Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Jethro Tull - Thick as a Brick (1972)

3,5
4
geplaatst: 5 maart, 17:10 uur
Maart '24 schreef Mssr Renard zijn prachtige epistel over dit album - zo jammer dat hij niet meer actief is op dit forum! De historie die hij met Thick as a Brick heeft, ontbeer ik. In 2014 ben ik eens behoorlijk in de discografie van Jethro Tull gedoken en zo dit album tegengekomen, maar nimmer zal ik de band met de plaat opbouwen zoals hij deed.
Auteur Scott Allen Nollen publiceerde in 2002 'Jethro Tull: A History of the band, 1968-2001'. Aan de hand van interviews met de betrokkenen door derden, persoonlijke gesprekken van hemzelf met groepsleden gaat hij door de historie van de groep; album na album, tournee na tournee.
Mij valt op dat Jethro Tull hier niet de riffgroep van voorganger Aqualung is, maar zich werpt op één lang muziekstuk, in 1972 door de fysieke beperkingen van vinyl noodgedwongen gescheiden in twee delen, waarbij de muziek naar onvervalste progrock is gegroeid.
Tijdens de tour voor Aqualung was Barrie Barlow toegetreden als drummer. Diens voorganger Clive Bunker was namelijk in toenemende mate ontevreden en besloot te vertrekken: "A drummer more interested in feel than technique". Het is mede daarom dat Jethro Tull dit complexe niveau aankan.
De muziek opent klein met indringende woorden die de '"boodschap" van het album bevatten, aldus Nollen:
"Really don't mind if you sit this one out - My word's but a whisper, your deafness a shout
I may make you feel, but I can't make you think - Your sperm's in the gutter, your love's in the sink.
So you ride yourselves over the fields - Then you make all your animal deals
And your wise men don't know how it feels - To be thick as a brick."
De term 'thick as a brick' komt uit Noord-Engelse slang uit die dagen, voegt hij toe. De regels sluiten het album ook af. Verder meldt hij: "Thick as a Brick truly is a musical smorgasbord comprising elements from the medieval, classical, folk, jazz, theatrical and rock 'n' roll genres."
Over de concerten meldde frontman Ian Anderson: "The difficulty (...) was trying to play the acoustic music we didn't have to play when we were doing the heavy rock music of the Aqualung album. (...) The audiences, particulary in America, were not sympathetic to the concert atmosphere (...)."
Gitarist Martin Barre herinnerde zich dat "...there is so much to remember, so many odd time signatures, 7/4s and 6/8s (...)" Over hoe de muziek ontstond, vertelt hij: "On a Friday we'd finish off with a sort of soft acoustic thing, and then Saturday morning Ian would turn up and say, 'Right, we'll go into guitar solo here, and a riff or whatever, or 'We'll change the key from E-flat to B-flat." In tegenstelling tot de voorgangers schreef niet Anderson alle muziek maar was iedereen betrokken bij de totstandkoming van de composities.
Opnieuw in de dagen richting Kerstmis opgenomen, waren de repetitie-omstandigheden verre van romantisch, zo vertelt de gitarist: "We went down to this disgusting,smelly, dark, dirty basement, (...) filthy." Het eten in de pub "served by this gross, huge woman (...) whose hygiene was definitely questionable."
Over de tournee wordt verteld dat de groep van hun voormalige bassist Glenn Cornick in het voorprogramma speelde, diens nieuwe groep Wild Turkey deelde namelijk het management. Andere openers waren Captain Beefheart, Gentle Giant en The Eagles.
Thick as a Brick werd live integraal gespeeld, maar "to give themselves a break between the two lengthy 'Brick' sides, the band incorporated an interval of comedy skits based on articles in the album's newspaper."
Over die hoes vertelt maker Roy Eldridge: "(...) which took longer to produce than the recording itself." Wie niet begrijpt wat daarvan de reden is, verwijs ik naar Mssr Renards epistel.
Een album dat zich niet zo makkelijk laat doorgronden, vaker draaien doet de muziek groeien. Aangezien ik meer een riff- dan een progman ben, een iets lagere waardering van mij. Wie juist wél van symfonische rock houdt, mag dat als een warme aanbeveling zien dit hoger te waarderen.
Auteur Scott Allen Nollen publiceerde in 2002 'Jethro Tull: A History of the band, 1968-2001'. Aan de hand van interviews met de betrokkenen door derden, persoonlijke gesprekken van hemzelf met groepsleden gaat hij door de historie van de groep; album na album, tournee na tournee.
Mij valt op dat Jethro Tull hier niet de riffgroep van voorganger Aqualung is, maar zich werpt op één lang muziekstuk, in 1972 door de fysieke beperkingen van vinyl noodgedwongen gescheiden in twee delen, waarbij de muziek naar onvervalste progrock is gegroeid.
Tijdens de tour voor Aqualung was Barrie Barlow toegetreden als drummer. Diens voorganger Clive Bunker was namelijk in toenemende mate ontevreden en besloot te vertrekken: "A drummer more interested in feel than technique". Het is mede daarom dat Jethro Tull dit complexe niveau aankan.
De muziek opent klein met indringende woorden die de '"boodschap" van het album bevatten, aldus Nollen:
"Really don't mind if you sit this one out - My word's but a whisper, your deafness a shout
I may make you feel, but I can't make you think - Your sperm's in the gutter, your love's in the sink.
So you ride yourselves over the fields - Then you make all your animal deals
And your wise men don't know how it feels - To be thick as a brick."
De term 'thick as a brick' komt uit Noord-Engelse slang uit die dagen, voegt hij toe. De regels sluiten het album ook af. Verder meldt hij: "Thick as a Brick truly is a musical smorgasbord comprising elements from the medieval, classical, folk, jazz, theatrical and rock 'n' roll genres."
Over de concerten meldde frontman Ian Anderson: "The difficulty (...) was trying to play the acoustic music we didn't have to play when we were doing the heavy rock music of the Aqualung album. (...) The audiences, particulary in America, were not sympathetic to the concert atmosphere (...)."
Gitarist Martin Barre herinnerde zich dat "...there is so much to remember, so many odd time signatures, 7/4s and 6/8s (...)" Over hoe de muziek ontstond, vertelt hij: "On a Friday we'd finish off with a sort of soft acoustic thing, and then Saturday morning Ian would turn up and say, 'Right, we'll go into guitar solo here, and a riff or whatever, or 'We'll change the key from E-flat to B-flat." In tegenstelling tot de voorgangers schreef niet Anderson alle muziek maar was iedereen betrokken bij de totstandkoming van de composities.
Opnieuw in de dagen richting Kerstmis opgenomen, waren de repetitie-omstandigheden verre van romantisch, zo vertelt de gitarist: "We went down to this disgusting,smelly, dark, dirty basement, (...) filthy." Het eten in de pub "served by this gross, huge woman (...) whose hygiene was definitely questionable."
Over de tournee wordt verteld dat de groep van hun voormalige bassist Glenn Cornick in het voorprogramma speelde, diens nieuwe groep Wild Turkey deelde namelijk het management. Andere openers waren Captain Beefheart, Gentle Giant en The Eagles.
Thick as a Brick werd live integraal gespeeld, maar "to give themselves a break between the two lengthy 'Brick' sides, the band incorporated an interval of comedy skits based on articles in the album's newspaper."
Over die hoes vertelt maker Roy Eldridge: "(...) which took longer to produce than the recording itself." Wie niet begrijpt wat daarvan de reden is, verwijs ik naar Mssr Renards epistel.

Een album dat zich niet zo makkelijk laat doorgronden, vaker draaien doet de muziek groeien. Aangezien ik meer een riff- dan een progman ben, een iets lagere waardering van mij. Wie juist wél van symfonische rock houdt, mag dat als een warme aanbeveling zien dit hoger te waarderen.
Jethro Tull - This Was (1968)

4,0
1
geplaatst: 1 maart, 20:51 uur
Zo'n twee jaar geleden was ik aan het lezen in de bandbiografie 'Jethro Tull: A History of the band, 1968-2001 van de Amerikaan Scott Allen Nollen. Door allerlei drukte belandde het boek van het nachtkastje op de boekenplank, maar vandaag heb ik hem eraf gehaald om een oud plannetje te gaan doen: met behulp van dit boek de albums van Jethro Tull bespreken, voor zover ik dat nog niet deed.
Na een introductie begint hij op p. 33 de albums met de bijbehorende tournees te beschrijven. Bassist Glenn Cornick vertelt een bladzijde verder hoe het platencontract tot stand kwam: "We'd go to Nice gigs whenever they'd be playing, and they'd come and see us. We were all good friends with Spooky Tooth.
And Spooky Tooth (...) went to Island Records, their record company, and told them that they should sign us. There really was a closeness between all the bands."
Hierboven en in het boek worden de nummers één voor één beschreven. Laat ik dat een keer niet doen. Wel kan ik melden dat op deze zondagavond opener My Sunday Feeling extra lekker binnenkomt. Daarin meteen enige jazz- en bluesinvloeden, waarover Nollen noteert: "[they] give the album an improvisational edge that later, more polished efforts often lack."
Droge humor druipt door in de titel Serenade to a Cuckoo, waar inderdaad jazz en blues de sfeer van een jamsessie sfeer creëren. Oorspronkelijk van jazzmusicus Roland Kirk, combineert Anderson hier reeds zijn fluitspel met uitroepen tussendoor.
Verschillende tinten blues klinken over het gehele album dankzij gitarist Mick Abrahams, door drummer Clive Bunker swingend bijeengehouden. In zijn slagen weerklinkt véél jazz, zoals generatiegenoot Bill Ward dat bij Black Sabbath deed.
Voor mij is het debuut extra interessant omdat de gitarist van Black Sabbath, Tony Iommi, kort na verschijnen deel uitmaakte van Jethro Tull als vervanger van Abrahams, die was vertrokken mede omdat hij niet kon opschieten met Cornick.
Ik hoor duidelijke overeenkomsten tussen This Was en debuutplaat Black Sabbath. Het zit 'm - alweer - in de jazz en blues die doorschemeren, bij Tull sterker dan bij Sabbath. Neem bijvoorbeeld de lange gitaarsolo die Cat's Squirrel is; doet sterk denken aan Black Sabbaths Warning van het debuut, de laatste overigens een cover van Aynsley Dunbar's Retaliation. Op zijn beurt is Cat's Squirrel een volksliedje, al in 1966 door Cream onder handen genomen op hun Fresh Cream.
Er is meer: hoor Bunkers drumsolo in Dharma for One eens! Drumsolo's saai? Hier níet! Mijn favoriet van het album blijft A Song for Jeffrey, waar de diverse invloeden sterk worden aaneengesmeed tot het herkenbare geluid van Jethro Tull. En als je denkt dat het album voorbij is, volgt nog het korte instrumentaaltje Round, dat wel langer had mogen duren.
Dat de luisteraar wellicht méér wil, werd later gehonoreerd met diverse edities waarop extra werk is te horen: in 2008 en 2018 verschenen respectievelijk 40- en 50-jarige jubileumversies. Al met al een album dat enerzijds herkenbaar is voor de periode waarin het verscheen, anderzijds beleef ik dit steeds weer als fris, spannend en creatief.
Na een introductie begint hij op p. 33 de albums met de bijbehorende tournees te beschrijven. Bassist Glenn Cornick vertelt een bladzijde verder hoe het platencontract tot stand kwam: "We'd go to Nice gigs whenever they'd be playing, and they'd come and see us. We were all good friends with Spooky Tooth.
And Spooky Tooth (...) went to Island Records, their record company, and told them that they should sign us. There really was a closeness between all the bands."
Hierboven en in het boek worden de nummers één voor één beschreven. Laat ik dat een keer niet doen. Wel kan ik melden dat op deze zondagavond opener My Sunday Feeling extra lekker binnenkomt. Daarin meteen enige jazz- en bluesinvloeden, waarover Nollen noteert: "[they] give the album an improvisational edge that later, more polished efforts often lack."
Droge humor druipt door in de titel Serenade to a Cuckoo, waar inderdaad jazz en blues de sfeer van een jamsessie sfeer creëren. Oorspronkelijk van jazzmusicus Roland Kirk, combineert Anderson hier reeds zijn fluitspel met uitroepen tussendoor.
Verschillende tinten blues klinken over het gehele album dankzij gitarist Mick Abrahams, door drummer Clive Bunker swingend bijeengehouden. In zijn slagen weerklinkt véél jazz, zoals generatiegenoot Bill Ward dat bij Black Sabbath deed.
Voor mij is het debuut extra interessant omdat de gitarist van Black Sabbath, Tony Iommi, kort na verschijnen deel uitmaakte van Jethro Tull als vervanger van Abrahams, die was vertrokken mede omdat hij niet kon opschieten met Cornick.
Ik hoor duidelijke overeenkomsten tussen This Was en debuutplaat Black Sabbath. Het zit 'm - alweer - in de jazz en blues die doorschemeren, bij Tull sterker dan bij Sabbath. Neem bijvoorbeeld de lange gitaarsolo die Cat's Squirrel is; doet sterk denken aan Black Sabbaths Warning van het debuut, de laatste overigens een cover van Aynsley Dunbar's Retaliation. Op zijn beurt is Cat's Squirrel een volksliedje, al in 1966 door Cream onder handen genomen op hun Fresh Cream.
Er is meer: hoor Bunkers drumsolo in Dharma for One eens! Drumsolo's saai? Hier níet! Mijn favoriet van het album blijft A Song for Jeffrey, waar de diverse invloeden sterk worden aaneengesmeed tot het herkenbare geluid van Jethro Tull. En als je denkt dat het album voorbij is, volgt nog het korte instrumentaaltje Round, dat wel langer had mogen duren.
Dat de luisteraar wellicht méér wil, werd later gehonoreerd met diverse edities waarop extra werk is te horen: in 2008 en 2018 verschenen respectievelijk 40- en 50-jarige jubileumversies. Al met al een album dat enerzijds herkenbaar is voor de periode waarin het verscheen, anderzijds beleef ik dit steeds weer als fris, spannend en creatief.
Jethro Tull - Too Old to Rock 'N' Roll: Too Young to Die! (1976)

