MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Wild Turkey - You & Me in the Jungle (2006)

poster
2,5
Toen bassist Glenn Gornick in 1970 Jethro Tull moest verlaten, maakte hij een doorstart met Wild Turkey. Na het prima, op progressive rock-met-folk geörienteerde Battle Hymn (1971) en het meer rockgerichte Turkey (1972) lukte het niet meer om een platencontract te krijgen.
Wel verschenen in de jaren 2000 - 2021 postume albums, veelal live opgenomen met de gitaristen Mick Dyche en Bernie Marsden.

In 2006 kwamen originele leden Glenn Cornick en zanger Gary Pickford-Hopkins na het aangename comebackalbum Stealer of Years (1996) nogmaals bijeen. We zien hen samen afgebeeld op de hoes van het in eigen beheer uitgebrachte You & Me in the Jungle.
Ze recruteerden bovendien twee ex-leden van Wild Turkey die op het tweede album hun entree maakten: toetsenist Steve Gurl is tevens ex-Babe Ruth, nog zo'n vergeten Britse klasbakband uit de jaren '70, plus gitarist Mick Dyche. Verder horen we de mij onbekende gitarist Graham Williams, op percussie en zang John 'Pugwash' Weathers, bekend van Gentle Giant én (grootste verrassing) drummer Clive Bunker, net als Cornick lid van Jethro Tull in de eerste jaren van de groep, inclusief Aqualung en de edelverzamelaar Living in the Past.

Oude muzikantenvrienden in de studio voor een album dat zonder commercieel doel werd opgenomen. Voor liefhebbers van Jethro Tull mogelijk interessant, maar al snel is daar de constatering dat de heren alle gevoel voor urgentie kwijt waren. Ik kan het ook positief formuleren: de mannen hadden hoorbaar een goede tijd, zonder vernieuwend of modieus te willen klinken.

Wat klinkt is toegankelijke rock van prima muzikanten met muziek die mij niet pakt. In niets moet ik aan de twee studioplaten denken of het livewerk dat vanaf 2000 (Final Performance) verscheen. Classic rockelementen te over, spelen konden ze nog steeds. Op Faultline huilt dankzij Pickford-Hopkins een mondharmonica en op Northern Lights klinkt zelfs Keltische folk, dankzij de accordeon en doedelzak van Nigel Hopkins (mijn favoriete nummer).
Het eindresultaat is best aardig voor een ongecompliceerd kroegconcert, maar het niveau van voorheen bereiken? Neen.

Cornick overleed in 2014 op Hawaii waar hij inmiddels woonde. Hij wordt hier herdacht door Martin Barre, gitarist van Jethro Tull gedurende vele jaren.

Wilko Johnson - Wilko Johnson's Solid Senders (1978)

poster
3,5
Wilko Johnson verliet pubrockgroep Dr. Feelgood tijdens de opnamen van Sneakin' Suspicion (1977) en begon Solid Senders. Tegenwoordig bekend als Wilko Johnson's Solid Senders omdat de gitarist veel bekender werd dan de groep die slechts dit album uitbracht. Maar eigenlijk heette men gewoon Solid Senders, te zien aan de vermelding op Discogs.
Johnson stond bekend om zijn vinnige en hakkende slagspel, waarmee hij van invloed was op de punk- en wavebeweging die iets later de kop opstak. Op Solid Senders oriënteerde hij zich breder.
De plaat werd uitgebracht door Virgin. Zanger is bassist Steve Lewin, een belangrijke rol is weggelegd voor pianist John Potter, drummer was Alan Platt.

Begonnen wordt met dampende r&b in Blazing Fountains en meer daarvan volgt in You're in My Way met swingende boogiewoogiepiano, waarna verrassenderwijs in Dr. Dupree reggae klinkt. Verderop in First Thing in the Morning wordt het blues met blazers, bijna á la The Doors en in Everybody's Is Carrying a Gun rock 'n' roll in jaren '50-stijl. Fans van Dave Edmunds en Nick Lowe weten waar ze moeten zijn.

Meer r&b op kant 2 met op Shop Around dan toch dat hakkende slagspel en in afsluiter I've Seen the Signs heerlijke blues.
De plaat haalde begin oktober 1978 #42 in de Britse albumlijst, waar klassiekers als de soundtrack van Grease en 10 CC's Bloody Tourists de dienst uitmaakten. Dat was lastig concurreren voor een onmodieus bandje, maar dit is gewoon lékker... In 1990 verschenen op cd met daarop diverse smeuïge livebonussen. Die editie staat ook op streaming.

Ik kom hier op reis door new wave vanaf Gang of Four en vervolg in 1979 bij de debuut-EP van een onbekend bandje uit Dublin. Hoe heetten ze ook alweer? O ja, U2!

Willem Vermandere - Confessies (2020)

poster
4,5
Zo goed als onbekend in de noordelijke Nederlanden is Willem Vermandere. Ik kwam zijn muziek ooit tegen toen ik mij bezighield met een speurtocht door de Vlaamse muziekwereld. Hij is een kenner van de Eerste Wereldoorlog, die zich rond het erf van zijn woning afspeelde. Daarnaast is hij beeldend kunstenaar, waarover meer valt te lezen op zijn webstek.

Vermandere zingt in de West-Vlaamse streektaal, zodanig mild dat ik het als “van boven de grote rivieren” ook kan begrijpen. Als iemand van de noordelijke kaaskoppen zijn muziek al kent, dan is het van klassieker Bange Blankeman (1991), een bijzonder lied over angst voor niet-westerlingen. Eventueel roept zijn Kyrie Eleison (1997) eveneens herkenning op, voor de Nederlander waarschijnlijk in de versie van Herman van Veen die het in 2001 uitbracht.

