opvolger.
Sterke melodieën, een volle productie en muzikaal vakmanschap vormen echter opnieuw een sterke rode draad. Geïnspireerde aor met veel hardrockende uitstapjes. Of is het omgekeerd?

Matchbox - Matchbox (1979)

poster
3,5
Leuk, het berichtje van Draakje1968 over Matchbox! Eind jaren '70 was vetkuivenrock 'n' roll opeens in, met hits voor Link Wray & Robert Gordon, The Darts, Shakin' Stevens, Stray Cats en het Engelse Matchbox, dat van half april tot half juli 1979 met Buzz Buzz a Diddle It in de Nationale Hitparade stond, in juni brutaal #6 halend.

Ik was een beginnende puber en zeker vanaf 1980 kwam ik in het land van hardrock en metal terecht. Toch waren het hits als deze die een volgende generatie eraan herinnerden dat het hiermee ooit begon.
Dit liedje hoort bij mijn soundtrack van die deels verregende zomer en nu ik hem voor het eerst in decennia terughoor (via streaming) blijkt dat de rest van de plaat hetzelfde niveau haalt.

Zelfs deze rockabilly is alweer 44 jaar oud: duidelijk van een betere opnamekwaliteit dan de originelen van de jaren '50, met zelfgeschreven materiaal in dezelfde geest. Bovendien lekker gevarieerd. In Hurricane lijkt het zelfs of ik glamrockgroep Mud hoor.

Een stijl die eigenlijk niet mijn kopje thee is, maar aangenaam voortswingt als herinnering aan de wortels van popmuziek. De gitaar werd voor het eerst het belangrijkste (solo)instrument, waar mijn favoriete gitaristen vanaf eind jaren '60 tot de dag van vandaag op zouden voortborduren.
De groep is nog altijd actief, meldt Wikipedia. Geinig om weer eens tegen te komen!

MC5 - Kick Out the Jams (1969)

poster
3,5
Ergens begin jaren '80 leende ik deze plaat uit de bieb, nadat ik in de Popencyclopedie van Oor had gelezen over de pioniersgroep die MC5 was. Tijdgenoten van het inmiddels door mij omarmde Black Sabbath, kon ik niet zoveel met de muziek en afgezien van opener Ramblin' Rose (wát een introductie gaat daaraan vooraf!) en het titelnummer zette ik niets op cassettebandje.

Enkele jaren geleden kwam ik op YouTube een college tegen van frontman Wayne Kramer, dat ik die zomervakantie op mijn gemak en met veel plezier heb bekeken, om daarna dit album opnieuw te beluisteren, inmiddels makkelijk te vinden via streaming.
Van de muziek word ik nog steeds niet enthousiast, maar inmiddels begrijp ik veel beter hoe heftig deze bak "gitaarherrie" bij het verschijnen van Kick out the Jams moet zijn overgekomen. Met een liveplaat debuteren is al iets en de opnamen laten niets aan de verbeelding over wat betreft intensiteit. JImi Hendrix vond men al heftig, dit gaat daar vér overheen. Badend in de linkse revolte (anti-Vietnamoorlog bijvoorbeeld) klonk deze plaat als één van de meest heftige exponenten van die beweging.

Bovendien stond de groep aan de wieg van zowel hardrock, heavy metal als punk. Zéker een tijdsdocument van kaliber. En leuk om het bericht hierboven te lezen, waar iemand meer heeft met de muziek, want dat gebeurt mij dus nog steeds niet. Kwestie van smaak.
Liefhebber of niet, dit is een album dat iedereen met serieuze interesse in de popmuziek een keer gehoord móet hebben. De 3,5 ster die ik geef is voor de muziek, niet voor de lading erachter: die laat zich niet in sterren vangen.

"I'm pretty sure I'm gonna die" zegt Kramer in het college, terugblikkend op zijn zekerheden van toen, toen hij zichzelf zo goed als als onsterfelijk beschouwde. Aanrader!

McAuley Schenker Group - M.S.G. (1992)

poster
3,0
1991. De cd krijgt de overhand op vinyl, de wapenwedloop tussen U.S.S.R. / Rusland en de VS loopt op zijn einde dankzij perestrojka en glasnost en in Zuid-Afrika is apartheid officieel afgeschaft. Een periode die in het westen vol optimisme werd beleefd.
Michael Schenker maakte eveneens naar zijn zeggen goede tijden mee. In 1987 keerde hij terug met MSG-in-nieuwe-jas en nadat hij begin 1991 eenmalig een album had gemaakt met het project Contraband, ging de aandacht naar de derde van McAuley-Schenker.
Daaruit waren drie leden verdwenen, waarmee de naamgevers achterbleven. Niet getreurd, Jeff Pilson van Dokken en James Kottak van Kingdom Come waren capabele vervangers. Deze keer geen toetsenist/tweede gitarist, maar voormalig groepslid Steve Mann en Jesse Harms (ex-Sammy Hagar) sprongen bij op klavieren. De laatste schreef bovendien mee aan When I'm Gone.

McAuley Schenker Group werd geleid door een Ier en een Duitser en opereerde vanuit Los Angeles. Bij verschijnen in december 1991 (Verenigde Staten en Japan) en februari 1992 (Europa) is grunge net in de mode. Dat was nog niet zo toen de heren in de studio zaten en MSG drijft dus nog helemaal op de muzikale golven van glam- en sleaze metal. De gitaren zitten dankzij producer Kevin Beamish vetter in de mix dan op de voorgangers.
Onmiskenbaar is de meerwaarde van gitarist Michael Schenker, ook in dit genre een klasbak, mede dankzij de rauwe stem van Robin McAuley naast zich. Qua composities klinkt vooral voorspelbare hardrock; toch weet der Michael een enkele keer een glimlach op mijn lippen te toveren.
Los van zijn solo's, altijd de moeite waard, gebeurt me dat in We Believe in Love, dat aanvankelijk een stevige powerballade is om op 2/3 met een frisse riff te versnellen; de laatste drie nummers hebben allemaal het woordje 'night' in de titel, waarvan het slotlied opvalt. Zes-en-een-halve minuut Never Ending Nightmare (de elpeeversie vermeldt alleen het laatste woord), een fraai op Scorpionsachtige wijze opgebouwde ballade waar Schenker zijn niet misselijke capaciteiten op akoestische gitaar tentoonspreidt om te eindigen met een elektrisch slot.

De toen modieuze vorm van hardrock regeert dus, waarbij McAuley in opener Eve soms op de wijze van Alice Cooper zingt. Ballades zijn talrijk met bovendien When I’m Gone en What Happens to Me, de laatste in 6/8-maat. Het was hun laatste studioalbum, wel verscheen nog Unplugged Live.

McAuley Schenker Group - Perfect Timing (1987)

poster
3,5
De bijdragen bij de nieuwe Robin McAuley - Soulbound waren voor mij aanzet om te vervolgen met de carrière van Michael Schenker - plus eens het werk van McAuley te tsjekken.
In 1987 volgde ik vooral de speed- en thrashmetal, waar de ontwikkelingen over elkaar heen buitelden. Toen keerde een oude held terug. Dat de M in MSG plotseling stond voor de onbekende McAuley vond ik be-la-che-lijk: dit is de groep van Der Michael, ex-Scorpions, ex-UFO, één van de beste sologitaristen ter wereld en bovendien uit duizenden herkenbaar met zijn eigen stijl en geluid. De commerciëlere koers vond ik eveneens niks. Veel aandacht heb ik hier dan ook niet aan besteed.

38 jaar later toch maar eens met frisse oren geluisterd en dat verschillende malen. Kan u melden dat het prima arbeidsvitaminen zijn bij het voorjaarsklaar maken van de tuin. Wat opvalt is dat de productie in orde is, wat bij zijn eerste twee soloplaten niet het geval was. Hier echter een vol geluid dankzij veteraan Andy Johns, waarbij ik me niet stoor aan het typische jaren '80-(drums)geluid.
De eerste drie nummers zijn mid- tot bescheiden-uptempo en radiovriendelijk, in mijn oren gericht op de Amerikaanse markt van toen. Ik hoor in de muziek én zangstijl overeenkomsten met Def Leppard en Ratt: McAuleys rauwe stem is alleen net wat lager dan die van Joe Elliott en Stephen Pearcy. Andere associatie: de groep Whitecross met zanger Scott Wenzel, dat in 1987 debuteerde met een titelloos album, hier te horen. Schenker speelt uiteraard prachtige solo's, maar het is te dicht bij de radio- of zelfs glammetal van toen.

