Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Rural Alberta Advantage - Departing (2011)

3,5
0
geplaatst: 4 april 2011, 15:19 uur
The Rural Alberta Advantage. Fraaie naam voor een band, moet ik zeggen. Het zegt iets over de streek waar deze jongens vandaan komen, vermoed ik, Alberta is toch een streek in Canada, als ik het correct heb. Landelijk, je zou denken, deze jongens maken country- of folkmuziek. Onjuist. Frisse indierock, slechts één nummer duurt langer dan vier minuten (de afsluiter). Vrij simpele liedjes, en er zijn twee dingen die me bij een eerste beluistering opvielen. De stem van de zanger, die klinkt als een milde vorm van de snotvalling waarmee Kristian Matsson (The Tallest Man On Earth) mee kampt, en het talent van de drummer om met zijn schaarse, doch welgemikte drumspel de aandacht vast te houden.
Het voornaamste punt van kritiek dat ik lees over deze plaat, is dat de zang te nadrukkelijk een plaats op het voortoneel zou innemen. Dat valt goed mee, vind ik. Nils Edenloff heeft gewoon een stem die gehoord moet worden, en dan valt hij automatisch een beetje meer op dan bijvoorbeeld het gitaarspel. De opener ‘Two Lovers’ illustreert dat eigenlijk nog het beste. Vrij rustig nummer, volledig gedragen door de zang van Edenloff, en tekstueel trouwens ook een erg mooi relaas over verlatingsangst (“Two lovers stuck in a sweet embrace; hoping to never move or change”).
Echt zwakke nummers vinden we niet terug op ‘Departing’, en van tijd tot tijd wordt het nog aanstekelijk ook. Een nummer als ‘Barnes’ Yard’ is toch vrij aanzwengelend, en ‘Tornado’ sleurt je mee zoals, nou, een tornado. Dit soort songs zorgt ook voor de nodige afwisseling, je krijgt tegelijk zalving en nijdigheid op één plaat. Het spelplezier is ook duidelijk te vinden, vooral dan bij de drummer, Paul Banwatt, die toch meer dan één pluim op zijn hoed mag steken.
Laten we ook Amy Cole niet vergeten, het derde bandlid. Zij verzorgt de nodige backing vocals en staat achter de toetsen, die ook telkens op het juiste moment de boel een ander kleurtje geven. ‘Coldest Days’ klinkt dankzij Cole bijvoorbeeld ook echt winters, terwijl Edenloff verkondigt: “Our love was holding on through the frostbitten dawn; I never know what to start to pick up and change”. De mooie afsluiter klinkt een pak warmer, tevens de perfecte afsluiter eigenlijk. Edenloff zwaait eenieder ten afscheid, of het nu zondaars, gedeprimeerden of noeste werkers zijn. Iedereen verdient een goede nachtrust, iedereen verdient een tweede kans. Tot zover de les moraal.
‘Departing’ is een winterplaat met een zomers tintje, en zodoende geschikt om ten allen tijde te draaien. Er is voldoende naïeve goede hoop in te vinden om des zomers lekker van te genieten, en genoeg troost om de winter door te komen. Het drumwerk is altijd genietbaar, luister maar eens naar ‘Under The Knife’. Heerlijk hoe hij de drive erin weet te houden!
Een topplaat is dit niet, maar wel een meer dan goeie middenmotor. 3,5 sterren
Het voornaamste punt van kritiek dat ik lees over deze plaat, is dat de zang te nadrukkelijk een plaats op het voortoneel zou innemen. Dat valt goed mee, vind ik. Nils Edenloff heeft gewoon een stem die gehoord moet worden, en dan valt hij automatisch een beetje meer op dan bijvoorbeeld het gitaarspel. De opener ‘Two Lovers’ illustreert dat eigenlijk nog het beste. Vrij rustig nummer, volledig gedragen door de zang van Edenloff, en tekstueel trouwens ook een erg mooi relaas over verlatingsangst (“Two lovers stuck in a sweet embrace; hoping to never move or change”).
Echt zwakke nummers vinden we niet terug op ‘Departing’, en van tijd tot tijd wordt het nog aanstekelijk ook. Een nummer als ‘Barnes’ Yard’ is toch vrij aanzwengelend, en ‘Tornado’ sleurt je mee zoals, nou, een tornado. Dit soort songs zorgt ook voor de nodige afwisseling, je krijgt tegelijk zalving en nijdigheid op één plaat. Het spelplezier is ook duidelijk te vinden, vooral dan bij de drummer, Paul Banwatt, die toch meer dan één pluim op zijn hoed mag steken.
Laten we ook Amy Cole niet vergeten, het derde bandlid. Zij verzorgt de nodige backing vocals en staat achter de toetsen, die ook telkens op het juiste moment de boel een ander kleurtje geven. ‘Coldest Days’ klinkt dankzij Cole bijvoorbeeld ook echt winters, terwijl Edenloff verkondigt: “Our love was holding on through the frostbitten dawn; I never know what to start to pick up and change”. De mooie afsluiter klinkt een pak warmer, tevens de perfecte afsluiter eigenlijk. Edenloff zwaait eenieder ten afscheid, of het nu zondaars, gedeprimeerden of noeste werkers zijn. Iedereen verdient een goede nachtrust, iedereen verdient een tweede kans. Tot zover de les moraal.
‘Departing’ is een winterplaat met een zomers tintje, en zodoende geschikt om ten allen tijde te draaien. Er is voldoende naïeve goede hoop in te vinden om des zomers lekker van te genieten, en genoeg troost om de winter door te komen. Het drumwerk is altijd genietbaar, luister maar eens naar ‘Under The Knife’. Heerlijk hoe hij de drive erin weet te houden!
Een topplaat is dit niet, maar wel een meer dan goeie middenmotor. 3,5 sterren
The Shins - Heartworms (2017)

3,5
0
geplaatst: 12 juni 2017, 21:42 uur
In het eerste decennium van de nieuwe eeuw hebben The Shins, een Amerikaanse band onder de hoede van James Mercer, drie puike albums op de wereld losgelaten, waarvan het debuut mijn favoriet is. Hun vierde album kwam er in 2012, en was een aantal stappen terug. De spirit van de drie eerste albums leek te ontbreken op Port of Morrow, en hoewel het allemaal best aanstekelijk klonk, wist het me niet bij de kladden te grijpen.
Anno 2017 hebben The Shins hun vijfde plaat uitgebracht, en daarop is wat meer ruimte voor een nieuw geluid, vooral op de eerste drie songs. Dat ze dit zo'n beetje van Animal Collective hebben afgekeken, wil ik hen vergeven; het probleem is eerder dat maar 1 van die songs raak is, en dat is de opener. Dat nummer springt meteen in het oog (of oor, zo je wil), terwijl het tweede zichzelf verliest in het experiment, en het derde simpelweg niet blijft plakken. Een eerder matig begin van het album.
Wat daar meteen op volgt, is misschien wel het zwakste nummer van de plaat. Wanneer Fantasy Island begint, heb ik steeds de vrees dat er een schlager wordt ingezet. Gelukkig blijkt dat niet het geval, maar een gevoel van saaie meligheid blijft de song domineren. Vreemd genoeg krijgen we daarna één van de hoogtepunten van de plaat in de vorm van Mildenhall. Die song bewijst dat soberheid evenzeer schoonheid kan bevatten, en zo veel meer effect heeft dan het experiment uit de tweede song.
Rubber Ballz begint erg catchy en wat schreeuwerig, en het is misschien een potsierlijk nummer, maar ik hou er stiekem wel van. Mijn hoofd deint goedkeurend mee op het herkenbare refrein, ik blijf achter met een blij gemoed. En kijk... alle daaropvolgende nummers zijn op z'n minst degelijk (al is So Now What op het randje), met een tweetal uitschieters! Half a Million klinkt wat venijniger, met een geslaagd, meezingbaar refrein. Dead Alive is een popsong à la Mercer pur sang in een 2017-jasje. De titelsong is de kortste, maar zeker niet de minste, met een wat aarzelende aanvang, wat echter leidt tot een mooi bloesemende bloei.
De afsluiter vormt een mooie epiloog. The Fear is wellicht het beste nummer van de plaat. De song begint met percussie die meteen de aandacht trekt, en wordt dan stilaan op gang getrokken. James Mercer bespeelt een hele waaier aan instrumenten (o.a. ukulele en harmonica) tijdens deze vijf en halve minuut zaligheid. Het nummer heeft wat weg van een metronoom; het lijkt, volledig op zichzelf staand, een soort kinetische energie producerend, het bestaansrecht op te eisen. The Fear is het soort song dat niet vraagt of hij zich onder je hersenpan mag nestelen, maar het gewoon resoluut doet. Daar hou ik wel van.
Heartworms is, een paar misstapjes daargelaten, een fijne plaat geworden. Zowel de lengte als het overheersend gemoedelijke karakter van de songs maken het een ideaal album om deze zomer nog een aantal keren de revue te laten passeren.
3,5 sterren
Anno 2017 hebben The Shins hun vijfde plaat uitgebracht, en daarop is wat meer ruimte voor een nieuw geluid, vooral op de eerste drie songs. Dat ze dit zo'n beetje van Animal Collective hebben afgekeken, wil ik hen vergeven; het probleem is eerder dat maar 1 van die songs raak is, en dat is de opener. Dat nummer springt meteen in het oog (of oor, zo je wil), terwijl het tweede zichzelf verliest in het experiment, en het derde simpelweg niet blijft plakken. Een eerder matig begin van het album.
Wat daar meteen op volgt, is misschien wel het zwakste nummer van de plaat. Wanneer Fantasy Island begint, heb ik steeds de vrees dat er een schlager wordt ingezet. Gelukkig blijkt dat niet het geval, maar een gevoel van saaie meligheid blijft de song domineren. Vreemd genoeg krijgen we daarna één van de hoogtepunten van de plaat in de vorm van Mildenhall. Die song bewijst dat soberheid evenzeer schoonheid kan bevatten, en zo veel meer effect heeft dan het experiment uit de tweede song.
Rubber Ballz begint erg catchy en wat schreeuwerig, en het is misschien een potsierlijk nummer, maar ik hou er stiekem wel van. Mijn hoofd deint goedkeurend mee op het herkenbare refrein, ik blijf achter met een blij gemoed. En kijk... alle daaropvolgende nummers zijn op z'n minst degelijk (al is So Now What op het randje), met een tweetal uitschieters! Half a Million klinkt wat venijniger, met een geslaagd, meezingbaar refrein. Dead Alive is een popsong à la Mercer pur sang in een 2017-jasje. De titelsong is de kortste, maar zeker niet de minste, met een wat aarzelende aanvang, wat echter leidt tot een mooi bloesemende bloei.
De afsluiter vormt een mooie epiloog. The Fear is wellicht het beste nummer van de plaat. De song begint met percussie die meteen de aandacht trekt, en wordt dan stilaan op gang getrokken. James Mercer bespeelt een hele waaier aan instrumenten (o.a. ukulele en harmonica) tijdens deze vijf en halve minuut zaligheid. Het nummer heeft wat weg van een metronoom; het lijkt, volledig op zichzelf staand, een soort kinetische energie producerend, het bestaansrecht op te eisen. The Fear is het soort song dat niet vraagt of hij zich onder je hersenpan mag nestelen, maar het gewoon resoluut doet. Daar hou ik wel van.
Heartworms is, een paar misstapjes daargelaten, een fijne plaat geworden. Zowel de lengte als het overheersend gemoedelijke karakter van de songs maken het een ideaal album om deze zomer nog een aantal keren de revue te laten passeren.
3,5 sterren
The Shins - Port of Morrow (2012)

3,0
0
geplaatst: 24 april 2012, 20:23 uur
Degelijk plaatje van The Shins. Ik heb inmiddels de drie vorige platen ook beluisterd, en die zijn toch een pak beter. Niet dat het 'Port of Morrow' volledig ontbreekt aan volwaardige popsongs. Integendeel zelfs. Opener 'The Rifle's Spiral' vliegt er meteen lekker in, en 'Simple Song' is een heerlijk vervolg. Het nummer maakt z'n titel waar; het is gewoon een simpel liedje. Maar wel aanstekelijk, en gewoon erg goed. James Mercer heeft toch wel een erg goeie stem, valt me ook op.
Daarna zakt het helaas in, met een aantal oninteressante nummers. Niet dat het voor het overige enkel kommer en kwel is; daarvoor is Mercer gewoonweg te bedreven in het schrijven van popsongs. Alleen mis ik spanning, intensiteit, in de meeste nummers. Dat hij z'n vroegere bandleden aan de kant heeft geschoven, en vervangen door een compleet nieuwe band, zal daar ongetwijfeld mee te maken hebben. Ik verwacht dan ook, als The Shins in deze bezetting nog een tijdje blijven meedraaien, dat het volgende album een stuk beter zal zijn.
'It's Only Life' valt nog enigszins mee, maar 'Bait and Switch' en 'September' halen de schwung er helemaal uit. 'September' heeft zelfs een soort country-feel, maar dan aan de ongeïnspireerde, gezapige kant. Gelukkig wordt het daarna weer wat beter, met 'No Way Down' en 'For a Fool', twee catchy nummertjes, met refreinen die in het geheugen gegrift worden. Al wordt 'For a Fool' na een tijdje wel een beetje klagerig. 'Fall of '82' is ook best leuk, meer ook niet.
De twee laatste nummers zijn tot slot toch nog twee goeie nummers. De zang in de strofes in '40 Mark Strasse' doet me denken aan The Mountain Goats, terwijl het refrein daar sterk van afwijkt. Leuke, afwisselende song. Ook de titelsong is sterk, en wijkt een beetje af van de rest. Het is niet zo'n hapklare popsong, deze moet je even de tijd geven, rustig verteren, en dan komt de schoonheid van zo'n song altijd naar buiten. Een positieve noot om mee af te sluiten toch wel.
'Port of Morrow' is een fijne plaat, oerdegelijk en duidelijk gefabriceerd door iemand die weet hoe hij een fatsoenlijke popsong moet schrijven. Toch lijkt het me allemaal een beetje flets en ongeïnspireerd (op een aantal uitzonderingen na, zoals hierboven besproken). Daarom kan ik niet echt met een hoge score uit de hoek komen.
3 sterren
Daarna zakt het helaas in, met een aantal oninteressante nummers. Niet dat het voor het overige enkel kommer en kwel is; daarvoor is Mercer gewoonweg te bedreven in het schrijven van popsongs. Alleen mis ik spanning, intensiteit, in de meeste nummers. Dat hij z'n vroegere bandleden aan de kant heeft geschoven, en vervangen door een compleet nieuwe band, zal daar ongetwijfeld mee te maken hebben. Ik verwacht dan ook, als The Shins in deze bezetting nog een tijdje blijven meedraaien, dat het volgende album een stuk beter zal zijn.
'It's Only Life' valt nog enigszins mee, maar 'Bait and Switch' en 'September' halen de schwung er helemaal uit. 'September' heeft zelfs een soort country-feel, maar dan aan de ongeïnspireerde, gezapige kant. Gelukkig wordt het daarna weer wat beter, met 'No Way Down' en 'For a Fool', twee catchy nummertjes, met refreinen die in het geheugen gegrift worden. Al wordt 'For a Fool' na een tijdje wel een beetje klagerig. 'Fall of '82' is ook best leuk, meer ook niet.
De twee laatste nummers zijn tot slot toch nog twee goeie nummers. De zang in de strofes in '40 Mark Strasse' doet me denken aan The Mountain Goats, terwijl het refrein daar sterk van afwijkt. Leuke, afwisselende song. Ook de titelsong is sterk, en wijkt een beetje af van de rest. Het is niet zo'n hapklare popsong, deze moet je even de tijd geven, rustig verteren, en dan komt de schoonheid van zo'n song altijd naar buiten. Een positieve noot om mee af te sluiten toch wel.
'Port of Morrow' is een fijne plaat, oerdegelijk en duidelijk gefabriceerd door iemand die weet hoe hij een fatsoenlijke popsong moet schrijven. Toch lijkt het me allemaal een beetje flets en ongeïnspireerd (op een aantal uitzonderingen na, zoals hierboven besproken). Daarom kan ik niet echt met een hoge score uit de hoek komen.
3 sterren
The Strokes - Angles (2011)

2,5
0
geplaatst: 31 maart 2011, 22:21 uur
Artistieke meningsverschillen. Dat is volgens de bandleden zelf de reden waarom deze plaat er pas zo laat komt (volgens sommige bronnen scheelde het niet veel, of deze plaat had er helemaal niet geweest). Elk bandlid had zijn handen vol met zijprojecten, waarvan ik eigenlijk weinig heb opgepikt. Gebrek aan interesse, denk ik. Begin dit jaar dan toch maar eens The Strokes herontdekt, en buiten hun debuut (een topper in mijn ogen) hebben ze twee matige platen afgeleverd. Daar wordt nu een derde matige plaat aan toegevoegd.
De eerste twee nummers laten nochtans niet het beste, toch terug een wat betere plaat verhopen. De 'Is This It'-kwaliteit hoor ik er echter niet in terug. Die snedigheid is helemaal weg, maar goed, dat was tien jaar geleden, en dit is nu. Waar Casablancas het grotendeels voor het zeggen had op de drie eerste platen, hebben de andere bandleden nu ook meer inspraak gekregen. Het resultaat is een mengelmoes, onsamenhangend, van verschillende stijlen en probeersels. The Strokes klinken hier niet als een band, maar als een groep individuen, die hun eigen zin doen.
Na die eerste twee songs hebben we het eigenlijk grotendeels gehad, met als aangename uitzondering 'Taken For A Fool'; zo wil ik The Strokes horen spelen. Heerlijk relaxed, een meer dan aangename melodie uit de gitaar halend. Af en toe wil ik nog wel eens meeneuriën met één van de nummers op deze plaat, maar buiten de drie nummers die ik nu heb aangehaald, staat er jammer genoeg niets meer op dat echt noemenswaardig is. En dat is erg jammer..
'Angles' is een plaat met een treffende titel; er wordt vanuit verschillende hoeken gekeken naar muziek, er worden verschillende ideeën en manieren van aanpak geopperd, maar dat leidt niet tot een goeie, samenhangende plaat. Alle goeie bedoelingen ten spijt, want die zijn zeker wel aan het maken van deze plaat voorafgegaan, is dit een kleine teleurstelling. Ik schrijf The Strokes echter nog niet af voor de toekomst; ze zijn een nieuwe weg ingeslagen, en moeten duidelijk nog wennen aan die nieuwe weg. Maar een nieuwe weg biedt niet zelden nieuwe mogelijkheden, en het zou mij bijgevolg niet verbazen mocht deze band ooit nog eens met een erg sterke plaat voor de proppen komen.
2,5 sterren
De eerste twee nummers laten nochtans niet het beste, toch terug een wat betere plaat verhopen. De 'Is This It'-kwaliteit hoor ik er echter niet in terug. Die snedigheid is helemaal weg, maar goed, dat was tien jaar geleden, en dit is nu. Waar Casablancas het grotendeels voor het zeggen had op de drie eerste platen, hebben de andere bandleden nu ook meer inspraak gekregen. Het resultaat is een mengelmoes, onsamenhangend, van verschillende stijlen en probeersels. The Strokes klinken hier niet als een band, maar als een groep individuen, die hun eigen zin doen.
Na die eerste twee songs hebben we het eigenlijk grotendeels gehad, met als aangename uitzondering 'Taken For A Fool'; zo wil ik The Strokes horen spelen. Heerlijk relaxed, een meer dan aangename melodie uit de gitaar halend. Af en toe wil ik nog wel eens meeneuriën met één van de nummers op deze plaat, maar buiten de drie nummers die ik nu heb aangehaald, staat er jammer genoeg niets meer op dat echt noemenswaardig is. En dat is erg jammer..
'Angles' is een plaat met een treffende titel; er wordt vanuit verschillende hoeken gekeken naar muziek, er worden verschillende ideeën en manieren van aanpak geopperd, maar dat leidt niet tot een goeie, samenhangende plaat. Alle goeie bedoelingen ten spijt, want die zijn zeker wel aan het maken van deze plaat voorafgegaan, is dit een kleine teleurstelling. Ik schrijf The Strokes echter nog niet af voor de toekomst; ze zijn een nieuwe weg ingeslagen, en moeten duidelijk nog wennen aan die nieuwe weg. Maar een nieuwe weg biedt niet zelden nieuwe mogelijkheden, en het zou mij bijgevolg niet verbazen mocht deze band ooit nog eens met een erg sterke plaat voor de proppen komen.
2,5 sterren
The Strokes - First Impressions of Earth (2006)