3,5
1
geplaatst: 10 maart, 21:44 uur
Alhoewel het geluid van Jethro Tull herkenbaar is, dwingt Ian Anderson zichzelf en zijn groepsleden om de muziek per album te doen evolueren. Niet omdat het moet: ideeën komen simpelweg boven en brengen vanzelf nieuwe dingen.
Zoals op Too Old to Rock 'N' Roll: Too Young to Die! nadat hij rond Kerstmis 1975 tijdens een vakantie in Zwitserland het titelnummer schrijft. Hij laat dit aan dirigent en arrangeur David Palmer horen, met wie hij op de twee laatste Tulls samenwerkte. Zo ontstaat het idee voor een volgende conceptplaat, in dit geval over een ouder wordende popster.
Bij verschijnen wordt onmiddellijk aangenomen dat het verhaal over Ray Lomas autobiografisch is. Geen wonder met Andersons persoon op de felgele hoes. Maar nee, dit is fictie, zoals het fraaie stripverhaal aan de binnenzijde van de klaphoes toont. In een tekenstijl die me doet denken aan die van Nederlander Hans Kresse, bekend van Eric de Noorman.
Het zal schrikken zijn geweest voor menig fan van Jethro Tull. Nooit tevoren klonken zoveel pop- en bluesinvloeden. Nu ja, op het debuut zat ook veel blues, zij het anders dan hier. Al is het nog niet zo ver op opener Quizz Kid en het sterkere Crazed Institution. En Salamander blijkt een prachtig akoestisch juweeltje.
Maar dan. Vertelde Anderson bij voorganger Minstrel in the Gallery dat hij inmiddels de blues verre van Jethro Tull houdt, bij het luide Taxi Grab klinkt juist die muziek sterk door. De bijdragen op mondharmonica zijn nota bene van hemzelf!
In het kalme From a Deadbeat to an Old Greaser klinken strijkers en saxofoon op een wijze die liefhebbers van Al Stewart zal bevallen; mij zeker. Vervolgens akoestische blues in Bad-Eyed and Loveless, kant 1 afsluitend.
Big Dipper brengt het bekende geluid van de groep maar pakt me niet, Too Old to Rock 'N' Roll: Too Young to Die! heeft een showorkestachtig arrangement - op z'n Tulls hè... Toch liever het hypnotiserende Pied Piper, dat groeit bij vaker afspelen. The Chequered Flag (Dead or Alive) sluit de plaat grotendeels dromerig af.
Vertelt bandbio 'Jethro Tull' van Scott Allen Nollen nog leuke details? Zeker wel, ik houd het echter kort: nieuwe bassist was John Glascock, Maddy Prior van Steeleye Span is op achtergrondzang te horen en in de categorie shownieuws, passend bij het thema van dit album: onderweg in de VS ontwaarde gitarist Martin Barre een schone dame op het vliegveld van Jackson, Mississippi. Hij geeft haar een kaartje met backstagepas voor het concert die avond, "an unsual move for the reserved and gentlemanly Martin". Het jaar erop trouwt hij met deze Julie Weems!
Zoals op Too Old to Rock 'N' Roll: Too Young to Die! nadat hij rond Kerstmis 1975 tijdens een vakantie in Zwitserland het titelnummer schrijft. Hij laat dit aan dirigent en arrangeur David Palmer horen, met wie hij op de twee laatste Tulls samenwerkte. Zo ontstaat het idee voor een volgende conceptplaat, in dit geval over een ouder wordende popster.
Bij verschijnen wordt onmiddellijk aangenomen dat het verhaal over Ray Lomas autobiografisch is. Geen wonder met Andersons persoon op de felgele hoes. Maar nee, dit is fictie, zoals het fraaie stripverhaal aan de binnenzijde van de klaphoes toont. In een tekenstijl die me doet denken aan die van Nederlander Hans Kresse, bekend van Eric de Noorman.
Het zal schrikken zijn geweest voor menig fan van Jethro Tull. Nooit tevoren klonken zoveel pop- en bluesinvloeden. Nu ja, op het debuut zat ook veel blues, zij het anders dan hier. Al is het nog niet zo ver op opener Quizz Kid en het sterkere Crazed Institution. En Salamander blijkt een prachtig akoestisch juweeltje.
Maar dan. Vertelde Anderson bij voorganger Minstrel in the Gallery dat hij inmiddels de blues verre van Jethro Tull houdt, bij het luide Taxi Grab klinkt juist die muziek sterk door. De bijdragen op mondharmonica zijn nota bene van hemzelf!
In het kalme From a Deadbeat to an Old Greaser klinken strijkers en saxofoon op een wijze die liefhebbers van Al Stewart zal bevallen; mij zeker. Vervolgens akoestische blues in Bad-Eyed and Loveless, kant 1 afsluitend.
Big Dipper brengt het bekende geluid van de groep maar pakt me niet, Too Old to Rock 'N' Roll: Too Young to Die! heeft een showorkestachtig arrangement - op z'n Tulls hè... Toch liever het hypnotiserende Pied Piper, dat groeit bij vaker afspelen. The Chequered Flag (Dead or Alive) sluit de plaat grotendeels dromerig af.
Vertelt bandbio 'Jethro Tull' van Scott Allen Nollen nog leuke details? Zeker wel, ik houd het echter kort: nieuwe bassist was John Glascock, Maddy Prior van Steeleye Span is op achtergrondzang te horen en in de categorie shownieuws, passend bij het thema van dit album: onderweg in de VS ontwaarde gitarist Martin Barre een schone dame op het vliegveld van Jackson, Mississippi. Hij geeft haar een kaartje met backstagepas voor het concert die avond, "an unsual move for the reserved and gentlemanly Martin". Het jaar erop trouwt hij met deze Julie Weems!
Jethro Tull - War Child (1974)

3,5
1
geplaatst: 7 maart, 13:02 uur
War Child, opvolger van A Passion Play. De verkopen van die laatste waren goed en desondanks een stuk minder dan die van Thick as a Brick. Het opnameproces van de voorganger was moeizaam verlopen en als blijkt dat twee conceptelpees na elkaar te veel van het goede is... Met bovendien een manager die de opmerking maakt dat Jethro Tull met "retirement" gaat wat betreft optreden...
Dan maak je vervolgens een "gewoon" album met tien losse nummers én je kondigt een tournee aan. De plaat niet in Zwitserland voorbereid en evenmin in Frankrijk opgenomen, maar gewoon in de Londense Morgan Studios tot stand gekomen. Alle muziek werd door Ian Anderson geschreven.
Tegelijkertijd zit de muziek nog altijd vol vernuftige ingrediënten. Onvervalste symfonische rock, zoals we dat toen noemden. Bepaald géén drie akkoordenmuziek. Noviteiten zijn dat dirigent David Palmer en de Philomusica of London meedoen, dat doedelzakken in The Third Hoorah klinken, het midden houdend tussen folk- en marsmuziek én dat John Evans aan zijn klavieren een accordeon toevoegt. Menig fan zal opgelucht hebben gezucht toen bleek dat Ian Anderson vaker zijn dwarsfluit gebruikt, waar hij op A Passion Play veel sopraan- en sopraninosaxofoon speelde.
Het zit dus knap in elkaar, toch word ik slechts bij het kalme Skating Away on the Thin Ice of the New Day echt enthousiast, het gevolg van de prachtige melodie. Ik vind de zes voorgangers spannender...
Met David Allen Nollens bandbio 'Jethro Tull' uit 2002 in de hand ga ik op zoek naar interessante achtergronden. Zo lees ik dat Anderson de voorbereidingen van War Child combineerde met het produceren van Now We Are Six van Steeleye Span.
De tekst van Queen and Empire is een veroordeling van het Britse imperialisme: "They build schools and they build factories - with the spoils of battles won".
Eerdere berichten gingen over de tekst van Sea Lion, waarbij Nollen Andersons uitleg aanhaalt: "Slightly ecological in content, probably influenced through being brought up in Blackpool, where the sea was dirty gray, largely because of the dumping of all the town's sewage a very short distance off the shore. (...) We used to dodge the waves coming over the promenade there. Little did we know then that what we were dodging was every kind of variation of E. coli bacteria known to man...". Nollen voegt daaraan toe dat in de bredere betekenis "the tale of the circus Sea Lion is a metaphor for the uncertainty, chaos and often utter helpnessness of humanity (...)"
De Amerikaan noteert ook dat Bungle in the Jungle een a-typische FM-radiofavoriet werd in zijn land. Skating Away on the Thin Ice of the New Day stamt nog van de opnames voor A Passion Play in Chateau d'Herouville en kreeg een nieuwe mix voor War Child. Hetzelfde geldt voor Only Solitaire.
Op 25 juli 1974 eindigt na tien maanden de "livepensionering" met een Australische tournee en de nodige landen volgen, tot Japan toe. Op 1 april '75 verzwikt Anderson zijn enkel tijdens een concert in in het Duitse Kiel en doet de navolgende concerten zittend in een rolstoel.
Ook van War Child verschenen nadien uitgebreide versies met de nodige bonussen en achtergrondinformatie. Hierdoor maakten we alsnog kennis met de klassieke War Child Waltz, die het originele album niet haalde.
Vanaf 1968 jaarlijks een album uitbrengen en het nodige materiaal dat die elpees in eerste instantie niet haalde: zeggen dat Jethro Tull productief was, is een understatement.
Dan maak je vervolgens een "gewoon" album met tien losse nummers én je kondigt een tournee aan. De plaat niet in Zwitserland voorbereid en evenmin in Frankrijk opgenomen, maar gewoon in de Londense Morgan Studios tot stand gekomen. Alle muziek werd door Ian Anderson geschreven.
Tegelijkertijd zit de muziek nog altijd vol vernuftige ingrediënten. Onvervalste symfonische rock, zoals we dat toen noemden. Bepaald géén drie akkoordenmuziek. Noviteiten zijn dat dirigent David Palmer en de Philomusica of London meedoen, dat doedelzakken in The Third Hoorah klinken, het midden houdend tussen folk- en marsmuziek én dat John Evans aan zijn klavieren een accordeon toevoegt. Menig fan zal opgelucht hebben gezucht toen bleek dat Ian Anderson vaker zijn dwarsfluit gebruikt, waar hij op A Passion Play veel sopraan- en sopraninosaxofoon speelde.
Het zit dus knap in elkaar, toch word ik slechts bij het kalme Skating Away on the Thin Ice of the New Day echt enthousiast, het gevolg van de prachtige melodie. Ik vind de zes voorgangers spannender...
Met David Allen Nollens bandbio 'Jethro Tull' uit 2002 in de hand ga ik op zoek naar interessante achtergronden. Zo lees ik dat Anderson de voorbereidingen van War Child combineerde met het produceren van Now We Are Six van Steeleye Span.
De tekst van Queen and Empire is een veroordeling van het Britse imperialisme: "They build schools and they build factories - with the spoils of battles won".
Eerdere berichten gingen over de tekst van Sea Lion, waarbij Nollen Andersons uitleg aanhaalt: "Slightly ecological in content, probably influenced through being brought up in Blackpool, where the sea was dirty gray, largely because of the dumping of all the town's sewage a very short distance off the shore. (...) We used to dodge the waves coming over the promenade there. Little did we know then that what we were dodging was every kind of variation of E. coli bacteria known to man...". Nollen voegt daaraan toe dat in de bredere betekenis "the tale of the circus Sea Lion is a metaphor for the uncertainty, chaos and often utter helpnessness of humanity (...)"
De Amerikaan noteert ook dat Bungle in the Jungle een a-typische FM-radiofavoriet werd in zijn land. Skating Away on the Thin Ice of the New Day stamt nog van de opnames voor A Passion Play in Chateau d'Herouville en kreeg een nieuwe mix voor War Child. Hetzelfde geldt voor Only Solitaire.
Op 25 juli 1974 eindigt na tien maanden de "livepensionering" met een Australische tournee en de nodige landen volgen, tot Japan toe. Op 1 april '75 verzwikt Anderson zijn enkel tijdens een concert in in het Duitse Kiel en doet de navolgende concerten zittend in een rolstoel.
Ook van War Child verschenen nadien uitgebreide versies met de nodige bonussen en achtergrondinformatie. Hierdoor maakten we alsnog kennis met de klassieke War Child Waltz, die het originele album niet haalde.
Vanaf 1968 jaarlijks een album uitbrengen en het nodige materiaal dat die elpees in eerste instantie niet haalde: zeggen dat Jethro Tull productief was, is een understatement.
Jo Lemaire + Flouze - Jo Lemaire + Flouze (1979)

3,5
2
geplaatst: afgelopen woensdag om 00:12 uur
Jo Lemaire, dat bleek de dame achter het mysterieus klinkende Je suis venue te dire que je m’en vais, een hit in 1981. Een liedje dat ik vergat, in de jaren '90 herontdekte en als ik het dan hoorde, kreeg ik prompt zin in zomervakantie. Ik wist alleen niet meer wie dat was, laat staan hoe het nummer heette. In het pre-internettijdperk moest je het hebben van laten horen aan anderen en navraag doen. Pas via internet, zo rond 1999 (Windows 98 weet u nog, mijn eerste pc), kwam ik erachter.
De Jo Lemaire van debuut Jo Lemaire + Flouze maakt echter muziek in andere sferen. Ik kan ter vergelijking allerlei namen van tijdgenotes noemen, het vaakst denk ik aan Nina Hagen. Pittige gitaren, veel ruimte voor saxofoon en verder piano, felle Engelstalige zang en meestal uptempo. Jaaaaa, lekker!
Ze was jong gehuwd en haar toenmalige echtgenote Philippe Depireux is de drummer. Flouze telde nóg eens vier muzikanten: gitarist en tevens klarinettist Attilio Bortolin, gitarist Daniel François, saxofonist en pianist is Giovanni Bortolin, de bassist heet Marc Santkin.
Met de diverse instrumenten en vrolijke new wave creëerde het zestal een fris debuut. Zoals vaker word ik vooral enthousiast van het uptempo werk: Running Time en Big Buick Boogie op kant 1 en het aangenaam nerveuze Keep Step op kant 2.
Afwijkend zijn het Italiaanstalige en zomerse popliedje Tintarella di Luna met het meep-meep van cartoonfiguur Roadrunner erin, plus het kalmere Something's Gonna Change. De saxofoon geeft de muziek af en toe de sfeer van het wilde Roxy Music van enkele jaren eerder.
De groep uit de regio Namen in Wallonië kwam in 1980 met een non-albumnummer op de wijdverspreide verzamelaar Get Sprouts.
Mijn reis door new wave kwam van de tweede van Telex uit 1980. In datzelfde jaar schakelde de groep Machiavel op hun vierde langspeler over op wave, getuige album New Lines.
De Jo Lemaire van debuut Jo Lemaire + Flouze maakt echter muziek in andere sferen. Ik kan ter vergelijking allerlei namen van tijdgenotes noemen, het vaakst denk ik aan Nina Hagen. Pittige gitaren, veel ruimte voor saxofoon en verder piano, felle Engelstalige zang en meestal uptempo. Jaaaaa, lekker!
Ze was jong gehuwd en haar toenmalige echtgenote Philippe Depireux is de drummer. Flouze telde nóg eens vier muzikanten: gitarist en tevens klarinettist Attilio Bortolin, gitarist Daniel François, saxofonist en pianist is Giovanni Bortolin, de bassist heet Marc Santkin.
Met de diverse instrumenten en vrolijke new wave creëerde het zestal een fris debuut. Zoals vaker word ik vooral enthousiast van het uptempo werk: Running Time en Big Buick Boogie op kant 1 en het aangenaam nerveuze Keep Step op kant 2.
Afwijkend zijn het Italiaanstalige en zomerse popliedje Tintarella di Luna met het meep-meep van cartoonfiguur Roadrunner erin, plus het kalmere Something's Gonna Change. De saxofoon geeft de muziek af en toe de sfeer van het wilde Roxy Music van enkele jaren eerder.
De groep uit de regio Namen in Wallonië kwam in 1980 met een non-albumnummer op de wijdverspreide verzamelaar Get Sprouts.
Mijn reis door new wave kwam van de tweede van Telex uit 1980. In datzelfde jaar schakelde de groep Machiavel op hun vierde langspeler over op wave, getuige album New Lines.
Jo Lemaire + Flouze - Precious Time (1980)

