Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
McAuley Schenker Group - Perfect Timing (1987)

3,5
4
geplaatst: 2 maart 2025, 23:32 uur
De bijdragen bij de nieuwe Robin McAuley - Soulbound waren voor mij aanzet om te vervolgen met de carrière van Michael Schenker - plus eens het werk van McAuley te tsjekken.
In 1987 volgde ik vooral de speed- en thrashmetal, waar de ontwikkelingen over elkaar heen buitelden. Toen keerde een oude held terug. Dat de M in MSG plotseling stond voor de onbekende McAuley vond ik be-la-che-lijk: dit is de groep van Der Michael, ex-Scorpions, ex-UFO, één van de beste sologitaristen ter wereld en bovendien uit duizenden herkenbaar met zijn eigen stijl en geluid. De commerciëlere koers vond ik eveneens niks. Veel aandacht heb ik hier dan ook niet aan besteed.
38 jaar later toch maar eens met frisse oren geluisterd en dat verschillende malen. Kan u melden dat het prima arbeidsvitaminen zijn bij het voorjaarsklaar maken van de tuin. Wat opvalt is dat de productie in orde is, wat bij zijn eerste twee soloplaten niet het geval was. Hier echter een vol geluid dankzij veteraan Andy Johns, waarbij ik me niet stoor aan het typische jaren '80-(drums)geluid.
De eerste drie nummers zijn mid- tot bescheiden-uptempo en radiovriendelijk, in mijn oren gericht op de Amerikaanse markt van toen. Ik hoor in de muziek én zangstijl overeenkomsten met Def Leppard en Ratt: McAuleys rauwe stem is alleen net wat lager dan die van Joe Elliott en Stephen Pearcy. Andere associatie: de groep Whitecross met zanger Scott Wenzel, dat in 1987 debuteerde met een titelloos album, hier te horen. Schenker speelt uiteraard prachtige solo's, maar het is te dicht bij de radio- of zelfs glammetal van toen.
Met het vierde nummer van kant 1 No Time for Losers (nee, geen poëzieprijs voor de lyrieken) klinkt echter de wildere kant van Schenker met een riff die zo bij UFO had kunnen worden gespeeld. Na een keer of wat draaien viel op dat de coupletten van Follow the Night in 7/4-maat zijn. Opnieuw iets wat hij in zijn UFO-dagen kon doen: een "rare" maatsoort inzetten.
Met Get Out de tweede knaller op z'n New wave of British heavy metals, wat ik dus liever heb dan de nummers in de stijl van Def Ratt. Love Is Not a Game is dan weer op z'n Amerikaans maar wél met een sterke melodie en Time een ballade met akoestische gitaar, alsof het Scorpions zijn.
Meer akoestische gitaar en echo's van de Scorpions in I Don't Wanna Lose, dat met z'n opbouw mijn vierde favoriet van het album is. Met Rock 'til You're Crazy is daar een vierkant rockende afsluiter, prima op z'n plek.
Maatje Edo is tien jaar jonger dan ik en maakte via dit album kennis met Michael Schenker. Ik snapte zijn enthousiasme nooit, maar dat is veranderd. Valt het me mee? Jazeker. Meer dan dat. Een 7,5 als schoolcijfer.
In 1987 volgde ik vooral de speed- en thrashmetal, waar de ontwikkelingen over elkaar heen buitelden. Toen keerde een oude held terug. Dat de M in MSG plotseling stond voor de onbekende McAuley vond ik be-la-che-lijk: dit is de groep van Der Michael, ex-Scorpions, ex-UFO, één van de beste sologitaristen ter wereld en bovendien uit duizenden herkenbaar met zijn eigen stijl en geluid. De commerciëlere koers vond ik eveneens niks. Veel aandacht heb ik hier dan ook niet aan besteed.
38 jaar later toch maar eens met frisse oren geluisterd en dat verschillende malen. Kan u melden dat het prima arbeidsvitaminen zijn bij het voorjaarsklaar maken van de tuin. Wat opvalt is dat de productie in orde is, wat bij zijn eerste twee soloplaten niet het geval was. Hier echter een vol geluid dankzij veteraan Andy Johns, waarbij ik me niet stoor aan het typische jaren '80-(drums)geluid.
De eerste drie nummers zijn mid- tot bescheiden-uptempo en radiovriendelijk, in mijn oren gericht op de Amerikaanse markt van toen. Ik hoor in de muziek én zangstijl overeenkomsten met Def Leppard en Ratt: McAuleys rauwe stem is alleen net wat lager dan die van Joe Elliott en Stephen Pearcy. Andere associatie: de groep Whitecross met zanger Scott Wenzel, dat in 1987 debuteerde met een titelloos album, hier te horen. Schenker speelt uiteraard prachtige solo's, maar het is te dicht bij de radio- of zelfs glammetal van toen.
Met het vierde nummer van kant 1 No Time for Losers (nee, geen poëzieprijs voor de lyrieken) klinkt echter de wildere kant van Schenker met een riff die zo bij UFO had kunnen worden gespeeld. Na een keer of wat draaien viel op dat de coupletten van Follow the Night in 7/4-maat zijn. Opnieuw iets wat hij in zijn UFO-dagen kon doen: een "rare" maatsoort inzetten.
Met Get Out de tweede knaller op z'n New wave of British heavy metals, wat ik dus liever heb dan de nummers in de stijl van Def Ratt. Love Is Not a Game is dan weer op z'n Amerikaans maar wél met een sterke melodie en Time een ballade met akoestische gitaar, alsof het Scorpions zijn.
Meer akoestische gitaar en echo's van de Scorpions in I Don't Wanna Lose, dat met z'n opbouw mijn vierde favoriet van het album is. Met Rock 'til You're Crazy is daar een vierkant rockende afsluiter, prima op z'n plek.
Maatje Edo is tien jaar jonger dan ik en maakte via dit album kennis met Michael Schenker. Ik snapte zijn enthousiasme nooit, maar dat is veranderd. Valt het me mee? Jazeker. Meer dan dat. Een 7,5 als schoolcijfer.
McAuley Schenker Group - Save Yourself (1989)

3,0
0
geplaatst: 4 maart 2025, 18:02 uur
Vergeleken met de eerste vier studioalbums van de Michael Schenker Group is de McAuley Schenker Group op twee punten sterker: een betrouwbare zanger (de stem van Barden en het gedrag van Bonnet waren een manco) en de productie, die vooral op de eerste twee platen tekortschoot.
Wat betreft composities wilde het echter op die eerdere albums nogal eens avontuurlijker zijn.
McAuley Schenker was vervolgens gericht op de Amerikaanse rockmarkt van de tweede helft van de jaren '80, waarmee het zich aan bepaalde regels diende te houden. Effect is dat menig nummer toegankelijker werd voor het grote publiek. Desondanks bevond ik eerder deze week het debuut Perfect Timing avontuurlijker dan indertijd gedacht.
De hoes van Save Yourself lijkt wel het vervolg op die van Built to Destroy uit 1983. Daar begon Schenker, gewapend met zijn Flying-V, met het slopen van een auto en getuige de tekening op Save Yourself is dat meer dan gelukt.
De bezetting veranderde nauwelijks. Bassist Rocky Newton en drummer Bodo Schopf bleven, gitarist Steve Mann verving Mitch Perry en mag net als zijn voorganger een enkele solo spelen. Wel is Perry wel te horen op slaggitaar en toetsen.
Een stormachtige start met Save Yourself, conservatiever is Bad Boys en nog minder spannend is ballade Anytime. Daarna rockt het radiovriendelijk met Get Down to Bizness, goed passend bij de glam metal van die dagen. In het langzame Shadow of the Night klinken neoklassieke invloeden in Schenkers spel, wat ik niet eerder in diens carrière zo sterk hoorde. Doet hij goed.
Ook op kant 2 vooral radiovriendelijke hardrock. Producer Frank Filipetti voorzag het vrolijke refrein van What We Need van een volle koortjesmix, die meteen in het intro opduikt. Meer meezingbaarheid in I Am the Radio, dat niet alleen de radio bezingt maar ook daarvoor gemaakt lijkt. Ook in Europa was in die jaren op enkele radiostations op de late avond een hardrock- en metalshow geprogrammeerd, ik voel aangename nostalgie bij de tekst.
Het semi-instrumentale There Has to Be Another Way duurt ruim 100 seconden en ademt Schenkers stijl van voorheen of zelfs die van de Scorpions. This Is My Heart is me te kazig, waarna vinylafsluiter Destiny sneller en steviger is met een hart-onder-de-riem-tekst.
Cd-bonus Take Me Back is midtempo en wederom moet ik aan Schenkers oude bandje Scorpions denken.
Er was inderdaad Amerikaans succes voor het album: in maart 1990 #92 in de Billboard 200 en single Anytime haalde er in maart #69. Qua succes vergelijkbaar met de voorganger, die ook Billboards top album top 90 haalde. In Europa liep uiteraard Duitsland voorop qua verkoopcijfers.
Robin McAuley heeft een aangename, rauwe stem; weliswaar niet met het bereik van een Ronnie James Dio of Rob Halford, maar betrouwbaar en lenig genoeg. Compositorisch vind ik het echter aanmerkelijk minder spannend dan bij de voorganger, omdat er wel heel erg op veilig wordt gemikt. Echo's van UFO kom ik dan ook niet tegen - of het moeten de opener en de immer prima solo's van de Duitser zijn. Een wat zouteloze 6 als schoolcijfer is het gevolg.
Wat betreft composities wilde het echter op die eerdere albums nogal eens avontuurlijker zijn.
McAuley Schenker was vervolgens gericht op de Amerikaanse rockmarkt van de tweede helft van de jaren '80, waarmee het zich aan bepaalde regels diende te houden. Effect is dat menig nummer toegankelijker werd voor het grote publiek. Desondanks bevond ik eerder deze week het debuut Perfect Timing avontuurlijker dan indertijd gedacht.
De hoes van Save Yourself lijkt wel het vervolg op die van Built to Destroy uit 1983. Daar begon Schenker, gewapend met zijn Flying-V, met het slopen van een auto en getuige de tekening op Save Yourself is dat meer dan gelukt.
De bezetting veranderde nauwelijks. Bassist Rocky Newton en drummer Bodo Schopf bleven, gitarist Steve Mann verving Mitch Perry en mag net als zijn voorganger een enkele solo spelen. Wel is Perry wel te horen op slaggitaar en toetsen.
Een stormachtige start met Save Yourself, conservatiever is Bad Boys en nog minder spannend is ballade Anytime. Daarna rockt het radiovriendelijk met Get Down to Bizness, goed passend bij de glam metal van die dagen. In het langzame Shadow of the Night klinken neoklassieke invloeden in Schenkers spel, wat ik niet eerder in diens carrière zo sterk hoorde. Doet hij goed.
Ook op kant 2 vooral radiovriendelijke hardrock. Producer Frank Filipetti voorzag het vrolijke refrein van What We Need van een volle koortjesmix, die meteen in het intro opduikt. Meer meezingbaarheid in I Am the Radio, dat niet alleen de radio bezingt maar ook daarvoor gemaakt lijkt. Ook in Europa was in die jaren op enkele radiostations op de late avond een hardrock- en metalshow geprogrammeerd, ik voel aangename nostalgie bij de tekst.
Het semi-instrumentale There Has to Be Another Way duurt ruim 100 seconden en ademt Schenkers stijl van voorheen of zelfs die van de Scorpions. This Is My Heart is me te kazig, waarna vinylafsluiter Destiny sneller en steviger is met een hart-onder-de-riem-tekst.
Cd-bonus Take Me Back is midtempo en wederom moet ik aan Schenkers oude bandje Scorpions denken.
Er was inderdaad Amerikaans succes voor het album: in maart 1990 #92 in de Billboard 200 en single Anytime haalde er in maart #69. Qua succes vergelijkbaar met de voorganger, die ook Billboards top album top 90 haalde. In Europa liep uiteraard Duitsland voorop qua verkoopcijfers.
Robin McAuley heeft een aangename, rauwe stem; weliswaar niet met het bereik van een Ronnie James Dio of Rob Halford, maar betrouwbaar en lenig genoeg. Compositorisch vind ik het echter aanmerkelijk minder spannend dan bij de voorganger, omdat er wel heel erg op veilig wordt gemikt. Echo's van UFO kom ik dan ook niet tegen - of het moeten de opener en de immer prima solo's van de Duitser zijn. Een wat zouteloze 6 als schoolcijfer is het gevolg.
Metallica - ...And Justice for All (1988)

4,5
2
geplaatst: 16 februari 2025, 20:52 uur
...And Justice for All. De laatste Metallica die me écht wat deed. De eerste zonder de betreurde Cliff Burton, met het opmerkelijke verhaal van de baspartijen van Jason Newsted die zo goed als geheel zijn weggemixt. Man van de mix Steve Thompson legde bij Loudwire uit waarom. Op YouTube kun je versies vinden waarbij ze Newsteds partijen hebben gerepareerd. Ik vind ze beter klinken dan de officiële dubbelaar.
Wie goed luistert, kan hier en daar horen dat het vel van de snaredrum halverwege een track is vervangen, zo las ik ooit in een interview met drummer Lars Ulrich. Dit omdat het vel het tijdens lange tracks begaf onder zijn geweld. Zou best kunnen, al hoor ik het niet.
De dubbelaar was een favoriet bij radioprogramma Vara's Vuurwerk, gepresenteerd door droogkloot Henk Westbroek. Een album dat ik daarom met dat programma associeer.
Het songmateriaal is sterk en gevarieerd, zo blijkt al snel als na het snelle Blackened het gitaargetokkel van het titelnummer komt. One was de eerste videoclip van de groep die voorheen anti-videoclip was en het bleek een aangrijpende.
De plaat duurt lang, wat zich wreekt op kant 3 met The Frayed Ends of Sanity. Dat is niet slecht, maar ik hield/houd de aandacht er niet meer goed bij. Het akoestische getokkel waarmee kant 4 begint bij To Live Is to Die is dan weer fraai, maar ook dit nummer houdt mijn aandacht niet vast, ondanks de fraaie twingitaren in het tweede deel. Gelukkig laat Dyers Eve de plaat snel eindigen.
Een 9 als schoolcijfer, ondanks mijn gemengde gevoelens: goede composities - zij het twee teveel van het goede - en dat vermaledijde besluit om de bas slechts licht hoorbaar te laten. Hierna kwam het titelloze zwarte album, waarmee de groep doorstootte naar de internationale Champion's League van rock en metal. Ik gunde het ze, maar veel liever de eerste vier...
Wie goed luistert, kan hier en daar horen dat het vel van de snaredrum halverwege een track is vervangen, zo las ik ooit in een interview met drummer Lars Ulrich. Dit omdat het vel het tijdens lange tracks begaf onder zijn geweld. Zou best kunnen, al hoor ik het niet.
De dubbelaar was een favoriet bij radioprogramma Vara's Vuurwerk, gepresenteerd door droogkloot Henk Westbroek. Een album dat ik daarom met dat programma associeer.
Het songmateriaal is sterk en gevarieerd, zo blijkt al snel als na het snelle Blackened het gitaargetokkel van het titelnummer komt. One was de eerste videoclip van de groep die voorheen anti-videoclip was en het bleek een aangrijpende.
De plaat duurt lang, wat zich wreekt op kant 3 met The Frayed Ends of Sanity. Dat is niet slecht, maar ik hield/houd de aandacht er niet meer goed bij. Het akoestische getokkel waarmee kant 4 begint bij To Live Is to Die is dan weer fraai, maar ook dit nummer houdt mijn aandacht niet vast, ondanks de fraaie twingitaren in het tweede deel. Gelukkig laat Dyers Eve de plaat snel eindigen.
Een 9 als schoolcijfer, ondanks mijn gemengde gevoelens: goede composities - zij het twee teveel van het goede - en dat vermaledijde besluit om de bas slechts licht hoorbaar te laten. Hierna kwam het titelloze zwarte album, waarmee de groep doorstootte naar de internationale Champion's League van rock en metal. Ik gunde het ze, maar veel liever de eerste vier...
Metallica - 72 Seasons (2023)

2,5
3
geplaatst: 16 april 2023, 18:56 uur
Hoe moet de lezer mijn mening bij de nieuwe Metallica inschatten? Wel, ik haakte af in 1991 bij hun black album. Mijn undergroundbandje was die status definitief ontgroeid, waarop hetzelfde gebeurde als eerder met Scorpions, waar “ieder schoolmeisje" plotseling mee wegliep. Het was me te veel muziek voor de massa. Met de albums daarna werd het alleen maar gaapverwekkender en op St. Anger werkte een nieuwe dosis energie averechts.
In 2008 werd met Death Magnetic teruggekeerd naar de wortels en kreeg ik weer hoop, maar het album én de nummers duurden me veel te lang… Als een reeks willekeurig aan elkaar geplakte riffs. Hetzelfde had ik in 2016 in iets mindere mate met Hardwired, al hoor ik deze twee albums veel liever dan hetgeen in de jaren 1991 – 2003 door hen werd uitgebracht.
Eerst de hoes van 72 Seasons eens goed bekeken. De laatste jaren laat Metallica soms de bandnaam op een album achterwege, maar dit is de eerste keer dat het gebeurt bij een plaat met regulier nieuw materiaal. Op de hoes zien we hoe de Metallicabliksem een kinderkamer heeft geraakt en alles zwartgeblakerd. De titel verwijst naar de invloed van de eerste achttien jaren van een mensenleven op het volwassen leven. In de teksten vinden we deze psychologische invalshoek, een uiting van frontman James Hetfield las ik ergens.
Dan de muziek. Met 72 Seasons en bijna net zoveel minuten vergaat het mij zoals sinds 2008 het geval is. Het titelnummer en Shadows Follow hakken lekker, al mis ik iets. Het ware vuur? Of ben ik simpelweg verwend en verzadigd? Ik weet het niet.
Daarna wordt het saai. Composities die me niet pakken, zoals in (hier stonden allerlei voorbeelden van ‘lange nummers zonder verrassing’ of ‘een lekker intro maar dan’, of ‘diverse tempowisselingen maar pakt me niet’, of ‘eenvormige zang die me niet raakt’).
Graag volgende keer één énkel album op elpeelengte, dus zo’n 40 minuten. Heel streng zijn voor jezelf en alleen het allerbeste in de groef zetten. Daarbij meer variatie inbouwen, de bestaande ideeën zijn te eenvormig.
Tips: meer melodieën in de gitaarlijnen, als die klinken ben ik namelijk wél bij de les. Zoals de gitaartwins in Inamorata vanaf 6’40”. En niet steeds op dezelfde wijze in dezelfde emotie zingen. Wees creatief en verras me.
Afgelopen donderdag zag ik het Gentse Ramkot in Utrecht, ze staan 29 april bij Metallica in de ArenA. Vond ik veel spannender. Gaat hén zien!
In 2008 werd met Death Magnetic teruggekeerd naar de wortels en kreeg ik weer hoop, maar het album én de nummers duurden me veel te lang… Als een reeks willekeurig aan elkaar geplakte riffs. Hetzelfde had ik in 2016 in iets mindere mate met Hardwired, al hoor ik deze twee albums veel liever dan hetgeen in de jaren 1991 – 2003 door hen werd uitgebracht.
Eerst de hoes van 72 Seasons eens goed bekeken. De laatste jaren laat Metallica soms de bandnaam op een album achterwege, maar dit is de eerste keer dat het gebeurt bij een plaat met regulier nieuw materiaal. Op de hoes zien we hoe de Metallicabliksem een kinderkamer heeft geraakt en alles zwartgeblakerd. De titel verwijst naar de invloed van de eerste achttien jaren van een mensenleven op het volwassen leven. In de teksten vinden we deze psychologische invalshoek, een uiting van frontman James Hetfield las ik ergens.
Dan de muziek. Met 72 Seasons en bijna net zoveel minuten vergaat het mij zoals sinds 2008 het geval is. Het titelnummer en Shadows Follow hakken lekker, al mis ik iets. Het ware vuur? Of ben ik simpelweg verwend en verzadigd? Ik weet het niet.
Daarna wordt het saai. Composities die me niet pakken, zoals in (hier stonden allerlei voorbeelden van ‘lange nummers zonder verrassing’ of ‘een lekker intro maar dan’, of ‘diverse tempowisselingen maar pakt me niet’, of ‘eenvormige zang die me niet raakt’).
Graag volgende keer één énkel album op elpeelengte, dus zo’n 40 minuten. Heel streng zijn voor jezelf en alleen het allerbeste in de groef zetten. Daarbij meer variatie inbouwen, de bestaande ideeën zijn te eenvormig.
Tips: meer melodieën in de gitaarlijnen, als die klinken ben ik namelijk wél bij de les. Zoals de gitaartwins in Inamorata vanaf 6’40”. En niet steeds op dezelfde wijze in dezelfde emotie zingen. Wees creatief en verras me.
Afgelopen donderdag zag ik het Gentse Ramkot in Utrecht, ze staan 29 april bij Metallica in de ArenA. Vond ik veel spannender. Gaat hén zien!
Metallica - Kill 'em All (1983)