2,5
0
geplaatst: 15 februari 2011, 19:26 uur
Een achttal maanden geleden postte ik hier al eens een berichtje. Mijn mening over deze plaat is inmiddels behoorlijk veranderd. Mijn stem ook. Ik besloot om maar eens een stukje te schrijven over deze plaat, om het één en ander uit te leggen.
De derde van The Strokes, ‘First Impressions Of Earth’, is voor mij vooral een plaat van hoogtes en laagtes. Er staan enkele erg goeie songs op, maar helaas ook enkele missers.
Het openingstrio van de plaat is alvast goed. Het aanstekelijke ‘You Only Live Once’ doet het hier erg goed, ‘Juicebox’ is een leuke single, en ‘Heart In A Cage’ kan zich wat mij betreft toch wel meten met het betere werk van The Strokes (met in de hoofdrol die geweldige gitaarriff! En toch ook wel de door merg en been gaande snerpzang van Casablancas).
‘Razor Blade’ is al meteen een pak minder. Ik vind het een saai nummer, weinig pakkend, onaangenaam slepend. Op een gegeven moment dacht ik dat Casablancas ‘Mandy’ van Barry Manilow ging inzetten..
‘On The Other Side’ en ‘Vision Of Division’ zijn weer twee goeie nummers, vooral dat tweede dan. ‘On The Other Side’ is ook weer vrij slepend, maar in tegenstelling tot ‘Razor Blade’ irriteert het me hier niet; het lijkt bij te dragen tot de sfeer van dit nummer. “Nobody’s waiting for me; on the other side”, dat soort teksten moet toch een wat zwaar op de maag liggende, zoniet slepende sfeer hebben? En ‘Vision Of Division’ is een erg pittig nummer, het hoge niveau qua gitaarriffs wordt weer even opgepikt (zie ‘Heart In A Cage’). Het nummer ademt ook iets dreigends uit, alsof het gevaarlijk is.
‘Ask Me Anything’ is een nummer dat ik in het begin erg goed vond, maar dat me meer en meer is gaan tegenstaan. Waar dat aan ligt, tja. Waarschijnlijk is het te wijten aan een bepaalde evolutietrend in mijn smaak. Ik vind het nu suf klinken, en lamlendig. ‘Electricityscape’ heeft wel iets, maar is toch ook niet veel beter dan het vorige nummer. Het is net wat vlotter, maar klinkt gewoon als een opvuller.. Jammer. Waarom moest het ook zo nodig een klein uur duren, deze plaat? Toch zitten er enkele mooie stukjes in. ‘Killing Lies’ is ook weer zo’n enorm slepend nummer (de stem van Casablancas leent zich daar ook uitstekend toe), maar dit spreekt me vreemd genoeg wel aan. Is het de louterende bijklank in ’s mans stem? De opzettende gitaar? Hoe dan ook, dit vind ik best een goed nummer. Ik vind ook dat Casablancas meer gevoel en intensiteit in zijn stem legt.
Hierna is het wel even wachten op nog een knaller.. als die nog komt. ‘Fear Of Sleep’ vind ik maar gewoontjes, niets mis mee. ’15 Minutes Of Pain’ vind ik persoonlijk een lichte kwelling om door te komen. Al is het tweede deel van de song wat sneller, en ook wat aangenamer om naar te luisteren. Zo mondt een vervelend nummer toch nog uit in iets aardigs. ‘Ize Of The World’ is, net zoals ‘Fear Of Sleep’, best wel leuk, maar ook niet meer dan dat. Dit soort nummers wordt al zoveel gemaakt, kwalitatief steekt het zeker niet uit boven de middenmoot. ‘Evening Sun’ is ook zo’n nummer dat ik aanvankelijk erg goed vond, terwijl ik het nu nauwelijks nog te pruimen vind.
Met ‘Red Light’ hebben The Strokes op de valreep dan toch nog een sterk nummer op de plaat weten te persen. Erg vermakelijk nummer, dat ik vrij dikwijls meezing, als ik het hoor. ik vind het gewoon een heerlijk relaxed nummer, met erg goed drumwerk ook. ‘Hawaii Aloha’ is een aardige afsluiter, misschien een beetje te carnavalesk. Maar ik kan me voorstellen dat nummer het wel goed doet bij liefhebbers van het luchtigere genre. Ik vind het in ieder geval zeker geen hoogvlieger, maar het is wel te doen.
De eindconclusie is dat hier een handvol sterke songs opstaan, nog eens een handvol degelijke songs en een handvol zwakke songs. Als ik dan een optelsom maak, kom ik uit op de helft. Vandaar ook mijn score.
2,5 sterren
De derde van The Strokes, ‘First Impressions Of Earth’, is voor mij vooral een plaat van hoogtes en laagtes. Er staan enkele erg goeie songs op, maar helaas ook enkele missers.
Het openingstrio van de plaat is alvast goed. Het aanstekelijke ‘You Only Live Once’ doet het hier erg goed, ‘Juicebox’ is een leuke single, en ‘Heart In A Cage’ kan zich wat mij betreft toch wel meten met het betere werk van The Strokes (met in de hoofdrol die geweldige gitaarriff! En toch ook wel de door merg en been gaande snerpzang van Casablancas).
‘Razor Blade’ is al meteen een pak minder. Ik vind het een saai nummer, weinig pakkend, onaangenaam slepend. Op een gegeven moment dacht ik dat Casablancas ‘Mandy’ van Barry Manilow ging inzetten..
‘On The Other Side’ en ‘Vision Of Division’ zijn weer twee goeie nummers, vooral dat tweede dan. ‘On The Other Side’ is ook weer vrij slepend, maar in tegenstelling tot ‘Razor Blade’ irriteert het me hier niet; het lijkt bij te dragen tot de sfeer van dit nummer. “Nobody’s waiting for me; on the other side”, dat soort teksten moet toch een wat zwaar op de maag liggende, zoniet slepende sfeer hebben? En ‘Vision Of Division’ is een erg pittig nummer, het hoge niveau qua gitaarriffs wordt weer even opgepikt (zie ‘Heart In A Cage’). Het nummer ademt ook iets dreigends uit, alsof het gevaarlijk is.
‘Ask Me Anything’ is een nummer dat ik in het begin erg goed vond, maar dat me meer en meer is gaan tegenstaan. Waar dat aan ligt, tja. Waarschijnlijk is het te wijten aan een bepaalde evolutietrend in mijn smaak. Ik vind het nu suf klinken, en lamlendig. ‘Electricityscape’ heeft wel iets, maar is toch ook niet veel beter dan het vorige nummer. Het is net wat vlotter, maar klinkt gewoon als een opvuller.. Jammer. Waarom moest het ook zo nodig een klein uur duren, deze plaat? Toch zitten er enkele mooie stukjes in. ‘Killing Lies’ is ook weer zo’n enorm slepend nummer (de stem van Casablancas leent zich daar ook uitstekend toe), maar dit spreekt me vreemd genoeg wel aan. Is het de louterende bijklank in ’s mans stem? De opzettende gitaar? Hoe dan ook, dit vind ik best een goed nummer. Ik vind ook dat Casablancas meer gevoel en intensiteit in zijn stem legt.
Hierna is het wel even wachten op nog een knaller.. als die nog komt. ‘Fear Of Sleep’ vind ik maar gewoontjes, niets mis mee. ’15 Minutes Of Pain’ vind ik persoonlijk een lichte kwelling om door te komen. Al is het tweede deel van de song wat sneller, en ook wat aangenamer om naar te luisteren. Zo mondt een vervelend nummer toch nog uit in iets aardigs. ‘Ize Of The World’ is, net zoals ‘Fear Of Sleep’, best wel leuk, maar ook niet meer dan dat. Dit soort nummers wordt al zoveel gemaakt, kwalitatief steekt het zeker niet uit boven de middenmoot. ‘Evening Sun’ is ook zo’n nummer dat ik aanvankelijk erg goed vond, terwijl ik het nu nauwelijks nog te pruimen vind.
Met ‘Red Light’ hebben The Strokes op de valreep dan toch nog een sterk nummer op de plaat weten te persen. Erg vermakelijk nummer, dat ik vrij dikwijls meezing, als ik het hoor. ik vind het gewoon een heerlijk relaxed nummer, met erg goed drumwerk ook. ‘Hawaii Aloha’ is een aardige afsluiter, misschien een beetje te carnavalesk. Maar ik kan me voorstellen dat nummer het wel goed doet bij liefhebbers van het luchtigere genre. Ik vind het in ieder geval zeker geen hoogvlieger, maar het is wel te doen.
De eindconclusie is dat hier een handvol sterke songs opstaan, nog eens een handvol degelijke songs en een handvol zwakke songs. Als ik dan een optelsom maak, kom ik uit op de helft. Vandaar ook mijn score.
2,5 sterren
The Strokes - Is This It (2001)

4,5
0
geplaatst: 6 februari 2011, 18:08 uur
The Stroken brengen dit jaar een nieuwe plaat uit, en daarom kreeg ik het idee om de vorige platen nog eens op te leggen. ‘Is This It’ blijft met voorsprong mijn favoriete plaat van de New Yorkse band, simpelweg omdat er haast alleen klassiekers opstaan. Nu overdrijf ik natuurlijk, maar ach. The Strokes hebben een grote invloed uitgeoefend op talloze nieuwe bands, Arctic Monkeys incluis.
De titelsong is meteen aanstekelijk, en goed, en nog niet zo uitbundig als enkele andere songs op deze plaat. ‘The Modern Age’ kent een pompend ritme, en de slepende zang van Casablancas past er wel bij, vind ik. Die gitaarlijntjes op dit album zijn ook zo verdomde leuk zeg! Casablancas gooit er zowaar een Little Richard-achtig gilletje tussen.
‘Soma’ is ook best een leuk nummer, maar behoort zeker niet tot m’n favorieten. Het klinkt aanstekelijk, en past uitstekend tussen de andere nummers op de plaat, maar ik heb er niet zoveel mee. Ik zal het niet al te vaak neuriën, of zo. ‘Barely Legal’ is met zijn vierenhalve minuut het langste nummer op deze plaat, en dat wil toch wat zeggen. Ik vind The Strokes het best tot hun recht komen als ze korte songs maken, maar dit is toch ook een erg sterk nummer. Het niveau van de zang vind ik hier net iets hoger dan op de voorgaande nummers, Casablancas lijkt beter tot zijn recht te komen op deze song. We worden ook nog eens getrakteerd op een uitstekend bij dit nummer passende solo, en in het tweede deel van de song klinken de drums net iets heviger, klinken de gitaarklanken net iets dissonanter, klinkt de zang net iets nijdiger.
‘Someday’ voelt aan als vakantie-op-het-strand-muziek. Ongelooflijk catchy gitaarlijntje! Men moet verdergaan in het leven, en niet blijven stilstaan (“I ain’t wastin’ no more time”). Het is dan nog wel taak om te wachten op het moment dat men zich dat realiseert. ‘Alone, Together’ klinkt meer underground, donkerder. Het nummer geeft aan dat The Strokes toch ook wel naar bands als Joy Division hebben geluisterd. De gitaarsolo klinkt ook iets zwaarder dan andere solo’s op dit plaatje. Naarder.
Dan zijn we aangekomen bij mijn favoriete nummer van The Strokes, ‘Last Nite’. Vanaf de eerste noot houdt dit nummer je in de greep, met die geweldige gitaarlijn die het midden houdt tussen drukte en relaxatie. Ingrediënt per ingrediënt wordt aan de basis toegevoegd, tot ook Casablancas invalt, met naar mijn mening de beste zanglijn die hij in zijn carrière bij The Strokes al heeft afgeleverd (met zijn solowerk ben ik niet bekend). De solo wordt ook weer op het perfecte moment in de song ingepast, daar hebben ze wel een neus voor. De song gaat over geliefden, die kibbelen als geliefden. Zo alledaags, zo actueel. En over het onbegrip dat de één bij de ander vindt, en automatisch ook bij de rest van de wereld, en zelfs daarbuiten (“In spaceships, they won’t understand…”). En uiteindelijk, vind je dat onbegrip ook nog bij jezelf.
‘Hard To Explain’ is ook weer zo’n heerlijk aanstekelijk, opgewekt klinkend rocknummer. Het is een iets snellere song, en dat bevalt me ook prima van deze gasten. ‘New York City Cops’ is ook één mijner favorieten. Korte intro, waarna het nummer losbarst. Casablancas brengt enkele gilletjes voort, het spelplezier spat ervan af. De tekst suggereert dat The Strokes al meermaals onprettig kennis hebben gemaakt met de politie. Dat valt te horen in het simpele doch geweldige refrein: “New York City Cops, they ain’t too smart!”.
‘Trying Your Luck’ doet mij weer meer denken aan die donkerdere kant van The Strokes (zie ‘Alone, Together’). Het gitaarspel ligt zwaar op de maag, maar aan de andere kant past die korte solo (als je het al een solo mag noemen) er weer perfect bij. Als je dat voor mekaar krijgt, dan weet je toch waar je mee bezig bent, denk ik zo. ‘Take It Or Leave It’ als afsluiter: nog één keer slaagt Casablancas erin zich tijdens het refrein half schor te klaagroepen. Vrij vinnige song, om de plaat af te sluiten. “take it or leave it…”, tja, eens moet je kiezen natuurlijk.
Na 36 minuten is deze plaat gedaan. Een vrij kort album dus, en dat is maar goed ook, want, met ‘First Impressions Of Earth’ in het achterhoofd, The Strokes kunnen mij niet langer dan zo’n dik halfuur boeien. Maar deze plaat kan me dus wel boeien, en dat is wat telt.
4,5 sterren
De titelsong is meteen aanstekelijk, en goed, en nog niet zo uitbundig als enkele andere songs op deze plaat. ‘The Modern Age’ kent een pompend ritme, en de slepende zang van Casablancas past er wel bij, vind ik. Die gitaarlijntjes op dit album zijn ook zo verdomde leuk zeg! Casablancas gooit er zowaar een Little Richard-achtig gilletje tussen.

‘Soma’ is ook best een leuk nummer, maar behoort zeker niet tot m’n favorieten. Het klinkt aanstekelijk, en past uitstekend tussen de andere nummers op de plaat, maar ik heb er niet zoveel mee. Ik zal het niet al te vaak neuriën, of zo. ‘Barely Legal’ is met zijn vierenhalve minuut het langste nummer op deze plaat, en dat wil toch wat zeggen. Ik vind The Strokes het best tot hun recht komen als ze korte songs maken, maar dit is toch ook een erg sterk nummer. Het niveau van de zang vind ik hier net iets hoger dan op de voorgaande nummers, Casablancas lijkt beter tot zijn recht te komen op deze song. We worden ook nog eens getrakteerd op een uitstekend bij dit nummer passende solo, en in het tweede deel van de song klinken de drums net iets heviger, klinken de gitaarklanken net iets dissonanter, klinkt de zang net iets nijdiger.
‘Someday’ voelt aan als vakantie-op-het-strand-muziek. Ongelooflijk catchy gitaarlijntje! Men moet verdergaan in het leven, en niet blijven stilstaan (“I ain’t wastin’ no more time”). Het is dan nog wel taak om te wachten op het moment dat men zich dat realiseert. ‘Alone, Together’ klinkt meer underground, donkerder. Het nummer geeft aan dat The Strokes toch ook wel naar bands als Joy Division hebben geluisterd. De gitaarsolo klinkt ook iets zwaarder dan andere solo’s op dit plaatje. Naarder.
Dan zijn we aangekomen bij mijn favoriete nummer van The Strokes, ‘Last Nite’. Vanaf de eerste noot houdt dit nummer je in de greep, met die geweldige gitaarlijn die het midden houdt tussen drukte en relaxatie. Ingrediënt per ingrediënt wordt aan de basis toegevoegd, tot ook Casablancas invalt, met naar mijn mening de beste zanglijn die hij in zijn carrière bij The Strokes al heeft afgeleverd (met zijn solowerk ben ik niet bekend). De solo wordt ook weer op het perfecte moment in de song ingepast, daar hebben ze wel een neus voor. De song gaat over geliefden, die kibbelen als geliefden. Zo alledaags, zo actueel. En over het onbegrip dat de één bij de ander vindt, en automatisch ook bij de rest van de wereld, en zelfs daarbuiten (“In spaceships, they won’t understand…”). En uiteindelijk, vind je dat onbegrip ook nog bij jezelf.
‘Hard To Explain’ is ook weer zo’n heerlijk aanstekelijk, opgewekt klinkend rocknummer. Het is een iets snellere song, en dat bevalt me ook prima van deze gasten. ‘New York City Cops’ is ook één mijner favorieten. Korte intro, waarna het nummer losbarst. Casablancas brengt enkele gilletjes voort, het spelplezier spat ervan af. De tekst suggereert dat The Strokes al meermaals onprettig kennis hebben gemaakt met de politie. Dat valt te horen in het simpele doch geweldige refrein: “New York City Cops, they ain’t too smart!”.
‘Trying Your Luck’ doet mij weer meer denken aan die donkerdere kant van The Strokes (zie ‘Alone, Together’). Het gitaarspel ligt zwaar op de maag, maar aan de andere kant past die korte solo (als je het al een solo mag noemen) er weer perfect bij. Als je dat voor mekaar krijgt, dan weet je toch waar je mee bezig bent, denk ik zo. ‘Take It Or Leave It’ als afsluiter: nog één keer slaagt Casablancas erin zich tijdens het refrein half schor te klaagroepen. Vrij vinnige song, om de plaat af te sluiten. “take it or leave it…”, tja, eens moet je kiezen natuurlijk.
Na 36 minuten is deze plaat gedaan. Een vrij kort album dus, en dat is maar goed ook, want, met ‘First Impressions Of Earth’ in het achterhoofd, The Strokes kunnen mij niet langer dan zo’n dik halfuur boeien. Maar deze plaat kan me dus wel boeien, en dat is wat telt.
4,5 sterren
The Strokes - The New Abnormal (2020)

4,0
6
geplaatst: 16 mei 2020, 19:52 uur
Negatief zijn op een positieve manier: dat doe je erg fraai, aerobag! Ook de reactie van Johnny Marr verdient applaus. Wat zijn jullie toch leuke, volwassen jongelui!
Ikzelf zit qua waardering ergens tussen jullie beiden in, met een fikse aandrang naar het positieve cijfer. The New Abnormal weet me namelijk te verrassen, wat ik na een hiaat van zeven jaar niet meer had verwacht van The Strokes. Is het die broodnodige adempauze geweest die de New Yorkers hernieuwde inspiratie heeft ingefluisterd? Is het de hand van Rick Rubin? Heeft het te maken met gestaag de gestaag oplopende leeftijd van de bandleden, wat onherroepelijk andere inzichten met zich meebrengt?
't Zal wel van alles wat zijn, vermoed ik. Deze nieuwe plaat klinkt me alvast fris en monter in de oren, energiek ook. En verrassend veelzijdig, daar de band wat nieuwe horizonten probeert te verkennen (frontman Julian Casablancas heeft in de tussentijd met o.a. Daft Punk samengewerkt, en ook twee platen uitgebracht met The Voidz). Dit alles wordt wat mij betreft mooi weerspiegeld in de albumhoes, een schilderij van Jean-Michel Basquiat.
Dat er velen zijn die de stem van Casablancas niet kunnen trekken, kan ik heel goed begrijpen; ik heb het er ook regelmatig lastig mee. Vooral wanneer de kwaliteit van de songs niet al te best is, zoals op drie vorige platen. Dan is dit een enorme stap voorwaarts, dunkt mij, want de zang komt zo goed uit de verf voor mij, net omdát die songs zo goed in elkaar zitten. En zo kan Casablancas alle toonaarden verkennen. Regelmatig zet hij zelfs z'n falsetpet op z'n kop, waardoor de zang een nieuwe, intense dimensie krijgt. Zo klinkt hij in Selfless op een gegeven moment als Jónsi van Sigur Rós, terwijl hij in Brooklyn Bridge to Chorus dan weer een geweldige imitatie van Morrissey ten tijde van The Smiths ("We're dancing on a moonbeam; on and on and on and on and on!").
Favoriete songs aanduiden is lastig, daar het niveau vrij constant is. Ik heb het album in de maand dat het nu uit is, vrij intensief beluisterd voor mijn doen (zo'n tiental keer), en telkens duikt er wel een andere song als lieveling op. The Adults Are Talking is een geweldige opener, Eternal Summer is een feest en een beest van een song, Ode to the Mets een gedroomde afsluiter. Dat zijn dan uiteindelijk toch wel de vaandeldragers van dit album, naar mijn mening.
4 sterren
Ikzelf zit qua waardering ergens tussen jullie beiden in, met een fikse aandrang naar het positieve cijfer. The New Abnormal weet me namelijk te verrassen, wat ik na een hiaat van zeven jaar niet meer had verwacht van The Strokes. Is het die broodnodige adempauze geweest die de New Yorkers hernieuwde inspiratie heeft ingefluisterd? Is het de hand van Rick Rubin? Heeft het te maken met gestaag de gestaag oplopende leeftijd van de bandleden, wat onherroepelijk andere inzichten met zich meebrengt?
't Zal wel van alles wat zijn, vermoed ik. Deze nieuwe plaat klinkt me alvast fris en monter in de oren, energiek ook. En verrassend veelzijdig, daar de band wat nieuwe horizonten probeert te verkennen (frontman Julian Casablancas heeft in de tussentijd met o.a. Daft Punk samengewerkt, en ook twee platen uitgebracht met The Voidz). Dit alles wordt wat mij betreft mooi weerspiegeld in de albumhoes, een schilderij van Jean-Michel Basquiat.
Dat er velen zijn die de stem van Casablancas niet kunnen trekken, kan ik heel goed begrijpen; ik heb het er ook regelmatig lastig mee. Vooral wanneer de kwaliteit van de songs niet al te best is, zoals op drie vorige platen. Dan is dit een enorme stap voorwaarts, dunkt mij, want de zang komt zo goed uit de verf voor mij, net omdát die songs zo goed in elkaar zitten. En zo kan Casablancas alle toonaarden verkennen. Regelmatig zet hij zelfs z'n falsetpet op z'n kop, waardoor de zang een nieuwe, intense dimensie krijgt. Zo klinkt hij in Selfless op een gegeven moment als Jónsi van Sigur Rós, terwijl hij in Brooklyn Bridge to Chorus dan weer een geweldige imitatie van Morrissey ten tijde van The Smiths ("We're dancing on a moonbeam; on and on and on and on and on!").
Favoriete songs aanduiden is lastig, daar het niveau vrij constant is. Ik heb het album in de maand dat het nu uit is, vrij intensief beluisterd voor mijn doen (zo'n tiental keer), en telkens duikt er wel een andere song als lieveling op. The Adults Are Talking is een geweldige opener, Eternal Summer is een feest en een beest van een song, Ode to the Mets een gedroomde afsluiter. Dat zijn dan uiteindelijk toch wel de vaandeldragers van dit album, naar mijn mening.
4 sterren
The Tallest Man on Earth - The Wild Hunt (2010)

4,5
0
geplaatst: 26 april 2010, 21:44 uur
The Tallest Man On Earth heb ik leren kennen dankzij een kennis, die me zijn debuutplaat 'Shallow Grave' leerde kennen. Ik moet eerlijk bekennen, ik was meteen verkocht. Ik keek dan ook erg uit naar deze opvolger, benieuwd of hij een even hoog (of nog hoger) niveau zou halen.
Kristian Matsson, want zo staat het op onze vriend z'n identiteitsbewijs, is een begaafd gitarist met een wel erg aparte stem die sommigen onder ons (mij incluis) erg aan Bob Dylan denken. Mij doet hij het meest denken aan de Dylan van z'n debuut, rauw, puur, prachtig.
Het eerste nummer heet 'The Wild Hunt', en zo heet de plaat ook. Het is een vrij ingetogen song, heel mooi allemaal. 'Burden Of Tomorrow' is het nummer dat erop volgt, en is minstens even mooi; prachtige zanglijnen ("But I Won't fight this stranger that you should fear; so I won't be your burden of tomorrow, dear").
Het gitaarlijntje van 'Trouble Will Be Gone' is heerlijk; het sleept je meteen mee en doet je inzien wat een begaafd muzikant die Kristian Matsson toch is.
'You're Going Back' blijft me tot nu toe het minst bij van alle songs, waarmee ik niet wil zeggen dat het een zwakke song is. Hier staan GEEN zwakke songs op, vandaar mijn hoge quotering voor dit pareltje.
'The Drying Of The Lawns' heeft ook weer zo'n gitaarlijntje dat dwingend is en zegt: "naar mij moet je luisteren, en genieten". Het tempo ligt iets lager dan op de voorgaande nummers, maar dat is niet erg; het is alsof hij voor zichzelf (en de luisteraars) even een rustpauze inlast, een moment van verpozing...
... om dan weer een paar versnellingen hoger te schakelen met het vinnige 'King Of Spain', waarin ook een kleine hommage aan Dylan ("And I'll wear my boots of Spanish leather)?
Na dit nummer komt mijns inziens het beste nummer van de plaat: 'Love Is All'. Weer wat rustiger, het klinkt ook een beetje bluesy vind ik. Echt een magnifiek nummer, met een prachtige tekst ook. Dat reffrein alleen al : "Oh, I said I could rise; from the harness of our goals; here come the tears; but like always, I let them go".
'Thousand Ways' is een meer dan degelijk nummer, maar blijft me ook elke keer wat minder bij dan andere nummers. Als ik het nummer beluister, vraag ik me telkens af: "Waarom blijt dit prachtnummer nooit in mijn hoofd hangen?", maar het zij zo.
'A Lion' Heart' is ook weer zo'n nummer met prachtige gitaarlijn, die je meezuigt in de wereld van Kristian Matsson, een wereld die je onderdompelt in een melange van pure schoonheid en soberheid. Van deze song blijft me vooral deze lijn bij: "When he's coming down the hills or you". Geweldig hoe Matsson daar al z'n gevoel en passie in kwijt kan.
De afsluiter verrast me. The Tallest Man On Earth speelt piano! De klanken die hij eruit weet te krijgen, passen erg goed bij z'n stem (het lijkt wel zo'n ouwe, versleten piano, en slaagt er goed in melancholie op te wekken), maar toch vind ik z'n stem beter passen bij gitaar. Toch is dit niet slecht, en wees eerlijk, dit nummer staat toch als een huis, het is een erg sterke pianoballad, en een heerlijk rustige manier om een fantastisch album als dit af te sluiten.
Met 'The Wild Hunt' heeft The Tallest Man On Earth weer een bijzonder geslaagd album weten uit te brengen. Het is misschien niet vernieuwend of wereldschokkend, maar dit is gewoon een meer dan uitstekende plaat van een vat vol talent uit Zweden waarvan we het laatste nog niet gehoord hebben.
4,5 sterren
Kristian Matsson, want zo staat het op onze vriend z'n identiteitsbewijs, is een begaafd gitarist met een wel erg aparte stem die sommigen onder ons (mij incluis) erg aan Bob Dylan denken. Mij doet hij het meest denken aan de Dylan van z'n debuut, rauw, puur, prachtig.
Het eerste nummer heet 'The Wild Hunt', en zo heet de plaat ook. Het is een vrij ingetogen song, heel mooi allemaal. 'Burden Of Tomorrow' is het nummer dat erop volgt, en is minstens even mooi; prachtige zanglijnen ("But I Won't fight this stranger that you should fear; so I won't be your burden of tomorrow, dear").
Het gitaarlijntje van 'Trouble Will Be Gone' is heerlijk; het sleept je meteen mee en doet je inzien wat een begaafd muzikant die Kristian Matsson toch is.
'You're Going Back' blijft me tot nu toe het minst bij van alle songs, waarmee ik niet wil zeggen dat het een zwakke song is. Hier staan GEEN zwakke songs op, vandaar mijn hoge quotering voor dit pareltje.
'The Drying Of The Lawns' heeft ook weer zo'n gitaarlijntje dat dwingend is en zegt: "naar mij moet je luisteren, en genieten". Het tempo ligt iets lager dan op de voorgaande nummers, maar dat is niet erg; het is alsof hij voor zichzelf (en de luisteraars) even een rustpauze inlast, een moment van verpozing...
... om dan weer een paar versnellingen hoger te schakelen met het vinnige 'King Of Spain', waarin ook een kleine hommage aan Dylan ("And I'll wear my boots of Spanish leather)?
Na dit nummer komt mijns inziens het beste nummer van de plaat: 'Love Is All'. Weer wat rustiger, het klinkt ook een beetje bluesy vind ik. Echt een magnifiek nummer, met een prachtige tekst ook. Dat reffrein alleen al : "Oh, I said I could rise; from the harness of our goals; here come the tears; but like always, I let them go".
'Thousand Ways' is een meer dan degelijk nummer, maar blijft me ook elke keer wat minder bij dan andere nummers. Als ik het nummer beluister, vraag ik me telkens af: "Waarom blijt dit prachtnummer nooit in mijn hoofd hangen?", maar het zij zo.
'A Lion' Heart' is ook weer zo'n nummer met prachtige gitaarlijn, die je meezuigt in de wereld van Kristian Matsson, een wereld die je onderdompelt in een melange van pure schoonheid en soberheid. Van deze song blijft me vooral deze lijn bij: "When he's coming down the hills or you". Geweldig hoe Matsson daar al z'n gevoel en passie in kwijt kan.
De afsluiter verrast me. The Tallest Man On Earth speelt piano! De klanken die hij eruit weet te krijgen, passen erg goed bij z'n stem (het lijkt wel zo'n ouwe, versleten piano, en slaagt er goed in melancholie op te wekken), maar toch vind ik z'n stem beter passen bij gitaar. Toch is dit niet slecht, en wees eerlijk, dit nummer staat toch als een huis, het is een erg sterke pianoballad, en een heerlijk rustige manier om een fantastisch album als dit af te sluiten.
Met 'The Wild Hunt' heeft The Tallest Man On Earth weer een bijzonder geslaagd album weten uit te brengen. Het is misschien niet vernieuwend of wereldschokkend, maar dit is gewoon een meer dan uitstekende plaat van een vat vol talent uit Zweden waarvan we het laatste nog niet gehoord hebben.
4,5 sterren
The Tallest Man on Earth - There's No Leaving Now (2012)

