Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Jean Michel Jarre - Oxygene (1976)

4,5
0
geplaatst: 14 september 2021, 12:50 uur
Ik denk dat Arjen Lucassen a.k.a. Ayreon (zelfverklaard liefhebber van analoge synthesizers) een moord zou doen voor de apparatuur die Jarre op dit album volgens de credits gebruikt. Heerlijk warme en organische klanken, met een mooie mix van abstract en herkenbaar, atmosferisch en melodisch, doelgericht en vrijblijvend. Indertijd heb ik alleen het singletje leren kennen terwijl ik met heel andere muziek bezig was, nu heb ik het decennia later alsnog opgepikt – een mens is nooit te oud om te leren (en te genieten). Mooie en sfeervolle plaat waar ik vaak naar kan luisteren. Gekocht in het digipack Oxygene trilogy uit 2016, met voor de eerste twee albums “new mastering from the original analog tapes by Dave Deadwater for Yakuda Audio 2016”.
Opmerkelijk trouwens dat in bovenstaande berichten bij de namen van beroemde tijdgenoten (Tangerine Dream, Klaus Schulze, Kitaro, Mike Oldfield) die van Walter (later Wendy) Carlos ontbreekt. Op zijn soundtrack voor Stanley Kubricks A clockwork orange (1971) stond al een lange en gevarieerde synthesizercompositie genaamd Timesteps (bijna 14 minuten op de oorspronkelijke elpee, maar bij latere releases werd dat schijnbaar een "excerpt" van ongeveer 4 minuten).
Opmerkelijk trouwens dat in bovenstaande berichten bij de namen van beroemde tijdgenoten (Tangerine Dream, Klaus Schulze, Kitaro, Mike Oldfield) die van Walter (later Wendy) Carlos ontbreekt. Op zijn soundtrack voor Stanley Kubricks A clockwork orange (1971) stond al een lange en gevarieerde synthesizercompositie genaamd Timesteps (bijna 14 minuten op de oorspronkelijke elpee, maar bij latere releases werd dat schijnbaar een "excerpt" van ongeveer 4 minuten).
Jean Michel Jarre - Oxygene 7-13 (1997)
Alternatieve titel: Oxygene 2

4,5
0
geplaatst: 24 september 2021, 22:26 uur
Inderdaad niet meer zo baanbrekend of vernieuwend zoals hierboven al wordt gezegd, en af en toe moet ik ook wel aan zulke uiteenlopende artiesten als Tiësto en Orbital denken, maar dat betekent ook dat Jarre in feite nog steeds meetelt. De opener is ijzersterk, en de daaropvolgende single heeft een mooi mellotron-tussenstuk; daarna zakt het niveau ietwat, hoewel het nooit echt slecht wordt, want Jarre heeft altijd nog wel kleine verschuivingen en verrassingen in petto, zoals de zware industrial-sound van part 11. Alleen part 13 is een beetje een afknapper, met dat goedkope ritmeboxje en die flauwe melodie, maar als geheel is dit toch een lekkere en mooi vol klinkende plaat.
Jean-Michel Jarre - Oxygene 3 (2016)

4,5
1
geplaatst: 4 oktober 2021, 22:43 uur
Van Jarre ken ik niets anders dan de drie Oxygenes, en om dan een plaat te vergelijken met z'n "voorgangers" van 40 en 20 jaar eerder in plaats van met een of twee platen van een páár jaar eerder is eigenlijk een beetje triviaal, maar wat me aan dit derde deel ten opzichte van de eerste twee delen opvalt is dat de muziek veel abstracter is, met bewust minder memorabele melodieën, veel verschillende synthesizers en synthesizer-"kleuren" in één en hetzelfde nummer zodat je niet precies één solo-instrument hoort, geluidsgolven die vaak op de achtergrond meezingen, veel sfeerwisselingen binnen nummers, ingetogen ritmes, ijle klankkleuren, en overkoepelend een soort afzien van heldere structuren die nummers een meteen herkenbare identiteit geven, zodat je vaak niet weet waar een nummer heen zal gaan en waar je dan als luisteraar zult uitkomen. Het resultaat is een soort fluïde muziek die ik niet gauw als achtergrondmuziek zal opzetten, noch in gezelschap noch voor mezelf, maar die tegelijkertijd desoriënteert en intrigeert. En boeit.
Het terugkeren van het thema van Part 6 in het donkere maar prachtige Part 20 zorgt niet alleen voor een bepaalde continuïteit maar suggereert ook dat er qua milieu- en klimaatproblematiek in die 40 jaar niet veel ten goede is veranderd (een boodschap die natuurlijk nog versterkt wordt door de hoes).
Het terugkeren van het thema van Part 6 in het donkere maar prachtige Part 20 zorgt niet alleen voor een bepaalde continuïteit maar suggereert ook dat er qua milieu- en klimaatproblematiek in die 40 jaar niet veel ten goede is veranderd (een boodschap die natuurlijk nog versterkt wordt door de hoes).
Jeff Beck - Blow by Blow (1975)

3,0
0
geplaatst: 1 oktober 2015, 19:15 uur
Dit is voor mij een typische haat-liefde-plaat: het precieze en melodieuze gitaarwerk, de ideeën en het spelplezier vind ik prachtig, maar van die fusion of jazz-rock of hoe het dan ook wordt genoemd (inclusief funky inslag) van de begeleidingsgroep krijg ik uitslag op mijn smaakpapillen, ik kan gewoon niet tegen dat drukke minigeroffel op de drums, dat nerveuze gepulk aan de bassnaren en dat vervelende gepiel op clavinet of Fender Rhodes dat je wel vaker bij fusionbands hoort. Het vergalt voor mij toch wel een groot deel van de lol.
Jeff Buckley - Grace (1994)

4,0
1
geplaatst: 19 juli 2023, 20:59 uur
Nadat dit album was verschenen en ik het had leren kennen heeft het toch wel een redelijk aantal jaren in mijn top-10 gebivakkeerd. Van lieverlee is het daaruit verdwenen, niet omdat ik het opeens heel veel slechter was gaan vinden maar omdat er nieuwe favorieten voor in de plaats kwamen, en uiteindelijk verdween het zelfs naar de "reserveplank" van mijn platenkast. Nu ik Grace weer eens tevoorschijn heb gehaald kan ik nog altijd horen wat ik er indertijd zo goed aan vond en wat mij zo ontroerde: de dynamiek van hard en gevoelig, Buckley's onvoorstelbaar elastische en warme stem, zijn gitaarspel dat tegelijkertijd flashy en functioneel is, de uitstekende productie vol kleine subtiele geluidjes en effectjes, de harde maar rijke sound, de stevige ritmesectie, en last but not least de gigantische kwaliteit van het songmateriaal waaruit blijkt dat Buckley niet alleen geweldige eigen composities schrijft maar ook een goede hand van kiezen van covers heeft – dit is één van de weinige platen waarop ik echt geen enkel zwak nummer kan aanwijzen, en hoewel er wel een paar tracks bovenuit springen (het titelnummer, Lilac wine, Lover you should've come over) ben ik nooit in de verleiding gekomen om de tussenliggende nummers te skippen wanneer ik het album draai.
Des te vreemder is het dan dat, terwijl ik me dus nog steeds realiseer wat een fantastische plaat dit is, ik tegelijkertijd totaal geen klik meer met het album als geheel, de nummers apart of Buckley zelf heb. Eigenlijk had ik dat al moeten zien aankomen doordat ik deze CD al zeker 20 jaar niet meer heb gedraaid, maar waardóór dat komt is me een raadsel. Stoor ik me teveel aan de theatraliteit, hoor ik toch iets teveel vocale-spierballen-gerol (hetgeen gezien Buckley's DNA ook niet vreemd is), is de ongeëvenaarde intensiteit van de 50 minuten die dit album duurt nèt te veel van het goede, heeft de achterlijke populariteit van deze versie van Hallelujah er iets mee te maken (waar is John Cale wanneer je hem nodig hebt?), of zoek ik gewoon naar een stok om de onbewuste hond mee te slaan? En, de hamvraag, zou dit album nu opnieuw gedurende zeker 20 jaar in de kast verdwijnen? Na drie keer draaien heb ik er in ieder geval totaal geen behoefte aan om hem een vierde keer op te zetten, en ook dát spreekt boekdelen, hoewel ik me wel voorneem om hem weer op de "dagelijkse" plank te zetten. Ik kan het niet verklaren, maar soms is liefde gewoon voorbij.
Des te vreemder is het dan dat, terwijl ik me dus nog steeds realiseer wat een fantastische plaat dit is, ik tegelijkertijd totaal geen klik meer met het album als geheel, de nummers apart of Buckley zelf heb. Eigenlijk had ik dat al moeten zien aankomen doordat ik deze CD al zeker 20 jaar niet meer heb gedraaid, maar waardóór dat komt is me een raadsel. Stoor ik me teveel aan de theatraliteit, hoor ik toch iets teveel vocale-spierballen-gerol (hetgeen gezien Buckley's DNA ook niet vreemd is), is de ongeëvenaarde intensiteit van de 50 minuten die dit album duurt nèt te veel van het goede, heeft de achterlijke populariteit van deze versie van Hallelujah er iets mee te maken (waar is John Cale wanneer je hem nodig hebt?), of zoek ik gewoon naar een stok om de onbewuste hond mee te slaan? En, de hamvraag, zou dit album nu opnieuw gedurende zeker 20 jaar in de kast verdwijnen? Na drie keer draaien heb ik er in ieder geval totaal geen behoefte aan om hem een vierde keer op te zetten, en ook dát spreekt boekdelen, hoewel ik me wel voorneem om hem weer op de "dagelijkse" plank te zetten. Ik kan het niet verklaren, maar soms is liefde gewoon voorbij.
Jeff Buckley - Live at Sin-é (1993)

