MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

George Formby - That Ukelele Man! (1995)

poster
4,0
George Formby (1904-1961) was een Engelse music-hall-entertainer die in de jaren 30 de meest succesvolle filmkomiek van het land werd. Hij stamde uit Lancashire (het industriële graafschap net ten noorden van de denkbeeldige lijn Liverpool-Manchester-Leeds) en speelde in zijn films ook bijna altijd de noordelijke (= provinciale) en dus "plat" pratende, goedgelovige maar vriendelijke stuntelaar vol goede bedoelingen die ondanks misverstanden, ongelukken en andermans schurkenstreken altijd de smokkelaars vangt, de race wint, de dubbelspion ontmaskert etc., zodat het gewenste meisje op het einde ontdooit en Formby zijn tandenrijke grijns kan tonen: "Eeeh, turned out nice again!"
        Deze verzamel-CD is een uitstekende compilatie van twintig van Formby's bekendste nummers die ruim baan geven aan zijn twee belangrijkste handelsmerken: zijn karakteristieke ukelele waarvan de solo's vaak in de jaren-30-swing/revue-arrangementen worden geweven, en de soms extreem dubbelzinnige teksten. Formby's beroemdste nummer is getiteld When I'm cleaning windows, en ook vele andere nummers gaan over het bijbehorende voyeurisme (Swimmin' with the wimmin', Sitting on the sands all night, With my little snapshot album), dus daarin is alle ruimte voor suggestieve coupletten:

The blushing bride she looks divine, the bridegroom he is doing fine
I'd rather have his job than mine when I'm cleaning windows
(When I'm cleaning windows)

The newlyweds at number six, somehow the curtains they can't fix
They play some lovely parlour tricks when I' m cleaning windows
(The window cleaner (no. 2) )

It may be sticky but I never complain, it's nice to have a nibble at it now and again
(With my little stick of Blackpool rock = zuurstok)

I’ve got a picture of a nudist camp in my little snapshot album
All very jolly but a trifle damp in my little snapshot album
There’s Uncle Dick without a care, discarding all his underwear
But his watch-and-chain still dangles there in my little snapshot album
(In my little snapshot album)

Some say "Why don’t you be a scout, why don’t you read a book?"
But I get lots more pleasure when I’m playing with my uke
(With my little ukelele in my hand)

Bij nader inzien is dat allemaal niet eens meer dúbbelzinnig te noemen.

Al deze nummers werden opgenomen tussen 1932 en 1940, soms gewoon als radiohit, soms speciaal voor één van Formby's films; van muziek van soms meer dan 80 jaar oud kun je natuurlijk niet verwachten dat hij voldoet aan de moderne eisen, en van de meeste –zo niet álle– nummers zal de bron wel een 78-toeren-vinylsingle zijn geweest (als je bijvoorbeeld Swimmin' with the wimmen' via de koptelefoon beluistert kun je duidelijk een "bobbel" van een niet meer helemaal vlakke persing horen), maar de geluidskwaliteit van de meeste tracks is acceptabel, de sound is aangenaam, en Formby's zang is steeds goed te verstaan. De annotatie beperkt zich helaas tot de namen van de componisten en de uitgevers van de muziek, maar daar is het dan ook een goedkope Hallmark-uitgave voor; de keuze van de nummers is echter uitstekend en laat weinig steken vallen, en daarom mag dit gelden als een zeer deugdelijk overzicht van de meest succesvolle nummers van deze typisch Engelse "kleine man". Het genre is beperkt, de melodieën eenvorming en de humor oubollig, maar de vrolijkheid is bijzonder aanstekelijk voor wie affiniteit met deze periode heeft.

George Gershwin - Porgy and Bess (1959)

poster
5,0
Ik had vroeger de elpee op een cassettebandje, en nu heb ik de Duitse CBS-CD daarvan (uit 1989) die misschien niet perfect is maar voor mij prima voldoet. Ook ik heb de film nog nooit gezien; op amazon.nl staan wel een paar exemplaren van een DVD, maar als daarbij staat dat het "geen digitale kwaliteit" is zal het wel gaan om een gedigitaliseerde VHS-registratie, dus daar waag ik me niet aan. Ik kan het verhaal dus ook nauwelijks volgen, want zelfs met de wikipedia-samenvatting ernaast gebeurt er qua plot meer dan ik op deze CD terug kan vinden, maar de muziek is sterk genoeg om er ook zónder te weten wat er precies gebeurt van te genieten.
        Met opera-stemmen heb ik normaal flink wat moeite (al dat onnatuurlijke gegalm met stemmen zoals je die buiten het operagebouw nooit hoort), maar bij Porgy and Bess heb ik daar eigenlijk nauwelijks last van, ook omdat het hier niet gaat om overspannen aria's maar om melodieuze en pakkende liedjes die ook decennia later nog hun zeggingskracht hebben behouden. (Inderdaad, hier spreekt de pop- en rock-liefhebber bij wie de klassieke muziek nooit is aangeslagen, een héél enkele uitzondering daargelaten.) Leuk ook dat die nummers jaren later nog opduiken: It ain't necessarily so hoorde ik voor het eerst bij de Moody Blues (Mk. 1), My man's gone now leerde ik kennen via (het andere uiterste) The Las Vegas story van The Gun Club, en van Summertime zijn inmiddels zó veel versies verschenen dat Paul Groenendijk en Jimmy Tigges er in 1994 een heel boek aan konden wijden: Summertime. Moed gevraagd bij de 834ste versie. (Voor mij blijft de rustige versie van Sam Cooke het mooiste.)
        Prachtige muziek, maar ook leuke teksten. Ik ben zelf nog altijd verbaasd over It ain't necessarily so, dat weliswaar gezongen wordt door de infame Sportin' Life zodat de kijker/luisteraar de uitgedragen boodschap niet serieus hoefde te nemen, maar zijn scepticisme c.q. atheïsme wordt toch met wel èrg veel bravoure gepresenteerd. En de aanlokkelijkheid van zijn standpunt krijgt nog een extra dimensie van verleidelijkheid door de hilarische rijmschema's van Ira Gershwin in de tweede en derde regels van elk couplet:

It ain't necessarily so
The things that you're liable
To read in the Bible
It ain't necessarily so

Little David was small but oh my...
He fought big Goliath
Who laid down and dieth
Little David was small but oh my!

