Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
BJ's Wild Verband - Later (2015)

4,0
0
geplaatst: 11 juli 2015, 10:20 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: BJ's Wild Verband - Later - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Bart-Jan Baartmans maakt al sinds de jaren 80 muziek in nogal uiteenlopende bands. Inmiddels kennen we hem ook al weer geruime tijd als BJ Baartmans en als voorman van zijn voormalige band BJ’s Pawnshop en zijn huidige band BJ’s Wild Verband.
BJ Baartmans maakte in het verleden vooral Engelstalige muziek, maar stapte een jaar of tien geleden over op het Nederlands.
Dat werpt voor mij over het algemeen een flinke drempel op, al kan ik Nederlandstalige muziek inmiddels meer waarderen dan een aantal jaren geleden toen Nederlandstalige muziek meestal een allergische reactie opriep.
Later, de meest recente plaat van BJ’s Wild Verband kan rekenen op opvallend positieve recensies, waardoor ik toch nieuwsgierig werd naar de verrichtingen van BJ Baartmans en zijn muzikale medestanders Mike Roelofs en Sjoerd van Bommel.
Het is me zeker niet tegen gevallen. Later is een geïnspireerd klinkende plaat met de ene na de andere prachtsong. Het drietal achter BJ’s Wild Verband is bovendien goed voor een mooi geluid waarin invloeden uit de blues en rock domineren, maar een vleugje Nedersoul en wat jazzy improvisaties ook nooit ver weg zijn.
Sjoerd van Bommel drumt subtiel en avontuurlijk, Mike Roelofs vult prachtig de gaten met zijn orgel en de bas, terwijl BJ Baartmans de plaat voorziet van mooie bluesy gitaarlijnen, die het ene moment flink mogen scheuren, maar ook subtiel en lang mogen uitwaaien.
BJ Baartmans overtuigt niet alleen als gitarist, maar ook als zanger. Zijn vocalen doen vanwege de Brabantse tongval wel wat denken aan Henny Vrienten, maar ook de naam van Thé Lau duikt bij beluistering van Later als vergelijkingsmateriaal op. De vocalen van BJ Baartmans voorzien de persoonlijke songs op de plaat van voldoende doorleving en een emotionele lading, waardoor de plaat zich makkelijk opdringt.
De naam van Henny Vrienten duikt overigens ook op wanneer je in de songs op Later duikt. Net als Henny Vrienten op het fraaie En Toch…, vertelt BJ Baartmans op Later mooie verhalen en verpakt hij deze verhalen in songs die vermaken maar ook verrassen, bijvoorbeeld door passages waarin volop ruimte is voor experimenten en solo’s.
Later is een veelzijdige rootsplaat en het is een rootsplaat die zeker niet onder doet voor die van de buitenlandse concurrentie. Hoewel ik over het algemeen niet heel gek ben op Nederlandstalige muziek, zitten de Nederlandse teksten op Later me nergens in de weg. Iedereen die Later aanschaft kan overigens ook een Engelstalige versie van de plaat downloaden, maar op de één of andere manier ben ik gehecht geraakt aan de charmes van de Nederlandse versie. Een prima rootsplaat van eigen bodem derhalve en een rootsplaat waarop we best trots mogen zijn. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: BJ's Wild Verband - Later - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Bart-Jan Baartmans maakt al sinds de jaren 80 muziek in nogal uiteenlopende bands. Inmiddels kennen we hem ook al weer geruime tijd als BJ Baartmans en als voorman van zijn voormalige band BJ’s Pawnshop en zijn huidige band BJ’s Wild Verband.
BJ Baartmans maakte in het verleden vooral Engelstalige muziek, maar stapte een jaar of tien geleden over op het Nederlands.
Dat werpt voor mij over het algemeen een flinke drempel op, al kan ik Nederlandstalige muziek inmiddels meer waarderen dan een aantal jaren geleden toen Nederlandstalige muziek meestal een allergische reactie opriep.
Later, de meest recente plaat van BJ’s Wild Verband kan rekenen op opvallend positieve recensies, waardoor ik toch nieuwsgierig werd naar de verrichtingen van BJ Baartmans en zijn muzikale medestanders Mike Roelofs en Sjoerd van Bommel.
Het is me zeker niet tegen gevallen. Later is een geïnspireerd klinkende plaat met de ene na de andere prachtsong. Het drietal achter BJ’s Wild Verband is bovendien goed voor een mooi geluid waarin invloeden uit de blues en rock domineren, maar een vleugje Nedersoul en wat jazzy improvisaties ook nooit ver weg zijn.
Sjoerd van Bommel drumt subtiel en avontuurlijk, Mike Roelofs vult prachtig de gaten met zijn orgel en de bas, terwijl BJ Baartmans de plaat voorziet van mooie bluesy gitaarlijnen, die het ene moment flink mogen scheuren, maar ook subtiel en lang mogen uitwaaien.
BJ Baartmans overtuigt niet alleen als gitarist, maar ook als zanger. Zijn vocalen doen vanwege de Brabantse tongval wel wat denken aan Henny Vrienten, maar ook de naam van Thé Lau duikt bij beluistering van Later als vergelijkingsmateriaal op. De vocalen van BJ Baartmans voorzien de persoonlijke songs op de plaat van voldoende doorleving en een emotionele lading, waardoor de plaat zich makkelijk opdringt.
De naam van Henny Vrienten duikt overigens ook op wanneer je in de songs op Later duikt. Net als Henny Vrienten op het fraaie En Toch…, vertelt BJ Baartmans op Later mooie verhalen en verpakt hij deze verhalen in songs die vermaken maar ook verrassen, bijvoorbeeld door passages waarin volop ruimte is voor experimenten en solo’s.
Later is een veelzijdige rootsplaat en het is een rootsplaat die zeker niet onder doet voor die van de buitenlandse concurrentie. Hoewel ik over het algemeen niet heel gek ben op Nederlandstalige muziek, zitten de Nederlandse teksten op Later me nergens in de weg. Iedereen die Later aanschaft kan overigens ook een Engelstalige versie van de plaat downloaden, maar op de één of andere manier ben ik gehecht geraakt aan de charmes van de Nederlandse versie. Een prima rootsplaat van eigen bodem derhalve en een rootsplaat waarop we best trots mogen zijn. Erwin Zijleman
Black Belt Eagle Scout - At the Party with My Brown Friends (2019)

4,0
0
geplaatst: 20 december 2019, 16:36 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Black Belt Eagle Scout - At The Party With My Brown Friends - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Belt Eagle Scout - At The Party With My Brown Friends
Black Belt Eagle Scout moest het afgelopen jaar concurreren met hordes jonge vrouwelijke singer-songwriters, maar levert een album af dat met de besten mee kan
In de laatste weken van het jaar komt er nog veel moois van de stapel. Het tweede album van Black Belt Eagle Scout bijvoorbeeld. At The Party With My Brown Friends is een album vol atmosferische klanken, die worden doorsneden door prachtige gitaarlijnen en worden voorzien van verleiding door de fluisterzachte vocalen van de uit Portland, Oregon, afkomstige Katherine Paul. Het is muziek die we dit jaar veel vaker hebben gehoord, maar de muziek van Black Belt Eagle Scout steekt knap in elkaar en wordt bovendien steeds beter, waardoor At The Party With My Brown Friends zich op de valreep nog schaart onder de betere albums in het genre.
Black Belt Eagle Scout is het alter ego van de uit Portland, Oregon, afkomstige Katherine Paul en debuteerde vorig jaar met het door mij in ieder geval niet opgemerkte Mother Of My Children.
Het eerder dit jaar verschenen At The Party With My Brown Friends merkte ik eerder dit jaar wel op, maar verdween al vrij snel op de stapel. Dat had niet zo gek veel te maken met de kwaliteit van het tweede album van Black Belt Eagle Scout, maar vooral met het genre waarin Katherine Paul opereert.
De Amerikaanse singer-songwriter hoort bij het flinke contingent jonge vrouwelijke singer-songwriter met een zwak voor melancholische indie-rock en dat is een vijver die de laatste jaren best als overvol mag worden getypeerd. Black Belt Eagle Scout concurreert met de albums van onder andere Hand Habits (een ander album dat nog van de stapel moet komen), Japanese Breakfast, SASAMI, Snail Mail, Soccer Mommy en noem ze allemaal waar op, waarbij de ultieme smaakmakers als Phoebe Bridgers, Julien Baker en Lucy Dacus niet mogen worden vergeten.
Het verklaart misschien waarom ik At The Party With My Brown Friends er eerder dit jaar niet direct heb uitgepikt, maar na herhaalde beluistering vind ik het tweede album van Black Belt Eagle Scout toch interessant genoeg om toe te voegen aan de flinke stapel vrouwelijke singer-songwriters die ik dit jaar al heb omarmd.
At The Party With My Brown Friends (ik blijf het een aparte titel vinden) is een album vol mooie ruimtelijke gitaarlijnen en fluisterzachte zang. Het is dit jaar een beproefd recept, maar als je er een zwak voor hebt, en dat heb ik, blijft het een recept dat werkt. Vergeleken met de meeste van haar soortgenoten kiest Black Belt Eagle Scout voor een net wat lager tempo en een wat ruimtelijker en zweveriger geluid, waardoor het album het uitstekend doet in de huidige seizoenen.
At The Party With My Brown Friends is een album vol aangenaam voortkabbelende songs, maar het is ook een album vol moois. Het ruimtelijke gitaarwerk op het album is fraai en zweeft prachtig rond in het verder behoorlijk ruimtelijke en atmosferische geluid van Black Belt Eagle Scout. Het is een geluid dat aansluit bij dat van de vele soortgenoten van Katherine Paul, maar het is ook een geluid dat aansluit bij de dreampop uit de jaren 90.
At The Party With My Brown Friends is bovendien een intiem klinkend album. Katherine Paul bespeelde zelf alle instrumenten en creëert een geluid dat prachtig past bij haar fluisterzachte vocalen. In tekstueel opzicht is het tweede album van Black Belt Eagle Scout overigens minder zacht, want Katherine Paul spreekt zich nadrukkelijk uit over zaken als seksualiteit en liefde.
Het is zoals gezegd dringen in het genre, waardoor At The Party With My Brown Friends niet heel veel aandacht heeft getrokken, maar het blijkt een album dat snel beter wordt. Zeker wanneer je net wat beter naar de muziek van Black Belt Eagle Scout hoor je hoe knap het allemaal in elkaar steekt en hoor je bovendien hoe mooi de songs van de singer-songwriter uit Portland, Oregon, zijn. Het levert alles bij elkaar een album op dat ik veel te mooi vind om te laten liggen en dat wat mij betreft mee kan met de albums van de betere jonge vrouwelijke singer-songwriters van het moment. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Black Belt Eagle Scout - At The Party With My Brown Friends - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Belt Eagle Scout - At The Party With My Brown Friends
Black Belt Eagle Scout moest het afgelopen jaar concurreren met hordes jonge vrouwelijke singer-songwriters, maar levert een album af dat met de besten mee kan
In de laatste weken van het jaar komt er nog veel moois van de stapel. Het tweede album van Black Belt Eagle Scout bijvoorbeeld. At The Party With My Brown Friends is een album vol atmosferische klanken, die worden doorsneden door prachtige gitaarlijnen en worden voorzien van verleiding door de fluisterzachte vocalen van de uit Portland, Oregon, afkomstige Katherine Paul. Het is muziek die we dit jaar veel vaker hebben gehoord, maar de muziek van Black Belt Eagle Scout steekt knap in elkaar en wordt bovendien steeds beter, waardoor At The Party With My Brown Friends zich op de valreep nog schaart onder de betere albums in het genre.
Black Belt Eagle Scout is het alter ego van de uit Portland, Oregon, afkomstige Katherine Paul en debuteerde vorig jaar met het door mij in ieder geval niet opgemerkte Mother Of My Children.
Het eerder dit jaar verschenen At The Party With My Brown Friends merkte ik eerder dit jaar wel op, maar verdween al vrij snel op de stapel. Dat had niet zo gek veel te maken met de kwaliteit van het tweede album van Black Belt Eagle Scout, maar vooral met het genre waarin Katherine Paul opereert.
De Amerikaanse singer-songwriter hoort bij het flinke contingent jonge vrouwelijke singer-songwriter met een zwak voor melancholische indie-rock en dat is een vijver die de laatste jaren best als overvol mag worden getypeerd. Black Belt Eagle Scout concurreert met de albums van onder andere Hand Habits (een ander album dat nog van de stapel moet komen), Japanese Breakfast, SASAMI, Snail Mail, Soccer Mommy en noem ze allemaal waar op, waarbij de ultieme smaakmakers als Phoebe Bridgers, Julien Baker en Lucy Dacus niet mogen worden vergeten.
Het verklaart misschien waarom ik At The Party With My Brown Friends er eerder dit jaar niet direct heb uitgepikt, maar na herhaalde beluistering vind ik het tweede album van Black Belt Eagle Scout toch interessant genoeg om toe te voegen aan de flinke stapel vrouwelijke singer-songwriters die ik dit jaar al heb omarmd.
At The Party With My Brown Friends (ik blijf het een aparte titel vinden) is een album vol mooie ruimtelijke gitaarlijnen en fluisterzachte zang. Het is dit jaar een beproefd recept, maar als je er een zwak voor hebt, en dat heb ik, blijft het een recept dat werkt. Vergeleken met de meeste van haar soortgenoten kiest Black Belt Eagle Scout voor een net wat lager tempo en een wat ruimtelijker en zweveriger geluid, waardoor het album het uitstekend doet in de huidige seizoenen.
At The Party With My Brown Friends is een album vol aangenaam voortkabbelende songs, maar het is ook een album vol moois. Het ruimtelijke gitaarwerk op het album is fraai en zweeft prachtig rond in het verder behoorlijk ruimtelijke en atmosferische geluid van Black Belt Eagle Scout. Het is een geluid dat aansluit bij dat van de vele soortgenoten van Katherine Paul, maar het is ook een geluid dat aansluit bij de dreampop uit de jaren 90.
At The Party With My Brown Friends is bovendien een intiem klinkend album. Katherine Paul bespeelde zelf alle instrumenten en creëert een geluid dat prachtig past bij haar fluisterzachte vocalen. In tekstueel opzicht is het tweede album van Black Belt Eagle Scout overigens minder zacht, want Katherine Paul spreekt zich nadrukkelijk uit over zaken als seksualiteit en liefde.
Het is zoals gezegd dringen in het genre, waardoor At The Party With My Brown Friends niet heel veel aandacht heeft getrokken, maar het blijkt een album dat snel beter wordt. Zeker wanneer je net wat beter naar de muziek van Black Belt Eagle Scout hoor je hoe knap het allemaal in elkaar steekt en hoor je bovendien hoe mooi de songs van de singer-songwriter uit Portland, Oregon, zijn. Het levert alles bij elkaar een album op dat ik veel te mooi vind om te laten liggen en dat wat mij betreft mee kan met de albums van de betere jonge vrouwelijke singer-songwriters van het moment. Erwin Zijleman
Black Belt Eagle Scout - The Land, the Water, the Sky (2023)

4,0
1
geplaatst: 17 februari 2023, 16:54 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Black Belt Eagle Scout - The Land, The Water, The Sky - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Belt Eagle Scout - The Land, The Water, The Sky
Black Belt Eagle Scout zet flinke stappen op The Land, The Water, The Sky, dat imponeert met geweldig gitaarwerk, veel dynamiek, hoge spanningsbogen, prachtige zang en songs van een bijzondere schoonheid
Het vorige album van Black Belt Eagle Scout pakte ik pas na een aantal maanden op, maar The Land, The Water, The Sky overtuigde me al na een paar noten. Het alter ego van Katherine Paul uit Portland, Oregon, maakt indruk met een veelzijdig indierock geluid vol echo’s uit de jaren 90 en een bijzondere sfeer. Een aantal songs op het album is overweldigend, de andere songs zijn juist ingetogen, maar altijd is er die bijzondere spanning die er voor zorgt dat het nieuwe album van Black Belt Eagle Scout zich extreem opdringt. The Land, The Water, The Sky is een van de beste vrouwelijke indierock albums die ik de laatste tijd gehoord heb en de rek is er nog lang niet uit.
At The Party With My Brown Friends, het in de zomer van 2019 verschenen tweede album van Black Belt Eagle Scout, liet ik in eerste instantie liggen, maar pikte ik alsnog op toen het album aan het eind van het jaar opdook in een aantal jaarlijstjes. Black Belt Eagle Scout is het alter ego van de uit Portland, Oregon, afkomstige Katherine Paul, die met At The Party With My Brown Friends moest concurreren met een heel legioen jonge vrouwelijke singer-songwriters met een voorliefde voor indierock.
Ik schatte haar concurrentiepositie in eerste instantie verkeerd in, want het tweede album van Black Belt Eagle Scout bleek in de herkansing een album vol aansprekende songs, mooi gitaarwerk, een geweldige stem en als kers op de taart flink wat uitstapjes naar de indierock, dreampop en shoegaze uit de jaren 90.
At The Party With My Brown Friends viert deze zomer haar vierde verjaardag, waardoor het de inderdaad de hoogste tijd was voor een nieuw album van het project van Katherine Paul. Met The Land, The Water, The Sky keert Black Belt Eagle Scout deze week terug en dit keer heb ik het album direct opgepakt. Daar had ik alle reden toe, want op haar derde album zet de muzikante uit Portland, Oregon, nog een aantal flinke stappen.
De openingstrack hakt er meteen lekker stevig in met hoge en behoorlijk gruizige gitaarmuren, melodieuze gitaarlijnen, atmosferische keyboards en uitbundige zang. Het is een stuk steviger en voller dan we van Black Belt Eagle Scout gewend zijn en grijpt nog wat meer terug op de shoegaze uit de jaren 90, maar het klinkt fantastisch, al is het maar omdat Katherine Paul ook nog eens zorgt voor hoge spanningsbogen.
In de tweede track neemt de Amerikaanse muzikante wat gas terug, maar haar geluid, dat nu meer tegen de dreampop aanleunt met mooie gitaarlijnen en heerlijk dromerige zang, klinkt nog altijd voller dan op het vorige album. Op The Land, The Water, The Sky, dat een eerbetoon is aan het gebied waarin haar ‘native American’ voorouders leven en waar ze zelf ook opgroeide, klinkt Katherine Paul een stuk zelfverzekerder dan op het vorige album van Black Belt Eagle Scout en ze is er bovendien in geslaagd om een meer eigen geluid te creëren.
Ik hou persoonlijk wel van shoegaze en dreampop uit de jaren 90, maar op The Land, The Water, The Sky geeft Black Belt Eagle Scout er een mooie hedendaagse indierock draai aan. Door te variëren met extraverte en meer introspectieve songs is The Land, The Water, The Sky ook een lekker gevarieerd album. Het ene moment kun je heerlijk wegdromen bij de mooie stem van Katherine Paul en de fraaie en vaak wat atmosferische klanken, om het volgende moment weer ruw wakker te worden geschud met gitaargeweld.
De klanken op het nieuwe album van Black Belt Eagle Scout zijn niet alleen mooi en indrukwekkend, maar hebben bovendien een beeldend karakter, waarbij de beelden van de ruwe natuur van haar geboortegrond waarschijnlijk prachtig passen. Door alle schoonheid in de muziek en de vocalen, de bijzondere sfeer die wordt gecreëerd en de elkaar steeds afwisselende onderhuidse spanning en indrukwekkende spanningsbogen, dringt The Land, The Water, The Sky zich genadeloos op, maar het is ook een album dat lang mooier wordt. Black Belt Eagle Scout kan opeens met de besten mee. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Black Belt Eagle Scout - The Land, The Water, The Sky - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Belt Eagle Scout - The Land, The Water, The Sky
Black Belt Eagle Scout zet flinke stappen op The Land, The Water, The Sky, dat imponeert met geweldig gitaarwerk, veel dynamiek, hoge spanningsbogen, prachtige zang en songs van een bijzondere schoonheid
Het vorige album van Black Belt Eagle Scout pakte ik pas na een aantal maanden op, maar The Land, The Water, The Sky overtuigde me al na een paar noten. Het alter ego van Katherine Paul uit Portland, Oregon, maakt indruk met een veelzijdig indierock geluid vol echo’s uit de jaren 90 en een bijzondere sfeer. Een aantal songs op het album is overweldigend, de andere songs zijn juist ingetogen, maar altijd is er die bijzondere spanning die er voor zorgt dat het nieuwe album van Black Belt Eagle Scout zich extreem opdringt. The Land, The Water, The Sky is een van de beste vrouwelijke indierock albums die ik de laatste tijd gehoord heb en de rek is er nog lang niet uit.
At The Party With My Brown Friends, het in de zomer van 2019 verschenen tweede album van Black Belt Eagle Scout, liet ik in eerste instantie liggen, maar pikte ik alsnog op toen het album aan het eind van het jaar opdook in een aantal jaarlijstjes. Black Belt Eagle Scout is het alter ego van de uit Portland, Oregon, afkomstige Katherine Paul, die met At The Party With My Brown Friends moest concurreren met een heel legioen jonge vrouwelijke singer-songwriters met een voorliefde voor indierock.
Ik schatte haar concurrentiepositie in eerste instantie verkeerd in, want het tweede album van Black Belt Eagle Scout bleek in de herkansing een album vol aansprekende songs, mooi gitaarwerk, een geweldige stem en als kers op de taart flink wat uitstapjes naar de indierock, dreampop en shoegaze uit de jaren 90.
At The Party With My Brown Friends viert deze zomer haar vierde verjaardag, waardoor het de inderdaad de hoogste tijd was voor een nieuw album van het project van Katherine Paul. Met The Land, The Water, The Sky keert Black Belt Eagle Scout deze week terug en dit keer heb ik het album direct opgepakt. Daar had ik alle reden toe, want op haar derde album zet de muzikante uit Portland, Oregon, nog een aantal flinke stappen.
De openingstrack hakt er meteen lekker stevig in met hoge en behoorlijk gruizige gitaarmuren, melodieuze gitaarlijnen, atmosferische keyboards en uitbundige zang. Het is een stuk steviger en voller dan we van Black Belt Eagle Scout gewend zijn en grijpt nog wat meer terug op de shoegaze uit de jaren 90, maar het klinkt fantastisch, al is het maar omdat Katherine Paul ook nog eens zorgt voor hoge spanningsbogen.
In de tweede track neemt de Amerikaanse muzikante wat gas terug, maar haar geluid, dat nu meer tegen de dreampop aanleunt met mooie gitaarlijnen en heerlijk dromerige zang, klinkt nog altijd voller dan op het vorige album. Op The Land, The Water, The Sky, dat een eerbetoon is aan het gebied waarin haar ‘native American’ voorouders leven en waar ze zelf ook opgroeide, klinkt Katherine Paul een stuk zelfverzekerder dan op het vorige album van Black Belt Eagle Scout en ze is er bovendien in geslaagd om een meer eigen geluid te creëren.
Ik hou persoonlijk wel van shoegaze en dreampop uit de jaren 90, maar op The Land, The Water, The Sky geeft Black Belt Eagle Scout er een mooie hedendaagse indierock draai aan. Door te variëren met extraverte en meer introspectieve songs is The Land, The Water, The Sky ook een lekker gevarieerd album. Het ene moment kun je heerlijk wegdromen bij de mooie stem van Katherine Paul en de fraaie en vaak wat atmosferische klanken, om het volgende moment weer ruw wakker te worden geschud met gitaargeweld.
De klanken op het nieuwe album van Black Belt Eagle Scout zijn niet alleen mooi en indrukwekkend, maar hebben bovendien een beeldend karakter, waarbij de beelden van de ruwe natuur van haar geboortegrond waarschijnlijk prachtig passen. Door alle schoonheid in de muziek en de vocalen, de bijzondere sfeer die wordt gecreëerd en de elkaar steeds afwisselende onderhuidse spanning en indrukwekkende spanningsbogen, dringt The Land, The Water, The Sky zich genadeloos op, maar het is ook een album dat lang mooier wordt. Black Belt Eagle Scout kan opeens met de besten mee. Erwin Zijleman
Black Country, New Road - Ants from Up There (2022)

4,5
2
geplaatst: 7 februari 2022, 15:14 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Black Country, New Road - Ants From Up There - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Country, New Road - Ants From Up There
Precies een jaar na het terecht zo geprezen debuut, keert de Britse band Black Country, New Road terug met een nieuw album dat anders, toegankelijker, intiemer, intenser maar vooral nog een stuk indrukwekkender is
Het etiket postpunk wordt tegenwoordig makkelijk op albums gedrukt, maar past niet op het tweede album van de Britse band Black Country, New Road. Invloeden uit de postpunk zijn niet helemaal verdwenen op het album, maar spelen een ondergeschikte rol. Het geldt voor alle invloeden, want de muziek van de band uit Londen is een bonte mix van van alles en nog wat. Vergeleken met het debuut klinkt album nummer twee iets toegankelijker, maar dat is een relatief begrip. Ants From Up There is een intens en donker album vol demonen, maar ook een album vol geweldige muziek, die als je de songs op het album vaker hoort alleen maar mooier wordt. Black Country, New Road is de belofte ver voorbij.
For The First Time, het debuutalbum van de Britse band Black Country, New Road, werd vorig jaar nogal eens in het hokje postpunk geduwd. De muziek van de band uit Londen bevatte inderdaad wel wat invloeden uit de postpunk, maar For The First Time was toch vooral het spreekwoordelijke vat vol tegenstrijdigheden met ook flink wat invloeden uit de jazz, postrock, folk en klezmer, om maar wat invloeden te noemen.
Met haar debuut positioneerde Black Country, New Road zich ergens tussen Shame en Black Midi in en tekende het voor een debuutalbum dat absoluut behoorde tot de meest enerverende van 2021. Deze week keert Black Country, New Road terug met haar tweede album. Ants From Up There zou naast het tweede album ook zomaar de zwanenzang van de band kunnen zijn of in ieder geval van de huidige bezetting van de band, want voorman Isaac Wood kondigde vlak voor de release van het album zijn vertrek aan.
Het is zeker geen stil vertrek geworden, want met Ants From Up There lost de band de torenhoge belofte van haar debuut moeiteloos in. Na een kort intro waarin de ook op het debuut zo dominant opduikende blazers opduiken, begint de Britse band ambitieus aan haar tweede album. Chaos Space Marine opent met blazers, viool en een piano, maar slaat al snel om in een voor Black Country, New Road begrippen bijna toegankelijke song.
Isaac Wood laat de praatzang op het nieuwe album deels achter zich en zingt alle demonen vol overgave van zich af in een intense track. Het doet wel wat denken aan The Arcade Fire ten tijde van Funeral, maar de eerste echte song op het album is ook een typische Black Country New Road song. De band heeft nog altijd lak aan genres en sleept er van alles bij.
Het fraaie Concorde opent vervolgens ingetogen en stemmig, maar ook in deze zes minuten durende track blijft de uitbarsting niet uit. De band uit Londen heeft het pad van haar debuutalbum zeker niet verlaten, maar ik hoor duidelijk minder postpunk op Ants From Up There en zeker in de ingetogen songs zijn deze invloeden zelfs volledig verdwenen.
Ook het fraaie Bread Song laat ruim zes minuten lang vooral ingetogen muziek horen en valt hiernaast op door de gekwelde zang van Isaac Wood. Het is zang die niet bij iedereen in de smaak zal vallen, maar het bevalt me persoonlijk beter dan de praatzang van alle hippe postpunk bands van het moment.
In muzikaal opzicht is Ants From Up There meer ingetogen en ook wel wat toegankelijker dan het debuutalbum, maar er valt weer veel te genieten. De ritmesectie speelt geweldig, de gitaarlijnen draaien prachtig in elkaar, viool en piano zorgen voor stemmige accenten en steeds weer is er een belangrijke rol voor de saxofoon, die (buiten het instrumentale Mark's Theme) nergens heel nadrukkelijk op de voorgrond treedt, maar desondanks vaak een hoofdrol opeist.
Het tweede album van Black Country New Road is misschien toegankelijker dan het debuut van de band, maar het is in het geval van de band uit Londen een relatief begrip. Ants From Up There is een album vol tempowisselingen en verassende wendingen en misschien wat minder een vat vol tegenstrijdigheden, maar zeker in emotioneel opzicht wel een licht explosief vat.
Zeker wanneer de band subtiel speelt en mooie gitaarlijnen combineert met sfeervolle pianoklanken en steeds weer die geweldige saxofoon, komt alles aan op de zang van Isaac Wood, die hier en daar klinkt Nick Cave, maar dan nog wat desolater. Het is direct bij eerste beluistering al indrukwekkend, maar Ants From Up Here wordt vervolgens alleen maar mooier en imponeert steeds meer. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Black Country, New Road - Ants From Up There - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Country, New Road - Ants From Up There
Precies een jaar na het terecht zo geprezen debuut, keert de Britse band Black Country, New Road terug met een nieuw album dat anders, toegankelijker, intiemer, intenser maar vooral nog een stuk indrukwekkender is
Het etiket postpunk wordt tegenwoordig makkelijk op albums gedrukt, maar past niet op het tweede album van de Britse band Black Country, New Road. Invloeden uit de postpunk zijn niet helemaal verdwenen op het album, maar spelen een ondergeschikte rol. Het geldt voor alle invloeden, want de muziek van de band uit Londen is een bonte mix van van alles en nog wat. Vergeleken met het debuut klinkt album nummer twee iets toegankelijker, maar dat is een relatief begrip. Ants From Up There is een intens en donker album vol demonen, maar ook een album vol geweldige muziek, die als je de songs op het album vaker hoort alleen maar mooier wordt. Black Country, New Road is de belofte ver voorbij.
For The First Time, het debuutalbum van de Britse band Black Country, New Road, werd vorig jaar nogal eens in het hokje postpunk geduwd. De muziek van de band uit Londen bevatte inderdaad wel wat invloeden uit de postpunk, maar For The First Time was toch vooral het spreekwoordelijke vat vol tegenstrijdigheden met ook flink wat invloeden uit de jazz, postrock, folk en klezmer, om maar wat invloeden te noemen.
Met haar debuut positioneerde Black Country, New Road zich ergens tussen Shame en Black Midi in en tekende het voor een debuutalbum dat absoluut behoorde tot de meest enerverende van 2021. Deze week keert Black Country, New Road terug met haar tweede album. Ants From Up There zou naast het tweede album ook zomaar de zwanenzang van de band kunnen zijn of in ieder geval van de huidige bezetting van de band, want voorman Isaac Wood kondigde vlak voor de release van het album zijn vertrek aan.
Het is zeker geen stil vertrek geworden, want met Ants From Up There lost de band de torenhoge belofte van haar debuut moeiteloos in. Na een kort intro waarin de ook op het debuut zo dominant opduikende blazers opduiken, begint de Britse band ambitieus aan haar tweede album. Chaos Space Marine opent met blazers, viool en een piano, maar slaat al snel om in een voor Black Country, New Road begrippen bijna toegankelijke song.
Isaac Wood laat de praatzang op het nieuwe album deels achter zich en zingt alle demonen vol overgave van zich af in een intense track. Het doet wel wat denken aan The Arcade Fire ten tijde van Funeral, maar de eerste echte song op het album is ook een typische Black Country New Road song. De band heeft nog altijd lak aan genres en sleept er van alles bij.
Het fraaie Concorde opent vervolgens ingetogen en stemmig, maar ook in deze zes minuten durende track blijft de uitbarsting niet uit. De band uit Londen heeft het pad van haar debuutalbum zeker niet verlaten, maar ik hoor duidelijk minder postpunk op Ants From Up There en zeker in de ingetogen songs zijn deze invloeden zelfs volledig verdwenen.
Ook het fraaie Bread Song laat ruim zes minuten lang vooral ingetogen muziek horen en valt hiernaast op door de gekwelde zang van Isaac Wood. Het is zang die niet bij iedereen in de smaak zal vallen, maar het bevalt me persoonlijk beter dan de praatzang van alle hippe postpunk bands van het moment.
In muzikaal opzicht is Ants From Up There meer ingetogen en ook wel wat toegankelijker dan het debuutalbum, maar er valt weer veel te genieten. De ritmesectie speelt geweldig, de gitaarlijnen draaien prachtig in elkaar, viool en piano zorgen voor stemmige accenten en steeds weer is er een belangrijke rol voor de saxofoon, die (buiten het instrumentale Mark's Theme) nergens heel nadrukkelijk op de voorgrond treedt, maar desondanks vaak een hoofdrol opeist.
Het tweede album van Black Country New Road is misschien toegankelijker dan het debuut van de band, maar het is in het geval van de band uit Londen een relatief begrip. Ants From Up There is een album vol tempowisselingen en verassende wendingen en misschien wat minder een vat vol tegenstrijdigheden, maar zeker in emotioneel opzicht wel een licht explosief vat.
Zeker wanneer de band subtiel speelt en mooie gitaarlijnen combineert met sfeervolle pianoklanken en steeds weer die geweldige saxofoon, komt alles aan op de zang van Isaac Wood, die hier en daar klinkt Nick Cave, maar dan nog wat desolater. Het is direct bij eerste beluistering al indrukwekkend, maar Ants From Up Here wordt vervolgens alleen maar mooier en imponeert steeds meer. Erwin Zijleman
Black Country, New Road - For the First Time (2021)