3,5
0
geplaatst: 5 juli 2023, 16:26 uur
Hmm... wou ik een stukje schrijven bij dit vriendelijke mini-album van 4 nummers en 27 minuutjes dat ik indertijd (1994) bij toeval tegenkwam en vanwege mijn enthousiasme voor Grace meteen kocht, zie ik hier dat het inmiddels is opgeblazen tot een dubbelalbum van 34 nummers en 157 minuten. Maar ja, van de man die bij leven en welzijn tot 1 volledig album plus wat EP's kwam staan er inmiddels ook maar liefst 24 titels op MusicMeter, dus van een alternatieve singer-songwriter blijkt hij inmiddels big business te zijn geworden. Aan de twee nummers die in aangeklede versie op Grace terecht zouden komen kun je horen dat Buckley ook in z'n eentje met alleen maar een Telecaster behoorlijk uit de voeten kon, want z'n zang blijft indrukwekkend-gecontroleerd zonder dat zijn gitaarspel daar onder lijdt, en op Je n'en connais pas la fin houdt hij het dan juist weer prachtig klein. Alleen halverwege het lange slotnummer vliegt hij echt uit de bocht wanneer in zijn DNA niet alleen de elastische stem van zijn vader blijkt te zitten maar ook diens voorkeur voor jazzy improvisaties middels vocale acrobatiek, en dat schiet mij bij zowel vader als zoon nog wel eens in het verkeerde keelgat (zoals hier). Al met al toch een prachtig intiem portret van wat deze man in z'n eentje kon, maar over wat de overige 130 minuten aan extra materiaal hebben opgeleverd kan ik dus geen oordeel vellen – ongetwijfeld van hetzelfde hoge niveau, maar het is raar dat dat dan niet onder een andere titel is uitgebracht, want mijn kleine EP verzuipt nu in het totaalplaatje.
Jeff Wayne - The War of the Worlds (1978)
Alternatieve titel: Jeff Wayne's Musical Version of The War of the Worlds

5,0
0
geplaatst: 20 april 2017, 13:26 uur
Grappig wat je schrijft, bikkel2, bij mij ging het precies andersom: indertijd vond ik die huppelende disco-bas heel flauw (disco was toen een schuttingterm in mijn woordenboek), maar ik stoor me er inmiddels niet meer aan omdat de rest van de muziek zo sterk is en zo lekker vol en fel klinkt. Burton is inderdaad geweldig; ik weet niet of hij dit project deed omdat hij in geldnood zat of misschien z'n visibility wilde opkrikken, maar als dat al zo zou zijn is daar niets van te merken, want hij doet het geweldig en brengt zijn teksten vol warmte en overgave. Maar hij is niet de enige, want volgens mij is een niet onbelangrijk deel van het artistieke succes van dit album te danken aan de manier waarop Phil Lynott (mede dankzij zijn unieke frasering), Jo Partridge en David Essex (wiens bijna jubelende manier van zingen perfect past bij zijn naïeve artillerist) hun partijen zingen: de personages komen in hun vertolkingen echt tot leven, warts and all.
Grappig weetje: in het boekje bij mijn CD van zijn eerste soloplaat Songwriter vertelt Justin Hayward dat hij door een toevallig aanwezige vriend overgehaald moest worden om mee te werken aan dit project. "Jeff sent me a demo of Forever autumn, but I must admit that I wasn't sure when I first heard it." Gelukkig is hij dus nog van gedachten veranderd...
Grappig weetje: in het boekje bij mijn CD van zijn eerste soloplaat Songwriter vertelt Justin Hayward dat hij door een toevallig aanwezige vriend overgehaald moest worden om mee te werken aan dit project. "Jeff sent me a demo of Forever autumn, but I must admit that I wasn't sure when I first heard it." Gelukkig is hij dus nog van gedachten veranderd...
Jerry Jeff Walker - Mr. Bojangles (1968)

