MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Jimi Hendrix - The Legendary Jimi Hendrix (1980)

poster
4,0
Mijn eerste Hendrix-aanschaf, uit de tijd dat ik nog dacht dat ik het hiermee wel afkon. De eerste zeven nummers komen van Are you experienced, Electric Ladyland levert vijf tracks, van het tussenliggende Axis: bold as love (later mijn favoriete Hendrixplaat) komt alleen Little wing, en als postume bijdrage is er nog het slotnummer. Er staat dus niets op van Band of gypsys of welke postuum uitgegeven liveplaat dan ook, en evenmin vinden we hier experimenteel werk zoals Third stone from the sun, Voodoo chile (op déze plaat staat de slight return-versie) of de derde plaatkant van Electric Ladyland, maar wie niets van Hendrix kent of weet heeft hier een aardige staalkaart van 's mans kunnen op het drie-minuten-formaat, een goede uitgebreide Greatest hits zeg maar.

Jobriath - Jobriath (1973)

poster
3,5
Aparte plaat, natuurlijk, maar één van de redenen waarom deze man het niet gemaakt heeft is denk ik ook wel zijn stem. Als hij zacht of genuanceerd zong klonk hij gewoon mooi, maar als hij zijn schelle glitzy persoonlijkheid ging "opzetten" klonk dat niet alleen behoorlijk gekunsteld maar ook nog eens onaangenaam schel, zoals we in Be still in één en hetzelfde nummer kunnen horen. Dus om de schuld nu helemaal te schuiven op een wereld die nog niet klaar zou zijn voor een homo-act... Misschien had deze man wel net niet genoeg echte kwaliteiten.

Joe Cocker - Sheffield Steel (1982)

poster
4,0
Ik sluit me geheel aan bij alle positieve berichten. Uitstekende songkeuze, geweldige ritmesectiie, lekker geluid, Cocker prima bij stem, niets op aan te merken. Bob Dylans Seven days (drie jaar eerder gecoverd door Ron Wood) en Steve Winwoods Talking back to the night (de emotionele climax van de plaat) zijn voor mij de hoogtepunten, maar ook als geheel heeft dit album een zeer aangename flow.

Joe Jackson - Look Sharp! (1979)

poster
4,0
Verrassend hoe weinig berichten hierbij staan, want voor mijn gevoel was dit toch een plaat die een bepaald tijdperk definieerde – bijna iedereen met wie ik in die tijd omging had deze plaat en/of vond hem goed en/of zat in een straatkoortje dat de hitsingle op het repertoire had. Er valt op dit debuut ook weinig tot niets aan te merken: perfecte melodieën, heerlijk felle loopjes, geestige teksten ("Well I got nothing against the press / They wouldn't print it if it wasn't true"), strakke arrangementen die ruig overkomen maar ondertussen o zo goed uitgedacht zijn (getuige bijvoorbeeld het knappe samenspel tussen gitaar en bas) en een harde en heldere produktie. Als ik dan zelf niet tot de volle 5* kom ligt dat aan de enigszins gedateerde reggae-invloeden op Sunday papers en Fools in love (reden waarom ik ook niet goed meer naar Fischer-Z en de Police kan luisteren) en aan Jacksons stem die af en toe een zeurderige schelheid heeft die mij tegenstaat, puur persoonlijke redenen dus. Gelukkig brengt diezelfde stem geweldige teksten die soms even hilarisch als raak zijn: "God, if you're up there, listen to my prayer / In future man should have a different design / Give him a switch so he can turn off his libido now / Give him a tranquilizer built into his mind!"

John Barry - The Best Of (1997)

Alternatieve titel: Themeology

poster
4,5
Grootse verzamelaar. Laatst de hele Persuaders-box bij de Blokker gekocht... en elke keer als ik weer een aflevering bekeek ging de volumeknop van de televisie gedurende de eerste 133 seconden op 11. (Ik heb dat nummer vroeger nog op vinylsingle gehad, met The girl with the sun in her hair als B-kantje -- en dat is ook op deze compilatie opgenomen omdat het bij een TV-reclame voor Sunsilk hoorde.)
 

John Cougar Mellencamp - Big Daddy (1989)

poster
4,5
In het verlengde van z'n voorganger, maar waar die qua songstructuren en teksten wat eenduidiger was is dít album wat grilliger, met teksten die soms introspectiever zijn (To live, Void in my heart, Mansions in Heaven) of anekdotische verhalen vertellen die (in de grote traditie van mensen als Guy Clark en Townes van Zandt) niet altijd een kop en een staart hebben (Theo and weird Henry), en muziek die af en toe wat melancholischer en ingetogener kan overkomen (Jackie Brown, Void in my heart, Mansions in Heaven). Of zijn dat alleen míjn indrukken? In ieder geval komt Big daddy op mij over alsof Mellencamp naast de onverhulde maatschappijkritiek van The lomesome jubilee (hier natuurlijk ook nog aanwezig bij Country gentleman en J.M.'s question) ook meer persoonlijke nummers over het voetlicht wilde brengen, en wanneer dat zo elegant als hier gebeurt kan ik dat alleen maar toejuichen, vooral omdat van die nummers de teksten zo mooi "open" blijven. Kortom, een geweldige plaat. En wat mijn favoriete moment van dit album betreft strijden de superbe regel "Martha say she don't need no stinking man making no decisions for her" (ook prachtig terugkerend op het einde van het nummer) en het knetterende intro van To live om voorrang.