4,5
2
geplaatst: 7 februari 2021, 10:10 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Black Country, New Road - For The First Time - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Country, New Road - For The First Time
Critici komen momenteel superlatieven tekort bij het onthalen van de Britse band Black Country, New Road en daar valt niets op af te dingen, want wat is dit een fantastisch album
Zes songs en veertig minuten lang combineert de uit Londen afkomstige band Black Country, New Road invloeden uit met name de postpunk, postrock en jazz. Het zijn invloeden die nog niet vaak gecombineerd zijn en zich ook lastig laten combineren, maar het pakt op het debuut van de Britse band fantastisch uit. Het schiet alle kanten op en het maakt je zeker niet altijd makkelijk, maar bijna alles dat Black Country, New Road doet is functioneel en draagt bij aan het fascinerende en bezwerende eindresultaat. Dat dit album momenteel stevig bewierookt of zelfs gehyped wordt is alleen maar logisch en For The First Time wordt ook nog eens alleen maar beter.
Eind 2019 werd voorspeld dat de Britse band Black Country, New Road zomaar zou kunnen uitgroeien tot een van de grote sensaties van 2020. Al na een paar maanden gooide de corona pandemie helaas roet in het eten, maar deze week verscheen dan eindelijk For The First Time, het debuutalbum van de band uit Londen.
Direct vanaf de eerste noten van de openingstrack Instrumental wordt duidelijk dat Black Country, New Road het je met haar debuut niet makkelijk gaat maken. Instrumental opent met een opzwepend ritme, waarna een fraaie gitaarlijn wordt gecombineerd met een wat atypisch keyboard loopje en blazers de song omtoveren tot Klezmer met een wat donkere ondergrond. Zang komt er niet aan te pas in de openingstrack, wat gezien de titel ook logisch is.
Na vijfenhalve minuut vol opzwepende klanken, vervolgt For The First Time met Athens, France. In de tweede track hoor je waarom de muziek van Black Country, New Road regelmatig van het etiket postpunk wordt voorzien. De instrumentatie is donker en dreigend en zit vol repeterende elementen.
Het past fraai bij de praatzang van Isaac Wood, die de song voorziet van een beklemmende lading. Heel lang blijft de band echter niet hangen in het vaste stramien van de postpunk, want meer uptempo passages worden afgewisseld met dromerige passages, die door de bijdragen van de saxofoon jazzy klinken.
Na de vijfenhalve minuut durende openingstrack, neemt de band ook in de tweede track de tijd, want deze duurt nog een minuut langer. In muzikaal opzicht doet het me wel wat denken aan de eveneens Britse band Black Midi, maar ik hoor ook wel wat van het laatste album van Shame, al durft Black Country, New Road veel nadrukkelijker te experimenteren en betreedt het paden die voor Shame nog volledig uit zicht zijn.
Voor liefhebbers van betrekkelijk toegankelijke popsongs is For The First Time al snel zware kost, al strijkt de muziek van de band uit Londen nergens heel nadrukkelijk tegen de haren in. De gitaarlijnen zijn keer op keer wonderschoon, de ritmesectie blijft maar strooien met inventieve ritmes, de praatzang heeft iets bezwerends, de keyboards zijn fraai dreigend, de vioolaccenten verrassend trefzeker en dan zijn er ook nog eens de stuwende bijdragen van de saxofoon.
Zeker als de gitaren scheuren, de drummer de meest fascinerende ritmes slaat en de saxofoon los mag gaan, klinkt For The First Time als het album dat Bowie in Berlijn zou hebben gemaakt als hij toen al een jazzband had opgetrommeld.
De eerste drie tracks klokken al rond de zes minuten, maar er volgen nog tracks van acht of zelfs bijna tien minuten, waardoor er uiteindelijk slechts zes tracks in veertig minuten passen. In die veertig minuten schiet de muziek van Black Country, New Road alle kanten op, met gelijke delen postpunk, postrock en jazz als basis.
De energie en urgentie spatten er van af, maar er ligt ook altijd een verrassende of introspectieve wending op de loer, waardoor je met volledige aandacht naar het album blijft luisteren. Bij beluistering valt er steeds meer op zijn plek, maar op hetzelfde moment blijft For The First Time van Black Country, New Road een buitengewoon fascinerend vat vol tegenstrijdigheden. Makkelijk is het zoals gezegd niet, maar wat is het mooi dat er ook in 2021 nog bands zijn die zo wild buiten de lijnen durven te kleuren als deze Britse band. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Black Country, New Road - For The First Time - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Country, New Road - For The First Time
Critici komen momenteel superlatieven tekort bij het onthalen van de Britse band Black Country, New Road en daar valt niets op af te dingen, want wat is dit een fantastisch album
Zes songs en veertig minuten lang combineert de uit Londen afkomstige band Black Country, New Road invloeden uit met name de postpunk, postrock en jazz. Het zijn invloeden die nog niet vaak gecombineerd zijn en zich ook lastig laten combineren, maar het pakt op het debuut van de Britse band fantastisch uit. Het schiet alle kanten op en het maakt je zeker niet altijd makkelijk, maar bijna alles dat Black Country, New Road doet is functioneel en draagt bij aan het fascinerende en bezwerende eindresultaat. Dat dit album momenteel stevig bewierookt of zelfs gehyped wordt is alleen maar logisch en For The First Time wordt ook nog eens alleen maar beter.
Eind 2019 werd voorspeld dat de Britse band Black Country, New Road zomaar zou kunnen uitgroeien tot een van de grote sensaties van 2020. Al na een paar maanden gooide de corona pandemie helaas roet in het eten, maar deze week verscheen dan eindelijk For The First Time, het debuutalbum van de band uit Londen.
Direct vanaf de eerste noten van de openingstrack Instrumental wordt duidelijk dat Black Country, New Road het je met haar debuut niet makkelijk gaat maken. Instrumental opent met een opzwepend ritme, waarna een fraaie gitaarlijn wordt gecombineerd met een wat atypisch keyboard loopje en blazers de song omtoveren tot Klezmer met een wat donkere ondergrond. Zang komt er niet aan te pas in de openingstrack, wat gezien de titel ook logisch is.
Na vijfenhalve minuut vol opzwepende klanken, vervolgt For The First Time met Athens, France. In de tweede track hoor je waarom de muziek van Black Country, New Road regelmatig van het etiket postpunk wordt voorzien. De instrumentatie is donker en dreigend en zit vol repeterende elementen.
Het past fraai bij de praatzang van Isaac Wood, die de song voorziet van een beklemmende lading. Heel lang blijft de band echter niet hangen in het vaste stramien van de postpunk, want meer uptempo passages worden afgewisseld met dromerige passages, die door de bijdragen van de saxofoon jazzy klinken.
Na de vijfenhalve minuut durende openingstrack, neemt de band ook in de tweede track de tijd, want deze duurt nog een minuut langer. In muzikaal opzicht doet het me wel wat denken aan de eveneens Britse band Black Midi, maar ik hoor ook wel wat van het laatste album van Shame, al durft Black Country, New Road veel nadrukkelijker te experimenteren en betreedt het paden die voor Shame nog volledig uit zicht zijn.
Voor liefhebbers van betrekkelijk toegankelijke popsongs is For The First Time al snel zware kost, al strijkt de muziek van de band uit Londen nergens heel nadrukkelijk tegen de haren in. De gitaarlijnen zijn keer op keer wonderschoon, de ritmesectie blijft maar strooien met inventieve ritmes, de praatzang heeft iets bezwerends, de keyboards zijn fraai dreigend, de vioolaccenten verrassend trefzeker en dan zijn er ook nog eens de stuwende bijdragen van de saxofoon.
Zeker als de gitaren scheuren, de drummer de meest fascinerende ritmes slaat en de saxofoon los mag gaan, klinkt For The First Time als het album dat Bowie in Berlijn zou hebben gemaakt als hij toen al een jazzband had opgetrommeld.
De eerste drie tracks klokken al rond de zes minuten, maar er volgen nog tracks van acht of zelfs bijna tien minuten, waardoor er uiteindelijk slechts zes tracks in veertig minuten passen. In die veertig minuten schiet de muziek van Black Country, New Road alle kanten op, met gelijke delen postpunk, postrock en jazz als basis.
De energie en urgentie spatten er van af, maar er ligt ook altijd een verrassende of introspectieve wending op de loer, waardoor je met volledige aandacht naar het album blijft luisteren. Bij beluistering valt er steeds meer op zijn plek, maar op hetzelfde moment blijft For The First Time van Black Country, New Road een buitengewoon fascinerend vat vol tegenstrijdigheden. Makkelijk is het zoals gezegd niet, maar wat is het mooi dat er ook in 2021 nog bands zijn die zo wild buiten de lijnen durven te kleuren als deze Britse band. Erwin Zijleman
Black Country, New Road - Forever Howlong (2025)

4,0
1
geplaatst: 9 april 2025, 12:50 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Black Country, New Road - Forever Howlong - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Black Country, New Road - Forever Howlong
De Britse band Black Country, New Road leek op sterven na dood toen zanger Isaac Wood de band verliet, maar begint op Forever Howlong aan haar tweede leven met een totaal ander maar wederom interessant geluid
Dat Black Country, New Road op haar derde album anders zou klinken dan op de eerste twee albums van de Britse band was bekend, maar toch heeft Forever Howlong me flink verrast. Het album klinkt immers echt in bijna alle opzichten anders dan de albums die de band maakte met zanger Isaac Wood. De vrouwenstemmen op het nieuwe album klinken totaal anders, maar ook de muziek klinkt anders, de teksten zijn anders en de songs zijn anders. Black Country, New Road kiest op haar nieuwe album ook nog eens vooral voor folk en chamber pop, wat ook een koerswijziging is. Er is echter één ding niet veranderd en dat is de hoeveelheid avontuur in de songs van de band.
Toen de Britse muziekmedia in de laatste maand van 2019 vooruit keken naar 2020 noemden ze stuk voor stuk de Britse band Black Country, New Road als een band om in de gaten te houden in het komende jaar. De coronapandemie gooide echter roet in het eten, maar aan het begin van 2021 was er dan eindelijk het debuutalbum van de band.
For The First Time bleek inderdaad een sensationeel goed album, waarop Black Country, New Road met name invloeden uit de postpunk, postrock en jazz combineerde in een geluid dat je compleet van je sokken blies. Dat deed ook het aan het begin van 2022 verschenen Ants From Up There, dat een wat ander en meer ingetogen geluid liet horen met minder invloeden uit de postpunk, maar de muziek van Black Country, New Road was nog altijd een fascinerende en intense mix met van alles en nog wat.
Het was een geluid dat zwaar leunde op de heftige zang van Isaac Wood, die vlak voor het verschijnen van Ants From Up There zijn vertrek uit de band aankondigde. Na het vertrek van Isaac Wood werden de rollen in de band anders verdeeld, waardoor Black Country, New Road toch verder kon. Hoe dat zou gaan klinken was al voor een deel te horen op het in 2023 verschenen live-album Live From Bush Hall, dat ik zelf niet heb beluisterd.
Voor mij is het deze week verschenen Forever Howlong daarom de eerste kennismaking met de muziek van het nieuwe Black Country, New Road. De band heeft nog altijd dezelfde naam en bestaat buiten Isaac Wood ook uit dezelfde leden, maar daar is ook alles mee gezegd. Forever Howlong laat een totaal ander geluid horen dan For The First Time en Ants From Up There, waardoor de vraag of de band niet beter had kunnen kiezen voor een andere naam een legitieme vraag is.
Het grootste verschil tussen het oude en het nieuwe Black Country, New Road hoor je in de zang. De getergde en behoorlijk heftige zang van Isaac Wood heeft plaats gemaakt voor de folky vrouwenstemmen van Tyler Hyde, May Kershaw en Georgia Ellery, die zorgen voor een totaal ander geluid, zeker wanneer ze kiezen voor echt prachtige harmonieën.
Black Country, New Road klinkt op Forever Howlong geregeld als een folkband en klinkt bovendien een stuk minder intens en donker. Ik heb wel wat met vrouwenstemmen, dus de zang op het album zit mij persoonlijk niet in de weg, maar dat zal niet iedereen zo ervaren.
Ook in muzikaal opzicht slaat de Britse band nieuwe wegen in. Invloeden uit de folk hoor je niet alleen in de zang, maar ook in de muziek op Forever Howlong. Het is folk waarin soms progrock en Canterbury scene elementen zijn verwerkt, maar het nieuwe geluid van Black Country, New Road leunt ook zwaar op de klassieke muziek en de chamber pop en heeft ook een enkele keer een Beatlesque of jazzy karakter.
Forever Howlong zit op zich dichter tegen mijn muzikale comfort zone aan dan de eerste twee albums van de band, waardoor ik zeer te spreken ben over het album. Uiteindelijk vind ik het een album dat de naam Black Country, New Road absoluut verdient. Achter het veel toegankelijkere geluid en de engelachtige vocalen zit immers nog steeds de wilde experimenteerdrang die ook de vorige albums van de band zo interessant maakte. Het is vast even slikken voor degenen die vooral Isaac Wood hoog hadden zitten, maar wat mij betreft zijn de overgebleven bandleden er in geslaagd om Black Country, New Road opnieuw uit te vinden. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: Black Country, New Road - Forever Howlong - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Black Country, New Road - Forever Howlong
De Britse band Black Country, New Road leek op sterven na dood toen zanger Isaac Wood de band verliet, maar begint op Forever Howlong aan haar tweede leven met een totaal ander maar wederom interessant geluid
Dat Black Country, New Road op haar derde album anders zou klinken dan op de eerste twee albums van de Britse band was bekend, maar toch heeft Forever Howlong me flink verrast. Het album klinkt immers echt in bijna alle opzichten anders dan de albums die de band maakte met zanger Isaac Wood. De vrouwenstemmen op het nieuwe album klinken totaal anders, maar ook de muziek klinkt anders, de teksten zijn anders en de songs zijn anders. Black Country, New Road kiest op haar nieuwe album ook nog eens vooral voor folk en chamber pop, wat ook een koerswijziging is. Er is echter één ding niet veranderd en dat is de hoeveelheid avontuur in de songs van de band.
Toen de Britse muziekmedia in de laatste maand van 2019 vooruit keken naar 2020 noemden ze stuk voor stuk de Britse band Black Country, New Road als een band om in de gaten te houden in het komende jaar. De coronapandemie gooide echter roet in het eten, maar aan het begin van 2021 was er dan eindelijk het debuutalbum van de band.
For The First Time bleek inderdaad een sensationeel goed album, waarop Black Country, New Road met name invloeden uit de postpunk, postrock en jazz combineerde in een geluid dat je compleet van je sokken blies. Dat deed ook het aan het begin van 2022 verschenen Ants From Up There, dat een wat ander en meer ingetogen geluid liet horen met minder invloeden uit de postpunk, maar de muziek van Black Country, New Road was nog altijd een fascinerende en intense mix met van alles en nog wat.
Het was een geluid dat zwaar leunde op de heftige zang van Isaac Wood, die vlak voor het verschijnen van Ants From Up There zijn vertrek uit de band aankondigde. Na het vertrek van Isaac Wood werden de rollen in de band anders verdeeld, waardoor Black Country, New Road toch verder kon. Hoe dat zou gaan klinken was al voor een deel te horen op het in 2023 verschenen live-album Live From Bush Hall, dat ik zelf niet heb beluisterd.
Voor mij is het deze week verschenen Forever Howlong daarom de eerste kennismaking met de muziek van het nieuwe Black Country, New Road. De band heeft nog altijd dezelfde naam en bestaat buiten Isaac Wood ook uit dezelfde leden, maar daar is ook alles mee gezegd. Forever Howlong laat een totaal ander geluid horen dan For The First Time en Ants From Up There, waardoor de vraag of de band niet beter had kunnen kiezen voor een andere naam een legitieme vraag is.
Het grootste verschil tussen het oude en het nieuwe Black Country, New Road hoor je in de zang. De getergde en behoorlijk heftige zang van Isaac Wood heeft plaats gemaakt voor de folky vrouwenstemmen van Tyler Hyde, May Kershaw en Georgia Ellery, die zorgen voor een totaal ander geluid, zeker wanneer ze kiezen voor echt prachtige harmonieën.
Black Country, New Road klinkt op Forever Howlong geregeld als een folkband en klinkt bovendien een stuk minder intens en donker. Ik heb wel wat met vrouwenstemmen, dus de zang op het album zit mij persoonlijk niet in de weg, maar dat zal niet iedereen zo ervaren.
Ook in muzikaal opzicht slaat de Britse band nieuwe wegen in. Invloeden uit de folk hoor je niet alleen in de zang, maar ook in de muziek op Forever Howlong. Het is folk waarin soms progrock en Canterbury scene elementen zijn verwerkt, maar het nieuwe geluid van Black Country, New Road leunt ook zwaar op de klassieke muziek en de chamber pop en heeft ook een enkele keer een Beatlesque of jazzy karakter.
Forever Howlong zit op zich dichter tegen mijn muzikale comfort zone aan dan de eerste twee albums van de band, waardoor ik zeer te spreken ben over het album. Uiteindelijk vind ik het een album dat de naam Black Country, New Road absoluut verdient. Achter het veel toegankelijkere geluid en de engelachtige vocalen zit immers nog steeds de wilde experimenteerdrang die ook de vorige albums van de band zo interessant maakte. Het is vast even slikken voor degenen die vooral Isaac Wood hoog hadden zitten, maar wat mij betreft zijn de overgebleven bandleden er in geslaagd om Black Country, New Road opnieuw uit te vinden. Erwin Zijleman
black midi - Cavalcade (2021)

4,0
2
geplaatst: 4 juni 2021, 13:10 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: black midi - Cavalcade - dekrentenuitdepop.blogspot.com
black midi - Cavalcade
black midi imponeerde twee jaar geleden met een album dat alle kanten op schoot, maar op opvolger Cavalcade gebeurt zoveel dat het je soms duizelt, maar wat hoor je ook veel moois
Het tweede album van black midi is niet voor iedereen geschikt. Cavalcade is een woeste rollercoaster ride zonder veiligheidsbeugel. De Britse band kiest vaak voor een moordend tempo, maar is ook een meester in duizelingwekkende tempowisselingen. In muzikaal opzicht is het smullen, maar het is hier en daar ook zware kost. Het debuut van de band was met geen mogelijkheid in een hokje te duwen en dat is ook dit keer een onmogelijke opdracht. black midi doet bijna drie kwartier lang haar eigen ding en je vindt het geweldig of helemaal niks. Het is af en toe even doorbijten, maar mijn eindoordeel is net als twee jaar geleden zeer positief. Wat een band.
De Britse band black midi (zonder hoofdletters) debuteerde bijna twee jaar geleden met het buitengewoon fascinerende Schlagenheim. Het album werd vooral in het wat mij betreft nietszeggende hokje ‘mathrock’ geduwd, maar zelf hoorde ik invloeden uit de folk, progrock, Krautrock, funk, postpunk, jazz, postrock, psychedelica en nog veel meer. Het leverde uiteindelijk een waslijst aan vergelijkingsmateriaal op, waartussen namen als King Crimson, Van der Graaf Generator Talking Heads, Slint, Sonic Youth, The Fall, Wire, Can, Pere Ubu en Devo.
Bij zoveel hokjes en zoveel vergelijkingsmateriaal is categoriseren en vergelijken zinloos en dat ga ik dit keer dan ook niet doen. Ook op het deze week verschenen Cavalcade is de muziek van black midi een vat vol tegenstrijdigheden. Er is wederom een glansrol weggelegd voor de fantastische drummer van de band, maar ook de tegendraadse gitaarloopjes en de vaak wat staccato (praat)zang van de zanger van de band dringen zich weer genadeloos op.
Direct vanaf de eerste noten van de openingstrack John L. is duidelijk dat black midi het ons ook dit keer niet makkelijk gaat maken. Het tempo ligt direct moordend hoog, de ritmes, gitaarloopjes en blazers zijn onnavolgbaar en de band gooit er ook nog eens wat experimenteel pianospel en flink wat tempowisselingen tegenaan. Het combineert allemaal mooi met de praatzang van de zanger van de band, die laat horen dat praatzang wel degelijk functioneel kan zijn.
black midi zet je in de openingstrack vaker op het verkeerde been dan een gemiddelde band in een heel oeuvre doet, maar op een of andere manier strijkt het niet tegen de haren in. Na ruim vijf minuten hectiek, die er hier thuis voor zorgde dat iedereen in de gordijnen zat, ben je wel toe aan een rustpunt en dat komt dan ook. Marlene Dietrich is bijna een mooi luisterliedje, compleet met crooner vocalen.
In de derde track gaat het meteen weer los en leveren de drummer, de bassist en de gitarist van de band een topprestatie. Om voor de afwisseling toch een keer vergelijkingsmateriaal aan te leveren kom ik met de jaren 80 bezetting van King Crimson op de proppen, die relevant is tot de electische beginfase omslaat in een lome jazzy track. Zeker als gas wordt gegeven maakt de drummer van de band weer diepe indruk, maar in muzikaal opzicht presteert black midi sowieso continu op de toppen van haar kunnen.
Cavalcade zal zeker niet aan iedereen besteed zijn, want ik kan me ook voorstellen dat er mensen zijn die extreem nerveus worden van de muziek van de Britse band. Het is ook voor mij geen muziek die ik op ieder moment kan verdragen, maar zo op zijn tijd is het geweldig. black midi verlegde op haar debuut de grenzen al mijlenver en doet dat ook weer op Cavalcade dat in alle opzichten een compromisloos album is.
Vergeleken met het vorige album hoor ik nog wat meer invloeden uit de jazz en het zijn invloeden die het beste uit de muzikanten van black midi haalt. Zeker in de meest jazzy momenten is het tempo moordend en klinkt alles zo complex dat je het spoor na een paar seconden bijster bent, maar door de wat naar de achtergrond gemixte blazers klinkt black midi anders dan jazzbands die ook raad weten met het tempo en de complexiteit op Cavalcade.
Bovendien slaagt black midi er in om chaos binnen een paar akkoorden terug te brengen tot ingetogen klanken. Er valt nog veel meer over het album te zeggen, maar eigenlijk moet je het gewoon ondergaan. Fasten your seatbelts. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: black midi - Cavalcade - dekrentenuitdepop.blogspot.com
black midi - Cavalcade
black midi imponeerde twee jaar geleden met een album dat alle kanten op schoot, maar op opvolger Cavalcade gebeurt zoveel dat het je soms duizelt, maar wat hoor je ook veel moois
Het tweede album van black midi is niet voor iedereen geschikt. Cavalcade is een woeste rollercoaster ride zonder veiligheidsbeugel. De Britse band kiest vaak voor een moordend tempo, maar is ook een meester in duizelingwekkende tempowisselingen. In muzikaal opzicht is het smullen, maar het is hier en daar ook zware kost. Het debuut van de band was met geen mogelijkheid in een hokje te duwen en dat is ook dit keer een onmogelijke opdracht. black midi doet bijna drie kwartier lang haar eigen ding en je vindt het geweldig of helemaal niks. Het is af en toe even doorbijten, maar mijn eindoordeel is net als twee jaar geleden zeer positief. Wat een band.
De Britse band black midi (zonder hoofdletters) debuteerde bijna twee jaar geleden met het buitengewoon fascinerende Schlagenheim. Het album werd vooral in het wat mij betreft nietszeggende hokje ‘mathrock’ geduwd, maar zelf hoorde ik invloeden uit de folk, progrock, Krautrock, funk, postpunk, jazz, postrock, psychedelica en nog veel meer. Het leverde uiteindelijk een waslijst aan vergelijkingsmateriaal op, waartussen namen als King Crimson, Van der Graaf Generator Talking Heads, Slint, Sonic Youth, The Fall, Wire, Can, Pere Ubu en Devo.
Bij zoveel hokjes en zoveel vergelijkingsmateriaal is categoriseren en vergelijken zinloos en dat ga ik dit keer dan ook niet doen. Ook op het deze week verschenen Cavalcade is de muziek van black midi een vat vol tegenstrijdigheden. Er is wederom een glansrol weggelegd voor de fantastische drummer van de band, maar ook de tegendraadse gitaarloopjes en de vaak wat staccato (praat)zang van de zanger van de band dringen zich weer genadeloos op.
Direct vanaf de eerste noten van de openingstrack John L. is duidelijk dat black midi het ons ook dit keer niet makkelijk gaat maken. Het tempo ligt direct moordend hoog, de ritmes, gitaarloopjes en blazers zijn onnavolgbaar en de band gooit er ook nog eens wat experimenteel pianospel en flink wat tempowisselingen tegenaan. Het combineert allemaal mooi met de praatzang van de zanger van de band, die laat horen dat praatzang wel degelijk functioneel kan zijn.
black midi zet je in de openingstrack vaker op het verkeerde been dan een gemiddelde band in een heel oeuvre doet, maar op een of andere manier strijkt het niet tegen de haren in. Na ruim vijf minuten hectiek, die er hier thuis voor zorgde dat iedereen in de gordijnen zat, ben je wel toe aan een rustpunt en dat komt dan ook. Marlene Dietrich is bijna een mooi luisterliedje, compleet met crooner vocalen.
In de derde track gaat het meteen weer los en leveren de drummer, de bassist en de gitarist van de band een topprestatie. Om voor de afwisseling toch een keer vergelijkingsmateriaal aan te leveren kom ik met de jaren 80 bezetting van King Crimson op de proppen, die relevant is tot de electische beginfase omslaat in een lome jazzy track. Zeker als gas wordt gegeven maakt de drummer van de band weer diepe indruk, maar in muzikaal opzicht presteert black midi sowieso continu op de toppen van haar kunnen.
Cavalcade zal zeker niet aan iedereen besteed zijn, want ik kan me ook voorstellen dat er mensen zijn die extreem nerveus worden van de muziek van de Britse band. Het is ook voor mij geen muziek die ik op ieder moment kan verdragen, maar zo op zijn tijd is het geweldig. black midi verlegde op haar debuut de grenzen al mijlenver en doet dat ook weer op Cavalcade dat in alle opzichten een compromisloos album is.
Vergeleken met het vorige album hoor ik nog wat meer invloeden uit de jazz en het zijn invloeden die het beste uit de muzikanten van black midi haalt. Zeker in de meest jazzy momenten is het tempo moordend en klinkt alles zo complex dat je het spoor na een paar seconden bijster bent, maar door de wat naar de achtergrond gemixte blazers klinkt black midi anders dan jazzbands die ook raad weten met het tempo en de complexiteit op Cavalcade.
Bovendien slaagt black midi er in om chaos binnen een paar akkoorden terug te brengen tot ingetogen klanken. Er valt nog veel meer over het album te zeggen, maar eigenlijk moet je het gewoon ondergaan. Fasten your seatbelts. Erwin Zijleman
black midi - Hellfire (2022)