Oh Jonah, he lived in a whale
He made his home
In that fish's abdomen (home in/abdomen, mijn persoonlijke favoriet)
Oh Jonah, he lived in a whale

It ain't necessarily so
They tell all the chillun
The Devil's a villain
It ain't necessarily so

I takes the Gospel
Whenever it's pos'ble
But with a grain of salt

Methusaleh lived nine hundred years
But who calls that livin'
When no gal will give in
To no man what is nine hundred years?

Prachtig hoe de broers hier samenwerkten, en het resultaat is nog altijd indrukwekkend, zelfs in deze sterk gecomprimeerde vorm. Sistah!

George Harrison - All Things Must Pass (1970)

poster
4,5
Okee, George Harrison zal best een enorme voorraad ongebruikte nummers op de plank hebben gehad (honderden, volgens Phil Spector), maar dan nóg – als je na het uiteenvallen van je bandje met een album als dit op de proppen komt gaat niemand je voortaan nog over het hoofd zien. Zijn fragiele stem en spirituele teksten zouden in theorie door de Wall of Sound helemaal ondergesneeuwd kunnen raken, maar dat wordt ondervangen doordat de mix toch genoeg ruimte laat èn door Harrisons inbreng van een flink aantal behoorlijk stevige nummers waar de arrangementen zich wonderwel goed naar voegen. Na de perfecte eerste kant wordt de kwaliteit wat wisselvalliger ("I love dig"), maar doordat er steeds weer een aangrijpende ballade (Beware of darkness, Let it roll) of een explosieve rocker (Let it down, Awaiting on you all, Art of dying) opduikt blijft het album tot het einde toe boeiend. (De derde plaat neem ik maar niet mee in mijn waardering.) Ik deel lang niet alle spirituele inzichten, en de Wall of Sound-arrangementen lijken de plaat toch stevig in z'n tijd te verankeren, maar door de klasse van de composities en de gedrevenheid van Harrison heeft dit album voor mij eigenlijk nog maar weinig van z'n impact verloren.

George Harrison - George Harrison (1979)

poster
2,5
Ooit had ik liefdesverdriet dat alleen maar door While my guitar gently weeps gedelgd kon worden. In mijn begrijpelijke zucht naar meer George Harrison (klaaglijke stem, lyrische slidegitaar, idealistische teksten) kocht ik toen blind déze elpee, maar dat was achteraf niet het beste idee ooit. Kant 1 gaat nog wel, met Love comes to everyone als aardige opener (ondanks die nare soft-pop-disco-gloed die over de ritmesectie ligt) en Not guilty met dat lekkere gitaarloopje als fraai hoogtepunt van de plaat, maar wanneer kant 2 begint met een nummer over racewagens zakt mijn broek af: is dit de man die Art of dying en Give me love (give me peace on earth) en The light that has lighted the world heeft geschreven? "He's the master of going faster", inventiever kan haast niet. En de rest van die tweede kant is niet veel beter – bij Soft touch gebeurt er zelfs iets wat mij nog nooit is overkomen, daar ga ik me aan zijn dunne stem storen. If you believe is gelukkig een lekkere afsluiter die met z'n semi-Wall of Sound-arrangement warempel herinneringen aan vervlogen tijden oproept, maar als geheel doet deze plaat voor mij toch oppervlakkig en ongeïnspieerd aan. Zo zie je maar hoe je er naast kan zitten, want als ik op internet ga zoeken blijkt dit een heel gelukkige tijd in Harrisons leven te zijn geweest. Ik heb nooit erg veel waarde gehecht aan de theorie dat een ongelukkig leven de beste voedingsbodem voor mooie muziek is ("An unhappy childhood is a writer's goldmine"), maar deze plaat overtuigt mij in ieder geval ook niet van het tegenovergestelde, het vrij hoge MusicMeter-stemgemiddelde ten spijt.

George Harrison - Living in the Material World (1973)

poster
4,5
Toen deze plaat uitkwam las ik (13 jaar oud) de recensie in de Muziek Expres, iets in de trant van "voer voor discussies", en dat leek me razend interessant, dus blind gekocht. (Nog niet zo lang na de tijd dat ik aan een vriendje vroeg: "De Beatles, hè, ik weet wie John, Paul en Ringo zijn, maar George, is dat dan George Hárrison?")

En de plaat stelde me niet teleur. Prachtige nummers, een stem die me meteen aangreep (en waarvan ik pas later en niet zonder verbazing vaststelde dat mensen die konden omschrijven als huilerig of zwak of godbetert onvast), subliem slidegitaarspel (hoewel ik toen nog niet wist wat een slidegitaar was), en een prachtige uitgebreide klaphoes inclusief teksten en een fascinerende foto van "het laatste middagmaal". En net als velen hier viel ik het eerst voor Try some buy some.

38 jaar later draai ik deze plaat nog steeds, en dat is absoluut meer dan jeugdsentiment. Over de religieuze sentimenten kan ik me gelukkig goed heenzetten (zelfs over het feestelijke The Lord loves the one (that loves the Lord), de bedrieglijke lichtvoetigheid van Give me love en Don't let me wait too long is nog altijd even verleidelijk, en als ik het titelnummer draai zit ik nog steeds te wachten op die hemelse fluit na "The Lord Sri Krsna's grace".

Prachtig.

Gerry & The Pacemakers - The Best Of (2005)

