MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

David Bowie - Scary Monsters (1980)

Alternatieve titel: Scary Monsters... and Super Creeps

poster
3,0
Een moeilijke plaat om te beoordelen. Na Low zijn Bowie's albums steeds toegankelijker geworden, met in compositorisch opzicht steeds meer gewone structuren en met warme en volle arrangementen die hun scherpe randjes alleen nog door de atonale gitaarsolo's van voornamelijk Belew en Fripp krijgen, maar daarmee is ook het mysterie en de magie van Bowie's muziek voor mij een beetje verdwenen. Het titelnummer en de twee singles springen er voor mij bovenuit, en het aparte openingsnummer en het stevige Because you're young (heerlijke riff) zijn ook sterk, maar Teenage wildlife is een matig nummer dat ook nog eens veel te lang doorgaat, Scream like a baby is haast gewoontjes, Kingdom come is een abominable en gemaniëreerd gezongen cover van een geweldig origineel, en het slotnummer is een enigszins overbodige reprise. Het is allemaal niet slecht, en Tony Visconti's eindeloze hoeveelheid ideeën voor aparte geluidjes en bizarre arrangementen bieden de nummers bijna altijd wel de helpende hand, maar uiteindelijk is dit geen muziek meer die onder mijn huid kruipt, zoals bij bijna al Bowie's platen uit het afgelopen decennium wèl het geval was.

David Bowie - Station to Station (1976)

poster
5,0
Eigenlijk kan ik pas écht horen hoe goed dit album is wanneer ik de middelste vier nummers draai, want wanneer ik de plaat als geheel beluister ben ik zó onder de indruk van het epische openingsnummer en het zeldzaam ontroerende slotnummer dat de rest daar een beetje bij verbleekt. En dat is zonde, want naast de swing van Golden years hoor ik hier een album waarop Bowie zijn beide stergitaristen zóveel ruimte geeft dat ik dit bijna een hardrockplaat zou noemen als Bowie niet zó lastig te categoriseren zou zijn dat zijn muziek per definitie niet in hokjes of genres te vangen valt. Wat met name Earl Slick op met name TVC15 en Stay laat horen plaatst hem wat mij betreft meteen op hetzelfde niveau als Mick Ronson, en dat Carlos Alomar daar eveneens thuishoort was mij al langer duidelijk.
        Om meerdere redenen heb ik dit album altijd met SF geassocieerd: omdat Bowie in deze tijd The man who fell to earth filmde, omdat er even sprake van was dat dit album daar de soundtrack van zou zijn, omdat Bowie al sinds Ziggy Stardust iets buitenaards aankleeft, omdat ik de afkorting "TVC15" om onduidelijke redenen een tijdlang heb geassocieerd met een satelliet, en omdat de sound van dit album zó far-out is dat het soms klinkt alsof de musici op een andere planeet staan te spelen. Kortom, een unieke en briljante plaat waarop Bowie de huid van Young Americans als een slang heeft afgelegd en in een nieuwe incarnatie een nóg hoger niveau bereikt.
        Overigens was dit de eerste hoes waarop ik de naam van Carlos Alomar tegenkwam, maar omdat de namen van de muzikanten (en hun instrumenten) hier zonder spaties aaneen worden geschreven, heb ik jarenlang in de veronderstelling geleefd dat de goede man Carlo Salomar heette...

David Bowie - The Buddha of Suburbia (1993)

poster
4,0
Naar aanleiding van The next day ben ik de platen uit Bowie's "laatste" periode weer eens aan het beluisteren om te kijken of en in hoeverre mijn mening daarover in de loop der jaren veranderd is, maar ik moet bekennen dat dat bij deze plaat absoluut niet het geval is, want voor mij staat hij nog altijd als een huis. Soms klassieke Bowiesongs (zoals de eerste twee tracks), soms abstracte en enigszins jazzy soundscapes, maar eigenlijk de hele plaat door interessant en boeiend. En terwijl de muziek spannend is klinkt Bowie juist heel óntspannen, alsof hij zich bij het maken van deze plaat als een vis in het water voelt en precies weet hoe het allemaal moet klinken.

Bowiekenners zullen dit wellicht al weten, maar op het einde van het eerste nummer hier citeert hij even de "Zane, zane, zane..."-regel uit zijn eigen All the madmen (van The man who sold the world uit 1970). En Strangers when we meet zou twee jaar later in een iets strakkere bewerking terugkomen als het slotnummer van 1. Outside.
 

David Bowie - The Deram Anthology 1966-1968 (1997)

poster
5,0
Prachtige compilatie die nu zo ongeveer alles verzamelt wat Bowie in 1967 uitbracht, includief twee nummers die wat mij betreft naast There is a happy land de hoogtepunten van zijn vroegste werk vormen, het in-en-in-trieste The London boys en het zwoele In the heat of the morning met dat prachtige orgel. De eerste vier nummers van deze anthologie zijn de A- en B-kantjes van twee singles, daarna volgen de 14 nummers van Bowie's titelloze debuutalbum, daarna komen de A- en B-kantjes van een derde single, en de laatste nummers zijn de restjes die Bowie nog bij Deram mocht opnemen maar die niet werden uitgebracht totdat hij ten tijde van Ziggy Stardust een superster werd en zijn oude platenmaatschappij zich opeens herinnerde dat ze nog een heleboel geld zouden kunnen verdienen met een heleboel oud materiaal van hem in een heleboel verschillende verpakkingen. Er zullen vermoedelijk nog wel meer compilaties met praktisch hetzelfde materiaal verschijnen, maar déze is voor mij compleet genoeg, want alles wat ik wil staat erop, en alles wat er op staat is leuk voor zowel de fan van de meer eigenzinnige sixties-popmuziek als de Bowie-liefhebber in mij.
        Toch één minpuntje. In 1998 bracht het Rotation-label een groot aantal CD's uit met daarop compilaties van zulke verschillende artiesten als Earth & Fire, de Shoes, Dave Berry en Greenfield & Cook (herkenbaar aan het doorzichtige blauwe doosje). Eén van die CD's behelsde het vroege werk van David Bowie, om precies te zijn 18 van de nummers op deze Deram-anthologie, inclusief de vroege versie van Space oddity. En op mijn Deram-versie van Space oddity (3:46) ontbreken nu de laatste 47 seconden van de lange "Doo doo doo"-uitloop (inclusief stevige drums) van de Rotation-versie (4:33). Niet voldoende om mijn Rotation-CD naast deze Deram-CD in de kast te bewaren, maar toch jammer. (Die Rotation-CD heette trouwens, heel onhandig gezien de alternatieve titel van Bowie's vólgende album, Space oddity.)