Hij mag dan van 1940 zijn, op zijn lauweren rusten lukt Vermandere niet. Regelmatig brengt hij dan ook nieuwe muziek uit. Tijdens deze kerstdagen kwam ik zijn laatste album Confessies weer tegen. Zijn tweeëntwintigste, als ik goed tel.
Wat je bij hem vooral hoort is levendig akoestisch gitaarspel, regelmatig vergezeld door Manders klarinet die hij als de menselijke stem kan laten lachen en huilen, maar vooral gebruikt om extra melodie toe te voegen. De muziek zou je kunnen omschrijven als ingetogen klezmer: een combinatie van gitaar, klarinet en de vaak opgewekte ritmes en melodieën.
Hij heeft een aangenaam hese stem, die maakt dat ik graag naar deze troubadour luister. Voeg daarbij zijn beschouwende, soms venijnige teksten en ik beleef weer vrolijk luisterplezier dat tegelijkertijd tot denken aanzet.
Die teksten kunnen over van alles gaan: op Confessies bijvoorbeeld komt het rusteloze leven langs, net als het Middeleeuwse kerkje in zijn dorp waar “Sint-Laurentius levend wordt gegrild”, een wegpiraat of hoe zijn leven eruit zal zien als hij honderd jaar wordt. Dit is nog maar een kleine greep; Vermandere slaagt erin prachtgedichtjes in muziek te vertalen!

Hierboven beklaagt goldendream zich over de geringe belangstelling voor deze muziek. Hij heeft gelijk, maar doet tegelijkertijd mee aan het zelfbeklag waar Vermandere blijkens het titellied ook aan kan doen.
Ik zet de muziek van Vermandere op als ik in de stemming ben voor rustiger sferen dan waar ik normaliter naar luister. En zo klinkt op deze Tweede Kerstdag tijdloze frisse folk, vergezeld door scherpe beschouwingen met een vleugje relativering. Het album is bovendien te vinden op streaming, makkelijk voor een eerste kennismaking. Aanbevolen!

Wings of Steel - Gates of Twilight (2023)

poster
4,0
Alsof het 1988 is. VARA's Vuurwerk klinkt op mijn zolderkamer en progressieve metal van Queensrÿche, Crimson Glory, Fates Warning en Sacred Warrior brengt een gecompliceerdere benadering van het genre.

Wings Of Steel doet op Gates of Twilight aan gevarieerde en toch toegankelijke metal vol tempowisselingen, rijke melodieën, pakkende twingitaren of spetterende solo's. De kenmerkende hoge zang ontbreekt niet maar kan ook zakken en soms is er wat blues vanwege een shuffle.

Al vind ik de eerste helft net wat sterker dan de tweede, toch is het album te vlug voorbij. Afwisseling troef, ouderwets goed.

Wings of Steel - Winds of Time (2025)

poster
3,5
Winds of Time is de tweede van Wings of Steel, een eigenbeheer-EP niet meegerekend. Net als bij de voorganger snap ik de enthousiaste reacties, al had het meer mogen beuken. De pure ballade Crying zit me te vroeg op het album en ontbeert een tempowisseling, gelukkig is het met Burning Sands dan weer uptempo en ontbreekt daarin de wisseling niet.
Op de tweede helft ligt het tempo laag bij achtereenvolgens Lights Go Out, We Rise én Flight of the Eagle. Dat die laatste na dik 6 minuten alsnog snel wordt, is wat laat en duurt nog geen twee minuten.

Wie geen problemen heeft met vier langzamere nummers zal Winds of Time hoger waarderen dan de 7,5 die ik geef. Ter vergelijking: momenteel heb ik Run to the Light van Trouble dagelijks opstaan, waar véél tempowisselingen voorkomen, zowel in het uptempo als het langzamere werk. Hetzelfde beviel me zo goed op Gates of Twilight van Wings of Steel. Al met al sterke, melodieuze progressive metal van deze groep uit Los Angeles.
En nu de concertagenda in de gaten houden, want deze groep wil ik wel live zien. Ondertussen Live in France tsjekken.

Wire - 154 (1979)

poster
3,5
Op reis door new wave, momenteel in oktober 1979, kom ik van het debuut van powerpopgroep 20/20 bij de derde van Wire. Op hun debuut Pink Flag (1977) punk die zowel met de stroom mee als ertegenin ging en meteen op opvolger Chairs Missing werd gezocht naar nieuwe geluiden en stijlen.

Die trend zet zich op 154 voor. Na alle recente publiciteit rond de #1-positie van dit album op de postpunklijst van Oor - of eigenlijk die van Erik van den Berg persoonlijk - heb ik Oor's Popencyclopedie editie 1982 erbij gepakt. Relatief kort na de beginjaren van punk en wave gepubliceerd, ben ik benieuwd naar hoe toen naar 154 werd geluisterd:
"Begin '79 weet de groep zich in ons land verrassend sterk waar te maken als voorprogramma van Roxy Music. (...) 154 is een stuk toegankelijker dan beide voorgaande platen en telt naast enkele sfeertekeningen in geluid ook verschillende nummers die verrassend veel weghebben van een heuse song met kop en staart. Vooral in die categorie toont de groep haar enorme potentie om een eigenzinnige geluidsbehandeling te koppelen aan het ambacht van songschrijven. Daarmee slaat de brug een waardevolle brug tussen avantgarde en toegankelijkheid." Dat is minder lyrisch dan Van den Berg anno 2024 is, zonder de kwaliteit ervan te verloochenen.

Ik ga voor dit dertien nummers tellende album mee met de 1982-visie. Met de "sfeertekeningen in geluid" heb ik weinig, met als kanttekening dat ik van nature verknocht ben aan uptempo muziek tot aan scheurende gitaren toe.
Die sfeertekeningen bepalen de sfeer op kant 1 in het door gitarist B.C. Gilbert gedeclameerde The Other Window en het nummer-met-vooral-spraakzang van bassist Graham Lewis A Touching Display. Op kant 2 in A Mutual Friend en de twee slotnummers: het dreigende Indirect Inquiries en 40 Versions. Die kalmte kan fraai zijn maar mede door de (spraak)zang grijpt het me niet gedurende deze vijf.