poster
4,5
Een dubbel-CD met maar liefst veertig nummers is misschien wat veel voor een singlesbandje waarvan de gloriedagen al na twee jaar praktisch voorbij waren, maar Gerry & the Pacemakers zijn dan ook niet zómaar een bandje: ze waren tot Frankie Goes To Hollywood de enige groep waarvan de eerste drie singles de Engelse hitlijsten aanvoerden, ze werden een tijdje gezien als de tweede band van Liverpool, ze hadden in Gerry Marsden een zeer populaire frontman die na de Pacemakers nog een behoorlijke carrière had als musicalster en televisiepersoonlijkheid, ze schreven zelf redelijk wat nummers van hun repertoire (bijna de helft op deze compilatie, voornamelijk door Marsden-solo), en met hun versie van You'll never walk alone leverden ze een nummer af dat nog altijd wordt gezongen op Anfield Road.
        Genoeg redenen dus voor een uitgebreide terugblik. Deze dubbel-CD bevat hun 10 hits en hitjes, inclusief uiteraard dat beroemde eerste trio, maar ook met Marsdens Ferry cross the Mersey (het titelnummer van de gelijknamige film uit 1965 met naast de Pacemakers onder andere Cilla Black) en het prachtige Don't let the sun catch you crying, een trieste compositie van de hele band die werkelijk perfect is voor Marsdens vriendelijke en onbevangen stem (en die wat mij betreft het hoogtepunt van deze verzameling vormt). Maar ook onder het overige materiaal bevinden zich genoeg up-tempo-poppy of melancholische nummers die het vlotte en lichte "beat"-geluid van dit kwartet volledig tot z'n recht laten komen.
        Helaas bevat deze (overigens prima klinkende) compilatie ook diverse rock & roll-klassiekers uit de jaren 50 en 60 die de meeste bands indertijd gebruikten om het repertoire van hun korte optredens of idem elpees tot acceptabele lengte aan te vullen; Gerry & the Pacemakers waren daarop geen uitzondering, maar ik heb er persoonlijk geen behoefte aan om Jambalaya, Whole lotta shakin' goin' on, Hallelujah I love her so en andere krakers van Chuck Berry, Little Richard en zelfs Porgy and Bess (jazeker, Summertime) op inferieure wijze herkauwd te horen. (Hoewel deze cover van Larry Williams' Slow down best lekker rockt.)
        Maar goed, ik houd mijn score toch hoog, want als ik die flauwe en vaak enigszins plichtmatig aandoende covers uit mijn CD-programmering schrap, blijven er toch een heleboel zeer aanstekelijke liedjes over die de onschuld van de popmuziek uit die tijd op perfecte wijze weerspiegelen, gebracht door een man wiens brede grijns op mij uiterst aanstekelijk werkt.

Giant Sand - Chore of Enchantment (2000)

poster
3,0
Een eigenzinnige plaat van een eigenzinnige band. Op hun beste momenten leveren Gelb en zijn begeleiders hypnotiserende en soms zelfs zwoele muziek op het snijpunt van Americana en singer-songwriter met invloeden van overal en nergens, maar zelfs die uitgebreide beschrijving dekt de lading eigenlijk niet. Als achtergrond voor de dwalende en twijfelende personages in de sfeerschetsende en/of mysterieuze teksten die Howe Gelb zingtpraatfluistert is de stoffige woestijn voor mijn gevoel in ieder geval nooit ver weg, en bovendien blijft deze plaat altijd onvoorspelbaar vanwege de incidentele geluidsfragmenten en experimenten die de rustiger momenten vaak de linkerkant opsturen.
        Heerlijk als een man of een band zo onafhankelijk opereert en totaal z'n eigen pad volgt, maar op deze specifieke plaat schuurt het een beetje tussen briljante traditionele nummers als Shiver (bijna Neil Young-achtig), Astonished (in Memphis) en het ijzingwekkende No reply aan de éne kant, en de ongelooflijk vervelende elektrische piano van Temptation of egg, de house-achtige tape-loops van Wolfy en de stoner-rock van Satellite aan de andere. Ik begrijp ook wel dat al deze tegenstellingen worden samengebonden door de persoonlijkheid van Howe Gelb, maar op Chore of enchantment wordt het me soms wat te veel, zeker bij zoveel verschillende nummers en zo'n lange speelduur.
        In het boekje bij mijn CD bevindt zich nog een kaartje voor het concert van Giant Sand op 4 mei 2000 in 013 in Tilburg. Ik herinner me dat Gelb tijdens het optreden vroeg of er nog verzoeknummers waren, en onmiddellijk werd er om No reply gevraagd. "Nee, dat gaan we niet spelen, dat was eenmalig en ter plekke gemaakt, dat kunnen we niet meer terughalen." Jammer.

Giant Sand - Glum (1994)

poster
5,0
Albums van Giant Sand willen nog wel eens onevenwichtig zijn, maar déze is hoogstens grillig, en bovenal kwalitatief zeer hoogwaardig. Er staat een melig instrumentaaltje tussen, en het album sluit af met een een bizarre cover van I'm so lonesome I could cry van Hank Williams, maar de rest varieert van spannend-dreigend tot indrukwekkend-intens. Op Left staat een break die naar adem doet happen, en Faithful werkt op heel natuurlijke wijze naar een enorm emotionele climax die je toch niet zien aankomen. Ook Bird song moet genoemd worden: een slaapliedje van Howe Gelbs dochtertje omgebouwd tot spookachtig droomnummer, prachtig.

Produktie van Malcolm Burn, rechterhand van Daniel Lanois. Het gevolg is een prachtig ruimtelijk geluid waarin je de woestijn bijna kunt voelen. Jeffrey Lee Pierce die zich niet laat opjagen, met de mooiste fuzzgitaren sinds Neil Young.

Howe Gelb bezoekt een hotel :

"He tells me that Joyce slept here
He hands me the key with a smirk
He even attempted to take the oath here
Instead he did his best work

The very next year here
I run into the same desk jerk
He tells me Kafka slept here
Only this time it doesn't work."

Ik moet er nog altijd om lachen. Een niet te missen plaat.

Gino Vannelli - Powerful People (1974)

poster
3,5
Het is bijna een aparte categorie platen : het soort dat je in je kast ziet staan en waarbij je denkt "Hee, dit is eigenlijk een geweldige plaat, waarom draai ik hem eigenlijk niet vaker en waarom heb ik niet méér platen van deze man/vrouw/band?" En halverwege het tweede nummer weet je weer waarom : sterke nummers (vooral het tweeluik Son of a New York gun/Jack Miraculous - "He was a' sure spectaculous"), goede en aparte arrangementen, niks mis mee, maar de aandacht dwaalt af, de arrangementen zijn ineens niet zo boeiend meer en aan die vocale eigenaardigheidjes van de zanger begin je je opeens te ergeren. Leuke plaat, daarna kan ie weer een paar jaar op de plank, en om meer van Gino Vannelli in de kast te hebben heb ik nooit geambieerd (nou vooruit, behalve Wild horses dan).
        Overigens kan ik me net als beaster1256 die recensie nog herinneren, dat was in de Muziek Expres (want de Popfoto van mijn zus las ik natuurlijk zogenaamd niet), van ene Elli (was dat Elly de Waard?) die hier erg enthousiast over was en die schreef dat deze zanger hélemaal voor haar was, want dat zat immers ook al in zijn naam verwerkt: "van-elli". . .