4,5
0
geplaatst: 15 juli 2012, 19:47 uur
Kristian Matsson, alias The Tallest Man on Earth, wist mij met zijn vorige plaat, ‘The Wild Hunt’, net als zovelen overigens, voor zich te winnen. Zijn debuut was toen, in 2010 was dat, al een goeie twee jaar in omloop, maar het was die tweede plaat die het vuur bij veel mensen deed oplaaien. ‘Shallow Grave’ gaan beluisteren was na die zeer gesmaakte plaat een logische tweede stap, en die beviel me nog beter. Daarna heb ik zijn titelloze EP beluisterd, en inmiddels had hij al een nieuwe EP uit, met de mooie titel ‘Sometimes the Blues Is Just a Passing Bird’. En nu is er dus zijn derde langspeler.
‘There’s No Leaving Now’, heet die derde, en het is wederom een werkje van hoge kwaliteit. Een eerste bemerking van mijn kant is wel dat de kwaliteit niet zozeer constant is, maar er zijn pieken en dalen. Al zijn die dalen zeker niet diep. De pieken, daarentegen, zijn hoog. Zo is het titelnummer één van de mooiste nummers die ik dit jaar al heb gehoord, en zo goed als zeker het meest ontroerende. Nochtans horen we Matsson in deze voortreffelijke song niet in zijn meest bekende rol als meester-snarenplukker, maar aan de piano. Een bijzonder ingetogen en naar de keel grijpende song is het resultaat.
De titelsong is echter niet de enige piek, ook ‘1904’ en ‘Bright Lanterns’ mogen het etiket “fantastisch” opgekleefd krijgen. ‘1904’ is een vinnig nummertje, waarin de karakteristieke stem van Matsson het best tot z’n recht komt. ‘Bright Lanterns’ laat dan weer de andere Matsson zien, net wat rustiger en in meer in zichzelf gekeerd, zoals ook op de titelsong te horen is. De teksten zijn ook weer van een hoog niveau, Matsson put weer uit zijn blijkbaar zeer uitgebreide collectie natuurmetaforen.
Ook afsluiter ‘On Every Page’ is een erg mooi nummer, en een meer dan geslaagde afsluiter voor het album. De overige nummers bevinden zich minstens een niveau lager dan de vier die ik nu heb opgenoemd. Opener ‘To Just Grow Away’ laat weer maar ‘ns horen dat Matsson de fingerpicking style wel degelijk onder de knie heeft, en dat hij er goeie songs uit kan puren. ‘Revelation Blues’ laat een wat voller geluid horen, met elektrisch versterkte gitaar, als ik me niet vergis, iets wat hij ook al deed op zijn vorige EP. ‘Leading Me Now’ leunt weer meer aan bij het authentieke Matsson-geluid (als je daar in zo’n vroeg stadium in zijn carrière al van mag spreken), maar het nummer had, toegegeven, als het op het debuut had gestaan, een beetje bleek geweest. Goed dus dat hij zijn horizon stukje bij beetje verbreed.
Na deze eerste drie nummers komt dus dat ijzersterke drieluik ‘1904’-‘Bright Lanterns’-‘There’s No Leaving Now’, waarover een mens weinig meer dan “Wauw!” kan zeggen. Soms is het toch echt verbluffend wat deze kleine grote Zweed weet te presteren, en hoe hij voor zichzelf een plaats in het hart van veel muziekliefhebbers weet te veroveren. Met het titelnummer wil ik altijd hardop meezingen, maar ik kan het niet, omdat ik weet dat mijn stem nog niet tot aan de enkels van Matsson’s unieke vocalen reikt. Oké, het lijkt een beetje op Dylan met een verkoudheid, maar het is zeker en vast geen kopie, dat moet je hem nageven. Je moet er wel voor zijn, uiteraard.
‘Wind and Walls’ kent een kalme intro, maar na een tiental seconden laat Matsson zijn akoestische gitaar toch weer duchtig weerklinken. Op het eerste gehoor een wat onopvallende song, maar eens je voorbij die barrière bent, is ook dit weer een erg mooi nummer. Er zit een soort bluesy feeling achter het nummer. De pedal steel wordt hier ook gebruikt, als ik me niet vergis, maar in ‘Bright Lanterns’ wordt die ook al gebruikt, en vooral in die song klinkt het heel erg goed, en klopt het plaatje perfect. ‘Little Brother’ is een nummer dat ik al kende uit een live-uitvoering, als ik me niet vergis, en is een nummer waar niets mis mee is. De eerste paar luisterbeurten behoorde het tot m’n favorieten (omdat ik het al kende, I suppose), maar gaandeweg is het toch een soort “minder broertje” geworden. Vergeef me het kleine woordspelletje.
‘Criminals’ is weer zo’n klein liedje waar Matsson zo goed in is, beetje onopvallend, maar toch wel goed. Mijn opmerking over pieken en dalen kan je wel schrappen; dalen zijn er niet, het zijn gewoon enkele songs die erbovenuit steken. ‘On Every Page’, de prachtige afsluiter waar ik het al eerder over had, lijkt een uitstapje in de richting van een andere koers. Het is een nummer dat erg traag en bluesy op gang komt, en redelijk traag blijft aanhouden, en de rauwe, directe stem van Matsson is complementair met de sobere instrumentatie. Zo lijkt het alsof zijn woorden dubbel zoveel kracht hebben. “There must be marks on every page; from the past to these songs”…
‘There’s No Leaving Now’ is een meer dan geslaagde, neen, zelfs ronduit fantastische derde plaat van de kleine grote Zweed Kristian Matsson. Hij slaagt er wederom in mij te ontroeren met zijn teksten en gitaarspel, en in het gezicht te meppen, als om me wakker en attent te houden, met zijn stemgeluid. Er zijn wat nieuwe elementen te horen op deze plaat, en dat is goed, want het is altijd mooi als je, als je je eigen geluid maar genoeg kan aanhouden, je horizonten kan verbreden. Maar dat had ik al gezegd, dus voor ik teveel in herhaling val, zal ik mijn relaas maar afsluiten met volgende conclusie: weer één van de beste platen van het jaar.
4,5 sterren
‘There’s No Leaving Now’, heet die derde, en het is wederom een werkje van hoge kwaliteit. Een eerste bemerking van mijn kant is wel dat de kwaliteit niet zozeer constant is, maar er zijn pieken en dalen. Al zijn die dalen zeker niet diep. De pieken, daarentegen, zijn hoog. Zo is het titelnummer één van de mooiste nummers die ik dit jaar al heb gehoord, en zo goed als zeker het meest ontroerende. Nochtans horen we Matsson in deze voortreffelijke song niet in zijn meest bekende rol als meester-snarenplukker, maar aan de piano. Een bijzonder ingetogen en naar de keel grijpende song is het resultaat.
De titelsong is echter niet de enige piek, ook ‘1904’ en ‘Bright Lanterns’ mogen het etiket “fantastisch” opgekleefd krijgen. ‘1904’ is een vinnig nummertje, waarin de karakteristieke stem van Matsson het best tot z’n recht komt. ‘Bright Lanterns’ laat dan weer de andere Matsson zien, net wat rustiger en in meer in zichzelf gekeerd, zoals ook op de titelsong te horen is. De teksten zijn ook weer van een hoog niveau, Matsson put weer uit zijn blijkbaar zeer uitgebreide collectie natuurmetaforen.
Ook afsluiter ‘On Every Page’ is een erg mooi nummer, en een meer dan geslaagde afsluiter voor het album. De overige nummers bevinden zich minstens een niveau lager dan de vier die ik nu heb opgenoemd. Opener ‘To Just Grow Away’ laat weer maar ‘ns horen dat Matsson de fingerpicking style wel degelijk onder de knie heeft, en dat hij er goeie songs uit kan puren. ‘Revelation Blues’ laat een wat voller geluid horen, met elektrisch versterkte gitaar, als ik me niet vergis, iets wat hij ook al deed op zijn vorige EP. ‘Leading Me Now’ leunt weer meer aan bij het authentieke Matsson-geluid (als je daar in zo’n vroeg stadium in zijn carrière al van mag spreken), maar het nummer had, toegegeven, als het op het debuut had gestaan, een beetje bleek geweest. Goed dus dat hij zijn horizon stukje bij beetje verbreed.
Na deze eerste drie nummers komt dus dat ijzersterke drieluik ‘1904’-‘Bright Lanterns’-‘There’s No Leaving Now’, waarover een mens weinig meer dan “Wauw!” kan zeggen. Soms is het toch echt verbluffend wat deze kleine grote Zweed weet te presteren, en hoe hij voor zichzelf een plaats in het hart van veel muziekliefhebbers weet te veroveren. Met het titelnummer wil ik altijd hardop meezingen, maar ik kan het niet, omdat ik weet dat mijn stem nog niet tot aan de enkels van Matsson’s unieke vocalen reikt. Oké, het lijkt een beetje op Dylan met een verkoudheid, maar het is zeker en vast geen kopie, dat moet je hem nageven. Je moet er wel voor zijn, uiteraard.
‘Wind and Walls’ kent een kalme intro, maar na een tiental seconden laat Matsson zijn akoestische gitaar toch weer duchtig weerklinken. Op het eerste gehoor een wat onopvallende song, maar eens je voorbij die barrière bent, is ook dit weer een erg mooi nummer. Er zit een soort bluesy feeling achter het nummer. De pedal steel wordt hier ook gebruikt, als ik me niet vergis, maar in ‘Bright Lanterns’ wordt die ook al gebruikt, en vooral in die song klinkt het heel erg goed, en klopt het plaatje perfect. ‘Little Brother’ is een nummer dat ik al kende uit een live-uitvoering, als ik me niet vergis, en is een nummer waar niets mis mee is. De eerste paar luisterbeurten behoorde het tot m’n favorieten (omdat ik het al kende, I suppose), maar gaandeweg is het toch een soort “minder broertje” geworden. Vergeef me het kleine woordspelletje.

‘Criminals’ is weer zo’n klein liedje waar Matsson zo goed in is, beetje onopvallend, maar toch wel goed. Mijn opmerking over pieken en dalen kan je wel schrappen; dalen zijn er niet, het zijn gewoon enkele songs die erbovenuit steken. ‘On Every Page’, de prachtige afsluiter waar ik het al eerder over had, lijkt een uitstapje in de richting van een andere koers. Het is een nummer dat erg traag en bluesy op gang komt, en redelijk traag blijft aanhouden, en de rauwe, directe stem van Matsson is complementair met de sobere instrumentatie. Zo lijkt het alsof zijn woorden dubbel zoveel kracht hebben. “There must be marks on every page; from the past to these songs”…
‘There’s No Leaving Now’ is een meer dan geslaagde, neen, zelfs ronduit fantastische derde plaat van de kleine grote Zweed Kristian Matsson. Hij slaagt er wederom in mij te ontroeren met zijn teksten en gitaarspel, en in het gezicht te meppen, als om me wakker en attent te houden, met zijn stemgeluid. Er zijn wat nieuwe elementen te horen op deze plaat, en dat is goed, want het is altijd mooi als je, als je je eigen geluid maar genoeg kan aanhouden, je horizonten kan verbreden. Maar dat had ik al gezegd, dus voor ik teveel in herhaling val, zal ik mijn relaas maar afsluiten met volgende conclusie: weer één van de beste platen van het jaar.
4,5 sterren
The Tarantula Waltz - Did Not Leave to Find but to Forget, to Leave Behind (2010)

3,5
0
geplaatst: 30 augustus 2010, 10:54 uur
Mooi album dus, en ik ben grotendeels akkoord met de mening van Mctijn. Deze werd me aangeraden op de discussiepagina van 'Becoming A Jackal' van Villagers. De grote gelijkenis tussen Conor O' Brien van Villagers en Markus Svensson van deze band is het vuur, de overgave in hun zang. Wel vind ik deze plaat net wat minder dan 'Becoming A Jackal', die brengt me toch nog wat meer in vervoering. M'n voorlopige hoogtepunten van zo'n twee weken geleden blijven hoogtepunten, en krijgen nu het gezelschap van 'Synthetic Sun'.
De plaat begint met twee stevige nummers toch wel, die lekker rocken, maar me niet bijzonder veel doen. 'Bacchus' is natuurlijke een verwijzing naar de Romeinse god van o.a. de wijn.
De volgende twee nummers zijn een stuk ingetogener, en zo komt deze artiest mijns inziens beter tot z'n recht. De samenzang met de mij onbekende Ebba en de inbreng van een bescheiden mondharmonica doen het goed bij mij.
'Chains', dezelfde mening als Mctijn, maar 't zijn eigenlijk de details die 't 'm doen. De instrumenten in de marge. Accordeon meen ik erin te herkennen, maar ik ben geen kenner
'Tritonus' ontpopt zich na een electronische intro tot een mooi liedje. De trompet (of saxofoon? moest ik maar 'ns opzoeken) in 'Bruno K Oijer, Where Are We Going?' geeft de plaat wat extra (jazzy, inderdaad). 'Woke Up And Felt Like George Jones' is ook gewoon een mooi nummer.
Afsluiter 'Sthlm' is eigenlijk gewoon 6 minuten lang genieten van Svensson's stem, het gevoel en de passie druipen er gewoon vanaf.
3,5 sterren
De plaat begint met twee stevige nummers toch wel, die lekker rocken, maar me niet bijzonder veel doen. 'Bacchus' is natuurlijke een verwijzing naar de Romeinse god van o.a. de wijn.
De volgende twee nummers zijn een stuk ingetogener, en zo komt deze artiest mijns inziens beter tot z'n recht. De samenzang met de mij onbekende Ebba en de inbreng van een bescheiden mondharmonica doen het goed bij mij.
'Chains', dezelfde mening als Mctijn, maar 't zijn eigenlijk de details die 't 'm doen. De instrumenten in de marge. Accordeon meen ik erin te herkennen, maar ik ben geen kenner

'Tritonus' ontpopt zich na een electronische intro tot een mooi liedje. De trompet (of saxofoon? moest ik maar 'ns opzoeken) in 'Bruno K Oijer, Where Are We Going?' geeft de plaat wat extra (jazzy, inderdaad). 'Woke Up And Felt Like George Jones' is ook gewoon een mooi nummer.
Afsluiter 'Sthlm' is eigenlijk gewoon 6 minuten lang genieten van Svensson's stem, het gevoel en de passie druipen er gewoon vanaf.
3,5 sterren
The Veils - Troubles of the Brain EP (2011)

3,5
0
geplaatst: 2 februari 2011, 13:59 uur
Ik heb het vermoeden dat ik dit jaar weer een pak nieuwe muziek ga leren kennen. Na de beluistering van deze EP, staat vast dat de discografie van The Veils daarbij zal horen. 7 liedjes, zonder al te veel pretentie, gewoon erg mooi. Van aanstekelijke popliedjes tot ingetogen pareltjes, zo evolueert het plaatje ook. ‘Bloom’ is zo’n popliedje, maar niet het sterkste op de hele plaat, vind ik. Het blijft het minst hangen, wat opmerkelijk is, daar het de EP opent. Het klinkt misschien wat te standaard, al te vaak dat soort liedjes gehoord, dat kan er eventueel mee te maken hebben. Dan doet ‘Don’t Let The Same Bee Sting You Twice’ het wel wat beter. Finn Andrews heeft een aanstekelijke stem, vind ik, en dit nummer wordt dan ook nog eens voortgestuwd door een leuk drumritme.
Het volgende nummer is ‘The Stars Came Out Once The Lights Went Out’, en het is – jawel – wederom een aanstekelijk popliedje. Mijn excuses voor het veelvuldige gebruik van het woord ‘aanstekelijk’, maar dat is gewoon het meest treffende woord om dit soort liedjes te omschrijven. De solide basis wordt weer gelegd door bas en drums, en de stem van Andrews wordt daar mooi overheen gedrapeerd, samen met de dromerige gitaarklanken.
Maar dan wordt het pas echt goed. ‘The Wishbone’ begint niet als uptempo-nummer, maar wordt naarmate het nummer vordert wel wat lichter naar mijn mening. De vocalen (niet de klank, maar de frasering) doen me soms denken aan ‘Californication’ van Red Hot Chili Peppers (misschien een rare vergelijking van mij).
De drie laatste nummers (ik reken daar dan het bonusnummer ook bij) zijn ware pareltjes in mijn ogen, en doen me reikhalzend uitkijken naar ander werk van The Veils. Meer ingetogen, je hoort een heel andere band dan op de eerste drie nummers! ‘Grey Lynn Park’ doet erg nostalgisch aan ook, als je weet dat het desbetreffende park zich bevindt in Auckland, Nieuw-Zeeland.
‘Us Godless Teenagers’ zet de trend door; Andrews zingt wat ijler, wat bijdraagt tot de beklemmende sfeer. Het nummer gaat volgens mij over de verloren hedendaagse generatie, waarvan de leden niemand anders hebben dan elkaar. (“We’ve nowhere left to disappear; there’s nowhere left to go around here; and so we hold each other dear”).
Afsluiter ‘Iodine & Iron’ klinkt nog ijler, nog minimaler, nog soberder, nog eenvoudiger, nog mooier. Twee elementen van de Tabel van Mendelejev als titel van een song, is dat nog wel interessant? Ik weet het niet, maar het zou volgens mij kunnen aangeven dat de lyrics over verliefdheid gaan (wat volgens de wetenschap toch een chemische reactie is, vandaar). Als je de lyrics erbij neemt, dan merk je dat het onderwerp inderdaad verliefdheid is, maar het is een kille, koele, verbitterde, verloren verliefdheid. IJzer en jodium zijn dan ook niet de meest warme elementen, het zijn brokken verdriet.
En zo loopt deze EP op z’n eind, voor de mensen die de bonustrack in bezit hebben natuurlijk. Finn Andrews en de zijnen hebben mij helemaal overtuigd van het feit dat ik hun voorgaande albums moet gaan beluisteren, wat ik dan ook ga doen.
3,5 sterren
Het volgende nummer is ‘The Stars Came Out Once The Lights Went Out’, en het is – jawel – wederom een aanstekelijk popliedje. Mijn excuses voor het veelvuldige gebruik van het woord ‘aanstekelijk’, maar dat is gewoon het meest treffende woord om dit soort liedjes te omschrijven. De solide basis wordt weer gelegd door bas en drums, en de stem van Andrews wordt daar mooi overheen gedrapeerd, samen met de dromerige gitaarklanken.
Maar dan wordt het pas echt goed. ‘The Wishbone’ begint niet als uptempo-nummer, maar wordt naarmate het nummer vordert wel wat lichter naar mijn mening. De vocalen (niet de klank, maar de frasering) doen me soms denken aan ‘Californication’ van Red Hot Chili Peppers (misschien een rare vergelijking van mij).
De drie laatste nummers (ik reken daar dan het bonusnummer ook bij) zijn ware pareltjes in mijn ogen, en doen me reikhalzend uitkijken naar ander werk van The Veils. Meer ingetogen, je hoort een heel andere band dan op de eerste drie nummers! ‘Grey Lynn Park’ doet erg nostalgisch aan ook, als je weet dat het desbetreffende park zich bevindt in Auckland, Nieuw-Zeeland.
‘Us Godless Teenagers’ zet de trend door; Andrews zingt wat ijler, wat bijdraagt tot de beklemmende sfeer. Het nummer gaat volgens mij over de verloren hedendaagse generatie, waarvan de leden niemand anders hebben dan elkaar. (“We’ve nowhere left to disappear; there’s nowhere left to go around here; and so we hold each other dear”).
Afsluiter ‘Iodine & Iron’ klinkt nog ijler, nog minimaler, nog soberder, nog eenvoudiger, nog mooier. Twee elementen van de Tabel van Mendelejev als titel van een song, is dat nog wel interessant? Ik weet het niet, maar het zou volgens mij kunnen aangeven dat de lyrics over verliefdheid gaan (wat volgens de wetenschap toch een chemische reactie is, vandaar). Als je de lyrics erbij neemt, dan merk je dat het onderwerp inderdaad verliefdheid is, maar het is een kille, koele, verbitterde, verloren verliefdheid. IJzer en jodium zijn dan ook niet de meest warme elementen, het zijn brokken verdriet.
En zo loopt deze EP op z’n eind, voor de mensen die de bonustrack in bezit hebben natuurlijk. Finn Andrews en de zijnen hebben mij helemaal overtuigd van het feit dat ik hun voorgaande albums moet gaan beluisteren, wat ik dan ook ga doen.
3,5 sterren
The War on Drugs - I Don't Live Here Anymore (2021)