4,0
6
geplaatst: 16 februari 2024, 17:00 uur
Metallica voor het eerst op de Nederlandse radio, een jaar vóór het debuut zelfs? Je vindt het hier, de uitzending van Stampij op 1 september 1982. De demoversie van Metal Militia, gewoon bij de KRO.
Beluister deze en andere afleveringen en je begrijpt waarom ik Metallica een logisch vervolg vond op de New wave of British heavy metal, die steeds sneller werd. Maar dit Amerikaanse antwoord was de overtreffende trap. Met knallende gitaarsolo's, de nodige tempowisselingen en bovendien was debuut Kill 'em All goed geproduceerd. Luister naar tijdgenoten als Jaguar en Raven en je weet dat dat geen vanzelfsprekendheid was.
Het enige wat ik minder vond was de zang van James Hetfield: ik zwoor bij de stem van met name Ronnie James Dio en dit was wat simplistisch. Maar het wende spoedig. Bovendien zou zang in Diostijl niet goed passen bij dit snelle werk. Noemden we dit toen al thrash- of speedmetal? Of was het nog gewoon heavy metal?
Eind vorig jaar verscheen de Recensiebijbel van Oor, waarin ook een recensie van dit album. Het werd toentertijd aanbevolen voor metal- én punkfans. En inderdaad, de rauwe energie van punk herkende ik hier, zoals de eerste twee van Iron Maiden dat ook hadden. En bij Metallica dus de overtreffende trap. Tomeloze metal samengebald in goede arrangementen en productie. Zo bracht het drumintro van het korte Motorbreath (3’03”, deed Metallica dat nu nog maar weer eens!) me terug naar Maidens Another Life, maar dan sneller. Fantastisch!
Mijn favorieten zijn niet verrassend: de felle opener Hit the Lights en dan vooral het intro, het lange en sterk opgebouwde The Four Horsemen (pas veel later ontdekte ik dat het ging over het bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 6 om precies te zijn), en de meedogenloze beukers Whiplash en Metal Militia.
Het was zó jammer dat Stampij diezelfde septembermaand al stopte... Dit had ik veel meer op de radio willen horen. Gelukkig waren daar bij de BBC de Friday Rock Show, WRTL's Wango Tango (al richtte dat zich meer op hardrock), de KRO deed ter compensatie een blokje metal op de woensdagmiddag rond half vier en op diezelfde dag en rond datzelfde tijdstip was er bij de Vlaamse radio een metalshow.
Dat de opvolger nog beter zou worden, hoopten we bij voorbaat. Het waren opwindende tijden in metalland, een genre volop in beweging. Kon het nog sneller dan dit? Waarschijnlijk wel, maar wie zouden dat doen en hoe zou dat klinken?
Thema’s die ik vaak op school besprak met andere metalfans. Als ik naar deze afleveringen van Stampij luister, voel ik meteen hoe opwindend dit alles was. Of zoals Hanneke Kappen in haar radioshow zei: Dit was Metal Militia van Metallica. En die naam hoor je vast nog wel vaker.”
Beluister deze en andere afleveringen en je begrijpt waarom ik Metallica een logisch vervolg vond op de New wave of British heavy metal, die steeds sneller werd. Maar dit Amerikaanse antwoord was de overtreffende trap. Met knallende gitaarsolo's, de nodige tempowisselingen en bovendien was debuut Kill 'em All goed geproduceerd. Luister naar tijdgenoten als Jaguar en Raven en je weet dat dat geen vanzelfsprekendheid was.
Het enige wat ik minder vond was de zang van James Hetfield: ik zwoor bij de stem van met name Ronnie James Dio en dit was wat simplistisch. Maar het wende spoedig. Bovendien zou zang in Diostijl niet goed passen bij dit snelle werk. Noemden we dit toen al thrash- of speedmetal? Of was het nog gewoon heavy metal?
Eind vorig jaar verscheen de Recensiebijbel van Oor, waarin ook een recensie van dit album. Het werd toentertijd aanbevolen voor metal- én punkfans. En inderdaad, de rauwe energie van punk herkende ik hier, zoals de eerste twee van Iron Maiden dat ook hadden. En bij Metallica dus de overtreffende trap. Tomeloze metal samengebald in goede arrangementen en productie. Zo bracht het drumintro van het korte Motorbreath (3’03”, deed Metallica dat nu nog maar weer eens!) me terug naar Maidens Another Life, maar dan sneller. Fantastisch!
Mijn favorieten zijn niet verrassend: de felle opener Hit the Lights en dan vooral het intro, het lange en sterk opgebouwde The Four Horsemen (pas veel later ontdekte ik dat het ging over het bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 6 om precies te zijn), en de meedogenloze beukers Whiplash en Metal Militia.
Het was zó jammer dat Stampij diezelfde septembermaand al stopte... Dit had ik veel meer op de radio willen horen. Gelukkig waren daar bij de BBC de Friday Rock Show, WRTL's Wango Tango (al richtte dat zich meer op hardrock), de KRO deed ter compensatie een blokje metal op de woensdagmiddag rond half vier en op diezelfde dag en rond datzelfde tijdstip was er bij de Vlaamse radio een metalshow.
Dat de opvolger nog beter zou worden, hoopten we bij voorbaat. Het waren opwindende tijden in metalland, een genre volop in beweging. Kon het nog sneller dan dit? Waarschijnlijk wel, maar wie zouden dat doen en hoe zou dat klinken?
Thema’s die ik vaak op school besprak met andere metalfans. Als ik naar deze afleveringen van Stampij luister, voel ik meteen hoe opwindend dit alles was. Of zoals Hanneke Kappen in haar radioshow zei: Dit was Metal Militia van Metallica. En die naam hoor je vast nog wel vaker.”
Metallica - Master of Puppets (1986)

5,0
2
geplaatst: 3 september 2024, 08:13 uur
In 1986 waren pers én fans het eens: Metallica had zich definitief ontwikkeld tot een ijzersterke groep met riffs, arrangementen en zelfs zang die pakkend waren. Ook toen al hadden "we" in de gaten dat Master of Puppets een instant-klassieker was.
Sommigen klagen over de productie, ik herhaal het maar weer eens: in diezelfde tijd is menig nieuwverschenen metalalbum te vinden waarop de boel bepaald niet in balans was. Sterker nog, als ik het naar het nu doortrek: veel liever dit geluid dan de overproductie die ik tegenwoordig te vaak hoor.
Terugblikkend zou je ook kunnen constateren dat dit album een brug is tussen enerzijds protometal van de jaren '70 en New wave of British heavy metal van begin jaren '80 en anderzijds de staccato-strak riffende aanpak die daarna in metal gemeengoed werd. Zelfs bij namen van vóór thrash- en speedmetal. Zonder alle stijl- en tijdgenoten te willen kleineren: Metallica was de koploper en invloedrijker dan de collega's.
konijnmuziek schreef:
Een mooie, respectvolle benadering van iemand wiens smaak dit niet is, maar dat helder verwoordt zonder te suggereren dat hij boven de liefhebbers staat. Dat zie ik weleens anders op deze site. Bovendien typeert hij de muziek zodanig dat zowel liefhebber als leek kunnen begrijpen wat hij bedoelt.
Dat strakke/klinische spreekt mij dus wel aan, nog altijd, en als ik 'm draai valt altijd weer op hoe goed en geïnspireerd Master of Puppets in elkaar zit. Met bovendien teksten die ergens over gaan.
In 1986 was metal volop in beweging, er was véél om te volgen. Hoe zou het Metallica zijn vergaan als bassist Cliff Burton niet noodlottig om het leven was gekomen? We zullen het antwoord nooit weten, maar zijn laatste album met de groep was grensverleggend, sterk uitgevoerd en invloedrijk.
Sommigen klagen over de productie, ik herhaal het maar weer eens: in diezelfde tijd is menig nieuwverschenen metalalbum te vinden waarop de boel bepaald niet in balans was. Sterker nog, als ik het naar het nu doortrek: veel liever dit geluid dan de overproductie die ik tegenwoordig te vaak hoor.
Terugblikkend zou je ook kunnen constateren dat dit album een brug is tussen enerzijds protometal van de jaren '70 en New wave of British heavy metal van begin jaren '80 en anderzijds de staccato-strak riffende aanpak die daarna in metal gemeengoed werd. Zelfs bij namen van vóór thrash- en speedmetal. Zonder alle stijl- en tijdgenoten te willen kleineren: Metallica was de koploper en invloedrijker dan de collega's.
konijnmuziek schreef:
Wat me opvalt, is hoe strak dit album gespeeld is. Misschien zelfs te strak, waardoor het bijna klinisch aanvoelt. Dat zal bij metal horen, neem ik aan. De zware, krachtige stem en de scheurende gitaren doen me echter weinig en beginnen me al snel te irriteren. Ik merk dat ik al gauw hunker naar wat subtielere muziek, waarin ook wat minder strak/klinisch gespeeld wordt.
Een mooie, respectvolle benadering van iemand wiens smaak dit niet is, maar dat helder verwoordt zonder te suggereren dat hij boven de liefhebbers staat. Dat zie ik weleens anders op deze site. Bovendien typeert hij de muziek zodanig dat zowel liefhebber als leek kunnen begrijpen wat hij bedoelt.
Dat strakke/klinische spreekt mij dus wel aan, nog altijd, en als ik 'm draai valt altijd weer op hoe goed en geïnspireerd Master of Puppets in elkaar zit. Met bovendien teksten die ergens over gaan.
In 1986 was metal volop in beweging, er was véél om te volgen. Hoe zou het Metallica zijn vergaan als bassist Cliff Burton niet noodlottig om het leven was gekomen? We zullen het antwoord nooit weten, maar zijn laatste album met de groep was grensverleggend, sterk uitgevoerd en invloedrijk.
Metallica - Ride the Lightning (1984)

4,5
2
geplaatst: 15 augustus 2024, 20:31 uur
Ik hou ervan om de achtergronden van albums uit te zoeken - maar hier? Alles is al eens gezegd en genoteerd, met hierboven een leuke discussie over het drumspel van Lars Ulrich.
In 1984 werd Metallica met Ride the Lightning voor mij dé koploper in metal, dankzij gecompliceerdere composities dan op het toch al sterke debuut. Daarin veel tempowisselingen plus messcherpe riffs.
Wat hielp was de knallende productie van Flemming Rasmussen, in die dagen voor heftiger metal eerder uitzondering dan regel. De zang van James Hetfield was stukken beter dan op Kill 'em All en niet veel later vroeg ik me af waar ik eigenlijk aan had moeten wennen.
Wat ook bij mijn herinneringen hoort: de terechte steun van Aardschok, spannende tijd was dit toch! De New wave of British heavy metal was voorbij gestreefd, oordeelde deze grote fan van vooral Saxon en Maiden.
Anno Domini 204 zijn de grootste favorieten dan ook niet verrassend: Fight Fire with Fire (alleen het intro al blijft zó lekkerrr), For Whom the Bells Toll, Fade to Black, Creeping Death en (het toen verrassende instrumentale) The Call of Ktulu met z'n Iommi-drietoon.
Mijlpaal. Klassieker. Maar ook daarmee vertel ik niets nieuws.
In 1984 werd Metallica met Ride the Lightning voor mij dé koploper in metal, dankzij gecompliceerdere composities dan op het toch al sterke debuut. Daarin veel tempowisselingen plus messcherpe riffs.
Wat hielp was de knallende productie van Flemming Rasmussen, in die dagen voor heftiger metal eerder uitzondering dan regel. De zang van James Hetfield was stukken beter dan op Kill 'em All en niet veel later vroeg ik me af waar ik eigenlijk aan had moeten wennen.
Wat ook bij mijn herinneringen hoort: de terechte steun van Aardschok, spannende tijd was dit toch! De New wave of British heavy metal was voorbij gestreefd, oordeelde deze grote fan van vooral Saxon en Maiden.
Anno Domini 204 zijn de grootste favorieten dan ook niet verrassend: Fight Fire with Fire (alleen het intro al blijft zó lekkerrr), For Whom the Bells Toll, Fade to Black, Creeping Death en (het toen verrassende instrumentale) The Call of Ktulu met z'n Iommi-drietoon.
Mijlpaal. Klassieker. Maar ook daarmee vertel ik niets nieuws.
Metalmania (1980)
Alternatieve titel: Metal Mania

4,5
2
geplaatst: 27 december 2025, 12:48 uur
Heb laatst deze elpee gekocht op glanzend zwart vinyl, bijna drie jaar nadat ik erover schreef. Een uitgave van EMI/Harvest.
Wat valt op? Onder meer de binnenhoes met interessante bio's, want hoe keek men in 1980 tegen deze namen aan en de albums/singles waarvan de nummers werden gehaald? Een tijdcapsule, die indertijd niet meer bij mijn leenexemplaar uit de fonotheek zat.
Ik leer bijvoorbeeld dat de ster van Whitesnake rijzende was (voor het eerst een top 10 notering dankzij Ready an' Willing), Speed King van Deep Purple blijkt afkomstig van een BBC-liveopname en een lang epistel over Scorpions vertelt dat ze in 1975 door België en Duitsland tourden als voorprogramma van Sweet (o ja?) en dat ze met nieuwe album Animal Magnetism in 1981 door de VS en Europa de weg op zullen gaan.
Opvallendste muzikale zaken: Criminal Tendencies van Wild Horses met in de groep Neil Carter, later bij UFO en tegenwoordig Mogg's Motel, is een lekker aor-nummer; Atomic Rooster klinkt op hun comeback via Do You Know Who's Looking for You? als het prettig gestoorde neefje van Purple met dat orgel en de malle zang; de singlemix van Iron Maidens Sanctuary is net effe anders dan die ik in mijn brein heb opgeslagen - maar net zo smakelijk met DiAnno's stem in een wolkje echo.
De nummers van Sammy Hagar, April Wine en Riot zijn daarbij té lekker om ongenoemd te laten. 'Smullen' is hierbij de ouderwetse term voor ouderwets knallende hardrock!
Alle twaalf goed, mijn waardering groeit naar een 9.
Wat valt op? Onder meer de binnenhoes met interessante bio's, want hoe keek men in 1980 tegen deze namen aan en de albums/singles waarvan de nummers werden gehaald? Een tijdcapsule, die indertijd niet meer bij mijn leenexemplaar uit de fonotheek zat.
Ik leer bijvoorbeeld dat de ster van Whitesnake rijzende was (voor het eerst een top 10 notering dankzij Ready an' Willing), Speed King van Deep Purple blijkt afkomstig van een BBC-liveopname en een lang epistel over Scorpions vertelt dat ze in 1975 door België en Duitsland tourden als voorprogramma van Sweet (o ja?) en dat ze met nieuwe album Animal Magnetism in 1981 door de VS en Europa de weg op zullen gaan.
Opvallendste muzikale zaken: Criminal Tendencies van Wild Horses met in de groep Neil Carter, later bij UFO en tegenwoordig Mogg's Motel, is een lekker aor-nummer; Atomic Rooster klinkt op hun comeback via Do You Know Who's Looking for You? als het prettig gestoorde neefje van Purple met dat orgel en de malle zang; de singlemix van Iron Maidens Sanctuary is net effe anders dan die ik in mijn brein heb opgeslagen - maar net zo smakelijk met DiAnno's stem in een wolkje echo.
De nummers van Sammy Hagar, April Wine en Riot zijn daarbij té lekker om ongenoemd te laten. 'Smullen' is hierbij de ouderwetse term voor ouderwets knallende hardrock!
Alle twaalf goed, mijn waardering groeit naar een 9.
Mi-Sex - Graffiti Crimes (1979)

