Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Bob Dylan - New Morning (1970)

4,0
2
geplaatst: 14 juni 2012, 14:01 uur
‘New Morning’ kwam zo’n 4 maanden uit na de release van ‘Self Portrait’. Dat is erg snel, en er gingen stemmen op dat deze snelle release een reactie van Dylan was op de negatieve kritieken die ‘Self Portrait’ kreeg. Revanchegevoelens. Louter toeval, volgens Dylan. Naar eigen zeggen was het een samenloop van omstandigheden, en was hij er gewoonweg erg snel mee bezig.
Toen ‘Self Portrait’ nog niet eens af was, kreeg Dylan bezoek van zijn goede vriend George Harrison. Ze dronken wijn, jamden wat en daaruit vloeide een versie van ‘If Not for You’ uit voort, het openingsnummer van deze plaat. Ook op Harrison’s plaat ‘All Things Must Pass’ (dikke aanrader trouwens), staat dit nummer. Het nummer zet meteen de toon van het nieuwe geluid, de “nieuwe oude wind” die ‘New Morning’ inluidt.
In principe is dit album gewoonweg genieten. Geen zware kost eigenlijk, ook tekstueel valt het allemaal goed mee. Dylan is alweer wat ouder, heeft het goed met zijn vrouw Sara en de kinderen, lijkt gesettled als brave huisvader. Maar wispelturig is hij echter nog steeds; Producer Bob Johnston had het finaal verkorven doordat hij de baan opging met Leonard Cohen (zeggen kwatongen), en Al Kooper ondervond dat een plaat van de onvoorspelbare Dylan produceren geen pretje is.
Gelukkig zijn de nummers van een goed tot sterk niveau, en staan er enkele verrassingen op. ‘If Dogs Run Free’ bijvoorbeeld, met zijn free jazz-achtige sound (leuk pianospel van Kooper en scatzang van MaeRetha Stewart). Of ‘Day of the Locusts’, waarvan de tekst handelt over zijn eredoctoraat aan de universiteit van Princeton. ‘Father of Night’, de afsluiter van anderhalve minuut, is een bewerking van het Joodse gebed ‘Amidah’.
De algehele tendens van deze plaat is geluk; het gevoel vrolijkheid. Luchtigheid ook. Die zware, cryptische teksten van ‘Highway 61 Revisited’ en ‘Blonde on Blonde’ hadden al een tijdje plaats gemaakt voor meer eenvoud, zoals op ‘John Wesley Harding’, maar die zweem van mysterie blijft toch altijd hangen rondom Dylan, hoe je het ook draait of keert. Is dit echt een vrijgevochten, ongecompliceerd plaatje, of zit er meer achter? Het is waarschijnlijk zoals Dylan het zelf ooit stelde: “Ik weet zelf niet wat het betekent, maar wat betekent het voor jou?”
Een andere vreemde eend in de bijt op deze plaat, maar niet zozeer binnen Dylan’s oeuvre, is ‘One More Weekend’, een bluesy, bijna croonerachtig nummer dat er niet meteen tussen past, vind ik. Maar goed. De titelsong is een geweldig feel goodnummer, dat hij trouwens, samen met nog enkele andere nummers op deze plaat, geschreven had voor een toneelstuk, maar hij heeft zijn nummers daaruit teruggetrokken, en toen is bij hem het idee ontstaan om er zelf een plaat rond te bouwen.
‘Sign on the Window’ is misschien wel het mooiste nummer op de plaat, iets minder vrolijk van toon, en je hoort ook dat Dylan een verkoudheid had toen het nummer werd opgenomen (zoals Ron Cornelius wist op te merken), maar dat geeft het nummer net dat tikje meer charme. Dylan is ook maar een mens. Ook de tekst geeft een mooie hint van die nieuwe ingesteldheid: “Have a bunch of kids who call me pa; that must be what it’s all about”.
‘Went to See the Gypsy’ zou geschreven zijn naar aanleiding van een bezoek aan Elvis Presley, maar absolute zekerheid bestaat daaromtrent niet. Ook de naam Jimi Hendrix wordt genoemd (zijn begeleidingsband heette Band of Gypsys). De afsluitende regels verwijzen ook naar zijn kindertijd (“So I watched that sun come rising; from that little Minnesota town”). ‘Winterlude’ is dan weer een liefdesliedje zonder complexen, waarin Dylan zich beroept op een geliefde genaamd Winterlude.
‘The Man in Me’ bouwt dan weer voort op de sound van ‘Nashville Skyline’, vind ik, maar dan zonder de country. Het is die “nieuwe morgen”, zoals de titel ook luidt. Een nieuw begin voor de artiest Dylan. Dit nummer werd trouwens ook gebruikt door de Coen broers voor de cultfilm ‘The Big Lebowski’. Je kan hen moeilijk aansmeren dat ze slechte smaak hebben, want ‘The Man in Me’ is gewoon een heerlijk nummertje om te draaien bij goed weer, waar je vrolijk van wordt.
‘Three Angels’ heeft een gospelsound, dankzij het kerkorgel op de achtergrond (het is een kerkorgel, toch?), en de tekst vind ik erg sterk en plastisch. Ik bedoel dat je je een goed beeld kan vormen van wat er gebeurt op die straat waar Dylan het over heeft. De vraag die Dylan zich in de laatste strofe stelt, is volgens mij de volgende: “Staan we nog wel stil bij de schone aspecten van het leven?”. ‘Father of Night’ is, zoals eerder gezegd, een interpretatie van een Joods gebed, en doet me wel wat denken aan het boek Genesis uit de Bijbel. Niets bijzonders, maar gewoon een degelijke afsluiter, en het past er wel bij.
‘New Morning’ is geen lange plaat, geen moeilijke plaat, geen bijzonder knappe plaat, geen met hoogstandjes en uithalen en krachttoeren bezaaide plaat, maar gewoon een plaat. Een plaat die Dylan heeft gemaakt omdat hij ze wilde maken, en that’s it. Ik ben in ieder geval blij dat hij deze plaat gemaakt heeft, want met ‘If Not for You’, ‘Day of the Locusts’, ‘If Dogs Run Free’, ‘New Morning’, ‘Sign on the Window’ en ‘The Man in Me’ staan er alvast minstens 6 nummers op die memorabel mogen genoemd worden.
4 sterren
Toen ‘Self Portrait’ nog niet eens af was, kreeg Dylan bezoek van zijn goede vriend George Harrison. Ze dronken wijn, jamden wat en daaruit vloeide een versie van ‘If Not for You’ uit voort, het openingsnummer van deze plaat. Ook op Harrison’s plaat ‘All Things Must Pass’ (dikke aanrader trouwens), staat dit nummer. Het nummer zet meteen de toon van het nieuwe geluid, de “nieuwe oude wind” die ‘New Morning’ inluidt.
In principe is dit album gewoonweg genieten. Geen zware kost eigenlijk, ook tekstueel valt het allemaal goed mee. Dylan is alweer wat ouder, heeft het goed met zijn vrouw Sara en de kinderen, lijkt gesettled als brave huisvader. Maar wispelturig is hij echter nog steeds; Producer Bob Johnston had het finaal verkorven doordat hij de baan opging met Leonard Cohen (zeggen kwatongen), en Al Kooper ondervond dat een plaat van de onvoorspelbare Dylan produceren geen pretje is.
Gelukkig zijn de nummers van een goed tot sterk niveau, en staan er enkele verrassingen op. ‘If Dogs Run Free’ bijvoorbeeld, met zijn free jazz-achtige sound (leuk pianospel van Kooper en scatzang van MaeRetha Stewart). Of ‘Day of the Locusts’, waarvan de tekst handelt over zijn eredoctoraat aan de universiteit van Princeton. ‘Father of Night’, de afsluiter van anderhalve minuut, is een bewerking van het Joodse gebed ‘Amidah’.
De algehele tendens van deze plaat is geluk; het gevoel vrolijkheid. Luchtigheid ook. Die zware, cryptische teksten van ‘Highway 61 Revisited’ en ‘Blonde on Blonde’ hadden al een tijdje plaats gemaakt voor meer eenvoud, zoals op ‘John Wesley Harding’, maar die zweem van mysterie blijft toch altijd hangen rondom Dylan, hoe je het ook draait of keert. Is dit echt een vrijgevochten, ongecompliceerd plaatje, of zit er meer achter? Het is waarschijnlijk zoals Dylan het zelf ooit stelde: “Ik weet zelf niet wat het betekent, maar wat betekent het voor jou?”
Een andere vreemde eend in de bijt op deze plaat, maar niet zozeer binnen Dylan’s oeuvre, is ‘One More Weekend’, een bluesy, bijna croonerachtig nummer dat er niet meteen tussen past, vind ik. Maar goed. De titelsong is een geweldig feel goodnummer, dat hij trouwens, samen met nog enkele andere nummers op deze plaat, geschreven had voor een toneelstuk, maar hij heeft zijn nummers daaruit teruggetrokken, en toen is bij hem het idee ontstaan om er zelf een plaat rond te bouwen.
‘Sign on the Window’ is misschien wel het mooiste nummer op de plaat, iets minder vrolijk van toon, en je hoort ook dat Dylan een verkoudheid had toen het nummer werd opgenomen (zoals Ron Cornelius wist op te merken), maar dat geeft het nummer net dat tikje meer charme. Dylan is ook maar een mens. Ook de tekst geeft een mooie hint van die nieuwe ingesteldheid: “Have a bunch of kids who call me pa; that must be what it’s all about”.
‘Went to See the Gypsy’ zou geschreven zijn naar aanleiding van een bezoek aan Elvis Presley, maar absolute zekerheid bestaat daaromtrent niet. Ook de naam Jimi Hendrix wordt genoemd (zijn begeleidingsband heette Band of Gypsys). De afsluitende regels verwijzen ook naar zijn kindertijd (“So I watched that sun come rising; from that little Minnesota town”). ‘Winterlude’ is dan weer een liefdesliedje zonder complexen, waarin Dylan zich beroept op een geliefde genaamd Winterlude.
‘The Man in Me’ bouwt dan weer voort op de sound van ‘Nashville Skyline’, vind ik, maar dan zonder de country. Het is die “nieuwe morgen”, zoals de titel ook luidt. Een nieuw begin voor de artiest Dylan. Dit nummer werd trouwens ook gebruikt door de Coen broers voor de cultfilm ‘The Big Lebowski’. Je kan hen moeilijk aansmeren dat ze slechte smaak hebben, want ‘The Man in Me’ is gewoon een heerlijk nummertje om te draaien bij goed weer, waar je vrolijk van wordt.
‘Three Angels’ heeft een gospelsound, dankzij het kerkorgel op de achtergrond (het is een kerkorgel, toch?), en de tekst vind ik erg sterk en plastisch. Ik bedoel dat je je een goed beeld kan vormen van wat er gebeurt op die straat waar Dylan het over heeft. De vraag die Dylan zich in de laatste strofe stelt, is volgens mij de volgende: “Staan we nog wel stil bij de schone aspecten van het leven?”. ‘Father of Night’ is, zoals eerder gezegd, een interpretatie van een Joods gebed, en doet me wel wat denken aan het boek Genesis uit de Bijbel. Niets bijzonders, maar gewoon een degelijke afsluiter, en het past er wel bij.
‘New Morning’ is geen lange plaat, geen moeilijke plaat, geen bijzonder knappe plaat, geen met hoogstandjes en uithalen en krachttoeren bezaaide plaat, maar gewoon een plaat. Een plaat die Dylan heeft gemaakt omdat hij ze wilde maken, en that’s it. Ik ben in ieder geval blij dat hij deze plaat gemaakt heeft, want met ‘If Not for You’, ‘Day of the Locusts’, ‘If Dogs Run Free’, ‘New Morning’, ‘Sign on the Window’ en ‘The Man in Me’ staan er alvast minstens 6 nummers op die memorabel mogen genoemd worden.
4 sterren
Bob Dylan - Oh Mercy (1989)

4,5
0
geplaatst: 26 september 2013, 20:54 uur
Nadat Bob Dylan ‘Down in the Groove’ had opgenomen, was hij helemaal op. Het laatste greintje inspiratie had hij eruit geknepen, al was het lang niet veel meer geweest; het grootste deel van de tweede helft van de jaren ’80 in Dylan’s leven als songschrijver werd gekenmerkt door een alsmaar ernstiger wordende writers block. Na zijn tournee met Tom Petty and the Heartbreakers volgde nog één met The Grateful Dead, maar die was niet bepaald een succes. Dylan zat mentaal bij de grond, en had een prikkel nodig om er weer bovenop te komen. Een sterke stimulus.
Die stimulus kwam in de gedaante van een kleine tragedie. Om sterker te worden, moet een mens eerst echt afzien, zegt men wel ‘ns. In december 1987 raakte Dylan ernstig gewond toen hij wat aan het rommelen was in de tuin. Zijn hand was opengereten tot op het bot, en specialisten vreesden er zelfs voor dat hij nooit meer gitaar zou kunnen spelen. Dit onheilspellende nieuws zette Dylan aan het denken, hij ging zelfs even een compleet ander leven overwegen. Maar net deze nare gebeurtenis zorgde ervoor dat Dylan weer begeesterd raakte en ging doen wat hij het best kon; liedjes schrijven.
Hij zette zich enige tijd na het ongeluk aan de schrijftafel, en schudde meteen een hele hoop strofes uit zijn mouw; het venijnige ‘Political World’, dat later de plaat ook zou mogen aftrappen, was geboren, uit de jarenlange frustratie van Dylan met zichzelf. De tekst is opmerkelijk scherp, en haalt uit naar de heersende politieke sfeer die alles kapot analyseerde, en de agressieve, te zelf-defensieve houding van veel mensen. Al die kille, pragmatische mensen hebben nood aan een wake up call, moet Dylan gedacht hebben. Of misschien wel helemaal niet, want tja, het blijft natuurlijk Dylan.
Maar goed, de goesting en de drive waren weer terug, en Dylan zag het weer helemaal zitten. Zijn hervonden inspiratie zorgde voor genoeg zelfvertrouwen om zijn platendeal te verlengen, waardoor ‘Down in the Groove’, dat lang op de helling stond, alsnog werd uitgebracht, en Dylan nog een aantal platen zou kunnen maken.
Uit zijn vorige, zwakke albums had Dylan enkele lessen getrokken, en deze is misschien wel de belangrijkste: dat je iemand nodig hebt om enigszins voor sturing en edge te zorgen, iemand die de touwtjes in handen durft te nemen als dit noodzakelijk blijkt te zijn. Dylan ging dus weer op zoek naar een echte producer. Hij deed hier en daar navraag, zonder al te veel succes, tot hij Bono van U2 ontmoette. Onder het genot van menig glas Guinness vertelde Bono dat hij bijzonder te spreken was over Daniel Lanois, een Franstalige Canadees, die zelf multi-instrumentalist was en ‘The Joshua Tree’ had geproduceerd, een enorm succes voor de Ierse band. Dylan ging uiteindelijk in zee met Lanois.
In Lanois vond Dylan voor het eerst sinds lang een sterke figuur, die voldoende tegengewicht kon bieden aan Dylan’s nukken. Want die streken was de oude vos nog steeds niet verleerd; hij negeerde zijn nochtans uitstekende sessiemuzikanten, werkte geluidstechnici Malcolm Burn en Mark Howard regelmatig op de heupen en kreeg Lanois zover dat die uit pure razernij z’n dobro aan diggelen sloeg. En jawel, dit alles heeft bijgedragen tot de kracht en sfeer van de plaat.
‘Oh Mercy’ klinkt immers warm en koud tegelijk. Tegenover de vinnigheid van ‘Political World’ staat het uiterst charmante ‘Most of the Time’; het sinistere ‘Man in the Long Black Coat’ (dat zowel qua tekst als muziek gebaseerd is op New Orleans, alwaar de plaat is opgenomen) geeft me het sterke vermoeden dat Joe Henry hier heel goed naar geluisterd heeft, terwijl ‘Shooting Star’ een intieme, sobere afsluiter, die Dylan aanvankelijk als duet had willen zingen met Irma Thomas. Het zijn dit soort kleine tegenstellingen die de plaat erg boeiend maken.
Veel loftuitingen kunnen rechtstreeks aan het adres van Lanois geleverd worden. Hij bracht, samen met zijn rechterhand Malcolm Burn, voldoende leven in de brouwerij (de dobro speelt een tamelijk belangrijke rol op de plaat) en zorgde voor eenheid en eensgezindheid, al kon dat de gebruikelijke toeren van de koppige Dylan niet tegenhouden. Hij bracht The Neville Brothers aan als begeleidende band, bestaande uit drie rasmuzikanten: Brian Stoltz op gitaar, Tony Hall op bas en Willie Green op drums. Rockabilly-gitarist Mason Ruffner speelt mee op ‘Political World’, ‘Disease of Conceit’ en ‘What Was It You Wanted?’. En ook de input van de blinde saxofonist John Hart (die een fantastisch slot breit aan ‘Where Teardrops Fall’) is een groot succes.
Een grappige quote, die goed de situatie weergaf, is de volgende van technicus Mark Howard (bron: Bob Dylan in de studio van Patrick Roefflaer):
“De tweede of derde nacht kwam de drummer, Willie Green, naar me toe. Ik zat aan het mengpaneel en Bob zat naast me. Willie zei: “Man, ik ben hier nu al een paar dagen. Wanneer komt die verdomde Bob Dylan nu eigenlijk?” Even later – het is echt zo gebeurd – komt de bassist, Tony, binnen en zegt: “Man, die Bob Dylan, dat is me een rare.” Bob keek even op, trok een wenkbrauw op en werkte voort aan zijn teksten.”
Typisch Dylan dus, maar aan dat soort dingen kan je ook merken dat hij gedreven was. Dat is Dylan’s manier van gefocust bezig zijn, want voor hem vormt de tekst het hart van de song. Hij bleef tijdens de opnames constant schrijven en schrappen, weer teruggrijpen op geschrapte strofes en die uiteindelijk toch weer aanpassen. Zijn schrijfproces is oneindig, en hij is ook niet snel tevreden. Één van de voornaamste twistpunten tijdens de selectie van de songs voor de elpee, was ‘Series of Dreams’. Dylan weigerde hardnekkig om de song op de plaat te zetten, de anderen vonden ‘m fantastisch, en vroegen waarom hij deze in godsnaam wilde weerhouden. Het antwoord was simpel: de tekst was niet klaar, gaf hem geen goed gevoel. En toen de song alsnog op ‘The Bootleg Series Vol. 1-3’ verscheen, was er inderdaad een strofe weggeknipt.
Maar dat wil niet zeggen dat we moeten klagen. Sterker nog: we mogen zelfs niet klagen. Na enkele platen die meer in de tijdsgeest van de jaren ’80 pasten, greep Dylan met de steun van Lanois terug naar zijn roots (een zompig, bluesy, onversneden geluid), met nieuwe elementen, die ook op latere platen zouden terugkeren. Zo klinkt het mondharmonicaspel van Dylan naargeestiger dan anders, is zijn stemgeluid wat lager en karakteristieker en het verslijten van zijn stembanden is hier soms al vrij goed te horen.
Waarom er absoluut 10 songs op moesten staan, en niet meer of niet minder, is me een raadsel. ‘Series of Dreams’ en ‘Dignity’ hadden zeker en vast een plaatsje verdiend. ‘God Knows’ werd opgespaard voor de volgende plaat, ‘Under the Red Sky’. Maar van de 10 songs die het wel gehaald hebben, is er geen enkele zwak of zelfs maar matig. ‘Oh Mercy’ is een coherent geheel, waarin de deskundige hand van Daniel Lanois duidelijk zichtbaar is, en de meester helemaal terug is, zowel tekstueel als mentaal. Een straffe plaat, noemen ze dat.
4,5 sterren
Die stimulus kwam in de gedaante van een kleine tragedie. Om sterker te worden, moet een mens eerst echt afzien, zegt men wel ‘ns. In december 1987 raakte Dylan ernstig gewond toen hij wat aan het rommelen was in de tuin. Zijn hand was opengereten tot op het bot, en specialisten vreesden er zelfs voor dat hij nooit meer gitaar zou kunnen spelen. Dit onheilspellende nieuws zette Dylan aan het denken, hij ging zelfs even een compleet ander leven overwegen. Maar net deze nare gebeurtenis zorgde ervoor dat Dylan weer begeesterd raakte en ging doen wat hij het best kon; liedjes schrijven.
Hij zette zich enige tijd na het ongeluk aan de schrijftafel, en schudde meteen een hele hoop strofes uit zijn mouw; het venijnige ‘Political World’, dat later de plaat ook zou mogen aftrappen, was geboren, uit de jarenlange frustratie van Dylan met zichzelf. De tekst is opmerkelijk scherp, en haalt uit naar de heersende politieke sfeer die alles kapot analyseerde, en de agressieve, te zelf-defensieve houding van veel mensen. Al die kille, pragmatische mensen hebben nood aan een wake up call, moet Dylan gedacht hebben. Of misschien wel helemaal niet, want tja, het blijft natuurlijk Dylan.
Maar goed, de goesting en de drive waren weer terug, en Dylan zag het weer helemaal zitten. Zijn hervonden inspiratie zorgde voor genoeg zelfvertrouwen om zijn platendeal te verlengen, waardoor ‘Down in the Groove’, dat lang op de helling stond, alsnog werd uitgebracht, en Dylan nog een aantal platen zou kunnen maken.
Uit zijn vorige, zwakke albums had Dylan enkele lessen getrokken, en deze is misschien wel de belangrijkste: dat je iemand nodig hebt om enigszins voor sturing en edge te zorgen, iemand die de touwtjes in handen durft te nemen als dit noodzakelijk blijkt te zijn. Dylan ging dus weer op zoek naar een echte producer. Hij deed hier en daar navraag, zonder al te veel succes, tot hij Bono van U2 ontmoette. Onder het genot van menig glas Guinness vertelde Bono dat hij bijzonder te spreken was over Daniel Lanois, een Franstalige Canadees, die zelf multi-instrumentalist was en ‘The Joshua Tree’ had geproduceerd, een enorm succes voor de Ierse band. Dylan ging uiteindelijk in zee met Lanois.
In Lanois vond Dylan voor het eerst sinds lang een sterke figuur, die voldoende tegengewicht kon bieden aan Dylan’s nukken. Want die streken was de oude vos nog steeds niet verleerd; hij negeerde zijn nochtans uitstekende sessiemuzikanten, werkte geluidstechnici Malcolm Burn en Mark Howard regelmatig op de heupen en kreeg Lanois zover dat die uit pure razernij z’n dobro aan diggelen sloeg. En jawel, dit alles heeft bijgedragen tot de kracht en sfeer van de plaat.
‘Oh Mercy’ klinkt immers warm en koud tegelijk. Tegenover de vinnigheid van ‘Political World’ staat het uiterst charmante ‘Most of the Time’; het sinistere ‘Man in the Long Black Coat’ (dat zowel qua tekst als muziek gebaseerd is op New Orleans, alwaar de plaat is opgenomen) geeft me het sterke vermoeden dat Joe Henry hier heel goed naar geluisterd heeft, terwijl ‘Shooting Star’ een intieme, sobere afsluiter, die Dylan aanvankelijk als duet had willen zingen met Irma Thomas. Het zijn dit soort kleine tegenstellingen die de plaat erg boeiend maken.
Veel loftuitingen kunnen rechtstreeks aan het adres van Lanois geleverd worden. Hij bracht, samen met zijn rechterhand Malcolm Burn, voldoende leven in de brouwerij (de dobro speelt een tamelijk belangrijke rol op de plaat) en zorgde voor eenheid en eensgezindheid, al kon dat de gebruikelijke toeren van de koppige Dylan niet tegenhouden. Hij bracht The Neville Brothers aan als begeleidende band, bestaande uit drie rasmuzikanten: Brian Stoltz op gitaar, Tony Hall op bas en Willie Green op drums. Rockabilly-gitarist Mason Ruffner speelt mee op ‘Political World’, ‘Disease of Conceit’ en ‘What Was It You Wanted?’. En ook de input van de blinde saxofonist John Hart (die een fantastisch slot breit aan ‘Where Teardrops Fall’) is een groot succes.
Een grappige quote, die goed de situatie weergaf, is de volgende van technicus Mark Howard (bron: Bob Dylan in de studio van Patrick Roefflaer):
“De tweede of derde nacht kwam de drummer, Willie Green, naar me toe. Ik zat aan het mengpaneel en Bob zat naast me. Willie zei: “Man, ik ben hier nu al een paar dagen. Wanneer komt die verdomde Bob Dylan nu eigenlijk?” Even later – het is echt zo gebeurd – komt de bassist, Tony, binnen en zegt: “Man, die Bob Dylan, dat is me een rare.” Bob keek even op, trok een wenkbrauw op en werkte voort aan zijn teksten.”
Typisch Dylan dus, maar aan dat soort dingen kan je ook merken dat hij gedreven was. Dat is Dylan’s manier van gefocust bezig zijn, want voor hem vormt de tekst het hart van de song. Hij bleef tijdens de opnames constant schrijven en schrappen, weer teruggrijpen op geschrapte strofes en die uiteindelijk toch weer aanpassen. Zijn schrijfproces is oneindig, en hij is ook niet snel tevreden. Één van de voornaamste twistpunten tijdens de selectie van de songs voor de elpee, was ‘Series of Dreams’. Dylan weigerde hardnekkig om de song op de plaat te zetten, de anderen vonden ‘m fantastisch, en vroegen waarom hij deze in godsnaam wilde weerhouden. Het antwoord was simpel: de tekst was niet klaar, gaf hem geen goed gevoel. En toen de song alsnog op ‘The Bootleg Series Vol. 1-3’ verscheen, was er inderdaad een strofe weggeknipt.
Maar dat wil niet zeggen dat we moeten klagen. Sterker nog: we mogen zelfs niet klagen. Na enkele platen die meer in de tijdsgeest van de jaren ’80 pasten, greep Dylan met de steun van Lanois terug naar zijn roots (een zompig, bluesy, onversneden geluid), met nieuwe elementen, die ook op latere platen zouden terugkeren. Zo klinkt het mondharmonicaspel van Dylan naargeestiger dan anders, is zijn stemgeluid wat lager en karakteristieker en het verslijten van zijn stembanden is hier soms al vrij goed te horen.
Waarom er absoluut 10 songs op moesten staan, en niet meer of niet minder, is me een raadsel. ‘Series of Dreams’ en ‘Dignity’ hadden zeker en vast een plaatsje verdiend. ‘God Knows’ werd opgespaard voor de volgende plaat, ‘Under the Red Sky’. Maar van de 10 songs die het wel gehaald hebben, is er geen enkele zwak of zelfs maar matig. ‘Oh Mercy’ is een coherent geheel, waarin de deskundige hand van Daniel Lanois duidelijk zichtbaar is, en de meester helemaal terug is, zowel tekstueel als mentaal. Een straffe plaat, noemen ze dat.
4,5 sterren
Bob Dylan - Planet Waves (1974)

3,5
1
geplaatst: 13 augustus 2012, 19:07 uur
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ‘Planet Waves’ is een erg belangrijke plaat geweest in de carrière van Bob Dylan. Het was zijn overstap van CBS naar Asylum, hij begon weer te touren na een zevental jaar, hij liet zijn rol als familieman vallen om weer rockster te worden. Deze plaat maakte hij ook samen met zijn “oude vrienden” van The Band. De terugkeer van Dylan was ingeluid, maar dat betekende ook het begin van het einde van zijn huwelijk met Sara. Daarover meer in mijn bespreking van ‘Blood on the Tracks’.
De hoes van Dylan is besmeurd, zullen sommigen zeggen, met een schilderij van de meester zelve. Ik vind het zeker geen foute keuze, maar het was oorspronkelijk de bedoeling een ander schilderij te gebruiken, kleurrijker dan dit. Ook van de titel ‘Planet Waves’ was aanvankelijk geen sprake; ‘Ceremonies of the Horsemen’ moest de plaat heten, tot Dylan daarop terugkwam. Hij beweerde dat Saturnus een hele tijd zijn weg had geblokkeerd, en dat de doorgang nu eindelijk weer onbelemmerd was. Of we daar nu belang moeten aan hechten, dat weet ik niet, ik gok dat het veeleer één van die vele raadselachtige uitspraken is van het Grote Enigma.
‘Planet Waves’ werd opgenomen in de winter van 1973, niet in New York of Tennessee, maar in Los Angeles, California. Qua gevoel en gemoed ligt de plaat een beetje in het verlengde van zijn uitstekende voorganger, ‘New Morning’, al haalt deze naar mijn mening dat niveau dan weer net niet. Dat neemt echter niet weg dat hier enkele juweeltjes op staan. Daar begin ik dan ook mijn bespreking van het muzikale aspect van de plaat mee.
M’n persoonlijke favoriet is ook meteen het buitenbeentje op de plaat, de vreemde eend in de bijt; ‘Dirge’. In tegenstelling tot de meeste nummers op de plaat, die over het algemeen vrij knus en positief klinken, is dit een ware klaagzang; een gevecht met de liefde en zijn demonen. De werktitel van het nummer luidde ‘Dirge for Martha’, al is niet geweten wie die Martha dan wel is. De term dirge gebruikt men voor een somber, ietwat neerslachtig lied, in dit geval gedomineerd door het karakteristieke pianospel van Dylan. Er werd veel kritiek gegeven op de simpele teksten van Dylan, die in niets meer geleken op wat hij zeven, acht, negen jaar geleden schreef, maar ik moet toch wel zeggen dat de tekst van ‘Dirge’ me aangrijpt. Hij beschrijft zijn lijden en verterende zelftwijfel op een poëtische manier, maar bij momenten ook schokkend direct: “I hate myself for lovin’ you, and the weakness that it showed; you were just a painted face on a trip down Suicide Road”. Daar word je toch even stil van, ik althans. Aan het eind sluit hij dan toch nog af met een noot die licht aan het eind van een oneindige gewaande tunnel toont: “I hate myself for lovin’ you, but I should get over that”.
Een andere sterkhouder is, uiteraard, ‘Forever Young’. En dan heb ik het over de afsluiter van kant A van de LP, niet de opener van kant B. Het heeft er nog even om gespannen of deze tragere, slepender versie de LP wel zou halen, want Dylan wilde ‘m er niet meer op nadat een vriendinnetje van een oude kameraad hem had uitgelachen met de woorden “Komaan Bob, soft aan het worden op je oude dag?” Het zet de onzekerheid van Dylan extra in de verf, maar technicus Fraboni, die een belangrijke rol speelde tijdens de opnamen, wist hem toch te overtuigen. Uiteindelijk kwamen beide versies op de plaat, maar de meest bekende is toch ook wel de beste. Het doet me ook deugd dat Dylan weer meer mondharmonica speelt, en ook de mandoline is een opsteker in het nummer. Dylan schreef het naar verluidt voor zijn zoon Jakob, die inmiddels ook een singer-songwriter is, net als z’n vader.
‘Something There Is About You’ vind ik ook een geweldig nummer. Ook een wat tragere song, waarvan je in eerste instantie misschien denkt dat het over zijn vrouw en muze Sara gaat, maar wanneer ik dan de zin “Rainy days on the Great Lakes, walkin’ the hills of old Duluth’ hoor, begin ik daar ferm aan te twijfelen. Als je weet dat Duluth het dorp is waar Dylan werd grootgebracht, kan het evengoed een mooie mijmering zijn, de herinneringen aan een oude jeugdliefde. Dylan klinkt optimistisch en vrolijk, iets wat een jaar laten zou omslaan in tristesse en bijtende neerslachtigheid.
Dat zijn volgens mij de drie beste nummers van ‘Planet Waves’. Voor het overige zou ik niet durven beweren dat er stinkers opstaan, maar dat niveau wordt door geen enkel ander nummer gehaald. De warme aanpak (met accordeon) van opener ‘On a Night Like This’, de naïeve verliefdheid in afsluiter ‘Wedding Song’, het vanonder het stof halen van Baby Blue in ‘Never Say Goodbye’, allemaal aardig, maar meer eigenlijk ook niet. ‘Planet Waves’ is dan wel een belangrijke plaat voor Dylan geweest, maar verre van zijn beste. Wat niet wegneemt dat het alsnog een goeie plaat is, met enkele songs waarvan de meeste artiesten alleen maar kunnen dromen dat ze ooit zoiets zouden kunnen schrijven. Uiteraard heeft Dylan ook veel gehad aan de deskundigheid en het talent van Robbie Robertson, Levon Helm, Rick Danko, Richard Manuel en Garth Hudson (The Band, dus), en die combinatie bleek toch wel erg goed uit te vallen. Maar dat wisten we al van ‘The Basement Tapes’, natuurlijk.
‘Planet Waves’ is geen mijlpaal, maar je kan ‘m ook niet zomaar negeren. Zonder ‘Planet Waves’ misschien geen ‘Blood on the Tracks’, geen ‘Desire’. Al zijn dat louter speculaties van mijnentwege, die ver naast de waarheid kunnen liggen. Afsluiten doe ik met een citaat uit ‘Going, Going, Gone’, dat Dylan niet heeft opgevolgd (met name de laatste regel), met de bekende gevolgen:
“Grandma said: “Boy, go and follow your heart;
And you’ll be fine at the end of the line;
All that’s gold isn’t meant to shine;
Don’t you and your one true love ever part”.”
Bob Dylan en Sara Lownds scheidden uiteindelijk van elkaar in juni 1977, maar de neergang was al lang ingezet.
3,5 sterren
De hoes van Dylan is besmeurd, zullen sommigen zeggen, met een schilderij van de meester zelve. Ik vind het zeker geen foute keuze, maar het was oorspronkelijk de bedoeling een ander schilderij te gebruiken, kleurrijker dan dit. Ook van de titel ‘Planet Waves’ was aanvankelijk geen sprake; ‘Ceremonies of the Horsemen’ moest de plaat heten, tot Dylan daarop terugkwam. Hij beweerde dat Saturnus een hele tijd zijn weg had geblokkeerd, en dat de doorgang nu eindelijk weer onbelemmerd was. Of we daar nu belang moeten aan hechten, dat weet ik niet, ik gok dat het veeleer één van die vele raadselachtige uitspraken is van het Grote Enigma.
‘Planet Waves’ werd opgenomen in de winter van 1973, niet in New York of Tennessee, maar in Los Angeles, California. Qua gevoel en gemoed ligt de plaat een beetje in het verlengde van zijn uitstekende voorganger, ‘New Morning’, al haalt deze naar mijn mening dat niveau dan weer net niet. Dat neemt echter niet weg dat hier enkele juweeltjes op staan. Daar begin ik dan ook mijn bespreking van het muzikale aspect van de plaat mee.
M’n persoonlijke favoriet is ook meteen het buitenbeentje op de plaat, de vreemde eend in de bijt; ‘Dirge’. In tegenstelling tot de meeste nummers op de plaat, die over het algemeen vrij knus en positief klinken, is dit een ware klaagzang; een gevecht met de liefde en zijn demonen. De werktitel van het nummer luidde ‘Dirge for Martha’, al is niet geweten wie die Martha dan wel is. De term dirge gebruikt men voor een somber, ietwat neerslachtig lied, in dit geval gedomineerd door het karakteristieke pianospel van Dylan. Er werd veel kritiek gegeven op de simpele teksten van Dylan, die in niets meer geleken op wat hij zeven, acht, negen jaar geleden schreef, maar ik moet toch wel zeggen dat de tekst van ‘Dirge’ me aangrijpt. Hij beschrijft zijn lijden en verterende zelftwijfel op een poëtische manier, maar bij momenten ook schokkend direct: “I hate myself for lovin’ you, and the weakness that it showed; you were just a painted face on a trip down Suicide Road”. Daar word je toch even stil van, ik althans. Aan het eind sluit hij dan toch nog af met een noot die licht aan het eind van een oneindige gewaande tunnel toont: “I hate myself for lovin’ you, but I should get over that”.
Een andere sterkhouder is, uiteraard, ‘Forever Young’. En dan heb ik het over de afsluiter van kant A van de LP, niet de opener van kant B. Het heeft er nog even om gespannen of deze tragere, slepender versie de LP wel zou halen, want Dylan wilde ‘m er niet meer op nadat een vriendinnetje van een oude kameraad hem had uitgelachen met de woorden “Komaan Bob, soft aan het worden op je oude dag?” Het zet de onzekerheid van Dylan extra in de verf, maar technicus Fraboni, die een belangrijke rol speelde tijdens de opnamen, wist hem toch te overtuigen. Uiteindelijk kwamen beide versies op de plaat, maar de meest bekende is toch ook wel de beste. Het doet me ook deugd dat Dylan weer meer mondharmonica speelt, en ook de mandoline is een opsteker in het nummer. Dylan schreef het naar verluidt voor zijn zoon Jakob, die inmiddels ook een singer-songwriter is, net als z’n vader.
‘Something There Is About You’ vind ik ook een geweldig nummer. Ook een wat tragere song, waarvan je in eerste instantie misschien denkt dat het over zijn vrouw en muze Sara gaat, maar wanneer ik dan de zin “Rainy days on the Great Lakes, walkin’ the hills of old Duluth’ hoor, begin ik daar ferm aan te twijfelen. Als je weet dat Duluth het dorp is waar Dylan werd grootgebracht, kan het evengoed een mooie mijmering zijn, de herinneringen aan een oude jeugdliefde. Dylan klinkt optimistisch en vrolijk, iets wat een jaar laten zou omslaan in tristesse en bijtende neerslachtigheid.
Dat zijn volgens mij de drie beste nummers van ‘Planet Waves’. Voor het overige zou ik niet durven beweren dat er stinkers opstaan, maar dat niveau wordt door geen enkel ander nummer gehaald. De warme aanpak (met accordeon) van opener ‘On a Night Like This’, de naïeve verliefdheid in afsluiter ‘Wedding Song’, het vanonder het stof halen van Baby Blue in ‘Never Say Goodbye’, allemaal aardig, maar meer eigenlijk ook niet. ‘Planet Waves’ is dan wel een belangrijke plaat voor Dylan geweest, maar verre van zijn beste. Wat niet wegneemt dat het alsnog een goeie plaat is, met enkele songs waarvan de meeste artiesten alleen maar kunnen dromen dat ze ooit zoiets zouden kunnen schrijven. Uiteraard heeft Dylan ook veel gehad aan de deskundigheid en het talent van Robbie Robertson, Levon Helm, Rick Danko, Richard Manuel en Garth Hudson (The Band, dus), en die combinatie bleek toch wel erg goed uit te vallen. Maar dat wisten we al van ‘The Basement Tapes’, natuurlijk.
‘Planet Waves’ is geen mijlpaal, maar je kan ‘m ook niet zomaar negeren. Zonder ‘Planet Waves’ misschien geen ‘Blood on the Tracks’, geen ‘Desire’. Al zijn dat louter speculaties van mijnentwege, die ver naast de waarheid kunnen liggen. Afsluiten doe ik met een citaat uit ‘Going, Going, Gone’, dat Dylan niet heeft opgevolgd (met name de laatste regel), met de bekende gevolgen:
“Grandma said: “Boy, go and follow your heart;
And you’ll be fine at the end of the line;
All that’s gold isn’t meant to shine;
Don’t you and your one true love ever part”.”
Bob Dylan en Sara Lownds scheidden uiteindelijk van elkaar in juni 1977, maar de neergang was al lang ingezet.
3,5 sterren
Bob Dylan - Saved (1980)