4,0
2
geplaatst: 20 juli 2022, 12:39 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: black midi - Hellfire - dekrentenuitdepop.blogspot.com
black midi - Hellfire
Ook op Hellfire is de muziek van de Britse band black midi weer lastig te doorgronden of strijkt deze muziek zelfs stevig tegen de haren in, maar het album is bij vlagen ook wonderschoon en prikkelt de fantasie genadeloos
Schlagenheim uit 2019 en Cavalcade uit 2021van black midi waren allebei fascinerende albums, maar ook albums die het de luisteraar niet makkelijk maakten. Ook op album nummer drie, het deze week verschenen Hellfire, is de band uit Londen wars van compromissen. Hellfire is een album waar je af en toe stapelgek van wordt, maar het is ook een album dat respect afdwingt en dat hopeloos fascineert. De jonge Britse honden spelen ook dit keer de pannen van het dak en vermengen een hoeveelheid invloeden om bang van te worden. Het ene moment word je opgejaagd door muziek met een intensiteit die je bij de strot grijpt, het volgende moment fluiten de vogeltjes. Wat een album.
Hellfire is het derde album van de Britse band black midi (zonder hoofdletters) en het is net als zijn twee voorgangers een album waarop zoveel gebeurt dat het je vrijwel continu duizelt. Omdat de band uit Londen er op haar nieuwe album nog een flinke schep bovenop doet, is Hellfire bij vlagen een album waar ik heel onrustig of zelfs stapelgek van wordt, maar black midi dwingt ook dit keer bewondering af met haar grenzeloze muzikaliteit.
Ik probeerde de muziek van black midi in mijn recensie van het debuutalbum Schlagenheim uit 2019 te vangen met het noemen van een hele lijst genres (mathrock, folk, progrock, Krautrock, funk, postpunk, postrock, psychedelica en nog veel meer) en relevant vergelijkingsmateriaal (met name King Crimson, Van der Graaf Generator, Genesis, Talking Heads, Slint, Sonic Youth, The Fall, Wire, Can, Pere Ubu en Devo), maar inmiddels weet ik dat beide pogingen zinloos zijn.
Op het vorig jaar verschenen Cavalcade voegde black midi vooral invloeden uit de jazz toe aan haar muziek en werd de muziek van de band een nog complexer vat vol tegenstrijdigheden. Het is een lijn die wordt doorgetrokken op Hellfire, dat werkelijk alle kanten op schiet. Ik heb het album inmiddels flink wat keren beluisterd en het is, nog meer dan zijn voorgangers, een album dat ik afwisselend haat en liefheb.
Zeker wanneer de band op volle snelheid speelt, grossiert in onverwachte wendingen en de (praat)zanger van de band de woorden uitspuugt of zijn leven er van af hangt, vergt Hellfire veel van de luisteraar, zeker met de hoge temperaturen van het moment. De Britse band slaagt er echter ook dit keer in om muziek met een intensiteit en complexiteit om bang van te worden af te wisselen met meer ingetogen en voorzichtig toegankelijke of zelfs lieflijke passages (compleet met fluitende vogeltjes), maar tijd om op adem te komen is er nauwelijks.
Hellfire ligt in het verlengde van het vorige album van black midi, maar klinkt ook weer net wat anders. De band uit Londen bestaat nog altijd uit een stel (relatief) jonge honden, maar wat kunnen ze spelen. Net als op het vorige album maakt vooral de drummer van de band heel veel indruk, maar ook het gitaarwerk op het album heeft zijn briljante momenten, net als de saxofonist, die als een razende tekeer kan gaan. Ik ben nog steeds niet heel gek op praatzang, maar bij black midi kan praatzang zomaar omslaan in bijna hysterisch gegil of juist in zang die melodieus mag worden genoemd, zeker wanneer de zanger de Frank Sinatra in zichzelf naar boven haalt.
Ik gaf hierboven al aan dat Hellfire in alle opzichten tegenstrijdige reacties oproept. Het ene moment is het genieten, het volgende moment uitzitten en ook na een aantal keren horen heb ik totaal geen vat op het album, dat me ook als ik het drie keer na elkaar beluister nog continu weet te verrassen (en soms te beangstigen). Iedere keer dat ik de draad definitief kwijt lijk te raken, is er altijd weer die fantastische drummer die het oppikt of schakelt de band een heleboel tanden terug zodat ik even op adem kan komen.
Hellfire is over het algemeen genomen geen album dat je opzet bij de temperaturen van de laatste dagen, al passen de vele jazzy passages prima en is een conceptalbum over de zelfkant van de samenleving en met de titel Hellfire op zijn minst enigszins verbonden met erg hoge temperaturen. Hellfire is bijna veertig minuten zware kost, maar het is ook een album dat veertig minuten een bijzondere band op de toppen van haar kunnen laat horen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: black midi - Hellfire - dekrentenuitdepop.blogspot.com
black midi - Hellfire
Ook op Hellfire is de muziek van de Britse band black midi weer lastig te doorgronden of strijkt deze muziek zelfs stevig tegen de haren in, maar het album is bij vlagen ook wonderschoon en prikkelt de fantasie genadeloos
Schlagenheim uit 2019 en Cavalcade uit 2021van black midi waren allebei fascinerende albums, maar ook albums die het de luisteraar niet makkelijk maakten. Ook op album nummer drie, het deze week verschenen Hellfire, is de band uit Londen wars van compromissen. Hellfire is een album waar je af en toe stapelgek van wordt, maar het is ook een album dat respect afdwingt en dat hopeloos fascineert. De jonge Britse honden spelen ook dit keer de pannen van het dak en vermengen een hoeveelheid invloeden om bang van te worden. Het ene moment word je opgejaagd door muziek met een intensiteit die je bij de strot grijpt, het volgende moment fluiten de vogeltjes. Wat een album.
Hellfire is het derde album van de Britse band black midi (zonder hoofdletters) en het is net als zijn twee voorgangers een album waarop zoveel gebeurt dat het je vrijwel continu duizelt. Omdat de band uit Londen er op haar nieuwe album nog een flinke schep bovenop doet, is Hellfire bij vlagen een album waar ik heel onrustig of zelfs stapelgek van wordt, maar black midi dwingt ook dit keer bewondering af met haar grenzeloze muzikaliteit.
Ik probeerde de muziek van black midi in mijn recensie van het debuutalbum Schlagenheim uit 2019 te vangen met het noemen van een hele lijst genres (mathrock, folk, progrock, Krautrock, funk, postpunk, postrock, psychedelica en nog veel meer) en relevant vergelijkingsmateriaal (met name King Crimson, Van der Graaf Generator, Genesis, Talking Heads, Slint, Sonic Youth, The Fall, Wire, Can, Pere Ubu en Devo), maar inmiddels weet ik dat beide pogingen zinloos zijn.
Op het vorig jaar verschenen Cavalcade voegde black midi vooral invloeden uit de jazz toe aan haar muziek en werd de muziek van de band een nog complexer vat vol tegenstrijdigheden. Het is een lijn die wordt doorgetrokken op Hellfire, dat werkelijk alle kanten op schiet. Ik heb het album inmiddels flink wat keren beluisterd en het is, nog meer dan zijn voorgangers, een album dat ik afwisselend haat en liefheb.
Zeker wanneer de band op volle snelheid speelt, grossiert in onverwachte wendingen en de (praat)zanger van de band de woorden uitspuugt of zijn leven er van af hangt, vergt Hellfire veel van de luisteraar, zeker met de hoge temperaturen van het moment. De Britse band slaagt er echter ook dit keer in om muziek met een intensiteit en complexiteit om bang van te worden af te wisselen met meer ingetogen en voorzichtig toegankelijke of zelfs lieflijke passages (compleet met fluitende vogeltjes), maar tijd om op adem te komen is er nauwelijks.
Hellfire ligt in het verlengde van het vorige album van black midi, maar klinkt ook weer net wat anders. De band uit Londen bestaat nog altijd uit een stel (relatief) jonge honden, maar wat kunnen ze spelen. Net als op het vorige album maakt vooral de drummer van de band heel veel indruk, maar ook het gitaarwerk op het album heeft zijn briljante momenten, net als de saxofonist, die als een razende tekeer kan gaan. Ik ben nog steeds niet heel gek op praatzang, maar bij black midi kan praatzang zomaar omslaan in bijna hysterisch gegil of juist in zang die melodieus mag worden genoemd, zeker wanneer de zanger de Frank Sinatra in zichzelf naar boven haalt.
Ik gaf hierboven al aan dat Hellfire in alle opzichten tegenstrijdige reacties oproept. Het ene moment is het genieten, het volgende moment uitzitten en ook na een aantal keren horen heb ik totaal geen vat op het album, dat me ook als ik het drie keer na elkaar beluister nog continu weet te verrassen (en soms te beangstigen). Iedere keer dat ik de draad definitief kwijt lijk te raken, is er altijd weer die fantastische drummer die het oppikt of schakelt de band een heleboel tanden terug zodat ik even op adem kan komen.
Hellfire is over het algemeen genomen geen album dat je opzet bij de temperaturen van de laatste dagen, al passen de vele jazzy passages prima en is een conceptalbum over de zelfkant van de samenleving en met de titel Hellfire op zijn minst enigszins verbonden met erg hoge temperaturen. Hellfire is bijna veertig minuten zware kost, maar het is ook een album dat veertig minuten een bijzondere band op de toppen van haar kunnen laat horen. Erwin Zijleman
black midi - Schlagenheim (2019)

4,5
0
geplaatst: 25 juni 2019, 16:25 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: black midi - Schlagenheim - dekrentenuitdepop.blogspot.com
black midi - Schlagenheim
Het debuut van black midi wordt momenteel de hemel in geprezen en daar valt echt niets, maar dan ook echt helemaal niets op af te dingen
Ik was wel weer eens toe aan een debuut dat in 45 minuten je hele wereld op zijn kop zet, maar zulke debuten zijn helaas schaars. De uit Londen afkomstige band black midi heeft met Schlagenheim echter zo’n debuut gemaakt. De band uit Londen springt op haar debuut 45 minuten lang van de hak op tak en sleept er zoveel invloeden bij dat het je in eerste instantie duizelt. Al snel valt echter alles op zijn plaats en smeedt black midi een aantal decennia rockmuziek aan elkaar in een geluid dat 1001 associaties oproept, maar tegelijkertijd volkomen uniek klinkt. Het ene moment neemt de band je mee terug naar de vroege jaren 70, het volgende moment word je met flinke kracht het heden in geslingerd. Het klinkt niet alleen fascinerend, maar wordt ook zo verbluffend goed gespeeld dat je bijna van magie mag spreken.
De Britse muziekpers komt al weken superlatieven tekort bij het binnenhalen van het debuut van de Britse band black midi en de muziekpers in Europa en de Verenigde Staten volgt dit voorbeeld inmiddels met minstens evenveel enthousiasme.
De band uit Londen wordt hier en daar al uitgeroepen tot de sensatie van 2019 of een veel langere periode, terwijl de verering van de band alle kenmerken van een zorgvuldig gecreëerde hype begint te vertonen.
Bij (Britse) hypes ben ik altijd op mijn hoede, maar direct bij eerste beluistering van Schlagenheim kon ik alleen maar meegaan in het enthousiasme van de Britse muziekpers en hun buitenlandse collega’s.
black midi is zoals gezegd een band uit Londen en het is een band waarvan de gemiddelde leeftijd rond de 20 ligt. Jonge honden dus, maar black midi maakt op haar debuut zeker niet de muziek die je van een stel jonge honden verwacht. Schlagenheim is een complex en experimenteel album en het is bovendien een album dat met geen mogelijkheid in een hokje is te duwen.
Het tot dusver meest gebruikte hokje is waarschijnlijk het hokje mathrock, maar dat is er een die mij eerlijk gezegd maar heel weinig zegt en ook niet erg aantrekkelijk in de oren klinkt. Als ik luister naar het debuut van black midi hoor ik in eerste instantie vooral folk en progrock, maar als ik wat langer luister hoor ik ook Krautrock, funk, postpunk, postrock, psychedelica en nog veel meer.
black midi maakt niet alleen muziek die zich niet of nauwelijks in een hokje laat duwen, maar het is ook nog eens muziek die zich lastig of onmogelijk laat vergelijken met de muziek van anderen. Er zijn voor zover ik weet geen andere bands die klinken als black midi, maar dat betekent niet dat er geen hoorbare invloeden opduiken op het debuut van de band uit Londen. Integendeel zelfs. Bij beluistering van Schlagenheim duikt een waslijst aan namen op en deze lijkt bij herhaalde beluistering alleen maar te groeien.
Uit de jaren 70 komen avontuurlijke en experimentele progrock bands als King Crimson en Van der Graaf Generator en ook een beetje Genesis in haar jonge jaren voorbij, maar ik hoor ook regelmatig iets van Talking Heads, iets van Slint of iets van Sonic Youth en kan deze lijst inmiddels aanvullen met de namen van The Fall, Wire, Can, Pere Ubu en Devo. En zo kan ik nog wel even doorgaan en mogelijk zelfs deze hele recensie vullen met namen die opduiken bij beluistering bij het debuut van black midi.
Dat de band bestaat uit een stel jonge honden hoor je wanneer de band stevig tekeer gaat en de noten vol energie uit de speakers laat komen, maar black midi durft ook prachtig gas terug te nemen en verrast dan met bezwerend werk dat mij vooral herinnert aan muziek uit vervlogen tijden.
Voor een stel jonge honden bestaat de band uit zeer getalenteerde muzikanten. Het gitaarwerk op Schlagenheim is vaak onnavolgbaar en varieert van experimenteel, tot hard tot funky, maar de meeste bewondering wordt toch afgedwongen door de piepjonge drummer van de band, die de meest complexe ritmes uit zijn handen en voeten laat komen.
De muziek van black midi is een vat vol tegenstrijdigheden, dat zich met de lichtsnelheid verplaatst door genres en de tijd. Soms springt de band uit Londen zo snel van de hak op de tak dat het je duizelt, maar zeker na enige gewenning zit je alleen maar op het puntje van je stoel, om maar niets te hoeven missen van het geweldige debuut van black midi.
Het nadeel van een album als Schlagenheim is dat het zo moeilijk te beschrijven is dat een recensie mogelijk weinig muziekliefhebbers zal aanspreken. Mijn advies is dan ook om al het bovenstaande te vergeten en met je eigen referentiekader te beginnen aan de beluistering van Schlagenheim van black midi. Grote kans dat je met hele andere namen en invloeden op de proppen komt, maar de kans is ook groot dat je, net als ik, compleet van je sokken wordt geblazen door dit in alle opzichten fascinerende debuut. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: black midi - Schlagenheim - dekrentenuitdepop.blogspot.com
black midi - Schlagenheim
Het debuut van black midi wordt momenteel de hemel in geprezen en daar valt echt niets, maar dan ook echt helemaal niets op af te dingen
Ik was wel weer eens toe aan een debuut dat in 45 minuten je hele wereld op zijn kop zet, maar zulke debuten zijn helaas schaars. De uit Londen afkomstige band black midi heeft met Schlagenheim echter zo’n debuut gemaakt. De band uit Londen springt op haar debuut 45 minuten lang van de hak op tak en sleept er zoveel invloeden bij dat het je in eerste instantie duizelt. Al snel valt echter alles op zijn plaats en smeedt black midi een aantal decennia rockmuziek aan elkaar in een geluid dat 1001 associaties oproept, maar tegelijkertijd volkomen uniek klinkt. Het ene moment neemt de band je mee terug naar de vroege jaren 70, het volgende moment word je met flinke kracht het heden in geslingerd. Het klinkt niet alleen fascinerend, maar wordt ook zo verbluffend goed gespeeld dat je bijna van magie mag spreken.
De Britse muziekpers komt al weken superlatieven tekort bij het binnenhalen van het debuut van de Britse band black midi en de muziekpers in Europa en de Verenigde Staten volgt dit voorbeeld inmiddels met minstens evenveel enthousiasme.
De band uit Londen wordt hier en daar al uitgeroepen tot de sensatie van 2019 of een veel langere periode, terwijl de verering van de band alle kenmerken van een zorgvuldig gecreëerde hype begint te vertonen.
Bij (Britse) hypes ben ik altijd op mijn hoede, maar direct bij eerste beluistering van Schlagenheim kon ik alleen maar meegaan in het enthousiasme van de Britse muziekpers en hun buitenlandse collega’s.
black midi is zoals gezegd een band uit Londen en het is een band waarvan de gemiddelde leeftijd rond de 20 ligt. Jonge honden dus, maar black midi maakt op haar debuut zeker niet de muziek die je van een stel jonge honden verwacht. Schlagenheim is een complex en experimenteel album en het is bovendien een album dat met geen mogelijkheid in een hokje is te duwen.
Het tot dusver meest gebruikte hokje is waarschijnlijk het hokje mathrock, maar dat is er een die mij eerlijk gezegd maar heel weinig zegt en ook niet erg aantrekkelijk in de oren klinkt. Als ik luister naar het debuut van black midi hoor ik in eerste instantie vooral folk en progrock, maar als ik wat langer luister hoor ik ook Krautrock, funk, postpunk, postrock, psychedelica en nog veel meer.
black midi maakt niet alleen muziek die zich niet of nauwelijks in een hokje laat duwen, maar het is ook nog eens muziek die zich lastig of onmogelijk laat vergelijken met de muziek van anderen. Er zijn voor zover ik weet geen andere bands die klinken als black midi, maar dat betekent niet dat er geen hoorbare invloeden opduiken op het debuut van de band uit Londen. Integendeel zelfs. Bij beluistering van Schlagenheim duikt een waslijst aan namen op en deze lijkt bij herhaalde beluistering alleen maar te groeien.
Uit de jaren 70 komen avontuurlijke en experimentele progrock bands als King Crimson en Van der Graaf Generator en ook een beetje Genesis in haar jonge jaren voorbij, maar ik hoor ook regelmatig iets van Talking Heads, iets van Slint of iets van Sonic Youth en kan deze lijst inmiddels aanvullen met de namen van The Fall, Wire, Can, Pere Ubu en Devo. En zo kan ik nog wel even doorgaan en mogelijk zelfs deze hele recensie vullen met namen die opduiken bij beluistering bij het debuut van black midi.
Dat de band bestaat uit een stel jonge honden hoor je wanneer de band stevig tekeer gaat en de noten vol energie uit de speakers laat komen, maar black midi durft ook prachtig gas terug te nemen en verrast dan met bezwerend werk dat mij vooral herinnert aan muziek uit vervlogen tijden.
Voor een stel jonge honden bestaat de band uit zeer getalenteerde muzikanten. Het gitaarwerk op Schlagenheim is vaak onnavolgbaar en varieert van experimenteel, tot hard tot funky, maar de meeste bewondering wordt toch afgedwongen door de piepjonge drummer van de band, die de meest complexe ritmes uit zijn handen en voeten laat komen.
De muziek van black midi is een vat vol tegenstrijdigheden, dat zich met de lichtsnelheid verplaatst door genres en de tijd. Soms springt de band uit Londen zo snel van de hak op de tak dat het je duizelt, maar zeker na enige gewenning zit je alleen maar op het puntje van je stoel, om maar niets te hoeven missen van het geweldige debuut van black midi.
Het nadeel van een album als Schlagenheim is dat het zo moeilijk te beschrijven is dat een recensie mogelijk weinig muziekliefhebbers zal aanspreken. Mijn advies is dan ook om al het bovenstaande te vergeten en met je eigen referentiekader te beginnen aan de beluistering van Schlagenheim van black midi. Grote kans dat je met hele andere namen en invloeden op de proppen komt, maar de kans is ook groot dat je, net als ik, compleet van je sokken wordt geblazen door dit in alle opzichten fascinerende debuut. Erwin Zijleman
Black Mountain - IV (2016)

4,0
0
geplaatst: 9 mei 2016, 15:58 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Black Mountain - IV - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Ik dacht eerlijk gezegd dat ik een beetje was uitgekeken op de muziek van Black Mountain, waardoor ik de plaat lang heb laten liggen, maar direct bij eerste beluistering van de vierde plaat van de Canadese band was ik weer verkocht.
Black Mountain heeft nooit een geheim gemaakt van haar inspiratiebronnen en doet dat ook deze keer niet. De Canadese band staat ook op haar nieuwe plaat met minstens één been in de jaren 60 en 70, maar blijkt vervolgens een veelvraat wanneer het gaat om de verwerkte invloeden.
IV, natuurlijk niet de meest inspirerende titel voor een vierde plaat, maar wel een titel die past bij de jaren 70, citeert nadrukkelijk uit de archieven van de 70s hardrock, maar is ook zeker niet vies van invloeden uit de psychedelica, de prog-rock en de space-rock, om maar een paar invloeden te noemen.
Mothers Of The Sun, de openingstrack van IV, laat goed horen wat Black Mountain in huis heeft. De band imponeert met de geweldige vocalen van Stephen McBean en met name Amber Webber, strooit driftig met trippy synthesizers en gooit er ook nog eens een gitaarsolo tegenaan om van te watertanden.
In de tweede track worden de jaren 60 en 70 verruild voor wat gotische invloeden uit de 80s, maar over het algemeen laat Black Mountain zich toch vooral inspireren door grote 60s en 70s bands als Black Sabbath, Deep Purple, Led Zeppelin, Pink Floyd en zeker ook Yes, Tangerine Dream en Hawkwind.
Toch is IV geen plaat die makkelijk kan worden vervangen door een van de vele klassiekers uit de genoemde decennia. Black Mountain verwerkt niet alleen veel invloeden in haar muziek, maar voorziet al deze invloeden ook van eigentijdse elementen.
IV is hierdoor veel meer dan een trip naar een ver muzikaal verleden, maar is ook een eigentijdse rockplaat die staat als een huis. Het is een rockplaat vol uitstapjes buiten de gebaande platen, waardoor IV meedogenloos kan rocken, maar ook kan overtuigen met folky tracks of kan benevelen met heerlijk zweverige passages vol dromerige synths.
Uiteraard moet een rockplaat het voor een belangrijk deel hebben van het gitaarwerk en dat is op IV van grote klasse, maar ook de vocalen, de synths en de complexe songstructuren zijn op de nieuwe plaat van Black Mountain van een uitzonderlijk niveau.
Nieuwe zieltjes gaat de band uit Vancouver er waarschijnlijk niet mee winnen, maar oude zieltjes die even dachten aan afhaken, zijn na beluistering van het fraaie IV weer onmiddellijk bij de les. Heerlijke plaat weer. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Black Mountain - IV - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Ik dacht eerlijk gezegd dat ik een beetje was uitgekeken op de muziek van Black Mountain, waardoor ik de plaat lang heb laten liggen, maar direct bij eerste beluistering van de vierde plaat van de Canadese band was ik weer verkocht.
Black Mountain heeft nooit een geheim gemaakt van haar inspiratiebronnen en doet dat ook deze keer niet. De Canadese band staat ook op haar nieuwe plaat met minstens één been in de jaren 60 en 70, maar blijkt vervolgens een veelvraat wanneer het gaat om de verwerkte invloeden.
IV, natuurlijk niet de meest inspirerende titel voor een vierde plaat, maar wel een titel die past bij de jaren 70, citeert nadrukkelijk uit de archieven van de 70s hardrock, maar is ook zeker niet vies van invloeden uit de psychedelica, de prog-rock en de space-rock, om maar een paar invloeden te noemen.
Mothers Of The Sun, de openingstrack van IV, laat goed horen wat Black Mountain in huis heeft. De band imponeert met de geweldige vocalen van Stephen McBean en met name Amber Webber, strooit driftig met trippy synthesizers en gooit er ook nog eens een gitaarsolo tegenaan om van te watertanden.
In de tweede track worden de jaren 60 en 70 verruild voor wat gotische invloeden uit de 80s, maar over het algemeen laat Black Mountain zich toch vooral inspireren door grote 60s en 70s bands als Black Sabbath, Deep Purple, Led Zeppelin, Pink Floyd en zeker ook Yes, Tangerine Dream en Hawkwind.
Toch is IV geen plaat die makkelijk kan worden vervangen door een van de vele klassiekers uit de genoemde decennia. Black Mountain verwerkt niet alleen veel invloeden in haar muziek, maar voorziet al deze invloeden ook van eigentijdse elementen.
IV is hierdoor veel meer dan een trip naar een ver muzikaal verleden, maar is ook een eigentijdse rockplaat die staat als een huis. Het is een rockplaat vol uitstapjes buiten de gebaande platen, waardoor IV meedogenloos kan rocken, maar ook kan overtuigen met folky tracks of kan benevelen met heerlijk zweverige passages vol dromerige synths.
Uiteraard moet een rockplaat het voor een belangrijk deel hebben van het gitaarwerk en dat is op IV van grote klasse, maar ook de vocalen, de synths en de complexe songstructuren zijn op de nieuwe plaat van Black Mountain van een uitzonderlijk niveau.
Nieuwe zieltjes gaat de band uit Vancouver er waarschijnlijk niet mee winnen, maar oude zieltjes die even dachten aan afhaken, zijn na beluistering van het fraaie IV weer onmiddellijk bij de les. Heerlijke plaat weer. Erwin Zijleman
Black Pumas - Black Pumas (2019)

4,5
2
geplaatst: 26 juni 2019, 17:09 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Black Pumas - Black Pumas - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Pumas - Black Pumas
Austin, Texas, lijkt de nieuwe hoofdstad van de soulmuziek, want na het geweldige Los Coast is hier nu het minstens even goede Black Pumas met een geweldige soulplaat
Natuurlijk doet soulmuziek het uitstekend bij de zomerse temperaturen van het moment, maar je hebt soulmuziek en soulmuziek. De spannendste soulmuziek van het moment wordt gemaakt in Austin, Texas. Net als stadgenoten Los Coast, dat vorige week debuteerde, slaat ook Black Pumas een brug tussen verleden en heden en verrijkt het een broeierig en authentiek klinkend soulgeluid met invloeden uit flink wat omliggende genres. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal prachtig en ook de zang op het debuut van Black Pumas is van een hoog niveau. Het levert een debuutalbum op dat bijzonder aangenaam vermaakt, maar dat je ook keer op keer weet te verrassen.
Vorige week besprak ik het album van de uit Austin, Texas, afkomstige band Los Coast. Op haar debuut ging Los Coast aan de haal met flink wat invloeden uit de vintage soul, maar sloeg het ook haar vleugels uit richting omliggende genres, wat een bijzonder aantrekkelijk maar ook avontuurlijk en spannend soulgeluid opleverde.
Het zijn woorden die ook van toepassing zijn op het titelloze debuut van de band Black Pumas. Black Pumas vist in vrijwel dezelfde vijver als Los Coast en is ook nog eens afkomstig uit dezelfde stad, de Texaanse muziekhoofdstad Austin.
Black Pumas bestaat uit producer en multi-instrumentalist Adrian Quesada en zanger en songwriter Eric Burton en beiden drukken op eigen wijze hun stempel op het debuut van Black Pumas.
Eric Burton doet dit met een soulstem die herinnert aan de groten uit het verleden, maar die ook aansluit bij de betere zangers binnen de neo-soul en R&B van het moment. Adrian Quesada heeft het geluid van Black Pumas op bijzonder aangename en subtiele wijze ingekleurd. De Texaanse muzikant en producer kent zijn klassiekers in de 60s en 70s soul, maar voorziet de muziek van zijn band ook van een aangename dosis psychedelica en een beetje jazz. Hiernaast slaat hij op knappe wijze een brug tussen soulmuziek uit het verleden en de neo-soul en R&B van het moment.
Het debuut van Black Pumas klinkt hierdoor even authentiek als eigentijds en overtuigt net wat makkelijker dan soulalbums die met beide benen in het verleden of in het heden staan. Het debuut van de Texaanse band is een album dat het uitstekend doet bij de zomerse temperaturen van het moment, maar het is ook een album dat veel knapper in elkaar steekt dan je zult vermoeden wanneer je het album alleen maar beluistert als zomers vermaak.
Zeker bij beluistering met de koptelefoon hoor je hoe mooi en veelkleurig het geluid op het album is en hoor je bovendien wat een geweldige zanger Eric Burton is. De mooi verzorgde en veelzijdige instrumentatie op het debuut van Black Pumas voorziet het album van een zwoel en laid-back geluid, maar het is ook een geluid waarin de bijzondere accenten elkaar in razendsnel tempo afwisselen.
Het is het broeierige soulgeluid dat we kennen uit het verleden, maar het is ook een verrassend mooi en subtiel geluid, waarin steeds weer andere instrumenten de aandacht opeisen en dat zowel elektrisch als akoestisch kan klinken. Het is een geluid dat bovendien prachtig kleurt bij de geweldige vocalen op het album, die continu soul ademen, maar die bovendien bijzonder fraai gedoseerd worden.
Er verschijnen dit jaar nogal wat goede soulalbums waardoor het lastig kiezen, maar net als het debuut van Los Coast is het debuut van Black Pumas een soulalbum dat er binnen het soul aanbod van het moment een flink stuk bovenuit steekt. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Black Pumas - Black Pumas - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Pumas - Black Pumas
Austin, Texas, lijkt de nieuwe hoofdstad van de soulmuziek, want na het geweldige Los Coast is hier nu het minstens even goede Black Pumas met een geweldige soulplaat
Natuurlijk doet soulmuziek het uitstekend bij de zomerse temperaturen van het moment, maar je hebt soulmuziek en soulmuziek. De spannendste soulmuziek van het moment wordt gemaakt in Austin, Texas. Net als stadgenoten Los Coast, dat vorige week debuteerde, slaat ook Black Pumas een brug tussen verleden en heden en verrijkt het een broeierig en authentiek klinkend soulgeluid met invloeden uit flink wat omliggende genres. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal prachtig en ook de zang op het debuut van Black Pumas is van een hoog niveau. Het levert een debuutalbum op dat bijzonder aangenaam vermaakt, maar dat je ook keer op keer weet te verrassen.
Vorige week besprak ik het album van de uit Austin, Texas, afkomstige band Los Coast. Op haar debuut ging Los Coast aan de haal met flink wat invloeden uit de vintage soul, maar sloeg het ook haar vleugels uit richting omliggende genres, wat een bijzonder aantrekkelijk maar ook avontuurlijk en spannend soulgeluid opleverde.
Het zijn woorden die ook van toepassing zijn op het titelloze debuut van de band Black Pumas. Black Pumas vist in vrijwel dezelfde vijver als Los Coast en is ook nog eens afkomstig uit dezelfde stad, de Texaanse muziekhoofdstad Austin.
Black Pumas bestaat uit producer en multi-instrumentalist Adrian Quesada en zanger en songwriter Eric Burton en beiden drukken op eigen wijze hun stempel op het debuut van Black Pumas.
Eric Burton doet dit met een soulstem die herinnert aan de groten uit het verleden, maar die ook aansluit bij de betere zangers binnen de neo-soul en R&B van het moment. Adrian Quesada heeft het geluid van Black Pumas op bijzonder aangename en subtiele wijze ingekleurd. De Texaanse muzikant en producer kent zijn klassiekers in de 60s en 70s soul, maar voorziet de muziek van zijn band ook van een aangename dosis psychedelica en een beetje jazz. Hiernaast slaat hij op knappe wijze een brug tussen soulmuziek uit het verleden en de neo-soul en R&B van het moment.
Het debuut van Black Pumas klinkt hierdoor even authentiek als eigentijds en overtuigt net wat makkelijker dan soulalbums die met beide benen in het verleden of in het heden staan. Het debuut van de Texaanse band is een album dat het uitstekend doet bij de zomerse temperaturen van het moment, maar het is ook een album dat veel knapper in elkaar steekt dan je zult vermoeden wanneer je het album alleen maar beluistert als zomers vermaak.
Zeker bij beluistering met de koptelefoon hoor je hoe mooi en veelkleurig het geluid op het album is en hoor je bovendien wat een geweldige zanger Eric Burton is. De mooi verzorgde en veelzijdige instrumentatie op het debuut van Black Pumas voorziet het album van een zwoel en laid-back geluid, maar het is ook een geluid waarin de bijzondere accenten elkaar in razendsnel tempo afwisselen.
Het is het broeierige soulgeluid dat we kennen uit het verleden, maar het is ook een verrassend mooi en subtiel geluid, waarin steeds weer andere instrumenten de aandacht opeisen en dat zowel elektrisch als akoestisch kan klinken. Het is een geluid dat bovendien prachtig kleurt bij de geweldige vocalen op het album, die continu soul ademen, maar die bovendien bijzonder fraai gedoseerd worden.
Er verschijnen dit jaar nogal wat goede soulalbums waardoor het lastig kiezen, maar net als het debuut van Los Coast is het debuut van Black Pumas een soulalbum dat er binnen het soul aanbod van het moment een flink stuk bovenuit steekt. Erwin Zijleman
Black Pumas - Chronicles of a Diamond (2023)

