Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
John Blek - The Midnight Ache (2026)

4,0
1
geplaatst: gisteren om 16:54 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: John Blek - The Midnight Ache - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: John Blek - The Midnight Ache
John Blek heeft de afgelopen jaren een serie uitstekende albums afgeleverd en ook met het deze week verschenen The Midnight Ache levert de Ierse muzikant weer een zeer aangenaam album van hoge kwaliteit af
Het duurde even voor ik in de gaten had hoe goed de Ierse singer-songwriter John Blek is, maar de laatste jaren vind ik eigenlijk al zijn albums goed. Het geldt ook weer voor het deze week verschenen The Midnight Ache. Het is een album dat goed aansluit op de vorige albums van de Ierse muzikant, wat betekent dat het een album is met folky singer-songwriter pop. Het is een album met lekker in het gehoor liggende songs en sfeervolle klanken. The Midnight Ache dringt zich nog wat makkelijker op door de zeer aangename stem van John Blek, die ook nog eens prima songs schrijft. The Midnight Ache is ongeveer wat ik had verwacht van een nieuw album van John Blek, maar het valt me zeker niet tegen.
Het duurde even voor ik de muziek van John Blek op het netvlies (en trommelvlies) had, maar sindsdien kan de Ierse singer-songwriter op mijn warme sympathie rekenen. De muzikant uit het Ierse Cork heeft inmiddels een respectabel stapeltje albums op zijn naam staan, want als ik de albums die hij maakte met zijn band The Rats mee tel, staat de teller inmiddels op tien albums.
Van die albums vind ik On Ether & Air uit 2021 het mooist, maar de laatste vijf albums van John Blek waren wat mij betreft allemaal bovengemiddeld goed. Op al zijn albums maakt John Blek muziek die past in het hokje folky singer-songwriter muziek. De songs van de Ierse muzikant zijn toegankelijk en melodieus en hebben vaak een jaren 70 vibe. Dat gaat er bij mij over het algemeen goed in en John Blek beschikt ook nog eens over een zeer aangename stem, die de warme klanken op zijn albums voorziet van nog net wat meer warmte.
Het deze week verschenen The Midnight Ache sluit goed aan op de laatste vijf albums van John Blek en laat geen grote verrassingen horen. Ook The Midnight Ache klinkt vanaf de eerste noten zeer aangenaam en toegankelijk. De warme klanken op het album geven je onmiddellijk een goed gevoel, waarna de stem van John Blek er nog een schepje bovenop doet.
De Ierse muzikant laat zich in vocaal opzicht subtiel begeleiden door Ciara O'Leary Fitzpatrick, die een fraai randje toevoegt aan zijn stem. Het is een subtiele toevoeging, maar het doet wat mij betreft veel met de zang op The Midnight Ache, zeker als het extra vocale randje van Ciara O'Leary Fitzpatrick bijna zorgt voor harmonieën.
Ook in muzikaal opzicht is The Midnight Ache een zeer smaakvol album. John Blek kan op zich prima uit de voeten met songs die genoeg hebben aan de akoestische gitaar en zijn stem, maar gedoseerde bijdragen van piano, keyboards, bas en drums zorgen voor een wat voller en warmer geluid, waarna bijdragen van cello en viool nog wat stemmige accenten toevoegen aan de songs van John Blek.
In een aantal recensies van het album komen de predicaten ‘mellow’ en ‘lo-fi’ voorbij. De eerste begrijp ik en is terecht, maar lo-fi vind ik het nieuwe album van John Blek zeker niet. Het is absoluut een album zonder veel opsmuk, maar het album klinkt prachtig en is in alle opzichten smaakvol en sfeervol.
Het is een album dat misschien niet heel veel nieuws brengt, maar het ruime half uur muziek op The Midnight Ache is nu al goed voor een aantal aangename winteravonden en ik heb het idee dat de nieuwe muziek van John Blek het minstens even goed gaat doen bij een lentezonnetje of een zomerbriesje.
Ik ben lang niet altijd gek op mannelijke singer-songwriters en zeker niet op mannelijke singer-songwriters die opereren in het segment waarin John Blek opereert, maar ik heb wel wat met de muziek van de Ierse muzikant en vind The Midnight Ache niet minder dan zijn voorgangers.
Net als bijvoorbeeld de Canadese muzikant Ron Sexsmith maakt John Blek niet alleen albums die bijzonder lekker klinken, maar die ook een uitstekend gevoel voor het schrijven van memorabele songs verraden. Dat laatste zorgt er voor dat The Midnight Ache zich niet alleen makkelijk opdringt bij eerste beluistering, maar ook leuk en interessant blijft wanneer je het album vaker hoort. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: John Blek - The Midnight Ache - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: John Blek - The Midnight Ache
John Blek heeft de afgelopen jaren een serie uitstekende albums afgeleverd en ook met het deze week verschenen The Midnight Ache levert de Ierse muzikant weer een zeer aangenaam album van hoge kwaliteit af
Het duurde even voor ik in de gaten had hoe goed de Ierse singer-songwriter John Blek is, maar de laatste jaren vind ik eigenlijk al zijn albums goed. Het geldt ook weer voor het deze week verschenen The Midnight Ache. Het is een album dat goed aansluit op de vorige albums van de Ierse muzikant, wat betekent dat het een album is met folky singer-songwriter pop. Het is een album met lekker in het gehoor liggende songs en sfeervolle klanken. The Midnight Ache dringt zich nog wat makkelijker op door de zeer aangename stem van John Blek, die ook nog eens prima songs schrijft. The Midnight Ache is ongeveer wat ik had verwacht van een nieuw album van John Blek, maar het valt me zeker niet tegen.
Het duurde even voor ik de muziek van John Blek op het netvlies (en trommelvlies) had, maar sindsdien kan de Ierse singer-songwriter op mijn warme sympathie rekenen. De muzikant uit het Ierse Cork heeft inmiddels een respectabel stapeltje albums op zijn naam staan, want als ik de albums die hij maakte met zijn band The Rats mee tel, staat de teller inmiddels op tien albums.
Van die albums vind ik On Ether & Air uit 2021 het mooist, maar de laatste vijf albums van John Blek waren wat mij betreft allemaal bovengemiddeld goed. Op al zijn albums maakt John Blek muziek die past in het hokje folky singer-songwriter muziek. De songs van de Ierse muzikant zijn toegankelijk en melodieus en hebben vaak een jaren 70 vibe. Dat gaat er bij mij over het algemeen goed in en John Blek beschikt ook nog eens over een zeer aangename stem, die de warme klanken op zijn albums voorziet van nog net wat meer warmte.
Het deze week verschenen The Midnight Ache sluit goed aan op de laatste vijf albums van John Blek en laat geen grote verrassingen horen. Ook The Midnight Ache klinkt vanaf de eerste noten zeer aangenaam en toegankelijk. De warme klanken op het album geven je onmiddellijk een goed gevoel, waarna de stem van John Blek er nog een schepje bovenop doet.
De Ierse muzikant laat zich in vocaal opzicht subtiel begeleiden door Ciara O'Leary Fitzpatrick, die een fraai randje toevoegt aan zijn stem. Het is een subtiele toevoeging, maar het doet wat mij betreft veel met de zang op The Midnight Ache, zeker als het extra vocale randje van Ciara O'Leary Fitzpatrick bijna zorgt voor harmonieën.
Ook in muzikaal opzicht is The Midnight Ache een zeer smaakvol album. John Blek kan op zich prima uit de voeten met songs die genoeg hebben aan de akoestische gitaar en zijn stem, maar gedoseerde bijdragen van piano, keyboards, bas en drums zorgen voor een wat voller en warmer geluid, waarna bijdragen van cello en viool nog wat stemmige accenten toevoegen aan de songs van John Blek.
In een aantal recensies van het album komen de predicaten ‘mellow’ en ‘lo-fi’ voorbij. De eerste begrijp ik en is terecht, maar lo-fi vind ik het nieuwe album van John Blek zeker niet. Het is absoluut een album zonder veel opsmuk, maar het album klinkt prachtig en is in alle opzichten smaakvol en sfeervol.
Het is een album dat misschien niet heel veel nieuws brengt, maar het ruime half uur muziek op The Midnight Ache is nu al goed voor een aantal aangename winteravonden en ik heb het idee dat de nieuwe muziek van John Blek het minstens even goed gaat doen bij een lentezonnetje of een zomerbriesje.
Ik ben lang niet altijd gek op mannelijke singer-songwriters en zeker niet op mannelijke singer-songwriters die opereren in het segment waarin John Blek opereert, maar ik heb wel wat met de muziek van de Ierse muzikant en vind The Midnight Ache niet minder dan zijn voorgangers.
Net als bijvoorbeeld de Canadese muzikant Ron Sexsmith maakt John Blek niet alleen albums die bijzonder lekker klinken, maar die ook een uitstekend gevoel voor het schrijven van memorabele songs verraden. Dat laatste zorgt er voor dat The Midnight Ache zich niet alleen makkelijk opdringt bij eerste beluistering, maar ook leuk en interessant blijft wanneer je het album vaker hoort. Erwin Zijleman
John Blek - Until the Rivers Run Dry (2023)

4,0
1
geplaatst: 27 februari 2023, 17:34 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Blek - Until The Rivers Run Dry - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Blek - Until The Rivers Run Dry
John Blek heeft de traditionele folk wat achter zich gelaten op zijn nieuwe album Until The Rivers Run Dry en kleurt de koude winteravonden prachtig in met sfeervolle klanken en warme vocalen
Op een of andere manier vallen de albums van de Ierse muzikant John Blek bij mij bijna altijd tussen wal en schip. Daar was ook het onlangs verschenen Until The Rivers Run Dry bijna terecht gekomen, maar gelukkig was ik op tijd bij de les. Sindsdien is het nieuwe album van de Ierse muzikant me steeds dierbaarder geworden. Vooral wanneer de zon onder is komen de warme en sfeervolle klanken op het album op fraaie wijze tot leven. Door alle strijkers doet het hier en daar wat zoet aan, maar het past prachtig bij de warme stem van de Ierse muzikant, die op Until The Rivers Run Dry flink wat invloeden uit de jaren 70 heeft geïncorporeerd in zijn nog altijd herkenbare geluid.
Door wat gegoochel met de releasedatum en het pas later beschikbaar maken van het album via de streaming media diensten, had ik Until The Rivers Run Dry van John Blek bijna gemist. Ik heb sowieso al geen gelukkige relatie met de muziek van de Ierse singer-songwriter, want van de twee albums die hij maakte met zijn band The Rats en de vijf soloalbums die hij tot voor kort afleverde, pikte ik alleen The Embers uit 2000 op. Ik heb daar geen goede verklaring voor, want het is zeker niet zo dat The Embers een buitenbeentje is in het inmiddels respectabele oeuvre van John Blek.
Ook het onlangs verschenen Until The Rivers Run Dry is dat zeker niet, al worden de songs van de Ierse muzikant wel steeds iets toegankelijker en klinkt zijn muziek bovendien voller. Until The Rivers Run Dry klinkt hierdoor toch wel wat anders dan de vroege en wat meer folk georiënteerde albums van John Blek, al heeft de muzikant uit het Ierse Cork wel op al zijn albums een herkenbaar eigen geluid.
Op Until The Rivers Run Dry heeft John Blek zich omringd met een aantal Ierse muzikanten, onder wie zangeres Cathy Davey, pianist Kit Downes, bassist Chris McCarthy en drummer Davey Ryan. Verder is er op het album een belangrijke rol weggelegd voor de strijkers van Colm Mac Con Iomaire, die we kennen van The Frames. Met name de inzet van strijkers voorziet Until The Rivers Run Dry van een geluid dat door de Britse muziekpers vooral wordt omschreven als romantisch en dat is wat mij betreft een vlag die de lading prima dekt.
John Blek neemt op zijn nieuwe album wat meer afstand van de traditioneel aandoende folk die hij in het verleden nog wel eens maakte en kiest voor folky pop. Het is folky pop die, mede door de inzet van de strijkers en het warme en organische geluid, herinnert aan de muziek die in de jaren 70 werd gemaakt, maar het is ook nog altijd muziek die het aangename stempel van John Blek draagt.
De Ierse muzikant is gezegend met een bijzonder aangenaam stemgeluid, dat er voor zorgt dat zijn al zo warm ingekleurde songs nog wat warmer klinken. Het is een stem die aan diepte heeft gewonnen door de volle en sfeervolle klanken op het album, waardoor Until The Rivers Run Dry me nog meer overtuigt dan het drie jaar geleden verschenen The Embers, tot voor kort het enige album van John Blek dat ik oppikte.
Door de stemmige organische klanken en de fraaie arrangementen van strijkers is het nieuwe album van John Blek een album dat het uitstekend doet op de late avond, zeker wanneer de buitentemperatuur tegen het vriespunt aankruipt. Enige liefde voor ‘romantische’ klanken is wel nodig om van Until The Rivers Run Dry te kunnen genieten, want het album is absoluut wat aan de zoete en brave kant.
Daar ben ik overigens lang niet altijd gek op, maar John Blek heeft meer te bieden dan de meeste van zijn collega’s in dit genre. De instrumentatie en de songs op het album schuren tegen het zoetsappige aan, maar blijven wat mij betreft aan de goede kant van de streep door de hoge kwaliteit van zowel de songs als de muziek. John Blek is bovendien een uitstekend zanger, die zijn songs met veel gevoel vertolkt, waardoor deze songs je een voor een veroveren. Ik had het album zoals gezegd bijna gemist, maar dat zou echt zonde zijn geweest. Zeker nu de temperaturen buiten weer flink dalen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Blek - Until The Rivers Run Dry - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Blek - Until The Rivers Run Dry
John Blek heeft de traditionele folk wat achter zich gelaten op zijn nieuwe album Until The Rivers Run Dry en kleurt de koude winteravonden prachtig in met sfeervolle klanken en warme vocalen
Op een of andere manier vallen de albums van de Ierse muzikant John Blek bij mij bijna altijd tussen wal en schip. Daar was ook het onlangs verschenen Until The Rivers Run Dry bijna terecht gekomen, maar gelukkig was ik op tijd bij de les. Sindsdien is het nieuwe album van de Ierse muzikant me steeds dierbaarder geworden. Vooral wanneer de zon onder is komen de warme en sfeervolle klanken op het album op fraaie wijze tot leven. Door alle strijkers doet het hier en daar wat zoet aan, maar het past prachtig bij de warme stem van de Ierse muzikant, die op Until The Rivers Run Dry flink wat invloeden uit de jaren 70 heeft geïncorporeerd in zijn nog altijd herkenbare geluid.
Door wat gegoochel met de releasedatum en het pas later beschikbaar maken van het album via de streaming media diensten, had ik Until The Rivers Run Dry van John Blek bijna gemist. Ik heb sowieso al geen gelukkige relatie met de muziek van de Ierse singer-songwriter, want van de twee albums die hij maakte met zijn band The Rats en de vijf soloalbums die hij tot voor kort afleverde, pikte ik alleen The Embers uit 2000 op. Ik heb daar geen goede verklaring voor, want het is zeker niet zo dat The Embers een buitenbeentje is in het inmiddels respectabele oeuvre van John Blek.
Ook het onlangs verschenen Until The Rivers Run Dry is dat zeker niet, al worden de songs van de Ierse muzikant wel steeds iets toegankelijker en klinkt zijn muziek bovendien voller. Until The Rivers Run Dry klinkt hierdoor toch wel wat anders dan de vroege en wat meer folk georiënteerde albums van John Blek, al heeft de muzikant uit het Ierse Cork wel op al zijn albums een herkenbaar eigen geluid.
Op Until The Rivers Run Dry heeft John Blek zich omringd met een aantal Ierse muzikanten, onder wie zangeres Cathy Davey, pianist Kit Downes, bassist Chris McCarthy en drummer Davey Ryan. Verder is er op het album een belangrijke rol weggelegd voor de strijkers van Colm Mac Con Iomaire, die we kennen van The Frames. Met name de inzet van strijkers voorziet Until The Rivers Run Dry van een geluid dat door de Britse muziekpers vooral wordt omschreven als romantisch en dat is wat mij betreft een vlag die de lading prima dekt.
John Blek neemt op zijn nieuwe album wat meer afstand van de traditioneel aandoende folk die hij in het verleden nog wel eens maakte en kiest voor folky pop. Het is folky pop die, mede door de inzet van de strijkers en het warme en organische geluid, herinnert aan de muziek die in de jaren 70 werd gemaakt, maar het is ook nog altijd muziek die het aangename stempel van John Blek draagt.
De Ierse muzikant is gezegend met een bijzonder aangenaam stemgeluid, dat er voor zorgt dat zijn al zo warm ingekleurde songs nog wat warmer klinken. Het is een stem die aan diepte heeft gewonnen door de volle en sfeervolle klanken op het album, waardoor Until The Rivers Run Dry me nog meer overtuigt dan het drie jaar geleden verschenen The Embers, tot voor kort het enige album van John Blek dat ik oppikte.
Door de stemmige organische klanken en de fraaie arrangementen van strijkers is het nieuwe album van John Blek een album dat het uitstekend doet op de late avond, zeker wanneer de buitentemperatuur tegen het vriespunt aankruipt. Enige liefde voor ‘romantische’ klanken is wel nodig om van Until The Rivers Run Dry te kunnen genieten, want het album is absoluut wat aan de zoete en brave kant.
Daar ben ik overigens lang niet altijd gek op, maar John Blek heeft meer te bieden dan de meeste van zijn collega’s in dit genre. De instrumentatie en de songs op het album schuren tegen het zoetsappige aan, maar blijven wat mij betreft aan de goede kant van de streep door de hoge kwaliteit van zowel de songs als de muziek. John Blek is bovendien een uitstekend zanger, die zijn songs met veel gevoel vertolkt, waardoor deze songs je een voor een veroveren. Ik had het album zoals gezegd bijna gemist, maar dat zou echt zonde zijn geweest. Zeker nu de temperaturen buiten weer flink dalen. Erwin Zijleman
John Calvin Abney - Tourist (2022)

4,0
0
geplaatst: 17 augustus 2022, 16:06 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Calvin Abney - Tourist - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Calvin Abney - Tourist
John Calvin Abney heeft de perfecte soundtrack voor te warme zomerdagen gemaakt, maar vergeet niet om te luisteren naar alle schoonheid die de Amerikaanse muzikant in zijn songs heeft verstopt
Ik was de naam van John Calvin Abney nog niet eerder tegengekomen, maar met zijn vijfde album had de muzikant uit Austin, Texas, me onmiddellijk te pakken. Tourist heeft een aangename jaren 70 vibe, maar klinkt door de subtiele inzet van elektronica ook modern. De muziek van John Calvin Abney is loom en dromerig, wat Tourist zeer geschikt maakt voor de weersomstandigheden van de afgelopen week. Ondertussen zitten de songs van de Amerikaanse muzikant ook bijzonder knap in elkaar, waardoor je wegdromen blijft afwisselen met aandachtig luisteren. Tourist is al het vijfde album van de Amerikaanse muzikant en het is wat mij betreft zijn beste tot dusver. Aanrader dit album.
John Calvin Abney is een muzikant uit Austin, Texas, die vorige week met Tourist alweer zijn vijfde album afleverde. Ik was zijn naam eerlijk gezegd nog niet eerder tegengekomen, maar in een week met nauwelijks nieuwe releases was er geen ontsnappen aan. Ik ben overigens heel blij dat ik de Amerikaanse muzikant heb ontdekt, want Tourist is een buitengewoon aangenaam en bijzonder mooi album.
De muzikant uit Austin ziet Tourist zelf als een ‘companion piece’ bij het in 2020 verschenen Familiar Ground, dat ik daarom ook maar eens heb beluisterd. Het is net als Tourist een album dat het uitstekend doet bij de hoge temperaturen van de afgelopen week. John Calvin Abney combineert op Familiar Ground invloeden uit de jaren 70 countryrock met invloeden uit de singer-songwriter muziek uit hetzelfde decennium.
De Amerikaanse muzikant voorziet deze invloeden vervolgens van een eigentijds tintje door zijn muziek een Elliott Smith vibe mee te geven, al prefereert John Calvin Abney de zonnestralen boven de donkere wolken van de betreurde Elliott Smith. Het levert een album op om heerlijk bij te luieren of om broeierige zomeravonden mee op te luisteren. Het is een album dat twee jaar geleden niet aan mijn aandacht had mogen ontsnappen, maar gelukkig was ik bij de release van Tourist wel bij de les.
Het vijfde album van de Texaanse muzikant werd opgenomen in een flink aantal hotelkamers in California, Nevada, Texas en Oklahoma en klinkt nog wat meer ontspannen dan het al zo rustgevende Familiar Ground. Tourist is zoals gezegd de ‘companion piece’ bij dit album, maar dat betekent niet dat de albums hetzelfde klinken. Invloeden uit de countryrock hebben op Tourist wat aan terrein verloren, maar het album ademt nog steeds deels de sfeer van de jaren 70.
John Calvin Abney wordt op Tourist bijgestaan door de Amerikaanse muzikant John Moreland, die zijn Amerikaanse rootsmuziek op het onlangs verschenen Birds In The Ceiling bijzonder fraai verrijkte met subtiel ingezette elektronica. John Moreland, die Tourist samen met John Calvin Abney produceerde, heeft deze elektronica ook meegenomen naar de plekken waar Tourist werd opgenomen, maar de elektronische impulsen zijn subtieler dan op het genoemde Birds In The Ceiling.
Tourist van John Calvin Abney benevelt makkelijk met de lome klanken op het album en de dromerige stem van de Amerikaanse muzikant, maar het is veel meer dan een soundtrack voor te warme zomerdagen. De muziek op het album is echt prachtig en ook de zang vind ik zeer trefzeker. De meeste kracht schuilt echter in de songs, die een tijdloos karakter hebben, maar ook zeker eigentijds klinken en bijzonder knap in elkaar zitten.
Laat Tourist van John Calvin Abney uit de speakers komen en het album neemt je al snel mee naar dromenland, maar beluister het album met de koptelefoon en je blijft je verbazen over alle schoonheid en al het avontuur op het album. Ik ben inmiddels ook de rest van het oeuvre van de muzikant uit Austin aan het beluisteren en heb John Calvin Abney inmiddels hoog zitten, maar van het stapeltje albums vind ik Tourist wel het mooist. Er is een hopeloze week uitgekozen voor de release van dit album, maar het is een album dat echt alle aandacht verdient en dat menig muziekliefhebber meedogenloos zal verleiden. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Calvin Abney - Tourist - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Calvin Abney - Tourist
John Calvin Abney heeft de perfecte soundtrack voor te warme zomerdagen gemaakt, maar vergeet niet om te luisteren naar alle schoonheid die de Amerikaanse muzikant in zijn songs heeft verstopt
Ik was de naam van John Calvin Abney nog niet eerder tegengekomen, maar met zijn vijfde album had de muzikant uit Austin, Texas, me onmiddellijk te pakken. Tourist heeft een aangename jaren 70 vibe, maar klinkt door de subtiele inzet van elektronica ook modern. De muziek van John Calvin Abney is loom en dromerig, wat Tourist zeer geschikt maakt voor de weersomstandigheden van de afgelopen week. Ondertussen zitten de songs van de Amerikaanse muzikant ook bijzonder knap in elkaar, waardoor je wegdromen blijft afwisselen met aandachtig luisteren. Tourist is al het vijfde album van de Amerikaanse muzikant en het is wat mij betreft zijn beste tot dusver. Aanrader dit album.
John Calvin Abney is een muzikant uit Austin, Texas, die vorige week met Tourist alweer zijn vijfde album afleverde. Ik was zijn naam eerlijk gezegd nog niet eerder tegengekomen, maar in een week met nauwelijks nieuwe releases was er geen ontsnappen aan. Ik ben overigens heel blij dat ik de Amerikaanse muzikant heb ontdekt, want Tourist is een buitengewoon aangenaam en bijzonder mooi album.
De muzikant uit Austin ziet Tourist zelf als een ‘companion piece’ bij het in 2020 verschenen Familiar Ground, dat ik daarom ook maar eens heb beluisterd. Het is net als Tourist een album dat het uitstekend doet bij de hoge temperaturen van de afgelopen week. John Calvin Abney combineert op Familiar Ground invloeden uit de jaren 70 countryrock met invloeden uit de singer-songwriter muziek uit hetzelfde decennium.
De Amerikaanse muzikant voorziet deze invloeden vervolgens van een eigentijds tintje door zijn muziek een Elliott Smith vibe mee te geven, al prefereert John Calvin Abney de zonnestralen boven de donkere wolken van de betreurde Elliott Smith. Het levert een album op om heerlijk bij te luieren of om broeierige zomeravonden mee op te luisteren. Het is een album dat twee jaar geleden niet aan mijn aandacht had mogen ontsnappen, maar gelukkig was ik bij de release van Tourist wel bij de les.
Het vijfde album van de Texaanse muzikant werd opgenomen in een flink aantal hotelkamers in California, Nevada, Texas en Oklahoma en klinkt nog wat meer ontspannen dan het al zo rustgevende Familiar Ground. Tourist is zoals gezegd de ‘companion piece’ bij dit album, maar dat betekent niet dat de albums hetzelfde klinken. Invloeden uit de countryrock hebben op Tourist wat aan terrein verloren, maar het album ademt nog steeds deels de sfeer van de jaren 70.
John Calvin Abney wordt op Tourist bijgestaan door de Amerikaanse muzikant John Moreland, die zijn Amerikaanse rootsmuziek op het onlangs verschenen Birds In The Ceiling bijzonder fraai verrijkte met subtiel ingezette elektronica. John Moreland, die Tourist samen met John Calvin Abney produceerde, heeft deze elektronica ook meegenomen naar de plekken waar Tourist werd opgenomen, maar de elektronische impulsen zijn subtieler dan op het genoemde Birds In The Ceiling.
Tourist van John Calvin Abney benevelt makkelijk met de lome klanken op het album en de dromerige stem van de Amerikaanse muzikant, maar het is veel meer dan een soundtrack voor te warme zomerdagen. De muziek op het album is echt prachtig en ook de zang vind ik zeer trefzeker. De meeste kracht schuilt echter in de songs, die een tijdloos karakter hebben, maar ook zeker eigentijds klinken en bijzonder knap in elkaar zitten.
Laat Tourist van John Calvin Abney uit de speakers komen en het album neemt je al snel mee naar dromenland, maar beluister het album met de koptelefoon en je blijft je verbazen over alle schoonheid en al het avontuur op het album. Ik ben inmiddels ook de rest van het oeuvre van de muzikant uit Austin aan het beluisteren en heb John Calvin Abney inmiddels hoog zitten, maar van het stapeltje albums vind ik Tourist wel het mooist. Er is een hopeloze week uitgekozen voor de release van dit album, maar het is een album dat echt alle aandacht verdient en dat menig muziekliefhebber meedogenloos zal verleiden. Erwin Zijleman
John Calvin Abney - Transparent Towns (2025)