3,5
0
geplaatst: 23 oktober 2024, 14:23 uur
Op reis door new wave van 1979 stuitte ik op Mi-Sex, maar het was Dibbel die al twaalf jaar eerder het nodige vertelde: dank! Hij noemt allerlei referenties. Het meest dichtbij komen die van Ultravox en dankzij de toetsen soms The Stranglers. Let wel, het Ultravox en Stranglers van vóór de gepolijste hits Vienna en Golden Brown. Bij Mi-Sex dus de invloed van de steviger beginperiodes van die groepen.
De overgang van mijn vorige halte The Fall naar de Nieuw-Zeeuwers
is groot. Niks bluespostpunk.
Bij Mi-Sex op Graffiti Crimes een melodieuzere en conservatievere aanpak. Couplet-refrein met pakkende melodieën, rock 'n' róóóóll en zelfs flitsende gitaarsolo's.
De groep ontstond in Hamilton als twee namen samenkomen: de theatrale artrock van frontman Steve Gilpin, sinds 1972 solo een bescheiden bekendheid genietend, én twee ex-leden van progrockgroep Father Thyme. In 1977 vormen ze Fragments of Time, later dat jaar hernoemd tot Father Time. Begin 1978 volgt hun eerste demo, waarbij de naam Mi-Sex is geworden. De transformatie is compleet: muziek en uiterlijk van de leden zijn sterk onder de invloed van Engelse new wave gekomen.
Vanaf 1979 wordt Computer Games (hier de videoclip) een internationale hit. In Australië in november #1, in Nieuw Zeeland in december #5, in Nederland in mei 1980 #44 in de Nationale Hitparade en in Oostenrijk #16 in diezelfde maand. In 1980 verschijnt de elpee in onder meer de VS en het VK met deze hoes.
Muzikaal hoor je dat de heren bekwame muzikanten waren met diepere muzikale wortels dan slechts wave. Opener Graffiti Crimes begint met diepe synthesizers van Alan Moon, waarna diens toetsen en de scheurende gitaar van Kevin Stanton om voorrang strijden in een vlot nummer. In Wot Do You Want rock 'n' roll in wavejasje, het melancholieke But You Don't Care is net als de rest van het album uptempo en bevat een heerlijk zingende gitaarsolo. Not Such a Boy heeft iets van de wurgers weg, net als Stills.
Kant 2 opent met hitsingle, niet mijn favoriet. Liever hoor ik Camera Kazi met in de coupletten invloed van Yes (!) en in de brug zit dankzij de klavieren een stukje Once Upon a Time in the West van filmcomponist Ennio Morricone verborgen. Met A Loser volgt een combi van punk en vinnige gitaarwave en in het stampende Inside You gitaar-tegen-toetsenwave op z'n Ultravox!'. Daar houd ik dus van.
Na Citizen Band is Mi-Sex de tweede groep die ik in het kader van new wave tegenkom. Dat doet me er trouwens aan denken dat in juli dit jaar de film Head South verscheen over de punk- en wavescene van Christchurch, Nieuw Zeeland in 1979. Vanaf overmorgen op Pathé Thuis te zien, hoera!
Mijn reis door new wave vervolgt in november 1979. Op naar Engeland en het debuut van The Raincoats.
De overgang van mijn vorige halte The Fall naar de Nieuw-Zeeuwers
is groot. Niks bluespostpunk. Bij Mi-Sex op Graffiti Crimes een melodieuzere en conservatievere aanpak. Couplet-refrein met pakkende melodieën, rock 'n' róóóóll en zelfs flitsende gitaarsolo's.
De groep ontstond in Hamilton als twee namen samenkomen: de theatrale artrock van frontman Steve Gilpin, sinds 1972 solo een bescheiden bekendheid genietend, én twee ex-leden van progrockgroep Father Thyme. In 1977 vormen ze Fragments of Time, later dat jaar hernoemd tot Father Time. Begin 1978 volgt hun eerste demo, waarbij de naam Mi-Sex is geworden. De transformatie is compleet: muziek en uiterlijk van de leden zijn sterk onder de invloed van Engelse new wave gekomen.
Vanaf 1979 wordt Computer Games (hier de videoclip) een internationale hit. In Australië in november #1, in Nieuw Zeeland in december #5, in Nederland in mei 1980 #44 in de Nationale Hitparade en in Oostenrijk #16 in diezelfde maand. In 1980 verschijnt de elpee in onder meer de VS en het VK met deze hoes.
Muzikaal hoor je dat de heren bekwame muzikanten waren met diepere muzikale wortels dan slechts wave. Opener Graffiti Crimes begint met diepe synthesizers van Alan Moon, waarna diens toetsen en de scheurende gitaar van Kevin Stanton om voorrang strijden in een vlot nummer. In Wot Do You Want rock 'n' roll in wavejasje, het melancholieke But You Don't Care is net als de rest van het album uptempo en bevat een heerlijk zingende gitaarsolo. Not Such a Boy heeft iets van de wurgers weg, net als Stills.
Kant 2 opent met hitsingle, niet mijn favoriet. Liever hoor ik Camera Kazi met in de coupletten invloed van Yes (!) en in de brug zit dankzij de klavieren een stukje Once Upon a Time in the West van filmcomponist Ennio Morricone verborgen. Met A Loser volgt een combi van punk en vinnige gitaarwave en in het stampende Inside You gitaar-tegen-toetsenwave op z'n Ultravox!'. Daar houd ik dus van.
Na Citizen Band is Mi-Sex de tweede groep die ik in het kader van new wave tegenkom. Dat doet me er trouwens aan denken dat in juli dit jaar de film Head South verscheen over de punk- en wavescene van Christchurch, Nieuw Zeeland in 1979. Vanaf overmorgen op Pathé Thuis te zien, hoera!
Mijn reis door new wave vervolgt in november 1979. Op naar Engeland en het debuut van The Raincoats.
Mi-Sex - Space Race (1980)

3,5
2
geplaatst: 24 maart 2025, 19:03 uur
Verschenen op 1 juni 1980, deze tweede van het Nieuw-Zeelandse Mi-Sex. Hun debuut van het jaar ervoor was aangenaam en leverde in Nederland zowaar een hitje op. Dat lukte met de opvolger niet, maar in eigen land was er wel succes: People haalde er op diezelfde datum #3 en opvolger Space Race haalde in juli nog eens twee weken #19.
Wat klinkt is vriendelijke, dansbare en melodieuze wave. Het is meestal vlot met beschaafd scheurende gitaar en toetsen, vergelijkbaar met bijvoorbeeld A Flock Of Seagulls. People gaat over "genetic engineering" oftewel het sleutelen aan de menselijke dna. Opvallend aan het titelnummer is het aparte drumwerk van Richard Hodgkinson, die zijn snaredrum creatief laat stuiteren.
Andere favorieten zijn Ghosts dat voorzien is van een lekkere sequencer, passend bij wederom een lekker uptempo nummer en Living in September, waar het toetsenwerk weg heeft van hetgeen Dave Greenfield bij The Stranglers deed inclusief een nogal vervreemdende solo.
Al met al een lekker album dat in juni '80 maar liefst vier weken #1 stond in de Nieuw-Zeelandse albumlijst. Niet spectaculair en tegelijkertijd steeds aangenaam. Derhalve een vrolijke 7,5 als schoolcijfer.
Mijn reis door new wave kwam het Amerikaanse Devo en hun Freedom of Choice en vervolgt bij de Engelse The Soft Boys.
Wat klinkt is vriendelijke, dansbare en melodieuze wave. Het is meestal vlot met beschaafd scheurende gitaar en toetsen, vergelijkbaar met bijvoorbeeld A Flock Of Seagulls. People gaat over "genetic engineering" oftewel het sleutelen aan de menselijke dna. Opvallend aan het titelnummer is het aparte drumwerk van Richard Hodgkinson, die zijn snaredrum creatief laat stuiteren.
Andere favorieten zijn Ghosts dat voorzien is van een lekkere sequencer, passend bij wederom een lekker uptempo nummer en Living in September, waar het toetsenwerk weg heeft van hetgeen Dave Greenfield bij The Stranglers deed inclusief een nogal vervreemdende solo.
Al met al een lekker album dat in juni '80 maar liefst vier weken #1 stond in de Nieuw-Zeelandse albumlijst. Niet spectaculair en tegelijkertijd steeds aangenaam. Derhalve een vrolijke 7,5 als schoolcijfer.
Mijn reis door new wave kwam het Amerikaanse Devo en hun Freedom of Choice en vervolgt bij de Engelse The Soft Boys.
Mike Ness - Cheating at Solitaire (1999)

2,5
0
geplaatst: 22 februari 2022, 22:36 uur
Hoe en waar ik dit album tegenkwam weet ik niet meer, langer dan drie maanden geleden was het niet. Hij belandde op de lijst 'Ooit Eens Beluisteren' en dat werd de afgelopen dagen realiteit.
De cd stamt uit 1999, de hoogtijdagen van de compact disc. De lengte van dit album valt met zijn ruim 59 minuten mee.
Mike Ness is van punkband Social Distortion las ik, een band mij onbekend. Hij heeft een stem die prima geschikt is voor de geboden kruisbestuiving tussen country en punk, wat leidt tot scheurende countryrock.
De band speelt gevarieerd: in de stevige elektrische songs wordt regelmatig een saxofoon, slide- en/of steelgitaar opgetuigd, in de schaarse akoestische delen duikt bovendien incidenteel een mandoline op.
Ness nam daarbij enkele covers van klassiekertjes op én heeft niemand minder dan Bruce Springsteen en Brian Setzer weten te strikken op respectievelijk track 3 en 4.
Desondanks werd het een lange zit, ook bij herhaald draaien. Dit meestal al vanaf track 4, als er nog elf zijn te gaan. Er slaat namelijk een eentonigheid toe, veroorzaakt door Ness' stem. Die stem is enerzijds prettig maar anderzijds eentonig, waardoor de melodieën onvoldoende tot leven komen.
De titelsong is een onvervalste rockballad en legt een tweede nadeel bloot: liedjes die te lang duren. Nergens is een liedje slecht, wél regelmatig twee minuten te lang, zeker als je een mooie zangstem hebt die je vervolgens veel te weinig uitbuit.
Het principe van 'Kill your darlings' had strenger mogen worden gehanteerd en zo kom ik op 2,5 ster. Hardekernliefhebbers van scheurende countryrock vinden hier mogelijk het begin van een mooie playlist, terwijl ik plotseling besef hoe goed het is bij Jason & The Scorchers...
De cd stamt uit 1999, de hoogtijdagen van de compact disc. De lengte van dit album valt met zijn ruim 59 minuten mee.
Mike Ness is van punkband Social Distortion las ik, een band mij onbekend. Hij heeft een stem die prima geschikt is voor de geboden kruisbestuiving tussen country en punk, wat leidt tot scheurende countryrock.
De band speelt gevarieerd: in de stevige elektrische songs wordt regelmatig een saxofoon, slide- en/of steelgitaar opgetuigd, in de schaarse akoestische delen duikt bovendien incidenteel een mandoline op.
Ness nam daarbij enkele covers van klassiekertjes op én heeft niemand minder dan Bruce Springsteen en Brian Setzer weten te strikken op respectievelijk track 3 en 4.
Desondanks werd het een lange zit, ook bij herhaald draaien. Dit meestal al vanaf track 4, als er nog elf zijn te gaan. Er slaat namelijk een eentonigheid toe, veroorzaakt door Ness' stem. Die stem is enerzijds prettig maar anderzijds eentonig, waardoor de melodieën onvoldoende tot leven komen.
De titelsong is een onvervalste rockballad en legt een tweede nadeel bloot: liedjes die te lang duren. Nergens is een liedje slecht, wél regelmatig twee minuten te lang, zeker als je een mooie zangstem hebt die je vervolgens veel te weinig uitbuit.
Het principe van 'Kill your darlings' had strenger mogen worden gehanteerd en zo kom ik op 2,5 ster. Hardekernliefhebbers van scheurende countryrock vinden hier mogelijk het begin van een mooie playlist, terwijl ik plotseling besef hoe goed het is bij Jason & The Scorchers...
Milk 'n' Cookies - Milk 'n' Cookies (1975)

3,5
0
geplaatst: 29 februari 2024, 19:37 uur
Na Radio City van Big Star vervolg ik mijn reis door de albums achter mijn afspeellijst met proto-new wave. We komen een jaar verder. In 1975 kende Londen een stijgende populariteit van pubrock met korte, puntige liedjes. In de Verenigde Staten waren er eveneens bandjes die dat voor ogen hadden.
Milk 'n' Cookies bijvoorbeeld, afkomstig van Long Island, New York. De band ging na één geflopt album roemloos ten onder, om in 2005 weer bij elkaar te komen. Een stijgende erkenning van hun pionierswaarde ontstond, in 2016 leidend tot een special edition van hun plaat als 3lp en 2cd met de hoes die je op streaming tegenkomt, waarop een cheerleader pontificaal in het midden staat. MuMe toont terecht de oorspronkelijke hoes. De groep had hetzelfde management als artrockers Sparks.
Het gros van de elf liedjes op hun enige plaat duurt twee-minuut-zoveel. Ze zijn melodieus met meestal scheurende gitaartjes en de opzettelijk kinderachtige zang van Justin Strauss. Die zingt zo vreemd, dat ik eerst dacht naar een zangeres te luisteren. Muziek op de grens van powerpop en punk in een eigenwijs jasje. Het levert lekkere liedjes op met één nadeel: met deze zangstijl komen de melodieën niet lekker uit de verf.
Sterker nog, hoe lekker ook dat ene nummer in mijn afspeellijst was - ik heb het over Six Guns - een hele plaat duurt me te lang. En dat terwijl de groep heerlijk musiceert met bovendien pakkende koortjes.
Qua teksten komt regelmatig tienerproblematiek voorbij, waarbij het onderwerp van Not Enough Girls (in the World) met dat naïeve stemmetje vervreemdend werkt.
Wat ook opvalt is de heldere en transparante productie. Milk 'n' Cookies was een vreemde eend in de bijt van club CBGB, waar ook Blondie en Ramones de eerste furore meemaakten. Juist daarom passend in de cultuur uit de suburbs van New York.
Op de special edition valt op dat er bij de extra's enkele nummers zitten die meteen op de toch al prima plaat hadden gemoeten, wat met name voor Tinkertoy Tomorrow en het stampende Wok 'n' Woll geldt.
Platenmaatschappij Island wist in 1975 niet goed hoe dit onbekende, volstrekt anders klinkende bandje aan de man te brengen. Het doek viel en gitarist/toetsenist Ian North verkreeg een solocontract. Na de doorbraak van punk in het najaar van '76 probeert hij het in Londen. Daar volgt bescheiden succes met het album Neo. Bassist Sal Maida belandt bij Sparks, zanger Justin Strauss wordt dj en producer; drummer Mike Ruiz tenslotte belandt bij Paul Collin's Beat.
Mijn muzikale reis vervolgt in Londen bij Kilburn & the High Roads met in de gelederen Ian Dury.
Milk 'n' Cookies bijvoorbeeld, afkomstig van Long Island, New York. De band ging na één geflopt album roemloos ten onder, om in 2005 weer bij elkaar te komen. Een stijgende erkenning van hun pionierswaarde ontstond, in 2016 leidend tot een special edition van hun plaat als 3lp en 2cd met de hoes die je op streaming tegenkomt, waarop een cheerleader pontificaal in het midden staat. MuMe toont terecht de oorspronkelijke hoes. De groep had hetzelfde management als artrockers Sparks.
Het gros van de elf liedjes op hun enige plaat duurt twee-minuut-zoveel. Ze zijn melodieus met meestal scheurende gitaartjes en de opzettelijk kinderachtige zang van Justin Strauss. Die zingt zo vreemd, dat ik eerst dacht naar een zangeres te luisteren. Muziek op de grens van powerpop en punk in een eigenwijs jasje. Het levert lekkere liedjes op met één nadeel: met deze zangstijl komen de melodieën niet lekker uit de verf.
Sterker nog, hoe lekker ook dat ene nummer in mijn afspeellijst was - ik heb het over Six Guns - een hele plaat duurt me te lang. En dat terwijl de groep heerlijk musiceert met bovendien pakkende koortjes.
Qua teksten komt regelmatig tienerproblematiek voorbij, waarbij het onderwerp van Not Enough Girls (in the World) met dat naïeve stemmetje vervreemdend werkt.
Wat ook opvalt is de heldere en transparante productie. Milk 'n' Cookies was een vreemde eend in de bijt van club CBGB, waar ook Blondie en Ramones de eerste furore meemaakten. Juist daarom passend in de cultuur uit de suburbs van New York.
Op de special edition valt op dat er bij de extra's enkele nummers zitten die meteen op de toch al prima plaat hadden gemoeten, wat met name voor Tinkertoy Tomorrow en het stampende Wok 'n' Woll geldt.
Platenmaatschappij Island wist in 1975 niet goed hoe dit onbekende, volstrekt anders klinkende bandje aan de man te brengen. Het doek viel en gitarist/toetsenist Ian North verkreeg een solocontract. Na de doorbraak van punk in het najaar van '76 probeert hij het in Londen. Daar volgt bescheiden succes met het album Neo. Bassist Sal Maida belandt bij Sparks, zanger Justin Strauss wordt dj en producer; drummer Mike Ruiz tenslotte belandt bij Paul Collin's Beat.
Mijn muzikale reis vervolgt in Londen bij Kilburn & the High Roads met in de gelederen Ian Dury.
Mink DeVille - Cabretta (1977)