Godley & Creme - L (1978)

poster
3,0
Ik vond deze mannen altijd de interessantste helft van 10cc, al was het alleen maar vanwege hun meesterwerk One night in Paris op The original soundtrack. L is ook een leuke plaat, maar wel vermoeiend en af en toe tamelijk geforceerd-geestig. Punchbag is natuurlijk weer zo'n ouderwets uitgesponnen collage-nummer, maar zelf vond ik het achterliggende verhaaltje van Sandwiches of you altijd ook erg leuk: "I respect the fact that you're waiting for Mr. Right (thinks: oh, am I wrong?)..."

Godsticks - Emergence (2015)

poster
1,0
Ik kan hier maar weinig goeds over zeggen. Sommige websites delen dit in bij de progrock, maar vanwege de grove riffs en de constante herrie vind ik dit veel meer metal dan prog. De arrangementen en de sound zijn tamelijk eenvormig (zelfs de verrassende blazers op het slotnummer moeten meteen weer het veld ruimen wanneer de cirkelzaaggitaar terugkeert), en de nummers zijn werkelijk vólgepropt met zangpartijen die ook nog eens elke vorm van pakkende melodie missen. Iedere link met The Pineapple Thief is afwezig, en het enige dat dit album af en toe de moeite waard maakt zijn de solo's van Darren Charles. En die zijn hard nodig, want hij heeft echt een ongelooflijk vervelende zangstem, een beetje à la Chris Cornell wanneer diens afstandelijkheid ingeruild zou worden voor desinteresse, en de teksten die hij daarbij voordraagt vormen meestal een onbegrijpelijke woordenbrij : "You wanna test my eagerness / But will you tame my inhibitions / Won't you take my lack of ambition / I'm bold enough to die if I'm not me" (Ruin), "You should never turn a blind eye in search of renaissance" (Much sinister), "The claim that we're no good for you / Is only true if I'm a liar / Not gonna bend the truth / We'll continue to perspire" (One percent), "That's why whenever it takes you / It always makes you the limited / Murdering your ruined pride" (titelnummer). Te monotoon en donker, te weinig melodie en lucht.

Golden Earring - Golden Earring (1970)

Alternatieve titel: The Wall of Dolls

poster
3,5
Heerlijke plaat waarbij de meeste aandacht uiteraard uitgaat naar Hay's zang en fluitspel en Kooymans' gitaarwerk, zang en composities, maar Rinus Gerritsen heeft toch ook een niet misselijke ondersteunende rol, met die mellotron op het openingsnummer, de elektrische piano (of Fender Rhodes?) op het titelnummer en het zware en toch beweeglijke baswerk op Big tree blue sea en het slotnummer. Voor mij is dit net niet de klassieker die veel gebruikers hier er in horen: The loner is inderdaad een "beetje B-kant niveau" zoals B.Robertson hierboven zegt ("They call me the loner / Because I'm all alone"), This is the time of the year doet me weinig, en de gitaarsolo van As long as the wind blows ontroert me niet zoals het hoort voor een nummer dat zo'n emotionele climax zou moeten zijn. Maar met vijf uitstekende nummers scoort de plaat wel ruimschoots bovengemiddeld, en de heerlijk onvoorspelbare songstructuren van Big tree blue sea en I'm gonna send my pigeons to the sky plaatsen deze plaat wel ergens in de eredivisie.

Golden Earring - Moontan (1973)

poster
5,0
Eigenlijk onbegrijpelijk dat de klassieke platen van bijvoorbeeld Pink Floyd, Yes, de Moody Blues en Led Zeppelin al in drie verschillende en verbeterde releases op CD zijn verschenen, terwijl we het in het geval van de beroemdste plaat met de beroemdste rocksingle van de beroemdste rockband van Nederland nog steeds met die ene simpele Red Bullet-uitgave uit 2001 moeten doen. Was Moontan een plaat van een buitenlandse topact, dan zou er ongetwijfeld al minstens één geremasterde versie zijn uitgebracht met een boekje waarin de teksten, foto's en credits van muzikanten van het oorspronkelijke inlegvel in ere zouden zijn hersteld, om nog maar te zwijgen van bonustracks (de singleversie van Radar love, de Amerikaanse versie van Big tree, blue sea, de losse single Instant poetry, misschien zelfs een tweede CD met een liveset). Maar goed, we moeten blij zijn dat de CD zoals die er nu is in ieder geval goed vol en hard klinkt en dat bijvoorbeeld de zeer korte pauze tussen c.q. de bliksemsnelle overgang van Just like Vince Taylor naar Vanilla queen keurig gehandhaafd is (ik kan me herinneren dat de pauzes tussen de tracks op een geremasterde versie van Strange days opeens langer duurden, waardoor de flow een beetje uit dat album verdween).
        Ik heb de Earring nooit echt gevolgd, op een drietal platen uit het midden van de jaren 70 na, maar Moontan heb ik altijd een geweldige plaat gevonden. Ik draai hem nu weer uit jeugdsentiment, maar tegelijkertijd valt het me op hoe geweldig hij in elkaar zit, hoeveel zelfvertrouwen de band hier uitademt en hoe perfect de nummers zijn gearrangeerd. En nu ik er met "verse" oren naar luister is het vooral grappig om te horen hoeveel "geluidjes" er eigenlijk totaal eigen zijn aan deze plaat. Dat klinkt oneerbiedig, maar ik bedoel dat het totaalgeluid van dit album diverse (combinaties van) instrumenten bevat die ik eigenlijk zelden of nooit bij andere platen heb gehoord en die ik ook alleen maar met Moontan associeer. De "sirene" vlak voordat het refrein van Candy's going bad begint en die "strontvlieg"-synthesizer op het einde daarvan, het unisono klinken van de gitaar en de sax vanaf 5:41 in Are you receiving me, de herkenbare hoge stem van George Kooymans achter het eerste refrein van Radar love, die twee synth-loopjes die Vanila queen openen en die na het eerste refrein weer ijskoud terugkeren – het zijn allemaal gewoon instrumenten die je zó in de winkel kunt kopen (of stembanden die je in je keel hebt zitten), maar op dit album klinken ze zó uniek dat ze echt aan déze nummers en aan déze plaat vastgeklonken zitten. (En dan heb ik het nog niet eens over die heerlijke harde bas van Rinus Gerritsen gehad – mooi dat hij bij het laatste refrein van Vanilla queen feitelijk de solo's krijgt.)
        Raar trouwens dat op bovenstaande hoes de gele neonletters van de titel zijn vervangen door een doorsnee-lettertype. (Op mijn CD-hoes is de gele titel gewoon naar boven gehaald en boven de naam van de band geplaatst.)