4,0
0
geplaatst: 26 september 2025, 16:22 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: John Calvin Abney - Transparant Towns - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: John Calvin Abney - Transparant Towns
De zomer lijkt nu echt plaats te gaan maken voor de herfst, maar laat Transparant Towns van de Amerikaanse muzikant John Calvin Abney uit de speakers komen en de warme en lome zomeravonden zijn direct weer terug
Tourist was drie jaar geleden het zesde album van John Calvin Abney, maar mijn eerste kennismaking met de muzikant uit Tulsa. Het was een kennismaking die naar veel meer smaakte, wat de stevig door 70s countryrock beïnvloede muziek van John Calvin Abney klonk onweerstaanbaar lekker. Dat geldt ook weer voor het deze week verschenen zevende album van de Amerikaanse muzikant. Het is een album dat in het verlengde ligt van Tourist, maar de muziek en de zang zijn nog wat mooier en de songs nog wat aansprekender. Zeer warm aanbevolen dus.
Ook binnen de Amerikaanse rootsmuziek gaat mijn persoonlijke voorkeur absoluut uit naar vrouwenstemmen, maar ik kon in de zomer van 2022 echt niet om Tourist van John Calvin Abney heen. Ik noemde het album in mijn recensie op deze site een soundtrack voor te warme zomerdagen en dat is een omschrijving waar ik me nog steeds in kan vinden. De combinatie van 70s singer-songwriter muziek en countryrock uit dezelfde periode nodigde immers uit tot luieren in de zon of deed in ieder geval verlangen naar luieren in de zon.
Tourist bleek al het zesde album van de Amerikaanse muzikant en inmiddels weet ik dat Tourist zeker niet zijn enige interessante album is. All reden dus om uit te kijken naar een nieuw album van John Calvin Abney, dat deze week, na een stilte van net iets meer dan drie jaar is verschenen.
Tourist werd gemaakt tijdens de coronapandemie, maar ook het opnemen van Transparant Towns vond plaats in een lastige periode. John Calvin Abney onderging in 2023 een operatie aan zijn stembanden, waardoor hij de tijd moest nemen voor het maken van zijn nieuwe album. Het is zeker niet ten koste gegaan van de kwaliteit, want net als Tourist drie jaar geleden is ook Transparant Towns een album dat zich bij mij onmiddellijk opdrong.
In muzikaal opzicht is er niet zo gek veel veranderd. Ook op zijn nieuwe album maakt de muzikant uit Tulsa, Oklahoma, geen geheim van zijn liefde voor de countryrock en singer-songwriter muziek uit de jaren 70, al klinkt het zevende album van John Calvin Abney ook zeker eigentijds. Net als op Tourist doet de muziek van John Calvin Abney op Transparant Towns heel af en toe denken aan Elliott Smith, maar dan wel Elliott Smith die de zonnige kant van het leven ziet.
Er is nog veel meer te horen in de muziek van John Calvin Abney, want in een aantal songs hoor je ook wat Beatlesque ingrediënten of duikt een liefde voor de genialiteit van Brian Wilson op. Het is daarom raadzaam om Transparant Towns met de nodige aandacht te beluisteren, maar net als zijn voorganger is het ook een heerlijk album om bij weg te dromen en nog even te mijmeren over het einde van de zomer.
John Calvin Abney produceerde zijn nieuwe album zelf, maar hij reserveerde in de studio wel wat ruimte voor bijdragen van prima muzikanten, die onder andere viool, orgel en pedal steel toevoegen aan de muziek op het album. Het zorgt voor een mooi warm geluid, waaraan in twee tracks ook nog vocale bijdragen van John Moreland en Lydia Loveless worden toegevoegd.
Net als zijn voorganger drong Transparant Towns zich zoals gezegd genadeloos op, maar nog meer dan Tourist is het nieuwe album van John Calvin Abney een album dat nog flink lang door groeit. Ik koester nog altijd de vrouwenstemmen binnen de Amerikaanse rootsmuziek, maar wat ben ik ook gecharmeerd van de zang van John Calvin Abney, die anders klinkt dan de meeste andere zangers in de genres waarin hij opereert.
Net als de muziek draagt ook de zang nadrukkelijk bij aan de pure klasse van Transparant Towns, dat ook nog eens tien songs bevat waarvan je alleen maar kunt houden. Het zal zo langzamerhand wel duidelijk zijn dat liefhebbers van singer-songwriters met een liefde voor rootsmuziek dit album maar beter niet kunnen laten liggen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: John Calvin Abney - Transparant Towns - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: John Calvin Abney - Transparant Towns
De zomer lijkt nu echt plaats te gaan maken voor de herfst, maar laat Transparant Towns van de Amerikaanse muzikant John Calvin Abney uit de speakers komen en de warme en lome zomeravonden zijn direct weer terug
Tourist was drie jaar geleden het zesde album van John Calvin Abney, maar mijn eerste kennismaking met de muzikant uit Tulsa. Het was een kennismaking die naar veel meer smaakte, wat de stevig door 70s countryrock beïnvloede muziek van John Calvin Abney klonk onweerstaanbaar lekker. Dat geldt ook weer voor het deze week verschenen zevende album van de Amerikaanse muzikant. Het is een album dat in het verlengde ligt van Tourist, maar de muziek en de zang zijn nog wat mooier en de songs nog wat aansprekender. Zeer warm aanbevolen dus.
Ook binnen de Amerikaanse rootsmuziek gaat mijn persoonlijke voorkeur absoluut uit naar vrouwenstemmen, maar ik kon in de zomer van 2022 echt niet om Tourist van John Calvin Abney heen. Ik noemde het album in mijn recensie op deze site een soundtrack voor te warme zomerdagen en dat is een omschrijving waar ik me nog steeds in kan vinden. De combinatie van 70s singer-songwriter muziek en countryrock uit dezelfde periode nodigde immers uit tot luieren in de zon of deed in ieder geval verlangen naar luieren in de zon.
Tourist bleek al het zesde album van de Amerikaanse muzikant en inmiddels weet ik dat Tourist zeker niet zijn enige interessante album is. All reden dus om uit te kijken naar een nieuw album van John Calvin Abney, dat deze week, na een stilte van net iets meer dan drie jaar is verschenen.
Tourist werd gemaakt tijdens de coronapandemie, maar ook het opnemen van Transparant Towns vond plaats in een lastige periode. John Calvin Abney onderging in 2023 een operatie aan zijn stembanden, waardoor hij de tijd moest nemen voor het maken van zijn nieuwe album. Het is zeker niet ten koste gegaan van de kwaliteit, want net als Tourist drie jaar geleden is ook Transparant Towns een album dat zich bij mij onmiddellijk opdrong.
In muzikaal opzicht is er niet zo gek veel veranderd. Ook op zijn nieuwe album maakt de muzikant uit Tulsa, Oklahoma, geen geheim van zijn liefde voor de countryrock en singer-songwriter muziek uit de jaren 70, al klinkt het zevende album van John Calvin Abney ook zeker eigentijds. Net als op Tourist doet de muziek van John Calvin Abney op Transparant Towns heel af en toe denken aan Elliott Smith, maar dan wel Elliott Smith die de zonnige kant van het leven ziet.
Er is nog veel meer te horen in de muziek van John Calvin Abney, want in een aantal songs hoor je ook wat Beatlesque ingrediënten of duikt een liefde voor de genialiteit van Brian Wilson op. Het is daarom raadzaam om Transparant Towns met de nodige aandacht te beluisteren, maar net als zijn voorganger is het ook een heerlijk album om bij weg te dromen en nog even te mijmeren over het einde van de zomer.
John Calvin Abney produceerde zijn nieuwe album zelf, maar hij reserveerde in de studio wel wat ruimte voor bijdragen van prima muzikanten, die onder andere viool, orgel en pedal steel toevoegen aan de muziek op het album. Het zorgt voor een mooi warm geluid, waaraan in twee tracks ook nog vocale bijdragen van John Moreland en Lydia Loveless worden toegevoegd.
Net als zijn voorganger drong Transparant Towns zich zoals gezegd genadeloos op, maar nog meer dan Tourist is het nieuwe album van John Calvin Abney een album dat nog flink lang door groeit. Ik koester nog altijd de vrouwenstemmen binnen de Amerikaanse rootsmuziek, maar wat ben ik ook gecharmeerd van de zang van John Calvin Abney, die anders klinkt dan de meeste andere zangers in de genres waarin hij opereert.
Net als de muziek draagt ook de zang nadrukkelijk bij aan de pure klasse van Transparant Towns, dat ook nog eens tien songs bevat waarvan je alleen maar kunt houden. Het zal zo langzamerhand wel duidelijk zijn dat liefhebbers van singer-songwriters met een liefde voor rootsmuziek dit album maar beter niet kunnen laten liggen. Erwin Zijleman
John Craigie - Asterisk the Universe (2020)

4,0
1
geplaatst: 24 juni 2020, 17:12 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Craigie - Asterisk The Universe - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Craigie - Asterisk The Universe
John Craigie sleept je met Asterisk The Universe zo de jaren 70 in en verwarmt de ruimte met tijdloze en laidback singer-songwriter muziek vol fraaie jazzy, bluesy en soulvolle accenten
Heel even dacht ik met een vergeten klassieker uit de jaren 70 te maken te hebben, maar Asterisk The Universe is wel degelijk een gloednieuw album. Het is een album dat maar eens voor de doorbraak moet gaan zorgen van John Craigie, die inmiddels al meer dan tien jaar zonder veel succes aan de weg timmert met zijn muziek. De Amerikaanse muzikant neemt je op Asterisk The Universe mee terug naar het Los Angeles van de jaren 70, waar singer-songwriter muziek wel vaker werd gecombineerd met zonnige en laidback klanken en invloeden uit de blues, jazz en soul. Het levert de perfecte soundtrack voor een mooie zomerdag op.
Asterisk The Universe is mijn eerste kennismaking met de muziek van de Amerikaanse singer-songwriter John Craigie, maar de muzikant uit Los Angeles heeft al een flinke stapel albums op zijn naam staan (ik tel er op Spotify een stuk of tien, inclusief twee live-albums) en is al ruim tien jaar actief.
Bij beluistering van zijn nieuwe album had ik in eerste instantie het idee dat ik naar een album uit de jaren 70 aan het luisteren was, waar overigens niets mis mee is.
John Craigie borduurt op Asterisk The Universe voort op de muziek van de folky singer-songwriters uit de jaren 60 en 70, maar hij maakt ook geen geheim van zijn Californische afkomst. De wat traditioneel aandoende singer-songwriter muziek op het album is verrijkt met flink wat Californische zonnestralen in de vorm van jazzy, bluesy en soulvolle impulsen. Het doet me wel wat denken aan de muziek van Michael Franks in zijn jonge jaren, maar ik hoor ook wel wat van Paul Simon en zo kan ik nog heel wat namen bedenken (variërend van J.J. Cale tot Van Morrison tot Ryan Adams).
John Craigie opereert in een segment waarin de concurrentie momenteel moordend is, maar wat mij betreft weet hij zich voldoende te onderscheiden van alles dat er al is. Dat doet John Craigie inmiddels al heel wat jaren, maar het succes bleef vooralsnog uit. De afgelopen jaren werd de Amerikaanse singer-songwriter op sleeptouw genomen door Jack Johnson en Gregory Alan Isakov, wat zich heeft vertaald in een wat ruimer budget voor het opnemen van Asterisk The Universe.
Dat is te horen, want het nieuwe album van de Californische muzikant klinkt fantastisch. John Craigie laat zich op zijn nieuwe album bijstaan door een geweldig spelende band. Het gitaarwerk op het album is dik in orde en bepaalt samen met het orgelspel voor een belangrijk deel het geluid op het album, dat als warm of zelfs broeierig is te omschrijven. Het is een geluid dat in de jaren 70 wel vaker werd gemaakt in Californië en dat onder andere door Jack Johnson is vertaald naar een wat eigentijdser geluid.
John Craigie doet niet zijn best om eigentijds te klinken en verleidt met een authentiek geluid dat je onmiddellijk mee terug neemt naar de hoogtijdagen van de singer-songwriter muziek uit Los Angeles en omstreken in de jaren 70. Asterisk The Universe is een heerlijk zwoel en laidback album, maar John Craigie vertolkt ook vol gevoel zijn verhalen.
Natuurlijk zijn er nog altijd veel muzikanten die in dezelfde vijver vissen als John Craigie, maar de Amerikaanse singer-songwriter beschikt over een mooi en karakteristiek stemgeluid vol soul en schrijft bovendien aansprekende songs. Het zijn songs die de aandacht makkelijk grijpen en vervolgens ook vasthouden, mede dankzij de bijzonder fraaie instrumentatie die steeds weer volgestopt blijkt met fraaie accenten. Ook de zang wordt hier en daar fraai verrijkt met de vrouwenstemmen van The Rainbow Girls.
Asterisk The Universe is een heerlijk album om bij te ontspannen in de zomerzon, maar het is ook een tijdmachine die je in een keer mee terug sleept naar met name de jaren 70. Het knappe van Asterisk The Universe is dat het onmiskenbaar de sfeer van het verleden ademt, maar dat het album zeker niet zomaar is in te wisselen voor een klassieker uit vervlogen tijden. Bijzonder lekker album. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Craigie - Asterisk The Universe - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Craigie - Asterisk The Universe
John Craigie sleept je met Asterisk The Universe zo de jaren 70 in en verwarmt de ruimte met tijdloze en laidback singer-songwriter muziek vol fraaie jazzy, bluesy en soulvolle accenten
Heel even dacht ik met een vergeten klassieker uit de jaren 70 te maken te hebben, maar Asterisk The Universe is wel degelijk een gloednieuw album. Het is een album dat maar eens voor de doorbraak moet gaan zorgen van John Craigie, die inmiddels al meer dan tien jaar zonder veel succes aan de weg timmert met zijn muziek. De Amerikaanse muzikant neemt je op Asterisk The Universe mee terug naar het Los Angeles van de jaren 70, waar singer-songwriter muziek wel vaker werd gecombineerd met zonnige en laidback klanken en invloeden uit de blues, jazz en soul. Het levert de perfecte soundtrack voor een mooie zomerdag op.
Asterisk The Universe is mijn eerste kennismaking met de muziek van de Amerikaanse singer-songwriter John Craigie, maar de muzikant uit Los Angeles heeft al een flinke stapel albums op zijn naam staan (ik tel er op Spotify een stuk of tien, inclusief twee live-albums) en is al ruim tien jaar actief.
Bij beluistering van zijn nieuwe album had ik in eerste instantie het idee dat ik naar een album uit de jaren 70 aan het luisteren was, waar overigens niets mis mee is.
John Craigie borduurt op Asterisk The Universe voort op de muziek van de folky singer-songwriters uit de jaren 60 en 70, maar hij maakt ook geen geheim van zijn Californische afkomst. De wat traditioneel aandoende singer-songwriter muziek op het album is verrijkt met flink wat Californische zonnestralen in de vorm van jazzy, bluesy en soulvolle impulsen. Het doet me wel wat denken aan de muziek van Michael Franks in zijn jonge jaren, maar ik hoor ook wel wat van Paul Simon en zo kan ik nog heel wat namen bedenken (variërend van J.J. Cale tot Van Morrison tot Ryan Adams).
John Craigie opereert in een segment waarin de concurrentie momenteel moordend is, maar wat mij betreft weet hij zich voldoende te onderscheiden van alles dat er al is. Dat doet John Craigie inmiddels al heel wat jaren, maar het succes bleef vooralsnog uit. De afgelopen jaren werd de Amerikaanse singer-songwriter op sleeptouw genomen door Jack Johnson en Gregory Alan Isakov, wat zich heeft vertaald in een wat ruimer budget voor het opnemen van Asterisk The Universe.
Dat is te horen, want het nieuwe album van de Californische muzikant klinkt fantastisch. John Craigie laat zich op zijn nieuwe album bijstaan door een geweldig spelende band. Het gitaarwerk op het album is dik in orde en bepaalt samen met het orgelspel voor een belangrijk deel het geluid op het album, dat als warm of zelfs broeierig is te omschrijven. Het is een geluid dat in de jaren 70 wel vaker werd gemaakt in Californië en dat onder andere door Jack Johnson is vertaald naar een wat eigentijdser geluid.
John Craigie doet niet zijn best om eigentijds te klinken en verleidt met een authentiek geluid dat je onmiddellijk mee terug neemt naar de hoogtijdagen van de singer-songwriter muziek uit Los Angeles en omstreken in de jaren 70. Asterisk The Universe is een heerlijk zwoel en laidback album, maar John Craigie vertolkt ook vol gevoel zijn verhalen.
Natuurlijk zijn er nog altijd veel muzikanten die in dezelfde vijver vissen als John Craigie, maar de Amerikaanse singer-songwriter beschikt over een mooi en karakteristiek stemgeluid vol soul en schrijft bovendien aansprekende songs. Het zijn songs die de aandacht makkelijk grijpen en vervolgens ook vasthouden, mede dankzij de bijzonder fraaie instrumentatie die steeds weer volgestopt blijkt met fraaie accenten. Ook de zang wordt hier en daar fraai verrijkt met de vrouwenstemmen van The Rainbow Girls.
Asterisk The Universe is een heerlijk album om bij te ontspannen in de zomerzon, maar het is ook een tijdmachine die je in een keer mee terug sleept naar met name de jaren 70. Het knappe van Asterisk The Universe is dat het onmiskenbaar de sfeer van het verleden ademt, maar dat het album zeker niet zomaar is in te wisselen voor een klassieker uit vervlogen tijden. Bijzonder lekker album. Erwin Zijleman
John Craigie - Mermaid Salt (2022)

4,0
0
geplaatst: 20 april 2022, 11:28 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Craigie - Mermaid Salt - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Craigie - Mermaid Salt
De Amerikaanse muzikant John Craigie leek op zijn vorige album zo weggelopen uit de jaren 70, maar op het prachtige Mermaid Salt gaan nostalgie en vernieuwingsdrang op fascinerende wijze hand in hand
Op het in 2020 verschenen Asterisk The Universe klonk John Craigie als een vergeten singer-songwriter uit de jaren 70. Daar was echt helemaal niets mis mee, maar met het eigentijdser en spannender klinkende Mermaid Salt maakt de muzikant uit Portland, Oregon, wat mij betreft veel meer indruk. John Craigie begint nog altijd bij tijdloze klanken uit de jaren 70, maar frist zijn muziek vervolgens flink op met avontuurlijke percussie en de subtiele maar trefzekere inzet van elektronica. Het klinkt allemaal een stuk spannender, maar dankzij de zeer aangename stem van John Craigie en het vleugje seventies is ook Mermaid Salt er een voor lange en broeierige zomeravonden.
Bijna twee jaar geleden maakte ik voor het eerst kennis met de muziek van de Amerikaanse singer-songwriter John Craigie. De muzikant uit Portland, Oregon, had op dat moment al een flinke stapel albums op zijn naam staan en timmerde bovendien al een jaar of vijftien aan de weg, maar de muziek op Asterisk The Universe leek uit een veel verder verleden te stammen. De mix van folk, soul, jazz en blues deed wel wat denken aan de muziek van Michael Franks, leek zo weggelopen uit de jaren 70 en deed het werkelijk uitstekend op broeierige zomeravonden.
Deze week keert John Craigie terug met een nieuw album, Mermaid Salt, en ook dit keer had de Amerikaanse muzikant niet veel tijd nodig om me te overtuigen. Net als het vorige album van John Craigie neemt Mermaid Salt je in eerste instantie mee terug naar de jaren 70, maar in muzikaal opzicht klinkt het album duidelijk anders dan zijn voorganger. In de bijzonder mooie openingstrack Microdose schuift John Craigie, mede dankzij de inzet van de pedal steel wat op richting Americana, maar de Amerikaanse muzikant bouwt de spanning ook prachtig op met flink wat strijkers en bijzondere percussie aan het eind van de track.
De combinatie van bijzondere percussie, sfeervol pianospel en de mooie stem van John Craigie overtuigen in het prachtige Distance en in de tracks die volgen nog wat meer en slepen de muziek van de Amerikaanse muzikant bovendien het heden in, waardoor het album flink verschilt van zijn voorganger. De muziek van John Craigie heeft nog altijd een tijdloos karakter, maar vergeleken met Asterisk The Universe klinkt het een stuk frisser.
Ik heb weinig tot geen informatie over het nieuwe album van de muzikant uit Portland, maar vergeleken met het vorige album klinkt Mermaid Salt niet alleen frisser en eigentijdser, maar ook een stuk beter. Het album is prachtig geproduceerd en met name door de bijzondere percussie klinkt het nieuwe album van John Craigie een stuk avontuurlijker dan zijn voorganger.
De Amerikaanse muzikant maakt nog altijd warmbloedige muziek, die het goed doet in de aangename lentezon van het moment, maar het vast nog veel beter doet op de warme zomeravonden die vast nog komen gaan dit jaar. Mermaid Salt herinnert nog altijd aan uiteenlopende singer-songwriter albums uit de jaren 70, maar ik hoor ook wel wat van Jack Johnson en van David Gray, al is de muziek van John Craigie minder lichtvoetig dan die van Jack Johnson en een stuk Amerikaanser dan die van David Gray.
Op Mermaid Salt is er zoals gezegd een belangrijke rol voor percussie en hier en daar synths, maar ik vind met name het gitaarwerk op het album bijzonder mooi en verder ben ik zeer gecharmeerd van de stem van de Amerikaanse muzikant, die zijn verhalen op even aangename als trefzekere wijze tot leven brengt.
Gezien de beperkte informatie die ik over het album kan vinden, verwacht ik niet dat John Craigie heel veel aandacht gaat trekken met dit album, maar Mermaid Salt is wat mij betreft wel een album dat in brede kring gewaardeerd zou moeten kunnen worden. Het vorige album van de Amerikaanse muzikant klonk misschien nog erg retro, maar op zijn nieuwe album vindt John Craigie een prachtig en bovendien bijzonder klinkend evenwicht tussen invloeden uit het verleden en het heden en overtreft hij zijn vorige album op alle fronten. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Craigie - Mermaid Salt - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Craigie - Mermaid Salt
De Amerikaanse muzikant John Craigie leek op zijn vorige album zo weggelopen uit de jaren 70, maar op het prachtige Mermaid Salt gaan nostalgie en vernieuwingsdrang op fascinerende wijze hand in hand
Op het in 2020 verschenen Asterisk The Universe klonk John Craigie als een vergeten singer-songwriter uit de jaren 70. Daar was echt helemaal niets mis mee, maar met het eigentijdser en spannender klinkende Mermaid Salt maakt de muzikant uit Portland, Oregon, wat mij betreft veel meer indruk. John Craigie begint nog altijd bij tijdloze klanken uit de jaren 70, maar frist zijn muziek vervolgens flink op met avontuurlijke percussie en de subtiele maar trefzekere inzet van elektronica. Het klinkt allemaal een stuk spannender, maar dankzij de zeer aangename stem van John Craigie en het vleugje seventies is ook Mermaid Salt er een voor lange en broeierige zomeravonden.
Bijna twee jaar geleden maakte ik voor het eerst kennis met de muziek van de Amerikaanse singer-songwriter John Craigie. De muzikant uit Portland, Oregon, had op dat moment al een flinke stapel albums op zijn naam staan en timmerde bovendien al een jaar of vijftien aan de weg, maar de muziek op Asterisk The Universe leek uit een veel verder verleden te stammen. De mix van folk, soul, jazz en blues deed wel wat denken aan de muziek van Michael Franks, leek zo weggelopen uit de jaren 70 en deed het werkelijk uitstekend op broeierige zomeravonden.
Deze week keert John Craigie terug met een nieuw album, Mermaid Salt, en ook dit keer had de Amerikaanse muzikant niet veel tijd nodig om me te overtuigen. Net als het vorige album van John Craigie neemt Mermaid Salt je in eerste instantie mee terug naar de jaren 70, maar in muzikaal opzicht klinkt het album duidelijk anders dan zijn voorganger. In de bijzonder mooie openingstrack Microdose schuift John Craigie, mede dankzij de inzet van de pedal steel wat op richting Americana, maar de Amerikaanse muzikant bouwt de spanning ook prachtig op met flink wat strijkers en bijzondere percussie aan het eind van de track.
De combinatie van bijzondere percussie, sfeervol pianospel en de mooie stem van John Craigie overtuigen in het prachtige Distance en in de tracks die volgen nog wat meer en slepen de muziek van de Amerikaanse muzikant bovendien het heden in, waardoor het album flink verschilt van zijn voorganger. De muziek van John Craigie heeft nog altijd een tijdloos karakter, maar vergeleken met Asterisk The Universe klinkt het een stuk frisser.
Ik heb weinig tot geen informatie over het nieuwe album van de muzikant uit Portland, maar vergeleken met het vorige album klinkt Mermaid Salt niet alleen frisser en eigentijdser, maar ook een stuk beter. Het album is prachtig geproduceerd en met name door de bijzondere percussie klinkt het nieuwe album van John Craigie een stuk avontuurlijker dan zijn voorganger.
De Amerikaanse muzikant maakt nog altijd warmbloedige muziek, die het goed doet in de aangename lentezon van het moment, maar het vast nog veel beter doet op de warme zomeravonden die vast nog komen gaan dit jaar. Mermaid Salt herinnert nog altijd aan uiteenlopende singer-songwriter albums uit de jaren 70, maar ik hoor ook wel wat van Jack Johnson en van David Gray, al is de muziek van John Craigie minder lichtvoetig dan die van Jack Johnson en een stuk Amerikaanser dan die van David Gray.
Op Mermaid Salt is er zoals gezegd een belangrijke rol voor percussie en hier en daar synths, maar ik vind met name het gitaarwerk op het album bijzonder mooi en verder ben ik zeer gecharmeerd van de stem van de Amerikaanse muzikant, die zijn verhalen op even aangename als trefzekere wijze tot leven brengt.
Gezien de beperkte informatie die ik over het album kan vinden, verwacht ik niet dat John Craigie heel veel aandacht gaat trekken met dit album, maar Mermaid Salt is wat mij betreft wel een album dat in brede kring gewaardeerd zou moeten kunnen worden. Het vorige album van de Amerikaanse muzikant klonk misschien nog erg retro, maar op zijn nieuwe album vindt John Craigie een prachtig en bovendien bijzonder klinkend evenwicht tussen invloeden uit het verleden en het heden en overtreft hij zijn vorige album op alle fronten. Erwin Zijleman
John Grant - Boy from Michigan (2021)