3,0
4
geplaatst: 10 november 2021, 09:01 uur
Waar ik dat ten tijde van Slave Ambient en Lost in the Dream (nog) niet voor mogelijk had gehouden, en ik bij voorganger A Deeper Understanding de eerste tekenen aan de persoonlijke wand zag, is het dan nu zover: het nieuwe album van The War on Drugs slaagt erin me - ook na meerdere luisterbeurten - haast compleet onverschillig te laten.
Het begint nog wel goed met die mooie opener, en dan het jachtige Harmonia's Dream. Ik merk dat het doorgaans de jachtig klinkende songs zijn die ik waardeer bij de band van Adam Granduciel, al is het wondermooie Thinking of a Place wellicht een uitzondering. Daarna hoor ik vooral songs die me helemaal niets doen, ze mogen dan nog zo valkundig in elkaar gestoken zijn (en dat geloof ik echt wel). De titelsong weet bovendien wel wat op te wekken, maar dat is dan eerder irritatie, omdat die song al het stadionrock-opsmuk niet nodig heeft. En dat koortje vind ik al helemaal niets.
Wat me vooral opvalt, is dat ik met het voortschrijden van de nummers steeds verder wegzak in een soort drijfzand van onverschilligheid, en geen van de songs erin slaagt me eruit te trekken. Die uniforme sfeer die hier eerder werd aangehaald, zal daar misschien voor iets tussenzitten, daar kan ik goed inkomen. Ik begin zelfs te denken dat het openingsnummer niet per se beter is dan de andere tracks, maar dat in mijn beleving zo voelt omdat het de opener is. Ik bedoel maar: zet 1 van die andere songs vooraan, en ik vind 'm wellicht gewoon prima.
Een dubbel gevoel, dus. Dat vraagt om een score die daarbij past.
3 sterren
Het begint nog wel goed met die mooie opener, en dan het jachtige Harmonia's Dream. Ik merk dat het doorgaans de jachtig klinkende songs zijn die ik waardeer bij de band van Adam Granduciel, al is het wondermooie Thinking of a Place wellicht een uitzondering. Daarna hoor ik vooral songs die me helemaal niets doen, ze mogen dan nog zo valkundig in elkaar gestoken zijn (en dat geloof ik echt wel). De titelsong weet bovendien wel wat op te wekken, maar dat is dan eerder irritatie, omdat die song al het stadionrock-opsmuk niet nodig heeft. En dat koortje vind ik al helemaal niets.
Wat me vooral opvalt, is dat ik met het voortschrijden van de nummers steeds verder wegzak in een soort drijfzand van onverschilligheid, en geen van de songs erin slaagt me eruit te trekken. Die uniforme sfeer die hier eerder werd aangehaald, zal daar misschien voor iets tussenzitten, daar kan ik goed inkomen. Ik begin zelfs te denken dat het openingsnummer niet per se beter is dan de andere tracks, maar dat in mijn beleving zo voelt omdat het de opener is. Ik bedoel maar: zet 1 van die andere songs vooraan, en ik vind 'm wellicht gewoon prima.
Een dubbel gevoel, dus. Dat vraagt om een score die daarbij past.
3 sterren
The Who - Live at Leeds (1970)

4,0
1
geplaatst: 22 april 2022, 09:26 uur
Fraaie live-plaat van The Who (ik heb de remaster uit 1995 beluisterd). Energiek en luid, dat lijken de sleutelwoorden hier, met vooral een uitblinkende ritmesectie. Townshend vind ik als songwriter sterker dan puur als (solo-)gitarist, maar Entwistle weet met zijn dynamische basspel de leemtes in te vullen, de klankkleur op te poetsen en voor meer "volheid" te zorgen. Het loont absoluut de moeite in een aantal songs op zijn werk te focussen als luisteraar.
Daarnaast heb je natuurlijk geweldenaar Keith Moon, die de aandacht meteen in Heaven & Hell naar zich toetrekt. Zijn oerkracht levert, in combinatie met Entwistle's subtiele fijnzinnigheid, bonuspunten op. Verder zijn de zangpartijen van Daltrey niet helemaal overtuigend (hij komt soms zelfs wat flets over), maar is de interactie met het publiek dan weer uitermate tof. Vooral het eerste deel van deze plaat is erg sterk, met een aantal uitvoeringen die de studioversies (vaak toch wat braver dan live, en bij The Who is dat zeker het geval) overtreffen. A Quick One While He's Away is vooral vermakelijk, maar dan raakt de klad er wat in, zeker met een flauwe versie van Summertime Blues. My Generation één van de bekendste songs van The Who, die ze live vaak oprokken, is nog een laat hoogtepunt, maar Magic Bus als afsluiter had voor mij niet gehoeven; ook die vind ik eerlijk gezegd ietwat flets.
Maar goed, de positieve punten halen het wel ruimschoots van de mindere aspecten, en de bijna 80 minuten vliegen werkelijk voorbij tijdens het luisteren.
4 sterren
Daarnaast heb je natuurlijk geweldenaar Keith Moon, die de aandacht meteen in Heaven & Hell naar zich toetrekt. Zijn oerkracht levert, in combinatie met Entwistle's subtiele fijnzinnigheid, bonuspunten op. Verder zijn de zangpartijen van Daltrey niet helemaal overtuigend (hij komt soms zelfs wat flets over), maar is de interactie met het publiek dan weer uitermate tof. Vooral het eerste deel van deze plaat is erg sterk, met een aantal uitvoeringen die de studioversies (vaak toch wat braver dan live, en bij The Who is dat zeker het geval) overtreffen. A Quick One While He's Away is vooral vermakelijk, maar dan raakt de klad er wat in, zeker met een flauwe versie van Summertime Blues. My Generation één van de bekendste songs van The Who, die ze live vaak oprokken, is nog een laat hoogtepunt, maar Magic Bus als afsluiter had voor mij niet gehoeven; ook die vind ik eerlijk gezegd ietwat flets.
Maar goed, de positieve punten halen het wel ruimschoots van de mindere aspecten, en de bijna 80 minuten vliegen werkelijk voorbij tijdens het luisteren.
4 sterren
The Zombies - Odessey and Oracle (1968)

4,5
2
geplaatst: 25 augustus 2021, 11:21 uur
Toen dit album uitkwam in 1968, was de band al gesplit. Er waren, mede door het krappe budget en dus ook de beperkte tijd die in de opnamestudio kon worden gespendeerd, behoorlijk wat onderlinge frustraties. Zanger Colin Blunstone had tijdens de opnames van Time of the Season (nu als 60's-meesterwerk beschouwd - en terecht!) een aanvaring met Rod Argent (die de song schreef) omdat die laatste wilde dat Blunstone het nummer op een bepaalde manier zong. Uiteindelijk gaf Blunstone wel toe, maar het ging dus niet van een leien dakje, en zo gaan bands uit elkaar, natuurlijk.
De plaat sloeg destijds ook niet echt aan, de singles hadden niet bepaald veel succes. Ook omdat de band al gesplit was, werd er niet veel aandacht aan besteed. Gelukkig werd Time of the Season in de VS in 1969 "herontdekt", en kende die wel succes in de hitlijsten. Het album werd ook op de Amerikaanse markt terug uitgebracht, met betere erkenning.
Gelukkig maar, durf ik te besluiten na een aantal luisterbeurten. Want Odessey & Oracle is wel degelijk een geweldige plaat. Zelf plaats ik deze, aangezien de vergelijking reeds een aantal keer is gemaakt, boven Sgt. Pepper's. Het album klinkt opvallend licht, terwijl dit tekstueel zeker niet altijd het geval is; denk bijvoorbeeld aan het fabelachtige anti-oorlogslied Butcher's Tale (Western Front 1914).
Time of the Season, de afsluiter van het album, is uiteraard het meest bekende nummer van de plaat; op die song en opener Care of Cell 44 klinkt Blunstone het meest wervend, vind ik. Onweerstaanbaar gewoon, de manier waarop hij die songs op vocale wijze naar zich toetrekt, de luisteraar met gemak meetronend!
Naast de reeds genoemde songs gooien Hung Up on a Dream, het wat aparte Changes en This Will Be Our Year - en ach, welk nummer eigenlijk niet? - hoge ogen. Naast de leadzang, waarin vooral Blunstone uitblinkt, klinken de harmonieën ook heerlijk fris. De melodieën zijn vaak simpel, maar ontzettend doeltreffend en niet zelden herkenbaar/aanstekelijk. De albumcover doet denken aan een zoveelste psychedelische plaat, maar Odessey & Oracle is zoveel meer: frisse, dynamische 60's-popmuziek van de hoogste plank.
De schrijffout in de titel (odessey moet in feite odyssey zijn) werd niet bewust gemaakt, al deed de band er alles aan om dat verhaal hoog te houden; welneen, het was gewoon een dom foutje bij de drukker. Maar ik vind het eigenlijk beter zo, want dat zorgt er voor dat de titel, net als de plaat zelf, een zweem van mysterie rond zich heeft hangen. Het intrigeert.
4,5 sterren
De plaat sloeg destijds ook niet echt aan, de singles hadden niet bepaald veel succes. Ook omdat de band al gesplit was, werd er niet veel aandacht aan besteed. Gelukkig werd Time of the Season in de VS in 1969 "herontdekt", en kende die wel succes in de hitlijsten. Het album werd ook op de Amerikaanse markt terug uitgebracht, met betere erkenning.
Gelukkig maar, durf ik te besluiten na een aantal luisterbeurten. Want Odessey & Oracle is wel degelijk een geweldige plaat. Zelf plaats ik deze, aangezien de vergelijking reeds een aantal keer is gemaakt, boven Sgt. Pepper's. Het album klinkt opvallend licht, terwijl dit tekstueel zeker niet altijd het geval is; denk bijvoorbeeld aan het fabelachtige anti-oorlogslied Butcher's Tale (Western Front 1914).
Time of the Season, de afsluiter van het album, is uiteraard het meest bekende nummer van de plaat; op die song en opener Care of Cell 44 klinkt Blunstone het meest wervend, vind ik. Onweerstaanbaar gewoon, de manier waarop hij die songs op vocale wijze naar zich toetrekt, de luisteraar met gemak meetronend!
Naast de reeds genoemde songs gooien Hung Up on a Dream, het wat aparte Changes en This Will Be Our Year - en ach, welk nummer eigenlijk niet? - hoge ogen. Naast de leadzang, waarin vooral Blunstone uitblinkt, klinken de harmonieën ook heerlijk fris. De melodieën zijn vaak simpel, maar ontzettend doeltreffend en niet zelden herkenbaar/aanstekelijk. De albumcover doet denken aan een zoveelste psychedelische plaat, maar Odessey & Oracle is zoveel meer: frisse, dynamische 60's-popmuziek van de hoogste plank.
De schrijffout in de titel (odessey moet in feite odyssey zijn) werd niet bewust gemaakt, al deed de band er alles aan om dat verhaal hoog te houden; welneen, het was gewoon een dom foutje bij de drukker. Maar ik vind het eigenlijk beter zo, want dat zorgt er voor dat de titel, net als de plaat zelf, een zweem van mysterie rond zich heeft hangen. Het intrigeert.
4,5 sterren
Thee Silver Mt. Zion Memorial Orchestra - Fuck Off Get Free We Pour Light on Everything (2014)

4,0
0
geplaatst: 1 februari 2014, 19:06 uur
Dat Godspeed You! Black Emperor! (schrap één uitroepteken naar keuze) een grote naam was in postrockland, wist ik al langer; maar dat deze band daar in zekere zin een voortvloeisel van was, was dan weer volkomen nieuw voor mij. Ik liet mijn oog hier vooral op de bijzondere titel vallen, niet op de reputatie van de (mij toen nog onbekende) band.
Goed, het label waarop de plaat wordt uitgebracht, had een duidelijke hint kunnen zijn. Constellation. En als ik dan eens ga snuffelen, zie ik dat deze band toch al een aantal platen heeft uitgebracht, waarvan er enkele op MuMe best goed worden beoordeeld. Ik heb dan ook het debuut eens opgesnord, en dat beviel me wel; het had wel iets van de inherente dreiging van Godspeed, maar dan wat toegankelijker.
En een kleine maand geleden volgde dan mijn echte vuurdoop; de eerste beluistering van het nieuwe album, ‘Fuck Off Get Free We Pour Light on Everything’. De razend interessante openingstrack zette me, met z’n grilligheden en dreiging, meteen op het goede spoor, en gaf me het gevoel dat dit wel goed zou komen. En hoe!
Nu, na zo’n tien luisterbeurten, kan ik concluderen dat het niet kan tippen aan het beste werk van Godspeed, maar me toch een stuk beter bevalt dan bijvoorbeeld de “comeback” van die band in 2012. ‘Fuck Off Get Free We Pour Light on Everything’ bestaat uit 6 songs, waarvan er 3 de tien minutengrens passeren. Vooral de reeds genoemde opener en het grootse ‘What We Loved Was Not Enough’ maken grote sier. ‘Austerity Blues’ is, met z’n klein kwartier, dan weer iets te langdradig. Neen, dan liever de begrafenis / kermis die ‘Take Away These Early Grave Blues’ heet.
De leden van de band gaan er prat op dat ze muziek als een kunstvorm beschouwen, en er serieus mee bezig zijn. Zoals ergens te horen is: “Music is a way of life, it’s more than just something you do on the weekend … it’s something you devote your life to.”
Deze band (afijn, deze plaat) heeft dezelfde dreiging in zich als het werk van Godspeed, maar klinkt toegankelijker, ondanks het feit dat de vocalen nu niet meteen doorsnee zijn. Frontman Efrim Menuck heeft een stem die zich onderscheidt, en een hoog love-it-or-leave-it-gehalte heeft. Ik hou er wel van, je hoort de intensiteit en inleving er duidelijk in terug, en dat mag ik wel in muziek. Ook is dit geen postrock, eerdere pop/rockmuziek met een postrock-randje. Er zit diepgang en suspense in de nummers, maar het is (bewust?) net luchtig genoeg gehouden, om niet in de val te trappen waar vele andere bands in aangrenzende genres zich al mee bezeer hebben; te slepend en dreigend willen klinken, om naderhand er niet in te slagen om boven het maïsveld uit te steken.
‘Fuck Off Get Free We Pour Light on Everything’ is een plaat waar ik intens van kan genieten, en nog het meest op de fiets, met striemende regen die in mijn gezicht klettert en liefst nog een portie huilende wind erbij. Want dat apocalyptische heeft deze plaat wel, en is één van de redenen waarom ik het zo geslaagd vind.
4 sterren
Goed, het label waarop de plaat wordt uitgebracht, had een duidelijke hint kunnen zijn. Constellation. En als ik dan eens ga snuffelen, zie ik dat deze band toch al een aantal platen heeft uitgebracht, waarvan er enkele op MuMe best goed worden beoordeeld. Ik heb dan ook het debuut eens opgesnord, en dat beviel me wel; het had wel iets van de inherente dreiging van Godspeed, maar dan wat toegankelijker.
En een kleine maand geleden volgde dan mijn echte vuurdoop; de eerste beluistering van het nieuwe album, ‘Fuck Off Get Free We Pour Light on Everything’. De razend interessante openingstrack zette me, met z’n grilligheden en dreiging, meteen op het goede spoor, en gaf me het gevoel dat dit wel goed zou komen. En hoe!
Nu, na zo’n tien luisterbeurten, kan ik concluderen dat het niet kan tippen aan het beste werk van Godspeed, maar me toch een stuk beter bevalt dan bijvoorbeeld de “comeback” van die band in 2012. ‘Fuck Off Get Free We Pour Light on Everything’ bestaat uit 6 songs, waarvan er 3 de tien minutengrens passeren. Vooral de reeds genoemde opener en het grootse ‘What We Loved Was Not Enough’ maken grote sier. ‘Austerity Blues’ is, met z’n klein kwartier, dan weer iets te langdradig. Neen, dan liever de begrafenis / kermis die ‘Take Away These Early Grave Blues’ heet.
De leden van de band gaan er prat op dat ze muziek als een kunstvorm beschouwen, en er serieus mee bezig zijn. Zoals ergens te horen is: “Music is a way of life, it’s more than just something you do on the weekend … it’s something you devote your life to.”
Deze band (afijn, deze plaat) heeft dezelfde dreiging in zich als het werk van Godspeed, maar klinkt toegankelijker, ondanks het feit dat de vocalen nu niet meteen doorsnee zijn. Frontman Efrim Menuck heeft een stem die zich onderscheidt, en een hoog love-it-or-leave-it-gehalte heeft. Ik hou er wel van, je hoort de intensiteit en inleving er duidelijk in terug, en dat mag ik wel in muziek. Ook is dit geen postrock, eerdere pop/rockmuziek met een postrock-randje. Er zit diepgang en suspense in de nummers, maar het is (bewust?) net luchtig genoeg gehouden, om niet in de val te trappen waar vele andere bands in aangrenzende genres zich al mee bezeer hebben; te slepend en dreigend willen klinken, om naderhand er niet in te slagen om boven het maïsveld uit te steken.
‘Fuck Off Get Free We Pour Light on Everything’ is een plaat waar ik intens van kan genieten, en nog het meest op de fiets, met striemende regen die in mijn gezicht klettert en liefst nog een portie huilende wind erbij. Want dat apocalyptische heeft deze plaat wel, en is één van de redenen waarom ik het zo geslaagd vind.
4 sterren
Thomas Dybdahl - Waiting for That One Clear Moment (2010)

3,5
0
geplaatst: 9 mei 2010, 19:24 uur
Experimentele plaat van Thomas Dybdahl, maar ik vind 'm zeker niet slecht. Dybdahl doet hier lekker z'n zin, en dat apprecieer ik wel. Zo hou ik ook van een David Sylvian omwille van die reden.
De gekte van 'Blackwater' overviel me een beetje, maar naarmate het nummer vordert, raak je steeds vertrouwder met deze compositie.
Het tweede en derde nummer, 'Party Like It's 1929' (knipoog naar Prince?), en 'I Just Can't Bring Myself To Say The Words' klinken funky, de titelsong is weer iets anders, door o.a. het spoken word van Dybdahl.
'impresjoNiste' is een jazzy tussenstuk en heeft z'n titel niet gestolen; het roept bij mij wel bepaalde beelden op en zorgt voor warmte.
'My Little Friend' en 'The World Is My Oyster' borduren voort op dat tussenstuk, en zijn beiden aangename, warme nummers.
'Excuse Me Brother' is een nummer dat heel traag en aarzelend van start gaat, maar geduldig opbouwt. Het langste nummer van de plaat (als je rekening houdt met het feit dat er in het slotnummer een pauze van een goede twee minuten gehouden wordt tussen het eigenlijke nummer en de outro).
Dat laatste nummer is getiteld 'Songs', en klinkt misschien nog het minst excentriek van al. Het is een pianocompositie waarbij de breekbare stem van Dybdahl uitstekend past.
Rest me nog te zeggen dat het drumritme op enkele van deze nummers erg funky klinkt, en de muziek nog wat extra schoonheid meegeeft.
3,5 sterren
De gekte van 'Blackwater' overviel me een beetje, maar naarmate het nummer vordert, raak je steeds vertrouwder met deze compositie.
Het tweede en derde nummer, 'Party Like It's 1929' (knipoog naar Prince?), en 'I Just Can't Bring Myself To Say The Words' klinken funky, de titelsong is weer iets anders, door o.a. het spoken word van Dybdahl.
'impresjoNiste' is een jazzy tussenstuk en heeft z'n titel niet gestolen; het roept bij mij wel bepaalde beelden op en zorgt voor warmte.
'My Little Friend' en 'The World Is My Oyster' borduren voort op dat tussenstuk, en zijn beiden aangename, warme nummers.
'Excuse Me Brother' is een nummer dat heel traag en aarzelend van start gaat, maar geduldig opbouwt. Het langste nummer van de plaat (als je rekening houdt met het feit dat er in het slotnummer een pauze van een goede twee minuten gehouden wordt tussen het eigenlijke nummer en de outro).
Dat laatste nummer is getiteld 'Songs', en klinkt misschien nog het minst excentriek van al. Het is een pianocompositie waarbij de breekbare stem van Dybdahl uitstekend past.
Rest me nog te zeggen dat het drumritme op enkele van deze nummers erg funky klinkt, en de muziek nog wat extra schoonheid meegeeft.
3,5 sterren
Thousands - The Sound of Everything (2011)

4,0
0
geplaatst: 9 september 2011, 23:27 uur
Toen ik de review van Masimo las, werd ik best benieuwd naar deze plaat. Thousands is een Amerikaans folkduo, die met hun nummers een combinatie van klaterende beekjes, fluitende vogels en donkergroene wouden oproepen. De plaat duurt drie kwartier en bestaat uit 12 songs, die het midden houden tussen intieme fluisterfolk en nonchalant doch warm gitaargetokkel. Muzikaal is het niet erg vernieuwend, en ook niet bijzonder spannend of zo, maar ik word telkens weer naar dit soort platen getrokken. Het is gewoon te mooi om te laten liggen.
Prima opener ‘MTSES III’ zet meteen de toon. MTSES staat voor “May the Sun Ever Shine”, en dat vraag je jezelf een goeie 45 minuten later spontaan af; “Wanneer gaat die zon nou nog eens schijnen?”. Het nummer doet me denken aan een ander duo, dat ik vorig jaar leerde kennen, namelijk Cocoon, een Frans bandje dat ook van dit soort folk brengt. Al is dat de meer poppy variant, waarin al eens mag worden geswingd met de heupen. Bij Thousands zal je af en toe bescheiden met je hoofd knikken, meer niet.
Maar meer moet dat ook niet zijn, want de muziek is gewoon goed zoals zij is, heeft iets betoverend, iets innemend, zoals een stoffige bruine deurmat met opschrift “Wees welkom!”. Garrard en Bergman nodigen de luisteraar uit om hun kleine wereldje te betreden, waar bijtjes aan bloemetjes ruiken, konijnen vrolijk rondhuppelen, maar toch altijd een dreigende schaduw achter het hoekje gluurt.
U merkt het, ik ben in een dromerige bui, maar dat is volledig te danken aan ‘The Sound of Everything’. Rustig gitaargetokkel, pakkende fluisterzang, en het feit da de nummers gewoon in de openlucht zijn opgenomen, het draagt allemaal bij aan de sobere sfeer die wordt neergezet. Tegelijkertijd kan je duidelijk merken dat de heren ook veel gevoel hebben voor ritme; af en toe word je plotsklaps verrast door een zwierig gitaarlijntje, of een aanstekelijke zangmelodie. Het zijn geen volledige nummers die door m’n hoofd blijven spoken, als wel fragmenten.
Zelden wordt er een ander instrument gebruikt dan gitaar en zang, maar als dat wel gebeurt, is het een schot in de roos. Zo is de titelsong echt een pareltje, met dat melancholische harmoniumgeluid en de zweverige zang van Garrard. Een beklemmend stuk muziek van 5 minuten. Zonder twijfel één van de sterkste nummers op de plaat. Daarna komt het wat luchtigere ‘Sun Cuz’ voor de nodige afwisseling zorgen; dit doet me weer denken aan die Franse band, Cocoon.
De tweede helft van de plaat vind ik net wat minder goed dan de eerste, maar die begint dan ook met drie geweldige nummers. Misschien komt het door het late tijdstip van schrijven, maar mijn oogleden beginnen moe te worden en langzaam over mijn ogen weg te glijden. Maar dat kan ook veroorzaakt worden door de liedjes, die minder boeiend zijn dan die in het begin van de plaat. Het blijft heerlijke muziek om naar te luisteren, maar het pakt me allemaal wat minder; een nummer als ‘Love Won’t Come’ staat kwalitatief toch op gelijke voet als ‘Red Seagulls’, maar beklemt me niet zoals dat nummer. Zo heeft het hees klinkende blaasinstrument dat wordt opgevoerd wel degelijk een meerwaarde, maar ik lijk het niet altijd even goed te beseffen. En die zeldzame keren dat ik het wel besef, vind ik het erg jammer dat ik het meestal niet besef. Maar buiten dit kleine euvel weinig tot niets aan te merken op deze voortreffelijke plaat.
Met ‘The Sound of Everything’ heeft Thousands één van m’n favoriete folkplaten van 2011 tot nu toe uitgebracht, een plaat die ik bovendien vrij vaak opleg, en blijf opleggen. Zo’n plaat moet je belonen met een hoog cijfer, natuurlijk. En voor ik het vergeet, heb ik al gezegd dat de ‘Where the Oceans End’ van Cocoon ook erg de moeite is, als je van deze plaat kan genieten?
4 sterren
Prima opener ‘MTSES III’ zet meteen de toon. MTSES staat voor “May the Sun Ever Shine”, en dat vraag je jezelf een goeie 45 minuten later spontaan af; “Wanneer gaat die zon nou nog eens schijnen?”. Het nummer doet me denken aan een ander duo, dat ik vorig jaar leerde kennen, namelijk Cocoon, een Frans bandje dat ook van dit soort folk brengt. Al is dat de meer poppy variant, waarin al eens mag worden geswingd met de heupen. Bij Thousands zal je af en toe bescheiden met je hoofd knikken, meer niet.
Maar meer moet dat ook niet zijn, want de muziek is gewoon goed zoals zij is, heeft iets betoverend, iets innemend, zoals een stoffige bruine deurmat met opschrift “Wees welkom!”. Garrard en Bergman nodigen de luisteraar uit om hun kleine wereldje te betreden, waar bijtjes aan bloemetjes ruiken, konijnen vrolijk rondhuppelen, maar toch altijd een dreigende schaduw achter het hoekje gluurt.
U merkt het, ik ben in een dromerige bui, maar dat is volledig te danken aan ‘The Sound of Everything’. Rustig gitaargetokkel, pakkende fluisterzang, en het feit da de nummers gewoon in de openlucht zijn opgenomen, het draagt allemaal bij aan de sobere sfeer die wordt neergezet. Tegelijkertijd kan je duidelijk merken dat de heren ook veel gevoel hebben voor ritme; af en toe word je plotsklaps verrast door een zwierig gitaarlijntje, of een aanstekelijke zangmelodie. Het zijn geen volledige nummers die door m’n hoofd blijven spoken, als wel fragmenten.
Zelden wordt er een ander instrument gebruikt dan gitaar en zang, maar als dat wel gebeurt, is het een schot in de roos. Zo is de titelsong echt een pareltje, met dat melancholische harmoniumgeluid en de zweverige zang van Garrard. Een beklemmend stuk muziek van 5 minuten. Zonder twijfel één van de sterkste nummers op de plaat. Daarna komt het wat luchtigere ‘Sun Cuz’ voor de nodige afwisseling zorgen; dit doet me weer denken aan die Franse band, Cocoon.
De tweede helft van de plaat vind ik net wat minder goed dan de eerste, maar die begint dan ook met drie geweldige nummers. Misschien komt het door het late tijdstip van schrijven, maar mijn oogleden beginnen moe te worden en langzaam over mijn ogen weg te glijden. Maar dat kan ook veroorzaakt worden door de liedjes, die minder boeiend zijn dan die in het begin van de plaat. Het blijft heerlijke muziek om naar te luisteren, maar het pakt me allemaal wat minder; een nummer als ‘Love Won’t Come’ staat kwalitatief toch op gelijke voet als ‘Red Seagulls’, maar beklemt me niet zoals dat nummer. Zo heeft het hees klinkende blaasinstrument dat wordt opgevoerd wel degelijk een meerwaarde, maar ik lijk het niet altijd even goed te beseffen. En die zeldzame keren dat ik het wel besef, vind ik het erg jammer dat ik het meestal niet besef. Maar buiten dit kleine euvel weinig tot niets aan te merken op deze voortreffelijke plaat.
Met ‘The Sound of Everything’ heeft Thousands één van m’n favoriete folkplaten van 2011 tot nu toe uitgebracht, een plaat die ik bovendien vrij vaak opleg, en blijf opleggen. Zo’n plaat moet je belonen met een hoog cijfer, natuurlijk. En voor ik het vergeet, heb ik al gezegd dat de ‘Where the Oceans End’ van Cocoon ook erg de moeite is, als je van deze plaat kan genieten?
4 sterren
Tigran - A Fable (2011)