Liever hoor ik de stem van tevens gitarist Colin Newman. Mijn favorieten zijn vooral uptempo én door hem gezongen: de als een dieselmotor startende opener I Should Have Known Better, het stormende Two People in a Room, het rammende On Returning, de melancholie van Blessed State, de onrust van Once Is Enough en het lichtere Map Ref. 41°N 93°W (een titel om uit het hoofd te stampen, koeklend leer ik dat dit in Iowa ligt).
Er valt dus volop te genieten, mede door de heldere productie. De nummers die ik niet noemde zijn nog altijd aardig, wat in de oren van sommigen vloeken zal zijn... Graag had ik meer toetsen willen horen: die bijdragen van producer Mike Thorne smaken naar meer, zoals in het nummer met de coördinaten.

De eerste persing bevatte een bonus-EP met daarop een sololied van ieder van de vier leden. In het cd-tijdperk uiteraard als bonus bij de heruitgave gezet, zoals deze fraaie editie uit 2018.
Geen hitsingles zoals van Missing Chairs met Outdoor Miner gebeurde, wél de hoogste albumnotering tot dan: in die schamele ene week in de Britse albumchart haalde het begin oktober 1979 #39. De groep valt mede door succesgebrek uit elkaar en de leden gaan solo, waardoor de EP een onbedoelde voorbode blijkt te zijn. In 1985 komen ze weer bij elkaar.

In mijn oren is 154 de derde goede Wire op rij, lyrisch ben ik echter niet. Een 7,5 als schoolcijfer, waarbij dit album nét iets beter bevalt dan de voorganger. Uit ditzelfde 1979 heb ik meer met Buzzcocks (A Different Kind of Tension) en The Stranglers (The Raven). Dankzij het sterke basspel van Lewis valt me net als bij de voorganger op dat Wire de nodige invloed had op de eerste jaren van The Cure - en daarmee mogelijk ook op hun over twee weken te verschijnen Songs of a Lost World.

Mijn reis door new wave (een nog groter containerbegrip dan postpunk) vervolgt bij The Adverts, die net als Wire in 1977 met punk debuteerden en pas in '79 toe waren aan hun tweede album.

Wire - Chairs Missing (1978)

poster
3,5
In Londen is in 1978 de punkrevolte bepaald nog niet uitgewoed, maar Wire kijkt alweer verder, nog meer dan John Lydon datzelfde jaar met zijn PIL zou doen. Telde Wires debuut Pink Flag uit het jaar ervoor maar liefst 21 nummers, opvolger Chairs Missing, verschenen in september, telt er "slechts" 15. Al blijft het daarmee aardig in de punkfilosofie.
Het is hun eerste album dat de Britse albumlijst haalt, bescheiden #48 in oktober '78. In januari '79 haalt Outdoor Miner #51, waarmee de eerste hitsingle een feit is.

Waar het debuut veel scheurende gitaarliedjes bevat, zoekt Wire op Chairs Missing veelvuldig andere muziekjes op. Opener Practice Makes Perfect en slotlied Too Late zijn met een dikke vier minuten verreweg de langste van de plaat. De eerste bevat een onheilspellende, thrillerachtige sfeer als was het de soundtrack bij een film van Hitchcock en de laatste rammelt lang en lichtelijk chaotisch door.
Tussen die twee duren de nummers korter. Minder scheurende gitaar, niet per se minder venijn. French Film Blurred is wat dromerig, Another the Letter klinkt in zijn 67 seconden met zijn synths (!) nerveus en gedreven, Men 2nd doet hetzelfde maar dan op gitaar.

En zo ontvouwt zich een keur aan geluiden en sferen, vaak energiek maar niet meer per se met scheurende gitaar. Hierboven schreef sherpa n.a.v. die schitterende biografie 'Cured' van Lol Tolhurst over de invloed van Wire op die groep. Zou Heartbeat van dit album als inspiratie hebben gediend voor bijvoorbeeld Subway Song op het debuut van The Cure? Ook bij Mercy klinkt een soortgelijke sfeer, maar dan luider. En zo gaat het door, variatie is troef met daarbij de drang naar vernieuwing en die sterke single Outdoor Miner.

Mijn reis door new wave kwam van het debuut van Japan, de volgende bestemming is de tweede van punks uit Hersham, Sham 69.

Wire - Nine Sevens (2018)

poster
3,5
Nine Sevens heet de verzamelaar uit 2018, jongstleden april in beperkte oplage als boxset herverschenen ter gelegenheid van Record Store Day. Alleen in het Verenigd Koninkrijk fysiek verkrijgbaar op vinyl: acht 7"-singles plus de EP On 54 die in 1979 verscheen bij elpee 154, track 16 tot en met 19.

Rond RSD zijn zowel hype als vinylprijzen van den gekke geworden, hoezeer ik het zwarte goud ook waardeer. Vermoedelijk zullen de prijzen die nadien voor Nine Sevens worden gevraagd via sites als Discogs helemaal uit de pan rijzen. Doet niets af aan de muziek, leve streaming.
Via de singles hoor je hoe het Londense Wire met als startpunt vinnige gitaarliedjes als Mannequin en I Am the Fly plus pure punk als 12XU en Ex-Lion-Tamer evolueerde. Geleidelijk volgt wat we postpunk noemen in bijvoorbeeld Outdoor Miner, Practice Makes Perfect en Map Ref. 41ºN 93ºW, waarna de muziek steeds avant-gardistischer werd.
Dat begint met de monotonie van Go Ahead, dat bij de Deventer supporterschare nooit tot stadionzang zal leiden, waarna abstractie opduikt vanaf Catapult 30. Andere voorbeelden voor de experimenteerdrift zijn het met valse blokfluit en dito piano opgetuigde Get Down 1 + 2 en de synthscape van slotlied Small Electric Piece.