5,0
1
geplaatst: 30 januari 2023, 15:15 uur
Dit album, dat al zeker 40 jaar met mij mee gaat, valt voor mij eigenlijk al vanaf het moment dat ik het leerde kennen in twee delen uiteen. De "lichtste" en minste helft bestaat uit folky of country-achtige liedjes variërend van triviaal (I keep changin') via aardig maar oppervlakkig (I makes money (money don't make me) en het J.J. Cale-achtige Round and round) tot leuke "declarations of intent" van een singer-songwriter die het liefst on the road verblijft (Gypsy songman en Maybe Mexico). Deze vijf nummers stellen niet zo gek veel voor, maar ze zijn ook niet echt slecht, en met een totaaltijd van minder dan een kwartier "they don't outstay their welcome".
De overige vijf nummers (samen ruim 25 minuten) zijn van een totaal ander laken een pak. The ballad of the Hulk is een heel grappige en zeer Dylaneske ballade (nog nèt geen talking-blues, maar wel verwant aan bijvoorbeeld It's alright ma (I'm only bleeding) ) waarin Walker duidelijk maakt hoezeer hij buiten het establishment staat, geheel volgens de trend van de sixties maar met een tekst die in het puriteinse Amerika in sommige gevallen nog altijd hout snijdt. Little bird daarentegen is een klein kwetsbaar liedje waarin Walker bij zijn raam gezeten piekert over het verleden en wat er fout ging, en hier komt de voornaamste troef van dit album ter sprake, want naast Walkers akoestische gitaar, een bobbelende bas, een mondharmonica en een klein spelende piano duikt hier gitarist David Bromberg op, en wat die op dit album aan kleine subtiele gitaarloopjes meebrengt is zeldzaam ontroerend – als de perfecte zichzelf wegcijferende sessiemuzikant tilt hij elk nummer met zijn fijnzinnige spel twee niveaus hoger. Ik zou haast willen dat Rhino over de brug kwam met een aparte versie van dit album waarop de zang en de overige melodie-instrumenten waren weggefilterd zodat je je helemaal zou kunnen concentreren op Brombergs miniaturen. (Soms moet ik denken aan de vergelijkbare belangrijke rol van Lee Underwood op de platen van Tim Buckley.)
Broken toys is een prachtig voorbeeld van wat Brombergs aan dit album toevoegt, een verdrietig liefdesliedje waarin Walkers stem toch duidelijk maakt dat hij niet gebroken is. Een zachte bas en een subtiele piano reizen met de melodie mee, maar het is Brombergs vloeiende "kleine" spel die het nummer z'n gloed geven. Ik zou dit het beste voorbeeld van zijn kunnen willen noemen, ware het niet dat het album afsluit met My old man, een ongemeen aandoenlijk nummer waarin de ik-figuur verhaalt over hoe zijn (aanstaande) moeder werd betoverd door het vioolspel van zijn rondreizende (aanstaande) vader – het klinkt melig, maar de ontroerende tekst, de bescheiden zang, de prachtige melodie, Brombergs gitaarspel en de viool van Jody Stecher maken hiervan een uitzonderlijk intiem nummer waarvoor ik superlatieven tekort kom. En dan moet ik het titelnummer nog noemen... maar dat zal wel zó bekend zijn dat ik er niet veel nieuws over zou kunnen zeggen. In z'n eentje is dat prachtige verhaal over een man in de marge (door Walker ook echt ontmoet – "in the drunk tank over a long weekend") in ieder geval al genoeg om dit album een essentiële plaat voor mij te maken. (Ik leerde dit nummer overigens kennen via de cover uit 1972 van Johnny Paycheck op de uitstekende verzamelaar K-Tel's country side uit 1977 van mijn vader, en ook dat blijf ik een mooie versie vinden.)
De oorspronkelijke Atco-LP uit 1968 is in 1993 door Rhino keurig op CD gezet, met in het boekje naast de vermelding van de muzikanten een kort essay inclusief het commentaar van Walker bij elk nummer, en op de CD zelf twee enigszins overbodige bonusnummers, te weten de twee dagen later en met andere muzikanten opgenomen single-versies van Mr. Bojangles (met strijkers) en Round and round (in een vrij afwijkend arrangement). Zoals gezegd klinkt het album op (deze) CD uitstekend; wie het op Spotify opzoekt moet er rekening mee houden dat (althans op het moment van schrijven) de versie van het titelnummer een andere is dan op de oorspronkelijke elpee – zoals hij bij wel meer oude nummers deed heeft Walker dit vast later nogmaals opgenomen, en de samensteller van de Spotify-playlist heeft hier zonder blikken of blozen de verkeerde versie neergezet. Het verschil is niet dramatisch, het is geen big-band-jazz-versie of zo, maar het is gewoon niet zoals het hoort.
De overige vijf nummers (samen ruim 25 minuten) zijn van een totaal ander laken een pak. The ballad of the Hulk is een heel grappige en zeer Dylaneske ballade (nog nèt geen talking-blues, maar wel verwant aan bijvoorbeeld It's alright ma (I'm only bleeding) ) waarin Walker duidelijk maakt hoezeer hij buiten het establishment staat, geheel volgens de trend van de sixties maar met een tekst die in het puriteinse Amerika in sommige gevallen nog altijd hout snijdt. Little bird daarentegen is een klein kwetsbaar liedje waarin Walker bij zijn raam gezeten piekert over het verleden en wat er fout ging, en hier komt de voornaamste troef van dit album ter sprake, want naast Walkers akoestische gitaar, een bobbelende bas, een mondharmonica en een klein spelende piano duikt hier gitarist David Bromberg op, en wat die op dit album aan kleine subtiele gitaarloopjes meebrengt is zeldzaam ontroerend – als de perfecte zichzelf wegcijferende sessiemuzikant tilt hij elk nummer met zijn fijnzinnige spel twee niveaus hoger. Ik zou haast willen dat Rhino over de brug kwam met een aparte versie van dit album waarop de zang en de overige melodie-instrumenten waren weggefilterd zodat je je helemaal zou kunnen concentreren op Brombergs miniaturen. (Soms moet ik denken aan de vergelijkbare belangrijke rol van Lee Underwood op de platen van Tim Buckley.)
Broken toys is een prachtig voorbeeld van wat Brombergs aan dit album toevoegt, een verdrietig liefdesliedje waarin Walkers stem toch duidelijk maakt dat hij niet gebroken is. Een zachte bas en een subtiele piano reizen met de melodie mee, maar het is Brombergs vloeiende "kleine" spel die het nummer z'n gloed geven. Ik zou dit het beste voorbeeld van zijn kunnen willen noemen, ware het niet dat het album afsluit met My old man, een ongemeen aandoenlijk nummer waarin de ik-figuur verhaalt over hoe zijn (aanstaande) moeder werd betoverd door het vioolspel van zijn rondreizende (aanstaande) vader – het klinkt melig, maar de ontroerende tekst, de bescheiden zang, de prachtige melodie, Brombergs gitaarspel en de viool van Jody Stecher maken hiervan een uitzonderlijk intiem nummer waarvoor ik superlatieven tekort kom. En dan moet ik het titelnummer nog noemen... maar dat zal wel zó bekend zijn dat ik er niet veel nieuws over zou kunnen zeggen. In z'n eentje is dat prachtige verhaal over een man in de marge (door Walker ook echt ontmoet – "in the drunk tank over a long weekend") in ieder geval al genoeg om dit album een essentiële plaat voor mij te maken. (Ik leerde dit nummer overigens kennen via de cover uit 1972 van Johnny Paycheck op de uitstekende verzamelaar K-Tel's country side uit 1977 van mijn vader, en ook dat blijf ik een mooie versie vinden.)
De oorspronkelijke Atco-LP uit 1968 is in 1993 door Rhino keurig op CD gezet, met in het boekje naast de vermelding van de muzikanten een kort essay inclusief het commentaar van Walker bij elk nummer, en op de CD zelf twee enigszins overbodige bonusnummers, te weten de twee dagen later en met andere muzikanten opgenomen single-versies van Mr. Bojangles (met strijkers) en Round and round (in een vrij afwijkend arrangement). Zoals gezegd klinkt het album op (deze) CD uitstekend; wie het op Spotify opzoekt moet er rekening mee houden dat (althans op het moment van schrijven) de versie van het titelnummer een andere is dan op de oorspronkelijke elpee – zoals hij bij wel meer oude nummers deed heeft Walker dit vast later nogmaals opgenomen, en de samensteller van de Spotify-playlist heeft hier zonder blikken of blozen de verkeerde versie neergezet. Het verschil is niet dramatisch, het is geen big-band-jazz-versie of zo, maar het is gewoon niet zoals het hoort.
Jerry Lee Lewis - Live at the Star Club, Hamburg (1964)

3,5
0
geplaatst: 9 juli 2014, 11:53 uur
Dit is nooit mijn favoriete vroege rock'n'roller geweest, noch qua liedjes noch qua stem noch qua hoofdinstrument noch qua uitstraling, maar bij déze plaat is het toch moeilijk stilzitten. Lewis raast in hoog tempo door een stapel klassiekers van zowel hemzelf als collega's (Barrett Strong, Carl Perkins, Ray Charles, Little Richard, Hank Williams, Elvis) en spaart daarbij de begeleidingsband niet, maar het resultaat is een heerlijke en veertig minuten lang dampende liveplaat. Geweldig.
Jesse 'Ed' Davis - Ululu (1972)

4,0
0
geplaatst: 28 september 2013, 17:15 uur
Wat nu, een nog maagdelijk vel? Dit is anders toch een superbe opvolger van Davis' titelloze debuut. De plaat begint meteen ijzersterk, inclusief een even simpele als effectieve cover van Merle Haggard (White line fever) en het samen met Taj Mahal geschreven Farther on down the road (you will accompany me) (met mooi subtiel blazerswerk), en heeft ook daarna nog een paar fraaie covers in petto: Sue me, sue you blues (van George Harrisons Living in the material world – Davis speelde mee op het Concert For Bangla Desh), Strawberry wine (van Stage fright, het derde album van The Band, en stiekem vind ik dít een leukere want doelgerichtere versie) en Leon Russells Alcatraz. En omdat ook Davis' eigen composities (zoals de geweldige plaatopener, het bijna jubelende titelnummer en het gospelachtige Make a joyful noise) van degelijke kwaliteit zijn en de plaat net zo kleurrijk en gevarieerd is als z'n voorganger kan ik niet anders dan hier dezelfde waardering voor opbrengen (ook al is het album dan wel aan de èrg korte kant). Met dank aan Droombolus.
Jesse Davis - Jesse Davis (1970)