1
geplaatst: 29 oktober 2023, 10:15 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Black Pumas - Chronicles Of A Diamond - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Pumas - Chronicles Of A Diamond
Ruim vier jaar na het zo bewierookte debuutalbum keert Black Pumas terug met een album waarop invloeden uit de soul uit verleden en heden samenvloeien en in muzikaal en vocaal opzicht een grootse prestatie wordt geleverd
Het debuutalbum van Black Pumas kwam in 2019 aan als een mokerslag en was uiteindelijk het beste soulalbum van het jaar. Eric Burton en Adrian Quesada hebben de tijd genomen voor hun tweede album, maar bewijzen met Chronicles Of A Diamond dat het debuutalbum geen toevalstreffer was. Eric Burton zingt ook dit keer fantastisch en ook in muzikaal opzicht komt er het nodige vuurwerk voorbij in de mix van soulmuziek uit de jaren 60 en 70 en de soulmuziek van nu. Chronicles Of A Diamond gaat voor een belangrijk deel verder waar het fenomenale debuut ophield, maar het Amerikaanse tweetal verkent ook nieuwe wegen en in de meeste gevallen met succes. Heerlijk album.
Austin, Texas, groeide in de zomer van 2019 in één week in ieder geval tijdelijk uit tot de Amerikaanse hoofdstad van de soulmuziek. Met de in een periode van een week verschenen debuutalbums van Los Coast en Black Pumas leverde de stad misschien wel de twee beste soulalbums van 2019 af. Sindsdien is van Los Coast helaas niets meer vernomen, terwijl Black Pumas weliswaar flink wat succes wist te oogsten, maar flink treuzelde met de release van haar tweede album.
Deze week keert Black Pumas, de samenwerking tussen zanger en songwriter Eric Burton en producer en multi-instrumentalist Adrian Quesada, dan eindelijk terug met haar tweede album en kunnen we eindelijk horen of de immense belofte van het debuutalbum van het tweetal kan worden ingelost.
Op dit debuutalbum slaagden Eric Burton en Adrian Quesada er, net als stadgenoten Los Coast, in om invloeden uit de soulmuziek uit de jaren 60 en 70 te combineren met invloeden uit de soulmuziek en R&B van dat moment, om er vervolgens ook nog wat invloeden uit onder andere de psychedelica en de jazz bij te slepen. Ik heb het debuutalbum van Black Pumas, dat de afgelopen jaren ook nog verscheen in een luxe en uitgebreide versie, nog vaak beluisterd en het was iedere keer weer een feestje.
De lat lag daarom hoog voor Chronicles Of A Diamond, maar de twee muzikanten uit Austin, pakken je met de eerste tracks direct genadeloos in met de vertrouwde mix van vintage soul en soulmuziek van recentere datum. Wanneer Black Pumas teruggrijpt op de soulmuziek uit een ver verleden hebben de songs van het Texaanse tweetal afwisselend een hoog Marvin Gaye, Al Green en Curtis Mayfield gehalte, maar via wat echo’s van Prince komt Black Pumas ook met enige regelmaat in het heden uit.
Black Pumas vertrouwt nog altijd op een aantal vertrouwde ingrediënten, want ook op Chronicles Of A Diamond is er een hoofdrol weggelegd voor moddervette ritmes, voor geweldig en verrassend veelkleurig gitaarwerk, voor fraaie keyboard partijen en uiteraard voor de heerlijke soulstem van Eric Burton, die ook dit keer de sterren van de hemel zingt.
Ik heb wel wat met oude soulmuziek, dus bij beluistering van Chronicles Of A Diamond bevallen de songs die zwaar leunen op de groten uit het genre me het best, maar Black Pumas ontleent haar bestaansrecht uiteindelijk vooral aan de bruggen die het slaat met het heden. Zolang het Amerikaanse duo de balans tussen verleden en heden weet te bewaren klinkt het allemaal fantastisch en verleidt Black Pumas minstens net zo makkelijk als met haar fenomenale debuutalbum.
Een enkele keer slaat de balans wat mij betreft net te ver door richting de popmuziek van nu en dan gaan er bij mij wat alarmbellen af. Deze alarmbellen rinkelen gelukkig maar zelden, waardoor ik ook Chronicles Of A Diamond weer een fantastisch album vind, dat misschien de sensationele verrassing van het debuutalbum mist, maar dat in kwalitatief opzicht zeker niet onder doet voor de terecht zo geprezen voorganger.
Zeker de flirts met de muziek van Prince, die je het best hoort in de funky tracks op het album, bevallen me uitstekend, maar ook de andere songs en vooral de songs die lekker authentiek klinken, knallen hier weer uit de speakers. We wachten nog op een levensteken van Los Coast, maar Black Pumas is gelukkig helemaal terug. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Black Pumas - Chronicles Of A Diamond - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Black Pumas - Chronicles Of A Diamond
Ruim vier jaar na het zo bewierookte debuutalbum keert Black Pumas terug met een album waarop invloeden uit de soul uit verleden en heden samenvloeien en in muzikaal en vocaal opzicht een grootse prestatie wordt geleverd
Het debuutalbum van Black Pumas kwam in 2019 aan als een mokerslag en was uiteindelijk het beste soulalbum van het jaar. Eric Burton en Adrian Quesada hebben de tijd genomen voor hun tweede album, maar bewijzen met Chronicles Of A Diamond dat het debuutalbum geen toevalstreffer was. Eric Burton zingt ook dit keer fantastisch en ook in muzikaal opzicht komt er het nodige vuurwerk voorbij in de mix van soulmuziek uit de jaren 60 en 70 en de soulmuziek van nu. Chronicles Of A Diamond gaat voor een belangrijk deel verder waar het fenomenale debuut ophield, maar het Amerikaanse tweetal verkent ook nieuwe wegen en in de meeste gevallen met succes. Heerlijk album.
Austin, Texas, groeide in de zomer van 2019 in één week in ieder geval tijdelijk uit tot de Amerikaanse hoofdstad van de soulmuziek. Met de in een periode van een week verschenen debuutalbums van Los Coast en Black Pumas leverde de stad misschien wel de twee beste soulalbums van 2019 af. Sindsdien is van Los Coast helaas niets meer vernomen, terwijl Black Pumas weliswaar flink wat succes wist te oogsten, maar flink treuzelde met de release van haar tweede album.
Deze week keert Black Pumas, de samenwerking tussen zanger en songwriter Eric Burton en producer en multi-instrumentalist Adrian Quesada, dan eindelijk terug met haar tweede album en kunnen we eindelijk horen of de immense belofte van het debuutalbum van het tweetal kan worden ingelost.
Op dit debuutalbum slaagden Eric Burton en Adrian Quesada er, net als stadgenoten Los Coast, in om invloeden uit de soulmuziek uit de jaren 60 en 70 te combineren met invloeden uit de soulmuziek en R&B van dat moment, om er vervolgens ook nog wat invloeden uit onder andere de psychedelica en de jazz bij te slepen. Ik heb het debuutalbum van Black Pumas, dat de afgelopen jaren ook nog verscheen in een luxe en uitgebreide versie, nog vaak beluisterd en het was iedere keer weer een feestje.
De lat lag daarom hoog voor Chronicles Of A Diamond, maar de twee muzikanten uit Austin, pakken je met de eerste tracks direct genadeloos in met de vertrouwde mix van vintage soul en soulmuziek van recentere datum. Wanneer Black Pumas teruggrijpt op de soulmuziek uit een ver verleden hebben de songs van het Texaanse tweetal afwisselend een hoog Marvin Gaye, Al Green en Curtis Mayfield gehalte, maar via wat echo’s van Prince komt Black Pumas ook met enige regelmaat in het heden uit.
Black Pumas vertrouwt nog altijd op een aantal vertrouwde ingrediënten, want ook op Chronicles Of A Diamond is er een hoofdrol weggelegd voor moddervette ritmes, voor geweldig en verrassend veelkleurig gitaarwerk, voor fraaie keyboard partijen en uiteraard voor de heerlijke soulstem van Eric Burton, die ook dit keer de sterren van de hemel zingt.
Ik heb wel wat met oude soulmuziek, dus bij beluistering van Chronicles Of A Diamond bevallen de songs die zwaar leunen op de groten uit het genre me het best, maar Black Pumas ontleent haar bestaansrecht uiteindelijk vooral aan de bruggen die het slaat met het heden. Zolang het Amerikaanse duo de balans tussen verleden en heden weet te bewaren klinkt het allemaal fantastisch en verleidt Black Pumas minstens net zo makkelijk als met haar fenomenale debuutalbum.
Een enkele keer slaat de balans wat mij betreft net te ver door richting de popmuziek van nu en dan gaan er bij mij wat alarmbellen af. Deze alarmbellen rinkelen gelukkig maar zelden, waardoor ik ook Chronicles Of A Diamond weer een fantastisch album vind, dat misschien de sensationele verrassing van het debuutalbum mist, maar dat in kwalitatief opzicht zeker niet onder doet voor de terecht zo geprezen voorganger.
Zeker de flirts met de muziek van Prince, die je het best hoort in de funky tracks op het album, bevallen me uitstekend, maar ook de andere songs en vooral de songs die lekker authentiek klinken, knallen hier weer uit de speakers. We wachten nog op een levensteken van Los Coast, maar Black Pumas is gelukkig helemaal terug. Erwin Zijleman
Black Rebel Motorcycle Club - Wrong Creatures (2018)

4,0
2
geplaatst: 14 januari 2018, 10:09 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Black Rebel Motorcycle Club - Wrong Creatures - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Black Rebel Motorcycle Club, ook bekend als B.R.M.C., debuteerde helemaal aan het begin van het huidige millennium met een plaat die voornamelijk teruggreep op de donkere rockmuziek uit de jaren 80 en 90.
Met haar eerste paar platen wist de band uit San Francisco een groot publiek te bereiken, maar na het in 2010 verschenen Beat The Devil’s Tattoo was de rek er wat uit.
Vervolgens kreeg de band ook nog eens te maken met persoonlijke tegenslagen, waaronder de dood van de vader van zanger Robert Levon Been en de ziekte van drumster Leah Shapiro.
De dood van Michael Been, ook bekend als zanger van de Amerikaanse band The Call, stond centraal op het in 2013 verschenen en aardedonkere Specter At The Feast, terwijl de naweeën van de ziekte van de inmiddels gelukkig weer herstelde Leah Shapiro de deze week verschenen nieuwe plaat van Black Rebel Motorcycle Club van wat extra zwart en grijs hebben voorzien.
Wrong Creatures verschijnt na een stilte van vijf jaar en is zeker niet onthaald als één van de grote releases van het nog prille muziekjaar 2018. Ik had zelf eerlijk gezegd ook geen hele hoge verwachtingen, maar Wrong Creatures is een verrassend sterke plaat.
Wrong Creatures is minder rauw dan de eerste platen van de band, waarop B.R.M.C. zich flink liet inspireren door de platen van bands als The Jesus And Mary Chain, My Bloody Valentine en Ride. De plaat bevat een aantal stevige songs, maar de band uit San Francisco neemt ook met grote regelmaat gas terug op Wrong Creatures.
Zeker in de meer ingetogen en atmosferisch klinkende songs doet de muziek van Black Rebel Motorcycle Club wel wat denken aan het beste van The Verve en aan de door Brian Eno geproduceerde platen van U2 uit de jaren 80. Dat klinkt misschien wat belegen, maar de aan U2 herinnerende sound op Wrong Creatures is een stuk spannender en urgenter dan het recente werk van de Ierse band zelf.
B.R.M.C. laat zich op haar nieuwe plaat door veel meer bands beïnvloeden en zeker ook door zichzelf. Ik hoor flarden van vrijwel alle vorige platen van de band, maar uiteindelijk hoor ik het misschien nog wel het meest van Echo & The Bunnymen, zeker wanneer B.R.M.C kiest voor donkere klanken en het invloeden uit de postpunk nadrukkelijk omarmt.
Hier blijft het niet bij, want de band uit San Francisco maakt op haar nieuwe plaat ook geen geheim van haar liefde voor donkere blues en flirt ook nog eens met elektronische popmuziek, met stoner-rock en met psychedelisch aandoende klanken en doet dit steeds in songs die tot de verbeelding spreken en de fantasie prikkelen. Het zijn bovendien songs die blijven hangen en die groeien.
Ook in 2018 zal weer intensief worden gezocht naar jonge Britse en Amerikaanse gitaarbands die de juiste snaar weten te raken, maar de inmiddels niet meer zo jonge honden van Black Rebel Motorcycle Club mogen nog zeker niet worden afgeschreven. Ik had het niet verwacht, maar Wrong Creatures is een goede rockplaat. Een hele goede rockplaat zelfs. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Black Rebel Motorcycle Club - Wrong Creatures - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Black Rebel Motorcycle Club, ook bekend als B.R.M.C., debuteerde helemaal aan het begin van het huidige millennium met een plaat die voornamelijk teruggreep op de donkere rockmuziek uit de jaren 80 en 90.
Met haar eerste paar platen wist de band uit San Francisco een groot publiek te bereiken, maar na het in 2010 verschenen Beat The Devil’s Tattoo was de rek er wat uit.
Vervolgens kreeg de band ook nog eens te maken met persoonlijke tegenslagen, waaronder de dood van de vader van zanger Robert Levon Been en de ziekte van drumster Leah Shapiro.
De dood van Michael Been, ook bekend als zanger van de Amerikaanse band The Call, stond centraal op het in 2013 verschenen en aardedonkere Specter At The Feast, terwijl de naweeën van de ziekte van de inmiddels gelukkig weer herstelde Leah Shapiro de deze week verschenen nieuwe plaat van Black Rebel Motorcycle Club van wat extra zwart en grijs hebben voorzien.
Wrong Creatures verschijnt na een stilte van vijf jaar en is zeker niet onthaald als één van de grote releases van het nog prille muziekjaar 2018. Ik had zelf eerlijk gezegd ook geen hele hoge verwachtingen, maar Wrong Creatures is een verrassend sterke plaat.
Wrong Creatures is minder rauw dan de eerste platen van de band, waarop B.R.M.C. zich flink liet inspireren door de platen van bands als The Jesus And Mary Chain, My Bloody Valentine en Ride. De plaat bevat een aantal stevige songs, maar de band uit San Francisco neemt ook met grote regelmaat gas terug op Wrong Creatures.
Zeker in de meer ingetogen en atmosferisch klinkende songs doet de muziek van Black Rebel Motorcycle Club wel wat denken aan het beste van The Verve en aan de door Brian Eno geproduceerde platen van U2 uit de jaren 80. Dat klinkt misschien wat belegen, maar de aan U2 herinnerende sound op Wrong Creatures is een stuk spannender en urgenter dan het recente werk van de Ierse band zelf.
B.R.M.C. laat zich op haar nieuwe plaat door veel meer bands beïnvloeden en zeker ook door zichzelf. Ik hoor flarden van vrijwel alle vorige platen van de band, maar uiteindelijk hoor ik het misschien nog wel het meest van Echo & The Bunnymen, zeker wanneer B.R.M.C kiest voor donkere klanken en het invloeden uit de postpunk nadrukkelijk omarmt.
Hier blijft het niet bij, want de band uit San Francisco maakt op haar nieuwe plaat ook geen geheim van haar liefde voor donkere blues en flirt ook nog eens met elektronische popmuziek, met stoner-rock en met psychedelisch aandoende klanken en doet dit steeds in songs die tot de verbeelding spreken en de fantasie prikkelen. Het zijn bovendien songs die blijven hangen en die groeien.
Ook in 2018 zal weer intensief worden gezocht naar jonge Britse en Amerikaanse gitaarbands die de juiste snaar weten te raken, maar de inmiddels niet meer zo jonge honden van Black Rebel Motorcycle Club mogen nog zeker niet worden afgeschreven. Ik had het niet verwacht, maar Wrong Creatures is een goede rockplaat. Een hele goede rockplaat zelfs. Erwin Zijleman
Blackberry Smoke - Holding All the Roses (2015)

4,0
1
geplaatst: 4 maart 2015, 15:37 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Blackberry Smoke - Holding All The Roses - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Ze zijn er nog. Bands die wars zijn van ook maar enige vernieuwingsdrang of pretenties. Bands die platen durven te maken met stampende rocksongs vol spetterend gitaarwerk. Bands die zich schaamteloos laten beïnvloeden door de grote rockbands uit de jaren 70 en doen alsof de tijd sindsdien stil heeft gestaan.
Blackberry Smoke uit Atlanta, Georgia, is zo’n band. Het is een band die inmiddels al aardig wat jaren aan de weg timmert, maar echt opvallen deed Blackberry Smoke tot dusver nog niet. Dat doet het wel met haar vierde plaat Holding All The Roses, want dit is zo’n plaat waarop alles op zijn plek valt.
Blackberry Smoke komt uit het zuiden van de Verenigde Staten en zoekt haar grote voorbeelden dicht bij huis. Bij beluistering van Holding All The Roses dringt de vergelijking met de Southern rock van Lynyrd Skynyrd zich immers het meest nadrukkelijk op. De nieuwe plaat van Blackberry Smoke doet hierdoor uiteraard ook denken aan het vroege werk van Drive-By Truckers, maar die haalden de mosterd in hun jonge jaren natuurlijk ook voor een belangrijk deel bij het grote Lynyrd Skynyrd.
Blackberry Smoke beperkt zich echter niet tot Southern Rock. Een aantal songs op de plaat schuift vanwege de inbreng van een viool wat op richting 70s countryrock, maar Holding All The Roses heeft ook raakvlaken met de toegankelijke 70s hardrock van bands als Aerosmith, AC/DC en Kiss en klinkt bij vlagen ook opvallend soulvol.
Bij beluistering van Holding All The Roses valt direct op dat de plaat geweldig klinkt, wat ongetwijfeld de verdienste is van topproducer Brendan O’Brien. Het geeft Blackberry Smoke net dat beetje extra dat nodig is om zich te kunnen onderscheiden van al die andere bands die zich laten inspireren door de grote rockbands uit de jaren 70.
Natuurlijk is vernieuwing ver te zoeken in de muziek van Blackberry Smoke, al klinkt de band wel net wat anders dan haar soortgenoten door probleemloos pure country af te wisselen met meedogenloze riffs. Ik lig persoonlijk overigens niet wakker van het gebrek van vernieuwing in de muziek van Blackberry Smoke. Holding All The Roses is een echte feelgood plaat, die het beste van de rockmuziek uit de jaren 70 samenbrengt.
De songs zijn stuk voor stuk uitstekend, de vocalen zijn prima en iedere track duikt wel wat onverwacht vuurwerk op. Holding All The Roses had misschien net zo goed een klassieker uit vervlogen tijden kunnen zijn, maar het is ook een plaat die er in het nu toe doet. En hoe.
Blackberry Smoke is misschien wars van vernieuwing en pretenties, maar het heeft wel een plaat afgeleverd die goed is voor een hele brede glimlach, zeker voor een ieder die al die fantastische rockplaten uit de 70s nog steeds koestert. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Blackberry Smoke - Holding All The Roses - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Ze zijn er nog. Bands die wars zijn van ook maar enige vernieuwingsdrang of pretenties. Bands die platen durven te maken met stampende rocksongs vol spetterend gitaarwerk. Bands die zich schaamteloos laten beïnvloeden door de grote rockbands uit de jaren 70 en doen alsof de tijd sindsdien stil heeft gestaan.
Blackberry Smoke uit Atlanta, Georgia, is zo’n band. Het is een band die inmiddels al aardig wat jaren aan de weg timmert, maar echt opvallen deed Blackberry Smoke tot dusver nog niet. Dat doet het wel met haar vierde plaat Holding All The Roses, want dit is zo’n plaat waarop alles op zijn plek valt.
Blackberry Smoke komt uit het zuiden van de Verenigde Staten en zoekt haar grote voorbeelden dicht bij huis. Bij beluistering van Holding All The Roses dringt de vergelijking met de Southern rock van Lynyrd Skynyrd zich immers het meest nadrukkelijk op. De nieuwe plaat van Blackberry Smoke doet hierdoor uiteraard ook denken aan het vroege werk van Drive-By Truckers, maar die haalden de mosterd in hun jonge jaren natuurlijk ook voor een belangrijk deel bij het grote Lynyrd Skynyrd.
Blackberry Smoke beperkt zich echter niet tot Southern Rock. Een aantal songs op de plaat schuift vanwege de inbreng van een viool wat op richting 70s countryrock, maar Holding All The Roses heeft ook raakvlaken met de toegankelijke 70s hardrock van bands als Aerosmith, AC/DC en Kiss en klinkt bij vlagen ook opvallend soulvol.
Bij beluistering van Holding All The Roses valt direct op dat de plaat geweldig klinkt, wat ongetwijfeld de verdienste is van topproducer Brendan O’Brien. Het geeft Blackberry Smoke net dat beetje extra dat nodig is om zich te kunnen onderscheiden van al die andere bands die zich laten inspireren door de grote rockbands uit de jaren 70.
Natuurlijk is vernieuwing ver te zoeken in de muziek van Blackberry Smoke, al klinkt de band wel net wat anders dan haar soortgenoten door probleemloos pure country af te wisselen met meedogenloze riffs. Ik lig persoonlijk overigens niet wakker van het gebrek van vernieuwing in de muziek van Blackberry Smoke. Holding All The Roses is een echte feelgood plaat, die het beste van de rockmuziek uit de jaren 70 samenbrengt.
De songs zijn stuk voor stuk uitstekend, de vocalen zijn prima en iedere track duikt wel wat onverwacht vuurwerk op. Holding All The Roses had misschien net zo goed een klassieker uit vervlogen tijden kunnen zijn, maar het is ook een plaat die er in het nu toe doet. En hoe.
Blackberry Smoke is misschien wars van vernieuwing en pretenties, maar het heeft wel een plaat afgeleverd die goed is voor een hele brede glimlach, zeker voor een ieder die al die fantastische rockplaten uit de 70s nog steeds koestert. Erwin Zijleman
Blair Borax - Tender Lately (2024)

4,0
0
geplaatst: 7 februari 2024, 15:30 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Blair Borax - Tender Lately - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blair Borax - Tender Lately
Blair Borax is een van de vele singer-songwriters die deze week de aandacht probeert te trekken met een nieuw album en slaagt daar wat mij betreft glansrijk in dankzij een aangenaam geluid en een opvallende stem
Ik was eigenlijk direct bij eerste beluistering zeer gecharmeerd van Tender Lately, het tweede album van de uit Portland, Oregon, afkomstige singer-songwriter Blair Borax. In eerste instantie niet door de lekker in het gehoor liggende songs met invloeden uit de folk, jazz en pop en ook niet door het zeer smaakvolle en warm klinkende geluid op het album. Het was immers vooral de stem van Blair Borax die mijn aandacht trok. Het is een stem die niet iedereen als mooi zal bestempelen, maar het is wel een stem die iets met je doet en ook blijft doen. Tender Lately sprong er daarom in het aanbod van deze week makkelijk uit voor mij en verdient echt veel meer aandacht dan het album tot nu toe krijgt.
Iedere week verschijnen er meerdere albums van vrouwelijke singer-songwriters en slechts een klein deel van deze albums krijgt (voldoende) aandacht van de internationale muziekpers. De resterende albums moeten vechten om deze aandacht en hebben eigenlijk alleen een kans wanneer je bij snelle en vluchtige beluistering hoort wat deze albums bijzonder maakt. Wat dat betreft geef ik het deze week verschenen Tender Lately van de Amerikaanse singer-songwriter Blair Borax een kans.
Ik was zelf immers vrij snel gecharmeerd van de bijzondere stem van de muzikante uit Portland, Oregon. De stem van Blair Borax klinkt anders dan de meeste andere stemmen in het genre en het is een stem die vrijwel onmiddellijk wat met je doet. Dat hoeft niet per se positief te zijn, want ik denk dat lang niet iedereen de stem van Blair Borax mooi vindt, maar ik heb wel wat met de zang op Tender Lately.
Het is zang die soms wel wat heeft van de eigenzinnige folkzangeressen die in de jaren 60 aan de weg timmerden binnen de psychedelische folk, maar ik hoor ook wel wat van eigenzinnige zangeressen van het moment als Regina Spektor, Adrianne Lenker en vooral Haley Heynderickx. De Britse muziekwebsite Americana UK komt in de paar regels die het heeft opgeschreven over het album tot een vergelijking met Anna Tivel, Kassi Valazza en Alela Diane en ook daar zit wel wat in, maar echt raak is het ook niet.
Uiteindelijk houdt geen enkele vergelijking heel lang stand, dus laat ik het er maar op houden dat Blair Borax beschikt over een bijzondere stem en persoonlijk vind ik het een hele mooie stem. Het is een stem die in ieder geval de aandacht vestigt op Tender Lately, wat overigens het tweede album van Blair Borax is.
Vervolgens hoor je dat de muzikante uit Portland veel meer te bieden heeft dan een aparte stem. Zo schrijft ze persoonlijke en zonder uitzondering aansprekende songs, die zich makkelijk opdringen en lekker blijven hangen. Het zijn songs die in het hokje indiefolk passen, maar de Amerikaanse muzikante flirt ook zeker met folkpop en stopt bovendien wat jazzy elementen in haar songs.
Ook in muzikaal opzicht kleurt Tender Lately wat netter binnen de lijntjes dan met de zang, maar Blair Borax heeft absoluut een sfeervol klinkend album gemaakt. De meeste songs op het album hebben in de basis genoeg aan mooi akoestisch gitaarspel en de bijzondere stem van de Amerikaanse muzikante, maar extra bijdragen van onder andere de pedal steel, elektrische gitaar en subtiele blazers maken het geluid op Tender Lately net wat voller en warmer. Ook wanneer extra accenten worden toegevoegd aan het mooie gitaarspel blijft de instrumentatie betrekkelijk ingetogen, waardoor de stem van Blair Borax centraal blijft staan, wat een verstandig besluit is.
Door te schakelen tussen uiterst ingetogen en net wat uitbundiger klinkende songs heeft Blair Borax ook nog eens een gevarieerd album afgeleverd. Het is een album dat ik keer op keer met heel veel plezier beluister en dat in handen van veel vrouwelijke singer-songwriters na een tijdje misschien wat gewoontjes zou worden, maar bij Blair Borax is er altijd die stem die van Tender Lately iets bijzonders maakt. Of Blair Borax een blijvertje is zal de tijd leren, maar voorlopig ben ik erg gehecht aan dit album en kijk ik met hoge verwachtingen uit naar haar volgende verrichtingen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Blair Borax - Tender Lately - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blair Borax - Tender Lately
Blair Borax is een van de vele singer-songwriters die deze week de aandacht probeert te trekken met een nieuw album en slaagt daar wat mij betreft glansrijk in dankzij een aangenaam geluid en een opvallende stem
Ik was eigenlijk direct bij eerste beluistering zeer gecharmeerd van Tender Lately, het tweede album van de uit Portland, Oregon, afkomstige singer-songwriter Blair Borax. In eerste instantie niet door de lekker in het gehoor liggende songs met invloeden uit de folk, jazz en pop en ook niet door het zeer smaakvolle en warm klinkende geluid op het album. Het was immers vooral de stem van Blair Borax die mijn aandacht trok. Het is een stem die niet iedereen als mooi zal bestempelen, maar het is wel een stem die iets met je doet en ook blijft doen. Tender Lately sprong er daarom in het aanbod van deze week makkelijk uit voor mij en verdient echt veel meer aandacht dan het album tot nu toe krijgt.
Iedere week verschijnen er meerdere albums van vrouwelijke singer-songwriters en slechts een klein deel van deze albums krijgt (voldoende) aandacht van de internationale muziekpers. De resterende albums moeten vechten om deze aandacht en hebben eigenlijk alleen een kans wanneer je bij snelle en vluchtige beluistering hoort wat deze albums bijzonder maakt. Wat dat betreft geef ik het deze week verschenen Tender Lately van de Amerikaanse singer-songwriter Blair Borax een kans.
Ik was zelf immers vrij snel gecharmeerd van de bijzondere stem van de muzikante uit Portland, Oregon. De stem van Blair Borax klinkt anders dan de meeste andere stemmen in het genre en het is een stem die vrijwel onmiddellijk wat met je doet. Dat hoeft niet per se positief te zijn, want ik denk dat lang niet iedereen de stem van Blair Borax mooi vindt, maar ik heb wel wat met de zang op Tender Lately.
Het is zang die soms wel wat heeft van de eigenzinnige folkzangeressen die in de jaren 60 aan de weg timmerden binnen de psychedelische folk, maar ik hoor ook wel wat van eigenzinnige zangeressen van het moment als Regina Spektor, Adrianne Lenker en vooral Haley Heynderickx. De Britse muziekwebsite Americana UK komt in de paar regels die het heeft opgeschreven over het album tot een vergelijking met Anna Tivel, Kassi Valazza en Alela Diane en ook daar zit wel wat in, maar echt raak is het ook niet.
Uiteindelijk houdt geen enkele vergelijking heel lang stand, dus laat ik het er maar op houden dat Blair Borax beschikt over een bijzondere stem en persoonlijk vind ik het een hele mooie stem. Het is een stem die in ieder geval de aandacht vestigt op Tender Lately, wat overigens het tweede album van Blair Borax is.
Vervolgens hoor je dat de muzikante uit Portland veel meer te bieden heeft dan een aparte stem. Zo schrijft ze persoonlijke en zonder uitzondering aansprekende songs, die zich makkelijk opdringen en lekker blijven hangen. Het zijn songs die in het hokje indiefolk passen, maar de Amerikaanse muzikante flirt ook zeker met folkpop en stopt bovendien wat jazzy elementen in haar songs.
Ook in muzikaal opzicht kleurt Tender Lately wat netter binnen de lijntjes dan met de zang, maar Blair Borax heeft absoluut een sfeervol klinkend album gemaakt. De meeste songs op het album hebben in de basis genoeg aan mooi akoestisch gitaarspel en de bijzondere stem van de Amerikaanse muzikante, maar extra bijdragen van onder andere de pedal steel, elektrische gitaar en subtiele blazers maken het geluid op Tender Lately net wat voller en warmer. Ook wanneer extra accenten worden toegevoegd aan het mooie gitaarspel blijft de instrumentatie betrekkelijk ingetogen, waardoor de stem van Blair Borax centraal blijft staan, wat een verstandig besluit is.
Door te schakelen tussen uiterst ingetogen en net wat uitbundiger klinkende songs heeft Blair Borax ook nog eens een gevarieerd album afgeleverd. Het is een album dat ik keer op keer met heel veel plezier beluister en dat in handen van veel vrouwelijke singer-songwriters na een tijdje misschien wat gewoontjes zou worden, maar bij Blair Borax is er altijd die stem die van Tender Lately iets bijzonders maakt. Of Blair Borax een blijvertje is zal de tijd leren, maar voorlopig ben ik erg gehecht aan dit album en kijk ik met hoge verwachtingen uit naar haar volgende verrichtingen. Erwin Zijleman
Blake Mills - Heigh Ho (2014)