4,5
4
geplaatst: 28 juni 2021, 16:51 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Grant - Boy From Michigan - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Grant - Boy From Michigan
John Grant klonk op zijn vorige soloalbums wat wisselvallig, maar het prachtige klinkende Boy From Michigan evenaart het niveau van zijn debuut Queen Of Denmark en gaat er hier en daar overheen
John Grant leek zijn kruit na de meesterwerken met The Czars en zijn solo droomdebuut Queen Of Denmark verschoten te hebben, maar hij heeft de oude vorm hervonden op het geweldige Boy From Michigan. Het is een album vol echo’s uit het verleden van John Grant en met name echo’s van zijn solodebuut, maar deze echo’s vloeien prachtig samen met de atmosferisch klinkende elektronica op het album. De productie van Cate Le Bon is prachtig, de instrumentatie inventief, de zang van John Grant geweldig en dan zijn er ook nog eens de ijzersterke songs en de persoonlijke en vaak donkere teksten van de Amerikaanse muzikant, die vijf kwartier lang in topvorm verkeert.
Het lijkt wel of ik bij ieder nieuw album van John Grant weer ben vergeten waar de Amerikaanse muzikant vandaan komt. Ik associeer zijn naam nog altijd zeker niet onmiddellijk met de meesterwerken van de Amerikaanse band The Czars, die met Before...But Longer uit 2000, The Ugly People Vs. The Beautiful People uit 2001, Goodbye uit 2004 en Sorry I Made You Cry uit 2006 voor mij vier onbetwiste meesterwerken afleverde.
Over het solowerk van John Grant is mijn mening minder uitgesproken. Zijn solodebuut Queen Of Denmark uit 2010 vond ik prachtig, maar bij alle sindsdien verschenen albums had ik mijn reserves, zeker wanneer de inmiddels al een tijd vanuit het IJslandse Reykjavík opererende muzikant zich omringde met een flinke batterij elektronica en zijn songs de theatrale kant op gingen. De drie albums die John Grant na Queen Of Denmark maakte hadden allemaal hun momenten, maar ik vond ze geen van allen zo indrukwekkend als het solodebuut van John Grant of de albums die hij maakte met The Czars.
Het deze week verschenen Boy From Michigan opent met atmosferische en wat psychedelisch aandoende elektronica, maar na een lang intro begint John Grant aan een popsong die ook niet had misstaan op Queen Of Denmark. Waar de instrumentatie op dit album vooral aansloot bij de singer-songwriter muziek uit de jaren 70, klinkt Boy From Michigan moderner. Dat is deels de verdienste van de elektronica, maar ook de soms wat jazzy en soulvolle klanken op het album zorgen ervoor dat het nieuwe album van John Grant moderner klinkt dan zijn debuut, zonder alle elektronica en met name de beats van de voorgaande albums nodig te hebben.
Op Boy From Michigan gaat het weer om de tijdloze songs en die zijn vrijwel zonder uitzondering prachtig (het ene wat theatrale uitstapje hoeft van mij niet zo). John Grant bekeek het leven nooit door een roze bril, maar Boy From Michigan klinkt nog wat donkerder en somberder. John Grant keert terug naar zijn jeugd en alle jaren waarin hij worstelde met zijn homoseksualiteit in zijn aartsconservatieve vaderland. Persoonlijke ervaringen worden fraai gecombineerd met de teloorgang van de Verenigde Staten, die John Grant niet voor niets een jaar of tien geleden de rug toe keerde.
Boy From Michigan is een donker album, maar de songs op het album zijn prachtig. Veel songs op het album herinneren, zeker wanneer de piano domineert, aan het zo goede solodebuut van John Grant of zelfs aan de prachtplaten van The Czars, maar Boy From Michigan borduurt zeker niet fantasieloos voort op alles dat hij eerder maakte.
Het nieuwe album van de Amerikaanse muzikant valt op door een bijzonder fraaie instrumentatie, die trefzeker is gevangen in de al even mooie productie. Voor die productie tekent Cate Le Bon, die wederom laat horen dat ze niet alleen een geweldig singer-songwriter is, maar ook een uitstekend producer.
Net als Queen Of Denmark zit Boy From Michigan in muzikaal opzicht vol verwijzingen naar de jaren 70, maar de songs zijn dit keer ook voorzien van een sausje uit de 21e eeuw, zeker wanneer de elektronica wat zwaarder maar zeer smaakvol wordt aangezet. Het wordt allemaal gecombineerd met de prachtige zang van John Grant, die na een aantal wat mij betreft wat wisselvallige albums op Boy From Michigan twaalf songs en vijf kwartier lang (!) zijn klasse etaleert. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Grant - Boy From Michigan - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Grant - Boy From Michigan
John Grant klonk op zijn vorige soloalbums wat wisselvallig, maar het prachtige klinkende Boy From Michigan evenaart het niveau van zijn debuut Queen Of Denmark en gaat er hier en daar overheen
John Grant leek zijn kruit na de meesterwerken met The Czars en zijn solo droomdebuut Queen Of Denmark verschoten te hebben, maar hij heeft de oude vorm hervonden op het geweldige Boy From Michigan. Het is een album vol echo’s uit het verleden van John Grant en met name echo’s van zijn solodebuut, maar deze echo’s vloeien prachtig samen met de atmosferisch klinkende elektronica op het album. De productie van Cate Le Bon is prachtig, de instrumentatie inventief, de zang van John Grant geweldig en dan zijn er ook nog eens de ijzersterke songs en de persoonlijke en vaak donkere teksten van de Amerikaanse muzikant, die vijf kwartier lang in topvorm verkeert.
Het lijkt wel of ik bij ieder nieuw album van John Grant weer ben vergeten waar de Amerikaanse muzikant vandaan komt. Ik associeer zijn naam nog altijd zeker niet onmiddellijk met de meesterwerken van de Amerikaanse band The Czars, die met Before...But Longer uit 2000, The Ugly People Vs. The Beautiful People uit 2001, Goodbye uit 2004 en Sorry I Made You Cry uit 2006 voor mij vier onbetwiste meesterwerken afleverde.
Over het solowerk van John Grant is mijn mening minder uitgesproken. Zijn solodebuut Queen Of Denmark uit 2010 vond ik prachtig, maar bij alle sindsdien verschenen albums had ik mijn reserves, zeker wanneer de inmiddels al een tijd vanuit het IJslandse Reykjavík opererende muzikant zich omringde met een flinke batterij elektronica en zijn songs de theatrale kant op gingen. De drie albums die John Grant na Queen Of Denmark maakte hadden allemaal hun momenten, maar ik vond ze geen van allen zo indrukwekkend als het solodebuut van John Grant of de albums die hij maakte met The Czars.
Het deze week verschenen Boy From Michigan opent met atmosferische en wat psychedelisch aandoende elektronica, maar na een lang intro begint John Grant aan een popsong die ook niet had misstaan op Queen Of Denmark. Waar de instrumentatie op dit album vooral aansloot bij de singer-songwriter muziek uit de jaren 70, klinkt Boy From Michigan moderner. Dat is deels de verdienste van de elektronica, maar ook de soms wat jazzy en soulvolle klanken op het album zorgen ervoor dat het nieuwe album van John Grant moderner klinkt dan zijn debuut, zonder alle elektronica en met name de beats van de voorgaande albums nodig te hebben.
Op Boy From Michigan gaat het weer om de tijdloze songs en die zijn vrijwel zonder uitzondering prachtig (het ene wat theatrale uitstapje hoeft van mij niet zo). John Grant bekeek het leven nooit door een roze bril, maar Boy From Michigan klinkt nog wat donkerder en somberder. John Grant keert terug naar zijn jeugd en alle jaren waarin hij worstelde met zijn homoseksualiteit in zijn aartsconservatieve vaderland. Persoonlijke ervaringen worden fraai gecombineerd met de teloorgang van de Verenigde Staten, die John Grant niet voor niets een jaar of tien geleden de rug toe keerde.
Boy From Michigan is een donker album, maar de songs op het album zijn prachtig. Veel songs op het album herinneren, zeker wanneer de piano domineert, aan het zo goede solodebuut van John Grant of zelfs aan de prachtplaten van The Czars, maar Boy From Michigan borduurt zeker niet fantasieloos voort op alles dat hij eerder maakte.
Het nieuwe album van de Amerikaanse muzikant valt op door een bijzonder fraaie instrumentatie, die trefzeker is gevangen in de al even mooie productie. Voor die productie tekent Cate Le Bon, die wederom laat horen dat ze niet alleen een geweldig singer-songwriter is, maar ook een uitstekend producer.
Net als Queen Of Denmark zit Boy From Michigan in muzikaal opzicht vol verwijzingen naar de jaren 70, maar de songs zijn dit keer ook voorzien van een sausje uit de 21e eeuw, zeker wanneer de elektronica wat zwaarder maar zeer smaakvol wordt aangezet. Het wordt allemaal gecombineerd met de prachtige zang van John Grant, die na een aantal wat mij betreft wat wisselvallige albums op Boy From Michigan twaalf songs en vijf kwartier lang (!) zijn klasse etaleert. Erwin Zijleman
John Grant - Grey Tickles, Black Pressure (2015)

4,5
0
geplaatst: 11 oktober 2015, 11:08 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Grant - Grey Tickles, Black Pressure - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
John Grant maakte met zijn band The Czars een aantal platen die moeten worden gerekend tot het mooiste dat het nieuwe millennium tot dusver heeft voortgebracht.
Before ... But Longer uit 2000, The Ugly People Vs. The Beautiful People uit 2001 en Goodbye uit 2004 zijn voor mij onbetwiste klassiekers, maar ook de soloplaten van de Amerikaan mogen er tot dusver zijn.
Op het samen met Midlake gemaakte Queen Of Denmark (2010) grossierde John Grant in memorabele popliedjes, terwijl Pale Green Ghosts uit 2013 was voorzien van een veel elektronischer en tegendraadser geluid. De zwaar georkestreerde live-plaat met de BBC Philharmonic Orchestra was tenslotte veel meer dan een tussendoortje.
John Grant keert nu terug met Grey Tickles, Black Pressure, dat naar verluid de mid-life crisis bezingt en niet op IJsland maar in Texas werd opgenomen. Het is een plaat die hinkt op twee gedachten. Grey Tickles, Black Pressure bevat een aantal direct memorabele 70s popsongs die ook op Queen Of Denmark hadden kunnen staan, maar gaat hiernaast ook verder waar Pale Green Ghosts twee jaar geleden eindigde. Het levert songs op die soms mijlenver van elkaar verwijderd zijn, maar die uiteindelijk allemaal bijdragen aan de knappe plaat die Grey Tickles, Black Pressure is.
Ik hoor John Grant persoonlijk het liefst in tijdloze popliedjes, maar de elektronische songs die doen denken aan een eigentijdse versie van David Bowie, Talking Heads en Godley & Creme blijken stuk voor stuk buitengewoon intrigerende songs. Het zijn van flink wat elektronica voorziene songs vol avontuur, waar de urgentie van af spat. Het contrasteert prachtig met de songs die het vooral van hun schoonheid moeten hebben.
John Grant maakt het je niet makkelijk op Grey Tickles, Black Pressure, maar dat heeft hij nooit gedaan. Langzaam maar zeker verovert de plaat je echter net zo meedogenloos als zijn voorgangers. Voor mij is John Grant een grootheid; Grey Tickles, Black Pressure zijn zoveelste prachtplaat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Grant - Grey Tickles, Black Pressure - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
John Grant maakte met zijn band The Czars een aantal platen die moeten worden gerekend tot het mooiste dat het nieuwe millennium tot dusver heeft voortgebracht.
Before ... But Longer uit 2000, The Ugly People Vs. The Beautiful People uit 2001 en Goodbye uit 2004 zijn voor mij onbetwiste klassiekers, maar ook de soloplaten van de Amerikaan mogen er tot dusver zijn.
Op het samen met Midlake gemaakte Queen Of Denmark (2010) grossierde John Grant in memorabele popliedjes, terwijl Pale Green Ghosts uit 2013 was voorzien van een veel elektronischer en tegendraadser geluid. De zwaar georkestreerde live-plaat met de BBC Philharmonic Orchestra was tenslotte veel meer dan een tussendoortje.
John Grant keert nu terug met Grey Tickles, Black Pressure, dat naar verluid de mid-life crisis bezingt en niet op IJsland maar in Texas werd opgenomen. Het is een plaat die hinkt op twee gedachten. Grey Tickles, Black Pressure bevat een aantal direct memorabele 70s popsongs die ook op Queen Of Denmark hadden kunnen staan, maar gaat hiernaast ook verder waar Pale Green Ghosts twee jaar geleden eindigde. Het levert songs op die soms mijlenver van elkaar verwijderd zijn, maar die uiteindelijk allemaal bijdragen aan de knappe plaat die Grey Tickles, Black Pressure is.
Ik hoor John Grant persoonlijk het liefst in tijdloze popliedjes, maar de elektronische songs die doen denken aan een eigentijdse versie van David Bowie, Talking Heads en Godley & Creme blijken stuk voor stuk buitengewoon intrigerende songs. Het zijn van flink wat elektronica voorziene songs vol avontuur, waar de urgentie van af spat. Het contrasteert prachtig met de songs die het vooral van hun schoonheid moeten hebben.
John Grant maakt het je niet makkelijk op Grey Tickles, Black Pressure, maar dat heeft hij nooit gedaan. Langzaam maar zeker verovert de plaat je echter net zo meedogenloos als zijn voorgangers. Voor mij is John Grant een grootheid; Grey Tickles, Black Pressure zijn zoveelste prachtplaat. Erwin Zijleman
John Grant - John Grant with the BBC Philharmonic Orchestra: Live in Concert (2014)

4,5
0
geplaatst: 2 december 2014, 14:30 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Grant & The BBC Philharmonic Orchestra - Live In Concert / The Czars - Best Of - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De Amerikaanse muzikant John Grant bracht met The Queen Of Denmark (2010) en Pale Green Ghosts (2013) twee totaal verschillende en twee verrassend succesvolle soloplaten uit.
Het succes van de platen stelde John Grant in de gelegenheid om zijn songs te vertolken met een groot orkest, een lang gekoesterde wens, en het resultaat hiervan is nu te horen op John Grant & The BBC Philharmonic Orchestra Live In Concert.
Dat leek op voorhand niet meer dan een tussendoortje, maar het is een tussendoortje dat verrassend goed uitpakt.
Persoonlijk ben ik niet gek op de combinatie van popmuziek en grote orkesten. Ik heb direct associaties met The Night Of The Proms of, misschien nog wel erger, Symfonica in Rosso en dat zijn geen associaties waar ik vrolijk van word. Het zijn associaties die gelukkig weinig te maken hebben met de live-plaat van John Grant.
De Amerikaan laat zich weliswaar bijstaan door een flink uit de kluiten gewassen orkest, maar nam hiernaast zijn band mee, wat zorgt voor een verrassende wisselwerking, opvallend veel dynamiek en een bijzonder geluid. Het orkest past prachtig bij de vaak wat zwaar aangezette maar ook tijdloze songs van John Grant, waarbij het niet eens zoveel uitmaakt of hij songs vertolkt van The Queen Of Denmark of van Pale Green Ghosts.
John Grant heeft een stem die uitstekend gedijt in een vol of zelfs overdadig instrumentarium en ook een heel orkest brengt hem niet van de wijs. Integendeel zelfs. De combinatie van de stem van John Grant en een hele batterij strijkers en blazers blijkt een verrassend fraaie combinatie.
Nog veel verrassender is de fraaie wijze waarop de muziek van de band van John Grant en het orkest combineren. Dat is misschien nog niet eens zo verrassend wanneer de band op vooral organische wijze ondersteunt, maar ook de combinatie van klassieke klanken en elektronica blijft verrassend makkelijk overeind.
Er was vorig jaar nogal wat kritiek op het bij vlagen zwaar elektronische geluid van Pale Green Ghosts. Ik was het daar niet helemaal mee eens, maar een ieder die niet uit de voeten kon met alle elektronica kan nu alsnog ervaren hoe krachtig de songs van de tweede soloplaat van John Grant zijn.
Ik had op voorhand geen hoge verwachtingen van deze plaat, maar wat is het een mooie plaat geworden. Het is een plaat vol prachtige en meeslepende versies van de inmiddels van John Grant bekende songs en het zijn allemaal versies die iets toevoegen aan de originelen, waardoor John Grant opeens drie prachtige platen op zijn naam heeft staan. John Grant & The BBC Philharmonic Orchestra: Live In Concert is een prachtige sfeervolle, maar ook avontuurlijke, plaat van een singer-songwriter die de afgelopen jaren terecht is onthaald als grootheid.
De krenten uit de pop: John Grant & The BBC Philharmonic Orchestra - Live In Concert / The Czars - Best Of - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De Amerikaanse muzikant John Grant bracht met The Queen Of Denmark (2010) en Pale Green Ghosts (2013) twee totaal verschillende en twee verrassend succesvolle soloplaten uit.
Het succes van de platen stelde John Grant in de gelegenheid om zijn songs te vertolken met een groot orkest, een lang gekoesterde wens, en het resultaat hiervan is nu te horen op John Grant & The BBC Philharmonic Orchestra Live In Concert.
Dat leek op voorhand niet meer dan een tussendoortje, maar het is een tussendoortje dat verrassend goed uitpakt.
Persoonlijk ben ik niet gek op de combinatie van popmuziek en grote orkesten. Ik heb direct associaties met The Night Of The Proms of, misschien nog wel erger, Symfonica in Rosso en dat zijn geen associaties waar ik vrolijk van word. Het zijn associaties die gelukkig weinig te maken hebben met de live-plaat van John Grant.
De Amerikaan laat zich weliswaar bijstaan door een flink uit de kluiten gewassen orkest, maar nam hiernaast zijn band mee, wat zorgt voor een verrassende wisselwerking, opvallend veel dynamiek en een bijzonder geluid. Het orkest past prachtig bij de vaak wat zwaar aangezette maar ook tijdloze songs van John Grant, waarbij het niet eens zoveel uitmaakt of hij songs vertolkt van The Queen Of Denmark of van Pale Green Ghosts.
John Grant heeft een stem die uitstekend gedijt in een vol of zelfs overdadig instrumentarium en ook een heel orkest brengt hem niet van de wijs. Integendeel zelfs. De combinatie van de stem van John Grant en een hele batterij strijkers en blazers blijkt een verrassend fraaie combinatie.
Nog veel verrassender is de fraaie wijze waarop de muziek van de band van John Grant en het orkest combineren. Dat is misschien nog niet eens zo verrassend wanneer de band op vooral organische wijze ondersteunt, maar ook de combinatie van klassieke klanken en elektronica blijft verrassend makkelijk overeind.
Er was vorig jaar nogal wat kritiek op het bij vlagen zwaar elektronische geluid van Pale Green Ghosts. Ik was het daar niet helemaal mee eens, maar een ieder die niet uit de voeten kon met alle elektronica kan nu alsnog ervaren hoe krachtig de songs van de tweede soloplaat van John Grant zijn.
Ik had op voorhand geen hoge verwachtingen van deze plaat, maar wat is het een mooie plaat geworden. Het is een plaat vol prachtige en meeslepende versies van de inmiddels van John Grant bekende songs en het zijn allemaal versies die iets toevoegen aan de originelen, waardoor John Grant opeens drie prachtige platen op zijn naam heeft staan. John Grant & The BBC Philharmonic Orchestra: Live In Concert is een prachtige sfeervolle, maar ook avontuurlijke, plaat van een singer-songwriter die de afgelopen jaren terecht is onthaald als grootheid.
John Hiatt - The Eclipse Sessions (2018)

4,0
3
geplaatst: 17 oktober 2018, 17:22 uur
recensie op de krenten uit de pop:
review on: De krenten uit de pop: John Hiatt - The Eclipse Sessions - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Ouwe rot verkeert al ruim 18 jaar in absolute topvorm en levert nog maar eens een uitstekende plaat af
Ik had vroeger niet zo gek veel met John Hiatt, maar sinds de overgang naar het nieuwe millennium is bijna alles dat hij maakt goed. Heel goed. Ook The Eclipse Sessions staat weer vol met typische John Hiatt muziek. Laid back rootsmuziek met flink wat blues die af en toe gas geeft, maar meestal vrij ingetogen is. Fraai begeleid door een prima band overtuigt de Amerikaan ook dit keer met zijn mooie verhalen, zijn geweldige gitaarspel en zijn stem die door het randje gruis alleen maar mooier en doorleefder klinkt. Misschien niet heel veel nieuws, maar wat is het weer goed. Topmuzikant, topplaat.
De Amerikaanse singer-songwriter John Hiatt debuteerde in de eerste helft van de jaren 70 en heeft inmiddels een flink aantal platen op zijn naam staan.
Ik vond John Hiatt in het verleden altijd wat wisselvallig, maar sinds de start van het huidige millennium verkeert de Amerikaanse muzikant in een uitstekende en bovendien opvallend constante vorm.
John Hiatt leverde de afgelopen 18 jaar tien platen af en er zit geen slechte of middelmatige tussen. Sterker nog, de meeste van deze platen doen wat mij betreft niet onder voor de man’s vermeende meesterwerk Bring The Family uit 1987.
De afgelopen vier jaar was het angstig stil rond de al een tijd vanuit Nashville, Tennessee, opererende muzikant, maar gelukkig is John Hiatt terug met een nieuwe plaat. The Eclipse Sessions is een typische John Hiatt plaat en het is er een die niet onder doet voor al die zo overtuigende voorgangers van de laatste 18 jaar.
Nieuwe zieltjes gaat de Amerikaanse muzikant er waarschijnlijk niet mee winnen, maar voor de liefhebbers van zijn werk is het weer smullen. The Eclipse Sessions trekt de lijn van de vorige platen van John Hiatt door, wat betekent dat er veel ruimte is voor wat meer ingetogen tracks, maar het gaspedaal af en toe ook wordt ingetrapt. John Hiatt laat zich op zijn nieuwe plaat begeleiden door een hecht spelende band en tekent uiteraard zelf weer voor prachtig, vaak wat bluesy, gitaarwerk. The Eclipse Sessions klinkt gelukkig wat warmer dan voorganger Terms Of My Surrender, dat mij qua geluid en productie net wat minder goed beviel.
De stembanden van de Amerikaanse muzikant zijn al jaren aan flinke slijtage onderhevig en op The Eclipse Sessions klinkt het allemaal nog wat gruiziger en doorleefder. Persoonlijk hou ik er wel van, want het geeft de songs op de plaat ook iets emotioneels en kwetsbaars, waardoor de plaat nog wat meer ontroert.
John Hiatt bestrijkt binnen de Amerikaanse rootsmuziek al lange tijd een breed palet en dat doet hij ook op zijn nieuwe plaat, die een voorkeur heeft voor bluesy rootsrock, maar ook opschuift richting folk en country. John Hiatt staat bekend om de mooie verhalen die hij vertelt en deze spelen ook op zijn nieuwe plaat weer een belangrijke rol, waarbij het niet zoveel uitmaakt of de Amerikaan de grote thema’s aanpakt of kleine persoonlijke ervaringen uitwerkt.
Het levert een plaat op die misschien niet heel veel verschilt van zijn voorgangers, maar persoonlijk bevalt The Eclipse Sessions me net wat beter dan deze voorgangers. Er zit wat meer rust in de muziek van John Hiatt, waardoor de plaat net wat dieper graaft en ook wat langer door groeit. Bovendien is het gitaarwerk dit keer echt fenomenaal. Ik was in de jaren 70, 80 en 90 geen heel groot fan van de man, maar wat John Hiatt de afgelopen twee decennia neerzet is van een bijzonder hoog niveau en het wordt alleen maar beter. Erwin Zijleman
review on: De krenten uit de pop: John Hiatt - The Eclipse Sessions - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Ouwe rot verkeert al ruim 18 jaar in absolute topvorm en levert nog maar eens een uitstekende plaat af
Ik had vroeger niet zo gek veel met John Hiatt, maar sinds de overgang naar het nieuwe millennium is bijna alles dat hij maakt goed. Heel goed. Ook The Eclipse Sessions staat weer vol met typische John Hiatt muziek. Laid back rootsmuziek met flink wat blues die af en toe gas geeft, maar meestal vrij ingetogen is. Fraai begeleid door een prima band overtuigt de Amerikaan ook dit keer met zijn mooie verhalen, zijn geweldige gitaarspel en zijn stem die door het randje gruis alleen maar mooier en doorleefder klinkt. Misschien niet heel veel nieuws, maar wat is het weer goed. Topmuzikant, topplaat.
De Amerikaanse singer-songwriter John Hiatt debuteerde in de eerste helft van de jaren 70 en heeft inmiddels een flink aantal platen op zijn naam staan.
Ik vond John Hiatt in het verleden altijd wat wisselvallig, maar sinds de start van het huidige millennium verkeert de Amerikaanse muzikant in een uitstekende en bovendien opvallend constante vorm.
John Hiatt leverde de afgelopen 18 jaar tien platen af en er zit geen slechte of middelmatige tussen. Sterker nog, de meeste van deze platen doen wat mij betreft niet onder voor de man’s vermeende meesterwerk Bring The Family uit 1987.
De afgelopen vier jaar was het angstig stil rond de al een tijd vanuit Nashville, Tennessee, opererende muzikant, maar gelukkig is John Hiatt terug met een nieuwe plaat. The Eclipse Sessions is een typische John Hiatt plaat en het is er een die niet onder doet voor al die zo overtuigende voorgangers van de laatste 18 jaar.
Nieuwe zieltjes gaat de Amerikaanse muzikant er waarschijnlijk niet mee winnen, maar voor de liefhebbers van zijn werk is het weer smullen. The Eclipse Sessions trekt de lijn van de vorige platen van John Hiatt door, wat betekent dat er veel ruimte is voor wat meer ingetogen tracks, maar het gaspedaal af en toe ook wordt ingetrapt. John Hiatt laat zich op zijn nieuwe plaat begeleiden door een hecht spelende band en tekent uiteraard zelf weer voor prachtig, vaak wat bluesy, gitaarwerk. The Eclipse Sessions klinkt gelukkig wat warmer dan voorganger Terms Of My Surrender, dat mij qua geluid en productie net wat minder goed beviel.
De stembanden van de Amerikaanse muzikant zijn al jaren aan flinke slijtage onderhevig en op The Eclipse Sessions klinkt het allemaal nog wat gruiziger en doorleefder. Persoonlijk hou ik er wel van, want het geeft de songs op de plaat ook iets emotioneels en kwetsbaars, waardoor de plaat nog wat meer ontroert.
John Hiatt bestrijkt binnen de Amerikaanse rootsmuziek al lange tijd een breed palet en dat doet hij ook op zijn nieuwe plaat, die een voorkeur heeft voor bluesy rootsrock, maar ook opschuift richting folk en country. John Hiatt staat bekend om de mooie verhalen die hij vertelt en deze spelen ook op zijn nieuwe plaat weer een belangrijke rol, waarbij het niet zoveel uitmaakt of de Amerikaan de grote thema’s aanpakt of kleine persoonlijke ervaringen uitwerkt.
Het levert een plaat op die misschien niet heel veel verschilt van zijn voorgangers, maar persoonlijk bevalt The Eclipse Sessions me net wat beter dan deze voorgangers. Er zit wat meer rust in de muziek van John Hiatt, waardoor de plaat net wat dieper graaft en ook wat langer door groeit. Bovendien is het gitaarwerk dit keer echt fenomenaal. Ik was in de jaren 70, 80 en 90 geen heel groot fan van de man, maar wat John Hiatt de afgelopen twee decennia neerzet is van een bijzonder hoog niveau en het wordt alleen maar beter. Erwin Zijleman
John Hiatt with The Jerry Douglas Band - Leftover Feelings (2021)

4,5
1
geplaatst: 26 mei 2021, 15:56 uur
Volledige recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Hiatt with The Jerry Douglas Band - Leftover Feelings - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Hiatt voegt, samen met snarenwonder Jerry Douglas en zijn band, nog maar eens topalbum toe aan zijn inmiddels imposante oeuvre en onderstreept wederom de topvorm van de afgelopen jaren
John Hiatt is misschien niet meer zo productief als in zijn jonge jaren, maar de afgelopen twintig jaar heeft de Amerikaanse muzikant geen slecht album gemaakt. Ook Leftover Feelings is weer een prachtalbum. Dat is deels de verdienste van John Hiatt zelf, die weer een aantal uitstekende songs heeft geschreven en deze vol gevoel vertolkt, maar ook de bijdragen van muzikant Jerry Douglas en zijn band mag niet worden onderschat. Het Amerikaanse snarenwonder en zijn band tekenen voor een prachtig geluid dat de songs van John Hiatt van nog wat extra kracht voorziet. John Hiatt behoort al vele jaren tot de smaakmakers binnen de rootsmuziek en laat nogmaals horen waarom.
De krenten uit de pop: John Hiatt with The Jerry Douglas Band - Leftover Feelings - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Hiatt voegt, samen met snarenwonder Jerry Douglas en zijn band, nog maar eens topalbum toe aan zijn inmiddels imposante oeuvre en onderstreept wederom de topvorm van de afgelopen jaren
John Hiatt is misschien niet meer zo productief als in zijn jonge jaren, maar de afgelopen twintig jaar heeft de Amerikaanse muzikant geen slecht album gemaakt. Ook Leftover Feelings is weer een prachtalbum. Dat is deels de verdienste van John Hiatt zelf, die weer een aantal uitstekende songs heeft geschreven en deze vol gevoel vertolkt, maar ook de bijdragen van muzikant Jerry Douglas en zijn band mag niet worden onderschat. Het Amerikaanse snarenwonder en zijn band tekenen voor een prachtig geluid dat de songs van John Hiatt van nog wat extra kracht voorziet. John Hiatt behoort al vele jaren tot de smaakmakers binnen de rootsmuziek en laat nogmaals horen waarom.
John Lennon - Imagine (1971)