Met het vierde nummer van kant 1 No Time for Losers (nee, geen poëzieprijs voor de lyrieken) klinkt echter de wildere kant van Schenker met een riff die zo bij UFO had kunnen worden gespeeld. Na een keer of wat draaien viel op dat de coupletten van Follow the Night in 7/4-maat zijn. Opnieuw iets wat hij in zijn UFO-dagen kon doen: een "rare" maatsoort inzetten.
Met Get Out de tweede knaller op z'n New wave of British heavy metals, wat ik dus liever heb dan de nummers in de stijl van Def Ratt. Love Is Not a Game is dan weer op z'n Amerikaans maar wél met een sterke melodie en Time een ballade met akoestische gitaar, alsof het Scorpions zijn.
Meer akoestische gitaar en echo's van de Scorpions in I Don't Wanna Lose, dat met z'n opbouw mijn vierde favoriet van het album is. Met Rock 'til You're Crazy is daar een vierkant rockende afsluiter, prima op z'n plek.

Maatje Edo is tien jaar jonger dan ik en maakte via dit album kennis met Michael Schenker. Ik snapte zijn enthousiasme nooit, maar dat is veranderd. Valt het me mee? Jazeker. Meer dan dat. Een 7,5 als schoolcijfer.

McAuley Schenker Group - Save Yourself (1989)

poster
3,0
Vergeleken met de eerste vier studioalbums van de Michael Schenker Group is de McAuley Schenker Group op twee punten sterker: een betrouwbare zanger (de stem van Barden en het gedrag van Bonnet waren een manco) en de productie, die vooral op de eerste twee platen tekortschoot.
Wat betreft composities wilde het echter op die eerdere albums nogal eens avontuurlijker zijn.
McAuley Schenker was vervolgens gericht op de Amerikaanse rockmarkt van de tweede helft van de jaren '80, waarmee het zich aan bepaalde regels diende te houden. Effect is dat menig nummer toegankelijker werd voor het grote publiek. Desondanks bevond ik eerder deze week het debuut Perfect Timing avontuurlijker dan indertijd gedacht.

De hoes van Save Yourself lijkt wel het vervolg op die van Built to Destroy uit 1983. Daar begon Schenker, gewapend met zijn Flying-V, met het slopen van een auto en getuige de tekening op Save Yourself is dat meer dan gelukt.
De bezetting veranderde nauwelijks. Bassist Rocky Newton en drummer Bodo Schopf bleven, gitarist Steve Mann verving Mitch Perry en mag net als zijn voorganger een enkele solo spelen. Wel is Perry wel te horen op slaggitaar en toetsen.

Een stormachtige start met Save Yourself, conservatiever is Bad Boys en nog minder spannend is ballade Anytime. Daarna rockt het radiovriendelijk met Get Down to Bizness, goed passend bij de glam metal van die dagen. In het langzame Shadow of the Night klinken neoklassieke invloeden in Schenkers spel, wat ik niet eerder in diens carrière zo sterk hoorde. Doet hij goed.
Ook op kant 2 vooral radiovriendelijke hardrock. Producer Frank Filipetti voorzag het vrolijke refrein van What We Need van een volle koortjesmix, die meteen in het intro opduikt. Meer meezingbaarheid in I Am the Radio, dat niet alleen de radio bezingt maar ook daarvoor gemaakt lijkt. Ook in Europa was in die jaren op enkele radiostations op de late avond een hardrock- en metalshow geprogrammeerd, ik voel aangename nostalgie bij de tekst.
Het semi-instrumentale There Has to Be Another Way duurt ruim 100 seconden en ademt Schenkers stijl van voorheen of zelfs die van de Scorpions. This Is My Heart is me te kazig, waarna vinylafsluiter Destiny sneller en steviger is met een hart-onder-de-riem-tekst.
Cd-bonus Take Me Back is midtempo en wederom moet ik aan Schenkers oude bandje Scorpions denken.

Er was inderdaad Amerikaans succes voor het album: in maart 1990 #92 in de Billboard 200 en single Anytime haalde er in maart #69. Qua succes vergelijkbaar met de voorganger, die ook Billboards top album top 90 haalde. In Europa liep uiteraard Duitsland voorop qua verkoopcijfers.
Robin McAuley heeft een aangename, rauwe stem; weliswaar niet met het bereik van een Ronnie James Dio of Rob Halford, maar betrouwbaar en lenig genoeg. Compositorisch vind ik het echter aanmerkelijk minder spannend dan bij de voorganger, omdat er wel heel erg op veilig wordt gemikt. Echo's van UFO kom ik dan ook niet tegen - of het moeten de opener en de immer prima solo's van de Duitser zijn. Een wat zouteloze 6 als schoolcijfer is het gevolg.

Megadeth - Megadeth (2026)

poster
4,0
Van de Grote Vier (Amerikaanse thrashbands) van de jaren '80 was Megadeth voor mij altijd duidelijk de nummer 4. Van kwaliteit, zeker wel, maar ik miste echt spetterend werk, al staan er op ieder album steevast twee á drie lekkere nummers. De zang van Dave Mustaine vind ik niet zo spannend en te vaak vond ik het te langzaam - al is A Tout le Monde van Youthanasia een voorbeeld van hoe ik onverwachts werd gepakt door de kwaliteit.

Hierboven veel gemopper op Megadeth, voor mij geldt dat ik dit helemaal niet onaardig vind. Tipping Point en I Don't Care trappen lekker fel af, met Hey God?! geeft Mustaine ons een kijkje in zijn hart, Let There Be Shred is snel en okay, het (drum)intro van Made to Kill is robuust en de rest van het nummer ook, dat van Obey the Call juist gevoelig en dankzij de versnelling op 2/3 van het nummer redt het nummer het, van I Am War kan ik me voorstellen dat iemand aan de frontlinie in bijvoorbeeld Oekraïne de tekst opzuigt, The Last Note is indrukwekkend als afscheidslied en bonus Ride the Lightning evenaart niet het origineel maar is okay.
Sommige nummers noem ik niet, dat zijn de skiptracks. Maar overal lekker snelle gitaarsolo's en af en toe fraai akoestisch werk. De mannen hebben er goed over nagedacht en de productie is níet dichtgesmeerd: fijn!

Een krappe 8, vertaald in vier sterren.

Metallica - ...And Justice for All (1988)

poster
4,5
...And Justice for All. De laatste Metallica die me écht wat deed. De eerste zonder de betreurde Cliff Burton, met het opmerkelijke verhaal van de baspartijen van Jason Newsted die zo goed als geheel zijn weggemixt. Man van de mix Steve Thompson legde bij Loudwire uit waarom. Op YouTube kun je versies vinden waarbij ze Newsteds partijen hebben gerepareerd. Ik vind ze beter klinken dan de officiële dubbelaar.
Wie goed luistert, kan hier en daar horen dat het vel van de snaredrum halverwege een track is vervangen, zo las ik ooit in een interview met drummer Lars Ulrich. Dit omdat het vel het tijdens lange tracks begaf onder zijn geweld. Zou best kunnen, al hoor ik het niet.
De dubbelaar was een favoriet bij radioprogramma Vara's Vuurwerk, gepresenteerd door droogkloot Henk Westbroek. Een album dat ik daarom met dat programma associeer.

Het songmateriaal is sterk en gevarieerd, zo blijkt al snel als na het snelle Blackened het gitaargetokkel van het titelnummer komt. One was de eerste videoclip van de groep die voorheen anti-videoclip was en het bleek een aangrijpende.
De plaat duurt lang, wat zich wreekt op kant 3 met The Frayed Ends of Sanity. Dat is niet slecht, maar ik hield/houd de aandacht er niet meer goed bij. Het akoestische getokkel waarmee kant 4 begint bij To Live Is to Die is dan weer fraai, maar ook dit nummer houdt mijn aandacht niet vast, ondanks de fraaie twingitaren in het tweede deel. Gelukkig laat Dyers Eve de plaat snel eindigen.

Een 9 als schoolcijfer, ondanks mijn gemengde gevoelens: goede composities - zij het twee teveel van het goede - en dat vermaledijde besluit om de bas slechts licht hoorbaar te laten. Hierna kwam het titelloze zwarte album, waarmee de groep doorstootte naar de internationale Champion's League van rock en metal. Ik gunde het ze, maar veel liever de eerste vier...