John Cougar Mellencamp - The Lonesome Jubilee (1987)

poster
4,0
Bij deze plaat ben ik helemaal verliefd op de sound: uit de pop/rock komen de felle drums, de elektrische gitaar en de "zwarte" achtergrondzang, maar uit de country, de folk en de bluegrass de fiddle, de banjo en de accordeon, en mede dankzij de droge produktie en de warme en smaakvolle arrangementen krijg je zo een sound die ik nog niet vaak ben tegengekomen en die dit album spring- en springlevend maakt. Zet dat amalgaam in bij een verzameling prima nummers, sterke en sociaal bewuste teksten en een frontman op de toppen van z'n kunnen en je krijgt een perfect album – ware het niet dat er op kant 2 een paar mindere nummers staan en de teksten niet meer subtiel met de verliezers meeleven (zoals op Down and out in Paradise, Check it out en Real life) maar drammerig en ééndimensionaal worden ("We are the people and we live forever" [éven te banaal, ondanks de analogie met het beroemde "We'll go on forever, 'cause we're the people" uit de verfilming van The grapes of wrath] en "It's hard times for an honest man, very very very hard times"...). Jammer, want zonder die compositorische en tekstuele minpunten had deze plaat met het beste van die-baas-die-ik-hier-verder-niet-bij-naam-wil-noemen meegekund.
        Kippevelmoment: "I never ever thought that this could happen to me!"

John Fogerty - Centerfield (1985)

poster
3,0
Als er één ding is wat ik Fogerty meer zou hebben gegund dan zo'n spectaculaire comeback, dan is het om dat met een echt goede plaat te hebben gedaan. Toegegeven, er staat niets op Centerfield waar hij zich voor hoeft te schamen, maar ik hoor gewoon te weinig momenten waarop het heilige vuur echt ontstoken wordt. Rock 'n' roll girls is bijvoorbeeld nogal flauw, Big train (from Memphis) is een leuke jeugdherinnering op melige huppelende rockabilly, Mr Greed en I can't help myself zijn zouteloze rockers, en de wraakoefening van Vanz kant danz is eigenlijk beneden zijn waardigheid. De hoogtepunten zijn toch de nummers waar CCR in doorschemert, zoals het dreigende The old man down the road, I saw it on TV dat me qua sfeer aan Wrote a song for everyone doet denken (is die akkoordenwisseling vanaf 4:02 een knipoog naar Who'll stop the rain ?) en het duistere Searchlight dat helaas ontsierd wordt door foeilelijke elektronische drums, net als op het intro van het verder aanstekelijke en positieve titelnummer en op de overige nummers van "kant 2". Geen slechte plaat, maar zeker niet op het niveau van Fogerty's klassieke werk met Creedence, en van die extreem gedateerde 80's-drums en –synths krijg ik af en toe de kriebels.

John Lee Hooker - The Definitive Collection (2002)

poster
4,0
Prima compilatie van de nummers die John Lee Hooker tussen circa 1955 en 1965 maakte voor het Vee-Jay-label. Op de meeste tracks wordt hij begeleid door een ingetogen elektrische band (en een enkele maal zelfs door een dameskoortje, zoals op Don't look back, later gecoverd door Them, met wiens zanger Hooker later natuurlijk nog zou samenwerken), maar soms hoor je ook alleen zijn onheilspellende stem, zijn gitaar en zijn voet die de maat aangeeft, in de stijl waarmee hij in de jaren 40 en 50 beroemd werd.

Naast vele originals bevat dit album ook een aantal remakes van Hookers vroegere eigen hits, zoals Boogie chillun, I'm in the mood en Crawling king snake (dat later door de Doors op L.A. woman zou worden gecoverd). Drie andere nummers van deze compilatie werden ook door de Animals gecoverd: Dimples, Boom boom (een #43-hit voor hen in Amerika in 1965) en I'm mad again.

Kortom, meer dan genoeg interessants hier, maar zoals gezegd allemaal uit de jaren 1955-1965, dus niets van zijn vroegere akoestische "folk blues"-periode en ook niets van na '65 (zoals Hooker 'n' Heat, zijn samenwerking met Canned Heat uit 1970, of The healer dat hem in 1989 in één klap weer op de kaart zette).
 

John Mayall - Blues from Laurel Canyon (1968)

poster
HiLL schreef:
Erg fijn plaatje.. maar moet nog wel wennen aan Kermit zijn stem!

Aha, ik dacht al dat ik de enige was die daar problemen mee heeft... of geeft HiLL hier niet zozeer een negatieve alswel een meewarig-vertederde benadering van het geluid dat Mayall voortbrengt? Hoe dan ook, ik heb zojuist alle berichten bij vier Mayall-albums gelezen (A hard road, Crusade, Bare wires en déze plaat), en dit is de enige kritische opmerking die ik erover kan vinden. Ik begrijp dat niet veel mensen het met mij eens zullen zijn, misschien is dit ook wel een soort vloeken in de kerk, maar ik moet het toch even kwijt: ik vind Mayalls stem echt af-schu-we-lijk. Wat sommige mensen misschien hebben bij de stem van Dylan ("klinkt als een prairiehond die in het prikkeldraad verward is geraakt"), heb ik bij Mayalls hete aardappel. Sommige nummers heeft hij zó goed gekozen, geschreven en/of gearrangeerd dat zijn stem er prima bij past en/of de ontoereikendheid ervan niet opvalt, maar op andere momenten kan ik er echt niet meer naar luisteren en wordt het hele nummer voor mij er totaal door verpest (Tears in my eyes op Crusade is een zeer ernstig voorbeeld).