4,5
1
geplaatst: 29 april 2024, 20:50 uur
Het was 1977 en wie in New York in zaal CBGB optrad was ofwel punk, ofwel new wave. Met dat laatste stickertje kwam Mink Deville in oktober dat jaar de Nationale Hitparade binnenwaaien middels Spanish Stroll en ik viel onmiddellijk voor het liedje. Nog steeds trouwens, alleen al de beginakkoorden: die blijven zó mooi! Of de brug met het Spaanstalige deel en de akoestische solo aan het einde met die jengelgitaar erbij, práchtig vond ik het. TopPop toonde livebeelden, die niet in de Hilversumse studio waren gemaakt. De single piekte in december in de Nationale Hitparade van de NOS op #4, met Kerst in Vlaanderen #4.
Is dit new wave? Natuurlijk niet, dit is muzikaal zoveel conservatiever dan CBGB-genoten Blondie, Television en noem ze allemaal maar op. Maar als je de term opvat als een stroming van nieuwe namen die met korte nummers muziek maakten buiten de geijkte pop- en rockpaden? Ach ja, voor dit ene album, prima.
TOTP2, het clipprogramma van de BBC met muziek uit het archief, trekt bij de aankondiging van de video een vergelijking met Lou Reed. Ik had het er nooit in gehoord, maar okay. Een extra argument om Spanish Stroll in mijn afspeellijst met new wave te zetten.
Enkele jaren later leende ik de bijbehorende elpee uit de fonotheek. Cabretta heeft inderdaad weinig met new wave van doen. Althans, in mijn oren. Ik hoorde vooral kwaliteitspop, zwoel en romantisch vanaf de eerste tonen, al heeft opener Venus of Avenue D zijn stevige delen.
Maar Little Girl vond ik een pareltje, een ontroerend mooi klein liedje, intens romantisch bovendien. Jammer alleen dat geen meisje mij zag staan...
Niet alles zette ik op cassettebandje, maar bij herbeluistering via streaming herken ik onmiddellijk Mixed up, Shook up Girl, het swingende Gunslinger waar een scheurende gitaar samengaat met blazers en het uptempo en bluesachtige Cadillac Walk. Daarbij constateer ik dat de andere nummers daar zeker niet voor onderdoen; waar ik dit toen een 7 zal hebben gegeven, verbind ik er nu het cijfer 9 aan, oftewel 4,5 ster.
Andere albums van de groep of zanger Willy DeVille staan niet op mijn afspeellijsten met new wave, daarvoor vind ik de stijl echt te afwijkend. Maar nog altijd zet ik hem in het rijtje John Waite en David Coverdale: mannen die romantiek in prachtige liedjes kunnen vertalen, waarvan deze Amerikaan de meest popachtige muziek maakte. Een vriend van me zag hem ooit live; daar had ik wel bij willen zijn...
Op ontdekkingstocht langs de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en soortgenoten, kwam ik van het Britse Dr. Feelgood. Nu drie maanden terug in de tijd, toen in juli Eddie & The Hot Rods succesvol waren in het Verenigd Koninkrijk met hun tweede album.
Is dit new wave? Natuurlijk niet, dit is muzikaal zoveel conservatiever dan CBGB-genoten Blondie, Television en noem ze allemaal maar op. Maar als je de term opvat als een stroming van nieuwe namen die met korte nummers muziek maakten buiten de geijkte pop- en rockpaden? Ach ja, voor dit ene album, prima.
TOTP2, het clipprogramma van de BBC met muziek uit het archief, trekt bij de aankondiging van de video een vergelijking met Lou Reed. Ik had het er nooit in gehoord, maar okay. Een extra argument om Spanish Stroll in mijn afspeellijst met new wave te zetten.
Enkele jaren later leende ik de bijbehorende elpee uit de fonotheek. Cabretta heeft inderdaad weinig met new wave van doen. Althans, in mijn oren. Ik hoorde vooral kwaliteitspop, zwoel en romantisch vanaf de eerste tonen, al heeft opener Venus of Avenue D zijn stevige delen.
Maar Little Girl vond ik een pareltje, een ontroerend mooi klein liedje, intens romantisch bovendien. Jammer alleen dat geen meisje mij zag staan...
Niet alles zette ik op cassettebandje, maar bij herbeluistering via streaming herken ik onmiddellijk Mixed up, Shook up Girl, het swingende Gunslinger waar een scheurende gitaar samengaat met blazers en het uptempo en bluesachtige Cadillac Walk. Daarbij constateer ik dat de andere nummers daar zeker niet voor onderdoen; waar ik dit toen een 7 zal hebben gegeven, verbind ik er nu het cijfer 9 aan, oftewel 4,5 ster.
Andere albums van de groep of zanger Willy DeVille staan niet op mijn afspeellijsten met new wave, daarvoor vind ik de stijl echt te afwijkend. Maar nog altijd zet ik hem in het rijtje John Waite en David Coverdale: mannen die romantiek in prachtige liedjes kunnen vertalen, waarvan deze Amerikaan de meest popachtige muziek maakte. Een vriend van me zag hem ooit live; daar had ik wel bij willen zijn...
Op ontdekkingstocht langs de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en soortgenoten, kwam ik van het Britse Dr. Feelgood. Nu drie maanden terug in de tijd, toen in juli Eddie & The Hot Rods succesvol waren in het Verenigd Koninkrijk met hun tweede album.
Mittagspause - Mittagspause (1979)

3,5
0
geplaatst: 14 november 2024, 21:12 uur
Mijn laatste album in de reis door new wave van 1979. Dat om de albums achter mijn afspeellijsten op streaming te verkennen. Daarop klinkt 'New wave & co'.
De Düsseldorfse zanger Peter Hein werd in 1977 punk en noemde zich aanvankelijk Janie J. Jones, vernoemd naar het openingsnummer van het debuut van The Clash. Met Mittagspause is hij met zijn maatjes - gitaristen Franz 'Monroe' Bielmeier en Thomas Schwebel plus drummer Markus Oehlen - verder geëvolueerd. Nee, geen bassist en daarom speelt Bielmeier veel lage tonen in zijn slagspel.
Verschenen in juni 1979 is het debuut van Mittagspause een unicum in vormgeving. MuMe vermeldt het titelloze debuut als een album, maar eigenlijk was dit een dubbele 7"-single op 45 toeren met meestal drie nummers per plaatkant - alleen kant 4 telt twee nummers. 22 minuten muziek. Wie het origineel wil kopen, is volgens Discogs momenteel zo'n 145 euro kwijt.
Die betaal je niet voor de geluidskwaliteit, die van niveautje demo is. Maar de muziek - grommende gitaar, diverse tempowisselingen, luide zang - is charmant. Duidelijk klinken punkwortels, maar de associatie met het debuut van Joy Division is groter. En tegelijk is dit anders, want strijdbaar en Duitstalig. Pioniers van de Neue Deutsche Welle, die het jaar erop op stoom zou komen.
Het langste nummer sluit de EP af: Ernstfall duurt 3'51" en is een uptempo, gevarieerd nummer, maar ook kortere composities als 3x Nordpol, Innen Stadt Front en Derendorf mogen er zijn. Dit is gewoon een lekker plaatje, eeeh, dubbelsingletje.
De groep bracht in oktober 1979 nog de single Herrenreiter uit, waarna Mittagspause in 1980 ophield te bestaan. Schwebel en Hein zijn dan al de groep Fehlfarben gestart, die een groter publiek zou bereiken.
Vanaf 1992 groeide het besef dat Mittagspause een bijzondere groep was, mede dankzij de cd-met demo's Herrenreiter.
In 2001 verscheen de docu-roman Verschwende Deine Jugend van Jürgen Teipel, het jaar erop vergezeld door een gelijknamige 2cd. Hierop is Mittagspause vertegenwoordigd met twee nummers. In 2012 verscheen een verzamelaar met diezelfde titel, één cd tellend.
Mijn reis door new wave kwam van London Calling van The Clash en vervolgt in 1980. Omdat Kerstmis nadert, begin ik dat jaar met Christmas Album van The Yobs, alias van de Londense punkgroep The Boys.
De Düsseldorfse zanger Peter Hein werd in 1977 punk en noemde zich aanvankelijk Janie J. Jones, vernoemd naar het openingsnummer van het debuut van The Clash. Met Mittagspause is hij met zijn maatjes - gitaristen Franz 'Monroe' Bielmeier en Thomas Schwebel plus drummer Markus Oehlen - verder geëvolueerd. Nee, geen bassist en daarom speelt Bielmeier veel lage tonen in zijn slagspel.
Verschenen in juni 1979 is het debuut van Mittagspause een unicum in vormgeving. MuMe vermeldt het titelloze debuut als een album, maar eigenlijk was dit een dubbele 7"-single op 45 toeren met meestal drie nummers per plaatkant - alleen kant 4 telt twee nummers. 22 minuten muziek. Wie het origineel wil kopen, is volgens Discogs momenteel zo'n 145 euro kwijt.
Die betaal je niet voor de geluidskwaliteit, die van niveautje demo is. Maar de muziek - grommende gitaar, diverse tempowisselingen, luide zang - is charmant. Duidelijk klinken punkwortels, maar de associatie met het debuut van Joy Division is groter. En tegelijk is dit anders, want strijdbaar en Duitstalig. Pioniers van de Neue Deutsche Welle, die het jaar erop op stoom zou komen.
Het langste nummer sluit de EP af: Ernstfall duurt 3'51" en is een uptempo, gevarieerd nummer, maar ook kortere composities als 3x Nordpol, Innen Stadt Front en Derendorf mogen er zijn. Dit is gewoon een lekker plaatje, eeeh, dubbelsingletje.
De groep bracht in oktober 1979 nog de single Herrenreiter uit, waarna Mittagspause in 1980 ophield te bestaan. Schwebel en Hein zijn dan al de groep Fehlfarben gestart, die een groter publiek zou bereiken.
Vanaf 1992 groeide het besef dat Mittagspause een bijzondere groep was, mede dankzij de cd-met demo's Herrenreiter.
In 2001 verscheen de docu-roman Verschwende Deine Jugend van Jürgen Teipel, het jaar erop vergezeld door een gelijknamige 2cd. Hierop is Mittagspause vertegenwoordigd met twee nummers. In 2012 verscheen een verzamelaar met diezelfde titel, één cd tellend.
Mijn reis door new wave kwam van London Calling van The Clash en vervolgt in 1980. Omdat Kerstmis nadert, begin ik dat jaar met Christmas Album van The Yobs, alias van de Londense punkgroep The Boys.
Mo - Mo (1980)

3,5
3
geplaatst: 18 september 2025, 15:58 uur
In mijn herinnering werd deze groep destijds The Mo genoemd, maar de hoes houdt het kortweg bij Mo. Op streaming wordt de groepsnaam inmiddels met kleine letters als 'mo' genoteerd.
Vanaf 1 november 1980 stond Nancy in de Tipparade om de 22e op #14 te stranden. Een bezoek aan TopPop was het resultaat. Dat liedje heb ik destijds gemist, wel viel de hit Fred Astaire (Just a Summer Love Affair) op, die in februari 1981 bij Veronica's Top 40 tot #18 kwam en bij de Nationale Hitparade tot #23. Opnieuw op tv bij TopPop.
Ik hield van new wave, maar dit was een andere vorm daarvan. Weliswaar korte, afgeronde liedjes met nadruk op toetsen en synthesizers, maar toch haakte deze puber niet aan. Ik miste de gitaar, vond het te steriel. Als een wit glimmende tegelvloer, nadat de schoonmaaktornado uit de reclame eroverheen was gegaan.
45 jaar later is dit nog steeds niet mijn favoriete muzikale snoep, maar ontegenzeglijk is dit origineel en bekwaam gemaakte muziek. Niet alleen de gitaar ontbreekt, er is ook geen bas: het is toetsenist Clemens de Lange die deze ruimtes mag vullen. Dat tweede toetsenist en tevens fagottist Huub de Lange voor extra kleur zorgt, verhoogt de feestvreugde. Met de stem van Heili Helder heb ik nog steeds niet zo veel. Zeker, die is aangenaam en zuiver, tegelijkertijd wel erg keurig en afgemeten, wat bij beluistering van het gehele album begint te wringen.
Mijn favoriete nummers op Mo staan op de tweede plaatkant: Fred Astaire, Band with Bassoon (ja, de fagot in een hoofdrol) en het ietwat springerige (eindelijk!) If I Take You Back. Mijn streamingkanaal heeft een vierde favoriet op grijs staan, oftewel niet af te spelen. YouTube leert dat Oh... Young People een lekker uptempo liedje is en wederom valt op dat drummer Harm Bieger in gevarieerde stijl knappe patronen neerzet, met zijn accenten de liedjes versterkend.
Met de oren van nu hoor ik overeenkomsten met de symfonische rock van toen, zij het verpakt in wavejasje. Nog altijd beleef ik Mo als steriel, zeker als ik het hele album beluister. Tegelijkertijd, die subtiele invloeden van progrock en de soms jazzachtige pianopartijen, het is aangenaam.
Zelfs 45 jaar later heb ik moeite met labeltjes plakken: is dat niet het beste bewijs voor de originaliteit van Mo? Toen de eveneens gitaarloze groep Keane in 2004 doorbrak, werd ik na jaren herinnerd aan de groep uit Delft. Het heeft wel wat, zo'n gitaarloze band.
Mijn reis door new wave kwam van de gitaartjes van de tweede Romantics en vervolgt bij een groep met veel blazers: de tweede van The Specials.
Vanaf 1 november 1980 stond Nancy in de Tipparade om de 22e op #14 te stranden. Een bezoek aan TopPop was het resultaat. Dat liedje heb ik destijds gemist, wel viel de hit Fred Astaire (Just a Summer Love Affair) op, die in februari 1981 bij Veronica's Top 40 tot #18 kwam en bij de Nationale Hitparade tot #23. Opnieuw op tv bij TopPop.
Ik hield van new wave, maar dit was een andere vorm daarvan. Weliswaar korte, afgeronde liedjes met nadruk op toetsen en synthesizers, maar toch haakte deze puber niet aan. Ik miste de gitaar, vond het te steriel. Als een wit glimmende tegelvloer, nadat de schoonmaaktornado uit de reclame eroverheen was gegaan.
45 jaar later is dit nog steeds niet mijn favoriete muzikale snoep, maar ontegenzeglijk is dit origineel en bekwaam gemaakte muziek. Niet alleen de gitaar ontbreekt, er is ook geen bas: het is toetsenist Clemens de Lange die deze ruimtes mag vullen. Dat tweede toetsenist en tevens fagottist Huub de Lange voor extra kleur zorgt, verhoogt de feestvreugde. Met de stem van Heili Helder heb ik nog steeds niet zo veel. Zeker, die is aangenaam en zuiver, tegelijkertijd wel erg keurig en afgemeten, wat bij beluistering van het gehele album begint te wringen.
Mijn favoriete nummers op Mo staan op de tweede plaatkant: Fred Astaire, Band with Bassoon (ja, de fagot in een hoofdrol) en het ietwat springerige (eindelijk!) If I Take You Back. Mijn streamingkanaal heeft een vierde favoriet op grijs staan, oftewel niet af te spelen. YouTube leert dat Oh... Young People een lekker uptempo liedje is en wederom valt op dat drummer Harm Bieger in gevarieerde stijl knappe patronen neerzet, met zijn accenten de liedjes versterkend.
Met de oren van nu hoor ik overeenkomsten met de symfonische rock van toen, zij het verpakt in wavejasje. Nog altijd beleef ik Mo als steriel, zeker als ik het hele album beluister. Tegelijkertijd, die subtiele invloeden van progrock en de soms jazzachtige pianopartijen, het is aangenaam.
Zelfs 45 jaar later heb ik moeite met labeltjes plakken: is dat niet het beste bewijs voor de originaliteit van Mo? Toen de eveneens gitaarloze groep Keane in 2004 doorbrak, werd ik na jaren herinnerd aan de groep uit Delft. Het heeft wel wat, zo'n gitaarloze band.
Mijn reis door new wave kwam van de gitaartjes van de tweede Romantics en vervolgt bij een groep met veel blazers: de tweede van The Specials.
Mo-dettes - The Story So Far (1980)

4,0
0
geplaatst: 14 april 2025, 21:17 uur
Inmiddels ben ik aanbeland bij de new wave van juli 1980, reizend van het vierde album van Pere Ubu.
Op de 13e van die maand piekt Paint It Black op #42 in de Britse hitlijst. Inderdaad een cover van de Rolling Stones en eigenlijk hebben de dames van Mo-dettes weinig daaraan veranderd - en tegelijkertijd veel. Alleen al de onweerstaanbaar vrolijke zang van Ramona Carlier en hoe het lied in een jasje van punk-rammelgitaar wordt gehesen, feiten die genoeg zijn om te grijnzen.
Geopend wordt met Fandango met een Franstalige tekst, een nummer dat meteen de toon zet. Tweede hoogtepunt is Dark Park Creeping en de derde het slotlied van kant 1, White Mouse Disco mijn favoriet van dit album.
Kant 2 opent sterk met Bedtime Stories dat een versnelde reggaebeat heeft, of is het gewoon ska? De gitaarpartijen bestaan echter uit lange, in flangereffect gedrenkte noten, waarbij drumster June Miles-Kingston energiek rondmept.
Masochistic Opposite is punkachtig, maar opnieuw is het de zang die het liever lijkt te maken. 'Lijkt', want de dames zijn strijdbaar. Meer reggae in de percussie in Milord, een Franstalig nummer dat ik ken van Corry Brokken en (het origineel) van Édith Piaf; een hit in resp. 1960 en '59.
The Story So Far miste de Britse albumlijst. Maar wél een zeer aangenaam plaatje, een glimlach op de lippen toverend.
Het bleef hun enige album. Wel werd er twaalf maanden later nog uiterst bescheiden gescoord met single Tonight, die #68 haalde. De groep viel in '82 uit elkaar, Miles-Kingston dook later op bij Fun Boy Three en The Communards.
Volgende halte: het debuut van Robin Lane & The Chartbusters.
Op de 13e van die maand piekt Paint It Black op #42 in de Britse hitlijst. Inderdaad een cover van de Rolling Stones en eigenlijk hebben de dames van Mo-dettes weinig daaraan veranderd - en tegelijkertijd veel. Alleen al de onweerstaanbaar vrolijke zang van Ramona Carlier en hoe het lied in een jasje van punk-rammelgitaar wordt gehesen, feiten die genoeg zijn om te grijnzen.
Geopend wordt met Fandango met een Franstalige tekst, een nummer dat meteen de toon zet. Tweede hoogtepunt is Dark Park Creeping en de derde het slotlied van kant 1, White Mouse Disco mijn favoriet van dit album.
Kant 2 opent sterk met Bedtime Stories dat een versnelde reggaebeat heeft, of is het gewoon ska? De gitaarpartijen bestaan echter uit lange, in flangereffect gedrenkte noten, waarbij drumster June Miles-Kingston energiek rondmept.
Masochistic Opposite is punkachtig, maar opnieuw is het de zang die het liever lijkt te maken. 'Lijkt', want de dames zijn strijdbaar. Meer reggae in de percussie in Milord, een Franstalig nummer dat ik ken van Corry Brokken en (het origineel) van Édith Piaf; een hit in resp. 1960 en '59.
The Story So Far miste de Britse albumlijst. Maar wél een zeer aangenaam plaatje, een glimlach op de lippen toverend.
Het bleef hun enige album. Wel werd er twaalf maanden later nog uiterst bescheiden gescoord met single Tonight, die #68 haalde. De groep viel in '82 uit elkaar, Miles-Kingston dook later op bij Fun Boy Three en The Communards.
Volgende halte: het debuut van Robin Lane & The Chartbusters.
Moby - Resound NYC (2023)