5,0
0
geplaatst: 5 oktober 2014, 11:45 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Blake Mills - Heigh Ho - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Ik had tot voor kort nog nooit van Blake Mills gehoord, maar inmiddels durf ik wel te beweren dat deze Blake Mills met Heigh Ho één van de meest opvallende platen van 2014 heeft gemaakt.
Heigh Ho opent met een track die voornamelijk bestaat uit even opvallende als wonderschone gitaarakkoorden en de prachtige stem van Blake Mills. Mills zit in vocaal opzicht ergens tussen John Hiatt, Ry Cooder en Elvis Costello in en raakt ook in muzikaal opzicht aan deze drie grootheden.
Het gitaarwerk in de openingstrack van Heigh Ho is echter van een unieke schoonheid. Het is gitaarwerk dat zich zachtjes op de achtergrond kan vleien, maar dat ook kan uitsporen en uit de speakers kan knallen. Het is bovendien gitaarwerk van een zeer getalenteerd en avontuurlijk gitarist en deze zijn schaars.
Het levert een unieke track op die Blake Mills onmiddellijk op de kaart zet als een bijzonder groot talent. In de tracks die volgen houdt Blake Mills het niveau van de ijzersterke openingszet met opvallend gemak vast. Heigh Ho blijft verbazen met een bijzondere instrumentatie vol prachtig gitaarwerk en een stem die de zo knappe songs naar een nog wat hoger niveau tilt.
Het bovenstaande suggereert wellicht dat Blake Mills op Heigh Ho bijna alles in zijn eentje doet, maar dat is zeker niet het geval. Mills laat zich op zijn tweede plaat bijstaan door andere Don Was, Jim Keltner, Gabriel Kahane, Benmont Tench, Jon Brion en Mike Elizondo. Stuk voor stuk hele grote namen. De grootste verrassing is voor mij echter de aanwezigheid van Fiona Apple, die in twee tracks garant staat voor nog meer kippenvel dan Blake Mills al wist op te roepen in de andere tracks.
In vrijwel alle tracks staat het geweldige gitaarspel van Blake Mills centraal in de instrumentatie. Soms blijft het hierbij, maar in een aantal gevallen worden songs rijk ingekleurd met stemmige klanken. Hoe vol het geluid van Blake Mills ook is, het klinkt allemaal loepzuiver, warm en prachtig geproduceerd.
Blake Mills maakt stemmige muziek die in veel gevallen enkele decennia oud zou kunnen zijn, maar zijn geluid vind ik persoonlijk uniek. Heigh Ho is een plaat die je verwacht van een gelouterde muzikant die hernieuwde inspiratie heeft gevonden en niet van een muzikant die nog aan de start van zijn carrière staat, maar Blake Mills heeft hem wel degelijk gemaakt.
Mills werkt naar verluid al een aantal jaren samen met Fiona Apple (toch één van mijn persoonlijke favorieten) en ik hoor inmiddels in muzikaal opzicht flink wat overeenkomsten met Fiona Apple. Waar de laatste met haar piano een uniek donker geluid neer weet te zetten, doet Blake Mills dit met zijn geweldige gitaarspel. Net als Fiona Apple is Blake Mills verder een meester in het schrijven van wat onderkoelde, maar ook bijzonder indringende en intieme songs.
Het zijn songs die in veel gevallen kiezen voor een vast stramien, maar toch klinken ze allemaal anders. Heigh Ho bevat 12 songs en ze zijn allemaal van een ontzettend hoog niveau. Het zijn bovendien allemaal songs die hard binnenkomen. Enerzijds door de heftige instrumentatie en anderzijds door de mooie en gepassioneerde vocalen van Blake Mills. Ik heb Heigh Ho inmiddels een tijdje in huis en kan er uiteindelijk maar één predicaat aan verbinden: Onbetwist meesterwerk. Het is bovendien één van de grootste verrassingen van de eerste drie kwartalen van 2014. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Blake Mills - Heigh Ho - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Ik had tot voor kort nog nooit van Blake Mills gehoord, maar inmiddels durf ik wel te beweren dat deze Blake Mills met Heigh Ho één van de meest opvallende platen van 2014 heeft gemaakt.
Heigh Ho opent met een track die voornamelijk bestaat uit even opvallende als wonderschone gitaarakkoorden en de prachtige stem van Blake Mills. Mills zit in vocaal opzicht ergens tussen John Hiatt, Ry Cooder en Elvis Costello in en raakt ook in muzikaal opzicht aan deze drie grootheden.
Het gitaarwerk in de openingstrack van Heigh Ho is echter van een unieke schoonheid. Het is gitaarwerk dat zich zachtjes op de achtergrond kan vleien, maar dat ook kan uitsporen en uit de speakers kan knallen. Het is bovendien gitaarwerk van een zeer getalenteerd en avontuurlijk gitarist en deze zijn schaars.
Het levert een unieke track op die Blake Mills onmiddellijk op de kaart zet als een bijzonder groot talent. In de tracks die volgen houdt Blake Mills het niveau van de ijzersterke openingszet met opvallend gemak vast. Heigh Ho blijft verbazen met een bijzondere instrumentatie vol prachtig gitaarwerk en een stem die de zo knappe songs naar een nog wat hoger niveau tilt.
Het bovenstaande suggereert wellicht dat Blake Mills op Heigh Ho bijna alles in zijn eentje doet, maar dat is zeker niet het geval. Mills laat zich op zijn tweede plaat bijstaan door andere Don Was, Jim Keltner, Gabriel Kahane, Benmont Tench, Jon Brion en Mike Elizondo. Stuk voor stuk hele grote namen. De grootste verrassing is voor mij echter de aanwezigheid van Fiona Apple, die in twee tracks garant staat voor nog meer kippenvel dan Blake Mills al wist op te roepen in de andere tracks.
In vrijwel alle tracks staat het geweldige gitaarspel van Blake Mills centraal in de instrumentatie. Soms blijft het hierbij, maar in een aantal gevallen worden songs rijk ingekleurd met stemmige klanken. Hoe vol het geluid van Blake Mills ook is, het klinkt allemaal loepzuiver, warm en prachtig geproduceerd.
Blake Mills maakt stemmige muziek die in veel gevallen enkele decennia oud zou kunnen zijn, maar zijn geluid vind ik persoonlijk uniek. Heigh Ho is een plaat die je verwacht van een gelouterde muzikant die hernieuwde inspiratie heeft gevonden en niet van een muzikant die nog aan de start van zijn carrière staat, maar Blake Mills heeft hem wel degelijk gemaakt.
Mills werkt naar verluid al een aantal jaren samen met Fiona Apple (toch één van mijn persoonlijke favorieten) en ik hoor inmiddels in muzikaal opzicht flink wat overeenkomsten met Fiona Apple. Waar de laatste met haar piano een uniek donker geluid neer weet te zetten, doet Blake Mills dit met zijn geweldige gitaarspel. Net als Fiona Apple is Blake Mills verder een meester in het schrijven van wat onderkoelde, maar ook bijzonder indringende en intieme songs.
Het zijn songs die in veel gevallen kiezen voor een vast stramien, maar toch klinken ze allemaal anders. Heigh Ho bevat 12 songs en ze zijn allemaal van een ontzettend hoog niveau. Het zijn bovendien allemaal songs die hard binnenkomen. Enerzijds door de heftige instrumentatie en anderzijds door de mooie en gepassioneerde vocalen van Blake Mills. Ik heb Heigh Ho inmiddels een tijdje in huis en kan er uiteindelijk maar één predicaat aan verbinden: Onbetwist meesterwerk. Het is bovendien één van de grootste verrassingen van de eerste drie kwartalen van 2014. Erwin Zijleman
Blake Mills - Jelly Road (2023)

4,0
0
geplaatst: 20 juli 2023, 15:06 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Blake Mills - Jelly Road - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blake Mills - Jelly Road
Blake Mills timmert stevig aan de weg als producer en sessiemuzikant, maar ook zijn eigen albums zijn van zeer hoge kwaliteit, wat zeker ook weer geldt voor het lastig te doorgronden maar bijzonder mooie Jelly Road
Jelly Road, het nieuwe album van de Amerikaanse muzikant en producer Blake Mills, is een album dat je een paar keer moet horen. In muzikaal opzicht zit het album razend knap maar ook behoorlijk complex in elkaar. Er gebeurt van alles in de muziek van Blake Mills, maar op hetzelfde moment is Jelly Road een introspectief album met redelijk ingetogen songs. Die songs dringen zich misschien niet onmiddellijk op, maar hoe vaker je het nieuwe album van Blake Mills hoort, hoe groter het respect voor zijn muzikaliteit en experimenteerdrift wordt. Jelly Road maakt niet direct de onuitwisbare indruk van Heigh Ho uit 2014, maar wat niet is kan zeker nog komen. Fascinerend album.
De Amerikaanse muzikant en producer Blake Mills heeft een geweldige track record als producer voor onder andere Laura Marling, Jesca Hoop en Feist en was de afgelopen jaren bovendien als gitarist op talloze albums te horen. Ook de albums die Blake Mills onder zijn eigen naam uitbrengt zijn van hoge kwaliteit, maar ik vind ze persoonlijk niet allemaal even aansprekend als het prachtige Heigh Ho uit 2014.
Met Heigh Ho maakte de Amerikaanse muzikant wat mij betreft een van de beste albums van het betreffende jaar, waardoor het album in flink wat jaarlijstjes opdook. Het in 2020 verschenen Mutable Set stelde in kwalitatief opzicht zeker niet teleur, maar het album drong zich niet zo genadeloos op als Heigh Ho. Van het minialbum Look uit 2018 en van het in 2021 met bassist Pino Palladino gemaakte Notes With Attachments kon ik helaas geen chocolade maken, waardoor ik met bescheiden verwachtingen begon aan het deze week verschenen Jelly Road.
Ook het nieuwe album van Blake Mills, dat hij in eerste instantie samen maakte met Chris Weisman, maakt niet de verpletterende indruk die Heigh Ho in 2014 maakte, maar het is voor Blake Mills begrippen een behoorlijk toegankelijk album en zoals we inmiddels van hem gewend zijn is het bovendien een album van hoge kwaliteit.
Jelly Road begint met mooi en complex akoestisch gitaarspel, dat na een tijdje gezelschap krijgt van bijzonder klinkende vintage elektronica. Wanneer na een kleine twee minuten de piano en de fluisterzachte stem van Blake Mills invallen biedt de openingstrack van het album wat meer houvast, maar het blijft betrekkelijk zware kost. Jelly Road is over de hele linie een behoorlijk ingetogen album, waarop bijzonder gitaarspel, vervreemdende elektronica, incidenteel opduikende houtblazers en de zachte stem van de Amerikaanse muzikant blijven terugkeren.
In muzikaal opzicht staat Jelly Road vol met fraaie miniatuurtjes, die laten horen dat Blake Mills een groot muzikant en een geweldig gitarist is, maar door de zang en het melodieuze karakter van de songs bevat Jelly Road uiteindelijk toch ook songs met een kop en een staart. Het zijn songs die zich zoals gezegd niet zo genadeloos opdringen als die op Heigh Ho, maar als je open staat voor de niet alledaagse muziek van Blake Mills is Jelly Road een album waarop steeds meer moois aan de oppervlakte komt.
Blake Mills haalt zijn inspiratie deels uit het verleden, zeker wanneer zijn , songs folky, jazzy of psychedelisch aan doen, maar door de bijzondere instrumentatie, waaraan ook Wendy Melvoin (The Revolution, Wendy & Lisa) bijdraagt, en de complexe songstructuren laat zijn muziek zich maar moeilijk vergelijken met de muziek van anderen.
Jelly Road is nog meer dan Heigh Ho een album waarvoor je de tijd moet nemen, want bij eerste beluistering valt er nog niet heel veel op zijn plek. Na enige gewenning hoorde ik de schoonheid in de instrumentatie en de arrangementen, maar het duurde nog langer voordat ik tussen de songs op het album songs tegen kwam die ik wil koesteren. Inmiddels heb ik er wel een aantal op het album en dit aantal groeit.
Blake Mills liet op de soundtrack bij de serie Daisy Jones & The Six horen dat hij zeer toegankelijke popsongs kan schrijven, maar op zijn eigen albums graaft hij een stuk dieper. Ook Jelly Road vind ik niet zo imponerend als het geweldige Heigh Ho uit 2014, maar iedere keer dat ik het album beluister vind ik het weer een stukje mooier en fascinerender. Waar het gaat eindigen durf ik nog niet te voorspellen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Blake Mills - Jelly Road - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blake Mills - Jelly Road
Blake Mills timmert stevig aan de weg als producer en sessiemuzikant, maar ook zijn eigen albums zijn van zeer hoge kwaliteit, wat zeker ook weer geldt voor het lastig te doorgronden maar bijzonder mooie Jelly Road
Jelly Road, het nieuwe album van de Amerikaanse muzikant en producer Blake Mills, is een album dat je een paar keer moet horen. In muzikaal opzicht zit het album razend knap maar ook behoorlijk complex in elkaar. Er gebeurt van alles in de muziek van Blake Mills, maar op hetzelfde moment is Jelly Road een introspectief album met redelijk ingetogen songs. Die songs dringen zich misschien niet onmiddellijk op, maar hoe vaker je het nieuwe album van Blake Mills hoort, hoe groter het respect voor zijn muzikaliteit en experimenteerdrift wordt. Jelly Road maakt niet direct de onuitwisbare indruk van Heigh Ho uit 2014, maar wat niet is kan zeker nog komen. Fascinerend album.
De Amerikaanse muzikant en producer Blake Mills heeft een geweldige track record als producer voor onder andere Laura Marling, Jesca Hoop en Feist en was de afgelopen jaren bovendien als gitarist op talloze albums te horen. Ook de albums die Blake Mills onder zijn eigen naam uitbrengt zijn van hoge kwaliteit, maar ik vind ze persoonlijk niet allemaal even aansprekend als het prachtige Heigh Ho uit 2014.
Met Heigh Ho maakte de Amerikaanse muzikant wat mij betreft een van de beste albums van het betreffende jaar, waardoor het album in flink wat jaarlijstjes opdook. Het in 2020 verschenen Mutable Set stelde in kwalitatief opzicht zeker niet teleur, maar het album drong zich niet zo genadeloos op als Heigh Ho. Van het minialbum Look uit 2018 en van het in 2021 met bassist Pino Palladino gemaakte Notes With Attachments kon ik helaas geen chocolade maken, waardoor ik met bescheiden verwachtingen begon aan het deze week verschenen Jelly Road.
Ook het nieuwe album van Blake Mills, dat hij in eerste instantie samen maakte met Chris Weisman, maakt niet de verpletterende indruk die Heigh Ho in 2014 maakte, maar het is voor Blake Mills begrippen een behoorlijk toegankelijk album en zoals we inmiddels van hem gewend zijn is het bovendien een album van hoge kwaliteit.
Jelly Road begint met mooi en complex akoestisch gitaarspel, dat na een tijdje gezelschap krijgt van bijzonder klinkende vintage elektronica. Wanneer na een kleine twee minuten de piano en de fluisterzachte stem van Blake Mills invallen biedt de openingstrack van het album wat meer houvast, maar het blijft betrekkelijk zware kost. Jelly Road is over de hele linie een behoorlijk ingetogen album, waarop bijzonder gitaarspel, vervreemdende elektronica, incidenteel opduikende houtblazers en de zachte stem van de Amerikaanse muzikant blijven terugkeren.
In muzikaal opzicht staat Jelly Road vol met fraaie miniatuurtjes, die laten horen dat Blake Mills een groot muzikant en een geweldig gitarist is, maar door de zang en het melodieuze karakter van de songs bevat Jelly Road uiteindelijk toch ook songs met een kop en een staart. Het zijn songs die zich zoals gezegd niet zo genadeloos opdringen als die op Heigh Ho, maar als je open staat voor de niet alledaagse muziek van Blake Mills is Jelly Road een album waarop steeds meer moois aan de oppervlakte komt.
Blake Mills haalt zijn inspiratie deels uit het verleden, zeker wanneer zijn , songs folky, jazzy of psychedelisch aan doen, maar door de bijzondere instrumentatie, waaraan ook Wendy Melvoin (The Revolution, Wendy & Lisa) bijdraagt, en de complexe songstructuren laat zijn muziek zich maar moeilijk vergelijken met de muziek van anderen.
Jelly Road is nog meer dan Heigh Ho een album waarvoor je de tijd moet nemen, want bij eerste beluistering valt er nog niet heel veel op zijn plek. Na enige gewenning hoorde ik de schoonheid in de instrumentatie en de arrangementen, maar het duurde nog langer voordat ik tussen de songs op het album songs tegen kwam die ik wil koesteren. Inmiddels heb ik er wel een aantal op het album en dit aantal groeit.
Blake Mills liet op de soundtrack bij de serie Daisy Jones & The Six horen dat hij zeer toegankelijke popsongs kan schrijven, maar op zijn eigen albums graaft hij een stuk dieper. Ook Jelly Road vind ik niet zo imponerend als het geweldige Heigh Ho uit 2014, maar iedere keer dat ik het album beluister vind ik het weer een stukje mooier en fascinerender. Waar het gaat eindigen durf ik nog niet te voorspellen. Erwin Zijleman
Blake Mills - Mutable Set (2020)

4,5
1
geplaatst: 9 mei 2020, 10:53 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Blake Mills - Mutable Set - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blake Mills - Mutable Set
Blake Mills is een succesvol producer en een veelgevraagd sessiemuzikant, maar dat hij ook zelf een prachtalbum kan maken laat hij, vier jaar na meesterwerk Heigh Ho, nogmaals horen op Mutable Set
Ik weet nog goed dat ik voor het eerst kennis maakte met de muziek van de Amerikaanse muzikant Blake Mills. Ik heb zeer waarschijnlijk met open mond geluisterd naar Heigh Ho, dat een paar maanden later een zekerheid was bij het samenstellen van mijn jaarlijstje. Met zijn nieuwe album maakt de Amerikaanse muzikant het me minder makkelijk. Het geweldige gitaarwerk is verruild voor een uiterst subtiele instrumentatie, terwijl de aansprekende songs plaats hebben gemaakt voor bijna verstilde songs met fluisterzachte vocalen. Na enige gewenning blijkt ook Mutable Set echter van een bijzondere schoonheid en dat dit album nog wel even door groeit is zeker.
Blake Mills is een gevierd producer (hij werkte onder andere met Laura Marling, Jesca Hoop en Fiona Apple) en een nog veel succesvoller sessiemuzikant (met de albums waarop hij als gitarist te horen is kan ik deze recensie met speels gemak vullen). De meeste indruk maakte Blake Mills wat mij betreft echter met het in 2014 verschenen soloalbum Heigh Ho.
Het album haalde de allerhoogste regionen van mijn jaarlijstje en imponeerde met werkelijk geweldig gitaarwerk en songs vol diepgang. De gastbijdragen van flink wat muzikanten van naam en faam (onder wie grootheden als Fiona Apple, Jon Brion, Benmont Tench, Jim Keltner en Don Was) gaf Heigh Ho nog wat meer glans.
De afgelopen jaren concentreerde de Amerikaanse muzikant zich op zijn werk als producer en sessiemuzikant, maar gelukkig was er ook eindelijk weer tijd voor een nieuw soloalbum. Mutable Set verschilt in bijna alles van de briljante voorganger Heigh Ho (de instrumentale EP Look uit 2018 tel ik maar even niet mee), maar ook dit keer heeft Blake Mills een album van een bijzondere schoonheid afgeleverd.
Waar het fenomenale gitaarwerk op Heigh Ho onmiddellijk de aandacht trok, is de instrumentatie op Mutable Set uiterst sober. Hier en daar hoor je subtiele gitaarlijnen, maar de bijdragen van piano, synths, saxofoon en wat strijkers zijn minstens even belangrijk. De klanken op het album zijn zo subtiel dat het soms lastig is om te bepalen welk instrument je precies hoort en het zijn bovendien klanken die steeds prachtig in elkaar overlopen.
Blake Mills had wat mij betreft het recht gehad om 11 songs en 51 minuten de gitaarheld uit te hangen, maar hij doet het op Mutual Set slechts bij grote uitzondering en zelfs als hij het doet zijn de gitaarlijnen zeer spaarzaam. Wat voor de instrumentatie op het album geldt, geldt ook voor de zang op Mutable Set. Blake Mills kiest op zijn nieuwe album vrijwel uitsluitend voor fluisterzachte vocalen, wat het album een bijzondere sfeer geeft. Deze sfeer wordt nog eens versterkt door de lange instrumentale passages in de songs, die zorgen voor totale onthaasting.
Door de uiterst subtiele instrumentatie en de zich langzaam voortslepende klanken klinkt het nieuwe album van de Amerikaanse muzikant soms bijna als een ambient album, maar omdat de songs het uiteindelijk toch winnen van de klanken, blijft het hokje ambient buiten beeld. Mutable Set raakt hier en daar aan de folk van een eigenzinnige muzikant als John Martyn, heeft wat raakvlakken met het uiterst subtiele soloalbum van Talk Talk zanger Mark Hollis, doet af en toe denken aan de meest verstilde muziek van David Sylvian, maar flirt ook stevig met jazz.
Het nieuwe album van Blake Mills greep me direct bij eerste beluistering, maar ik hoorde pas goed hoe mooi en bijzonder het album is toen ik het met de koptelefoon beluisterde. Dan pas hoor je hoe subtiel de klanken zijn en hoe er werkelijk geen noot teveel gespeeld wordt. Dan hoor je ook hoe op bijzonder fraaie wijze wordt toegewerkt naar de enkele uitbarsting in de instrumentatie.
Mutable Set is een album voor de late avond en de nacht, die de beste voedingsbodem bieden voor de zeer intieme en zachte klanken en de prachtig ingehouden zang. Zo verpletterend als Heigh Ho is Mutable Set nog niet, maar de groei is er nog lang niet uit. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Blake Mills - Mutable Set - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blake Mills - Mutable Set
Blake Mills is een succesvol producer en een veelgevraagd sessiemuzikant, maar dat hij ook zelf een prachtalbum kan maken laat hij, vier jaar na meesterwerk Heigh Ho, nogmaals horen op Mutable Set
Ik weet nog goed dat ik voor het eerst kennis maakte met de muziek van de Amerikaanse muzikant Blake Mills. Ik heb zeer waarschijnlijk met open mond geluisterd naar Heigh Ho, dat een paar maanden later een zekerheid was bij het samenstellen van mijn jaarlijstje. Met zijn nieuwe album maakt de Amerikaanse muzikant het me minder makkelijk. Het geweldige gitaarwerk is verruild voor een uiterst subtiele instrumentatie, terwijl de aansprekende songs plaats hebben gemaakt voor bijna verstilde songs met fluisterzachte vocalen. Na enige gewenning blijkt ook Mutable Set echter van een bijzondere schoonheid en dat dit album nog wel even door groeit is zeker.
Blake Mills is een gevierd producer (hij werkte onder andere met Laura Marling, Jesca Hoop en Fiona Apple) en een nog veel succesvoller sessiemuzikant (met de albums waarop hij als gitarist te horen is kan ik deze recensie met speels gemak vullen). De meeste indruk maakte Blake Mills wat mij betreft echter met het in 2014 verschenen soloalbum Heigh Ho.
Het album haalde de allerhoogste regionen van mijn jaarlijstje en imponeerde met werkelijk geweldig gitaarwerk en songs vol diepgang. De gastbijdragen van flink wat muzikanten van naam en faam (onder wie grootheden als Fiona Apple, Jon Brion, Benmont Tench, Jim Keltner en Don Was) gaf Heigh Ho nog wat meer glans.
De afgelopen jaren concentreerde de Amerikaanse muzikant zich op zijn werk als producer en sessiemuzikant, maar gelukkig was er ook eindelijk weer tijd voor een nieuw soloalbum. Mutable Set verschilt in bijna alles van de briljante voorganger Heigh Ho (de instrumentale EP Look uit 2018 tel ik maar even niet mee), maar ook dit keer heeft Blake Mills een album van een bijzondere schoonheid afgeleverd.
Waar het fenomenale gitaarwerk op Heigh Ho onmiddellijk de aandacht trok, is de instrumentatie op Mutable Set uiterst sober. Hier en daar hoor je subtiele gitaarlijnen, maar de bijdragen van piano, synths, saxofoon en wat strijkers zijn minstens even belangrijk. De klanken op het album zijn zo subtiel dat het soms lastig is om te bepalen welk instrument je precies hoort en het zijn bovendien klanken die steeds prachtig in elkaar overlopen.
Blake Mills had wat mij betreft het recht gehad om 11 songs en 51 minuten de gitaarheld uit te hangen, maar hij doet het op Mutual Set slechts bij grote uitzondering en zelfs als hij het doet zijn de gitaarlijnen zeer spaarzaam. Wat voor de instrumentatie op het album geldt, geldt ook voor de zang op Mutable Set. Blake Mills kiest op zijn nieuwe album vrijwel uitsluitend voor fluisterzachte vocalen, wat het album een bijzondere sfeer geeft. Deze sfeer wordt nog eens versterkt door de lange instrumentale passages in de songs, die zorgen voor totale onthaasting.
Door de uiterst subtiele instrumentatie en de zich langzaam voortslepende klanken klinkt het nieuwe album van de Amerikaanse muzikant soms bijna als een ambient album, maar omdat de songs het uiteindelijk toch winnen van de klanken, blijft het hokje ambient buiten beeld. Mutable Set raakt hier en daar aan de folk van een eigenzinnige muzikant als John Martyn, heeft wat raakvlakken met het uiterst subtiele soloalbum van Talk Talk zanger Mark Hollis, doet af en toe denken aan de meest verstilde muziek van David Sylvian, maar flirt ook stevig met jazz.
Het nieuwe album van Blake Mills greep me direct bij eerste beluistering, maar ik hoorde pas goed hoe mooi en bijzonder het album is toen ik het met de koptelefoon beluisterde. Dan pas hoor je hoe subtiel de klanken zijn en hoe er werkelijk geen noot teveel gespeeld wordt. Dan hoor je ook hoe op bijzonder fraaie wijze wordt toegewerkt naar de enkele uitbarsting in de instrumentatie.
Mutable Set is een album voor de late avond en de nacht, die de beste voedingsbodem bieden voor de zeer intieme en zachte klanken en de prachtig ingehouden zang. Zo verpletterend als Heigh Ho is Mutable Set nog niet, maar de groei is er nog lang niet uit. Erwin Zijleman
Blaudzun - Lonely City Exit Wounds (2022)

4,0
0
geplaatst: 26 januari 2022, 16:48 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Blaudzun - Lonely City Exit Wounds - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blaudzun - Lonely City Exit Wounds
Ik was de afgelopen jaren wat uitgekeken op de muziek van Blaudzun, maar de subtiele koerswijzigingen op Lonely City Exit Wounds sturen het nieuwe album toch weer de goede kant op
Blaudzun paste ooit in het hokje singer-songwriter, maar schoof het afgelopen decennium steeds meer op richting theatrale of zelfs pompeuze indiepop en indierock. Zijn vorige albums heb ik daarom laten liggen, maar het deze week verschenen Lonely City Exit Wounds bevalt me weer een stuk beter. De zang zit me dit keer niet in de weg en ook de instrumentatie is wat mij betreft een stuk smaakvoller. Het is hier en daar nog steeds wat teveel pop naar mijn smaak, maar het album bevat ook een aantal tracks die de singer-songwriter Blaudzun laten horen. Al met al een zeer aangename hernieuwde kennismaking met de muziek van de Nederlandse muzikant.
Blaudzun, het alter ego van de Nederlandse muzikant Johannes Sigmond, dook 14 jaar geleden voor het eerst op met een titelloos debuutalbum. Op dit debuutalbum manifesteerde Blaudzun zich nog vooral als singer-songwriter. De songs op het album waren betrekkelijk sober en voor een belangrijk deel akoestisch ingekleurd en ontleenden een groot deel van hun zeggingskracht aan de bijzondere stem van de Nederlandse muzikant, al viel ook de veelkleurige instrumentatie in positieve zin op.
Blaudzun maakte vervolgens wat mij betreft zijn twee beste albums met Seadrift Soundmachine uit 2010 en Heavy Flowers uit 2012, waarop het geluid van de Nederlandse muzikant wel steeds voller werd, zijn stem steeds expressiever klonk en waarop de singer-songwriter Blaudzun langzaam maar zeker transformeerde in de pop- en rockmuzikant Blaudzun.
Die transformatie sloeg wat mij betreft te ver door op de albums die volgden. De muziek van Blaudzun werd steeds elektronischer en bombastischer en schoof steeds meer op richting de muziek van een band als Arcade Fire. Op zich niets mis mee, maar één Arcade Fire vind ik persoonlijk wel genoeg.
De vier albums die volgden op Heavy Flowers heb ik allemaal laten liggen, maar tien jaar na dit album heb ik toch weer eens een album van Blaudzun opgepakt. Het deze week verschenen Lonely City Exit Wounds is de opvolger van het uit 2018 stammende _UP_ , dat ik volgens mij helemaal niet heb beluisterd. Een hernieuwde kennismaking met de muziek van Blaudzun dus en het is een kennismaking die goed is bevallen.
De openingstrack en titeltrack van Lonely City Exit Wounds (de tegenwoordig wel erg vaak opduikende verplichte hoofdletters laat ik maar even achterwege) is subtiel en sfeervol ingekleurd en bouwt de spanning prachtig op. Het is een track waarmee Blaudzun zich wat mij betreft onmiddellijk weet te onderscheiden, wat overigens voor een belangrijk deel de verdienste is van de prachtige zang.
De stem van de Nederlandse muzikant is altijd een van zijn sterkste wapens geweest, maar ik was er lang niet altijd gek op. Op zijn nieuwe album zingt de Nederlandse muzikant echter prachtig en met veel gevoel en kleuren de hoge en expressieve vocalen fraai bij de instrumentatie en de songs.
Die instrumentatie roept nog altijd associaties op met de muziek van Arcade Fire, maar het ligt er minder dik bovenop. Bovendien klinken in de instrumentatie regelmatig invloeden uit de jaren 70 door, bijvoorbeeld van Electric Light Orchestra, wat het nieuwe album van Blaudzun een tijdloos karakter geeft.
Lonely City Exit Wounds verschilt zeker niet heel veel van de vorige albums van de Amsterdamse muzikant, maar subtiele wijzigingen kunnen een groot verschil maken. Lonely City Exit Wounds is minder theatraal en bombastisch dan de vorige albums van de Nederlandse muzikant en ook de zang is minder over the top. Op zijn nieuwe album hoor ik weer wat vaker de singer-songwriter Blaudzun en die heb ik op de afgelopen albums te vaak gemist.
Soms is het me wat teveel lichtvoetige pop (Real Hero vind ik ondanks de zwaar beladen achtergrond bijvoorbeeld helemaal niks), waardoor Blaudzun hier en daar opschuift richting The Killers of, nog veel erger, Coldplay, maar de meeste songs op het album bevallen me uitstekend, waarbij mijn voorkeur uitgaat naar de songs met zo min mogelijk opsmuk. Ik ga Blaudzun toch weer in de gaten houden, want het grootste deel van zijn nieuwe album is erg goed. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Blaudzun - Lonely City Exit Wounds - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blaudzun - Lonely City Exit Wounds
Ik was de afgelopen jaren wat uitgekeken op de muziek van Blaudzun, maar de subtiele koerswijzigingen op Lonely City Exit Wounds sturen het nieuwe album toch weer de goede kant op
Blaudzun paste ooit in het hokje singer-songwriter, maar schoof het afgelopen decennium steeds meer op richting theatrale of zelfs pompeuze indiepop en indierock. Zijn vorige albums heb ik daarom laten liggen, maar het deze week verschenen Lonely City Exit Wounds bevalt me weer een stuk beter. De zang zit me dit keer niet in de weg en ook de instrumentatie is wat mij betreft een stuk smaakvoller. Het is hier en daar nog steeds wat teveel pop naar mijn smaak, maar het album bevat ook een aantal tracks die de singer-songwriter Blaudzun laten horen. Al met al een zeer aangename hernieuwde kennismaking met de muziek van de Nederlandse muzikant.
Blaudzun, het alter ego van de Nederlandse muzikant Johannes Sigmond, dook 14 jaar geleden voor het eerst op met een titelloos debuutalbum. Op dit debuutalbum manifesteerde Blaudzun zich nog vooral als singer-songwriter. De songs op het album waren betrekkelijk sober en voor een belangrijk deel akoestisch ingekleurd en ontleenden een groot deel van hun zeggingskracht aan de bijzondere stem van de Nederlandse muzikant, al viel ook de veelkleurige instrumentatie in positieve zin op.
Blaudzun maakte vervolgens wat mij betreft zijn twee beste albums met Seadrift Soundmachine uit 2010 en Heavy Flowers uit 2012, waarop het geluid van de Nederlandse muzikant wel steeds voller werd, zijn stem steeds expressiever klonk en waarop de singer-songwriter Blaudzun langzaam maar zeker transformeerde in de pop- en rockmuzikant Blaudzun.
Die transformatie sloeg wat mij betreft te ver door op de albums die volgden. De muziek van Blaudzun werd steeds elektronischer en bombastischer en schoof steeds meer op richting de muziek van een band als Arcade Fire. Op zich niets mis mee, maar één Arcade Fire vind ik persoonlijk wel genoeg.
De vier albums die volgden op Heavy Flowers heb ik allemaal laten liggen, maar tien jaar na dit album heb ik toch weer eens een album van Blaudzun opgepakt. Het deze week verschenen Lonely City Exit Wounds is de opvolger van het uit 2018 stammende _UP_ , dat ik volgens mij helemaal niet heb beluisterd. Een hernieuwde kennismaking met de muziek van Blaudzun dus en het is een kennismaking die goed is bevallen.
De openingstrack en titeltrack van Lonely City Exit Wounds (de tegenwoordig wel erg vaak opduikende verplichte hoofdletters laat ik maar even achterwege) is subtiel en sfeervol ingekleurd en bouwt de spanning prachtig op. Het is een track waarmee Blaudzun zich wat mij betreft onmiddellijk weet te onderscheiden, wat overigens voor een belangrijk deel de verdienste is van de prachtige zang.
De stem van de Nederlandse muzikant is altijd een van zijn sterkste wapens geweest, maar ik was er lang niet altijd gek op. Op zijn nieuwe album zingt de Nederlandse muzikant echter prachtig en met veel gevoel en kleuren de hoge en expressieve vocalen fraai bij de instrumentatie en de songs.
Die instrumentatie roept nog altijd associaties op met de muziek van Arcade Fire, maar het ligt er minder dik bovenop. Bovendien klinken in de instrumentatie regelmatig invloeden uit de jaren 70 door, bijvoorbeeld van Electric Light Orchestra, wat het nieuwe album van Blaudzun een tijdloos karakter geeft.
Lonely City Exit Wounds verschilt zeker niet heel veel van de vorige albums van de Amsterdamse muzikant, maar subtiele wijzigingen kunnen een groot verschil maken. Lonely City Exit Wounds is minder theatraal en bombastisch dan de vorige albums van de Nederlandse muzikant en ook de zang is minder over the top. Op zijn nieuwe album hoor ik weer wat vaker de singer-songwriter Blaudzun en die heb ik op de afgelopen albums te vaak gemist.
Soms is het me wat teveel lichtvoetige pop (Real Hero vind ik ondanks de zwaar beladen achtergrond bijvoorbeeld helemaal niks), waardoor Blaudzun hier en daar opschuift richting The Killers of, nog veel erger, Coldplay, maar de meeste songs op het album bevallen me uitstekend, waarbij mijn voorkeur uitgaat naar de songs met zo min mogelijk opsmuk. Ik ga Blaudzun toch weer in de gaten houden, want het grootste deel van zijn nieuwe album is erg goed. Erwin Zijleman
Bleached - Welcome the Worms (2016)