3,5
1
geplaatst: afgelopen donderdag om 18:45 uur
New wave in 1980. Op mijn afspeellijst staat onder meer mijn vorige halte Machiavel met hun vierde album genaamd New Lines dat wordt vertegenwoordigd met Fly, waarna Computerstaat van Abwärts komt en dan titelnummer Precious Time van deze tweede van Jo Lemaire + Flouze.
Die klinkt anders dan hun debuut. Gitaren zijn minder prominent, net als de saxofoon. In plaats daarvan een wat koelere sfeer, minder uitbundig, wat wordt benadrukt door een grotere invloed voor toetsen en synthesizers plus de vaak slappende bas van Ferdinand Philippot. Maar nog altijd hartstikke new wave.
Dat werkt goed in opener Precious Time, alsof we hier al dat fijne bandje Altered Images horen. Maar die debuteerden het jaar erna. The Happy Song is meer van de funk, het felle The Code drijft op een bijtende gitaar. Het kalmere Hands and Words pakt minder, Till the Fall sluit echter sterk én onderkoeld af dankzij toetsen en cleane gitaar.
Bij de zang van Jo Lemaire en de muziek van Flouze in Freudian Slips denk ik aan het vroege werk van The Pretenders, Far Cry heeft weer een aangename koele sfeer om wat heftiger in Siouxsiesfeer te eindigen. Twee vergelijkingen in één zin, tegelijkertijd benadruk ik de eigen plek van Lemaire en haar Flouzemannen.
Punkachtig gitaarwerk en een stuiterende saxofoon in Family Cell, pop in No Tears Allowed met scheurende gitaar in het refrein. Dankzij het midtempo Wake Up keert ten slotte funk terug met veel slappende basgitaar.
Alles bij elkaar is dit een album dat nog altijd fris en gevarieerd klinkt. Volgende halte in het land van new wave is van het eveneens Belgische Scooter. Nee, níet de Duitse happy hardcore-act!
Die klinkt anders dan hun debuut. Gitaren zijn minder prominent, net als de saxofoon. In plaats daarvan een wat koelere sfeer, minder uitbundig, wat wordt benadrukt door een grotere invloed voor toetsen en synthesizers plus de vaak slappende bas van Ferdinand Philippot. Maar nog altijd hartstikke new wave.
Dat werkt goed in opener Precious Time, alsof we hier al dat fijne bandje Altered Images horen. Maar die debuteerden het jaar erna. The Happy Song is meer van de funk, het felle The Code drijft op een bijtende gitaar. Het kalmere Hands and Words pakt minder, Till the Fall sluit echter sterk én onderkoeld af dankzij toetsen en cleane gitaar.
Bij de zang van Jo Lemaire en de muziek van Flouze in Freudian Slips denk ik aan het vroege werk van The Pretenders, Far Cry heeft weer een aangename koele sfeer om wat heftiger in Siouxsiesfeer te eindigen. Twee vergelijkingen in één zin, tegelijkertijd benadruk ik de eigen plek van Lemaire en haar Flouzemannen.
Punkachtig gitaarwerk en een stuiterende saxofoon in Family Cell, pop in No Tears Allowed met scheurende gitaar in het refrein. Dankzij het midtempo Wake Up keert ten slotte funk terug met veel slappende basgitaar.
Alles bij elkaar is dit een album dat nog altijd fris en gevarieerd klinkt. Volgende halte in het land van new wave is van het eveneens Belgische Scooter. Nee, níet de Duitse happy hardcore-act!
Joe Jackson - Body and Soul (1984)

4,5
3
geplaatst: 29 december 2022, 14:30 uur
Wie zoals ik zojuist Joe Jacksons vorige album Mike’s Murder heeft beluisterd, zal merken hoe rond, vol en warm dit Body and Soul is geproduceerd. Verantwoordelijk is producer David Kershenbaum, die hoorbaar wist hoe dat te doen. Wederom is piano het hoofdinstrument, waaromheen een big band stoeit met latin-jazzingrediënten, inclusief een bescheiden rol voor de gitaar.
De plaat haalde hier de platinum status, mede geholpen door Happy Ending, het duet met Elaine Caswell dat van april tot en met juni in de Nederlandse hitlijst stond, piekend op #19.
Opvallend is dat beide zangeressen op dit album, ook Ellen Foley doet mee, uit de stal van Jim Steinman komen. Die kennen we als de man achter de pompeuze en theatrale (hard)rock van Meatloaf, een stijl die ik in het geheel niet met Joe Jackson associeer. Voor Body and Soul zijn echter krachtige stemmen nodig en díe hebben deze vrouwen zeker! Dit is goed te horen in het felle Go for It, waar qua blaasstukken Mexicaanse mariachi doorschemert.
Naast alle uitbundige arrangementen valt het melancholieke Not Here, Not Now op; hoe mooi is dit! In You Can’t Get What You Want klinkt funk met een heerlijke gitaarpartij, Be My Number Two bevat een melodie van sprookjesachtige schoonheid. Afsluiter Heart of Ice klinkt met zijn lange aanloop filmisch, alsof het resteert van de filmsoundtrack Mike’s Murder.
Variatie te over, met naast de luide blazers genoeg ingetogener muziek. Een album dat onverslijtbaar is en blijft, net als met de reguliere voorganger Night and Day het geval is.
De plaat haalde hier de platinum status, mede geholpen door Happy Ending, het duet met Elaine Caswell dat van april tot en met juni in de Nederlandse hitlijst stond, piekend op #19.
Opvallend is dat beide zangeressen op dit album, ook Ellen Foley doet mee, uit de stal van Jim Steinman komen. Die kennen we als de man achter de pompeuze en theatrale (hard)rock van Meatloaf, een stijl die ik in het geheel niet met Joe Jackson associeer. Voor Body and Soul zijn echter krachtige stemmen nodig en díe hebben deze vrouwen zeker! Dit is goed te horen in het felle Go for It, waar qua blaasstukken Mexicaanse mariachi doorschemert.
Naast alle uitbundige arrangementen valt het melancholieke Not Here, Not Now op; hoe mooi is dit! In You Can’t Get What You Want klinkt funk met een heerlijke gitaarpartij, Be My Number Two bevat een melodie van sprookjesachtige schoonheid. Afsluiter Heart of Ice klinkt met zijn lange aanloop filmisch, alsof het resteert van de filmsoundtrack Mike’s Murder.
Variatie te over, met naast de luide blazers genoeg ingetogener muziek. Een album dat onverslijtbaar is en blijft, net als met de reguliere voorganger Night and Day het geval is.
Joe Jackson - I'm the Man (1979)

3,5
1
geplaatst: 1 maart 2022, 14:15 uur
Wie als beginnend-artiest-met-platencontract twee albums in een jaar uitbracht, nam daarmee de complete livesetlist in de studio op. Zo ook Joe Jackson in 1979.
De man had in Nederland met zijn debuutplaat meteen een hitsingle te pakken gehad. Dat lukte niet met deze opvolger, getiteld I’m the Man. Vanaf de hoes kijkt hij ons brutaal aan, vermomd als type zakenman-van-de-straat met zo’n dun snorretje, zoals in diezelfde periode Kees van Kooten als lid van De Tegenpartij deed. De ironie van de Nederlandse persifleerders herken ik bij Jackson. Dan houden de vergelijkingen wel op, want de muziek op zijn tweede langspeelplaat is wel even van een ander niveau.
Net als voor het debuut geldt dat de piano een bescheiden rol speelt, anders dan je van deze zanger/pianist zou verwachten. Opnieuw gitaarsongs dus en wie denkt dat die onderdoen voor die van het debuut, vergist zich nauwelijks. De tweede is weliswaar iets, maar zeker níet veel minder pakkend. Het is weer volop genieten, geheel in de geest van new wave met vooral snelle liedjes. Uitschieters zijn On Your Radio en de langzamere tracks Geraldine and John en het melancholieke It’s Different for Girls, in Nederland een radiohitje.
Opvallend zijn de observerende teksten van Jackson, zoals in de reggae van Geraldine, over een stel dat ogenschijnlijk gelukkig is, maar van wie al spoedig wordt verteld hoe de schijn in elkaar zit. Bovendien horen we tegen het einde (spoiler!) dat de broer van Geraldine aan John zijn onvrede hierover hardhandig heeft laten weten. Als een minispeelfilm wordt de luisteraar het verhaal ingezogen.
Jackson zingt venijnig, wat wederom prima past bij de vlotte gitaarliedjes. Hieraan wordt soms ter variatie een mondharmonica, melodica (zo'n mini-blaaskeyboard) of piano toegevoegd.
Fijne opvolger van het debuut van De Man, zij het nét niet zo goed als de eersteling. Wat we toen nog niet konden weten was dat zijn brede muzieksmaak en dito muzikale capaciteiten in die post-punkdagen grotendeels verscholen bleven. Alhoewel, in het intro van The Band Wore Blue Shirts komen we al een vleugje jazz tegen. Kortom, wordt vervolgd!
De man had in Nederland met zijn debuutplaat meteen een hitsingle te pakken gehad. Dat lukte niet met deze opvolger, getiteld I’m the Man. Vanaf de hoes kijkt hij ons brutaal aan, vermomd als type zakenman-van-de-straat met zo’n dun snorretje, zoals in diezelfde periode Kees van Kooten als lid van De Tegenpartij deed. De ironie van de Nederlandse persifleerders herken ik bij Jackson. Dan houden de vergelijkingen wel op, want de muziek op zijn tweede langspeelplaat is wel even van een ander niveau.
Net als voor het debuut geldt dat de piano een bescheiden rol speelt, anders dan je van deze zanger/pianist zou verwachten. Opnieuw gitaarsongs dus en wie denkt dat die onderdoen voor die van het debuut, vergist zich nauwelijks. De tweede is weliswaar iets, maar zeker níet veel minder pakkend. Het is weer volop genieten, geheel in de geest van new wave met vooral snelle liedjes. Uitschieters zijn On Your Radio en de langzamere tracks Geraldine and John en het melancholieke It’s Different for Girls, in Nederland een radiohitje.
Opvallend zijn de observerende teksten van Jackson, zoals in de reggae van Geraldine, over een stel dat ogenschijnlijk gelukkig is, maar van wie al spoedig wordt verteld hoe de schijn in elkaar zit. Bovendien horen we tegen het einde (spoiler!) dat de broer van Geraldine aan John zijn onvrede hierover hardhandig heeft laten weten. Als een minispeelfilm wordt de luisteraar het verhaal ingezogen.
Jackson zingt venijnig, wat wederom prima past bij de vlotte gitaarliedjes. Hieraan wordt soms ter variatie een mondharmonica, melodica (zo'n mini-blaaskeyboard) of piano toegevoegd.
Fijne opvolger van het debuut van De Man, zij het nét niet zo goed als de eersteling. Wat we toen nog niet konden weten was dat zijn brede muzieksmaak en dito muzikale capaciteiten in die post-punkdagen grotendeels verscholen bleven. Alhoewel, in het intro van The Band Wore Blue Shirts komen we al een vleugje jazz tegen. Kortom, wordt vervolgd!
Joe Jackson - Jumpin' Jive (1981)

3,0
1
geplaatst: 11 juni 2022, 13:12 uur
Die malle Joe Jackson. De angry young man met wie ik mij als tiener kon identificeren, de man van boze, grappige en altijd pittige new wave. Het was 1981 en plotseling las ik dat hij zijn band had gedumpt en met nieuwe mannen een coveralbum van jaren '40 (big) bandmuziek had gemaakt. Hierop was geen gitaar te vinden, wél blazers. Joe Jackson's Jumpin' Jive noemden ze zich.
In de bieb belandde de plaat niet in de popbakken, maar bij de jazz. Terecht, maar zo miste ik 'm. Op radio was hij ook niet te horen, al kan het zijn dat Willem Duys het op zondagochtenden in zijn radioprogramma Muziek Mozaïek draaide.
Ik kwam het album alleen bij de schrijvende pers tegen. Die beschreven een soort muziek die ik associeerde met de muziek van de zwart-witfilms uit klassiek Hollywood. Muziek die voor mijn vader bedoeld was. Alhoewel: die draaide liever Mahalia Jackson en Edith Piaf, vooral rond Kerstmis.
Nee, na enig nadenken moest ik denken aan die Hollywoodkraker van het jaar ervoor, The Blues Brothers. Big band met veel pret, daarvan hoorde ik wél muziek op Hilversum 3.
Recentelijk heb ik 'm dan eindelijk gehoord, dankzij streaming. Inderdaad een stijlbreuk met Jacksons new wave van voorheen. Tegelijkertijd muziek waarin je de voorlopers van rock 'n' roll en rhythm & blues hoort, genres die in de jaren '50 een nieuwe generatie angry young men zouden brengen, het begin van popmuziek.
Jackson zingt net zo venijnig als op zijn eerdere platen, de energie spat ervan af; dit mede dankzij de keuze van de songs en zijn begeleiders. Hij zingt overigens niet op alle nummers: één van de heren van de zeskoppige band verschijnt op You Run Your Mouth achter de microfoon en op What's the Use of Getting Sober wordt het zelfs dringen bij de standaard.
Waarschijnlijk was dit te heftig voor de rustige zondagochtend van Willem Duys. Mijn associatie met The Blues Brothers klopt, Jackson vist immers uit dezelfde muzikale vijver met daarin namen als Cab Calloway. Nog steeds angry 'n' young, maar dan met blazers en piano. Leuk om af en toe te horen, en voor wie deze stijl niet kent: een goede introductie op big band swing.
In de bieb belandde de plaat niet in de popbakken, maar bij de jazz. Terecht, maar zo miste ik 'm. Op radio was hij ook niet te horen, al kan het zijn dat Willem Duys het op zondagochtenden in zijn radioprogramma Muziek Mozaïek draaide.
Ik kwam het album alleen bij de schrijvende pers tegen. Die beschreven een soort muziek die ik associeerde met de muziek van de zwart-witfilms uit klassiek Hollywood. Muziek die voor mijn vader bedoeld was. Alhoewel: die draaide liever Mahalia Jackson en Edith Piaf, vooral rond Kerstmis.
Nee, na enig nadenken moest ik denken aan die Hollywoodkraker van het jaar ervoor, The Blues Brothers. Big band met veel pret, daarvan hoorde ik wél muziek op Hilversum 3.
Recentelijk heb ik 'm dan eindelijk gehoord, dankzij streaming. Inderdaad een stijlbreuk met Jacksons new wave van voorheen. Tegelijkertijd muziek waarin je de voorlopers van rock 'n' roll en rhythm & blues hoort, genres die in de jaren '50 een nieuwe generatie angry young men zouden brengen, het begin van popmuziek.
Jackson zingt net zo venijnig als op zijn eerdere platen, de energie spat ervan af; dit mede dankzij de keuze van de songs en zijn begeleiders. Hij zingt overigens niet op alle nummers: één van de heren van de zeskoppige band verschijnt op You Run Your Mouth achter de microfoon en op What's the Use of Getting Sober wordt het zelfs dringen bij de standaard.
Waarschijnlijk was dit te heftig voor de rustige zondagochtend van Willem Duys. Mijn associatie met The Blues Brothers klopt, Jackson vist immers uit dezelfde muzikale vijver met daarin namen als Cab Calloway. Nog steeds angry 'n' young, maar dan met blazers en piano. Leuk om af en toe te horen, en voor wie deze stijl niet kent: een goede introductie op big band swing.
Joe Jackson - Look Sharp! (1979)