3,0
0
geplaatst: 24 mei 2023, 21:37 uur
Nee, dit is inderdaad geen verzamelalbum, op Resound NYC steekt Moby zijn muziek in nieuwe jasjes. Na alle slaapverwekkende muziek die hij de laatste jaren meestal uitbracht, vind ik dit net als Reprise een kleine verademing. Geen grote, maar toch.
In de eerste helft van de jaren '90 stak een vriend mij aan met de muziek van de (toen nog) housemaker. Met house had ik niks, maar op de één of andere manier raakte de single-cd van Hymn wel een snaar. In 2009 ben ik zijn muziek eens goed gaan uitspitten, waarbij internet zo'n zoektocht enorm vergemakkelijkte.
Zijn beste albums vind ik de uitgaven die hij onder zijn eigen naam uitbracht in de jaren 1995 (Everything is Wrong) tot en met 2008 (Last Night). Het zijn de platen waarop hij sterke uptempo nummers zetten, weliswaar dansbaar maar wel degelijk liedjes met sterke melodieën en refreinen, waarbij hij nogal eens een zangeres met een bereik van vier octaven liet knallen dat de ramen ervan gingen trillen.
Vanaf Wait for Me (2009) werd de muziek rustiger en nam hij veelal zelf de leadzang voor zijn rekening. Doe maar niet, de opwinding verdween. In 2011 zag ik hem op Festival Mundial in Tilburg waar een knallende set (beats mét livedrums namelijk) plus een vieroctavenzangeres het oude vuur deden oplaaien.
Ik blijf dus altijd wel een plekje warmhouden voor Moby, die bij twijfel enig voordeel krijgt. De plaat begint met enkele uptempo tracks, waarbij mijn hart ligt. Gastzangers Gregory Porter en Dougy Mandagi bepalen de sfeer in de eerste twee nummers, waarna Ricky Wilson South Side "doet".
Geleidelijk wordt dit dan toch weer een laatavondplaat, hetgeen je logischerwijs zou verwachten van een album dat verschijnt op het klassieke label Deutsche Grammophon. Hoogtepunt van die rustiger sferen is In This World, nog maar track 5 van de 15. Dan zijn er nog tien te gaan en daarbij ging ik me ietwat vervelen.
Her en der zag ik recensies waar de plaat de grond in werd geboord. Daarmee ben ik het niet eens, maar beste meneer Richard Hall, van mij mag u weer eens een vocaal kanon inhuren en net als vroeger de energie van punk in dance vertalen. En doe daar qua teksten gerust maatschappijbetrokken thema's in, dance met een boodschap. Zou ook nog eens vernieuwend zijn en het dringt misschien beter door tot de wereld dan de boodschaptatoeages op uw lijf. Tot die tijd een krappe zes voor dit album, dankzij de eerste helft.
In de eerste helft van de jaren '90 stak een vriend mij aan met de muziek van de (toen nog) housemaker. Met house had ik niks, maar op de één of andere manier raakte de single-cd van Hymn wel een snaar. In 2009 ben ik zijn muziek eens goed gaan uitspitten, waarbij internet zo'n zoektocht enorm vergemakkelijkte.
Zijn beste albums vind ik de uitgaven die hij onder zijn eigen naam uitbracht in de jaren 1995 (Everything is Wrong) tot en met 2008 (Last Night). Het zijn de platen waarop hij sterke uptempo nummers zetten, weliswaar dansbaar maar wel degelijk liedjes met sterke melodieën en refreinen, waarbij hij nogal eens een zangeres met een bereik van vier octaven liet knallen dat de ramen ervan gingen trillen.
Vanaf Wait for Me (2009) werd de muziek rustiger en nam hij veelal zelf de leadzang voor zijn rekening. Doe maar niet, de opwinding verdween. In 2011 zag ik hem op Festival Mundial in Tilburg waar een knallende set (beats mét livedrums namelijk) plus een vieroctavenzangeres het oude vuur deden oplaaien.
Ik blijf dus altijd wel een plekje warmhouden voor Moby, die bij twijfel enig voordeel krijgt. De plaat begint met enkele uptempo tracks, waarbij mijn hart ligt. Gastzangers Gregory Porter en Dougy Mandagi bepalen de sfeer in de eerste twee nummers, waarna Ricky Wilson South Side "doet".
Geleidelijk wordt dit dan toch weer een laatavondplaat, hetgeen je logischerwijs zou verwachten van een album dat verschijnt op het klassieke label Deutsche Grammophon. Hoogtepunt van die rustiger sferen is In This World, nog maar track 5 van de 15. Dan zijn er nog tien te gaan en daarbij ging ik me ietwat vervelen.
Her en der zag ik recensies waar de plaat de grond in werd geboord. Daarmee ben ik het niet eens, maar beste meneer Richard Hall, van mij mag u weer eens een vocaal kanon inhuren en net als vroeger de energie van punk in dance vertalen. En doe daar qua teksten gerust maatschappijbetrokken thema's in, dance met een boodschap. Zou ook nog eens vernieuwend zijn en het dringt misschien beter door tot de wereld dan de boodschaptatoeages op uw lijf. Tot die tijd een krappe zes voor dit album, dankzij de eerste helft.
Modern English - Life in the Gladhouse (2001)
Alternatieve titel: The Best of 1980-1984

4,0
1
geplaatst: 18 juni 2025, 20:57 uur
Nou, eigenlijk best wel een lékkere verzamelaar, dit Life in the Gladhouse: The Best of 1980-1984 !
Een groep die blijkens site OfficialCharts.com nooit de Britse hitlijst haalde en de bijbehorende albumlijst evenzo miste - huh, hoe dan? Een groep die ik verwarde met Modern Talking - domdomdom... Een groep die blijkens menige bio begon als imitators van Joy Division - beter goed gejat dan slecht zelf bedacht.
Ben bezig de albums achter mijn afspeellijsten met new wave te beluisteren. Ik kende Modern English niet, maar las over de groep uit Colchester, ten noord-oosten van Londen. Zo belandde nonalbum-debuutsingle Gathering Dust uit oktober 1980 op op zo'n lijst. Jazeker, duidelijk jatwerk van Joy Division.
Desondanks namen ze, kort na het noodlottige einde van die groep, een heerlijk denderend werkje op. Het komt langzaam op gang en wordt allengs steviger, waarbij zanger Robbie Grey over een lichtere stem blijkt te beschikken dan Ian Curtis van de illustere inspiratiegroep. De groep zit dan al meteen bij het gerespecteerde label 4AD.
Modern English grossiert op de overige nummers vooral in lichter en origineler werk, zoals de akoestische gitaar in I Melt With You. Smiles and Laughter is dan weer intenser, maar ook klinkt soms een breekbare klarinet (of is het een hobo of fagot?), zoals in het gevoelige Ricochet Days, bewijzend dat dit meer dan imitators waren. Het krijgt daarmee iets van gothic en doet me aan het latere werk van The Mission denken. De stem van Grey is intens, gevoelig en aangenaam.
Nee, ik snap niet dat zij nooit een notering in een Britse hitsingle- of albumlijst haalden. Deze compilatie is namelijk een dikke vier sterren waard. Blue Waves bijvoorbeeld, dansend als Echo and The Bunnymen. Is dat wellicht de reden dat ze nooit doorbraken? Te veel lijkend op anderen? Maar dat is toch veel vaker het geval, dat groepen op elkaar lijken?
Hoe dan ook, ik zoek niet naar verklaringen als ik kan genieten van de muziek. Origineel of niet, deze heren schreven hele goede liedjes en daar komt bij dat Modern English nog altijd actief is, ook over hun landsgrenzen. Zo staan ze blijkens hun website vanavond in Toronto, Canada.
Gathering Dust verscheen niet alleen op dit Life in the Gladhouse uit 2001, het verscheen in 1992 als bonustrack op de cd-versie van album Mesh & Lace van het jaar erna. Saillant detail: het lied trapt het schijfje af en werd dus niet slechts aan het einde toegevoegd.
Aan dat album kom ik over enkele maanden toe. Reizende vanaf Grin & Bear It van The Ruts komt mijn afspeellijst bij single Give Me an Inch van Hazel O'Connor. Omdat ik het bijbehorende album Breaking Glass al besprak, beland ik in de maand november van 1980: The Sound en Jeopardy.
Een groep die blijkens site OfficialCharts.com nooit de Britse hitlijst haalde en de bijbehorende albumlijst evenzo miste - huh, hoe dan? Een groep die ik verwarde met Modern Talking - domdomdom... Een groep die blijkens menige bio begon als imitators van Joy Division - beter goed gejat dan slecht zelf bedacht.
Ben bezig de albums achter mijn afspeellijsten met new wave te beluisteren. Ik kende Modern English niet, maar las over de groep uit Colchester, ten noord-oosten van Londen. Zo belandde nonalbum-debuutsingle Gathering Dust uit oktober 1980 op op zo'n lijst. Jazeker, duidelijk jatwerk van Joy Division.
Desondanks namen ze, kort na het noodlottige einde van die groep, een heerlijk denderend werkje op. Het komt langzaam op gang en wordt allengs steviger, waarbij zanger Robbie Grey over een lichtere stem blijkt te beschikken dan Ian Curtis van de illustere inspiratiegroep. De groep zit dan al meteen bij het gerespecteerde label 4AD.
Modern English grossiert op de overige nummers vooral in lichter en origineler werk, zoals de akoestische gitaar in I Melt With You. Smiles and Laughter is dan weer intenser, maar ook klinkt soms een breekbare klarinet (of is het een hobo of fagot?), zoals in het gevoelige Ricochet Days, bewijzend dat dit meer dan imitators waren. Het krijgt daarmee iets van gothic en doet me aan het latere werk van The Mission denken. De stem van Grey is intens, gevoelig en aangenaam.
Nee, ik snap niet dat zij nooit een notering in een Britse hitsingle- of albumlijst haalden. Deze compilatie is namelijk een dikke vier sterren waard. Blue Waves bijvoorbeeld, dansend als Echo and The Bunnymen. Is dat wellicht de reden dat ze nooit doorbraken? Te veel lijkend op anderen? Maar dat is toch veel vaker het geval, dat groepen op elkaar lijken?
Hoe dan ook, ik zoek niet naar verklaringen als ik kan genieten van de muziek. Origineel of niet, deze heren schreven hele goede liedjes en daar komt bij dat Modern English nog altijd actief is, ook over hun landsgrenzen. Zo staan ze blijkens hun website vanavond in Toronto, Canada.
Gathering Dust verscheen niet alleen op dit Life in the Gladhouse uit 2001, het verscheen in 1992 als bonustrack op de cd-versie van album Mesh & Lace van het jaar erna. Saillant detail: het lied trapt het schijfje af en werd dus niet slechts aan het einde toegevoegd.
Aan dat album kom ik over enkele maanden toe. Reizende vanaf Grin & Bear It van The Ruts komt mijn afspeellijst bij single Give Me an Inch van Hazel O'Connor. Omdat ik het bijbehorende album Breaking Glass al besprak, beland ik in de maand november van 1980: The Sound en Jeopardy.
Modern English - Mesh & Lace (1981)

4,0
1
geplaatst: 20 november 2025, 21:55 uur
New wave mag een containerbegrip zijn (gelukkig, ik hou van afwisseling!), dat geldt in mindere mate ook voor de tegenwoordig gangbare term postpunk. Die wordt gehanteerd voor mijn vorige halte bij Scars en evenzo voor Modern English en hun debuutelpee Mesh & Lace. Toch klinken de twee heel anders.
Wie vindt dat Joy Division te weinig muziek heeft uitgebracht zal wellicht vrolijk worden van deze Modern English uit april 1981. Ik kwam de groep bij mijn reis door het land van new wave eerder tegen met non-album single Gathering Dust, te vinden op verzamelaar Life in the Gladhouse en op de latere cd-editie (1992) van Mesh & Lace is het de opener. Maar eigenlijk begint het album met de onheilspellende klanken van 16 Days, waarna de drums gaan rollen, net als op volgende nummer Just a Thought. Uptempo doomwave, ik vind het héérlijk!
Slechts twee jaar eerder begon de groep in Colchester, Essex met het drietal van zanger Robbie Grey, gitarist Gary McDowell en bassist Michael Conroy. De twee laatsten doen bovendien de nodige achtergrondzang, waardoor het nogal eens tweestemmig wordt. Later voegen toetsenist Steven Walker en drummer Richard Brown zich bij de groep, die dan onder de naam Modern English vervolgt.
Van die laatste ben ik vooral onder de indruk: hij teistert zijn toms en bekkens, mept de boel zo goed als dicht - hou ik van! Hij doet het ook in Move in Light en pas met Grief dient zich het eerste langzamere nummer aan. De stem van Grey is lang niet zo diep als die van zijn illustere en dan inmiddels overleden collega bij Joy Division, maar gitaargeluiden en baslijnen maken de sfeer en de toetsen onderstrepen die, zoals bij de verwijtende zin "Why did you do this to me?".
Net als kant 1 komt kant 2 langzaam op gang, deze keer met The Token Man. A Viable Commercial herhaalt dat kunstje. Ja, die Richard Brown is weliswaar geen grote naam in de muziek geworden, ik word keer op keer vrolijk van zijn energieke spel; in de auto dringt zich de neiging op om het gaspedaal dieper in te trappen.
Black Houses is wat simpel van opzet, vast een ouder nummer, slotlied Dance of Devotion (A Love Song) is vreemd genoeg om mijn collega, die vanmiddag mijn werkruimte kwam binnenstappen, verbaasd te doen opkijken: een a-typisch slot met vervormde stemmen en piepende gitaar.
De groep werd in het Verenigd Koninkrijk geen grote naam, terwijl hun label 4AD toch muziek uitbracht die uitermate geschikt leek voor het regenachtige land met z'n grote jeugdwerkeloosheid. In de Verenigde Staten ontstond echter een eigen aanhang.
Die ontwikkeling hoop ik later te beschrijven, want eerst is er veel te schrijven over de new wave van 1981. In april dat jaar verscheen véél werk in die stroming en aangezien ik de benaming ruim hanteer, rijdt de trein nu naar de punks van Cockney Rejects en Greatest Hits Vol.3: Live & Loud!
Wie vindt dat Joy Division te weinig muziek heeft uitgebracht zal wellicht vrolijk worden van deze Modern English uit april 1981. Ik kwam de groep bij mijn reis door het land van new wave eerder tegen met non-album single Gathering Dust, te vinden op verzamelaar Life in the Gladhouse en op de latere cd-editie (1992) van Mesh & Lace is het de opener. Maar eigenlijk begint het album met de onheilspellende klanken van 16 Days, waarna de drums gaan rollen, net als op volgende nummer Just a Thought. Uptempo doomwave, ik vind het héérlijk!
Slechts twee jaar eerder begon de groep in Colchester, Essex met het drietal van zanger Robbie Grey, gitarist Gary McDowell en bassist Michael Conroy. De twee laatsten doen bovendien de nodige achtergrondzang, waardoor het nogal eens tweestemmig wordt. Later voegen toetsenist Steven Walker en drummer Richard Brown zich bij de groep, die dan onder de naam Modern English vervolgt.
Van die laatste ben ik vooral onder de indruk: hij teistert zijn toms en bekkens, mept de boel zo goed als dicht - hou ik van! Hij doet het ook in Move in Light en pas met Grief dient zich het eerste langzamere nummer aan. De stem van Grey is lang niet zo diep als die van zijn illustere en dan inmiddels overleden collega bij Joy Division, maar gitaargeluiden en baslijnen maken de sfeer en de toetsen onderstrepen die, zoals bij de verwijtende zin "Why did you do this to me?".
Net als kant 1 komt kant 2 langzaam op gang, deze keer met The Token Man. A Viable Commercial herhaalt dat kunstje. Ja, die Richard Brown is weliswaar geen grote naam in de muziek geworden, ik word keer op keer vrolijk van zijn energieke spel; in de auto dringt zich de neiging op om het gaspedaal dieper in te trappen.
Black Houses is wat simpel van opzet, vast een ouder nummer, slotlied Dance of Devotion (A Love Song) is vreemd genoeg om mijn collega, die vanmiddag mijn werkruimte kwam binnenstappen, verbaasd te doen opkijken: een a-typisch slot met vervormde stemmen en piepende gitaar.
De groep werd in het Verenigd Koninkrijk geen grote naam, terwijl hun label 4AD toch muziek uitbracht die uitermate geschikt leek voor het regenachtige land met z'n grote jeugdwerkeloosheid. In de Verenigde Staten ontstond echter een eigen aanhang.
Die ontwikkeling hoop ik later te beschrijven, want eerst is er veel te schrijven over de new wave van 1981. In april dat jaar verscheen véél werk in die stroming en aangezien ik de benaming ruim hanteer, rijdt de trein nu naar de punks van Cockney Rejects en Greatest Hits Vol.3: Live & Loud!
Mogg / Way - Chocolate Box (1999)