Metallica - 72 Seasons (2023)

poster
2,5
Hoe moet de lezer mijn mening bij de nieuwe Metallica inschatten? Wel, ik haakte af in 1991 bij hun black album. Mijn undergroundbandje was die status definitief ontgroeid, waarop hetzelfde gebeurde als eerder met Scorpions, waar “ieder schoolmeisje" plotseling mee wegliep. Het was me te veel muziek voor de massa. Met de albums daarna werd het alleen maar gaapverwekkender en op St. Anger werkte een nieuwe dosis energie averechts.
In 2008 werd met Death Magnetic teruggekeerd naar de wortels en kreeg ik weer hoop, maar het album én de nummers duurden me veel te lang… Als een reeks willekeurig aan elkaar geplakte riffs. Hetzelfde had ik in 2016 in iets mindere mate met Hardwired, al hoor ik deze twee albums veel liever dan hetgeen in de jaren 1991 – 2003 door hen werd uitgebracht.

Eerst de hoes van 72 Seasons eens goed bekeken. De laatste jaren laat Metallica soms de bandnaam op een album achterwege, maar dit is de eerste keer dat het gebeurt bij een plaat met regulier nieuw materiaal. Op de hoes zien we hoe de Metallicabliksem een kinderkamer heeft geraakt en alles zwartgeblakerd. De titel verwijst naar de invloed van de eerste achttien jaren van een mensenleven op het volwassen leven. In de teksten vinden we deze psychologische invalshoek, een uiting van frontman James Hetfield las ik ergens.

Dan de muziek. Met 72 Seasons en bijna net zoveel minuten vergaat het mij zoals sinds 2008 het geval is. Het titelnummer en Shadows Follow hakken lekker, al mis ik iets. Het ware vuur? Of ben ik simpelweg verwend en verzadigd? Ik weet het niet.
Daarna wordt het saai. Composities die me niet pakken, zoals in (hier stonden allerlei voorbeelden van ‘lange nummers zonder verrassing’ of ‘een lekker intro maar dan’, of ‘diverse tempowisselingen maar pakt me niet’, of ‘eenvormige zang die me niet raakt’).

Graag volgende keer één énkel album op elpeelengte, dus zo’n 40 minuten. Heel streng zijn voor jezelf en alleen het allerbeste in de groef zetten. Daarbij meer variatie inbouwen, de bestaande ideeën zijn te eenvormig.
Tips: meer melodieën in de gitaarlijnen, als die klinken ben ik namelijk wél bij de les. Zoals de gitaartwins in Inamorata vanaf 6’40”. En niet steeds op dezelfde wijze in dezelfde emotie zingen. Wees creatief en verras me.
Afgelopen donderdag zag ik het Gentse Ramkot in Utrecht, ze staan 29 april bij Metallica in de ArenA. Vond ik veel spannender. Gaat hén zien!

Metallica - Kill 'em All (1983)

poster
4,0
Metallica voor het eerst op de Nederlandse radio, een jaar vóór het debuut zelfs? Je vindt het hier, de uitzending van Stampij op 1 september 1982. De demoversie van Metal Militia, gewoon bij de KRO.

Beluister deze en andere afleveringen en je begrijpt waarom ik Metallica een logisch vervolg vond op de New wave of British heavy metal, die steeds sneller werd. Maar dit Amerikaanse antwoord was de overtreffende trap. Met knallende gitaarsolo's, de nodige tempowisselingen en bovendien was debuut Kill 'em All goed geproduceerd. Luister naar tijdgenoten als Jaguar en Raven en je weet dat dat geen vanzelfsprekendheid was.

Het enige wat ik minder vond was de zang van James Hetfield: ik zwoor bij de stem van met name Ronnie James Dio en dit was wat simplistisch. Maar het wende spoedig. Bovendien zou zang in Diostijl niet goed passen bij dit snelle werk. Noemden we dit toen al thrash- of speedmetal? Of was het nog gewoon heavy metal?
Eind vorig jaar verscheen de Recensiebijbel van Oor, waarin ook een recensie van dit album. Het werd toentertijd aanbevolen voor metal- én punkfans. En inderdaad, de rauwe energie van punk herkende ik hier, zoals de eerste twee van Iron Maiden dat ook hadden. En bij Metallica dus de overtreffende trap. Tomeloze metal samengebald in goede arrangementen en productie. Zo bracht het drumintro van het korte Motorbreath (3’03”, deed Metallica dat nu nog maar weer eens!) me terug naar Maidens Another Life, maar dan sneller. Fantastisch!
Mijn favorieten zijn niet verrassend: de felle opener Hit the Lights en dan vooral het intro, het lange en sterk opgebouwde The Four Horsemen (pas veel later ontdekte ik dat het ging over het bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 6 om precies te zijn), en de meedogenloze beukers Whiplash en Metal Militia.

Het was zó jammer dat Stampij diezelfde septembermaand al stopte... Dit had ik veel meer op de radio willen horen. Gelukkig waren daar bij de BBC de Friday Rock Show, WRTL's Wango Tango (al richtte dat zich meer op hardrock), de KRO deed ter compensatie een blokje metal op de woensdagmiddag rond half vier en op diezelfde dag en rond datzelfde tijdstip was er bij de Vlaamse radio een metalshow.

Dat de opvolger nog beter zou worden, hoopten we bij voorbaat. Het waren opwindende tijden in metalland, een genre volop in beweging. Kon het nog sneller dan dit? Waarschijnlijk wel, maar wie zouden dat doen en hoe zou dat klinken?
Thema’s die ik vaak op school besprak met andere metalfans. Als ik naar deze afleveringen van Stampij luister, voel ik meteen hoe opwindend dit alles was. Of zoals Hanneke Kappen in haar radioshow zei: Dit was Metal Militia van Metallica. En die naam hoor je vast nog wel vaker.”

Metallica - Master of Puppets (1986)

poster
5,0
In 1986 waren pers én fans het eens: Metallica had zich definitief ontwikkeld tot een ijzersterke groep met riffs, arrangementen en zelfs zang die pakkend waren. Ook toen al hadden "we" in de gaten dat Master of Puppets een instant-klassieker was.
Sommigen klagen over de productie, ik herhaal het maar weer eens: in diezelfde tijd is menig nieuwverschenen metalalbum te vinden waarop de boel bepaald niet in balans was. Sterker nog, als ik het naar het nu doortrek: veel liever dit geluid dan de overproductie die ik tegenwoordig te vaak hoor.

Terugblikkend zou je ook kunnen constateren dat dit album een brug is tussen enerzijds protometal van de jaren '70 en New wave of British heavy metal van begin jaren '80 en anderzijds de staccato-strak riffende aanpak die daarna in metal gemeengoed werd. Zelfs bij namen van vóór thrash- en speedmetal. Zonder alle stijl- en tijdgenoten te willen kleineren: Metallica was de koploper en invloedrijker dan de collega's.

konijnmuziek schreef:
Wat me opvalt, is hoe strak dit album gespeeld is. Misschien zelfs te strak, waardoor het bijna klinisch aanvoelt. Dat zal bij metal horen, neem ik aan. De zware, krachtige stem en de scheurende gitaren doen me echter weinig en beginnen me al snel te irriteren. Ik merk dat ik al gauw hunker naar wat subtielere muziek, waarin ook wat minder strak/klinisch gespeeld wordt.

Een mooie, respectvolle benadering van iemand wiens smaak dit niet is, maar dat helder verwoordt zonder te suggereren dat hij boven de liefhebbers staat. Dat zie ik weleens anders op deze site. Bovendien typeert hij de muziek zodanig dat zowel liefhebber als leek kunnen begrijpen wat hij bedoelt.

Dat strakke/klinische spreekt mij dus wel aan, nog altijd, en als ik 'm draai valt altijd weer op hoe goed en geïnspireerd Master of Puppets in elkaar zit. Met bovendien teksten die ergens over gaan.
In 1986 was metal volop in beweging, er was véél om te volgen. Hoe zou het Metallica zijn vergaan als bassist Cliff Burton niet noodlottig om het leven was gekomen? We zullen het antwoord nooit weten, maar zijn laatste album met de groep was grensverleggend, sterk uitgevoerd en invloedrijk.

Metallica - Ride the Lightning (1984)

poster
4,5
Ik hou ervan om de achtergronden van albums uit te zoeken - maar hier? Alles is al eens gezegd en genoteerd, met hierboven een leuke discussie over het drumspel van Lars Ulrich.

In 1984 werd Metallica met Ride the Lightning voor mij dé koploper in metal, dankzij gecompliceerdere composities dan op het toch al sterke debuut. Daarin veel tempowisselingen plus messcherpe riffs.
Wat hielp was de knallende productie van Flemming Rasmussen, in die dagen voor heftiger metal eerder uitzondering dan regel. De zang van James Hetfield was stukken beter dan op Kill 'em All en niet veel later vroeg ik me af waar ik eigenlijk aan had moeten wennen.
Wat ook bij mijn herinneringen hoort: de terechte steun van Aardschok, spannende tijd was dit toch! De New wave of British heavy metal was voorbij gestreefd, oordeelde deze grote fan van vooral Saxon en Maiden.