De hoes toont de prehistorische vis die in de vorige eeuw wel degelijk nog in leven bleek, de coelacanth Latimeria chalumnae. Zelfspot van de heren, die in 2020 hun tot dusver laatste album uitbrachten en hun laatste nieuwsitem op website PinkFlag.com in datzelfde jaar plaatsten?

Wire - Pink Flag (1977)

poster
4,0
Op reis door new wave en punk ben ik aan het einde van 1977 gekomen, na Kill City van Iggy Pop. De Engelstalige Wikipedia noemt in het artikel over Pink Flag van Wire in de openingszin als verschijningsmaand november en in het blokje rechts bovenaan december; Discogs houdt het op november.

Zeker is dat dit bij de kenners (ook toen) als een heel sterk debuut geldt. Zo noteerde Oor's Eerste Pop Encyclopedie (editie 1982) onder andere: "heel essentieel in aanleg" en "de teksten zitten vol woordassociaties". De verzameling van maar liefst 21 nummers leidde destijds echter niet tot een verkoopsucces. Dit is namelijk hele eigenwijze punk. Anders dan hetgeen tot dan toe onder die vlag verscheen. Hier niet het zwart van anarchisme, maar het afwijkende roze.
Een paradoxplaat: tegen de boze punkstroom in en tegelijkertijd daarop meevarend met een andere aanpak. Vind je een nummer niet leuk? Let goed op, voor je het weet is de volgende al daar. Vind je een nummer wél goed? Dan is het wellicht jammer dat die te snel voorbij is.

Kan ik verder nog iets origineels te berde brengen, wat anderen hierboven nog niet vermeldden? Neen. Het volgende is daarom zonder toestemming gejat van eerdere berichten op MuMe, meningen waarmee ik het eens ben. Daartussen zit één zelfverzonnen mening waarmee ik het oneens ben.
Daar gaat ie: een groeiplaat, nummers zonder overbodige herhaling (met wellicht Ex Lion Tamer en het titelnummer als uitzonderingen, zeg ik er nederig bij), catchy, de langzame nummers zijn zeker niet slecht maar halen de vaart uit de plaat, vaker draaien, vergelijkbaar met het betere werk van Manke Nelis, ongewoon geniaal album waar alle emoties in zijn gestopt ('álle emoties' is wat overdreven, maar 'ongewoon geniaal' klopt zeker), punk omgezet tot een vorm van positivisme.

Mijn favorieten: Field Day for the Sundays, Ex Lion Tamer, 106 Beats That, Mannequin en Champs. De nodige achtergrondinformatie over Pink Flag (het album) en de leden van Wire vond ik bij Magnet Magazine.

Nog twee albums uit '77 te gaan: op naar het Amerikaanse Suicide met hun digitale geluid, zijn tijd vooruit.

Wireless - Positively Human Relatively Sane (1978)

poster
3,5
Alsof blue eyed r&b-zanger Frankie Miller in een (hard)rock groep zingt.

Ik kocht een tweedehandsje van de groep Horseflies, die zo'n binnenhoes bevat waarop andere albums worden aangeprezen. Daarbij een afbeelding van de hoes van Positively Human Relatively Sane van Wireless. Nooit van gehoord maar de hoes maakt nieuwsgierig: alsof ik Anthrax zie in de video bij Madhouse ; het zit 'm in de dwangbuizen. Wireless blijkt een Australisch - Canadese groep te zijn en dit album werd ook in Nederland geperst.
De groep maakte drie albums, leer ik van The Canadian Pop Encyclopedia en bestond van 1976 tot 1981. Oorspronkelijk Australisch bleven ze na afloop van een tournee in Canada, waar Marty Morin de nieuwe drummer werd. Ze tourden frequent met Rush, die fans van de groep waren.

Nou blijkt ie op mijn streamingkanaal te staan en dát wilde ik horen. Vooral opvallend is de rauwe, van whiskey doordrongen stem van gitarist Michael Crawford, die dus lijkt op die van Frankie Miller.
Wireless speelt op hun tweede album Positively Human Relatively Sane rock, soms zo stevig dat het pure hardrock wordt. Op de eerste plaatkant is dat het geval op en het vlotte No Way Out en het midtempo Right to Beg. Een enkele keer doet drummer Marty Morin de zang en zo klinkt op What You Make It plotseling funkrock, waarmee kant 1 wordt afgesloten.

Kant 2 opent met het stevige The Hard Way, waarop lekker gitaarwerk klinkt van Crawford en Steve McMurray. In Sign Right Here weer lekkere licks, waarna het eveneens uptempo The Rut kalmer, bijna op z'n jazzrocks vervolgt, alsof we Steely Dan horen; Morin zingt hier. Met slotlied 461 Markham hoor ik weer "Frankie Miller op z'n stevigst", zoals de Schot deed op Dancing in the Rain. Lekker!

Rock, hardrock, funkrock, jazzrock. Vooral de eerste twee, maar door de laatste twee extra gevarieerd. Leuke bijvangst en als ik 'm ooit op vinyl mocht tegenkomen in een platenbak...

De plaat kreeg in 2011 een re-release bij het Britse Rock Candy, gespecialiseerd in gereviseerde versies van ouder werk, altijd met fraaie boekjes waarin de nodige informatie is te vinden. Ik bedoel deze editie.

Wirtschaftswunder - Salmobray (1981)

poster
3,5
Op reis door new wave kom ik vanaf het Franse electroduo Elli & Jacno bij een Duits electro-avantgardistisch kwartet uit Limburg an der Lahn, Hessen. Wirtschaftswunder (hier nog zonder 'The' voor de naam) debuteerde in oktober 1980 met single Television/Kommissar (de laatste niet dezelfde als de hit van Falco), waarna volgens Discogs aan het einde van dat jaar Salmobray verscheen. Of begin 1981, het jaar dat MusicMeter en andere bronnen aanhouden. Het album verscheen in een oranje en groene hoes. De zwarte die MuMe op dit moment toont is van de heruitgave uit '91.