4,0
0
geplaatst: 3 mei 2011, 20:14 uur
Je komt wat tegen in de hedendaagse muziekwereld. Dit keer weer een Armeen,Tigran Hamasyan. Al studeert hij momenteel wel in de VS, zoals aERo ons weet te vertellen in zijn schets van dit album. De man kan piano spelen, dat hoor je meteen. Het lastige is echter het componeren van sterke nummers. Ook op dat vlak laat Tigran zien dat hij een grote belofte is.
Een jazzsfeertje zit er zeker in, Tigran weet afwisselend een gehaast dan wel een melancholisch gevoel op te roepen. Toch liggen de wortels van ‘A Fable’ is de klassieke muziek. Bach werd al vernoemd, en daar kan ik het mee eens zijn. Opener ‘Rain Shadow’ duikt op, en zet de eerste donkere tonen in. Een prelude, laten we maar zeggen, voor een groots nummer. ‘What The Waves Brought’ blinkt uit, op alle vlakken. Virtuoos pianospel, vrank en vrij lijkt het wel. Het nummer heeft ook een spookachtige ondertoon, wat vooral door de klanken die Tigran zelf uitstoot veroorzaakt wordt; een trucje dat hij meermaals toepast op dit album.
De hele plaat geeft me een soort plezierig gevoel van onbehagen. Het klinkt misschien raar, maar dit plaatje laat me genieten van kwelling. Net alsof het een omgekeerde katharsis betreft; je wordt ondergedompeld in de duisternis, en houdt er een goed gevoel aan over. Toch blijft het haar op m’n armen overeind komen bij het beluisteren van een nummer als ‘Longing’. Vijf minuten pure schoonheid.
Zoals veel pianomuziek roept ook ‘A Fable’ een wat filmisch geluid op; het duurt niet lang of de beelden gaan zich ontspinnen in je hoofd, iets wat mij nogal veel overkomt (ik wijt dat dan aan een teveel aan fantasie, maar ik weet niet beter). Zo klinkt ‘The Spinners’ heerlijk barok, en is het niet moeilijk om je er een grote balzaal bij te verzinnen, waar staatshoofden elegant dansen met hun eega’s. ‘Samsara’ is een druk nummer, en brengt me naar de tijd van industrialisering in de VS, de uitvinding van de lopende band etc., met een greintje futurisme.
‘Longing’ moet wel één van de mooiste nummers zijn die ik dit jaar al heb gehoord. Een prachtige stukje muziek, met veel gevoel. Vooral als ie begint te zingen (op geheel eigen wijs), is dit erg bijzonder wat de Armeen teweegbrengt. ‘Carnaval’ is van een geheel ander kaliber. Het nummer heeft z’n titel niet gestolen, en is misschien wel het meest “losse” nummer op de plaat. Ritmisch gezang, mooi begeleid door springerig pianospel.
De tweede helft van de plaat is net wat minder, vind ik. Toch is ook hier nog een geweldig nummer te vinden, namelijk ‘Kakavik (The Little Partridge)’. De rest wil mijn aandacht minder vasthouden, al zijn nummer als ‘The Legend Of The Moon’ en het titelnummer toch zeker niet te versmaden. Maar ‘Kakavik (The Little Partridge)’ laat het best horen dat deze jongen barst van het talent. Erg vlug en fluks pianospel, dat ook nog eens een aardig gevoel oproept, een lieflijk gevoel zelfs. Speels ook. Spelplezier en bezieling, dat straalt deze song uit. En hij schreeuwt ook van de daken dat Tigran in de toekomst nog wel eens mooie dingen op de wereld zou kunnen loslaten. Ja, ik kan er wel van genieten, 50 minuutjes pianoplezier.
4 sterren
Een jazzsfeertje zit er zeker in, Tigran weet afwisselend een gehaast dan wel een melancholisch gevoel op te roepen. Toch liggen de wortels van ‘A Fable’ is de klassieke muziek. Bach werd al vernoemd, en daar kan ik het mee eens zijn. Opener ‘Rain Shadow’ duikt op, en zet de eerste donkere tonen in. Een prelude, laten we maar zeggen, voor een groots nummer. ‘What The Waves Brought’ blinkt uit, op alle vlakken. Virtuoos pianospel, vrank en vrij lijkt het wel. Het nummer heeft ook een spookachtige ondertoon, wat vooral door de klanken die Tigran zelf uitstoot veroorzaakt wordt; een trucje dat hij meermaals toepast op dit album.
De hele plaat geeft me een soort plezierig gevoel van onbehagen. Het klinkt misschien raar, maar dit plaatje laat me genieten van kwelling. Net alsof het een omgekeerde katharsis betreft; je wordt ondergedompeld in de duisternis, en houdt er een goed gevoel aan over. Toch blijft het haar op m’n armen overeind komen bij het beluisteren van een nummer als ‘Longing’. Vijf minuten pure schoonheid.
Zoals veel pianomuziek roept ook ‘A Fable’ een wat filmisch geluid op; het duurt niet lang of de beelden gaan zich ontspinnen in je hoofd, iets wat mij nogal veel overkomt (ik wijt dat dan aan een teveel aan fantasie, maar ik weet niet beter). Zo klinkt ‘The Spinners’ heerlijk barok, en is het niet moeilijk om je er een grote balzaal bij te verzinnen, waar staatshoofden elegant dansen met hun eega’s. ‘Samsara’ is een druk nummer, en brengt me naar de tijd van industrialisering in de VS, de uitvinding van de lopende band etc., met een greintje futurisme.
‘Longing’ moet wel één van de mooiste nummers zijn die ik dit jaar al heb gehoord. Een prachtige stukje muziek, met veel gevoel. Vooral als ie begint te zingen (op geheel eigen wijs), is dit erg bijzonder wat de Armeen teweegbrengt. ‘Carnaval’ is van een geheel ander kaliber. Het nummer heeft z’n titel niet gestolen, en is misschien wel het meest “losse” nummer op de plaat. Ritmisch gezang, mooi begeleid door springerig pianospel.
De tweede helft van de plaat is net wat minder, vind ik. Toch is ook hier nog een geweldig nummer te vinden, namelijk ‘Kakavik (The Little Partridge)’. De rest wil mijn aandacht minder vasthouden, al zijn nummer als ‘The Legend Of The Moon’ en het titelnummer toch zeker niet te versmaden. Maar ‘Kakavik (The Little Partridge)’ laat het best horen dat deze jongen barst van het talent. Erg vlug en fluks pianospel, dat ook nog eens een aardig gevoel oproept, een lieflijk gevoel zelfs. Speels ook. Spelplezier en bezieling, dat straalt deze song uit. En hij schreeuwt ook van de daken dat Tigran in de toekomst nog wel eens mooie dingen op de wereld zou kunnen loslaten. Ja, ik kan er wel van genieten, 50 minuutjes pianoplezier.

4 sterren
Tim Buckley - Lorca (1970)

4,5
2
geplaatst: 16 maart 2021, 20:43 uur
Het komt vaak een tikkeltje lullig over, vind ik, als de zoon de vader in populariteit overstijgt. Tim Buckley is één van de artiesten die het overkomen is; terwijl hij zelf vooral in het wereldje een gekend en ook wel fel gewaardeerd artiest is, heeft zoon Jeff wereldwijd furore gemaakt met zijn album Grace, en dan vooral zijn hit Hallelujah, hoewel slechts een cover van Leonard Cohen. Nu is lullig misschien niet meteen het juiste woord, want elke vader wil zijn kind wel zien schitteren, denk ik. Er komt echter nog eens het tragische aspect van Tim Buckley’s wel zeer vroegtijdige dood bij (hij was net een paar maanden te oud om nog tot de illustere 27 Club te behoren), zoals bij wel meer artiesten te wijten aan een overdosis.
Dit album is vernoemd de Spaanse surrealistische dichter Federico García Lorca, die zich fel verzette tegen dictator Franco tijdens de Spaanse Burgeroorlog, en in 1936 uiteindelijk zou worden vermoord. Het album bestaat uit vijf songs die op zichzelf kunnen staan, maar ook een mooi, jazzy geheel vormen. De hoofdingrediënten? De onconventionele, uitdagende en spannende instrumentatie; indringende, poëtische teksten; maar vooral: Buckley’s unieke stemgeluid.
Het album opent met het titelnummer, en dat klinkt meteen erg bezwerend, niet in het minst door de zang van Buckley zelf, die zijn stem echt als een extra instrument inschakelt, wat ik bij momenten heus indrukwekkend vind. Ook het orgelspel van John Balkin speelt een belangrijke rol in het neerzetten van het wat dreigende sfeertje (doet me zelfs wat denken aan horrorfilms van het creepy soort), en de wat surrealistische tekst hint ook duidelijk naar de inspiratie van García Lorca. Dit is echt zo’n song waarvan ik denk: Kijk, dit is nu een geweldig effectieve manier om een album mee in te zetten!
Anonymous Proposition is het meest rustige nummer van de plaat, het draagt zelfs iets contemplatief in zich. De bas speelt hierin een belangrijke rol, en zorgt voor een jazzy gevoel, vlak onder de oppervlakte. Buckley’s stem daarentegen maakt soms wel wat gekke bokkensprongen, wat voor een aardig contrast zorgt met de muziek. Hij doet dit over een mooie tekst die zich enige dichterlijke vrijheid aanmeet:
”This time you’ll learn that love is just a slave;
To where your heart beats stronger”
De manier waarop Buckley die woorden er als het ware uitperst aan het eind: meesterlijk!
De volgende song is I Had a Talk with My Woman. In dit nummer speelt Carter C.C. Collins een cruciale rol, door een hypnotiserend ritme aan te geven op zijn conga’s. De elektrische en akoestische gitaar gaan een fijne interactie aan. Dit alles vormt een vruchtbare voedingsbodem voor de zang van Buckley, die andermaal geweldig klinkt. Buckley neemt zijn tijd om de tekst lang en breed uit te smeren, wat de impact van de woorden alleen maar versterkt. Tijdens het refrein (of hetgeen er nog het meest op lijkt, in ieder geval) krijgt de song wat meer pit, en die extra intensiteit blijft prettig hangen tot aan het eind. Buckley gaat tekstueel op eloquente wijze het debat aan met de Almachtige, en uiteindelijk komt het er toch op neer dat je het zelf moet zien te klaren: ”All alone in this cold world”.
Driftin’ klinkt op het eerste gehoor als een liefdesliedje op zijn Tim Buckley’s. De eerste zin alleen al is goud waard: ”When there’s wine in your belly”. Ik weet niet goed waarom, maar die zin staat echt in mijn geheugen gegrift. Na het intro, met een achttal regels, begint de song op melodieus vlak pas echt, met dat heerlijke gitaarloopje waarover Buckley ”I’ve been drifting…” zingt. In dit nummer haalt Buckley ook zijn meest indrukwekkende vocale exploten stoten uit. Ook hier komt het surrealistische karakter van de teksten, al dan niet versterkt door het onder invloed zijn van drank, drugs of wat dan ook, sterk naar voren. Buckley zoekt troost (”I came here to hold and to be held for a while”), ook al weet hij dat zijn geliefde bepaald niet monogaam is, en laat hij dat in niet mis te verstane bewoordingen blijken (”Your sheet reeks of others”). Vooral in het tweede deel, waar het dromerige gitaarspel meer vrijheid krijgt, waan je je in een koortsdroom, maar dan wel eentje van het ontzettend aangename soort. Het is zelden aangenamer verloren lopen dan in deze fantastische song van Tim Buckley.
De rust die Driftin’ in zich draagt, wordt door de afsluiter gelijk weggevaagd. Nervositeit heerst, Buckley hitst de massa nog wat op met zijn capriolen. Tekstueel begint de tekst met een klassieke bluesstructuur, het refrein is dan weer wat vrijer en vinniger van aard. de begeleiding op conga’s werkt andermaal hypnotiserend. De vocale acrobatiek in het middenrif van de song is ook onweerstaanbaar. Buckley gebruikt zijn stem als geen ander, erg uniek, en weet de aandacht onverwijld vast te houden.
Een trip van een kleine 40 minuten. Niets minder dan dat is Lorca, het vijfde studioalbum van Timothy Charles Buckley III. Dompel je onder en geniet.
4,5 sterren
Dit album is vernoemd de Spaanse surrealistische dichter Federico García Lorca, die zich fel verzette tegen dictator Franco tijdens de Spaanse Burgeroorlog, en in 1936 uiteindelijk zou worden vermoord. Het album bestaat uit vijf songs die op zichzelf kunnen staan, maar ook een mooi, jazzy geheel vormen. De hoofdingrediënten? De onconventionele, uitdagende en spannende instrumentatie; indringende, poëtische teksten; maar vooral: Buckley’s unieke stemgeluid.
Het album opent met het titelnummer, en dat klinkt meteen erg bezwerend, niet in het minst door de zang van Buckley zelf, die zijn stem echt als een extra instrument inschakelt, wat ik bij momenten heus indrukwekkend vind. Ook het orgelspel van John Balkin speelt een belangrijke rol in het neerzetten van het wat dreigende sfeertje (doet me zelfs wat denken aan horrorfilms van het creepy soort), en de wat surrealistische tekst hint ook duidelijk naar de inspiratie van García Lorca. Dit is echt zo’n song waarvan ik denk: Kijk, dit is nu een geweldig effectieve manier om een album mee in te zetten!
Anonymous Proposition is het meest rustige nummer van de plaat, het draagt zelfs iets contemplatief in zich. De bas speelt hierin een belangrijke rol, en zorgt voor een jazzy gevoel, vlak onder de oppervlakte. Buckley’s stem daarentegen maakt soms wel wat gekke bokkensprongen, wat voor een aardig contrast zorgt met de muziek. Hij doet dit over een mooie tekst die zich enige dichterlijke vrijheid aanmeet:
”This time you’ll learn that love is just a slave;
To where your heart beats stronger”
De manier waarop Buckley die woorden er als het ware uitperst aan het eind: meesterlijk!
De volgende song is I Had a Talk with My Woman. In dit nummer speelt Carter C.C. Collins een cruciale rol, door een hypnotiserend ritme aan te geven op zijn conga’s. De elektrische en akoestische gitaar gaan een fijne interactie aan. Dit alles vormt een vruchtbare voedingsbodem voor de zang van Buckley, die andermaal geweldig klinkt. Buckley neemt zijn tijd om de tekst lang en breed uit te smeren, wat de impact van de woorden alleen maar versterkt. Tijdens het refrein (of hetgeen er nog het meest op lijkt, in ieder geval) krijgt de song wat meer pit, en die extra intensiteit blijft prettig hangen tot aan het eind. Buckley gaat tekstueel op eloquente wijze het debat aan met de Almachtige, en uiteindelijk komt het er toch op neer dat je het zelf moet zien te klaren: ”All alone in this cold world”.
Driftin’ klinkt op het eerste gehoor als een liefdesliedje op zijn Tim Buckley’s. De eerste zin alleen al is goud waard: ”When there’s wine in your belly”. Ik weet niet goed waarom, maar die zin staat echt in mijn geheugen gegrift. Na het intro, met een achttal regels, begint de song op melodieus vlak pas echt, met dat heerlijke gitaarloopje waarover Buckley ”I’ve been drifting…” zingt. In dit nummer haalt Buckley ook zijn meest indrukwekkende vocale exploten stoten uit. Ook hier komt het surrealistische karakter van de teksten, al dan niet versterkt door het onder invloed zijn van drank, drugs of wat dan ook, sterk naar voren. Buckley zoekt troost (”I came here to hold and to be held for a while”), ook al weet hij dat zijn geliefde bepaald niet monogaam is, en laat hij dat in niet mis te verstane bewoordingen blijken (”Your sheet reeks of others”). Vooral in het tweede deel, waar het dromerige gitaarspel meer vrijheid krijgt, waan je je in een koortsdroom, maar dan wel eentje van het ontzettend aangename soort. Het is zelden aangenamer verloren lopen dan in deze fantastische song van Tim Buckley.
De rust die Driftin’ in zich draagt, wordt door de afsluiter gelijk weggevaagd. Nervositeit heerst, Buckley hitst de massa nog wat op met zijn capriolen. Tekstueel begint de tekst met een klassieke bluesstructuur, het refrein is dan weer wat vrijer en vinniger van aard. de begeleiding op conga’s werkt andermaal hypnotiserend. De vocale acrobatiek in het middenrif van de song is ook onweerstaanbaar. Buckley gebruikt zijn stem als geen ander, erg uniek, en weet de aandacht onverwijld vast te houden.
Een trip van een kleine 40 minuten. Niets minder dan dat is Lorca, het vijfde studioalbum van Timothy Charles Buckley III. Dompel je onder en geniet.
4,5 sterren
Tim Hardin - Tim Hardin 3 (1968)
Alternatieve titel: Live in Concert

4,5
1
geplaatst: 17 juni 2022, 11:05 uur
Pfoeh, dit is prachtig zeg. Nu vind ik zijn twee eerste studio-platen (ik laat de oudere demo's met veelal covers even buiten beschouwing) al erg fraai en valt Hardin daar reeds op als begiftigd singer-songwriter, maar deze live-registratie komt nog wat intenser en intiemer over, moet ik zeggen.
Hardin klinkt afwisselend fragiel, onzeker en weg van de wereld, grotendeels gelinkt aan zijn (wat introverte) persoonlijkheid, plankenkoorts en heroïneverslaving. Het maakt ook dat zijn live-performances erg wisselvallig waren, en hoewel dat geen impact heeft op de kwaliteit van deze plaat (vind ik dan), maakte het hem wel erg onberekenbaar voor zijn begeleidende band, die voor dit concert gelukkig bestond uit enkele geroutineerde jazzmuzikanten. Voor hen was het continu schipperen en inspelen op de grillen van Hardin.
Qua stem is Hardin hier wel fantastisch in vorm, en de geluidskwaliteit is ook een plus. Hardin toont zich polyvalent, en wisselt met klasse en gemak af tussen folk, blues en jazz. Lenny's Tune wordt hier prachtig en kwetsbaar gebracht; ik denk dat Nico het nummer eerder opnam voor haar album Chelsea Girl, maar dan onder de noemer Eulogy to Lenny Bruce. Tribute to Hank Williams blijft een prachtig eerbetoon aan de grote countryzanger, songs als Misty Roses en If I Knew zijn tranentrekkend mooi. Hardin bezat de gave om met zijn stem een soort overrompelende melancholie op te roepen, die de luisteraar verweesd en muisstil achterlaat.
Tim Hardin 3 is een prachtig, uniek document dat een ontzettend getalenteerde kunstenaar in de verf zet, maar anderzijds ook een inkijkje gunt in een getroebleerde ziel. Het levert een heerlijk bad vol aandoenlijke melancholie op, maar stemt ook tot nadenken. Eentje om te koesteren.
4,5 sterren
Hardin klinkt afwisselend fragiel, onzeker en weg van de wereld, grotendeels gelinkt aan zijn (wat introverte) persoonlijkheid, plankenkoorts en heroïneverslaving. Het maakt ook dat zijn live-performances erg wisselvallig waren, en hoewel dat geen impact heeft op de kwaliteit van deze plaat (vind ik dan), maakte het hem wel erg onberekenbaar voor zijn begeleidende band, die voor dit concert gelukkig bestond uit enkele geroutineerde jazzmuzikanten. Voor hen was het continu schipperen en inspelen op de grillen van Hardin.
Qua stem is Hardin hier wel fantastisch in vorm, en de geluidskwaliteit is ook een plus. Hardin toont zich polyvalent, en wisselt met klasse en gemak af tussen folk, blues en jazz. Lenny's Tune wordt hier prachtig en kwetsbaar gebracht; ik denk dat Nico het nummer eerder opnam voor haar album Chelsea Girl, maar dan onder de noemer Eulogy to Lenny Bruce. Tribute to Hank Williams blijft een prachtig eerbetoon aan de grote countryzanger, songs als Misty Roses en If I Knew zijn tranentrekkend mooi. Hardin bezat de gave om met zijn stem een soort overrompelende melancholie op te roepen, die de luisteraar verweesd en muisstil achterlaat.
Tim Hardin 3 is een prachtig, uniek document dat een ontzettend getalenteerde kunstenaar in de verf zet, maar anderzijds ook een inkijkje gunt in een getroebleerde ziel. Het levert een heerlijk bad vol aandoenlijke melancholie op, maar stemt ook tot nadenken. Eentje om te koesteren.
4,5 sterren
Tindersticks - Falling Down a Mountain (2010)