4,5
1
geplaatst: 14 december 2025, 21:02 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: John Lennon - Imagine (1971) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: John Lennon - Imagine (1971)
John Lennon had het einde van The Beatles nog lang niet verwerkt toen hij in 1971 zijn tweede soloalbum Imagine afleverde, wat inmiddels in de boeken staat als zijn meest toegankelijke en beste soloalbum
Imagine is misschien niet het bestverkochte John Lennon album, dat is het vlak voor zijn dood verschenen Double Fantasy, maar het is wel zijn meest succesvolle soloalbum en wat mij betreft ook zijn beste. Het is een behoorlijk toegankelijk album met een aantal ballads en een aantal wat uitbundiger klinkende songs, maar het is ook een zeer persoonlijk album met indringende teksten. Het einde van The Beatles was nog vers in 1971 en dat hoor je op het album, waarop John Lennon ook laat horen dat hij zich in muzikaal opzicht nog altijd ontwikkelde. Ik heb door de loop van de geschiedenis altijd meer met McCartney dan met Lennon gehad, maar Imagine is een mooi en indrukwekkend album.
Ik was tot voor kort echt nauwelijks bekend met het solowerk van John Lennon. Dat lijkt bijzonder, maar de Britse muzikant was al niet meer onder ons toen ik begon aan het ontdekken van het oeuvre van The Beatles, waardoor het logisch was om me hierna in eerste instantie te richten op het solowerk van de andere voormalige Beatles. Hierbij richtte ik me met name op het werk van Paul McCartney, dat ik wel volledig ken en koester.
Mijn eerste serieuze kennismaking met de muziek die John Lennon na het uit elkaar vallen van The Beatles maakte, is het samen met Yoko Ono gemaakte en wat mij betreft uitstekende Double Fantasy, dat door het noodlot dat hem trof helaas ook zijn zwanenzang werd. Vervolgens kwam ik niet veel verder dan een verzamelaar, maar de afgelopen maanden ben ik alsnog wat dieper in het oeuvre van de Britse muzikant gedoken.
Het oeuvre van John Lennon is door zijn vroege dood, deze maand alweer 45 jaar geleden, helaas beperkt van omvang en ik vind ook niet al zijn albums even goed. Als ik mijn favoriete John Lennon album moet kiezen twijfel ik tussen het wat experimentele Plastic Ono Band uit 1970 of voor het wat toegankelijkere Imagine uit 1971 (en ook Double Fantasy doet vanwege de herinneringen mee).
Imagine is natuurlijk vooral bekend van de inmiddels behoorlijk doodgedraaide maar nog steeds mooie en bijzondere titeltrack, maar het album heeft meer te bieden en wordt over het algemeen beschouwd als het beste soloalbum van John Lennon Daar kan ik me wel in vinden.
Het is een album met een aantal ballads en een aantal net wat stevigere songs en het is een album dat vergeleken met Plastic Ono Band wat toegankelijker klinkt, maar beide albums zijn behoorlijk heftige albums. Dat zijn ze zeker in tekstueel opzicht, want John Lennon ging na het uit elkaar vallen van The Beatles door diepe dalen en dat hoor je op Imagine.
De Britse muzikant maakt van zijn hart geen moordkuil en zingt over de therapie die hem verder moest helpen (How?, Oh My Love) en over de ontstane vete tussen Paul McCartney en hem (How Do You Sleep?), maar in de titeltrack fantaseert hij ook over wereldvrede en dat thema keert terug in I Don't Wanna Be A Soldier Mama).
Het album bevat met Imagine, Jealous Guy en Oh My Love een aantal piano ballads die goed aansluiten bij de singer-songwriter muziek van de vroege jaren 70, maar met Crippled Inside, It’s So Hard, I Don’t Wanna Be A Soldier Mama en How Do You Sleep? bevat het album ook een aantal stevigere tracks met invloeden uit de blues en een Beatlesque tintje. Gimme Some Truth is nog wat steviger en schuurt tegen de glamrock van de vroege jaren 70 aan, terwijl ik slottrack Oh Yoko nog altijd wat koddig vind.
Imagine werd geproduceerd door John Lennon, Yoko Ono (die echt een microfoonverbod had moeten krijgen) en Phil Spector, die slechts ten dele zijn stempel op het album kon drukken. Lennon zou later zeggen dat hij niet meer achter het wat commerciële geluid van Imagine stond, maar ik vind het geluid op het album mooi. Ook over goede muzikanten had John Lennon niet te klagen, want onder andere George Harrison, Nicky Hopkins, Klaus Voormann en drummers Alan White en Jim Keltner zijn te horen op het album, waaraan ook nog strijkers zijn toegevoegd.
Het blijft doodzonde dat John Lennon maar een beperkt aantal albums heeft kunnen maken. Wie weet wat voor bijzonders hij de afgelopen 45 jaar nog had afgeleverd, we zullen het nooit weten helaas. De paar albums die hij heeft gemaakt zijn het ontdekken echter zeker waard, met Imagine voorop. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: John Lennon - Imagine (1971) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: John Lennon - Imagine (1971)
John Lennon had het einde van The Beatles nog lang niet verwerkt toen hij in 1971 zijn tweede soloalbum Imagine afleverde, wat inmiddels in de boeken staat als zijn meest toegankelijke en beste soloalbum
Imagine is misschien niet het bestverkochte John Lennon album, dat is het vlak voor zijn dood verschenen Double Fantasy, maar het is wel zijn meest succesvolle soloalbum en wat mij betreft ook zijn beste. Het is een behoorlijk toegankelijk album met een aantal ballads en een aantal wat uitbundiger klinkende songs, maar het is ook een zeer persoonlijk album met indringende teksten. Het einde van The Beatles was nog vers in 1971 en dat hoor je op het album, waarop John Lennon ook laat horen dat hij zich in muzikaal opzicht nog altijd ontwikkelde. Ik heb door de loop van de geschiedenis altijd meer met McCartney dan met Lennon gehad, maar Imagine is een mooi en indrukwekkend album.
Ik was tot voor kort echt nauwelijks bekend met het solowerk van John Lennon. Dat lijkt bijzonder, maar de Britse muzikant was al niet meer onder ons toen ik begon aan het ontdekken van het oeuvre van The Beatles, waardoor het logisch was om me hierna in eerste instantie te richten op het solowerk van de andere voormalige Beatles. Hierbij richtte ik me met name op het werk van Paul McCartney, dat ik wel volledig ken en koester.
Mijn eerste serieuze kennismaking met de muziek die John Lennon na het uit elkaar vallen van The Beatles maakte, is het samen met Yoko Ono gemaakte en wat mij betreft uitstekende Double Fantasy, dat door het noodlot dat hem trof helaas ook zijn zwanenzang werd. Vervolgens kwam ik niet veel verder dan een verzamelaar, maar de afgelopen maanden ben ik alsnog wat dieper in het oeuvre van de Britse muzikant gedoken.
Het oeuvre van John Lennon is door zijn vroege dood, deze maand alweer 45 jaar geleden, helaas beperkt van omvang en ik vind ook niet al zijn albums even goed. Als ik mijn favoriete John Lennon album moet kiezen twijfel ik tussen het wat experimentele Plastic Ono Band uit 1970 of voor het wat toegankelijkere Imagine uit 1971 (en ook Double Fantasy doet vanwege de herinneringen mee).
Imagine is natuurlijk vooral bekend van de inmiddels behoorlijk doodgedraaide maar nog steeds mooie en bijzondere titeltrack, maar het album heeft meer te bieden en wordt over het algemeen beschouwd als het beste soloalbum van John Lennon Daar kan ik me wel in vinden.
Het is een album met een aantal ballads en een aantal net wat stevigere songs en het is een album dat vergeleken met Plastic Ono Band wat toegankelijker klinkt, maar beide albums zijn behoorlijk heftige albums. Dat zijn ze zeker in tekstueel opzicht, want John Lennon ging na het uit elkaar vallen van The Beatles door diepe dalen en dat hoor je op Imagine.
De Britse muzikant maakt van zijn hart geen moordkuil en zingt over de therapie die hem verder moest helpen (How?, Oh My Love) en over de ontstane vete tussen Paul McCartney en hem (How Do You Sleep?), maar in de titeltrack fantaseert hij ook over wereldvrede en dat thema keert terug in I Don't Wanna Be A Soldier Mama).
Het album bevat met Imagine, Jealous Guy en Oh My Love een aantal piano ballads die goed aansluiten bij de singer-songwriter muziek van de vroege jaren 70, maar met Crippled Inside, It’s So Hard, I Don’t Wanna Be A Soldier Mama en How Do You Sleep? bevat het album ook een aantal stevigere tracks met invloeden uit de blues en een Beatlesque tintje. Gimme Some Truth is nog wat steviger en schuurt tegen de glamrock van de vroege jaren 70 aan, terwijl ik slottrack Oh Yoko nog altijd wat koddig vind.
Imagine werd geproduceerd door John Lennon, Yoko Ono (die echt een microfoonverbod had moeten krijgen) en Phil Spector, die slechts ten dele zijn stempel op het album kon drukken. Lennon zou later zeggen dat hij niet meer achter het wat commerciële geluid van Imagine stond, maar ik vind het geluid op het album mooi. Ook over goede muzikanten had John Lennon niet te klagen, want onder andere George Harrison, Nicky Hopkins, Klaus Voormann en drummers Alan White en Jim Keltner zijn te horen op het album, waaraan ook nog strijkers zijn toegevoegd.
Het blijft doodzonde dat John Lennon maar een beperkt aantal albums heeft kunnen maken. Wie weet wat voor bijzonders hij de afgelopen 45 jaar nog had afgeleverd, we zullen het nooit weten helaas. De paar albums die hij heeft gemaakt zijn het ontdekken echter zeker waard, met Imagine voorop. Erwin Zijleman
John Martyn - Grace & Danger (1980)

4,5
2
geplaatst: 9 februari 2025, 19:49 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: John Martyn - Grace & Danger (1980) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: John Martyn - Grace & Danger (1980)
De Britse muzikant John Martyn maakte zijn bekendste album aan het begin van de jaren 70, maar ook het in 1980 verschenen breakup album Grace & Danger is een album dat zeker niet mag worden onderschat
Persoonlijke misère levert vaak de mooiste muziek op. Het geldt ook voor de Britse muzikant John Martyn, die aan het eind van de jaren 70 zijn huwelijk zag stranden en alle ellende van de echtscheiding verwerkte op het prachtige Grace & Danger. Samen met een aantal uitstekende muzikanten, onder wie drummer Phil Collins, werd een geweldig klinkend album gemaakt met songs vol melancholie. In muzikaal opzicht klinkt het nog altijd uitstekend en ook in vocaal opzicht presteert John Martyn op Grace & Danger op de toppen van zijn kunnen. Grace & Danger heeft niet dezelfde status als Solid Air uit 1973, maar het album doet er in muzikaal en vocaal opzicht zeker niet voor onder.
De Britse muzikant John Martyn is lang niet zo bekend als een aantal van zijn generatiegenoten, maar moet absoluut worden gerekend tot de grootheden uit de Britse folk en folkrock. John Martyn werd geboren als Iain David McGeach en groeide op in het Schotse Glasgow. Hij zette al in zijn tienerjaren de eerste stappen in de muziek en debuteerde in 1967 op zijn negentiende, nadat hij een platencontract in de wacht had gesleept bij het legendarische Island label van Chris Blackwell.
Het eerste grote album van John Martyn verscheen in 1971 met Bless The Weather, maar de echte klapper kwam twee jaar later. Met Solid Air uit 1973 maakte John Martyn een album dat moet worden geschaard onder de klassiekers binnen de Britse folk. De Britse muzikant zou het niveau van dit album niet vaak meer benaderen, al maakte hij uiteindelijk tot de eerste jaren van het huidige millennium albums. Hierna begon een ongezond leven vol verslavingen zijn tol te eisen, waardoor de Britse muzikant in 2009 overleed op slechts 60-jarige leeftijd.
Solid Air is inderdaad een prachtig album, maar het is niet mijn favoriete album van John Martyn. Dat is immers het in 1980 uitgebrachte Grace & Danger, al duurde het vele jaren voor ik dit door had. In 1980 verzamelde ik alles dat ook maar iets met Genesis had te maken, waardoor ik ook Grace & Danger van John Martyn in huis haalde. Dat deed ik alleen omdat Genesis drummer Phil Collins op het album tekent voor het drumwerk. Met de muziek van John Martyn kon ik in 1980 maar heel weinig, maar zo’n twintig jaar later kwam het album bij mij wel opeens binnen.
Dat John Martyn juist Phil Collins vroeg voor het album heeft alles te maken met het feit dat beiden op dat moment hun huwelijk op de klippen zagen lopen en veel steun bij elkaar vonden. Grace & Danger van John Martyn is net als Face Value van Phil Collins een breakup-album, maar buiten de thematiek en het drumwerk hebben de albums niet zoveel met elkaar te maken.
Phil Collins tekende op Grace & Danger overigens niet alleen voor het drumwerk, maar ook voor de achtergrondzang, terwijl John Giblin het baswerk voor zijn rekening nam en Tommy Eyre de muziek op het album voorzag van de nodige keyboards. John Martyn nam zelf het gitaarwerk en de leadzang voor zijn rekening. De stem van de Britse muzikant klonk aan het einde van zijn carrière een stuk minder, maar op Grace & Danger is de zang echt prachtig. John Martyn beschikt op het album over een mooi, maar ook veelzijdig en zeer herkenbaar stemgeluid.
De combinatie van de hecht spelende band, met een belangrijke rol voor het uitstekende gitaarwerk van John Martyn, en de fraaie zang zorgt er voor dat Grace & Danger, dat door het label van de Britse muzikant een tijd werd tegengehouden omdat het te deprimerend zou zijn, ook 45 jaar na de release nog prachtig klinkt.
Op het album heeft John Martyn de Britse folk deels achter zich gelaten en verruild voor een mix van pop, rock en jazz, die nog niet al teveel werd bepaald door de muzikale koerswijzigingen uit de jaren 80. Ik ontdekte het album pas echt toen ik het al twintig jaar in huis had, maar sindsdien koester ik het wat mij betreft beste album van de inmiddels helaas wat vergeten Britse muzikant. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: John Martyn - Grace & Danger (1980) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: John Martyn - Grace & Danger (1980)
De Britse muzikant John Martyn maakte zijn bekendste album aan het begin van de jaren 70, maar ook het in 1980 verschenen breakup album Grace & Danger is een album dat zeker niet mag worden onderschat
Persoonlijke misère levert vaak de mooiste muziek op. Het geldt ook voor de Britse muzikant John Martyn, die aan het eind van de jaren 70 zijn huwelijk zag stranden en alle ellende van de echtscheiding verwerkte op het prachtige Grace & Danger. Samen met een aantal uitstekende muzikanten, onder wie drummer Phil Collins, werd een geweldig klinkend album gemaakt met songs vol melancholie. In muzikaal opzicht klinkt het nog altijd uitstekend en ook in vocaal opzicht presteert John Martyn op Grace & Danger op de toppen van zijn kunnen. Grace & Danger heeft niet dezelfde status als Solid Air uit 1973, maar het album doet er in muzikaal en vocaal opzicht zeker niet voor onder.
De Britse muzikant John Martyn is lang niet zo bekend als een aantal van zijn generatiegenoten, maar moet absoluut worden gerekend tot de grootheden uit de Britse folk en folkrock. John Martyn werd geboren als Iain David McGeach en groeide op in het Schotse Glasgow. Hij zette al in zijn tienerjaren de eerste stappen in de muziek en debuteerde in 1967 op zijn negentiende, nadat hij een platencontract in de wacht had gesleept bij het legendarische Island label van Chris Blackwell.
Het eerste grote album van John Martyn verscheen in 1971 met Bless The Weather, maar de echte klapper kwam twee jaar later. Met Solid Air uit 1973 maakte John Martyn een album dat moet worden geschaard onder de klassiekers binnen de Britse folk. De Britse muzikant zou het niveau van dit album niet vaak meer benaderen, al maakte hij uiteindelijk tot de eerste jaren van het huidige millennium albums. Hierna begon een ongezond leven vol verslavingen zijn tol te eisen, waardoor de Britse muzikant in 2009 overleed op slechts 60-jarige leeftijd.
Solid Air is inderdaad een prachtig album, maar het is niet mijn favoriete album van John Martyn. Dat is immers het in 1980 uitgebrachte Grace & Danger, al duurde het vele jaren voor ik dit door had. In 1980 verzamelde ik alles dat ook maar iets met Genesis had te maken, waardoor ik ook Grace & Danger van John Martyn in huis haalde. Dat deed ik alleen omdat Genesis drummer Phil Collins op het album tekent voor het drumwerk. Met de muziek van John Martyn kon ik in 1980 maar heel weinig, maar zo’n twintig jaar later kwam het album bij mij wel opeens binnen.
Dat John Martyn juist Phil Collins vroeg voor het album heeft alles te maken met het feit dat beiden op dat moment hun huwelijk op de klippen zagen lopen en veel steun bij elkaar vonden. Grace & Danger van John Martyn is net als Face Value van Phil Collins een breakup-album, maar buiten de thematiek en het drumwerk hebben de albums niet zoveel met elkaar te maken.
Phil Collins tekende op Grace & Danger overigens niet alleen voor het drumwerk, maar ook voor de achtergrondzang, terwijl John Giblin het baswerk voor zijn rekening nam en Tommy Eyre de muziek op het album voorzag van de nodige keyboards. John Martyn nam zelf het gitaarwerk en de leadzang voor zijn rekening. De stem van de Britse muzikant klonk aan het einde van zijn carrière een stuk minder, maar op Grace & Danger is de zang echt prachtig. John Martyn beschikt op het album over een mooi, maar ook veelzijdig en zeer herkenbaar stemgeluid.
De combinatie van de hecht spelende band, met een belangrijke rol voor het uitstekende gitaarwerk van John Martyn, en de fraaie zang zorgt er voor dat Grace & Danger, dat door het label van de Britse muzikant een tijd werd tegengehouden omdat het te deprimerend zou zijn, ook 45 jaar na de release nog prachtig klinkt.
Op het album heeft John Martyn de Britse folk deels achter zich gelaten en verruild voor een mix van pop, rock en jazz, die nog niet al teveel werd bepaald door de muzikale koerswijzigingen uit de jaren 80. Ik ontdekte het album pas echt toen ik het al twintig jaar in huis had, maar sindsdien koester ik het wat mij betreft beste album van de inmiddels helaas wat vergeten Britse muzikant. Erwin Zijleman
John Mayer - Sob Rock (2021)

3,5
1
geplaatst: 19 juli 2021, 15:08 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Mayer - Sob Rock - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Mayer - Sob Rock
John Mayer gaat op Sob Rock aan de haal met wat gladde pop en rock uit de jaren 80, maar op een of andere manier klinkt het verrassend lekker, zeker wanneer de zon uitbundig schijnt
Na een blik op de cover van Sob Rock ben je in de jaren 80 en daar blijf je ook wanneer je het album uit de speakers laat komen. John Mayer laat zich inspireren door muziek waar ik destijds helemaal niets mee had, maar is nog steeds een getalenteerd muzikant en zanger. Sob Rock klinkt af en toe wel heel glad, maar het album bevat ook songs waarin John Mayer het niveau van een ‘guilty pleasure’ even ontstijgt. En als hij dat niet doet is Sob Rock een heerlijk album om bij weg te dromen en nog wat herinneringen uit vervlogen tijden op te halen. John Mayer verdient geen heel hoog rapportcijfer voor zijn nieuwe album, maar een voldoende is het zeker.
Ik heb de muziek van de Amerikaanse muzikant John Mayer heel lang links laten liggen. Dat had meer te maken met mijn vooroordelen dan met zijn muziek, want voordat ik in 2017 met volledige aandacht luisterde naar The Search For Everything, had ik eigenlijk nooit goed geluisterd naar de muziek van John Mayer en bestempelde ik het al bij voorbaat al oninteressant. The Search For Everything vond ik echter een erg sterk album en vervolgens heb ik nog wel meer moois ontdekt in het oeuvre van de Amerikaanse muzikant.
The Search For Everything uit 2017 was tot voor kort het laatste wapenfeit van John Mayer, maar deze week verscheen eindelijk een nieuw album, Sob Rock. John Mayer ziet er op de cover van zijn nieuwe album uit als een ietwat foute of zelfs hele foute rockster uit de jaren 80 en de associaties met de jaren 80 beperken zich zeker niet tot de cover van het nieuwe album, want ook in muzikaal opzicht lijkt Sob Rock zo weggelopen uit de jaren 80.
Zeker bij eerste beluistering klonk Sob Rock voor mij als het muzikale behang dat in zoveel succesvolle tv-series uit het betreffende decennium was te horen. Zeker in de wat melancholisch aandoende songs zie je Don Johnson in Miami Vice wat triest voor zich uit staren in het avondlicht van Miami en zo heb ik nog wel wat meer associaties met de jaren 80 bij beluistering van Sob Rock, zoals hier en daar een vleugje Dire Straits.
Het zijn niet per definitie de meest positieve associaties met het decennium waarin ik volwassen werd, want destijds liep ik met een flinke boog om dit soort muziek heen of omarmde ik het hooguit als een ‘guilty pleasure’.
In de eerste zinnen gaf ik aan dat ik de muziek van John Mayer lang heb genegeerd vanwege vooroordelen en het belangrijkste vooroordeel was waarschijnlijk dat de Amerikaanse muzikant het soort muziek zou maken als op Sob Rock. Nu maakt hij dit soort muziek dus echt, maar op een of andere manier stuit Sob Rock me niet tegen de borst.
Het nieuwe album van John Mayer is zo glad als een aal en raakt aan muziek die ik ooit verafschuwde, maar in de zomerzon klinkt het allemaal ook wel erg lekker. De afslag richting gladde 80s pop en rock had van mij niet gehoeven, maar John Mayer blijft natuurlijk wel een prima gitarist en een uitstekend zanger en weet zich daarom makkelijk te onderscheiden van het vergelijkingsmateriaal uit de jaren 80.
Of ik Sob Rock een goed album vind of niet zal de tijd moeten leren, maar het is momenteel wel een onweerstaanbaar lekkere ‘guilty pleasure’. Sob Rock neemt je op zeer aangename wijze mee terug naar de jaren 80, waarbij met enige regelmaat mooie dingen opduiken als een lekkere gitaarsolo of toch wat flarden van de eerdere albums van de Amerikaanse muzikant.
Van het geluid moet je houden, maar topproducer Don Was heeft vakwerk afgeleverd. Het geluid uit de jaren 80 wordt perfect gereproduceerd met de wat kitscherige synths en de vrouwenkoortjes en op een of andere manier past het wel bij de ingrediënten die John Mayer zelf toevoegt. De Amerikaanse muzikant heeft een aantal echt veel betere albums op zijn naam staan, maar zo lang de zon schijnt en je wat wilt mijmeren over de jaren 80, is Sob Rock een lekker album met songs die aangenaam voortkabbelen maar stiekem ook blijven hangen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Mayer - Sob Rock - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Mayer - Sob Rock
John Mayer gaat op Sob Rock aan de haal met wat gladde pop en rock uit de jaren 80, maar op een of andere manier klinkt het verrassend lekker, zeker wanneer de zon uitbundig schijnt
Na een blik op de cover van Sob Rock ben je in de jaren 80 en daar blijf je ook wanneer je het album uit de speakers laat komen. John Mayer laat zich inspireren door muziek waar ik destijds helemaal niets mee had, maar is nog steeds een getalenteerd muzikant en zanger. Sob Rock klinkt af en toe wel heel glad, maar het album bevat ook songs waarin John Mayer het niveau van een ‘guilty pleasure’ even ontstijgt. En als hij dat niet doet is Sob Rock een heerlijk album om bij weg te dromen en nog wat herinneringen uit vervlogen tijden op te halen. John Mayer verdient geen heel hoog rapportcijfer voor zijn nieuwe album, maar een voldoende is het zeker.
Ik heb de muziek van de Amerikaanse muzikant John Mayer heel lang links laten liggen. Dat had meer te maken met mijn vooroordelen dan met zijn muziek, want voordat ik in 2017 met volledige aandacht luisterde naar The Search For Everything, had ik eigenlijk nooit goed geluisterd naar de muziek van John Mayer en bestempelde ik het al bij voorbaat al oninteressant. The Search For Everything vond ik echter een erg sterk album en vervolgens heb ik nog wel meer moois ontdekt in het oeuvre van de Amerikaanse muzikant.
The Search For Everything uit 2017 was tot voor kort het laatste wapenfeit van John Mayer, maar deze week verscheen eindelijk een nieuw album, Sob Rock. John Mayer ziet er op de cover van zijn nieuwe album uit als een ietwat foute of zelfs hele foute rockster uit de jaren 80 en de associaties met de jaren 80 beperken zich zeker niet tot de cover van het nieuwe album, want ook in muzikaal opzicht lijkt Sob Rock zo weggelopen uit de jaren 80.
Zeker bij eerste beluistering klonk Sob Rock voor mij als het muzikale behang dat in zoveel succesvolle tv-series uit het betreffende decennium was te horen. Zeker in de wat melancholisch aandoende songs zie je Don Johnson in Miami Vice wat triest voor zich uit staren in het avondlicht van Miami en zo heb ik nog wel wat meer associaties met de jaren 80 bij beluistering van Sob Rock, zoals hier en daar een vleugje Dire Straits.
Het zijn niet per definitie de meest positieve associaties met het decennium waarin ik volwassen werd, want destijds liep ik met een flinke boog om dit soort muziek heen of omarmde ik het hooguit als een ‘guilty pleasure’.
In de eerste zinnen gaf ik aan dat ik de muziek van John Mayer lang heb genegeerd vanwege vooroordelen en het belangrijkste vooroordeel was waarschijnlijk dat de Amerikaanse muzikant het soort muziek zou maken als op Sob Rock. Nu maakt hij dit soort muziek dus echt, maar op een of andere manier stuit Sob Rock me niet tegen de borst.
Het nieuwe album van John Mayer is zo glad als een aal en raakt aan muziek die ik ooit verafschuwde, maar in de zomerzon klinkt het allemaal ook wel erg lekker. De afslag richting gladde 80s pop en rock had van mij niet gehoeven, maar John Mayer blijft natuurlijk wel een prima gitarist en een uitstekend zanger en weet zich daarom makkelijk te onderscheiden van het vergelijkingsmateriaal uit de jaren 80.
Of ik Sob Rock een goed album vind of niet zal de tijd moeten leren, maar het is momenteel wel een onweerstaanbaar lekkere ‘guilty pleasure’. Sob Rock neemt je op zeer aangename wijze mee terug naar de jaren 80, waarbij met enige regelmaat mooie dingen opduiken als een lekkere gitaarsolo of toch wat flarden van de eerdere albums van de Amerikaanse muzikant.
Van het geluid moet je houden, maar topproducer Don Was heeft vakwerk afgeleverd. Het geluid uit de jaren 80 wordt perfect gereproduceerd met de wat kitscherige synths en de vrouwenkoortjes en op een of andere manier past het wel bij de ingrediënten die John Mayer zelf toevoegt. De Amerikaanse muzikant heeft een aantal echt veel betere albums op zijn naam staan, maar zo lang de zon schijnt en je wat wilt mijmeren over de jaren 80, is Sob Rock een lekker album met songs die aangenaam voortkabbelen maar stiekem ook blijven hangen. Erwin Zijleman
John Mayer - The Search for Everything (2017)

4,5
2
geplaatst: 19 april 2017, 16:17 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Mayer - The Search For Everything - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De muziek van John Mayer heb ik tot dusver vrijwel volledig genegeerd (alleen de cover van Heavier Things uit 2003 komt me enigszins bekend voor).
De Amerikaanse muzikant stopte ik, grotendeels op basis van vooroordelen, in het hokje bij muzikanten als Jack Johnson en Jason Mraz en dat is voor mij een hokje waarin de muziek best lekker klinkt, maar het is ook muziek die verder helemaal niets met mij doet.
Toen John Mayer eenmaal een wereldster was geworden en met grote regelmaat opdook in de tabloids, was er voor mij helemaal geen aanleiding meer om naar zijn muziek te luisteren, tot ik bij toeval zijn nieuwe plaat aanklikte in Spotify.
De openingstrack van The Search For Everything klonk direct bijzonder lekker. John Mayer verrast met lome en soulvolle rhythm & blues, zoals die in de jaren 70 floreerde en bijvoorbeeld door Boz Scaggs werd gemaakt. Misschien niet heel vernieuwend, maar wel bijzonder smaakvol uitgevoerd met prima zang en uitstekend gitaarwerk.
Het geldt voor heel veel tracks op The Search For Everything. Ook in de wat meer folky songs doet John Mayer geen echt nieuwe dingen, maar zijn songs zitten echt heel goed in elkaar en worden prachtig uitgevoerd.
In tegenstelling tot de muziek van de eerder benoemde soortgenoot Jack Johnson, doet John Mayer op The Search For Everything meer dan alleen maar vermaken met lekker in het gehoor liggende songs. De Amerikaan kleurt vaker buiten de lijntjes dan ik had verwacht en maakt bovendien muziek vol emotie.
Hier en daar schuurt het dicht tegen een jonge Van Morrison aan, maar John Mayer heeft ook een opvallend eigen geluid. Het is een geluid is gevormd door de rijke historie van de popmuziek.
In de folky tracks klinken volop invloeden uit de Laurel Canyon scene van de jaren 60 door, maar John Mayer is ook niet vies van jams waarin invloeden uit de rhythm & blues en soul worden gecombineerd met heerlijk bluesy gitaarspel. Het is gitaarspel dat hier en daar herinnert aan de magie van J.J. Cale, maar John Mayer kan ook wat steviger of juist wat funkier uitpakken met zijn gitaar.
The Search For Everything klinkt veel aangenamer dan ik had verwacht en het is ook nog eens een plaat die lang blijft groeien. Waar ik in eerste instantie vooral werd vermaakt door de tijdloze en bijzonder aangenaam klinkende songs, ontdekte ik na verloop van tijd de gitarist John Mayer.
John Mayer onttrekt niet alleen wonderschone loopjes of fraaie solo’s aan zijn instrument, maar heeft ook een bijzonder eigen geluid, dat zijn songs voorziet van een warm en vol geluid. Het past allemaal prachtig bij zijn aangename stem, die is voorzien van een fraai rauw randje en doorleefder klinkt dan ik had verwacht.
Bij eerste beluistering was ik vooral verrast door al het moois op The Search For Everything, maar langzaam maar zeker raakte ik gehecht aan de mooie songs op de nieuwe plaat van John Mayer.
Ik schaam me diep dat vooroordelen de muziek van John Mayer zo lang buiten de deur hebben gehouden, maar ik ben ook blij dat deze nieuwe plaat wel een kans heeft gekregen en veel meer indruk heeft gemaakt dan ik in mijn stoutste dromen had verwacht.
John Mayer is misschien goed vol Ziggo Domes vol gillende tieners, maar hij maakt ook muziek die kwaliteit ademt en die ook bij de net wat minder uitbundige muziekliefhebber een gevoelige snaar moet kunnen raken. Ik durf inmiddels wel te beweren dat John Mayer met The Search For Everything niet alleen een verrassend aangename, maar ook verrassend overtuigende plaat heeft gemaakt. Ik zet hem maar weer eens op, voor de zoveelste keer inmiddels, en het is weer genieten. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Mayer - The Search For Everything - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De muziek van John Mayer heb ik tot dusver vrijwel volledig genegeerd (alleen de cover van Heavier Things uit 2003 komt me enigszins bekend voor).
De Amerikaanse muzikant stopte ik, grotendeels op basis van vooroordelen, in het hokje bij muzikanten als Jack Johnson en Jason Mraz en dat is voor mij een hokje waarin de muziek best lekker klinkt, maar het is ook muziek die verder helemaal niets met mij doet.
Toen John Mayer eenmaal een wereldster was geworden en met grote regelmaat opdook in de tabloids, was er voor mij helemaal geen aanleiding meer om naar zijn muziek te luisteren, tot ik bij toeval zijn nieuwe plaat aanklikte in Spotify.
De openingstrack van The Search For Everything klonk direct bijzonder lekker. John Mayer verrast met lome en soulvolle rhythm & blues, zoals die in de jaren 70 floreerde en bijvoorbeeld door Boz Scaggs werd gemaakt. Misschien niet heel vernieuwend, maar wel bijzonder smaakvol uitgevoerd met prima zang en uitstekend gitaarwerk.
Het geldt voor heel veel tracks op The Search For Everything. Ook in de wat meer folky songs doet John Mayer geen echt nieuwe dingen, maar zijn songs zitten echt heel goed in elkaar en worden prachtig uitgevoerd.
In tegenstelling tot de muziek van de eerder benoemde soortgenoot Jack Johnson, doet John Mayer op The Search For Everything meer dan alleen maar vermaken met lekker in het gehoor liggende songs. De Amerikaan kleurt vaker buiten de lijntjes dan ik had verwacht en maakt bovendien muziek vol emotie.
Hier en daar schuurt het dicht tegen een jonge Van Morrison aan, maar John Mayer heeft ook een opvallend eigen geluid. Het is een geluid is gevormd door de rijke historie van de popmuziek.
In de folky tracks klinken volop invloeden uit de Laurel Canyon scene van de jaren 60 door, maar John Mayer is ook niet vies van jams waarin invloeden uit de rhythm & blues en soul worden gecombineerd met heerlijk bluesy gitaarspel. Het is gitaarspel dat hier en daar herinnert aan de magie van J.J. Cale, maar John Mayer kan ook wat steviger of juist wat funkier uitpakken met zijn gitaar.
The Search For Everything klinkt veel aangenamer dan ik had verwacht en het is ook nog eens een plaat die lang blijft groeien. Waar ik in eerste instantie vooral werd vermaakt door de tijdloze en bijzonder aangenaam klinkende songs, ontdekte ik na verloop van tijd de gitarist John Mayer.
John Mayer onttrekt niet alleen wonderschone loopjes of fraaie solo’s aan zijn instrument, maar heeft ook een bijzonder eigen geluid, dat zijn songs voorziet van een warm en vol geluid. Het past allemaal prachtig bij zijn aangename stem, die is voorzien van een fraai rauw randje en doorleefder klinkt dan ik had verwacht.
Bij eerste beluistering was ik vooral verrast door al het moois op The Search For Everything, maar langzaam maar zeker raakte ik gehecht aan de mooie songs op de nieuwe plaat van John Mayer.
Ik schaam me diep dat vooroordelen de muziek van John Mayer zo lang buiten de deur hebben gehouden, maar ik ben ook blij dat deze nieuwe plaat wel een kans heeft gekregen en veel meer indruk heeft gemaakt dan ik in mijn stoutste dromen had verwacht.
John Mayer is misschien goed vol Ziggo Domes vol gillende tieners, maar hij maakt ook muziek die kwaliteit ademt en die ook bij de net wat minder uitbundige muziekliefhebber een gevoelige snaar moet kunnen raken. Ik durf inmiddels wel te beweren dat John Mayer met The Search For Everything niet alleen een verrassend aangename, maar ook verrassend overtuigende plaat heeft gemaakt. Ik zet hem maar weer eens op, voor de zoveelste keer inmiddels, en het is weer genieten. Erwin Zijleman
John Mellencamp featuring Carlene Carter - Sad Clowns & Hillbillies (2017)