David Bowie - The Man Who Sold the World (1970)

Alternatieve titel: Metrobolist

poster
4,0
De eerste plaat waarop Bowie klonk zoals hij niet veel later beroemd zou worden, en niet alleen vanwege dat karakteristieke gitaargeluid van Mick Ronson die hier voor het eerst te horen is, maar ook vanwege de "swagger", het zelfvertrouwen dat opeens uit de zang spreekt, en ook omdat de band een stuk zwaarder klinkt (met dank ook aan de rollende bas) en omdat de muzikanten een stuk hechter klinken. De heavier totaalsound biedt ook een interessanter platform voor de vaak dystopische teksten, maar nummers als All the madmen en After all hebben ook een schrijnend randje dat ik nog niet eerder bij Bowie ben tegengekomen.
        Alles valt dus op z'n plaats, maar toch kan ik hier niet de maximale waardering aan geven, want er zitten toch ook wel wat matige nummers tussen (Black country rock, Running gun blues, She shook me cold), en het gitaargeweld van Mick Ronson verzinkt af en toe een beetje in hardrock-cliché's waarbij ik steeds Jimmy Page voor me zie – op She shook me cold mag Ronson twee minuten lang los gaan, en hoewel Visconti en Woodmansey hun best doen om de zaak interessant te houden is mijn aandacht toch al ruim vóórdat het laatste refrein klinkt verdwenen. Een aantal briljante momenten dus (vooral tijdens de eerste helft), maar ook een aantal mindere momenten; de laatste opstap naar Bowie's grote periode, maar nog niet alle plooien zijn gladgestreken.

David Bowie - The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars (1972)

Alternatieve titel: Ziggy Stardust

poster
5,0
Opmerkelijk toch hoe fris dit album ook een halve eeuw later nog klinkt: hard, helder, warm en qua sound perfect in balans met de zang en de karakteristieke gitaar van Mick Ronson op de voorgrond, maar met drums, bas, sax en strijkers die net zo vaak een hoofdrol opeisen. Ook een heel aparte mix van oud en nieuw, met aan de traditionele kant de piano die eerder als een tingel-tangel-piano dan als een warme vleugel klinkt (maar die op Star opeens een Jerry Lee Lewis-hamerpiano wordt), de twaalfsnarige akoestische gitaar, de doo-wop-achtige koortjes, de reverb-gitaar van Rock 'n' roll suicide, het typische glam-ritme van bijvoorbeeld Hang on to yourself, de puntige gitaarsolo's, de klassieke songstructuren, en bovenal de vele poppy en zeer goed meezingbare (zeg maar meebrulbare) teksten die ook nog eens goed "bekken".
        Maar aan de kant van het nieuwe en nooit gehoorde zijn daar het hele concept (ook al is dat dan achteraf verzonnen c.q. om de songs heen gebreid), de suggestieve teksten die een historische achtergrond voor het personage Ziggy impliceren die er misschien wel helemaal niet is (ondanks de bekende historische voorbeelden van The Legendary Stardust Cowboy, Vince Taylor en, vooruit, Iggy Pop), de dystopische elementen, het idee van de alien op aarde, de fluïde seksualiteit van Ziggy, en bovenal de "otherwordliness" van Bowie en de fantastisch uitgedoste Spiders.
        En het grootste wonder: zoals Bowie zelf zei, "I wasn't at all surprised Ziggy Stardust made my career. I packaged a totally credible plastic rock star – much better than any sort of Monkees fabrication. My plastic rocker was much more plastic than anybody's." En toch slaagt hij erin om midden in die science-fiction-achtige fantasie de luisteraar werkelijke wanhoop te laten ervaren, want Five years en Rock 'n' roll suicide zullen bijna niemand die met dit album meegaat onberoerd laten.
        In 1978 was ik met een vriend voor het eerst van mijn leven in Londen, en toen we op een avond door de stad dwaalden keek hij opeens een zijstraat in en zei: "Hee!" Nog altijd heb ik een foto van hem onder het gele bordje "K. WEST". Vandaag de dag weet iedereen dat dat in Heddon Street is dankzij talloze boeken, artikelen en sites waarop al die informatie vrijelijk beschikbaar is, maar indertijd was het een kleine sensatie om opeens die bijna sacrale plek zomaar in het wild tegen te komen. Mooie herinnering, prachtige plaat.

David Bowie - Young Americans (1975)

poster
4,0
"Een sax maakt nog geen soul", dat was de kern van de recensie in de Muziek Expres in 1975 van deze plaat, gewaardeerd met 2½ (van de 5) sterren, als mijn geheugen mij tenminste niet bedriegt. Ik geloof dat de geschiedenis iets coulanter over deze plaat is gaan oordelen, want na de funk- en disco-explosie van de late jaren 70 en het mixen van genres en stijlen in de jaren 80 kun je dit album toch moeilijk anders dan als een voorloper daarvan beschouwen – misschien niet de eerste, maar vermoedelijk wel de meest high-profile. (Of waren dat de Stones die in hetzelfde jaar de reggae adopteerden op Black and blue?)
        Plastic soul met meer gemaniëreerde zang, maar aan de composities en de arrangementen is toch ook veel aandacht besteed, en net als bij Bowie's eerdere platen maken de details soms het verschil: de swingende conga's op het titelnummer, de op-en-neer-echoënde blazers aan het begin van Win, de clavinet in Fascination en Right, de strijkers op Can you hear me, het intro met reverse-geluiden van Fame, en natuurlijk die zachte vervormde gitaar op de achtergrond gedurende het hele album die zo sprookjesachtig gebruikt zou worden op Wild is the wind op Bowie's volgende plaat. Eerlijk is eerlijk, ik weet niet of ikzelf in 1975 ("soulkikkers, yuck") in staat zou zijn geweest om dit album op waarde te schatten, maar sindsdien ben ik er toch wel een behoorlijke fan van geworden.
        Toch geen maximale score mijnerzijds, want ten eerste vind ik kant 2 wel een tikje minder dan kant 1, en ten tweede, zeer persoonlijk maar ik kan er ook niets aan doen: hoe gerenommeerd David Sanborn ook is, ik vind het geluid van zijn altsaxofoon hier ongelooflijk lelijk, vooral wanneer hij zogenaamd boven z'n macht gaat blazen (zoals op 0:30 op Right, of na 1:55 op Somebody up there likes me, of na 2:57 en 3:30 op Can you hear me). Gelukkig verpest dat niet (helemaal) mijn lol in het album als geheel.