2,5
0
geplaatst: 19 maart 2013, 20:03 uur
Na zijn bekering tot het christendom ten tijde van ‘Slow Train Coming’, ging Dylan touren. Hij stelde hiervoor een nieuwe band samen, bestaande uit onder andere klasbakken Jim Keltner op drums en Tim Drummond op bas. Mark Knopfler moest zijn plaats afstaan aan de half toevallig binnengewaaide Fred Tackett (die later bij Little Feat zou spelen). De relitour, wordt deze tour genoemd, en het was een hele verrassing voor de vele Dylanfans, die een rockconcert met greatest hits verwachtten.
Keltner zei dat hij het jammer vond dat de nummers niet in live-uitvoering werden uitgebracht; nu missen ze, volgens hem, bezieling. Daar moet ik jammer genoeg helemaal in meegaan. ‘Saved’ (de plaat) klinkt als geheel een beetje flets, en de teksten hebben minder impact op die manier. Oké, het is een hele plaat lang religieus geneuzel, zou je kunnen zeggen, en dat is tot een bepaald punt ook waar, maar je bent toch altijd benieuwd hoe Dylan, de meester-verteller, een nieuwe invalshoek zal aanpakken. ‘Saved’ blijft een beetje hangen in zijn eigen potentieel.
Daarmee is de essentie van de plaat voor mij al meteen uit de doeken gedaan. Hoewel er enkele erg goeie nummers op staan, ontstijgt de plaat het “slechts de som der delen”-label nooit. Enkel in de titelsong hoor ik een soort bezieling; dit is dan ook een weergaloze, swingende gospelsong van de bovenste plank.
Tekstueel spreekt de plaat me niet echt aan, en dat is toch wel bepalend, want de teksten zijn – zeker bij Dylan – altijd zeer belangrijk geweest. Het is me teveel van hetzelfde. De inkleding is ook, zoals eerder aangegeven, niet interessant genoeg om me er echt in te gaan verdiepen; tijdens de legio luisterbeurten de laatste tijd, is mijn aandacht niet getrokken, mijn nieuwsgierigheid niet ten volle gewekt.
De hoes doet me onvermijdelijk denken aan de beroemde fresco “The Creation of Adam”, onderdeel van het meesterwerk dat Michelangelo van de Sixtijnse Kapel maakte. Met dit verschil dat het bij deze plaat één hand is die vele handen beroert. Samen met de suggestieve albumtitel verwijst dit naar verlossing in het Oordeel Gods. Hoewel ik totaal niet gelovig ben, vind ik dit toch een machtig beeld.
De plaat opent met de cover ‘A Satisfied Mind’, die in de jaren ’50 een bescheiden countryhit was voor Porter Waggoner. Een mooi begin, dat zelfs veelbelovend wordt als men ‘Saved’ eraan toevoegt. ‘Covenant Woman’ is ook niet mis, maar duurt met zijn zes minuten te lang, en lengte is bij mij wat Dylan betreft niet vaak een struikelblok. Dat dit hier wel het geval is, is een veeg teken. Het orgeltje kan ook geen extra spankracht met zich meebrengen.
Op ‘What Can I Do for You?’ komt de geliefde mondharmonica nog ‘ns op het voorplan, en dit is eigenlijk het enige moment op de hele plaat dat ik geraakt word. De meester kan het nog altijd. ‘What Can I Do for You?’ is een fraai, rustig nummer; zo eentje dat elke plaat in dit genre wel kan gebruiken. De aardige backing vocals maken het plaatje er enkel knapper op.
‘Solid Rock’ maakt de luisteraar die van zo’n mooi klein liedje toch insluimerde, zonder pardon weer wakker. Het is waarschijnlijk de meest rockende song op de plaat, en Dylan wilde er ook een live-LP rond bouwen. Jammer genoeg zag de platenmaatschappij dat niet zitten, zo snel na onder andere ‘Hard Rain’. Dylan kondigde dit nummer live altijd aan als ‘Hanging on to a Solid Rock, Made Before the Foundation of the World’; dit werd dus ingekort. Toch had ik het nummer liever onder die titel op een liveplaat zien staan dan op deze studioplaat. Het nummer klinkt iets te volgepropt, naar mijn mening.
In ‘Pressing On’ keert Dylan dan weer terug naar ingetogen gospel, met bijbehorend koortje. Orgel en piano vormen een vredig duo op de achtergrond, Keltner schittert niet op drums, hoewel hij een echte vakman is. Het klinkt, net als op de hele plaat trouwens, overgeproduceerd. Iedereen legt de schuld bij een ander. Ook weer een nummer dat ik graag in live-versie zou horen. Ik ga van die relitour binnenkort toch maar ‘ns één en ander opzoeken (nu zal Stalin wel weer komen aanzetten met allerlei tips, ik zou zeggen; gooi ze maar binnen!
). Het nummer bloeit uiteindelijk nog wel open, maar overtuigt in dat onderdeel niet; dan had ik het eerder klein gehouden.
Tijdens de laatste drie nummers zakt het niveau helemaal. Geen suspense te vinden, en het thema is behoorlijk afgezaagd. Het zal ook wel voor een deel het gevolg zijn van mijn adoratie voor Dylan’s andere kwaliteiten als songschrijver, dat dit album me minder bevalt. Maar slecht zou ik het zeker niet noemen. ‘Saved’ staat nog altijd een flink treetje hoger dan ‘Self Portrait’ of ‘Dylan’.
2,5 sterren
Keltner zei dat hij het jammer vond dat de nummers niet in live-uitvoering werden uitgebracht; nu missen ze, volgens hem, bezieling. Daar moet ik jammer genoeg helemaal in meegaan. ‘Saved’ (de plaat) klinkt als geheel een beetje flets, en de teksten hebben minder impact op die manier. Oké, het is een hele plaat lang religieus geneuzel, zou je kunnen zeggen, en dat is tot een bepaald punt ook waar, maar je bent toch altijd benieuwd hoe Dylan, de meester-verteller, een nieuwe invalshoek zal aanpakken. ‘Saved’ blijft een beetje hangen in zijn eigen potentieel.
Daarmee is de essentie van de plaat voor mij al meteen uit de doeken gedaan. Hoewel er enkele erg goeie nummers op staan, ontstijgt de plaat het “slechts de som der delen”-label nooit. Enkel in de titelsong hoor ik een soort bezieling; dit is dan ook een weergaloze, swingende gospelsong van de bovenste plank.
Tekstueel spreekt de plaat me niet echt aan, en dat is toch wel bepalend, want de teksten zijn – zeker bij Dylan – altijd zeer belangrijk geweest. Het is me teveel van hetzelfde. De inkleding is ook, zoals eerder aangegeven, niet interessant genoeg om me er echt in te gaan verdiepen; tijdens de legio luisterbeurten de laatste tijd, is mijn aandacht niet getrokken, mijn nieuwsgierigheid niet ten volle gewekt.
De hoes doet me onvermijdelijk denken aan de beroemde fresco “The Creation of Adam”, onderdeel van het meesterwerk dat Michelangelo van de Sixtijnse Kapel maakte. Met dit verschil dat het bij deze plaat één hand is die vele handen beroert. Samen met de suggestieve albumtitel verwijst dit naar verlossing in het Oordeel Gods. Hoewel ik totaal niet gelovig ben, vind ik dit toch een machtig beeld.
De plaat opent met de cover ‘A Satisfied Mind’, die in de jaren ’50 een bescheiden countryhit was voor Porter Waggoner. Een mooi begin, dat zelfs veelbelovend wordt als men ‘Saved’ eraan toevoegt. ‘Covenant Woman’ is ook niet mis, maar duurt met zijn zes minuten te lang, en lengte is bij mij wat Dylan betreft niet vaak een struikelblok. Dat dit hier wel het geval is, is een veeg teken. Het orgeltje kan ook geen extra spankracht met zich meebrengen.
Op ‘What Can I Do for You?’ komt de geliefde mondharmonica nog ‘ns op het voorplan, en dit is eigenlijk het enige moment op de hele plaat dat ik geraakt word. De meester kan het nog altijd. ‘What Can I Do for You?’ is een fraai, rustig nummer; zo eentje dat elke plaat in dit genre wel kan gebruiken. De aardige backing vocals maken het plaatje er enkel knapper op.
‘Solid Rock’ maakt de luisteraar die van zo’n mooi klein liedje toch insluimerde, zonder pardon weer wakker. Het is waarschijnlijk de meest rockende song op de plaat, en Dylan wilde er ook een live-LP rond bouwen. Jammer genoeg zag de platenmaatschappij dat niet zitten, zo snel na onder andere ‘Hard Rain’. Dylan kondigde dit nummer live altijd aan als ‘Hanging on to a Solid Rock, Made Before the Foundation of the World’; dit werd dus ingekort. Toch had ik het nummer liever onder die titel op een liveplaat zien staan dan op deze studioplaat. Het nummer klinkt iets te volgepropt, naar mijn mening.
In ‘Pressing On’ keert Dylan dan weer terug naar ingetogen gospel, met bijbehorend koortje. Orgel en piano vormen een vredig duo op de achtergrond, Keltner schittert niet op drums, hoewel hij een echte vakman is. Het klinkt, net als op de hele plaat trouwens, overgeproduceerd. Iedereen legt de schuld bij een ander. Ook weer een nummer dat ik graag in live-versie zou horen. Ik ga van die relitour binnenkort toch maar ‘ns één en ander opzoeken (nu zal Stalin wel weer komen aanzetten met allerlei tips, ik zou zeggen; gooi ze maar binnen!
). Het nummer bloeit uiteindelijk nog wel open, maar overtuigt in dat onderdeel niet; dan had ik het eerder klein gehouden.Tijdens de laatste drie nummers zakt het niveau helemaal. Geen suspense te vinden, en het thema is behoorlijk afgezaagd. Het zal ook wel voor een deel het gevolg zijn van mijn adoratie voor Dylan’s andere kwaliteiten als songschrijver, dat dit album me minder bevalt. Maar slecht zou ik het zeker niet noemen. ‘Saved’ staat nog altijd een flink treetje hoger dan ‘Self Portrait’ of ‘Dylan’.
2,5 sterren
Bob Dylan - Self Portrait (1970)

2,0
1
geplaatst: 18 mei 2012, 19:10 uur
“Ik wilde iets maken waar de mensen niets mee aan konden, zodat ze naar iemand anders zouden lopen.”
Dat beweerde Bob Dylan halfweg de jaren ’80. Of dat ook echt zo is, valt evenwel te betwijfelen, omdat hijzelf voor een deel achter de plaat blijft staan. Rond de tijd van de release van ‘Self Portrait’ verschenen de eerste bootlegs van Dylan, dit is Dylan’s eigen bootleg. 24 nummers staan erop verzameld, waarvan de meeste covers zijn. Een deel van de nummers werd aanvankelijk opgenomen voor de release van een tweede countryplaat na ‘Nashville Skyline’, maar dan eentje met covers; een handvol nummers zijn live-uitvoeringen van het Isle of Wightfestival in 1969, op het Britse eiland Wight, de overige nummers heeft hij in 1970 opgenomen in New York.
Omdat deze plaat “anders” is dan zijn andere platen tot nu toe, vraagt dat van mij ook een geheel andere benadering. Daarom geen bespreking nummer per nummer; ik wil dit eerder beschouwen als een bonte verzameling, met pieken en dalen. Vooral dalen, jammer genoeg. De hoescover vind ik zelf wel geslaagd; een zelfportret, heel karikaturaal aandoend, onafgewerkt lijkt het wel. Een goede weerspiegeling van dit album. Dylan zelf nam de essentie van de nummers op, stak niet al te veel moeite in zijn zang (het zalvende toontje van ‘Nashville Skyline’ horen we geregeld terug) en dan moesten sessiemuzikanten achteraf hun instrumenten inspelen. Wel weer mooie namen, hoor, met vaste waarden Kenny Buttrey en Charlie McCoy. Producer was Bob Johnston, sinds ‘Highway 61 Revisited’ elke keer achter de knoppen voor een Dylanplaat.
Dylan leed na ‘Nashville Skyline’ aan een writer’s block, die hij zelf omschreef als “geheugenverlies”. Volgens mij een combinatie van factoren. Ten eerste, de stress en onrust. In New York was het toen heel erg druk, met al die hippies, en Dylan hield daar niet zo van. Hij was nu een familieman, met een vrouw en kinderen, en was daar best tevreden mee.
Ten tweede, de verwachtingen. Dylan is nooit een artiest geweest die braafjes aan de verwachtingen van de fans wil voldoen; eerder nog zou hij zijn eigen grenzen en die van een ander gaan aftasten. Daarom ook die quote helemaal bovenaan mijn lapje tekst.
Ten derde, het succes. Dylan had steeds meer commercieel succes, zeker na ‘Nashville Skyline’, dat erg goed verkocht. Opmerkelijk is dat hij “groter” was in Engeland dan in de Verenigde Staten. Dat was ook één van de drijfveren om in te gaan op het aanbod om te komen spelen op het eiland Wight. Dat concert was trouwens behoorlijk teleurstellend; er werden opnames van gemaakt met het oog op een live-elpee, maar die kwam er niet. Dat zegt genoeg. Van dit optreden zijn uiteindelijk ‘Like a Rolling Stone’, ‘The Mighty Quinn (Quinn the Eskimo)’, ‘Minstrel Boy’ en ‘She Belongs to Me’ op ‘Self Portrait’ beland.
En dat succes zette zich trouwens voort met deze plaat. ‘Self Portrait’ haalde erg goeie verkoopcijfers, terwijl het nochtans met de grond gelijk werd gemaakt door de critici. Greil Marcus van Rolling Stone vroeg zich destijds zelfs af “wat voor gelul dit nu weer was”. Dat vind ik persoonlijk dan weer overdreven; ‘Self Portrait’ bevat zeker enkele mooie nummers. Ik denk dan aan ‘Alberta’ (dat hier in twee verschillende versies op staat), ‘Days of ‘49’ (dat me in het begin wel erg doet denken aan een nummer op ‘John Wesley Harding’) en ‘Belle Isle’. Draken zijn dan weer ‘The Boxer’, een verkrachting van de Simon & Garfunkel-original, de live-versie van ‘Like a Rolling Stone’ (ook erg zwak) en ‘Blue Moon’, een nummer dat door Elvis Presley met veel meer kracht en inleving werd gebracht.
‘Wigwam’ is de grootste hit die Dylan ooit heeft gescoord in de Lage Landen, denk ik; enfin, in Nederland toch zeker, en dat is best eigenaardig. Het mag dan wel een catchy, simpel deuntje zijn, dat je makkelijk mee kan neuriën of fluiten, in feite stelt het nummer niet veel voor. Het is wel luchtig, en daardoor makkelijk te verteren, en ik heb er ook absoluut geen problemen mee, maar een hoogvlieger in Dylan’s carrière is het zeker niet. Maar dit fenomeen komt wel meer voor, dat niet het beste scoort.
‘Self Portrait’ is een plaat waar ik wel ‘ns kan van genieten, maar die niet al te veel voorstelt. Daarvoor zit er teveel kaf tussen het koren. Wat wel een goed idee is: maak van de dubbelplaat (Dylan’s tweede dubbelplaat trouwens, na ‘Blonde on Blonde’, wel een kraker) een plaatje van een minuut of 35, dat valt al heel wat beter mee. Er staat genoeg mooi (of op z’n minst degelijk) materiaal op om zo’n samenstelling te maken. Daar kan ik echter geen extra punten voor geven, want dit is en blijft een dubbelplaat, zo heeft Dylan het gewild.
2 sterren
Dat beweerde Bob Dylan halfweg de jaren ’80. Of dat ook echt zo is, valt evenwel te betwijfelen, omdat hijzelf voor een deel achter de plaat blijft staan. Rond de tijd van de release van ‘Self Portrait’ verschenen de eerste bootlegs van Dylan, dit is Dylan’s eigen bootleg. 24 nummers staan erop verzameld, waarvan de meeste covers zijn. Een deel van de nummers werd aanvankelijk opgenomen voor de release van een tweede countryplaat na ‘Nashville Skyline’, maar dan eentje met covers; een handvol nummers zijn live-uitvoeringen van het Isle of Wightfestival in 1969, op het Britse eiland Wight, de overige nummers heeft hij in 1970 opgenomen in New York.
Omdat deze plaat “anders” is dan zijn andere platen tot nu toe, vraagt dat van mij ook een geheel andere benadering. Daarom geen bespreking nummer per nummer; ik wil dit eerder beschouwen als een bonte verzameling, met pieken en dalen. Vooral dalen, jammer genoeg. De hoescover vind ik zelf wel geslaagd; een zelfportret, heel karikaturaal aandoend, onafgewerkt lijkt het wel. Een goede weerspiegeling van dit album. Dylan zelf nam de essentie van de nummers op, stak niet al te veel moeite in zijn zang (het zalvende toontje van ‘Nashville Skyline’ horen we geregeld terug) en dan moesten sessiemuzikanten achteraf hun instrumenten inspelen. Wel weer mooie namen, hoor, met vaste waarden Kenny Buttrey en Charlie McCoy. Producer was Bob Johnston, sinds ‘Highway 61 Revisited’ elke keer achter de knoppen voor een Dylanplaat.
Dylan leed na ‘Nashville Skyline’ aan een writer’s block, die hij zelf omschreef als “geheugenverlies”. Volgens mij een combinatie van factoren. Ten eerste, de stress en onrust. In New York was het toen heel erg druk, met al die hippies, en Dylan hield daar niet zo van. Hij was nu een familieman, met een vrouw en kinderen, en was daar best tevreden mee.
Ten tweede, de verwachtingen. Dylan is nooit een artiest geweest die braafjes aan de verwachtingen van de fans wil voldoen; eerder nog zou hij zijn eigen grenzen en die van een ander gaan aftasten. Daarom ook die quote helemaal bovenaan mijn lapje tekst.
Ten derde, het succes. Dylan had steeds meer commercieel succes, zeker na ‘Nashville Skyline’, dat erg goed verkocht. Opmerkelijk is dat hij “groter” was in Engeland dan in de Verenigde Staten. Dat was ook één van de drijfveren om in te gaan op het aanbod om te komen spelen op het eiland Wight. Dat concert was trouwens behoorlijk teleurstellend; er werden opnames van gemaakt met het oog op een live-elpee, maar die kwam er niet. Dat zegt genoeg. Van dit optreden zijn uiteindelijk ‘Like a Rolling Stone’, ‘The Mighty Quinn (Quinn the Eskimo)’, ‘Minstrel Boy’ en ‘She Belongs to Me’ op ‘Self Portrait’ beland.
En dat succes zette zich trouwens voort met deze plaat. ‘Self Portrait’ haalde erg goeie verkoopcijfers, terwijl het nochtans met de grond gelijk werd gemaakt door de critici. Greil Marcus van Rolling Stone vroeg zich destijds zelfs af “wat voor gelul dit nu weer was”. Dat vind ik persoonlijk dan weer overdreven; ‘Self Portrait’ bevat zeker enkele mooie nummers. Ik denk dan aan ‘Alberta’ (dat hier in twee verschillende versies op staat), ‘Days of ‘49’ (dat me in het begin wel erg doet denken aan een nummer op ‘John Wesley Harding’) en ‘Belle Isle’. Draken zijn dan weer ‘The Boxer’, een verkrachting van de Simon & Garfunkel-original, de live-versie van ‘Like a Rolling Stone’ (ook erg zwak) en ‘Blue Moon’, een nummer dat door Elvis Presley met veel meer kracht en inleving werd gebracht.
‘Wigwam’ is de grootste hit die Dylan ooit heeft gescoord in de Lage Landen, denk ik; enfin, in Nederland toch zeker, en dat is best eigenaardig. Het mag dan wel een catchy, simpel deuntje zijn, dat je makkelijk mee kan neuriën of fluiten, in feite stelt het nummer niet veel voor. Het is wel luchtig, en daardoor makkelijk te verteren, en ik heb er ook absoluut geen problemen mee, maar een hoogvlieger in Dylan’s carrière is het zeker niet. Maar dit fenomeen komt wel meer voor, dat niet het beste scoort.
‘Self Portrait’ is een plaat waar ik wel ‘ns kan van genieten, maar die niet al te veel voorstelt. Daarvoor zit er teveel kaf tussen het koren. Wat wel een goed idee is: maak van de dubbelplaat (Dylan’s tweede dubbelplaat trouwens, na ‘Blonde on Blonde’, wel een kraker) een plaatje van een minuut of 35, dat valt al heel wat beter mee. Er staat genoeg mooi (of op z’n minst degelijk) materiaal op om zo’n samenstelling te maken. Daar kan ik echter geen extra punten voor geven, want dit is en blijft een dubbelplaat, zo heeft Dylan het gewild.
2 sterren
Bob Dylan - Shot of Love (1981)

3,5
0
geplaatst: 29 april 2013, 20:03 uur
‘Shot of Love’ wordt vaak als het derde deel in de “Christian Trilogy” van Bob Dylan gezien, maar dat is slechts ten dele waar. Op deze plaat staan namelijk opvallend minder religieuze nummers (natuurlijk kan je niet om titels als ‘Property of Jesus’ heen) dan op diens twee voorgangers, en ik vind het tekstueel dan ook een bescheiden vooruitgang. Bescheiden, zeg ik. Eigenlijk is deze plaat een grote verrassing voor mij, ik had er eerlijk gezegd niet al te veel van verwacht. Er bestaat weinig animo omtrent, behalve dan om het feit dat Dylan verschillende prachtnummers niet op de plaat heeft gezet. En de afschuwelijke hoes is niet meteen uitnodigend.
Maar laat u niet ontmoedigen door dit alles, want er gaat onder al deze euvels toch wel een aangename plaat schuil. Het niveau schommelt wel van hoog naar laag, dat is een pijnpunt. Maar overall is het zijn beste sinds ‘Street-Legal’ (als je de chronologie even met mij volgt). Het titelnummer is meteen een leuke binnenkomer, en veel dynamischer dan de saaie, weinig creatieve hoes doet vermoeden. Er zit een zekere diepgang in, en ook snedigheid. Zowel in de muziek, als in Dylan’s manier van zingen, als de tekst. En de religieuze twist brengt Dylan nu ook op een interessante manier; met veel nijdigheid. Het lijkt alsof hij zich langzaam distantieert van zijn bekering.
‘Shot of Love’ is ook een plaat die bekendstaat als de grote producers- en studioronde. Dylan wilde aanvankelijk zijn nieuwe plaat zo snel mogelijk na ‘Saved’ uitbrengen (hij had geen last meer van writer’s block, en had na een paar maanden al vrij veel nieuwe songs op stapel), maar daar zag de platenmaatschappij dan weer geen heil in. Op tournee, dus. Er was echter weinig animo voor Dylan’s optredens, en na die ontnuchterende ervaring trok hij zijn eigen Rundown Studios in, in LA. Hij wilde zich helemaal gaan wijden aan een nieuwe plaat, en kon daarbij rekenen op de hulp van enkele uitstekende sessiemuzikanten (Jim Keltner, William “Smitty” Smith, Fred Tackett). Na een tijdje werd Jimmy Iovine erbij gehaald, een opkomende, veelbelovende producer. Hij zou later platen producen van o.a. U2 en Tom Petty & The Heartbreakers.
Dylan hing natuurlijk weer de dwarsligger uit, en had het ook moeilijk met het veranderende muzieklandschap; instrumenten werden voortaan apart ingespeeld (ook omdat de mogelijkheid om almaar meer sporen te gaan gebruiken, opkwam), en Dylan miste de uitdaging en de spanning van het live en samen musiceren. Dylan had er soms flink de pest in, als je het aan mij vraagt, en zijn streken (te laat komen, opeens beginnen met een nummer zonder enige aanleiding) zorgden voor het vertek van Iovine.
Maar de reden voor Dylan’s gedrag moet je gaan zoeken in het relatieve falen van de voorganger, en vooral de manco’s. Te braaf, te veilig. Ik moet de man daarin gelijk geven, want, ondanks het feit dat het best degelijke nummers waren, kan ik me nu al geen enkel nummer meer voor de geest halen. De in het vooruitzicht gestelde verbetering kwam er ook met deze plaat, want ik hoor weer wat meer nummers met de venijnige, frisse Dylan in een glansrol. Ook de muzikanten voelden dat aan, en spelen daar op bepaalde momenten perfect op in. Het beste voorbeeld (dat de plaat heeft gehaald) is waarschijnlijk ‘The Groom’s Still Waiting at the Altar’. Ik moet daar wel bijzeggen dat het nummer niet op de oorspronkelijke versie te vinden is, maar Dylan stond toe dat men de song er jaren later tussenwrong. Historisch, want dit is de enige song die achteraf nog een plekje heeft gevonden op een officiële uitgave van een Dylanplaat.
Dylan zelf is enorm opgetogen over de plaat, en het titelnummer in het bijzonder. Hij zei ooit dat, als je wil weten wie Dylan precies is, je die song moest gaan luisteren. Ik kan hem erin volgen dat het een heel goed nummer is, maar het geniale heb ik er toch nooit van ingezien. Het is wel één van de hoogtepunten van de plaat.
Het opperste hoogtepunt is ‘The Groom’s Still Waiting at the Altar’, en er hadden veel meer van zulke songs op gekund. Gelukkig zijn parels als ‘Angelina’, ‘Need a Woman’ en ‘Caribbean Wind’ later nog opgepikt, en is bovenstaand nummer dus alsnog op de plaat beland. Het nummer begint meteen fantastisch, met dat pompende ritme en de lichtjes overstuurde gitaar. Dylan komt dik binnen, zijn vocals hebben een gejaagdheid die ik lang heb gemist, en die me doet denken aan de nummers die hij zo’n 15 jaar eerder maakte. Een gewaagde vergelijking, die volgend veel mensen niet recht zou blijven, maar het is, alweer, iets persoonlijks. Maar luister toch ‘ns naar die tekst, mensen, luister en geniet. Het zwierige, vinnige pianospel is ook goud waard.
De tekst is erg direct, vind ik, en het zou me niet verbazen, mochten er MC’s zijn die zich van eenzelfde methode bedienen. De woordkunsten van Dylan doen me soms echt denken aan hip-hop, terwijl het er in feite helemaal niets mee van doen heeft. Maar welke rapper zou niet trots zijn op volgende vers:
“Cities on fire, phones out of order;
They’re killin’ nuns and soldiers, there’s fightin’ on the border;
What can I say about Claudette?
Ain’t seen her since January;
She could be respectably married, or runnin’ a whorehouse in Buenos Aires.”
In één strofe vangt Dylan een zeer compleet beeld van chaos en oorlog, woede en misprijzen. Heel anders is de iconische afsluiter, hoewel een hoeksteen op dit album; ‘Shot of Love’ zonder ‘Every Grain of Sand’ zou veel van zijn waarde verliezen. Erg rustig en standvastig, met enkele bloedmooie mondharmonicapassages van Dylan. Het nummer vond ook een aparte route naar de plaat; het was het einde van een sessie, de helft van de muzikanten was al weg, de andere helft maakte aanstalten te vertrekken, producer Chuck Plotkin (die er uiteindelijk ook in slaagde de productie tot een goed einde te brengen, chapeau voor de man!) dacht er ook mee te stoppen. Tot Dylan, aan de piano, opeens een nummer begon te spelen, en erbij te zingen. Plotkin haastte zich naar Dylan, en hield een microfoon voor zijn mond, om de zang van Dylan zo goed mogelijk op te vangen. Ze hadden een volledige take, en deze kwam uiteindelijk op de plaat terecht. Een andere, vroegere versie, kan men terugvinden op ‘The Bootleg Series, Vols. 1-3’, ook deze uitvoering is uitmuntend.
Enkele minpuntjes zijn er ook nog wel te vinden. Zo is het zeer betreurenswaardig dat de lange harmonicasolo, die als outro voor ‘In the Summertime’ diende, stevig werd ingekort. Ook klinken enkele nummers wat dof, zoals bijvoorbeeld ‘Trouble’, en is het effect en de kracht van de teksten daardoor wat minder. ‘Lenny Bruce’, tot slot, voldoet ook niet. Dylan heeft al veel betere nummers geschreven met bekende personen in de hoofdrol. Al is de zin “He just showed the wise men of his day to be nothing more than fools” wel een krachtig beeld.
Een goeie plaat dus, dit ‘Shot of Love’ zonder meer. Ook al heeft de platenmaatschappij er nooit in geloofd (of was de lauwe promotie een gevolg van het bijna aflopende contract?), en werd de plaat dan ook maar met matig enthousiasme ontvangen (in Europa zoals gewoonlijk iets hartelijker), er staan genoeg goeie nummers op om geen lelijk eendje te zijn in de discografie van Dylan. De kwaliteit is niet altijd in verhouding, en het zal altijd een plaat zijn die tussen de marges zal blijven steken (speaking of which, er bestaat ook nog een bootleg, getiteld ‘Between Saved and Shot’, die bol staat van de nummers die Dylan uit zijn mouw schudde in het wak tussen ‘Saved’ en ‘Shot of Love’. Duidelijke titel, dus.
Een goeie plaat, een lichtjes onderschatte plaat. Vooral afgebrand door de critici, niet geapprecieerd door de fanbase, maar ik zal ‘m toch blijven koesteren, en als ik de kans zie, dan ga ik deze zeker in huis halen op CD. Een motivatie die ik voor de twee andere delen van de vermeende trilogie niet kan opbrengen.
3,5 sterren
Maar laat u niet ontmoedigen door dit alles, want er gaat onder al deze euvels toch wel een aangename plaat schuil. Het niveau schommelt wel van hoog naar laag, dat is een pijnpunt. Maar overall is het zijn beste sinds ‘Street-Legal’ (als je de chronologie even met mij volgt). Het titelnummer is meteen een leuke binnenkomer, en veel dynamischer dan de saaie, weinig creatieve hoes doet vermoeden. Er zit een zekere diepgang in, en ook snedigheid. Zowel in de muziek, als in Dylan’s manier van zingen, als de tekst. En de religieuze twist brengt Dylan nu ook op een interessante manier; met veel nijdigheid. Het lijkt alsof hij zich langzaam distantieert van zijn bekering.
‘Shot of Love’ is ook een plaat die bekendstaat als de grote producers- en studioronde. Dylan wilde aanvankelijk zijn nieuwe plaat zo snel mogelijk na ‘Saved’ uitbrengen (hij had geen last meer van writer’s block, en had na een paar maanden al vrij veel nieuwe songs op stapel), maar daar zag de platenmaatschappij dan weer geen heil in. Op tournee, dus. Er was echter weinig animo voor Dylan’s optredens, en na die ontnuchterende ervaring trok hij zijn eigen Rundown Studios in, in LA. Hij wilde zich helemaal gaan wijden aan een nieuwe plaat, en kon daarbij rekenen op de hulp van enkele uitstekende sessiemuzikanten (Jim Keltner, William “Smitty” Smith, Fred Tackett). Na een tijdje werd Jimmy Iovine erbij gehaald, een opkomende, veelbelovende producer. Hij zou later platen producen van o.a. U2 en Tom Petty & The Heartbreakers.
Dylan hing natuurlijk weer de dwarsligger uit, en had het ook moeilijk met het veranderende muzieklandschap; instrumenten werden voortaan apart ingespeeld (ook omdat de mogelijkheid om almaar meer sporen te gaan gebruiken, opkwam), en Dylan miste de uitdaging en de spanning van het live en samen musiceren. Dylan had er soms flink de pest in, als je het aan mij vraagt, en zijn streken (te laat komen, opeens beginnen met een nummer zonder enige aanleiding) zorgden voor het vertek van Iovine.
Maar de reden voor Dylan’s gedrag moet je gaan zoeken in het relatieve falen van de voorganger, en vooral de manco’s. Te braaf, te veilig. Ik moet de man daarin gelijk geven, want, ondanks het feit dat het best degelijke nummers waren, kan ik me nu al geen enkel nummer meer voor de geest halen. De in het vooruitzicht gestelde verbetering kwam er ook met deze plaat, want ik hoor weer wat meer nummers met de venijnige, frisse Dylan in een glansrol. Ook de muzikanten voelden dat aan, en spelen daar op bepaalde momenten perfect op in. Het beste voorbeeld (dat de plaat heeft gehaald) is waarschijnlijk ‘The Groom’s Still Waiting at the Altar’. Ik moet daar wel bijzeggen dat het nummer niet op de oorspronkelijke versie te vinden is, maar Dylan stond toe dat men de song er jaren later tussenwrong. Historisch, want dit is de enige song die achteraf nog een plekje heeft gevonden op een officiële uitgave van een Dylanplaat.
Dylan zelf is enorm opgetogen over de plaat, en het titelnummer in het bijzonder. Hij zei ooit dat, als je wil weten wie Dylan precies is, je die song moest gaan luisteren. Ik kan hem erin volgen dat het een heel goed nummer is, maar het geniale heb ik er toch nooit van ingezien. Het is wel één van de hoogtepunten van de plaat.
Het opperste hoogtepunt is ‘The Groom’s Still Waiting at the Altar’, en er hadden veel meer van zulke songs op gekund. Gelukkig zijn parels als ‘Angelina’, ‘Need a Woman’ en ‘Caribbean Wind’ later nog opgepikt, en is bovenstaand nummer dus alsnog op de plaat beland. Het nummer begint meteen fantastisch, met dat pompende ritme en de lichtjes overstuurde gitaar. Dylan komt dik binnen, zijn vocals hebben een gejaagdheid die ik lang heb gemist, en die me doet denken aan de nummers die hij zo’n 15 jaar eerder maakte. Een gewaagde vergelijking, die volgend veel mensen niet recht zou blijven, maar het is, alweer, iets persoonlijks. Maar luister toch ‘ns naar die tekst, mensen, luister en geniet. Het zwierige, vinnige pianospel is ook goud waard.
De tekst is erg direct, vind ik, en het zou me niet verbazen, mochten er MC’s zijn die zich van eenzelfde methode bedienen. De woordkunsten van Dylan doen me soms echt denken aan hip-hop, terwijl het er in feite helemaal niets mee van doen heeft. Maar welke rapper zou niet trots zijn op volgende vers:
“Cities on fire, phones out of order;
They’re killin’ nuns and soldiers, there’s fightin’ on the border;
What can I say about Claudette?
Ain’t seen her since January;
She could be respectably married, or runnin’ a whorehouse in Buenos Aires.”
In één strofe vangt Dylan een zeer compleet beeld van chaos en oorlog, woede en misprijzen. Heel anders is de iconische afsluiter, hoewel een hoeksteen op dit album; ‘Shot of Love’ zonder ‘Every Grain of Sand’ zou veel van zijn waarde verliezen. Erg rustig en standvastig, met enkele bloedmooie mondharmonicapassages van Dylan. Het nummer vond ook een aparte route naar de plaat; het was het einde van een sessie, de helft van de muzikanten was al weg, de andere helft maakte aanstalten te vertrekken, producer Chuck Plotkin (die er uiteindelijk ook in slaagde de productie tot een goed einde te brengen, chapeau voor de man!) dacht er ook mee te stoppen. Tot Dylan, aan de piano, opeens een nummer begon te spelen, en erbij te zingen. Plotkin haastte zich naar Dylan, en hield een microfoon voor zijn mond, om de zang van Dylan zo goed mogelijk op te vangen. Ze hadden een volledige take, en deze kwam uiteindelijk op de plaat terecht. Een andere, vroegere versie, kan men terugvinden op ‘The Bootleg Series, Vols. 1-3’, ook deze uitvoering is uitmuntend.
Enkele minpuntjes zijn er ook nog wel te vinden. Zo is het zeer betreurenswaardig dat de lange harmonicasolo, die als outro voor ‘In the Summertime’ diende, stevig werd ingekort. Ook klinken enkele nummers wat dof, zoals bijvoorbeeld ‘Trouble’, en is het effect en de kracht van de teksten daardoor wat minder. ‘Lenny Bruce’, tot slot, voldoet ook niet. Dylan heeft al veel betere nummers geschreven met bekende personen in de hoofdrol. Al is de zin “He just showed the wise men of his day to be nothing more than fools” wel een krachtig beeld.
Een goeie plaat dus, dit ‘Shot of Love’ zonder meer. Ook al heeft de platenmaatschappij er nooit in geloofd (of was de lauwe promotie een gevolg van het bijna aflopende contract?), en werd de plaat dan ook maar met matig enthousiasme ontvangen (in Europa zoals gewoonlijk iets hartelijker), er staan genoeg goeie nummers op om geen lelijk eendje te zijn in de discografie van Dylan. De kwaliteit is niet altijd in verhouding, en het zal altijd een plaat zijn die tussen de marges zal blijven steken (speaking of which, er bestaat ook nog een bootleg, getiteld ‘Between Saved and Shot’, die bol staat van de nummers die Dylan uit zijn mouw schudde in het wak tussen ‘Saved’ en ‘Shot of Love’. Duidelijke titel, dus.
Een goeie plaat, een lichtjes onderschatte plaat. Vooral afgebrand door de critici, niet geapprecieerd door de fanbase, maar ik zal ‘m toch blijven koesteren, en als ik de kans zie, dan ga ik deze zeker in huis halen op CD. Een motivatie die ik voor de twee andere delen van de vermeende trilogie niet kan opbrengen.
3,5 sterren
Bob Dylan - Slow Train Coming (1979)