4,0
0
geplaatst: 3 oktober 2024, 20:25 uur
De hardrockgroep UFO mocht ondanks zijn lange historie niet meer zo heten zonder Michael Schenker. Althans sinds er in 1995 een contract met de Duitse gitarist was getekend. En dus waren oerleden Phil Mogg en Pete Way gedwongen om zonder hem onder andere naam te werken. Een soort wurgcontract, denk ik dan.
In tijden van onenigheid met Schenker leidde dat namelijk noodgedwongen tot de groep Mogg / Way, die in 1999 zijn tweede en laatste album uitbracht. Chocolate Box is de opvolger van het héél sterke Edge of the World. Het pakt me minder maar bevat desondanks de nodige hoogtepunten. Een must voor UFO-fans waarbij ook ikke.
Die fan is wellicht kritisch omdat alweer een nieuwe gitarist moest worden gezocht, de relatief onbekend gebleven Jeff Kollman. Maar eigenlijk had ik zijn naam al jaren eerder moeten tegenkomen, gezien de grote namen met wie hij albums uitbracht: zie hier. Groepsbiografie 'High Stakes & Dangerous Men' vertelt nauwelijks iets over Chocolate Box, behalve dat degenen die ook in het UFO van Walk on Water (1995) speelden, nu opnieuw aanwezig waren: naast Mogg en Way toetsenist en gitarist Paul Raymond en drummer Simon Wright. Daarmee klinkt het album anders dan de voorganger.
Kollman bezit soms een fusionachtig geluid, lichtelijk vergelijkbaar met dat van Steve Morse (Dixie Dregs, Kansas en Deep Purple). Bij UFO, eeeh Mogg / Way klinkt echter veel meer blues. Zoals in de pompende opener Muddy's Gold, een ode aan Muddy Waters en tevens hard en swingend rockend. Jerusalem bevat een progachtig intro, waarna het uptempo vervolgt. Kan Kollman spelen? Natúúrlijk kan hij dat, zoveel is na twee nummers duidelijk. Genieten!
De melodielijn en frasering van Too Close to the Sun lijkt verdacht veel op die van traditional Wayfaring Stranger, maar net als het vorige nummer gaat het gaandeweg steeds meer in de UFO-traditie klinken: hardrockend gespeeld, passioneel gezongen.
This Is a Life bevat tijdens de coupletten gitaarlicks die klinken alsof Schenker ze schreef, pakkend melodieus en robuust tegelijkertijd. Laatste nummer van de eerste helft is het kalme Living and Dying, waar de typische UFO-melancholie heerlijk rondwaart.
In King of the City trekken hammondorgel en stevige gitaarriff samen op, mijn vierde favoriet van het album mede door een knappe, knappe, knáppe gitaarsolo vol melodie en snelheid. Een liedje in een liedje, met blues, fusion en rock verenigd tot een prachtig geheel. Een nummer voor in mijn persoonlijke top (inmiddels) 92 met beste gitaarsolo's.
Dan volgt minder pakkend werk. Death in the Family is aangenaam maar niet opzienbarend. Mijn streamingdienst noemt vervolgens track 8 Whip that Groove maar speelt in werkelijkheid track 9 Last Man in Space af, waarna track 9 alsnog Whip that Groove blijkt te zijn. De 'man in de ruimte' bevat een riff in jaren '90-stijl (beetje alternatief, beetje grunge). Aardig. De traag rockende riff van Whip doet iets dergelijks. Iets liever hoor ik de hardrockende bluesinvloeden in Sparkling Wine, alsof het voor Whitesnake werd geschreven.
Wat betreft composities geldt dat de eerste helft sterk is, de tweede middelmatig. In totaal vier nummers die tijdloos mooi zijn, met op het hele album sterk gitaarspel en dito zang. Als ik deze in het echt voor een redelijke prijs tegenkom gaat ie mee. Wat IS er toch met UFO of in dit geval Mogg / Way, waarom kom je het latere werk in Nederland zo zelden tegen? En dan vaak nog duur ook?
De UFO-albums zonder Michael Schenker verkochten steevast minder goed dan die mét hem en dus blijven Mogg, Way en Raymond proberen hun haat-liefde-gitarist opnieuw binnen te hengelen. En natuurlijk omdat ze historisch gezien recht hadden om onder die naam te werken. In 2000 lukt dat, waarna het resultaat Covenant wordt gedoopt.
In tijden van onenigheid met Schenker leidde dat namelijk noodgedwongen tot de groep Mogg / Way, die in 1999 zijn tweede en laatste album uitbracht. Chocolate Box is de opvolger van het héél sterke Edge of the World. Het pakt me minder maar bevat desondanks de nodige hoogtepunten. Een must voor UFO-fans waarbij ook ikke.
Die fan is wellicht kritisch omdat alweer een nieuwe gitarist moest worden gezocht, de relatief onbekend gebleven Jeff Kollman. Maar eigenlijk had ik zijn naam al jaren eerder moeten tegenkomen, gezien de grote namen met wie hij albums uitbracht: zie hier. Groepsbiografie 'High Stakes & Dangerous Men' vertelt nauwelijks iets over Chocolate Box, behalve dat degenen die ook in het UFO van Walk on Water (1995) speelden, nu opnieuw aanwezig waren: naast Mogg en Way toetsenist en gitarist Paul Raymond en drummer Simon Wright. Daarmee klinkt het album anders dan de voorganger.
Kollman bezit soms een fusionachtig geluid, lichtelijk vergelijkbaar met dat van Steve Morse (Dixie Dregs, Kansas en Deep Purple). Bij UFO, eeeh Mogg / Way klinkt echter veel meer blues. Zoals in de pompende opener Muddy's Gold, een ode aan Muddy Waters en tevens hard en swingend rockend. Jerusalem bevat een progachtig intro, waarna het uptempo vervolgt. Kan Kollman spelen? Natúúrlijk kan hij dat, zoveel is na twee nummers duidelijk. Genieten!
De melodielijn en frasering van Too Close to the Sun lijkt verdacht veel op die van traditional Wayfaring Stranger, maar net als het vorige nummer gaat het gaandeweg steeds meer in de UFO-traditie klinken: hardrockend gespeeld, passioneel gezongen.
This Is a Life bevat tijdens de coupletten gitaarlicks die klinken alsof Schenker ze schreef, pakkend melodieus en robuust tegelijkertijd. Laatste nummer van de eerste helft is het kalme Living and Dying, waar de typische UFO-melancholie heerlijk rondwaart.
In King of the City trekken hammondorgel en stevige gitaarriff samen op, mijn vierde favoriet van het album mede door een knappe, knappe, knáppe gitaarsolo vol melodie en snelheid. Een liedje in een liedje, met blues, fusion en rock verenigd tot een prachtig geheel. Een nummer voor in mijn persoonlijke top (inmiddels) 92 met beste gitaarsolo's.
Dan volgt minder pakkend werk. Death in the Family is aangenaam maar niet opzienbarend. Mijn streamingdienst noemt vervolgens track 8 Whip that Groove maar speelt in werkelijkheid track 9 Last Man in Space af, waarna track 9 alsnog Whip that Groove blijkt te zijn. De 'man in de ruimte' bevat een riff in jaren '90-stijl (beetje alternatief, beetje grunge). Aardig. De traag rockende riff van Whip doet iets dergelijks. Iets liever hoor ik de hardrockende bluesinvloeden in Sparkling Wine, alsof het voor Whitesnake werd geschreven.
Wat betreft composities geldt dat de eerste helft sterk is, de tweede middelmatig. In totaal vier nummers die tijdloos mooi zijn, met op het hele album sterk gitaarspel en dito zang. Als ik deze in het echt voor een redelijke prijs tegenkom gaat ie mee. Wat IS er toch met UFO of in dit geval Mogg / Way, waarom kom je het latere werk in Nederland zo zelden tegen? En dan vaak nog duur ook?
De UFO-albums zonder Michael Schenker verkochten steevast minder goed dan die mét hem en dus blijven Mogg, Way en Raymond proberen hun haat-liefde-gitarist opnieuw binnen te hengelen. En natuurlijk omdat ze historisch gezien recht hadden om onder die naam te werken. In 2000 lukt dat, waarna het resultaat Covenant wordt gedoopt.
Mogg / Way - Edge of the World (1997)

4,5
1
geplaatst: 2 oktober 2024, 19:10 uur
Eindelijk lukte het Phil Mogg om een nieuw album met UFO inclusief Michael Schenker op te nemen met bovendien podiumbeest Pete Way aan hun zijde, vergezeld door oudgediende Andy Parker op drums. Toch haalde Walk on Water niet de gehoopte albumlijsten. Als er dan bovendien net als in de jaren '70 onenigheid komt tussen Mogg en Schenker en de laatste zijn biezen pakt, zijn de rapen gaar.
Mogg en Way zullen elkaar eens vertwijfeld in de ogen hebben gekeken over die onnodige beperking in het contract, want zoals jailhouserocker1 schreef: "In die periode mocht men de naam UFO niet gebruiken wanneer Schenker niet in de band zat".
Schenkers voorganger in de jaren '90 was Tommy McClendon en opnieuw wordt een Amerikaanse shredder gevonden: George Bellas. Het resultaat is een ij-zer-sterk album, waarbij men onder de vlag Mogg / Way vaart. Edge of the World is onbekend en wellicht daarom onbemind. Tijd om 'm aan de vergetelheid te ontrukken.
Wat dit album zo sterk maakt, is dat de blues weer opduikt en daarmee ook de melancholie in Moggs stem. Maar ook wordt op z'n metals gerockt blijkens Gravy Train of robuust gespeeld zoals Fortune Town laat horen. Laat ik daarbij niet de partijen van drummer Aynsley Dunbar vergeten; hij brengt de composities extra stevigheid.
De sfeer en kwaliteit van het UFO van de jaren '70 (Love to Love !) keert sterk terug in de coupletten van High Wire en als in Saving Me from Myself de stem van Mogg weent als toen, ben ik zó gelukkig...
De reprise van Mother Mary vormt het slot van een zegereeks van zeven nummers, want het navolgende House of Pain heeft het net niet en hetzelfde geldt voor It's a Game, ondanks de slidegitaar. Het uptempo History of Flames is dan weer ráák, Spell on You is okay en het instrumentale Totaled een heerlijk slot. Een instrumentaal nummer bij UFO, in dit geval Mogg / Way? Als ik me niet vergis een primeur en het werkt ook nog.
Negen hele sterke nummers en drie prima nummers. Bellas doet meer dan razendsnel snarenracen, hij heeft oor voor melodie én speelt de blues. Details als de achtergrondzang van onder meer Eric Martin (Mr. Big) tonen de zorg die door producer Mike Varney is besteed. Echt, Edge of the World verdient herwaardering.
Opvallende volgende stap volgens de UFO-bio 'High Stakes & Dangerous Men': in augustus 1997 wordt opgetreden als UFO, want Michael Schenker voegt zich met Paul Raymond en Simon Wright voor twee shows bij Mogg en Way in de Hollywood Palace. Hier enkele foto's.
Sterker nog, van november tot en met begin 1998 volgt een Europese/Japanse UFO-tournee, waarbij Schenker omwille van de lieve vrede gescheiden van de anderen reist. In Japan echter laait een volgende ruzie op, waarop Schenker weer eens zijn biezen pakt.
Nieuwe onderhandelingen met Schenker volgen, terwijl de Duitser met Ulli Jon Roth en Joe Satriani tourt als G3 en aan het MSG-album The Unforgiven werkt. Paul Raymond werkt tegelijkertijd aan Man on a Mission, waarop zijn UFO-maatjes te gast zijn.
In de tussentijd bereiden de heren Mogg / Way de opvolger voor, mijn volgende album in de historie van UFO. Op naar Chocolate Box.
Mogg en Way zullen elkaar eens vertwijfeld in de ogen hebben gekeken over die onnodige beperking in het contract, want zoals jailhouserocker1 schreef: "In die periode mocht men de naam UFO niet gebruiken wanneer Schenker niet in de band zat".
Schenkers voorganger in de jaren '90 was Tommy McClendon en opnieuw wordt een Amerikaanse shredder gevonden: George Bellas. Het resultaat is een ij-zer-sterk album, waarbij men onder de vlag Mogg / Way vaart. Edge of the World is onbekend en wellicht daarom onbemind. Tijd om 'm aan de vergetelheid te ontrukken.
Wat dit album zo sterk maakt, is dat de blues weer opduikt en daarmee ook de melancholie in Moggs stem. Maar ook wordt op z'n metals gerockt blijkens Gravy Train of robuust gespeeld zoals Fortune Town laat horen. Laat ik daarbij niet de partijen van drummer Aynsley Dunbar vergeten; hij brengt de composities extra stevigheid.
De sfeer en kwaliteit van het UFO van de jaren '70 (Love to Love !) keert sterk terug in de coupletten van High Wire en als in Saving Me from Myself de stem van Mogg weent als toen, ben ik zó gelukkig...
De reprise van Mother Mary vormt het slot van een zegereeks van zeven nummers, want het navolgende House of Pain heeft het net niet en hetzelfde geldt voor It's a Game, ondanks de slidegitaar. Het uptempo History of Flames is dan weer ráák, Spell on You is okay en het instrumentale Totaled een heerlijk slot. Een instrumentaal nummer bij UFO, in dit geval Mogg / Way? Als ik me niet vergis een primeur en het werkt ook nog.
Negen hele sterke nummers en drie prima nummers. Bellas doet meer dan razendsnel snarenracen, hij heeft oor voor melodie én speelt de blues. Details als de achtergrondzang van onder meer Eric Martin (Mr. Big) tonen de zorg die door producer Mike Varney is besteed. Echt, Edge of the World verdient herwaardering.
Opvallende volgende stap volgens de UFO-bio 'High Stakes & Dangerous Men': in augustus 1997 wordt opgetreden als UFO, want Michael Schenker voegt zich met Paul Raymond en Simon Wright voor twee shows bij Mogg en Way in de Hollywood Palace. Hier enkele foto's.
Sterker nog, van november tot en met begin 1998 volgt een Europese/Japanse UFO-tournee, waarbij Schenker omwille van de lieve vrede gescheiden van de anderen reist. In Japan echter laait een volgende ruzie op, waarop Schenker weer eens zijn biezen pakt.
Nieuwe onderhandelingen met Schenker volgen, terwijl de Duitser met Ulli Jon Roth en Joe Satriani tourt als G3 en aan het MSG-album The Unforgiven werkt. Paul Raymond werkt tegelijkertijd aan Man on a Mission, waarop zijn UFO-maatjes te gast zijn.
In de tussentijd bereiden de heren Mogg / Way de opvolger voor, mijn volgende album in de historie van UFO. Op naar Chocolate Box.
Moggs Motel - Moggs Motel (2024)

4,5
2
geplaatst: 19 november 2024, 21:27 uur
In 2024 werd definitief duidelijk dat het legendarische UFO niet meer zal vliegen. Hun laatste was een tegenvallend coveralbum, maar de voorganger met eigen werk A Conspiracy of Stars (2015) vond ik vijf sterren waard. Als ik in de nazomer van 2024 verneem dat zanger Phil Mogg (76!) terugkeert met een nieuwe groep genaamd Moggs Hotel, sta ik áán.
Gezien Moggs hartproblemen zit een (buitenlandse) tournee er niet in: hij zal het bij hooguit een enkel concert houden. Dat betekent dus dat hun titelloze debuut het werk moet doen, hetgeen de groep glansrijk lukt.
Waar UFO vanaf 1973 steevast een niet-Engelsman op gitaar had - zelfs Paul Chapman was Welsh - is Moggs Hotel een geheel Engelse groep, al zijn de groepsnaam en de thematiek van de hoes sterk Amerikaans. Anders dan de laatste UFO's werd de muziek in Engeland opgenomen. Er klinkt robuuste, melodieuze hardrock, gegoten in sterke composities die dankzij de melancholie in de stem van Mogg extra cachet krijgen.
De laatste tour die UFO maakte was met de teruggekeerde gitarist/toetsenist/saxofonist/dwarsfluitist Neil Carter in de gelederen. Hij bleef in Moggs Hotel aan de zijde van de frontman en speelt een prominente rol.
Het verhaal begint echter als Mogg tijdens de covid-lockdown bassist Tony Newton ontmoet. De twee gaan samen muziek maken waarvoor Steve Harris van Iron Maiden zijn studio beschikbaar stelt. Naast Carter sluiten gitarist Tommy Gentry en drummer Joe Lazarus zich aan.
De composities zijn zonder uitzondering prima en met alle uptempo hardrock soms verrassend, zoals het instrumentale kleinood Harry's Place dat als opstapje voor The Wrong House fungeert, of slotlied Storyville dat op een eenvoudig maar effectief pianothema leunt. Mijn grootste favoriet is het stoempende The Princess Bride, dat net als menig ander nummer profiteert van de koortjes van zangeressen Zoe Devlin Love en Laurie Mansworth en een prachtig, opvallend uittro bevat.
Bij dit alles kreeg Newton zeven schrijfcredits en Carter zes: het levert de nodige variatie in composities en melodielijnen op. Daarbij is het genieten is van het klassieke rockspel van de laatste, dat in fraai contrast staat met de modernere aanpak van Gentry.
En daarmee eindigt mijn reis door het oeuvre van UFO / Mogg/Way, inclusief de zijstapjes naar het solowerk van Pete Way. Beste Kondoro0614, hopelijk kun je er wat mee! Moggs Hotel is een onverwacht pareltje van 2024 gebleken. Niet grensverleggend maar wel vertrouwd goed, vol creatieve klasse.
Gezien Moggs hartproblemen zit een (buitenlandse) tournee er niet in: hij zal het bij hooguit een enkel concert houden. Dat betekent dus dat hun titelloze debuut het werk moet doen, hetgeen de groep glansrijk lukt.
Waar UFO vanaf 1973 steevast een niet-Engelsman op gitaar had - zelfs Paul Chapman was Welsh - is Moggs Hotel een geheel Engelse groep, al zijn de groepsnaam en de thematiek van de hoes sterk Amerikaans. Anders dan de laatste UFO's werd de muziek in Engeland opgenomen. Er klinkt robuuste, melodieuze hardrock, gegoten in sterke composities die dankzij de melancholie in de stem van Mogg extra cachet krijgen.
De laatste tour die UFO maakte was met de teruggekeerde gitarist/toetsenist/saxofonist/dwarsfluitist Neil Carter in de gelederen. Hij bleef in Moggs Hotel aan de zijde van de frontman en speelt een prominente rol.
Het verhaal begint echter als Mogg tijdens de covid-lockdown bassist Tony Newton ontmoet. De twee gaan samen muziek maken waarvoor Steve Harris van Iron Maiden zijn studio beschikbaar stelt. Naast Carter sluiten gitarist Tommy Gentry en drummer Joe Lazarus zich aan.
De composities zijn zonder uitzondering prima en met alle uptempo hardrock soms verrassend, zoals het instrumentale kleinood Harry's Place dat als opstapje voor The Wrong House fungeert, of slotlied Storyville dat op een eenvoudig maar effectief pianothema leunt. Mijn grootste favoriet is het stoempende The Princess Bride, dat net als menig ander nummer profiteert van de koortjes van zangeressen Zoe Devlin Love en Laurie Mansworth en een prachtig, opvallend uittro bevat.
Bij dit alles kreeg Newton zeven schrijfcredits en Carter zes: het levert de nodige variatie in composities en melodielijnen op. Daarbij is het genieten is van het klassieke rockspel van de laatste, dat in fraai contrast staat met de modernere aanpak van Gentry.
En daarmee eindigt mijn reis door het oeuvre van UFO / Mogg/Way, inclusief de zijstapjes naar het solowerk van Pete Way. Beste Kondoro0614, hopelijk kun je er wat mee! Moggs Hotel is een onverwacht pareltje van 2024 gebleken. Niet grensverleggend maar wel vertrouwd goed, vol creatieve klasse.
Molly Hatchet - Take No Prisoners (1981)

3,0
2
geplaatst: 24 februari 2023, 20:18 uur
Indertijd plukte ik Take no Prisoners uit de biebbak, mede vanwege de hoes. Waar ik harde, gemeen klinkende hardrock verwachtte, klonk echter southern rock; soms stevig, soms loom.
Drie nummers belandden op cassettebandje. Van de A-kant het uptempo Loss of Control en op de B-kant het swingende en vrolijke Lady Luck, waarin ik zelfs de blazers kon waarderen (daarover waren mijn schoolvriend en ik verbaasd: trompetten en toch lekker?), met de semiballade Power Play (met congo's en tóch werkt het! Alweer verbazing!).
Het gitaarwerk was regelmatig genieten, de zang was me echter te vlak. De binnenhoes was weer eens gejat, ik ontbeerde dus alle achtergrondinformatie.
Lang leve streaming, inmiddels kan ik de muziek van verloren gegane cassettes herbeluisteren. Mijn voorkeuren blijken onveranderd, maar er komt een favorietje bij: Respect me in the Morning. Herken ik in dit duet niet de stem van (Baby Jean) Joyce Kennedy van Mother's Finest? Jawel, het is haar en wélk een passie voegt die stem onmiddelijk toe!
Stevige southern rock, een genre dat ik sinds enkele jaren meer kan waarderen dan voorheen. Vier favorieten op dit album dat ik met drie sterren waardeer. Ik moet eens een playlist van deze band en het genre gaan maken.
Drie nummers belandden op cassettebandje. Van de A-kant het uptempo Loss of Control en op de B-kant het swingende en vrolijke Lady Luck, waarin ik zelfs de blazers kon waarderen (daarover waren mijn schoolvriend en ik verbaasd: trompetten en toch lekker?), met de semiballade Power Play (met congo's en tóch werkt het! Alweer verbazing!).
Het gitaarwerk was regelmatig genieten, de zang was me echter te vlak. De binnenhoes was weer eens gejat, ik ontbeerde dus alle achtergrondinformatie.
Lang leve streaming, inmiddels kan ik de muziek van verloren gegane cassettes herbeluisteren. Mijn voorkeuren blijken onveranderd, maar er komt een favorietje bij: Respect me in the Morning. Herken ik in dit duet niet de stem van (Baby Jean) Joyce Kennedy van Mother's Finest? Jawel, het is haar en wélk een passie voegt die stem onmiddelijk toe!
Stevige southern rock, een genre dat ik sinds enkele jaren meer kan waarderen dan voorheen. Vier favorieten op dit album dat ik met drie sterren waardeer. Ik moet eens een playlist van deze band en het genre gaan maken.
Monsters of Rock (1980)