David Gilmour - On an Island (2006)

poster
3,5
Deze maar weer eens een kans gegeven, en na de teleurstellingen van The endless river en Rattle that lock is dit toch eigenlijk een heel behoorlijke plaat, zeker geen meesterwerk maar wel mooi consistent qua sfeer en "vol" qua uitstraling. Misschien is het een (over-)reactie op het eerdergenoemde duo, maar ik kan hier nu meer van genieten dan toen ik hem negen jaar geleden leerde kennen. Hoogtepunten zijn voor mij het titelnummer en (vooral) het daaropvolgende The blue, en de tweede helft bevat wat mindere stukken (met name This heaven en Then I close my eyes), maar als geheel vind ik dit toch wel een redelijk sterk album.

David Gilmour - Rattle That Lock (2015)

poster
2,5
Och ja, als je zulke lage verwachtingen hebt als ik (vanwege On an island en The endless river), dan valt deze plaat best mee. Natuurlijk staat er weer zo'n minimalistisch instrumentaaltje (5 a.m.) op en zo'n topzware ballade (In any tongue) en zo'n variatie op Another brick in the wall part 2 (Today), maar al met al is de plaat toch wel afwisselend genoeg om uit te kunnen zitten, en het titelnummer vind ik zelfs uitgesproken sterk. En vanzelfsprekend klinkt dit album weer perfect.
        De crux blijft voor mij toch dat Gilmour bijna de uitvinder en zeker de eigenaar is van zijn specifieke gitaargeluid: warm, vol, bruin, soms vernietigend (zoals op 3:20 en 3:33 van Beauty), emotioneel en uniek, en hij heeft natuurlijk alle recht om dat "gepatenteerde" geluid zo vaak als hij maar wil te gebruiken, maar als luisteraar denk ik: nou, het is nou al veertig jaar ná Wish you were here, laat nou eens een ánder geluidje horen (zoals op Dancing right in front of me)... of beter gezegd: gebruik die sound maar zo veel als je wil, maar ík heb het er wel mee gehad.

David Sylvian - Alchemy: An Index of Possibilities (1985)

poster
3,0
Hoewel ik in de jaren 80 behoorlijk Japan- en Sylvian-gek was heb ik deze plaat nooit als volwaardig tweede solo-album beschouwd, meer als experimenteel tussendoortje. Sterker nog, indertijd was ik me alleen maar van Words with the shaman bewust, vermoedelijk omdat Alchemy alleen maar op cassette verscheen. Wel weet ik nog dat ik in een arty videotheek een exemplaar van Sylvians experimentele film Steel cathedrals ontdekte en daar zelfs een thuiskopie van maakte – om die vervolgens nooit meer te herzien. (Die film van 20 minuten is momenteel op YouTube te bekijken.)
        Al met al mooi en integer, maar ook wat veel van het goede; voor mij zijn de drie delen van Words al voldoende, en deze plaat zal dan ook niet vaak uit de kast komen. (Overigens bestaat het album oorspronkelijk uit vijf nummers, en werden tracks 5 en 6 pas bij de Europese CD-versie van 2003 toegevoegd, vandaar de sterretjes bij de tracklisting hierboven. En Sylvians eigen website suggereert zelfs dat [sommige van] de opnames voor Alchemy al van vóór zijn solodebuut stammen: "Recorded in Tokyo and London 1984-85 this project saw David exploring themes and directions that first surfaced on the Brilliant Trees sessions.")

David Sylvian - Approaching Silence (1999)

poster
3,5
Aan de ene kant vind ik het hele idee van (en achter) dit soort muziek (instrumentaal, weids en hypnotiserend) zeer sympathiek, maar aan de andere kant vind ik het resultaat in de praktijk eigenlijk bijna altijd saai en verlies ik al na een paar minuten mijn aandacht (zoals bij het openingsnummer), hoezeer ik ook probeer om niet mijn aandacht maar slechts mijzèlf in de muziek te verliezen. Aan de derde kant moet ik bekennen dat ik het titelnummer hier toch wel erg fascinerend vind : er gebeurt eigenlijk niets anders dan 20 (30? 40?) maal een rustige passage afgewisseld met een plotseling opzettende elektronische storm, en dat zo ongeveer ad infinitum (en voor velen vermoedelijk ook ad nauseam). Inderdaad, saai en repetitief, en typisch het soort muziek waarbij ik normaliter al na een paar minuten etc., maar op de één of andere manier raakt dit stuk me wèl (zonder dat ik overigens de behoefte gevoel om me verder te gaan verdiepen in gelijksoortige muziek). Dus, ondanks mezelf, een voor de helft fraaie en intrigerende plaat. (Omdat ook Epiphany wel mooi is zou ik ook kunnen zeggen "een voor twee-derde fraaie plaat", maar dat zou een beetje krom geteld zijn...)

David Sylvian - Brilliant Trees (1984)

poster
5,0
Als ik met "verse" oren naar dit album luister heeft het nog altijd hetzelfde ademstokkende effect als de eerste keer dat ik het hoorde. Nog altijd lijkt Brilliant trees de standaard te zijn waarmee mensen hier Sylvians solowerk beoordelen (hoewel toch ook wel veel mensen Secrets of the beehive noemen). Het gebruik van de trompet die als een synthesizer klinkt (en vroeger dacht ik dat het ook echt een synth wàs, bijvoorbeeld tijdens de eerste maten van het titelnummer) is in ieder geval een soort handelsmerk voor deze plaat geworden: als ik nu ergens zo'n geluidje hoor denk ik meteen aan Brilliant trees. (Of zijn er doorgewinterde jazzluisteraars die onmiddellijk wijzen op trompetsolo's op platen die ver buiten mijn aandachtsgebied liggen?)
        Eigenlijk staat er geen zwakke broeder op het album, maar mijn favoriet blijft toch Nostalgia; ik heb me ook altijd afgevraagd of dat nummer over de gelijknamige film van Andrei Tarkovski uit 1983 ging, en dat kan volgens mij eigenlijk ook niet anders met een regel als "The sound of waves in a pool of water" (herkenbaar voor wie de film heeft gezien?).
        Een mooi contrast: een zeer spirituele plaat, maar hij begint èn eindigt met een verwijzing naar "the soil". Ook voor mij nog altijd de Sylvian-standaard; acht fantastische albums tussen 1980 en 1993, niet misselijk.