3,0
3
geplaatst: 19 februari 2013, 20:45 uur
Na het weinige succes van ‘Street-Legal’ en de hoon van pers en publiek (ook zijn live optredens moesten er in die periode aan geloven), had Dylan nog maar weinig zelfvertrouwen. Ook op financieel gebied stond hij er lang niet meer zo rooskleurig voor als in het verleden, nog steeds voor een deel te wijten aan de put die hij gegraven heeft om zijn geflopte film ‘Renaldo & Clara’ uit te kunnen brengen. Tijd om het over een andere boeg te gooien, dus. Dylan is niet de enige artiest die zich bekeerde, ook o.a. Leonard Cohen deed dit. Grillige persoonlijkheden, een zweem van mysterie, eigenwijs.
Maar ook broodnodig, want geloof het of niet, ‘Slow Train Coming’, zijn eerste religieuze plaat, werd een enorm succes. Uiteraard knapten er sommige fans op af, maar hij kreeg daarvoor wel telkens twee nieuwe (vooral devote christenen, natuurlijk) voor in de plaats. Het Vlaamse tijdschrift Kerk en Leven plaatste zelfs een recensie van de plaat in één van zijn edities! In die optiek is deze omslag een beetje te vergelijken met de “Dylan goes electric” periode. Met dit als verschil: toen was er, op gebied van succes, absoluut geen nood om te veranderen, het was eerder ingegeven door het jeugdige, rebelse karakter van Dylan.
Deze bekoring tot het christendom wordt door veel mensen met opgetrokken wenkbrauwen bekeken, omdat het gevolg ervan hem wel verdacht goed uitkwam. Het zou dus, met andere woorden, een doordachte marketingstunt kunnen zijn geweest, en in zekere zin is dat ook wel zo, maar elke koerswijziging is deels ingegeven door marketing, dus dat vergeef ik ‘m maar al te graag. Maar wat mij betreft, komt deze bekering geloofwaardig over. Dylan heeft te veel waarachtige moeite gedaan om fake te kunnen zijn. Hij kwam, via een vriendin, in contact met de Vineyard Fellowship, een kleine evangelische geloofsgemeenschap, en liet zich dopen in de oceaan. Bovendien probeerde hij ook Jerry Wexler, de producer van deze plaat en een verstokte Joodse atheïst, te bekeren. Deze liet dat echter niet gebeuren, maar maakte geen probleem van het sterk christelijke karakter van de teksten.
‘Slow Train Coming’ werd eens niet opgenomen in New York, Nashville of San Francisco, wel in Alabama. Hier had Jerry Wexler een studio, waar hij platen met o.a. Aretha Franklin, Ray Charles en The Drifters opnam. Wexler stond bekend om zijn heldere sound, een geluid waar Dylan naartoe wilde. ‘Slow Train Coming’ is dan ook één van de best klinkende platen van Dylan. Wexler stelde Dylan voor aan Mark Knopfler, bandleider van Dire Straits, toen nog een beginnende Britse band. Hij ging naar een optreden van de band kijken, en nodigde Knopfler uit om mee te spelen op zijn nieuwe plaat. Uiteindelijk zou Knopfler een belangrijke rol spelen, en zou dit de eerste van meerdere samenwerkingen zijn. Ook drummer Pick Withers werd uit de band gepikt. Verder werd de groep aangevuld met klasbak Tim Drummond op bas, ook bekend van bij Neil Young en James Brown, en Barry Beckett, die Wexler hielp met producen, speelde piano, orgel etc.
In het voorjaar van 1979 werd de plaat ingeblikt in de Muscle Shoals Sound Studio, thuisbasis van Wexler. Het zou één van de makkelijkst verlopende opnameprocessen worden tot nu toe. Vrij weinig problemen, Dylan die zich door een sterke persoonlijkheid als Wexler makkelijker liet overtuigen, een goeie interactie met de band. De vlekkeloze productie van het album is ook een minpunt; het klinkt me te opgepoetst, ik hoor Dylan liever als het rammelt en dendert, als hij zich laat gaan op zijn mondharmonica en zijn teksten in onmogelijke banen probeert te leiden. De titel slaat voor mij dan ook voor een deel op die sound, al zal dit zeker niet de bedoeling zijn geweest. Enkele uitzonderingen nagelaten, is dit een trein die traag passeert.
De plaat wordt afgetrapt met ‘Gotta Serve Somebody’, dat bluesy en loom klinkt, vooral te wijten aan het aarzelende gitaarwerk en de trage percussie. De tekst handelt over de eeuwige keuze, tussen God en de duivel. Dylan toont in een aantal strofes aan dat het leven altijd weer neerkomt op dit dilemma. Gekscheren is er gelukkig nog steeds bij: “You may call me Bobby, you may call me Zimmy”, verwijzend naar zijn Joodse achternaam. O ironie.
Gelukkig volgt dan een prachtnummer, naar mijn mening. ‘Precious Angel’ heeft wat de meeste andere songs op dit nummer ontberen; de energie van de jonge dagen. Dat snerende. Hoewel toch wat gematigder, dat valt niet te betwijfelen. Het nummer wordt opgesmukt met aangenaam in het gehoor liggende blazers, wervelend pianospel en de kenmerkende gitaarlicks van Knopfler. Wat Knopfler speelt, is niet meteen het meest gecompliceerde dat ie ooit heeft gedaan, maar nergens pakt hij me meer in dan op dit nummer. Ik vind zijn solowerk ook gewoon beter dan zijn werk met Dire Straits. Het is vooral een “geografisch euvel”.
Van zijn achtergrondkoortje op ‘Street-Legal’ heeft Dylan enkel Helena Springs en Carolyn Dennis overgehouden, en, aangevuld met Regina Havis, vormen zij de basis van de achtergrondzang. Dit pakt soms goed uit, zoals in dit nummer, soms ook melig, waarover hieronder meer. Springs overtuigde Dylan ervan kracht te zoeken in het gebed, en dit nummer is zijn meest overtuigende worp wat betreft zijn bekering. “Shine your light, shine your light on me; You know I just couldn’t make it by myself; I’m a little too blind to see.” Of hoe je met weinig woorden heel veel duidelijk kunt maken.
Dat het ook mis kan gaan met deze nieuwe aanpak, bewijst het volgende nummer. ‘I Believe in You’ klinkt alsof Dylan stroop op z’n lippen heeft gesmeerd; te melig, zalvend en klef. Op de achtergrond laten piano en gitaar wel een mooi combo horen, maar het gaat me toch allemaal te traag. ‘Slow Train Coming’ maakte als geheel de eerste paar keer best indruk, maar het gelikte geluid gaat al snel tegenstaan.
Het titelnummer (vooruit dan: bijna-titelnummer) klinkt weer erg bluesy, met een hoofdrol voor het gitaarspel van Knopfler. Dit weet me deze keer echter minder te raken dan op ‘Precious Angel’. Het kan niet elke keer prijs zijn, natuurlijk. Dylan zelf is echter wel in vorm, zijn soms onvaste zang geven het geheel een rauwer randje, sowieso zeldzaam op deze plaat. Ook tekstueel is dit van een wat hoger niveau, meer gespekt met maatschappelijke kritiek dan “dat christelijke gedoe”. En dankzij dit nummer heb ik ontdekt dat ritmesectie toch wel erg degelijk is. Dylan bewijst met deze tekst ook dat hij geen schaap is, geen onvoorwaardelijke en van meningsuiting beroofde simpele ziel, maar nog steeds de Dylan die iets te vertellen heeft. ‘Slow Train’ is een song die gaat over de hele wereld, en vooral het feit dat deze gedoemd is ten onder te gaan. De kleine kantjes van de mens, en ook van het geloof, worden belicht. “All nonbelievers and men stealers talkin’ in the name of religion”. Iedereen krijgt er van langs: oliebaronnen en de regering (all that foreign oil controlling American soil), hypocrisie (“Oh, you kno wit cost more to store the food than to give it”), maar ook de gewone man, en de Amerikaan in het algemeen (“Jefferson turnin’ over in his grave”).
Na de blues komt… nog meer blues. ‘Gonna Change My Way of Thinking’ is misschien de meest hardnekkige bluessong op de plaat. Knopfler kan zijn gitaar in dit nummer heerlijk laten janken (men kan onmogelijk ontkennen dat die kerel gitaar kan spelen), en de blazers passen er ook wel bij, hoewel dit alles wel een rauwer randje had gehad zonder de opsmuk, denk ik. De tekst staat me wel ietwat tegen, omdat het wat te geforceerd klinkt. De oude bluessongs zijn veel rauwer en universeler, en blijven veel meer onder de huid plakken. Dit glijdt een beetje van me af, hoewel het zeker geen slecht nummer is. Alleen, het geeft me geen speciaal gevoel.
‘Do Right to Me Baby (Do Unto Others)’ is ook niet bepaald een hoogvlieger. Hoewel dit lekker in het gehoor ligt, klinkt het wat te makkelijk. Het stramien is betrekkelijk simpel, en simpel kan goed zijn, maar het werkt gewoonweg niet. Dylan heeft vrij veel songs op zijn naam staan die gewoon strofe – refrein – strofe – enzovoort zijn, en meestal komt hij hier goed mee weg (of zelfs meesterlijk), maar dan is een grote vereiste wel dat de tekst uitstekend is. Dat is hier niet het geval, ik vind ‘m zelfs niet goed. Dylan praat in gemeenplaatsen, en we zijn van hem toch veel beter gewoon. Enkel de zin “Don’t wanna marry nobody if they’re already married” weet een glimlach op mijn gezicht te toveren.
Gelukkig staat er voor elke mindere song ook weer een sterke tegenover. ‘When You Gonna Wake Up’ heeft weer die sterke blues-inslag, en de blazers slagen er ditmaal, in combinatie met de oerdegelijke percussie en orgelspel van Beckett weliswaar, wel in te charmeren. Het is op bepaalde momenten zelfs verrekte aanstekelijk, zodat ik er moeilijk bij kan stil zitten. Tekstueel is het weer volgens dat vaste stramien, maar doordat de tekst van ‘When You Gonna Wake Up’ weer sterk is (hoort een beetje thuis in hetzelfde hoekje als ‘Slow Train’), helt dit over in Dylan’s voordeel. Je zou het een wake up call kunnen noemen; Dylan die de mensheid wat besef en sociale betrokkenheid bijbrengt.
“You got innocement men in jail, your insane asylums are filled;
You got unrighteous doctors dealing drugs that’ll never cure your ills.”
Veel oneliners ook, te veel memorabel spul om op te noemen eigenlijk, dat moet u maar op eigen kracht ontdekken.
Zo geslepen en scherp de tekst van ‘When You Gonna Wake Up’ is, zo zwak is ‘Man Gave Names to All the Animals’. Een kinderliedje, steunend op een reggae-achtig ritme. Tekstueel stelt dit echt helemaal niets voor, en oké, Dylan mag natuurlijk liedjes schrijven voor de kids, maar als ie dat op zulk een plaat plaatst, verwacht ik toch ook enkele dubbele bodems. Dylan zelf kon het nummer wel appreciëren, hij bracht het zo’n 150 keer live. Ik zal echter eerder naar Urbanus’ ‘1-2-3 Rikke Tikke Tik’ luisteren, als ik een kinderliedje over dieren wil horen. Humoristischer.
De afsluiter is dan wel weer fraai. Het meest tot op het bot gestripte nummer, met enkel Beckett’s mooie, ietwat afgesleten pianotoetsen als tegenwicht voor Dylan’s zang, wat het geheel iets moois verloren geeft, en breekbaars. ‘When He Returns’ heeft Dylan overigens van in het prille begin altijd gezien als albumsluiter. In dit nummer wil hij zijn hele leven in de handen van God leggen, maar om één of andere reden slaagt hij hier maar niet in:
“Will I ever learn, that there’ll be no peace, that the war won’t cease, until he returns?”
De outing van Dylan als fervent aanhanger van het katholieke geloof, choqueerde menig fan. Ook Knopfler was er van onder de indruk. Dylan zelf ook, getuige deze woorden:
“Ik schrok van de songs die ik schreef, ze joegen me angst aan. Ik schreef ze zelfs niet graag. Ik was niet van plan om songs te schrijven. En toen ik er een aantal had, dacht ik: die wil ik niet zingen.”
‘Slow Train Coming’ is uiteindelijk voor mij een plaat die op twee gedachten hinkt; enerzijds heb je die te gepolijste sound, die na verloop van tijd gaat irriteren. Anderzijds heb je de teksten, die wel weer van hoog niveau zijn. In sommige gevallen althans, er zijn uitzonderingen. Er staan één of twee miskleunen op, maar dankzij enkele erg straffe songs, krijgt ‘Slow Train Coming’ ruim een voldoende.
3 sterren
Maar ook broodnodig, want geloof het of niet, ‘Slow Train Coming’, zijn eerste religieuze plaat, werd een enorm succes. Uiteraard knapten er sommige fans op af, maar hij kreeg daarvoor wel telkens twee nieuwe (vooral devote christenen, natuurlijk) voor in de plaats. Het Vlaamse tijdschrift Kerk en Leven plaatste zelfs een recensie van de plaat in één van zijn edities! In die optiek is deze omslag een beetje te vergelijken met de “Dylan goes electric” periode. Met dit als verschil: toen was er, op gebied van succes, absoluut geen nood om te veranderen, het was eerder ingegeven door het jeugdige, rebelse karakter van Dylan.
Deze bekoring tot het christendom wordt door veel mensen met opgetrokken wenkbrauwen bekeken, omdat het gevolg ervan hem wel verdacht goed uitkwam. Het zou dus, met andere woorden, een doordachte marketingstunt kunnen zijn geweest, en in zekere zin is dat ook wel zo, maar elke koerswijziging is deels ingegeven door marketing, dus dat vergeef ik ‘m maar al te graag. Maar wat mij betreft, komt deze bekering geloofwaardig over. Dylan heeft te veel waarachtige moeite gedaan om fake te kunnen zijn. Hij kwam, via een vriendin, in contact met de Vineyard Fellowship, een kleine evangelische geloofsgemeenschap, en liet zich dopen in de oceaan. Bovendien probeerde hij ook Jerry Wexler, de producer van deze plaat en een verstokte Joodse atheïst, te bekeren. Deze liet dat echter niet gebeuren, maar maakte geen probleem van het sterk christelijke karakter van de teksten.
‘Slow Train Coming’ werd eens niet opgenomen in New York, Nashville of San Francisco, wel in Alabama. Hier had Jerry Wexler een studio, waar hij platen met o.a. Aretha Franklin, Ray Charles en The Drifters opnam. Wexler stond bekend om zijn heldere sound, een geluid waar Dylan naartoe wilde. ‘Slow Train Coming’ is dan ook één van de best klinkende platen van Dylan. Wexler stelde Dylan voor aan Mark Knopfler, bandleider van Dire Straits, toen nog een beginnende Britse band. Hij ging naar een optreden van de band kijken, en nodigde Knopfler uit om mee te spelen op zijn nieuwe plaat. Uiteindelijk zou Knopfler een belangrijke rol spelen, en zou dit de eerste van meerdere samenwerkingen zijn. Ook drummer Pick Withers werd uit de band gepikt. Verder werd de groep aangevuld met klasbak Tim Drummond op bas, ook bekend van bij Neil Young en James Brown, en Barry Beckett, die Wexler hielp met producen, speelde piano, orgel etc.
In het voorjaar van 1979 werd de plaat ingeblikt in de Muscle Shoals Sound Studio, thuisbasis van Wexler. Het zou één van de makkelijkst verlopende opnameprocessen worden tot nu toe. Vrij weinig problemen, Dylan die zich door een sterke persoonlijkheid als Wexler makkelijker liet overtuigen, een goeie interactie met de band. De vlekkeloze productie van het album is ook een minpunt; het klinkt me te opgepoetst, ik hoor Dylan liever als het rammelt en dendert, als hij zich laat gaan op zijn mondharmonica en zijn teksten in onmogelijke banen probeert te leiden. De titel slaat voor mij dan ook voor een deel op die sound, al zal dit zeker niet de bedoeling zijn geweest. Enkele uitzonderingen nagelaten, is dit een trein die traag passeert.
De plaat wordt afgetrapt met ‘Gotta Serve Somebody’, dat bluesy en loom klinkt, vooral te wijten aan het aarzelende gitaarwerk en de trage percussie. De tekst handelt over de eeuwige keuze, tussen God en de duivel. Dylan toont in een aantal strofes aan dat het leven altijd weer neerkomt op dit dilemma. Gekscheren is er gelukkig nog steeds bij: “You may call me Bobby, you may call me Zimmy”, verwijzend naar zijn Joodse achternaam. O ironie.
Gelukkig volgt dan een prachtnummer, naar mijn mening. ‘Precious Angel’ heeft wat de meeste andere songs op dit nummer ontberen; de energie van de jonge dagen. Dat snerende. Hoewel toch wat gematigder, dat valt niet te betwijfelen. Het nummer wordt opgesmukt met aangenaam in het gehoor liggende blazers, wervelend pianospel en de kenmerkende gitaarlicks van Knopfler. Wat Knopfler speelt, is niet meteen het meest gecompliceerde dat ie ooit heeft gedaan, maar nergens pakt hij me meer in dan op dit nummer. Ik vind zijn solowerk ook gewoon beter dan zijn werk met Dire Straits. Het is vooral een “geografisch euvel”.

Van zijn achtergrondkoortje op ‘Street-Legal’ heeft Dylan enkel Helena Springs en Carolyn Dennis overgehouden, en, aangevuld met Regina Havis, vormen zij de basis van de achtergrondzang. Dit pakt soms goed uit, zoals in dit nummer, soms ook melig, waarover hieronder meer. Springs overtuigde Dylan ervan kracht te zoeken in het gebed, en dit nummer is zijn meest overtuigende worp wat betreft zijn bekering. “Shine your light, shine your light on me; You know I just couldn’t make it by myself; I’m a little too blind to see.” Of hoe je met weinig woorden heel veel duidelijk kunt maken.
Dat het ook mis kan gaan met deze nieuwe aanpak, bewijst het volgende nummer. ‘I Believe in You’ klinkt alsof Dylan stroop op z’n lippen heeft gesmeerd; te melig, zalvend en klef. Op de achtergrond laten piano en gitaar wel een mooi combo horen, maar het gaat me toch allemaal te traag. ‘Slow Train Coming’ maakte als geheel de eerste paar keer best indruk, maar het gelikte geluid gaat al snel tegenstaan.
Het titelnummer (vooruit dan: bijna-titelnummer) klinkt weer erg bluesy, met een hoofdrol voor het gitaarspel van Knopfler. Dit weet me deze keer echter minder te raken dan op ‘Precious Angel’. Het kan niet elke keer prijs zijn, natuurlijk. Dylan zelf is echter wel in vorm, zijn soms onvaste zang geven het geheel een rauwer randje, sowieso zeldzaam op deze plaat. Ook tekstueel is dit van een wat hoger niveau, meer gespekt met maatschappelijke kritiek dan “dat christelijke gedoe”. En dankzij dit nummer heb ik ontdekt dat ritmesectie toch wel erg degelijk is. Dylan bewijst met deze tekst ook dat hij geen schaap is, geen onvoorwaardelijke en van meningsuiting beroofde simpele ziel, maar nog steeds de Dylan die iets te vertellen heeft. ‘Slow Train’ is een song die gaat over de hele wereld, en vooral het feit dat deze gedoemd is ten onder te gaan. De kleine kantjes van de mens, en ook van het geloof, worden belicht. “All nonbelievers and men stealers talkin’ in the name of religion”. Iedereen krijgt er van langs: oliebaronnen en de regering (all that foreign oil controlling American soil), hypocrisie (“Oh, you kno wit cost more to store the food than to give it”), maar ook de gewone man, en de Amerikaan in het algemeen (“Jefferson turnin’ over in his grave”).
Na de blues komt… nog meer blues. ‘Gonna Change My Way of Thinking’ is misschien de meest hardnekkige bluessong op de plaat. Knopfler kan zijn gitaar in dit nummer heerlijk laten janken (men kan onmogelijk ontkennen dat die kerel gitaar kan spelen), en de blazers passen er ook wel bij, hoewel dit alles wel een rauwer randje had gehad zonder de opsmuk, denk ik. De tekst staat me wel ietwat tegen, omdat het wat te geforceerd klinkt. De oude bluessongs zijn veel rauwer en universeler, en blijven veel meer onder de huid plakken. Dit glijdt een beetje van me af, hoewel het zeker geen slecht nummer is. Alleen, het geeft me geen speciaal gevoel.
‘Do Right to Me Baby (Do Unto Others)’ is ook niet bepaald een hoogvlieger. Hoewel dit lekker in het gehoor ligt, klinkt het wat te makkelijk. Het stramien is betrekkelijk simpel, en simpel kan goed zijn, maar het werkt gewoonweg niet. Dylan heeft vrij veel songs op zijn naam staan die gewoon strofe – refrein – strofe – enzovoort zijn, en meestal komt hij hier goed mee weg (of zelfs meesterlijk), maar dan is een grote vereiste wel dat de tekst uitstekend is. Dat is hier niet het geval, ik vind ‘m zelfs niet goed. Dylan praat in gemeenplaatsen, en we zijn van hem toch veel beter gewoon. Enkel de zin “Don’t wanna marry nobody if they’re already married” weet een glimlach op mijn gezicht te toveren.
Gelukkig staat er voor elke mindere song ook weer een sterke tegenover. ‘When You Gonna Wake Up’ heeft weer die sterke blues-inslag, en de blazers slagen er ditmaal, in combinatie met de oerdegelijke percussie en orgelspel van Beckett weliswaar, wel in te charmeren. Het is op bepaalde momenten zelfs verrekte aanstekelijk, zodat ik er moeilijk bij kan stil zitten. Tekstueel is het weer volgens dat vaste stramien, maar doordat de tekst van ‘When You Gonna Wake Up’ weer sterk is (hoort een beetje thuis in hetzelfde hoekje als ‘Slow Train’), helt dit over in Dylan’s voordeel. Je zou het een wake up call kunnen noemen; Dylan die de mensheid wat besef en sociale betrokkenheid bijbrengt.
“You got innocement men in jail, your insane asylums are filled;
You got unrighteous doctors dealing drugs that’ll never cure your ills.”
Veel oneliners ook, te veel memorabel spul om op te noemen eigenlijk, dat moet u maar op eigen kracht ontdekken.
Zo geslepen en scherp de tekst van ‘When You Gonna Wake Up’ is, zo zwak is ‘Man Gave Names to All the Animals’. Een kinderliedje, steunend op een reggae-achtig ritme. Tekstueel stelt dit echt helemaal niets voor, en oké, Dylan mag natuurlijk liedjes schrijven voor de kids, maar als ie dat op zulk een plaat plaatst, verwacht ik toch ook enkele dubbele bodems. Dylan zelf kon het nummer wel appreciëren, hij bracht het zo’n 150 keer live. Ik zal echter eerder naar Urbanus’ ‘1-2-3 Rikke Tikke Tik’ luisteren, als ik een kinderliedje over dieren wil horen. Humoristischer.
De afsluiter is dan wel weer fraai. Het meest tot op het bot gestripte nummer, met enkel Beckett’s mooie, ietwat afgesleten pianotoetsen als tegenwicht voor Dylan’s zang, wat het geheel iets moois verloren geeft, en breekbaars. ‘When He Returns’ heeft Dylan overigens van in het prille begin altijd gezien als albumsluiter. In dit nummer wil hij zijn hele leven in de handen van God leggen, maar om één of andere reden slaagt hij hier maar niet in:
“Will I ever learn, that there’ll be no peace, that the war won’t cease, until he returns?”
De outing van Dylan als fervent aanhanger van het katholieke geloof, choqueerde menig fan. Ook Knopfler was er van onder de indruk. Dylan zelf ook, getuige deze woorden:
“Ik schrok van de songs die ik schreef, ze joegen me angst aan. Ik schreef ze zelfs niet graag. Ik was niet van plan om songs te schrijven. En toen ik er een aantal had, dacht ik: die wil ik niet zingen.”
‘Slow Train Coming’ is uiteindelijk voor mij een plaat die op twee gedachten hinkt; enerzijds heb je die te gepolijste sound, die na verloop van tijd gaat irriteren. Anderzijds heb je de teksten, die wel weer van hoog niveau zijn. In sommige gevallen althans, er zijn uitzonderingen. Er staan één of twee miskleunen op, maar dankzij enkele erg straffe songs, krijgt ‘Slow Train Coming’ ruim een voldoende.
3 sterren
Bob Dylan - Street-Legal (1978)