4,0
1
geplaatst: 5 mei 2017, 14:33 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Mellencamp featuring Carlene Carter - Sad Clowns & Hillbillies - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
John Mellencamp begon halverwege de jaren 70 als John Cougar aan een carrière als muzikant.
Het leverde in eerste instantie niet al te interessante platen op, maar het in 1982 verschenen American Fool (met de single Jack & Diane) liet horen dat John Cougar wel degelijk wat te bieden had.
De Amerikaanse singer-songwriter ging zich vervolgens John Cougar Mellencamp noemen en zijn platen werden steeds interessanter, met Scarecrow uit 1985 en The Lonesome Jubilee uit 1987 als uitschieters.
Sinds het eind van de jaren 90 maakt de Amerikaan platen als John Mellencamp en is hij langzaam maar zeker opgeschoven van door Springsteen beïnvloedde spierballenrock naar meer traditionele Amerikaanse rootsmuziek.
In dit genre heeft John Mellencamp nogal wat concurrenten, waardoor ik zijn platen zeker niet allemaal heb opgepikt de laatste jaren (No Better Than This uit 2010 was de laatste). Sad Clowns & Hillbillies trok echter direct mijn aandacht door de naam van Carlene Carter op de cover.
Sad Clowns & Hillbillies is een gezamenlijk project van John Mellencamp en Carlene Carter en is een prima plaat, zeker voor liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek met een zwak voor vrouwenstemmen.
Ik reken mezelf absoluut tot deze categorie en ben dan ook blij met de bijdragen van Carlene Carter, Martina McBride en Lily & Madeleine op Sad Clowns & Hillbillies. De vrouwenstemmen kleuren prachtig bij de inmiddels opvallend rauwe strot van John Mellencamp en geven zijn muziek wat meer diepte.
Sad Clowns & Hillbillies opent opvallend met een versie van Mickey Newbury's Mobile Blue en schiet vervolgens meerdere kanten op. In de songs waarop John Mellencamp het doet zonder vrouwenstemmen schuurt hij meer dan eens tegen de traditionele Amerikaanse folk aan (met een aantal duidelijke verwijzingen naar de muziek van Dylan en Woody Guthrie), terwijl de vrouwenstemmen zijn songs een duidelijke country impuls geven.
Sad Clowns & Hillbillies bevat flink wat ingetogen songs, maar de plaat rockt af en toe ook stevig, met een onverwachte glansrol voor voormalig Guns N’ Roses gitarist Izzy Stradlin, die heerlijk bluesy speelt. In de instrumentatie is verder een belangrijke rol ingeruimd voor de viool van Miriam Sturm), die flink wat songs op Sad Clowns & Hillbillies prachtig inkleurt.
De nieuwe plaat van John Mellencamp is voorzien van een lekker vol geluid, wat zijn stem af en toe flink optilt. Dat is wel nodig ook, want de stembanden van de toch pas 65 jaar oude singer-songwriter hebben behoorlijk te lijden gehad de afgelopen decennia. Het voorziet Sad Clowns & Hillbillies van een rauw randje wat de plaat ook zeker goed doet, maar ik denk dat John Mellencamp zo langzamerhand maar beter kan stoppen met roken, tenzij hij Tom Waits naar de kroon wil steken.
Ik heb zoals gezegd de laatste paar platen van John Mellencamp laten liggen, maar de nieuwe plaat, die hij samen met Carlene Carter heeft gemaakt, bevalt me zeer. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Mellencamp featuring Carlene Carter - Sad Clowns & Hillbillies - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
John Mellencamp begon halverwege de jaren 70 als John Cougar aan een carrière als muzikant.
Het leverde in eerste instantie niet al te interessante platen op, maar het in 1982 verschenen American Fool (met de single Jack & Diane) liet horen dat John Cougar wel degelijk wat te bieden had.
De Amerikaanse singer-songwriter ging zich vervolgens John Cougar Mellencamp noemen en zijn platen werden steeds interessanter, met Scarecrow uit 1985 en The Lonesome Jubilee uit 1987 als uitschieters.
Sinds het eind van de jaren 90 maakt de Amerikaan platen als John Mellencamp en is hij langzaam maar zeker opgeschoven van door Springsteen beïnvloedde spierballenrock naar meer traditionele Amerikaanse rootsmuziek.
In dit genre heeft John Mellencamp nogal wat concurrenten, waardoor ik zijn platen zeker niet allemaal heb opgepikt de laatste jaren (No Better Than This uit 2010 was de laatste). Sad Clowns & Hillbillies trok echter direct mijn aandacht door de naam van Carlene Carter op de cover.
Sad Clowns & Hillbillies is een gezamenlijk project van John Mellencamp en Carlene Carter en is een prima plaat, zeker voor liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek met een zwak voor vrouwenstemmen.
Ik reken mezelf absoluut tot deze categorie en ben dan ook blij met de bijdragen van Carlene Carter, Martina McBride en Lily & Madeleine op Sad Clowns & Hillbillies. De vrouwenstemmen kleuren prachtig bij de inmiddels opvallend rauwe strot van John Mellencamp en geven zijn muziek wat meer diepte.
Sad Clowns & Hillbillies opent opvallend met een versie van Mickey Newbury's Mobile Blue en schiet vervolgens meerdere kanten op. In de songs waarop John Mellencamp het doet zonder vrouwenstemmen schuurt hij meer dan eens tegen de traditionele Amerikaanse folk aan (met een aantal duidelijke verwijzingen naar de muziek van Dylan en Woody Guthrie), terwijl de vrouwenstemmen zijn songs een duidelijke country impuls geven.
Sad Clowns & Hillbillies bevat flink wat ingetogen songs, maar de plaat rockt af en toe ook stevig, met een onverwachte glansrol voor voormalig Guns N’ Roses gitarist Izzy Stradlin, die heerlijk bluesy speelt. In de instrumentatie is verder een belangrijke rol ingeruimd voor de viool van Miriam Sturm), die flink wat songs op Sad Clowns & Hillbillies prachtig inkleurt.
De nieuwe plaat van John Mellencamp is voorzien van een lekker vol geluid, wat zijn stem af en toe flink optilt. Dat is wel nodig ook, want de stembanden van de toch pas 65 jaar oude singer-songwriter hebben behoorlijk te lijden gehad de afgelopen decennia. Het voorziet Sad Clowns & Hillbillies van een rauw randje wat de plaat ook zeker goed doet, maar ik denk dat John Mellencamp zo langzamerhand maar beter kan stoppen met roken, tenzij hij Tom Waits naar de kroon wil steken.
Ik heb zoals gezegd de laatste paar platen van John Mellencamp laten liggen, maar de nieuwe plaat, die hij samen met Carlene Carter heeft gemaakt, bevalt me zeer. Erwin Zijleman
John Moreland - Big Bad Luv (2017)

4,5
0
geplaatst: 10 mei 2017, 15:14 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Moreland - Big Bad Luv - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
High On Tulsa Heat van John Moreland deed me twee jaar geleden meerdere keren denken aan Nebraska van Bruce Springsteen.
Het is een vergelijking die maar heel weinig platen verdienen, maar de plaat van de singer-songwriter uit Tulsa, Oklahoma, maakte zoveel indruk dat de vergelijking wat mij betreft op zijn plaats was, en is.
Het terechte succes van de plaat leverde John Moreland een platencontract op bij het eigenzinnige Britse label 4AD, dat normaal gesproken niet erg actief is in het rootsgenre.
John Moreland had door dit platencontract wat meer te besteden dan in het verleden en dat hoor je. Big Bad Luv kon worden opgenomen in een goede studio in Little Rock, Arkansas, waar ook wat meer muzikanten aanschoven. Voor de mix kon de singer-songwriter uit Oklahoma bovendien een beroep doen op de gelouterde technicus Tchad Blake, die de nieuwe plaat van John Moreland heeft voorzien van een bijzonder fraaie mix.
Big Bad Luv klinkt wat voller en ook mooier dan High On Tulsa Heat, maar John Moreland heeft de andere sterke punten van zijn zo bejubelde vorige plaat gelukkig behouden. Ook op Big Bad Luv overtuigt John Moreland met mooie verhalen die hij op doorleefde wijze vertolkt.
De stem van de Amerikaan is er een vol gruis, maar het is ook een stem die warm en emotievol klinkt. Het paste twee jaar geleden prachtig bij de behoorlijk sobere instrumentatie op High On Tulsa Heat, maar ook in het wat vollere geluid op Big Bad Luv komt de rauwe strot van John Moreland uitstekend tot zijn recht.
In de wat vollere instrumentatie op de nieuwe plaat valt overigens flink wat te genieten. Met name het gitaarspel op de plaat is prachtig, mede omdat de mix van Tchad Blake zo helder is dat je iedere aanraking van de snaren hoort.
In vocaal opzicht hoor ik nog altijd volop raakvlakken met de sobere platen van Springsteen, terwijl ook de wat vollere tracks raken aan het net wat minder ingetogen werk van The Boss. Storend wordt de vergelijking met Springsteen nergens, want John Moreland doet nadrukkelijk zijn eigen ding en kan in vocaal opzicht ook opschuiven naar de rootshelden uit het verleden of richting Tom Waits.
Big Bad Luv bevat flink wat invloeden uit de jaren 70, zeker wanneer het geluid nog wat voller wordt ingekleurd met piano en fraaie orgels. Een voller geluid gaat meestal ten koste van de intimiteit, maar John Moreland heeft deze intimiteit op knappe wijze weten te behouden, mede door af en toe flink gas terug te nemen.
De singer-songwriter, die een jaar of tien geleden nog actief was binnen de punkbeweging in Tulsa, Oklahoma, rammelde twee jaar geleden al nadrukkelijk aan de poort van de smaakmakers binnen de Amerikaanse rootsmuziek, maar dwingt met Big Bad Luv op overtuigende wijze zijn plekje tussen deze smaakmakers op. Big Bad Luv wordt momenteel overladen met superlatieven en dat is echt volkomen terecht. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Moreland - Big Bad Luv - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
High On Tulsa Heat van John Moreland deed me twee jaar geleden meerdere keren denken aan Nebraska van Bruce Springsteen.
Het is een vergelijking die maar heel weinig platen verdienen, maar de plaat van de singer-songwriter uit Tulsa, Oklahoma, maakte zoveel indruk dat de vergelijking wat mij betreft op zijn plaats was, en is.
Het terechte succes van de plaat leverde John Moreland een platencontract op bij het eigenzinnige Britse label 4AD, dat normaal gesproken niet erg actief is in het rootsgenre.
John Moreland had door dit platencontract wat meer te besteden dan in het verleden en dat hoor je. Big Bad Luv kon worden opgenomen in een goede studio in Little Rock, Arkansas, waar ook wat meer muzikanten aanschoven. Voor de mix kon de singer-songwriter uit Oklahoma bovendien een beroep doen op de gelouterde technicus Tchad Blake, die de nieuwe plaat van John Moreland heeft voorzien van een bijzonder fraaie mix.
Big Bad Luv klinkt wat voller en ook mooier dan High On Tulsa Heat, maar John Moreland heeft de andere sterke punten van zijn zo bejubelde vorige plaat gelukkig behouden. Ook op Big Bad Luv overtuigt John Moreland met mooie verhalen die hij op doorleefde wijze vertolkt.
De stem van de Amerikaan is er een vol gruis, maar het is ook een stem die warm en emotievol klinkt. Het paste twee jaar geleden prachtig bij de behoorlijk sobere instrumentatie op High On Tulsa Heat, maar ook in het wat vollere geluid op Big Bad Luv komt de rauwe strot van John Moreland uitstekend tot zijn recht.
In de wat vollere instrumentatie op de nieuwe plaat valt overigens flink wat te genieten. Met name het gitaarspel op de plaat is prachtig, mede omdat de mix van Tchad Blake zo helder is dat je iedere aanraking van de snaren hoort.
In vocaal opzicht hoor ik nog altijd volop raakvlakken met de sobere platen van Springsteen, terwijl ook de wat vollere tracks raken aan het net wat minder ingetogen werk van The Boss. Storend wordt de vergelijking met Springsteen nergens, want John Moreland doet nadrukkelijk zijn eigen ding en kan in vocaal opzicht ook opschuiven naar de rootshelden uit het verleden of richting Tom Waits.
Big Bad Luv bevat flink wat invloeden uit de jaren 70, zeker wanneer het geluid nog wat voller wordt ingekleurd met piano en fraaie orgels. Een voller geluid gaat meestal ten koste van de intimiteit, maar John Moreland heeft deze intimiteit op knappe wijze weten te behouden, mede door af en toe flink gas terug te nemen.
De singer-songwriter, die een jaar of tien geleden nog actief was binnen de punkbeweging in Tulsa, Oklahoma, rammelde twee jaar geleden al nadrukkelijk aan de poort van de smaakmakers binnen de Amerikaanse rootsmuziek, maar dwingt met Big Bad Luv op overtuigende wijze zijn plekje tussen deze smaakmakers op. Big Bad Luv wordt momenteel overladen met superlatieven en dat is echt volkomen terecht. Erwin Zijleman
John Moreland - Birds in the Ceiling (2022)

4,0
0
geplaatst: 5 augustus 2022, 17:16 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Moreland - Birds In The Ceiling - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Moreland - Birds In The Ceiling
John Moreland brak een paar jaar geleden door met een betrekkelijk traditioneel rootsgeluid, dat hij op eerder op LP5 en nu op Birds In The Ceiling op fraaie wijze verrijkt met subtiele maar trefzekere elektronische accenten
Ik moest na de prachtalbums High On Tulsa Heat en Big Bad Luv erg wennen aan het twee jaar geleden verschenen LP5, maar inmiddels ben ik gewend aan het nieuwe geluid van de Amerikaanse muzikant John Moreland, dat op het deze week verschenen Birds In The Ceiling nog wat verder is geperfectioneerd. Ook op Birds In The Ceiling maakt de muzikant uit Tulsa, Oklahoma, stemmige en intieme Amerikaanse rootsmuziek, maar het is rootsmuziek die totaal anders klinkt door de subtiele toevoegingen van elektronische percussie, mellotrons en samples. Niet iedereen zal deze moderne twist kunnen waarderen, maar ik vind het alleen maar mooier worden.
John Moreland trok met zijn eerste twee albums slechts in bescheiden kring aandacht, maar veroverde de harten van de liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek, inclusief dat van mij, met zijn in 2015 verschenen derde album High On Tulsa Heat. Het is een album dat in de meest ingetogen momenten wel wat aan Springsteen’s Nebraska doet denken, maar de Amerikaanse muzikant kan ook uit de voeten met wat steviger werk en maakt een album lang indruk met zijn doorleefde strot en zijn persoonlijke songs en verhalen.
Het succes van High On Tulsa Heat leverde John Moreland een contract op bij het Britse 4AD label, dat zeker niet bekend staat om Amerikaanse rootsmuziek, wat in 2017 het prachtige Big Bad Luv opleverde. Big Bad Luv lag in muzikaal opzicht in het verlengde van zijn voorganger, maar klonk door het ruimere budget van 4AD echt veel beter.
John Moreland en 4AD bleek helaas geen gelukkig huwelijk en het werd dan ook na slechts één album alweer ontbonden. Het eigenzinnige Britse label had de Amerikaanse muzikant kennelijk wel beïnvloed, want op het in 2020 verschenen LP5 deed elektronica zijn intrede in de muziek van John Moreland. Met dit album had John Moreland zijn voormalige label vast heel blij gemaakt, maar persoonlijk hoorde ik de meerwaarde van de ingezette elektronica en alle piepjes en kraakjes niet, al moet ik zeggen dat ik LP5 inmiddels veel beter vind dan tweeënhalf jaar geleden.
LP5 wordt deze week opgevolgd door Birds In The Ceiling en het is een album dat de lijn die werd ingezet op het vorige album door trekt en dat net als LP5 is geproduceerd door Matt Pence. Ook op zijn zesde album maakt de muzikant uit Tulsa, Oklahoma, weer Amerikaanse rootsmuziek met een bijzondere twist van mellotrons, synths en samples. Bij LP5 zat de toegevoegde elektronica me vooral in de weg, maar ik ben inmiddels gewend aan de subtiele toevoegingen en vind ze inmiddels niet alleen functioneel, maar ook mooi en bijzonder.
Ook op Birds In The Ceiling maakt John Moreland vooral intieme en persoonlijke rootssongs en het zijn songs die worden gedragen door de mooie en emotievolle stem van de Amerikaanse muzikant en die in de basis sober en warm zijn ingekleurd. Door de toegevoegde elektronica slaagt John Moreland er in om totaal anders te klinken dan zijn soortgenoten en dat is knap, zeker als je je bedenkt dat de Amerikaanse muzikant vanuit het in alle opzichten aartsconservatieve Oklahoma opereert.
Rootspuristen zullen waarschijnlijk niet te spreken zijn over de elektronische percussie, de wolkjes subtiele elektronica, de productionele trukendoos en de hier en daar toegevoegde samples, maar ik vond Birds In The Ceiling eigenlijk direct mooi en het album is sindsdien zeker niet minder geworden. Integendeel zelfs.
Het nieuwe album van John Moreland doet het met name in de kleine uurtjes uitstekend op de achtergrond, maar Birds In The Ceiling is het mooist wanneer je het album met de koptelefoon beluistert en alle mooie details kunt oppikken. Ik koester de meer traditionele albums van John Moreland, maar ook de met avontuurlijke elektronische accenten verrijkte songs op LP5 en Birds In The Ceiling, dat ik nog net wat beter vind dan zijn voorganger, doen het hier uitstekend. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Moreland - Birds In The Ceiling - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Moreland - Birds In The Ceiling
John Moreland brak een paar jaar geleden door met een betrekkelijk traditioneel rootsgeluid, dat hij op eerder op LP5 en nu op Birds In The Ceiling op fraaie wijze verrijkt met subtiele maar trefzekere elektronische accenten
Ik moest na de prachtalbums High On Tulsa Heat en Big Bad Luv erg wennen aan het twee jaar geleden verschenen LP5, maar inmiddels ben ik gewend aan het nieuwe geluid van de Amerikaanse muzikant John Moreland, dat op het deze week verschenen Birds In The Ceiling nog wat verder is geperfectioneerd. Ook op Birds In The Ceiling maakt de muzikant uit Tulsa, Oklahoma, stemmige en intieme Amerikaanse rootsmuziek, maar het is rootsmuziek die totaal anders klinkt door de subtiele toevoegingen van elektronische percussie, mellotrons en samples. Niet iedereen zal deze moderne twist kunnen waarderen, maar ik vind het alleen maar mooier worden.
John Moreland trok met zijn eerste twee albums slechts in bescheiden kring aandacht, maar veroverde de harten van de liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek, inclusief dat van mij, met zijn in 2015 verschenen derde album High On Tulsa Heat. Het is een album dat in de meest ingetogen momenten wel wat aan Springsteen’s Nebraska doet denken, maar de Amerikaanse muzikant kan ook uit de voeten met wat steviger werk en maakt een album lang indruk met zijn doorleefde strot en zijn persoonlijke songs en verhalen.
Het succes van High On Tulsa Heat leverde John Moreland een contract op bij het Britse 4AD label, dat zeker niet bekend staat om Amerikaanse rootsmuziek, wat in 2017 het prachtige Big Bad Luv opleverde. Big Bad Luv lag in muzikaal opzicht in het verlengde van zijn voorganger, maar klonk door het ruimere budget van 4AD echt veel beter.
John Moreland en 4AD bleek helaas geen gelukkig huwelijk en het werd dan ook na slechts één album alweer ontbonden. Het eigenzinnige Britse label had de Amerikaanse muzikant kennelijk wel beïnvloed, want op het in 2020 verschenen LP5 deed elektronica zijn intrede in de muziek van John Moreland. Met dit album had John Moreland zijn voormalige label vast heel blij gemaakt, maar persoonlijk hoorde ik de meerwaarde van de ingezette elektronica en alle piepjes en kraakjes niet, al moet ik zeggen dat ik LP5 inmiddels veel beter vind dan tweeënhalf jaar geleden.
LP5 wordt deze week opgevolgd door Birds In The Ceiling en het is een album dat de lijn die werd ingezet op het vorige album door trekt en dat net als LP5 is geproduceerd door Matt Pence. Ook op zijn zesde album maakt de muzikant uit Tulsa, Oklahoma, weer Amerikaanse rootsmuziek met een bijzondere twist van mellotrons, synths en samples. Bij LP5 zat de toegevoegde elektronica me vooral in de weg, maar ik ben inmiddels gewend aan de subtiele toevoegingen en vind ze inmiddels niet alleen functioneel, maar ook mooi en bijzonder.
Ook op Birds In The Ceiling maakt John Moreland vooral intieme en persoonlijke rootssongs en het zijn songs die worden gedragen door de mooie en emotievolle stem van de Amerikaanse muzikant en die in de basis sober en warm zijn ingekleurd. Door de toegevoegde elektronica slaagt John Moreland er in om totaal anders te klinken dan zijn soortgenoten en dat is knap, zeker als je je bedenkt dat de Amerikaanse muzikant vanuit het in alle opzichten aartsconservatieve Oklahoma opereert.
Rootspuristen zullen waarschijnlijk niet te spreken zijn over de elektronische percussie, de wolkjes subtiele elektronica, de productionele trukendoos en de hier en daar toegevoegde samples, maar ik vond Birds In The Ceiling eigenlijk direct mooi en het album is sindsdien zeker niet minder geworden. Integendeel zelfs.
Het nieuwe album van John Moreland doet het met name in de kleine uurtjes uitstekend op de achtergrond, maar Birds In The Ceiling is het mooist wanneer je het album met de koptelefoon beluistert en alle mooie details kunt oppikken. Ik koester de meer traditionele albums van John Moreland, maar ook de met avontuurlijke elektronische accenten verrijkte songs op LP5 en Birds In The Ceiling, dat ik nog net wat beter vind dan zijn voorganger, doen het hier uitstekend. Erwin Zijleman
John Moreland - High on Tulsa Heat (2015)

4,5
0
geplaatst: 10 juli 2015, 16:58 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Moreland - High On Tulsa Heat - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
High On Tulsa Heat van John Moreland werd me de afgelopen weken aangeraden door meerdere lezers van deze BLOG, wat meestal betekent dat ik een hele goede plaat over het hoofd heb gezien.
Dat dit ook deze keer weer het geval was, wist ik al na een paar noten. High On Tulsa Heat van John Moreland maakt binnen enkele seconden een onuitwisbare indruk met een ingetogen song vol emotie en urgentie.
De openingstrack van de plaat van de Amerikaanse singer-songwriter deed en doet me vooral denken aan Springsteen’s Nebraska en dat is vergelijkingsmateriaal waar je (zeker bij mij) mee thuis kunt komen.
De uit Oklahoma afkomstige John Moreland zocht zijn heil oorspronkelijk in de punk, maar de platen van Steve Earle inspireerden hem tot het maken van rootsmuziek. Dat John Moreland inmiddels zeer bedreven is in het maken van rootsmuziek is te horen op zijn derde plaat.
High On Tulsa Heat bevat vooral uiterst ingetogen songs, maar incidenteel mag het gas er even op in net wat stevigere songs. Het maakt uiteindelijk niet zoveel uit of John Moreland zijn songs uiterst sober houdt of juist voorziet van voorzichtige rockimpulsen, want alle songs op High On Tulsa Heat zijn even mooi en indringend.
John Moreland moet het op zijn nieuwe plaat niet hebben van muzikale hoogstandjes of uitstapjes buiten de gebaande paden. De Amerikaan maakt rootsmuziek en niets anders. In muzikaal opzicht klinkt het vooral heel degelijk. De muzikanten die John Moreland omringen doen geen bijzondere dingen, maar zorgen wel voor een trefzeker klankentapijt, waarop John Moreland vervolgens kan imponeren.
Dat imponeren doet John Moreland vooral met zijn stem en met de indringende wijze waarop hij zijn verhalen vertelt. Het zijn net als op Springsteen’s Nebraska verhalen die uit het leven zijn gegrepen en vaak het troosteloze midden van de Verenigde Staten als decor hebben.
Het zijn verhalen die zeggingskracht krijgen door de rauwe en doorleefde stem van John Moreland, die klinkt als Springsteen, maar dan met net wat meer gruis, maar ook net wat meer noten op zijn stembanden. High On Tulsa Heat zou met een gemiddelde zanger een aardige maar niet opzienbarende plaat zijn geworden, maar de stem van John Moreland tilt de plaat naar een hoger niveau.
Wanneer John Moreland begint te vertellen kun je alleen maar luisteren en uiteindelijk geraakt worden door alle emotie die de muzikant uit Oklahoma in zijn songs legt. Amerikaanse rootsmuziek is op zijn best wanneer het puur, rauw en eerlijk is. High On Tulsa Heat van John Moreland voldoet aan alle drie de criteria en blijkt ook nog eens een plaat die nog heel lang mooier en indrukwekkender wordt. Zeer warm aanbevolen derhalve, wat overigens ook geldt voor de vorige platen van de Amerikaan. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Moreland - High On Tulsa Heat - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
High On Tulsa Heat van John Moreland werd me de afgelopen weken aangeraden door meerdere lezers van deze BLOG, wat meestal betekent dat ik een hele goede plaat over het hoofd heb gezien.
Dat dit ook deze keer weer het geval was, wist ik al na een paar noten. High On Tulsa Heat van John Moreland maakt binnen enkele seconden een onuitwisbare indruk met een ingetogen song vol emotie en urgentie.
De openingstrack van de plaat van de Amerikaanse singer-songwriter deed en doet me vooral denken aan Springsteen’s Nebraska en dat is vergelijkingsmateriaal waar je (zeker bij mij) mee thuis kunt komen.
De uit Oklahoma afkomstige John Moreland zocht zijn heil oorspronkelijk in de punk, maar de platen van Steve Earle inspireerden hem tot het maken van rootsmuziek. Dat John Moreland inmiddels zeer bedreven is in het maken van rootsmuziek is te horen op zijn derde plaat.
High On Tulsa Heat bevat vooral uiterst ingetogen songs, maar incidenteel mag het gas er even op in net wat stevigere songs. Het maakt uiteindelijk niet zoveel uit of John Moreland zijn songs uiterst sober houdt of juist voorziet van voorzichtige rockimpulsen, want alle songs op High On Tulsa Heat zijn even mooi en indringend.
John Moreland moet het op zijn nieuwe plaat niet hebben van muzikale hoogstandjes of uitstapjes buiten de gebaande paden. De Amerikaan maakt rootsmuziek en niets anders. In muzikaal opzicht klinkt het vooral heel degelijk. De muzikanten die John Moreland omringen doen geen bijzondere dingen, maar zorgen wel voor een trefzeker klankentapijt, waarop John Moreland vervolgens kan imponeren.
Dat imponeren doet John Moreland vooral met zijn stem en met de indringende wijze waarop hij zijn verhalen vertelt. Het zijn net als op Springsteen’s Nebraska verhalen die uit het leven zijn gegrepen en vaak het troosteloze midden van de Verenigde Staten als decor hebben.
Het zijn verhalen die zeggingskracht krijgen door de rauwe en doorleefde stem van John Moreland, die klinkt als Springsteen, maar dan met net wat meer gruis, maar ook net wat meer noten op zijn stembanden. High On Tulsa Heat zou met een gemiddelde zanger een aardige maar niet opzienbarende plaat zijn geworden, maar de stem van John Moreland tilt de plaat naar een hoger niveau.
Wanneer John Moreland begint te vertellen kun je alleen maar luisteren en uiteindelijk geraakt worden door alle emotie die de muzikant uit Oklahoma in zijn songs legt. Amerikaanse rootsmuziek is op zijn best wanneer het puur, rauw en eerlijk is. High On Tulsa Heat van John Moreland voldoet aan alle drie de criteria en blijkt ook nog eens een plaat die nog heel lang mooier en indrukwekkender wordt. Zeer warm aanbevolen derhalve, wat overigens ook geldt voor de vorige platen van de Amerikaan. Erwin Zijleman
John Murry - A Short History of Decay (2017)