4,0
1
geplaatst: 6 augustus 2024, 08:38 uur
16 augustus 1980 was een mooie dag voor Britse liefhebbers van scheurende gitaren. Het leidde tot midprice-elpee Monsters of Rock, maar met de grote concurrentie en mijn kleine budget kwam het nooit tot aanschaf. 44 jaar later kwam ik 'm in Den Bosch bij The Record Hustler alsnog tegen.
Indertijd was ik vooral nieuwsgierig naar het Rainbow met Graham Bonnet, die via Down to Earth en vervolgens bij MSG met Assault Attack grote indruk maakte. In de jaren '90 hoorde ik hem op verzamelaar Hard Rock Live (1982) Stargazer zingen, oorspronkelijk met Ronnie James Dio opgenomen. Dat je dat überhaupt aandurfde...
25 jaar verder hoor ik die opname weer. Hij slaat zich er verrassend goed doorheen. Sterker nog, ook deze versie kan ik heel goed waarderen. Grootste gewenning is eigenlijk dat het symfonieorkest van de studio ontbreekt, maar een grootse klassieker als deze kan dat wel hebben.
Dan de twee nummers van de Scorpions, charmante hardrock, zoals het bericht van gigage hierboven al aangeeft. Ondanks het simplistische drumintro van Another Piece of Meat blijkt de som der delen weer eens ijzersterk: wat een hecht team waren de Scorpions inmiddels met gitarist Matthias Jabs. Dit waren dan ook de jaren dat de groep zich warmdraaide voor een Amerikaanse doorbraak.
Kant 1 sluit af met Backs to the Wall, eerder op het debuut van Saxon. Die plaat bevat een mix van jaren '70 hardrock en metal nieuwe stijl. Dit nummer valt in de eerste categorie, maar is met alle live-energie tegelijkertijd overdonderend. Je hoort een groep zojuist tot de Europese top doorgebroken, hard en zelfverzekerd spelend. Zéker in hun eigen Engeland.
Met All Night Long van Rainbow-nieuwe-stijl start kant 2. Geschikt om mee te zingen (dat moet het publiek dan ook doen) en op het lijf geschreven van Bonnet, weliswaar een ervaren zanger maar hier nog groen als gras in het hardrockwereldje. Verrassend is het slot met het instrumentale Blues, dat ik kende van hun befaamde On Stage uit '77.
Het Canadese April Wine was net begonnen om de oversteek naar Europa te maken. Tot een grote doorbraak kwam het niet, toch was dit in 1980 een naam om rekening mee te houden en I Like to Rock bevestigt dat. Leuk om de liveversie te horen van dit nummer dat ik kende van verzamelaar Metalmania uit 1980, maar eigenlijk van hun Harder..... Faster uit datzelfde jaar.
Touch uit de Verenigde Staten is nooit echt tot mij doorgedrongen. Melodieuze hardrock / adult oriented rock, kalmer dan de collega's op dit festival, waarmee de groep enigszins uit de toon viel. Laat onverlet dat Don't Ya Know What Love Is? goed in elkaar zit. De studioversie staat op hun titelloze debuut, dat ik maar eens moet gaan beluisteren.
Slotnummer is Road Racin' van Riot uit New York. Heerlijk nummer en dat er hier moet worden meegezongen mag de pret bijna niet drukken - je krijgt immers een goede indruk van de livecapaciteiten van de groep. Ouderwetse hardrock, maar net als Saxons Backs to the Wall zó energiek dat het voor metal kan doorgaan. En wat had Guy Speranza een gouden keeltje...
Ook leuk: de fotootjes op de achterzijde van de hoes, die een beeld geven van hoe een hardrockende groep zich in die dagen kleedde. Met de foto's van Rudolf Schenker en Klaus Meine van Scorpions snap ik nu opeens waar Stryper vier jaar later het idee van wespenkleuren aan ontleende... Het album is geproduceerd door de eigen producers van de groepen, waarbij Rainbows/Polydors Roger Glover er als executive producer voor waakte dat het geluid uniform bleef.
Polydor had kennelijk een dikke vinger in de pap van deze eerste editie van Monsters of Rock, dat later als festival ook buiten Engeland actief zou zijn én zou worden gebruikt als naam van een tv-show op Sky Channel. Door de regie van de platenmaatschappij ontbreekt namelijk één groep van de line-up op deze langspeler, desondanks een fijn tijdsdocumentje.
De hoes van de US-versie mag er trouwens ook zijn qua foto-indrukken.
Een sfeervolle terugblik met de nodige foto’s en verhalen is hier te vinden.
Indertijd was ik vooral nieuwsgierig naar het Rainbow met Graham Bonnet, die via Down to Earth en vervolgens bij MSG met Assault Attack grote indruk maakte. In de jaren '90 hoorde ik hem op verzamelaar Hard Rock Live (1982) Stargazer zingen, oorspronkelijk met Ronnie James Dio opgenomen. Dat je dat überhaupt aandurfde...
25 jaar verder hoor ik die opname weer. Hij slaat zich er verrassend goed doorheen. Sterker nog, ook deze versie kan ik heel goed waarderen. Grootste gewenning is eigenlijk dat het symfonieorkest van de studio ontbreekt, maar een grootse klassieker als deze kan dat wel hebben.
Dan de twee nummers van de Scorpions, charmante hardrock, zoals het bericht van gigage hierboven al aangeeft. Ondanks het simplistische drumintro van Another Piece of Meat blijkt de som der delen weer eens ijzersterk: wat een hecht team waren de Scorpions inmiddels met gitarist Matthias Jabs. Dit waren dan ook de jaren dat de groep zich warmdraaide voor een Amerikaanse doorbraak.
Kant 1 sluit af met Backs to the Wall, eerder op het debuut van Saxon. Die plaat bevat een mix van jaren '70 hardrock en metal nieuwe stijl. Dit nummer valt in de eerste categorie, maar is met alle live-energie tegelijkertijd overdonderend. Je hoort een groep zojuist tot de Europese top doorgebroken, hard en zelfverzekerd spelend. Zéker in hun eigen Engeland.
Met All Night Long van Rainbow-nieuwe-stijl start kant 2. Geschikt om mee te zingen (dat moet het publiek dan ook doen) en op het lijf geschreven van Bonnet, weliswaar een ervaren zanger maar hier nog groen als gras in het hardrockwereldje. Verrassend is het slot met het instrumentale Blues, dat ik kende van hun befaamde On Stage uit '77.
Het Canadese April Wine was net begonnen om de oversteek naar Europa te maken. Tot een grote doorbraak kwam het niet, toch was dit in 1980 een naam om rekening mee te houden en I Like to Rock bevestigt dat. Leuk om de liveversie te horen van dit nummer dat ik kende van verzamelaar Metalmania uit 1980, maar eigenlijk van hun Harder..... Faster uit datzelfde jaar.
Touch uit de Verenigde Staten is nooit echt tot mij doorgedrongen. Melodieuze hardrock / adult oriented rock, kalmer dan de collega's op dit festival, waarmee de groep enigszins uit de toon viel. Laat onverlet dat Don't Ya Know What Love Is? goed in elkaar zit. De studioversie staat op hun titelloze debuut, dat ik maar eens moet gaan beluisteren.
Slotnummer is Road Racin' van Riot uit New York. Heerlijk nummer en dat er hier moet worden meegezongen mag de pret bijna niet drukken - je krijgt immers een goede indruk van de livecapaciteiten van de groep. Ouderwetse hardrock, maar net als Saxons Backs to the Wall zó energiek dat het voor metal kan doorgaan. En wat had Guy Speranza een gouden keeltje...
Ook leuk: de fotootjes op de achterzijde van de hoes, die een beeld geven van hoe een hardrockende groep zich in die dagen kleedde. Met de foto's van Rudolf Schenker en Klaus Meine van Scorpions snap ik nu opeens waar Stryper vier jaar later het idee van wespenkleuren aan ontleende... Het album is geproduceerd door de eigen producers van de groepen, waarbij Rainbows/Polydors Roger Glover er als executive producer voor waakte dat het geluid uniform bleef.
Polydor had kennelijk een dikke vinger in de pap van deze eerste editie van Monsters of Rock, dat later als festival ook buiten Engeland actief zou zijn én zou worden gebruikt als naam van een tv-show op Sky Channel. Door de regie van de platenmaatschappij ontbreekt namelijk één groep van de line-up op deze langspeler, desondanks een fijn tijdsdocumentje.
De hoes van de US-versie mag er trouwens ook zijn qua foto-indrukken.
Een sfeervolle terugblik met de nodige foto’s en verhalen is hier te vinden.
Montrose - Montrose (1973)

4,0
0
geplaatst: 9 februari 2024, 16:12 uur
Toen ik eind jaren '70 hardrock ontdekte, draaiden zowel Alfred Lagarde als Hanneke Kappen in hun Hilversum 3-hardrockshows werk van Montrose. Af en toe las ik over de groep met naar schijnt een ijzersterke gitarist en natuurlijk Sammy Hagar, wiens solowerk door Lagarde enthousiast werd gedraaid. Ik wist nog niet dat ook drummer Denny Carmassi deel uitmaakte van die groep; midden jaren '80 zou ik hem bij Heart tegenkomen.
Ik zal een jaar of zestien zijn geweest toen ik dit debuut van een vriend leende, maar het viel me dik tegen: geen snarenracerij in de gitaarsolo's. Dat was het minste wat ik verwachtte van een hardrockgitarist! De eerste drie nummers vond ik desondanks prima, daar niet van. Rock the Nation met een afkeer van huiswerk die ik helemaal deelde ("Just a-wanna have fun"), de motorgeluiden van Bad Motor Scooter en na enige gewenning ook Space Station #5. Nummers die het dichtst kwamen bij de snelle metal die mijn hart had veroverd en op een cassettebandje werden opgenomen.
Met de decennia steeg mijn waardering en bovendien kwam ik wat leentjebuur tegen. Kennelijk waren er gitaristen enorm geïnspireerd door Ronnie Montrose. Is het iemand weleens opgevallen dat Rock Candy lijkt op Rock 'n' Roll Shower van Vengeance (uit 1988, het jaar ervoor al de herkenningstune van VARA's Vuurwerk)? En vergelijk de riff van I Don't Want It met die van Redline (1983) van Saxon.
Of dit werkelijk zo is, zou de desbetreffende gitaristen moeten worden gevraagd. Feit is dat het album aanvankelijk redelijk succesvol was in de VS, maar vervolgens een 'slow burner' werd, in de jaren erna tot een klassieker uitgroeiend en in het thuisland platinum halend.
Ik word vrolijk van het gitaargeluid, onder andere met een fuzzeffect gemaakt, die een eigenwijs soort hardrock helpt maken, met de ijzersterke zang van Hagar en Carmassi's drumwerk als extra troeven, gegoten in minimaal degelijke composities.
In 2017 verscheen het album als dubbelelpee/-cd met op de bonusschijf de eerste radio-uitzending waarin de groep schitterde, waarbij drie onuitgebrachte nummers. Die is inmiddels vrij prijzig, maar ik ben geïnteresseerd...
Ik zal een jaar of zestien zijn geweest toen ik dit debuut van een vriend leende, maar het viel me dik tegen: geen snarenracerij in de gitaarsolo's. Dat was het minste wat ik verwachtte van een hardrockgitarist! De eerste drie nummers vond ik desondanks prima, daar niet van. Rock the Nation met een afkeer van huiswerk die ik helemaal deelde ("Just a-wanna have fun"), de motorgeluiden van Bad Motor Scooter en na enige gewenning ook Space Station #5. Nummers die het dichtst kwamen bij de snelle metal die mijn hart had veroverd en op een cassettebandje werden opgenomen.
Met de decennia steeg mijn waardering en bovendien kwam ik wat leentjebuur tegen. Kennelijk waren er gitaristen enorm geïnspireerd door Ronnie Montrose. Is het iemand weleens opgevallen dat Rock Candy lijkt op Rock 'n' Roll Shower van Vengeance (uit 1988, het jaar ervoor al de herkenningstune van VARA's Vuurwerk)? En vergelijk de riff van I Don't Want It met die van Redline (1983) van Saxon.
Of dit werkelijk zo is, zou de desbetreffende gitaristen moeten worden gevraagd. Feit is dat het album aanvankelijk redelijk succesvol was in de VS, maar vervolgens een 'slow burner' werd, in de jaren erna tot een klassieker uitgroeiend en in het thuisland platinum halend.
Ik word vrolijk van het gitaargeluid, onder andere met een fuzzeffect gemaakt, die een eigenwijs soort hardrock helpt maken, met de ijzersterke zang van Hagar en Carmassi's drumwerk als extra troeven, gegoten in minimaal degelijke composities.
In 2017 verscheen het album als dubbelelpee/-cd met op de bonusschijf de eerste radio-uitzending waarin de groep schitterde, waarbij drie onuitgebrachte nummers. Die is inmiddels vrij prijzig, maar ik ben geïnteresseerd...
Montrose - Paper Money (1974)

2,0
1
geplaatst: 13 februari 2024, 15:20 uur
Ik ben de carrière van Sammy Hagar aan het doorwerken tot het moment dat hij toetrad tot Van Halen. De tweede elpee waarop hij is te horen is net als zijn debuut in dienst van gitarist Ronnie Montrose.
Die tweede Montrose maakte eind jaren '70 op mij bij voorbaat al een slechte indruk. Als je een tiener wilt verleiden tot het kopen en beluisteren van een (hard)rockalbum moet je niet met een hoes als die van Paper Money komen. Grijs aan de voorkant, grijs aan de achterkant, slechts onderbroken door letters. Saaaaaaaaai. Ik kende dan ook niemand die 'm had staan, gratis lenen was onmogelijk en zo bleef dit tot afgelopen week buiten mijn gehoorveld.
Klopte mijn vooroordeel? Zoals gigage een kleine zes jaar geleden noteerde, is de energie van het debuut zo goed als verdwenen. Wél staan hier vingervlugge solo's op en die blijken lekker.
Ik kom niet hoger dan twee sterren. Die worden verdiend door Starliner (al komt dat met enige moeite op gang) en het mij bekende I Got the Fire, dat indertijd op Hilversum 3 door Alfred Lagarde en Hanneke Kappen werd gedraaid. Mét daarin de eerste snelle gitaarsolo, iets wat op het debuut ontbreekt! Ook hoor je hier waar Riot met hun eerste drie albums inspiratie vandaan haalde.
Al dan niet positieve vermeldingen voor drie nummers: Spaceage Sacrifice rockt aardig en het door Montrose zelf (?) gezongen We're Going Home bevat de tweede snelle solo én progrockelementen dankzij een mellotron, ingespeeld door een gastmuzikant. Connection is een overbodige cover van de Rolling Stones (te vinden op Between the Buttons uit 1967) en doet vermoeden dat Montrose zijn beste composities op het debuut had verbruikt en in tijdnood was gekomen om nieuw materiaal te schrijven.
Voor degenen die over Paper Money positiever zijn: in 2017 bracht Rock Candy een speciale editie uit. Ik ga echter door naar de eerste soloplaat van Hagar: Nine on a Ten Scale uit 1976.
Die tweede Montrose maakte eind jaren '70 op mij bij voorbaat al een slechte indruk. Als je een tiener wilt verleiden tot het kopen en beluisteren van een (hard)rockalbum moet je niet met een hoes als die van Paper Money komen. Grijs aan de voorkant, grijs aan de achterkant, slechts onderbroken door letters. Saaaaaaaaai. Ik kende dan ook niemand die 'm had staan, gratis lenen was onmogelijk en zo bleef dit tot afgelopen week buiten mijn gehoorveld.
Klopte mijn vooroordeel? Zoals gigage een kleine zes jaar geleden noteerde, is de energie van het debuut zo goed als verdwenen. Wél staan hier vingervlugge solo's op en die blijken lekker.
Ik kom niet hoger dan twee sterren. Die worden verdiend door Starliner (al komt dat met enige moeite op gang) en het mij bekende I Got the Fire, dat indertijd op Hilversum 3 door Alfred Lagarde en Hanneke Kappen werd gedraaid. Mét daarin de eerste snelle gitaarsolo, iets wat op het debuut ontbreekt! Ook hoor je hier waar Riot met hun eerste drie albums inspiratie vandaan haalde.
Al dan niet positieve vermeldingen voor drie nummers: Spaceage Sacrifice rockt aardig en het door Montrose zelf (?) gezongen We're Going Home bevat de tweede snelle solo én progrockelementen dankzij een mellotron, ingespeeld door een gastmuzikant. Connection is een overbodige cover van de Rolling Stones (te vinden op Between the Buttons uit 1967) en doet vermoeden dat Montrose zijn beste composities op het debuut had verbruikt en in tijdnood was gekomen om nieuw materiaal te schrijven.
Voor degenen die over Paper Money positiever zijn: in 2017 bracht Rock Candy een speciale editie uit. Ik ga echter door naar de eerste soloplaat van Hagar: Nine on a Ten Scale uit 1976.
Moody Marsden - Real Faith (1994)