3,5
1
geplaatst: 5 januari 2013, 14:09 uur
Na de wedergeboorte van Dylan in de vorm van ‘Blood on the Tracks’ en ‘Desire’, en het onverhoopte succes van die platen, bleef het een hele tijd stil rond de man. In 1977 wijdde hij een groot deel van zijn tijd aan film, samen met zijn vriend Howard Alk was hij bezig met ‘Renaldo & Clara’, een erg lange film die bestaat uit concertmateriaal, interviews en ook fictie. Dit project flopte echter, en Dylan besefte dat hij toch maar weer moest doen waar hij het beste in was; songs schrijven.
Eerst moest hij echter op tournee, om geld te verdienen. Zijn plan was het om een band samen te stellen die, tijdens een pauze in de wereldtournee, ook in staat was met Dylan aan een nieuwe plaat te werken. Het geld kwam echter op de eerste plaats, want het ging Dylan niet voor de wind. Hij had af te rekenen met de enorme hoeveelheid geld die hij in zijn mislukte film had gestoken, en ook de dure echtscheidingsprocedure met zijn vrouw Sara raakte hem diep, zowel op emotioneel als financieel vlak. Echter maakte deze nood van Dylan nog steeds geen volgzaam man; de promotor van het Japanse deel van de tournee eiste van Dylan dat hij een greatest hits zou spelen, maar daar wilde hij natuurlijk niets van weten. Hij was nog niet klaar om de levende legende te worden die hij nu is.
‘Street-Legal’ werd opgenomen tussen 25 april en 2 mei 1978, in een oude wapenfabriek die Dylan had opgekocht, en verbouwd tot een repetitieruimte en later ook opnamestudio, al had hij daar een mobiele opnameruimte voor nodig. Rundown Studios, doopte Dylan dit gebouw, een verwijzing naar de staat van het gebouw.
De titel van de plaat verwijst naar zijn prille bestaan als vrijgezel. Volgende quote vond ik wel interessant om mee te geven, ze komt uit het boek ‘Bob Dylan in de studio’ van Patrick Roefflaer:
Op de cover zie je Dylan wachten voor een oude trap, reikhalzend uitkijkend naar de bus van de vrijheid. Dylan is altijd een vrije geest geweest, maar ook nonchalant, zoals de laatste zin van de quote hierboven aangeeft. Die nonchalance heeft deze plaat dan ook getekend; de opnamen waren soms een hel, hoewel het resultaat er zeker mag zijn.
‘Street-Legal’ is een plaat waarmee men twee kanten op had gekund. Men had ze productioneel helemaal kunnen mismeesteren en overproducen, of er een samenhangend geheel van maken, ontdaan van alle franjes, gedoopt in soberheid. Dit tweede paste wel bij de state of mind van Dylan in die dagen, de eerste optie paste bij de tijdsgeest; de eighties waren toen aan het opkomen. Uiteindelijk is het een symbiose geworden van deze twee wegen, een gulden middenweg zou men het kunnen noemen, al wordt het briljante van zijn twee eerdere platen niet meer gehaald. Toch is dit een zeer goede plaat.
‘Changing of the Guards’ is meteen een rake opener. Aanstekelijke zanglijnen van Dylan (sterke tekst ook, veel epiek en verwijzingen, geen strak omlijnd verhaal), en enkele dingen die al meteen markeren dat het sleutelelementen zijn op de plaat, namelijk de achtergrondzangeressen en de saxofoon van Steve Douglas. Drummer Ian Wallace (de progfan kent hem wel van King Crimson) speelt strak en raakt de juiste vellen.
Elvis Presley was het jaar ervoor overleden, en dit had Dylan erg aangegrepen. Misschien net daardoor dat hij Steve Douglas rekruteerde, die nog met de King had getourd, en de bassist van Elvis, Jerry Scheff. Zonder Elvis en Hank Williams zou hij niet gedaan hebben wat hij deed, aldus Dylan zelf.
‘New Pony’ is een bluesnummer, dat Dylan liever niet opnam in het bijzijn van dames, misschien vanwege de seksistische ondertoon. Muzikaal gezien is het vrij standaard, de tekst is er inderdaad eentje met een vuige ondertoon. De metafoor hoeft wel niet perse doorgetrokken te worden, maar de verwijzingen zitten er wel duidelijk in. In ‘No Time to Think’ de langste song van het album, haalt Dylan een hele hoop ismes en aanverwanten van stal, maar de zin die me het meest bijblijft, is de volgende:
“In death, you face life with a child and a wife;
Who sleep-walks through your dreams into walls.”
Met deze ene zin vertelt hij in feite het hele relaas dat daarna nog volgt; zoiets als een synthese op voorhand. Muzikaal is het vrij monotoon, de verplichte saxpassages zitten er ook in, het gevoel dat er geprofeteerd wordt, is wel aanwezig, en zorgt voor een zekere spanning.
‘Baby Stop Crying’ vind ik persoonlijk een beetje melig, net als ‘Is Your Love in Vain?’ ‘Baby Stop Crying’ is een liefdesliedje, tekstueel iets te cliché om echt pakkend te zijn, met een iets te kleffe muzikale omkadering. ‘Is Your Love in Vain?’ is echter een dubbeltje op zijn kant, omdat het op het eerste gehoor misschien niet zo geweldig is, muzikaal zelfs dof, maar de kracht schuilt, zoals zo vaak bij Dylan, in de tekst. Hij mag dan niet altijd in topvorm zijn op dat vlak op deze plaat, ‘Is Your Love in Vain’ is wel een voltreffer. Het is een tekst die ruimte laat voor eigen interpretatie, zoals de beste teksten van Dylan dat doen. Volgens mij vraagt hij Sara wat haar gedreven heeft zich af te zetten van hem, terwijl hij dat zelf goed genoeg weet. De drie sleutelvragen die hij stelt, zijn de volgende:
“Will I be able to count on you, or is your love in vain?”
“Will you let me be myself, or is your love in vain?”
“Are you willing to risk it all, or is your love in vain?”
Het eensluidende antwoord kent Dylan natuurlijk wel, maar door deze vragen te stellen, geeft hij ook meer openheid aan zijn eigen identiteit. Nood aan vertrouwen, vrijheid en opoffering. Deze drie draagt hij hoog in het vaandel, het zijn waarden zonder welke hij geen stabiel leven lijkt te kunnen leiden. Hoe het ook zijn mag, het is een sterk staaltje zelfontplooiing. En de plaat zou ook geen inzakmomenten meer kennen.
‘Señor (Tales of Yankee Power)’ is een trager nummer, donker ook. De vele vragen die Dylan aan deze hypothetische man stelt, geven blijk van onzekerheid. Muzikaal is het ook één van de fraaiere nummers, met prachtige lead guitar van Billy Cross. ‘True Love Tends to Forget’ is een prachtig liedje, over onzekere liefde. De ik-persoon houdt onvoorwaardelijk van de jij-persoon, maar is het ook wederzijds? De lange weg is bezaaid met vele obstakels, maar ware liefde zal het uiteindelijk winnen, want “Ware liefde heeft de neiging te vergeten”. De lijdensweg is het allemaal waard, zo lijkt Dylan te stellen, en enig optimisme is dus nooit uit den boze.
‘We Better Talk This Over’ is niets speciaals, gewoon een oerdegelijk nummer. Een tekst die je kan scharen in het middelveld van Dylans oeuvre, en dat is nog steeds van hoog niveau. De afsluiter echter is wel weer een parel, en zo sluit de plaat op dezelfde manier af als ze werd ingezet; met een erg sterk nummer. De tekst heeft weer een romantische inslag, wat geen groot mysterie mag zijn, want gedurende deze periode heeft Dylan affaires met o.a. het kindermeisje en achtergrondzangeres Helena Springs, wat voor jaloezie zorgt.
‘Street-Legal’ is een plaat die een moeilijk opnameproces kende, met veel improvisatie en geduld van de bandleden omwille van de nukken van de meester, met een resultaat dat er zeker mag zijn. Dat is niet de eerste plaat van Dylan die op deze manier tot stand is gekomen, en zeker niet de laatste. Dylan mag dan gaandeweg ouder zijn geworden, nostalgischer misschien ook wel, ook een ouwe vos verleert zijn streken niet. Na ‘Blood on the Tracks’ en ‘Desire’ is dit, al zijn dat compleet andere platen, een stapje terug (nóg een stapje omhoog zou mijns inziens onmogelijk zijn geweest), een plaat die het vooral moet hebben van de tekstuele dualiteit; enerzijds onzekerheid, anderzijds toch ook dat optimisme, dat zich ook vertaald heeft naar de (soms te) vrolijke muzikale omlijsting.
3,5 sterren
Eerst moest hij echter op tournee, om geld te verdienen. Zijn plan was het om een band samen te stellen die, tijdens een pauze in de wereldtournee, ook in staat was met Dylan aan een nieuwe plaat te werken. Het geld kwam echter op de eerste plaats, want het ging Dylan niet voor de wind. Hij had af te rekenen met de enorme hoeveelheid geld die hij in zijn mislukte film had gestoken, en ook de dure echtscheidingsprocedure met zijn vrouw Sara raakte hem diep, zowel op emotioneel als financieel vlak. Echter maakte deze nood van Dylan nog steeds geen volgzaam man; de promotor van het Japanse deel van de tournee eiste van Dylan dat hij een greatest hits zou spelen, maar daar wilde hij natuurlijk niets van weten. Hij was nog niet klaar om de levende legende te worden die hij nu is.
‘Street-Legal’ werd opgenomen tussen 25 april en 2 mei 1978, in een oude wapenfabriek die Dylan had opgekocht, en verbouwd tot een repetitieruimte en later ook opnamestudio, al had hij daar een mobiele opnameruimte voor nodig. Rundown Studios, doopte Dylan dit gebouw, een verwijzing naar de staat van het gebouw.
De titel van de plaat verwijst naar zijn prille bestaan als vrijgezel. Volgende quote vond ik wel interessant om mee te geven, ze komt uit het boek ‘Bob Dylan in de studio’ van Patrick Roefflaer:
De term street-legal geeft aan dat een racewagen zo is aangepast dat je ermee op de openbare weg mag rijden. Misschien slaat de titel op Dylans pas verworven status als vrijgezel, maar dan had hij toch beter zijn trouwring afgedaan voor de foto.
Op de cover zie je Dylan wachten voor een oude trap, reikhalzend uitkijkend naar de bus van de vrijheid. Dylan is altijd een vrije geest geweest, maar ook nonchalant, zoals de laatste zin van de quote hierboven aangeeft. Die nonchalance heeft deze plaat dan ook getekend; de opnamen waren soms een hel, hoewel het resultaat er zeker mag zijn.
‘Street-Legal’ is een plaat waarmee men twee kanten op had gekund. Men had ze productioneel helemaal kunnen mismeesteren en overproducen, of er een samenhangend geheel van maken, ontdaan van alle franjes, gedoopt in soberheid. Dit tweede paste wel bij de state of mind van Dylan in die dagen, de eerste optie paste bij de tijdsgeest; de eighties waren toen aan het opkomen. Uiteindelijk is het een symbiose geworden van deze twee wegen, een gulden middenweg zou men het kunnen noemen, al wordt het briljante van zijn twee eerdere platen niet meer gehaald. Toch is dit een zeer goede plaat.
‘Changing of the Guards’ is meteen een rake opener. Aanstekelijke zanglijnen van Dylan (sterke tekst ook, veel epiek en verwijzingen, geen strak omlijnd verhaal), en enkele dingen die al meteen markeren dat het sleutelelementen zijn op de plaat, namelijk de achtergrondzangeressen en de saxofoon van Steve Douglas. Drummer Ian Wallace (de progfan kent hem wel van King Crimson) speelt strak en raakt de juiste vellen.
Elvis Presley was het jaar ervoor overleden, en dit had Dylan erg aangegrepen. Misschien net daardoor dat hij Steve Douglas rekruteerde, die nog met de King had getourd, en de bassist van Elvis, Jerry Scheff. Zonder Elvis en Hank Williams zou hij niet gedaan hebben wat hij deed, aldus Dylan zelf.
‘New Pony’ is een bluesnummer, dat Dylan liever niet opnam in het bijzijn van dames, misschien vanwege de seksistische ondertoon. Muzikaal gezien is het vrij standaard, de tekst is er inderdaad eentje met een vuige ondertoon. De metafoor hoeft wel niet perse doorgetrokken te worden, maar de verwijzingen zitten er wel duidelijk in. In ‘No Time to Think’ de langste song van het album, haalt Dylan een hele hoop ismes en aanverwanten van stal, maar de zin die me het meest bijblijft, is de volgende:
“In death, you face life with a child and a wife;
Who sleep-walks through your dreams into walls.”
Met deze ene zin vertelt hij in feite het hele relaas dat daarna nog volgt; zoiets als een synthese op voorhand. Muzikaal is het vrij monotoon, de verplichte saxpassages zitten er ook in, het gevoel dat er geprofeteerd wordt, is wel aanwezig, en zorgt voor een zekere spanning.
‘Baby Stop Crying’ vind ik persoonlijk een beetje melig, net als ‘Is Your Love in Vain?’ ‘Baby Stop Crying’ is een liefdesliedje, tekstueel iets te cliché om echt pakkend te zijn, met een iets te kleffe muzikale omkadering. ‘Is Your Love in Vain?’ is echter een dubbeltje op zijn kant, omdat het op het eerste gehoor misschien niet zo geweldig is, muzikaal zelfs dof, maar de kracht schuilt, zoals zo vaak bij Dylan, in de tekst. Hij mag dan niet altijd in topvorm zijn op dat vlak op deze plaat, ‘Is Your Love in Vain’ is wel een voltreffer. Het is een tekst die ruimte laat voor eigen interpretatie, zoals de beste teksten van Dylan dat doen. Volgens mij vraagt hij Sara wat haar gedreven heeft zich af te zetten van hem, terwijl hij dat zelf goed genoeg weet. De drie sleutelvragen die hij stelt, zijn de volgende:
“Will I be able to count on you, or is your love in vain?”
“Will you let me be myself, or is your love in vain?”
“Are you willing to risk it all, or is your love in vain?”
Het eensluidende antwoord kent Dylan natuurlijk wel, maar door deze vragen te stellen, geeft hij ook meer openheid aan zijn eigen identiteit. Nood aan vertrouwen, vrijheid en opoffering. Deze drie draagt hij hoog in het vaandel, het zijn waarden zonder welke hij geen stabiel leven lijkt te kunnen leiden. Hoe het ook zijn mag, het is een sterk staaltje zelfontplooiing. En de plaat zou ook geen inzakmomenten meer kennen.
‘Señor (Tales of Yankee Power)’ is een trager nummer, donker ook. De vele vragen die Dylan aan deze hypothetische man stelt, geven blijk van onzekerheid. Muzikaal is het ook één van de fraaiere nummers, met prachtige lead guitar van Billy Cross. ‘True Love Tends to Forget’ is een prachtig liedje, over onzekere liefde. De ik-persoon houdt onvoorwaardelijk van de jij-persoon, maar is het ook wederzijds? De lange weg is bezaaid met vele obstakels, maar ware liefde zal het uiteindelijk winnen, want “Ware liefde heeft de neiging te vergeten”. De lijdensweg is het allemaal waard, zo lijkt Dylan te stellen, en enig optimisme is dus nooit uit den boze.
‘We Better Talk This Over’ is niets speciaals, gewoon een oerdegelijk nummer. Een tekst die je kan scharen in het middelveld van Dylans oeuvre, en dat is nog steeds van hoog niveau. De afsluiter echter is wel weer een parel, en zo sluit de plaat op dezelfde manier af als ze werd ingezet; met een erg sterk nummer. De tekst heeft weer een romantische inslag, wat geen groot mysterie mag zijn, want gedurende deze periode heeft Dylan affaires met o.a. het kindermeisje en achtergrondzangeres Helena Springs, wat voor jaloezie zorgt.
‘Street-Legal’ is een plaat die een moeilijk opnameproces kende, met veel improvisatie en geduld van de bandleden omwille van de nukken van de meester, met een resultaat dat er zeker mag zijn. Dat is niet de eerste plaat van Dylan die op deze manier tot stand is gekomen, en zeker niet de laatste. Dylan mag dan gaandeweg ouder zijn geworden, nostalgischer misschien ook wel, ook een ouwe vos verleert zijn streken niet. Na ‘Blood on the Tracks’ en ‘Desire’ is dit, al zijn dat compleet andere platen, een stapje terug (nóg een stapje omhoog zou mijns inziens onmogelijk zijn geweest), een plaat die het vooral moet hebben van de tekstuele dualiteit; enerzijds onzekerheid, anderzijds toch ook dat optimisme, dat zich ook vertaald heeft naar de (soms te) vrolijke muzikale omlijsting.
3,5 sterren
Bob Dylan - Tempest (2012)

4,5
2
geplaatst: 24 maart 2015, 20:46 uur
Na ‘Christmas in the Heart’ hadden vele fans het vermoeden dat het Dylan’s zwanenzang zou zijn; een afscheid in tegendraadse stijl, zoals van hem verwacht kon worden. In 2012 kwam hij echter met alweer een nieuwe plaat, en daar zal niemand toch rouwig om zijn? Ik althans niet. En niet alleen omdat het Dylan is, maar ook omdat je er gewoon niet omheen kan; ‘Tempest’ is een verdomd goeie plaat geworden.
De cover-art van het album is opvallend zwoel. De hoes lijkt een haast smachtende vrouw af te beelden, ingekleurd met passionele tinten. Dat sluit wel aan bij enkele songs, zoals het beklemmende ‘Scarlet Town’ en ‘Soon After Midnight’. Op de achterkant staat een foto van Dylan – met coole zonnebril – aan het stuur van een Amerikaanse cabrio. Een subtiele hint, want de muziek klinkt op en top Amerikaans, en Dylan snuistert als vanouds, hoewel alles helderder klinkt (lees: de drassige moerassound van vooral ‘Modern Times’ is van het voorplan verdwenen), in de back catalogue van zijn muzikale hinterland en folkloristische roots. Zo mag ik hem in ieder geval héél graag horen.
Ook de muzikanten die hij heeft opgetrommeld om hem bij te staan (Dylan heeft wat de productie betreft weer zelf de honneurs waargenomen), mogen er wezen. Alleskunner David Hidalgo van Los Lobos is er weer bij, en ook de andere musici (onder andere Tony Garnier op bas en Charlie Sexton op gitaar) zijn beproefde sessiemuzikanten. De instrumentale ondersteuning is dan ook top, wat altijd belangrijk is, want hiermee wordt alvast de basis van een goeie plaat gelegd, en dat beseft Dylan als geen ander.
Wat meteen bij de eerste tonen van ‘Duquesne Whistle’ opvalt, is dat Dylan nog lang niet versleten is. Meer zelfs, de man lijkt nog wel een plaat of vijf in zich te hebben. Ik kan me nog goed de videoclip van dat nummer voor de geest halen. Daarin zagen we Dylan door de straten kolken met een soort posse; uiterst vermakelijk. Laten we echter de essentie daarbij niet vergeten; ‘Duquesne Whistle’ is een steengoede single. Met dank aan Dylan’s maatje Robert Hunter, die nog eens mocht meeschrijven. De groove die het nummer draagt, is haast onweerstaanbaar.
Daarna wordt er met ‘Soon After Midnight’ wat gas teruggenomen; resultaat is een tragere song, die me wel met gemak weet in te palmen. Dylan betoont zich op tekstueel vlak een romantische ziel, met zinsneden als I’m searching for phrases, to sing your praises. De tekst wordt echter steeds donkerder, van gevaar (A gal named Honey, took my money; she was passing by) over onheil (They lie and dine in their blood / I’ll drag his corpse through the mud) naar pure desolaatheid (It’s soon after midnight; and I don’t want nobody but you). Dylan draaft zo in minder dan 4 minuten over een scala aan gevoelens, en blijkt zo nog steeds in staat veel van zichzelf in één liedje te steken, zodat het een vertederend, onthutsend karakter krijgt.
‘Narrow Way’ heeft weer een wat vinniger karakter, maar heeft nooit tot mijn favorieten behoord. Het past iets minder in de geest van het album, heb ik altijd het gevoel. Daar hoeft niemand het verder mee eens te zijn, het is slechts een gevoel. ‘Long and Wasted Years’ is dan weer een ander paar mouwen. Deze song is weer wat korter, maar waar andere artiesten hun kortere songs steevast met pinnetjes bedekken, doet Dylan het omgekeerde; een zacht, tot contemplatie uitnodigend nummer is het resultaat. Hier horen we ook een eerste verwijzing naar The Beatles (Shake it up baby, twist and shout), die verder op de plaat (en in het bijzonder John Lennon) nog aan bod zullen komen.
Dan komen we aan bij een ware tekstuele hoogvlieger, en omdat het ook instrumenteel heel erg snor zit (denk Zappa, of anders David Crosby), is dit gewoon één van Dylan’s beste nummers sinds ‘Blood on the Tracks’. Een gewaagde uitspraak, ik weet het, ik zal ze dan ook wat toedichten. De sfeer die door de muzikanten wordt geschept, houdt het midden tussen kabbelend en gejaagd, maar ook weer niet exact het midden. Er wordt soms een stukje buiten de lijntjes gekleurd (vooral de elektrische gitaar en bas tonen zich hier grootmeesters in). De tekst van Dylan is opvallend bijtend, met de slagzin I pay in blood, but not my own als filosofisch fundament. Vooral onderstaande strofe vind ik markant:
Another politician pumping out the piss;
Another angry beggar blowing you a kiss;
You got the same eyes that your mother does;
If only you could prove who your father was;
Someone must have slipped a drug in your wine;
You gulped it down and you cross the line;
Man can’t live by bread alone;
I pay in blood, but not my own.
Meesterlijk, waarlijk. En zo gaat het maar door. De bittere schoonheid van het nummer heeft iets onbeschrijfelijks, zoals de meeste bijzondere songs. Ik laat verdere analyse dan ook achterwege, en kies ervoor om de magie zijn werk te laten doen, en er gewoon van te genieten.
‘Scarlet Town’ doet karakteristiek, zoals eerder gezegd, denken aan de hoes, maar heeft een dubbele bodem. De begeleiding zorgt namelijk ook voor iets sinisters. Die dreigende echo van een viool op de achtergrond mist zijn effect niet, en zelfs het mandolinespel heeft, als je er even voor gaat zitten, iets onheilspellends. ‘Scarlet Town’ lijkt Dylan’s versie van Sodom dan wel Gomorra (de Bijbelse tweelingsteden die hij maar al te goed zal kennen); een onguur oord waar allerlei zaken gebeuren die het daglicht niet verdragen (Set ‘em Joe, play “Walkin’ the Floor”; play it for my flat-chested junkie whore) . Tegelijkertijd is het een plaats van hoop, waar universele waarheden hoogtij vieren (If love is a sin, then beauty is a crime; all things are beautiful in their time). Het is, al bij al, een paradox: The evil and the good livin’ side by side.
Het volgende nummer, ‘Early Roman Kings’, is zwaar onderhevig aan de blues van Muddy Waters, en klinkt simpelweg als een rip-off. Dat zal het, hoogstwaarschijnlijk, ook wel zijn, maar dat Dylan niet eens een bron of inspiratie vermeld, toont nog maar eens zijn rebelse en tegendraadse karakter. Mooi is het misschien niet, maar goed. ‘Early Roman Kings’ valt echter, net als ‘Narrow Way’ (dat me ook wel wat aan Waters doet denken) een beetje uit de toon, en daarmee ook uit de boot; het zwakste nummer van de plaat.
Laat dat de feestvreugde vooral niet ondermijnen, want met ‘Tin Angel’ toont Dylan meteen daarna dan weer het andere uiteinde van zijn kunnen. Waar ‘Scarlet Town’ op een schoorvoetende manier sinister klinkt, wordt op ‘Tin Angel’ niets aan het toeval overgelaten; de hele song ademt iets onguurs. Dat bedoel ik geenszins negatief, want dat geeft de song meteen ook heel veel ziel en drive. Bovendien is Dylan ook tekstueel weer op de top van zijn kunnen; die eerste strofe alleen al:
It was late last night when the boss came home;
To a deserted mansion and a desolate throne;
Servant said: “Boss, the lady’s gone;
She left this morning just ‘fore dawn”.
Dylan moet ongelooflijk geïnspireerd zijn geweest, want met de tekst van ‘Tin Angel’ kan je een heel aantal vellen vullen. Dat vind ik vaak zo mooi aan Dylan; dat hij geen kortaangebonden teksten schrijft, zijn heil veelal zoekt in woordspelletjes en niet vervalt in clichés. Akkoord, hij heeft z’n mindere periodes gehad (wie heeft die niet in ruim vijftig jaar?), maar dit is toch wel uitzonderlijk sterk.
‘Tin Angel’ blijkt op dat vlak echter slechts een opmaat voor de ware krachttoer van het album; de titeltrack, een epische vertelling over de ramp met de Titanic. Het was overigens op basis van deze albumtitel dat critici ervan uitgingen dat het Dylan’s laatste plaat zou worden; ‘The Tempest’ was namelijk ook Shakespeare’s laatste stuk. Dylan ontkrachtte dat gericht echter, door te stellen dat het aan- of afwezig zijn van het bepaald lidwoord van groot belang was. Hij zou ook nog gelijk krijgen, getuige zijn nieuwe album (dat echter wel uit covers bestaat).
Maar goed, het titelnummer dus. Tja, wat kan je daar nou nog over vertellen? In mijn ogen is dit gewoon een weergaloze song, een lange eulogie aan vermaarde, vergane gigant uit het verleden. Ik zet ‘m in het rijtje ‘Desolation Row’ / ‘Sad-Eyed Lady of the Lowlands’, met het risico op kritiek. Een belangrijk verschil met bijvoorbeeld ‘Desolation Row’ is echter dat deze tekst een veel realistischer karakter heeft, waar ‘Desolation Row’ een unieke melange van impressionisme en surrealisme is, met culturele referenties à gogo. Of Dylan zich voor de personages op feiten heeft gebaseerd, of het volledig eigen hersenspinsels zijn, laat ik in het midden; ik ervaar de tekst het liefst met een zo vrij mogelijke interpretatie; mijn eigen fantasie mag er ook nog iets aan hebben, toch?
Muzikaal wordt de tekst van Dylan mooi van opsmuk voorzien, en ik ontwaar ook een Keltisch tintje. Niet gek, daar het luxeschip in Southampton aanmeerde, en van daar onwetend op zijn eigen ondergang afstevende. Het nummer bestaat uit exact 45 strofes, en slaagt er op uiterst verdienstelijke wijs in gedurende bijna een vol kwartier geen seconde te vervelen. Als ik dan al ‘ns een occasioneel traantje laat, is het uit ontroering: Jim Backus smiled, he never learned to swim; saw the little cripple child, and he gave his seat to him.
De afsluiter van het album is een eerbetoon aan een andere legendarische songsmid, John Lennon. Jammer genoeg werd hij veel te vroeg uit het leven gerukt, door een klojo die toevallig ‘The Catcher in the Rye’ van J.D. Salinger had gelezen. ‘Roll on John’ staat bol van de referenties, en verwijst onder andere naar ‘A Day in the Life’ (I heard the news today, oh boy), de heimat van Lennon (From the Liverpool docks to the red light Hamburg streets) en speelt ook wat met de oude bandnaam van The Beatles (Down in the quarry with the Quarrymen). Bovendien is het fragment “Playing to the big crowds, playing to the cheap seats” volgens mij een slimme verwijzing naar Lennon’s beroemde opruiende quote:
‘Roll on John’ is een mooie afsluiter, majestueus en raak. Een sonate van de ene Meester aan de Andere. Met hoofdletter.
Met ‘Tempest’ bewees Dylan in 2012 nog lang niet stuk te zijn. We zijn nu drie jaar verder, en echt nieuw geschreven materiaal is er sindsdien niet meer uitgekomen. De kwaliteit van deze CD doet mij echter nog steeds hopen op een nieuw album, met teksten van Dylan’s hand, en een instrumentele inkadering door rasmuzikanten waar Dylan zich goed mee kan amuseren. Want dat spreekt toch ook wel boekdelen, als je het album hebt beluisterd. Ik hoor geen uitgebluste, afgeschreven oudje; ik hoor een vitale, levenslustige muzikant en schrijver in hart en nieren.
4,5 sterren
De cover-art van het album is opvallend zwoel. De hoes lijkt een haast smachtende vrouw af te beelden, ingekleurd met passionele tinten. Dat sluit wel aan bij enkele songs, zoals het beklemmende ‘Scarlet Town’ en ‘Soon After Midnight’. Op de achterkant staat een foto van Dylan – met coole zonnebril – aan het stuur van een Amerikaanse cabrio. Een subtiele hint, want de muziek klinkt op en top Amerikaans, en Dylan snuistert als vanouds, hoewel alles helderder klinkt (lees: de drassige moerassound van vooral ‘Modern Times’ is van het voorplan verdwenen), in de back catalogue van zijn muzikale hinterland en folkloristische roots. Zo mag ik hem in ieder geval héél graag horen.
Ook de muzikanten die hij heeft opgetrommeld om hem bij te staan (Dylan heeft wat de productie betreft weer zelf de honneurs waargenomen), mogen er wezen. Alleskunner David Hidalgo van Los Lobos is er weer bij, en ook de andere musici (onder andere Tony Garnier op bas en Charlie Sexton op gitaar) zijn beproefde sessiemuzikanten. De instrumentale ondersteuning is dan ook top, wat altijd belangrijk is, want hiermee wordt alvast de basis van een goeie plaat gelegd, en dat beseft Dylan als geen ander.
Wat meteen bij de eerste tonen van ‘Duquesne Whistle’ opvalt, is dat Dylan nog lang niet versleten is. Meer zelfs, de man lijkt nog wel een plaat of vijf in zich te hebben. Ik kan me nog goed de videoclip van dat nummer voor de geest halen. Daarin zagen we Dylan door de straten kolken met een soort posse; uiterst vermakelijk. Laten we echter de essentie daarbij niet vergeten; ‘Duquesne Whistle’ is een steengoede single. Met dank aan Dylan’s maatje Robert Hunter, die nog eens mocht meeschrijven. De groove die het nummer draagt, is haast onweerstaanbaar.
Daarna wordt er met ‘Soon After Midnight’ wat gas teruggenomen; resultaat is een tragere song, die me wel met gemak weet in te palmen. Dylan betoont zich op tekstueel vlak een romantische ziel, met zinsneden als I’m searching for phrases, to sing your praises. De tekst wordt echter steeds donkerder, van gevaar (A gal named Honey, took my money; she was passing by) over onheil (They lie and dine in their blood / I’ll drag his corpse through the mud) naar pure desolaatheid (It’s soon after midnight; and I don’t want nobody but you). Dylan draaft zo in minder dan 4 minuten over een scala aan gevoelens, en blijkt zo nog steeds in staat veel van zichzelf in één liedje te steken, zodat het een vertederend, onthutsend karakter krijgt.
‘Narrow Way’ heeft weer een wat vinniger karakter, maar heeft nooit tot mijn favorieten behoord. Het past iets minder in de geest van het album, heb ik altijd het gevoel. Daar hoeft niemand het verder mee eens te zijn, het is slechts een gevoel. ‘Long and Wasted Years’ is dan weer een ander paar mouwen. Deze song is weer wat korter, maar waar andere artiesten hun kortere songs steevast met pinnetjes bedekken, doet Dylan het omgekeerde; een zacht, tot contemplatie uitnodigend nummer is het resultaat. Hier horen we ook een eerste verwijzing naar The Beatles (Shake it up baby, twist and shout), die verder op de plaat (en in het bijzonder John Lennon) nog aan bod zullen komen.
Dan komen we aan bij een ware tekstuele hoogvlieger, en omdat het ook instrumenteel heel erg snor zit (denk Zappa, of anders David Crosby), is dit gewoon één van Dylan’s beste nummers sinds ‘Blood on the Tracks’. Een gewaagde uitspraak, ik weet het, ik zal ze dan ook wat toedichten. De sfeer die door de muzikanten wordt geschept, houdt het midden tussen kabbelend en gejaagd, maar ook weer niet exact het midden. Er wordt soms een stukje buiten de lijntjes gekleurd (vooral de elektrische gitaar en bas tonen zich hier grootmeesters in). De tekst van Dylan is opvallend bijtend, met de slagzin I pay in blood, but not my own als filosofisch fundament. Vooral onderstaande strofe vind ik markant:
Another politician pumping out the piss;
Another angry beggar blowing you a kiss;
You got the same eyes that your mother does;
If only you could prove who your father was;
Someone must have slipped a drug in your wine;
You gulped it down and you cross the line;
Man can’t live by bread alone;
I pay in blood, but not my own.
Meesterlijk, waarlijk. En zo gaat het maar door. De bittere schoonheid van het nummer heeft iets onbeschrijfelijks, zoals de meeste bijzondere songs. Ik laat verdere analyse dan ook achterwege, en kies ervoor om de magie zijn werk te laten doen, en er gewoon van te genieten.
‘Scarlet Town’ doet karakteristiek, zoals eerder gezegd, denken aan de hoes, maar heeft een dubbele bodem. De begeleiding zorgt namelijk ook voor iets sinisters. Die dreigende echo van een viool op de achtergrond mist zijn effect niet, en zelfs het mandolinespel heeft, als je er even voor gaat zitten, iets onheilspellends. ‘Scarlet Town’ lijkt Dylan’s versie van Sodom dan wel Gomorra (de Bijbelse tweelingsteden die hij maar al te goed zal kennen); een onguur oord waar allerlei zaken gebeuren die het daglicht niet verdragen (Set ‘em Joe, play “Walkin’ the Floor”; play it for my flat-chested junkie whore) . Tegelijkertijd is het een plaats van hoop, waar universele waarheden hoogtij vieren (If love is a sin, then beauty is a crime; all things are beautiful in their time). Het is, al bij al, een paradox: The evil and the good livin’ side by side.
Het volgende nummer, ‘Early Roman Kings’, is zwaar onderhevig aan de blues van Muddy Waters, en klinkt simpelweg als een rip-off. Dat zal het, hoogstwaarschijnlijk, ook wel zijn, maar dat Dylan niet eens een bron of inspiratie vermeld, toont nog maar eens zijn rebelse en tegendraadse karakter. Mooi is het misschien niet, maar goed. ‘Early Roman Kings’ valt echter, net als ‘Narrow Way’ (dat me ook wel wat aan Waters doet denken) een beetje uit de toon, en daarmee ook uit de boot; het zwakste nummer van de plaat.
Laat dat de feestvreugde vooral niet ondermijnen, want met ‘Tin Angel’ toont Dylan meteen daarna dan weer het andere uiteinde van zijn kunnen. Waar ‘Scarlet Town’ op een schoorvoetende manier sinister klinkt, wordt op ‘Tin Angel’ niets aan het toeval overgelaten; de hele song ademt iets onguurs. Dat bedoel ik geenszins negatief, want dat geeft de song meteen ook heel veel ziel en drive. Bovendien is Dylan ook tekstueel weer op de top van zijn kunnen; die eerste strofe alleen al:
It was late last night when the boss came home;
To a deserted mansion and a desolate throne;
Servant said: “Boss, the lady’s gone;
She left this morning just ‘fore dawn”.
Dylan moet ongelooflijk geïnspireerd zijn geweest, want met de tekst van ‘Tin Angel’ kan je een heel aantal vellen vullen. Dat vind ik vaak zo mooi aan Dylan; dat hij geen kortaangebonden teksten schrijft, zijn heil veelal zoekt in woordspelletjes en niet vervalt in clichés. Akkoord, hij heeft z’n mindere periodes gehad (wie heeft die niet in ruim vijftig jaar?), maar dit is toch wel uitzonderlijk sterk.
‘Tin Angel’ blijkt op dat vlak echter slechts een opmaat voor de ware krachttoer van het album; de titeltrack, een epische vertelling over de ramp met de Titanic. Het was overigens op basis van deze albumtitel dat critici ervan uitgingen dat het Dylan’s laatste plaat zou worden; ‘The Tempest’ was namelijk ook Shakespeare’s laatste stuk. Dylan ontkrachtte dat gericht echter, door te stellen dat het aan- of afwezig zijn van het bepaald lidwoord van groot belang was. Hij zou ook nog gelijk krijgen, getuige zijn nieuwe album (dat echter wel uit covers bestaat).
Maar goed, het titelnummer dus. Tja, wat kan je daar nou nog over vertellen? In mijn ogen is dit gewoon een weergaloze song, een lange eulogie aan vermaarde, vergane gigant uit het verleden. Ik zet ‘m in het rijtje ‘Desolation Row’ / ‘Sad-Eyed Lady of the Lowlands’, met het risico op kritiek. Een belangrijk verschil met bijvoorbeeld ‘Desolation Row’ is echter dat deze tekst een veel realistischer karakter heeft, waar ‘Desolation Row’ een unieke melange van impressionisme en surrealisme is, met culturele referenties à gogo. Of Dylan zich voor de personages op feiten heeft gebaseerd, of het volledig eigen hersenspinsels zijn, laat ik in het midden; ik ervaar de tekst het liefst met een zo vrij mogelijke interpretatie; mijn eigen fantasie mag er ook nog iets aan hebben, toch?
Muzikaal wordt de tekst van Dylan mooi van opsmuk voorzien, en ik ontwaar ook een Keltisch tintje. Niet gek, daar het luxeschip in Southampton aanmeerde, en van daar onwetend op zijn eigen ondergang afstevende. Het nummer bestaat uit exact 45 strofes, en slaagt er op uiterst verdienstelijke wijs in gedurende bijna een vol kwartier geen seconde te vervelen. Als ik dan al ‘ns een occasioneel traantje laat, is het uit ontroering: Jim Backus smiled, he never learned to swim; saw the little cripple child, and he gave his seat to him.
De afsluiter van het album is een eerbetoon aan een andere legendarische songsmid, John Lennon. Jammer genoeg werd hij veel te vroeg uit het leven gerukt, door een klojo die toevallig ‘The Catcher in the Rye’ van J.D. Salinger had gelezen. ‘Roll on John’ staat bol van de referenties, en verwijst onder andere naar ‘A Day in the Life’ (I heard the news today, oh boy), de heimat van Lennon (From the Liverpool docks to the red light Hamburg streets) en speelt ook wat met de oude bandnaam van The Beatles (Down in the quarry with the Quarrymen). Bovendien is het fragment “Playing to the big crowds, playing to the cheap seats” volgens mij een slimme verwijzing naar Lennon’s beroemde opruiende quote:
For those of you in the cheap seats I'd like you to clap your hands to this one; the rest of you can just rattle your jewelry!
‘Roll on John’ is een mooie afsluiter, majestueus en raak. Een sonate van de ene Meester aan de Andere. Met hoofdletter.
Met ‘Tempest’ bewees Dylan in 2012 nog lang niet stuk te zijn. We zijn nu drie jaar verder, en echt nieuw geschreven materiaal is er sindsdien niet meer uitgekomen. De kwaliteit van deze CD doet mij echter nog steeds hopen op een nieuw album, met teksten van Dylan’s hand, en een instrumentele inkadering door rasmuzikanten waar Dylan zich goed mee kan amuseren. Want dat spreekt toch ook wel boekdelen, als je het album hebt beluisterd. Ik hoor geen uitgebluste, afgeschreven oudje; ik hoor een vitale, levenslustige muzikant en schrijver in hart en nieren.
4,5 sterren
Bob Dylan - The Freewheelin' Bob Dylan (1963)