Golden Earring - Switch (1975)

poster
4,0
Kill me (Ce soir) wordt door iedereen als het hoogtepunt genoemd, en terecht, maar ik wil toch ook even aandacht vragen voor de prachtige uitsmijter The lonesome DJ, uitstekend gezongen door George Kooymans en met een fraaie climax. Al met al inderdaad niet het niveau van Moontan, maar wel een rijke, afwisselende en behoorlijk verrassende plaat. Je kunt in ieder geval niet van de heren zeggen dat ze op hun lauweren gingen rusten of een plaat maakten die geheel op het veroveren van de Amerikaanse markt was gericht. Ik blijf het een lekkere en sympathieke plaat vinden.

Golden Earrings - The Singles (1995)

Alternatieve titel: Singles 1965-1967

poster
3,5
Ik kan me voorstellen dat wie houdt van de Earring vanaf het moment dat zij een echte rockband werden aan dit vroege werk geen boodschap heeft, net zo min als veel Bowiefans zich niet zullen bekommeren om Love you till tuesday en sommige liefhebbers van de Moody Blues hun schouders zullen ophalen bij Go now. Zelf vind ik van die laatste twee acts ook die vroege opnames heel leuk, en evenzo kan ik als sixties-liefhebber ontzettend genieten van déze nummers uit de tijd dat popmuziek nog beatmuziek heettte. Nee, het is niet allemaal even geweldig (The words I need, What you gonna tell) en er zijn flink wat invloeden van al die grote bands aan de overkant van het kanaal, maar dat betekent tenminste ook dat er gestreefd werd naar de Betere Popsingle, met weloverwogen gebruik van ondersteunende piano en koortjes, aardige experimenten (de fuzzgitaar op Waiting for you, blazers op Don't run too far, een xylofoon op Smoking cigarettes, Motown-invloeden op Dream, het Fortunes-achtige There will be a tomorrow) en bovenal veel energie en ambitie. Los daarvan staat hier eigenlijk niet zo gek veel op waar iemand zich voor hoeft te schamen, en bovendien bevat deze verzameling minstens twee nummers die wat mij betreft klassiek mogen heten: Sound of the screaming day dat opeens de sprong maakt van leuke beat/r&b naar kamerbrede popklassieker, en het wonderbaarlijke That day dat eenzelfde melancholie kent als bijvoorbeeld Days en dat wat mij betreft ook op het niveau van het beste werk van de Kinks staat. Alles klopt aan dat nummer : drums, gitaarsound, de accenten van de piano, de koortjes en de combinatie van de verdrietige melodie en de tekst, helemaal àf. (De Veronica-compilatie Dank u! was trouwens de plaat waarop ik That day voor het eerst hoorde – bepaald geen slechte introductie als je ziet wat daar nog meer voor moois op staat.)

Good Charlotte - Good Charlotte (2000)

poster
2,0
Moeilijk aan te geven waarom dit mij zo tegenstaat. De melodieën zijn pakkend genoeg, er wordt gezorgd voor voldoende afwisseling, er zijn wat slimme koortjes hier en daar, er zit best energie in en het klinkt allemaal goed, zodat het enige echte minpunt dat ik kan bedenken (buiten dan de religieuze sentimenten in het tekstboekje) de enorm monotone en zeurderige zang is. Maar ja, als ik vervolgens Green Day of Weezer draai hoor ik wat ècht scherpe punkpop en ècht beklijvende melodieën zijn, en daarna heb ik aan Good Charlotte geen behoefte of boodschap meer. Ik lijk niet de enige te zijn, want er is bij dit album al sinds bijna vier jaar geen bericht meer geplaatst...

Good Charlotte - The Young and the Hopeless (2002)

poster
2,0
Tja, ik heb hier niks mee, allemaal keurige popliedjes onder het mom van punk, met vaste thema's als "I don't ever wanna be like you", gebroken gezinnen en Hold on (maar, eerlijk is eerlijk, ook een verrassend nummer als "The happiest day of my life is the day that I died"), goed afwisselend en altijd meezingbaar, echter ook bijna altijd zonder de angel die hier echt iets bijzonders van zou kunnen maken... maar ik kan hier ook geen hekel aan hebben, een grappig en sympathiek bandje dat het voor mij gewoon nèt niet heeft.

Graham Bond - Holy Magick (1970)

poster
2,5
Eind jaren 60 raakte Graham Bond onder de indruk van de geschriften van de Engelse zelfverklaarde magiër Aleister Crowley (1875-1947), en dit is één van de twee platen die hij in 1970 uitbracht met muziek en teksten die door Crowley's gedachtengoed waren geïnspireerd. Kant 1 (hierboven het titelnummer van 23 minuten) bevat één lange suite van 14 nummers met rites en meditaties uit het oude Egypte en Atlantis (maar ook uit het Christendom), min of meer Bonds versie van Crowley's "magick" ("the Science and Art of causing Change to occur in conformity with Will"), met als begeleiding een soort bezwerende acid-blues-jazz gedomineerd door Bonds rauwe maar niet onaangename stem, zijn volle Hammondorgel, diverse blazers, veel percussie en een erg opdringerig call-and-response-dameskoortje. Een paar titels : Meditation Aumgu, The Quabalistic cross, Invocation to the light, Aquarius mantra, Enochian (Atlantean) call – enfin, esoterischer zal popmuziek uit die tijd niet gauw worden. Echt goed kan ik het niet vinden, wel intrigerend.
        Kant 2 bevat vier nummers waarvan de nummers wat traditioneler songstructuren hebben met gitaar- en saxsolo's, maar ook hier duiken de Arthurlegende, God en het Laatste Oordeel op. Muzikaal zijn ze op een enkele uitzondering na (The magician) helaas tamelijk doorsnee en niet erg boeiend, en absoluut niet zo leuk als bijvoorbeeld de korte punchy nummers van The sound of 65. Al met al is dit album zeker apart en excentriek, en zelfs voor die experimentele jaren tamelijk far out, maar het geheel doet me onwillekeurig toch steeds denken aan een Arthur Brown als die zichzelf serieus zou nemen. Zelf vind ik de ideeën die Bond hier uitdraagt in ieder geval meer curieus dan belangwekkend; wie geïnteresseerd is in Aleister Crowley of in de experimentelere kanten van de Londense pop/blues/jazz-sien van de jaren 60 en 70 moet dit zeker eens proberen, maar elk ander is gewaarschuwd.