3,5
0
geplaatst: 9 januari 2024, 11:19 uur
Na hun debuutplaat was de Moody Marsden Band frequent op het podium te zien. Soms met blueslegende Peter Green en ook werd met Gary Moore gespeeld, die in diezelfde periode was teruggekeerd naar de blues.
Op het in een studio in Stuttgart opgenomen Real Faith klinkt dan ook blues, bluesrock en rhythm & blues plus één popliedje. Ik heb meer met de hardrockkant (Whitesnake) van de heren, liefhebbers van pure blues zullen hier enthousiaster van worden dan ik.
In de bezetting drummer John Trotter, bassist Peter Stroud, op toetsen de Duitser Volker Kunscher en een gastrol voor de mondharmonica van Mark Feltham, die ook met Rory Gallagher en Gary Moore speelde / zou gaan spelen.
Micky Moody en Bernie Marsden doen afwisselend de leadzang. Dat Marsden als een archeoloog de oorsprong van de elektrische blues had onderzocht op studiereis in Amerika, laat zich horen. Hij besteedt er in zijn biografie veel aandacht aan.
De Midnight Horns, die ik ken van Gary Moores After Hours (1992), zijn ook hier regelmatig te horen. Meer afwisseling is er dankzij Moody die naast gitaar ook mandoline en dobro speelt, te horen op het titelnummer dat bovendien een aangenaam gospelkoortje bevat.
Het rockende Foolin' with My Heart doet aan de dagen met Whitesnake denken; 2000 Miles from Hell is zowel een ode aan het festival in het Noorse dorp Hell als aan Muddy Waters; op Kinda Wish You Would klinkt r&b alsof Keith Richards het schreef. Mijn favoriet is Someday, een aangenaam popliedje van Marsden in jaren '70-stijl. Verder klinkt vooral blues in diverse smaken.
De groep trad frequent in wisselende samenstellingen op, onder andere met toetsenist Don Airey, toetsenist-zanger Tony Ashton plus drummers Zak Starkey, Dave Dowle (ex-Whitesnake) en Terry Williams (ex-Dire Straits).
In Bern, Zwitserland, werd op een festival gespeeld met als headliner de Amerikaanse hardrockgroep Great White, dat niet blij was met de enorme sfeer die de Moody Marsden Band bij het publiek losmaakte. Boos vroeg de zanger zich af waarom die onbekenden allerlei muziek van Whitesnake speelden. "They wrote the songs!" meldde de organisator droogjes, die vervolgens toestond dat de groep een toegift speelde: Here I Go Again, luid meegezongen door het publiek onder de blikken van een chagrijnige Mark Kendall.
Marsdens fysieke verschijning (ouder wordende rocker) leidde ertoe dat hij in 1995 werd gecast door de Duitse omroep ZDF voor de serie Frankie, waarin hij een grijzende mentor van een jonge muzikant speelde; zijn stem werd door een stemacteur nagesynchroniseerd. Er verscheen een soundtrack bij.
Door gebrekkige distributie is Real Faith een een moeilijk verkrijgbaar album, maar liefhebbers kunnen ook terecht op streaming. De hoes die MuMe toont is de originele uit 1994, het verscheen later met andere hoes (2016) en zelfs andere titel en tracklist (2000).
Op het in een studio in Stuttgart opgenomen Real Faith klinkt dan ook blues, bluesrock en rhythm & blues plus één popliedje. Ik heb meer met de hardrockkant (Whitesnake) van de heren, liefhebbers van pure blues zullen hier enthousiaster van worden dan ik.
In de bezetting drummer John Trotter, bassist Peter Stroud, op toetsen de Duitser Volker Kunscher en een gastrol voor de mondharmonica van Mark Feltham, die ook met Rory Gallagher en Gary Moore speelde / zou gaan spelen.
Micky Moody en Bernie Marsden doen afwisselend de leadzang. Dat Marsden als een archeoloog de oorsprong van de elektrische blues had onderzocht op studiereis in Amerika, laat zich horen. Hij besteedt er in zijn biografie veel aandacht aan.
De Midnight Horns, die ik ken van Gary Moores After Hours (1992), zijn ook hier regelmatig te horen. Meer afwisseling is er dankzij Moody die naast gitaar ook mandoline en dobro speelt, te horen op het titelnummer dat bovendien een aangenaam gospelkoortje bevat.
Het rockende Foolin' with My Heart doet aan de dagen met Whitesnake denken; 2000 Miles from Hell is zowel een ode aan het festival in het Noorse dorp Hell als aan Muddy Waters; op Kinda Wish You Would klinkt r&b alsof Keith Richards het schreef. Mijn favoriet is Someday, een aangenaam popliedje van Marsden in jaren '70-stijl. Verder klinkt vooral blues in diverse smaken.
De groep trad frequent in wisselende samenstellingen op, onder andere met toetsenist Don Airey, toetsenist-zanger Tony Ashton plus drummers Zak Starkey, Dave Dowle (ex-Whitesnake) en Terry Williams (ex-Dire Straits).
In Bern, Zwitserland, werd op een festival gespeeld met als headliner de Amerikaanse hardrockgroep Great White, dat niet blij was met de enorme sfeer die de Moody Marsden Band bij het publiek losmaakte. Boos vroeg de zanger zich af waarom die onbekenden allerlei muziek van Whitesnake speelden. "They wrote the songs!" meldde de organisator droogjes, die vervolgens toestond dat de groep een toegift speelde: Here I Go Again, luid meegezongen door het publiek onder de blikken van een chagrijnige Mark Kendall.
Marsdens fysieke verschijning (ouder wordende rocker) leidde ertoe dat hij in 1995 werd gecast door de Duitse omroep ZDF voor de serie Frankie, waarin hij een grijzende mentor van een jonge muzikant speelde; zijn stem werd door een stemacteur nagesynchroniseerd. Er verscheen een soundtrack bij.
Door gebrekkige distributie is Real Faith een een moeilijk verkrijgbaar album, maar liefhebbers kunnen ook terecht op streaming. De hoes die MuMe toont is de originele uit 1994, het verscheen later met andere hoes (2016) en zelfs andere titel en tracklist (2000).
Moody Marsden - The Night the Guitars Came to Play (2000)

3,5
0
geplaatst: 13 januari 2024, 10:57 uur
Livealbum van de heren Micky Moody en Bernie Marsden. Ooit samen werkzaam in Whitesnake, een grote liefde voor de blues delend.
Kijk maar naar wat de heren in de navolgende jaren solo deden: Marsden bracht in 2002 Big Boy Blue uit, in 2008 Blues Rock en een jaar later kwam een ode aan Rory Gallagher uit; Moody kwam in 2002 met het met Paul Williams opgenomen Smokestacks, Broom Dusters & Hoochie Coochie Men en in 2009 de dubbelslag Acoustic Journeyman en Electric Journeyman.
Kortom, akoestische en elektrische blues. Toch zullen Moody en Marsden bij hun meeste fans bekend zijn geworden als vertolkers van hardrock bij het Whitesnake van David Coverdale; Moody is daarbij een gerespecteerd slidegitarist en beiden schreven juweeltjes voor die groep. Gitaristen van het klassieke rockstempel, welke dus elke noot spelen en geen aaneenschakeling van arpeggio's propageren zoals shredders doen.
Ouderwetse bluesrock en soms steviger klinkt op dit live opgenomen The Night the Guitars Came; meestal elektrisch, echter op hun persoonlijke klassieker Ain't Gonna Cry No More en cover Statesboro Blues akoestisch.
De heren speelden vooral eigen werk, afgewisseld met covers van Blind Willie McTell, Freddie King en Fleetwood Mac/Peter Green. Met op bas sessiemuzikant Peter Stroud en op drums Dave Dowle, de stokkenman van Whitesnake op hun eerste albums en inmiddels zijn tuinbedrijf combinerend met incidentele muziekklusjes.
Het was een genoeglijk avondje voor het publiek dat genoot van topmusici met topbluesrock; dat de twee groepsleiders hun instrumenten beheersten moge duidelijk zijn. Op Tore Down bijvoorbeeld zingen de gitaren in een heerlijk gitaarduet, net als in het stampende en instrumentale Whitesnakeoudje Belgian Tom's Hat Trick. Slidegitaar klinkt vooral in Silver on Her Person, dat uitgroeit tot een fel rockertje. Het eveneens uptempo Kinda Wish You Would heeft in het tweestemmige refrein een countrygevoel.
Aanbevolen voor liefhebbers van pakkumbeet ZZ Top, Wishbone Ash en het Thin Lizzy in de jaren '74 - 78. Om maar een richting te duiden.
Kijk maar naar wat de heren in de navolgende jaren solo deden: Marsden bracht in 2002 Big Boy Blue uit, in 2008 Blues Rock en een jaar later kwam een ode aan Rory Gallagher uit; Moody kwam in 2002 met het met Paul Williams opgenomen Smokestacks, Broom Dusters & Hoochie Coochie Men en in 2009 de dubbelslag Acoustic Journeyman en Electric Journeyman.
Kortom, akoestische en elektrische blues. Toch zullen Moody en Marsden bij hun meeste fans bekend zijn geworden als vertolkers van hardrock bij het Whitesnake van David Coverdale; Moody is daarbij een gerespecteerd slidegitarist en beiden schreven juweeltjes voor die groep. Gitaristen van het klassieke rockstempel, welke dus elke noot spelen en geen aaneenschakeling van arpeggio's propageren zoals shredders doen.
Ouderwetse bluesrock en soms steviger klinkt op dit live opgenomen The Night the Guitars Came; meestal elektrisch, echter op hun persoonlijke klassieker Ain't Gonna Cry No More en cover Statesboro Blues akoestisch.
De heren speelden vooral eigen werk, afgewisseld met covers van Blind Willie McTell, Freddie King en Fleetwood Mac/Peter Green. Met op bas sessiemuzikant Peter Stroud en op drums Dave Dowle, de stokkenman van Whitesnake op hun eerste albums en inmiddels zijn tuinbedrijf combinerend met incidentele muziekklusjes.
Het was een genoeglijk avondje voor het publiek dat genoot van topmusici met topbluesrock; dat de twee groepsleiders hun instrumenten beheersten moge duidelijk zijn. Op Tore Down bijvoorbeeld zingen de gitaren in een heerlijk gitaarduet, net als in het stampende en instrumentale Whitesnakeoudje Belgian Tom's Hat Trick. Slidegitaar klinkt vooral in Silver on Her Person, dat uitgroeit tot een fel rockertje. Het eveneens uptempo Kinda Wish You Would heeft in het tweestemmige refrein een countrygevoel.
Aanbevolen voor liefhebbers van pakkumbeet ZZ Top, Wishbone Ash en het Thin Lizzy in de jaren '74 - 78. Om maar een richting te duiden.
Moon Safari - Himlabacken Vol. 2 (2023)

4,0
2
geplaatst: 7 februari 2024, 23:40 uur
Voor mij is Moon Safari een geheel nieuwe band en dat in een genre dat ik vroeger niet zo boeiend vond. De muziek brengt mij terug naar de jaren '80 toen Wim van Putten bij de TROS op donderdagavonden nogal eens symfonische rock (zoals het toen nog heette) liet horen, heel anders dan de hitparadegerichte muziek die de omroep overdag op Hilversum/Radio 3 uitzond.
Eppers' mening van twee berichten hierboven was in eerste instantie ook de mijne, maar omdat ik interessante details hoorde, besloot ik Himlabacken Vol. 2 nogmaals te draaien, waarbij weer andere details om aandacht vroegen.
Enkele luisterbeurten verder is de muziek geland. Het is niet braaf, wel op een vernuftige wijze gelikt klinkend en diverse muzikale lagen bevattend. En het zit gevarieerd in elkaar. Bij opener 198X denk ik met alle bombast en koortjes naar Styx te luisteren, de dikke tien minuten van Between the Devil and Me vertellen zowel qua gevarieerde muziek als tekst een verhaal.
Je zou de muziek een kruising tussen de jaren '80 van Alan Parsons Project en Saga kunnen noemen; groepen die ik slechts oppervlakkig ken, dus verbeter me als ik ernaast zit. Wat ik bedoel is de vriendelijke versie van symfonische rock met veel, véél ruimte voor melodie.
Omdat ik het label progressive rock op de muziek zag geplakt, was ik bij eerste beluisteringen eveneens verbaasd over de betrekkelijke toegankelijkheid van de muziek. Maar na de 88 minuten muziek constateer ik dat hier retrogressive rock klinkt, enerzijds leunend op de symforock van de jaren '80, anderzijds in details (gitaar- en drumwerk) verradend dat dit de jaren 2020 zijn.
Wat ik ook prettig vind, is dat niet alle nummers lang duren, zoals vaak het geval is in progressive rock. Vier van de negen nummers klokken af onder de vier minuten. Hierbij is Beyond the Blue a capella, klinkend als een kerklied.
Mijn favoriet is echter een lang nummer: Teen Angel Meets the Apocalypse duurt 21 minuten en luistert als een filmsoundtrack met de nodige wendingen.
Eppers' mening van twee berichten hierboven was in eerste instantie ook de mijne, maar omdat ik interessante details hoorde, besloot ik Himlabacken Vol. 2 nogmaals te draaien, waarbij weer andere details om aandacht vroegen.
Enkele luisterbeurten verder is de muziek geland. Het is niet braaf, wel op een vernuftige wijze gelikt klinkend en diverse muzikale lagen bevattend. En het zit gevarieerd in elkaar. Bij opener 198X denk ik met alle bombast en koortjes naar Styx te luisteren, de dikke tien minuten van Between the Devil and Me vertellen zowel qua gevarieerde muziek als tekst een verhaal.
Je zou de muziek een kruising tussen de jaren '80 van Alan Parsons Project en Saga kunnen noemen; groepen die ik slechts oppervlakkig ken, dus verbeter me als ik ernaast zit. Wat ik bedoel is de vriendelijke versie van symfonische rock met veel, véél ruimte voor melodie.
Omdat ik het label progressive rock op de muziek zag geplakt, was ik bij eerste beluisteringen eveneens verbaasd over de betrekkelijke toegankelijkheid van de muziek. Maar na de 88 minuten muziek constateer ik dat hier retrogressive rock klinkt, enerzijds leunend op de symforock van de jaren '80, anderzijds in details (gitaar- en drumwerk) verradend dat dit de jaren 2020 zijn.
Wat ik ook prettig vind, is dat niet alle nummers lang duren, zoals vaak het geval is in progressive rock. Vier van de negen nummers klokken af onder de vier minuten. Hierbij is Beyond the Blue a capella, klinkend als een kerklied.
Mijn favoriet is echter een lang nummer: Teen Angel Meets the Apocalypse duurt 21 minuten en luistert als een filmsoundtrack met de nodige wendingen.
Morgendust - Morgendust (2023)

4,5
1
geplaatst: 20 mei 2023, 09:15 uur
Ik kwam deze band tegen via… Instagram. Of eigenlijk kwamen ze mij tegen. Kennelijk heeft het Alwetende Algoritme daarvan in de gaten dat dit mogelijk interessant voor mij zou zijn. In diverse (al dan niet online) magazines kreeg het titelloze album van Morgendust een lovende recensie, hier op MuMe bleef het stil, op één stem na. Altijd leuk om de spits af te bijten!
Bij Morgendust klinkt alternatieve gitaarwave, die je zowel terugbrengt naar de vroege jaren ’80 als de revival van dat genre die rond 2005 de kop opstak. Je zou een term als ‘postpunk’ kunnen gebruiken, maar dat associeer ik toch met donkerder sferen dan Morgendust doet. Bij hen klinkt weliswaar melancholie maar dan zonder somber te worden. Lichte weemoed.
Een strakke ritmesectie vormt de basis van de muziek, het geluid wordt bij voorbaat vol gemaakt door een toetsenbed waaroverheen sterke gitaarlijnen en melodieën zweven, met een licht-rauw randje in de zang. Een volle, warme productie maakt het geluidsplaatje compleet.
Ik zou met allerlei grote namen kunnen vergelijken. Ga ik niet doen. Morgendust heeft binnen dit genre een eigen geluid en weet héél goed hoe je sterke en gevarieerde liedjes moet schrijven.
Drie nummers die me opvielen (de lijst is bepaald niet volledig): het vlotte 1982 beitelt zich onmiddellijk in mijn hoofd met die stevige gitaren en kekke synthgeluidjes erbij, het midtempo Would it Hurt You? deint langzaam-swingend rond in mijn huis, Realtime klinkt in het intro bijna dreigend als in een thriller en bevat huilende gitaarlijnen; prachtig!
Een band die op de Lowlands en Best Kept Secrets en Rock Werchters van onze lage landen thuishoort en het ook in popzalen alleen maar goed kan doen. Ik ga bij het doorspitten van de concertagenda’s deze naam in de gaten houden.
Morgendust. Gitaarwave. Alleen maar sterke liedjes. Veel variatie. Mooie melodieën. Sterke zang. Een ingespeelde band. Vol geproduceerd. Een dikke 9.
PS Ze zijn Nederlands. Niet verder vertellen. Menigeen denkt dat het dan niet goed kan zijn. Dit is van internationale klasse. Gewoon uit Zwolle. Ja, dat kan. Weg met de vooroordelen.
Bij Morgendust klinkt alternatieve gitaarwave, die je zowel terugbrengt naar de vroege jaren ’80 als de revival van dat genre die rond 2005 de kop opstak. Je zou een term als ‘postpunk’ kunnen gebruiken, maar dat associeer ik toch met donkerder sferen dan Morgendust doet. Bij hen klinkt weliswaar melancholie maar dan zonder somber te worden. Lichte weemoed.
Een strakke ritmesectie vormt de basis van de muziek, het geluid wordt bij voorbaat vol gemaakt door een toetsenbed waaroverheen sterke gitaarlijnen en melodieën zweven, met een licht-rauw randje in de zang. Een volle, warme productie maakt het geluidsplaatje compleet.
Ik zou met allerlei grote namen kunnen vergelijken. Ga ik niet doen. Morgendust heeft binnen dit genre een eigen geluid en weet héél goed hoe je sterke en gevarieerde liedjes moet schrijven.
Drie nummers die me opvielen (de lijst is bepaald niet volledig): het vlotte 1982 beitelt zich onmiddellijk in mijn hoofd met die stevige gitaren en kekke synthgeluidjes erbij, het midtempo Would it Hurt You? deint langzaam-swingend rond in mijn huis, Realtime klinkt in het intro bijna dreigend als in een thriller en bevat huilende gitaarlijnen; prachtig!
Een band die op de Lowlands en Best Kept Secrets en Rock Werchters van onze lage landen thuishoort en het ook in popzalen alleen maar goed kan doen. Ik ga bij het doorspitten van de concertagenda’s deze naam in de gaten houden.
Morgendust. Gitaarwave. Alleen maar sterke liedjes. Veel variatie. Mooie melodieën. Sterke zang. Een ingespeelde band. Vol geproduceerd. Een dikke 9.
PS Ze zijn Nederlands. Niet verder vertellen. Menigeen denkt dat het dan niet goed kan zijn. Dit is van internationale klasse. Gewoon uit Zwolle. Ja, dat kan. Weg met de vooroordelen.