Ik geef toe, smaken verschillen, het is absoluut niet mijn bedoeling om te trollen, en op een zo uitgesproken afkeer als de mijne is ook nauwelijks iets zinnigs terug te zeggen, maar het valt me gewoon op dat niemand anders erover rept. Ook niet in pósitieve zin trouwens...
 

John Mayall with Eric Clapton - Blues Breakers (1966)

poster
4,5
Ik ben misschien te veel geneigd geweest om dit album als een museumstuk te beluisteren vanwege de diverse reputaties (Mayall als peetvader van de Britse blues, het verschijnen van Clapton als gitaargod, het eerste artistiek èn commercieel succesvolle Engelse bluesalbum enz.). Wanneer ik het album echter niet beschouw als een Artistiek Historisch Artefact maar het gewoon met open oren tegemoet treed (zoals het natuurlijk zou moeten), hoor ik een lekkere vette toegankelijke bluesrockplaat die na 46 jaar nog altijd verbazend fris en helder klinkt. En dat sommige dingen gedateerd klinken (met name die drumsolo op What I'd say) is minder opmerkelijk dan hoe weinig gedateerd de rest van de plaat klinkt – met name het openingstrio knalt nog altijd uit de speakers alsof ze niet al bijna een halve eeuw oud zijn.

Wat het verschil in mixen betreft, in de stereoversies hoor je soms instrumenten die op de monoversies totaal lijken te ontbreken. Alleen al op het begin van de stereomix van Hideaway hoor je een orgeltje dat je op de monomix niet zou horen als je niet wist dat het er zat (en zelfs dan hoor je het vermoedelijk nog alleen via de koptelefoon, tenzij je misschien een installatie hebt met een prijskaartje dat niet voor iedereen is weggelegd). Kortom, bij mij zul je de monomix niet vaak horen.
 

John Petrucci - Suspended Animation (2005)

poster
5,0
BoyOnHeavenHill schreef:
vanwege het beperkte instrumentarium (overal bas, drums en twee [drie, ...] gitaren) dreigt het af en toe allemaal een beetje van hetzelfde te gaan klinken.

Hmm, hoe vaker ik deze plaat draai hoe minder last ik van bovengenoemd bezwaar heb. Toch wel een ijzersterke plaat.
 

John Petrucci - Terminal Velocity (2020)

poster
4,5
De verrassing is niet meer zo groot als ten tijde van Suspended animation uit 2005, want door dat album werd wel duidelijk dat Petrucci prima in staat is om een geheel instrumentale gitaarplaat een uur lang boeiend te houden. Daardoor ligt de lat nu in feite hoger, maar Petrucci ondervangt eventuele problemen door de hoofdmelodie steeds af te wisselen met zijlijntjes die niet alleen voor variatie zorgen maar ook op eigen kracht leuk blijven, een paar (gitaren die klinken als) alternatieve instrumenten (op The Oddfather een gitaar die klinkt als een mandoline, op Gemini een Spaanse gitaar, op Out of the blue de blues, op Snake in my boot een vunzige bluesrock-riff, op het slotnummer een gitaar die zoemt als een synthesizer) en door te blijven zoeken, niet per se naar nieuwe riffs, maar naar nieuwe manieren om die riffs te spelen zonder te vervallen in de generieke manier waarop hij al honderden riffs heeft verzonnen (en ze al duizenden keer heeft gespeeld). Mike Portnoy gaat los waar dat kan maar houdt zich op andere momenten bewonderenswaardig in en voegt zich steeds naar de eisen van het nummer, en Dave LaRue speelt functioneel en ondersteunend, zodat Petrucci's gitaar alle ruimte krijgt om te stralen. Misschien klinken niet alle nummers even vernieuwend, maar kwalitatief heb ik niets aan te merken op deze tweede soloplaat van mijn favoriete gitarist.
        (Of ja, toch wel: omdat de plaat instrumentaal is zit er geen tekstboekje bij, maar in het daarvoor gereserveerde gedeelte van de hoes zit een foldertje waarin "a certain bearded guitarist" reclame maakt voor de John Petrucci Nebula Signature Series-baardolie die hij samen met fabrikant Captain Fawcett heeft ontwikkeld. Dat is wel héél erg niet-rock&roll.)

John Petrucci and Jordan Rudess - An Evening with John Petrucci and Jordan Rudess (2000)

poster
2,5
Interessante combinatie van twee mannen die elkaar hadden gevonden in Dream Theater èn in Liquid Tension Experiment, en ze halen duidelijk ook het beste in elkaar naar boven, maar aan mij is dit niet besteed. Ik weet niet of en wanneer Petrucci hierbij een Spaanse gitaar, een westerngitaar of een elektrische gitaar met minimale versterking bespeelt, maar de sound van zijn akoestische gitaar in combinatie met Rudess' piano à la Dave Grusin op nummers Furia Taurina en Fife and drum vind ik gewoon onaangenaam, en als die nummers dan ook nog eens allebei in de buurt van de tien minuten duren wordt dat voor mij te veel, ondanks de afwisselende en rijke melodieën van beide instrumenten. Het is gewoon een opluchting wanneer Petrucci ouderwets op een elektrische gitaar mag scheuren, en de nummers waarop hij los mag gaan behoren dan ook tot mijn favorieten, dus Truth en State of grace heb ik hierboven aangevinkt. Als geheel is dit een fraai en geïnspireerd album van twee fantastische muzikanten, maar 80 minuten hiervan is voor mij veel te veel.