David Sylvian - Everything and Nothing (2000)

poster
3,5
Van twee Sylvian-fans die alle reguliere albums al in de kast hebben staan zal de één dolblij zijn dat hij via Everything and nothing een heleboel (zij het helaas niet álle) wijd en zijd verspreide Sylvian-nummers kan verzamelen (en daarvoor neemt hij al die nummers die hij al bezit op de koop toe), terwijl de ander zich afvraagt waarom hij zoveel muziek die hij al bezit opnieuw moet kopen om aan al die zeldzame nummers te komen (en dan heeft hij die nog niet eens compleet!). De Sylvian-noviet tenslotte die op zoek is naar een goed carrière-overzicht vraagt zich af waarom die outtakes, alternatieve versies en zeldzame nummers beter of interessanter zouden zijn dan al die reguliere nummers waarvoor zo geen ruimte was op deze compilatie (slechts één nummer van Brilliant trees?!).
        Ik begrijp hoe mensen blij kunnen zijn dat deze plaat geen "best of" wil proberen te zijn of waarom ze de veelzijdigheid van de selectie prijzen, en ik weet wel dat ik tevreden zou moeten zijn met wat je hier in handen krijgt, maar ik kan toch niet onverdeeld enthousiast zijn over de samenstelling van deze CD. Hetgeen natuurlijk niet wegneemt dat wát er op staat een prachtige verzameling vormt met veel wonderschone bekende en evenveel geweldige ónontdekte nummers.

David Sylvian - Gone to Earth (1986)

poster
5,0
Dit album (althans vinylplaat 1) is niet alleen over de hele linie ijzersterk qua composities en arrangementen, maar heeft ook nog eens een zeldzaam prachtige sound. Met name de nummers op de tweede vinylkant (tracks 5-7) hebben zó'n mooie, warme en ronde klankkleur dat de temperatuur in de kamer bijna merkbaar stijgt. Die sound, uiteraard (zoals gezegd) in combinatie met de prachtige nummers en inventieve arrangementen, zorgt ervoor dat dit een absoluut perfect album zonder ook maar één zwakke seconde is. Brilliant trees was een openbaring en blijft voor mij dus "de" Sylvian-plaat, maar eigenlijk stiekem héél in het geheim prefereer ik misschien wel déze.
        Het hoogtepunt van het album is voor mij het moment waarop in het laatste nummer na de lange instrumentale aanloop en de drie oplopende akkoorden de melodie van "Baby I can tell you. . ." inzet, maar ook een prachtig detail vind ik het subtiele "atmospherics"-geluid dat bijna onhoorbaar gedurende de hele speelduur op de achtergrond van Laughter and forgetting klinkt om daarna een prachtige brug naar Before the bullfight te slaan.
        Volgens mij was dit één van de laatste platen die ik op vinyl kocht, en toen ik hem niet veel later op CD wilde kopen zag ik in de winkel dat slechts zes van de tien nummers van de minder interessante tweede vinylplaat de oorspronkelijke CD-versie hadden gehaald. Ik heb toen thuis nog eens die tweede plaat gedraaid en bekeken welke nummers ik daarvan (min of meer) essentieel vond, en toen bleek dat bij die zes nummers alle vier de essentiële nummers zaten. Nooit spijt gehad van de koop, ook nooit de behoefte gehad om later het "complete" album op de nieuwere CD-versie te kopen.

David Sylvian - Manafon (2009)

poster
2,0
Ooit was David Sylvian heilig voor mij : Quiet life, Gentlemen take polaroids, Tin drum, Brilliant trees, Gone to earth, Secrets of the beehive, Rain Tree Crow, The first day, een paar losse samenwerkingen met Sakamoto (Forbidden colours, Heartbeat), (sommige delen van) zijn meer experimentele werk (Words with the shaman, Approaching silence) – ik vond het allemaal prachtig. Vanaf (of vooruit, ná) Dead bees on a cake ging het mis en maakte structuur plaats voor experimenteerdrift. Niks mis mee, het is geweldig wanneer een artiest zich blijft ontwikkelen, maar zelf kan ik hier nauwelijks naar luisteren.

Het is ongetwijfeld serieus en integer bedoeld, maar al dat gefriemel en gefröbel leent zich ook wel erg goed voor een parodie – de Bonzo Dog Doo-Dah Band zou hier een field day mee hebben. Zoals gezegd geef ik Sylvian het voordeel van de twijfel, maar het doet me ook wel vaak denken aan sommige dingen op het Rain Tree Crow-album (bijvoorbeeld het titelnummer daarvan en Scratchings on the bible belt), en dat werd achttien jaar vóór dit album gemaakt. Kennelijk was hij er nog niet helemaal klaar mee.
 

David Sylvian - Secrets of the Beehive (1987)

poster
4,5
De derde plaat in Sylvians prachtige trilogie vind ik nèt wat minder dan de eerste twee, al kan ik moeilijk aangeven waarom. Misschien omdat Secrets het overdonderende van het debuut en de kamerbrede ambitie van de opvolger mist? Misschien omdat het de eerste plaat is waarop Sylvian binnen het door hemzelf ontwikkelde muzikale idioom blijft en zich tevreden stelt met het maken van perfecte kamermuziek zonder buiten zijn eigen "comfort zone" te treden? Moeilijk de vinger achter te krijgen, en sowieso is en blijft dit een geweldige plaat met het onheilspellende The devil's own en het grenzeloos melancholische Waterfront als hoogtepunt (maar ook met het flauwe Let the happiness in als een voor Sylvian ongebruikelijke misser, met z'n melige slotminuten en die blazers die ik altijd met het Leger des Heils associeer).
        Wat de "is Forbidden colours nou wèl of niet een bonustrack?"-discussie betreft bevind ik mij duidelijk in het kamp der jazeggers, want hoewel ik dit album al vanaf het begin met Forbidden colours als afsluiter ken vind ik het qua sfeer absoluut niet bij de overige nummers passen, ook al omdat de tekst ervan zo duidelijk hoort bij een (vier jaar eerder gekende) film die niets met de rest van dit album te maken heeft. (Dit alles afgezien van het feit dat ik de oorspronkelijke versie prefereer.)