Opener Analphabet heeft met z'n synthgeluiden iets van So in Love van Orchestral Manoeuvres in the Dark, maar dan houdt de vergelijking ook op. Vrolijk en absurdistisch, zoals Trio een jaar later zou doen met Da Da Da. Zanger Angelo Galizia beschikt over een charmant Italiaans accent en zingt, roept en fluistert dat het een lieve lust is, terwijl gitaar, bas en drums hem begeleiden. Tanz mit Mir is een combinatie van een lomp synthritme en blokfluit en Schein begint met een typmachine waarna op skaritme wordt vervolgd en het uptempo verdergaat. Als een prettig gestoorde versie van Madness.

En zo gaat het door, de ene keer vrolijk, de andere keer schijnbaar ernstiger maar altijd is er een knipoog. Soms denk je dat een echt radioliedje gaat komen, maar de vier waken ervoor dat het toegankelijk wordt. Nee, dit is muziek zoals maatje JeKo die graag hoort: tegendraads.
Naast Analphabet is Stop Talking mijn tweede favoriet met pianolijn en jazzinvloeden, waarbij een tenorsaxofoon. Le Rose is bijna punk met scheurende gitaar, Marktwirtschaft is lekker qua drumwerk en synthgekte en dan is er...
Ach wat, luistert u vooral zelf wat voor gekke vondsten deze heren goedgemutst op één album gooiden. Glimlachjes verzekerd.

De singles van de groep verschenen in 2021 op verzamelaar Preziosen & Profanes, dat te leuk is om over te slaan en bovendien met het destijds befaamde Kommissar erop. Heb het album ingediend bij MuMe en in afwachting daarvan vervolg ik bij meer humor.
Omdat ik Christmas Album van The Yobs al besprak (slechts twee sterren van mij maar met wat glühwein toch leuk!) kom ik in deze wondere wereld van new wave bij single Where's Captain Kirk? van het Engelse Spizzenergi, te vinden op hun verzamelaar Spizzhistory.

Within Temptation - Bleed Out (2023)

poster
4,0
Heer Cameron heeft helemaal gelijk met zijn opmerking over de laaggestemde gitaren. Tegelijkertijd beleef ik dit album als zoet en afgerond; het zit 'm in de productie, die niet alleen heavy maar ook wollig is.

Terwijl ik nog wat werkmail wegwerk, thuis op de bank zittend, gaat de muziek eigenlijk aan me voorbij. Totdat in Cyanide Love een Duitstalige tekst klinkt. Wel raarrr dat het me dan wel pakt. 'Waarom vind ik het lekker als ik dit met de oosterburen associeer?' vraag ik aan mijn intuïtie. Een antwoord blijft uit.
De gesproken delen in Don't Pray for Me klinken vervolgens hartstikke Amerikaans. Het nummer doet me minder en eigenlijk zou dat niet moeten uitmaken.

Ach, ik ben een zeurkous. Op Bleed Out kloppen alle productionele details, het geluid is dichtgesmeerd en de zang van Sharon den Adel zweeft krachtig boven dit alles uit. Meest harde nummer is Shed My Skin, waarin grunts naast koor- en viooldelen worden gezet, wat een mooi contrast oplevert.
De muur van drums-bas-gitaar zit me te potdicht, een kwestie van smaak. Tegelijkertijd: dat dit wereldklasse is, staat buiten kijf. Vier sterren van mij en tegelijkertijd zal ik dit niet dagelijks draaien.

Wolfheart - Tyhjyys (2017)

poster
4,0
Wolfheart leerde ik in maart 2020 tijdens de eerste lockdown kennen via YouTube, waar ik het min of meer toevallig tegenkwam. Ik was op slag verzot op de combinatie van enerzijds akoestische gitaren en weemoed en anderzijds brute deathmetal met soms een beetje cleane zang eronder; regelmatig tegen black metal aanschurend qua riffs en (blast)beats. Ik had daarbij de indruk dat Wolfheart een eenmansgroep is. Via soortgelijk toeval kwam ik in maart dit jaar in Arnhem Tyhjyys in een bak met tweedehands cd's tegen. Meenemen natuurlijk.

Gelukkig vind ik die pakkende combinatie ook volop op de rest van het album, waarbij de muziek vele, vele tempowisselingen bevat. Hou ik van. Wolfheart is volgens het cd-boekje inmiddels een kwartet plus studiotoetsenist. Eén van de nummers van de videoclips staat hier ook, te weten The Flood. Het is in zijn eentje een goede samenvatting van hun stijl: in het intro akoestische gitaren en piano, dan doomachtig heavy met wenende gitaarlijnen, waarna het akoestische deel terugkeert maar nu met drums en dwarsfluit (of is het toch een synth?) - hoe mooi! - en dan weer heavy verder.
Het album begint eveneens akoestisch met het instrumentale Shores of Lake Sempele, om dan elektrisch te worden inclusief wat het cd-boekje een "Viking Choir" noemt. In Boneyard klinken al spoedig hoge tempo's met halverwege een heerlijk akoestisch deel, waardoor het daarop volgende deel extra hard en snel lijkt. World on Fire is hard en melodieus tegelijk, zeker gezien het snelle gitaarthema in het slot, waar nog wel een volgend deel in had gezeten.