4,0
1
geplaatst: 12 februari 2022, 18:28 uur
Eind jaren ’70 verspreidde zich een virus over de popwereld van het Verenigd Koninkrijk. Vooral bands van de nieuwe generatie en hun fans waren hier vatbaar voor. Het virus veroorzaakte een grote ontvankelijkheid voor een mengsel van punk en reggae, resulterend in een golf aan nieuwe muziek.
Eén van hen was Joe Jackson. Zijn debuutalbum Look Sharp! was niet het eerste dat dit muzikale mengsel bevatte, maar zeker een van de allerbeste, bovendien voorzien van vrolijkstemmende, ironische teksten, soms vol zelfspot.
Vanaf de eerste tonen neemt de plaat je mee, waarop de ene na de andere sterke song volgt. Slechts halverwege de B-kant, vanaf (Do the) Instant Mash zakt het even in, maar met slotsong Got the Time, een beleefde buiging naar de Ramones inclusief de kreet “one-two-three-go!”, wordt een ferm uitroepteken achter het album gezet.
Eén nummer is rustiger, dit is meteen het enige waarop de piano een prominente rol heeft. Juist dit Is She Really Going out with Him? werd een hit in Nederland. In die zin was het enigszins misleidend: de rest van de plaat is energieker en meer gitaar-geörienteerd dan dit pareltje, maar meestal van dezelfde kwaliteit. Voorbeelden? De punky reggae van opener One More Time met bovendien heerlijke baslijntjes, of de fraaie harmonieën in het refrein van de titelsong, die duidden op het enorme talent bij deze jongeling.
Op streaming staan bovendien twee B-kanten van singles die ook al van hoog niveau zijn. Wie van new wave met punk- en reggaesausjes houdt, van sterk songwriterschap, of van poëtisch-bijtende teksten vindt hier een heerlijk album.
Eén van hen was Joe Jackson. Zijn debuutalbum Look Sharp! was niet het eerste dat dit muzikale mengsel bevatte, maar zeker een van de allerbeste, bovendien voorzien van vrolijkstemmende, ironische teksten, soms vol zelfspot.
Vanaf de eerste tonen neemt de plaat je mee, waarop de ene na de andere sterke song volgt. Slechts halverwege de B-kant, vanaf (Do the) Instant Mash zakt het even in, maar met slotsong Got the Time, een beleefde buiging naar de Ramones inclusief de kreet “one-two-three-go!”, wordt een ferm uitroepteken achter het album gezet.
Eén nummer is rustiger, dit is meteen het enige waarop de piano een prominente rol heeft. Juist dit Is She Really Going out with Him? werd een hit in Nederland. In die zin was het enigszins misleidend: de rest van de plaat is energieker en meer gitaar-geörienteerd dan dit pareltje, maar meestal van dezelfde kwaliteit. Voorbeelden? De punky reggae van opener One More Time met bovendien heerlijke baslijntjes, of de fraaie harmonieën in het refrein van de titelsong, die duidden op het enorme talent bij deze jongeling.
Op streaming staan bovendien twee B-kanten van singles die ook al van hoog niveau zijn. Wie van new wave met punk- en reggaesausjes houdt, van sterk songwriterschap, of van poëtisch-bijtende teksten vindt hier een heerlijk album.
Joe Jackson - Master Series (1998)
Alternatieve titel: The Universal Masters Collection

5,0
1
geplaatst: 17 april 2025, 21:48 uur
Ik reis door de new wave en bevind me in juli 1980. In de laatste week van die maand betreedt non-albumsingle The Harder They Come de Nationale Hitparade, waar het in augustus twee weken op #34 staat. In de Top 40 geraakt de single diezelfde maand tot #35.
De eerste verzamelaar van Joe Jackson op MuMe te vinden met dit nummer erop is dit Master Series, pas 18 jaar nadien verschenen. Discogs vermeldt ook de compilatie Joe Jackson van een jaar eerder. En nog steeds niet te vinden op een bonusversie van album Beat Crazy.
Hoe dan ook: heerlijk liedje, waarbij ik pas net ontdek dat het cover is. Het origineel behoort aan Jimmy Cliff uit 1971: hier diens versie.
Wie een verzamelaar van Joe Jackson zoekt, zou moeten checken of dit nummer daarop is te vinden. Dat de muziek op zijn verzamelaars niet homogeen is, is voor mij juist een aanbeveling, passend bij zijn oeuvre.
Mijn reis kwam van Robin Lane & The Chartbusters en vervolgt in augustus 1980 bij Cabaret Voltaire en hun The Voice of America.
De eerste verzamelaar van Joe Jackson op MuMe te vinden met dit nummer erop is dit Master Series, pas 18 jaar nadien verschenen. Discogs vermeldt ook de compilatie Joe Jackson van een jaar eerder. En nog steeds niet te vinden op een bonusversie van album Beat Crazy.
Hoe dan ook: heerlijk liedje, waarbij ik pas net ontdek dat het cover is. Het origineel behoort aan Jimmy Cliff uit 1971: hier diens versie.
Wie een verzamelaar van Joe Jackson zoekt, zou moeten checken of dit nummer daarop is te vinden. Dat de muziek op zijn verzamelaars niet homogeen is, is voor mij juist een aanbeveling, passend bij zijn oeuvre.
Mijn reis kwam van Robin Lane & The Chartbusters en vervolgt in augustus 1980 bij Cabaret Voltaire en hun The Voice of America.
Joe Jackson - Mike's Murder (1983)

4,0
0
geplaatst: 29 december 2022, 13:19 uur
Met het bericht van musician hierboven aarzelde ik om aan Mike’s Murder te beginnen. Onbekend maakt onbemind... Van het album kende ik slechts de hoes.
Hoe kwam dat? Dit was een film zonder hitsingles en bovendien is filmmuziek vaak van een geheel ander kaliber dan “gewone" composities. Voeg daaraan toe dat de film in Nederland geen kassucces was en Jacksons zesde album ging langs mij heen. Net als zijn vierde, dat ook al een zijstapje was.
Door deze zaken was ik op het verkeerde been gezet. Maar man, ik word heel vrolijk van dit album! Hierop klinken namelijk diverse kanten van zijn talent. Op Cosmopolitan en Laundromat Monday hoor ik arrangementen die ik herken van Night and Day; composities gebouwd rond piano met een vrolijke, latin-jazzachtige inslag.
De boosheid uit zijn eerdere dagen als piepjonge newwaver klinkt op 1-2-3 Go! (This Town's a Fairground)).
Memphis is met de synthesizerloop een kruising tussen Steppin’ Out van zijn vorige plaat en de rhythm & blues van Gimme Some Lovin’ van The Spencer Davis Group of The Blues Brothers (kies zelf uw favoriete versie). Gedurende de A-kant is de sfeer opgewekt en energiek.
De tempo’s op de B-kant (vanaf Moonlight) liggen lager. Op dat lied zingt Jackson na een lange inleiding, de drie navolgende nummers zijn instrumentaal en midtempo. In het aangename, elf minuten durende Zémeo klinken saxofoon en latin ritmes, het meditatieve Breakdown doet warempel aan de tweede plaatkant van übertopper Low van David Bowie en Brian Eno denken, waarna het ingetogen Moonlight instrumentaal terugkeert.
De gehele film staat momenteel op YouTube, ga ik die deze kerstvakantie toch eens bekijken. Voor de muziek doneer ik vier sterren.
Hoe kwam dat? Dit was een film zonder hitsingles en bovendien is filmmuziek vaak van een geheel ander kaliber dan “gewone" composities. Voeg daaraan toe dat de film in Nederland geen kassucces was en Jacksons zesde album ging langs mij heen. Net als zijn vierde, dat ook al een zijstapje was.
Door deze zaken was ik op het verkeerde been gezet. Maar man, ik word heel vrolijk van dit album! Hierop klinken namelijk diverse kanten van zijn talent. Op Cosmopolitan en Laundromat Monday hoor ik arrangementen die ik herken van Night and Day; composities gebouwd rond piano met een vrolijke, latin-jazzachtige inslag.
De boosheid uit zijn eerdere dagen als piepjonge newwaver klinkt op 1-2-3 Go! (This Town's a Fairground)).
Memphis is met de synthesizerloop een kruising tussen Steppin’ Out van zijn vorige plaat en de rhythm & blues van Gimme Some Lovin’ van The Spencer Davis Group of The Blues Brothers (kies zelf uw favoriete versie). Gedurende de A-kant is de sfeer opgewekt en energiek.
De tempo’s op de B-kant (vanaf Moonlight) liggen lager. Op dat lied zingt Jackson na een lange inleiding, de drie navolgende nummers zijn instrumentaal en midtempo. In het aangename, elf minuten durende Zémeo klinken saxofoon en latin ritmes, het meditatieve Breakdown doet warempel aan de tweede plaatkant van übertopper Low van David Bowie en Brian Eno denken, waarna het ingetogen Moonlight instrumentaal terugkeert.
De gehele film staat momenteel op YouTube, ga ik die deze kerstvakantie toch eens bekijken. Voor de muziek doneer ik vier sterren.
Joe Jackson - Night and Day (1982)

5,0
3
geplaatst: 20 augustus 2022, 15:43 uur
Ik was een jonge tiener toen ik Joe Jackson leerde kennen, dankzij zijn eerste albums die op Hilversum 3 werden gedraaid. Dit door vooral KRO en VARA, die toen voor kwaliteitspop gingen. Bovendien waren er de twee hitjes, Is She Really Going Out with Him? (1979) en The Harder They Come (1980).
Als Night and Day verschijnt heeft ben ik een gevorderde tiener. Real Men haalt #17 in de Nationale Hitparade en #15 in de Top 40. Zijn muziek mag rustiger zijn dan voorheen, ik hoorde alweer een Joe die oprecht bóós is en onrecht aan de kaak stelt.
In 1982 was ik vooral van de hardegitarenmuziek en vleermuizennewwave; Night and Day was compleet andere koek, zo leerde mij het exemplaar dat ik uit de bieb leende. Maar de liedjes bleken zó goed, pakkend en intens dat ik al luisterend besloot later de plaat zelf te gaan kopen, als er financieel ruimere tijden zouden aanbreken. Er klinken sprankelend pianospel en Latin ritmes die mij achteloos overtuigden. Hij hield mijn interesse, vrij van genrehokjes.
De plaat haalde in september dat jaar #3 in de albumlijst en stond daar van juli 1982 tot november 1983 in. Ik vind ‘m nog net zo mooi als toen. Gevarieerd, zomers en in afsluiter Slow Song nóg bozer dan op de hit, een aanklacht tegen holle muziek. Fraai ook dat sommige nummers in elkaar overlopen, het maakte de plaat extra bijzonder.
Absolute favorieten kiezen is moeilijk. Het verschilt per draaibeurt. Over de vijf sterren twijfel ik niet, dit is er één die het volop verdient.
Uit een tweedehandsbak duikelde ik bovendien de Real Men EP op, met naast de hit drie liedjes van de plaat in het Spaans gezongen én een compleet lege kant B, dus zonder groef. Een fijne bonus bovenop de elpee, waarbij het Spaans perfect past bij de muzikale sferen.
Als Night and Day verschijnt heeft ben ik een gevorderde tiener. Real Men haalt #17 in de Nationale Hitparade en #15 in de Top 40. Zijn muziek mag rustiger zijn dan voorheen, ik hoorde alweer een Joe die oprecht bóós is en onrecht aan de kaak stelt.
In 1982 was ik vooral van de hardegitarenmuziek en vleermuizennewwave; Night and Day was compleet andere koek, zo leerde mij het exemplaar dat ik uit de bieb leende. Maar de liedjes bleken zó goed, pakkend en intens dat ik al luisterend besloot later de plaat zelf te gaan kopen, als er financieel ruimere tijden zouden aanbreken. Er klinken sprankelend pianospel en Latin ritmes die mij achteloos overtuigden. Hij hield mijn interesse, vrij van genrehokjes.
De plaat haalde in september dat jaar #3 in de albumlijst en stond daar van juli 1982 tot november 1983 in. Ik vind ‘m nog net zo mooi als toen. Gevarieerd, zomers en in afsluiter Slow Song nóg bozer dan op de hit, een aanklacht tegen holle muziek. Fraai ook dat sommige nummers in elkaar overlopen, het maakte de plaat extra bijzonder.
Absolute favorieten kiezen is moeilijk. Het verschilt per draaibeurt. Over de vijf sterren twijfel ik niet, dit is er één die het volop verdient.
Uit een tweedehandsbak duikelde ik bovendien de Real Men EP op, met naast de hit drie liedjes van de plaat in het Spaans gezongen én een compleet lege kant B, dus zonder groef. Een fijne bonus bovenop de elpee, waarbij het Spaans perfect past bij de muzikale sferen.
Joe Jackson Band - Beat Crazy (1980)

4,0
2
geplaatst: 12 april 2022, 22:49 uur
Als tiener met beperkt budget leende ik vanaf de herfst van 1980 zoveel mogelijk platen uit de fonotheek van het dorp. Ondanks de lage leenkosten in de bieb (één gulden per plaat voor drie weken), viel dat niet mee. De cassettebandjes waarop ik de beste nummers van die platen opnam kostten immers ook geld, net als het abonnement op stripweekblad Eppo en de stripalbums van o.a. Trigië en Asterix…
Beat Crazy verscheen in 1980, het tweede achtereenvolgende jaar dat ska en reggae de toch al frisse en fruitige wind van new wave van extra elan voorzagen. Ik vond dat prachtig, al die Selecters, Specials, Madnessen, Polices, Fischer-Z’s etcetera, die zo creatief diverse stijlen mengden. In Eppo zag ik hoe Robert van der Kroft in zijn verhalen van Sjors en Sjimmie ook hiermee wegliep, als diverse bandnamen op de gevels van zijn getekende huizen stonden vermeld. Het bevestigde mijn gevoel dat dit een muzikaal opwindende tijd was. Ik kon toen nog niet weten hoe waar dat was, juist nu ik zovele jaren later terugblik.
De derde Joe Jackson bleek minder gitaargeoriënteerd dan de twee voorgangers. Daarbij is het overwegend swingen wat de klok slaat. Minder wit, meer West-Indisch, zoals Venceremos hierboven terecht opmerkt. Al heeft gitarist Gary Sanford het nog druk hier, toch hoorde ik op Beat Crazy een luchtiger en swingender Joe Jackson Band.
Heb tegenwoordig de plaat in huis; dit dankzij de kringloop, waar die als kwaliteitsplaat maar liefst twee euro kostte. Jammer genoeg ontbreekt de originele knalgele binnenhoes met teksten en credits, moet dus van Discogs lezen dat de bandfoto op de achterzijde van de cover van Anton Corbijn is; dát was ik vergeten. De spetterend-kleurige voorzijde komt in deze vorm zoveel beter tot zijn recht dan op cd en de muziek past daar dus helemaal bij.
Kant A is er één van alleen maar hoogtepunten, waarvan ik One to One de mooiste vind, een heerlijk pianoliedje. Maar ook het felle Mad at You is een klassiekertje.
De B-kant begint relatief rustig met wat wel op een serietune lijkt: Crime Don’t Pay mét pianosolo, waarna het er op Someone Up There wederom fel toegaat met een knallende basriff; met bovendien een originele en gelukkige tekst over een meisje, God en het lot.
Dan reggae in Battleground met een verhaal dat veertig jaar later prima had gepast als soundtrack in de hausse aan berichten rond Black Lives Matter; Jackson is uitermate kritisch naar beide “kampen” over een thema dat in het Engeland van 1980 weer eens opspeelde.
In Biology is Jackson in ironische topvorm, humoristisch hoe hij hier de luisteraar – en de seksen – in zijn verhaal op het verkeerde been zet. Op Pretty Boys weer vrolijke ska en een kritisch-ironische tekst, waarna de plaat midtempo en stevig afsluit met Fit, een lied dat me minder pakt.
Zijn/hun derde sterke plaat in twee jaar, hóe knap gedaan. En het beste moest nog komen…
Beat Crazy verscheen in 1980, het tweede achtereenvolgende jaar dat ska en reggae de toch al frisse en fruitige wind van new wave van extra elan voorzagen. Ik vond dat prachtig, al die Selecters, Specials, Madnessen, Polices, Fischer-Z’s etcetera, die zo creatief diverse stijlen mengden. In Eppo zag ik hoe Robert van der Kroft in zijn verhalen van Sjors en Sjimmie ook hiermee wegliep, als diverse bandnamen op de gevels van zijn getekende huizen stonden vermeld. Het bevestigde mijn gevoel dat dit een muzikaal opwindende tijd was. Ik kon toen nog niet weten hoe waar dat was, juist nu ik zovele jaren later terugblik.
De derde Joe Jackson bleek minder gitaargeoriënteerd dan de twee voorgangers. Daarbij is het overwegend swingen wat de klok slaat. Minder wit, meer West-Indisch, zoals Venceremos hierboven terecht opmerkt. Al heeft gitarist Gary Sanford het nog druk hier, toch hoorde ik op Beat Crazy een luchtiger en swingender Joe Jackson Band.
Heb tegenwoordig de plaat in huis; dit dankzij de kringloop, waar die als kwaliteitsplaat maar liefst twee euro kostte. Jammer genoeg ontbreekt de originele knalgele binnenhoes met teksten en credits, moet dus van Discogs lezen dat de bandfoto op de achterzijde van de cover van Anton Corbijn is; dát was ik vergeten. De spetterend-kleurige voorzijde komt in deze vorm zoveel beter tot zijn recht dan op cd en de muziek past daar dus helemaal bij.
Kant A is er één van alleen maar hoogtepunten, waarvan ik One to One de mooiste vind, een heerlijk pianoliedje. Maar ook het felle Mad at You is een klassiekertje.
De B-kant begint relatief rustig met wat wel op een serietune lijkt: Crime Don’t Pay mét pianosolo, waarna het er op Someone Up There wederom fel toegaat met een knallende basriff; met bovendien een originele en gelukkige tekst over een meisje, God en het lot.
Dan reggae in Battleground met een verhaal dat veertig jaar later prima had gepast als soundtrack in de hausse aan berichten rond Black Lives Matter; Jackson is uitermate kritisch naar beide “kampen” over een thema dat in het Engeland van 1980 weer eens opspeelde.
In Biology is Jackson in ironische topvorm, humoristisch hoe hij hier de luisteraar – en de seksen – in zijn verhaal op het verkeerde been zet. Op Pretty Boys weer vrolijke ska en een kritisch-ironische tekst, waarna de plaat midtempo en stevig afsluit met Fit, een lied dat me minder pakt.
Zijn/hun derde sterke plaat in twee jaar, hóe knap gedaan. En het beste moest nog komen…
Joe Lynn Turner - Belly of the Beast (2022)