4,0
0
geplaatst: 13 februari 2010, 15:14 uur
Ik moet eerlijk bekennen: van Tindersticks had ik tot voor kort nog nooit al was het maar een seconde beluisterd. Ze staan nochtans al geruime tijd op m’n lijst om eens te checken, maar het is er nooit van gekomen. Tot ze, anno 2010, een nieuw album uitbrachten, getiteld ‘Falling Down A Mountain’. Ik wist dat ik er deze keer onmogelijk onderuit kon, en ik moet zeggen, het is de moeite waard.
Openen doet Tindersticks met ‘Falling Down A Mountain’, een jazzy, geïmproviseerd stukje muziek van ruim 6 minuten. De sfeer spreekt me meteen aan; een mix van donker en zwoel. Nu maar hopen dat de rest ook zo genietbaar is.
En jawel hoor, het tweede nummer, ‘Keep You Beautiful’, nochtans van een geheel andere strekking dan het titelnummer, is wederom bingo. Dit keer geen donkere sfeer, maar juist een wat lichtere sfeer, wat pleit voor deze plaat, want variatie kan ik altijd wel hebben. De stem van Tindersticks-frontman Stuart Staples spreekt me ook erg aan.
‘Harmony Around My Table’ hoeft niet onder te doen voor de twee eerste nummers, wederom erg mooi nummer, knappe opbouw, alleen begint het naar het einde toe een beetje te irriteren, en de la-la-la’s zijn toch wat klef.
En dan komen we bij ‘Peanuts’, een duet met Margaret O’Hara, mij niet meteen bekend. Maar wat voor een prachtig nummer! Qua sfeer zit het ook weer snor, ik heb zo het gevoel dat Tindersticks meester is in het creëren van een bepaalde sfeer. Het enige wat me tegensteekt hier, en vele van de MusicMeterbezoekers blijkbaar, is de ietwat infantiele tekst.
‘She Rode Me Down’ is, na vier nummers van hoog niveau, een beetje minder, maar krijgt toch ook een voldoende van mij. Het minste nummer van dit album.
Dan komen we aan de eerste instrumental, ‘Hubbard Hills’. Een prachtige compositie, excentriek genoeg om me te intrigeren. Zoals user aERodynamIC al opmerkte, de hoes lijkt inderdaad wel gecreëerd voor dit nummer in het bijzonder.
‘Black Smoke’, iets sneller dan de voorgaande nummers, maar het spreekt me niet voor de volle 100% aan. Toch kunnen we dit niet slecht noemen, en wie van Nick Cave houdt, zal hier wel van houden.
Het achtste nummer op deze plaat is getiteld ‘No Place So Alone’. Heel goed nummer, maar sluit niet echt aan bij de tot nu toe gecreëerde sfeer, wat op zich geen schande is. Verrassend dat ze hiermee komen, dat wel. Staples’ stem geeft het nummer ook nog wat extra mee.
‘Factory Girls’ klinkt vanaf de eerste seconde als een mooie, ontroerende ballad. Na ongeveer anderhalve minuut van bedwelmend pianospel komt de zang erbij, onmisbaar hier, want de tekst is toch wel prachtig. Simpel nummer eigenlijk, geen tralala, geen toeters en bellen, meer moet dat soms niet zijn. Een echt goed nummer heeft niet veel ondersteuning nodig.
Afsluiter is het prachtige ‘Piano Music’, dat iets dreigends heeft, iets illusters, maar toch warm genoeg klinkt, vooral het tweede deel, dat je niet met de bibber opgescheept zit. Als er één nummer is dat z’n naam niet gestolen heeft op dit album, dan is het wel deze. De piano speelt de hoofdrol, ondersteund door drums en wat strijkers, en geeft de toon aan, die gemoedelijk, maar zwaar klinkt.
Na de eerste beluistering heb ik een minuut voor me uit gestaard, de koptelefoon afgezet, en me voorgenomen deze plaat nog vele keren te beluisteren, wat inmiddels is gebeurd. ‘Falling Down A Mountain’ is voor mij een meer dan geslaagde plaat, hoogtepunten zijn ‘Keep You Beautiful’, ‘Hubbard Hills’ en ‘Piano Music’, maar het nummer dat de kroon spant, is toch wel ‘Factory Girls’. Echt zwakke nummers zijn hierop niet te vinden, en het maakt me hongerig naar meer, dus laat maar komen, die Tindersticks!
4 sterren
Openen doet Tindersticks met ‘Falling Down A Mountain’, een jazzy, geïmproviseerd stukje muziek van ruim 6 minuten. De sfeer spreekt me meteen aan; een mix van donker en zwoel. Nu maar hopen dat de rest ook zo genietbaar is.
En jawel hoor, het tweede nummer, ‘Keep You Beautiful’, nochtans van een geheel andere strekking dan het titelnummer, is wederom bingo. Dit keer geen donkere sfeer, maar juist een wat lichtere sfeer, wat pleit voor deze plaat, want variatie kan ik altijd wel hebben. De stem van Tindersticks-frontman Stuart Staples spreekt me ook erg aan.
‘Harmony Around My Table’ hoeft niet onder te doen voor de twee eerste nummers, wederom erg mooi nummer, knappe opbouw, alleen begint het naar het einde toe een beetje te irriteren, en de la-la-la’s zijn toch wat klef.
En dan komen we bij ‘Peanuts’, een duet met Margaret O’Hara, mij niet meteen bekend. Maar wat voor een prachtig nummer! Qua sfeer zit het ook weer snor, ik heb zo het gevoel dat Tindersticks meester is in het creëren van een bepaalde sfeer. Het enige wat me tegensteekt hier, en vele van de MusicMeterbezoekers blijkbaar, is de ietwat infantiele tekst.
‘She Rode Me Down’ is, na vier nummers van hoog niveau, een beetje minder, maar krijgt toch ook een voldoende van mij. Het minste nummer van dit album.
Dan komen we aan de eerste instrumental, ‘Hubbard Hills’. Een prachtige compositie, excentriek genoeg om me te intrigeren. Zoals user aERodynamIC al opmerkte, de hoes lijkt inderdaad wel gecreëerd voor dit nummer in het bijzonder.
‘Black Smoke’, iets sneller dan de voorgaande nummers, maar het spreekt me niet voor de volle 100% aan. Toch kunnen we dit niet slecht noemen, en wie van Nick Cave houdt, zal hier wel van houden.
Het achtste nummer op deze plaat is getiteld ‘No Place So Alone’. Heel goed nummer, maar sluit niet echt aan bij de tot nu toe gecreëerde sfeer, wat op zich geen schande is. Verrassend dat ze hiermee komen, dat wel. Staples’ stem geeft het nummer ook nog wat extra mee.
‘Factory Girls’ klinkt vanaf de eerste seconde als een mooie, ontroerende ballad. Na ongeveer anderhalve minuut van bedwelmend pianospel komt de zang erbij, onmisbaar hier, want de tekst is toch wel prachtig. Simpel nummer eigenlijk, geen tralala, geen toeters en bellen, meer moet dat soms niet zijn. Een echt goed nummer heeft niet veel ondersteuning nodig.
Afsluiter is het prachtige ‘Piano Music’, dat iets dreigends heeft, iets illusters, maar toch warm genoeg klinkt, vooral het tweede deel, dat je niet met de bibber opgescheept zit. Als er één nummer is dat z’n naam niet gestolen heeft op dit album, dan is het wel deze. De piano speelt de hoofdrol, ondersteund door drums en wat strijkers, en geeft de toon aan, die gemoedelijk, maar zwaar klinkt.
Na de eerste beluistering heb ik een minuut voor me uit gestaard, de koptelefoon afgezet, en me voorgenomen deze plaat nog vele keren te beluisteren, wat inmiddels is gebeurd. ‘Falling Down A Mountain’ is voor mij een meer dan geslaagde plaat, hoogtepunten zijn ‘Keep You Beautiful’, ‘Hubbard Hills’ en ‘Piano Music’, maar het nummer dat de kroon spant, is toch wel ‘Factory Girls’. Echt zwakke nummers zijn hierop niet te vinden, en het maakt me hongerig naar meer, dus laat maar komen, die Tindersticks!
4 sterren
Tindersticks - The Something Rain (2012)

4,0
0
geplaatst: 16 juni 2012, 11:38 uur
‘The Something Rain’ (prachtige titel, overigens) is de tweede release van Tindersticks die ik bewust meemaak. Lees: er naar uit heb gekeken. De vorige plaat, ‘Falling Down a Mountain’, vind ik nog steeds een erg sterke plaat, al wordt die mening niet door iedereen gedeeld. Dit ‘The Something Rain’ werd algemeen wat beter ontvangen, wat iets meer aansluit bij mijn mening. Ik vind het, net als ‘Falling Down a Mountain’, een plaat met vele troeven.
De grootste troef vind ik nog altijd de stem van frontman Stuart A. Staples. Hij klinkt zeker niet nep; zijn zang ademt leven en veel gevoel uit. Authenticiteit. Maar voor men van zijn stem kan genieten, is er eerst nog de atypische opener. Spoken word van toetsenman David Boulter. Het is een mooi verbeeld verhaal over een date, als ik me niet vergis, of de ik-persoon heeft het in ieder geval over een meisje waarmee hij een soort relatie heeft. Het verhaal heeft ook een humoristische touch, want aan het eind van het verhaal blijkt het meisje een man te zijn. De laatste zin toont de humor van het verhaal op treffende wijze: “”Shit”, I said, “I was never a breast man anyway””.
Qua sfeer is dat nummer ook de moeite, met een bescheiden uitbarsting van blazers in het midden van de song, en een rustig einde. ‘Show Me Everything’ begint loom en traag, enkele vrouwenstemmen zingen “Show me”, en na iets meer dan een minuut mag Staples invallen. De sound wordt gaandeweg wat zwoeler, en dat is ook wel vrij kenmerkend voor dit album, en een markant verschil met vorig werk. Het bossa nova-gevoel is soms zelfs aanwezig. De versnelling en groeiende intensiteit aan het eind van de song (die huilende saxofoon op de achtergrond!) maken dit tot een bijzonder geslaagd nummer.
‘This Fire of Autumn’ is wat swingender van geluid, met mooie samenzang in het refrein (met Gina Foster, die ook al te horen was op ‘A Simple Pleasure’, nog zo’n “vreemde eend” in de discografie van Tindersticks), en een opvallende rol voor de xylofoon, als ik me niet vergis. Ook dit is weer een lekker broeierig nummer, en ondanks het feit dat de invloeden lijken te zijn gehaald uit genres waar ik niet zoveel naar luister, heb ik met deze muziek absoluut geen probleem. Het zal die touch van Tindersticks zijn, waar het toch nog altijd om gaat, en de stem van Staples uiteraard. Er zijn er maar weinig die me zo kunnen raken als hij.
Ook in ‘A Night So Still’ is dat “broeierige” geluid niet weg te slaan. Staples baant zich een weg door de repetitieve muzikale hypnose die wordt gecreëerd, maar kan niet helemaal voorkomen dat het nummer na een tijd door zijn beste krachten heen lijkt te zijn, en een beetje saai wordt. Kortom; die song had gerust een minuutje eerder mogen afkloppen. Maar laat dat vooral geen smet zijn op de mooie prestatie van Tindersticks. Want met ‘Slippin’ Shoes’ hebben ze weer helemaal het goeie geluid gevonden. Dit is, net als ‘This Fire of Autumn’, een song die wat meer schwung heeft, draait en keert, met een lekker saxofoongeluid, een soms zweverig klinkende Staples en uitstekende begeleiding.
‘Medicine’ was het vooruitgeschoven nummer, om de honger aan te wakkeren van de Tindersticksfans. Daarmee hebben ze volgens mij wel op veilig gespeeld, omdat dit nummer het meest lijkt op het wat donkerder klinkende geluid van de beginjaren. Een meeslepende song is het, en nog steeds mijn favoriet op dit album. Het dreigende vioolspel, de lome percussie en sfeervol keyboardspel gaan perfect samen met de stem van Staples. Eigenlijk het enige nummer waarin verdriet te horen is, en dat is ook best opvallend; het album werd namelijk opgedragen aan, en stond ook in het teken van personen die de leden van de band de laatste jaren verloren hebben aan de oervijand van het leven. Met enkele cimbaalslagen loopt ‘Medicine’ op z’n eind, en die titel zegt het eigenlijk helemaal: aanvaard je lot, er zijn medicijnen genoeg.
Met ‘Frozen’ komen we weer helemaal in het sfeertje dat vooraf gecreëerd werd, al heb ik de indruk dat dit nummer nog wat meer loos mag gaan op instrumentaal vlak. Het nummer klinkt nogal rusteloos, soms een beetje chaotisch, maar ook hierbij past de stem van Staples wonderwel. Hij zalft, terwijl op de achtergrond wordt geslagen. Zijn “If I could just hold you, hold you” wordt alsmaar herhaald op het einde, als een mantra. Ja, op dit nummer zijn de jazz-invloeden ook aanwezig.
Een dromerige intro trapt ‘Come Inside’ op gang, een prachtig nummer van ruim 7 en halve minuut. “Livin’ my life, from day to day; hoping that you’ll, ever come my way” zingt Staples, en hij nodigt ons uit om binnen te komen. De huiselijke, warme sfeer is aanwezig, de percussie en keyboards smelten samen tot de ideale open haard. De saxofoonsolo op het einde is pure nachtclubmuziek, met een melancholisch tintje; je wil blijven, maar ergens wil je toch ook weer naar huis.
‘Goodbye Joe’ is de instrumentale afsluiter, een licht verteerbaar stukje muziek dat zeker zijn plaats heeft op dit album, en ondanks de titel, nodigt het toch uit om de plaat nog eens op te zetten. ‘The Something Rain’ is een opvallende plaat geworden, en daarin verschilt het niet in de andere platen die ik tot nu toe ken van deze straffe band. Het geluid is echter wat anders dan ik gewoon ben van hen. Misschien toch maar eens ‘A Simple Pleasure’ gaan beluisteren.
4 sterren
De grootste troef vind ik nog altijd de stem van frontman Stuart A. Staples. Hij klinkt zeker niet nep; zijn zang ademt leven en veel gevoel uit. Authenticiteit. Maar voor men van zijn stem kan genieten, is er eerst nog de atypische opener. Spoken word van toetsenman David Boulter. Het is een mooi verbeeld verhaal over een date, als ik me niet vergis, of de ik-persoon heeft het in ieder geval over een meisje waarmee hij een soort relatie heeft. Het verhaal heeft ook een humoristische touch, want aan het eind van het verhaal blijkt het meisje een man te zijn. De laatste zin toont de humor van het verhaal op treffende wijze: “”Shit”, I said, “I was never a breast man anyway””.
Qua sfeer is dat nummer ook de moeite, met een bescheiden uitbarsting van blazers in het midden van de song, en een rustig einde. ‘Show Me Everything’ begint loom en traag, enkele vrouwenstemmen zingen “Show me”, en na iets meer dan een minuut mag Staples invallen. De sound wordt gaandeweg wat zwoeler, en dat is ook wel vrij kenmerkend voor dit album, en een markant verschil met vorig werk. Het bossa nova-gevoel is soms zelfs aanwezig. De versnelling en groeiende intensiteit aan het eind van de song (die huilende saxofoon op de achtergrond!) maken dit tot een bijzonder geslaagd nummer.
‘This Fire of Autumn’ is wat swingender van geluid, met mooie samenzang in het refrein (met Gina Foster, die ook al te horen was op ‘A Simple Pleasure’, nog zo’n “vreemde eend” in de discografie van Tindersticks), en een opvallende rol voor de xylofoon, als ik me niet vergis. Ook dit is weer een lekker broeierig nummer, en ondanks het feit dat de invloeden lijken te zijn gehaald uit genres waar ik niet zoveel naar luister, heb ik met deze muziek absoluut geen probleem. Het zal die touch van Tindersticks zijn, waar het toch nog altijd om gaat, en de stem van Staples uiteraard. Er zijn er maar weinig die me zo kunnen raken als hij.
Ook in ‘A Night So Still’ is dat “broeierige” geluid niet weg te slaan. Staples baant zich een weg door de repetitieve muzikale hypnose die wordt gecreëerd, maar kan niet helemaal voorkomen dat het nummer na een tijd door zijn beste krachten heen lijkt te zijn, en een beetje saai wordt. Kortom; die song had gerust een minuutje eerder mogen afkloppen. Maar laat dat vooral geen smet zijn op de mooie prestatie van Tindersticks. Want met ‘Slippin’ Shoes’ hebben ze weer helemaal het goeie geluid gevonden. Dit is, net als ‘This Fire of Autumn’, een song die wat meer schwung heeft, draait en keert, met een lekker saxofoongeluid, een soms zweverig klinkende Staples en uitstekende begeleiding.
‘Medicine’ was het vooruitgeschoven nummer, om de honger aan te wakkeren van de Tindersticksfans. Daarmee hebben ze volgens mij wel op veilig gespeeld, omdat dit nummer het meest lijkt op het wat donkerder klinkende geluid van de beginjaren. Een meeslepende song is het, en nog steeds mijn favoriet op dit album. Het dreigende vioolspel, de lome percussie en sfeervol keyboardspel gaan perfect samen met de stem van Staples. Eigenlijk het enige nummer waarin verdriet te horen is, en dat is ook best opvallend; het album werd namelijk opgedragen aan, en stond ook in het teken van personen die de leden van de band de laatste jaren verloren hebben aan de oervijand van het leven. Met enkele cimbaalslagen loopt ‘Medicine’ op z’n eind, en die titel zegt het eigenlijk helemaal: aanvaard je lot, er zijn medicijnen genoeg.
Met ‘Frozen’ komen we weer helemaal in het sfeertje dat vooraf gecreëerd werd, al heb ik de indruk dat dit nummer nog wat meer loos mag gaan op instrumentaal vlak. Het nummer klinkt nogal rusteloos, soms een beetje chaotisch, maar ook hierbij past de stem van Staples wonderwel. Hij zalft, terwijl op de achtergrond wordt geslagen. Zijn “If I could just hold you, hold you” wordt alsmaar herhaald op het einde, als een mantra. Ja, op dit nummer zijn de jazz-invloeden ook aanwezig.
Een dromerige intro trapt ‘Come Inside’ op gang, een prachtig nummer van ruim 7 en halve minuut. “Livin’ my life, from day to day; hoping that you’ll, ever come my way” zingt Staples, en hij nodigt ons uit om binnen te komen. De huiselijke, warme sfeer is aanwezig, de percussie en keyboards smelten samen tot de ideale open haard. De saxofoonsolo op het einde is pure nachtclubmuziek, met een melancholisch tintje; je wil blijven, maar ergens wil je toch ook weer naar huis.
‘Goodbye Joe’ is de instrumentale afsluiter, een licht verteerbaar stukje muziek dat zeker zijn plaats heeft op dit album, en ondanks de titel, nodigt het toch uit om de plaat nog eens op te zetten. ‘The Something Rain’ is een opvallende plaat geworden, en daarin verschilt het niet in de andere platen die ik tot nu toe ken van deze straffe band. Het geluid is echter wat anders dan ik gewoon ben van hen. Misschien toch maar eens ‘A Simple Pleasure’ gaan beluisteren.
4 sterren
Tired Pony - The Place We Ran From (2010)

3,5
0
geplaatst: 4 september 2010, 14:54 uur
Tired Pony, een supergroep mogen we wel zeggen, qua bezetting. Onder meer Gary Lightbody van Snow Patrol, Peter Buck van R.E.M. en Richard Colburn van Belle & Sebastian maken deel uit van deze formatie. En met gastartiesten als M. Ward, Zooey Deschanel en Tom Smith van Editors wordt het nog wat indrukwekkender natuurlijk. Maar is het ook supermuziek?
‘Northwestern Skies’ is een goeie opener, met Buck die mandoline speelt (doet ie wel meer op deze plaat). ‘Get On The Road’ is een duet Lightbody-Deschanel, met een geduldige opbouw à la The National. De sfeer is vrij zwaarmoedig, en het nummer gaat me na zo’n twintigtal beluisteringen nog steeds niet vervelen, maar grijpt me toch wat minder bij de keel dan bij de eerste luisterbeurt.
‘Point Me At Lost Islands’ klinkt dan weer een stuk luchtiger, en ook hier mag Zooey Deschanel meezingen. Geen bijster originele song, maar toch speciale vermelding voor het mooie vioolspel van Annalisa Tornfelt. ‘Dead American Writers’ is een aardige song, maar toch ook niet meer dan dat.
‘Held In The Arms Of Your Words’ is een mooie, ontroerende song, mooie tekst ook, en Tornfelt bewijst dat haar vioolspel een aanwinst is. ‘That Silver Necklace’ is een tussendoortje, maar wel een leuk tussendoortje, van het soort dat je met de glimlach naar binnen speelt.
In ‘I Am A Landslide’ laat Lightbody de zang over aan Iain Archer, en bespeelt hij zelf het Pump-orgel. Archer is een goeie zanger, en het is een leuke afwisseling; heel de tijd Lightbody aan moeten horen, dat hoeft voor mij niet. De tekst van dit nummer, heeft Archer die geschreven, of niet? Feit is dat dit nummer op alle vlakken één van de sterkste is.
‘The Deepest Ocean There Is’ is doorspekt met een laagje wrok: “I’ve been terrified for far to fucking long; what is that thing I lack that makes you so damn strong; your letter in my hands, is rolled into a ball; with drunken comedy it’s thrown hard at the wall”. Dat stukje tekst liegt er niet om, natuurlijk.
‘The Good Book’ is misschien wel het beste nummer op deze plaat, en daar zit Tom Smith zeker voor iets tussen. De laatste Editors-plaat vond ik niet zo sterk, maar bij dit soort muziek past Smith’s stem gewoon vele malen beter. Een rustig, bescheiden nummertje, zonder al te veel gedoe, met woorden waarin Smith het gepast gevoel kan leggen (“You were saved by the good book; I was saved by the half full glass”).
Afsluiter ‘Pieces’ begint (nog vrij) rustig, met stuwende drums (mooi in de tekst vervat trouwens: “Pieces of you heart collapse, to the sound of beating drums), maar verandert halfweg in een warrig klankenfestival, waar Peter Buck zeker voor iets tussen zit). Het klinkt een beetje als een persoonlijke Apocalyps, met een veelbetekenende slotzin: “A Bible held above me like an axe”.
Het was al een tijdje bekend dat deze plaat eraan ging komen, dus was ik er ook al een tijdje naar benieuwd. Ik had zo mijn twijfels wanneer ik erover las, het zou een countryplaat worden, en dergelijke. Dat is het uiteindelijk toch niet echt geworden, al zit er wel een country-touch in; veel meer is het een plaat geworden die diverse invloeden kent, van folk over roots naar americana.
3,5 sterren
‘Northwestern Skies’ is een goeie opener, met Buck die mandoline speelt (doet ie wel meer op deze plaat). ‘Get On The Road’ is een duet Lightbody-Deschanel, met een geduldige opbouw à la The National. De sfeer is vrij zwaarmoedig, en het nummer gaat me na zo’n twintigtal beluisteringen nog steeds niet vervelen, maar grijpt me toch wat minder bij de keel dan bij de eerste luisterbeurt.
‘Point Me At Lost Islands’ klinkt dan weer een stuk luchtiger, en ook hier mag Zooey Deschanel meezingen. Geen bijster originele song, maar toch speciale vermelding voor het mooie vioolspel van Annalisa Tornfelt. ‘Dead American Writers’ is een aardige song, maar toch ook niet meer dan dat.
‘Held In The Arms Of Your Words’ is een mooie, ontroerende song, mooie tekst ook, en Tornfelt bewijst dat haar vioolspel een aanwinst is. ‘That Silver Necklace’ is een tussendoortje, maar wel een leuk tussendoortje, van het soort dat je met de glimlach naar binnen speelt.
In ‘I Am A Landslide’ laat Lightbody de zang over aan Iain Archer, en bespeelt hij zelf het Pump-orgel. Archer is een goeie zanger, en het is een leuke afwisseling; heel de tijd Lightbody aan moeten horen, dat hoeft voor mij niet. De tekst van dit nummer, heeft Archer die geschreven, of niet? Feit is dat dit nummer op alle vlakken één van de sterkste is.
‘The Deepest Ocean There Is’ is doorspekt met een laagje wrok: “I’ve been terrified for far to fucking long; what is that thing I lack that makes you so damn strong; your letter in my hands, is rolled into a ball; with drunken comedy it’s thrown hard at the wall”. Dat stukje tekst liegt er niet om, natuurlijk.
‘The Good Book’ is misschien wel het beste nummer op deze plaat, en daar zit Tom Smith zeker voor iets tussen. De laatste Editors-plaat vond ik niet zo sterk, maar bij dit soort muziek past Smith’s stem gewoon vele malen beter. Een rustig, bescheiden nummertje, zonder al te veel gedoe, met woorden waarin Smith het gepast gevoel kan leggen (“You were saved by the good book; I was saved by the half full glass”).
Afsluiter ‘Pieces’ begint (nog vrij) rustig, met stuwende drums (mooi in de tekst vervat trouwens: “Pieces of you heart collapse, to the sound of beating drums), maar verandert halfweg in een warrig klankenfestival, waar Peter Buck zeker voor iets tussen zit). Het klinkt een beetje als een persoonlijke Apocalyps, met een veelbetekenende slotzin: “A Bible held above me like an axe”.
Het was al een tijdje bekend dat deze plaat eraan ging komen, dus was ik er ook al een tijdje naar benieuwd. Ik had zo mijn twijfels wanneer ik erover las, het zou een countryplaat worden, en dergelijke. Dat is het uiteindelijk toch niet echt geworden, al zit er wel een country-touch in; veel meer is het een plaat geworden die diverse invloeden kent, van folk over roots naar americana.
3,5 sterren
Tom Jones - Along Came Jones (1965)