4,0
0
geplaatst: 28 september 2013, 16:32 uur
Verdorie, niemand vertelt mij ook ooit iets. Blijkt dit album al meer dan een half jaar op MusicMeter te staan zonder dat ik daarvan op de hoogte ben gesteld! Ik heb deze man leren vanwege zijn sublieme werk op Gene Clarks twee meesterwerken White light (die eindsolo op 1975!) en No other (waarvan ik nu pas tot mijn schande zie dat ik er nog niet eens op heb gestemd…). Via Droombolus (waarvoor nog dank) heb ik vrij recent Davis' eerste twee platen leren kennen, en die hebben me bepaald niet teleurgesteld. Ik moet zelf vaak denken aan bands als Little Feat (alleen al dat openingsnummer), Dr John en Ry Cooder, allemaal mensen die ook hun best deden om uitgekiende en stilistisch zeer gevarieerde muziek zo achteloos en los mogelijk te laten klinken, en ook de naam van Crazy Horse duikt vaak bij mij op.
Enige twee minpuntjes zijn Golden sun goddess dat over de schreef van de goede smaak gaat (het zal de tijd wel zijn) en de enigszins nasale stem van Davis, die adekwaat en zelfs prima is tijdens de uptempo-nummers (en op Every night is Saturday night perfect aangeschoten klinkt, of is dat inbeelding?), maar bij ballades als Rock n roll gypsies toch een beetje nuance mist. Maar goed, dat laatste bezwaar wordt grotendeels ondervangen door het rijke en kleurige totaalgeluid vol lekker klinkende drums, geweldige gitaarpartijen en slim pianowerk, dat trouwens ook verantwoordelijk is voor de enorm hoge draaibaarheidsfactor van dit album. Favorieten: Reno Street incident en Every night is Saturday night, aantal sterren: 4.
Ik besef nu trouwens dat ik dit album wellicht nog nooit op MusicMeter heb gevonden omdat ik altijd zocht op Jesse Ed Davis…
Enige twee minpuntjes zijn Golden sun goddess dat over de schreef van de goede smaak gaat (het zal de tijd wel zijn) en de enigszins nasale stem van Davis, die adekwaat en zelfs prima is tijdens de uptempo-nummers (en op Every night is Saturday night perfect aangeschoten klinkt, of is dat inbeelding?), maar bij ballades als Rock n roll gypsies toch een beetje nuance mist. Maar goed, dat laatste bezwaar wordt grotendeels ondervangen door het rijke en kleurige totaalgeluid vol lekker klinkende drums, geweldige gitaarpartijen en slim pianowerk, dat trouwens ook verantwoordelijk is voor de enorm hoge draaibaarheidsfactor van dit album. Favorieten: Reno Street incident en Every night is Saturday night, aantal sterren: 4.
Ik besef nu trouwens dat ik dit album wellicht nog nooit op MusicMeter heb gevonden omdat ik altijd zocht op Jesse Ed Davis…

Jethro Tull - A (1980)

2,5
0
geplaatst: 3 mei 2024, 22:57 uur
Nee, dit album is niet aan mij besteed. Ik begrijp wel dat ik het "in zijn tijd" moet zien, maar de combinatie van Andersons fluit met de vele synths, de "basic" drumpartijen en de ronkende en soms fretloze bas vind ik geen gelukkige. Alleen al die synthetisch klinkende drums en die semi-disco-baspartij (die me doet denken aan Nils Lofgrens Shine silently) op het openingsnummer doen mij onaangenaam aan, en van de combinatie van rock, folk en prog die ik in deze band zo ben gaan waarderen is niet veel meer over.
Ik weet niet of Anderson voor deze "synth-heavy" sound koos (a) omdat hij ook door een jonger publiek gehoord wilde blijven, of (b) omdat hij gewoon zelf in alle oprechtheid gecharmeerd was van dit moderne geluid, of (c) omdat de platenmaatschappij zijn muziek in een moderner jasje wilde steken (en begrijp me goed, voor alle drie de motivaties kan ik begrip opbrengen), maar in mijn oren klinkt het gewoon vlak en simpel, en omdat de nummers ook wat eenvoudiger zijn (vaak met een gewone couplet-refrein-structuur zonder rare breaks of solo's) blijft er voor mij maar weinig interessants over. De bijdragen van Eddie Jobson geven de muziek wat extra kleur, en Black Sunday en And further on zijn wat mij betreft twee hoogtepunten, maar als geheel vind ik A toch een vrij matige plaat.
Ik weet niet of Anderson voor deze "synth-heavy" sound koos (a) omdat hij ook door een jonger publiek gehoord wilde blijven, of (b) omdat hij gewoon zelf in alle oprechtheid gecharmeerd was van dit moderne geluid, of (c) omdat de platenmaatschappij zijn muziek in een moderner jasje wilde steken (en begrijp me goed, voor alle drie de motivaties kan ik begrip opbrengen), maar in mijn oren klinkt het gewoon vlak en simpel, en omdat de nummers ook wat eenvoudiger zijn (vaak met een gewone couplet-refrein-structuur zonder rare breaks of solo's) blijft er voor mij maar weinig interessants over. De bijdragen van Eddie Jobson geven de muziek wat extra kleur, en Black Sunday en And further on zijn wat mij betreft twee hoogtepunten, maar als geheel vind ik A toch een vrij matige plaat.
Jethro Tull - A Passion Play (1973)

3,0
0
geplaatst: 17 juni 2023, 17:17 uur
Martin Barre in het boekje bij de uitgave met de remixes van Steven Wilson uit 2014: "I remember there was not one gig where I didn't make a mistake – not one, ever! It was impossible, there was so much in it. I mean, not just a slip, but actually making an arrangement mistake, there was so much to remember, it was incredibly complex. Why make it a bar of 7/8, did it need to be? And maybe the answer is no, it didn't need to be." Geen kwaad woord over de intenties van Ian Anderson en de capaciteiten van de geweldige musici, maar wat alle betrokkenen in het essay in dat boekje ook al aanstippen: de genadeloze hoeveelheid tempowisselingen, maatsoorten en "verspringingen" van instrumenten gaan mij persoonlijk al heel snel tegenstaan, hoezeer ik ook dol ben op de prog uit deze jaren en hoe geweldig Steven Wilson het geluid ook heeft opgepoetst. Het was natuurlijk absoluut niet de bedoeling, maar als Anderson een parodie op een prog-conceptalbum had willen maken en daartoe in ieder nummer op elke plek zoveel mogelijk willekeurige tempowisselingen etc. had willen stoppen had hij niet efficiënter te werk kunnen gaan. Een knap en gedisciplineerd stukje werk, maar ik laat het verder voor wat het is. ("Door de vele saxofoon, spannendemaatsoorten en vele tempowisselingen is deze plaat de meest Gentle Giantesque van alle Tull-platen," zegt Mssr Renard op 1 juni, en dat vind ik wel een mooie vergelijking: Gentle Giant kan ik ook niet doorheen komen.)
Jethro Tull - Aqualung (1971)