Anno Domini 204 zijn de grootste favorieten dan ook niet verrassend: Fight Fire with Fire (alleen het intro al blijft zó lekkerrr), For Whom the Bells Toll, Fade to Black, Creeping Death en (het toen verrassende instrumentale) The Call of Ktulu met z'n Iommi-drietoon.

Mijlpaal. Klassieker. Maar ook daarmee vertel ik niets nieuws.

Metalmania (1980)

Alternatieve titel: Metal Mania

poster
4,5
Heb laatst deze elpee gekocht op glanzend zwart vinyl, bijna drie jaar nadat ik erover schreef. Een uitgave van EMI/Harvest.

Wat valt op? Onder meer de binnenhoes met interessante bio's, want hoe keek men in 1980 tegen deze namen aan en de albums/singles waarvan de nummers werden gehaald? Een tijdcapsule, die indertijd niet meer bij mijn leenexemplaar uit de fonotheek zat.
Ik leer bijvoorbeeld dat de ster van Whitesnake rijzende was (voor het eerst een top 10 notering dankzij Ready an' Willing), Speed King van Deep Purple blijkt afkomstig van een BBC-liveopname en een lang epistel over Scorpions vertelt dat ze in 1975 door België en Duitsland tourden als voorprogramma van Sweet (o ja?) en dat ze met nieuwe album Animal Magnetism in 1981 door de VS en Europa de weg op zullen gaan.

Opvallendste muzikale zaken: Criminal Tendencies van Wild Horses met in de groep Neil Carter, later bij UFO en tegenwoordig Mogg's Motel, is een lekker aor-nummer; Atomic Rooster klinkt op hun comeback via Do You Know Who's Looking for You? als het prettig gestoorde neefje van Purple met dat orgel en de malle zang; de singlemix van Iron Maidens Sanctuary is net effe anders dan die ik in mijn brein heb opgeslagen - maar net zo smakelijk met DiAnno's stem in een wolkje echo.
De nummers van Sammy Hagar, April Wine en Riot zijn daarbij té lekker om ongenoemd te laten. 'Smullen' is hierbij de ouderwetse term voor ouderwets knallende hardrock!

Alle twaalf goed, mijn waardering groeit naar een 9.

Mi-Sex - Graffiti Crimes (1979)

poster
3,5
Op reis door new wave van 1979 stuitte ik op Mi-Sex, maar het was Dibbel die al twaalf jaar eerder het nodige vertelde: dank! Hij noemt allerlei referenties. Het meest dichtbij komen die van Ultravox en dankzij de toetsen soms The Stranglers. Let wel, het Ultravox en Stranglers van vóór de gepolijste hits Vienna en Golden Brown. Bij Mi-Sex dus de invloed van de steviger beginperiodes van die groepen.

De overgang van mijn vorige halte The Fall naar de Nieuw-Zeeuwers is groot. Niks bluespostpunk.

Bij Mi-Sex op Graffiti Crimes een melodieuzere en conservatievere aanpak. Couplet-refrein met pakkende melodieën, rock 'n' róóóóll en zelfs flitsende gitaarsolo's.
De groep ontstond in Hamilton als twee namen samenkomen: de theatrale artrock van frontman Steve Gilpin, sinds 1972 solo een bescheiden bekendheid genietend, én twee ex-leden van progrockgroep Father Thyme. In 1977 vormen ze Fragments of Time, later dat jaar hernoemd tot Father Time. Begin 1978 volgt hun eerste demo, waarbij de naam Mi-Sex is geworden. De transformatie is compleet: muziek en uiterlijk van de leden zijn sterk onder de invloed van Engelse new wave gekomen.

Vanaf 1979 wordt Computer Games (hier de videoclip) een internationale hit. In Australië in november #1, in Nieuw Zeeland in december #5, in Nederland in mei 1980 #44 in de Nationale Hitparade en in Oostenrijk #16 in diezelfde maand. In 1980 verschijnt de elpee in onder meer de VS en het VK met deze hoes.

Muzikaal hoor je dat de heren bekwame muzikanten waren met diepere muzikale wortels dan slechts wave. Opener Graffiti Crimes begint met diepe synthesizers van Alan Moon, waarna diens toetsen en de scheurende gitaar van Kevin Stanton om voorrang strijden in een vlot nummer. In Wot Do You Want rock 'n' roll in wavejasje, het melancholieke But You Don't Care is net als de rest van het album uptempo en bevat een heerlijk zingende gitaarsolo. Not Such a Boy heeft iets van de wurgers weg, net als Stills.
Kant 2 opent met hitsingle, niet mijn favoriet. Liever hoor ik Camera Kazi met in de coupletten invloed van Yes (!) en in de brug zit dankzij de klavieren een stukje Once Upon a Time in the West van filmcomponist Ennio Morricone verborgen. Met A Loser volgt een combi van punk en vinnige gitaarwave en in het stampende Inside You gitaar-tegen-toetsenwave op z'n Ultravox!'. Daar houd ik dus van.

Na Citizen Band is Mi-Sex de tweede groep die ik in het kader van new wave tegenkom. Dat doet me er trouwens aan denken dat in juli dit jaar de film Head South verscheen over de punk- en wavescene van Christchurch, Nieuw Zeeland in 1979. Vanaf overmorgen op Pathé Thuis te zien, hoera!

Mijn reis door new wave vervolgt in november 1979. Op naar Engeland en het debuut van The Raincoats.

Mi-Sex - Shanghaied (1981)

poster
4,0
De derde van Mi-Sex uit Nieuw Zeeland, dat in 1979 in Nederland een hitje scoorde met Computer Games van debuut Graffiti Crimes. Mijn vorige station in het land van new wave was de wat verwaterde punk van Ramones, die in 1981 naar wegen zochten naar een groter publiek. Dat laatste gebeurt hier overtuigender dankzij frisse new wave, waarbij je de invloed van de groep Sparks zou kunnen herkennen.

Aangename pop met pittige gitaarpartijen (Kevin Stanton), steeds geflankeerd door hippe synthesizers (Murray Burns) en verpakt in popliedjes. Daarbij de voor de muziek vrij robuuste stem van Steve Gilpin. Zoals de aftrap met Jungle en daarna Be Quiet. In Mystery enige invloed van ska.
Missing Person opent kant 2 sterk, Tears in Her Wine heeft iets van The Police, Caught in the Act bevat een pompende baslijn. Bijzonder fraai is de piano in Shanghaied, alsof we bij het beste werk van de new romantics zitten of de vroege Talk Talk.
Het hitsucces was vreemd genoeg uiterst bescheiden, zelfs in hun eigen land: Falling in and Out haalde er in juli '81 slechts één week #48 en het album miste de charts. Onbekend maakt onbemind, maar dit is echt lekkere, energieke wave, zeker voor hen die van de genoemde vergelijkingen houden. Een krappe 8 als schoolcijfer.

De volgende halte in juli 1981? Omdat ik singles Arabian Nights van Siouxsie and The Banshees en Tainted Love van Soft Cell eerder besprak, beland ik bij het solodebuut van de frontvrouw van Blondie, Debbie Harry.

Mi-Sex - Space Race (1980)

poster
3,5
Verschenen op 1 juni 1980, deze tweede van het Nieuw-Zeelandse Mi-Sex. Hun debuut van het jaar ervoor was aangenaam en leverde in Nederland zowaar een hitje op. Dat lukte met de opvolger niet, maar in eigen land was er wel succes: People haalde er op diezelfde datum #3 en opvolger Space Race haalde in juli nog eens twee weken #19.

Wat klinkt is vriendelijke, dansbare en melodieuze wave. Het is meestal vlot met beschaafd scheurende gitaar en toetsen, vergelijkbaar met bijvoorbeeld A Flock Of Seagulls. People gaat over "genetic engineering" oftewel het sleutelen aan de menselijke dna. Opvallend aan het titelnummer is het aparte drumwerk van Richard Hodgkinson, die zijn snaredrum creatief laat stuiteren.
Andere favorieten zijn Ghosts dat voorzien is van een lekkere sequencer, passend bij wederom een lekker uptempo nummer en Living in September, waar het toetsenwerk weg heeft van hetgeen Dave Greenfield bij The Stranglers deed inclusief een nogal vervreemdende solo.
Al met al een lekker album dat in juni '80 maar liefst vier weken #1 stond in de Nieuw-Zeelandse albumlijst. Niet spectaculair en tegelijkertijd steeds aangenaam. Derhalve een vrolijke 7,5 als schoolcijfer.