John Squire - Time Changes Everything (2002)

poster
3,5
Met de Stone Roses heeft dit inderdaad niet veel te maken. Als ik het zou moeten omschrijven kom ik uit op intieme en soms grillige folkrock, ergens in de buurt van de betere Amerikaanse singer-songwriters, met een enkel nummer (Transatlantic Near Death experience) zelfs Dylenesk te noemen. Zorgvuldig gearrangeerd, warm en smaakvol gitaarspel, extra kleur gegeven door het gebruik van orgel of een tweede stem.

Maar ja, die stem... Hij doet me soms denken aan die van Tom Verlaine, maar nog vaker aan Richard Janssen van Fatal Flowers, geen van beiden de meest toonvaste zangers. Vrij automatisch associeerde ik deze muziek met ófwel een zoetgevooisdere zanger (vanwege het genre) ófwel een stem à la Ian Brown (vanwege Squire's verleden), en dus was het in het begin wel even slikken. En toegegeven, elke keer dat ik dit album opzet moet ik even wennen, maar uiteindelijk is dit toch gewoon een fraai album met goed doortimmerde composities (die naar mijn mening dus wel degelijk weten te boeien en onderling ook zeker gevarieerd zijn), aardige teksten en een sympathieke uitstraling.

Johnnie Ray - Johnnie Ray (1952)

poster
3,0
Acht nummers met een gezamenlijke speelduur van 21½ minuut, dat kon indertijd kennelijk wel voor een album doorgaan, vermoedelijk ook omdat langspeelplaten ook wel als aparte EP's met vier nummers werden uitgebracht. Twee hits (Walkin' my baby back home USA #4 en All of me USA #12), twee originelen en vier nummers waarvoor werd geput uit de rijke schatkist van het "grote Amerikaanse songbook" van tussen 1930 en 1940 (net als voor de twee hits trouwens). Alles licht gearrangeerd met een viermanscombo met eventueel een sax en/of een koortje (van The Four Lads) en geproduceerd door Mitch Miller. De muziek blijft redelijk ingetogen, en Ray doseert zijn uithalen vrij goed, zodat hij bij de climactische passages voluit gaat maar in de kalmere coupletten zijn uithalen beperkt tot een emotionele trilling. Leuk voor wie houdt van 's mans intense voordracht en niet genoeg heeft aan een goede compilatie (zoals ik).
        Nu verkrijgbaar als een uitgave van Hoodoo Records uit 2014, samen met het complete album The big beat uit 1956 plus zeven bonustracks (inclusief de hits Cry [Ray's "signature song", USA #1] en Such a night [UK #1]), met prima geluid en een aardig boekje met zeer gedetailleerde credits (waar het in dit soort re-releases nog wel eens aan wil schorten). Alleen al vanwege het swingende duet met Frankie Laine in de gospel Up above my head (I hear music in the air) een aanrader.

Johnnie Ray - The Best Of (1996)

poster
5,0
Een uitstekende compilatie met een perfecte selectie : alle zestien top-10-hits plus zeven kleinere hitjes die Johnnie Ray (1927-1990) tussen oktober 1951 en september 1959 in de Amerikaanse en Engelse hitparades had, inclusief de vier nummer-1-hits Cry (in Amerika), Such a night, Just walkin' in the rain en Yes tonight Josephine (in Engeland), en bizar genoeg aangevuld met Ray's overbodige versie van As time goes by uit Casablanca. De ordening van de nummers is totaal a-chronologisch, en het boekje bevat naast een klein essay van twee pagina's alleen informatie over titels en componisten (dus niet eens over jaartallen), maar het geluid is prima en Ray's stem staat steeds duidelijk en helder op de voorgrond.
        Tja, die stem... schijnbaar had Johnnie Ray tijdens zijn optredens nog wel eens de neiging om zó in zijn performance op te gaan dat de tranen hem –geheel volgens de aansporing in de tekst van zijn eerste en beroemdste hit Cry– over de wangen liepen, hetgeen hem de bijnamen The nabob of sob, The prince of wails en The cry guy opleverde. Critici en oudere luisteraars waren ook niet altijd te spreken over zijn intense voordracht, net zoals ze een paar jaar later hun bedenkingen hadden bij de eerste singles van die vrachtwagenchauffeur uit Memphis, en Ray's fysieke presentatie en jazzy/bluesy insteek was voor sommige historici ook aanleiding om hem als een vroege voorloper van de rock & roll te zien (Tony Bennett noemde hem zelfs "the father of rock & roll", maar zelf hoor ik dat eigenlijk niet zo).
        Bij zijn studio-opnames hield Ray zich wat meer in : hij had geen stem voor extreme uithalen à la Tom Jones, maar leunde meer op emotionele trillers zoals in The little white cloud that cried (zijn eigen compositie, en wàt een titel) of Faith can move mountains. Muzikaal begint zijn werk in de standaard-jazzy/big-band-achtige pop van de jaren 50 (inclusief een paar duetten met Doris Day), maar wanneer vanaf het midden van dat decennium voornoemde rock & roll op komt zetten schuift hij mee in die richting, getuige zijn grote hit Yes tonight Josephine uit 1957. Na 1960 is het echter gedaan met de hits, en zeker vanaf de Britse Invasie worden de zaaltjes kleiner en de optredens minder, ondanks incidentele (kleine) oplevingen van zijn populariteit door optredens in televisieshows van collega's als Andy Williams en bij Johnny Carson (hoewel hij in Engeland een paar jaar langer succes blijft hebben).
        Een relatief korte carrière dus, extra tragisch gemaakt door zijn reeds op jonge leeftijd opgelopen doofheid in één oor, zijn (uiteraard zoveel mogelijk verheimelijkte) homoseksualiteit, en zijn alcoholisme dat leidde tot zijn overlijden op 63-jarige leeftijd aan levercirrose ("I hate to drink, but I have to. I don't have any friends."). Gelukkig is Ray's nalatenschap ook te waarderen zonder eventuele romantisering van zijn lastige leven, want zoals deze 24 nummers aantonen wist hij steeds een warme en soepele stem en een sympathieke en innemende uitstraling in zijn nummers te verweven, en gelukkig liet hij zijn emotionele zang maar zelden in overdreven melodrama doorslaan, zelfs niet in de paar melige nummers die deze compilatie helaas ook bevat. Een innemende zanger met een rijk repertoire dat bij mij nog altijd een glimlach op mijn gezicht tovert – en af en toe ook wel eens een traan of twee, hetgeen Johnnie Ray zelf ongetwijfeld zou hebben toegejuicht. "There she is, my old gal / There he is, my old pal / And here am I, broken-hearted..."