3,5
0
geplaatst: 19 mei 2021, 22:01 uur
It's No Unusual ken ik natuurlijk van de reeks The Fresh Prince of Bel Air, en vooral de onnavolgbare capriolen die de immer hilarische Carlton daarop wist uit te voeren. En, eerlijk is eerlijk: alleen daarom vind ik het al een onweerstaanbaar nummer.
Tom Jones heb ik altijd wat links laten liggen, moet ik toegeven. Jazeker, de man heeft een stem als de meest donderende klok in Keulen, maar voor het overige heb ik de liedjes die ik van 'm ken (It's Not Unusual is dus de uitzondering) nooit echt bijzonder gevonden. Eerder dit jaar kwam ome Tom echter met een nieuw album, en hoewel ik het nog maar één keer heb beluisterd en nog niet al te goed weet wat er precies van te vinden, klonk het wel bijzonder en intrigerend. En aangezien ik toch bezig ben met een heuse 1965-marathon de laatste weken, komt ook deze plaat voorbij.
En dan merk je toch dat de debuutplaat van zo'n Tom Jones bepaald lekker binnenrolt. Zijn troeven - stem, présence (dat kan raar klinken, maar die hoor ik er echt in terug) en toch ook wel veelzijdigheid - speelt hij meteen met veel vertrouwen en kundigheid uit. Op die manier komt zowel een wat joliger nummer als It's Not Unusual goed uit de verf, evenals het wat serieuzere werk (ik noem bijvoorbeeld een Autumn Leaves). En maakt dat dit een behoorlijk (lees: verrassend) goeie plaat is, in mijn optiek.
Een wat minder verwachtingspatroon van mijn kant zal daar ongetwijfeld ook een rol in spelen, maar toch: ik ben aangenaam verrast!
3,5 sterren
Tom Jones heb ik altijd wat links laten liggen, moet ik toegeven. Jazeker, de man heeft een stem als de meest donderende klok in Keulen, maar voor het overige heb ik de liedjes die ik van 'm ken (It's Not Unusual is dus de uitzondering) nooit echt bijzonder gevonden. Eerder dit jaar kwam ome Tom echter met een nieuw album, en hoewel ik het nog maar één keer heb beluisterd en nog niet al te goed weet wat er precies van te vinden, klonk het wel bijzonder en intrigerend. En aangezien ik toch bezig ben met een heuse 1965-marathon de laatste weken, komt ook deze plaat voorbij.
En dan merk je toch dat de debuutplaat van zo'n Tom Jones bepaald lekker binnenrolt. Zijn troeven - stem, présence (dat kan raar klinken, maar die hoor ik er echt in terug) en toch ook wel veelzijdigheid - speelt hij meteen met veel vertrouwen en kundigheid uit. Op die manier komt zowel een wat joliger nummer als It's Not Unusual goed uit de verf, evenals het wat serieuzere werk (ik noem bijvoorbeeld een Autumn Leaves). En maakt dat dit een behoorlijk (lees: verrassend) goeie plaat is, in mijn optiek.
Een wat minder verwachtingspatroon van mijn kant zal daar ongetwijfeld ook een rol in spelen, maar toch: ik ben aangenaam verrast!
3,5 sterren
Tom McRae - The Alphabet of Hurricanes (2010)

3,5
0
geplaatst: 23 augustus 2010, 22:47 uur
Een warme zomerdag in juli. Ik speelde dit album af, mijn moeder was bezig met de strijk. Zei zegt: “Dit vind ik mooie muziek, zie. Waarom speel je dat soort muziek niet meer?”. Ik wist er geen antwoord op, en moet haar gelijk geven; dit is mooie muziek.
‘The Alphabet of Hurricanes’, die titel draagt deze nieuwbakken plaat van liedjesschrijver Tom McRae. Lief, ietwat schuchter banjospel zet de toon in opener ‘Still Love You’. Schuchterheid troef, wanneer ook McRae zich van zijn meest verlegen kant laat zien.
Een instrumentaal intermezzo dan, met de naam ‘A Is For…’; er wordt een wat oosters aandoend wijsje geblazen op trompet, als intro eigenlijk voor het volgende nummer, ‘Won’t Lie’, een barok aandoend nummertje. Het is een statige wals, doorweven met de stem van McRae. Ook mooi is het vioolspel, en het maakt het er allemaal nog barokker op.
‘Summer of John Wayne’ is een nummer met piano. Ik kende voor deze plaat nog niets van Tom McRae, en moet zeggen dat zijn stem ook bij dit instrument wonderwel past. De pianoklanken zijn warm, het gitaarspel is melancholisch, de violen klinken aandoenlijk, het stemgeluid van McRae is breekbaar. “I know you say, nothing good lasts forever”, wordt er gezongen. Of er enige waarheid in die woorden schuilt, moet ieder voor zichzelf uitmaken.
Op ‘Told My Troubles To The River’ weerklinkt de banjo weer, dacht ik? Dit nummer is net even iets anders dan voorgaande nummers; het klinkt bluesier en rauwer (misschien doordat de stem hier ietsje anders klinkt?). prima nummer.
Zo komen we bij het langste nummer op deze plaat, getiteld ‘American Spirit’. McRae klinkt weer erg breekbaar op dit nummer, dat niet veel nodig heeft om te overtuigen. Slechts op het einde krijgen we nog wat extra, in de vorm van blazers, al blijft dat erg op de achtergrond allemaal. In de spotlight staat Tom McRae, met z’n ontroerende stem.
Het is verrassend om dan een nummer als ‘Please’ voorgeschoteld te krijgen; ik vind deze man echter overtuigender op breekbare nummers als het vorige. Dit doet me niet zoveel, gewoon goed nummer.
‘Out Of The Walls’ dan, een pianoballad. Het valt me hier ook op dat McRae bedreven is in het schrijven van lyrics. Mooi hoe hij hier beschrijft wat er gebeurt met iemand in een op voorhand verloren positie.
‘Me And Stetson’ ligt meer in de lijn van een ander nummer op deze plaat, namelijk ‘Told My Troubles To The River’. McRae klinkt hier weer bluesy en rauw. Het handgeklap (dat we ook op enkele van de vorige nummers hoorden) is hier aanwezig, en zorgt samen met de blazers voor de nodige suspens.
Op ‘Can’t Find You’ horen we dan weer de breekbare McRae. En zo lijkt hij song per song af te wisselen. Meer dan wat banjospel, lieve pianoklankjes, een doorschemerende gitaar, wat strijkers, en McRae (stem + lyrics) is hier niet nodig om een prachtige, innemende song te brengen. Mooie quote uit dit nummer: “Sometimes rain is jus train”. Simpel, en prachtig.
In ‘Best Winter’ worden herinneringen opgehaald. Lieflijk nummertje, met Bon Iver-achtig achtergrondgezang.
En dan zijn we al aanbeland bij de slotsong: ‘Fifteen Miles Downriver’. Mijn favoriet. Er is één voordeel verbonden aan het feit dat je favoriet nummer als allerlaatste op een plaat staat; je geniet van al het moois dat op de plaat voorbijkomt, terwijl je maar één doel voor ogen staat; aankomen in de terminus, in dit geval dus de figuurlijke hemel. Wat me vooral aantrekt in deze song? Dat prachtige sfeertje dat wordt gecreëerd door de instrumenten (hoor ik daar een bescheiden mondharmonica of iets in dien trant?), in combinatie met de stem van dit heerschap. Een geslaagde combinatie.
3,5 sterren
‘The Alphabet of Hurricanes’, die titel draagt deze nieuwbakken plaat van liedjesschrijver Tom McRae. Lief, ietwat schuchter banjospel zet de toon in opener ‘Still Love You’. Schuchterheid troef, wanneer ook McRae zich van zijn meest verlegen kant laat zien.
Een instrumentaal intermezzo dan, met de naam ‘A Is For…’; er wordt een wat oosters aandoend wijsje geblazen op trompet, als intro eigenlijk voor het volgende nummer, ‘Won’t Lie’, een barok aandoend nummertje. Het is een statige wals, doorweven met de stem van McRae. Ook mooi is het vioolspel, en het maakt het er allemaal nog barokker op.
‘Summer of John Wayne’ is een nummer met piano. Ik kende voor deze plaat nog niets van Tom McRae, en moet zeggen dat zijn stem ook bij dit instrument wonderwel past. De pianoklanken zijn warm, het gitaarspel is melancholisch, de violen klinken aandoenlijk, het stemgeluid van McRae is breekbaar. “I know you say, nothing good lasts forever”, wordt er gezongen. Of er enige waarheid in die woorden schuilt, moet ieder voor zichzelf uitmaken.
Op ‘Told My Troubles To The River’ weerklinkt de banjo weer, dacht ik? Dit nummer is net even iets anders dan voorgaande nummers; het klinkt bluesier en rauwer (misschien doordat de stem hier ietsje anders klinkt?). prima nummer.
Zo komen we bij het langste nummer op deze plaat, getiteld ‘American Spirit’. McRae klinkt weer erg breekbaar op dit nummer, dat niet veel nodig heeft om te overtuigen. Slechts op het einde krijgen we nog wat extra, in de vorm van blazers, al blijft dat erg op de achtergrond allemaal. In de spotlight staat Tom McRae, met z’n ontroerende stem.
Het is verrassend om dan een nummer als ‘Please’ voorgeschoteld te krijgen; ik vind deze man echter overtuigender op breekbare nummers als het vorige. Dit doet me niet zoveel, gewoon goed nummer.
‘Out Of The Walls’ dan, een pianoballad. Het valt me hier ook op dat McRae bedreven is in het schrijven van lyrics. Mooi hoe hij hier beschrijft wat er gebeurt met iemand in een op voorhand verloren positie.
‘Me And Stetson’ ligt meer in de lijn van een ander nummer op deze plaat, namelijk ‘Told My Troubles To The River’. McRae klinkt hier weer bluesy en rauw. Het handgeklap (dat we ook op enkele van de vorige nummers hoorden) is hier aanwezig, en zorgt samen met de blazers voor de nodige suspens.
Op ‘Can’t Find You’ horen we dan weer de breekbare McRae. En zo lijkt hij song per song af te wisselen. Meer dan wat banjospel, lieve pianoklankjes, een doorschemerende gitaar, wat strijkers, en McRae (stem + lyrics) is hier niet nodig om een prachtige, innemende song te brengen. Mooie quote uit dit nummer: “Sometimes rain is jus train”. Simpel, en prachtig.
In ‘Best Winter’ worden herinneringen opgehaald. Lieflijk nummertje, met Bon Iver-achtig achtergrondgezang.
En dan zijn we al aanbeland bij de slotsong: ‘Fifteen Miles Downriver’. Mijn favoriet. Er is één voordeel verbonden aan het feit dat je favoriet nummer als allerlaatste op een plaat staat; je geniet van al het moois dat op de plaat voorbijkomt, terwijl je maar één doel voor ogen staat; aankomen in de terminus, in dit geval dus de figuurlijke hemel. Wat me vooral aantrekt in deze song? Dat prachtige sfeertje dat wordt gecreëerd door de instrumenten (hoor ik daar een bescheiden mondharmonica of iets in dien trant?), in combinatie met de stem van dit heerschap. Een geslaagde combinatie.
3,5 sterren
Tom Waits - Bad as Me (2011)

4,5
0
geplaatst: 15 december 2011, 19:40 uur
“Tom Waits, one of America’s greatest living songwriters”.
Die zin staat op de hoes van ‘Bad As Me’, de nieuwste van Waits. Een zin waarmee ik helemaal akkoord ga. Wat mij betreft, moet hij enkel Bob Dylan laten voorgaan. Als ik dan verder kijk naar de hoes, zie ik het gezicht van Tom Waits, verwrongen in een maniakale grijns. De hoes is donker, maar toch ook fel; een mooi compromis.
Tom Waits vind ik in ieder geval één van de meest constante artiesten ooit. Ik ken van hem geen enkel zwak werk, en dat is ‘Bad As Me’ ook niet geworden, verre van zelfs. Er is hier al meer dan eens geopperd dat ‘Bad As Me’ een mooie synthese is van het werk van Waits tot nu toe, de ideale instapper voor mensen die niet bekend zijn met Waits. Dat beaam ik ook voor een deel, maar toch is de beste man er wederom in geslaagd om ook deze plaat weer genoeg eigenheid mee te geven. Zijn vrouw Kathleen Brennan en de talloze vrienden die meespelen op deze plaat, zitten daar zeker voor iets tussen.
De bekendste naam die hierop meespeelt, is uiteraard Keith Richards. Waits en Richards zijn al jaren vrienden, en qua looks passen ze ook bij elkaar; ze zien er allebei angstaanjagend uit. Verder vinden we ook de ontzettend begaafde gitarist Marc Ribot terug (ook bekend van werk van o.a. John Zorn), Flea (bassist van Red Hot Chili Peppers, natuurlijk), Les Claypool van Primus (die dit jaar ook een nieuwe plaat uitbrachten) en David Hidalgo van Los Lobos. Ook Waits’ zoon Casey speelt mee op dit album; hij is drummer.
Genoeg mensen voorgesteld, dunkt mij; op naar de muziek. Die is als vanouds erg goed, gevarieerd en soms geweldig gek. De up-tempotracks ‘Chicago’ en ‘Get Lost’ zijn onweerstaanbaar lekker, Clint Maedgen (op sax) en Ben Jaffe (trombone) zorgen voor een geweldige groove, waarvan je als vanzelf begint te swingen. ‘Chicago’ is momenteel zelfs mijn favoriete track op dit album.
Rustigere nummers zijn er ook volop aanwezig. ‘Face to the Highway’ bijvoorbeeld; mooie tekst (erg simpel, maar doeltreffende beelden worden geschetst), en spaarzame instrumentatie. Of ‘Pay Me’ (met de geweldige zin “the only way down from the gallows is to swing”), opgesmukt met accordeon en viool, wat het geheel een theatrale toets geeft. ‘Last Leaf’ is ook zo’n trage, met Waits en Richards die samen zingen; dat geeft wel wat. “I’ve been here since Eisenhower; and I’ve outlived even he”, weet Waits te vertellen. Een aandoenlijk nummer over het afscheid dat hij al van zoveel mensen heeft moeten nemen, maar dat hem nog steeds niet te beurt is gevallen.
Het titelnummer klinkt dan weer totaal geschift, met een schreeuwerige Waits, die de jij-persoon dezelfde afstotelijke eigenschappen toedicht als de ik-persoon. Net als het schitterende ‘Hell Broke Luce’, dat erg vol klinkt, en Waits slaat zelfs even aan het beatboxen. ‘Satisfied’ is gebaseerd op ‘(I Can’t Get No) Satisfaction’ van The Rolling Stones, en Waits spreekt Mick en Keith aan met “Mr. Jagger and Mr. Richards”, gevolgd door ‘I will scratch where I’ve been itching”. Een rare, onnavolgbare snuiter zal Tom Waits toch altijd blijven.
Een erg gevarieerd plaat dus. De blues is aanwezig, alsmede een flinke scheut jazz. Ook heeft Waits aandacht voor folklore (getuige het ‘Auld Lang Syne’ dat voorbijkomt in afsluiter ‘New Year’s Eve’). Maar vooral is Waits zijn eigenzinnige zelf, en daarmee gooit hij bij mij wederom hoge ogen. Hij is nog altijd een stemkameleon, en al zeggen veel mensen dat de man niet kan zingen, bij mij gaat het erom dat ik geraakt word, en dat is bij Waits wel degelijk het geval.
Omdat hij, zoals mijn openingscitaat bevestigt, één van de beste nog levende songwriters uit Amerika is, hieronder nog enkele memorabele tekstflarden:
“The door was open, I was seething;
You mother burst in, it was freezing;
She said: it looks like it’s trying to rain” (‘New Year’s Eve’)
“The seeds are planted here;
But they won’t grow;
We won’t have to say goodbye;
If we all go;
Maybe things will be better in Chicago” (‘Chicago’)
“If you’ve found someone new;
Put me back in the crowd;
Put the sun behind the clouds” (‘Back in the Crowd’)
“What the hell was it that the president said?;
Give them all a beautiful parade instead” (‘Hell Broke Luce’)
Maar eigenlijk is heel de tekst van ‘Hell Broke Luce’ geweldig. Een oorlogsverklaring aan de oorlog. Mooie, rechtoe-rechtane beschrijvingen van de gevolgen van zo’n oorlog, wat het allemaal met zich meebrengt.
Tom Waits heeft met ‘Bad As Me’ op zijn 61ste (op het moment van release, eerder deze maand werd hij 62) een zoveelste parel aan zijn oeuvre toegevoegd. Een gemiddeld Waits-album? Ik vind het een belediging voor zo’n plaat om termen als “gemiddeld” te gaan gebruiken. Daarmee doe je de plaat absoluut te kort.
4,5 sterren
Die zin staat op de hoes van ‘Bad As Me’, de nieuwste van Waits. Een zin waarmee ik helemaal akkoord ga. Wat mij betreft, moet hij enkel Bob Dylan laten voorgaan. Als ik dan verder kijk naar de hoes, zie ik het gezicht van Tom Waits, verwrongen in een maniakale grijns. De hoes is donker, maar toch ook fel; een mooi compromis.
Tom Waits vind ik in ieder geval één van de meest constante artiesten ooit. Ik ken van hem geen enkel zwak werk, en dat is ‘Bad As Me’ ook niet geworden, verre van zelfs. Er is hier al meer dan eens geopperd dat ‘Bad As Me’ een mooie synthese is van het werk van Waits tot nu toe, de ideale instapper voor mensen die niet bekend zijn met Waits. Dat beaam ik ook voor een deel, maar toch is de beste man er wederom in geslaagd om ook deze plaat weer genoeg eigenheid mee te geven. Zijn vrouw Kathleen Brennan en de talloze vrienden die meespelen op deze plaat, zitten daar zeker voor iets tussen.
De bekendste naam die hierop meespeelt, is uiteraard Keith Richards. Waits en Richards zijn al jaren vrienden, en qua looks passen ze ook bij elkaar; ze zien er allebei angstaanjagend uit. Verder vinden we ook de ontzettend begaafde gitarist Marc Ribot terug (ook bekend van werk van o.a. John Zorn), Flea (bassist van Red Hot Chili Peppers, natuurlijk), Les Claypool van Primus (die dit jaar ook een nieuwe plaat uitbrachten) en David Hidalgo van Los Lobos. Ook Waits’ zoon Casey speelt mee op dit album; hij is drummer.
Genoeg mensen voorgesteld, dunkt mij; op naar de muziek. Die is als vanouds erg goed, gevarieerd en soms geweldig gek. De up-tempotracks ‘Chicago’ en ‘Get Lost’ zijn onweerstaanbaar lekker, Clint Maedgen (op sax) en Ben Jaffe (trombone) zorgen voor een geweldige groove, waarvan je als vanzelf begint te swingen. ‘Chicago’ is momenteel zelfs mijn favoriete track op dit album.
Rustigere nummers zijn er ook volop aanwezig. ‘Face to the Highway’ bijvoorbeeld; mooie tekst (erg simpel, maar doeltreffende beelden worden geschetst), en spaarzame instrumentatie. Of ‘Pay Me’ (met de geweldige zin “the only way down from the gallows is to swing”), opgesmukt met accordeon en viool, wat het geheel een theatrale toets geeft. ‘Last Leaf’ is ook zo’n trage, met Waits en Richards die samen zingen; dat geeft wel wat. “I’ve been here since Eisenhower; and I’ve outlived even he”, weet Waits te vertellen. Een aandoenlijk nummer over het afscheid dat hij al van zoveel mensen heeft moeten nemen, maar dat hem nog steeds niet te beurt is gevallen.
Het titelnummer klinkt dan weer totaal geschift, met een schreeuwerige Waits, die de jij-persoon dezelfde afstotelijke eigenschappen toedicht als de ik-persoon. Net als het schitterende ‘Hell Broke Luce’, dat erg vol klinkt, en Waits slaat zelfs even aan het beatboxen. ‘Satisfied’ is gebaseerd op ‘(I Can’t Get No) Satisfaction’ van The Rolling Stones, en Waits spreekt Mick en Keith aan met “Mr. Jagger and Mr. Richards”, gevolgd door ‘I will scratch where I’ve been itching”. Een rare, onnavolgbare snuiter zal Tom Waits toch altijd blijven.
Een erg gevarieerd plaat dus. De blues is aanwezig, alsmede een flinke scheut jazz. Ook heeft Waits aandacht voor folklore (getuige het ‘Auld Lang Syne’ dat voorbijkomt in afsluiter ‘New Year’s Eve’). Maar vooral is Waits zijn eigenzinnige zelf, en daarmee gooit hij bij mij wederom hoge ogen. Hij is nog altijd een stemkameleon, en al zeggen veel mensen dat de man niet kan zingen, bij mij gaat het erom dat ik geraakt word, en dat is bij Waits wel degelijk het geval.
Omdat hij, zoals mijn openingscitaat bevestigt, één van de beste nog levende songwriters uit Amerika is, hieronder nog enkele memorabele tekstflarden:
“The door was open, I was seething;
You mother burst in, it was freezing;
She said: it looks like it’s trying to rain” (‘New Year’s Eve’)
“The seeds are planted here;
But they won’t grow;
We won’t have to say goodbye;
If we all go;
Maybe things will be better in Chicago” (‘Chicago’)
“If you’ve found someone new;
Put me back in the crowd;
Put the sun behind the clouds” (‘Back in the Crowd’)
“What the hell was it that the president said?;
Give them all a beautiful parade instead” (‘Hell Broke Luce’)
Maar eigenlijk is heel de tekst van ‘Hell Broke Luce’ geweldig. Een oorlogsverklaring aan de oorlog. Mooie, rechtoe-rechtane beschrijvingen van de gevolgen van zo’n oorlog, wat het allemaal met zich meebrengt.
Tom Waits heeft met ‘Bad As Me’ op zijn 61ste (op het moment van release, eerder deze maand werd hij 62) een zoveelste parel aan zijn oeuvre toegevoegd. Een gemiddeld Waits-album? Ik vind het een belediging voor zo’n plaat om termen als “gemiddeld” te gaan gebruiken. Daarmee doe je de plaat absoluut te kort.
4,5 sterren
Tom Waits - Closing Time (1973)