Mijn reis door new wave kwam het Amerikaanse Devo en hun Freedom of Choice en vervolgt bij de Engelse The Soft Boys.

Mike Ness - Cheating at Solitaire (1999)

poster
2,5
Hoe en waar ik dit album tegenkwam weet ik niet meer, langer dan drie maanden geleden was het niet. Hij belandde op de lijst 'Ooit Eens Beluisteren' en dat werd de afgelopen dagen realiteit.

De cd stamt uit 1999, de hoogtijdagen van de compact disc. De lengte van dit album valt met zijn ruim 59 minuten mee.
Mike Ness is van punkband Social Distortion las ik, een band mij onbekend. Hij heeft een stem die prima geschikt is voor de geboden kruisbestuiving tussen country en punk, wat leidt tot scheurende countryrock.

De band speelt gevarieerd: in de stevige elektrische songs wordt regelmatig een saxofoon, slide- en/of steelgitaar opgetuigd, in de schaarse akoestische delen duikt bovendien incidenteel een mandoline op.
Ness nam daarbij enkele covers van klassiekertjes op én heeft niemand minder dan Bruce Springsteen en Brian Setzer weten te strikken op respectievelijk track 3 en 4.
Desondanks werd het een lange zit, ook bij herhaald draaien. Dit meestal al vanaf track 4, als er nog elf zijn te gaan. Er slaat namelijk een eentonigheid toe, veroorzaakt door Ness' stem. Die stem is enerzijds prettig maar anderzijds eentonig, waardoor de melodieën onvoldoende tot leven komen.

De titelsong is een onvervalste rockballad en legt een tweede nadeel bloot: liedjes die te lang duren. Nergens is een liedje slecht, wél regelmatig twee minuten te lang, zeker als je een mooie zangstem hebt die je vervolgens veel te weinig uitbuit.

Het principe van 'Kill your darlings' had strenger mogen worden gehanteerd en zo kom ik op 2,5 ster. Hardekernliefhebbers van scheurende countryrock vinden hier mogelijk het begin van een mooie playlist, terwijl ik plotseling besef hoe goed het is bij Jason & The Scorchers...

Milk 'n' Cookies - Milk 'n' Cookies (1975)

poster
3,5
Na Radio City van Big Star vervolg ik mijn reis door de albums achter mijn afspeellijst met proto-new wave. We komen een jaar verder. In 1975 kende Londen een stijgende populariteit van pubrock met korte, puntige liedjes. In de Verenigde Staten waren er eveneens bandjes die dat voor ogen hadden.
Milk 'n' Cookies bijvoorbeeld, afkomstig van Long Island, New York. De band ging na één geflopt album roemloos ten onder, om in 2005 weer bij elkaar te komen. Een stijgende erkenning van hun pionierswaarde ontstond, in 2016 leidend tot een special edition van hun plaat als 3lp en 2cd met de hoes die je op streaming tegenkomt, waarop een cheerleader pontificaal in het midden staat. MuMe toont terecht de oorspronkelijke hoes. De groep had hetzelfde management als artrockers Sparks.

Het gros van de elf liedjes op hun enige plaat duurt twee-minuut-zoveel. Ze zijn melodieus met meestal scheurende gitaartjes en de opzettelijk kinderachtige zang van Justin Strauss. Die zingt zo vreemd, dat ik eerst dacht naar een zangeres te luisteren. Muziek op de grens van powerpop en punk in een eigenwijs jasje. Het levert lekkere liedjes op met één nadeel: met deze zangstijl komen de melodieën niet lekker uit de verf.
Sterker nog, hoe lekker ook dat ene nummer in mijn afspeellijst was - ik heb het over Six Guns - een hele plaat duurt me te lang. En dat terwijl de groep heerlijk musiceert met bovendien pakkende koortjes.
Qua teksten komt regelmatig tienerproblematiek voorbij, waarbij het onderwerp van Not Enough Girls (in the World) met dat naïeve stemmetje vervreemdend werkt.
Wat ook opvalt is de heldere en transparante productie. Milk 'n' Cookies was een vreemde eend in de bijt van club CBGB, waar ook Blondie en Ramones de eerste furore meemaakten. Juist daarom passend in de cultuur uit de suburbs van New York.

Op de special edition valt op dat er bij de extra's enkele nummers zitten die meteen op de toch al prima plaat hadden gemoeten, wat met name voor Tinkertoy Tomorrow en het stampende Wok 'n' Woll geldt.

Platenmaatschappij Island wist in 1975 niet goed hoe dit onbekende, volstrekt anders klinkende bandje aan de man te brengen. Het doek viel en gitarist/toetsenist Ian North verkreeg een solocontract. Na de doorbraak van punk in het najaar van '76 probeert hij het in Londen. Daar volgt bescheiden succes met het album Neo. Bassist Sal Maida belandt bij Sparks, zanger Justin Strauss wordt dj en producer; drummer Mike Ruiz tenslotte belandt bij Paul Collin's Beat.

Mijn muzikale reis vervolgt in Londen bij Kilburn & the High Roads met in de gelederen Ian Dury.

Mink DeVille - Cabretta (1977)

poster
4,5
Het was 1977 en wie in New York in zaal CBGB optrad was ofwel punk, ofwel new wave. Met dat laatste stickertje kwam Mink Deville in oktober dat jaar de Nationale Hitparade binnenwaaien middels Spanish Stroll en ik viel onmiddellijk voor het liedje. Nog steeds trouwens, alleen al de beginakkoorden: die blijven zó mooi! Of de brug met het Spaanstalige deel en de akoestische solo aan het einde met die jengelgitaar erbij, práchtig vond ik het. TopPop toonde livebeelden, die niet in de Hilversumse studio waren gemaakt. De single piekte in december in de Nationale Hitparade van de NOS op #4, met Kerst in Vlaanderen #4.

Is dit new wave? Natuurlijk niet, dit is muzikaal zoveel conservatiever dan CBGB-genoten Blondie, Television en noem ze allemaal maar op. Maar als je de term opvat als een stroming van nieuwe namen die met korte nummers muziek maakten buiten de geijkte pop- en rockpaden? Ach ja, voor dit ene album, prima.
TOTP2, het clipprogramma van de BBC met muziek uit het archief, trekt bij de aankondiging van de video een vergelijking met Lou Reed. Ik had het er nooit in gehoord, maar okay. Een extra argument om Spanish Stroll in mijn afspeellijst met new wave te zetten.

Enkele jaren later leende ik de bijbehorende elpee uit de fonotheek. Cabretta heeft inderdaad weinig met new wave van doen. Althans, in mijn oren. Ik hoorde vooral kwaliteitspop, zwoel en romantisch vanaf de eerste tonen, al heeft opener Venus of Avenue D zijn stevige delen.
Maar Little Girl vond ik een pareltje, een ontroerend mooi klein liedje, intens romantisch bovendien. Jammer alleen dat geen meisje mij zag staan...
Niet alles zette ik op cassettebandje, maar bij herbeluistering via streaming herken ik onmiddellijk Mixed up, Shook up Girl, het swingende Gunslinger waar een scheurende gitaar samengaat met blazers en het uptempo en bluesachtige Cadillac Walk. Daarbij constateer ik dat de andere nummers daar zeker niet voor onderdoen; waar ik dit toen een 7 zal hebben gegeven, verbind ik er nu het cijfer 9 aan, oftewel 4,5 ster.

Andere albums van de groep of zanger Willy DeVille staan niet op mijn afspeellijsten met new wave, daarvoor vind ik de stijl echt te afwijkend. Maar nog altijd zet ik hem in het rijtje John Waite en David Coverdale: mannen die romantiek in prachtige liedjes kunnen vertalen, waarvan deze Amerikaan de meest popachtige muziek maakte. Een vriend van me zag hem ooit live; daar had ik wel bij willen zijn...

Op ontdekkingstocht langs de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en soortgenoten, kwam ik van het Britse Dr. Feelgood. Nu drie maanden terug in de tijd, toen in juli Eddie & The Hot Rods succesvol waren in het Verenigd Koninkrijk met hun tweede album.