3,5
0
geplaatst: 2 november 2022, 18:02 uur
Een vriend van me rolde als fan in de muziek toen Joe Lynn Turner de zanger van Rainbow was en volgt hem sindsdien. Ik ben een kleine tien jaar ouder en voor mij staat de man in het hoofd gegrift als de derde zanger van dat bandje, degene die de groep hielp een hitsingleband te worden.
De vriend wilde weten wat ik van de nieuwe JLT vond, een zanger wiens carrière we altijd bleven volgen. Bij deze:
Sympathiek is hoe JLT onlangs "uit de kast kwam". Zijn hele leven blijkt hij al kaal te zijn, het gevolg van een auto-immuunziekte, waarmee hij reeds als kind werd gepest. Daarmee ontdekken we dat hij gedurende zijn gehele carrière een pruik droeg. Ik vermoed dat hij in 1980 zonder pruik nooit tot Rainbow had kunnen toetreden; dat had niet bij het imago van de band en de mode van die dagen gepast. Mogelijk was hij dan nooit doorgebroken. Gezien zijn imposante carrière, ook ná Rainbow, hadden we dan veel muziek gemist. Misschien was hij professioneel achtergrondzanger geworden, een vak waarin hij sowieso voor de nodige albums werd ingehuurd. Mijn respect voor hoe hij onlangs zijn verhaal deed en pruikloos naar buiten trad.
Mijn respect groeit verder bij de eerste zanggeluiden: Turner is nu 71 en nog altijd zeer goed bij stem. Wat lager en vooral rauwer dan voorheen, maar krachtig en met een groot bereik, zoals op track 2 Black Sun blijkt. Rauwer is ook de muziek. Al vanaf de onstuimige opener Belly of the Beast is dat duidelijk.
In die titelsong duikt onmiddelijk het thema van dit album op: een apocalyptische visie op de staat van de wereld, waar goed en kwaad met elkaar strijden. De sfeer is dus allesbehalve romantisch en Turner is niet stil blijven staan.
Wat mij minder bevalt is dat hij voor powermetal heeft gekozen, een genre dat nogal eens lijdt onder volgepropte arrangementen en eenvormigheid. Die invloed komt vermoedelijk mede door producer en mede-liedschrijver Peter Tägtgren, bekend van de Zweedse deathmetallers van Hypocrisy.
Wie van powermetal houdt zal het heerlijk vinden, maar de overvloedig ingezette digitale zangkoren vind ik teveel en de gitaarsound erg gecomprimeerd. Zoals op het tweede nummer Black Sun waar zo'n koor al in het begin verschijnt, of de refreinen in Tortured Soul, Rise Up en Fallen World.
Snelle shredsolo's, nummers die onderling variëren in tempo en dit alles vakkundig uitgevoerd; het is er allemaal. Ik mis daarbij tempowisselingen binnen de nummers, waar alles vierkwartsmaat is in een overvolle productie. Verrassingen blijven uit.
Sterk vind ik desondanks de knallende titelsong, de ballade Dark Night of the Soul, het slepende Desire met zijn zware riff, de sterke melodie van Living the Dream en slotlied Requiem, dat in de toetsenpartij zowaar iets van Rainbow wegheeft, ondanks alweer zo'n koorzangrefrein.
Ach, mijn reserves zullen de fans van het genre worst zijn. Sterker nog, dit is een sterk album in de powermetal. Meneer Turner heeft z'n hardste album ooit afgeleverd en zijn stem kan nog makkelijk de nodige jaren mee. Petje af van mijn kalende hoofd.
De vriend wilde weten wat ik van de nieuwe JLT vond, een zanger wiens carrière we altijd bleven volgen. Bij deze:
Sympathiek is hoe JLT onlangs "uit de kast kwam". Zijn hele leven blijkt hij al kaal te zijn, het gevolg van een auto-immuunziekte, waarmee hij reeds als kind werd gepest. Daarmee ontdekken we dat hij gedurende zijn gehele carrière een pruik droeg. Ik vermoed dat hij in 1980 zonder pruik nooit tot Rainbow had kunnen toetreden; dat had niet bij het imago van de band en de mode van die dagen gepast. Mogelijk was hij dan nooit doorgebroken. Gezien zijn imposante carrière, ook ná Rainbow, hadden we dan veel muziek gemist. Misschien was hij professioneel achtergrondzanger geworden, een vak waarin hij sowieso voor de nodige albums werd ingehuurd. Mijn respect voor hoe hij onlangs zijn verhaal deed en pruikloos naar buiten trad.
Mijn respect groeit verder bij de eerste zanggeluiden: Turner is nu 71 en nog altijd zeer goed bij stem. Wat lager en vooral rauwer dan voorheen, maar krachtig en met een groot bereik, zoals op track 2 Black Sun blijkt. Rauwer is ook de muziek. Al vanaf de onstuimige opener Belly of the Beast is dat duidelijk.
In die titelsong duikt onmiddelijk het thema van dit album op: een apocalyptische visie op de staat van de wereld, waar goed en kwaad met elkaar strijden. De sfeer is dus allesbehalve romantisch en Turner is niet stil blijven staan.
Wat mij minder bevalt is dat hij voor powermetal heeft gekozen, een genre dat nogal eens lijdt onder volgepropte arrangementen en eenvormigheid. Die invloed komt vermoedelijk mede door producer en mede-liedschrijver Peter Tägtgren, bekend van de Zweedse deathmetallers van Hypocrisy.
Wie van powermetal houdt zal het heerlijk vinden, maar de overvloedig ingezette digitale zangkoren vind ik teveel en de gitaarsound erg gecomprimeerd. Zoals op het tweede nummer Black Sun waar zo'n koor al in het begin verschijnt, of de refreinen in Tortured Soul, Rise Up en Fallen World.
Snelle shredsolo's, nummers die onderling variëren in tempo en dit alles vakkundig uitgevoerd; het is er allemaal. Ik mis daarbij tempowisselingen binnen de nummers, waar alles vierkwartsmaat is in een overvolle productie. Verrassingen blijven uit.
Sterk vind ik desondanks de knallende titelsong, de ballade Dark Night of the Soul, het slepende Desire met zijn zware riff, de sterke melodie van Living the Dream en slotlied Requiem, dat in de toetsenpartij zowaar iets van Rainbow wegheeft, ondanks alweer zo'n koorzangrefrein.
Ach, mijn reserves zullen de fans van het genre worst zijn. Sterker nog, dit is een sterk album in de powermetal. Meneer Turner heeft z'n hardste album ooit afgeleverd en zijn stem kan nog makkelijk de nodige jaren mee. Petje af van mijn kalende hoofd.
Joey Tempest - A Place to Call Home (1995)

3,5
2
geplaatst: 14 september 2024, 10:06 uur
Het succesvolle Europe was in 1993 rock bottom gecrasht. De Zweedse belastingdienst erkende niet dat de leden in de periode 1989 – 1992 in het buitenland hadden gewoond en wilde kronen zien. Nee, niet die van de tandarts. Het resulteerde erin dat de leden geen bezittingen mochten hebben, behalve hetgeen nodig was voor het bestaansminimum. Pas in 2002 verliep deze ingrijpende beperking, zo verhaalt Wings of Tomorrow.com.
De jongensdroom van albums opnemen en internationale tournees eindigde dus bitter. Rolf Larsson, beter bekend als Joey Tempest bracht desondanks in 1995 zijn eerste soloalbum uit, genaamd A Place to Call Home. Andere muzikale wegen werden verkend. Geen hardrock maar wel uptempo poprock, soms met vleugjes countryrock.
Het resulteert in een aangenaam album. Tempest zingt meestal kalmer en lager dan we hem bij Europe hoorden doen, waarbij hij met sterk materiaal komt. De lijst met meewerkende musici is lang, van een vrouwelijk achtergrondkoortje tot en met de violisten van het Sveriges Radios Symfoniorkester. In Lord of the Manor waagt hij zich aan soul en doet dat met verve; het heeft weg van klassieker People Get Ready.
Favorieten kiezen is best lastig, want van de vlotte opener We Come Alive tot de warme slotballade For My Country is er volop te genieten, vooral als het uptempo is. Ongeschikt voor mensen die Joey Tempest hard willen horen rocken, maar wie het relaxter wil, is aan het goede adres.
De jongensdroom van albums opnemen en internationale tournees eindigde dus bitter. Rolf Larsson, beter bekend als Joey Tempest bracht desondanks in 1995 zijn eerste soloalbum uit, genaamd A Place to Call Home. Andere muzikale wegen werden verkend. Geen hardrock maar wel uptempo poprock, soms met vleugjes countryrock.
Het resulteert in een aangenaam album. Tempest zingt meestal kalmer en lager dan we hem bij Europe hoorden doen, waarbij hij met sterk materiaal komt. De lijst met meewerkende musici is lang, van een vrouwelijk achtergrondkoortje tot en met de violisten van het Sveriges Radios Symfoniorkester. In Lord of the Manor waagt hij zich aan soul en doet dat met verve; het heeft weg van klassieker People Get Ready.
Favorieten kiezen is best lastig, want van de vlotte opener We Come Alive tot de warme slotballade For My Country is er volop te genieten, vooral als het uptempo is. Ongeschikt voor mensen die Joey Tempest hard willen horen rocken, maar wie het relaxter wil, is aan het goede adres.
Joey Tempest - Azalea Place (1997)

3,0
1
geplaatst: 16 september 2024, 15:26 uur
Mijn laatste woorden bij Joey Tempests vorige soloplaat A Place to Call Home waren "wie het relaxter wil, is aan het goede adres." Nou wordt het op opvolger Azalea Place uit april 1997 zó rustig, dat ook ik meestal afhaak.
De (toen voormalige) zanger van hardrockgroep Europe komt hier met pure singer-songwriterpop op de proppen. Een Amerikaans album, opgenomen in Nashville met de Engelse producer Richard Dodd, verantwoordelijk voor de arrangementen. Dit alles opgenomen met Amerikaanse musici en daarmee vrij "keurig".
De liedjes op Azalea Place hebben een basis op akoestische gitaar en zonder uitzondering een ingetogen karakter. Een laatavondplaatje is het gevolg. Neemt niet weg dat Tempest orenschijnlijk dicht bij zijn naakte zelf komt, voorbije de (rock)waan van de dag met z'n grote podia, muren van Marshalls en oogverblindende lichtshows.
Het zou me niet verbazen dat wie wil weten wie de mens achter de zanger is, hier het nodige te weten kan komen. Al weet je het nooit: zijn het zomaar verhaaltjes of zijn de teksten veelal autobiografisch?
Regelmatig klinkt een sobere drumcomputer, andere keren drums óf een combinatie van beide. Andere nieuwe geluiden in de wereld van Tempest: jazzachtig gitaarspel zoals in The One in the Glass en Spaanstalige zang in Revolution of Love dankzij zangeres Siobhan Maher Kennedy.
Anders dan in het bovenstaande bericht heb ik geen enkel probleem met de productie: die beleef ik als warm en fris. Het zit 'm in de stijl. Alsof je een band op straat of in de hoek van een café ziet optreden. Hartstikke gezellig met vrienden en een drankje erbij, maar als je dan de cd koopt en thuis probeert de sfeer te herbeleven, lukt dat niet.
Hoogtepunten voor mij: opener The Match is zowel spannend als warm met een boeiend verhaal; Better than Real is één van de schaarse uptempo nummers, het kalme In Confidence vertelt over een mooie ontmoeting en in afsluiter Lucky zitten uillean pipes,.
Een kalm singer-songwriterplaatje in Amerikaanse stijl. Eigenlijk zou een echte liefhebber van dit genre eens zijn licht hierop moeten laten schijnen. Mag ik vragen of potjandosie eventueel zin heeft om dat een keer te doen?
De (toen voormalige) zanger van hardrockgroep Europe komt hier met pure singer-songwriterpop op de proppen. Een Amerikaans album, opgenomen in Nashville met de Engelse producer Richard Dodd, verantwoordelijk voor de arrangementen. Dit alles opgenomen met Amerikaanse musici en daarmee vrij "keurig".
De liedjes op Azalea Place hebben een basis op akoestische gitaar en zonder uitzondering een ingetogen karakter. Een laatavondplaatje is het gevolg. Neemt niet weg dat Tempest orenschijnlijk dicht bij zijn naakte zelf komt, voorbije de (rock)waan van de dag met z'n grote podia, muren van Marshalls en oogverblindende lichtshows.
Het zou me niet verbazen dat wie wil weten wie de mens achter de zanger is, hier het nodige te weten kan komen. Al weet je het nooit: zijn het zomaar verhaaltjes of zijn de teksten veelal autobiografisch?
Regelmatig klinkt een sobere drumcomputer, andere keren drums óf een combinatie van beide. Andere nieuwe geluiden in de wereld van Tempest: jazzachtig gitaarspel zoals in The One in the Glass en Spaanstalige zang in Revolution of Love dankzij zangeres Siobhan Maher Kennedy.
Anders dan in het bovenstaande bericht heb ik geen enkel probleem met de productie: die beleef ik als warm en fris. Het zit 'm in de stijl. Alsof je een band op straat of in de hoek van een café ziet optreden. Hartstikke gezellig met vrienden en een drankje erbij, maar als je dan de cd koopt en thuis probeert de sfeer te herbeleven, lukt dat niet.
Hoogtepunten voor mij: opener The Match is zowel spannend als warm met een boeiend verhaal; Better than Real is één van de schaarse uptempo nummers, het kalme In Confidence vertelt over een mooie ontmoeting en in afsluiter Lucky zitten uillean pipes,.
Een kalm singer-songwriterplaatje in Amerikaanse stijl. Eigenlijk zou een echte liefhebber van dit genre eens zijn licht hierop moeten laten schijnen. Mag ik vragen of potjandosie eventueel zin heeft om dat een keer te doen?
Joey Tempest - Joey Tempest (2002)