Graham Bond - We Put Our Magick on You (1971)

poster
3,0
Na Holy magick is dit het tweede deel van wat Graham Bonds trilogie over "magick" had moeten worden, zijn muzikale reis langs de ideeën van Aleister Crowley, ditmaal meer gericht op Oosterse mystiek en de Hindu- en Aquarius-filosofieën; tegenvallende verkoopresultaten en Bonds overlijden in 1974 verhinderden de komst van een derde plaat.
        We put our magick on you is een zeer gevarieerd album waarbij de invloeden uit de blues, soul, jazz en Oosterse muziek tot een iets coherenter geheel dan op Holy magick zijn verwerkt. De plaat opent sterk met het spetterende Forbidden fruit (part 1) vol lekkere Hammond- en sax-solo's gevolgd door een stemmige blues met sfeervolle fluit en fraaie sologitaar, maar daarna wordt het album wat grilliger en kwalitatief wisselvalliger met het Afrikaanse Ajama en het enigszins triviale Druid ("I'm a druid baby, I've been to Stonehenge!"). Dat contrast zet ook de toon voor de tweede helft van de plaat, met het haast feestelijke bijna-titelnummer tegenover het stemmige en ingetogen Time to die (met achtergrondzang van Bonds vrouw Diane Stewart wier stem hier als twee druppels water op die van Mama Cass lijkt), en het bijna folksy Hail, Ra-Harakhite ("Everybody's looking for Jesus, but Jesus changed his name / His name is Ra-Harakhite, so sing and praise his name!") tegenover de up-tempo-afsluiter. Een rare plaat, net zoals z'n voorganger eerder interessant dan echt goed, maar kwalitatief sterker vanwege dat trio sterke nummers en de incidentele pakkende teksten, waarvan met name "What is happening today? Why don't the Church stand up and say / 'Stop the violence, stop the hate, stop the killing before it's all too late!' " me opviel tijdens de sterke "oplopende" brug van I put my magick on you.
        Net als de twee albums van The Graham Bond Organization (The sound of 65 en There's a bond between us, allebei uit 1965) zijn Holy magick en deze plaat door BGO Records op één CD uitgebracht. De totale speelduur van die twee albums samen is echter langer dan 80 minuten, en zo te zien heeft BGO nu van drie nummers de speelduur ingekort, want als ik de tracklisting van die "two-fer" bekijk lijkt het erop dat er van tracks 1, 5 en 8 steeds ongeveer anderhalve minuut is afgeknipt. Wie We put our magick on you in z'n geheel wil horen zal dus op zoek moeten gaan naar de oorspronkelijke elpee of CD.

Graham Bond Organisation - The Sound of 65 (1965)

poster
4,5
Ja, dat is wel even schrikken, als een plaat begint met een matige versie van zo'n belegen klassieker als Hoochie coochie man, maar daarna komt het nog altijd vervreemdende Baby make love to me, met die trillende stemmen van Bruce en Bond die langs elkaar heen schuren en die drie blazers die door elkaar heen knetteren, en daarna komt een scherp soort protestnummer, en vervolgens een alternatieve "chain gang song" met een raar gitaartje... Een merkwaardige mix van rhythm & blues, jazz en voor mijn gevoel zelfs een vleugje soul (middels de stem van Jack Bruce) met als belangrijkste kenmerken Bonds broeierige Hammondorgel, zijn karakteristieke "soulful" stem die me soms aan Don van Vliet doet denken (Little girl) en de sax van Dick Heckstall-Smith die de kunst verstaat om voor elk nummer de goede solo met het juiste geluid te vinden. Zelfs de afsluiter, een cover van Debbie Reynolds' Amerikaanse nummer-1-hit Tammy (1957), is de moeite waard doordat Bonds zang en de trompet de knappe melodie alle ruimte geven (maar ik ben misschien bevooroordeeld omdat ik ook het onvoorstelbaar sentimentele en bijna stroperige origineel zo mooi vind – zo, ik heb het gezegd). The sound of 65 lijkt me typisch zo'n plaat die indertijd op feestjes steeds weer opnieuw werd opgezet. "Sophisticated, raw, savage and soulful" – eindelijk eens liner notes die bij de waarheid in de buurt komen. Lekker fel en direct klinkend (die drums van Baker op Oh baby!) en 52 jaar na dato nog altijd swingend , scherp en opzwepend.

Graham Bond Organisation - There's a Bond Between Us (1965)

poster
3,0
Stijn_Slayer, je hoeft niet langer je adem in te houden (whew). In de Alcalde, The University of Texas Alumni Magazine van juni 1964, lees ik: "Donald Austin Kirkpatrick, BBA '52, has cracked the 'Tin Pan Alley' song writing business after several tries, with Who's afraid of Virginia Woolf, inspired by the Broadway play of the same name. Rising young jazz organist Jimmy Smith recorded it on an MGM album recently released. Sales were so great that the tune, which was a collaboration with Kevin Knox, has been issued as a single." (BBA = Bachelor of Business Administration) Dus gewoon "geïnspireerd door", en dat gelijknamige album van Jimmy Smith staat zelfs ook op MusicMeter, wat een site hebben wij toch!
        Deze tweede plaat van GBO vind ik toch wel een stuk minder dan The sound of 65, allemaal wat conventioneler, vlakker en minder geïnspireerd, met vrij matige covers (ondanks de soepele drums van Ginger Baker klinkt What I'd say een beetje als opvullertje, en vergelijk The night time is the right time eens met de dampende versie van CCR op Green River !) en niet zo spectaculaire originelen. De nummers zijn gemiddeld 50 seconden langer, de composities zijn wat minder grillig, en de algemene sfeer is wat minder uitbundig en veel minder onvoorspelbaar. Muzikaal allemaal dik in orde, maar ik had een wat spetterender geheel verwacht.
        Nog een detail van niet onbelangrijk historisch belang : schijnbaar is (het enigszins larmoyante) Baby can it be true? de eerste maal dat er een mellotron in de popmuziek op plaat verscheen, een jaar vóór Manfred Manns Semi-detached suburban Mr James en de daaropvolgende nog veel beroemdere voorbeelden van de Beatles (Strawberry Fields forever), de Moody Blues en King Crimson.