4,0
0
geplaatst: 7 april 2016, 14:35 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Bleached - Welcome The Worms - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het Amerikaanse duo Bleached leverde drie jaar geleden een debuut af dat garant stond voor een hele mooie zomer.
De zusjes Jennifer en Jessica Clavin wisten op Ride Your Heart meedogenloos te verleiden met volstrekt onweerstaanbare popliedjes die de temperatuur onmiddellijk verhoogden tot zomerse waarden.
Ride Your Heart bevatte een serie rauwe, rammelende en punky popliedjes, die vervolgens waren voorzien van een honingzoet suikerlaagje en van refreinen die na één keer horen voorgoed in het geheugen waren opgeslagen.
Het beste van Blondie, The Ramones, The Buzzcocks, The Go-Go’s, The Bangles, Best Coast en The Dum Dum Girls (om maar wat namen te noemen), maar gelukkig ook voorzien van een eigenwijs randje. Bij beluistering van het debuut van Bleached ging de zon onmiddellijk schijnen en bij iedere beluistering wonnen de zonnestralen aan kracht.
De zusjes Clavin hebben inmiddels gezelschap gekregen van bassiste Micayla Grace en opereren tegenwoordig als trio. Samen met de ervaren producer Joe Chiccarelli (The Strokes, Spoon, Morrissey) werd de tweede plaat opgenomen en wat is het een lekkere plaat geworden.
Welcome The Worms volgt op een periode waarin de zusjes Clavin te maken kregen met diepe dalen vol persoonlijk leed, maar een ieder die nu een plaat vol donkere wolken verwacht komt gelukkig bedrogen uit. Ook op Welcome The Worms grossiert Bleached in popliedjes die de zon laten schijnen. In de teksten komt misschien wat ellende voorbij, maar deze kunnen de zonnestralen niet in de weg zitten.
Welcome The Worms ligt in het verlengde van het debuut van de band, maar is nog net wat aanstekelijker. De bovengenoemde lijst met vergelijkingsmateriaal moet worden aangevuld met Joan Jett en Phil Spector, maar alle namen die er al op stonden mogen blijven staan. Verwacht geen muzikale hoogstandjes in de songs van Bleached, maar ondertussen steekt het allemaal wel knap in elkaar en wordt het perfecte zonnige popliedje keer op keer benaderd.
In 2013 begon de zomer met het debuut van Bleached. De zomer van 2016 kan beginnen wanneer Welcome The Worms voor het eerst in de cd speler verdwijnt. Dat dit bij mij op de eerste lentedag van het jaar het geval was kan geen toeval zijn. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Bleached - Welcome The Worms - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het Amerikaanse duo Bleached leverde drie jaar geleden een debuut af dat garant stond voor een hele mooie zomer.
De zusjes Jennifer en Jessica Clavin wisten op Ride Your Heart meedogenloos te verleiden met volstrekt onweerstaanbare popliedjes die de temperatuur onmiddellijk verhoogden tot zomerse waarden.
Ride Your Heart bevatte een serie rauwe, rammelende en punky popliedjes, die vervolgens waren voorzien van een honingzoet suikerlaagje en van refreinen die na één keer horen voorgoed in het geheugen waren opgeslagen.
Het beste van Blondie, The Ramones, The Buzzcocks, The Go-Go’s, The Bangles, Best Coast en The Dum Dum Girls (om maar wat namen te noemen), maar gelukkig ook voorzien van een eigenwijs randje. Bij beluistering van het debuut van Bleached ging de zon onmiddellijk schijnen en bij iedere beluistering wonnen de zonnestralen aan kracht.
De zusjes Clavin hebben inmiddels gezelschap gekregen van bassiste Micayla Grace en opereren tegenwoordig als trio. Samen met de ervaren producer Joe Chiccarelli (The Strokes, Spoon, Morrissey) werd de tweede plaat opgenomen en wat is het een lekkere plaat geworden.
Welcome The Worms volgt op een periode waarin de zusjes Clavin te maken kregen met diepe dalen vol persoonlijk leed, maar een ieder die nu een plaat vol donkere wolken verwacht komt gelukkig bedrogen uit. Ook op Welcome The Worms grossiert Bleached in popliedjes die de zon laten schijnen. In de teksten komt misschien wat ellende voorbij, maar deze kunnen de zonnestralen niet in de weg zitten.
Welcome The Worms ligt in het verlengde van het debuut van de band, maar is nog net wat aanstekelijker. De bovengenoemde lijst met vergelijkingsmateriaal moet worden aangevuld met Joan Jett en Phil Spector, maar alle namen die er al op stonden mogen blijven staan. Verwacht geen muzikale hoogstandjes in de songs van Bleached, maar ondertussen steekt het allemaal wel knap in elkaar en wordt het perfecte zonnige popliedje keer op keer benaderd.
In 2013 begon de zomer met het debuut van Bleached. De zomer van 2016 kan beginnen wanneer Welcome The Worms voor het eerst in de cd speler verdwijnt. Dat dit bij mij op de eerste lentedag van het jaar het geval was kan geen toeval zijn. Erwin Zijleman
Bleachers - Take the Sadness Out of Saturday Night (2021)

4,0
0
geplaatst: 11 augustus 2021, 15:48 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Bleachers - Take The Sadness Out Of Saturday Night - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Bleachers - Take The Sadness Out Of Saturday Night
Jack Antonoff is een van de beste producers van het moment, maar met het uitstekende derde album van zijn band Bleachers laat hij horen dat hij ook als muzikant prima uit de voeten kan
De muziek van de Amerikaanse band Bleachers wist me tot dusver nog niet volledig te overtuigen. Dat doet de band wel met haar derde album Take The Sadness Out Of Saturday Night. Bleachers is overigens de band van Jack Antonoff, een van de meest gevraagde producers van het moment, maar ook een uitstekend muzikant, die geen geheim maakt van zijn bewondering voor de muziek van Bruce Springsteen en zijn E-Street Band. Op Take The Sadness Out Of Saturday Night klinken nogal wat echo’s door uit het vroege werk van Bruce Springsteen en zijn band, maar Bleachers heeft zich ook door een aantal tijdgenoten van The Boss in de jaren 70 laten inspireren. Het levert een fraai album op, dat stiekem meer en meer indruk maakt. Bijzondere kerel die Jack Antonoff.
Jack Antonoff is momenteel een van de meest gevraagde en ook een van de meest succesvolle producers in het popsegment. Alleen het afgelopen anderhalf jaar produceerde hij albums voor onder andere Taylor Swift (3x), Lorde, Clairo, The Chicks, Lana Del Rey (2x) en St. Vincent, waarmee hij alle andere grote producers in het popsegment ver achter zich laat. Je zou hierdoor bijna vergeten dat Jack Antonoff ook nog een bandje heeft, Bleachers.
Het is een bandje dat op mij nog geen onuitwisbare indruk maakte, al waren zowel het debuut van de band, Strange Desire uit 2014, als opvolger Gone Now uit 2017, best aardig en zeker wanneer Ja]ck Antonoff geen geheim maakte van zijn liefde voor de muziek van Bruce Springsteen en zijn E-Street Band en dat deed de Amerikaanse muzikant en producer met enige regelmaat.
Jack Antonoff groeide net als Bruce Springsteen en de meeste leden van zijn band op in New Jersey en neemt ons op Take The Sadness Out Of Saturday Night in muzikaal opzicht mee terug naar zijn jeugd. Het derde album van Bleachers laat een geluid horen dat meerdere malen associaties oproept met het vroege werk van Bruce Springsteen en zijn band. Dat hoor je het duidelijkst wanneer The Boss zelf opduikt in de tweede track op het album, Chinatown, maar ook op de rest van het album klinken regelmatig echo’s van de eerste albums van Bruce Springsteen door.
De overeenkomsten zijn duidelijk hoorbaar, maar er zijn ook volop verschillen. Bruce Springsteen was en is 100% rock en roll, terwijl Jack Antonoff ook niet vies is van pop. Bovendien laat Jack Antonoff zich niet alleen beïnvloeden door de muziek van Bruce Springsteen en zijn band uit de jaren 70, maar steekt Take The Sadness Out Of Saturday Night ook met enige regelmaat over van New Jersey naar New York.
Wanneer synths worden toegevoegd aan het geluid van de bands hoor ik wel wat van The Cars, terwijl de wat meer staccato klinkende songs doen denken aan de muziek van Talking Heads. Wanneer de saxofoon zijn plek opeist, de strijkers (gearrangeerd door St. Vincent) aanzwellen en de keyboards zo lijken weggelopen van de E-Street Band overheersen de associaties met de band van Bruce Springsteen, maar het ligt er wat mij betreft vrijwel nergens te dik bovenop.
Bleachers overtuigt op haar derde album makkelijk met een groots jaren 70 geluid, maar Take The Sadness Out Of Saturday Night is ook een intiem en persoonlijk album, waarop Jack Antonoff zijn best doet om het einde van een liefdesrelatie en de hierop volgende depressie te verwerken. Hij wordt hierbij niet alleen geholpen door The Boss zelf, want ook Lana Del Rey schuift in een van de tracks aan.
Van een producer als Jack Antonoff verwacht je een tot in de perfectie geproduceerd album, maar dat is Take The Sadness Out Of Saturday Night zeker niet. Het derde album van Bleachers klinkt niet alleen authentiek, maar ook ruw en intiem. Jack Antonoff klinkt op het nieuwe album van Bleachers als een beginnend muzikant, die nog zoekt naar een eigen geluid, maar dit geluid ook voor het eerst gevonden heeft.
Het is een geluid dat mijlenver is verwijderd van de perfecte pop waar de Amerikaanse muzikant en producer momenteel vooral bekend van is, maar waar ik bij de eerste twee albums van Bleachers nog twijfelde, hoor ik dit keer overduidelijk het talent. Take The Sadness Out Of Saturday Night is bovendien ook nog eens een album dat zich langzaam maar zeker steeds meer opdringt. Al met al een grote verrassing van de hand van Jack Antonoff, die sowieso al een prima jaar heeft natuurlijk. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Bleachers - Take The Sadness Out Of Saturday Night - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Bleachers - Take The Sadness Out Of Saturday Night
Jack Antonoff is een van de beste producers van het moment, maar met het uitstekende derde album van zijn band Bleachers laat hij horen dat hij ook als muzikant prima uit de voeten kan
De muziek van de Amerikaanse band Bleachers wist me tot dusver nog niet volledig te overtuigen. Dat doet de band wel met haar derde album Take The Sadness Out Of Saturday Night. Bleachers is overigens de band van Jack Antonoff, een van de meest gevraagde producers van het moment, maar ook een uitstekend muzikant, die geen geheim maakt van zijn bewondering voor de muziek van Bruce Springsteen en zijn E-Street Band. Op Take The Sadness Out Of Saturday Night klinken nogal wat echo’s door uit het vroege werk van Bruce Springsteen en zijn band, maar Bleachers heeft zich ook door een aantal tijdgenoten van The Boss in de jaren 70 laten inspireren. Het levert een fraai album op, dat stiekem meer en meer indruk maakt. Bijzondere kerel die Jack Antonoff.
Jack Antonoff is momenteel een van de meest gevraagde en ook een van de meest succesvolle producers in het popsegment. Alleen het afgelopen anderhalf jaar produceerde hij albums voor onder andere Taylor Swift (3x), Lorde, Clairo, The Chicks, Lana Del Rey (2x) en St. Vincent, waarmee hij alle andere grote producers in het popsegment ver achter zich laat. Je zou hierdoor bijna vergeten dat Jack Antonoff ook nog een bandje heeft, Bleachers.
Het is een bandje dat op mij nog geen onuitwisbare indruk maakte, al waren zowel het debuut van de band, Strange Desire uit 2014, als opvolger Gone Now uit 2017, best aardig en zeker wanneer Ja]ck Antonoff geen geheim maakte van zijn liefde voor de muziek van Bruce Springsteen en zijn E-Street Band en dat deed de Amerikaanse muzikant en producer met enige regelmaat.
Jack Antonoff groeide net als Bruce Springsteen en de meeste leden van zijn band op in New Jersey en neemt ons op Take The Sadness Out Of Saturday Night in muzikaal opzicht mee terug naar zijn jeugd. Het derde album van Bleachers laat een geluid horen dat meerdere malen associaties oproept met het vroege werk van Bruce Springsteen en zijn band. Dat hoor je het duidelijkst wanneer The Boss zelf opduikt in de tweede track op het album, Chinatown, maar ook op de rest van het album klinken regelmatig echo’s van de eerste albums van Bruce Springsteen door.
De overeenkomsten zijn duidelijk hoorbaar, maar er zijn ook volop verschillen. Bruce Springsteen was en is 100% rock en roll, terwijl Jack Antonoff ook niet vies is van pop. Bovendien laat Jack Antonoff zich niet alleen beïnvloeden door de muziek van Bruce Springsteen en zijn band uit de jaren 70, maar steekt Take The Sadness Out Of Saturday Night ook met enige regelmaat over van New Jersey naar New York.
Wanneer synths worden toegevoegd aan het geluid van de bands hoor ik wel wat van The Cars, terwijl de wat meer staccato klinkende songs doen denken aan de muziek van Talking Heads. Wanneer de saxofoon zijn plek opeist, de strijkers (gearrangeerd door St. Vincent) aanzwellen en de keyboards zo lijken weggelopen van de E-Street Band overheersen de associaties met de band van Bruce Springsteen, maar het ligt er wat mij betreft vrijwel nergens te dik bovenop.
Bleachers overtuigt op haar derde album makkelijk met een groots jaren 70 geluid, maar Take The Sadness Out Of Saturday Night is ook een intiem en persoonlijk album, waarop Jack Antonoff zijn best doet om het einde van een liefdesrelatie en de hierop volgende depressie te verwerken. Hij wordt hierbij niet alleen geholpen door The Boss zelf, want ook Lana Del Rey schuift in een van de tracks aan.
Van een producer als Jack Antonoff verwacht je een tot in de perfectie geproduceerd album, maar dat is Take The Sadness Out Of Saturday Night zeker niet. Het derde album van Bleachers klinkt niet alleen authentiek, maar ook ruw en intiem. Jack Antonoff klinkt op het nieuwe album van Bleachers als een beginnend muzikant, die nog zoekt naar een eigen geluid, maar dit geluid ook voor het eerst gevonden heeft.
Het is een geluid dat mijlenver is verwijderd van de perfecte pop waar de Amerikaanse muzikant en producer momenteel vooral bekend van is, maar waar ik bij de eerste twee albums van Bleachers nog twijfelde, hoor ik dit keer overduidelijk het talent. Take The Sadness Out Of Saturday Night is bovendien ook nog eens een album dat zich langzaam maar zeker steeds meer opdringt. Al met al een grote verrassing van de hand van Jack Antonoff, die sowieso al een prima jaar heeft natuurlijk. Erwin Zijleman
Blonde Redhead - Sit Down for Dinner (2023)

4,0
0
geplaatst: 4 oktober 2023, 17:28 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Blonde Redhead - Sit Down For Dinner - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blonde Redhead - Sit Down For Dinner
Het is een tijd stil geweest rond de New Yorkse band Blonde Redhead, maar het mooie en vaak sprookjesachtige nieuwe album Sit Down For Dinner kan zich absoluut meten met de beste albums van de band
De albums van Blonde Redhead zijn altijd interessant, maar de band rond de Italiaanse broers Amedeo en Simone Pace en de Japanse Kazu Makino wist me nog niet eerder zo te betoveren als het doet met het deze week verschenen Sit Down For Dinner. De band uit New York heeft definitief afscheid genomen van de noiserock die het op haar vroege albums omarmde en maakt op haar nieuwe album vooral dreampop. Het is dreampop met een twist, want Blonde Redhead klonk altijd avontuurlijker dan de meeste van haar soortgenoten en doet dat nog steeds. Zeker wanneer Kazu Makino zingt is de muziek op Sit Down For Dinner betoverend mooi, maar ook de zang Amedeo Pace is prima. Zomaar het mooiste album van Blonde Redhead tot dusver.
De Amerikaanse band Blonde Redhead, die overigens bestaat uit twee Italiaanse en een Japanse muzikant, bestaat al sinds de eerste helft van de jaren 90 en heeft inmiddels een stuk of tien albums op haar naam staan. Het zijn albums die ik vrijwel allemaal op een of andere manier wel interessant vond bij eerste beluistering, maar die vervolgens vrijwel nooit meer uit de speakers kwamen. Zeker in haar eerste jaren maakte de band uit New York behoorlijk stevige muziek met Sonic Youth achtige uitbarstingen, maar gedurende de jaren werd de muziek van Blonde Redhead steeds wat lieflijker en melodieuzer.
De afgelopen dagen heb ik vanwege de release van een nieuw album van de Amerikaanse band nog eens geluisterd naar de albums die Blonde Redhead eerder maakte en ik was eigenlijk best onder de indruk van de niet alledaags klinkende songs van de band. Het nieuwe album van de band uit New York heeft overigens lang op zich laten wachten, want Sit Down For Dinner is de opvolger van Barragán, dat net iets meer dan negen jaar geleden verscheen.
Op haar nieuwe album gaat de band uit New York verder op de eerder ingeslagen weg. Ook op Sit Down For Dinner maakt Blonde Redhead melodieuze muziek, die, zeker vergeleken met het vroege werk van de band, wat lieflijk klinkt. Het nieuwe album van de band is ver verwijderd van de noiserock van de vroege albums en is opgeschoven richting dreampop, maar oordeel niet te snel over het album.
Zoals gezegd was ik bij beluistering van de vorige albums van de band, meer dan in mijn herinnering, onder de indruk van de muziek van Blonde Redhead en ook Sit Down For Dinner vind ik een mooi en interessant album. De songs van de band liggen lekker in het gehoor, wat wordt versterkt door de mooie stemmen van Kazu Makino en Amedeo Pace, die elkaar afwisselen. Met name de zang van Kazu Makino versterkt het dreampop gevoel dat Sit Down For Dinner oproept, maar in muzikaal opzicht is het geluid van Blonde Redhead wat avontuurlijker dan het geluid op het gemiddelde dreampop album.
Zeker wanneer de Amerikaanse band haar songs inkleurt met een dik tapijt van synths komt het album wat in de buurt van Beach House, maar de muziek van Blonde Redhead is meestal een stuk subtieler en wisselt het gebruik van synths bovendien af met mooie en wat dromerige gitaarlijnen. De klanken op het album zijn vaak sprookjesachtig mooi, zeker in combinatie met de lome zang, maar Blonde Redhead stopt ook veel avontuur in haar muziek. Hiervoor is ook zeker het derde lid van de band, Simone Pace, verantwoordelijk, die de songs op Sit Down For Dinner constant voorziet van bijzondere ritmes.
Het nieuwe album van Blonde Redhead kreeg vorm tijdens de coronapandemie, waarin Kazu Makino, ver verwijderd van haar familie in Japan te maken kreeg met sterfgevallen. Het verklaart het wat melancholische karakter van flink wat tracks op het album, maar het isolement van de coronapandemie geeft het door de band zelf geproduceerde album ook een intiem karakter.
Ik gaf eerder aan dat ik albums van Blonde Redhead altijd wel interessant vond maar er vervolgens nooit meer naar luisterde. Dat gaat zeker veranderen met het prachtige Sit Down For Dinner, dat de afgelopen weken al vaker voorbij is gekomen dan ieder ander album van de band en dat absoluut een blijvertje is. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Blonde Redhead - Sit Down For Dinner - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blonde Redhead - Sit Down For Dinner
Het is een tijd stil geweest rond de New Yorkse band Blonde Redhead, maar het mooie en vaak sprookjesachtige nieuwe album Sit Down For Dinner kan zich absoluut meten met de beste albums van de band
De albums van Blonde Redhead zijn altijd interessant, maar de band rond de Italiaanse broers Amedeo en Simone Pace en de Japanse Kazu Makino wist me nog niet eerder zo te betoveren als het doet met het deze week verschenen Sit Down For Dinner. De band uit New York heeft definitief afscheid genomen van de noiserock die het op haar vroege albums omarmde en maakt op haar nieuwe album vooral dreampop. Het is dreampop met een twist, want Blonde Redhead klonk altijd avontuurlijker dan de meeste van haar soortgenoten en doet dat nog steeds. Zeker wanneer Kazu Makino zingt is de muziek op Sit Down For Dinner betoverend mooi, maar ook de zang Amedeo Pace is prima. Zomaar het mooiste album van Blonde Redhead tot dusver.
De Amerikaanse band Blonde Redhead, die overigens bestaat uit twee Italiaanse en een Japanse muzikant, bestaat al sinds de eerste helft van de jaren 90 en heeft inmiddels een stuk of tien albums op haar naam staan. Het zijn albums die ik vrijwel allemaal op een of andere manier wel interessant vond bij eerste beluistering, maar die vervolgens vrijwel nooit meer uit de speakers kwamen. Zeker in haar eerste jaren maakte de band uit New York behoorlijk stevige muziek met Sonic Youth achtige uitbarstingen, maar gedurende de jaren werd de muziek van Blonde Redhead steeds wat lieflijker en melodieuzer.
De afgelopen dagen heb ik vanwege de release van een nieuw album van de Amerikaanse band nog eens geluisterd naar de albums die Blonde Redhead eerder maakte en ik was eigenlijk best onder de indruk van de niet alledaags klinkende songs van de band. Het nieuwe album van de band uit New York heeft overigens lang op zich laten wachten, want Sit Down For Dinner is de opvolger van Barragán, dat net iets meer dan negen jaar geleden verscheen.
Op haar nieuwe album gaat de band uit New York verder op de eerder ingeslagen weg. Ook op Sit Down For Dinner maakt Blonde Redhead melodieuze muziek, die, zeker vergeleken met het vroege werk van de band, wat lieflijk klinkt. Het nieuwe album van de band is ver verwijderd van de noiserock van de vroege albums en is opgeschoven richting dreampop, maar oordeel niet te snel over het album.
Zoals gezegd was ik bij beluistering van de vorige albums van de band, meer dan in mijn herinnering, onder de indruk van de muziek van Blonde Redhead en ook Sit Down For Dinner vind ik een mooi en interessant album. De songs van de band liggen lekker in het gehoor, wat wordt versterkt door de mooie stemmen van Kazu Makino en Amedeo Pace, die elkaar afwisselen. Met name de zang van Kazu Makino versterkt het dreampop gevoel dat Sit Down For Dinner oproept, maar in muzikaal opzicht is het geluid van Blonde Redhead wat avontuurlijker dan het geluid op het gemiddelde dreampop album.
Zeker wanneer de Amerikaanse band haar songs inkleurt met een dik tapijt van synths komt het album wat in de buurt van Beach House, maar de muziek van Blonde Redhead is meestal een stuk subtieler en wisselt het gebruik van synths bovendien af met mooie en wat dromerige gitaarlijnen. De klanken op het album zijn vaak sprookjesachtig mooi, zeker in combinatie met de lome zang, maar Blonde Redhead stopt ook veel avontuur in haar muziek. Hiervoor is ook zeker het derde lid van de band, Simone Pace, verantwoordelijk, die de songs op Sit Down For Dinner constant voorziet van bijzondere ritmes.
Het nieuwe album van Blonde Redhead kreeg vorm tijdens de coronapandemie, waarin Kazu Makino, ver verwijderd van haar familie in Japan te maken kreeg met sterfgevallen. Het verklaart het wat melancholische karakter van flink wat tracks op het album, maar het isolement van de coronapandemie geeft het door de band zelf geproduceerde album ook een intiem karakter.
Ik gaf eerder aan dat ik albums van Blonde Redhead altijd wel interessant vond maar er vervolgens nooit meer naar luisterde. Dat gaat zeker veranderen met het prachtige Sit Down For Dinner, dat de afgelopen weken al vaker voorbij is gekomen dan ieder ander album van de band en dat absoluut een blijvertje is. Erwin Zijleman
Blondie - Pollinator (2017)

3,5
1
geplaatst: 17 mei 2017, 17:29 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Blondie - Pollinator - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Natuurlijk gaat Blondie geen plaat meer maken van het niveau van platen als Blondie (1976), Plastic Letters (1978), Parallel Lines (1978) of Eat To The Beat (1979).
De band uit New York presteerde destijds op de toppen van haar kunnen en maakte muziek die een brug sloeg tussen de perfecte pop uit het verleden en de punk uit de tweede helft van de jaren 70.
Inmiddels zijn we veertig jaar verder, is boegbeeld en sekssymbool Deborah Harry inmiddels de 70 (!) gepasseerd en behoort Blondie al lang niet meer tot de grote bands.
Sinds de comeback plaat No Exit uit 1999 brengt Blondie om de zoveel jaar een plaat uit en het zijn platen die altijd beter zijn dan het dramatisch slechte The Hunter uit 1982 (maar dat is ook niet zo moeilijk), maar die geen potten breken. Ook Pollinator is weer zo’n plaat.
Bij beluistering van de nieuwe Blondie plaat ervaar je geen moment de sensatie die je ervoer bij beluistering van de bovengenoemde albums, maar op een of andere manier vermaakt Blondie nog altijd bijzonder makkelijk en is ook het nieuwe album weer goed voor een brede glimlach.
Blondie heeft kennelijk niet de behoefte om haar muziek te vernieuwen, waardoor bij beluistering van Pollinator aan de lopende band flarden uit het verleden van de band opduiken. Ook op Pollinator grossiert Blondie in energieke popsongs met refreinen die je na één keer horen mee kunt zingen en melodieën die je direct niet meer wilt vergeten.
In muzikaal opzicht ligt Pollinator in het verlengde van een album als Eat To The Beat, waarop de synths het definitief hadden gewonnen van de gitaren en Blondie niet vies was van flirts met disco. De flirts met dansmuziek leveren op Pollinator zeker niet de beste songs op, maar lekker klinkt het wel.
Voor de songs vertrouwde de band overigens deels op de skills van onder andere Sia, Johnny Marr en Charli XCX, maar Deborah Harry en Chris Stein zijn het schrijven van aanstekelijke popliedjes zelf ook nog niet verleerd.
Naast het koningskoppel Harry/Stein schuift op Pollinator verder alleen power drummer Clem Burke aan, maar voor het geluid van Blondie heeft het nauwelijks gevolgen. Pollinator klinkt als 100% Blondie of zelfs als 100% Vintage Blondie. Dat is best knap, zeker als je je bedenkt dat de stembanden van Deborah Harry inmiddels aardig op leeftijd zijn. Het wordt deels gemaskeerd door een zwaar aangezet tapijt van synths (en vast flink wat snufjes in de studio), maar het eindresultaat klinkt absoluut acceptabel en bij vlagen zelfs heerlijk gedreven.
Ook bij Pollinator heb ik na een paar tracks de behoefte om een van de echt goede platen van de van de band op te zetten, maar ook als ik Pollinator gewoon tot het einde op laat staan, verveelt de plaat niet en wordt de glimlach met grote regelmaat wat breder. Voor de echt goede platen van Blondie moeten we een paar decennia terug in de tijd, maar Pollinator is uiteindelijk goed voor een dikke voldoende en dat is gewoon een knappe prestatie. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Blondie - Pollinator - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Natuurlijk gaat Blondie geen plaat meer maken van het niveau van platen als Blondie (1976), Plastic Letters (1978), Parallel Lines (1978) of Eat To The Beat (1979).
De band uit New York presteerde destijds op de toppen van haar kunnen en maakte muziek die een brug sloeg tussen de perfecte pop uit het verleden en de punk uit de tweede helft van de jaren 70.
Inmiddels zijn we veertig jaar verder, is boegbeeld en sekssymbool Deborah Harry inmiddels de 70 (!) gepasseerd en behoort Blondie al lang niet meer tot de grote bands.
Sinds de comeback plaat No Exit uit 1999 brengt Blondie om de zoveel jaar een plaat uit en het zijn platen die altijd beter zijn dan het dramatisch slechte The Hunter uit 1982 (maar dat is ook niet zo moeilijk), maar die geen potten breken. Ook Pollinator is weer zo’n plaat.
Bij beluistering van de nieuwe Blondie plaat ervaar je geen moment de sensatie die je ervoer bij beluistering van de bovengenoemde albums, maar op een of andere manier vermaakt Blondie nog altijd bijzonder makkelijk en is ook het nieuwe album weer goed voor een brede glimlach.
Blondie heeft kennelijk niet de behoefte om haar muziek te vernieuwen, waardoor bij beluistering van Pollinator aan de lopende band flarden uit het verleden van de band opduiken. Ook op Pollinator grossiert Blondie in energieke popsongs met refreinen die je na één keer horen mee kunt zingen en melodieën die je direct niet meer wilt vergeten.
In muzikaal opzicht ligt Pollinator in het verlengde van een album als Eat To The Beat, waarop de synths het definitief hadden gewonnen van de gitaren en Blondie niet vies was van flirts met disco. De flirts met dansmuziek leveren op Pollinator zeker niet de beste songs op, maar lekker klinkt het wel.
Voor de songs vertrouwde de band overigens deels op de skills van onder andere Sia, Johnny Marr en Charli XCX, maar Deborah Harry en Chris Stein zijn het schrijven van aanstekelijke popliedjes zelf ook nog niet verleerd.
Naast het koningskoppel Harry/Stein schuift op Pollinator verder alleen power drummer Clem Burke aan, maar voor het geluid van Blondie heeft het nauwelijks gevolgen. Pollinator klinkt als 100% Blondie of zelfs als 100% Vintage Blondie. Dat is best knap, zeker als je je bedenkt dat de stembanden van Deborah Harry inmiddels aardig op leeftijd zijn. Het wordt deels gemaskeerd door een zwaar aangezet tapijt van synths (en vast flink wat snufjes in de studio), maar het eindresultaat klinkt absoluut acceptabel en bij vlagen zelfs heerlijk gedreven.
Ook bij Pollinator heb ik na een paar tracks de behoefte om een van de echt goede platen van de van de band op te zetten, maar ook als ik Pollinator gewoon tot het einde op laat staan, verveelt de plaat niet en wordt de glimlach met grote regelmaat wat breder. Voor de echt goede platen van Blondie moeten we een paar decennia terug in de tijd, maar Pollinator is uiteindelijk goed voor een dikke voldoende en dat is gewoon een knappe prestatie. Erwin Zijleman
Blondshell - Blondshell (2023)