5,0
2
geplaatst: 20 november 2023, 20:09 uur
Ik probeer me altijd zo ruim mogelijk op te stellen en zoveel mogelijk in andermans schoenen te gaan staan om te horen wat hij of zij nou zo mooi of lelijk vindt aan muziek die ik juist lelijk of mooi vind, maar Aqualung is één van de weinige platen waarbij ik hopeloos tekort schiet, want ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat een rockliefhebber dit niet een geweldige plaat zou kunnen vinden: elf pakkende melodieën die ook 50 jaar later nog boeien, intelligente teksten, zeer gevarieerde arrangementen met akoestische en elektrische gitaar, fluit en nu ook piano (en wat voegt John Evan hier veel aan toe!), en een lekker volle sound die indertijd al perfect klonk en die nu nog steeds niet gedateerd klinkt (hoewel ik bij mevrouw OnHeavenHill niet met een dwarsfluit hoef aan te komen, en dát terwijl ik nu net ook een Focus-bui heb). Eigenlijk begint het al met de vormgeving; ik heb dit album inmiddels op CD, maar ik voel gewoon nog het aparte "ribbelige" karton van de oorspronkelijke klaphoes. Het is voor mij in alle opzichten een plaat die het woordje klassieker belichaamt.
Ik leerde dit kennen via Locomotive breath op een verzamelelpee, en toen ik het album kocht stond ik in het begin wel even te kijken van dat piano-intro, maar na drie of vier keer draaien was ik er geheel aan gewend, en nú zou ik het niet meer anders willen, met dat aarzelende begin en daarna de up-tempo-inleiding met de piepende elektrische gitaar die ook een handje komt helpen. Los van de muziek hadden echter ook de teksten een redelijke invloed op mij. Ik ben geboren in een gezin (en een stad) waar het geloof geen rol speelde, en ik heb nooit enige religieuze neiging of behoefte gevoeld; de dingen die ik daar over hoorde en las (en een klein beetje onderwezen kreeg) ervoer ik alleen maar als bevreemdend, en eigenlijk kreeg ik pas aan het begin van mijn middelbare school twee kunstzinnige uitingen onder ogen die mij iets duidelijk maakten over wat het geloof kon zijn en hoe ik me daartegenover zou kunnen verhouden. Eén van die uitingen was Jesus Christ superstar (de oorspronkelijke dubbelelpee, dus de oerversie met Ian Gillan), dat mij pas de ware betekenis en het belang van het offer van Christus echt liet doorvoelen, en de andere was Aqualung en dan specifiek het idee van Ian Anderson dat "he's not the kind you have to wind up on Sundays", hetgeen voor mij helder maakte dat het geloof niet hetzelfde is als (en in sommige opzichten diametraal staat tegenover) de Kerk. Een paar jaar later kwamen daar andere schrijvers en denkers bij en werd het voor mezelf allemaal nog veel duidelijker, maar Ian Anderson en Tim Rice hebben toch ook wel een bepalende invloed gehad.
(Mooie dubbelzinnige titel trouwens, dat Wind up: het verwijst naar het "opwinden" van God alsof hij een wekker zou zijn aan wie door middel van het zondagse kerkbezoek de zegening moet worden afgesmeekt, maar het betekent hier ook dat het laatste nummer de plaat afrondt, "winding up the album".)
Tenslotte: er zijn ongetwijfeld nóg ergere voorbeelden van vooringenomenheid (bijvoorbeeld bij Robert Christgau), maar als prachtig voorbeeld van ergerniswekkende onredelijkheid staat mij altijd een opmerking in de Rock Almanac (1978) van Stephen Nugent en Charlie Gillett bij. Daarin heeft Dave Marsh een lijst van de 100 essential rock albums van tussen 1955 en 1972 samengesteld, en onder het kopje The British invasion, its reign, and its transformation is op nummer 43 ook Stand up van Jethro Tull opgenomen. En in het bijbehorende tekstje schrijft Marsh: "In some cases [...] I based my selection on the record that seemed to be most important to the group's fans. (Exception: 43, whose fans would argue for "Aqualung", but I figure I had to be able to sit all the way through every one of these at least once." (mijn cursivering) Ik kan er nog steeds kwaad om worden. Zou hij afgehaakt zijn bij dat "La la la la"-stukje halverwege My God?
Ik leerde dit kennen via Locomotive breath op een verzamelelpee, en toen ik het album kocht stond ik in het begin wel even te kijken van dat piano-intro, maar na drie of vier keer draaien was ik er geheel aan gewend, en nú zou ik het niet meer anders willen, met dat aarzelende begin en daarna de up-tempo-inleiding met de piepende elektrische gitaar die ook een handje komt helpen. Los van de muziek hadden echter ook de teksten een redelijke invloed op mij. Ik ben geboren in een gezin (en een stad) waar het geloof geen rol speelde, en ik heb nooit enige religieuze neiging of behoefte gevoeld; de dingen die ik daar over hoorde en las (en een klein beetje onderwezen kreeg) ervoer ik alleen maar als bevreemdend, en eigenlijk kreeg ik pas aan het begin van mijn middelbare school twee kunstzinnige uitingen onder ogen die mij iets duidelijk maakten over wat het geloof kon zijn en hoe ik me daartegenover zou kunnen verhouden. Eén van die uitingen was Jesus Christ superstar (de oorspronkelijke dubbelelpee, dus de oerversie met Ian Gillan), dat mij pas de ware betekenis en het belang van het offer van Christus echt liet doorvoelen, en de andere was Aqualung en dan specifiek het idee van Ian Anderson dat "he's not the kind you have to wind up on Sundays", hetgeen voor mij helder maakte dat het geloof niet hetzelfde is als (en in sommige opzichten diametraal staat tegenover) de Kerk. Een paar jaar later kwamen daar andere schrijvers en denkers bij en werd het voor mezelf allemaal nog veel duidelijker, maar Ian Anderson en Tim Rice hebben toch ook wel een bepalende invloed gehad.
(Mooie dubbelzinnige titel trouwens, dat Wind up: het verwijst naar het "opwinden" van God alsof hij een wekker zou zijn aan wie door middel van het zondagse kerkbezoek de zegening moet worden afgesmeekt, maar het betekent hier ook dat het laatste nummer de plaat afrondt, "winding up the album".)
Tenslotte: er zijn ongetwijfeld nóg ergere voorbeelden van vooringenomenheid (bijvoorbeeld bij Robert Christgau), maar als prachtig voorbeeld van ergerniswekkende onredelijkheid staat mij altijd een opmerking in de Rock Almanac (1978) van Stephen Nugent en Charlie Gillett bij. Daarin heeft Dave Marsh een lijst van de 100 essential rock albums van tussen 1955 en 1972 samengesteld, en onder het kopje The British invasion, its reign, and its transformation is op nummer 43 ook Stand up van Jethro Tull opgenomen. En in het bijbehorende tekstje schrijft Marsh: "In some cases [...] I based my selection on the record that seemed to be most important to the group's fans. (Exception: 43, whose fans would argue for "Aqualung", but I figure I had to be able to sit all the way through every one of these at least once." (mijn cursivering) Ik kan er nog steeds kwaad om worden. Zou hij afgehaakt zijn bij dat "La la la la"-stukje halverwege My God?
Jethro Tull - Benefit (1970)

3,5
0
geplaatst: 15 november 2023, 20:42 uur
Als ik hetzelfde doe als veel gebruikers hier en deze plaat vergelijk met z'n twee voorgangers, dan vind ik hem beter danThis was maar iets minder dan Stand up. De twee openers zijn echt geweldig, en ik kan ook niet begrijpen waarom mensen weinig op hebben met de niet-kleffe huiselijkheid van Inside ("And we laugh and we sing / Get someone to bring our friends here for tea in the evening / Old Jeffrey makes three"), maar Alive and well and living in en A time for everything zijn dan weer te licht, en de afsluiter heeft een mooi arrangement maar een melodie die in mijn oren niet erg sterk is. Extra complicatie bij dat laatste nummer is dat ik hier voor het eerst iets hoor waar ik op latere Tull-platen nog veel meer last van gaan krijgen, namelijk Andersons neiging om bij veel woorden op een heel bijzondere manier te gaan articuleren, alsof hij niet genoeg heeft aan een doorsnee-uitspraak en nog wat extra aandacht op zijn tekst wil vestigen, reden waarom ik na Minstel in the gallery een beetje ben afgehaakt. Op deze eerste drie platen heb ik daar gelukkig nog niet zo veel last van, en als de band hier goed is zijn ze meteen ook wel héél erg goed, maar er staan voor mij teveel middelmatige nummers op om hier een echt hoge score aan te geven.
Jethro Tull - Heavy Horses (1978)

4,5
1
geplaatst: 19 april 2024, 22:32 uur
Net als z'n voorganger een mooie mix van rock en folk, met boeiende "landelijke" teksten die variëren van geestig (de opener) tot oprecht ontroerend (het titelnummer), voor mijn gevoel net zo geïnspireerd als Songs from the wood maar net iets minder goed doordat veel nummers iets minder beklijven en daardoor iets minder indruk maken. Ik lees dat Ian Anderson tijdens de opnames voor het eerst iets merkte van wat later als COPD gediagnosticeerd zou worden; ik weet niet of dat er iets mee te maken heeft, maar op Acres wild en Moths vind ik hem qua timbre soms net op Cat Stevens lijken. Beetje jammer ook dat het mooie slotnummer (en daarmee dus het album) eindigt met een fade-out, maar al met al (en met dank aan die heerlijke arrangementen vol vette gitaren en wervelende fluiten) is dit toch een redelijk sterke plaat met het titelnummer als absoluut hoogtepunt.
Jethro Tull - Life Is a Long Song (1971)

3,5
0
geplaatst: 7 oktober 2022, 16:13 uur
Prima beschouwing van mijn voorganger. Ruim 13 minuten Anderson en Tull op hun best, met liedjes waarvan de korte speelduur niet in verhouding staat tot de emotionele rijkdom van tekst en arrangementen, inclusief de confronterende slotregel van het titelnummer ("Life's a long song, but the tune ends too soon for us all") en de ontroerende slotregels van het laatste nummer: "Oh nursie dear, I'm glad you're here to brush away my pain" – gelukkig krijgt Anderson hier voor zichzelf een soort antwoord op de vraag die hij zichzelf stelde bij een bezoek aan het ziekenhuis van zijn vader in Cheap day return : "And you sadly wonder, does the nurse treat your old man the way she should?" Alleen het instrumentale From later stelt niet zo veel voor, maar dat wordt dan weer goedgemaakt door het wrange portret van de archetypische Engelse vakantiebestemming Blackpool in Up the 'pool met de politici "who've come to take the air / While posing for the daily press" en de "suntanned stranded starfish in a daze." Een mooie verzameling kleine juweeltjes van een band die het zich kon veroorloven om deze rijkdom op een EP te parkeren.
Jethro Tull - Living in the Past (1972)