David Sylvian - Words with the Shaman (1985)

poster
4,0
Nummers 1 en 3 klinken een beetje alsof de tape na het einde van Brilliant trees (het nummer) nog even doorliep, maar daar is verder niets mis mee, en nummer 2 doet me een beetje denken aan My life in the bush of ghosts van David Byrne en Brian Eno uit 1981. Al met al zijn dit veertien mooie minuten; ik weet niet of ik hier een hele CD van 60 of 80 minuten lang naar zou kunnen luisteren, maar met deze lengte is dit zowel een leuke aanvulling op Sylvians debuut als een fraai stand-alone-mini-album.

David Sylvian and Robert Fripp - The First Day (1993)

poster
5,0
Eerst twee korte, redelijk toegankelijke maar ook niet echt orthodoxe nummers met allebei een prachtige gitaarbreak, een soort dubbele schijnbeweging om de plaat om gang te brengen, en dan begint het : Firepower met die prachtige tweede helft, Brightness falls dat met een perfect drumgeluid opent, en 20th century dreaming met ook weer een geweldige tweede helft. Darshan duurt wat te lang (hoewel ik ook iemand ken van wie het rustig een half uur had mogen duren) maar verveelt eigenlijk nergens, en dan verzorgt Fripp nog een prachtige sfeervolle coda... Een geweldige trip, waarvan de spacy instrumentale passages nog sterker worden doordat ze zo effectief door intrigerende songstructuren worden omlijst. Na al die jaren ben ik hier nog steeds niet op uitgeluisterd.
        Vraagje: ik zie in bovenstaande tracklisting achter Brightness falls "Live" staan, maar daar heb ik op mijn exemplaar (gekocht in 1994) nooit iets van gemerkt. Is dat op nieuwere persingen zo? Vervangen door de live-versie van Damage ? (De hierboven vermelde tijd van 6:06 is nochtans die van de studioversie, de liveversie duurt 23 seconden langer.)

David Wiffen - Coast to Coast Fever (1973)

poster
4,0
Ik sluit me aan bij Jasper. Het klinkt allemaal iets gewoner en daardoor wat minder intens emotioneel dan op het debuut, maar dat levert nog altijd een uitstekende plaat op. White lines, You need a new lover now en vooral Climb the stairs zijn mijn persoonlijke favorieten.

Dawn - The Very Best Of (1997)

Alternatieve titel: Dawn Featuring Tony Orlando

poster
4,0
Als America, Bread en de Carpenters het ABC van de soft-rock mogen heten, dan staat de daaropvolgende letter in het alfabet voor Dawn (featuring Tony Orlando uiteraard), wellicht de groep waarvoor de term middle of the road werd gemunt. Voorop natuurlijk Orlando met zijn vriendelijke stem en innemende persona, daarachter twee zoetgevooisde damesstemmen, nummers met melodieuze coupletten, catchy refreintjes en verhalende teksten over, natuurlijk, de liefde, het geheel warm gearrangeerd met piano, drums, blazers en strijkers keurig op hun plek. Op deze compilatie staan hun hits van tussen 1970 en 1974, inclusief de top-3-hits Candida en Say, has anybody seen my sweet Gypsy Rose?, de Amerikaanse en Engelse nummer-1-hit Knock three times en natuurlijk het onverslijtbare Tie a yellow ribbon round the ole oak tree (nummer 1 in Amerika, Engeland en Nederland, en met 6 miljoen exemplaren de best verkochte single van 1973). Bovendien bevat deze verzameling een aantal prima albumtracks zoals Up on the roof (oorspronkelijk van de Drifters), You're a lady (Peter Skellern) en de klassieker Vaya con Dios (waarvan Wikipedia een slordige 70 versies opsomt), plus helaas ook bijvoorbeeld een cover van James Taylors Carolina in my mind waarvoor Orlando absoluut niet het juiste gemak in zijn stem kan opbrengen. Maar goed, al met al is dit een behoorlijk goede compilatie die nergens echt inzakt of vervelend wordt, mits je natuurlijk tegen dit soort pure feel-good-pop kan.
        Dat er verder geen informatie over producers, muzikanten of opnamedata op staat is te verwachten bij dit soort compilaties, maar dat er zelfs geen enkele foto van de drie zangers op de hoes of in het boekje te vinden is mag toch wel bizar genoemd worden. Vervelender zijn de twee belangrijkste minpunten van deze CD. Ten eerste bevat dit album dus de voornaamste hits van tussen de jaren 1970 en 1974, maar dat betekent ook dat He don't love you (like I love you) uit 1975 er niet op staat, op zich niet een geweldig nummer in mijn optiek, maar wel een Amerikaanse nummer-1-hit en dus hier eigenlijk verplichte kost.
        Als ik een "ultieme verzamelaar" van een hitsband wil kopen, ben ik daarnaast altijd zeer consciëntieus bezig met het uitzoeken van welke van de vele compilaties ik wil hebben: ik loop de Amerikaanse, Engelse en Nederlandse hitlijsten langs, ik bekijk welke albumtracks de moeite waard zijn, en ik kies tenslotte de Best of / Greatest hits-CD die de meeste (en natuurlijk het liefst álle) essentiële nummers herbergt. Zo ook hier – en dan is het uiterst teleurstellend wanneer het zesde nummer hier niet de aanstekelijke cover van Al Koopers Jolie is (hoewel Kooper wel als componist vermeld staat!) maar een gelijknamig en uiterst melig countrywalsje dat ik niet eens op internet kan traceren. Misschien dat eerdere of latere persingen van deze CD wèl de juiste Jolie bevatten, maar op míjn CD is de afwezigheid ervan in ieder geval een ernstig gemis.