Johnnie Ray - The Big Beat (1957)

poster
3,5
Dit lijkt wel een hobbyproject van Johnnie Ray zelf te zijn, want naast een paar gebruikelijke up-tempo-nummers waar hij zijn enthousiasme en zijn timing voor swing bij kan inzetten, bevat deze plaat eigenlijk voornamelijk nummers uit (of op z'n minst gebaseerd op de akkoordenschema's van) de blues, inclusief twee nummers die ik voornamelijk met B.B. King associeer (How long how long blues en Everyday I have the blues). Natuurlijk wordt het allemaal wat gepolijster en radio-vriendelijker door de toevoeging van blazers, ontspannen pianoloopjes en koortjes (en de afwezigheid van een hoofdrol voor gitaar), en door de gelikte arrangementen van Ray Conniff en Ray Ellis is de driekwartsmaat hier vaak eerder wiegelend dan duister, zodat Ray op bijvoorbeeld Everyday I have the blues bijna lijkt te geníéten van de blues, maar dat neemt toch niet weg dat dit als geheel een aparte plaat van een top-40-zanger met af en toe een lekker rafelig randje is.
        Hoogtepunt is Lotus blossom, hier gebracht als een prachtige romantische ballade met een ijle vrouwenstem, een jazzy trompet en een incidentele gitaar, maar in werkelijkheid schijnbaar een nummer over het gebruik van marihuana voor wie liefdesverdriet heeft – ik ben benieuwd of de studiobazen indertijd van die subtext op de hoogte waren. Merkwaardig genoeg werden er van dit album geen singles uitgebracht, terwijl Ray toch een paar maanden eerder nog een Amerikaanse nummer-2-hit had met Just walkin' in the rain.
        Nu verkrijgbaar als een uitgave van Hoodoo Records uit 2014, samen met Ray's complete titelloze debuutalbum uit 1952 plus zeven bonustracks (inclusief de hits Cry [Ray's "signature song", USA #1] en Such a night [UK #1]), met prima geluid en een aardig boekje met zeer gedetailleerde credits (waar het in dit soort re-releases nog wel eens aan wil ontbreken). Alleen al vanwege het swingende duet met Frankie Laine in de gospel Up above my head (I hear music in the air) een aanrader.

Johnny & The Hurricanes - Stormsville (1960)

poster
2,5
Tja, eigenlijk is dit een novelty-act die het na welgeteld één Amerikaanse hit (Red River rock, #5 in 1959) niet voor gezien hield maar nog veel en veel te lang doorging: toen oprichter en saxofonist Johnny Paris in 2006 overleed hadden er volgens hem in de loop der jaren ongeveer 300 verschillende mensen in de band gespeeld. Nou ja, als ze er plezier in hadden... In 1962 speelden ze in ieder geval nog in de Star-Club in Hamburg met in het voorprogramma een onbekend bandje uit Liverpool waar we later nog wel eens iets van hebben vernomen.
        Eigenlijk zijn alle nummers van deze band praktisch inwisselbaar: een mix van ouderwetse rock & roll, twanggitaar met een vleugje surf, en traditionele folk- of bluesy melodieën, met afwisselend een solo van een Hammond Chord- of Farfisa-orgeltje, een rock&roll-gitaar en een Bill Haley-sax. De verfijning van grote instrumentale bands als de Ventures en de Shadows is hier ver te zoeken, en de energie en het lekker ouderwetse orgelgeluid van Paul Tesluk maken wel íéts goed, maar niet veel. Zelf ken ik dit bandje omdat Red River rock een verplicht item was in bijna elke uitzending van de Arbeidsvitaminen in mijn jeugd; later heb ik ze opgepikt via een extreem goedkope verzamel-CD op een nog veel goedkoper label waar Reveille rock opeens Revellie rock heet, maar er staan 32 nummers op, dus over de kwantiteit zul je mij niet horen klagen (of dan hoogstens dat bijna 73 minuten Johnny & the Hurricanes wel wat èrg veel van het goede is, ook al duren hun nummers gemiddeld maar zo'n 2¼ minuut).
        Als bonus vinden we hier nog de a-kant van een single uit 1963 (het James Bond theme waaruit een doorzeurende sax vakkundig alle spanning wegtoetert) gevolgd door de a- en b-kantjes van twee singles uit 1962. Zoals de Engelsen zo mooi zeggen, "the tracks didn't bother the charts."
        Zeg, hoor ik nou in The rockin' T na 14 seconden "Ogen, oren, puntje van je neus" ?