4,5
0
geplaatst: 13 augustus 2017, 10:25 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Murry - A Short History Of Decay - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De uit Tupelo, Mississippi, afkomstige muzikant John Murry maakte in 2006, samen met ene Bob Frank, één van de mooiste en ook één van de donkerste platen van het huidige millennium.
World Without End stond vol met onvervalste murder ballads en greep je direct bij eerste beluistering genadeloos bij de strot.
Met het in 2012 verschenen The Graceless Age keerde John Murry terug na een stilte van zes jaar. Dit keer koos de Amerikaan niet voor murder ballads, maar schreef hij songs over zijn eigen leven.
Dat The Graceless Age nog wat donkerder klonk dan het al gitzwarte World Without End moet genoeg zeggen over de hoeveelheid ellende die John Murry over zich heen gestort heeft gekregen tijdens zijn leven. Ook de afgelopen jaren bleef de Amerikaanse muzikant, die ook jarenlang kampte met een ernstige drugsverslaving, niets bespaard, waardoor ook het onlangs verschenen A Short History Of Decay weer een plaat is die het daglicht maar nauwelijks kan verdragen.
John Murry maakt nog altijd muziek waar je tegen moet kunnen, maar iedereen die de aardedonkere muziek van de Amerikaan kan verdragen op een mooie zomerdag, heeft ook met A Short History Of Decay weer een prachtplaat in handen.
John Murry werkte dit keer samen met Cowboy Junkies gitarist Michael Timmins, die de tegenwoordig in Ierland woonachtige Amerikaan naar zijn studio in Toronto haalde. A Short History Of Decay is, net als zijn twee voorgangers, niet alleen een hele donkere, maar ook een hele intense plaat.
John Murry maakt van zijn hart geen moordkuil en stort het nodige leed uit over de luisteraar. Het zorgt er voor dat ook de derde plaat van John Murry weer een plaat met een enorme impact is. John Murry verpakt zijn indringende teksten in songs die vaak ingetogen en sober zijn, maar de Amerikaan kiest hier en daar ook voor een steviger geluid, waarin de gitaren flink los mogen gaan.
In de akoestische songs heeft A Short History Of Decay raakvlakken met Springsteen’s Nebraska en de vroege platen van Leonard Cohen en Van Morrisson, maar wanneer het geluid net iets rauwer is, valt ook de vergelijking met de muziek van Nick Cave en Mark Lanegan niet te onderdrukken.
De derde plaat van John Murry valt op door een krachtig bandgeluid, waaraan naast Cowboy Junkies leden Michael en Peter Timmins ook Lee Harvey Osmond bassist Josh en de van The Pogues en Elvis Costello bekende Cat O’Riordan bijdragen.
De in slechts vijf dagen opgenomen plaat klinkt rauw en trefzeker en dit is de perfecte basis voor de donkere en weemoedige stem van John Murry, die alle songs op de plaat naar grote hoogten tilt.
John Murry heeft een leven vol ellende, maar gelukkig komt hij ook zo nu en dan aan het maken van muziek toe. Het levert met A Short History Of Decay meesterwerk nummer drie op. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Murry - A Short History Of Decay - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De uit Tupelo, Mississippi, afkomstige muzikant John Murry maakte in 2006, samen met ene Bob Frank, één van de mooiste en ook één van de donkerste platen van het huidige millennium.
World Without End stond vol met onvervalste murder ballads en greep je direct bij eerste beluistering genadeloos bij de strot.
Met het in 2012 verschenen The Graceless Age keerde John Murry terug na een stilte van zes jaar. Dit keer koos de Amerikaan niet voor murder ballads, maar schreef hij songs over zijn eigen leven.
Dat The Graceless Age nog wat donkerder klonk dan het al gitzwarte World Without End moet genoeg zeggen over de hoeveelheid ellende die John Murry over zich heen gestort heeft gekregen tijdens zijn leven. Ook de afgelopen jaren bleef de Amerikaanse muzikant, die ook jarenlang kampte met een ernstige drugsverslaving, niets bespaard, waardoor ook het onlangs verschenen A Short History Of Decay weer een plaat is die het daglicht maar nauwelijks kan verdragen.
John Murry maakt nog altijd muziek waar je tegen moet kunnen, maar iedereen die de aardedonkere muziek van de Amerikaan kan verdragen op een mooie zomerdag, heeft ook met A Short History Of Decay weer een prachtplaat in handen.
John Murry werkte dit keer samen met Cowboy Junkies gitarist Michael Timmins, die de tegenwoordig in Ierland woonachtige Amerikaan naar zijn studio in Toronto haalde. A Short History Of Decay is, net als zijn twee voorgangers, niet alleen een hele donkere, maar ook een hele intense plaat.
John Murry maakt van zijn hart geen moordkuil en stort het nodige leed uit over de luisteraar. Het zorgt er voor dat ook de derde plaat van John Murry weer een plaat met een enorme impact is. John Murry verpakt zijn indringende teksten in songs die vaak ingetogen en sober zijn, maar de Amerikaan kiest hier en daar ook voor een steviger geluid, waarin de gitaren flink los mogen gaan.
In de akoestische songs heeft A Short History Of Decay raakvlakken met Springsteen’s Nebraska en de vroege platen van Leonard Cohen en Van Morrisson, maar wanneer het geluid net iets rauwer is, valt ook de vergelijking met de muziek van Nick Cave en Mark Lanegan niet te onderdrukken.
De derde plaat van John Murry valt op door een krachtig bandgeluid, waaraan naast Cowboy Junkies leden Michael en Peter Timmins ook Lee Harvey Osmond bassist Josh en de van The Pogues en Elvis Costello bekende Cat O’Riordan bijdragen.
De in slechts vijf dagen opgenomen plaat klinkt rauw en trefzeker en dit is de perfecte basis voor de donkere en weemoedige stem van John Murry, die alle songs op de plaat naar grote hoogten tilt.
John Murry heeft een leven vol ellende, maar gelukkig komt hij ook zo nu en dan aan het maken van muziek toe. Het levert met A Short History Of Decay meesterwerk nummer drie op. Erwin Zijleman
John Murry - The Stars Are God's Bullet Holes (2021)

4,0
0
geplaatst: 2 juli 2021, 16:05 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Murry - The Stars Are God’s Bullet Holes - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Murry - The Stars Are God’s Bullet Holes
De Amerikaanse muzikant John Murry maakt nog altijd muziek die het daglicht nauwelijks kan verdragen, maar het is ook muziek van een bijzondere schoonheid en een beangstigende intensiteit
The Stars Are God’s Bullet Holes is het derde soloalbum van de Amerikaanse muzikant John Murry. Het is de minst donkere van het stel, al is dat in het geval van John Murry een zeer relatief begrip. Ook op zijn derde soloalbum verwerkt de tegenwoordig vanuit Ierland opererende muzikant invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek, maar het door John Parish geproduceerde album leunt ook tegen de gruizige rock aan. Het is geen album voor een zomers feestje, maar wanneer de zon eenmaal onder is en een onweersbui losbarst, grijpt dit album je bij de strot. Het is een uniek oeuvre dat John Murry aan het opbouwen is en ook album drie is weer indrukwekkend.
Mijn eerste kennismaking met de muziek van de Amerikaanse muzikant John Murry is precies vijftien jaar oud. In 2006 maakte de in Tupelo, Mississippi, geboren muzikant, samen met de eveneens Amerikaanse muzikant Bob Frank, immers het aardedonkere en beklemmende World Without End. Het volledig met stokoude murder ballads gevulde album maakte diepe indruk en is voor mij nog altijd de mooiste verzameling in het betreffende genre.
Zes jaar na het album met Bob Frank dook John Murry op met zijn eerste soloalbum, The Graceless Age. Het album trok in eerste instantie niet veel aandacht, maar werd een jaar later alsnog en volkomen terecht overladen met superlatieven. The Graceless Age was, ondanks het ontbreken van de murder ballads, nog wat donkerder dan het album met Bob Frank. John Murry had een jeugd vol ellende en kreeg later in zijn leven ook nog te maken met zware verslavingen, wat zijn weerslag had op het album.
Ook het in 2017 uitgebrachte en samen met Cowboy Junkies gitarist Michael Timmins gemaakte A Short History Of Decay was een behoorlijk donker album, maar net als The Graceless Age was het ook een indrukwekkend en bijzonder mooi album. Deze week keert John Murry terug met The Stars Are God’s Bullet Holes en ook zijn derde soloalbum blijkt al snel een zeer indrukwekkend album.
De Amerikaanse muzikant woont inmiddels al een tijd in Ierland en heeft zijn derde soloalbum gemaakt met producer John Parish, wiens naam nog altijd in één adem wordt genoemd met die van PJ Harvey. John Murry had de afgelopen jaren het patent op albums van het donkerste soort en ook The Stars Are God’s Bullet Holes is er weer een, al breekt heel af en toe de zon door tussen de gitzwarte wolken.
In tekstueel opzicht doet het nieuwe album niet onder voor zijn twee voorgangers en ook in muzikaal opzicht maakt John Murry weer indruk. Waar zijn vorige twee albums vooral in het hokje Americana werden geduwd, gaat The Stars Are God’s Bullet Holes in een deel van de tracks wat meer de kant van de rock op. Het is gruizige rock die goed past bij de donkere stem van John Murry en zijn persoonlijke teksten.
De Amerikaanse muzikant is de Americana overigens niet vergeten, want het album bevat ook een aantal tracks met invloeden uit de country en de folk. In de songs met wat meer rootsinvloeden klinkt John Murry nog altijd als Bruce Springsteen die een nog zwarter beeld van Nebraska schetst dan 40 jaar geleden, terwijl de rocksongs met lekker gruizig gitaarwerk wel wat doen denken aan het werk van een jongere Nick Cave.
Het is het soort muziek dat Bruce Springsteen en Nick Cave overigens al een tijd niet meer maken, maar John Murry mag er mee schitteren. The Stars Are God’s Bullet Holes is door de duistere klanken en teksten geen album voor de zomer, maar het is vast geen toeval dat mijn eerste beluistering van het album samen viel met donkere wolken en een stevige onweersbui.
Ik hou persoonlijk wel van de wat zonnigere klanken waarvoor je bij John Murry echt aan het verkeerde adres bent, maar net als zijn twee voorgangers is The Stars Are God’s Bullet Holes een indrukwekkend album dat je vrijwel onmiddellijk bij de strot grijpt en dat het talent van de Amerikaanse singer-songwriter nog maar eens nadrukkelijk onderstreept. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Murry - The Stars Are God’s Bullet Holes - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Murry - The Stars Are God’s Bullet Holes
De Amerikaanse muzikant John Murry maakt nog altijd muziek die het daglicht nauwelijks kan verdragen, maar het is ook muziek van een bijzondere schoonheid en een beangstigende intensiteit
The Stars Are God’s Bullet Holes is het derde soloalbum van de Amerikaanse muzikant John Murry. Het is de minst donkere van het stel, al is dat in het geval van John Murry een zeer relatief begrip. Ook op zijn derde soloalbum verwerkt de tegenwoordig vanuit Ierland opererende muzikant invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek, maar het door John Parish geproduceerde album leunt ook tegen de gruizige rock aan. Het is geen album voor een zomers feestje, maar wanneer de zon eenmaal onder is en een onweersbui losbarst, grijpt dit album je bij de strot. Het is een uniek oeuvre dat John Murry aan het opbouwen is en ook album drie is weer indrukwekkend.
Mijn eerste kennismaking met de muziek van de Amerikaanse muzikant John Murry is precies vijftien jaar oud. In 2006 maakte de in Tupelo, Mississippi, geboren muzikant, samen met de eveneens Amerikaanse muzikant Bob Frank, immers het aardedonkere en beklemmende World Without End. Het volledig met stokoude murder ballads gevulde album maakte diepe indruk en is voor mij nog altijd de mooiste verzameling in het betreffende genre.
Zes jaar na het album met Bob Frank dook John Murry op met zijn eerste soloalbum, The Graceless Age. Het album trok in eerste instantie niet veel aandacht, maar werd een jaar later alsnog en volkomen terecht overladen met superlatieven. The Graceless Age was, ondanks het ontbreken van de murder ballads, nog wat donkerder dan het album met Bob Frank. John Murry had een jeugd vol ellende en kreeg later in zijn leven ook nog te maken met zware verslavingen, wat zijn weerslag had op het album.
Ook het in 2017 uitgebrachte en samen met Cowboy Junkies gitarist Michael Timmins gemaakte A Short History Of Decay was een behoorlijk donker album, maar net als The Graceless Age was het ook een indrukwekkend en bijzonder mooi album. Deze week keert John Murry terug met The Stars Are God’s Bullet Holes en ook zijn derde soloalbum blijkt al snel een zeer indrukwekkend album.
De Amerikaanse muzikant woont inmiddels al een tijd in Ierland en heeft zijn derde soloalbum gemaakt met producer John Parish, wiens naam nog altijd in één adem wordt genoemd met die van PJ Harvey. John Murry had de afgelopen jaren het patent op albums van het donkerste soort en ook The Stars Are God’s Bullet Holes is er weer een, al breekt heel af en toe de zon door tussen de gitzwarte wolken.
In tekstueel opzicht doet het nieuwe album niet onder voor zijn twee voorgangers en ook in muzikaal opzicht maakt John Murry weer indruk. Waar zijn vorige twee albums vooral in het hokje Americana werden geduwd, gaat The Stars Are God’s Bullet Holes in een deel van de tracks wat meer de kant van de rock op. Het is gruizige rock die goed past bij de donkere stem van John Murry en zijn persoonlijke teksten.
De Amerikaanse muzikant is de Americana overigens niet vergeten, want het album bevat ook een aantal tracks met invloeden uit de country en de folk. In de songs met wat meer rootsinvloeden klinkt John Murry nog altijd als Bruce Springsteen die een nog zwarter beeld van Nebraska schetst dan 40 jaar geleden, terwijl de rocksongs met lekker gruizig gitaarwerk wel wat doen denken aan het werk van een jongere Nick Cave.
Het is het soort muziek dat Bruce Springsteen en Nick Cave overigens al een tijd niet meer maken, maar John Murry mag er mee schitteren. The Stars Are God’s Bullet Holes is door de duistere klanken en teksten geen album voor de zomer, maar het is vast geen toeval dat mijn eerste beluistering van het album samen viel met donkere wolken en een stevige onweersbui.
Ik hou persoonlijk wel van de wat zonnigere klanken waarvoor je bij John Murry echt aan het verkeerde adres bent, maar net als zijn twee voorgangers is The Stars Are God’s Bullet Holes een indrukwekkend album dat je vrijwel onmiddellijk bij de strot grijpt en dat het talent van de Amerikaanse singer-songwriter nog maar eens nadrukkelijk onderstreept. Erwin Zijleman
John Oates - Arkansas (2018)

4,0
1
geplaatst: 7 februari 2018, 16:51 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Oates & The Good Road Band - Arkansas - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
John Oates kende ik tot voor kort uitsluitend van het duo Hall & Oates, dat in de jaren 70 en 80 een aantal wereldhits scoorde, maar ook een aantal respectabele platen afleverde.
Bij Hall & Oates stond John Oates altijd wat in de schaduw van Daryl Hall, die met zijn soulvolle strot en als dominante frontman verreweg de meeste aandacht trok.
Dat ook John Oates flink wat te bieden heeft, laat hij echter horen op het onlangs verschenen Arkansas.
Ik had het bijna het solodebuut van John Oates genoemd, maar de muzikant uit New York blijkt al een aardig stapeltje soloplaten op zijn naam te hebben staan, waarvan bij snelle beluistering vooral Mississippi Mile uit 2011 interessant lijkt (en ik ook wel wat platen ben tegengekomen die totaal niet interessant zijn overigens).
Mississippi Mile is een plaat die wel wat raakvlakken heeft met Arkansas, want ook op zijn nieuwe plaat duikt John Oates diep in de archieven van de Amerikaanse rootsmuziek uit met name het Zuiden van de Verenigde Staten.
Dat lijkt een verrassende stap voor een muzikant die toch vooral bekend is geworden met de pure radiopop van Hall & Oates, maar dat is het niet. Ook op zijn eerste soloplaat, die van voor de successen van Hall & Oates stamt, etaleerde John Oates al nadrukkelijk zijn liefde voor onder andere de folk en dat doet hij ook op Arkansas.
Arkansas laat zich beïnvloeden door folk, jazz, soul, gospel en met name blues uit het begin van de vorige eeuw en eert nadrukkelijk de oude blueshelden van John Oates. Arkansas bevat flink wat covers, maar John Oates voegt ook een aantal eigen songs toe en het knappe is dat deze nauwelijks opvallen tussen de songs die zo zijn weggelopen uit een heel ver verleden.
John Oates mist in vocaal opzicht de soul en de power van zijn voormalige collega Daryl Hall, maar de wat ruwe en doorleefde vocalen passen prima bij het vooral bluesy repertoire op de plaat.
Het is bluesy repertoire waarin de gitaren en andere snareninstrumenten van zijn prima band The Good Road Band de hoofdrol spelen en tekenen voor het ene na het andere memorabele moment van gitaar, mandoline, pedal steel, cello of accenten van de eveneens zeer verdienstelijk spelende ritmesectie.
Het past allemaal prachtig bij de wat krakerige strot van John Oates, die op Arkansas moeiteloos de ene na de andere bluessong naar zijn hand zet en in muzikaal en productioneel opzicht raakt aan de eerste platen van Daniel Lanois (en aan die van J.J. Cale om nog maar eens een naam te noemen).
Arkansas moet het hebben van zijn authenticiteit en dat kun je aan John Oates wel toevertrouwen. Arkansas is hoorbaar met veel respect en liefde gemaakt en is een plaat die zich steeds nadrukkelijker opdringt en meer verdient dan een rol op de achtergrond, wat niet betekent dat de plaat niet bijzonder lekker klinkt op de achtergrond.
John Oates kreeg in het verleden misschien niet altijd het respect dat hij als muzikant verdiende, maar met Arkansas dwingt hij dit respect vol overtuiging af. Het aanbod van het moment is groot, maar dit is een van de platen die er bovenuit steekt deze week. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Oates & The Good Road Band - Arkansas - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
John Oates kende ik tot voor kort uitsluitend van het duo Hall & Oates, dat in de jaren 70 en 80 een aantal wereldhits scoorde, maar ook een aantal respectabele platen afleverde.
Bij Hall & Oates stond John Oates altijd wat in de schaduw van Daryl Hall, die met zijn soulvolle strot en als dominante frontman verreweg de meeste aandacht trok.
Dat ook John Oates flink wat te bieden heeft, laat hij echter horen op het onlangs verschenen Arkansas.
Ik had het bijna het solodebuut van John Oates genoemd, maar de muzikant uit New York blijkt al een aardig stapeltje soloplaten op zijn naam te hebben staan, waarvan bij snelle beluistering vooral Mississippi Mile uit 2011 interessant lijkt (en ik ook wel wat platen ben tegengekomen die totaal niet interessant zijn overigens).
Mississippi Mile is een plaat die wel wat raakvlakken heeft met Arkansas, want ook op zijn nieuwe plaat duikt John Oates diep in de archieven van de Amerikaanse rootsmuziek uit met name het Zuiden van de Verenigde Staten.
Dat lijkt een verrassende stap voor een muzikant die toch vooral bekend is geworden met de pure radiopop van Hall & Oates, maar dat is het niet. Ook op zijn eerste soloplaat, die van voor de successen van Hall & Oates stamt, etaleerde John Oates al nadrukkelijk zijn liefde voor onder andere de folk en dat doet hij ook op Arkansas.
Arkansas laat zich beïnvloeden door folk, jazz, soul, gospel en met name blues uit het begin van de vorige eeuw en eert nadrukkelijk de oude blueshelden van John Oates. Arkansas bevat flink wat covers, maar John Oates voegt ook een aantal eigen songs toe en het knappe is dat deze nauwelijks opvallen tussen de songs die zo zijn weggelopen uit een heel ver verleden.
John Oates mist in vocaal opzicht de soul en de power van zijn voormalige collega Daryl Hall, maar de wat ruwe en doorleefde vocalen passen prima bij het vooral bluesy repertoire op de plaat.
Het is bluesy repertoire waarin de gitaren en andere snareninstrumenten van zijn prima band The Good Road Band de hoofdrol spelen en tekenen voor het ene na het andere memorabele moment van gitaar, mandoline, pedal steel, cello of accenten van de eveneens zeer verdienstelijk spelende ritmesectie.
Het past allemaal prachtig bij de wat krakerige strot van John Oates, die op Arkansas moeiteloos de ene na de andere bluessong naar zijn hand zet en in muzikaal en productioneel opzicht raakt aan de eerste platen van Daniel Lanois (en aan die van J.J. Cale om nog maar eens een naam te noemen).
Arkansas moet het hebben van zijn authenticiteit en dat kun je aan John Oates wel toevertrouwen. Arkansas is hoorbaar met veel respect en liefde gemaakt en is een plaat die zich steeds nadrukkelijker opdringt en meer verdient dan een rol op de achtergrond, wat niet betekent dat de plaat niet bijzonder lekker klinkt op de achtergrond.
John Oates kreeg in het verleden misschien niet altijd het respect dat hij als muzikant verdiende, maar met Arkansas dwingt hij dit respect vol overtuiging af. Het aanbod van het moment is groot, maar dit is een van de platen die er bovenuit steekt deze week. Erwin Zijleman
John Paul White - The Hurting Kind (2019)

4,0
0
geplaatst: 16 april 2019, 16:03 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Paul White - The Hurting Kind - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Paul White - The Hurting Kind
John Paul White werd wereldberoemd met The Civil Wars maar laat met zijn nieuwe soloalbum horen dat hij het ook alleen kan
Is er leven na The Civil Wars? Het was een vraag die op basis van de eerste twee soloalbums van John Paul White nog niet heel overtuigend was te beantwoorden, maar het derde album van de Amerikaanse muzikant is een voltreffer. John Paul White laat zich beïnvloeden door traditionele countrymuziek uit de jaren 60 en 70 en door crooners uit dezelfde periode. Het levert een album met prima songs en geweldige muziek op, maar het is de prachtige stem van John Paul White die The Hurting Kind glans geeft. Er zijn veel meer albums met 60s en 70s retro, maar het album van John Paul White steekt er, met name door de zang, een flink stuk bovenuit.
John Paul White maakte al flink wat jaren muziek in de marges van de muziekscene van Nashville en had zijn eerste soloalbum net in eigen beheer uitgebracht, toen hij in 2008 bij een muziekworkshop bij toeval werd gekoppeld aan collega singer-songwriter Joy Williams.
De stemmen van de twee bleken zo mooi bij elkaar te kleuren dat niet samenwerken geen optie was. The Civil Wars waren geboren en zouden drie jaar later de wereld verbazen met het geweldige Barton Hollow. Het debuutalbum van The Civil Wars harkte een flink aantal prijzen binnen, waaronder een aantal Grammy’s en overtuigde een brede groep liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek.
Ook het titelloze tweede album van het duo, dat in 2013 verscheen, kon rekenen op goede recensies en goede verkoopcijfers, maar waar het met de muzikale chemie tussen Joy Williams en John Paul White nog wel goed zat, konden de twee op persoonlijk vlak niet langer door één deur, waardoor helaas het doek viel voor het duo.
De soloplaat die John Paul White in 2008 in eigen beheer had uitgebracht, The Long Goodbye, kreeg vlak na het uit elkaar vallen The Civil Wars een nieuwe kans en werd in 2016 gevolgd door Beulah. Het waren allebei hele behoorlijke albums, maar het kon wat mij betreft toch niet tippen aan de albums van The Civil Wars, waarop John Paul White en Joy Williams elkaar naar grote hoogten wisten te stuwen.
Soloalbum nummer drie, het deze week verschenen The Hurting Kind, is wat mij betreft een stuk beter. John Paul White nam zijn nieuwe album deels op in zijn thuisstudio in Florence, Alabama, maar kon ook gebruik maken van de roemruchte FAME Studios in Muscle Shoals, Alabama.
John Paul White maakte al eerder geen geheim van zijn liefde voor traditionele countrymuziek uit de jaren 60 en 70 en luisterde voor het opnemen van zijn nieuwe album intensief naar het werk van onder Jim Reeves, maar zocht zijn inspiratie ook buiten de country, onder andere door te luisteren naar songs van Roy Orbison.
Het levert een geïnspireerd klinkend album op. John Paul White haalde een aantal prima muzikanten naar de studio en deed bovendien een beroep op een aantal achtergrondzangeressen. De bijdragen van Erin Rae, Lee Ann Womack en The Secret Sisters treden niet zo op de voorgrond als de vocalen van Joy Williams, maar ondersteunen de stem van John Paul White op fraaie wijze. Hetzelfde geldt voor de warme klanken, die deels uit vervlogen tijden lijken te komen, maar ook als gloedvol en tijdloos kunnen worden omschreven.
The Hurting Kind staat vol met songs die ook een aantal decennia geleden gemaakt hadden kunnen worden, maar oubollig klinkt het geen moment. De songs zijn goed, de instrumentatie is prachtig, de arrangementen zijn mooi en de vrouwenstemmen kleuren ook dit keer prachtig bij de stem van John Paul White, maar de stem van de singer-songwriter uit Alabama is met afstand het sterkste wapen op The Hurting Kind.
John Paul White zingt zoals Roy Orbison dat kon in zijn beste dagen en voorziet alle songs op het album van veel gevoel en emotie. Hij is hierbij niet vies van zoete klanken, maar blijft in alle tracks aan de goede kant van de streep. Natuurlijk zijn er momenteel veel meer muzikanten die zich laten inspireren door countrymuziek uit het verleden en door crooners als Roy Orbison, maar John Paul White overtuigt me net wat meer en laat voor het eerst horen dat er leven is na The Civil Wars. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Paul White - The Hurting Kind - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Paul White - The Hurting Kind
John Paul White werd wereldberoemd met The Civil Wars maar laat met zijn nieuwe soloalbum horen dat hij het ook alleen kan
Is er leven na The Civil Wars? Het was een vraag die op basis van de eerste twee soloalbums van John Paul White nog niet heel overtuigend was te beantwoorden, maar het derde album van de Amerikaanse muzikant is een voltreffer. John Paul White laat zich beïnvloeden door traditionele countrymuziek uit de jaren 60 en 70 en door crooners uit dezelfde periode. Het levert een album met prima songs en geweldige muziek op, maar het is de prachtige stem van John Paul White die The Hurting Kind glans geeft. Er zijn veel meer albums met 60s en 70s retro, maar het album van John Paul White steekt er, met name door de zang, een flink stuk bovenuit.
John Paul White maakte al flink wat jaren muziek in de marges van de muziekscene van Nashville en had zijn eerste soloalbum net in eigen beheer uitgebracht, toen hij in 2008 bij een muziekworkshop bij toeval werd gekoppeld aan collega singer-songwriter Joy Williams.
De stemmen van de twee bleken zo mooi bij elkaar te kleuren dat niet samenwerken geen optie was. The Civil Wars waren geboren en zouden drie jaar later de wereld verbazen met het geweldige Barton Hollow. Het debuutalbum van The Civil Wars harkte een flink aantal prijzen binnen, waaronder een aantal Grammy’s en overtuigde een brede groep liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek.
Ook het titelloze tweede album van het duo, dat in 2013 verscheen, kon rekenen op goede recensies en goede verkoopcijfers, maar waar het met de muzikale chemie tussen Joy Williams en John Paul White nog wel goed zat, konden de twee op persoonlijk vlak niet langer door één deur, waardoor helaas het doek viel voor het duo.
De soloplaat die John Paul White in 2008 in eigen beheer had uitgebracht, The Long Goodbye, kreeg vlak na het uit elkaar vallen The Civil Wars een nieuwe kans en werd in 2016 gevolgd door Beulah. Het waren allebei hele behoorlijke albums, maar het kon wat mij betreft toch niet tippen aan de albums van The Civil Wars, waarop John Paul White en Joy Williams elkaar naar grote hoogten wisten te stuwen.
Soloalbum nummer drie, het deze week verschenen The Hurting Kind, is wat mij betreft een stuk beter. John Paul White nam zijn nieuwe album deels op in zijn thuisstudio in Florence, Alabama, maar kon ook gebruik maken van de roemruchte FAME Studios in Muscle Shoals, Alabama.
John Paul White maakte al eerder geen geheim van zijn liefde voor traditionele countrymuziek uit de jaren 60 en 70 en luisterde voor het opnemen van zijn nieuwe album intensief naar het werk van onder Jim Reeves, maar zocht zijn inspiratie ook buiten de country, onder andere door te luisteren naar songs van Roy Orbison.
Het levert een geïnspireerd klinkend album op. John Paul White haalde een aantal prima muzikanten naar de studio en deed bovendien een beroep op een aantal achtergrondzangeressen. De bijdragen van Erin Rae, Lee Ann Womack en The Secret Sisters treden niet zo op de voorgrond als de vocalen van Joy Williams, maar ondersteunen de stem van John Paul White op fraaie wijze. Hetzelfde geldt voor de warme klanken, die deels uit vervlogen tijden lijken te komen, maar ook als gloedvol en tijdloos kunnen worden omschreven.
The Hurting Kind staat vol met songs die ook een aantal decennia geleden gemaakt hadden kunnen worden, maar oubollig klinkt het geen moment. De songs zijn goed, de instrumentatie is prachtig, de arrangementen zijn mooi en de vrouwenstemmen kleuren ook dit keer prachtig bij de stem van John Paul White, maar de stem van de singer-songwriter uit Alabama is met afstand het sterkste wapen op The Hurting Kind.
John Paul White zingt zoals Roy Orbison dat kon in zijn beste dagen en voorziet alle songs op het album van veel gevoel en emotie. Hij is hierbij niet vies van zoete klanken, maar blijft in alle tracks aan de goede kant van de streep. Natuurlijk zijn er momenteel veel meer muzikanten die zich laten inspireren door countrymuziek uit het verleden en door crooners als Roy Orbison, maar John Paul White overtuigt me net wat meer en laat voor het eerst horen dat er leven is na The Civil Wars. Erwin Zijleman
John Paul White - The Long Goodbye (2008)