Dean Martin - Cha Cha de Amor (1962)

poster
4,0
Martins laatste Capitol-opnames voordat hij naar Sinatra's Reprise-label overstapte. Als hij de fut of de inspiratie ontbeerde om voor deze laatste verplichtingen nog even zijn best te doen, dan is daar op dit album in ieder geval niets van te merken, want het is een uitstekende verzameling romantische klassiekers die in Martins handen een zeer consistente plaat opleveren. De cha-cha is voor deze nummers misschien een enigszins melige muzieksoort, en bij sommige nummers gaat het alomtegenwoordige fluitje ook wel een beetje irriteren, maar producer David Cavanaugh en arrangeur en dirigent Nelson Riddle weten toch zóveel variatie in de arrangementen te brengen dat de plaat als een droom voorbijglijdt, met als hoogtepunten het verleidelijke A hundred years from today en het innemende I wish you love waarin Dino zijn grote voorbeeld Bing Crosby naar de kroon steekt.

Opgenomen op 18, 19 en 20 december 1961, uitgebracht in april 1962. Het oorspronkelijke album (dus de eerste 12 nummers van bovenstaande tracklisting) werd in 1997 samen met Dino! Italian love songs door EMI uitgebracht op een two-on-one-CD.
 

Dean Martin - Dino! Italian Love Songs (1962)

poster
3,0
Een poging om wat geld te slaan uit Martins Italiaanse roots in de vorm van een album met een dozijn Italiaanse liedjes bewerkt voor de Amerikaanse markt door producer David Cavanaugh en arrangeur en dirigent Gus Levene. Het resultaat is een vrij behoorlijke selectie songs die echter grotendeels verzuipen in de overdadige arrangementen vol strijkers, accordeons, mandolines en gemengde koortjes. De "couleur locale" die Martin via Italiaanse woordjes en zinsnedes in de algemene sfeer van het album probeert aan te brengen ("So please meet me in the plaza near your casa") ligt er èrg dik bovenop, maar werkt op sommige momenten toch wonderwel. Al met al een aardig album dat vanwege het hoge suikerzoetheidsgehalte niet geschikt is voor andere dan de meest verstoke Dean Martin-fans.

Een paar nummers hiervan verdienen nadere aandacht :
Return to me was al eerder een grote hit voor Martin (USA #4 in 1958).
On an evening in Roma wordt nog wel eens gebruikt in speelfilms die zich geheel of gedeeltelijk in Italië afspelen, al was het maar in The Lizzy McGuire movie uit 2003.
I have but one heart is voor moderne kijkers vooral beroemd (en berucht) omdat het in The Godfather werd gezongen door Johnny Fontane (Al Martino) op het huwelijk van de dochter van Don Corleone aan het begin van de film.
There's no tomorrow is een vertaling van O sole mio uit 1899; Tony Martin (geen familie) had er in 1949 een hit mee, maar moderne luisteraars zullen het vooral kennen in de versie van Elvis uit 1960 : It's now or never.

Opgenomen op 6, 7 en 8 september 1961, uitgebracht in februari 1962. Het oorspronkelijke album (dus de eerste 12 nummers van bovenstaande tracklisting) werd in 1997 samen met Cha cha de amor door EMI uitgebracht op een two-on-one-CD.
 

Dean Martin - The Very Best of (1998)

Alternatieve titel: The Capitol & Reprise Years

poster
5,0
Het "selling point" van dit album ten tijde van de release was dat dit de eerste compilatie zou zijn waarop zowel nummers uit Martins tijd op het Capitol-label (1948-1962) als uit zijn verblijf bij Sinatra's Reprise (1962-1973) waren verzameld. En het resultaat van die ineengeslagen handen is dan ook een mooi overzicht van Martins produktie door de jaren heen, van de wat ingetogener nummers als That's amore (1953), Memories are made of this (1955) en Return to me (1958) naar de "rollende" MOR-arrangementen met zwaar koor van Everybody loves somebody en variaties daarop als The door is still open to my heart en You're nobody till somebody loves you (allemaal 1964), totdat hij meer in de richting van de country gaat met Little ole wine drinker me (1967) en Gentle on my mind (1969). Die laatste verandering van muziekstijl vindt dus plaats op het einde van de jaren 60 wanneer de opkomst van de album-georiënteerde popmuziek hem duidelijk zal hebben gemaakt dat hij definitief tot artefact van een vroegere generatie was verklaard, hoewel hij het dan nog langer heeft volgehouden dan veel van zijn tijdgenoten.
        Wat de presentatie hiervan betreft, het boekje stelt niet veel voor, maar het geluid van de CD zelf is uitstekend en de selectie redelijk zorgvuldig, met alle zeven top-10-singles keurig aanwezig (dus inclusief zijn twee nummer-1-hits Memories are made of this en Everybody loves somebody). Daar staat tegenover dat lang niet alle nummers hiervan hits werden, en dat ook lang niet al Martins kleinere hits hier aanwezig zijn, maar dat heeft ongetwijfeld te maken met het plan om bij commercieel succes hier nog een tweede deel van uit te brengen, zoals twee jaar later ook geschiedde (hoewel ik geen hitnotering in de Amerikaanse albumlijsten voor dit eerste deel heb kunnen vinden, en voor zover ik weet is het ook bij twee delen hiervan gebleven).
        En verder, tja, wat moet ik hier nog van zeggen? Wie overgevoelig is voor Martins Bing-Crosby-in-het-kwadraat-stijl, zijn "met dubbele tong" om de zangmelodie heen draaien, zijn geflirt met zijn Italiaanse wortels ("When the stars make you drool just like pasta fasul / That's amore") en zijn uitventen van het gevoel van de levensgenieter kan deze compilatie het beste uiterst links laten liggen. Voor alle overige liefhebbers van de glorietijd van klassieke Amerikaanse crooners (en volgens mij zijn die liefhebbers er nog steeds in groten getale, hoewel misschien niet per se op déze site) is dit een uitstekende compilatie die aan veel eisen van een guilty pleasure tegemoet zal komen. En dat is precies wat Dean Martin voor mij sinds Nick Tosches' biografie Dino – living high in the dirty business of dreams is: totaal nep, maar met een zodanige onverschilligheid tegenover wat iemand anders er van vindt dat ik ondanks mezelf respect voor zijn stijl heb. En stijlvol ís hij.