5,0
0
geplaatst: 28 mei 2009, 21:14 uur
De debuutplaat van Tom Waits. Ik had al heel wat gehoord over deze man en dacht, ik zal me maar eens wat gaan verdiepen in 's mans muziek. Momenteel ben ik in het bezit van z'n twee eerste platen en 'Swordfishtrombones'. En ik geniet ervan, met volle teugen.
'Closing Time' heeft met 'Ol' 55' alvast wat het in huis moet hebben om een wereldplaat te zijn. Het is een sterkere opener, de aanzet voor meer en meer en méér. Waits, zichzelf begeleidend op de piano, is op weg naar overal en nergens, behalve naar z'n geliefde. Hij is de weg kwijt, en het is te hopen dat hij de pedalen niet zal verliezen. Dit doet het allerbeste verhopen voor het verdere verloop van de plaat.
Het tweede nummer, 'I Hope That I Don't Fall In Love With You', gaat over de vrouw die je nooit zal kunnen bereiken. Het is aangewezen niet verliefd op haar te worden, doch de schrik zit er in, want het is zo verleidelijk. Uiteindelijk zou het enkel uitdraaien op een gebroken hart, dat gevoel kent iedereen wel.
Op 'Virginia Avenue' horen we voor het eerst de trompet op de achtergrond. Die zal naarmate deze plaat vordert een prominentere rol gaan innemen. Waits schuimt de boulevards af met z'n problemen, maar vindt niemand om zijn hart eens te kunnen luchten.
op 'Old Shoes' vervangt de gitaar de piano voor één song. Waits vertelt ons over liefde en hoe die kan vergaan. 'We'd lost the magic we had at the start', zingt Waits, maar de hoop geeft hij nog niet op ('And I searched once again for the spark'). In de laatste strofe zingt hij 'Tough I held in my hand, the key to all joy, my heart was not born to be tamed'. Waits gaat op zoek naar nieuwe liefde.
Midnight Lullaby', het vijfde nummer van de plaat, vertegenwoordigt de dromer in Waits. De trompet is ook weer terug, en ze treedt stilaan vanuit de achtergrond op het voorplan. Waits raadt iedereen aan om te dromen, als tegengewicht voor al de ellende van een mensenleven.
Dan komen we aan bij het zesde nummer, 'Martha', één van m'n favorieten wat deze plaat betreft. Hier horen we ook voor het eerst de cello aan het werk. Waits gaat op zoek naar een oude bekende, en wordt daarbij geplaagd door vele verstikkende vragen. Beide personages zitten vastgeroest in een situatie (ze zijn beiden gehuwd) en Waits denkt met weemoed terug aan de goede, ouwe tijd, toen ze nog vrij waren van verantwoordelijkheid.
'Rosie' sluit passend aan op 'Martha'. Waits ontbindt z'n poëtische duivels in dit nummer, en dat maakt van deze song geen doodgewoon liefdesliedje, maar een pak meer. Erg pakkend, de piano doet ook weer zijn werk.
'Lonely' heeft zijn naam niet gestolen; het woord komt er tig keer in voor. Op het einde van de song komt Waits er uiteindelijk toch nog toe te zeggen wat hij de hele song (en de hele plaat me dunkt) wil zeggen. 'I still love you, I still love you'
'Ice Cream Man' is een rockabilly-nummer, Waits laat zich eens eventjes gaan, de gitaar neemt de bovenhand en speelt de rock & roll. Tekstueel vind ik het wel het minste nummer op de plaat, maar het verschilt zo van de rest op de plaat, dat ik niet anders kan dan het geslaagd te vinden.
Met 'Little Trip To Heaven' begint wat mij betreft het eerste hoofdstuk van de overdonderende eindtrilogie die deze plaat rijk is. De trompet horen we hier wederom. Geen afwijzing deze keer, maar gelukzaligheid hoor ik in Waits' stem.
'Grapefruit Moon', hoodstuk 2. Tevens het tweede hoogtepunt van deze plaat. Prachtige compositie, een uiterst kwetsbare Waits en een knappe tekst. Meer verlangt een mens niet van een song. Op de koop toe horen we hier ook nog de cello.
Waits besloot deze plaat af te sluiten met een instrumental, en wat voor één. Hier wordt bewezen dat tekst niet noodzakelijk is om een bepaalde sfeer op te hangen, die sfeer in te kleuren en ervoor te zorgen dat je de melancholie door je lijf voelt stromen. De combinatie piano-trompet is zeer pakkend, wat mij betreft het derde hoogtepunt van deze plaat, en hoofdstuk 3 van de eindtrilogie.
(Inzake dat gedoe over die eindtrilogie van mij: de plaat is als volgt opgebouwd volgens mij. Je hebt de eerste 8 nummers; dan heb je het afwijkende 'Ice Cream Man', en dan heb je die laatste drie, die naar mijn gevoel één geheel vormen. Ik heb dat gevoel ook voor de tandem 'Martha'-'Rosie', maar in dit geval is het toch nog stukken duidelijker voor mij. Het komt misschien belachelijk over dat ik er dan meteen de term eindtrilogie op plak, maar ik voel het gewoon zo aan, en het maakt de plaat er enkel mooier op.)
Eindconclusie. Met 'Closing Time' blijft Waits nog braaf binnen het singer-songwriter-genre van begin jaren '70, maar hij legt toch al de basis voor later werk. Op 'Swordfishtrombones' hoor ik de Waits van 'Closing Time' nog doorschemeren. Dit is naar mijn mening de beste plaat van Tom Waits, en mijn gevoel zegt dat hij nooit meer een betere zal maken.
5 sterren
'Closing Time' heeft met 'Ol' 55' alvast wat het in huis moet hebben om een wereldplaat te zijn. Het is een sterkere opener, de aanzet voor meer en meer en méér. Waits, zichzelf begeleidend op de piano, is op weg naar overal en nergens, behalve naar z'n geliefde. Hij is de weg kwijt, en het is te hopen dat hij de pedalen niet zal verliezen. Dit doet het allerbeste verhopen voor het verdere verloop van de plaat.
Het tweede nummer, 'I Hope That I Don't Fall In Love With You', gaat over de vrouw die je nooit zal kunnen bereiken. Het is aangewezen niet verliefd op haar te worden, doch de schrik zit er in, want het is zo verleidelijk. Uiteindelijk zou het enkel uitdraaien op een gebroken hart, dat gevoel kent iedereen wel.
Op 'Virginia Avenue' horen we voor het eerst de trompet op de achtergrond. Die zal naarmate deze plaat vordert een prominentere rol gaan innemen. Waits schuimt de boulevards af met z'n problemen, maar vindt niemand om zijn hart eens te kunnen luchten.
op 'Old Shoes' vervangt de gitaar de piano voor één song. Waits vertelt ons over liefde en hoe die kan vergaan. 'We'd lost the magic we had at the start', zingt Waits, maar de hoop geeft hij nog niet op ('And I searched once again for the spark'). In de laatste strofe zingt hij 'Tough I held in my hand, the key to all joy, my heart was not born to be tamed'. Waits gaat op zoek naar nieuwe liefde.
Midnight Lullaby', het vijfde nummer van de plaat, vertegenwoordigt de dromer in Waits. De trompet is ook weer terug, en ze treedt stilaan vanuit de achtergrond op het voorplan. Waits raadt iedereen aan om te dromen, als tegengewicht voor al de ellende van een mensenleven.
Dan komen we aan bij het zesde nummer, 'Martha', één van m'n favorieten wat deze plaat betreft. Hier horen we ook voor het eerst de cello aan het werk. Waits gaat op zoek naar een oude bekende, en wordt daarbij geplaagd door vele verstikkende vragen. Beide personages zitten vastgeroest in een situatie (ze zijn beiden gehuwd) en Waits denkt met weemoed terug aan de goede, ouwe tijd, toen ze nog vrij waren van verantwoordelijkheid.
'Rosie' sluit passend aan op 'Martha'. Waits ontbindt z'n poëtische duivels in dit nummer, en dat maakt van deze song geen doodgewoon liefdesliedje, maar een pak meer. Erg pakkend, de piano doet ook weer zijn werk.
'Lonely' heeft zijn naam niet gestolen; het woord komt er tig keer in voor. Op het einde van de song komt Waits er uiteindelijk toch nog toe te zeggen wat hij de hele song (en de hele plaat me dunkt) wil zeggen. 'I still love you, I still love you'
'Ice Cream Man' is een rockabilly-nummer, Waits laat zich eens eventjes gaan, de gitaar neemt de bovenhand en speelt de rock & roll. Tekstueel vind ik het wel het minste nummer op de plaat, maar het verschilt zo van de rest op de plaat, dat ik niet anders kan dan het geslaagd te vinden.
Met 'Little Trip To Heaven' begint wat mij betreft het eerste hoofdstuk van de overdonderende eindtrilogie die deze plaat rijk is. De trompet horen we hier wederom. Geen afwijzing deze keer, maar gelukzaligheid hoor ik in Waits' stem.
'Grapefruit Moon', hoodstuk 2. Tevens het tweede hoogtepunt van deze plaat. Prachtige compositie, een uiterst kwetsbare Waits en een knappe tekst. Meer verlangt een mens niet van een song. Op de koop toe horen we hier ook nog de cello.
Waits besloot deze plaat af te sluiten met een instrumental, en wat voor één. Hier wordt bewezen dat tekst niet noodzakelijk is om een bepaalde sfeer op te hangen, die sfeer in te kleuren en ervoor te zorgen dat je de melancholie door je lijf voelt stromen. De combinatie piano-trompet is zeer pakkend, wat mij betreft het derde hoogtepunt van deze plaat, en hoofdstuk 3 van de eindtrilogie.
(Inzake dat gedoe over die eindtrilogie van mij: de plaat is als volgt opgebouwd volgens mij. Je hebt de eerste 8 nummers; dan heb je het afwijkende 'Ice Cream Man', en dan heb je die laatste drie, die naar mijn gevoel één geheel vormen. Ik heb dat gevoel ook voor de tandem 'Martha'-'Rosie', maar in dit geval is het toch nog stukken duidelijker voor mij. Het komt misschien belachelijk over dat ik er dan meteen de term eindtrilogie op plak, maar ik voel het gewoon zo aan, en het maakt de plaat er enkel mooier op.)
Eindconclusie. Met 'Closing Time' blijft Waits nog braaf binnen het singer-songwriter-genre van begin jaren '70, maar hij legt toch al de basis voor later werk. Op 'Swordfishtrombones' hoor ik de Waits van 'Closing Time' nog doorschemeren. Dit is naar mijn mening de beste plaat van Tom Waits, en mijn gevoel zegt dat hij nooit meer een betere zal maken.
5 sterren
Tom Waits - The Heart of Saturday Night (1974)

4,0
0
geplaatst: 28 mei 2009, 22:11 uur
De tweede plaat van Tom Waits. Een plaat die niet het niveau van zijn voorganger haalt, maar dat is allerminst beschamend. Het is nog altijd ettelijke malen beter dan het gros van het materiaal dat vandaag de dag door de luidsprekers schalt.
De opener, 'New Coat Of Paint' is verrassend swingend. Waits bespeelt de piano en de luisteraar. Knap nummer, ook tekstueel vrij sterk.
Het tweede nummer, 'San Diego Serenade' is een heel ander type song dan zijn voorganger.Het is een ballad die evengoed op 'Closing Time' zou kunnen staan. Waits zingt hier over hoe blind de mensen zijn, en dat men het pas inziet als het te laat is.
Op 'Semi Suite' wordt de saxofoon geïntroduceerd. Verder is het een song met knappe compositie, tekstueel gaat het over een trucker en zijn vriendin, vanuit het standpunt van de vriendin. Zij haat zijn beroep, maar zal er toch altijd voor hem zijn ("But when you hear his engines, you're looking through the window in the kitchen and you know, you're always gonna be there when he calls.").
In 'Shiver Me Timbers' zingt Waits dat hij er niet met z'n gedachten bij is ("My body's at home, but my heart's in the wind"). Iemand moet hem attent maken op de werkelijkheid, anders zou het kunnen uitdraaien op een drama. Tekstueel één van de sterkste nummers, vind ik.
Het vijfde nummer, 'Diamonds On My Wingshield', is ook zo'n tekstueel pareltje. Begeleid door saxofoon en drums probeert Waits thuis te geraken, en dat lukt uiteindelijk. Maar toch is er de eeuwige twijfel. Dit nummer leunt qua compositie al meer aan bij 'Swordfishtrombones'.
Het titelnummer, '(Lookin' For) The Heart Of Saturday Night', is tekstueel ook weer erg sterk. Het gaat over het zoeken naar perfectie, en hoe men tijdens die zoektocht op een muur botst.
'Fumlbin' With The Blues' heeft een erg jazzy en warm sfeertje. Het sluit goed aan op het titelnummer, Waits zingt dat hij de Man wil zijn ("Come and whisper tell me I am the one").
In 'Please Call Me, Baby' wil Waits het uitpraten met zijn geliefde. Waits weet het allemaal niet goed, laat hij uitschijnen. Hij haalt uit naar zichzelf ("I'm selfish and I'm cruel and I'm blind") en wordt verscheurd door het dilemma of hij wil blijven waar hij is of wil verdergaan ("I wish to God you'd leave me, I wish to God you'd stay").
De saxofoon zet 'Depot, Depot' in, en daarmee is de song vertrokken. Waits is in de war; hij weet niet wat hij doet ("What am I doing here?"). Degelijke compositie, opgesmukt met de saxofoon.
'Drunk On The Moon', nummer 10 van deze plaat, is het langste nummer. We betreden Waits' droomwereld, en hij beschrijft die op poëtische wijze. Na ongeveer 3 minuten verandert het tempo van de song, we krijgen een sneller sax-intermezzo, door een provocerende Waits ("It's way wilder down the street"). Waits dacht dat hij een saxofoon hoorde, en dat had ie goed.
De afsluiter van deze plaat is 'The Ghosts Of Saturday Night', een song met enkele mooie oneliners, zoals "Fill 'er up and check that oil; you know it could be a distributor and it could be a coil" en "Adam and Eve on a log, you can sink 'em damn straight". Het thema van de song is dat alles z'n prijs heeft: liefde, diensten, de krant...
Eindconclusie. Met 'The Heart Of Saturday Night' levert Waits een oerdegelijke opvolger van 'Closing Time' af; de mooiste nummers zijn de vrolijke opener, het tekstuele juweeltje 'Shiver Me Timbers' en afsluiter 'The Ghost Of Saturday Night'. Slechte nummers staan er niet op, maar even harmonieus als zijn debuut vind ik het niet.
4 sterren
De opener, 'New Coat Of Paint' is verrassend swingend. Waits bespeelt de piano en de luisteraar. Knap nummer, ook tekstueel vrij sterk.
Het tweede nummer, 'San Diego Serenade' is een heel ander type song dan zijn voorganger.Het is een ballad die evengoed op 'Closing Time' zou kunnen staan. Waits zingt hier over hoe blind de mensen zijn, en dat men het pas inziet als het te laat is.
Op 'Semi Suite' wordt de saxofoon geïntroduceerd. Verder is het een song met knappe compositie, tekstueel gaat het over een trucker en zijn vriendin, vanuit het standpunt van de vriendin. Zij haat zijn beroep, maar zal er toch altijd voor hem zijn ("But when you hear his engines, you're looking through the window in the kitchen and you know, you're always gonna be there when he calls.").
In 'Shiver Me Timbers' zingt Waits dat hij er niet met z'n gedachten bij is ("My body's at home, but my heart's in the wind"). Iemand moet hem attent maken op de werkelijkheid, anders zou het kunnen uitdraaien op een drama. Tekstueel één van de sterkste nummers, vind ik.
Het vijfde nummer, 'Diamonds On My Wingshield', is ook zo'n tekstueel pareltje. Begeleid door saxofoon en drums probeert Waits thuis te geraken, en dat lukt uiteindelijk. Maar toch is er de eeuwige twijfel. Dit nummer leunt qua compositie al meer aan bij 'Swordfishtrombones'.
Het titelnummer, '(Lookin' For) The Heart Of Saturday Night', is tekstueel ook weer erg sterk. Het gaat over het zoeken naar perfectie, en hoe men tijdens die zoektocht op een muur botst.
'Fumlbin' With The Blues' heeft een erg jazzy en warm sfeertje. Het sluit goed aan op het titelnummer, Waits zingt dat hij de Man wil zijn ("Come and whisper tell me I am the one").
In 'Please Call Me, Baby' wil Waits het uitpraten met zijn geliefde. Waits weet het allemaal niet goed, laat hij uitschijnen. Hij haalt uit naar zichzelf ("I'm selfish and I'm cruel and I'm blind") en wordt verscheurd door het dilemma of hij wil blijven waar hij is of wil verdergaan ("I wish to God you'd leave me, I wish to God you'd stay").
De saxofoon zet 'Depot, Depot' in, en daarmee is de song vertrokken. Waits is in de war; hij weet niet wat hij doet ("What am I doing here?"). Degelijke compositie, opgesmukt met de saxofoon.
'Drunk On The Moon', nummer 10 van deze plaat, is het langste nummer. We betreden Waits' droomwereld, en hij beschrijft die op poëtische wijze. Na ongeveer 3 minuten verandert het tempo van de song, we krijgen een sneller sax-intermezzo, door een provocerende Waits ("It's way wilder down the street"). Waits dacht dat hij een saxofoon hoorde, en dat had ie goed.
De afsluiter van deze plaat is 'The Ghosts Of Saturday Night', een song met enkele mooie oneliners, zoals "Fill 'er up and check that oil; you know it could be a distributor and it could be a coil" en "Adam and Eve on a log, you can sink 'em damn straight". Het thema van de song is dat alles z'n prijs heeft: liefde, diensten, de krant...
Eindconclusie. Met 'The Heart Of Saturday Night' levert Waits een oerdegelijke opvolger van 'Closing Time' af; de mooiste nummers zijn de vrolijke opener, het tekstuele juweeltje 'Shiver Me Timbers' en afsluiter 'The Ghost Of Saturday Night'. Slechte nummers staan er niet op, maar even harmonieus als zijn debuut vind ik het niet.
4 sterren
Tribulation - Down Below (2018)

3,5
1
geplaatst: 14 mei 2018, 20:46 uur
Down Below, de vierde langspeler van dit Zweedse viertal, meandert ergens tussen metal en gothic, en doet dat meer dan behoorlijk. De rotaanstekelijke single The Lament zet meteen de toon; de ideale meezinger/bruller om het album mee te openen. Met Nightbound en Lady Death volgen meteen daarna overigens nog twee songs die in het verlengde hiervan liggen, en de trein lijkt dan ook denderend te zijn vertrokken.
Het middenstuk van de plaat is echter niet bepaald geweldig. Ik voel steeds, tijdens het beluisteren van deze plaat, dat m'n aandacht verslapt, zeker tijdens het instrumentale intermezzo Purgatorio, dat er maar niet in slaagt de juiste snaar te raken bij mij.
Lacrimosa zorgt echter voor een ommekeer, in positieve zin! Een grandioze stamper, met een zinderend spannend tussenstuk. Daarna volgt met The World een fraai staaltje opbouw, met een haast perfect op de spanningsboog balancerende epiek in de gitaarpartijen. Ook in de afsluiter (bonustrack Come, Become, to Be tel ik even niet mee) komt die epiek bovendrijven, vooral in het tweede deel, ergens waar een loeiende gitaarsolo de hemel tegelijk gitzwart en vuurrood doet kleuren.
Laat het duidelijk zijn: de Zweden hebben er een fijne plaat van gemaakt, al bleef ik tijdens het middenstuk wat op mijn honger zitten. Toch heb ik hier meer dan genoeg van kunnen genieten, en zullen enkele songs nog wel de revue passeren.
3,5 sterren
Het middenstuk van de plaat is echter niet bepaald geweldig. Ik voel steeds, tijdens het beluisteren van deze plaat, dat m'n aandacht verslapt, zeker tijdens het instrumentale intermezzo Purgatorio, dat er maar niet in slaagt de juiste snaar te raken bij mij.
Lacrimosa zorgt echter voor een ommekeer, in positieve zin! Een grandioze stamper, met een zinderend spannend tussenstuk. Daarna volgt met The World een fraai staaltje opbouw, met een haast perfect op de spanningsboog balancerende epiek in de gitaarpartijen. Ook in de afsluiter (bonustrack Come, Become, to Be tel ik even niet mee) komt die epiek bovendrijven, vooral in het tweede deel, ergens waar een loeiende gitaarsolo de hemel tegelijk gitzwart en vuurrood doet kleuren.
Laat het duidelijk zijn: de Zweden hebben er een fijne plaat van gemaakt, al bleef ik tijdens het middenstuk wat op mijn honger zitten. Toch heb ik hier meer dan genoeg van kunnen genieten, en zullen enkele songs nog wel de revue passeren.
3,5 sterren
Triptykon - Eparistera Daimones (2010)

4,0
0
geplaatst: 14 juli 2010, 11:38 uur
Duister, maar vooral intrigerend album van Triptykon. Het eerste nummer, 'Goetia' sleurt je meteen mee de onderwereld in, en je komt er pas uit als 'The Prolonging' het album op majestueuze wijze afsluit.
Tussen deze twee nummers komt er natuurlijk ook nog heel wat lekkers. Zo is er het sterke 'Abyss Within My Soul', een sfeervol intermezzo als 'Shrine' en een stevig beuknummer als 'A Thousand Lies'.
'Myopic Empire', de voorbode op 'My Pain', dus ik zie deze twee als één geheel eigenlijk. In beide komt de piano voor, al is dat in 'Myopic Empire' een stuk experimenteler (klassiek) en abrupter. Maar wel zeer geslaagd, het grijpt me toch wel aan. Pain, wordt er alsmaar geroepen, en dat is toch de spil bij dit album denk ik, pijn. ‘My Pain’ is wel heel erg rustig, maar zeker niet minder duister, daar zorgt het pianospel wel voor, samen met de zang (de tekst ook) en de dreigende gitaar die er tijdens dit nummer niet uitkomt.
‘The Prolonging’ is misschien soms wel wat te log en te zwaar, maar dat past naar mijn mening gewoon bij de hele plaat. Niet het meest geslaagde werkstuk op de plaat, maar toch ook erg sterk hoor.
Na 72 minuten luisteren ontstaat bij mij de drang om de plaat terug van tevoren af te spelen, iets wat ik dit jaar nog niet met al te veel platen gehad heb. Grootste pluspunten zijn het onheilspellende geluid, alsof het rechtstreeks uit de hel komt, en de duistere sfeer die wordt neergezet. Maar ach, ik val in herhaling, ik ga het hierbij laten.
4 sterren
Tussen deze twee nummers komt er natuurlijk ook nog heel wat lekkers. Zo is er het sterke 'Abyss Within My Soul', een sfeervol intermezzo als 'Shrine' en een stevig beuknummer als 'A Thousand Lies'.
'Myopic Empire', de voorbode op 'My Pain', dus ik zie deze twee als één geheel eigenlijk. In beide komt de piano voor, al is dat in 'Myopic Empire' een stuk experimenteler (klassiek) en abrupter. Maar wel zeer geslaagd, het grijpt me toch wel aan. Pain, wordt er alsmaar geroepen, en dat is toch de spil bij dit album denk ik, pijn. ‘My Pain’ is wel heel erg rustig, maar zeker niet minder duister, daar zorgt het pianospel wel voor, samen met de zang (de tekst ook) en de dreigende gitaar die er tijdens dit nummer niet uitkomt.
‘The Prolonging’ is misschien soms wel wat te log en te zwaar, maar dat past naar mijn mening gewoon bij de hele plaat. Niet het meest geslaagde werkstuk op de plaat, maar toch ook erg sterk hoor.
Na 72 minuten luisteren ontstaat bij mij de drang om de plaat terug van tevoren af te spelen, iets wat ik dit jaar nog niet met al te veel platen gehad heb. Grootste pluspunten zijn het onheilspellende geluid, alsof het rechtstreeks uit de hel komt, en de duistere sfeer die wordt neergezet. Maar ach, ik val in herhaling, ik ga het hierbij laten.
4 sterren