4,0
0
geplaatst: 30 januari 2013, 17:18 uur
John Paul White is de helft van The Civil Wars, maar maakt op The Long Goodbye muziek die in niets lijkt op die van The Civil Wars. Van 70s singer-songwriter muziek tot indie-rock, van Paul McCartney tot Radiohead. Sterke plaat.
Lees mijn volledige recensie op:
De krenten uit de pop: John Paul White - The Long Goodbye - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Erwin
Lees mijn volledige recensie op:
De krenten uit de pop: John Paul White - The Long Goodbye - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Erwin
John Smith - The Living Kind (2024)

4,0
2
geplaatst: 20 maart 2024, 16:49 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Smith - The Living Kind - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Smith - The Living Kind
De Britse folkbelofte John Smith schuift op zijn nieuwe album The Living Kind op richting Amerikaanse rootsmuziek en overtuigt met een prachtig klinkend album en mooie, krachtige en emotievolle zang
John Smith draait al een tijdje mee en geldt met name in kringen van de Britse folk al heel wat jaren als een groot talent. Op het in de Verenigde Staten opgenomen The Living Kind verlegt de Britse muzikant zijn koers. Het nieuwe album van John Smith laat meer invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek horen en heeft bovendien een wat eigentijdser geluid. Het is een mooi en zeer sfeer vol geluid dat vakkundig is geproduceerd door topproducer Joe Henry en dat profiteert van de bijdragen van een aantal geweldige muzikanten. Ster van het album is echter John Smith zelf die overtuigt als muzikant, zanger en songwriter op dit album dat echt alle aandacht verdient.
Mede omdat mijn voorkeur over het algemeen uit gaat naar vrouwelijke singer-songwriters, ben ik de muziek van de Britse singer-songwriter John Smith (overigens ook niet de meest onderscheidende naam) nog niet eerder tegen gekomen. Het deze week verschenen The Living Kind is toch al het zevende studioalbum van de Britse muzikant, die een paar jaar geleden bovendien werd geschaard onder de grote beloften van de Britse folk.
Dat laatste is ook direct waar het voor mij waarschijnlijk knelde, want de vooral met traditionals gevulde folkalbums die de Britse muzikant een paar jaar geleden maakte zijn mij wat te traditioneel. Op The Living Kind laat John Smith een veel moderner geluid horen en het is een geluid dat een breder publiek aan moet kunnen spreken. Ik was zelf in ieder geval heel snel overtuigd van de kwaliteiten van de The Living Kind.
De tien tracks op het nieuwe album van John Smith laten allemaal horen dat de Britse muzikant een uitstekende gitarist is en ook in vocaal opzicht maakt de Britse muzikant makkelijk indruk. De instrumentatie van de tracks op The Living Kind bestaat in de basis uit fraai akoestisch of elektrisch gitaarspel en de behoorlijk imposante stem van John Smith, die ook als hij ingetogen zingt de ruimte vult met zijn mooie en krachtige stem.
The Living Kind laat horen dat John Smith uitstekend uit de voeten kan als singer-songwriter die genoeg heeft aan een akoestische gitaar en zijn stem, maar op zijn nieuwe album heeft de Britse muzikant andere keuzes gemaakt, wat uitstekend uit pakt. Het nieuwe album trekt direct de aandacht door een prachtig subtiel maar ook zeer sfeervol geluid en een productie van wereldklasse.
The Living Kind verraadt de hand van een producer van naam en faam en bijdragen van gelouterde muzikanten. Dat blijkt te kloppen, want het album werd geproduceerd door niemand minder dan Joe Henry, terwijl topmuzikanten als Levon Henry, Patrick Warren en Jay Bellerose de songs op The Living Kind verrijken met prachtige klanken. De bijdragen van blazers (die echt prachtig zijn), keyboards, bas en drums zijn over het algemeen subtiel, maar zorgen er voor dat het nieuwe album van John Smith zeker niet klinkt als een sober Brits folkalbum. Ook de veelvuldige inzet van achtergrondvocalen draagt hier aan bij.
De hand van Joe Henry heeft er voor gezorgd dat The Living Kind wat is opgeschoven in de richting van de Amerikaanse rootsmuziek, waardoor het album anders klinkt dan de vorige albums van de Britse muzikant. Alles op The Living Kind klinkt even mooi, maar desondanks werd het album in slechts vier dagen opgenomen in het huis van Joe Henry in Maine. Het heeft vast geholpen dat het buiten -25 graden was, waardoor er niet veel meer mogelijk was dan muziek maken.
In muzikaal opzicht klinkt het allemaal perfect, maar de zang heeft wel iets ruws en puurs wat de zeggingskracht van de songs van John Smith alleen maar vergroot. Ik hoor af en toe wel iets van de albums van David Gray, die er ook in slaagde om Britse folk te moderniseren, maar waar David Gray niet vies is van invloeden uit de pop beperkt John Smith zich tot Britse folk, Americana en een vleugje jazz. The Living Kind is mijn eerste kennismaking met de muziek van John Smith, maar dit fraaie en sfeervolle album smaakt zeker naar meer. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Smith - The Living Kind - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Smith - The Living Kind
De Britse folkbelofte John Smith schuift op zijn nieuwe album The Living Kind op richting Amerikaanse rootsmuziek en overtuigt met een prachtig klinkend album en mooie, krachtige en emotievolle zang
John Smith draait al een tijdje mee en geldt met name in kringen van de Britse folk al heel wat jaren als een groot talent. Op het in de Verenigde Staten opgenomen The Living Kind verlegt de Britse muzikant zijn koers. Het nieuwe album van John Smith laat meer invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek horen en heeft bovendien een wat eigentijdser geluid. Het is een mooi en zeer sfeer vol geluid dat vakkundig is geproduceerd door topproducer Joe Henry en dat profiteert van de bijdragen van een aantal geweldige muzikanten. Ster van het album is echter John Smith zelf die overtuigt als muzikant, zanger en songwriter op dit album dat echt alle aandacht verdient.
Mede omdat mijn voorkeur over het algemeen uit gaat naar vrouwelijke singer-songwriters, ben ik de muziek van de Britse singer-songwriter John Smith (overigens ook niet de meest onderscheidende naam) nog niet eerder tegen gekomen. Het deze week verschenen The Living Kind is toch al het zevende studioalbum van de Britse muzikant, die een paar jaar geleden bovendien werd geschaard onder de grote beloften van de Britse folk.
Dat laatste is ook direct waar het voor mij waarschijnlijk knelde, want de vooral met traditionals gevulde folkalbums die de Britse muzikant een paar jaar geleden maakte zijn mij wat te traditioneel. Op The Living Kind laat John Smith een veel moderner geluid horen en het is een geluid dat een breder publiek aan moet kunnen spreken. Ik was zelf in ieder geval heel snel overtuigd van de kwaliteiten van de The Living Kind.
De tien tracks op het nieuwe album van John Smith laten allemaal horen dat de Britse muzikant een uitstekende gitarist is en ook in vocaal opzicht maakt de Britse muzikant makkelijk indruk. De instrumentatie van de tracks op The Living Kind bestaat in de basis uit fraai akoestisch of elektrisch gitaarspel en de behoorlijk imposante stem van John Smith, die ook als hij ingetogen zingt de ruimte vult met zijn mooie en krachtige stem.
The Living Kind laat horen dat John Smith uitstekend uit de voeten kan als singer-songwriter die genoeg heeft aan een akoestische gitaar en zijn stem, maar op zijn nieuwe album heeft de Britse muzikant andere keuzes gemaakt, wat uitstekend uit pakt. Het nieuwe album trekt direct de aandacht door een prachtig subtiel maar ook zeer sfeervol geluid en een productie van wereldklasse.
The Living Kind verraadt de hand van een producer van naam en faam en bijdragen van gelouterde muzikanten. Dat blijkt te kloppen, want het album werd geproduceerd door niemand minder dan Joe Henry, terwijl topmuzikanten als Levon Henry, Patrick Warren en Jay Bellerose de songs op The Living Kind verrijken met prachtige klanken. De bijdragen van blazers (die echt prachtig zijn), keyboards, bas en drums zijn over het algemeen subtiel, maar zorgen er voor dat het nieuwe album van John Smith zeker niet klinkt als een sober Brits folkalbum. Ook de veelvuldige inzet van achtergrondvocalen draagt hier aan bij.
De hand van Joe Henry heeft er voor gezorgd dat The Living Kind wat is opgeschoven in de richting van de Amerikaanse rootsmuziek, waardoor het album anders klinkt dan de vorige albums van de Britse muzikant. Alles op The Living Kind klinkt even mooi, maar desondanks werd het album in slechts vier dagen opgenomen in het huis van Joe Henry in Maine. Het heeft vast geholpen dat het buiten -25 graden was, waardoor er niet veel meer mogelijk was dan muziek maken.
In muzikaal opzicht klinkt het allemaal perfect, maar de zang heeft wel iets ruws en puurs wat de zeggingskracht van de songs van John Smith alleen maar vergroot. Ik hoor af en toe wel iets van de albums van David Gray, die er ook in slaagde om Britse folk te moderniseren, maar waar David Gray niet vies is van invloeden uit de pop beperkt John Smith zich tot Britse folk, Americana en een vleugje jazz. The Living Kind is mijn eerste kennismaking met de muziek van John Smith, maar dit fraaie en sfeervolle album smaakt zeker naar meer. Erwin Zijleman
John Southworth - When You're This, This in Love (2023)

4,0
1
geplaatst: 5 januari 2024, 15:58 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: John Southworth - When You're This, This In Love - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Southworth - When You're This, This In Love
John Southworth gaat inmiddels al heel wat jaren mee, maar verdient met het uitstekende When You're This, This In Love, zijn dertiende album, echt alle aandacht, want wat schrijft hij geweldige songs
Zonder de tip van AllMusic.com zou ik When You're This, This In Love van John Southworth echt nooit hebben opgepikt, want het album heeft helaas nauwelijks aandacht gekregen afgelopen voorjaar. Ten onrechte, want de Brits-Canadese singer-songwriter heeft een uitstekend album afgeleverd. Het is een album met vooral een jaren 70 vibe, maar John Southworth heeft zich breed laten inspireren door de muziek uit dit decennium. De muzikant uit Toronto heeft bovendien een bijzondere eigen draai aan alle invloeden uit het verleden, wat een tijdloos maar ook eigenzinnig singer-songwriter album oplevert. Het is een album dat alsnog de aandacht verdient.
De grootste verrassing in het lijstje met de beste singer-songwriter albums van 2023 volgens de Amerikaanse muziekwebsite AllMusic.com is voor mij zonder enige twijfel When You're This, This In Love van John Southworth. Het is een naam die ik nog niet eerder was tegen gekomen, terwijl When You're This, This In Love toch al het dertiende (!) album is van de Brits-Canadese singer-songwriter, die al sinds de jaren 90 albums uitbrengt.
AllMusic.com omschrijft John Southworth op haar website als “a mercurial English-Canadian singer-songwriter who brings together influences as wide-ranging as Lou Reed, Burt Bacharach and Bertolt Brecht”. Het is een omschrijving die ik niet direct kan rijmen met de songs op When You're This, This In Love, maar wat is het een goed album. Ondanks het feit dat ik de bovengenoemde invloeden er niet direct uit haal is het ook een verrassend divers album.
John Southworth werd geboren in het Verenigd Koninkrijk, maar is als muzikant vooral actief vanuit Canada, waar hij een thuis heeft gevonden in Toronto. AllMusic.com maakte een aantal bijzondere keuzes in haar lijstje met de beste singer-songwriter albums van 2023, maar When You're This, This In Love is onbetwist een singer-songwriter album.
Het is een album dat, zeker bij eerste beluistering, wat ouderwets aan doet. John Southworth maakt op zijn nieuwe album muziek die goed aansluit bij de singer-songwriter muziek en de folkrock uit de jaren 70. In een aantal tracks herinnert de Brits-Canadese muzikant aan het vroegere werk van Leonard Cohen. Het is vooral het geval wanneer de instrumentatie vooral sober is, de songs folky zijn en John Southworth zijn poëtische teksten met veel gevoel zingt.
When You're This, This In Love is echter ook een album dat veel voller ingekleurd kan zijn, bijvoorbeeld wanneer blazers en strijkers worden ingezet. Ook in de voller ingekleurde songs lijkt John Southworth vooral geïnspireerd door singer-songwriters uit de jaren 70, waarbij hij zich breed laat beïnvloeden. Een aantal songs op het album doet Beatlesque aan en soms hoor ik wat van Elvis Costello, maar alle vergelijkingen die opduiken bij beluistering van When You're This, This In Love houden maar even stand.
Wat overeind blijft zijn de hoge kwaliteit van de songs van John Southworth en zijn goede gevoel voor tijdloze popsongs. De Brits-Canadese muzikant heeft voor zijn nieuwe album twaalf songs geschreven en ze zijn allemaal even aantrekkelijk. Het is knap dat AllMusic.com het album er uit heeft gepikt, want er is niet overdreven veel te lezen over het album, maar ik begreep direct volledig waarom de Amerikaanse muziekwebsite zo enthousiast was over het album.
Dat enthousiasme groeit wanneer je vaker naar het album luistert. John Southworth heeft zoals gezegd een aantal tijdloze popsongs geschreven, maar het zijn ook popsongs waarin veel valt te ontdekken. De muzikant uit Toronto trekt steeds de aandacht met bijzondere arrangementen en wonderschone melodieën, maar de songs van John Southworth doen ook steeds dingen die je niet verwacht, bijvoorbeeld door de zang te vervormen of opeens andere instrumenten of bijzondere koortjes toe te voegen. When You're This, This In Love is aan de andere kant een album dat je al jaren lijkt te kennen. Het is een prachtige tip van de Amerikaanse muziekwebsite, dat is zeker. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: John Southworth - When You're This, This In Love - dekrentenuitdepop.blogspot.com
John Southworth - When You're This, This In Love
John Southworth gaat inmiddels al heel wat jaren mee, maar verdient met het uitstekende When You're This, This In Love, zijn dertiende album, echt alle aandacht, want wat schrijft hij geweldige songs
Zonder de tip van AllMusic.com zou ik When You're This, This In Love van John Southworth echt nooit hebben opgepikt, want het album heeft helaas nauwelijks aandacht gekregen afgelopen voorjaar. Ten onrechte, want de Brits-Canadese singer-songwriter heeft een uitstekend album afgeleverd. Het is een album met vooral een jaren 70 vibe, maar John Southworth heeft zich breed laten inspireren door de muziek uit dit decennium. De muzikant uit Toronto heeft bovendien een bijzondere eigen draai aan alle invloeden uit het verleden, wat een tijdloos maar ook eigenzinnig singer-songwriter album oplevert. Het is een album dat alsnog de aandacht verdient.
De grootste verrassing in het lijstje met de beste singer-songwriter albums van 2023 volgens de Amerikaanse muziekwebsite AllMusic.com is voor mij zonder enige twijfel When You're This, This In Love van John Southworth. Het is een naam die ik nog niet eerder was tegen gekomen, terwijl When You're This, This In Love toch al het dertiende (!) album is van de Brits-Canadese singer-songwriter, die al sinds de jaren 90 albums uitbrengt.
AllMusic.com omschrijft John Southworth op haar website als “a mercurial English-Canadian singer-songwriter who brings together influences as wide-ranging as Lou Reed, Burt Bacharach and Bertolt Brecht”. Het is een omschrijving die ik niet direct kan rijmen met de songs op When You're This, This In Love, maar wat is het een goed album. Ondanks het feit dat ik de bovengenoemde invloeden er niet direct uit haal is het ook een verrassend divers album.
John Southworth werd geboren in het Verenigd Koninkrijk, maar is als muzikant vooral actief vanuit Canada, waar hij een thuis heeft gevonden in Toronto. AllMusic.com maakte een aantal bijzondere keuzes in haar lijstje met de beste singer-songwriter albums van 2023, maar When You're This, This In Love is onbetwist een singer-songwriter album.
Het is een album dat, zeker bij eerste beluistering, wat ouderwets aan doet. John Southworth maakt op zijn nieuwe album muziek die goed aansluit bij de singer-songwriter muziek en de folkrock uit de jaren 70. In een aantal tracks herinnert de Brits-Canadese muzikant aan het vroegere werk van Leonard Cohen. Het is vooral het geval wanneer de instrumentatie vooral sober is, de songs folky zijn en John Southworth zijn poëtische teksten met veel gevoel zingt.
When You're This, This In Love is echter ook een album dat veel voller ingekleurd kan zijn, bijvoorbeeld wanneer blazers en strijkers worden ingezet. Ook in de voller ingekleurde songs lijkt John Southworth vooral geïnspireerd door singer-songwriters uit de jaren 70, waarbij hij zich breed laat beïnvloeden. Een aantal songs op het album doet Beatlesque aan en soms hoor ik wat van Elvis Costello, maar alle vergelijkingen die opduiken bij beluistering van When You're This, This In Love houden maar even stand.
Wat overeind blijft zijn de hoge kwaliteit van de songs van John Southworth en zijn goede gevoel voor tijdloze popsongs. De Brits-Canadese muzikant heeft voor zijn nieuwe album twaalf songs geschreven en ze zijn allemaal even aantrekkelijk. Het is knap dat AllMusic.com het album er uit heeft gepikt, want er is niet overdreven veel te lezen over het album, maar ik begreep direct volledig waarom de Amerikaanse muziekwebsite zo enthousiast was over het album.
Dat enthousiasme groeit wanneer je vaker naar het album luistert. John Southworth heeft zoals gezegd een aantal tijdloze popsongs geschreven, maar het zijn ook popsongs waarin veel valt te ontdekken. De muzikant uit Toronto trekt steeds de aandacht met bijzondere arrangementen en wonderschone melodieën, maar de songs van John Southworth doen ook steeds dingen die je niet verwacht, bijvoorbeeld door de zang te vervormen of opeens andere instrumenten of bijzondere koortjes toe te voegen. When You're This, This In Love is aan de andere kant een album dat je al jaren lijkt te kennen. Het is een prachtige tip van de Amerikaanse muziekwebsite, dat is zeker. Erwin Zijleman
Johnny Blue Skies - Passage du Desir (2024)

4,0
1
geplaatst: 27 juli 2024, 10:58 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Johnny Blue Skies - Passage du Désir - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Johnny Blue Skies - Passage du Désir
Sturgill Simpson keert na een paar jaar afwezigheid terug als Johnny Blue Skies en laat op Passage du Désir horen dat hij de grootse vorm van het geweldige A Sailor's Guide To Earth weer heeft hervonden
De Amerikaanse muzikant Sturgill Simpson leek op zijn laatste albums definitief gevallen voor traditionele bluegrass en country, maar op het onder de naam Johnny Blue Skies uitgebrachte Passage du Désir horen we weer de smeltkroes van verschillende stijlen en de mix van invloeden uit het verleden en het heden. Passage du Désir is bij vlagen een countryalbum, maar is dat minstens even vaak niet. Sturgill Simpson heeft als Johnny Blue Skies zijn meest emotionele en indringende, maar ook zijn meest veelzijdige album gemaakt. Sturgill Simpson gaf ooit aan vijf albums wel genoeg te vinden, maar begint als Johnny Blue Skies op indrukwekkende wijze aan zijn tweede muzikale leven.
Ik was de afgelopen tien jaar niet altijd even enthousiast over de muziek van de Amerikaanse muzikant Sturgill Simpson. Zijn debuutalbum High Top Mountain uit 2013 vond ik in eerste instantie een weinig onderscheidend countryalbum en ook het in 2014 uitgebrachte en in brede kring geprezen Metamodern Sounds in Country Music viel me in eerste instantie niet erg op.
Ik raakte pas in de ban van de muziek van Sturgill Simpson toen in 2016 A Sailor's Guide To Earth verscheen. Op dit album verrijkte de Amerikaanse muzikant zijn countrymuziek met flink wat soul, rock en psychedelica en begreep ik opeens wel waarom er zo druk werd gedaan over de eerste twee albums van Sturgill Simpson. Die eerste twee albums ben ik later overigens zeer gaan waarderen en schat ik inmiddels misschien nog wel hoger in dan A Sailor's Guide To Earth.
De muziek van Sturgill Simpson verschoot flink van kleur op Sound & Fury uit 2019, waarop invloeden uit de funk en Southern rock werden toegevoegd en bovendien een grotere rol was weggelegd voor elektronica. Het is een album dat ik achteraf bezien een stuk lager waardeer dan zijn drie voorgangers en dat geldt ook voor de met bluegrass gevulde albums Cuttin' Grass - Vol. 1 en Cuttin' Grass - Vol. 2 uit 2020 en het in 2021 verschenen en wat traditionele maar wat mij betreft ook nogal saaie countryalbum The Ballad Of Dood & Juanita.
Na dit laatste album kreeg Sturgill Simpson ernstige problemen met zijn stembanden en het was zelfs even de vraag of hij ooit weer zou kunnen zingen. De Amerikaanse muzikant vertrok, ook nog getroffen door andere misère, gedesillusioneerd naar Parijs, waar hij gelukkig zijn stem weer vond en de songs schreef voor zijn nieuwe album. Het is allemaal te horen op het onlangs onder de naam Johnny Blue Skies uitgebrachte Passage du Désir, dat deels werd opgenomen in Nashville en deels in de fameuze Abbey Road Studios in Londen.
Na een aantal vooral zeer traditioneel klinkende albums, klinkt de muziek van de Amerikaanse muzikant op het eerste album van Johnny Blue Skies gelukkig weer vernieuwender en eigentijdser. De openingstrack van Passage du Désir heeft zich absoluut laten beïnvloeden door country(rock) uit een ver verleden, maar laat ook een bijzondere twist horen. Die bijzondere twist komt vaker terug op een album dat, net als de eerste drie albums van Sturgill Simpson, een brug slaat tussen Amerikaanse rootsmuziek uit het verleden en het heden en dat niet bang is voor het verwerken van uiteenlopende invloeden.
Na de vooral door countryrock beïnvloede openingstrack klinkt de tweede track lekker soulvol en ook dit keer worden invloeden uit de jaren 70 gecombineerd met invloeden van recentere datum. Hier blijft het niet bij, want Passage du Désir laat ook invloeden uit de blues, rock en bluegrass horen en sluit in de rijker georkestreerde tracks met veel strijkers naadloos aan op de singer-songwriter muziek uit de jaren 70.
Sturgill Simpson vertelt als Johnny Blue Skies nog wat indringendere verhalen dan onder zijn eigen naam en blijft op Passage du Désir maar verrassen met bijzondere arrangementen en klanken, waarbij hij variatie in het gebruik van zijn stem niet vergeet. Het komt allemaal samen in de negen minuten durende slottrack One For The Road, die in een recensie fraai wordt omschreven als “a song that features warped strings and heavily processed guitars that, together, make for a sound that’s both bluesy and trippy, like a lost Pink Floyd session from the mid ’70s featuring Nashville musicians”. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Johnny Blue Skies - Passage du Désir - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Johnny Blue Skies - Passage du Désir
Sturgill Simpson keert na een paar jaar afwezigheid terug als Johnny Blue Skies en laat op Passage du Désir horen dat hij de grootse vorm van het geweldige A Sailor's Guide To Earth weer heeft hervonden
De Amerikaanse muzikant Sturgill Simpson leek op zijn laatste albums definitief gevallen voor traditionele bluegrass en country, maar op het onder de naam Johnny Blue Skies uitgebrachte Passage du Désir horen we weer de smeltkroes van verschillende stijlen en de mix van invloeden uit het verleden en het heden. Passage du Désir is bij vlagen een countryalbum, maar is dat minstens even vaak niet. Sturgill Simpson heeft als Johnny Blue Skies zijn meest emotionele en indringende, maar ook zijn meest veelzijdige album gemaakt. Sturgill Simpson gaf ooit aan vijf albums wel genoeg te vinden, maar begint als Johnny Blue Skies op indrukwekkende wijze aan zijn tweede muzikale leven.
Ik was de afgelopen tien jaar niet altijd even enthousiast over de muziek van de Amerikaanse muzikant Sturgill Simpson. Zijn debuutalbum High Top Mountain uit 2013 vond ik in eerste instantie een weinig onderscheidend countryalbum en ook het in 2014 uitgebrachte en in brede kring geprezen Metamodern Sounds in Country Music viel me in eerste instantie niet erg op.
Ik raakte pas in de ban van de muziek van Sturgill Simpson toen in 2016 A Sailor's Guide To Earth verscheen. Op dit album verrijkte de Amerikaanse muzikant zijn countrymuziek met flink wat soul, rock en psychedelica en begreep ik opeens wel waarom er zo druk werd gedaan over de eerste twee albums van Sturgill Simpson. Die eerste twee albums ben ik later overigens zeer gaan waarderen en schat ik inmiddels misschien nog wel hoger in dan A Sailor's Guide To Earth.
De muziek van Sturgill Simpson verschoot flink van kleur op Sound & Fury uit 2019, waarop invloeden uit de funk en Southern rock werden toegevoegd en bovendien een grotere rol was weggelegd voor elektronica. Het is een album dat ik achteraf bezien een stuk lager waardeer dan zijn drie voorgangers en dat geldt ook voor de met bluegrass gevulde albums Cuttin' Grass - Vol. 1 en Cuttin' Grass - Vol. 2 uit 2020 en het in 2021 verschenen en wat traditionele maar wat mij betreft ook nogal saaie countryalbum The Ballad Of Dood & Juanita.
Na dit laatste album kreeg Sturgill Simpson ernstige problemen met zijn stembanden en het was zelfs even de vraag of hij ooit weer zou kunnen zingen. De Amerikaanse muzikant vertrok, ook nog getroffen door andere misère, gedesillusioneerd naar Parijs, waar hij gelukkig zijn stem weer vond en de songs schreef voor zijn nieuwe album. Het is allemaal te horen op het onlangs onder de naam Johnny Blue Skies uitgebrachte Passage du Désir, dat deels werd opgenomen in Nashville en deels in de fameuze Abbey Road Studios in Londen.
Na een aantal vooral zeer traditioneel klinkende albums, klinkt de muziek van de Amerikaanse muzikant op het eerste album van Johnny Blue Skies gelukkig weer vernieuwender en eigentijdser. De openingstrack van Passage du Désir heeft zich absoluut laten beïnvloeden door country(rock) uit een ver verleden, maar laat ook een bijzondere twist horen. Die bijzondere twist komt vaker terug op een album dat, net als de eerste drie albums van Sturgill Simpson, een brug slaat tussen Amerikaanse rootsmuziek uit het verleden en het heden en dat niet bang is voor het verwerken van uiteenlopende invloeden.
Na de vooral door countryrock beïnvloede openingstrack klinkt de tweede track lekker soulvol en ook dit keer worden invloeden uit de jaren 70 gecombineerd met invloeden van recentere datum. Hier blijft het niet bij, want Passage du Désir laat ook invloeden uit de blues, rock en bluegrass horen en sluit in de rijker georkestreerde tracks met veel strijkers naadloos aan op de singer-songwriter muziek uit de jaren 70.
Sturgill Simpson vertelt als Johnny Blue Skies nog wat indringendere verhalen dan onder zijn eigen naam en blijft op Passage du Désir maar verrassen met bijzondere arrangementen en klanken, waarbij hij variatie in het gebruik van zijn stem niet vergeet. Het komt allemaal samen in de negen minuten durende slottrack One For The Road, die in een recensie fraai wordt omschreven als “a song that features warped strings and heavily processed guitars that, together, make for a sound that’s both bluesy and trippy, like a lost Pink Floyd session from the mid ’70s featuring Nashville musicians”. Erwin Zijleman
Johnny Cash - Out Among the Stars (2014)