Graham Nash - Songs for Beginners (1971)

poster
4,5
Mijn grote probleem met Graham Nash:

Je hebt mooie en lelijke stemmen in de popmuziek, sterke en zwakke, hoge en lage… maar dan heb je ook nog een aparte categorie van stemmen die zó vriendelijk, zó warm en zó innemend klinken dat je je niet kunt voorstellen dat de bijbehorende zanger níét een ontzettend aardig iemand is die je zó tot je vrienden zou willen rekenen. Uiterst subjectief natuurlijk, maar ik heb dat bij Paddy McAloon van Prefab Sprout (iemand nog wel eens een recente afbeelding van hem gegoogeld?), en ook bij de jonge Nils Lofgren (ten tijde van Grin), en natuurlijk bij Sam Cooke (voor mij persoonlijk de mooiste stem ooit), en ik zou James Taylor kunnen noemen, ware het niet dat die meer klinkt als de oudere broer die me als enige tot bedaren kan brengen… maar Graham Nash is misschien wel de ultieme Sympathieke Stem. Ik hoor hem en ik sta al aan zijn kant.

En ja, als hij dan een plaat als deze maakt, met elf simpele maar perfecte liedjes, tegelijk poppy en intiem, heerlijk gearrangeerd, absoluut niet pretentieus maar des te ontroerender in zijn eerlijkheid en oprechtheid… dan vergeef ik hem zelfs een regel als "We needed a tutor / So built a computer", die ik na 30 jaar nog steeds niet kan horen zonder even de kringspier samen te knijpen.

Prachtig. Niet grensverleggend, behalve dan wanneer de emotionele impact van een plaat betekent dat daarmee de lat voor alle toekomstige muziek hoger wordt gelegd. Wel een ambachtelijk meesterwerk, elf superbe liedjes van een vriendelijk open hart.
 

Graham Nash - Wild Tales (1973)

poster
4,5
Een wat zwaarder en serieuzer album dan het debuut, maar eigenlijk geen spat minder. De sound van On the line is bijna cliché-honky-tonk-country, maar wat klinkt die combinatie van drums, steelgitaar, mondharmonica en koortje perfect, en die wandelende bas maakt het helemaal áf. Nash op het toppunt van zijn kunnen, inderdaad jammer dat het grote publiek het op dat moment niet heeft herkend zoals musician hierboven stelt – de 34ste plaats van de Amerikaanse albumlijst is teleurstellend, zowel voor een artiest van Nashs reputatie (als op dat moment nog high-profile-lid van CSNY) als voor een album van deze kwaliteit.
 

Gram Parsons & The Flying Burrito Brothers - Sleepless Nights (1976)

poster
3,0
Ik sluit me geheel bij de vorige spreker aan. Met name 8, 9 en 10 (covers van nummers die door anderen al hoog in de hitparade werden gezongen en daardoor met hen worden geassocieerd) zijn tamelijk overbodig. Eigenlijk is het bijna swingende eerste nummer meteen ook het beste.

Grandaddy - The Sophtware Slump (2000)

poster
4,5
Zojuist alle 108 berichten gelezen bij dit album, en wat mij opvalt is dat adjectieven als melancholisch en weemoedig overheersen, maar dat niemand precies kan aangeven wat het geheel is van wat hem of haar zo ontroert. Als je dit album zou willen ontleden in composities, muzikale arrangementen, bizarre bijgeluidjes en teksten, dan bevat elk element in mijn vorige opsomming een opklimmende mate van abstractie, van ongrijpbaarheid, van mysterie. Gebruik ik de teksten als houvast voor de "betekenis" van de nummers, dan stuit ik op een indrukwekkende reeks beelden waar ik vaak in verdwaal zonder dat ik er een samenhangend verhaal van kan maken, maar ook zonder dat ik daar behoefte aan heb en ook zonder dat ik het gemis aan die duidelijke betekenis als storend ervaar.
        Het onderwerp van Jed the humanoid is niet bijzonder gangbaar, maar dat dat één van de nummers met de meest begrijpelijke teksten is spreekt al boekdelen. Aan de andere kant is Broken household appliance national forest eveneens helder en bovendien zeer beeldend, en dan ontspoort de muziek weer in een Dinosaur Jr-achtige herrie, om weg te sterven en ruimte te maken voor het tweede couplet. Maar wie weet wat "Italian leather winter games" zijn, en waarom Hewletts pistolen zijn gestolen, en wat roept die vreemde combinatie van orgel en noise in Jed's other poem bij mij als luisteraar voor associaties op? Door hoeveel verschillende emotionele episodes verschuift Dial-a-view ? (Gelukkig heeft Jason Lytle zich over de betekenis van de tekst van dàt nummer uitgesproken – of is dat juist helemaal niet gelukkig? Of maakt het niet uit omdat ik er toch wel bij weg kan dromen? En voor alle duidelijkheid, ongetwijfeld weet Lytle zelf heel goed waar hij mee bezig is en is hij niet "flying out there".)
        Voor mij persoonlijk schaart Grandaddy zich hiermee in een rijtje van artiesten die muziek maken waar ik door geraakt en ontroerd word zonder dat ik er een vinger achter kan krijgen op welke manier dat gebeurt, welke emoties worden aangesproken, hoe de muziek zich verhoudt tot alle muziek die ik ooit in mijn leven heb gehoord. (De namen die bij mij opkomen zijn zeer divers, van de tongue-in-cheek-blues van de Jon Spencer Blues Explosion via de verkenningen van het onderbewuste van Pere Ubu tot de Technicolor-waanzin van de Residents. Van geen van deze bands ken ik overigens alle of zelfs maar de meeste platen, dus hou mij een gedegen oordeel daarover ten goede.) Ongrijpbaar dus inderdaad, ook omdat soms niet duidelijk is hoe serieus of ironisch of emotioneel veelgelaagd de nummers op The sophtware slump zijn – The crystal lake is een geweldige popsong, maar hoe komt Lytle er bij om dan ineens zo'n Del Shannon-achtig Farfisa-orgeltje in het arrangement te gooien? En met die stevige slaggitaar en die stem die (vrij) laag begint en daarna de hoogte in gaat zou Chartsengrafs zó op het repertoire van de Pixies kunnen, ook al zo'n band waarbij ik er soms niet zeker van ben op welk emotioneel terrein ik me geacht word te bevinden.
        Geweldig dat er zóveel mensen enthousiast over dit album zijn dat het nu in in de top-250 staat. (Overigens heb ik het zelf lang geleden gekocht bij de Free Record Shop, waar ik er een gratis singletje met drie nummers (Our dying brains, Wives of farmers en Moe Bandy mountaineers) bij kreeg, een leuk extraatje; die tracks staan nu allemaal op de extended edition.)