4,5
0
geplaatst: 28 maart 2011, 21:54 uur
Na zijn debuut werd het stilaan tijd voor het echte werk, al mag dat debuut zeker niet onderschat worden. Bob Dylan wist enkele mooie liedjes nog mooier te maken in zijn haastige, energieke stijl, die toen zijn handelsmerk was. Ook liet hij zien geen onbegaafd songwriter te zijn, waarvan ‘Talkin’ New York’ en ‘Song To Woody’ het bewijs zijn. Maar goed, in vergelijking met zijn tweede langspeler, ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’, was dat slecht aardig voorspel. Want zijn tweede, dat is meteen één van de beste platen die deze man gemaakt heeft.
‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ is opgebouwd in dezelfde stijl als zijn debuut, de bouwstenen zijn namelijk Dylan’s snerpende doch charismatische zang, zijn fluks gitaarspel en snijdende mondharmonica. Daar wordt nu nog een extra ingrediënt aan toegevoegd: zijn geweldige teksten. Dylan is in mijn ogen (en velen zijn het daarmee eens) één van de grote singer-songwriters, genre Leonard Cohen, Neil Young en Tom Waits, en persoonlijk plaats ik Dylan nog net een trapje hoger. Dat hij een plaat als deze niet eens zo lang na zijn 20ste verjaardag wist te maken, is werkelijk verbijsterend. Er staan een handvol meesterwerkjes op, en dat is zeker geen sinecure. ‘Blowin’ In The Wind’ is waarschijnlijk één van de bekendste songs van Dylan, maar niet het beste wat deze plaat te bieden heeft. Een protestsong is het, van nog geen drie minuten, maar wel enorm meeslepend, vind ik.
‘Girl From The North Country’ kent een fantastische tekst, en klinkt als een liefdesliedje. Misschien een ode aan een lang vervlogen liefde, toen hij nog “in het noorden” woonde. Of een liedje voor Suze Rotolo, die recent jammer genoeg van ons heengegaan is, en samen met Dylan op de cover van deze plaat staat. ‘Masters Of War’ is buitengewoon scherp, een AANKLACHT, in hoofdletters. Je hoort duidelijk dat Dylan een flinke afkeer heeft van het gepeupel waar hij het over heeft in deze song, de afschuw klinkt gewoon door in z’n stem. ‘Down The Highway’ is een bluesje, zoals hij er wel meer heeft geschreven. Zwak is het allerminst, net wat minder dan voorgaande nummers, dat wel. ‘Bob Dylan’s Blues’ vind ik niet echt “blues” klinken, het gitaarspel en de vinnige mondharmonica maken het eerder swingend klinken bij momenten.
Dan volgt een magisch duo, twee songs die, als ik ze afspeel, me helemaal lyrisch maken. Dylan die z’n verhaal doet is Dylan op z’n best. In de tekst van ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’ is al een spoor van de latere Dylan te bemerken, van zijn raadselachtige doch wonderschone poëzie op platen als ‘Highway 61 Revisited’ en ‘Blonde On Blonde’. Het leuke aan Dylan is dat je nooit echt weet wat hij exact bedoelt, zonder echt irriterend vaag te worden. Dat heb ik altijd al intrigerend gevonden aan ’s mans liederen. Volgens mij is het ook gewoon een enigmatisch man. ‘Don’t Think Twice, It’s All Right’ sluit qua onderwerp een beetje aan bij ‘Girl From The North Country’; het is ook zo’n liefdesliedje met een treurige inslag, zoals alleen Dylan dat kan. De relatie heeft niet stand gehouden, kan ik eruit opmaken, en wiens schuld dat is, laat Dylan wijselijk in het midden.
‘Bob Dylan’s Dream’ maakt voor mij duidelijk dat Dylan het op die moment niet al te breed had, en droomde van een beter leven, een onbezorgder leven ook. Zwart op wit kan je het natuurlijk niet aflezen uit zijn tekst, maar dat is dan ook eigen aan Dylan. Een activist is Dylan eigenlijk ook wel altijd geweest, denk ik, maar dan op zijn geheel eigen manier. ‘Oxford Town’ mag dan op het eerste gehoor klinken als een simpel nummertje, een brug van de ene kolos (‘Bob Dylan’s Dream’) naar de andere (‘Talking World War III Blues’), maar dat is het niet. Dylan heeft het onder andere over discriminatie jegens de zwarte medemens, schrijnend eigenlijk.
‘Talkin’ World War III Blues’ is stiekem misschien wel mijn favoriet der favorieten op deze plaat. Een schoolvoorbeeld van hoe geniaal deze man wel niet is in tekstschrijverij. Wat een verhaal, verzin het maar eens. En ook qua frasering, bijna nonchalant klinkt hij, als een profeet die het allemaal wel weet. Geniaal nummer gewoon, Dylan onder stoom, prachtig. Bij momenten zou je denken dat Dylan de allereerste rapper was. De volgende twee nummers liggen me net wat minder, maar zijn desalniettemin erg fraai. ‘Corrina, Corrina’ klinkt erg relaxed, heeft een haast nietszeggende tekst, maar Dylan komt er natuurlijk mee weg. ‘Honey, Just Allow Me One More Chance’ is een stuk vinniger en sneller, Dylan amuseert zich hoorbaar en raakt bijna buiten adem.
Gelukkig heeft hij nog wat adem opgespaard, anders hadden we die laatste song niet meer gehad. En dat zou echt doodzonde geweest zijn. ‘I Shall Be Free’ klinkt ook echt als vrijheid, de tekst is wederom van een erg hoog niveau, bizar op z’n eigen wijze. Deze strofe wil ik u niet onthouden, en is wat mij betreft een beetje representatief voor Dylan’s geweldige gevoel voor humor.
“Well, my Telephone rang, it would not stop;
It’s President Kennedy calling me up;
He said: “My friend Bob, what do we need to make the country grow?”;
I said: “My friend John, Brigitte Bardot,
Anita Ekberg, Sophia Loren;
Country’ll grow.””
Ik heb hier weer veel te veel geschreven waarschijnlijk, maar deze plaat verdient wat mij betreft bergen aandacht. Muzikaal is het misschien veelal simpel, maar toch erg doeltreffend en het raakt me gewoon enorm, in combinatie met Dylan’s grote wapen, zijn teksten. Zijn stem, tja, er zijn mensen die zich daarop kapot focussen, maar dat doe ik niet, ik kan het eigenlijk wel hebben, meer nog, ik ben er gewoon gek op. Het maakt van hem een uniek artiest, nog meer dan hij al was. En wat die meesterwerkjes betreft.. als je dit stukje tekst aandachtig hebt gelezen, zal je wel weten welke nummers ik bedoel.
4,5 sterren
‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ is opgebouwd in dezelfde stijl als zijn debuut, de bouwstenen zijn namelijk Dylan’s snerpende doch charismatische zang, zijn fluks gitaarspel en snijdende mondharmonica. Daar wordt nu nog een extra ingrediënt aan toegevoegd: zijn geweldige teksten. Dylan is in mijn ogen (en velen zijn het daarmee eens) één van de grote singer-songwriters, genre Leonard Cohen, Neil Young en Tom Waits, en persoonlijk plaats ik Dylan nog net een trapje hoger. Dat hij een plaat als deze niet eens zo lang na zijn 20ste verjaardag wist te maken, is werkelijk verbijsterend. Er staan een handvol meesterwerkjes op, en dat is zeker geen sinecure. ‘Blowin’ In The Wind’ is waarschijnlijk één van de bekendste songs van Dylan, maar niet het beste wat deze plaat te bieden heeft. Een protestsong is het, van nog geen drie minuten, maar wel enorm meeslepend, vind ik.
‘Girl From The North Country’ kent een fantastische tekst, en klinkt als een liefdesliedje. Misschien een ode aan een lang vervlogen liefde, toen hij nog “in het noorden” woonde. Of een liedje voor Suze Rotolo, die recent jammer genoeg van ons heengegaan is, en samen met Dylan op de cover van deze plaat staat. ‘Masters Of War’ is buitengewoon scherp, een AANKLACHT, in hoofdletters. Je hoort duidelijk dat Dylan een flinke afkeer heeft van het gepeupel waar hij het over heeft in deze song, de afschuw klinkt gewoon door in z’n stem. ‘Down The Highway’ is een bluesje, zoals hij er wel meer heeft geschreven. Zwak is het allerminst, net wat minder dan voorgaande nummers, dat wel. ‘Bob Dylan’s Blues’ vind ik niet echt “blues” klinken, het gitaarspel en de vinnige mondharmonica maken het eerder swingend klinken bij momenten.
Dan volgt een magisch duo, twee songs die, als ik ze afspeel, me helemaal lyrisch maken. Dylan die z’n verhaal doet is Dylan op z’n best. In de tekst van ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’ is al een spoor van de latere Dylan te bemerken, van zijn raadselachtige doch wonderschone poëzie op platen als ‘Highway 61 Revisited’ en ‘Blonde On Blonde’. Het leuke aan Dylan is dat je nooit echt weet wat hij exact bedoelt, zonder echt irriterend vaag te worden. Dat heb ik altijd al intrigerend gevonden aan ’s mans liederen. Volgens mij is het ook gewoon een enigmatisch man. ‘Don’t Think Twice, It’s All Right’ sluit qua onderwerp een beetje aan bij ‘Girl From The North Country’; het is ook zo’n liefdesliedje met een treurige inslag, zoals alleen Dylan dat kan. De relatie heeft niet stand gehouden, kan ik eruit opmaken, en wiens schuld dat is, laat Dylan wijselijk in het midden.
‘Bob Dylan’s Dream’ maakt voor mij duidelijk dat Dylan het op die moment niet al te breed had, en droomde van een beter leven, een onbezorgder leven ook. Zwart op wit kan je het natuurlijk niet aflezen uit zijn tekst, maar dat is dan ook eigen aan Dylan. Een activist is Dylan eigenlijk ook wel altijd geweest, denk ik, maar dan op zijn geheel eigen manier. ‘Oxford Town’ mag dan op het eerste gehoor klinken als een simpel nummertje, een brug van de ene kolos (‘Bob Dylan’s Dream’) naar de andere (‘Talking World War III Blues’), maar dat is het niet. Dylan heeft het onder andere over discriminatie jegens de zwarte medemens, schrijnend eigenlijk.
‘Talkin’ World War III Blues’ is stiekem misschien wel mijn favoriet der favorieten op deze plaat. Een schoolvoorbeeld van hoe geniaal deze man wel niet is in tekstschrijverij. Wat een verhaal, verzin het maar eens. En ook qua frasering, bijna nonchalant klinkt hij, als een profeet die het allemaal wel weet. Geniaal nummer gewoon, Dylan onder stoom, prachtig. Bij momenten zou je denken dat Dylan de allereerste rapper was. De volgende twee nummers liggen me net wat minder, maar zijn desalniettemin erg fraai. ‘Corrina, Corrina’ klinkt erg relaxed, heeft een haast nietszeggende tekst, maar Dylan komt er natuurlijk mee weg. ‘Honey, Just Allow Me One More Chance’ is een stuk vinniger en sneller, Dylan amuseert zich hoorbaar en raakt bijna buiten adem.
Gelukkig heeft hij nog wat adem opgespaard, anders hadden we die laatste song niet meer gehad. En dat zou echt doodzonde geweest zijn. ‘I Shall Be Free’ klinkt ook echt als vrijheid, de tekst is wederom van een erg hoog niveau, bizar op z’n eigen wijze. Deze strofe wil ik u niet onthouden, en is wat mij betreft een beetje representatief voor Dylan’s geweldige gevoel voor humor.
“Well, my Telephone rang, it would not stop;
It’s President Kennedy calling me up;
He said: “My friend Bob, what do we need to make the country grow?”;
I said: “My friend John, Brigitte Bardot,
Anita Ekberg, Sophia Loren;
Country’ll grow.””
Ik heb hier weer veel te veel geschreven waarschijnlijk, maar deze plaat verdient wat mij betreft bergen aandacht. Muzikaal is het misschien veelal simpel, maar toch erg doeltreffend en het raakt me gewoon enorm, in combinatie met Dylan’s grote wapen, zijn teksten. Zijn stem, tja, er zijn mensen die zich daarop kapot focussen, maar dat doe ik niet, ik kan het eigenlijk wel hebben, meer nog, ik ben er gewoon gek op. Het maakt van hem een uniek artiest, nog meer dan hij al was. En wat die meesterwerkjes betreft.. als je dit stukje tekst aandachtig hebt gelezen, zal je wel weten welke nummers ik bedoel.
4,5 sterren
Bob Dylan - The Times They Are A-Changin' (1964)

4,0
0
geplaatst: 21 april 2011, 20:00 uur
Na 'The Freewheelin' Bob Dylan' bleef Dylan een beetje ter plaatse trappelen met de release van 'The Times They Are A-Changin''. Muzikaal klinkt het vrijwel hetzelfde, iets minder zelfs dan de vorige plaat; tekstueel is het meer gericht op de protestbeweging, met natuurlijk de titelsong als bekendste voorbeeld. Dit nummer is tekstueel erg fraai, mooie zinsstructuur ook, die een beetje typisch is voor Dylan: "Come mothers and fathers throughout the land; and don't criticize what you can't understand; your sons and your daughters are beyond your command; your old road is rapidly agin'; please get out of the new one, if you can't lend your hand; for the times, they are a-changin'".
Verder is het vooral op tekstueel gebied dat de accenten misschien wat verlegd zijn, zoals ik al eerder aanhaalde. Kritiek op deze plaat kan zijn dat ie te saai klinkt, en ja, misschien is dat ook wel zo, net dat tikkeltje saaier en minder opwindend dan voorganger 'The Freewheelin' Bob Dylan', en niet zo rauw en spontaan als zijn debuut. 'With God On Our Side' doet me denken aan 'Pub With No Beer', het nummer waarop Bobbejaan Schoepen zijn 'Café zonder Bier' baseerde. Om het echt te gaan vergelijken met dat nummer, gaat me te ver, maar het heeft er toch iets van.
Het zijn allemaal vrij simpele liedjes qua melodie; akoestische gitaar, mondharmonica en de stem van Dylan, die zich bij vlagen toch weer ongelooflijk weet in te leven. Het valt me ook op dat deze plaat een pak serieuzer klinkt dan de vorige, waarop hij toch meer gekscheerde. Ik hou van de gekscherende Dylan, maar wat dat betreft komt mijn deel nog wel met de volgende platen. Dit is een plaat die we moeten respecteren, en de reacties erop (Dylan werd gezien als de voorganger van de protestbeweging in Amerika dankzij onder andere de titelsong) hebben misschien wel indirect geleid tot de omslag in Dylan's oeuvre, waardoor hij later geniale platen maakte, zoals 'Highway 61 Revisited' en 'Blonde On Blonde'.
'One Too Many Mornings' vind ik een geweldig schoon nummer, en het bewijst tevens nog maar eens dat Dylan de kunst der liefdesliedjes schrijven ook onder de knie heeft. Weliswaar klinkt dit nog wat zoet, en nog niet zo bitter als op 'Blood On The Tracks', maar Dylan was ten tijde van 'The Times They Are A-Changin'' nog vrij jong, en het was nog maar zijn derde plaat, dus dat is enigszins te begrijpen. 'Only A Pawn In Their Game' is qua onderwerp weer helemaal anders; hij uit kritiek op politiek, in het bijzonder de politiek die werd gevoerd tegen zwarten. Zo wordt in de eerste strofe het verhaal gedaan van Medgar Evers, Afro-Amerikaanse burgerrechtenactivist, die werd vermoord door een blanke. Dylan heeft duidelijk veel respect voor Evers, en doet z'n verhaal met veel inleving. De laatste strofe gaat over de begrafenis van Evers, "They lowered him down as a king". Ontroerend mooi, eigenlijk.
'Ballad Of Hollis Brown' doet het uiterst aandoenlijke verhaal van een arme boer uit South Dakota, die uit pure wanhoop, omdat hij niets meer heeft, zijn gezin doodt, om daarna zichzelf van het leven te beroven. Muzikaal is het misschien simplistisch, een bluesje, maar tekstueel is dit zo zwaar. Het geeft een authentiek beeld van de tekortkomingen van de Amerikaanse maatschappij, en van de kwetsbaarheid van de inwoners.
'When The Ship Comes In' is, na het aan 'Girl Of The North Country' refererende 'Boots Of Spanish Leather' een verademing. Het is eigenlijk een beetje een vreemde eend in de bijt; net wat sneller gespeeld, nijdigere mondharmonica.
'The Lonesome Death Of Hattie Carroll' is er weer eentje in de categorie van bijtend pijnlijke trieste songs over wat er allemaal verkeerd gaat. Dylan neemt het weer maar eens op voor de zwarte medemens, een dappere, lovenswaardige daad. Hattie Carroll werd vermoord door een rijke tabakboer, William Zanzinger. De manier waarop Dylan zijn verhaal doet, is geweldig aangrijpend. Hij wijst het blanke ras met de vinger, en verwerpt racisme. Erg intens is ook de strofe waarin hij het heeft over het leven dat Hattie Carroll leidde; als keukenmeid was zij de moeder van tien kinderen, "who carried the dishes and took out the garbage; and never sat once at the head of the table; and didn't even talk to the people at the table; who just cleaned up all the food from the table", een braaf mens ook: "and she never done nothing to William Zanzinger". Wat ook opmerkelijk is, is het feit dat Dylan de namen van de hoofdrolspelers gewoonweg noemt, wat heel direct overkomt. Maar dat is gewoon de enige juiste manier om de boodschap door te laten dringen.
Afsluiter is het trage 'Restless Farewell', en uit de tekst is op te maken dat Dylan een twijfelachtige persoon is, met veel onzekerheden, wat leidt tot een zekere vorm van rusteloosheid. Een van de mindere nummers toch wel, samen met 'Boots Of Spanish Leather'. Maar het vormt helemaal geen smet op deze uitstekende plaat, die druipt van de goeie teksten en doordrongen is van een soort hardnekkigheid om te weigeren het leven uit handen te geven; desondanks alle gruwelijke dingen waarover Dylan het heeft, blijft er altijd wel een sprankeltje hoop hangen, al klinkt die meestal ironisch, zoals de laatste strofe van 'Ballad Of Hollis Brown': "There's seven people dead; on a South Dakota farm; somewhere in the distance; there's seven new people born".
Tot slot wil ik het nog even hebben over de tekst van 'With God On Our Side', waarin hij een chronologisch overzicht geeft van enkele gruwelfeiten uit de geschiedenis van onze planeet; gevolgd door de laatste twee strofen, over Judas Iskariot en zijn vrees voor een volgende oorlog. Dit heeft hij bijvoorbeeld te zeggen over WO II:
"When the Second World War, came to an end;
We forgave the Germans, and then we were friends;
Though they murdered six millions, in the ovens they fried;
The Germans now too have, God on their side."
In vrij simpele bewoordingen legt Dylan hier naar mijn mening de oorzaak van aanhoudende conflicten bloot; zoals de lakse houding van de geallieerden er toch ook voor een deel voor zorgde dat Hitler kon herbewapenen en WO II beginnen, zo vreesde Dylan dat dit zich zou herhalen, als men weer te laks zou zijn. Gelukkig is dat niet gebeurd, ook omdat de VN een stabielere instantie is dan de Volkenbond, die stond nog niet helemaal op punt, en mensen leren altijd uit hun fouten. Maar goed, dit is geen geschiedenisforum, dus.. Om mijn punt maar te maken.
Met zijn derde plaat maakt Dylan niet echt vooruitgang op muzikaal vlak, en waarschijnlijk was hij daar toen ook nog helemaal klaar voor. Tekstueel verlegt hij de accenten lichtjes, en neemt hij het nog meer op voor de onderdrukte Afro-Amerikaanse gemeenschap van Amerika. Erg puike plaat, die het net niet haalt bij zijn voorganger, en dus logischerwijs een halfje minder krijgt.
4 sterren
Verder is het vooral op tekstueel gebied dat de accenten misschien wat verlegd zijn, zoals ik al eerder aanhaalde. Kritiek op deze plaat kan zijn dat ie te saai klinkt, en ja, misschien is dat ook wel zo, net dat tikkeltje saaier en minder opwindend dan voorganger 'The Freewheelin' Bob Dylan', en niet zo rauw en spontaan als zijn debuut. 'With God On Our Side' doet me denken aan 'Pub With No Beer', het nummer waarop Bobbejaan Schoepen zijn 'Café zonder Bier' baseerde. Om het echt te gaan vergelijken met dat nummer, gaat me te ver, maar het heeft er toch iets van.
Het zijn allemaal vrij simpele liedjes qua melodie; akoestische gitaar, mondharmonica en de stem van Dylan, die zich bij vlagen toch weer ongelooflijk weet in te leven. Het valt me ook op dat deze plaat een pak serieuzer klinkt dan de vorige, waarop hij toch meer gekscheerde. Ik hou van de gekscherende Dylan, maar wat dat betreft komt mijn deel nog wel met de volgende platen. Dit is een plaat die we moeten respecteren, en de reacties erop (Dylan werd gezien als de voorganger van de protestbeweging in Amerika dankzij onder andere de titelsong) hebben misschien wel indirect geleid tot de omslag in Dylan's oeuvre, waardoor hij later geniale platen maakte, zoals 'Highway 61 Revisited' en 'Blonde On Blonde'.
'One Too Many Mornings' vind ik een geweldig schoon nummer, en het bewijst tevens nog maar eens dat Dylan de kunst der liefdesliedjes schrijven ook onder de knie heeft. Weliswaar klinkt dit nog wat zoet, en nog niet zo bitter als op 'Blood On The Tracks', maar Dylan was ten tijde van 'The Times They Are A-Changin'' nog vrij jong, en het was nog maar zijn derde plaat, dus dat is enigszins te begrijpen. 'Only A Pawn In Their Game' is qua onderwerp weer helemaal anders; hij uit kritiek op politiek, in het bijzonder de politiek die werd gevoerd tegen zwarten. Zo wordt in de eerste strofe het verhaal gedaan van Medgar Evers, Afro-Amerikaanse burgerrechtenactivist, die werd vermoord door een blanke. Dylan heeft duidelijk veel respect voor Evers, en doet z'n verhaal met veel inleving. De laatste strofe gaat over de begrafenis van Evers, "They lowered him down as a king". Ontroerend mooi, eigenlijk.
'Ballad Of Hollis Brown' doet het uiterst aandoenlijke verhaal van een arme boer uit South Dakota, die uit pure wanhoop, omdat hij niets meer heeft, zijn gezin doodt, om daarna zichzelf van het leven te beroven. Muzikaal is het misschien simplistisch, een bluesje, maar tekstueel is dit zo zwaar. Het geeft een authentiek beeld van de tekortkomingen van de Amerikaanse maatschappij, en van de kwetsbaarheid van de inwoners.
'When The Ship Comes In' is, na het aan 'Girl Of The North Country' refererende 'Boots Of Spanish Leather' een verademing. Het is eigenlijk een beetje een vreemde eend in de bijt; net wat sneller gespeeld, nijdigere mondharmonica.
'The Lonesome Death Of Hattie Carroll' is er weer eentje in de categorie van bijtend pijnlijke trieste songs over wat er allemaal verkeerd gaat. Dylan neemt het weer maar eens op voor de zwarte medemens, een dappere, lovenswaardige daad. Hattie Carroll werd vermoord door een rijke tabakboer, William Zanzinger. De manier waarop Dylan zijn verhaal doet, is geweldig aangrijpend. Hij wijst het blanke ras met de vinger, en verwerpt racisme. Erg intens is ook de strofe waarin hij het heeft over het leven dat Hattie Carroll leidde; als keukenmeid was zij de moeder van tien kinderen, "who carried the dishes and took out the garbage; and never sat once at the head of the table; and didn't even talk to the people at the table; who just cleaned up all the food from the table", een braaf mens ook: "and she never done nothing to William Zanzinger". Wat ook opmerkelijk is, is het feit dat Dylan de namen van de hoofdrolspelers gewoonweg noemt, wat heel direct overkomt. Maar dat is gewoon de enige juiste manier om de boodschap door te laten dringen.
Afsluiter is het trage 'Restless Farewell', en uit de tekst is op te maken dat Dylan een twijfelachtige persoon is, met veel onzekerheden, wat leidt tot een zekere vorm van rusteloosheid. Een van de mindere nummers toch wel, samen met 'Boots Of Spanish Leather'. Maar het vormt helemaal geen smet op deze uitstekende plaat, die druipt van de goeie teksten en doordrongen is van een soort hardnekkigheid om te weigeren het leven uit handen te geven; desondanks alle gruwelijke dingen waarover Dylan het heeft, blijft er altijd wel een sprankeltje hoop hangen, al klinkt die meestal ironisch, zoals de laatste strofe van 'Ballad Of Hollis Brown': "There's seven people dead; on a South Dakota farm; somewhere in the distance; there's seven new people born".
Tot slot wil ik het nog even hebben over de tekst van 'With God On Our Side', waarin hij een chronologisch overzicht geeft van enkele gruwelfeiten uit de geschiedenis van onze planeet; gevolgd door de laatste twee strofen, over Judas Iskariot en zijn vrees voor een volgende oorlog. Dit heeft hij bijvoorbeeld te zeggen over WO II:
"When the Second World War, came to an end;
We forgave the Germans, and then we were friends;
Though they murdered six millions, in the ovens they fried;
The Germans now too have, God on their side."
In vrij simpele bewoordingen legt Dylan hier naar mijn mening de oorzaak van aanhoudende conflicten bloot; zoals de lakse houding van de geallieerden er toch ook voor een deel voor zorgde dat Hitler kon herbewapenen en WO II beginnen, zo vreesde Dylan dat dit zich zou herhalen, als men weer te laks zou zijn. Gelukkig is dat niet gebeurd, ook omdat de VN een stabielere instantie is dan de Volkenbond, die stond nog niet helemaal op punt, en mensen leren altijd uit hun fouten. Maar goed, dit is geen geschiedenisforum, dus.. Om mijn punt maar te maken.

Met zijn derde plaat maakt Dylan niet echt vooruitgang op muzikaal vlak, en waarschijnlijk was hij daar toen ook nog helemaal klaar voor. Tekstueel verlegt hij de accenten lichtjes, en neemt hij het nog meer op voor de onderdrukte Afro-Amerikaanse gemeenschap van Amerika. Erg puike plaat, die het net niet haalt bij zijn voorganger, en dus logischerwijs een halfje minder krijgt.
4 sterren
Bob Dylan - Time Out of Mind (1997)