Johnny Cash - Top 40 (2016)

Alternatieve titel: The Ultimate Top 40 Collection

poster
4,5
Ja, deze dubbelaar heeft een nogal aparte opbouw. Dit is een uitgave voor de Nederlandse markt, dus net zoals vroeger een verzamelelpee vaak met de grootste hit begon, begint elk van deze twee CD's met één van de enige twee top-40-hits die Cash hier had, A thing called love en A boy named Sue, en dan gaat CD1 grofweg chronologisch door van 1970 naar 1990, waarna CD2 grofweg chronologisch terugloopt van 1969 naar 1956. Kortom, voor een juist carrière-overzicht moet je eerst CD2 van achteren naar voren draaien en vervolgens CD1 gewoon vanaf het begin – het is weer eens wat anders, maar het slaat natuurlijk nergens op.
        Voor de luisteraar die van Cash alleen een handvol bekende titels kent (zoals, moet ik bekennen, ik) lijkt dit verder wel een goede introductie te zijn, want het bevat een groot aantal van zijn hits op de Amerikaanse country-hitlijsten (inclusief 10 van de 13 nummers-1, maar geen Sunday mornin' comin' down van Kris Kristofferson) en de meeste van zijn hits op de Billboard-pop-hitlijst (maar geen Folsom Prison blues). Ook is dit een mooie mix van "historische" nummers met serieuze thematiek (Ragged old flag, The ballad of Ira Hayes, Five feet high and rising), covers van contemporaine componisten (twee nummers van Bob Dylan, Bruce Springsteen en Tim Hardin elk), een aantal samenwerkingen (met echtgenote June Carter, Waylon Jennings en The Highwaymen) en diverse humoristische nummers. Met name dat laatste had ik niet achter Cash gezocht : A boy named Sue kende ik natuurlijk wel, maar de perfecte manier waarop hij in One piece at a time vertelt hoe hij als arbeider in een autofabriek elke dag een klein onderdeeltje in zijn broodtrommeltje meeneemt en zo een complete Cadillac in elkaar probeert te sleutelen is hilarisch, geweldig onderkoeld en subtiel toewerkend naar de uitsmijter. Dat geeft mij toch wel een nieuwe kijk op Cash' vaardigheden – maar ja, als one trick pony zou hij ook niet zo'n grote carrière van meer dan een halve eeuw op de rails hebben kunnen houden. (Mijn persoonlijke favoriet van deze 47 nummers is trouwens She used to love me a lot, een nummer van David Allan Coe uit 1984 dat in de versie van Cash pas in 2014 –dus postuum– verscheen. Prachtig.)
        Dat gezegd hebbend staan er ook wel een paar mindere nummers op. nlkink noemt Look at them beans al, maar terwijl ik Ragged old flag op sommige momenten enkel op ontroerende wijze van begrijpelijke vaderlandsliefde vind getuigen, schiet het me op andere momenten vanwege de sentimentaliteit en het good ol' boys-toontje wel eens in het verkeerde keelgat. Daarnaast is de manier waarop Tim Hardins Lady came from Baltimore met behulp van een zwaar koor en een jubelend arrangement tot een meezinger wordt gedegradeerd werkelijk afgrijselijk, en de trompetten en de nadrukkelijke manier waarop Cash de refreinregels zingt doen Dylans It ain't me babe ook bepaald geen goed – maar gelukkig blijft het bij die drie à vier missers.
        Nog een laatste opmerking. I walk the line heb ik mijn ouderlijk huis vele malen gehoord (met dank aan de verzamelelpee van mijn vader), maar de versie op deze dubbel-CD lijkt de opnieuw opgenomen en iets snellere versie uit 1964 te bevatten in plaats van de oorspronkelijke opname uit 1956. Betere oren dan de mijne (en grotere kenners dan ik) moeten zich daar maar over uitspreken, maar als nlkink in zijn bericht van 8-8-2017 zoiets ook al over Big river opmerkt zou dat natuurlijk heel goed kunnen.
        Conclusie : een fraaie compilatie die mijn beeld van Cash sterk (en in zeer positieve richting) heeft bijgesteld, met eigenlijk zeer weinig kwaliteitsverschil (of –verval) gedurende de ruimhartige 139 minuten die deze verzameling duurt (en dat voor maar €6,99 bij –where else– de Aldi). Eerst maar eens laten bezinken (en nog een flink aantal keren draaien) voordat ik beslis of ik nog verder in de discografie van deze man ga spitten.