De tweede helft begint met The Rift dat na een pakkend intro waarin elektrische en akoestische gitaren samengaan, snel beukt met scherpe riffs. Iets langzamer maar zeker niet minder heavy is Call of the Winter, slepend in 6/8-maat met een fraai middenstuk met ingetogen akoestische gitaren en piano.
Dead White swingt op z'n metaligs met een staccatoriff en kalme pianolijn en verhevigt al spoedig in zwaarte.
Het massieve titelnummer Tyhjyys is in het Fins. Een vertaalsite helpt me te begrijpen dat het gaat over een gevallene die aan zijn laatste reis is begonnen. Af en toe klinkt op het album een explosieve gitaarsolo van Mika Lammassaarri die bovendien het nodige melodiegevoel bezit. Zo ook hier.

Bij het beluisteren zou je ter vergelijking diverse namen kunnen noemen. In Boneyard bijvoorbeeld Paradise Lost en Sepultura en er zijn ongetwijfeld veel meer namen te noemen. Een azijntype zou dus terecht kunnen claimen dat het niet superorigineel is, maar als de creativiteit, variatie en goede ideeën van het zilveren schijfje spatten, hoor je mij niet zeuren. Een dikke 8, uitgedrukt in vier sterren als eerste waardering.

Wolverlei - Wind Tegen (1980)

poster
4,0
Vanaf de jaren ’60 voltrok zich een renaissance van de folk. In het Nederlandse taalgebied liep Vlaanderen voorop, mede omdat het daar ook een protestmiddel was tegen de overheersing van het Frans.

Als het Nederlandse Wolverlei in 1978 debuteert, is de trend inmiddels passé. Nieuwe ontwikkelingen als de synthesizer beginnen steeds nadrukkelijker hun stempel op de muziekwereld te drukken. Boze punk, onstuimige new wave en allesoverheersende disco drukken dit soort "lieve hippiemuziek" in de hoek van ouderwets. Met het verschijnen van dit tweede en laatste album van de groep, genaamd Wind tegen (1980), is folk helemaal uit de mode.
Zeker in Nederland, waar het genre sowieso minder invloedrijk was dan in de buurlanden. Wie dit album beluistert, weet het zeker. Wind tegen verdient (her)waardering.

Er klinken alleen maar goede liedjes, die ongeveer 50/50 zijn verdeeld in vocaal en instrumentaal. Hierbij zijn vaak een hurdy-gurdy en viool te horen, maar ook fluit, mandoline en zelfs een draagbaar orgel komen langs. Bij de gitaren wordt vermeld in welke stemming die stonden, dat zie je zelden.
Qua sfeer word je meegevoerd naar de Middeleeuwen. Desondanks zijn de teksten goed te begrijpen, ondanks het soms ouderwetse taalgebruik. Het vergroot het gevoel van authenticiteit en tegelijkertijd word je in de verhalen getrokken.

De thema’s zijn tijdloos. Zoals in Dezen avond, over een meisje dat haar zwangerschap verbergt. Of in Die zusters, over het verschil tussen arm en rijk.
Wie wel eens op een kerkhof met oorlogsgraven is geweest, begrijpt extra goed de sterke tekst van het zelfgeschreven 14-18. Ik belandde in 2018 min of meer toevallig bij een Duits-Frans kerkhof, op Belgische grond tussen Saint-Hubert en Bouillon. Het was maar klein, maar mijn neef telde de graven, lengte maal breedte. Het was schrikken: op dat kleine stukje grond lagen er meer dan vijfhonderd! Dan komt de tekst van dit lied extra binnen: “Van blinde trots en heerszucht aan iedere kant, en een hele generatie geslacht en verbrand.” Nu er opnieuw een oorlog op Europese bodem woedt, komen die woorden extra dichtbij.

De laatste tien (?) jaren krijgt folk in de landen rondom ons nogal eens nieuwe aanwas, met name in Duitsland. Of wat te denken van het festival Castlefest? Kennelijk blijft er behoefte aan deze vorm van akoestische muziek, waarin traditie, historie en eigentijdsheid worden gecombineerd.
Voor het gemak hier de link naar de A-kant van de plaat, de B-kant wordt daar vanzelf getoond.
Daarbij ben ik benieuwd wat Parlotones’ bevindingen zijn, nadat hij hierboven zijn nieuwsgierigheid deelde. Is hij net zo enthousiast als ik? Ik noteer vier sterren.

Wovenhand - Silver Sash (2022)

poster
3,5
Wie over Wovenhand schrijft, vergelijkt deze band vaak met de vorige band van David Eugene Edwards, toen hij onder de vlag van 16 Horsepower musiceerde. Opvallend vond ik door de jaren heen hoe die band een ontwikkeling doormaakte van akoestische naar elektrische muziek, waarbij bluegrass terrein verloor ten faveure van postpunk / new wave. Dit laatste in de geest van bijvoorbeeld Joy Division.
Met Wovenhand ging de ontwikkeling opnieuw van akoestisch naar elektrisch. Vanaf The Laughing Stalk trad Chuck French toe, waarmee ook deze band steeds elektrischer en harder ging spelen. Nou houd ik heel erg van harde muziek, maar op de twee albums die vanaf 2014 verschenen miste ik goede ideeën, fijne riffs of heerlijke gitaarlijnen. Bij een concert van de band dat ik in juni 2014 in Het Paard in Den Haag zag, was het volume net zo hoog als bij een willekeurige metalband, maar de muziek pakte me niet. Desondanks had en heb ik groot respect voor de groep, die wel degelijk muziek uit het hart maakt, dát voelde ik wel. Gelukkig zijn er mensen die bepaald géén rekening met mijn muzieksmaak houden !

Met Silver Sash, de nieuwe Wovenhand, haak ik echter weer aan. De diverse liedjes pakken me in alle gevallen, op de afsluitende titelsong na. Op de acht songs daarvoor gaan geluidsmuren en goede ideeën wél samen. Ook fijn dat ie veel korter duurt dan de twee voorgangers, die een lange zit voor mij waren.
Het inlegvel is een uitvouwvel met daarop de associatieve teksten, waarin Hebreeuwse mystiek zijn weg vindt naar Sioux en Apache; onbegrijpelijk voor deze sterveling maar die typische Edwardssferen zijn wederom intrigerend.
Elders in het doosje wordt summiere informatie over de opnames en de bandleden gegeven, met van hen alleen de voornamen.