4,0
1
geplaatst: 12 april 2023, 15:17 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Blondshell - Blondshell - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blondshell - Blondshell
Het debuutalbum van de Amerikaanse muzikante Blondshell wordt deze week onthaald met superlatieven en dat is niet overdreven, want wat blijven de melodieuze songs op het album lekker hangen
Blondshell is het alter ego van de Amerikaanse muzikante Sabrina Teitelbaum, die deze week debuteert met een titelloos album. Het is een album uit een momenteel werkelijk overvolle vijver, mar Blondshell heeft net wat meer te bieden dan de meeste van haar concurrenten. Zo zijn de songs van de muzikante uit Los Angeles stuk voor stuk bovengemiddeld goed en steken ook de zang en de instrumentatie op het album ruim boven het maaiveld uit. Het debuutalbum van Blondshell is een ‘coming of age’ album met zeer persoonlijke teksten, maar het is ook een album vol songs die je na een keer horen niet zomaar gaat vergeten. Het zou me dan ook niet verbazen als Blondshell heel groot gaat worden.
Is er nog ruimte voor een volgende jonge vrouwelijke singer-songwriter met een voorliefde voor indierock? Wat mij betreft wel, al wordt het wel steeds lastiger om een debuutalbum te maken dat zich weet te onderscheiden van of zelfs iets toevoegt aan alles dat er al is. Als we de internationale muziekpers moeten geloven is dat de Amerikaanse muzikante Sabrina Teitelbaum gelukt op haar onder de naam Blondshell gemaakte debuutalbum, dat deze week is verschenen.
Sabrina Teitelbaum werd geboren in New York, maar zocht een tijdje geleden haar muzikale geluk in Los Angeles. Dat geluk lijkt ze te hebben gevonden, want het gaat opeens hard met Blondshell. Het alter ego van de jonge Amerikaanse muzikante stond begin dit jaar nog in het voorprogramma van Suki Waterhouse, maar wordt deze week onthaald als een van de grote ontdekkingen van het nog altijd redelijk prille muziekjaar 2023.
Superlatieven worden hierbij niet geschuwd en als zelfs de normaal gesproken behoorlijk kritische Britse kwaliteitskrant The Guardian spreekt over de geboorte van een rockster, moet er toch wel iets aan de hand zijn. The Guardian noemt overigens Hole en vooral PJ Harvey als relevant vergelijkingsmateriaal en dat zijn vergelijkingen die me op zijn minst nieuwsgierig maakten naar het debuut van Blondshell.
Ik heb het album inmiddels flink wat keren beluisterd en begrijp het enthousiasme van de internationale muziekpers inmiddels wel, al lijkt het bejubelen van Blondshell ook wel wat op een hype. Dat Sabrina Teitelbaum zich als Blondshell weet te onderscheiden van de talloze jonge vrouwelijke muzikanten die de afgelopen jaren zijn opgedoken durf ik echter wel te bevestigen.
Dat ligt niet zozeer aan de invloeden van PJ Harvey, die ik de laatste jaren veel vaker ben tegengekomen, en ook het feit dat het titelloze debuut van Blondshell een echt ‘coming of age’ album is, is niet heel bijzonder. Het bijzondere zit hem ook niet direct in de stem van de Amerikaanse muzikante, al zingt ze absoluut verdienstelijk. Het onderscheidende van het debuutalbum van Blondshell zit hem wat mij betreft vooral in de songs en de inkleuring van deze songs.
In de nog geen twee minuten durende openingstrack rockt Blondshell lekker stevig en mogen de gitaren uiteindelijk flink ontsporen, waarna de tweede track juist heerlijk loom klinkt, tot ook deze wat heftig eindigt. En zo gebeurt er in iedere track op het album weer wat anders, maar alles blijft even lekker hangen, waarbij het niet zoveel uitmaakt of de songs ingetogen of stevig zijn.
Sabrina Teitelbaum laat op haar debuutalbum horen dat ze heerlijk melodieuze songs kan schrijven die na één keer horen voorgoed in je hoofd zitten en dat is een bijzondere gave. Het zijn bovendien songs die ruw, ongepolijst en stekelig kunnen klinken, maar op hetzelfde moment klinken als nagenoeg perfecte popsongs met hier en daar wat echo’s uit de jaren 90. Nu ik het album wat vaker heb gehoord, raak ik overigens ook steeds meer onder de indruk van de zang op het album, die veelkleuriger is dan die van de meeste jonge muzikanten in het genre.
Het debuutalbum van Blondshell wordt momenteel de hemel in geprezen, maar het kan ook best zo zijn dat we dit album over een paar maanden compleet vergeten zijn. Dat laatste hoop ik overigens niet, want Sabrina Teitelbaum laat als Blondshell horen dat ze zomaar kan uitgroeien tot de jonge vrouwelijke singer-songwriters die de indierock van dit moment kleur geven. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Blondshell - Blondshell - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blondshell - Blondshell
Het debuutalbum van de Amerikaanse muzikante Blondshell wordt deze week onthaald met superlatieven en dat is niet overdreven, want wat blijven de melodieuze songs op het album lekker hangen
Blondshell is het alter ego van de Amerikaanse muzikante Sabrina Teitelbaum, die deze week debuteert met een titelloos album. Het is een album uit een momenteel werkelijk overvolle vijver, mar Blondshell heeft net wat meer te bieden dan de meeste van haar concurrenten. Zo zijn de songs van de muzikante uit Los Angeles stuk voor stuk bovengemiddeld goed en steken ook de zang en de instrumentatie op het album ruim boven het maaiveld uit. Het debuutalbum van Blondshell is een ‘coming of age’ album met zeer persoonlijke teksten, maar het is ook een album vol songs die je na een keer horen niet zomaar gaat vergeten. Het zou me dan ook niet verbazen als Blondshell heel groot gaat worden.
Is er nog ruimte voor een volgende jonge vrouwelijke singer-songwriter met een voorliefde voor indierock? Wat mij betreft wel, al wordt het wel steeds lastiger om een debuutalbum te maken dat zich weet te onderscheiden van of zelfs iets toevoegt aan alles dat er al is. Als we de internationale muziekpers moeten geloven is dat de Amerikaanse muzikante Sabrina Teitelbaum gelukt op haar onder de naam Blondshell gemaakte debuutalbum, dat deze week is verschenen.
Sabrina Teitelbaum werd geboren in New York, maar zocht een tijdje geleden haar muzikale geluk in Los Angeles. Dat geluk lijkt ze te hebben gevonden, want het gaat opeens hard met Blondshell. Het alter ego van de jonge Amerikaanse muzikante stond begin dit jaar nog in het voorprogramma van Suki Waterhouse, maar wordt deze week onthaald als een van de grote ontdekkingen van het nog altijd redelijk prille muziekjaar 2023.
Superlatieven worden hierbij niet geschuwd en als zelfs de normaal gesproken behoorlijk kritische Britse kwaliteitskrant The Guardian spreekt over de geboorte van een rockster, moet er toch wel iets aan de hand zijn. The Guardian noemt overigens Hole en vooral PJ Harvey als relevant vergelijkingsmateriaal en dat zijn vergelijkingen die me op zijn minst nieuwsgierig maakten naar het debuut van Blondshell.
Ik heb het album inmiddels flink wat keren beluisterd en begrijp het enthousiasme van de internationale muziekpers inmiddels wel, al lijkt het bejubelen van Blondshell ook wel wat op een hype. Dat Sabrina Teitelbaum zich als Blondshell weet te onderscheiden van de talloze jonge vrouwelijke muzikanten die de afgelopen jaren zijn opgedoken durf ik echter wel te bevestigen.
Dat ligt niet zozeer aan de invloeden van PJ Harvey, die ik de laatste jaren veel vaker ben tegengekomen, en ook het feit dat het titelloze debuut van Blondshell een echt ‘coming of age’ album is, is niet heel bijzonder. Het bijzondere zit hem ook niet direct in de stem van de Amerikaanse muzikante, al zingt ze absoluut verdienstelijk. Het onderscheidende van het debuutalbum van Blondshell zit hem wat mij betreft vooral in de songs en de inkleuring van deze songs.
In de nog geen twee minuten durende openingstrack rockt Blondshell lekker stevig en mogen de gitaren uiteindelijk flink ontsporen, waarna de tweede track juist heerlijk loom klinkt, tot ook deze wat heftig eindigt. En zo gebeurt er in iedere track op het album weer wat anders, maar alles blijft even lekker hangen, waarbij het niet zoveel uitmaakt of de songs ingetogen of stevig zijn.
Sabrina Teitelbaum laat op haar debuutalbum horen dat ze heerlijk melodieuze songs kan schrijven die na één keer horen voorgoed in je hoofd zitten en dat is een bijzondere gave. Het zijn bovendien songs die ruw, ongepolijst en stekelig kunnen klinken, maar op hetzelfde moment klinken als nagenoeg perfecte popsongs met hier en daar wat echo’s uit de jaren 90. Nu ik het album wat vaker heb gehoord, raak ik overigens ook steeds meer onder de indruk van de zang op het album, die veelkleuriger is dan die van de meeste jonge muzikanten in het genre.
Het debuutalbum van Blondshell wordt momenteel de hemel in geprezen, maar het kan ook best zo zijn dat we dit album over een paar maanden compleet vergeten zijn. Dat laatste hoop ik overigens niet, want Sabrina Teitelbaum laat als Blondshell horen dat ze zomaar kan uitgroeien tot de jonge vrouwelijke singer-songwriters die de indierock van dit moment kleur geven. Erwin Zijleman
Blondshell - If You Asked for a Picture (2025)

3,5
0
geplaatst: 8 mei 2025, 15:26 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Blondshell - If You Asked For A Picture - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Blondshell - If You Asked For A Picture
Na haar uitstekende en terecht bejubelde debuutalbum levert de Amerikaanse muzikante Sabrina Teitelbaum met If You Asked For A Picture wederom een aanstekelijk en interessant indierock album af als Blondshell
Luister naar If You Asked For A Picture, het tweede album van Blondshell, en je hoort flarden van de indierock zoals die in de jaren 90 werd gemaakt. Sabrina Teitelbaum, de muzikante achter Blondshell, is zeker niet de enige die zich door de indierock uit de jaren 90 laat beïnvloeden, maar haar nieuwe album klinkt ook zeker eigentijds. Het is een album dat, net als zijn voorganger, vol staat met bijzonder lekker in het gehoor liggende (indie)rocksongs, maar het zijn ook persoonlijke songs, die uitvoerig stil staan bij de levensvragen waar een twintiger mee worstelt. Het debuutalbum van Blondshell werd uitvoerig bewierookt en dat verdient If You Asked For A Picture ook.
Het titelloze debuutalbum van Blondshell verscheen net iets meer dan twee jaar geleden en werd destijds warm onthaald. Ik was zelf ook heel enthousiast over het eerste album van de Amerikaanse muzikante Sabrina Teitelbaum. Het debuutalbum van Blondshell was het zoveelste ‘coming of age’ album van een jonge vrouwelijke muzikante met een liefde voor indierock, maar Sabrina Teitelbaum deed alles beter dan haar collega muzikanten in het genre.
Er werd dan ook driftig gestrooid met superlatieven en de Britse kwaliteitskrant The Guardian noemde het debuutalbum van Blondshell, die werd vergeleken met PJ Harvey, zelfs de geboorte van een grote rockster. Ik was in mijn recensie van het album wat voorzichtiger en suggereerde dat we het debuutalbum van Blondshell, ondanks alle lovende recensies, net zo makkelijk snel vergeten zouden kunnen zijn.
Het is in mijn geval helaas uitgekomen, want het debuutalbum van Blondshell is niet te vinden in mijn jaarlijstje over 2023 en ik herinnerde me haar debuutalbum eerlijk gezegd pas weer toen ik haar nieuwe album zag opduiken in de lijst met de nieuwe albums van deze week. Uit een aantal recente artikelen begrijp ik overigens dat Blondshell buiten mijn zicht flink aan de weg heeft getimmerd de afgelopen twee jaar.
Ook If You Asked For A Picture is weer een album waar ik direct bij eerste beluistering enthousiast over was. Sabrina Teitelbaum is inmiddels de vijfentwintig gepasseerd, maar worstelt nog altijd met het volwassen worden, waardoor ook haar tweede album best een ‘coming of age’ album mag worden genoemd. Het levert weer mooie persoonlijke teksten op, die overigens ook niet vies zijn van de nodige humor.
Op If You Asked For A Picture werkt de muzikante uit Los Angeles, California, opnieuw samen met producer Yves Rothman, die ik verder alleen ken van het debuutalbum van Blondshell. Ook in muzikaal opzicht ligt het nieuwe album van Bloodshell in het verlengde van het debuutalbum. Sabrina Teitelbaum laat zich wederom beïnvloeden door de indierock zoals die in de jaren 90 werd gemaakt, maar sluit ook aan bij de indierock van het moment. I
f You Asked For A Picture klinkt wel wat gevarieerder dan het debuutalbum. Naast wat stevigere songs is er ook ruimte voor wat meer ingetogen en introspectieve songs en ook de muziek op het album is wat gevarieerder, al moeten de verschillen met het debuutalbum niet worden overdreven.
Blondshell schakelt op het nieuwe album weer makkelijk tussen invloeden uit de jaren 90 en het heden en stevigere en gruizige passages worden moeiteloos afgewisseld met meer atmosferische klanken. Sabrina Teitelbaum zingt nog steeds met veel overtuiging en is ook het schrijven van sterke songs nog niet verleerd. Net als het debuutalbum trekt ook If You Asked For A Picture de aandacht met melodieuze en lekker in het gehoor liggende songs, maar het zijn ook songs met diepgang.
Het klinkt allemaal zo aanstekelijk dat je direct een goed gevoel krijgt bij het album en dat is fijn. De songs van Blondshell zijn niet alleen aanstekelijk, maar het zijn ook songs die qua niveau opvallen in het aanbod van het moment, waardoor het ook dit keer voor de hand ligt om Blondshell een mooie toekomst in de muziek te voorspellen. Het zou niet meer dan terecht zijn. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: Blondshell - If You Asked For A Picture - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Blondshell - If You Asked For A Picture
Na haar uitstekende en terecht bejubelde debuutalbum levert de Amerikaanse muzikante Sabrina Teitelbaum met If You Asked For A Picture wederom een aanstekelijk en interessant indierock album af als Blondshell
Luister naar If You Asked For A Picture, het tweede album van Blondshell, en je hoort flarden van de indierock zoals die in de jaren 90 werd gemaakt. Sabrina Teitelbaum, de muzikante achter Blondshell, is zeker niet de enige die zich door de indierock uit de jaren 90 laat beïnvloeden, maar haar nieuwe album klinkt ook zeker eigentijds. Het is een album dat, net als zijn voorganger, vol staat met bijzonder lekker in het gehoor liggende (indie)rocksongs, maar het zijn ook persoonlijke songs, die uitvoerig stil staan bij de levensvragen waar een twintiger mee worstelt. Het debuutalbum van Blondshell werd uitvoerig bewierookt en dat verdient If You Asked For A Picture ook.
Het titelloze debuutalbum van Blondshell verscheen net iets meer dan twee jaar geleden en werd destijds warm onthaald. Ik was zelf ook heel enthousiast over het eerste album van de Amerikaanse muzikante Sabrina Teitelbaum. Het debuutalbum van Blondshell was het zoveelste ‘coming of age’ album van een jonge vrouwelijke muzikante met een liefde voor indierock, maar Sabrina Teitelbaum deed alles beter dan haar collega muzikanten in het genre.
Er werd dan ook driftig gestrooid met superlatieven en de Britse kwaliteitskrant The Guardian noemde het debuutalbum van Blondshell, die werd vergeleken met PJ Harvey, zelfs de geboorte van een grote rockster. Ik was in mijn recensie van het album wat voorzichtiger en suggereerde dat we het debuutalbum van Blondshell, ondanks alle lovende recensies, net zo makkelijk snel vergeten zouden kunnen zijn.
Het is in mijn geval helaas uitgekomen, want het debuutalbum van Blondshell is niet te vinden in mijn jaarlijstje over 2023 en ik herinnerde me haar debuutalbum eerlijk gezegd pas weer toen ik haar nieuwe album zag opduiken in de lijst met de nieuwe albums van deze week. Uit een aantal recente artikelen begrijp ik overigens dat Blondshell buiten mijn zicht flink aan de weg heeft getimmerd de afgelopen twee jaar.
Ook If You Asked For A Picture is weer een album waar ik direct bij eerste beluistering enthousiast over was. Sabrina Teitelbaum is inmiddels de vijfentwintig gepasseerd, maar worstelt nog altijd met het volwassen worden, waardoor ook haar tweede album best een ‘coming of age’ album mag worden genoemd. Het levert weer mooie persoonlijke teksten op, die overigens ook niet vies zijn van de nodige humor.
Op If You Asked For A Picture werkt de muzikante uit Los Angeles, California, opnieuw samen met producer Yves Rothman, die ik verder alleen ken van het debuutalbum van Blondshell. Ook in muzikaal opzicht ligt het nieuwe album van Bloodshell in het verlengde van het debuutalbum. Sabrina Teitelbaum laat zich wederom beïnvloeden door de indierock zoals die in de jaren 90 werd gemaakt, maar sluit ook aan bij de indierock van het moment. I
f You Asked For A Picture klinkt wel wat gevarieerder dan het debuutalbum. Naast wat stevigere songs is er ook ruimte voor wat meer ingetogen en introspectieve songs en ook de muziek op het album is wat gevarieerder, al moeten de verschillen met het debuutalbum niet worden overdreven.
Blondshell schakelt op het nieuwe album weer makkelijk tussen invloeden uit de jaren 90 en het heden en stevigere en gruizige passages worden moeiteloos afgewisseld met meer atmosferische klanken. Sabrina Teitelbaum zingt nog steeds met veel overtuiging en is ook het schrijven van sterke songs nog niet verleerd. Net als het debuutalbum trekt ook If You Asked For A Picture de aandacht met melodieuze en lekker in het gehoor liggende songs, maar het zijn ook songs met diepgang.
Het klinkt allemaal zo aanstekelijk dat je direct een goed gevoel krijgt bij het album en dat is fijn. De songs van Blondshell zijn niet alleen aanstekelijk, maar het zijn ook songs die qua niveau opvallen in het aanbod van het moment, waardoor het ook dit keer voor de hand ligt om Blondshell een mooie toekomst in de muziek te voorspellen. Het zou niet meer dan terecht zijn. Erwin Zijleman
Blood Orange - Essex Honey (2025)

1
geplaatst: 5 september 2025, 12:45 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Blood Orange - Essex Honey - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Blood Orange - Essex Honey
De muziek van Blood Orange was tot dusver wat langs me heen gegaan, maar de Britse muzikant Devonté Hynes heeft met Essex Honey een fascinerend album gemaakt met een bonte mix aan invloeden en geweldige songs
Essex Honey is al het zesde album van de Britse muzikant Devonté Hynes, die ooit deel uitmaakte van de band Test Icicles, maar inmiddels al weer heel wat jaren muziek maakt onder de naam Blood Orange. Het is muziek waar nogal wat en flink uiteenlopende labeltjes op worden geplakt, maar met het in een hokje stoppen van Essex Honey doe je het album flink te kort. Samen met flink wat gastmuzikanten heeft Devonté Hynes een album gemaakt waarop je maar nieuwe dingen blijft horen, maar dat ook vol staat met memorabele songs. Ik moet er nog veel vaker naar luisteren om het album volledig te doorgronden, maar begrijp wel waarom Essex Honey hier en daar een bescheiden meesterwerk wordt genoemd.
De albums van Blood Orange kunnen inmiddels al een kleine vijftien jaar rekenen op zeer positieve recensies. Ik heb zeker niet alle albums van het project van de Britse muzikant Devonté Hynes, geboren als David Joseph Michael Hynes, beluisterd, maar ik heb er zeker een aantal voorbij horen komen sinds het debuutalbum uit 2011.
Veel meer dan vluchtig beluisteren heb ik niet gedaan vrees ik, waarna ik al snel concludeerde dat de muziek van Blood Orange niets voor mij was. Dat gold ook al voor de muziek van Test Icicles, de vorige band van de Britse muzikant en als je een oordeel hebt hou je daar helaas makkelijk aan vast.
Ook het deze week verschenen Essex Honey had ik weer makkelijk opzij gelegd, maar het album bleef op een of andere manier aan me trekken. Dat heeft deels te maken met de wederom zeer positieve recensies, maar ook de gastenlijst trok nadrukkelijk mijn aandacht. Op de gastenlijst van Essex Honey prijken onder andere de namen van Caroline Polachek, Durutti Column, Lorde, Mustafa, Tirzah en Mabe Frati en dat is een lijstje namen dat je niet vaak op ziet duiken op één album.
Essex Honey is al het zesde album van Blood Orange en volgt op een periode van stilte van zeven jaar, waarin Devonté Hynes onder andere de aandacht trok met remixes. Dat doet hij op Essex Honey weer met zijn eigen muziek en nu ik het album meerdere keren heb beluisterd kan ik alleen maar concluderen dat de Britse muzikant dit op zeer indrukwekkende wijze doet.
Op basis van de vluchtige beluistering van de vorige albums had ik Blood Orange ingedeeld in het hokje R&B, maar dat is slechts een van de vele gezichten van het project. Bij beluistering van Essex Honey trekt een bont palet aan stijlen voorbij. Ik hoor inderdaad invloeden uit de R&B, maar het album bevat ook flarden jazz en triphop. Hiernaast doen de beeldende klanken van Blood Orange hier en daar aan filmmuziek of neoklassieke muziek denken, maar Devonté Hynes flirt ook met elektronische popmuziek, indierock en Britse new wave.
Vaak worden al deze invloeden gecombineerd in popsongs die makkelijk verleiden, maar die ook vol bijzondere details zitten. In veel tracks hoor je lome en R&B achtige beats, maar deze worden omgeven door ritmes uit de jazz en de triphop. De soulvolle vocalen duwen Essex Honey wat verder in de richting van de R&B, maar het klinkt geen moment als de meeste andere R&B albums die ik ken. Door elektronica en de bijdragen van onder andere Lorde en Caroline Polachek schuiven de songs van Blood Orange af en toe richting pop, maar de muziek van de Britse muzikant kan ook jazzy en soulvol klinken, met hier en daar een vleugje psychedelica.
Het zal duidelijk zijn dat Essex Honey een album is dat niet is te voorzien van één etiket en dat wordt alleen maar duidelijker wanneer je het album vaker hoort en de verschillende invloeden steeds meer samenvloeien. De enorme talenten van Devonté Hynes worden inmiddels al geruime tijd erkend en ik kan alleen maar toegeven dat ik heb zitten slapen de afgelopen vijftien jaar. Essex Honey is een album dat Prince had kunnen maken wanneer hij nog net wat verder buiten zijn muzikale comfort zone was gekropen en het was zeker niet het minste album van de Amerikaanse muzikant geweest. Het moet genoeg zeggen over de kwaliteit van Essex Honey. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: Blood Orange - Essex Honey - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Blood Orange - Essex Honey
De muziek van Blood Orange was tot dusver wat langs me heen gegaan, maar de Britse muzikant Devonté Hynes heeft met Essex Honey een fascinerend album gemaakt met een bonte mix aan invloeden en geweldige songs
Essex Honey is al het zesde album van de Britse muzikant Devonté Hynes, die ooit deel uitmaakte van de band Test Icicles, maar inmiddels al weer heel wat jaren muziek maakt onder de naam Blood Orange. Het is muziek waar nogal wat en flink uiteenlopende labeltjes op worden geplakt, maar met het in een hokje stoppen van Essex Honey doe je het album flink te kort. Samen met flink wat gastmuzikanten heeft Devonté Hynes een album gemaakt waarop je maar nieuwe dingen blijft horen, maar dat ook vol staat met memorabele songs. Ik moet er nog veel vaker naar luisteren om het album volledig te doorgronden, maar begrijp wel waarom Essex Honey hier en daar een bescheiden meesterwerk wordt genoemd.
De albums van Blood Orange kunnen inmiddels al een kleine vijftien jaar rekenen op zeer positieve recensies. Ik heb zeker niet alle albums van het project van de Britse muzikant Devonté Hynes, geboren als David Joseph Michael Hynes, beluisterd, maar ik heb er zeker een aantal voorbij horen komen sinds het debuutalbum uit 2011.
Veel meer dan vluchtig beluisteren heb ik niet gedaan vrees ik, waarna ik al snel concludeerde dat de muziek van Blood Orange niets voor mij was. Dat gold ook al voor de muziek van Test Icicles, de vorige band van de Britse muzikant en als je een oordeel hebt hou je daar helaas makkelijk aan vast.
Ook het deze week verschenen Essex Honey had ik weer makkelijk opzij gelegd, maar het album bleef op een of andere manier aan me trekken. Dat heeft deels te maken met de wederom zeer positieve recensies, maar ook de gastenlijst trok nadrukkelijk mijn aandacht. Op de gastenlijst van Essex Honey prijken onder andere de namen van Caroline Polachek, Durutti Column, Lorde, Mustafa, Tirzah en Mabe Frati en dat is een lijstje namen dat je niet vaak op ziet duiken op één album.
Essex Honey is al het zesde album van Blood Orange en volgt op een periode van stilte van zeven jaar, waarin Devonté Hynes onder andere de aandacht trok met remixes. Dat doet hij op Essex Honey weer met zijn eigen muziek en nu ik het album meerdere keren heb beluisterd kan ik alleen maar concluderen dat de Britse muzikant dit op zeer indrukwekkende wijze doet.
Op basis van de vluchtige beluistering van de vorige albums had ik Blood Orange ingedeeld in het hokje R&B, maar dat is slechts een van de vele gezichten van het project. Bij beluistering van Essex Honey trekt een bont palet aan stijlen voorbij. Ik hoor inderdaad invloeden uit de R&B, maar het album bevat ook flarden jazz en triphop. Hiernaast doen de beeldende klanken van Blood Orange hier en daar aan filmmuziek of neoklassieke muziek denken, maar Devonté Hynes flirt ook met elektronische popmuziek, indierock en Britse new wave.
Vaak worden al deze invloeden gecombineerd in popsongs die makkelijk verleiden, maar die ook vol bijzondere details zitten. In veel tracks hoor je lome en R&B achtige beats, maar deze worden omgeven door ritmes uit de jazz en de triphop. De soulvolle vocalen duwen Essex Honey wat verder in de richting van de R&B, maar het klinkt geen moment als de meeste andere R&B albums die ik ken. Door elektronica en de bijdragen van onder andere Lorde en Caroline Polachek schuiven de songs van Blood Orange af en toe richting pop, maar de muziek van de Britse muzikant kan ook jazzy en soulvol klinken, met hier en daar een vleugje psychedelica.
Het zal duidelijk zijn dat Essex Honey een album is dat niet is te voorzien van één etiket en dat wordt alleen maar duidelijker wanneer je het album vaker hoort en de verschillende invloeden steeds meer samenvloeien. De enorme talenten van Devonté Hynes worden inmiddels al geruime tijd erkend en ik kan alleen maar toegeven dat ik heb zitten slapen de afgelopen vijftien jaar. Essex Honey is een album dat Prince had kunnen maken wanneer hij nog net wat verder buiten zijn muzikale comfort zone was gekropen en het was zeker niet het minste album van de Amerikaanse muzikant geweest. Het moet genoeg zeggen over de kwaliteit van Essex Honey. Erwin Zijleman
Blood Red Shoes - Ghosts on Tape (2022)

4,0
1
geplaatst: 19 januari 2022, 11:49 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Blood Red Shoes - GHOSTS ON TAPE - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blood Red Shoes - GHOSTS ON TAPE
Blood Red Shoes levert een enorm zwaar aangezet en behoorlijk donker of zelfs duister album af, maar tussen al het muzikale geweld hoor je ook een aantal uitstekende en verrassend avontuurlijke songs
Van Blood Red Shoes ken ik het uitstekende debuut en nog een van de andere albums, maar ik heb de muziek van het Britse duo ook vaak laten liggen. Het nieuwe album van het duo uit Brighton bevalt me echter uitstekend. Ghosts On Tape is voorzien van een loodzware instrumentatie met flink wat elektronica en een al even zware productie. De zware maar fascinerende klanken worden soms gecombineerd met de rauwe strot van Steven Ansell, maar meestal met de aangename stem van Laura-Mary Carter. Het levert een album vol memorabele songs, torenhoge spanningsbogen, heel veel dynamiek en de nodige verrassende wendingen op.
Ik ben tot dusver geen heel groot fan van de Britse band Blood Red Shoes. Van de vorige vijf albums die het duo bestaande uit Laura-Mary Carter en Steven Ansell heeft uitgebracht heb ik de meeste laten liggen, maar album nummer zes bevalt me vooralsnog uitstekend. GHOSTS ON TAPE (ik zal het één keer met de voorgeschreven hoofdletters doen) begint en eindigt met een wat vervormd pianoriedeltje en wat atmosferische klanken, maar hier tussenin walst het Britse tweetal over je heen met een zwaar aangezet elektronisch geluid.
In de openingstrack Comply horen we de vervormde zang van Steven Ansell, die zich met gepassioneerde zang staande houdt tussen al het elektronische geweld. Ik ben niet altijd gek op elektronische geluidsmuren, maar de openingstrack van het nieuwe album van Blood Red Shoes bestaat uit een heleboel lagen en bouwt de spanning prachtig op.
Ook in de tweede track Morbid Fascination (seriemoordenaars staan centraal op het album) is het geluid van Blood Red Shoes behoorlijk zwaar aangezet en voorzien van een flinke batterij elektronica. De muur van geluid wordt dit keer echter gecombineerd met de aangename stem van Laura-Mary Carter. Het klinkt allemaal behoorlijk donker en dreigend en er komt nogal wat elektronisch geweld uit de speakers zetten, maar Blood Red Shoes levert ook een geweldig popliedje af met de tweede track op het album.
Laura-Mary Carter tekent ook voor de vocalen in Murder Me, dat wederom is voorzien van flink volle elektronische klankentapijten, maar dat opvalt door de loodzware drums, die voor de afwisseling eens helemaal vooraan in de mix staan. Na wat vervormde geluiden vervolgt het album met het rauwe Give Up, waarin Steven Ansell het uitschreeuwt terwijl de keyboards duistere klanken over ons uitstorten. Het klinkt bijzonder, maar als het aan mij ligt verzorgt Laura-Mary Carter de vocalen bij Blood Red Shoes. Give Up tekent overigens wel voor prachtige synths met een hoog 80s en 90s gehalte en voor fraaie spanningsbogen.
Blood Red Shoes maakt zeker niet de muziek waar ik vaak en graag naar luister, maar de ruwe verleiding van Ghosts On Tape is lastig te weerstaan. In Sucker gooit Laura-Mary Carter het vol op de verleiding, terwijl op de achtergrond de instrumentatie steeds dreigender wordt en de drums wederom een opvallende plek in de mix hebben gekregen.
Begging lijkt in eerste instantie een redelijk rechttoe rechtaan gitaarsong, maar omdat de echte uitbarsting uitblijft en het opbouwen van de spanning nu juist achterwege wordt gelaten, voegt Blood Red Shoes weer een verrassende track toe aan haar zesde album. Het door Steven Ansell gezongen I Am Not You is vervolgens wel de rechttoe rechtaan gitaarsong, al klinken de synths weer bijzonder, beuken de drums er genadeloos op los en voegt Laura-Mary Carter honingzoete contrasten toe in de zang.
Iets over de helft van het album slaat de verzadiging bij mij wat toe, maar de aardedonkere popliedjes van het Britse duo blijven goed en in iedere track gebeurt er weer iets anders en vaak iets onverwachts. Ghosts On Tape is, in ieder geval voor mij, geen album voor elk moment, maar zo op zijn tijd klinkt het allemaal fantastisch en blijft Blood Red Shoes me maar verbazen met een meedogenloos geluid, maar ook altijd onverwachte accenten en verrassende wendingen. Als de vorige vijf albums van de band ook zo goed zijn heb ik Blood Red Shoes de afgelopen jaren hopeloos onderschat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Blood Red Shoes - GHOSTS ON TAPE - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Blood Red Shoes - GHOSTS ON TAPE
Blood Red Shoes levert een enorm zwaar aangezet en behoorlijk donker of zelfs duister album af, maar tussen al het muzikale geweld hoor je ook een aantal uitstekende en verrassend avontuurlijke songs
Van Blood Red Shoes ken ik het uitstekende debuut en nog een van de andere albums, maar ik heb de muziek van het Britse duo ook vaak laten liggen. Het nieuwe album van het duo uit Brighton bevalt me echter uitstekend. Ghosts On Tape is voorzien van een loodzware instrumentatie met flink wat elektronica en een al even zware productie. De zware maar fascinerende klanken worden soms gecombineerd met de rauwe strot van Steven Ansell, maar meestal met de aangename stem van Laura-Mary Carter. Het levert een album vol memorabele songs, torenhoge spanningsbogen, heel veel dynamiek en de nodige verrassende wendingen op.
Ik ben tot dusver geen heel groot fan van de Britse band Blood Red Shoes. Van de vorige vijf albums die het duo bestaande uit Laura-Mary Carter en Steven Ansell heeft uitgebracht heb ik de meeste laten liggen, maar album nummer zes bevalt me vooralsnog uitstekend. GHOSTS ON TAPE (ik zal het één keer met de voorgeschreven hoofdletters doen) begint en eindigt met een wat vervormd pianoriedeltje en wat atmosferische klanken, maar hier tussenin walst het Britse tweetal over je heen met een zwaar aangezet elektronisch geluid.
In de openingstrack Comply horen we de vervormde zang van Steven Ansell, die zich met gepassioneerde zang staande houdt tussen al het elektronische geweld. Ik ben niet altijd gek op elektronische geluidsmuren, maar de openingstrack van het nieuwe album van Blood Red Shoes bestaat uit een heleboel lagen en bouwt de spanning prachtig op.
Ook in de tweede track Morbid Fascination (seriemoordenaars staan centraal op het album) is het geluid van Blood Red Shoes behoorlijk zwaar aangezet en voorzien van een flinke batterij elektronica. De muur van geluid wordt dit keer echter gecombineerd met de aangename stem van Laura-Mary Carter. Het klinkt allemaal behoorlijk donker en dreigend en er komt nogal wat elektronisch geweld uit de speakers zetten, maar Blood Red Shoes levert ook een geweldig popliedje af met de tweede track op het album.
Laura-Mary Carter tekent ook voor de vocalen in Murder Me, dat wederom is voorzien van flink volle elektronische klankentapijten, maar dat opvalt door de loodzware drums, die voor de afwisseling eens helemaal vooraan in de mix staan. Na wat vervormde geluiden vervolgt het album met het rauwe Give Up, waarin Steven Ansell het uitschreeuwt terwijl de keyboards duistere klanken over ons uitstorten. Het klinkt bijzonder, maar als het aan mij ligt verzorgt Laura-Mary Carter de vocalen bij Blood Red Shoes. Give Up tekent overigens wel voor prachtige synths met een hoog 80s en 90s gehalte en voor fraaie spanningsbogen.
Blood Red Shoes maakt zeker niet de muziek waar ik vaak en graag naar luister, maar de ruwe verleiding van Ghosts On Tape is lastig te weerstaan. In Sucker gooit Laura-Mary Carter het vol op de verleiding, terwijl op de achtergrond de instrumentatie steeds dreigender wordt en de drums wederom een opvallende plek in de mix hebben gekregen.
Begging lijkt in eerste instantie een redelijk rechttoe rechtaan gitaarsong, maar omdat de echte uitbarsting uitblijft en het opbouwen van de spanning nu juist achterwege wordt gelaten, voegt Blood Red Shoes weer een verrassende track toe aan haar zesde album. Het door Steven Ansell gezongen I Am Not You is vervolgens wel de rechttoe rechtaan gitaarsong, al klinken de synths weer bijzonder, beuken de drums er genadeloos op los en voegt Laura-Mary Carter honingzoete contrasten toe in de zang.
Iets over de helft van het album slaat de verzadiging bij mij wat toe, maar de aardedonkere popliedjes van het Britse duo blijven goed en in iedere track gebeurt er weer iets anders en vaak iets onverwachts. Ghosts On Tape is, in ieder geval voor mij, geen album voor elk moment, maar zo op zijn tijd klinkt het allemaal fantastisch en blijft Blood Red Shoes me maar verbazen met een meedogenloos geluid, maar ook altijd onverwachte accenten en verrassende wendingen. Als de vorige vijf albums van de band ook zo goed zijn heb ik Blood Red Shoes de afgelopen jaren hopeloos onderschat. Erwin Zijleman
Bloomsday - Heart of the Artichoke (2024)