Minor Threat - Minor Threat (1981)

poster
4,0
Juni 1981. Dezelfde maand dat punkvader Iggy Pop met Party een album uitbrengt, is daar de debuut-EP van Minor Threat uit de Amerikaanse regeringsstad.
Hierboven lees ik berichten van jongere liefhebbers van hardcorepunk die enigszins verbaasd zijn over de zangstijl van Ian McKaye. Maar écht, zó begon hardcore. Wij vonden dit heftig en ik als metalfan moest het genre ondanks de eenvoud ervan één ding nageven: het was snél. Muziek die in de avond bij de VPRO klonk, als je geluk had. Zelfs Raven kon hier niet tegenop en dat was dé groep die binnen metal voorop liep met versnellen, zoals datzelfde jaar op Rock Until You Drop.

Daarmee was Minor Threat één van de groepen die thrashmetal verwekten, zoals Slayer in '96 aanduidde op coveralbum Undisputed Attitude waar ze twee nummers van deze EP coverden: Filler / I Don't Want to Hear It.
Met Straight Edge legde Minor Threat bovendien de basis voor een nieuw hardcore-subgenre met daarin muzikanten die clean leefden: álle energie in de muziek!

Acht nummers in een dikke negen minuten. Lekker. Nog datzelfde jaar verscheen van hen EP In My Eyes met vier nummers in zeven-en-een-halve minuut. In 1984 werden de EP's bijeengesmeed op - nog steeds een EP - Minor Threat, twaalf nummers in bijna zeventien minuten.

Mijn reis door new wave en aanverwanten heeft als volgende halte een andere vorm van punk: de tweede langspeler van het eveneens Amerikaanse Plasmatics.

Mittagspause - Mittagspause (1979)

poster
3,5
Mijn laatste album in de reis door new wave van 1979. Dat om de albums achter mijn afspeellijsten op streaming te verkennen. Daarop klinkt 'New wave & co'.
De Düsseldorfse zanger Peter Hein werd in 1977 punk en noemde zich aanvankelijk Janie J. Jones, vernoemd naar het openingsnummer van het debuut van The Clash. Met Mittagspause is hij met zijn maatjes - gitaristen Franz 'Monroe' Bielmeier en Thomas Schwebel plus drummer Markus Oehlen - verder geëvolueerd. Nee, geen bassist en daarom speelt Bielmeier veel lage tonen in zijn slagspel.

Verschenen in juni 1979 is het debuut van Mittagspause een unicum in vormgeving. MuMe vermeldt het titelloze debuut als een album, maar eigenlijk was dit een dubbele 7"-single op 45 toeren met meestal drie nummers per plaatkant - alleen kant 4 telt twee nummers. 22 minuten muziek. Wie het origineel wil kopen, is volgens Discogs momenteel zo'n 145 euro kwijt.
Die betaal je niet voor de geluidskwaliteit, die van niveautje demo is. Maar de muziek - grommende gitaar, diverse tempowisselingen, luide zang - is charmant. Duidelijk klinken punkwortels, maar de associatie met het debuut van Joy Division is groter. En tegelijk is dit anders, want strijdbaar en Duitstalig. Pioniers van de Neue Deutsche Welle, die het jaar erop op stoom zou komen.
Het langste nummer sluit de EP af: Ernstfall duurt 3'51" en is een uptempo, gevarieerd nummer, maar ook kortere composities als 3x Nordpol, Innen Stadt Front en Derendorf mogen er zijn. Dit is gewoon een lekker plaatje, eeeh, dubbelsingletje.
De groep bracht in oktober 1979 nog de single Herrenreiter uit, waarna Mittagspause in 1980 ophield te bestaan. Schwebel en Hein zijn dan al de groep Fehlfarben gestart, die een groter publiek zou bereiken.

Vanaf 1992 groeide het besef dat Mittagspause een bijzondere groep was, mede dankzij de cd-met demo's Herrenreiter.
In 2001 verscheen de docu-roman Verschwende Deine Jugend van Jürgen Teipel, het jaar erop vergezeld door een gelijknamige 2cd. Hierop is Mittagspause vertegenwoordigd met twee nummers. In 2012 verscheen een verzamelaar met diezelfde titel, één cd tellend.

Mijn reis door new wave kwam van London Calling van The Clash en vervolgt in 1980. Omdat Kerstmis nadert, begin ik dat jaar met Christmas Album van The Yobs, alias van de Londense punkgroep The Boys.

Mo - Mo (1980)

poster
3,5
In mijn herinnering werd deze groep destijds The Mo genoemd, maar de hoes houdt het kortweg bij Mo. Op streaming wordt de groepsnaam inmiddels met kleine letters als 'mo' genoteerd.
Vanaf 1 november 1980 stond Nancy in de Tipparade om de 22e op #14 te stranden. Een bezoek aan TopPop was het resultaat. Dat liedje heb ik destijds gemist, wel viel de hit Fred Astaire (Just a Summer Love Affair) op, die in februari 1981 bij Veronica's Top 40 tot #18 kwam en bij de Nationale Hitparade tot #23. Opnieuw op tv bij TopPop.

Ik hield van new wave, maar dit was een andere vorm daarvan. Weliswaar korte, afgeronde liedjes met nadruk op toetsen en synthesizers, maar toch haakte deze puber niet aan. Ik miste de gitaar, vond het te steriel. Als een wit glimmende tegelvloer, nadat de schoonmaaktornado uit de reclame eroverheen was gegaan.

45 jaar later is dit nog steeds niet mijn favoriete muzikale snoep, maar ontegenzeglijk is dit origineel en bekwaam gemaakte muziek. Niet alleen de gitaar ontbreekt, er is ook geen bas: het is toetsenist Clemens de Lange die deze ruimtes mag vullen. Dat tweede toetsenist en tevens fagottist Huub de Lange voor extra kleur zorgt, verhoogt de feestvreugde. Met de stem van Heili Helder heb ik nog steeds niet zo veel. Zeker, die is aangenaam en zuiver, tegelijkertijd wel erg keurig en afgemeten, wat bij beluistering van het gehele album begint te wringen.

Mijn favoriete nummers op Mo staan op de tweede plaatkant: Fred Astaire, Band with Bassoon (ja, de fagot in een hoofdrol) en het ietwat springerige (eindelijk!) If I Take You Back. Mijn streamingkanaal heeft een vierde favoriet op grijs staan, oftewel niet af te spelen. YouTube leert dat Oh... Young People een lekker uptempo liedje is en wederom valt op dat drummer Harm Bieger in gevarieerde stijl knappe patronen neerzet, met zijn accenten de liedjes versterkend.

Met de oren van nu hoor ik overeenkomsten met de symfonische rock van toen, zij het verpakt in wavejasje. Nog altijd beleef ik Mo als steriel, zeker als ik het hele album beluister. Tegelijkertijd, die subtiele invloeden van progrock en de soms jazzachtige pianopartijen, het is aangenaam.
Zelfs 45 jaar later heb ik moeite met labeltjes plakken: is dat niet het beste bewijs voor de originaliteit van Mo? Toen de eveneens gitaarloze groep Keane in 2004 doorbrak, werd ik na jaren herinnerd aan de groep uit Delft. Het heeft wel wat, zo'n gitaarloze band.

Mijn reis door new wave kwam van de gitaartjes van de tweede Romantics en vervolgt bij een groep met veel blazers: de tweede van The Specials.

Mo-dettes - The Story So Far (1980)

poster
4,0
Inmiddels ben ik aanbeland bij de new wave van juli 1980, reizend van het vierde album van Pere Ubu.

Op de 13e van die maand piekt Paint It Black op #42 in de Britse hitlijst. Inderdaad een cover van de Rolling Stones en eigenlijk hebben de dames van Mo-dettes weinig daaraan veranderd - en tegelijkertijd veel. Alleen al de onweerstaanbaar vrolijke zang van Ramona Carlier en hoe het lied in een jasje van punk-rammelgitaar wordt gehesen, feiten die genoeg zijn om te grijnzen.

Geopend wordt met Fandango met een Franstalige tekst, een nummer dat meteen de toon zet. Tweede hoogtepunt is Dark Park Creeping en de derde het slotlied van kant 1, White Mouse Disco mijn favoriet van dit album.
Kant 2 opent sterk met Bedtime Stories dat een versnelde reggaebeat heeft, of is het gewoon ska? De gitaarpartijen bestaan echter uit lange, in flangereffect gedrenkte noten, waarbij drumster June Miles-Kingston energiek rondmept.
Masochistic Opposite is punkachtig, maar opnieuw is het de zang die het liever lijkt te maken. 'Lijkt', want de dames zijn strijdbaar. Meer reggae in de percussie in Milord, een Franstalig nummer dat ik ken van Corry Brokken en (het origineel) van Édith Piaf; een hit in resp. 1960 en '59.
The Story So Far miste de Britse albumlijst. Maar wél een zeer aangenaam plaatje, een glimlach op de lippen toverend.