2
geplaatst: 18 september 2024, 08:42 uur
Als een artiest halverwege de carrière een album naar zichzelf noemt, duidt dat er vaak op dat wordt teruggekeerd naar de kern. In het geval van Joey Tempest, in 2002 nog ex-zanger van Europe, vaart hij op zijn derde soloalbum genaamd Joey Tempest een rockkoers. Daarmee is het beduidend steviger dan op voorganger Azalea Place van vijf jaar eerder, waar hij de singer-songwriter was. Wel melodieus en ietwat melancholisch, waarbij hij wegblijft van hardrock.
Op Joey Tempest werkt hij met een band: van het Zweedse duo DeadMono spelen zowel Fredrik Rinman als Malcolm Pardon; de eerste gitaar en (schaarse) toetsen en de tweede bas. Brit Adam Lamprell (o.a. ex-Bryan Ferry Band) speelt gitaar en de Zweed Jörgen Wall drums.
Het album opent voortvarend met Forgiven; is het autobiografisch? Een sterke tekst over loutering en verder gaan. Met Loved by Me en Sometimes vervolgt het iets kalmer en even sterk.
Dan verflauwt mijn aandacht: de bliepjes van Losers maken het bedachtzamer, muziek á la U2 op Pop. Superhuman heeft dan weer een basis op akoestische gitaar. De tempo's zijn omlaag gegaan. Totdat Magnificent klinkt, uptempo met sterke melodie en hetzelfde lukt bij Dreamless. Daarna is het weer bedachtzamer.
Verschil met het debuut is dat hier een groep klinkt in plaats van een grote groep gastmusici van uiteenlopende aard. Verschil met de voorganger is dat Joey Tempest veel vaker uptempo is.
Het album verscheen in oktober 2002, het jaar waarin de leden van het Europe van 1989-1992 werden ontslagen van een tien jaren lang durende claim van de belastingdienst. Vanaf 1999 zochten de leden elkaar weer op: oudjaarsdag 1999 een kort optreden (hier de beelden met zowel John Norum als Kee Marcello op gitaar), in 2000 bij een veiling van memorabilia van Europespullen. In oktober 2003 maakte Europe bekend weer terug te zijn, waarmee dit tot de dag van vandaag Tempests laatste soloalbum blijft.
En Kondoro0614, overmorgen komt een nieuwe Michael Schenker uit getiteld My Years with UFO met onder andere Joey Tempest als gastzanger. Tijd voor mij om de muzikale reis door het land van UFO te vervolgen: op naar Misdemeanor.
Op Joey Tempest werkt hij met een band: van het Zweedse duo DeadMono spelen zowel Fredrik Rinman als Malcolm Pardon; de eerste gitaar en (schaarse) toetsen en de tweede bas. Brit Adam Lamprell (o.a. ex-Bryan Ferry Band) speelt gitaar en de Zweed Jörgen Wall drums.
Het album opent voortvarend met Forgiven; is het autobiografisch? Een sterke tekst over loutering en verder gaan. Met Loved by Me en Sometimes vervolgt het iets kalmer en even sterk.
Dan verflauwt mijn aandacht: de bliepjes van Losers maken het bedachtzamer, muziek á la U2 op Pop. Superhuman heeft dan weer een basis op akoestische gitaar. De tempo's zijn omlaag gegaan. Totdat Magnificent klinkt, uptempo met sterke melodie en hetzelfde lukt bij Dreamless. Daarna is het weer bedachtzamer.
Verschil met het debuut is dat hier een groep klinkt in plaats van een grote groep gastmusici van uiteenlopende aard. Verschil met de voorganger is dat Joey Tempest veel vaker uptempo is.
Het album verscheen in oktober 2002, het jaar waarin de leden van het Europe van 1989-1992 werden ontslagen van een tien jaren lang durende claim van de belastingdienst. Vanaf 1999 zochten de leden elkaar weer op: oudjaarsdag 1999 een kort optreden (hier de beelden met zowel John Norum als Kee Marcello op gitaar), in 2000 bij een veiling van memorabilia van Europespullen. In oktober 2003 maakte Europe bekend weer terug te zijn, waarmee dit tot de dag van vandaag Tempests laatste soloalbum blijft.
En Kondoro0614, overmorgen komt een nieuwe Michael Schenker uit getiteld My Years with UFO met onder andere Joey Tempest als gastzanger. Tijd voor mij om de muzikale reis door het land van UFO te vervolgen: op naar Misdemeanor.
John Dowie - Another Close Shave (1977)

4,0
0
geplaatst: 2 mei 2024, 18:34 uur
EP van de Engelse komiek John Dowie uit Birmingham. Ik kwam hem tegen in mijn speurtocht door de vroege punk en new wave. Another Close Shave verscheen bij Virgin en bevat een gevarieerde set van zes nummers. Te vinden op YouTube en alleen al de reacties daarbij stemmen vrolijk. Zo is er menigeen die de teksten jaren later letterlijk kan meezingen.
Op zijn eigen website staat zijn biografie, waaruit duidelijk wordt dat hij met zijn groep Mr John Dowie & The Big Girl’s Blouse in het pubrockcircuit actief was. Daar zal hij een netwerk hebben opgebouwd, want als hij na het zien van de Sex Pistols solo gaat, weet hij de aandacht te trekken van Virgin, dat in oktober 1977 deze EP uitbrengt op paars vinyl. Hierop staat hij afgebeeld met slechts op de linkerzijde van zijn gezicht een baard.
De achterzijde van de hoes bevat een waarschuwing: "This is a Stereo record. If played on mono equipment it will sound worse than having your head pushed up a dead bear's bum."
Muzikaal gezien is dit geen new wave... of toch wel? Het maffe British Tourist (I Hate the Dutch) bevat niet alleen krenkende opmerkingen aan het adres van mijn glorieuze volk (zie het bericht hierboven), maar stiekem ook inventieve elektrischepianopop. Dowie combineerde frisse pop met cabaretske muziek, wat hem een eigen geluid bracht.
Naked Noolies in the Moonlight is een vreemde liefdesverklaring en in het neurotische en licht-rockende I Don't Want to Be Your Amputee verzet hij zich tegen het hogere doel dat hem zal treffen.
Kant 2 begint met de 27 seconden van punkparodie Mew Wave, waarna politicus Jim Gallaghan een kalmer loflied krijgt, waar de man hopelijk om kon lachen. Voor alle fans van Star Trek, Star Wars en aanverwanten is er Time Warp.
Blijkens zijn bio tourde hij vervolgens driemaal als voorprogramma van comedyrockgroep Alberto y Los Trios Paranoias; bij de derde werd hij voorafgegaan door een nieuw bandje met de naam The Police.
Dowie bleef worden geassocieerd met new wave en (post) punk: in 1978 belandden drie nieuwe nummers op A Factory Sample met verder debutanten Joy Division, The Durutti Column en Cabaret Voltaire.
In 2013 kwam British Tourist terecht op verzamelaar Never Trust A Hippy: Punk & New Wave '76-'79.
Na zijn carrière als muzikant en komiek schreef hij boeken. Inmiddels is hij met pensioen.
Mijn reis door new wave kwam vanaf Stick to Me van Graham Parker & The Rumour en gaat verder bij 10 Mistakes van Gruppo Sportivo uit... Nederland. Lekker puh, meneer Dowie!
Op zijn eigen website staat zijn biografie, waaruit duidelijk wordt dat hij met zijn groep Mr John Dowie & The Big Girl’s Blouse in het pubrockcircuit actief was. Daar zal hij een netwerk hebben opgebouwd, want als hij na het zien van de Sex Pistols solo gaat, weet hij de aandacht te trekken van Virgin, dat in oktober 1977 deze EP uitbrengt op paars vinyl. Hierop staat hij afgebeeld met slechts op de linkerzijde van zijn gezicht een baard.
De achterzijde van de hoes bevat een waarschuwing: "This is a Stereo record. If played on mono equipment it will sound worse than having your head pushed up a dead bear's bum."
Muzikaal gezien is dit geen new wave... of toch wel? Het maffe British Tourist (I Hate the Dutch) bevat niet alleen krenkende opmerkingen aan het adres van mijn glorieuze volk (zie het bericht hierboven), maar stiekem ook inventieve elektrischepianopop. Dowie combineerde frisse pop met cabaretske muziek, wat hem een eigen geluid bracht.
Naked Noolies in the Moonlight is een vreemde liefdesverklaring en in het neurotische en licht-rockende I Don't Want to Be Your Amputee verzet hij zich tegen het hogere doel dat hem zal treffen.
Kant 2 begint met de 27 seconden van punkparodie Mew Wave, waarna politicus Jim Gallaghan een kalmer loflied krijgt, waar de man hopelijk om kon lachen. Voor alle fans van Star Trek, Star Wars en aanverwanten is er Time Warp.
Blijkens zijn bio tourde hij vervolgens driemaal als voorprogramma van comedyrockgroep Alberto y Los Trios Paranoias; bij de derde werd hij voorafgegaan door een nieuw bandje met de naam The Police.
Dowie bleef worden geassocieerd met new wave en (post) punk: in 1978 belandden drie nieuwe nummers op A Factory Sample met verder debutanten Joy Division, The Durutti Column en Cabaret Voltaire.
In 2013 kwam British Tourist terecht op verzamelaar Never Trust A Hippy: Punk & New Wave '76-'79.
Na zijn carrière als muzikant en komiek schreef hij boeken. Inmiddels is hij met pensioen.
Mijn reis door new wave kwam vanaf Stick to Me van Graham Parker & The Rumour en gaat verder bij 10 Mistakes van Gruppo Sportivo uit... Nederland. Lekker puh, meneer Dowie!
John Elefante - Corridors (1997)

3,5
0
geplaatst: 28 augustus 2023, 17:41 uur
Het tweede album dat John Elefante onder eigen naam opnam, twee jaar na Windows of Heaven. Daarop verwisselde hij adult oriented rock moeiteloos voor iets ingetogener ao-pop, zonder de scheurende gitaren van zijn dagen bij Mastedon.
Op Corridors heb ik echter niet meer het rockgevoel dat er in 1995 nog wel in zat. Wat resteert zijn eenvoudigweg sterke popliedjes, gewoontegetrouw geschreven door de zanger met zijn broer, gitarist Dino en driemaal voegde Paul Rogers zich bij hen. Als op Treasures of Heaven de viool van Chris Carmichael klinkt, denk ik terug aan Elefantes dagen bij Kansas, maar eigenlijk is dat onzin: hier klinkt kwaliteitspop en geen (prog)rock.
Wat ook is verdwenen is de sfeer van de jaren '80 die hier en daar op de voorganger opdook, omdat een deel van de nummers in dat decennium werd geschreven. Hier klinkt tijdloze pop.
Je kunt vergelijken, zo moet ik bij Eyes of My Heart en Everytime You See Me Cry denken aan Crowded House, maar dat is omdat de productie en sterke melodieën datzelfde niveau van edelsmidpopliedjes bereiken. Ook heel sterk zijn Talk to Me waarin Elefante lekker uithaalt in het refrein en Reprise, een korte afsluiter met viool, waarin het uiteindelijk toch nog redelijk luid wordt.
Eigenlijk is dit album niet zo geschikt voor mij. Ten eerste is het te pop; ik heb het graag wat pittiger, waarbij Elefante meer zijn vocale grenzen opzoekt. Ten tweede te smeuïg geproduceerd; de Californiërs togen hiervoor naar de Sound Kitchen Studio in Franklin, Tenessee, waarmee het zo'n vol Nashvillegeluid kreeg. Dat zegt echter vooral iets over mijn smaak. Liefhebbers van mooie popliedjes kunnen er zó een dikke ster bovenop doen.
Op Corridors heb ik echter niet meer het rockgevoel dat er in 1995 nog wel in zat. Wat resteert zijn eenvoudigweg sterke popliedjes, gewoontegetrouw geschreven door de zanger met zijn broer, gitarist Dino en driemaal voegde Paul Rogers zich bij hen. Als op Treasures of Heaven de viool van Chris Carmichael klinkt, denk ik terug aan Elefantes dagen bij Kansas, maar eigenlijk is dat onzin: hier klinkt kwaliteitspop en geen (prog)rock.
Wat ook is verdwenen is de sfeer van de jaren '80 die hier en daar op de voorganger opdook, omdat een deel van de nummers in dat decennium werd geschreven. Hier klinkt tijdloze pop.
Je kunt vergelijken, zo moet ik bij Eyes of My Heart en Everytime You See Me Cry denken aan Crowded House, maar dat is omdat de productie en sterke melodieën datzelfde niveau van edelsmidpopliedjes bereiken. Ook heel sterk zijn Talk to Me waarin Elefante lekker uithaalt in het refrein en Reprise, een korte afsluiter met viool, waarin het uiteindelijk toch nog redelijk luid wordt.
Eigenlijk is dit album niet zo geschikt voor mij. Ten eerste is het te pop; ik heb het graag wat pittiger, waarbij Elefante meer zijn vocale grenzen opzoekt. Ten tweede te smeuïg geproduceerd; de Californiërs togen hiervoor naar de Sound Kitchen Studio in Franklin, Tenessee, waarmee het zo'n vol Nashvillegeluid kreeg. Dat zegt echter vooral iets over mijn smaak. Liefhebbers van mooie popliedjes kunnen er zó een dikke ster bovenop doen.
John Elefante - Defying Gravity (1999)