Gezien het aantal reacties hier op MuMe is Wovenhand de voorbije jaren wel wat fans kwijtgeraakt. En kijk bij deze plaat: de vorige reactie is van bijna twee maanden geleden, en dat voor een album dat nog maar kortgeleden verscheen?
Lieve mensen, geef deze nieuweling een kans! Mijn favorieten: Duat Hawk, het Motörheadiaanse Dead Dead Beat en 8 of 9, met in die laatste song zowaar een… banjo! Het moet niet gekker worden.

Wreckless Eric - England Screaming (2025)

poster
4,0
In de beginperiode van pub rock en new wave kom je in 1976, '77 onvermijdelijk de naam van Wreckless Eric tegen. Toen al een vreemde eend in de bijt: ouder dan zijn labelgenoten bij Stiff en bovendien puttend uit de rijke bron van de jaren '60, werd hij in het Verenigd Koninkrijk bekend met Whole Wide World, hier te beluisteren. Ter vergelijking: Jona Lewie was destijds ook zo'n originele eigenheimer in die kringen.

De voorzijde van de hoes van England Screaming vermeldt dat hij liedjes uit de periode '82-'84 opnieuw opnam omdat ze een nieuwe kans verdienden. We zijn 43 jaar verder, maar wat zijn stem betreft hoor ik geen verschil. Die is jong gebleven en met een juweeltje als Lady of the Manor hoor je de ambachtsman-liedjesschrijver die hij is. The Lucky Ones heeft met zijn onbezorgde gevoel iets weg van de jaren '60 van The Small Faces of net daarna namen als Humble Pie en Mott the Hoople. Iets dergelijks lukt eveneens met het rockende Our Neck of the Woods.

Op England Screaming geen zwakke liedjes, wel ambachtelijke edelpoprock.

Wreckless Eric - The Wonderful World of Wreckless Eric (1978)

poster
3,5
Op reis door new wave van 1978 reis ik van The Undertones naar de tweede van Wreckless Eric. Met zijn debuut was er succes in zijn eigen VK, wat echter met deze opvolger niet lukte.

Anno 2024 is het jammer dat het album niet op mijn streamingkanaal staat en, hoe is het mogelijk, slechts deels op YouTube is te vinden. Slechts de helft van de tracks staat daar en een verzamelaar op streaming bevat uiteraard ook slechts een enkel nummer.
De hoes is fantastisch, één grote knipoog naar de tv-shows van die periode. Van hetgeen ik heb gehoord, is de muziek wederom toegankelijke rock, licht-alternatief met een vrolijke knipoog. Die klinkt het duidelijkst in The Final Taxi, in het vorige bericht treffend beschreven. Ander sterk nummer is Veronica, een andere compositie dan de gelijknamige van tijdgenoot Elvis Costello.

Die staan helaas niet op die verzamelaar van Stiff die ik tegenkwam, waar wel het ietwat flauwe Crying, Waiting, Hoping, oorspronkelijk van Buddy Holly. Mijn 3,5 ster is dus eigenlijk wat voorbarig, waarbij ik hoop de plaat in het echt tegen te komen. Én op streaming, zodat één van de twee hoogtepunten op mijn afspeellijst met new wave kan. Cabaretske wave, geen wonder dat hij een typisch Brits fenomeen bleef...

Ik vervolg met die lijst bij het debuut van The Shirts, een album dat zelfs (?) doordrong tot de Nederlandse lijsten dankzij die ene hit.

Wreckless Eric - Wreckless Eric (1978)

poster
4,0
Volgende maand hoopt hij zeventig te worden. Wreckless Eric alias Eric Goulden zat in 1977 op het Stifflabel en daarmee in de voorhoede van nieuwe muziek, al maakte hij geen punk.
Hij debuteerde in april 1977 op verzamelaar A Bunch of Stiff Records met Go the Whole Wide World, dat in augustus dat jaar als Whole Wide World op single uitkwam. Het werd een favoriet van BBC-dj John Peel en de serieuze muziekpers, wat hem de nodige airplay en gratis publiciteit opleverde.

In maart 1978 verscheen langspeler Wreckless Eric in drie edities. Allereerst als 10", acht nummers tellend, op chocoladebruin of paars vinyl; of tien nummers op gewoon zwart vinyl. Op die laatste versie zijn Telephoning Home en Whole Wide World toegevoegd.
Wreckless Eric was beïnvloed door Ian Dury, nadat hij deze had gezien in diens eerste groep Kilburn & the High Roads en de muzikale gelijkenis is duidelijk. Zo krijgt het jolige spel van saxofonisten Davey Payne en John Glyn veel ruimte.
De hoes laat ons een kleurig geklede, vrolijke man zien met op zijn gitaarstrap een button met de tekst 'I'm a mess' en een prachtige Rickenbacker in handen. Zijn pretoogjes werken door in de teksten.
Er zijn drie nummers die er voor mij uitspringen. Reconnez Cherie is het verhaal van een liefde voor een Franse schilderes, op het opgetogen Rags and Tatters moet ik aan de tune van tv-komiek Benny Hill denken. Onverwacht fel sluit de plaat af in There Isn’t Anything Else: hier klinkt punk en dat doet ie góéd! Larry Wallis, ex-Motörhead, speelt gitaar. Deze staat ten tijde van dit debuut inmiddels als producer op de loonlijst van Stiff en klaarde die klus ook hier.

Ik prefereer de versie met acht nummers boven die van tien; die verveelt me sneller, wat al helemaal geldt voor de cd-editie waarvan de tracklist hierboven staat vermeld.
Al is het grinniken om de tekst van Personal Hygiene en is Rough Kids een cover van de elpee van Kilburn. Hoewel Whole Wide World als een klassiekertje geldt, later gecoverd door onder meer Elvis Costello, Die Toten Hosen, The Lightning Seeds, The Proclaimers en Green Day, doet het mij weinig.