4,5
2
geplaatst: 8 maart 2014, 20:26 uur
Na de twee coverplaten die Dylan in het begin van de jaren ’90 uitbracht, in de iele hoop dat daarmee zijn eigen inspiratie weer wat werd aangewakkerd, kreeg hij door de platenmaatschappij vreemd genoeg een contract aangeboden voor nog eens tien platen. Dylan was niet erg happig om dit vooruitzicht, maar tekende toch, omdat hij gewoon niet anders kon, naar eigen zeggen; dat moet dan wel een royaal contract geweest zijn.
Allemaal goed en wel, maar daarmee had hij zijn schrijflust nog niet terug. Lang niet. dus ging hij door met die ene bezigheid die gedurende zijn carrière steeds meer een constante, een soort pijler werd; optreden. De zogenaamde Neverending Tour was toen al een flink aantal jaren aan de gang, en leverde Dylan meer dan een behoorlijke boterham op. Wereldwijd touren was allang geen uitzondering meer; van Amerika over Europa tot in Japan; overal keek men uit naar het fenomeen Dylan.
Maar op het gebied van songschrijven ging het hem dus een stuk minder voor de wind. Hij probeerde het oude vuur op allerhande manieren weer aan te wakkeren, en haalde er ten einde raad zelfs Robert Hunter bij, de songsmid van The Grateful Dead, waar hij al eerder mee samenwerkte. Het was echter in januari van het jaar 1996, dat er iets bijzonders gebeurde. Dylan had zich afgezonderd op zijn boerderij in Minnesota, en luisterde heel veel naar oude rock ’n roll-, folk- en bluesmuziek, hetgeen ook al erg belangrijk was tijdens de totstandkoming van de twee coverplaten. In afzondering hervond Dylan de oude bronnen waar hij voorheen jarenlang uit kon tappen. En begon te schrijven.
In de zomer van 1996 verschenen er na de Europese tournee geen data voor de optredens op het Amerikaanse continent. Dat zagen veel mensen als een teken dat de meester weer aan het creëren was geslagen. Er waarde zelfs een nieuwe albumtitel rond: ‘Coupe de Ville’. Dit waren echter niet meer dan geruchten, maar toch ook een voorbode, want in de herfst werden dan uiteindelijk de eerste opnamesessies georganiseerd. Mark Howard was de technicus van dienst, en via via werd oude bekende Daniel Lanois opgetrommeld om het nieuwe album te producen. Dat dit vuurwerk kon opleveren, wisten we al van ‘Oh Mercy’.
En het leverde bij momenten, als ik het geschrevene geloven mag, wel degelijk vuurwerk op. Er werden voor deze plaat nogal veel muzikanten gevraagd, sommigen door Lanois, anderen dan weer door Dylan. Zo ontstonden er in feite twee kampen. Volgens meerdere muzikanten maakte Lanois vaak een geërgerde indruk, en bij één anekdote komt me dat zelfs komisch voor; gitarist Duke Robillard werd er, op uitdrukkelijke vraag van Bob Dylan zelf, bijgehaald, om, en hou je nu maar vast, ene Daniel Lanois als gitarist te vervangen. Het spreekt voor zich dat de van oorsprong al licht ontvlambare Lanois niets moest weten van Robillard, en dat ook liet merken. Één keer kwam hij zelfs woest uit de controlekamer, om het van Robillard over te nemen, maar na een korte babbel met Dylan, bon hij toch in. Heerlijk vind ik het, dit soort verhalen.
De albumhoes laat twee verschillende beelden zien. Op de voorkant zien we een wazige afbeelding van Dylan (is het ‘m wel?) met z’n gitaar tussen allerlei opnameapparatuur. Op de achterzijde staat dan weer een opvallend heldere afbeelding van de bard, waar hij zelf ook opvallend klaar kijkt en fris oogt. Deze twee beelden roepen vanzelfsprekend een contrast op, en kunnen op een bepaalde manier beiden worden gelinkt aan dit album.
Het wazige beeld slaat volgens mij op de manier van opnemen; ‘Time Out of Mind’ rammelt in feite aan alle kanten, en dat is te wijten (neen: eerder te danken) aan verschillende factoren. Ten eerste heb je natuurlijk het grillige karakter van Dylan, en diens bijbehorende nukken. Maar verder is de productie in z’n geheel ook lekker rauw, wat messcherpe songs met zich meebrengt (‘Dirt Road Blues’ hakt er bijvoorbeeld stevig in, met dat ritme). Verder zal de relatieve chaos in de studio ook wel wat invloed hebben gehad op het geluid en de klankkleur. Twaalf tot vijftien muzikanten in één studio, het is wel wat. En Dylan fungeerde dan nog als een soort bandleider-zonder-koptelefoon. Erg apart.
Het klare kijken van Dylan op de achterzijde van de hoes kan je dan weer ironisch opvatten; op 24 mei 1997, tijdens een verjaardagsfeestje dat z’n dochter Maria voor hem had georganiseerd (Dylan werd 56 dat jaar), werd hij plotseling onwel, en werd alles zwart voor zijn ogen. Na een onderzoek in een ziekenhuis in Los Angeles kwam histoplasmose naar boven, een schimmelinfectie die hij vermoedelijk had opgedaan door vogelmest nabij een rivier in te ademen. Hij moest een weekje in het ziekenhuis verblijven, en vier tot zes weken rust nemen, wat zijn Europese tournee grotendeels in het water gooide. Maar er was ook een positieve kant aan het verhaal; de “ziekte” van Dylan werd fors opgeklopt in de media, wat ervoor zorgde dat eenieder intens meeleefde met Dylan. Na jaren van matig verkopen dreigde hij haast onder de radar te belanden, maar dit onfortuinlijke voorval zorgde voor een ommekeer. ‘Time Out of Mind’ werd laaiend ontvangen door critici en publiek, Dylan won drie Grammy’s en de plaat werd z’n grootste succes in jaren. Of hoe een te prematuur geval van lijkenpikkerij voor een heropleving kan zorgen.
De muziek dan maar? Jazeker, want die is meer dan de moeite! Ik durf zelfs – met enige voorzichtigheid – te beweren dat het moeilijk wordt voor Dylan om dit nog te overtreffen. We zijn inmiddels wel meer dan 25 jaar verder, dus dat is op zich niet echt een gewaagde uitspraak, hoewel hij er in 2012 toch weer dicht bij in de buurt kwam met ‘Tempest’ (waarover later meer). De jaren ’80 uit Dylan’s oeuvre werden al te vaak gekenmerkt door quasi-onbenullige plaatjes die niet bijzonder klonken (met ‘Oh Mercy’ als uitzondering), en toen hij in de jaren ’90 met twee coverplaten kwam aanzetten, hadden veel mensen hem reeds afgeschreven. Maar dat is Dylan dus ten voeten uit; die man doet, zoals hij vaak zegt, nooit iets tweemaal hetzelfde. Of probeert dat toch zoveel mogelijk te vermijden. En dus vond hij zich opnieuw uit, met een meer dan onverhoopt resultaat.
De songs op ‘Time Out of Mind’ klinken immers urgent, kerven met hun scherpe nagels diepe voren in mijn huid en blijven, met een mengeling van bitterheid en nectar, onder mijn verhemelte plakken. Aan de kwaliteiten van Lanois als producer ga ik niets afdoen, maar het is hier toch voornamelijk Dylan die de plak zwaait en zich meer en meer ook als producer op de voorgrond uitstalt. Onder het pseudoniem Jack Frost wordt hij in de hoestekst dan ook vermeld als co-producer; na deze plaat zou Dylan, onder dat pseudoniem, de productie overigens helemaal op zich nemen op de volgende albums.
De teksten zijn een eerste duidelijke indicatie dat Dylan helemaal terug is. Lanois was er, toen Dylan ze tijdens een ontmoeting op schier dichtende wijze voordroeg, diep van onder de indruk. De teksten klinken dan ook erg rauw en ruw, met vaak een ondertoon die getuigt van zwarte, droge humor. De uitmuntende tekst van prijsnummer ‘Not Dark Yet’ roept bijvoorbeeld een erg wrang beeld op van de wereld; er is een zekere Weltschmerz in terug te horen.
“Well, my sense of humanity has gone down the drain;
Behind every beautiful thing there’s been some kind of pain;
She wrote me a letter and she wrote it so kind;
She put down in writing what was in her mind;
I just don’t see why I should even care;
It’s not dark yet, but it’s getting there.”
Zo luidt één van de droefgeestig klinkende strofes van het nummer, en als Dylan ze dan ook nog eens brengt op die aangrijpende manier zoals hij het zo goed kan, is het helemaal af. Ook het instrumentarium leunt perfect aan bij de achterliggende gedachte van het nummer.
Op ‘Time Out of Mind’ staan up-temponummers, ballades en drassige blues, en dat alles is gesmeed tot een zeer solide geheel. Maar ook bij dit album was er veel discussie over welke songs er nu wel op kwamen, welke uit de boot vielen, en welke versies er van de uiteindelijke laureaten zouden worden geselecteerd. Want dat heb je natuurlijk als je niets tweemaal hetzelfde doet; een veelvoud aan alternatieven. Zo haalden o.a. ‘Mississippi’ en ‘Girl from the Red River Shore’, nummers die iedereen, Dylan incluis, nochtans zeer goed vond, de plaat niet. gelukkig werden diverse outtakes later opgepikt op ‘Tell Tale Signs’, oftewel volume 8 van de geroemde Bootleg Series.
De tedere kant van Dylan kwam sporadisch ook weer naar voren, en vertoont zich misschien nog het beste in het korte maar warme ‘Make You Feel My Love’, dat de meeste mensen (en dat doet me toch altijd een beetje pijn) kennen van Adele. Die versie kan wat mij betreft niet tippen aan de prachtige uitvoering die Dylan ten berde brengt. De tekst is een melancholische ode aan de prille, onbezonnen liefde, en de intensiteit die daar vaak mee gepaard gaat. Gedurfde uitspraken zijn dan geen unicum. Dylan lijkt in dit nummer terug te denken aan zijn jongere zelf, en het klinkt dan ook erg nostalgisch, zoals hij dit nummer zingt. Hoe je het ook draait of keert, het is een beetje een buitenbeentje, qua klank.
‘Standing in the Doorway’ is één van m’n favoriete nummers van Dylan van na pakweg ‘Desire’; een lang uitgerokken, wanhopig klinkende smeekbede over het absurde gebrek aan empathie dat de liefde en het leven soms met zich meebrengt. Over het gevoel dat je compleet alleen bent op de wereld, ook. Een rollercoaster aan gevoelen komt dan naar boven, en die cocktail kan fataal zijn. Angst en verlorenheid zijn hier drijfveren, en die geven het nummer een zeer pakkende, dreigende ondertoon. Hoewel het op het eerste gehoor niet veel meer is dan wat licht golvende baren, waart er onder het oppervlak dus een heuse storm.
“I’m walking through the summer nights;
Jukebox playing low;
Yesterday everything was going too fast;
Today, it’s going too slow;
I got no place left to turn;
I got nothing left to burn;
Don’t know if I saw you, if I would kiss you or kill you;
It probably wouldn’t matter to you anyhow;
You left me standing in the doorway, crying;
I got nothing to go back to now.”
Dat soort zwaarmoedige teksten heeft altijd een ingrijpend effect op mij. En Dylan is daar waarlijk een meester in.
Tot slot wil ik er ook nog even ‘Highlands’ uitlichten, ook weer een atypisch nummer. Het duurt veel te lang, is de meest voorkomende negatieve kritiek op de song; het gaat maar door en door. Dat is ook zo, maar wat voor de één een onvermijdbaar obstakel is, is voor de andere een dankbare hindernis. Uiteindelijk moet je er over geraken, dat is de truc. ‘Highlands’ is een verzameling kwieke observaties, overpeinzingen en ervaringen, vaak met een humoristisch aspect. Hij drijft – maar dat is alweer de zoveelste interpretatie van mezelf – zelfs de spot met zijn eigen manier van songschrijven in deze, in de volgende strofe:
“I’m listening to Neil Young, I gotta turn up the sound;
Someone’s always yelling, turn it down;
Feel like I’m drifting;
Drifting from scene to scene;
I’m wondering what in the devil could it all possibly mean?”
Ook de anekdote die zich afspeelt in een restaurant in Boston, die hij uitsmeert over meerdere strofes, vind ik bijzonder amusant. De dialoog met de serveerster, die Dylan gekscherend in het ootje neemt, is zondermeer geweldig goed gevonden, en bewijst eens te meer dat Dylan wel degelijk helemaal terug was. De vreemde instrumentale begeleiding, die nog het meest klinkt als een jam van een kwartier lang, zorgt ervoor dat ik helemaal word ondergedompeld in de wereld die Dylan hier in deze song schetst.
“Well, my heart’s in the Highlands at the break of day;
Over the hills and far away;
There’s a way to get there, and I’ll figure it out somehow;
But I’m already there in my mind;
And that’s good enough for now.”
Met die dromerige woorden besluit Dylan een machtig album, dat een definitieve doorstart voor zijn bestaan als songschrijver betekende, en nog nazindert tot de dag van vandaag. De microbe had hem weer te pakken, en heeft hem nog steeds te pakken (althans, op ‘Tempest’ toch nog zeker!), en dat levert kwalitatief gewoon bijzonder goeie dingen op. En hoewel ‘Time Out of Mind’ net niet het niveau van de bevlogen meesterwerken haalt die hij in de jaren 1965-1966 op de wereld afvuurde, en net iets minder hard aankomt als de helse zielenpijn die hij in 1975 uitbracht onder de naam ‘Blood on the Tracks’, is dit in mijn ogen een fantastische plaat. Het eerste deel van een trilogie, zouden veel mensen later zeggen, maar daar ben ik het niet helemaal mee eens, omdat de volgende twee platen toch nog wel wat anders zijn. Maar laten we dat maar buiten beschouwing laten.
4,5 sterren
Allemaal goed en wel, maar daarmee had hij zijn schrijflust nog niet terug. Lang niet. dus ging hij door met die ene bezigheid die gedurende zijn carrière steeds meer een constante, een soort pijler werd; optreden. De zogenaamde Neverending Tour was toen al een flink aantal jaren aan de gang, en leverde Dylan meer dan een behoorlijke boterham op. Wereldwijd touren was allang geen uitzondering meer; van Amerika over Europa tot in Japan; overal keek men uit naar het fenomeen Dylan.
Maar op het gebied van songschrijven ging het hem dus een stuk minder voor de wind. Hij probeerde het oude vuur op allerhande manieren weer aan te wakkeren, en haalde er ten einde raad zelfs Robert Hunter bij, de songsmid van The Grateful Dead, waar hij al eerder mee samenwerkte. Het was echter in januari van het jaar 1996, dat er iets bijzonders gebeurde. Dylan had zich afgezonderd op zijn boerderij in Minnesota, en luisterde heel veel naar oude rock ’n roll-, folk- en bluesmuziek, hetgeen ook al erg belangrijk was tijdens de totstandkoming van de twee coverplaten. In afzondering hervond Dylan de oude bronnen waar hij voorheen jarenlang uit kon tappen. En begon te schrijven.
In de zomer van 1996 verschenen er na de Europese tournee geen data voor de optredens op het Amerikaanse continent. Dat zagen veel mensen als een teken dat de meester weer aan het creëren was geslagen. Er waarde zelfs een nieuwe albumtitel rond: ‘Coupe de Ville’. Dit waren echter niet meer dan geruchten, maar toch ook een voorbode, want in de herfst werden dan uiteindelijk de eerste opnamesessies georganiseerd. Mark Howard was de technicus van dienst, en via via werd oude bekende Daniel Lanois opgetrommeld om het nieuwe album te producen. Dat dit vuurwerk kon opleveren, wisten we al van ‘Oh Mercy’.
En het leverde bij momenten, als ik het geschrevene geloven mag, wel degelijk vuurwerk op. Er werden voor deze plaat nogal veel muzikanten gevraagd, sommigen door Lanois, anderen dan weer door Dylan. Zo ontstonden er in feite twee kampen. Volgens meerdere muzikanten maakte Lanois vaak een geërgerde indruk, en bij één anekdote komt me dat zelfs komisch voor; gitarist Duke Robillard werd er, op uitdrukkelijke vraag van Bob Dylan zelf, bijgehaald, om, en hou je nu maar vast, ene Daniel Lanois als gitarist te vervangen. Het spreekt voor zich dat de van oorsprong al licht ontvlambare Lanois niets moest weten van Robillard, en dat ook liet merken. Één keer kwam hij zelfs woest uit de controlekamer, om het van Robillard over te nemen, maar na een korte babbel met Dylan, bon hij toch in. Heerlijk vind ik het, dit soort verhalen.
De albumhoes laat twee verschillende beelden zien. Op de voorkant zien we een wazige afbeelding van Dylan (is het ‘m wel?) met z’n gitaar tussen allerlei opnameapparatuur. Op de achterzijde staat dan weer een opvallend heldere afbeelding van de bard, waar hij zelf ook opvallend klaar kijkt en fris oogt. Deze twee beelden roepen vanzelfsprekend een contrast op, en kunnen op een bepaalde manier beiden worden gelinkt aan dit album.
Het wazige beeld slaat volgens mij op de manier van opnemen; ‘Time Out of Mind’ rammelt in feite aan alle kanten, en dat is te wijten (neen: eerder te danken) aan verschillende factoren. Ten eerste heb je natuurlijk het grillige karakter van Dylan, en diens bijbehorende nukken. Maar verder is de productie in z’n geheel ook lekker rauw, wat messcherpe songs met zich meebrengt (‘Dirt Road Blues’ hakt er bijvoorbeeld stevig in, met dat ritme). Verder zal de relatieve chaos in de studio ook wel wat invloed hebben gehad op het geluid en de klankkleur. Twaalf tot vijftien muzikanten in één studio, het is wel wat. En Dylan fungeerde dan nog als een soort bandleider-zonder-koptelefoon. Erg apart.
Het klare kijken van Dylan op de achterzijde van de hoes kan je dan weer ironisch opvatten; op 24 mei 1997, tijdens een verjaardagsfeestje dat z’n dochter Maria voor hem had georganiseerd (Dylan werd 56 dat jaar), werd hij plotseling onwel, en werd alles zwart voor zijn ogen. Na een onderzoek in een ziekenhuis in Los Angeles kwam histoplasmose naar boven, een schimmelinfectie die hij vermoedelijk had opgedaan door vogelmest nabij een rivier in te ademen. Hij moest een weekje in het ziekenhuis verblijven, en vier tot zes weken rust nemen, wat zijn Europese tournee grotendeels in het water gooide. Maar er was ook een positieve kant aan het verhaal; de “ziekte” van Dylan werd fors opgeklopt in de media, wat ervoor zorgde dat eenieder intens meeleefde met Dylan. Na jaren van matig verkopen dreigde hij haast onder de radar te belanden, maar dit onfortuinlijke voorval zorgde voor een ommekeer. ‘Time Out of Mind’ werd laaiend ontvangen door critici en publiek, Dylan won drie Grammy’s en de plaat werd z’n grootste succes in jaren. Of hoe een te prematuur geval van lijkenpikkerij voor een heropleving kan zorgen.
De muziek dan maar? Jazeker, want die is meer dan de moeite! Ik durf zelfs – met enige voorzichtigheid – te beweren dat het moeilijk wordt voor Dylan om dit nog te overtreffen. We zijn inmiddels wel meer dan 25 jaar verder, dus dat is op zich niet echt een gewaagde uitspraak, hoewel hij er in 2012 toch weer dicht bij in de buurt kwam met ‘Tempest’ (waarover later meer). De jaren ’80 uit Dylan’s oeuvre werden al te vaak gekenmerkt door quasi-onbenullige plaatjes die niet bijzonder klonken (met ‘Oh Mercy’ als uitzondering), en toen hij in de jaren ’90 met twee coverplaten kwam aanzetten, hadden veel mensen hem reeds afgeschreven. Maar dat is Dylan dus ten voeten uit; die man doet, zoals hij vaak zegt, nooit iets tweemaal hetzelfde. Of probeert dat toch zoveel mogelijk te vermijden. En dus vond hij zich opnieuw uit, met een meer dan onverhoopt resultaat.
De songs op ‘Time Out of Mind’ klinken immers urgent, kerven met hun scherpe nagels diepe voren in mijn huid en blijven, met een mengeling van bitterheid en nectar, onder mijn verhemelte plakken. Aan de kwaliteiten van Lanois als producer ga ik niets afdoen, maar het is hier toch voornamelijk Dylan die de plak zwaait en zich meer en meer ook als producer op de voorgrond uitstalt. Onder het pseudoniem Jack Frost wordt hij in de hoestekst dan ook vermeld als co-producer; na deze plaat zou Dylan, onder dat pseudoniem, de productie overigens helemaal op zich nemen op de volgende albums.
De teksten zijn een eerste duidelijke indicatie dat Dylan helemaal terug is. Lanois was er, toen Dylan ze tijdens een ontmoeting op schier dichtende wijze voordroeg, diep van onder de indruk. De teksten klinken dan ook erg rauw en ruw, met vaak een ondertoon die getuigt van zwarte, droge humor. De uitmuntende tekst van prijsnummer ‘Not Dark Yet’ roept bijvoorbeeld een erg wrang beeld op van de wereld; er is een zekere Weltschmerz in terug te horen.
“Well, my sense of humanity has gone down the drain;
Behind every beautiful thing there’s been some kind of pain;
She wrote me a letter and she wrote it so kind;
She put down in writing what was in her mind;
I just don’t see why I should even care;
It’s not dark yet, but it’s getting there.”
Zo luidt één van de droefgeestig klinkende strofes van het nummer, en als Dylan ze dan ook nog eens brengt op die aangrijpende manier zoals hij het zo goed kan, is het helemaal af. Ook het instrumentarium leunt perfect aan bij de achterliggende gedachte van het nummer.
Op ‘Time Out of Mind’ staan up-temponummers, ballades en drassige blues, en dat alles is gesmeed tot een zeer solide geheel. Maar ook bij dit album was er veel discussie over welke songs er nu wel op kwamen, welke uit de boot vielen, en welke versies er van de uiteindelijke laureaten zouden worden geselecteerd. Want dat heb je natuurlijk als je niets tweemaal hetzelfde doet; een veelvoud aan alternatieven. Zo haalden o.a. ‘Mississippi’ en ‘Girl from the Red River Shore’, nummers die iedereen, Dylan incluis, nochtans zeer goed vond, de plaat niet. gelukkig werden diverse outtakes later opgepikt op ‘Tell Tale Signs’, oftewel volume 8 van de geroemde Bootleg Series.
De tedere kant van Dylan kwam sporadisch ook weer naar voren, en vertoont zich misschien nog het beste in het korte maar warme ‘Make You Feel My Love’, dat de meeste mensen (en dat doet me toch altijd een beetje pijn) kennen van Adele. Die versie kan wat mij betreft niet tippen aan de prachtige uitvoering die Dylan ten berde brengt. De tekst is een melancholische ode aan de prille, onbezonnen liefde, en de intensiteit die daar vaak mee gepaard gaat. Gedurfde uitspraken zijn dan geen unicum. Dylan lijkt in dit nummer terug te denken aan zijn jongere zelf, en het klinkt dan ook erg nostalgisch, zoals hij dit nummer zingt. Hoe je het ook draait of keert, het is een beetje een buitenbeentje, qua klank.
‘Standing in the Doorway’ is één van m’n favoriete nummers van Dylan van na pakweg ‘Desire’; een lang uitgerokken, wanhopig klinkende smeekbede over het absurde gebrek aan empathie dat de liefde en het leven soms met zich meebrengt. Over het gevoel dat je compleet alleen bent op de wereld, ook. Een rollercoaster aan gevoelen komt dan naar boven, en die cocktail kan fataal zijn. Angst en verlorenheid zijn hier drijfveren, en die geven het nummer een zeer pakkende, dreigende ondertoon. Hoewel het op het eerste gehoor niet veel meer is dan wat licht golvende baren, waart er onder het oppervlak dus een heuse storm.
“I’m walking through the summer nights;
Jukebox playing low;
Yesterday everything was going too fast;
Today, it’s going too slow;
I got no place left to turn;
I got nothing left to burn;
Don’t know if I saw you, if I would kiss you or kill you;
It probably wouldn’t matter to you anyhow;
You left me standing in the doorway, crying;
I got nothing to go back to now.”
Dat soort zwaarmoedige teksten heeft altijd een ingrijpend effect op mij. En Dylan is daar waarlijk een meester in.
Tot slot wil ik er ook nog even ‘Highlands’ uitlichten, ook weer een atypisch nummer. Het duurt veel te lang, is de meest voorkomende negatieve kritiek op de song; het gaat maar door en door. Dat is ook zo, maar wat voor de één een onvermijdbaar obstakel is, is voor de andere een dankbare hindernis. Uiteindelijk moet je er over geraken, dat is de truc. ‘Highlands’ is een verzameling kwieke observaties, overpeinzingen en ervaringen, vaak met een humoristisch aspect. Hij drijft – maar dat is alweer de zoveelste interpretatie van mezelf – zelfs de spot met zijn eigen manier van songschrijven in deze, in de volgende strofe:
“I’m listening to Neil Young, I gotta turn up the sound;
Someone’s always yelling, turn it down;
Feel like I’m drifting;
Drifting from scene to scene;
I’m wondering what in the devil could it all possibly mean?”
Ook de anekdote die zich afspeelt in een restaurant in Boston, die hij uitsmeert over meerdere strofes, vind ik bijzonder amusant. De dialoog met de serveerster, die Dylan gekscherend in het ootje neemt, is zondermeer geweldig goed gevonden, en bewijst eens te meer dat Dylan wel degelijk helemaal terug was. De vreemde instrumentale begeleiding, die nog het meest klinkt als een jam van een kwartier lang, zorgt ervoor dat ik helemaal word ondergedompeld in de wereld die Dylan hier in deze song schetst.
“Well, my heart’s in the Highlands at the break of day;
Over the hills and far away;
There’s a way to get there, and I’ll figure it out somehow;
But I’m already there in my mind;
And that’s good enough for now.”
Met die dromerige woorden besluit Dylan een machtig album, dat een definitieve doorstart voor zijn bestaan als songschrijver betekende, en nog nazindert tot de dag van vandaag. De microbe had hem weer te pakken, en heeft hem nog steeds te pakken (althans, op ‘Tempest’ toch nog zeker!), en dat levert kwalitatief gewoon bijzonder goeie dingen op. En hoewel ‘Time Out of Mind’ net niet het niveau van de bevlogen meesterwerken haalt die hij in de jaren 1965-1966 op de wereld afvuurde, en net iets minder hard aankomt als de helse zielenpijn die hij in 1975 uitbracht onder de naam ‘Blood on the Tracks’, is dit in mijn ogen een fantastische plaat. Het eerste deel van een trilogie, zouden veel mensen later zeggen, maar daar ben ik het niet helemaal mee eens, omdat de volgende twee platen toch nog wel wat anders zijn. Maar laten we dat maar buiten beschouwing laten.
4,5 sterren
Bob Dylan - Together Through Life (2009)

4,0
2
geplaatst: 28 oktober 2014, 21:53 uur
‘Together Through Life’ is een plaat die erg onverwacht kwam; zelfs toen de release werd aangekondigd op een blog, in januari 2009, en nadat de eerste voorbesprekingen op het wereldwijde web waren gepost, klonken velen sceptisch. Ik was toen nog niet de Dylan-fan die ik nu ben, maar wist toch al van de man z’n bestaan af. Volgens mij begon ik toen m’n eerste CD’s van Dylan aan te schaffen, waaronder ‘Highway 61 Revisited’.
De reden voor zoveel ongeloof was simpel; het lag niet binnen het verwachtingspatroon. Tussen ‘Time out of Mind’ en ‘’Love and Theft’’ lag dik 4 jaar, tussen deze laatste en ‘Modern Times’ nog eens 5 jaar. Dat Dylan nog wel ‘ns wat zou uitbrengen, geloofden de meesten wel, maar zo snel? Neen. Want; heeft de man, die ook al wat ouder wordt, daar met zijn drukbezet tourschema nog wel de tijd voor? Verbluffend genoeg wel, en met een mooi resultaat dan nog!
Dit album zal nooit op gelijke voet staan met zijn absolute monumenten, maar kent toch wel een hoog gemiddeld niveau, in ieder geval nog redelijk ver boven het maaiveld uit (dat is dan mijn mening). Het tweede nummer op het album was eigenlijk de aanzet voor deze plaat. ‘Life Is Hard’ schreef Dylan (samen met oude vriend Robert Hunter, waarmee hij in het verleden onder andere de hit ‘Silvio’ bedacht) voor de nieuwe film van de Franse regisseur Olivier Dahan. Dylan was klaarblijkelijk gecharmeerd door diens vorige film, ‘La Vie en Rose’, en stelde meteen voor om ook nog wat instrumentaaltjes te bedenken, om de soundtrack nog wat meer op te fleuren. Dahan maakte daar dankbaar gebruik van.
En van het één kwam het ander. Dylan vond in september en oktober 2008 twee maanden de tijd om een nieuwe plaat in te blikken, tussen twee tours in. Hij vond een geschikte ruimte in Santa Monica, Californië; Groove Masters, een studio van collega-muzikant Jackson Browne. Interessant detail: zoon Jakob nam daar met The Wallflowers zijn album ‘Bringing Down the Horse’ op.
Een aantal dingen zaten natuurlijk mee, moesten onvermijdelijk meezitten, anders had de plaat er niet geweest. Dylan, bekend om zijn nukken en streken in de studio, was op wat meer gevorderde leeftijd blijkbaar toch wat milder geworden. Een producer duldde hij niet meer naast zich (dat is het misschien, dat voor wat meer innerlijke rust in de studio heeft gezorgd?), hij nam genoegen met zijn eigen werk onder het bekende pseudoniem Jack Frost. Zijn vaste technicus Chris Shaw had andere lopende projecten, dus wendde Dylan zich tot David Bianco, ook een gerenommeerde geluidsman. De basis nam Dylan uit z’n tourband (met Tony Garnier op bas en George Recile op drums). Ook Donny Herron speelde destijds mee op optredens, en met Mike Campbell (van Tom Petty & The Heartbreakers) en vooral de geweldigde David Hidalgo (van Los Lobos, die ooit in Mexico in de jaren ’90 in het voorprogramma van Dylan speelden) had Dylan nog twee extra klasbakken aan boord. Spektakel verzekerd, dus.
‘Together Through Life’ heeft een erg, hoe zal ik het zeggen, authentieke sound. Dat is absoluut geen verrassing, na de drie voorlopers; het verschil zit ‘m bij deze plaat echter in een wat moderner randje. In die twee maanden heeft Dylan veel oude Chess- & Sun-platen beluisterd, en die hebben voor een groot deel de sound van het album bepaald. De idee was, volgens Hidalgo, om te vertrekken vanuit een oude standaard, en zo gaandeweg een origineel nummer te verzinnen. Dat lukte bij het gros van de nummers, met ‘My Wife’s Home Town’ als uitzondering; deze song bleef zo dicht bij inspiratiebron ‘I Just Want to Make Love to You’ (van Muddy Waters) dat de tekstschrijver van die song, Willie Dixon, een speciale vermelding kreeg in het CD-boekje.
En zo hebben we middels een handig bruggetje de hoes van het album weten bereiken, want daar wilde ik toch wel even een lans voor breken. Het is een foto van Bruce Davidson (wiens foto’s ook de hoofdrol spelen in de clip van ‘Beyond Here Lies Nothin’’), uit zijn reeks ‘Brooklyn Gang’, en toont een half-slapend, half-knuffelend koppel in de openstaande koffer van een auto. Zwart-wit. Het beeld is misschien voor velen nietszeggend, maar bezit in mijn ogen de kracht van de romantiek. Niet romantiek in de trant van “een dinertje bij kaarslicht”, eerder de ideologie achter het begrip. Gebondenheid, een vertrouwd lichtje in een dreigende duisternis. Het meisje zou zomaar Jolene kunnen zijn, uit het gelijknamige nummer op het album. Als je dan de titel van het album boven die foto ziet prijken, klopt het als een bus.
De songs zelf dan. Het is een tiental geworden, hoewel Dylan & Hunter er samen iets meer dan een dozijn hadden geschreven. Er is met andere woorden dus weer wat materiaal op de plank blijven liggen. Het is een bonte mengeling van pittige americana, lome liefdesliedjes en geïnspireerde moerasblues geworden. Er gaat geen bepaalde urgentie van uit; het is, met andere woorden, geen plaat die je absoluut gehoord moet hebben. Dat werkt hier wel in het voordeel, omdat er ook helemaal geen druk is. Ik zie geen enkele reden waarom ik dit goed zou moéten vinden, maar vind het desondanks gewoon goed, omdat het dit in mijn beleving is. Jawel, Dylan heeft al betere teksten geschreven, hij heeft al feller geklonken en intensere composities gemaakt, maar dat doet er tijdens de drie kwartier die ‘Together Through Life’ in beslag neemt allemaal niet toe; ik krijg er (hoewel die platen toen nog moesten uitkomen) een beetje eenzelfde gevoel bij als bij de laatste twee albums van Leonard Cohen, nog zo’n oude held. Beiden artiesten die ooit beter hebben geklonken, ooit betere songs hebben geschreven, maar toch gewoon goede platen uitbrengen.
Een favoriet kiezen is bijna onmogelijk; het wisselt. Soms ga ik voor ‘Life Is Hard’, waarin Dylan zich op neuzelende (maar o zo onweerstaanbare!) wijze doorheen een mooie tekst over onthechting en eenzame bitterheid (“My dreams are locked and barred; admitting life is hard; without you near me”) worstelt. In een meer melancholische bui prefereer ik dan weer het machtige ‘I Feel a Change Comin’ On’, met zijn geweldige gitaarsolo (als we het zo al kunnen noemen?), enkele zeer sterke tekstflarden (waarvan de passage over James Joyce toch wel zeker van Dylan zal komen, neem ik aan) en de drijvende kracht van de accordeon, die sowieso een behoorlijk bepalende rol speelt (dankjewel, señor Hidalgo!).
En als het één van die twee niet is, zal de stoere opener wel boven de oppervlakte komen drijven, of het wat vreemde, soms sarcastisch klinkende, maar altijd even swingende ‘It’s All Good’. Onderstaande strofe is zelfs regelrecht cynisch, en wil ik u zeker niet onthouden:
“Cold-blooded killer, stalking the town;
Cop cars blinking, something bad going down;
Buildings are crumbling in the neighborhood;
But there’s nothing to worry about, ‘cause it’s all good.”
Gelukkig is er nog een extra, humoristische strofe achteraan geplakt, maar die mag u zelf ontdekken. Dat is dan ook de kern van mijn slotpleidooi voor dit album. Het leent zich perfect om gewoon naar te luisteren, te genieten en je voor de rest van weinig tot niets iets aan te trekken. En dat Dylan met deze worp meer harten wist te doorboren dan schenen te verbrijzelen, bewijzen de charts; zowel in de Verenigde Staten als het Verenigd Koninkrijk bereikte het album de eerste plaat. Dat in tegenstelling tot de film ‘My Own Love Song’ van de reeds eerder genoemde Fransman Olivier Dahan, die al een week na de première uit roulatie werd genomen. Een groot contrast, in het voordeel van de meester. Niet voor het eerst, en hopelijk ook niet voor het laatst.
4 sterren
De reden voor zoveel ongeloof was simpel; het lag niet binnen het verwachtingspatroon. Tussen ‘Time out of Mind’ en ‘’Love and Theft’’ lag dik 4 jaar, tussen deze laatste en ‘Modern Times’ nog eens 5 jaar. Dat Dylan nog wel ‘ns wat zou uitbrengen, geloofden de meesten wel, maar zo snel? Neen. Want; heeft de man, die ook al wat ouder wordt, daar met zijn drukbezet tourschema nog wel de tijd voor? Verbluffend genoeg wel, en met een mooi resultaat dan nog!
Dit album zal nooit op gelijke voet staan met zijn absolute monumenten, maar kent toch wel een hoog gemiddeld niveau, in ieder geval nog redelijk ver boven het maaiveld uit (dat is dan mijn mening). Het tweede nummer op het album was eigenlijk de aanzet voor deze plaat. ‘Life Is Hard’ schreef Dylan (samen met oude vriend Robert Hunter, waarmee hij in het verleden onder andere de hit ‘Silvio’ bedacht) voor de nieuwe film van de Franse regisseur Olivier Dahan. Dylan was klaarblijkelijk gecharmeerd door diens vorige film, ‘La Vie en Rose’, en stelde meteen voor om ook nog wat instrumentaaltjes te bedenken, om de soundtrack nog wat meer op te fleuren. Dahan maakte daar dankbaar gebruik van.
En van het één kwam het ander. Dylan vond in september en oktober 2008 twee maanden de tijd om een nieuwe plaat in te blikken, tussen twee tours in. Hij vond een geschikte ruimte in Santa Monica, Californië; Groove Masters, een studio van collega-muzikant Jackson Browne. Interessant detail: zoon Jakob nam daar met The Wallflowers zijn album ‘Bringing Down the Horse’ op.
Een aantal dingen zaten natuurlijk mee, moesten onvermijdelijk meezitten, anders had de plaat er niet geweest. Dylan, bekend om zijn nukken en streken in de studio, was op wat meer gevorderde leeftijd blijkbaar toch wat milder geworden. Een producer duldde hij niet meer naast zich (dat is het misschien, dat voor wat meer innerlijke rust in de studio heeft gezorgd?), hij nam genoegen met zijn eigen werk onder het bekende pseudoniem Jack Frost. Zijn vaste technicus Chris Shaw had andere lopende projecten, dus wendde Dylan zich tot David Bianco, ook een gerenommeerde geluidsman. De basis nam Dylan uit z’n tourband (met Tony Garnier op bas en George Recile op drums). Ook Donny Herron speelde destijds mee op optredens, en met Mike Campbell (van Tom Petty & The Heartbreakers) en vooral de geweldigde David Hidalgo (van Los Lobos, die ooit in Mexico in de jaren ’90 in het voorprogramma van Dylan speelden) had Dylan nog twee extra klasbakken aan boord. Spektakel verzekerd, dus.
‘Together Through Life’ heeft een erg, hoe zal ik het zeggen, authentieke sound. Dat is absoluut geen verrassing, na de drie voorlopers; het verschil zit ‘m bij deze plaat echter in een wat moderner randje. In die twee maanden heeft Dylan veel oude Chess- & Sun-platen beluisterd, en die hebben voor een groot deel de sound van het album bepaald. De idee was, volgens Hidalgo, om te vertrekken vanuit een oude standaard, en zo gaandeweg een origineel nummer te verzinnen. Dat lukte bij het gros van de nummers, met ‘My Wife’s Home Town’ als uitzondering; deze song bleef zo dicht bij inspiratiebron ‘I Just Want to Make Love to You’ (van Muddy Waters) dat de tekstschrijver van die song, Willie Dixon, een speciale vermelding kreeg in het CD-boekje.
En zo hebben we middels een handig bruggetje de hoes van het album weten bereiken, want daar wilde ik toch wel even een lans voor breken. Het is een foto van Bruce Davidson (wiens foto’s ook de hoofdrol spelen in de clip van ‘Beyond Here Lies Nothin’’), uit zijn reeks ‘Brooklyn Gang’, en toont een half-slapend, half-knuffelend koppel in de openstaande koffer van een auto. Zwart-wit. Het beeld is misschien voor velen nietszeggend, maar bezit in mijn ogen de kracht van de romantiek. Niet romantiek in de trant van “een dinertje bij kaarslicht”, eerder de ideologie achter het begrip. Gebondenheid, een vertrouwd lichtje in een dreigende duisternis. Het meisje zou zomaar Jolene kunnen zijn, uit het gelijknamige nummer op het album. Als je dan de titel van het album boven die foto ziet prijken, klopt het als een bus.
De songs zelf dan. Het is een tiental geworden, hoewel Dylan & Hunter er samen iets meer dan een dozijn hadden geschreven. Er is met andere woorden dus weer wat materiaal op de plank blijven liggen. Het is een bonte mengeling van pittige americana, lome liefdesliedjes en geïnspireerde moerasblues geworden. Er gaat geen bepaalde urgentie van uit; het is, met andere woorden, geen plaat die je absoluut gehoord moet hebben. Dat werkt hier wel in het voordeel, omdat er ook helemaal geen druk is. Ik zie geen enkele reden waarom ik dit goed zou moéten vinden, maar vind het desondanks gewoon goed, omdat het dit in mijn beleving is. Jawel, Dylan heeft al betere teksten geschreven, hij heeft al feller geklonken en intensere composities gemaakt, maar dat doet er tijdens de drie kwartier die ‘Together Through Life’ in beslag neemt allemaal niet toe; ik krijg er (hoewel die platen toen nog moesten uitkomen) een beetje eenzelfde gevoel bij als bij de laatste twee albums van Leonard Cohen, nog zo’n oude held. Beiden artiesten die ooit beter hebben geklonken, ooit betere songs hebben geschreven, maar toch gewoon goede platen uitbrengen.
Een favoriet kiezen is bijna onmogelijk; het wisselt. Soms ga ik voor ‘Life Is Hard’, waarin Dylan zich op neuzelende (maar o zo onweerstaanbare!) wijze doorheen een mooie tekst over onthechting en eenzame bitterheid (“My dreams are locked and barred; admitting life is hard; without you near me”) worstelt. In een meer melancholische bui prefereer ik dan weer het machtige ‘I Feel a Change Comin’ On’, met zijn geweldige gitaarsolo (als we het zo al kunnen noemen?), enkele zeer sterke tekstflarden (waarvan de passage over James Joyce toch wel zeker van Dylan zal komen, neem ik aan) en de drijvende kracht van de accordeon, die sowieso een behoorlijk bepalende rol speelt (dankjewel, señor Hidalgo!).
En als het één van die twee niet is, zal de stoere opener wel boven de oppervlakte komen drijven, of het wat vreemde, soms sarcastisch klinkende, maar altijd even swingende ‘It’s All Good’. Onderstaande strofe is zelfs regelrecht cynisch, en wil ik u zeker niet onthouden:
“Cold-blooded killer, stalking the town;
Cop cars blinking, something bad going down;
Buildings are crumbling in the neighborhood;
But there’s nothing to worry about, ‘cause it’s all good.”
Gelukkig is er nog een extra, humoristische strofe achteraan geplakt, maar die mag u zelf ontdekken. Dat is dan ook de kern van mijn slotpleidooi voor dit album. Het leent zich perfect om gewoon naar te luisteren, te genieten en je voor de rest van weinig tot niets iets aan te trekken. En dat Dylan met deze worp meer harten wist te doorboren dan schenen te verbrijzelen, bewijzen de charts; zowel in de Verenigde Staten als het Verenigd Koninkrijk bereikte het album de eerste plaat. Dat in tegenstelling tot de film ‘My Own Love Song’ van de reeds eerder genoemde Fransman Olivier Dahan, die al een week na de première uit roulatie werd genomen. Een groot contrast, in het voordeel van de meester. Niet voor het eerst, en hopelijk ook niet voor het laatst.
4 sterren
Bob Dylan - Under the Red Sky (1990)