Grateful Dead - American Beauty (1970)

poster
4,0
Zeer fraaie plaat, hoewel er wel een groot verschil zit tussen de "grote" nummers zoals Box of rain en Ripple en de triviale opvullertjes zoals Sugar Magnolia, Operator en Till the morning comes. Ook de samenzang is af en toe een doorn in het oog, zeker wanneer er amper een vaststaande melodie lijkt te zijn en de tweede stem ter plekke lijkt te beslissen welke noot te kiezen, zoals vooral storend te horen is op Attics of my life (het enige nummer dat volgens de Statistieken hier nog geen enkele voorkeursstem heeft gekregen!). En wat doet dat koortje op het einde van Ripple daar? Maar goed, al met al zoals gezegd toch een zeer fraaie plaat, met de eerste twee nummers als mijn favorieten.

Overigens wil ik ook nog even wijzen op de prachtige, bijna berustende cover van Friend of the Devil door Lyle Lovett op het Grateful Dead-tribute-album Deadicated.
 

Grateful Dead - Anthem of the Sun (1968)

poster
2,5
Via een vriend (een groot liefhebber van Westcoastrock) leerde ik eerst American beauty en later Workingman's dead kennen, en dat vond ik allebei prachtige platen, maar omdat ik toch ook de "echte" Grateful Dead wilde horen begon ik maar eens met dit album, want volgens de All Music Guide was Anthem of the sun verantwoordelijk voor "reinventing the musical parameters of the 12" LP medium", en als dát geen aanbeveling is...

Ik heb het album de afgelopen jaren met tussenpozen misschien een keer of veertig gedraaid, en ik moet zeggen dat het me allemaal niet meevalt. De vorm, de ideeën en de opzet zijn in principe heel interessant, maar het geluid is een beetje vormeloos, de solo's gaan nergens naartoe, de zang is meer onzeker dan karaktervol, en de nummers krijgen maar geen eigen identiteit. Na afloop vraag ik me steeds af waar ik nu eigenlijk naar heb geluisterd.

Moet ik hier nu nóg een keer of veertig tegenaan?
 

Grateful Dead - Workingman's Dead (1970)

poster
5,0
Staat deze plaat teveel in de schaduw van zijn opvolger? Groot is misschien de verleiding om hem achteraf voornamelijk als de voorbereiding op American beauty te beschouwen, maar voor mij is American beauty daarentegen juist het album waardoor de kwaliteiten van Workingman's dead des te duidelijker aan het daglicht treden.

Wat deze plaat zo sterk maakt zijn, ondere andere, "lossere" en daardoor soms ongrijpbaardere composities dan op American beauty, teksten die donkerder en mysterieuzer zijn en die soms lezen als duistere folksongs (Black Peter!) of mythologieën in de trant van Robbie Robertsons nummers voor met name de eerste twee platen van The Band (aan wiens muziek deze plaat mij ook vaak doet denken), een enorm hoge draaibaarheidsfactor, en als kers op de taart een prachtige sfeervolle hoes. Misschien spreekt deze plaat mij ook wel aan doordat er geen Box of rain en Attics of my life op staan, nummers waarvan je weet (en waarvan de Dead moeten hebben voorvoeld) dat ze voorbestemd waren om klassiek te worden – Workingman's dead is een minder zelfbewuste plaat, minder kunstig en kunstzinnig ook, meer een oude folkplaat dan een moderne folk/country/bluesplaat. Minder perfect, meer grofkorrelig, minder overdacht, meer direct, voor mijn gevoel ook meer een eenheid dan American beauty, en een geheel groter dan de som der delen.

Althans, dat is mijn persoonlijke indruk, gebaseerd op het –toegegeven– tamelijk weinige dat ik weet van deze band, maar ook op wat ik hoor en hoe ik dat onderga. Wat klonk als spontaniteit in de muziek van The Band was misschien vaak zorgvuldig gearrangeerd en bovendien altijd gebaseerd op een grote technische vaardigheid, en datzelfde geldt wellicht voor Workingman's dead, maar de organische indruk die deze plaat maakt is er niet minder om.
 

Green Day - American Idiot (2004)

poster
4,5
Altijd leuk wanneer een duidelijk als statement bedoeld album z'n pretenties ook waarmaakt. Het verbindende verhaaltje van American idiot wordt door wikipedia omschreven als een "occasionally chaotic story on the surface", en in het achterliggende concept ben ik niet geïnteresseerd genoeg om me in de bedoelingen van die verschillende personages en alter ego's te verdiepen, maar waar het hier voor mij om gaat is de overdaad aan ijzersterke melodieën gekoppeld aan een uitvoering met maximale overtuiging. Knap ook hoe ze ondanks het vrij sobere basisinstrumentarium van gitaar, bas en drums de plaat toch zeer afwisselend houden, gedeeltelijk door variaties in tempo, dynamiek en sfeer, gedeeltelijk door subtiele toevoegingen van achtergrondkoortjes, akoestische gitaren, xylofoon, piano, sax, een "door-echoënd" reverb-effect op Boulevard of broken dreams, een precies goede slide-gitaar op het sublieme Give me novacaine en tabla-achtige percussie op Extraordinary girl. Uiteindelijk nèt geen maximale score omdat het zeer hoge niveau van de eerste vier nummers daarna niet meer constant gehandhaafd blijft, maar al met al toch een zeer ambitieus en ijzersterk album.
        Overigens prijzen eerdere schrijvers hier de overgang van Holiday naar Boulevard of broken dreams, maar zelf vind ik vooral de overgang van het titelnummer naar de eerste medley spannend: eerst de laatste riff van American idiot, dan de korte maar o zo verwachtingsvolle pauze, en tenslotte de prachtige manier waarop de eerste drie akkoorden van Jesus of Suburbia het nummer binnenvallen. Past precies.

Green Day - Dookie (1994)

poster
4,0
Geweldige plaat, muzikaal veel afwisselender dan je op het eerste gehoor zou denken, met teksten die ergens over gaan en ook bij mensen die geen 22 meer zijn nog kunnen resoneren, gebracht door een tamelijk charismatische frontman met een prima ritmesectie achter zich, klinkend als een klok en met een hoge draaibaarheidsfactor. Veel reacties hier maken gewag van jeugdsentiment, maar ook als hedendaagse plaat schopt dit nog behoorlijk reet.