Het bleef hun enige album. Wel werd er twaalf maanden later nog uiterst bescheiden gescoord met single Tonight, die #68 haalde. De groep viel in '82 uit elkaar, Miles-Kingston dook later op bij Fun Boy Three en The Communards.

Volgende halte: het debuut van Robin Lane & The Chartbusters.

Moby - Resound NYC (2023)

poster
3,0
Nee, dit is inderdaad geen verzamelalbum, op Resound NYC steekt Moby zijn muziek in nieuwe jasjes. Na alle slaapverwekkende muziek die hij de laatste jaren meestal uitbracht, vind ik dit net als Reprise een kleine verademing. Geen grote, maar toch.

In de eerste helft van de jaren '90 stak een vriend mij aan met de muziek van de (toen nog) housemaker. Met house had ik niks, maar op de één of andere manier raakte de single-cd van Hymn wel een snaar. In 2009 ben ik zijn muziek eens goed gaan uitspitten, waarbij internet zo'n zoektocht enorm vergemakkelijkte.
Zijn beste albums vind ik de uitgaven die hij onder zijn eigen naam uitbracht in de jaren 1995 (Everything is Wrong) tot en met 2008 (Last Night). Het zijn de platen waarop hij sterke uptempo nummers zetten, weliswaar dansbaar maar wel degelijk liedjes met sterke melodieën en refreinen, waarbij hij nogal eens een zangeres met een bereik van vier octaven liet knallen dat de ramen ervan gingen trillen.
Vanaf Wait for Me (2009) werd de muziek rustiger en nam hij veelal zelf de leadzang voor zijn rekening. Doe maar niet, de opwinding verdween. In 2011 zag ik hem op Festival Mundial in Tilburg waar een knallende set (beats mét livedrums namelijk) plus een vieroctavenzangeres het oude vuur deden oplaaien.

Ik blijf dus altijd wel een plekje warmhouden voor Moby, die bij twijfel enig voordeel krijgt. De plaat begint met enkele uptempo tracks, waarbij mijn hart ligt. Gastzangers Gregory Porter en Dougy Mandagi bepalen de sfeer in de eerste twee nummers, waarna Ricky Wilson South Side "doet".
Geleidelijk wordt dit dan toch weer een laatavondplaat, hetgeen je logischerwijs zou verwachten van een album dat verschijnt op het klassieke label Deutsche Grammophon. Hoogtepunt van die rustiger sferen is In This World, nog maar track 5 van de 15. Dan zijn er nog tien te gaan en daarbij ging ik me ietwat vervelen.

Her en der zag ik recensies waar de plaat de grond in werd geboord. Daarmee ben ik het niet eens, maar beste meneer Richard Hall, van mij mag u weer eens een vocaal kanon inhuren en net als vroeger de energie van punk in dance vertalen. En doe daar qua teksten gerust maatschappijbetrokken thema's in, dance met een boodschap. Zou ook nog eens vernieuwend zijn en het dringt misschien beter door tot de wereld dan de boodschaptatoeages op uw lijf. Tot die tijd een krappe zes voor dit album, dankzij de eerste helft.

Modern English - Life in the Gladhouse (2001)

Alternatieve titel: The Best of 1980-1984

poster
4,0
Nou, eigenlijk best wel een lékkere verzamelaar, dit Life in the Gladhouse: The Best of 1980-1984 !

Een groep die blijkens site OfficialCharts.com nooit de Britse hitlijst haalde en de bijbehorende albumlijst evenzo miste - huh, hoe dan? Een groep die ik verwarde met Modern Talking - domdomdom... Een groep die blijkens menige bio begon als imitators van Joy Division - beter goed gejat dan slecht zelf bedacht.

Ben bezig de albums achter mijn afspeellijsten met new wave te beluisteren. Ik kende Modern English niet, maar las over de groep uit Colchester, ten noord-oosten van Londen. Zo belandde nonalbum-debuutsingle Gathering Dust uit oktober 1980 op op zo'n lijst. Jazeker, duidelijk jatwerk van Joy Division.
Desondanks namen ze, kort na het noodlottige einde van die groep, een heerlijk denderend werkje op. Het komt langzaam op gang en wordt allengs steviger, waarbij zanger Robbie Grey over een lichtere stem blijkt te beschikken dan Ian Curtis van de illustere inspiratiegroep. De groep zit dan al meteen bij het gerespecteerde label 4AD.

Modern English grossiert op de overige nummers vooral in lichter en origineler werk, zoals de akoestische gitaar in I Melt With You. Smiles and Laughter is dan weer intenser, maar ook klinkt soms een breekbare klarinet (of is het een hobo of fagot?), zoals in het gevoelige Ricochet Days, bewijzend dat dit meer dan imitators waren. Het krijgt daarmee iets van gothic en doet me aan het latere werk van The Mission denken. De stem van Grey is intens, gevoelig en aangenaam.
Nee, ik snap niet dat zij nooit een notering in een Britse hitsingle- of albumlijst haalden. Deze compilatie is namelijk een dikke vier sterren waard. Blue Waves bijvoorbeeld, dansend als Echo and The Bunnymen. Is dat wellicht de reden dat ze nooit doorbraken? Te veel lijkend op anderen? Maar dat is toch veel vaker het geval, dat groepen op elkaar lijken?

Hoe dan ook, ik zoek niet naar verklaringen als ik kan genieten van de muziek. Origineel of niet, deze heren schreven hele goede liedjes en daar komt bij dat Modern English nog altijd actief is, ook over hun landsgrenzen. Zo staan ze blijkens hun website vanavond in Toronto, Canada.
Gathering Dust verscheen niet alleen op dit Life in the Gladhouse uit 2001, het verscheen in 1992 als bonustrack op de cd-versie van album Mesh & Lace van het jaar erna. Saillant detail: het lied trapt het schijfje af en werd dus niet slechts aan het einde toegevoegd.
Aan dat album kom ik over enkele maanden toe. Reizende vanaf Grin & Bear It van The Ruts komt mijn afspeellijst bij single Give Me an Inch van Hazel O'Connor. Omdat ik het bijbehorende album Breaking Glass al besprak, beland ik in de maand november van 1980: The Sound en Jeopardy.

Modern English - Mesh & Lace (1981)

poster
4,0
New wave mag een containerbegrip zijn (gelukkig, ik hou van afwisseling!), dat geldt in mindere mate ook voor de tegenwoordig gangbare term postpunk. Die wordt gehanteerd voor mijn vorige halte bij Scars en evenzo voor Modern English en hun debuutelpee Mesh & Lace. Toch klinken de twee heel anders.

Wie vindt dat Joy Division te weinig muziek heeft uitgebracht zal wellicht vrolijk worden van deze Modern English uit april 1981. Ik kwam de groep bij mijn reis door het land van new wave eerder tegen met non-album single Gathering Dust, te vinden op verzamelaar Life in the Gladhouse en op de latere cd-editie (1992) van Mesh & Lace is het de opener. Maar eigenlijk begint het album met de onheilspellende klanken van 16 Days, waarna de drums gaan rollen, net als op volgende nummer Just a Thought. Uptempo doomwave, ik vind het héérlijk!

Slechts twee jaar eerder begon de groep in Colchester, Essex met het drietal van zanger Robbie Grey, gitarist Gary McDowell en bassist Michael Conroy. De twee laatsten doen bovendien de nodige achtergrondzang, waardoor het nogal eens tweestemmig wordt. Later voegen toetsenist Steven Walker en drummer Richard Brown zich bij de groep, die dan onder de naam Modern English vervolgt.
Van die laatste ben ik vooral onder de indruk: hij teistert zijn toms en bekkens, mept de boel zo goed als dicht - hou ik van! Hij doet het ook in Move in Light en pas met Grief dient zich het eerste langzamere nummer aan. De stem van Grey is lang niet zo diep als die van zijn illustere en dan inmiddels overleden collega bij Joy Division, maar gitaargeluiden en baslijnen maken de sfeer en de toetsen onderstrepen die, zoals bij de verwijtende zin "Why did you do this to me?".

Net als kant 1 komt kant 2 langzaam op gang, deze keer met The Token Man. A Viable Commercial herhaalt dat kunstje. Ja, die Richard Brown is weliswaar geen grote naam in de muziek geworden, ik word keer op keer vrolijk van zijn energieke spel; in de auto dringt zich de neiging op om het gaspedaal dieper in te trappen.
Black Houses is wat simpel van opzet, vast een ouder nummer, slotlied Dance of Devotion (A Love Song) is vreemd genoeg om mijn collega, die vanmiddag mijn werkruimte kwam binnenstappen, verbaasd te doen opkijken: een a-typisch slot met vervormde stemmen en piepende gitaar.