4,5
0
geplaatst: 7 oktober 2022, 16:16 uur
Voor mij was dit altijd de plaat met/van Sweet dream en Witches promise, maar nu ik dit album na al die jaren weer eens draai vind ik die twee titels eigenlijk suggestiever en spannender dan de bijbehorende muziek. De overige nummers daarentegen intrigeren me meer dan ooit: korte en krachtige songs met scherpe melodieën en een geluidsbeeld dat vaak nèt afwijkt van wat je zou verwachten bij een band die bluesrock mixt met folkrock: de mondharmonica en de telefoonstem op Song for Jeffrey, de kleine percussie gevolgd door een zware riff op Love story, de elementaire maar ijzersterke riff van Driving song, de opgewekte stemming van Singing all day met die bluesy gitaar eronder, het afwijkende percussie-patroon van Inside, en natuurlijk de laatste vijf nummers – kennelijk had Anderson even geen plaats op een album en dus loosde hij ze maar via een EP waar een andere band misschien wel een moord voor zou doen.
Dat is uiteindelijk ook mijn voornaamste indruk van dit album: een overdaad aan prachtige nummers uit een periode waarin de inspiratie van zowel componist als band in overvloed stroomde, zodat zelfs een album met "restjes" nog een feestmaaltijd blijkt. Toch geen maximale score mijnerzijds omdat de twee live-nummers op vinylkant 3 mij echt totaal niet kunnen boeien, noch de flarden Beethoven noch de drumsolo. De rest is geweldig; jammer dat het boekje van de CD-versie de muziek geen recht doet door niets te vernelden over componisten, muzikanten, opnamedata of herkomst.
Dat is uiteindelijk ook mijn voornaamste indruk van dit album: een overdaad aan prachtige nummers uit een periode waarin de inspiratie van zowel componist als band in overvloed stroomde, zodat zelfs een album met "restjes" nog een feestmaaltijd blijkt. Toch geen maximale score mijnerzijds omdat de twee live-nummers op vinylkant 3 mij echt totaal niet kunnen boeien, noch de flarden Beethoven noch de drumsolo. De rest is geweldig; jammer dat het boekje van de CD-versie de muziek geen recht doet door niets te vernelden over componisten, muzikanten, opnamedata of herkomst.
Jethro Tull - Minstrel in the Gallery (1975)

5,0
1
geplaatst: 11 december 2023, 14:15 uur
Prachtige plaat met weer dat fraaie samenspel van akoestische gitaar, fluit en elektrische gitaar om-en-om als lead-insterumenten, zodat je niet weet of je luistert naar folk (zoals op de drie akoestische nummers) of rock (of zelfs hard-rock, zoals wanneer Martin Barre tijdens de tweede helft van het titelnummer de hele zangregel op zijn twee zware akkoorden laat leunen). Ian Anderson heeft soms bijna te veel tekst voor zijn melodieën, en waar hij het allemaal over heeft en wat hij allemaal overhoop haalt is anybody's guess, maar gelukkig grossiert hij weer in ijzersterke melodieën, en daardoor is het niet eens een probleem dat het lange Baker Street muse eigenlijk meer een aantal elkaar geplakte reeks pakkende fragmenten dan een echt samenhangend geheel is. Eervolle vermelding voor de erotische tederheid van Black satin dancer.
Jethro Tull - Songs from the Wood (1977)
Alternatieve titel: Jethro Tull with Kitchen Prose, Gutter Rhymes and Divers Songs from the Wood

4,5
3
geplaatst: 12 april 2024, 22:58 uur
Grappig, het gebruik van die term "folkrock". Mijn eerste associatie daarbij heeft een Amerikaanse bijsmaak: lange sociaal-kritische ballade-achtige composities van Woody Guthrie, Pete Seeger of Bob Dylan, die dan midden jaren 60 (toen de term ook werd gemunt) door de Byrds met veel ontzag van een beschaafde elektrische begeleiding inclusief jangle-gitaar werden voorzien. Bij Jethro Tull daarentegen wordt een basis van (soms stevige) rock gecombineerd met folky en soms speelse melodieën en het geheel afgemaakt met een sausje van meer up-tempo-Britse folk met fluit of accordeon. Maar dat is natuurlijk net zo goed folkrock, in feite. (Uiteraard zijn dit (a) mijn eigen associaties en (b) planken van dik hout gezaagd.)
Songs from the wood zou je des te meer folkrock kunnen noemen omdat er niet alleen folky arrangementen vermengd worden met stevige gitaren (met name op Hunting girl en Pibroch), maar ook omdat er in veel van de teksten de lof van het buitenleven wordt gezongen (en in Hunting girl ook wel op de onverwachte "gevaren" ervan wordt gewezen). Kleurrijke en zeer afwisselende arrangementen met fluit, akoestische en elektrische gitaar, keyboards en percussie, allemaal in mijn beleving nóg levendiger door de suggestieve hoes, en met veel tempowisselingen (het titelnummer, Hunting girl, Pibroch) waardoor ik deze band nog altijd aan de progrock link. Maar het belangrijkste zijn toch de knappe composities en sterke melodielijnen waarbij Ian Anderson zijn aparte stemgeluid optimaal kan gebruiken om de stempel van zijn persoonlijkheid op het geheel te drukken. Prachtige intieme afsluiter ook, van een plaat die dicht aanschuurt tegen wat ikzelf Tulls beste werk vind.
Songs from the wood zou je des te meer folkrock kunnen noemen omdat er niet alleen folky arrangementen vermengd worden met stevige gitaren (met name op Hunting girl en Pibroch), maar ook omdat er in veel van de teksten de lof van het buitenleven wordt gezongen (en in Hunting girl ook wel op de onverwachte "gevaren" ervan wordt gewezen). Kleurrijke en zeer afwisselende arrangementen met fluit, akoestische en elektrische gitaar, keyboards en percussie, allemaal in mijn beleving nóg levendiger door de suggestieve hoes, en met veel tempowisselingen (het titelnummer, Hunting girl, Pibroch) waardoor ik deze band nog altijd aan de progrock link. Maar het belangrijkste zijn toch de knappe composities en sterke melodielijnen waarbij Ian Anderson zijn aparte stemgeluid optimaal kan gebruiken om de stempel van zijn persoonlijkheid op het geheel te drukken. Prachtige intieme afsluiter ook, van een plaat die dicht aanschuurt tegen wat ikzelf Tulls beste werk vind.
Jethro Tull - Stand Up (1969)

4,0
0
geplaatst: 31 oktober 2023, 15:30 uur
De blues zit nu meer in het gevoel en de gitaarsound en minder in de songstructuren en de akkoordenreeksen. In plaats daarvan hebben de meeste nummers hier een duidelijke kop, couplet, refrein en staart, maar door de eigenzinnige melodieën en produktionele technieken (wah-wah, stemvervorming, aparte arrangementen, balalaika) klinkt de band hier nu uniek, en ook na bijna 45 jaar zou ik niet weten waar ik deze combinatie van folky fluit, elektrische rockgitaar en "scherpe" stem mee zou kunnen vergelijken.
Het gekke is dat iedereen Bourée kent, maar terwijl het in Nederland een top-10 werd (#6) haalde het in Engeland niet eens de top-40. En nog veel gekker is dat dat de Engelse platenkopers er niet van weerhield om dit album (dus zonder enige hitsingle) in groten getale te kopen: in augustus 1969 stond het daar drie weken op nummer 1, en in september (na een korte onderbreking door From Elvis in Memphis) nog eens twee weken. Mooi dat zoiets kan.
Het gekke is dat iedereen Bourée kent, maar terwijl het in Nederland een top-10 werd (#6) haalde het in Engeland niet eens de top-40. En nog veel gekker is dat dat de Engelse platenkopers er niet van weerhield om dit album (dus zonder enige hitsingle) in groten getale te kopen: in augustus 1969 stond het daar drie weken op nummer 1, en in september (na een korte onderbreking door From Elvis in Memphis) nog eens twee weken. Mooi dat zoiets kan.
Jethro Tull - Stormwatch (1979)

3,5
1
geplaatst: 29 april 2024, 16:39 uur
Absoluut geen slechte plaat, maar er springt te weinig bovenuit om hem bovengemiddeld te maken. De twee lange nummers leggen qua melodie te weinig gewicht in de schaal om echte epische klassiekers te worden, de twee instrumentaaltjes zijn vrij nietszeggend (ook al zit er achter Elegy dan ook een ontroerend verhaal), en sowieso vind ik kant 2 vrij matig terwijl kant 1 zo geweldig begint. Het is het voor mij gewoon allemaal nèt niet, hetgeen wordt verhuld doordat ik momenteel in zó'n Tull-bui zit dat ik elke combinatie van Ian Andersons fluit en Martin Barre's gitaar mooi vind, maar als dit inderdaad het derde deel van een officieuze "folky" trilogie is vind ik elk deel daarvan net wat minder dan z'n voorganger (4½*–3½*–3*).
Jethro Tull - The Broadsword and the Beast (1982)