3,5
0
geplaatst: 24 september 2023, 11:17 uur
De voorzijde van de hoes had beter kunnen worden omgeruild met de afbeelding in het cd-doosje. Maar daarmee is mijn negatieve kritiek ook wel voorbij. Op Defying Gravity brengt John Elefante namelijk net als op voorganger Corridors kwaliteitspop in een (toch nog tweede kritiekpunt?) volle Nashvilleproductie.
Nee, géén country, maar in de jaren '90 verhuisde een deel van de Amerikaanse muziekindustrie naar die stad/regio, waarbij een herkenbaar geluid ontstond. Moeilijk te omschrijven, toch een poging: een volle, warme en dichtgesmeerde productie, die zich zowel onderweg op autospeakers of via koptelefoon/oortjes, als thuis op stereo-hifi of tv-subwooferset als zachte pindakaas over de muzikale boterham laat smeren. Steevast gedaan door goede producers en muzikanten, waarmee goed wordt gemusiceerd maar nóóit heftig, altijd braaf binnen de lijntjes; het blijft radiovriendelijk.
Het (rock)bombasme wat de gebroeders Elefante voorheen in Californië praktiseerden is weliswaar weg, een rijke sound is gebleven. John en Dino produceerden de muziek zelf, met opnieuw "executive producer" (geldschieter) dr. Robert Pamplin Jr. achter de schermen. Het resultaat is hapklare pop met liedjes die echter zó goed in elkaar zitten dat Defying Gravity gewoon een lekker album is. Opgenomen in Sound Kitchen in Franklin, Tennessee. In Europa verscheen het bij Frontiers, dat The Way that You Love Me van de tracklist haalde.
De stem van Elefante doet het prima in deze popbombast en mede door de sterke liedjes word ik (eigenlijk niet zo van dit soort pop en productie) toch over de streep getrokken. Het album vond zijn oorsprong in de droom die een vriend van Elefante had. Hij kwam hem vertellen dat er scheuren zaten in het fundament van zijn huis. Een inspectie bracht niets aan het licht, maar toen ging het de zanger dagen: zijn geloof (hij is christen) had averij opgelopen. Daarom gaat het in de teksten soms over 'terug naar de basis.' Dat betekent een persoonlijk verhaal in de teksten die directer zijn dan voorheen, met name in het titelnummer en Exit 39.
Mijn favorieten: de vrij langzame opener If You Just Believe met z'n sterke melodie; The Stream lijkt in de eerste klanken de countrykant op te gaan, maar met de digitale strijkers die volgen wordt het onmiddelijk pop. In de brug hoor ik verrassend iets terug van zijn progrockdagen bij Kansas.
The Truth, the Life bevat scheurende gitaren die geheel in Nashvillestijl zijn gladgestreken maar dankzij gitarist Tony Palacios (van hardrockgroep Guardian, één van de bands op het Pakadermlabel van de gebroeders Elefante) is dit het aor-nummer van Defying Gravity.
Op de tweede helft is het miniroadmoviesoundtrack Exit 39 met een persoonlijk verhaal van de zanger, het swingende Don't Leave the Band en de strijkers in het intro van Give It All Away, als compositie echter te lang en flauw.
Een heel klein vleugje country dient zich voor het eerst aan in zijn muziek. Dit al snel op track 2 Pass the Flame en later in The Way that You Love Me. Misschien was tweemaal te veel voor (prog)rocklabel Frontiers, waarmee het laatstgenoemde nummer sneuvelde?
In tegenstelling tot vorige albums van Elefante is deze makkelijker en goedkoper verkrijgbaar in Europa. Let dan wel op of je de editie met 9 of 10 tracks aanschaft.
Nee, géén country, maar in de jaren '90 verhuisde een deel van de Amerikaanse muziekindustrie naar die stad/regio, waarbij een herkenbaar geluid ontstond. Moeilijk te omschrijven, toch een poging: een volle, warme en dichtgesmeerde productie, die zich zowel onderweg op autospeakers of via koptelefoon/oortjes, als thuis op stereo-hifi of tv-subwooferset als zachte pindakaas over de muzikale boterham laat smeren. Steevast gedaan door goede producers en muzikanten, waarmee goed wordt gemusiceerd maar nóóit heftig, altijd braaf binnen de lijntjes; het blijft radiovriendelijk.
Het (rock)bombasme wat de gebroeders Elefante voorheen in Californië praktiseerden is weliswaar weg, een rijke sound is gebleven. John en Dino produceerden de muziek zelf, met opnieuw "executive producer" (geldschieter) dr. Robert Pamplin Jr. achter de schermen. Het resultaat is hapklare pop met liedjes die echter zó goed in elkaar zitten dat Defying Gravity gewoon een lekker album is. Opgenomen in Sound Kitchen in Franklin, Tennessee. In Europa verscheen het bij Frontiers, dat The Way that You Love Me van de tracklist haalde.
De stem van Elefante doet het prima in deze popbombast en mede door de sterke liedjes word ik (eigenlijk niet zo van dit soort pop en productie) toch over de streep getrokken. Het album vond zijn oorsprong in de droom die een vriend van Elefante had. Hij kwam hem vertellen dat er scheuren zaten in het fundament van zijn huis. Een inspectie bracht niets aan het licht, maar toen ging het de zanger dagen: zijn geloof (hij is christen) had averij opgelopen. Daarom gaat het in de teksten soms over 'terug naar de basis.' Dat betekent een persoonlijk verhaal in de teksten die directer zijn dan voorheen, met name in het titelnummer en Exit 39.
Mijn favorieten: de vrij langzame opener If You Just Believe met z'n sterke melodie; The Stream lijkt in de eerste klanken de countrykant op te gaan, maar met de digitale strijkers die volgen wordt het onmiddelijk pop. In de brug hoor ik verrassend iets terug van zijn progrockdagen bij Kansas.
The Truth, the Life bevat scheurende gitaren die geheel in Nashvillestijl zijn gladgestreken maar dankzij gitarist Tony Palacios (van hardrockgroep Guardian, één van de bands op het Pakadermlabel van de gebroeders Elefante) is dit het aor-nummer van Defying Gravity.
Op de tweede helft is het miniroadmoviesoundtrack Exit 39 met een persoonlijk verhaal van de zanger, het swingende Don't Leave the Band en de strijkers in het intro van Give It All Away, als compositie echter te lang en flauw.
Een heel klein vleugje country dient zich voor het eerst aan in zijn muziek. Dit al snel op track 2 Pass the Flame en later in The Way that You Love Me. Misschien was tweemaal te veel voor (prog)rocklabel Frontiers, waarmee het laatstgenoemde nummer sneuvelde?
In tegenstelling tot vorige albums van Elefante is deze makkelijker en goedkoper verkrijgbaar in Europa. Let dan wel op of je de editie met 9 of 10 tracks aanschaft.
John Elefante - On My Way to the Sun (2013)

5,0
1
geplaatst: 24 november 2023, 17:07 uur
Het zevende soloalbum dat John Elefante maakte, zijn muziek met Mastedon meegerekend. Zo beschouwd is dit de opvolger van Mastedons 3 (2009).
Op On My Way to the Sun klinkt Elefante alsof hij in 1976 in Kansas zong toen de groep zijn hoogtijdagen van progressieve rock beleefde. Ik las in 2014 over het album op website Angelic Warlord en tot mijn opluchting was de cd gewoon in Nederland verkrijgbaar. Zo'n drie dagen later werd ik omvergeblazen, zó goed bleek dit te zijn.
Opener This Is How the Story Goes bevat meteen razende en gecompliceerde progrock met vele tempowisselingen en bovendien wervelende melodieën. Dat violist David Ragsdale en gitarist Rich Williams van Kansas te gast zijn, stuwt deze ruim elf minuten briljantheid alleen maar verder omhoog.
Ook op Where Have the Old Days Gone weer stevige progklasse, nu met vioolspel van Chris Carmichael.
Vanaf track 3 wordt aor aangeboden, te beginnen met het titelnummer dat iets wegheeft van een ronkende versie van Foreigner, gevolgd door All I Have to Do met daarin een fantastische, snelle gitaarsolo van de mij onbekende Dave Cleveland.
De stem van Elefante klinkt verbazingwekkend fris als dertig jaar eerder en zijn kwaliteiten als liedschrijver zijn meer dan bijzonder, zo blijkt opnieuw op dit nummer waar een bed van strijkers het geluid vervolmaakt.
Met The Awakening gaat het tempo iets omlaag én keert de progrock terug, zij het minder onstuimig dan bij de twee eerste nummers. Dit met alweer een prachtig refrein op z'n Elefantes en bovendien een sterke gitaarsolo, hier met Clevelands lange noten.
Daarna aor met Half the Way Home en We All Fall Short, een licht-melancholische ballade met viool van Carmichael, waarin Elefante zowel zijn geloof als kwetsbaarheid benoemt.
Don't Hide Away is dan weer iets sneller, lichte adult oriented rock met een aangenaam riffje.
Soms gaan albums als een nachtkaarsje uit, maar met verhaal, melodie, Elefantes vertolking en strijkcombo in This Time dient zich een indrukwekkende scene aan, gebaseerd op een waargebeurd verhaal volgens de hoes. Het wiegende slot in 6/8 maat heet Confess en is wat de titel zegt.
Opgenomen in maar liefst acht verschillende studio's in Tennessee en Georgia, wat erop wijst dat dit een meerjarenproject is geweest. Gerijpt als goede wijn of whiskey, warm geproduceerde adult oriented progrock die ik wel zes sterren zou willen geven.
Op On My Way to the Sun klinkt Elefante alsof hij in 1976 in Kansas zong toen de groep zijn hoogtijdagen van progressieve rock beleefde. Ik las in 2014 over het album op website Angelic Warlord en tot mijn opluchting was de cd gewoon in Nederland verkrijgbaar. Zo'n drie dagen later werd ik omvergeblazen, zó goed bleek dit te zijn.
Opener This Is How the Story Goes bevat meteen razende en gecompliceerde progrock met vele tempowisselingen en bovendien wervelende melodieën. Dat violist David Ragsdale en gitarist Rich Williams van Kansas te gast zijn, stuwt deze ruim elf minuten briljantheid alleen maar verder omhoog.
Ook op Where Have the Old Days Gone weer stevige progklasse, nu met vioolspel van Chris Carmichael.
Vanaf track 3 wordt aor aangeboden, te beginnen met het titelnummer dat iets wegheeft van een ronkende versie van Foreigner, gevolgd door All I Have to Do met daarin een fantastische, snelle gitaarsolo van de mij onbekende Dave Cleveland.
De stem van Elefante klinkt verbazingwekkend fris als dertig jaar eerder en zijn kwaliteiten als liedschrijver zijn meer dan bijzonder, zo blijkt opnieuw op dit nummer waar een bed van strijkers het geluid vervolmaakt.
Met The Awakening gaat het tempo iets omlaag én keert de progrock terug, zij het minder onstuimig dan bij de twee eerste nummers. Dit met alweer een prachtig refrein op z'n Elefantes en bovendien een sterke gitaarsolo, hier met Clevelands lange noten.
Daarna aor met Half the Way Home en We All Fall Short, een licht-melancholische ballade met viool van Carmichael, waarin Elefante zowel zijn geloof als kwetsbaarheid benoemt.
Don't Hide Away is dan weer iets sneller, lichte adult oriented rock met een aangenaam riffje.
Soms gaan albums als een nachtkaarsje uit, maar met verhaal, melodie, Elefantes vertolking en strijkcombo in This Time dient zich een indrukwekkende scene aan, gebaseerd op een waargebeurd verhaal volgens de hoes. Het wiegende slot in 6/8 maat heet Confess en is wat de titel zegt.
Opgenomen in maar liefst acht verschillende studio's in Tennessee en Georgia, wat erop wijst dat dit een meerjarenproject is geweest. Gerijpt als goede wijn of whiskey, warm geproduceerde adult oriented progrock die ik wel zes sterren zou willen geven.
John Elefante - The Amazing Grace (2022)

4,0
0
geplaatst: 17 december 2022, 14:42 uur
Met alle details die Marco hierboven noemt, kan ik het kort houden. The Amazing Grace is inderdaad een sterk aor-album vol pakkende melodieën en uiteraard perfect geproduceerd. Laat dat maar aan Elefante over. Soms klinken extra's, zoals strijkers en in Time Machine zelfs blaaspartijen, maar nergens worden dit overheersend.
Opvallend: de gitaarriff van Little Brown Book lijkt wel een vertraagde versie van Fight Fire with Fire wat hij ooit met Kansas opnam.
Beste nummer voor mij is Won't Fade Away, een progrocker met tempowisselingen in de stijl van datzelfde bandje. Verder biedt het album qua composities rechttoe-aor, waarbij kwaliteit is gegarandeerd. Hierbij springen vooral het titellied en We Will be Fine met zijn pianopartij en swing er voor mij uit.
De positieve, nuchtere toon van de doordachte teksten spreekt me eveneens aan. Bij veel muzikanten zijn die nogal eens van het niveau "O ja, dat moet ook nog...." Hier is dat anders.
Niet vernieuwend, wel sterk en evenwichtig. Een degelijk viersterrenalbum, net iets meer dan het dit jaar verschenen album Q.A.R. van eveneens ex-Kansasman Kerry Livgren, waarop Elefante ook zingt.
Opvallend: de gitaarriff van Little Brown Book lijkt wel een vertraagde versie van Fight Fire with Fire wat hij ooit met Kansas opnam.
Beste nummer voor mij is Won't Fade Away, een progrocker met tempowisselingen in de stijl van datzelfde bandje. Verder biedt het album qua composities rechttoe-aor, waarbij kwaliteit is gegarandeerd. Hierbij springen vooral het titellied en We Will be Fine met zijn pianopartij en swing er voor mij uit.
De positieve, nuchtere toon van de doordachte teksten spreekt me eveneens aan. Bij veel muzikanten zijn die nogal eens van het niveau "O ja, dat moet ook nog...." Hier is dat anders.
Niet vernieuwend, wel sterk en evenwichtig. Een degelijk viersterrenalbum, net iets meer dan het dit jaar verschenen album Q.A.R. van eveneens ex-Kansasman Kerry Livgren, waarop Elefante ook zingt.
John Elefante - Windows of Heaven (1995)

3,5
0
geplaatst: 22 augustus 2023, 12:07 uur
Dank voor je aanvullingen! Je beleeft dit album hetzelfde als ik, ook wat betreft sentimentaliteit en teksten. Hij houdt het dicht bij zichzelf en daardoor blijft het naturel, zij het dat zijn producties steevast vrij dichtgesmeerd zijn en rond klinken.
On My Way heb ik in de kast staan, vind ik inderdaad een heel sterk album. Maar alweer een paar jaar niet gehoord, dat wordt wel weer eens tijd. De twee volgende albums van Elefante solo wil ik binnenkort gaan horen. Fijn dat je Defying Gravity hebt toegevoegd, dat komt vast wel goed (als is het soms lastig om een hoesfoto te vinden die aan de kwaliteitseisen voldoet.
Sowieso leuk om al die soloprojecten van al dan niet ex-Kansasmannen te checken! Ontdekte op Rate Your Music dit lijstje, dat ik grotendeels volg. Niet actueel of compleet, maar 90% staat er wel bij geloof ik.
Zo luister ik deze dagen naar het debuut van Steinhardt-Moon. Hmmm... ik zie dat ie nog niet op MuMe staat, zal ga ik regelen.
Bij deze Windows of Heaven is het echt de kwaliteit van Elefantes stem die maakt dat ik het goed kan hebben. Met een Phil Collins bij de microfoon had ik dat niet gehad. Dat zegt overigens vooral iets over mijn smaak, als zanger is Collins op zich prima. Maar de "extra versnelling" in de stem van Elefante doet het hem voor mij.
On My Way heb ik in de kast staan, vind ik inderdaad een heel sterk album. Maar alweer een paar jaar niet gehoord, dat wordt wel weer eens tijd. De twee volgende albums van Elefante solo wil ik binnenkort gaan horen. Fijn dat je Defying Gravity hebt toegevoegd, dat komt vast wel goed (als is het soms lastig om een hoesfoto te vinden die aan de kwaliteitseisen voldoet.
Sowieso leuk om al die soloprojecten van al dan niet ex-Kansasmannen te checken! Ontdekte op Rate Your Music dit lijstje, dat ik grotendeels volg. Niet actueel of compleet, maar 90% staat er wel bij geloof ik.
Zo luister ik deze dagen naar het debuut van Steinhardt-Moon. Hmmm... ik zie dat ie nog niet op MuMe staat, zal ga ik regelen.
Bij deze Windows of Heaven is het echt de kwaliteit van Elefantes stem die maakt dat ik het goed kan hebben. Met een Phil Collins bij de microfoon had ik dat niet gehad. Dat zegt overigens vooral iets over mijn smaak, als zanger is Collins op zich prima. Maar de "extra versnelling" in de stem van Elefante doet het hem voor mij.
John Foxx - Metamatic (1980)