3,5
0
geplaatst: 26 maart 2014, 15:49 uur
Recensie op de krentenuit de pop:
De krenten uit de pop: Johhny Cash - Out Among The Stars - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De jaren 80 staan zeker niet in de boeken als het beste decennium uit de carrière van Johnny Cash. The Man In Black, die al vanaf de late jaren 50 aan de weg timmerde, leek beland in de nadagen van zijn carrière en bracht geen platen meer uit die er echt toe deden. Dat zou in 1994 veranderen met het eerste deel van de imposante American Recordings, maar in de jaren 80 wees niets op een glorieuze comeback van Johnny Cash. Aan het begin van de jaren 80 werkte Cash aan een wat toegankelijkere plaat, die een groot publiek moest kunnen aanspreken. Uiteindelijk vond Cash het eindresultaat toch net wat teveel pop en zag zijn platenmaatschappij nog steeds onvoldoende potentie, waardoor de plaat op de plank terecht kwam. Dertig jaar later ligt Out Among The Stars dan toch nog in de winkel. Ik vond het in eerste instantie lastig om een mening te vormen over deze vergeten Johnny Cash plaat. Aan de ene kant klinkt het allemaal inderdaad wel erg gelikt en soms bijna kitscherig, maar aan de andere kant weet de zang van Johnny Cash, die natuurlijk krachtiger is dan op de American Recordings platen, toch wel te overtuigen. Waar Rick Rubin Johnny Cash uiteindelijk uit de Nashville country wist te trekken, zit Out Among The Stars hier nog middenin. In eerste instantie hoorde ik daarom niet zoveel in de plaat, maar vanwege de zang van Johnny Cash ben ik er inmiddels toch gehecht aan geraakt. Out Among The Stars is weliswaar stevig verankerd in de Nashville country, maar Johnny Cash maakt op deze plaat de gedreven indruk die in de jaren 80 zo vaak ontbrak. Out Among The Stars is zeker geen wereldschokkende plaat, maar vult wel een tot dusver betrekkelijk lege periode binnen het oeuvre van Johnny Cash. Het is een plaat van een muzikant die vast wil houden aan de successen uit het verleden, maar nog niet precies weet hoe hij dit voor elkaar moet krijgen. Cash weet zich op Out Among The Star omringd door ervaren muzikanten die weten hoe een Nashville country plaat moet klinken. In muzikaal opzicht klinkt de plaat daarom wat braafjes, maar de stem van Johnny Cash blijft een ruwe diamant. Cash wist in de jaren 80 zijn verslavingen aardig onder bedwang te houden, waardoor hij op Among The Stars fit en energiek klinkt. In vocaal opzicht is het een prima plaat, zeker ook wanneer zich in duetten laat bijstaan door June Carter Cash en Waylon Jennings. In een aantal songs kruipt Johnny Cash dicht tegen zijn vorm van de jaren 60 aan, maar Cash slaat de plank ook een paar keer mis op deze plaat (luister maar eens naar het afgrijselijke kinderkoor in Tennessee). Dat Out Among The Stars uiteindelijk toch overeind blijft is volledig te danken aan de persoonlijkheid van Johnny Cash. De gemiddelde muzikant was waarschijnlijk bezweken onder het Nashville country geweld, maar Johnny Cash maakt van Out Among The Stars uiteindelijk toch zijn eigen plaat. Deze is niet zo goed als zijn beste platen uit de jaren 50, 60 en 70 en ook niet zo goed als de American Recordings die vanaf 1994 zoveel indruk zouden maken, maar in de jaren 80 maakte Cash echt niets dat beter is dan deze plaat. Out Among The Stars is wat mij betreft een bescheiden krent uit de pop, maar ook een bescheiden krent uit de pop is een krent uit de pop. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Johhny Cash - Out Among The Stars - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De jaren 80 staan zeker niet in de boeken als het beste decennium uit de carrière van Johnny Cash. The Man In Black, die al vanaf de late jaren 50 aan de weg timmerde, leek beland in de nadagen van zijn carrière en bracht geen platen meer uit die er echt toe deden. Dat zou in 1994 veranderen met het eerste deel van de imposante American Recordings, maar in de jaren 80 wees niets op een glorieuze comeback van Johnny Cash. Aan het begin van de jaren 80 werkte Cash aan een wat toegankelijkere plaat, die een groot publiek moest kunnen aanspreken. Uiteindelijk vond Cash het eindresultaat toch net wat teveel pop en zag zijn platenmaatschappij nog steeds onvoldoende potentie, waardoor de plaat op de plank terecht kwam. Dertig jaar later ligt Out Among The Stars dan toch nog in de winkel. Ik vond het in eerste instantie lastig om een mening te vormen over deze vergeten Johnny Cash plaat. Aan de ene kant klinkt het allemaal inderdaad wel erg gelikt en soms bijna kitscherig, maar aan de andere kant weet de zang van Johnny Cash, die natuurlijk krachtiger is dan op de American Recordings platen, toch wel te overtuigen. Waar Rick Rubin Johnny Cash uiteindelijk uit de Nashville country wist te trekken, zit Out Among The Stars hier nog middenin. In eerste instantie hoorde ik daarom niet zoveel in de plaat, maar vanwege de zang van Johnny Cash ben ik er inmiddels toch gehecht aan geraakt. Out Among The Stars is weliswaar stevig verankerd in de Nashville country, maar Johnny Cash maakt op deze plaat de gedreven indruk die in de jaren 80 zo vaak ontbrak. Out Among The Stars is zeker geen wereldschokkende plaat, maar vult wel een tot dusver betrekkelijk lege periode binnen het oeuvre van Johnny Cash. Het is een plaat van een muzikant die vast wil houden aan de successen uit het verleden, maar nog niet precies weet hoe hij dit voor elkaar moet krijgen. Cash weet zich op Out Among The Star omringd door ervaren muzikanten die weten hoe een Nashville country plaat moet klinken. In muzikaal opzicht klinkt de plaat daarom wat braafjes, maar de stem van Johnny Cash blijft een ruwe diamant. Cash wist in de jaren 80 zijn verslavingen aardig onder bedwang te houden, waardoor hij op Among The Stars fit en energiek klinkt. In vocaal opzicht is het een prima plaat, zeker ook wanneer zich in duetten laat bijstaan door June Carter Cash en Waylon Jennings. In een aantal songs kruipt Johnny Cash dicht tegen zijn vorm van de jaren 60 aan, maar Cash slaat de plank ook een paar keer mis op deze plaat (luister maar eens naar het afgrijselijke kinderkoor in Tennessee). Dat Out Among The Stars uiteindelijk toch overeind blijft is volledig te danken aan de persoonlijkheid van Johnny Cash. De gemiddelde muzikant was waarschijnlijk bezweken onder het Nashville country geweld, maar Johnny Cash maakt van Out Among The Stars uiteindelijk toch zijn eigen plaat. Deze is niet zo goed als zijn beste platen uit de jaren 50, 60 en 70 en ook niet zo goed als de American Recordings die vanaf 1994 zoveel indruk zouden maken, maar in de jaren 80 maakte Cash echt niets dat beter is dan deze plaat. Out Among The Stars is wat mij betreft een bescheiden krent uit de pop, maar ook een bescheiden krent uit de pop is een krent uit de pop. Erwin Zijleman
Johnny Cash - Songwriter (2024)

4,0
2
geplaatst: 4 augustus 2024, 10:36 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Johnny Cash - Songwriter - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Johnny Cash - Songwriter
Postuum uitgebrachte albums met songs die op de plank waren blijven liggen zijn meestal overbodig, maar dat geldt zeker niet voor Songwriter, dat een ander licht werd op de muzikale vorm van Johnny Cash in 1993
Aan de vooravond van de zo succesvolle samenwerking met Rick Rubin nam Johnny Cash een aantal songs op. Het zijn songs die al snel op de plank terecht kwamen omdat niemand er iets in zag, maar dat blijkt met de kennis van nu een foute inschatting. Op het door de zoon van Johnny Cash alsnog afgemaakte album horen we immers dat de Amerikaanse muzikant op Songwriter in een uitstekende vorm stak. Dat ligt deels aan de opnieuw ingespeelde muziek en de wat modernere productie, maar het is vooral de stem van Johnny Cash en de door hem geschreven songs die van Songwriter zo’n goed album maken. Postuum uitgebrachte albums herschrijven maar zelden de geschiedenis van een muzikant, maar Songwriter doet dit wel.
Toen ruim een maand geleden het album Songwriter van Johnny Cash werd aangekondigd ging ik er van uit dat ik dit album wel kon laten liggen. Songwriter is immers een album dat is gebaseerd op een aantal demo’s die in 1993 werden opgenomen, maar op de plank bleven liggen.
Johnny Cash was op dat moment al lang niet meer de grote ster die hij was in de jaren 50 en 60. In de jaren 70 bracht hij nog een aantal aardige albums uit, maar in de jaren 80 zat eigenlijk niemand meer te wachten op de countryheld uit het verleden, die niet eens een platencontract meer had. Het project waaraan Johnny Cash in 1993 begon was dan ook gedoemd te mislukken en dat deed het ook.
Johnny Cash was op dat moment overigens wel succesvol met The Highwaymen, een gelegenheidsband die hij vormde met Waylon Jennings, Willie Nelson en Kris Kristofferson, maar zijn solocarrière leek voorbij. Er was gelukkig nog één man die in 1993 nog wel vertrouwen had in de solocarrière van Johnny Cash en dat was Rick Rubin, die de (voormalige) countryheld een contract aanbood bij zijn label American Recordings.
In 1994 verscheen het eerste deel van American Recordings, waarop Johnny Cash op indrukwekkende wijze vooral songs van anderen vertolkte. De Amerikaanse muzikant werd weer serieus genomen en omarmd door een nieuw publiek. Johnny Cash zou tot zijn dood in 2003 blijven samenwerken met Rick Rubin en uiteindelijk zou de teller stoppen na zes delen American Recordings.
De demo’s die Johnny Cash vlak voor de start van de samenwerking met Rick Rubin opnam raakten in de vergetelheid, tot zijn zoon John Carter Cash de opnames ontdekte en er samen met de toenmalige producer David Ferguson mee aan de slag ging. De muziek werd opnieuw ingespeeld door de muzikanten die destijds ook werkten met Johnny Cash en de songs werden voorzien van een wat modernere productie dan destijds was voorzien.
Twee songs op Songwriter zouden uiteindelijk op het eerste deel van American Recordings terecht komen, maar de versies op het postuum verschenen album klinken anders. Ik was zoals gezegd sceptisch, maar Songwriter heeft me aangenaam verrast. De songs die Johnny Cash schreef voor het album zijn van een indrukwekkend hoog niveau en ook de rijke en soms bijna overdadige productie van het album bevalt me wel en dat geldt zeker voor het fantastische gitaarspel op het album.
Wat verder vooral opvalt is hoe krachtig de stem van Johnny Cash is op Songwriter. De stem van de Amerikaanse muzikant werd naarmate het American Recordings project vorderde steeds zachter en breekbaarder, maar op Songwriter horen we nog de stem die we kennen van de man’s beste werk.
Zeker in productioneel opzicht is Songwriter ver verwijderd van de albums die Johnny Cash met Rick Rubin zou maken, maar oubollig klinkt het zeker niet. Integendeel zelfs, want het album zit hier en daar dicht tegen de muziek die door de wat alternatievere countrysterren van het moment wordt gemaakt.
Songwriter is een album waarop Johnny Cash deels voortborduurt op de muziek die hij in de jaren 50 en 60 maakte, maar het is ook een album waarop hij laat horen dat hij aan het begin van de jaren 90 nog heel wat in zijn mars had. Dat kwam er uiteindelijk prachtig uit op de American Recordings albums, maar de release van Songwriter laat horen dat de demo’s die in 1993 werden opgenomen uiteindelijk veel meer waren dan een voetnoot in de imposante carrière van Johnny Cash. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Johnny Cash - Songwriter - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Johnny Cash - Songwriter
Postuum uitgebrachte albums met songs die op de plank waren blijven liggen zijn meestal overbodig, maar dat geldt zeker niet voor Songwriter, dat een ander licht werd op de muzikale vorm van Johnny Cash in 1993
Aan de vooravond van de zo succesvolle samenwerking met Rick Rubin nam Johnny Cash een aantal songs op. Het zijn songs die al snel op de plank terecht kwamen omdat niemand er iets in zag, maar dat blijkt met de kennis van nu een foute inschatting. Op het door de zoon van Johnny Cash alsnog afgemaakte album horen we immers dat de Amerikaanse muzikant op Songwriter in een uitstekende vorm stak. Dat ligt deels aan de opnieuw ingespeelde muziek en de wat modernere productie, maar het is vooral de stem van Johnny Cash en de door hem geschreven songs die van Songwriter zo’n goed album maken. Postuum uitgebrachte albums herschrijven maar zelden de geschiedenis van een muzikant, maar Songwriter doet dit wel.
Toen ruim een maand geleden het album Songwriter van Johnny Cash werd aangekondigd ging ik er van uit dat ik dit album wel kon laten liggen. Songwriter is immers een album dat is gebaseerd op een aantal demo’s die in 1993 werden opgenomen, maar op de plank bleven liggen.
Johnny Cash was op dat moment al lang niet meer de grote ster die hij was in de jaren 50 en 60. In de jaren 70 bracht hij nog een aantal aardige albums uit, maar in de jaren 80 zat eigenlijk niemand meer te wachten op de countryheld uit het verleden, die niet eens een platencontract meer had. Het project waaraan Johnny Cash in 1993 begon was dan ook gedoemd te mislukken en dat deed het ook.
Johnny Cash was op dat moment overigens wel succesvol met The Highwaymen, een gelegenheidsband die hij vormde met Waylon Jennings, Willie Nelson en Kris Kristofferson, maar zijn solocarrière leek voorbij. Er was gelukkig nog één man die in 1993 nog wel vertrouwen had in de solocarrière van Johnny Cash en dat was Rick Rubin, die de (voormalige) countryheld een contract aanbood bij zijn label American Recordings.
In 1994 verscheen het eerste deel van American Recordings, waarop Johnny Cash op indrukwekkende wijze vooral songs van anderen vertolkte. De Amerikaanse muzikant werd weer serieus genomen en omarmd door een nieuw publiek. Johnny Cash zou tot zijn dood in 2003 blijven samenwerken met Rick Rubin en uiteindelijk zou de teller stoppen na zes delen American Recordings.
De demo’s die Johnny Cash vlak voor de start van de samenwerking met Rick Rubin opnam raakten in de vergetelheid, tot zijn zoon John Carter Cash de opnames ontdekte en er samen met de toenmalige producer David Ferguson mee aan de slag ging. De muziek werd opnieuw ingespeeld door de muzikanten die destijds ook werkten met Johnny Cash en de songs werden voorzien van een wat modernere productie dan destijds was voorzien.
Twee songs op Songwriter zouden uiteindelijk op het eerste deel van American Recordings terecht komen, maar de versies op het postuum verschenen album klinken anders. Ik was zoals gezegd sceptisch, maar Songwriter heeft me aangenaam verrast. De songs die Johnny Cash schreef voor het album zijn van een indrukwekkend hoog niveau en ook de rijke en soms bijna overdadige productie van het album bevalt me wel en dat geldt zeker voor het fantastische gitaarspel op het album.
Wat verder vooral opvalt is hoe krachtig de stem van Johnny Cash is op Songwriter. De stem van de Amerikaanse muzikant werd naarmate het American Recordings project vorderde steeds zachter en breekbaarder, maar op Songwriter horen we nog de stem die we kennen van de man’s beste werk.
Zeker in productioneel opzicht is Songwriter ver verwijderd van de albums die Johnny Cash met Rick Rubin zou maken, maar oubollig klinkt het zeker niet. Integendeel zelfs, want het album zit hier en daar dicht tegen de muziek die door de wat alternatievere countrysterren van het moment wordt gemaakt.
Songwriter is een album waarop Johnny Cash deels voortborduurt op de muziek die hij in de jaren 50 en 60 maakte, maar het is ook een album waarop hij laat horen dat hij aan het begin van de jaren 90 nog heel wat in zijn mars had. Dat kwam er uiteindelijk prachtig uit op de American Recordings albums, maar de release van Songwriter laat horen dat de demo’s die in 1993 werden opgenomen uiteindelijk veel meer waren dan een voetnoot in de imposante carrière van Johnny Cash. Erwin Zijleman
Johnny Lloyd - Cheap Medication (2020)

4,5
1
geplaatst: 4 november 2020, 15:35 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Johnny Lloyd - Cheap Medication - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Johnny Lloyd - Cheap Medication
Johnny Lloyd debuteerde vorig jaar zeer veelbelovend, maar overtreft dit debuut met een serie tijdloze songs die alle kanten op schieten maar steeds weer de juiste snaar weten te raken
Johnny Lloyd leek een paar jaar geleden nog ten onder ten gaan aan een wat ongezonde levenswandel, maar de afgelopen twee jaar kent zijn productiviteit nauwelijks grenzen. Naast twee albums met demo’s, bracht de Britse muzikant ook nog twee volwaardige albums uit, waarvan het deze week verschenen Cheap Medication de beste is. Johnny Lloyd laat zich wederom beïnvloeden door een aantal decennia popmuziek, schrijft songs die stuk voor stuk in de categorie onweerstaanbaar vallen en voert ze ook nog eens met veel gevoel en talent uit. Het was vorig jaar goed genoeg voor mijn jaarlijstje en dat kan dit jaar wel eens niet anders zijn.
Vorig jaar maakte ik voor het eerst kennis met de muziek van de Britse muzikant Johnny Lloyd. Het is een kennismaking die wat wonderlijk verliep. Next Episode Starts in 15 Seconds, het officiële debuut van Johnny Lloyd had ik immers al vele maanden in huis en minstens net zoveel keer aan de kant geschoven, toen ik onder de indruk raakte van een verzameling ruwe demo’s op de bandcamp pagina van de Britse muzikant. Via Low Fidelity Vol. 1 kwam ook Next Episode Starts in 15 Seconds weer op de radar, waarna het album het zelfs schopte tot mijn jaarlijstje.
Kennelijk is de naam van Johnny Lloyd hierna weer wat weggezakt, want het begin dit jaar verschenen Low Fidelity Vol. 2 heb ik helaas gemist. Het is net als het eerste deel een fraaie verzameling demo’s die stuk voor stuk onderstrepen dat de Britse muzikant de kunst van het schrijven van aansprekende songs uitstekend beheerst. Veel interessanter is wat mij betreft het deze week verschenen Cheap Medication, dat de echte opvolger van Next Episode Starts in 15 Seconds is.
Johnny Lloyd dook een jaar of tien geleden op met zijn band Tribes, maar trok meer aandacht met zijn ruige levenswandel, die het muzikale talent van de Britse muzikant zomaar in de kiem had kunnen smoren. Sinds de Britse actrice Billie Piper in zijn leven kwam en de twee een gezin hebben gesticht, gaat het beter met Johnny Lloyd en dat hoor je ook weer op Cheap Medication.
Vergeleken met de twee verzamelingen demo’s, die allebei meer dan een uur duren, houdt Johnny Lloyd het op Cheap Medication redelijk compact met een dozijn songs in drie kwartier. Nog meer dan op zijn debuut laat de Britse muzikant een uitstekend gevoel voor tijdloze en bijzonder aangenaam klinkende songs horen. Het doet me af en toe wel wat denken aan Elliott Smith, maar de kijk op de wereld van Johnny Lloyd is wat minder somber.
Net als het debuut van de muzikant uit Londen schiet ook Cheap Medication weer alle kanten op. Johnny Lloyd kent zijn klassiekers en citeert net zo makkelijk uit de catalogus van The Stones en The Kinks als uit die van Bob Dylan, om maar een paar namen te noemen. Met een vleugje reggae verruilt de Britse muzikant de jaren 60 voor de jaren 70 en 80 en ook de jaren 90 komen voorbij op een album dat verrassend veelzijdig klinkt met invloeden uit de folk, psychedelica, rock en pop, maar toch geen moment een ratjetoe is.
Vrijwel alle songs op het album klinken op een of andere manier bekend in de oren, wat een groot talent als songwriter verraadt, maar ook de uitvoering is dik in orde met een veelkleurig en steeds trefzeker geluid en een stem die voldoende doorleefd klinkt om iets toe te voegen aan de tijdloze songs op het album.
Ik vond het vorig jaar best lastig om te omschrijven wat nu zo goed was aan het debuut van Johnny Lloyd en ik heb hetzelfde probleem met Cheap Medication. Aan de andere kant is ook het tweede album van de Britse muzikant er een die ik direct van de eerste tot en met de laatste track leuk vond en is het bovendien een album dat bij herhaalde beluistering alleen maar leuker wordt. Het is een album dat je herinnert aan heel veel leuke popmuziek uit het verleden, maar gedateerd klinkt het geen moment. Of het ook dit jaar goed genoeg is voor mijn jaarlijstje durf ik nog niet te voorspellen, maar dat Johnny Lloyd wederom een uitstekend album heeft afgeleverd is voor mij zeker. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Johnny Lloyd - Cheap Medication - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Johnny Lloyd - Cheap Medication
Johnny Lloyd debuteerde vorig jaar zeer veelbelovend, maar overtreft dit debuut met een serie tijdloze songs die alle kanten op schieten maar steeds weer de juiste snaar weten te raken
Johnny Lloyd leek een paar jaar geleden nog ten onder ten gaan aan een wat ongezonde levenswandel, maar de afgelopen twee jaar kent zijn productiviteit nauwelijks grenzen. Naast twee albums met demo’s, bracht de Britse muzikant ook nog twee volwaardige albums uit, waarvan het deze week verschenen Cheap Medication de beste is. Johnny Lloyd laat zich wederom beïnvloeden door een aantal decennia popmuziek, schrijft songs die stuk voor stuk in de categorie onweerstaanbaar vallen en voert ze ook nog eens met veel gevoel en talent uit. Het was vorig jaar goed genoeg voor mijn jaarlijstje en dat kan dit jaar wel eens niet anders zijn.
Vorig jaar maakte ik voor het eerst kennis met de muziek van de Britse muzikant Johnny Lloyd. Het is een kennismaking die wat wonderlijk verliep. Next Episode Starts in 15 Seconds, het officiële debuut van Johnny Lloyd had ik immers al vele maanden in huis en minstens net zoveel keer aan de kant geschoven, toen ik onder de indruk raakte van een verzameling ruwe demo’s op de bandcamp pagina van de Britse muzikant. Via Low Fidelity Vol. 1 kwam ook Next Episode Starts in 15 Seconds weer op de radar, waarna het album het zelfs schopte tot mijn jaarlijstje.
Kennelijk is de naam van Johnny Lloyd hierna weer wat weggezakt, want het begin dit jaar verschenen Low Fidelity Vol. 2 heb ik helaas gemist. Het is net als het eerste deel een fraaie verzameling demo’s die stuk voor stuk onderstrepen dat de Britse muzikant de kunst van het schrijven van aansprekende songs uitstekend beheerst. Veel interessanter is wat mij betreft het deze week verschenen Cheap Medication, dat de echte opvolger van Next Episode Starts in 15 Seconds is.
Johnny Lloyd dook een jaar of tien geleden op met zijn band Tribes, maar trok meer aandacht met zijn ruige levenswandel, die het muzikale talent van de Britse muzikant zomaar in de kiem had kunnen smoren. Sinds de Britse actrice Billie Piper in zijn leven kwam en de twee een gezin hebben gesticht, gaat het beter met Johnny Lloyd en dat hoor je ook weer op Cheap Medication.
Vergeleken met de twee verzamelingen demo’s, die allebei meer dan een uur duren, houdt Johnny Lloyd het op Cheap Medication redelijk compact met een dozijn songs in drie kwartier. Nog meer dan op zijn debuut laat de Britse muzikant een uitstekend gevoel voor tijdloze en bijzonder aangenaam klinkende songs horen. Het doet me af en toe wel wat denken aan Elliott Smith, maar de kijk op de wereld van Johnny Lloyd is wat minder somber.
Net als het debuut van de muzikant uit Londen schiet ook Cheap Medication weer alle kanten op. Johnny Lloyd kent zijn klassiekers en citeert net zo makkelijk uit de catalogus van The Stones en The Kinks als uit die van Bob Dylan, om maar een paar namen te noemen. Met een vleugje reggae verruilt de Britse muzikant de jaren 60 voor de jaren 70 en 80 en ook de jaren 90 komen voorbij op een album dat verrassend veelzijdig klinkt met invloeden uit de folk, psychedelica, rock en pop, maar toch geen moment een ratjetoe is.
Vrijwel alle songs op het album klinken op een of andere manier bekend in de oren, wat een groot talent als songwriter verraadt, maar ook de uitvoering is dik in orde met een veelkleurig en steeds trefzeker geluid en een stem die voldoende doorleefd klinkt om iets toe te voegen aan de tijdloze songs op het album.
Ik vond het vorig jaar best lastig om te omschrijven wat nu zo goed was aan het debuut van Johnny Lloyd en ik heb hetzelfde probleem met Cheap Medication. Aan de andere kant is ook het tweede album van de Britse muzikant er een die ik direct van de eerste tot en met de laatste track leuk vond en is het bovendien een album dat bij herhaalde beluistering alleen maar leuker wordt. Het is een album dat je herinnert aan heel veel leuke popmuziek uit het verleden, maar gedateerd klinkt het geen moment. Of het ook dit jaar goed genoeg is voor mijn jaarlijstje durf ik nog niet te voorspellen, maar dat Johnny Lloyd wederom een uitstekend album heeft afgeleverd is voor mij zeker. Erwin Zijleman