5,0
1
geplaatst: 9 mei 2024, 22:09 uur
Mijn voor de synthetische 80's-produktie overgevoelige oren moeten hier af en toe even op de bijbehorende tanden bijten, want de ergernis om zowel de synths als het drumgeluid (met die dominante snare en bass-drum) op bijvoorbeeld Flying colours en Seal driver dreigt soms de overhand te krijgen. Gelukkig blijft het bij dat dreigen, want met vijf nummers die van mij de maximale score krijgen en twee andere die daar vlák achter zitten vind ik dit eigenlijk een geweldig album met een overdaad aan memorabele melodieën (en uiteindelijk staat of valt mijn waardering van een plaat daar toch vaak mee). Kant A is nagenoeg vlekkeloos, kant B heeft twee stoorzenders in de vorm van Pussy willow (waarvan de melodie gewoon niet blijft hangen) en Watching you watching me (met dat vreselijk irritante ritme dat klinkt alsof Gerry Conway een dag ziek was en ze toen maar gewoon een drumcomputer aan het werk hebben gezet), maar dan komt daarna het majestueuze Seal driver nog, dus de nasmaak blijft geweldig. De stem van Ian Anderson is wat afgevlakt (het gevolg van zijn emfyseem?), maar dat is voor mij geen enkel probleem omdat hij net zo expressief en soms zelfs nog intiemer dan vroeger zingt, en bovendien had ik voorheen nog wel eens wat moeite met zijn "scherpe" zang en zijn eigenzinnige en daardoor soms ergerlijke frasering, dus ik vind zijn stemgeluid hier prima op z'n plaats. Ik had het eigenlijk niet meer verwacht na de aflopende lijn van de voorgaande albums, maar ik vind dit echt een prachtige en bij tijd en wijlen zelfs imposante plaat.
Jethro Tull - Thick as a Brick (1972)

5,0
2
geplaatst: 6 december 2023, 16:27 uur
Wat een domme man, die Ian Anderson. Als het echt de bedoeling was dat Thick as a brick een beetje een satire "about the whole concept of grand rock-based concept albums" zou worden, had hij daar ook passende muziek bij moeten schrijven, en niet (zoals nu) een geweldige plaat met 44 minuten sublieme muziek vol killer-riffs, tinkelende arrangementen met een breekbare piano en op de juiste momenten inkomende blazers, en bovenal een aantal ijzersterke melodieën die zich vermoedelijk pas ná mijn sterfbed uit mijn geheugen laten verwijderen – met name de regels "So you ride yourselves over the fields" en "Let me tell you the tales of your life" komen regelmatig ongevraagd mijn gedachten binnenzeilen, en "See there! A son is born / And we pronounce him fit to fight" en "Do you believe in the day?" bonken ook nog wel eens op de deur (en ik vertrouw erop dat iedereen die deze plaat goed kent ook meteen in zijn hoofd de geweldige melodieën bij deze regels hoort). Ik heb me verder niet in het achterliggende verhaal verdiept, maar puur op muzikaal gebied is Thick as a brick voor mij van hetzelfde niveau als (hoewel een heel andere plaat dan) het onvolprezen Aqualung.
Twee details: ben ik de enige die in John Evans orgeltje (met name in de stillere, "ondergedompelde" passages) af en toe even Tony Banks denkt te horen? (Geen kwestie van plagiaat of kopieerdrift, gewoon een overeenkomst in sound.) En kent iemand nog andere klassieke progrock-platen waarop een wijze man (of wie dan ook) een wind laat?
Twee details: ben ik de enige die in John Evans orgeltje (met name in de stillere, "ondergedompelde" passages) af en toe even Tony Banks denkt te horen? (Geen kwestie van plagiaat of kopieerdrift, gewoon een overeenkomst in sound.) En kent iemand nog andere klassieke progrock-platen waarop een wijze man (of wie dan ook) een wind laat?
Jethro Tull - This Was (1968)

3,5
2
geplaatst: 23 oktober 2023, 12:39 uur
Opmerkelijk dat niemand in de 42 voorgaande berichten de naam van Clive Bunker laat vallen, want naast de meest opvallende aspecten van deze plaat (de blues als basis van veel nummers, tegelijkertijd een cover van een jazz-ikoon, Andersons fluit en karakteristieke stem, en de grote invloed van Abrahams op het totaalgeluid) vind ik zijn jazzy drumwerk op dit album echt fenomenaal, hij laat nummers als Beggar's farm, Move on alone en Dharma for one (in het groepsgedeelte) gewoon swingen (net als John Densmore dat bij de Doors deed). Los daarvan is dit een enorm aanstekelijke plaat vanwege de vrijheid van de spelopvatting en de lekkere sound, en dat vergoedt heel veel (zoals de doorsnee-bluesnummers Some day the sun won't shine for you en het ongeïnspireerd klinkende It's breaking me up). Cat's squirrel is na Cream enigszins overbodig, en van het slotfragment had ik nog wel wat meer willen horen, maar als totaalplaatje is deze debuutplaat voor mij een staalkaart van veelzijdigheid en inventiviteit. En op basis van de absolute hoogtepunten (My Sunday feeling, Beggar's farm en vooral A song for Jeffrey) zou ik in 1968 ook wel het vertrouwen hebben gehad dat het met de compositorische consistentie wel goed zou komen (en dat er ook wel betere teksten dan "you're breaking me up, woman, yeah, you're breaking me down" uit Andersons pen zouden vloeien).
Jethro Tull - Too Old to Rock 'N' Roll: Too Young to Die! (1976)

3,0
1
geplaatst: 30 oktober 2025, 16:15 uur
Eén van de mindere platen van een band die de afgelopen jaren een stevige favoriet bij mij is geworden. Het wordt nergens echt slecht (met uitzondering misschien van die irritante mondharmonica op Taxi grab), en de instrumentatie is net zo rijk als altijd (met dank weer aan arrangeur David Palmer), maar er zit voor mijn gevoel geen natuurlijke flow in, noch in de meeste nummers zelf noch in het album als geheel. Het geheel is als het ware minder dan de som der delen, terwijl Ian Anderson toch voor een intrigerende kapstok heeft gezorgd, want het verhaal erachter zoals uitgelegd in het stripverhaal op de hoes (en in Andersons begeleidende tekst in het boekje van de geremasterde CD uit 2002) is erg leuk en komt ook goed tot uiting in de teksten. Helaas zit er voor elk nummer dat mij pakt (zoals Crazy institution en het prachtige slotnummer) ook een nummer bij waarbij ik alleen maar zit te wachten tot het afgelopen is en het volgende nummer nieuwe kansen biedt. Typisch voorbeeld van een plaat die ik nog vaak ga draaien in de hoop dat ik hem uiteindelijk toch wel goed ga vinden (maar de goedkope en ongelooflijk lelijke hoes zal daar zeker niet bij gaan helpen).
Jethro Tull - War Child (1974)