Dean Martin - The Very Best Of, Volume 2 (2000)

Alternatieve titel: The Capitol & Reprise Years

poster
4,0
Omdat op The very best of Dean Martin (1998) reeds alle zeven top-10-hits van Martin stonden is de spoeling op dit tweede deel noodzakelijkerwijs wat dunner, maar ook dán vinden we hier nog altijd acht hits en hitjes plus vier singles die de Billboard-top-100 niet haalden, aangevuld met negen nummers die voor zover ik weet nooit als single werden uitgebracht maar wel ongeveer hetzelfde niveau hebben. Dus zien we Dino hier ook weer afwisselend de jasjes dragen van verleider (I can't give you anything but love), schuinsmarcheerder ("Standing on the corner watching all the girls go by"), Latin lover (On an evening in Roma : "So just meet me in the plaza near your casa") en zorgeloze levensgenieter (Bumming around).
        Het gekke is dat ik dit tweede deel eigenlijk vaker draai dan het eerste. Toegegeven, er staan een paar absolute draken op, zoals Tik-a-tee tik-a-tay (het geluid van Dino's hart wanneer hij met een mooie vrouw danst, hoewel het bij hem altijd ook kan gaan om een ánder lichaamsdeel dat voor optimaal functioneren eveneens afhankelijk is van bloed), Not enough Indians (dat de producer durft te laten eindigen met zo'n Apache-"oewoewoewoe"-kreet uit de standaard-uitrusting van elke jongen die cowboy'tje speelt), en Send me the pillow that you dream on (dat een rip-off is van You're nobody till somebody loves you, dat een rip-off is van The door is still open to my heart, dat een rip-off is van de Amerikaanse nummer-1-hit Everybody loves somebody).
        Daar staat echter tegenover dat er halverwege de CD een trio nummers staat dat ik bijna onbeperkt kan beluisteren. Baby it's cold outside zal wel geen nadere introductie meer behoeven, maar op You belong to me slaagt Martin er warempel in om doorheen zijn semi-wankele zang een bezorgdheid om het mogelijke verlies van de toegezongen vrouw te laten schemeren, en de vreugdevolle verwachting die hij in zijn versie van On the street where you live legt wekt dat nummer uit My fair lady op ongeëvenaarde wijze tot leven – misschien zette Martin zijn partij in een verloren kwartiertje in één take op band en dacht hij er verder niet bij na, maar zijn perfect gedoseerde voordracht is werkelijk ideaal voor dat liedje van een jongen voor wie het al genoeg is om zich in de straat van het meisje op wie hij verliefd is te bevinden.
        Na de 21 nummers van deel 1 is de even gulle dosis van deel 2 misschien wat veel van het goede, maar wie gevoelig is voor Dino's gelikte charme zal hier toch ook weer veel van zijn of haar gading vinden.

Death Cab for Cutie - Narrow Stairs (2008)

poster
3,5
Intrigerende stem, doet me (terecht of niet) af en toe denken aan Mike Scott van de Waterboys, maar ook aan Jason Lytle van Grandaddy. Zorgvuldig gezongen teksten, stevige en vaak lekker hard opgenomen drums, kleurrijke arrangementen, en melodieën die soms aan je hart trekken, maar zoals hier wel vaker opgemerkt staan de beste nummers aan het begin van de plaat (Bixby Canyon Bridge, I will possess your heart natuurlijk en Cath…), en als geen der latere nummers in de buurt van dat niveau komt heb ik na afloop toch een licht ontevreden gevoel (ook al is plaatafsluiter The ice is getting thinner dan wel weer fraai). Een sympathieke plaat, maar niet zo sterk dat ik de behoefte krijg om meer muziek van deze band te gaan beluisteren.
 

DeeExpus Project - Half Way Home (2008)

poster
4,0
Een vrij uniek geluid : de basis is progmetal, maar daaroverheen liggen gevarieerde gitaarpartijen en zangmelodieën met een traditionele en "mooie" inslag, resulterend in nummers met emotionele stemmingen die zijn gevat in een feitelijk licht en helder geluid, niet altijd gebruikelijk in de progmetal. Bovendien worden de zangpartijen verzorgd door een man wiens stem me qua warmte soms aan die van Toto's Bobby Kimball doet denken en qua donkere breekbaarheid soms aan die van Pat DiNizio van de Smithereens, en het contrast tussen die emotionele (en fraaie) stem en de strakke muziek levert een uiterst interessant geheel op. Een prachtige plaat die wat mij betreft ook nog eens onbeperkt draaibaar is.

Deep Forest - Boheme (1995)

poster
3,0
Opnieuw traditionele zangers wiens stemmen bovenop de modernste synthesizermuziek worden gelegd, waarna de nummers met alle mogelijke technologische snufjes worden opgepimpt tot een even sfeervol als dansbaar geheel. Wat de oorspronkelijke zangers en zangeressen er van vinden weet ik niet (afgezien van problemen rondom de betaling van de zanger van Freedom cry), en of dit album veel luisteraars er toe heeft aangezet om ook eens op zoek te gaan naar de authentieke muziek is mij evenmin niet duidelijk – in dat geval hoop ik dan maar dat niemand teleurgesteld is wanneer die lekker vette beats eronder ontbreken. Of is deze muziek vooral terecht gekomen in het circuit van loungers en chillers?
        Los daarvan zitten hier weer een aantal melodieën tussen die onder de huid kruipen en daar niet meer weg willen gaan, zodat de componisten toch opnieuw een goed oor blijken te hebben voor het slim combineren van melancholische zanglijnen en sfeervol produktiewerk. Er zit misschien een raar contrast tussen zang die het gevoel van het hart volgt en een door de computer gegenereerd ritme dat nergens van z'n strakke maat afwijkt, en met die botte beat onder verder mooie nummers als Bohemian ballet en Gathering heb ik persoonlijk veel moeite, maar wie deze groep volgt zal daar wellicht niet zo zwaar aan tillen.
        Volgens wikipedia zou er overigens ook een Europese persing moeten circuleren met als bonustrack While the earth sleeps, een samenwerking met Peter Gabriel en de Bulgaarse zangeres Katya Petrova, ook verschenen als CD-single en op de soundtrack van de film Strange days uit 1995.