De groep werd in het Verenigd Koninkrijk geen grote naam, terwijl hun label 4AD toch muziek uitbracht die uitermate geschikt leek voor het regenachtige land met z'n grote jeugdwerkeloosheid. In de Verenigde Staten ontstond echter een eigen aanhang.
Die ontwikkeling hoop ik later te beschrijven, want eerst is er veel te schrijven over de new wave van 1981. In april dat jaar verscheen véél werk in die stroming en aangezien ik de benaming ruim hanteer, rijdt de trein nu naar de punks van Cockney Rejects en Greatest Hits Vol.3: Live & Loud!

Modern Eon - Fiction Tales (1981)

Alternatieve titel: Fiction Tales Plus

poster
4,0
Mijn vorige twee haltes in de new wave van juni 1981 bevatten Afrikaanse invloeden, zoals het debuut van Thompson Twins. Bij het Liverpoolse Modern Eon is de sfeer Brits, of in ieder geval ernstig.
Ze debuteerden in 1979 op verzamelaar Street To Street: A Liverpool Album samen met onder meer Echo & The Bunnymen en brachten vanaf dat jaar tot de uitgave van Fiction Tales enkele singles uit, welke deels op de elpee zijn te vinden. Eén single was een split met Orchestral Manoeuvres in the Dark.
Bij Modern Eon klinkt muziek die liefhebbers van Department S, Joy Division, Modern English, The Monochrome Set en Scars kan aanspreken. Postpunk, of zoals ik het destijds noemde: doompunk. Verschil is echter de ijle, breekbare zang van Alix Johnson. In eerdere berichten op MuMe werd al genoemd dat die enige gewenning vraagt, net als het feit dat vaker afspelen wordt beloond dankzij de afwisselende muziek - binnen de kaders van het genre.

Destijds verkocht het niet zo goed: verschenen in april 1981, was er begin juni slechts een magere #65-notering in de Britse albumlijst. Naar verluidt omdat eerdere singles op de plaat waren te vinden, wat in mijn oren juist een aanwinst is.
Ook als album is het namelijk goed opgebouwd met onderlinge variatie tussen de nummers, als de soundtrack bij verschillende scenes in een zwart-wit thriller. Een verstilde start met Second Still, dat als een trein langzaam op gang komt. Met het daarop volgende The Grass Still Grows valt voor het eerst op hoe druk drummer Cliff Hewitt is met zijn invulling: lekker, net als de spaarzame syntheffecten van Bob Wakelin. Playwrite is dan kalmer, waarna met alle percussie op Watching the Dancers het volume weer omhoog gaat, mede door de mild grommende baslijnen van Danny Hampson. Real Hymn is ingetogener, in Waiting for the Cavalry moet Hewitt weer aan de bak. Dan hebben we nog maar één plaatkant gehad.

Kant 2 biedt meer variatie, waarbij mijn favorieten steevast de drukkere nummers zijn: het uptempo High Noon, Choreography en Euthenics. Buitenbeentje In a Strange Way werkt goed als verstilde opmaat naar slotnummer Mechanic, dat begint met geluiden van de golfslag op een strand. In totaal twaalf nummers, een album dat destijds ten onrechte snel kopje onder ging in de branding, de groep met zich meesleurend. De recensie in Oor van Swie Tio is deels terug te vinden in het MuMe-topic OORdelen; even scrollen.

In 1985 dook Lever op bij Dead or Alive, Hewitt het decennium erop als tourdrummer bij Apollo 440 / Apollo Four Fourty, waar hij nog altijd actief is. In 2023 verscheen bij Cherry Red deze heruitgave van Fiction Tales met de nodige extra's ten opzichte van het originele vinyl.

Het volgende nummer op mijn afspeellijsten met new wave uit juni '81 is van The Beat, maar omdat ik single Doors of Your Heart en album Wha'ppen? al besprak, beland ik bij non-albumsingle Ghost Town van The Specials, onder meer te vinden op hun compilatie Stereo-Typical.

Mogg / Way - Chocolate Box (1999)

poster
4,0
De hardrockgroep UFO mocht ondanks zijn lange historie niet meer zo heten zonder Michael Schenker. Althans sinds er in 1995 een contract met de Duitse gitarist was getekend. En dus waren oerleden Phil Mogg en Pete Way gedwongen om zonder hem onder andere naam te werken. Een soort wurgcontract, denk ik dan.

In tijden van onenigheid met Schenker leidde dat namelijk noodgedwongen tot de groep Mogg / Way, die in 1999 zijn tweede en laatste album uitbracht. Chocolate Box is de opvolger van het héél sterke Edge of the World. Het pakt me minder maar bevat desondanks de nodige hoogtepunten. Een must voor UFO-fans waarbij ook ikke.
Die fan is wellicht kritisch omdat alweer een nieuwe gitarist moest worden gezocht, de relatief onbekend gebleven Jeff Kollman. Maar eigenlijk had ik zijn naam al jaren eerder moeten tegenkomen, gezien de grote namen met wie hij albums uitbracht: zie hier. Groepsbiografie 'High Stakes & Dangerous Men' vertelt nauwelijks iets over Chocolate Box, behalve dat degenen die ook in het UFO van Walk on Water (1995) speelden, nu opnieuw aanwezig waren: naast Mogg en Way toetsenist en gitarist Paul Raymond en drummer Simon Wright. Daarmee klinkt het album anders dan de voorganger.

Kollman bezit soms een fusionachtig geluid, lichtelijk vergelijkbaar met dat van Steve Morse (Dixie Dregs, Kansas en Deep Purple). Bij UFO, eeeh Mogg / Way klinkt echter veel meer blues. Zoals in de pompende opener Muddy's Gold, een ode aan Muddy Waters en tevens hard en swingend rockend. Jerusalem bevat een progachtig intro, waarna het uptempo vervolgt. Kan Kollman spelen? Natúúrlijk kan hij dat, zoveel is na twee nummers duidelijk. Genieten!
De melodielijn en frasering van Too Close to the Sun lijkt verdacht veel op die van traditional Wayfaring Stranger, maar net als het vorige nummer gaat het gaandeweg steeds meer in de UFO-traditie klinken: hardrockend gespeeld, passioneel gezongen.
This Is a Life bevat tijdens de coupletten gitaarlicks die klinken alsof Schenker ze schreef, pakkend melodieus en robuust tegelijkertijd. Laatste nummer van de eerste helft is het kalme Living and Dying, waar de typische UFO-melancholie heerlijk rondwaart.

In King of the City trekken hammondorgel en stevige gitaarriff samen op, mijn vierde favoriet van het album mede door een knappe, knappe, knáppe gitaarsolo vol melodie en snelheid. Een liedje in een liedje, met blues, fusion en rock verenigd tot een prachtig geheel. Een nummer voor in mijn persoonlijke top (inmiddels) 92 met beste gitaarsolo's.
Dan volgt minder pakkend werk. Death in the Family is aangenaam maar niet opzienbarend. Mijn streamingdienst noemt vervolgens track 8 Whip that Groove maar speelt in werkelijkheid track 9 Last Man in Space af, waarna track 9 alsnog Whip that Groove blijkt te zijn. De 'man in de ruimte' bevat een riff in jaren '90-stijl (beetje alternatief, beetje grunge). Aardig. De traag rockende riff van Whip doet iets dergelijks. Iets liever hoor ik de hardrockende bluesinvloeden in Sparkling Wine, alsof het voor Whitesnake werd geschreven.

Wat betreft composities geldt dat de eerste helft sterk is, de tweede middelmatig. In totaal vier nummers die tijdloos mooi zijn, met op het hele album sterk gitaarspel en dito zang. Als ik deze in het echt voor een redelijke prijs tegenkom gaat ie mee. Wat IS er toch met UFO of in dit geval Mogg / Way, waarom kom je het latere werk in Nederland zo zelden tegen? En dan vaak nog duur ook?

De UFO-albums zonder Michael Schenker verkochten steevast minder goed dan die mét hem en dus blijven Mogg, Way en Raymond proberen hun haat-liefde-gitarist opnieuw binnen te hengelen. En natuurlijk omdat ze historisch gezien recht hadden om onder die naam te werken. In 2000 lukt dat, waarna het resultaat Covenant wordt gedoopt.