4,5
0
geplaatst: 23 februari 2024, 17:16 uur
Dat vind ik wel een frustrerende ervaring: niet dat je smaak verandert in de loop der jaren (daar ben ik wel aan gewend geraakt, en dat is voor mij ook één van de leukste dingen van naar muziek luisteren), maar wel dat ik soms het gevoel heb dat de teneur van het bericht dat ik over een plaat schrijf bepaald (of toch op z'n minst sterk beïnvloed) wordt door het been waarmee ik die morgen uit bed ben gestapt. Zo heb ik een tijdje geleden een vrij negatieve recensie geschreven over A passion play vanwege de onophoudelijke stroom rare muzikale sprongen op die plaat waardoor er voor mij nauwelijks enige structuur in viel te ontdekken, en nu zou ik hetzelfde kunnen zeggen over de manier waarop fluit, sax, strijkers, akoestische en elektrische gitaar op de nummers van War child om aandacht vechten, maar ondanks al die drukke arrangementen hoor ik hierin wèl de samenhang en de structuur die ik in dat eerdere album mis. En dat wordt des te onbegrijpelijker wanneer ik in het boekje bij de 2002-remaster lees dat deze twee albums eigenlijk heel nauw samenhangen... Dus misschien moet ik A passion play toch ook maar weer eens een kans geven. (Even kijken met welk been ik daarvoor uit bed moet stappen.)
Tekstueel lijkt de thematiek van de ongewisheid en de vergankelijkheid van het menselijke bestaan (op zowel materieel als spiritueel gebied) en de manieren waarop wij dat niet onder ogen wensen te zien als een rode draad door veel van de teksten van War child te lopen, dit in scherp contrast met de muziek waarvan de uitbundigheid en de variatie het leven lijkt te vieren. Klinkt dat hoogdravend of pretentieus? Ik geloof niet dat Ian Anderson zich voor die kwalificaties zou schamen. Door alle drukte en energie en inventiviteit klinkt dit album soms bijna feestelijk, en hoewel de zeven bonusnummers op de uitstekende remaster van 2002 geen van alle van het niveau van de tien albumtracks zijn passen ze toch wonderwel in de sfeer van het geheel, alsof het feest is afgelopen maar een paar goede vrienden nog even blijven "om te helpen de restjes op te maken".
Mooi werk weer van Ian Anderson, die hier niet alleen voor de muziek, de teksten, de zang, de fluit en het akoestische gitaarspel zorgt maar nu ook nog eens verschillende soorten saxofoon ter hand heeft genomen; met recht een Renaissance man, maar hij mag de fantastische muzikanten in zijn band ook wel bedanken. Het album scoort bij mij nèt geen 5* omdat ik het niveau van de nummers op het laatste kwart van de plaat wat minder vind worden. Zou ik daarentegen mijn principe loochenen en de hoes in mijn waardering laten meetellen, dan zou dat laatste halve sterretje meteen binnengehengeld worden door de prachtige kleurstelling van precies dàt paars en dàt blauw, een esthetische waardering die eigenlijk helemaal los staat van de dreiging die van de afbeelding zelf uitgaat.
Tekstueel lijkt de thematiek van de ongewisheid en de vergankelijkheid van het menselijke bestaan (op zowel materieel als spiritueel gebied) en de manieren waarop wij dat niet onder ogen wensen te zien als een rode draad door veel van de teksten van War child te lopen, dit in scherp contrast met de muziek waarvan de uitbundigheid en de variatie het leven lijkt te vieren. Klinkt dat hoogdravend of pretentieus? Ik geloof niet dat Ian Anderson zich voor die kwalificaties zou schamen. Door alle drukte en energie en inventiviteit klinkt dit album soms bijna feestelijk, en hoewel de zeven bonusnummers op de uitstekende remaster van 2002 geen van alle van het niveau van de tien albumtracks zijn passen ze toch wonderwel in de sfeer van het geheel, alsof het feest is afgelopen maar een paar goede vrienden nog even blijven "om te helpen de restjes op te maken".
Mooi werk weer van Ian Anderson, die hier niet alleen voor de muziek, de teksten, de zang, de fluit en het akoestische gitaarspel zorgt maar nu ook nog eens verschillende soorten saxofoon ter hand heeft genomen; met recht een Renaissance man, maar hij mag de fantastische muzikanten in zijn band ook wel bedanken. Het album scoort bij mij nèt geen 5* omdat ik het niveau van de nummers op het laatste kwart van de plaat wat minder vind worden. Zou ik daarentegen mijn principe loochenen en de hoes in mijn waardering laten meetellen, dan zou dat laatste halve sterretje meteen binnengehengeld worden door de prachtige kleurstelling van precies dàt paars en dàt blauw, een esthetische waardering die eigenlijk helemaal los staat van de dreiging die van de afbeelding zelf uitgaat.
Jimi Hendrix - First Rays of the New Rising Sun (1997)

2,5
0
geplaatst: 6 december 2023, 11:52 uur
Naar ik heb begrepen is dit de meest complete èn de meest onopgesmukte verzameling van de nummers die Hendrix bij zijn dood onafgemaakt achterliet, en als zodanig voor mij als Hendrix-liefhebber onmisbaar. Om te beluisteren bedoel ik dan, want in de praktijk komt dit albun toch maar zelden uit de kast, en het kan voor mij niet in de schaduw staan van de vier platen met nieuw materiaal die bij zijn leven van hem verschenen zijn. Het lijkt bij diverse nummers wel alsof alle inspiratie is gaan zitten in het psychedelische intro, want het vervolg is vaak niet meer dan doorsnee-rock met lichte funk-invloeden maar met erg weinig compositorisch vernuft of sofistikatie, en van de solo's krijg ik het ook niet warm of koud – veel nummers lijken geschreven te zijn om ruimte te creëren voor een lekkere solo, maar een matig nummer is geen beste voedingsbodem voor een interessante solo, zelfs niet als je twee solo's door elkaar heen speelt zoals op Astro man.
Ook tekstueel lijkt Hendrix zich niet steeds bovenmatig te hebben ingespannen: "Here comes Dolly Dagger / Her love's so heavy, gonna make you stagger", "There goes ezy, ezy rider / Riding down the highway of desire" – songtitels als Izabella, Dolly Dagger en Ezy rider vertellen al het halve verhaal, want qua vrouwen lijkt er weinig keuze te zijn tussen insnoerende heksen (Freedom, Stepping stone) en bijna of geheel bovenaardse wezens (Angel, Hey baby [new rising sun]), maar die strikte tweedeling is misschien meegekomen uit Hendrix' achtergrond in de blues. De geluidskwaliteit laat weinig te wensen over, Cox en Mitchell vomen een hecht duo, en het is mooi dat er zoveel moeite is gedaan om de muzikale erfenis van de grootste en belangrijkste rockgitarist aller tijden op integere wijze te presenteren, maar op een tweetal superbe hoogtepunten (Angel en Drifting) en de verrassende gospelinvloeden op Earth blues na doet dit me allemaal rvij weinig.
Ook tekstueel lijkt Hendrix zich niet steeds bovenmatig te hebben ingespannen: "Here comes Dolly Dagger / Her love's so heavy, gonna make you stagger", "There goes ezy, ezy rider / Riding down the highway of desire" – songtitels als Izabella, Dolly Dagger en Ezy rider vertellen al het halve verhaal, want qua vrouwen lijkt er weinig keuze te zijn tussen insnoerende heksen (Freedom, Stepping stone) en bijna of geheel bovenaardse wezens (Angel, Hey baby [new rising sun]), maar die strikte tweedeling is misschien meegekomen uit Hendrix' achtergrond in de blues. De geluidskwaliteit laat weinig te wensen over, Cox en Mitchell vomen een hecht duo, en het is mooi dat er zoveel moeite is gedaan om de muzikale erfenis van de grootste en belangrijkste rockgitarist aller tijden op integere wijze te presenteren, maar op een tweetal superbe hoogtepunten (Angel en Drifting) en de verrassende gospelinvloeden op Earth blues na doet dit me allemaal rvij weinig.
Jimi Hendrix - Machine Gun (2016)
Alternatieve titel: The Fillmore East First Show 12/31/1969

4,0
0
geplaatst: 12 april 2022, 13:50 uur
Ik mis Who knows (mijn favoriete nummer van Band of gypsys), en dingen als Lover man en Ezy rider passen qua niveau niet op een concert als dit, maar verder is dit eigenlijk helemaal niet zoveel minder dan die oorspronkelijke plaat. Logisch natuurlijk omdat het allemaal dezelfde concerten binnen een tijdsspanne van 48 uur betreft, maar toch is het leuk om te horen dat de band ook met een uitgebreidere en gedeeltelijk andere setlist een even sterke show met net zulke spetterende solo's neerzet. Hoogtepunten zijn voor mij de opener, de heftige solo op Hear my train a comin’, natuurlijk het titelnummer dat mooi overloopt vanuit Izabella via de regel “Soon I’ll be holding you instead of a machine gun”, en de cover van Stop.
Raar dat Changes op Band of gypsys nog aan Buddy Miles wordt toegeschreven volgens zowel het boekje als de aankondiging van Hendrix (“Buddy Miles is gonna do this thing he wrote called (Them) changes”), maar dat het boekje bij déze CD nu opeens vermeldt dat alle nummers behalve Bleeding heart en Stop door Hendrix zijn geschreven. Slordig.
Raar dat Changes op Band of gypsys nog aan Buddy Miles wordt toegeschreven volgens zowel het boekje als de aankondiging van Hendrix (“Buddy Miles is gonna do this thing he wrote called (Them) changes”), maar dat het boekje bij déze CD nu opeens vermeldt dat alle nummers behalve Bleeding heart en Stop door Hendrix zijn geschreven. Slordig.
Jimi Hendrix - The Jimi Hendrix Concerts (1982)

5,0
1
geplaatst: 26 april 2011, 17:33 uur
Het lijkt me dat deze plaat een heleboel andere Hendrix-live-registraties overbodig maakt. Een heleboel mensen van een heleboel platenmaatschappijen zullen dat niet met me eens zijn, getuige de hoeveelheid live-albums die er naar het lijkt nog dágelijks van Hendrix verschijnen, maar dit is echt een geweldig en zeer consistent live-album. Little wing is een eeuwige favoriet, maar Hear my train a comin' is voor mij eigenlijk het prijsnummer van deze plaat. Voor mij is Hendrix nog altijd onovertroffen.