Deep Forest - Deep Forest (1992)

Alternatieve titel: World Mix

poster
3,5
Zou dit nou niet vallen onder het paraplubegrip "cultural appropriation"? Zéker wanneer sommige Afrikaanse zangflarden buiten elke context worden gebruikt als ritme-samples (zoals op Hunting), maar ook wanneer er langere frasen of hele coupletten worden ingepast, want dan ligt het accent toch steeds op de new-age-begeleiding met synthesizers en elektronische percussie, en voor mijn gevoel schuurt dat een beetje. Maar ja, niemand protesteert, een deel van de opbrengst is naar lokale goede doelen gegaan, en het is in feite niet anders dan wat Moby met oude blueszangers op Play heeft gedaan, dus ik ga verder niet zeuren.
        Los daarvan is dit muzikaal toch wel verdraaid lekker. Ik hou nog even mijn hart vast wanneer het openingsnummer begint met "Somewhere deep in the jungle are living some little men and women. They are our past, and maybe... maybe they are our future", alsof David Brent een tekst voor Spinal Tap heeft geschreven, maar daarna overheersen de fraaie melodieën en de warme synths, vooral bij de eerste zes nummers. Bovendien swingen de ritmetracks soms behoorlijk (bijvoorbeeld op Hunting en Savana dance), en als je er eenmaal aan gewend bent passen de zanglijnen en de stemmen steeds verrassend goed bij de muziek. Tamelijk verslavende plaat.
        En Sjaan, het klopt wat je daar zegt, bovenstaande afbeelding (dus met een witte rand) is de hoes van de oorspronkelijke uitgave van dit album toen het nog gewoon titelloos was (of naar de band heette), maar in 1994 werd het met een aantal zielloze remixen heruitgegeven onder de titel World mix, en díé uitgave heeft een geheel groene hoes met de titel in witte letters en het logo of symbool (hierboven klein en blauw) groot en geel in het midden geprint. Forest hymn, het laatste nummer hier, is een (mooie) bonustrack op Japanse persingen.

Deep Purple - Fireball (1971)

poster
4,0
Eén ding is duidelijk: als het Purple's bedoeling was om absoluut géén In rock part 2 te maken, dan zijn ze in die opzet ondubbelzinnig goed geslaagd, want hoewel de drive even sterk is en de sound vaak aan de klassieke voorganger doet herinneren is dit verder een even afwijkend als uniek album. Ik weet niet of je het echt experimenteel mag noemen, want verschillende nummers (met name die op "kant 1") hebben een redelijk conventionele blues-rock-structuur, maar de arrangementen, de ritmes, de teksten en de algehele feel maken hier toch een zeer eigenzinnige plaat van. Misschien mag je het de fans van 1971 niet kwalijk nemen dat ze niet goed wisten wat ze hiermee moesten (er waren toen misschien nog niet zó veel bands die er op gericht waren om geen enkel album op z'n voorganger te laten lijken), maar vier decennia later vind ik dit toch nog steeds een ontzettend leuke en scherpe plaat, met als hoogtepunten voor mij die briljante sneeuwschuiver als opening en het grootse Fools met dat mooie Pink-Floyd-anno-Careful-with-that-axe-Eugene-sfeertje. En ook al vertelt het boekje van de geremasterde uitgave tot in details op welke manier en uit welke noodzaak het backwards piano-einde van No one came tot stand is gekomen, het blijft toch een perfect, sfeervol en zelfs licht spooky outro.
        De eerste vier bonustracks vullen de plaat overigens mooi aan, vooral het ijzersterke Strange kind of woman (die overgang naar de brug in ¾ is nog altijd prachtig – maar wie kwam er toch ooit aanzetten met die bizarre vondst van "I won my woman just before she died"?) en het ritmisch lekker aparte Slow train.
        Kent iemand dit verschijnsel? Op één bepaald plekje in je hersens bevinden zich diverse muziekfragmenten die je heel bekend voorkomen maar waarvan je nooit hebt geweten bij welk nummer of welke band ze behoren, en op een heel ander plekje in diezelfde hersens bevindt zich een aantal titels van beroemde nummers waar je op de een of andere manier nog nooit aan bent toegekomen om ze te beluisteren. En er is maar één ding mooier dan wanneer je ergens een nummer hoort en je plotseling beseft dat je nu één van die onbekende muziekfragmenten opeens geïdentificeerd hebt – en dat is wanneer zo'n fragment ook nog eens bij zo'n beroemde maar nooit beluisterde titel blijkt te horen. In mijn geval ging het dus om de regel "Oh my love it's a long way…" op de éne breinplank en de titel Fireball op de andere, en toen zette ik bij een vriend eens een plaat op… AHHHHH!
 

Deep Purple - In Rock (1970)

Alternatieve titel: Deep Purple in Rock

poster
5,0
In de tijd dat ik (heel) veel Led Zeppelin draaide merkte ik dat ik Deep Purple eigenlijk een beetje als het simpele broertje daarvan ging beschouwen: een eenvoudiger sound, minder uitstapjes naar andere genres, een kortere bloeiperiode enz. Maar een enkele draaibeurt van deze plaat leerde me weer hoe onjuist die indruk is, want al bij Speed king ga ik plat voor the power of the beast, en eigenlijk houdt de energie niet op totdat het album is afgelopen."If it's not dramatic or exciting, it has no place on this album" – een waar woord van Blackmore.
        Niet dat dit een perfecte plaat is: ik heb het altijd een beetje een afknapper gevonden dat de tweede helft van Child in time tot het instrumentale gedeelte min of meer een herhaling van de eerste helft is (of hoor ik na al die jaren sommige subtiele anders gelegde accenten niet meer?), het slot van Flight of the rat duurt veel te lang (inclusief oninteressant drumstuk) en de zang van Into the fire vind ik vervelend nadrukkelijk. Maar dat zijn slechts kleine schoonheidsfoutjes bij een plaat die verder nog altijd staat als een huis wat mij betreft, met Living wreck als een persoonlijke favoriet vanwege die grappige tekst en dat geweldige basloopje.
        De remaster is voorbeeldig uitgegeven, met twee zeer waardevolle outtakes (het geweldige Cry free en het aardige Jam stew), een bizarre pianoversie van Speed king (dat lullige pianoloopje na "See me fly!") en een mooi uitgebreid boekje met heel veel interessante achtergrondinfo (jammer dat de teksten en de motto's van de nummers daarbij ten opzichte van de oorspronkelijke vinylhoes verdwenen zijn). En het achter elkaar beluisteren van de original single version en de Roger Glover remix van Black night laat op ongeëvenaarde wijze horen hoeveel een opgepoetst geluid kan bijdragen aan de beleving van een plaat.