Johnny Thunders - So Alone (1978)

poster
4,0
Toen ik dit album voor het eerst hoorde begreep ik er niet veel van: dit zou toch, eh, New Yorkse punk moeten zijn?... Kwestie van verkeerde insteek, ik was nog een stukkie jonger toen, en de New York Dolls moest ik nog leren kennen. Nú hoor ik een geweldige mix van zompige rock & roll, scherpe New Wave (opmerkelijk hoe Thunders' stem soms lijkt op die van Peter Perrett) en punk met een vies randje, alles sterk gespeeld en mooi vol geproduceerd. Heerlijke plaat.

Johnny Winter - Johnny Winter (1969)

poster
4,0
Zompige elektrische blues waarbij Winters grommende stem verhult dat hij als zanger (nog) niet zo subtiel is. Maar zijn gitaarspel op dit debuutalbum is natuurlijk fenomenaal, getuige het hoogtepunt Be careful with a fool.

Johnny Winter - The Progressive Blues Experiment (1969)

poster
3,0
Ik moet zeggen dat het mij bij Winters gitaarspel vooral gaat om zijn attack, de felheid van zijn gitaargeluid en de rauwheid van zijn sound, want zijn solo's vind ik niet zo pakkend of spectaculair, en zijn zang –of beter gezegd zijn stemgeluid– is wel héél erg primitief. Ik begrijp dat juist het ongepolijste van het geheel hierin sommige luisteraars aantrekt, maar persoonlijk vind ik het allemaal af en toe iets té rudimentair. De meer afwisselende en rijker klinkende opvolger heb ik liever. (Wel een geweldige versie van Howlin' Wolfs Forty-four trouwens, hoewel ik Help me van Willie Dixon en Sonny Boy Williamson alsmede Winters eigen Mean town blues als favorieten heb aangevinkt.)

Jon Anderson - In the City of Angels (1988)

poster
2,0
Steeds wanneer ik de stem van Jon Anderson hoor realiseer ik me weer hoe belangrijk de "vormende" rol van de muziek van Yes voor mij is geweest en nog altijd ís. Ook bij zijn solowerk besef ik dat, maar bij dít album wordt er wel een èrg sterke wissel op mijn sympathie getrokken, want de enorme gedateerdheid van de sound en de arrangementen maakt het voor mij bijzonder moeilijk om hier naar te luisteren. Die Level 42-achtige "Doo doo doo" in tandem met een keyboardriedeltje op het openingsnummer, die synthesizers die als een soort Caraïbische blazers klinken op Sundancing (en die bijvoorbeeld ook Teakbois van het Anderson-Bruford-Wakeman-Howe-album uit het jaar hierna ontsieren), die kale drums en pseudo-zware gitaar op Betcha – het is allemaal foeilelijk, en in combinatie met Andersons opgewekte teksten ("spiritual outer space" zoals de All Music Guide het treffend formuleert) en het werkelijk verschrikkelijke slotnummer kom ik uit op een album waar ik weinig goeds over kan zeggen. Is it me? is nog het beste nummer (hoewel ook daar weer zo'n overstuurde saxsolo in zit), het openingshitje is ook goed te doen en Anderson zelf klinkt als een klok, maar als geheel is deze plaat door de niet meer dan doorsnee-degelijke composities en de vreselijke 80s-sound absoluut niet aan mij besteed.

Jon Anderson - Olias of Sunhillow (1976)

poster
3,5
Tja, na een paar maanden heb ik dit album toch maar een tweede kans gegeven, en nu ik er meer van herken bevalt hij veel beter. Alles lijkt wat gemakkelijker op z'n plaats te vallen, er zitten veel mooie en pakkende melodietjes in verstopt, en de aparte arrangementen blijven goed overeind. Mooie aanvulling op mijn Yes-verzameling.

Jon Anderson - Song of Seven (1980)

poster
3,0
Bij de eerste maten schrok ik even van de gedateerde eighties-synthesizers die mij het ergste deden vrezen, maar al in de loop van het eerste nummer blijkt dat Anderson hier met een lang niet slechte en toegankelijke popplaat op de proppen is gekomen, met een aangename afwisseling van vrolijk en contemplatief, luchtig en feeëriek, folky en wereldmuziek. Niet verheven of etherisch, ook niet per se geschikt voor Yes-fans, maar al met al een leuke en vriendelijke plaat, met twee sterke openingsnummers en een bijzonder geslaagde en warme titeltrack.

Jordsjø - Nattfiolen (2019)

poster
4,0
Moeilijk bezwaar van mijn voorganger, want als je niet weet dat dit een tweemansgroep is, zou je dan ook de samenhang missen? En mis je die ook bij Something/anything, Tubular bells en Sign o' the times ? Zelf heb ik er in ieder geval geen problemen mee, want het geluid is mooi vol en rijk gearrangeerd, met een fluit die steeds als het ware bij de gitaar en de toetsen probeert vóór te dringen. Wel een sterke Genesis-vibe (het begin van Solens sirkulære sang doet mij steeds aan Stagnation van Trespass denken), en soms kun je je zelfs voostellen dat Gabriel, Hackett en Banks weer even samen de instrumenten hebben opgenomen, maar uiteindelijk heeft deze muziek toch voldoende eigen identiteit om aan die vergelijking te ontsnappen. Symfonische folk, zeg maar, met mooie warme passages die op bedachtzame wijze ineengevlochten worden. Als ik een bezwaar zou moeten aanvoeren zou het zijn dat de zang steeds ingehouden blijft en nergens fluctueert qua intensiteit, maar je kunt ook zeggen dat de afwisselende muziek (inclusief het soms explosieve drumwerk) daar wel voor zorgt. Hoe dan ook, een mooie sfeervolle plaat aan de rustiger kant van het symfonische spectrum.