2,5
0
geplaatst: 15 oktober 2013, 20:55 uur
Na de bescheiden triomf en terugkeer die we ‘Oh Mercy’ toch wel mogen noemen, besloot Dylan om toch geen tweede plaat te maken met Daniel Lanois. Het was alweer tijd voor iets anders, en dus ging hij logischerwijze op zoek naar een nieuwe producer. Dat werd uiteindelijk een duo, in de vorm van de “broers” David en Don Was. Ik gebruik de aanhalingstekens, omdat beide heren helemaal geen broers waren. Maar omdat ze samen toch al het één en ander hadden gepresteerd, werden ze telkens in één adem genoemd.
Laat ik maar meteen voldoende duidelijkheid scheppen: na het bijzonder sterke ‘Oh Mercy’ is ‘Under the Red Sky’ een lichte sof. De stem van Dylan klinkt gelijkaardig van toon, maar minder indringend. Enkel het innemende, relaxte titelnummer kan zich enigszins meten met de songs op ‘Oh Mercy’. Ook al lijkt zijn stem in die song een paar keer op het puntje van breken te staan. Of is dat misschien net de kracht van het nummer? Enfin, uit latere albums van Dylan zou blijken dat zijn krassende, schurende, versleten stemgeluid me ook goed ligt.
‘Under the Red Sky’ is waarschijnlijk één van de meest straight forward platen van Dylan, en daarin ligt tegelijkertijd zijn sterkte en zwakte. Het ligt gewoonweg lekker in het gehoor, en je mag het draaien of keren hoe je wil, het belachelijk eenvoudige openingsnummer ‘Wiggle Wiggle’ blijft wel hangen. Maar toegegeven, het is gewoon een bijzonder matig niemendalletje. Ik heb gelezen dat Slash, de coole gitarist van Guns N’ Roses, gevraagd was om de solo in te spelen. Dylan vond het naar verluidt maar niks, en zei tegen Slash dat die “meer als Django Reinhardt moest spelen”. Een tik tegen het ego van Slash, kan je wel denken.
Eigenlijk staat er op de hele plaat geen enkel nummer dat zich echt weet te onderscheiden. Wat mij betreft, een behoorlijk doordeweeks plaatje. Het meest boeiende vind ik dan ook, zoals bij wel meer matige platen van Dylan, om meer te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis, de werkomstandigheden en het humeur van de meester, dat zo wispelturig is als het Belgische weer. Vooral de mixing en het afwerken van de plaat was een ware hel voor het producersduo. Dylan bleef zijn teksten maar herschrijven. Volgens David Was kwam dit de nummers niet altijd ten goede. ‘T.V. Talkin’ Song’ verloor zo zijn tekstuele scherpe randjes; ook ‘2 X 2’ en ‘Unbelievable’ kregen in een kort tijdsbestek een compleet andere tekst.
Vervolgens wilde Dylan, wanneer hij het bijna-afgewerkte product te horen kreeg, van bijna elk nummer de vocalen opnieuw inzingen. De broers Was waren er niet blij mee, maar Dylan kreeg zijn zin, omdat hij nu eenmaal Bob Dylan is. Eind mei 1990 moet Dylan stoppen met herschrijven, omdat er alweer een tournee voor de deur staat. Toch wilde hij, wanneer ze de songs nog een laatste keer beluisterden, een nieuwe toevoeging; accordeon. Wanneer Don Was vroeg op welke song hij die toevoeging wil, antwoordde Dylan laconiek: “Allemaal”. Dat vind ik ontzettend grappig, en o zo typerend.
Twee van de tien nummers op deze plaat stammen uit de sessies voor de vorige plaat; ‘God Knows’ en ‘Born in Time’. Als ik ze zo beluister, ben ik opgetogen dat ze niet op ‘Oh Mercy’ staan; ze hadden het niveau naar beneden gehaald, zonder twijfel. Of hadden dit dan heel andere songs geweest? Achter ‘Handy Dandy’ zit ook een speciaal verhaal; Dylan had vlak voor de sessie waarin dat nummer aan bod zou komen, verteld over een sessie van de legendarische jazzmuzikant Miles Davis die hij ooit had bijgewoond. Het was voor de plaat ‘In a Silent Way’, en Davis en de band improviseerden er een uur op los. Dit werd allemaal opgenomen, en naderhand maakte de producer, Teo Macero, er vijf stukken van, met behulp van een scheermesje. Don en David Was wilden iets gelijkaardigs proberen met ‘Handy Dandy’. Uiteindelijk werd er ongeveer de hele sessie geprobeerd en geïmproviseerd, met enkele geweldige gitaarsolo’s van Stevie Ray en Jimmy Vaughan. De beste stukjes werden er uitgepikt, en samengebracht tot een nummer van 4 minuten. Een leuk experiment, maar het heeft jammer genoeg geen knaller van formaat opgeleverd.
Ik was er nog niet aan toegekomen waarom die rechttoe-rechtaan mentaliteit ook de zwakte van het album was. Wel, het klinkt allemaal zo duf en saai. De geur van mottenballen probeert constant mijn neusgaten binnen te dringen. Het is gewoon niet spannend of intens genoeg voor mij. De meeste nummers zijn flauwe aftreksels, en uiteindelijk is de accordeon nog een geslaagde toevoeging geweest.
De nummers klinken ook een tikkie vluchtig, wat Don Was beaamt. Volgens hem ligt dit echter niet aan de productie, maar aan het feit dat Dylan zijn teksten tot in den treure bleef herschrijven. Dat vind ik nog aardig meevallen; ik vind de vocalen van Dylan net één van de voornaamste redenen waarom ‘Under the Red Sky’ nog een voldoende krijgt. De productie is gewoon te braaf, en vooral te makkelijk. Ik kan met elk nummer wel wat mee knikken, maar na afloop ben ik het ook meteen weer vergeten. Wederom: met uitzondering van de uitstekende titeltrack.
En daarmee is wat mij betreft zo goed als alles gezegd. Nog dit: ‘Under the Red Sky’ kwam uit in mijn geboortejaar, en werd deels net voor en deels net na mijn geboorte opgenomen. Misschien heeft Dylan wel zitten schaven aan een tekstregel in pakweg ‘Cat’s in the Well’ op het exacte moment dat ik mijn eerste daglicht (hoewel het eerder het kunstmatig geschapen licht van de verloskamer zal geweest zijn) zag. Of dat een rol speelt in mijn beoordeling? Neen, hoegenaamd niet. Van jeugdsentiment kan dus geen sprake zijn, het zou al te onnozel zijn.
2,5 sterren
Laat ik maar meteen voldoende duidelijkheid scheppen: na het bijzonder sterke ‘Oh Mercy’ is ‘Under the Red Sky’ een lichte sof. De stem van Dylan klinkt gelijkaardig van toon, maar minder indringend. Enkel het innemende, relaxte titelnummer kan zich enigszins meten met de songs op ‘Oh Mercy’. Ook al lijkt zijn stem in die song een paar keer op het puntje van breken te staan. Of is dat misschien net de kracht van het nummer? Enfin, uit latere albums van Dylan zou blijken dat zijn krassende, schurende, versleten stemgeluid me ook goed ligt.
‘Under the Red Sky’ is waarschijnlijk één van de meest straight forward platen van Dylan, en daarin ligt tegelijkertijd zijn sterkte en zwakte. Het ligt gewoonweg lekker in het gehoor, en je mag het draaien of keren hoe je wil, het belachelijk eenvoudige openingsnummer ‘Wiggle Wiggle’ blijft wel hangen. Maar toegegeven, het is gewoon een bijzonder matig niemendalletje. Ik heb gelezen dat Slash, de coole gitarist van Guns N’ Roses, gevraagd was om de solo in te spelen. Dylan vond het naar verluidt maar niks, en zei tegen Slash dat die “meer als Django Reinhardt moest spelen”. Een tik tegen het ego van Slash, kan je wel denken.
Eigenlijk staat er op de hele plaat geen enkel nummer dat zich echt weet te onderscheiden. Wat mij betreft, een behoorlijk doordeweeks plaatje. Het meest boeiende vind ik dan ook, zoals bij wel meer matige platen van Dylan, om meer te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis, de werkomstandigheden en het humeur van de meester, dat zo wispelturig is als het Belgische weer. Vooral de mixing en het afwerken van de plaat was een ware hel voor het producersduo. Dylan bleef zijn teksten maar herschrijven. Volgens David Was kwam dit de nummers niet altijd ten goede. ‘T.V. Talkin’ Song’ verloor zo zijn tekstuele scherpe randjes; ook ‘2 X 2’ en ‘Unbelievable’ kregen in een kort tijdsbestek een compleet andere tekst.
Vervolgens wilde Dylan, wanneer hij het bijna-afgewerkte product te horen kreeg, van bijna elk nummer de vocalen opnieuw inzingen. De broers Was waren er niet blij mee, maar Dylan kreeg zijn zin, omdat hij nu eenmaal Bob Dylan is. Eind mei 1990 moet Dylan stoppen met herschrijven, omdat er alweer een tournee voor de deur staat. Toch wilde hij, wanneer ze de songs nog een laatste keer beluisterden, een nieuwe toevoeging; accordeon. Wanneer Don Was vroeg op welke song hij die toevoeging wil, antwoordde Dylan laconiek: “Allemaal”. Dat vind ik ontzettend grappig, en o zo typerend.
Twee van de tien nummers op deze plaat stammen uit de sessies voor de vorige plaat; ‘God Knows’ en ‘Born in Time’. Als ik ze zo beluister, ben ik opgetogen dat ze niet op ‘Oh Mercy’ staan; ze hadden het niveau naar beneden gehaald, zonder twijfel. Of hadden dit dan heel andere songs geweest? Achter ‘Handy Dandy’ zit ook een speciaal verhaal; Dylan had vlak voor de sessie waarin dat nummer aan bod zou komen, verteld over een sessie van de legendarische jazzmuzikant Miles Davis die hij ooit had bijgewoond. Het was voor de plaat ‘In a Silent Way’, en Davis en de band improviseerden er een uur op los. Dit werd allemaal opgenomen, en naderhand maakte de producer, Teo Macero, er vijf stukken van, met behulp van een scheermesje. Don en David Was wilden iets gelijkaardigs proberen met ‘Handy Dandy’. Uiteindelijk werd er ongeveer de hele sessie geprobeerd en geïmproviseerd, met enkele geweldige gitaarsolo’s van Stevie Ray en Jimmy Vaughan. De beste stukjes werden er uitgepikt, en samengebracht tot een nummer van 4 minuten. Een leuk experiment, maar het heeft jammer genoeg geen knaller van formaat opgeleverd.
Ik was er nog niet aan toegekomen waarom die rechttoe-rechtaan mentaliteit ook de zwakte van het album was. Wel, het klinkt allemaal zo duf en saai. De geur van mottenballen probeert constant mijn neusgaten binnen te dringen. Het is gewoon niet spannend of intens genoeg voor mij. De meeste nummers zijn flauwe aftreksels, en uiteindelijk is de accordeon nog een geslaagde toevoeging geweest.
De nummers klinken ook een tikkie vluchtig, wat Don Was beaamt. Volgens hem ligt dit echter niet aan de productie, maar aan het feit dat Dylan zijn teksten tot in den treure bleef herschrijven. Dat vind ik nog aardig meevallen; ik vind de vocalen van Dylan net één van de voornaamste redenen waarom ‘Under the Red Sky’ nog een voldoende krijgt. De productie is gewoon te braaf, en vooral te makkelijk. Ik kan met elk nummer wel wat mee knikken, maar na afloop ben ik het ook meteen weer vergeten. Wederom: met uitzondering van de uitstekende titeltrack.
En daarmee is wat mij betreft zo goed als alles gezegd. Nog dit: ‘Under the Red Sky’ kwam uit in mijn geboortejaar, en werd deels net voor en deels net na mijn geboorte opgenomen. Misschien heeft Dylan wel zitten schaven aan een tekstregel in pakweg ‘Cat’s in the Well’ op het exacte moment dat ik mijn eerste daglicht (hoewel het eerder het kunstmatig geschapen licht van de verloskamer zal geweest zijn) zag. Of dat een rol speelt in mijn beoordeling? Neen, hoegenaamd niet. Van jeugdsentiment kan dus geen sprake zijn, het zou al te onnozel zijn.
2,5 sterren
Bob Dylan - World Gone Wrong (1993)

3,5
0
geplaatst: 10 december 2013, 19:44 uur
“1 plus 1 maakt 2”, moet Bob Dylan gedacht hebben. Ongeveer een half jaar na de release van ‘Good As I Been to You’ begon hij in zijn huisstudio in Malibu aan de opnames van alweer een nieuwe plaat, voor de tweede opeenvolgende keer zonder eigen composities / teksten. Zijn writer’s block speelde hem nog steeds parten, en aangezien hij met z’n platenmaatschappij nog een lopend contract voor één plaat had, perste hij dit kleinood eruit, als extra hommage aan de oude traditionals waar hij zo aan verknocht is.
‘World Gone Wrong’ is de titel, naar de opener van het album; dit keer dus een titel die rechtstreeks aan één van de songtitels refereert. Op de hoes zien we Dylan – met hoge hoed – aan een klein tafeltje met een rode kaars zitten, onder een schilderij (van eigen hand, vermoed ik), een beetje in een schel licht. Zijn gezicht is voor de helft verstopt in duisternis, de radiator op de achtergrond lijkt ook niet meer van de jongsten. Op de achterflap lijkt hij dan weer in gedachten verzonken, een rode gloed valt op hem neer.
1992 en 1993 kenmerken zich in Dylan’s carrière niet alleen als de jaren waarin hij zijn oude helden eert, ook live kwam hij steeds beter voor de pinnen. Er wordt gezegd dat zijn shows tijdens de Neverending Tour nooit beter waren dan toen. Hij besloot in die tijd ook te stoppen met drinken, wat zijn prestaties uiteraard ten goede kwam. Lange shows, vaak de grens van de 120 minuten overschrijdend, en uitstekende, ophitsende en ontroerende uitvoeringen van zijn eigen materiaal. Een opvallende paradox is het; live stond zijn ster hoog aan het firmament, maar als songwriter zat hij aan de grond.
Uiteindelijk mogen we daar niet overdreven rouwig om zijn; hij heeft de meute twee uitstekende coverplaten geschonken, waarop hij qua songmateriaal terugkeert naar zijn begindagen: akoestische gitaar, soms opgesmukt met uitstekend spel op de mondharmonica. Een groot verschil dat ik opmerk is het, in alle opzichten, karakter van zijn stem. Waar hij op z’n debuut bijvoorbeeld behoorlijk wild voor de dag kon komen, en met ongetemperd enthousiasme de nummers waarvan hij hield bracht (live nog een pak feller, naar het schijnt), klinkt hij hier als een doorleefde, rijpe oude kerel. Het schitterende hoogtepunt ‘Blood in My Eyes’ is daar het beste bewijs van. Het nummer, dat sowieso erg sterk is, wordt door Dylan persoonlijk naar hogere atmosferen getild; alles klopt gewoon aan die uitvoering van Dylan. Soberheid kan ook ongelooflijk raken.
Dylan werd tijdens de opnames van deze plaat, net als bij de vorige, bijgestaan door Micajah Ryan. Die beschouwde dat als een voorrecht, en getuigde ooit over het primitieve karakter van ‘World Gone Wrong’. Ik vind het overigens behoorlijk bizar dat Dylan kampte met een gebrek aan inspiratie; zijn uitvoering klinken in ieder geval erg geïnspireerd en overtuigend. ‘Broke Down Engine’, in een vroeger leven nog uitgevoerd door Blind Willie McTell, voert me op die manier helemaal mee. Bezwerend gitaarspel (Dylan’s niveau ligt trouwens de hele plaat lang behoorlijk hoog), en het snedige gekras van de – toen al – oude kraai.
Toch blijft ‘World Gone Wrong’ op alle vlakken een beetje achter in vergelijking met diens voorganger. Zeker de eerste luisterbeurten (ik had ‘m al behoorlijk lang niet meer geluisterd) wisten me niet te overtuigen. Nu kan ik natuurlijk wel zeggen dat het gewoon een zeer goede plaat is, maar die impact die ‘Good As I Been to You’ al op me had vanaf de eerste noten, ontbreekt hier; een kwestie van een tikkeltje minder magie. Het zal aan de nummers liggen, hoewel ook nu de keuze van Dylan weer heel mooi is. ‘Blood in My Eyes’, ‘Delia’, ‘Stackalee’, ‘Broke Down Engine’; het zijn stuk voor stuk ijzersterke liedjes. Echt zwakke broertjes kan ik nu ook weer niet aanwijzen. Toch is er een verschil, vooral gevoelsmatig dus; ik kan, na beide platen elk zo’n 10 keer te hebben beluisterd, zeggen dat ik net wat meer heb met ‘Good As I Been to You’.
Wat absoluut een pluspunt is, en een, mijns inziens, prettige stimulans om het album gewoon te kopen, zijn de liner notes die Dylan voor de release van het album schreef. Daarin heeft hij het in het kort over elk van de tien songs die hierop zijn verschenen. Zeer interessante lectuur, in feite; het schetst een goed beeld van het gedachtegoed van die songs, en de wijsheid die Dylan erin ziet. Vooral het stukje dat hij over ‘Delia’ schreef vind ik schitterend, en wil ik u dan ook niet onthouden:
Als je zulks kunt schrijven, kan je ook nog liedjes schrijven. Enkele jaren verder zou ook op plaat weer blijken dat hij het nog niet was verleerd.
3,5 sterren
‘World Gone Wrong’ is de titel, naar de opener van het album; dit keer dus een titel die rechtstreeks aan één van de songtitels refereert. Op de hoes zien we Dylan – met hoge hoed – aan een klein tafeltje met een rode kaars zitten, onder een schilderij (van eigen hand, vermoed ik), een beetje in een schel licht. Zijn gezicht is voor de helft verstopt in duisternis, de radiator op de achtergrond lijkt ook niet meer van de jongsten. Op de achterflap lijkt hij dan weer in gedachten verzonken, een rode gloed valt op hem neer.
1992 en 1993 kenmerken zich in Dylan’s carrière niet alleen als de jaren waarin hij zijn oude helden eert, ook live kwam hij steeds beter voor de pinnen. Er wordt gezegd dat zijn shows tijdens de Neverending Tour nooit beter waren dan toen. Hij besloot in die tijd ook te stoppen met drinken, wat zijn prestaties uiteraard ten goede kwam. Lange shows, vaak de grens van de 120 minuten overschrijdend, en uitstekende, ophitsende en ontroerende uitvoeringen van zijn eigen materiaal. Een opvallende paradox is het; live stond zijn ster hoog aan het firmament, maar als songwriter zat hij aan de grond.
Uiteindelijk mogen we daar niet overdreven rouwig om zijn; hij heeft de meute twee uitstekende coverplaten geschonken, waarop hij qua songmateriaal terugkeert naar zijn begindagen: akoestische gitaar, soms opgesmukt met uitstekend spel op de mondharmonica. Een groot verschil dat ik opmerk is het, in alle opzichten, karakter van zijn stem. Waar hij op z’n debuut bijvoorbeeld behoorlijk wild voor de dag kon komen, en met ongetemperd enthousiasme de nummers waarvan hij hield bracht (live nog een pak feller, naar het schijnt), klinkt hij hier als een doorleefde, rijpe oude kerel. Het schitterende hoogtepunt ‘Blood in My Eyes’ is daar het beste bewijs van. Het nummer, dat sowieso erg sterk is, wordt door Dylan persoonlijk naar hogere atmosferen getild; alles klopt gewoon aan die uitvoering van Dylan. Soberheid kan ook ongelooflijk raken.
Dylan werd tijdens de opnames van deze plaat, net als bij de vorige, bijgestaan door Micajah Ryan. Die beschouwde dat als een voorrecht, en getuigde ooit over het primitieve karakter van ‘World Gone Wrong’. Ik vind het overigens behoorlijk bizar dat Dylan kampte met een gebrek aan inspiratie; zijn uitvoering klinken in ieder geval erg geïnspireerd en overtuigend. ‘Broke Down Engine’, in een vroeger leven nog uitgevoerd door Blind Willie McTell, voert me op die manier helemaal mee. Bezwerend gitaarspel (Dylan’s niveau ligt trouwens de hele plaat lang behoorlijk hoog), en het snedige gekras van de – toen al – oude kraai.
Toch blijft ‘World Gone Wrong’ op alle vlakken een beetje achter in vergelijking met diens voorganger. Zeker de eerste luisterbeurten (ik had ‘m al behoorlijk lang niet meer geluisterd) wisten me niet te overtuigen. Nu kan ik natuurlijk wel zeggen dat het gewoon een zeer goede plaat is, maar die impact die ‘Good As I Been to You’ al op me had vanaf de eerste noten, ontbreekt hier; een kwestie van een tikkeltje minder magie. Het zal aan de nummers liggen, hoewel ook nu de keuze van Dylan weer heel mooi is. ‘Blood in My Eyes’, ‘Delia’, ‘Stackalee’, ‘Broke Down Engine’; het zijn stuk voor stuk ijzersterke liedjes. Echt zwakke broertjes kan ik nu ook weer niet aanwijzen. Toch is er een verschil, vooral gevoelsmatig dus; ik kan, na beide platen elk zo’n 10 keer te hebben beluisterd, zeggen dat ik net wat meer heb met ‘Good As I Been to You’.
Wat absoluut een pluspunt is, en een, mijns inziens, prettige stimulans om het album gewoon te kopen, zijn de liner notes die Dylan voor de release van het album schreef. Daarin heeft hij het in het kort over elk van de tien songs die hierop zijn verschenen. Zeer interessante lectuur, in feite; het schetst een goed beeld van het gedachtegoed van die songs, en de wijsheid die Dylan erin ziet. Vooral het stukje dat hij over ‘Delia’ schreef vind ik schitterend, en wil ik u dan ook niet onthouden:
Delia is one sad tale – two or more versions mixed into one. The songs has no middle range, comes whipping around the corner, seems to be about counterfeit loyalty. Delia herself, no Queen Hertrude, Elizabeth I or even Evita Peron, doesn’t ride a Harley Davidson across the desert highway, doesn’t need a blood change & would never go on a shopping spree. The guy in the courthouse sounds like a pimp in primary colors. He’s not interested in mosques on the temple mount, Armageddon or World War 111, doesn’t put his face in his knees & weep & wears no dunce hat, makes no apology & is doomed to obscurity. Does this song have rectitude? You bet. Toleration of the unacceptable leads to the last round-up. The singer’s not talking from a head full of booze.
Als je zulks kunt schrijven, kan je ook nog liedjes schrijven. Enkele jaren verder zou ook op plaat weer blijken dat hij het nog niet was verleerd.
3,5 sterren
Bobby Hutcherson - Dialogue (1965)

4,0
3
geplaatst: 21 mei 2021, 21:21 uur
Deze wordt inderdaad gezien als het officiële debuut van Bobby Hutcherson als bandleider (eind 1963 nam hij al wat nummers op, die in 1999 onder de noemer The Kicker alsnog uitgebracht zouden worden), en wat voor een debuut! Nu is alleen de line-up al om van te likkebaarden, natuurlijk:
Bobby Hutcherson: vibrafoon - marimba
Sam Rivers: tenor sax - soprano sax - klarinet - fluit
Freddie Hubbard: trompet
Andrew Hill: piano
Richard Davis: bas
Joe Chambers: drums
Eerder speelde Hutcherson al mee op o.a. Out to Lunch! van Eric Dolphy, Idle Moments van Grant Green en Judgment! van Andrew Hill, die overigens 3 van de 5 stukken op dit album (plus bonustrack Jasper) componeerde.
Deze plaat kreeg destijds (en nu nog steeds) erg lovende kritieken, en daar kan ik het alleen maar mee eens worden. De vijf composities sprankelen, en blinken uit in variatie. De opener klinkt heerlijk broeierig en latino, Idle While doet dan weer wat weemoediger naar adem happen, en Les Noirs Marchent is een geëngageerd (Civil Rights Movement!) meesterwerkje uit Hill's koker. Het hoogtepunt vind ik echter het titelstuk, met een hoofdrol voor Hutcherson zelf, maar vooral heerlijk samenspel; de groepsdynamiek op z'n best!
4 sterren
Bobby Hutcherson: vibrafoon - marimba
Sam Rivers: tenor sax - soprano sax - klarinet - fluit
Freddie Hubbard: trompet
Andrew Hill: piano
Richard Davis: bas
Joe Chambers: drums
Eerder speelde Hutcherson al mee op o.a. Out to Lunch! van Eric Dolphy, Idle Moments van Grant Green en Judgment! van Andrew Hill, die overigens 3 van de 5 stukken op dit album (plus bonustrack Jasper) componeerde.
Deze plaat kreeg destijds (en nu nog steeds) erg lovende kritieken, en daar kan ik het alleen maar mee eens worden. De vijf composities sprankelen, en blinken uit in variatie. De opener klinkt heerlijk broeierig en latino, Idle While doet dan weer wat weemoediger naar adem happen, en Les Noirs Marchent is een geëngageerd (Civil Rights Movement!) meesterwerkje uit Hill's koker. Het hoogtepunt vind ik echter het titelstuk, met een hoofdrol voor Hutcherson zelf, maar vooral heerlijk samenspel; de groepsdynamiek op z'n best!
4 sterren
Bombay Bicycle Club - Everything Else Has Gone Wrong (2020)

3,5
0
geplaatst: 2 februari 2020, 19:37 uur
Maar dan degelijk, dit comeback-album van Bombay Bicycle Club. De Britten staan hier garant voor een dikke 40 minuten goeie muziek, en lijken in hetzelfde straatje als Vampire Weekend te wonen, maar dan wat verder van de dorpskern verwijderd.
De sterkhouders van dit album zijn voor mij de titelsong, waarvan het refrein met erg aan het allerbeste van Kaiser Chiefs doet denken, het rustige I Can Hardly Speak en Eat, Sleep, Wake (Nothing But You), met die heerlijk melancholische gitaarlick en dito refreintje. Er staan ook wel wat mindere broeders op, en dan valt het mij op dat de band wat loom en ongeïnspireerd begint te klinken. People, People vind ik bijvoorbeeld niet zo'n geslaagd duet.
Wel geslaagd is de bijdrage van Nate Walcott op enkele nummers. Walcott is bekend als bandlid van Bright Eyes, is ook filmcomponist en multi-instrumentalist, en in die laatste hoedanigheid wordt hij vaak door diverse bands opgetrommeld; zo heeft hij al het podium en de studio gedeeld met o.a. U2, Red Hot Chili Peppers en First Aid Kit.
Tot slot moet ik nog vermelden dat ook het funky, levendige Do You Feel Loved en het grappige Good Day - al zet de tekst je stiekem ook wel aan het denken - meer dan fijne songs zijn.
3,5 sterren
De sterkhouders van dit album zijn voor mij de titelsong, waarvan het refrein met erg aan het allerbeste van Kaiser Chiefs doet denken, het rustige I Can Hardly Speak en Eat, Sleep, Wake (Nothing But You), met die heerlijk melancholische gitaarlick en dito refreintje. Er staan ook wel wat mindere broeders op, en dan valt het mij op dat de band wat loom en ongeïnspireerd begint te klinken. People, People vind ik bijvoorbeeld niet zo'n geslaagd duet.
Wel geslaagd is de bijdrage van Nate Walcott op enkele nummers. Walcott is bekend als bandlid van Bright Eyes, is ook filmcomponist en multi-instrumentalist, en in die laatste hoedanigheid wordt hij vaak door diverse bands opgetrommeld; zo heeft hij al het podium en de studio gedeeld met o.a. U2, Red Hot Chili Peppers en First Aid Kit.
Tot slot moet ik nog vermelden dat ook het funky, levendige Do You Feel Loved en het grappige Good Day - al zet de tekst je stiekem ook wel aan het denken - meer dan fijne songs zijn.
3,5 sterren
Bon Iver - Bon Iver, Bon Iver (2011)

3,5
0
geplaatst: 1 september 2011, 20:11 uur
In 2007 bracht Justin Vernon, beter bekend als Bon Iver, zijn debuut uit. Een intriest klinkende folkplaat, gemaakt in een blokhut in een Amerikaans woud. Hij beleefde een soort van existentiële crisis, door alles en iedereen verlaten, en daarom zelf ook maar alles en iedereen verlaten, de schamele troost zoekend van het loofgroen. De plaat werd enthousiast onthaald, en wordt nu nog altijd gezien als een mijlpaal, toch zeker lid van het groepje “beste platen van de 21ste eeuw”. Tot nu toe, want de eeuw is nog jong, gebiedt de eerlijkheid ons te zeggen.
Daarna was het lang stil rond Bon Iver, al bracht Vernon de EP ‘Blood Bank’ uit in 2009. Daarop was de inleiding naar een nieuw geluid te herkennen; Bon Iver werd een band. Vorig jaar kon je zijn stem onder andere bewonderen op Kanye West’s ‘My Beautiful Dark Twisted Fantasy’. Een artiest waarmee je Vernon niet meteen zou associëren, maar hij heeft in diverse interviews al te kennen gegeven dat hij een fan is van West. Ik vind persoonlijk dat zijn stem tekortgedaan wordt op die plaat, vanwege de autotune, maar goed.
En nu staat Bon Iver weer op het voortoneel, met een niet bijster originele titel voor de tweede plaat. Opvolger van ‘For Emma, Forever Ago’. Op sommige fora wordt er gesproken van ‘Bon Iver’, maar de titel is toch echt wel ‘Bon Iver, Bon Iver’. Een verdubbeling dus. Staat dit voor het ontegensprekelijk rijker geluid? Of voor de ietwat lichtere toon? Het zal altijd een groot vraagteken blijven, vermoed ik, en van Vernon zelf zullen we het ook wel niet horen. Al zou het goed kunnen dat ik er met mijn giswerk naast zit, gelieve mij dan te corrigeren.
Dat de band (zo mogen we Bon Iver nu wel noemen) zo groot is, spreekt uit het feit dat ik drie alinea’s nodig heb om het over de toch nog erg beperkte discografie te hebben. Wat het belangrijkste is, is en blijft de muziek natuurlijk. ‘Bon Iver, Bon Iver’ bestaat uit tien nummers, waarvan de titels refereren naar plaatsen uit Vernon’s verleden. Herinneringen worden opgehaald, hetzij goeie, hetzij kwaaie. Die feeërieke falsetto van Vernon is wederom aanwezig, al haalt hij ook wel eens de kopstem aan (hetgeen me ietwat stoort soms). Muzikaal verspreidt deze plaat een veel rijker geluid dan de vorige, draperieën, klanktapijten. De drummer van Bon Iver bracht trouwens ook een plaat uit vorig jaar, ook mooi. Hier speelt hij echter een nederige maar belangrijke rol, want met het ritme zit het meestal wel goed.
De plaat geeft me veel gemengde gevoelens. Sommige nummers vind ik zonder meer fantastisch, zoals opener ‘Perth’, een erg warm nummer, op de achtergrond lijkt men ongeïnteresseerd te rommelen met messen en vorken, het doet me denken aan de keuken van een verlaten officiersmess. De hoge omes zijn gaan rusten, en het onderbetaalde personeel zet zich met naïeve geestdrift aan de afwas. Of ‘Calgary’, dat gaandeweg verandert van een lieflijk folkliedje in een aan James Blake herinnerend hip nummer. Verrassing is de grote troef van deze plaat, maar het gevaar bestaat dan ook dat je, eens de plaat vier à vijf keer beluisterd, aan die verrassing gewoon raakt. Dan is het al makkelijker om de beste nummers eruit te pikken. Dat zijn mijns inziens de twee die ik al genoemd heb, met daarenboven ‘Michicant’.
‘Michicant’, een sleper. Vernon’s stem gedijt goed bij dit soort rustigheid. Als het wat drukker wordt, vind ik het algauw niks (met uitzondering van ‘Calgary’ dan). Afsluiter ‘Beth/Rest’ vond ik na één luisterbeurt echt een draak van een song, en sindsdien ben ik het nummer wat gaan waarderen, maar het is nog altijd niet bepaald grote liefde. Het nummer wijkt ook af van de 9 eerste songs, en heeft de meest uitgesproken jaren ’80 sound, by far. Het is dan ook weer een experiment, waar je bijna respect voor moet hebben. Maar het goed vinden, daar kan niets of niemand je toe verplichten, hoe experimenteel ook. In HUMO las ik: “Het nummer is zo fout dat het geweldig is”. Ik begrijp wel waar die recensent naartoe wil, maar ik volg hem daar niet in.
‘Hinnom, TX’ en ‘Lisbon, OH’ zijn twee tussendoortjes, doen me weinig of niets. De overige nummers zijn ook niet van het kaliber dat ze me doen opveren van verwondering. Ik weet natuurlijk al waartoe Vernon in staat is, dus zal ik ook überhaupt niet zo hoog opveren bij nieuw werk van Bon Iver. Maar toch. Ik had vrij hoge verwachtingen van deze plaat, en deels worden die ook ingelost. ‘Perth’ is wonderschoon, voor ‘Michicant’ en ‘Calgary’ geldt hetzelfde. ‘Beth/Rest’ is een afknapper voor mij, en de rest is best aardig, maar niet echt hoogstaand. Met drie geweldige nummers vind ik dat toch te weinig om een echt hoog cijfer uit te delen. De ontwikkeling in zijn manier van songschrijven maakt me wel weer nieuwsgierig naar de volgende plaat.
3,5 sterren
Daarna was het lang stil rond Bon Iver, al bracht Vernon de EP ‘Blood Bank’ uit in 2009. Daarop was de inleiding naar een nieuw geluid te herkennen; Bon Iver werd een band. Vorig jaar kon je zijn stem onder andere bewonderen op Kanye West’s ‘My Beautiful Dark Twisted Fantasy’. Een artiest waarmee je Vernon niet meteen zou associëren, maar hij heeft in diverse interviews al te kennen gegeven dat hij een fan is van West. Ik vind persoonlijk dat zijn stem tekortgedaan wordt op die plaat, vanwege de autotune, maar goed.
En nu staat Bon Iver weer op het voortoneel, met een niet bijster originele titel voor de tweede plaat. Opvolger van ‘For Emma, Forever Ago’. Op sommige fora wordt er gesproken van ‘Bon Iver’, maar de titel is toch echt wel ‘Bon Iver, Bon Iver’. Een verdubbeling dus. Staat dit voor het ontegensprekelijk rijker geluid? Of voor de ietwat lichtere toon? Het zal altijd een groot vraagteken blijven, vermoed ik, en van Vernon zelf zullen we het ook wel niet horen. Al zou het goed kunnen dat ik er met mijn giswerk naast zit, gelieve mij dan te corrigeren.
Dat de band (zo mogen we Bon Iver nu wel noemen) zo groot is, spreekt uit het feit dat ik drie alinea’s nodig heb om het over de toch nog erg beperkte discografie te hebben. Wat het belangrijkste is, is en blijft de muziek natuurlijk. ‘Bon Iver, Bon Iver’ bestaat uit tien nummers, waarvan de titels refereren naar plaatsen uit Vernon’s verleden. Herinneringen worden opgehaald, hetzij goeie, hetzij kwaaie. Die feeërieke falsetto van Vernon is wederom aanwezig, al haalt hij ook wel eens de kopstem aan (hetgeen me ietwat stoort soms). Muzikaal verspreidt deze plaat een veel rijker geluid dan de vorige, draperieën, klanktapijten. De drummer van Bon Iver bracht trouwens ook een plaat uit vorig jaar, ook mooi. Hier speelt hij echter een nederige maar belangrijke rol, want met het ritme zit het meestal wel goed.
De plaat geeft me veel gemengde gevoelens. Sommige nummers vind ik zonder meer fantastisch, zoals opener ‘Perth’, een erg warm nummer, op de achtergrond lijkt men ongeïnteresseerd te rommelen met messen en vorken, het doet me denken aan de keuken van een verlaten officiersmess. De hoge omes zijn gaan rusten, en het onderbetaalde personeel zet zich met naïeve geestdrift aan de afwas. Of ‘Calgary’, dat gaandeweg verandert van een lieflijk folkliedje in een aan James Blake herinnerend hip nummer. Verrassing is de grote troef van deze plaat, maar het gevaar bestaat dan ook dat je, eens de plaat vier à vijf keer beluisterd, aan die verrassing gewoon raakt. Dan is het al makkelijker om de beste nummers eruit te pikken. Dat zijn mijns inziens de twee die ik al genoemd heb, met daarenboven ‘Michicant’.
‘Michicant’, een sleper. Vernon’s stem gedijt goed bij dit soort rustigheid. Als het wat drukker wordt, vind ik het algauw niks (met uitzondering van ‘Calgary’ dan). Afsluiter ‘Beth/Rest’ vond ik na één luisterbeurt echt een draak van een song, en sindsdien ben ik het nummer wat gaan waarderen, maar het is nog altijd niet bepaald grote liefde. Het nummer wijkt ook af van de 9 eerste songs, en heeft de meest uitgesproken jaren ’80 sound, by far. Het is dan ook weer een experiment, waar je bijna respect voor moet hebben. Maar het goed vinden, daar kan niets of niemand je toe verplichten, hoe experimenteel ook. In HUMO las ik: “Het nummer is zo fout dat het geweldig is”. Ik begrijp wel waar die recensent naartoe wil, maar ik volg hem daar niet in.
‘Hinnom, TX’ en ‘Lisbon, OH’ zijn twee tussendoortjes, doen me weinig of niets. De overige nummers zijn ook niet van het kaliber dat ze me doen opveren van verwondering. Ik weet natuurlijk al waartoe Vernon in staat is, dus zal ik ook überhaupt niet zo hoog opveren bij nieuw werk van Bon Iver. Maar toch. Ik had vrij hoge verwachtingen van deze plaat, en deels worden die ook ingelost. ‘Perth’ is wonderschoon, voor ‘Michicant’ en ‘Calgary’ geldt hetzelfde. ‘Beth/Rest’ is een afknapper voor mij, en de rest is best aardig, maar niet echt hoogstaand. Met drie geweldige nummers vind ik dat toch te weinig om een echt hoog cijfer uit te delen. De ontwikkeling in zijn manier van songschrijven maakt me wel weer nieuwsgierig naar de volgende plaat.
3,5 sterren
Bonnie 'Prince' Billy - Bonnie 'Prince' Billy (2013)

4,5
0
geplaatst: 1 maart 2016, 21:45 uur
Kort maar krachtig. Niet in geluid, wel in hoe de plaat overkomt.
Will Oldham lijkt met deze compleet van franjes gestripte titelloze plaat eventjes terug te willen keren in de tijd, toen hij nog in volle Palace-periode zat. Net als op die andere titelloze ('Palace Brothers', uit 1994 alweer) treft elk liedje raak, en net als die plaat klokt Oldham af onder het halfuur. Nog een overeenkomst? Tien liedjes, jawel.
Echte favorieten kan ik niet noemen (wat dan weer een verschil met 'Palace Brothers' is), maar ik wissel af. De ene keer is het 'This Is My Cocktail', de andere keer 'Triumph of Will'. In de beginne was het de opener, nu neig ik eerder naar afsluiter 'Royal Quiet Deluxe', misschien wel het traagste, spaarzaamste (met een fraaie uitloper, weliswaar), van een mooie, geladen tekst voorziene liedje op dit album.
And who is ruled by fear;
Is oft ignored by fun...
4,5 sterren
Will Oldham lijkt met deze compleet van franjes gestripte titelloze plaat eventjes terug te willen keren in de tijd, toen hij nog in volle Palace-periode zat. Net als op die andere titelloze ('Palace Brothers', uit 1994 alweer) treft elk liedje raak, en net als die plaat klokt Oldham af onder het halfuur. Nog een overeenkomst? Tien liedjes, jawel.