4,5
0
geplaatst: 11 juni 2024, 17:53 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Bloomsday - Heart Of The Artichoke - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Bloomsday - Heart Of The Artichoke
Bloomsday, het alter ego van de Amerikaanse muzikant Iris James Garrison, trok twee jaar geleden in kleine kring de aandacht, maar verdient nu echt alle aandacht voor het zeer fraaie Heart Of The Artichoke
Albums met sfeervolle klanken en een mix van indiefolk en Amerikaanse rootsmuziek zijn er volop en ook albums die de aandacht trekken met een mooie stem zijn in ruime mate verkrijgbaar. Op Heart Of The Artichoke van Bloomsday zijn zowel de muziek als de zang bijzonder mooi en het project van de Amerikaanse muzikant Iris James Garrison verrast ook nog eens met een serie uitstekende songs. De muzikant uit Brooklyn, New York, zet op het debuutalbum van Bloomsday een flinke stap vooruit en levert een album af dat zeker niet onder doet voor de betere albums van het moment. Het is dringen in de genres waarin Iris James Garrison zich beweegt, maar dit is echt een topalbum.
Van Bloomsday verscheen bijna precies twee jaar geleden het mini-album Place To Land. Het mini-album trok de aandacht met sfeervolle indiepop, indiefolk en indierock, met een hele mooie stem en met een fraaie en veelkleurige instrumentatie. Mede door de beperkte speelduur, maar ook door de vele raakvlakken met de muziek van de groten in de genoemde genres, maakte Bloomsday niet direct een onuitwisbare indruk, maar het mini-album was wel goed genoeg om de naam te onthouden.
Bloomsday is een project van de uit Brooklyn, New York, afkomstige singer-songwriter Iris James Garrison, die zichzelf ziet als non-binair persoon. De Amerikaanse muzikant maakte Place To Land met zeer bescheiden middelen, maar kon op het deze week verschenen debuutalbum Heart Of The Artichoke wat grootser uitpakken. Het album werd opgenomen in de studio van het duo Babehoven (check absoluut hun eerder dit jaar verschenen prachtalbum Water's Here In You) in upstate New York. Babehoven’s Ryan Albert produceerde het album, waarop meerdere gastmuzikanten uit de New Yorkse muziekscene zijn te horen.
Bloomsday maakte op het eerder verschenen mini-album al indruk met een mooi geluid, maar het geluid op Heart Of The Artichoke is nog mooier. Het is een warm en sfeervol geluid, dat vergeleken met de vorige songs van Bloomsday wat meer invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek bevat, met hier en daar een gruizige gitaar. Iris James Garrison schuurde op het mini-album van twee jaar geleden vrij dicht tegen de muziek van onder andere Phoebe Bridgers en Lucy Dacus aan, maar laat op Heart Of The Artichoke een meer eigen geluid horen.
Het is een geluid dat is te karakteriseren als een mix van indiefolk en Amerikaanse rootsmuziek, al laat de muziek van Bloomsday zich niet altijd in een hokje duwen. Ik ben zeer gecharmeerd van het geluid op het album, dat aan de ene kant ingetogen en sfeervol is, maar ook is gevuld met heel veel mooie details, waaronder prachtige bijdragen van de pedal steel. Het is een wat loom en dromerig geluid dat het vast goed gaat doen op mooie zomerdagen, maar dat ook bij alle regen van het moment aangenaam klinkt.
Door de zeer fraaie instrumentatie op het album en de net wat andere mix van stijlen heeft Bloomsday op Heart Of The Artichoke zoals gezegd een meer eigen geluid en dit wordt versterkt door de zang op het album. Iris James Garrison overtuigde twee jaar geleden al vrij makkelijk met mooie zang, maar de zang op Heart Of The Artichoke is nog een stuk mooier. Het is vrij zachte zang, maar de muzikant uit Brooklyn zingt prachtig zuiver en met veel precisie en gevoel. De combinatie van de sfeervolle klanken en de echt hele mooie zang is voor mij al vrijwel onweerstaanbaar, maar het debuutalbum van Bloomsday valt ook nog eens op door persoonlijke songs die zich stuk voor stuk moeiteloos opdringen.
Iris James Garrison is momenteel zeker niet de enige die muziek maakt als de muziek die is te horen op Heart Of The Artichoke, waardoor verzadiging op de loer ligt. Ik laat daarom steeds meer albums in de genoemde genres liggen, maar het debuutalbum van Bloomsday kan er wel eens een zijn die er uit springt in het enorme aanbod van het moment en uitgroeit tot een belangrijk album. Vooralsnog ben ik in ieder geval zeer te spreken over het uitstekende Heart Of The Artichoke. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Bloomsday - Heart Of The Artichoke - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Bloomsday - Heart Of The Artichoke
Bloomsday, het alter ego van de Amerikaanse muzikant Iris James Garrison, trok twee jaar geleden in kleine kring de aandacht, maar verdient nu echt alle aandacht voor het zeer fraaie Heart Of The Artichoke
Albums met sfeervolle klanken en een mix van indiefolk en Amerikaanse rootsmuziek zijn er volop en ook albums die de aandacht trekken met een mooie stem zijn in ruime mate verkrijgbaar. Op Heart Of The Artichoke van Bloomsday zijn zowel de muziek als de zang bijzonder mooi en het project van de Amerikaanse muzikant Iris James Garrison verrast ook nog eens met een serie uitstekende songs. De muzikant uit Brooklyn, New York, zet op het debuutalbum van Bloomsday een flinke stap vooruit en levert een album af dat zeker niet onder doet voor de betere albums van het moment. Het is dringen in de genres waarin Iris James Garrison zich beweegt, maar dit is echt een topalbum.
Van Bloomsday verscheen bijna precies twee jaar geleden het mini-album Place To Land. Het mini-album trok de aandacht met sfeervolle indiepop, indiefolk en indierock, met een hele mooie stem en met een fraaie en veelkleurige instrumentatie. Mede door de beperkte speelduur, maar ook door de vele raakvlakken met de muziek van de groten in de genoemde genres, maakte Bloomsday niet direct een onuitwisbare indruk, maar het mini-album was wel goed genoeg om de naam te onthouden.
Bloomsday is een project van de uit Brooklyn, New York, afkomstige singer-songwriter Iris James Garrison, die zichzelf ziet als non-binair persoon. De Amerikaanse muzikant maakte Place To Land met zeer bescheiden middelen, maar kon op het deze week verschenen debuutalbum Heart Of The Artichoke wat grootser uitpakken. Het album werd opgenomen in de studio van het duo Babehoven (check absoluut hun eerder dit jaar verschenen prachtalbum Water's Here In You) in upstate New York. Babehoven’s Ryan Albert produceerde het album, waarop meerdere gastmuzikanten uit de New Yorkse muziekscene zijn te horen.
Bloomsday maakte op het eerder verschenen mini-album al indruk met een mooi geluid, maar het geluid op Heart Of The Artichoke is nog mooier. Het is een warm en sfeervol geluid, dat vergeleken met de vorige songs van Bloomsday wat meer invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek bevat, met hier en daar een gruizige gitaar. Iris James Garrison schuurde op het mini-album van twee jaar geleden vrij dicht tegen de muziek van onder andere Phoebe Bridgers en Lucy Dacus aan, maar laat op Heart Of The Artichoke een meer eigen geluid horen.
Het is een geluid dat is te karakteriseren als een mix van indiefolk en Amerikaanse rootsmuziek, al laat de muziek van Bloomsday zich niet altijd in een hokje duwen. Ik ben zeer gecharmeerd van het geluid op het album, dat aan de ene kant ingetogen en sfeervol is, maar ook is gevuld met heel veel mooie details, waaronder prachtige bijdragen van de pedal steel. Het is een wat loom en dromerig geluid dat het vast goed gaat doen op mooie zomerdagen, maar dat ook bij alle regen van het moment aangenaam klinkt.
Door de zeer fraaie instrumentatie op het album en de net wat andere mix van stijlen heeft Bloomsday op Heart Of The Artichoke zoals gezegd een meer eigen geluid en dit wordt versterkt door de zang op het album. Iris James Garrison overtuigde twee jaar geleden al vrij makkelijk met mooie zang, maar de zang op Heart Of The Artichoke is nog een stuk mooier. Het is vrij zachte zang, maar de muzikant uit Brooklyn zingt prachtig zuiver en met veel precisie en gevoel. De combinatie van de sfeervolle klanken en de echt hele mooie zang is voor mij al vrijwel onweerstaanbaar, maar het debuutalbum van Bloomsday valt ook nog eens op door persoonlijke songs die zich stuk voor stuk moeiteloos opdringen.
Iris James Garrison is momenteel zeker niet de enige die muziek maakt als de muziek die is te horen op Heart Of The Artichoke, waardoor verzadiging op de loer ligt. Ik laat daarom steeds meer albums in de genoemde genres liggen, maar het debuutalbum van Bloomsday kan er wel eens een zijn die er uit springt in het enorme aanbod van het moment en uitgroeit tot een belangrijk album. Vooralsnog ben ik in ieder geval zeer te spreken over het uitstekende Heart Of The Artichoke. Erwin Zijleman
Blossoms - Gary (2024)

4,0
0
geplaatst: 6 januari 2025, 17:04 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Blossoms - Gary - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Blossoms - Gary
Ik hoorde nooit zo heel veel in de muziek van de Britse band Blossoms, maar met Gary heeft de band uit Stockport afgelopen herfst een album vol zonnestralen afgeleverd, dat is gevuld met tien instant hits
Zeker nu de dagen vooral koud en donker zijn groeit de behoefte aan een feelgood album. Zo’n album is wat mij betreft gemaakt door de Britse band Blossoms. Gary verscheen een paar maanden geleden, maar kwam pas op mijn netvlies nadat het was opgedoken in een aantal Britse jaarlijstjes. Op die notering valt niets af te dingen, want Blossoms doet op Gary eigenlijk alles goed. De band citeert nog altijd uit de archieven van de Britpop van de jaren 90 tot nu, maar doet dit keer ook een flinke greep uit de popmuziek die is gemaakt in de jaren 70 en 80. Het klinkt allemaal wat glad en weinig spannend, maar de songs van Blossoms op Gary zijn stuk voor stuk 24 karaat popsongs.
De Britse band Blossoms debuteerde in 2016 best aardig, maar het titelloze debuutalbum van de band uit Stockport, Greater Manchester, klonk ook wel een beetje als een mix van alles dat leuk was aan Britpop in de jaren 90, maar dan net wat minder goed en met enige regelmaat net over het randje van de kitsch.
Op de drie albums die volgden werd het er wat mij betreft zeker niet beter op, waardoor ik er van uit ging dat ik ook het in de herfst van 2024 verschenen Gary met een gerust hart kon laten liggen. Met name in de Britse jaarlijstjes deed het album het echter verrassend goed, waardoor ik het album er toch eens bij heb gepakt.
Voor ik toe kwam aan Gary kwam ik op Spotify uit bij het mini-album Gary’s Covers, dat ik echt verrassend leuk vind. Op dit album gaat Blossoms aan de haal met songs van onder andere Whitney Houston, The Real Thing, Radiohead, Neil Diamond, Caroline Polachek, Lady Gaga en Bob Marley en maakt het aangenaam warmbloedige versies van songs die in een aantal gevallen al te vaak zijn gecovered.
Gary’s Covers doet het uitstekend in de koude en donkere wintermaanden en dat geldt eigenlijk ook voor het album Gary. Op zich is er niet heel veel veranderd in het geluid van Blossoms sinds het debuutalbum van de Britse band. Ook op Gary citeert Blossoms stevig uit de archieven van de Britpop van de afgelopen decennia en gebruikt het zowel gitaren als synths voor het inkleuren van haar songs.
De band beperkt zich op haar laatste album overigens zeker niet tot de Britpop van bands als Suede, Arctic Monkeys, The Coral, Kasabian en noem ze maar op, maar sleept er ook andere invloeden bij. Wanneer de basloopjes swingender worden en de gitaren funky kruipt Gary ook dicht tegen de jaren 70 disco aan, terwijl de vaak wat cheesy synths het album ook een jaren 80 sfeertje geven.
Liefhebbers van ruwe gitaarbandjes zijn bij Blossoms definitief aan het verkeerde adres, want Gary is een gepolijst klinkend album dat de scherpe kantjes zorgvuldig uit de weg gaat. Op de vorige albums van de Britse band manoeuvreerden de songs van Blossoms met enige regelmaat angstvallig dicht langs de grens tussen kunst en kitsch, maar op Gary blijft het wat mij betreft aan de juiste kant van de streep.
Gary van Blossoms staat vol met tijdloze popsongs en het zijn popsongs die je na één keer horen mee kunt zingen. Het doet me af en toe aan ABC denken, maar Blossoms laat zich op Gary net zo makkelijk beïnvloeden door The Smiths, door Chic, door Blondie of door wat eigenlijk niet?
Ik ben niet altijd in de stemming voor het soort popmuziek dat Blossoms maakt, want het is wat aan de brave en gepolijste kant, maar de songs van de Britse band zijn echt heel goed en ook op de uitvoering en op de productie van James Skelly, die we kennen als lid van The Coral heb ik niets aan te merken.
Gary klinkt ook meer dan eens als de muziek die ik in de jaren 80 stiekem best wel lekker vond klinken, maar vanwege goede smaak toch maar liet liggen. Daar ben ik tegenwoordig niet meer mee bezig, zeker niet omdat ik heel blij wordt van de songs op Gary. De platenmaatschappij van Blossoms had niet veel vertrouwen meer in de band, waardoor Gary bij een piepklein label is verschenen, maar dat label slaat nu een geweldige slag met deze portie zonnestralen op muziek. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: Blossoms - Gary - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Blossoms - Gary
Ik hoorde nooit zo heel veel in de muziek van de Britse band Blossoms, maar met Gary heeft de band uit Stockport afgelopen herfst een album vol zonnestralen afgeleverd, dat is gevuld met tien instant hits
Zeker nu de dagen vooral koud en donker zijn groeit de behoefte aan een feelgood album. Zo’n album is wat mij betreft gemaakt door de Britse band Blossoms. Gary verscheen een paar maanden geleden, maar kwam pas op mijn netvlies nadat het was opgedoken in een aantal Britse jaarlijstjes. Op die notering valt niets af te dingen, want Blossoms doet op Gary eigenlijk alles goed. De band citeert nog altijd uit de archieven van de Britpop van de jaren 90 tot nu, maar doet dit keer ook een flinke greep uit de popmuziek die is gemaakt in de jaren 70 en 80. Het klinkt allemaal wat glad en weinig spannend, maar de songs van Blossoms op Gary zijn stuk voor stuk 24 karaat popsongs.
De Britse band Blossoms debuteerde in 2016 best aardig, maar het titelloze debuutalbum van de band uit Stockport, Greater Manchester, klonk ook wel een beetje als een mix van alles dat leuk was aan Britpop in de jaren 90, maar dan net wat minder goed en met enige regelmaat net over het randje van de kitsch.
Op de drie albums die volgden werd het er wat mij betreft zeker niet beter op, waardoor ik er van uit ging dat ik ook het in de herfst van 2024 verschenen Gary met een gerust hart kon laten liggen. Met name in de Britse jaarlijstjes deed het album het echter verrassend goed, waardoor ik het album er toch eens bij heb gepakt.
Voor ik toe kwam aan Gary kwam ik op Spotify uit bij het mini-album Gary’s Covers, dat ik echt verrassend leuk vind. Op dit album gaat Blossoms aan de haal met songs van onder andere Whitney Houston, The Real Thing, Radiohead, Neil Diamond, Caroline Polachek, Lady Gaga en Bob Marley en maakt het aangenaam warmbloedige versies van songs die in een aantal gevallen al te vaak zijn gecovered.
Gary’s Covers doet het uitstekend in de koude en donkere wintermaanden en dat geldt eigenlijk ook voor het album Gary. Op zich is er niet heel veel veranderd in het geluid van Blossoms sinds het debuutalbum van de Britse band. Ook op Gary citeert Blossoms stevig uit de archieven van de Britpop van de afgelopen decennia en gebruikt het zowel gitaren als synths voor het inkleuren van haar songs.
De band beperkt zich op haar laatste album overigens zeker niet tot de Britpop van bands als Suede, Arctic Monkeys, The Coral, Kasabian en noem ze maar op, maar sleept er ook andere invloeden bij. Wanneer de basloopjes swingender worden en de gitaren funky kruipt Gary ook dicht tegen de jaren 70 disco aan, terwijl de vaak wat cheesy synths het album ook een jaren 80 sfeertje geven.
Liefhebbers van ruwe gitaarbandjes zijn bij Blossoms definitief aan het verkeerde adres, want Gary is een gepolijst klinkend album dat de scherpe kantjes zorgvuldig uit de weg gaat. Op de vorige albums van de Britse band manoeuvreerden de songs van Blossoms met enige regelmaat angstvallig dicht langs de grens tussen kunst en kitsch, maar op Gary blijft het wat mij betreft aan de juiste kant van de streep.
Gary van Blossoms staat vol met tijdloze popsongs en het zijn popsongs die je na één keer horen mee kunt zingen. Het doet me af en toe aan ABC denken, maar Blossoms laat zich op Gary net zo makkelijk beïnvloeden door The Smiths, door Chic, door Blondie of door wat eigenlijk niet?
Ik ben niet altijd in de stemming voor het soort popmuziek dat Blossoms maakt, want het is wat aan de brave en gepolijste kant, maar de songs van de Britse band zijn echt heel goed en ook op de uitvoering en op de productie van James Skelly, die we kennen als lid van The Coral heb ik niets aan te merken.
Gary klinkt ook meer dan eens als de muziek die ik in de jaren 80 stiekem best wel lekker vond klinken, maar vanwege goede smaak toch maar liet liggen. Daar ben ik tegenwoordig niet meer mee bezig, zeker niet omdat ik heel blij wordt van de songs op Gary. De platenmaatschappij van Blossoms had niet veel vertrouwen meer in de band, waardoor Gary bij een piepklein label is verschenen, maar dat label slaat nu een geweldige slag met deze portie zonnestralen op muziek. Erwin Zijleman
BLUAI - Save It for Later (2024)

4,5
4
geplaatst: 4 maart 2024, 15:37 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: BLUAI - Save It For Later - dekrentenuitdepop.blogspot.com
BLUAI - Save It For Later
De Belgische band BLUAI verrast op haar debuutalbum Save It For Later met een prachtige mix van Amerikaanse rootsmuziek, indierock en pop en maakt indruk met een bijzonder geluid vol fraaie accenten
BLUAI wordt op de bandcamp pagina van de Belgische band een ‘bedroom project’ genoemd, maar met het debuutalbum van de band kan de slaapkamer zomaar worden verruild voor een wereldwijd podium. Save It For Later roept in eerste instantie associaties op met een aantal grote bands van het moment, maar de drie vrouwen uit België hebben ook een duidelijk eigen geluid, dat naarmate je het debuutalbum van BLUAI hoort alleen maar mooier wordt. Indierock, pop en Amerikaanse rootsmuziek smelten prachtig samen in songs die zowel in muzikaal als in vocaal opzicht het gehoor strelen. Er komt het afgelopen jaar veel moois uit België, maar BLUAI is nog een stuk beter.
De Nederlandse popmuziek bloeit de afgelopen jaren op zeer indrukwekkende wijze, maar ook bij onze Zuiderburen wordt momenteel heel veel hele mooie muziek gemaakt. In eigen land is BLUAI al enige tijd een grote belofte voor de toekomst, maar met hun debuutalbum Save It For Later gaan gitariste en zangeres Catherine Smet, drumster Mo Govaerts en bassiste Caitlin Talbut ook ver buiten de eigen landsgrenzen flink wat indruk maken.
BLUAI doet dat direct in de fraaie openingstrack My Kinda Women met een opvallende mix van country, folk, blues en indierock. Het is een track die opvalt door geweldig bluesy of juist lekker stevig gitaarwerk en subtiel banjospel, maar het is vooral de stem van Catherine Smet die de aandacht trekt. De Belgische muzikante zingt met veel gevoel en heeft een karakteristiek stemgeluid, dat af en toe wat doet denken aan dat van Adrianne Lenker.
Gezien de mix van invloeden en associaties met de stem van Adrianne Lenker verwacht ik dat BLUAI snel zal worden vergeleken met Big Thief. In een aantal tracks op Save It For Later is dat terecht en daar is wat mij betreft ook niets mis mee, maar de muziek van BLUAI kan meerdere kanten op.
In een aantal tracks kruipt BLUAI juist veel dichter tegen de Amerikaanse rootsmuziek aan. Ook in deze tracks verrast de Belgische band met geweldig en behoorlijk veelzijdig gitaarwerk en een subtiel spelende ritmesectie, maar het is wederom de stem van Catherine Smet die de meeste indruk maakt (en die ik persoonlijk veel mooier vind dan die van Adrianne Lenker).
De muziek van BLUAI heeft een indierock kant en een kant die dicht tegen de pure Amerikaanse rootsmuziek aan zit, maar Catherine Smet, Mo Govaerts en Caitlin Talbut maken ook lekker in het gehoor liggende popsongs, waarin ook mooi verzorgde koortjes zijn opgenomen. Het is allemaal knap geproduceerd door Willem Ardui, die het debuutalbum van BLUAI heeft voorzien van een open en ruimtelijk geluid, waarin het gitaarwerk de ruimte krijgt en de stem van Catherine Smet optimaal tot zijn recht komt.
Zeker wanneer extra vocalen worden toegevoegd aan het geluid van BLUAI en de band kiest voor behoorlijk toegankelijke popsongs met een randje roots, maakt de Belgische band de muziek die je zou willen horen van een band als HAIM (die helaas steeds meer opschuift richting mainstream pop), waarmee zich volgend relevant vergelijkingsmateriaal aandient. In het fraaie Teeth kan ook boygenius worden toegevoegd aan het fraaie lijstje inspiratiebronnen en ligt de lat nog een stukje hoger voor de Belgische band.
BLUAI houdt zich echter makkelijk staande met aansprekende songs, maar de muziek van Catherine Smet, Mo Govaerts en Caitlin Talbut heeft ook iets intiems en kwetsbaars. Zeker in de meest ingetogen songs op het album zijn zowel de muziek als de zang van een hele bijzondere schoonheid en stijgt BLUAI tot grote hoogten. Als de gitaren voorzichtig door deze schoonheid heen snijden, neemt mijn enthousiasme voor het debuutalbum van de band lyrische proporties aan en vergeet ik al het genoemde vergelijkingsmateriaal.
In België weten ze al langer dat ze goud in handen hebben met de drie vrouwen van BLUAI, maar Catherine Smet, Mo Govaerts en Caitlin Talbut ontstijgen de belofte op Save It For Later op alle fronten. Ik had een paar dagen geleden nog nooit van BLUAI gehoord, maar inmiddels koester ik het prachtige debuutalbum van de band als een van de allerbeste albums van het moment. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: BLUAI - Save It For Later - dekrentenuitdepop.blogspot.com
BLUAI - Save It For Later
De Belgische band BLUAI verrast op haar debuutalbum Save It For Later met een prachtige mix van Amerikaanse rootsmuziek, indierock en pop en maakt indruk met een bijzonder geluid vol fraaie accenten
BLUAI wordt op de bandcamp pagina van de Belgische band een ‘bedroom project’ genoemd, maar met het debuutalbum van de band kan de slaapkamer zomaar worden verruild voor een wereldwijd podium. Save It For Later roept in eerste instantie associaties op met een aantal grote bands van het moment, maar de drie vrouwen uit België hebben ook een duidelijk eigen geluid, dat naarmate je het debuutalbum van BLUAI hoort alleen maar mooier wordt. Indierock, pop en Amerikaanse rootsmuziek smelten prachtig samen in songs die zowel in muzikaal als in vocaal opzicht het gehoor strelen. Er komt het afgelopen jaar veel moois uit België, maar BLUAI is nog een stuk beter.
De Nederlandse popmuziek bloeit de afgelopen jaren op zeer indrukwekkende wijze, maar ook bij onze Zuiderburen wordt momenteel heel veel hele mooie muziek gemaakt. In eigen land is BLUAI al enige tijd een grote belofte voor de toekomst, maar met hun debuutalbum Save It For Later gaan gitariste en zangeres Catherine Smet, drumster Mo Govaerts en bassiste Caitlin Talbut ook ver buiten de eigen landsgrenzen flink wat indruk maken.
BLUAI doet dat direct in de fraaie openingstrack My Kinda Women met een opvallende mix van country, folk, blues en indierock. Het is een track die opvalt door geweldig bluesy of juist lekker stevig gitaarwerk en subtiel banjospel, maar het is vooral de stem van Catherine Smet die de aandacht trekt. De Belgische muzikante zingt met veel gevoel en heeft een karakteristiek stemgeluid, dat af en toe wat doet denken aan dat van Adrianne Lenker.
Gezien de mix van invloeden en associaties met de stem van Adrianne Lenker verwacht ik dat BLUAI snel zal worden vergeleken met Big Thief. In een aantal tracks op Save It For Later is dat terecht en daar is wat mij betreft ook niets mis mee, maar de muziek van BLUAI kan meerdere kanten op.
In een aantal tracks kruipt BLUAI juist veel dichter tegen de Amerikaanse rootsmuziek aan. Ook in deze tracks verrast de Belgische band met geweldig en behoorlijk veelzijdig gitaarwerk en een subtiel spelende ritmesectie, maar het is wederom de stem van Catherine Smet die de meeste indruk maakt (en die ik persoonlijk veel mooier vind dan die van Adrianne Lenker).
De muziek van BLUAI heeft een indierock kant en een kant die dicht tegen de pure Amerikaanse rootsmuziek aan zit, maar Catherine Smet, Mo Govaerts en Caitlin Talbut maken ook lekker in het gehoor liggende popsongs, waarin ook mooi verzorgde koortjes zijn opgenomen. Het is allemaal knap geproduceerd door Willem Ardui, die het debuutalbum van BLUAI heeft voorzien van een open en ruimtelijk geluid, waarin het gitaarwerk de ruimte krijgt en de stem van Catherine Smet optimaal tot zijn recht komt.
Zeker wanneer extra vocalen worden toegevoegd aan het geluid van BLUAI en de band kiest voor behoorlijk toegankelijke popsongs met een randje roots, maakt de Belgische band de muziek die je zou willen horen van een band als HAIM (die helaas steeds meer opschuift richting mainstream pop), waarmee zich volgend relevant vergelijkingsmateriaal aandient. In het fraaie Teeth kan ook boygenius worden toegevoegd aan het fraaie lijstje inspiratiebronnen en ligt de lat nog een stukje hoger voor de Belgische band.
BLUAI houdt zich echter makkelijk staande met aansprekende songs, maar de muziek van Catherine Smet, Mo Govaerts en Caitlin Talbut heeft ook iets intiems en kwetsbaars. Zeker in de meest ingetogen songs op het album zijn zowel de muziek als de zang van een hele bijzondere schoonheid en stijgt BLUAI tot grote hoogten. Als de gitaren voorzichtig door deze schoonheid heen snijden, neemt mijn enthousiasme voor het debuutalbum van de band lyrische proporties aan en vergeet ik al het genoemde vergelijkingsmateriaal.
In België weten ze al langer dat ze goud in handen hebben met de drie vrouwen van BLUAI, maar Catherine Smet, Mo Govaerts en Caitlin Talbut ontstijgen de belofte op Save It For Later op alle fronten. Ik had een paar dagen geleden nog nooit van BLUAI gehoord, maar inmiddels koester ik het prachtige debuutalbum van de band als een van de allerbeste albums van het moment. Erwin Zijleman