Mijn vier sterren betreffen de chocolade/paarse versie die kort en krachtig is; die op zwart vinyl scoort een ster minder en voor de cd houd ik het bij tweeëneenhalf. Hoe meer je hoort, hoe langdradiger het wordt. Wreckless Eric haalde in april 1978 één week de Britse albumlijst: #46. Nog datzelfde jaar verscheen de opvolger.
Ik ben echter op reis door mijn afspeellijst met new wave en kwam eigenlijk vanaf single Gary Gilmore's Eyes uit september 1977, later te vinden op het debuut van The Adverts. De reis vervolgt bij een vlag die de lading bepaald niet dekt: Rock 'n' Roll with the Modern Lovers.

WWIII - WWIII (1990)

poster
3,0
Afgelopen week was ik onder de indruk van het gitaarwerk van Tracy G op album Subhuman (2021) van de groep Gale Force. Hij werd in 1993 bekend als snarenman bij Dio, maar dit WWIII van de gelijknamige groep uit Los Angeles verscheen in 1990.
In die groep ook de voormalige ritmesectie van Dio: bassist Jimmy Bain (tevens ex-Rainbow) en drummer Vinny Appice (tevens ex-Black Sabbath). Ze zouden terugkeren bij zowel Dio (Bain en Appice) als Black Sabbath (Appice).
Een vriend van me had vroeger een tweetal demo's van The Warning uit de jaren '80, waar ik de naam van Tracy G voor het eerst tegenkwam. Vond er dit artikeltje over, dat ook vertelt over G's werk ná Dio.

Met de namen Bain en Appice is het extra vreemd dat dit album zo obscuur is gebleven, ook vanwege de zangcapaciteiten van zanger Mandy Lion, alias van Duitser Matthias Worch. Je kunt je zó voorstellen dat WWIII in 1990 in het voorprogramma van Priest tourde ten tijde van Painkiller, maar dat is slechts fantasie: de groep ging ondanks dit redelijke album spoedig kopje onder.

Tracy Grijalva wilde nogal eens bijzondere geluiden uit zijn instrument toveren, vergelijkbaar met wat Eddie Van Halen deed in Poundcake (1991). Hoor maar eens de intro's van opener Time for Terror en Love at First Bite, waar hij lekker losgaat. Daarbij soleert hij onvoorspelbaar met soms bonkige wendingen, die me enorm goed bevallen, zoals in het midtempo Atomic Sex Appeal.
Lion heeft een rauwe strot en zingt lekker vrijuit. De man kan zowel hoog krijsen, getuige Love You to Death en het slot van Drive You Crazy, als uit zijn tenen grommen.

WWIII's metal ligt eveneens in het straatje van het Dio van Strange Highways, waar G hierna zou opduiken. De nummers zijn heavy, maar gaan na vaker draaien vervelen, zoals bij Love at First Bite. Gaandeweg verslapt mijn aandacht. Zijstapjes zijn de twee covers: het instrumentale Over the Rainbow en van T-Rex Children of the Revolution met daarin een kinderkoor.

Een carrière kwam niet van de grond. Appice vertrok en werd vervangen door eerst James Kottak (later bij de Scorpions) en vervolgens door Mikkey Dee, die daarna naar Motörhead zou vertrekken. Onenigheid met het platenlabel over het imago leidde er namelijk toe dat Lion de stekker eruit trok.
Hij vervolgde met de groep Wicked Alliance met daarin Jake E. Lee van voorheen de groep van Ozzy Osbourne; verder dan een demo kwam dat niet.
In 2002 keerde Lion terug met een verder nieuwe bezetting van WWIII op album When God Turned Away. In 2008 kwam WWIII nog eens bij elkaar voor een optreden met zowel Bain als Appice.

WWIII staat niet op mijn streamingplatform, wél op YouTube, waar het geluid wel erg gecomprimeerd klinkt.

Wytch Hazel - IV: Sacrament (2023)

poster
3,5
Dank Edwynn voor de aanvulling, dat wist ik niet en op Ghost na ken ik die namen niet eens!

Wytch Hazel - V: Lamentations (2025)

poster
4,5
We zetten de klok terug naar circa 1975, alsof punk en digitale technologie nog niet zijn gearriveerd. Op de nieuwe (ja, echt 2025) Wytch Hazel uit Lancaster in het Verenigd Koninkrijk klinkt goudeerlijke gitaarrock van het stevige kaliber. Hardrock met véél ruimte voor twingitaren, kalme zang en in vergelijking met voorheen worden de solo's steeds pakkender.

De hoes doet onmiddellijk denken aan Argus van Wishbone Ash uit 1972 en V: Lamentations is muzikaal gezien het steviger broertje daarvan. Je zou ook vergelijkingen met het Thin Lizzy van midden jaren '70 kunnen maken. Hardrock op een akoestische basis, hier en daar instrumentale folk (Elixir bijvoorbeeld) ter variatie. Lekker stevig én transparant geproduceerd door Ed Turner.
Ik doe het nu nog met streaming (héérlijk op de snelweg, gisteren!), maar eigenlijk is dit een album dat met de hoes en de sfeer om aankoop op vinyl schreeuwt.

Bij de VRT las ik een artikel over een "groep" die het goed doet op streaming, maar in werkelijkheid is gemaakt door kunstmatige intelligentie. Mede daarom ontstaat veel aandacht daarvoor. Kunnen we het dan vervolgens niet beter over iets echts als deze Wytch Hazel hebben?

Ik begin maar eens met 4.5 ster. Vergeet voor even moderniteit en dompel je onder in dit heerlijke gitaar- en liedjesbad. Van voren af aan: we zetten de klok terug naar circa 1975, alsof...