Echte favorieten kan ik niet noemen (wat dan weer een verschil met 'Palace Brothers' is), maar ik wissel af. De ene keer is het 'This Is My Cocktail', de andere keer 'Triumph of Will'. In de beginne was het de opener, nu neig ik eerder naar afsluiter 'Royal Quiet Deluxe', misschien wel het traagste, spaarzaamste (met een fraaie uitloper, weliswaar), van een mooie, geladen tekst voorziene liedje op dit album.
And who is ruled by fear;
Is oft ignored by fun...
4,5 sterren
Bonobo - Black Sands (2010)

4,5
0
geplaatst: 12 april 2010, 22:03 uur
Toen ik deze plaat voor het eerst had beluisterd, wist ik niet goed wat ik er mee aan moest. Jazeker vond ik het knappe muziek, jazeker genoot ik van de mooie opbouw van sommige nummers, jazeker werd ik meegesleept door de pracht van deze muziek. Waar ik mee worstelde was het volgende: wat is dit nou precies?
Nu, enkele weken later, heb ik de plaat meerdere malen opgelegd, en het lijkt of de muziek alsmaar knapper wordt, of de opbouw alsmaar mooier wordt, of het alsmaar meeslepender wordt. Ik hoor verscheidene muziekgenres hierin. Electro, omdat het gewoonweg electro is; hip-hop, omwille van het perfecte gevoel voor ritmiek; jazz, omdat Bonobo er uitermate goed in slaagt om telkens weer een uitzonderlijke sfeer te creëren, hij schept als het ware omgevingen, die in mijn ogen ook nog eens bijzonder kleurrijk zijn.
Er wordt ook gebruik gemaakt van verschillende instrumenten. Zo vind ik de viool in de intro en ‘Kiara’ zeer op z’n plaats. Het nummer voelt ook wat klassiek aan (dankzij de viool dus).
‘Kong’ is dan weer een erg relaxed nummer, maar het houdt je aandacht goed vast.
Dan komen we bij ‘Eyesdown’, waar gastzangeres Andreya Triana haar blijde intrede doet. Dit is een meer lounge-achtig nummer, net als de andere nummers waarop zij zingt, en ik begrijp ook wel waarom; haar stem past hier wonderwel bij.
Op ‘El Toro’ doet de viool weer haar intrede, en vormt samen met de andere instrumenten een prachtig geheel. Speciale vermelding voor de drums, die, zoals user Al-one al opmerkte, ongelooflijk klinken. Dit is het soort nummer waarop je heerlijk kan wegdromen en toch ook niet; het zoude zonde zijn mocht je ook maar één seconde missen van dit nummer.
‘We Could Forever’ is misschien wel heet meest aanstekelijke nummer van de ganse plaat. Het gevoel voor ritme en de melodie pakken je meteen vast en laten je niet meer los. Ook de opbouw is erg mooi.
In ‘1009’ weet Bonobo als geen ander de muziek naar z’n hand te zetten. Hij weet op de perfecte moment de accenten te verleggen, de song spannend te houden, en toont dat hij goed aanvoelt wanneer hij welk instrument moet inpassen.
‘All In Forms’ is weer geheel anders, wat minder spanning, wat losser. Zeker niet het beste nummer op deze plaat, maar ook geen filler; daarvan is er op deze plaats volgens mij geen sprake.
Daarna komen twee nummers waarop Andreya Triana haar stem weer kan laten horen. ‘The Keeper’ is het eerste, en valt me iets beter mee dan ‘Eyesdown’. Dat de dame kan zingen, daar valt niet over te discussiëren, denk ik. In ‘Stay The Same’ vind ik haar nog het best tot haar recht komen. Dat komt door de nieuwe sfeer waarin dit nummer wordt ondergedompeld. Ik vind het lekker jazzy, mede dankzij de aanwezigheid van de saxofoon, uitstekend bespeeld door Jack Willey.
Wat ons nu nog rest, zijn twee absolute toppers. Voorlaatste nummer is ‘Animals’, waarin de saxofoon ook erg aanwezig is. Het nummer drijft op een fantastisch gitaarlijntje, en ook het geluid van de bass bekoort me. Op deze song is niks aan te merken, ik kan ‘m bij wijze van spreken 100 keer na elkaar beluisteren, ik zou ‘m nog niet moe worden. Vooral het tweede deel van de song, waarin de sax een hoofdrol speelt, is geweldig.
Het laatste nummer is zo mogelijk nog beter. De opbouw is nergens beter dan in dit nummer, het lijkt wel een spetterende epiloog van een fantastisch boek. De song begint rustig met mandoline, en beetje bij beetje worden er instrumenten aan het geheel toegevoegd, tot alles bijeen komt. ‘Black Sands’, want zo heet de track, klinkt als de perfecte soundtrack voor een epische, mysterieuze film of serie. Het melodietje is zo verslavend, zo meeslepend, dreigend en melancholisch tegelijk, levendig en triest, …; kortom, een schot in de roos. Of, hoe je een grootse plaat op de meeste grootse manier kan afsluiten.
Hadden de tracks met Andreya Triana niet op deze plaat gestaan, dan had ik misschien wel overwogen om 5 sterren uit te delen, maar nu zal ‘Black Sands’ het met een halfje minder moeten doen, wat toch ook fantastisch is.
4,5 sterren
Nu, enkele weken later, heb ik de plaat meerdere malen opgelegd, en het lijkt of de muziek alsmaar knapper wordt, of de opbouw alsmaar mooier wordt, of het alsmaar meeslepender wordt. Ik hoor verscheidene muziekgenres hierin. Electro, omdat het gewoonweg electro is; hip-hop, omwille van het perfecte gevoel voor ritmiek; jazz, omdat Bonobo er uitermate goed in slaagt om telkens weer een uitzonderlijke sfeer te creëren, hij schept als het ware omgevingen, die in mijn ogen ook nog eens bijzonder kleurrijk zijn.
Er wordt ook gebruik gemaakt van verschillende instrumenten. Zo vind ik de viool in de intro en ‘Kiara’ zeer op z’n plaats. Het nummer voelt ook wat klassiek aan (dankzij de viool dus).
‘Kong’ is dan weer een erg relaxed nummer, maar het houdt je aandacht goed vast.
Dan komen we bij ‘Eyesdown’, waar gastzangeres Andreya Triana haar blijde intrede doet. Dit is een meer lounge-achtig nummer, net als de andere nummers waarop zij zingt, en ik begrijp ook wel waarom; haar stem past hier wonderwel bij.
Op ‘El Toro’ doet de viool weer haar intrede, en vormt samen met de andere instrumenten een prachtig geheel. Speciale vermelding voor de drums, die, zoals user Al-one al opmerkte, ongelooflijk klinken. Dit is het soort nummer waarop je heerlijk kan wegdromen en toch ook niet; het zoude zonde zijn mocht je ook maar één seconde missen van dit nummer.
‘We Could Forever’ is misschien wel heet meest aanstekelijke nummer van de ganse plaat. Het gevoel voor ritme en de melodie pakken je meteen vast en laten je niet meer los. Ook de opbouw is erg mooi.
In ‘1009’ weet Bonobo als geen ander de muziek naar z’n hand te zetten. Hij weet op de perfecte moment de accenten te verleggen, de song spannend te houden, en toont dat hij goed aanvoelt wanneer hij welk instrument moet inpassen.
‘All In Forms’ is weer geheel anders, wat minder spanning, wat losser. Zeker niet het beste nummer op deze plaat, maar ook geen filler; daarvan is er op deze plaats volgens mij geen sprake.
Daarna komen twee nummers waarop Andreya Triana haar stem weer kan laten horen. ‘The Keeper’ is het eerste, en valt me iets beter mee dan ‘Eyesdown’. Dat de dame kan zingen, daar valt niet over te discussiëren, denk ik. In ‘Stay The Same’ vind ik haar nog het best tot haar recht komen. Dat komt door de nieuwe sfeer waarin dit nummer wordt ondergedompeld. Ik vind het lekker jazzy, mede dankzij de aanwezigheid van de saxofoon, uitstekend bespeeld door Jack Willey.
Wat ons nu nog rest, zijn twee absolute toppers. Voorlaatste nummer is ‘Animals’, waarin de saxofoon ook erg aanwezig is. Het nummer drijft op een fantastisch gitaarlijntje, en ook het geluid van de bass bekoort me. Op deze song is niks aan te merken, ik kan ‘m bij wijze van spreken 100 keer na elkaar beluisteren, ik zou ‘m nog niet moe worden. Vooral het tweede deel van de song, waarin de sax een hoofdrol speelt, is geweldig.
Het laatste nummer is zo mogelijk nog beter. De opbouw is nergens beter dan in dit nummer, het lijkt wel een spetterende epiloog van een fantastisch boek. De song begint rustig met mandoline, en beetje bij beetje worden er instrumenten aan het geheel toegevoegd, tot alles bijeen komt. ‘Black Sands’, want zo heet de track, klinkt als de perfecte soundtrack voor een epische, mysterieuze film of serie. Het melodietje is zo verslavend, zo meeslepend, dreigend en melancholisch tegelijk, levendig en triest, …; kortom, een schot in de roos. Of, hoe je een grootse plaat op de meeste grootse manier kan afsluiten.
Hadden de tracks met Andreya Triana niet op deze plaat gestaan, dan had ik misschien wel overwogen om 5 sterren uit te delen, maar nu zal ‘Black Sands’ het met een halfje minder moeten doen, wat toch ook fantastisch is.
4,5 sterren
Bop Alloy - Substantial & Marcus D Are Bop Alloy (2010)

4,0
0
geplaatst: 26 februari 2011, 18:53 uur
Goeie plaat van Bop Alloy, bestaande uit Substantial en Marcus D. Deze plaat werd in een Review-topic aangebracht, en mede dankzij de uitnodigende, in het oog springende cover heb ik dit plaatje eruit gepikt. Een erg leuke cover, eerlijk gezegd. We zien een futuristisch iemand, met een beetje een vreemde helm, waarop onder andere schakelaars van een muziekpaneel en een blaasinstrument (?) te zien zijn. Allemaal representatief voor de muziek die gemaakt wordt, hip-hop met een jazzy toets.
Substantial is een degelijke rapper, niet groots, maar wel aangenaam om naar te luisteren. Opener 'Jazzmatic' laat meteen horen hoe het moet; een jazzritme, aanstekelijke beat, leuk refrein. De gastartiesten op deze plaat zijn vrijwel allemaal onbekenden voor mij, behalve ene Tunji, die ik in 2010 (en met mij vele anderen, als ik me niet vergis) veel lof toezwaaide voor zijn oersterke gastbijdrage. Het zijn dan misschien geen gevestigde namen die hier meedoen, maar het klinkt allemaal erg fijn. Neem nu een nummer als 'Another Day In The Life' (al dan niet bedoeld refererend aan The Beatles), toch één van de betere nummers op deze plaat.
Marcus D werpt zich hier op als steengoed beatbakker, zijn producties zijn erg fraai, en komen goed uit met de verses van de rappers. Waar dit album ook lichtelijk in uitblinkt, zijn de refreintjes; over het algemeen komen die erg goed uit de verf. Ik ben nu wel, zeker de laatste jaren, een jazzliefhebber geworden, dus spreekt het misschien een beetje voor zich dat dit iets voor mij is. Ook hip-hop weet ik wel te waarderen (Atmosphere vind ik zelfs geweldig), al ken ik er niet zoveel van.
De interludes zouden een probleem kunnen vormen, maar ik vind ze toch wat toevoegen; het zijn meer vlotte overgangen dan stukjes die het tempo en de feeling uit de plaat halen. Neen, dat lekkere relax-gevoel blijft de hele plaat lang overheersen. Vreemd dat ik deze plaat in 2010 niet heb beluisterd, toch een aantal hip-hopreleases doorspit, ik zal erover gekeken hebben..
Tunji's verse op 'Lead The Followers' is weer ijzersterk, hoor. Een rijzende ster aan het hip-hopfirmament? Al kwam ie op 'Rhythm Of The Rain' van Kno nog net iets harder.. En niels94 heeft gelijk, 'Still Think Different' is inderdaad een geweldig nummer, klinkt erg classic, al is dat een beetje snel om zoiets te zeggen natuurlijk. 'Why The World Weeps' is ook één mijner favorieten op dit album. Die productie is echt om van te smullen!
Rest mij alleen nog om user Snoeperd te bedanken, die dit album onder mijn aandacht bracht in desbetreffend Review-topic.
4 sterren
Substantial is een degelijke rapper, niet groots, maar wel aangenaam om naar te luisteren. Opener 'Jazzmatic' laat meteen horen hoe het moet; een jazzritme, aanstekelijke beat, leuk refrein. De gastartiesten op deze plaat zijn vrijwel allemaal onbekenden voor mij, behalve ene Tunji, die ik in 2010 (en met mij vele anderen, als ik me niet vergis) veel lof toezwaaide voor zijn oersterke gastbijdrage. Het zijn dan misschien geen gevestigde namen die hier meedoen, maar het klinkt allemaal erg fijn. Neem nu een nummer als 'Another Day In The Life' (al dan niet bedoeld refererend aan The Beatles), toch één van de betere nummers op deze plaat.
Marcus D werpt zich hier op als steengoed beatbakker, zijn producties zijn erg fraai, en komen goed uit met de verses van de rappers. Waar dit album ook lichtelijk in uitblinkt, zijn de refreintjes; over het algemeen komen die erg goed uit de verf. Ik ben nu wel, zeker de laatste jaren, een jazzliefhebber geworden, dus spreekt het misschien een beetje voor zich dat dit iets voor mij is. Ook hip-hop weet ik wel te waarderen (Atmosphere vind ik zelfs geweldig), al ken ik er niet zoveel van.
De interludes zouden een probleem kunnen vormen, maar ik vind ze toch wat toevoegen; het zijn meer vlotte overgangen dan stukjes die het tempo en de feeling uit de plaat halen. Neen, dat lekkere relax-gevoel blijft de hele plaat lang overheersen. Vreemd dat ik deze plaat in 2010 niet heb beluisterd, toch een aantal hip-hopreleases doorspit, ik zal erover gekeken hebben..
Tunji's verse op 'Lead The Followers' is weer ijzersterk, hoor. Een rijzende ster aan het hip-hopfirmament? Al kwam ie op 'Rhythm Of The Rain' van Kno nog net iets harder.. En niels94 heeft gelijk, 'Still Think Different' is inderdaad een geweldig nummer, klinkt erg classic, al is dat een beetje snel om zoiets te zeggen natuurlijk. 'Why The World Weeps' is ook één mijner favorieten op dit album. Die productie is echt om van te smullen!
Rest mij alleen nog om user Snoeperd te bedanken, die dit album onder mijn aandacht bracht in desbetreffend Review-topic.
4 sterren
Boston - Third Stage (1986)

3,0
0
geplaatst: 22 december 2019, 21:00 uur
Oerdegelijke plaat, waar Tom Scholz - die toch wel als geestelijke vader van deze band mag worden aanschouwd - samen met zanger Brad Delp behoorlijk lang aan kon sleutelen, door een samenloop van omstandigheden. De overige leden die het prille begin hadden meegemaakt, waren in tussentijd vertrokken, en de band was ook - na een lange juridische strijd - erin geslaagd over te stappen naar MCA Records.
Opener Amanda was als eerste single een enorme hit, ook in de Lage Landen. Het nummer zag het licht eigenlijk reeds in 1980, maar werd dus pas uitgebracht op dit derde album van de Amerikaanse band. Aanstekelijk nummer, zonder fout of klef te gaan klinken; het succes is wat mij betreft dus geheel terecht.
De overige songs staan echter zodanig in de schaduw, dat ze gewoonweg niet blijven hangen bij mij. Oorwurmen zitten er niet tussen (wat op zich wel goed is, want dat zijn meestal van die irritante deuntjes die je hoofd maar niet willen verlaten), memorabele songs evenmin. Het klinkt allemaal wat minder bezield, alsof Scholz en co. de automatische pilootfunctie gevonden hadden.
Een onvoldoende kan ik er echter onmogelijk aan kwijt, want kwaliteit is het wel natuurlijk!
3 sterren
Opener Amanda was als eerste single een enorme hit, ook in de Lage Landen. Het nummer zag het licht eigenlijk reeds in 1980, maar werd dus pas uitgebracht op dit derde album van de Amerikaanse band. Aanstekelijk nummer, zonder fout of klef te gaan klinken; het succes is wat mij betreft dus geheel terecht.
De overige songs staan echter zodanig in de schaduw, dat ze gewoonweg niet blijven hangen bij mij. Oorwurmen zitten er niet tussen (wat op zich wel goed is, want dat zijn meestal van die irritante deuntjes die je hoofd maar niet willen verlaten), memorabele songs evenmin. Het klinkt allemaal wat minder bezield, alsof Scholz en co. de automatische pilootfunctie gevonden hadden.
Een onvoldoende kan ik er echter onmogelijk aan kwijt, want kwaliteit is het wel natuurlijk!
3 sterren
Boston - Walk On (1994)

3,0
0
geplaatst: 23 december 2019, 20:10 uur
Na het vertrek van gitarist Barry Goudreau was ook Brad Delp het lange wachten op een nieuwe plaat zat; na enkele - creatieve meningsverschillen, zullen we maar zeggen - besloot hij de band te verlaten, al sprong hij algauw terug aan boord (nog tijdens de tour na de release van Walk on. De zang op deze plaat werd overgenomen door Fran Cosmo, die best te vergelijken valt met Delp (hoewel misschien wat minder krachtig). Neem daar de typische sound van bezieler Tom Scholz bij, en je hebt een Boston-plaat die je herkent uit de duizenden!
De opener was de meest succesvolle single van deze plaat, en brengt de schwung er gelijk in. Daarnaast is vooral de suite in het middenrif (vreemd genoeg uitgesplitst in songs 4 t/m 7) indrukwekkend, vooral - welaan dan - het derde deel. De overige songs halen dat niveau helaas niet, en klinken soms wat zoutloos en zelfs melig. Ook horen we hier niets nieuws, maar of je dat moet verwachten van een band als Boston? 'k Denk het niet.
3 sterren
De opener was de meest succesvolle single van deze plaat, en brengt de schwung er gelijk in. Daarnaast is vooral de suite in het middenrif (vreemd genoeg uitgesplitst in songs 4 t/m 7) indrukwekkend, vooral - welaan dan - het derde deel. De overige songs halen dat niveau helaas niet, en klinken soms wat zoutloos en zelfs melig. Ook horen we hier niets nieuws, maar of je dat moet verwachten van een band als Boston? 'k Denk het niet.
3 sterren
Boudewijn de Groot - Een Nieuwe Herfst (1996)

4,0
1
geplaatst: 17 september 2016, 20:25 uur
Na het zwakkere, wat wisselvallige 'Maalstroom' was het twaalf jaar wachten op een nieuw album van Boudewijn de Groot. 'Een Nieuwe Herfst' is wel weer een paar stappen vooruit wat mij betreft. De afwisseling tussen uitbundige rock en ingetogenheid staat me wel aan, alsmede het feit dat de Groot hier voor wat betreft de tekstschrijverij weer bijval krijgt van Nijgh.
De opener is meteen een krachtig statement, en zet de toon. Het tweede nummer vind ik jammer genoeg wat flets, maar daarna wordt het snel weer beter, met solide songs als 'Deine Theos'.
Met 'Rondeel' begint echter een reeks van 7 (!) opeenvolgende songs die niet minder dan uitstekend zijn, elk op hun eigen manier. 'Annabel' klinkt overbekend en opzwepend; 'Vrolijke Violen' ook. 'De Drie Mandarijnen' is intrigerend, en slotstuk 'De Engel Is Gekomen' lijkt me haast een mijlpaal in het oeuvre van de Groot. Mede-user c-moon refereert aan progrock, daar kan ik wel in meegaan. Helemaal niet overdreven, dus.
Qua sound is het wel wat anders dan zijn eerste albums, maar qua kwaliteit komt dit aardig in de buurt.
4 sterren
De opener is meteen een krachtig statement, en zet de toon. Het tweede nummer vind ik jammer genoeg wat flets, maar daarna wordt het snel weer beter, met solide songs als 'Deine Theos'.
Met 'Rondeel' begint echter een reeks van 7 (!) opeenvolgende songs die niet minder dan uitstekend zijn, elk op hun eigen manier. 'Annabel' klinkt overbekend en opzwepend; 'Vrolijke Violen' ook. 'De Drie Mandarijnen' is intrigerend, en slotstuk 'De Engel Is Gekomen' lijkt me haast een mijlpaal in het oeuvre van de Groot. Mede-user c-moon refereert aan progrock, daar kan ik wel in meegaan. Helemaal niet overdreven, dus.

Qua sound is het wel wat anders dan zijn eerste albums, maar qua kwaliteit komt dit aardig in de buurt.
4 sterren
Boudewijn de Groot - Waar Ik Woon en Wie Ik Ben (1975)

3,5
0
geplaatst: 5 september 2016, 20:27 uur
Als je puur op het stemgemiddelde van deze plaat afgaat, zou je zeggen dat dit een mindere plaat is van Boudewijn de Groot, na een aantal erg goeie platen. Voor mij gaat die stelling echter niet op, want 'Waar Ik Woon en Wie Ik Ben' klinkt best fijn. De opener is meteen een erg mooi lied, en hoewel 'Calypso' inderdaad een niemendalletje van dertien-in-een-dozijn is, volgt er daarna nog heel wat lekkers.
'Moeder' en 'Wegen' springen er wat mij betreft bovenuit; de teksten zijn ook alweer, hoewel van een andere tekstschrijver, erg sterk en ontroeren bij vlagen. Boudewijn de Groot weet natuurlijk ook als de beste hoe ie zo'n tekst moet brengen. Op afsluiter 'Wie Ik Ben' komt dit zeer duidelijk naar voren, in combinatie met de akoestische gitaar en het pianospel dat bijtijds op de achtergrond te horen is, en gaandeweg een wat dominantere rol opeist (de Groot laat z'n stem ook steeds net wat hardnekkiger los op de luisteraar). Een mooi slotakkoord.
Dit mag dan een over het algemeen wat minder enthousiast onthaald album zijn (ik begrijp ergens wel waarom), toch bewijst Boudewijn de Groot in mijn ogen wederom één van de betere Nederlandstalige barden te zijn. Er zit genoeg afwisseling in de plaat om te blijven boeien, maar de wat meer verstilde fragmenten weten me het meest bij de keel te grijpen.
3,5 sterren
'Moeder' en 'Wegen' springen er wat mij betreft bovenuit; de teksten zijn ook alweer, hoewel van een andere tekstschrijver, erg sterk en ontroeren bij vlagen. Boudewijn de Groot weet natuurlijk ook als de beste hoe ie zo'n tekst moet brengen. Op afsluiter 'Wie Ik Ben' komt dit zeer duidelijk naar voren, in combinatie met de akoestische gitaar en het pianospel dat bijtijds op de achtergrond te horen is, en gaandeweg een wat dominantere rol opeist (de Groot laat z'n stem ook steeds net wat hardnekkiger los op de luisteraar). Een mooi slotakkoord.
Dit mag dan een over het algemeen wat minder enthousiast onthaald album zijn (ik begrijp ergens wel waarom), toch bewijst Boudewijn de Groot in mijn ogen wederom één van de betere Nederlandstalige barden te zijn. Er zit genoeg afwisseling in de plaat om te blijven boeien, maar de wat meer verstilde fragmenten weten me het meest bij de keel te grijpen.
3,5 sterren
Breed 77 - Cultura (2004)

3,5
0
geplaatst: 12 juli 2011, 13:44 uur
Dit moet de eerste Gibraltese plaat zijn die ik beluister. Een mijlpaal in mijn bestaan, dus. 
Neen, dat nu ook weer niet. Daarvoor is de muziek niet memorabel genoeg. Zoals eerder gezegd, de zang zou je niet meteen met metal associëren, eerder met grunge. Maar op instrumentaal vlak is het zeker metal. Met grunge-invloeden, en ook aangenaam verrassende flamenco-gitaartjes! Dat is zeker een pluspunt, zo'n originele insteek maakt de nummers meteen een pak frisser. Dat Breed 77 een sfeer kan neerzetten, blijkt uit de korte opener. Jammer genoeg kom ik dat net wat te weinig tegen in de nummers daarna.
Nummers zoals 'World's On Fire' zijn catchy en melodieus, maar vervallen nergens in clichés. 'The River' is een groots nummer, met zowaar strijkers. Zo'n nummer dat een baken kan worden in de discografie van een band. Je zou bezwaren kunnen hebben tegen het nummer, of toch op z'n minst vooroordelen (zie Sir Spamalot), maar dit zit gewoon geweldig goed in mekaar. En ja, hier vind ik de zang ook een sterkhouder, enorm meeslepend.
Niet alle nummers vind ik goed, trouwens. Het belangrijkste gevaar dat hier in schuilt, is dat het wel eens kan gaan vervelen op den duur. Iets te weinig tempo op belangrijke momenten, zo win je de koers natuurlijk niet (om het eens met een koersmetafoor te zeggen, nu de Tour de France toch bezig is
). 'Numb' haalt er bijvoorbeeld het tempo helemaal uit, waardoor je dreigt in slaap te vallen. Erg jammer, want als je de aandacht er wel bij kunt houden (is me toch één keertje gelukt), dan merk je dat het gewoon een mooi nummer is.
'Eyes That See '04' hakt er dan weer stevig in, en is ook één van de betere nummers op deze plaat. Met z'n 55 minuten misschien net ietsje te lang, maar een al te groot euvel is dat niet; ik kan er van genieten, en dat is het voornaamste bij dit soort platen.
3,5 sterren

Neen, dat nu ook weer niet. Daarvoor is de muziek niet memorabel genoeg. Zoals eerder gezegd, de zang zou je niet meteen met metal associëren, eerder met grunge. Maar op instrumentaal vlak is het zeker metal. Met grunge-invloeden, en ook aangenaam verrassende flamenco-gitaartjes! Dat is zeker een pluspunt, zo'n originele insteek maakt de nummers meteen een pak frisser. Dat Breed 77 een sfeer kan neerzetten, blijkt uit de korte opener. Jammer genoeg kom ik dat net wat te weinig tegen in de nummers daarna.
Nummers zoals 'World's On Fire' zijn catchy en melodieus, maar vervallen nergens in clichés. 'The River' is een groots nummer, met zowaar strijkers. Zo'n nummer dat een baken kan worden in de discografie van een band. Je zou bezwaren kunnen hebben tegen het nummer, of toch op z'n minst vooroordelen (zie Sir Spamalot), maar dit zit gewoon geweldig goed in mekaar. En ja, hier vind ik de zang ook een sterkhouder, enorm meeslepend.
Niet alle nummers vind ik goed, trouwens. Het belangrijkste gevaar dat hier in schuilt, is dat het wel eens kan gaan vervelen op den duur. Iets te weinig tempo op belangrijke momenten, zo win je de koers natuurlijk niet (om het eens met een koersmetafoor te zeggen, nu de Tour de France toch bezig is
). 'Numb' haalt er bijvoorbeeld het tempo helemaal uit, waardoor je dreigt in slaap te vallen. Erg jammer, want als je de aandacht er wel bij kunt houden (is me toch één keertje gelukt), dan merk je dat het gewoon een mooi nummer is.'Eyes That See '04' hakt er dan weer stevig in, en is ook één van de betere nummers op deze plaat. Met z'n 55 minuten misschien net ietsje te lang, maar een al te groot euvel is dat niet; ik kan er van genieten, en dat is het voornaamste bij dit soort platen.
3,5 sterren
British Lion - The Burning (2020)

3,0
0
geplaatst: 21 januari 2020, 21:45 uur
Aardige hard rock, je zegt daar zowat in je laatste zin, gigage. Dat is het namelijk wel; niets meer, maar ook niets minder. Steve Harris, bekend als de bassist van Iron Maiden natuurlijk (hij stond ook aan de wieg van de band in de jaren '70, alleen daarvoor ben ik hem al eeuwig dankbaar), bracht in 2012 naar verluidt reeds een aantal demo's uit (ik heb deze opnames niet gehoord, en als ik de score hier op MuMe bekijk, lijkt me dat ook geen aanrader), maar komt nu met een volwaardige langspeler. Tevens zal de band, in het kielzog van Maiden, touren dit jaar (ze staan o.a. op Graspop geprogrammeerd).
British Lion is een aardig nevenproject van Harris, en hoewel Harris hier en daar wel wat invloeden uit zijn meer bekende band heeft meegenomen, is dit The Burning toch veel meer op classic rock en hard rock georiënteerd. Instrumentaal zit het allemaal goed in mekaar, vooral het gitaarwerk dan; de zanger vind ik echter niet de meest krachtige indruk maken, waardoor het geheel wat flets klinkt. Dat zorgt er vooral voor dat ik niet bepaald begeesterd word door de songs, wat jammer is, want intrinsiek hebben enkele nummers meer kwaliteiten dan ze veil geven.
Als zijproject is dit dus wel leuk, maar laat Steve Harris nu maar lustig voortpennen aan de songs voor de nieuwe plaat van Iron Maiden, die er hopelijk dit of volgend jaar zit aan te komen. Dáár kijk ik namelijk wel reikhalzend naar uit.
3 sterren
British Lion is een aardig nevenproject van Harris, en hoewel Harris hier en daar wel wat invloeden uit zijn meer bekende band heeft meegenomen, is dit The Burning toch veel meer op classic rock en hard rock georiënteerd. Instrumentaal zit het allemaal goed in mekaar, vooral het gitaarwerk dan; de zanger vind ik echter niet de meest krachtige indruk maken, waardoor het geheel wat flets klinkt. Dat zorgt er vooral voor dat ik niet bepaald begeesterd word door de songs, wat jammer is, want intrinsiek hebben enkele nummers meer kwaliteiten dan ze veil geven.
Als zijproject is dit dus wel leuk, maar laat Steve Harris nu maar lustig voortpennen aan de songs voor de nieuwe plaat van Iron Maiden, die er hopelijk dit of volgend jaar zit aan te komen. Dáár kijk ik namelijk wel reikhalzend naar uit.

3 sterren
Brothers of the Sonic Cloth - Brothers of the Sonic Cloth (2015)

3,5
0
geplaatst: 23 augustus 2015, 15:15 uur
Goed album, dat zeker z'n momenten heeft, maar de sfeer weet me niet de hele rit vast te houden. Zware muziek is het zeer zeker, maar doordat het nooit écht intens wordt, vind ik het tempo vaak wat langzaam. Als ik echt wordt meegezogen door een logge gigant, wil ik er ook door worden ondergedompeld, en dat ontbreekt hier wel. Wat Brothers of the Sonic Cloth wel goed doen, is een eng, moeilijk te duiden element in hun composities steken. Zo'n beetje de soundtrack die bij 'Frankenstein' van Mary Shelley wel zou passen.
Desalniettemin zeker geslaagd, en de speelduur redt het plaatje hier ook wel; een uur zou van het goede teveel geweest zijn. Ook die outro op piano weet me te bekoren, en roept dat eerder aangehaalde 'Frankenstein'-sfeertje ook weer op. Dus valt mijn uiteindelijke score toch behoorlijk positief uit.
3,5 sterren
Desalniettemin zeker geslaagd, en de speelduur redt het plaatje hier ook wel; een uur zou van het goede teveel geweest zijn. Ook die outro op piano weet me te bekoren, en roept dat eerder aangehaalde 'Frankenstein'-sfeertje ook weer op. Dus valt mijn uiteindelijke score toch behoorlijk positief uit.
3,5 sterren
Bruce Springsteen - Only the Strong Survive (2022)
Alternatieve titel: Covers, Vol. 1

3,0
1
geplaatst: 14 november 2022, 20:23 uur
itchy schreef:
Met name tussen de (mij) onbekendere nummers zitten een paar leuke: Do I Love You (beste nummer), Turn Back the Hands of Time, Hey Western Union Man, en 7 Rooms Of Gloom vallen hier op in positief opzicht.
Met name tussen de (mij) onbekendere nummers zitten een paar leuke: Do I Love You (beste nummer), Turn Back the Hands of Time, Hey Western Union Man, en 7 Rooms Of Gloom vallen hier op in positief opzicht.
Laat dat nou net ook mijn favorieten van dit album zijn, grappig.

Verder behoorlijk eens met je bericht. Van Bruce is geweten dat ie alle zin voor subtiliteit al 'ns overboord wil gooien, en dat gebeurt hier natuurlijk. Het past ook wel bij dat volle, georkestreerde geluid van de songs die hij covert. Bij de aankondiging van de plaat gaf hij aan dat hij deze songs wilde zingen en brengen op een manier die dat Grote Amerikaanse Liedjesboek (om maar eens een suffe vertaling te gebruiken) eer zou aandoen. En dat doet ie eigenlijk wel, hoewel er maar weinig meerwaarde in schuilt voor de gemiddelde luisteraar. Als men mij vertelt dat Bruce zich hier ontzettend mee heeft geamuseerd, geloof ik het meteen!
De liedjes zingen dus, dat doet The Boss. Voor zo ongeveer al de rest, van het inspelen van bijna alle instrumenten tot de productie, zorgde Ron Aniello. Dat verdient een speciale vermelding, natuurlijk.
Het is uiteindelijk een plaat die op twee gedachten doet hinken, want enerzijds zitten er songs tussen die me echt uitdagen om niet over m'n nek te gaan (Nightshift is veel te zoet, veel te veel, veel te lang), maar aan de andere kant heb je wel wat pareltjes die zich lijken te verstoppen in dit 50-minuten durende plaatje. De titelsong opent de plaat nog wat schoorvoetend, maar Soul Days dompelt me daarna wel meteen heerlijk onder in een melancholisch, soulvol bad. Do I Love You (Indeed I Do) is heerlijk kort en zwierig, met dat euforische tintje dat ik in een aantal van Bruce's eigen songs ook wel hoor. Hey, Western Union Man is gewoon genieten, samen met de enthousiaste, energieke performer die Springsteen nog steeds is. En in 7 Rooms of Gloom is het eerder roepen dan zingen wat Springsteen doet, maar dat geeft de song net een wat rauwer randje, had gewild dat er meer songs op dit album daar "last" van hadden gehad.
Tegenover die lichtpuntjes staat echter ook heel wat overdaad, wat me dus die bittere (of in dit geval suikerzoete) smaak geeft. Het is dus een beetje als zoeken naar enkele welriekende krenten in een met glazuur overgoten toetje. En soms is dat gewoon leuk.
3 sterren
Bruce Springsteen - Wrecking Ball (2012)

3,0
0
geplaatst: 4 juli 2012, 14:50 uur
Degelijke plaat van Bruce Springsteen, een artiest waar je inmiddels toch al van weet dat hij nooit een echt zwakke plaat zal afleveren. Of hij het nog in zich heeft een geweldig album te maken, valt wel te betwijfelen. 'Wrecking Ball' valt, net als voorganger 'Working on a Dream', in te delen in de categorie "goed". De laatste plaat van Springsteen die ik echt goed vond, is 'Magic', alweer vijf jaar geleden. Maar zolang the Boss dit soort platen blijft maken, hoor je mij ook weer niet klagen. Het is catchy, nooit slecht en tekstueel toch dik in orde, al gaat het weer vaak over rijk vs. arm. Maar dat is Springsteen gewoonweg.
Ook op 'Wrecking Ball' staan weer enkele sterke nummers, zoals 'This Depression'. Het valt ook op dat Springsteen is gaan puren uit traditionele folkmuziek (met gebruik van verschillende folkinstrumenten), en daar dan zijn eigen touch aan heeft gegeven. Zijn stem is nog steeds eentje waar menigeen jaloers op kan zijn, maar die toch vooral werkt op podia, heb ik de indruk. Als live-artiest is Bruce Springsteen dan ook veel indrukwekkender.
Ook staan hier nog bijdrages op van de legendarische, machtige saxofonist van de E-Street Band, Bruce's vaste begeleidingsband met ook o.a. zijn vrouw Patti Scialfa (als ik me niet vergis) en Steven Van Zandt. Die man heet Clarence Clemons, en hij overleed vorig jaar aan een beroerte. The Big Man is een laatste keer te horen op de titeltrack en 'Land of Hope and Dreams'.
Ondanks het feit dat op 'Rocky Ground' wat wordt gerapt door de Amerikaanse Michelle Moore, kan je niet spreken van een vernieuwende plaat. Wel is 'Wrecking Ball' een plaat die geheel in de traditie van Springsteen ligt, en dus geen smet vormt op zijn mooie oeuvre.
3 sterren
Ook op 'Wrecking Ball' staan weer enkele sterke nummers, zoals 'This Depression'. Het valt ook op dat Springsteen is gaan puren uit traditionele folkmuziek (met gebruik van verschillende folkinstrumenten), en daar dan zijn eigen touch aan heeft gegeven. Zijn stem is nog steeds eentje waar menigeen jaloers op kan zijn, maar die toch vooral werkt op podia, heb ik de indruk. Als live-artiest is Bruce Springsteen dan ook veel indrukwekkender.
Ook staan hier nog bijdrages op van de legendarische, machtige saxofonist van de E-Street Band, Bruce's vaste begeleidingsband met ook o.a. zijn vrouw Patti Scialfa (als ik me niet vergis) en Steven Van Zandt. Die man heet Clarence Clemons, en hij overleed vorig jaar aan een beroerte. The Big Man is een laatste keer te horen op de titeltrack en 'Land of Hope and Dreams'.
Ondanks het feit dat op 'Rocky Ground' wat wordt gerapt door de Amerikaanse Michelle Moore, kan je niet spreken van een vernieuwende plaat. Wel is 'Wrecking Ball' een plaat die geheel in de traditie van Springsteen ligt, en dus geen smet vormt op zijn mooie oeuvre.
3 sterren