Jordsjø - Pastoralia (2021)

poster
3,0
Moeilijk om hier wat over te schrijven. De muziek doet me soms denken aan een folky Genesis en aan het jazzy Canterbury van Camel (in niet geringe mate door het gebruik van "traditionele" instrumenten als fluit, Hammond en mellotron), en de composities zijn bijna zonder uitzondering kleurrijk en afwisselend, maar daardoor komen sommige nummers op mij ook zódanig als een lappendeken over dat ik ze niet altijd een even sterke identiteit vind hebben. De onvertaald gebleven Noorse titels en teksten helpen natuurlijk ook niet echt; de naief-Middeleeuwse afbeeldingen en het Gotische lettertype in het boekje suggereren dat er hier misschien sprake is van een conceptalbum of zelfs een samenhangend verhaal, maar vertalingen van de lyrics heb ik nergens online kunnen vinden, alsof de band het wel belangrijk vindt om iets te melden te hebben (getuige het afdrukken van de teksten in het boekje) maar zich verder niet bekommert om hoe ze de luisteraar (nog meer) zouden kunnen bereiken. Wat het genre betreft, een gebruiker op Progarchives noemt dit "eclectic anachronistic progressive folk rock music", en dat dekt de lading wel, hoewel je even goed kunt zeggen dat zulke tegenstrijdige adjectieven uiteindelijk helemaal níéts dekken. Hoe dan ook maakt de plaat op mij net iets minder indruk dan de prachtige voorganger Nattfiolen, misschien omdat ik na vijf keer luisteren nog steeds niet de indruk heb dat ik de nummers van elkaar kan onderscheiden of dat ik bepaalde structuren herken van eerdere keren draaien. Maar dat kan aan mij liggen.

Joy Division - An Ideal for Living (1978)

poster
3,5
Verleidelijk om hier de link met de Sex Pistols te maken, maar ik moet zelf eerder denken aan een ander bandje dat ook door de Pistols geïnspireerd werd, de Buzzcocks, waar Joy Division een tijdje het voorprogramma voor heeft verzorgd. Warsaw heeft zo'n heerlijk hoekig refrein met een lekkere akkoordenreeks, een mooi basloopje en een pakkende "tekst" (meer een "hook": "31G, 31G, 31G", maar dat bekt prima), en ik kan me voorstellen dat Pete Shelley daar een moord voor zou hebben gedaan. Wat Joy Division ook meer met de Buzzcocks dan met de Pistols gemeen heeft is een tekstuele insteek die meer op het persoonlijke en ingekeerde en minder op het agressieve en extraverte is gericht, hoewel Failures dan wel weer een stuk dichter bij de punkmentaliteit zit. Er zit voor mijn gevoel ook al veel eigens in met name de eerste twee nummers, en als geheel is dit best een serieuze voorstudie, hoewel ik aan de andere kant op basis van de totaliteit van deze vier nummer toch met geen mogelijkheid had kunnen voorspellen wat de (zeer nabije) toekomst zou gaan brengen.

Joy Division - Closer (1980)

poster
5,0
Wat doe je wanneer je een ongenaakbaar meesterwerk hebt gemaakt dat niet meer te overtreffen valt? Dan maak je een plaat die z'n voorganger overtreft. Ik weet niet hoe vaak dat voorkomt, en ik weet ook niet of Unknown pleasures bij z'n release meteen al in bredere kring de reputatie en de accolades kreeg die hij sindsdien heeft verworven, maar dankzij het subtiele gebruik van synthesizers, de opnieuw geweldige sfeervolle produktie en een verzameling ijzersterke nummers is Closer voor mijn gevoel een plaat die z'n wortels in zijn voorganger heeft maar die die voorganger tegelijk voorbijstreeft – niet in kwalitatief opzicht (want de platen zijn voor mij zó verschillend en tegelijk allebei zó goed dat vergelijken totaal zinloos is), maar wel in diepte en in kwetsbaarheid.
        Opmerkelijk hoe de nummers gebruikmaken van melodielijnen die gedurende het nummer weinig verandering tonen en ook lang niet altijd naar een climax voeren, maar alles zonder dat de nummers monotoon aandoen of de melodieën gaan vervelen, daarbij ongetwijfeld geholpen door de gitaarlijnen, de geluidseffecten die vaak onverwachte "kleurtoetsen" aanbrengen, en last but not least natuurlijk het feit dat de melodieën zelf dus kennelijk zó sterk zijn dat ze de aandacht blijven vasthouden. O, èn de teksten en de voordracht van Ian Curtis natuurlijk...
        De eerste vier nummers zijn al sterk (hoewel dat constante gebroken ritme van Colony mij wel een beetje tegenstaat), maar de echte kracht van dit album ligt voor mij in de laatste vijf nummers, die stuk voor stuk zó indrukwekkend zijn dat ze op andermans album als prijsnummer zouden kunnen fungeren, maar hier gewoon onderdeel vormen van een ijzersterke keten waarvan elke schakel nèt weer iets beter is dan z'n voorganger, met Decades als hoogtepunt van een meesterwerk dat na al die jaren in muzikaal opzicht nog even indrukwekkend is, ook wanneer het emotionele aspect er voor mij in de loop der jaren enigszins "afgesleten" is.