3,0
1
geplaatst: 28 januari 2025, 20:08 uur
Dennis Leigh alias John Foxx bracht in 1975 zijn eerste single uit met de groep Tiger Lily, die via enkele naamwijzigingen transformeerde met Ultravox! dat in 1977 twee albums uitbracht en in '78 een volgende, waarbij de uitroepteken uit de groepsnaam is verdwenen. In 'Ultravox' zit de naam Foxx verscholen, een alias dat hij sinds oktober 1976 gebruikt.
De invloed van synthesizers werd per album sterker en met solodebuut Metamatic is niet meer sprake van een hybride synthband, waar deze nieuwigheden worden gecombineerd met conventionele instrumenten. Solo schakelt hij volledig over op de synthesizer. Anders dan zijn oude bandje, waar ene Midge Ure zijn plek innam en de groep meer tijd nodig had voor een nieuw album: Vienna verscheen in juli 1980, Metamatic al in januari dat jaar.
Ter promotie waren daar singles Underpass (#31 in februari in de Britse hitlijst) en No-One Driving (#32 in maart-april).
De koele sferen van de instrumenten stammen goed bij Foxx' stem, maar de melodieën willen niet zo beklijven. Slechts bij opener Plaza, A New Kind of Man en Blurred Girl vind ik het gehele nummer pakkend, bij de overige nummers zijn er weliswaar aangename synthgeluiden, maar als composities niet voldoende om me bij de lurven te pakken. Dat het album half februari #18 haalde, laat echter zien dat menigeen dat anders ervaarde en hierboven staan de nodige berichten waarin de MuMensen dat ook zo beleven.
Op reis door new wave bevind ik me in januari 1980. Ik kwam van de derde van 999; volgende nummer op mijn afspeellijst is Dance Stance van Dexys Midnight Runners, maar omdat ik hun debuut Searching for the Young Soul Rebels al besprak, vervolg ik bij The Special A.K.A. en dat bij het debuut van The Specials.
De invloed van synthesizers werd per album sterker en met solodebuut Metamatic is niet meer sprake van een hybride synthband, waar deze nieuwigheden worden gecombineerd met conventionele instrumenten. Solo schakelt hij volledig over op de synthesizer. Anders dan zijn oude bandje, waar ene Midge Ure zijn plek innam en de groep meer tijd nodig had voor een nieuw album: Vienna verscheen in juli 1980, Metamatic al in januari dat jaar.
Ter promotie waren daar singles Underpass (#31 in februari in de Britse hitlijst) en No-One Driving (#32 in maart-april).
De koele sferen van de instrumenten stammen goed bij Foxx' stem, maar de melodieën willen niet zo beklijven. Slechts bij opener Plaza, A New Kind of Man en Blurred Girl vind ik het gehele nummer pakkend, bij de overige nummers zijn er weliswaar aangename synthgeluiden, maar als composities niet voldoende om me bij de lurven te pakken. Dat het album half februari #18 haalde, laat echter zien dat menigeen dat anders ervaarde en hierboven staan de nodige berichten waarin de MuMensen dat ook zo beleven.
Op reis door new wave bevind ik me in januari 1980. Ik kwam van de derde van 999; volgende nummer op mijn afspeellijst is Dance Stance van Dexys Midnight Runners, maar omdat ik hun debuut Searching for the Young Soul Rebels al besprak, vervolg ik bij The Special A.K.A. en dat bij het debuut van The Specials.
John Norum - Another Destination (1995)

3,0
0
geplaatst: 16 september 2024, 16:26 uur
Op Another Destination speelt John Norum gedreven. De plaat is vaak zeer heavy of zelfs log en bevat de nodige bluestinten. Rustiger nummers voorkomen eenvormigheid qua geluidsmuren, de melodieën zijn aardig en het gitaarwerk spetterend. Dat de mij onbekende Kelly Keeling geen Glenn Hughes is (zanger op voorganger Face the Truth), is voor mij een aanbeveling. Nou krijg ik wel de indruk dat de Amerikaanse zanger is verkozen omdat zijn stem wegheeft van die van Hughes.
Inside is de log rockende opener met een zweverige melodie waarin je enige invloed van Led Zeppelin kunt herkennen, plus een razende gitaarsolo; toch hoor ik liever het vlottere Resurrection Time dat volgt met een nog veel langere solo en aan het slot nog een korte.
Wat Norum goed doet, is dat hij ter variatie een paar ingetogener muziekjes schreef. De eerste is track 3 al: de blues van Strange Days was single/video bij het album en opnieuw denk ik Glenn Hughes te horen. Keeling is geen prutser; vreemd dat ik de man nu pas ontdek!
Met menig riff en zanglijn heb ik minder. Zoals bij de eveneens blueshardrock van Spirit World, waarna ik bij de instrumentale ballade Shimmering Highs juist geniet van Norums melodiegevoel op de zes snaren.
Sinds 2021 weten we dat de B-kant begint met Whose Side Are You On? waarin blues en shredding de opmaat vormen tot een nummer vol stoempende hardrock. Sunshine of Your Love van The Cream krijgt een doomjasje alsof Black Sabbath het in 1970 coverde; het resultaat is niet zo spannend.
Ter verlichting is daar het akoestische en instrumentale Catalina Sunset, waarna Half Way Home klinkt alsof Eddie Van Halen gastgitarist was; ben benieuwd of VH-kenner OzzyLoud dat ook zo beleeft! Dankzij de klank van de gitaar, de akkoorden en drie (!) vliegende gitaarsolo's klinkt Norum anders dan anders.
Healing Rays is qua compositie een buitenbeentje. Het bestaat slechts uit een refrein dat één maal wordt herhaald; geen coupletten. De muziek is slepend en uiteraard gaat Norum weer lós, precies goed voor de 185 seconden. Tenslotte is daar Jillana, akoestisch en tevens het derde instrumentale nummer.
Ik ben ten diepste een popjongetje, zeker als het om melodieuze muziek gaat: geef mij maar pakkende melodieën. Hartstikke arbitrair is natuurlijk of dat op een album lukte. Het gitaarwerk is hier in mijn beleving veel spettender dan de composities, waarmee ik uitkom op een 6,5, vertaald in 3 sterren.
Inside is de log rockende opener met een zweverige melodie waarin je enige invloed van Led Zeppelin kunt herkennen, plus een razende gitaarsolo; toch hoor ik liever het vlottere Resurrection Time dat volgt met een nog veel langere solo en aan het slot nog een korte.
Wat Norum goed doet, is dat hij ter variatie een paar ingetogener muziekjes schreef. De eerste is track 3 al: de blues van Strange Days was single/video bij het album en opnieuw denk ik Glenn Hughes te horen. Keeling is geen prutser; vreemd dat ik de man nu pas ontdek!
Met menig riff en zanglijn heb ik minder. Zoals bij de eveneens blueshardrock van Spirit World, waarna ik bij de instrumentale ballade Shimmering Highs juist geniet van Norums melodiegevoel op de zes snaren.
Sinds 2021 weten we dat de B-kant begint met Whose Side Are You On? waarin blues en shredding de opmaat vormen tot een nummer vol stoempende hardrock. Sunshine of Your Love van The Cream krijgt een doomjasje alsof Black Sabbath het in 1970 coverde; het resultaat is niet zo spannend.
Ter verlichting is daar het akoestische en instrumentale Catalina Sunset, waarna Half Way Home klinkt alsof Eddie Van Halen gastgitarist was; ben benieuwd of VH-kenner OzzyLoud dat ook zo beleeft! Dankzij de klank van de gitaar, de akkoorden en drie (!) vliegende gitaarsolo's klinkt Norum anders dan anders.
Healing Rays is qua compositie een buitenbeentje. Het bestaat slechts uit een refrein dat één maal wordt herhaald; geen coupletten. De muziek is slepend en uiteraard gaat Norum weer lós, precies goed voor de 185 seconden. Tenslotte is daar Jillana, akoestisch en tevens het derde instrumentale nummer.
Ik ben ten diepste een popjongetje, zeker als het om melodieuze muziek gaat: geef mij maar pakkende melodieën. Hartstikke arbitrair is natuurlijk of dat op een album lukte. Het gitaarwerk is hier in mijn beleving veel spettender dan de composities, waarmee ik uitkom op een 6,5, vertaald in 3 sterren.
John Norum - Face the Truth (1992)

3,5
1
geplaatst: 14 september 2024, 09:47 uur
Het eerste soloalbum dat ik van John Norum hoorde was Face the Truth. De gitarist kende ik uiteraard uit zijn dagen bij Europe en een vriend leende me diens solo-cd. Indertijd maakte Thin Lizzy’s Opium Trail een verpletterende indruk op me, zoals ik hier vorig jaar augustus schreef: nog altijd prefereer ik Norums knallende cover.
Het album verschijnt in 1992 terwijl Europe de stekker eruit trekt en de leden naar Zweden remigreren. Als de Zweedse belastingdienst geld ruikt, doemen voor de leden van de groep immens grote problemen op.
Dat gold niet voor Norum, die al op 31 oktober 1986 zijn laatste optreden met de groep deed in Amsterdam voor tv-station Sky Channel. Hij vertrok in goed overleg. Niet alleen omdat hij het te commercieel vond worden, ook omdat hij inmiddels grote bedenkingen had bij manager Thomas Erdtman en Joey Tempest, zo vertelt website Wings of Tomorrow.com:
"Around 1984-85, Norum's mother Sofie had started to date Erdtman. "At first I thought it was cool and so did the other guys," Norum said, "But she started telling me that he often had lots of money in his pockets saying: 'This is the boys' cash but I don't care - let's have fun with it instead'. I thought it was strange that he had so much money and we had so little when we already had two gold albums. It was all a mystery. I left partly because of Erdtman's management, and partly because he and Joey made too many decisions. Joey and Erdtman were the bosses, and the rest of us had to deal with it."
Zanger op de meeste nummers van Face the Truth is Glenn Hughes, ex-Deep Purple. Ik ben niet de grootste fan van diens stem, kwestie van smaak. Laat onverlet dat dit in combinatie met Norums hardrockende riffs staat als een huis. Als altijd is er ook een instrumentaal nummer en dit midtempo Endica bevat net als elders op de plaat een sterke en herkenbare combinatie van melodie en snelheid.
Joey Tempest zingt met Norum op We Will Be Strong, één van de zwakkere nummers op het album. Wel favoriet: de snelle titelsong die het album opent, het melodieuze Still the Night en het robuuste Distant Voices met op drums landgenoot Mikkey Dee.
John Norum doet dus waar hij goed in is en haalde tevens het contact met Joey Tempest op, waar het voordien nogal eens gespannen was. Je had in die dagen kunnen gaan hopen op een doorstart van Europe, maar daar was de tijd nog niet rijp voor; zeker niet met de donkere wolken van de belastingdienst in aantocht. Meer daarover noteer ik dadelijk bij het solodebuut van de zanger.
Het album verschijnt in 1992 terwijl Europe de stekker eruit trekt en de leden naar Zweden remigreren. Als de Zweedse belastingdienst geld ruikt, doemen voor de leden van de groep immens grote problemen op.
Dat gold niet voor Norum, die al op 31 oktober 1986 zijn laatste optreden met de groep deed in Amsterdam voor tv-station Sky Channel. Hij vertrok in goed overleg. Niet alleen omdat hij het te commercieel vond worden, ook omdat hij inmiddels grote bedenkingen had bij manager Thomas Erdtman en Joey Tempest, zo vertelt website Wings of Tomorrow.com:
"Around 1984-85, Norum's mother Sofie had started to date Erdtman. "At first I thought it was cool and so did the other guys," Norum said, "But she started telling me that he often had lots of money in his pockets saying: 'This is the boys' cash but I don't care - let's have fun with it instead'. I thought it was strange that he had so much money and we had so little when we already had two gold albums. It was all a mystery. I left partly because of Erdtman's management, and partly because he and Joey made too many decisions. Joey and Erdtman were the bosses, and the rest of us had to deal with it."
Zanger op de meeste nummers van Face the Truth is Glenn Hughes, ex-Deep Purple. Ik ben niet de grootste fan van diens stem, kwestie van smaak. Laat onverlet dat dit in combinatie met Norums hardrockende riffs staat als een huis. Als altijd is er ook een instrumentaal nummer en dit midtempo Endica bevat net als elders op de plaat een sterke en herkenbare combinatie van melodie en snelheid.
Joey Tempest zingt met Norum op We Will Be Strong, één van de zwakkere nummers op het album. Wel favoriet: de snelle titelsong die het album opent, het melodieuze Still the Night en het robuuste Distant Voices met op drums landgenoot Mikkey Dee.
John Norum doet dus waar hij goed in is en haalde tevens het contact met Joey Tempest op, waar het voordien nogal eens gespannen was. Je had in die dagen kunnen gaan hopen op een doorstart van Europe, maar daar was de tijd nog niet rijp voor; zeker niet met de donkere wolken van de belastingdienst in aantocht. Meer daarover noteer ik dadelijk bij het solodebuut van de zanger.
John Norum - Gone to Stay (2022)

4,0
0
geplaatst: 28 maart 2025, 17:51 uur
Op zijn website noemt John Norum zichzelf "rock and blues guitarist". De blues zit er op zijn latere solowerk inderdaad sterker in, qua rock zit hij in de heavy hoek. Meestal zwaarder dan in moederschip Europe. Zijn stem heeft aan heesheid gewonnen, zijn gitaarwerk spettert onverminderd. Eén van de beste sologitaristen die er rondlopen, omdat hij ertoe in staat is daarmee een liedje in een liedje te construeren. Razendsnel snarenracen, maar opbouw en gevoel zijn altijd het belangrijkste.
Voices of Silences is een ijzersterke, hardrockende opener waar alles klopt: riffs, melodie, gitaarsolo en bovendien een fraai akoestisch slot. Het melancholieke Sail On doet enigszins aan het werk van Whitesnake denken, maar hij werkt met een driemansband, met recht een powertrio.
Wel is hier en daar hulp ingeroepen, zoals toetsenist Mats Schubert in onder meer het titelnummer; diens bijdragen geven de muziek een extra laag. Gone to Stay heeft tot dan toe de sterkste invloed vanuit de blues.
In One by One met gastzanger Åge Nilsen lijkt Norum terug te blikken op de tijd met zijn echtgenote Michelle Meldrum, in 2008 overleden. Een dramatisch hoofdstuk, maar in de categorie shownieuws vertelt zijn website dat hij afgelopen februari na vele jaren samenzijn dan eindelijk met Camilla Wåhlander trouwde.
Daarna volgt meer stevige blues-hardrock, enigszins vergelijkbaar met het werk van Stevie Ray Vaughan. Ik heb daar minder mee, maar met David Bowies Lady Grinning Soul is het weer helemaal ráák. Norma is dan weer voluit rockend met op zang Nilsen, bijgestaan door het Stockholm Philharmonica Orchestra. En wát een solo komt weer voorbij; zwijmel...
Dan is het beste van het album geweest, al is het vlotte Terror over Me aardig. De ingetogen remake van zijn eigen Face the Truth doet me niets. Al met al een prima album, verrassender dan de laatste van Robin McAuley die ik de afgelopen dagen om en om afwisselde met deze. Wel is de bluessaus bij Norum me soms iets te vet en massief.
Voices of Silences is een ijzersterke, hardrockende opener waar alles klopt: riffs, melodie, gitaarsolo en bovendien een fraai akoestisch slot. Het melancholieke Sail On doet enigszins aan het werk van Whitesnake denken, maar hij werkt met een driemansband, met recht een powertrio.
Wel is hier en daar hulp ingeroepen, zoals toetsenist Mats Schubert in onder meer het titelnummer; diens bijdragen geven de muziek een extra laag. Gone to Stay heeft tot dan toe de sterkste invloed vanuit de blues.
In One by One met gastzanger Åge Nilsen lijkt Norum terug te blikken op de tijd met zijn echtgenote Michelle Meldrum, in 2008 overleden. Een dramatisch hoofdstuk, maar in de categorie shownieuws vertelt zijn website dat hij afgelopen februari na vele jaren samenzijn dan eindelijk met Camilla Wåhlander trouwde.
Daarna volgt meer stevige blues-hardrock, enigszins vergelijkbaar met het werk van Stevie Ray Vaughan. Ik heb daar minder mee, maar met David Bowies Lady Grinning Soul is het weer helemaal ráák. Norma is dan weer voluit rockend met op zang Nilsen, bijgestaan door het Stockholm Philharmonica Orchestra. En wát een solo komt weer voorbij; zwijmel...
Dan is het beste van het album geweest, al is het vlotte Terror over Me aardig. De ingetogen remake van zijn eigen Face the Truth doet me niets. Al met al een prima album, verrassender dan de laatste van Robin McAuley die ik de afgelopen dagen om en om afwisselde met deze. Wel is de bluessaus bij Norum me soms iets te vet en massief.
John Norum - Optimus (2005)

3,0
0
geplaatst: 17 februari 2025, 22:04 uur
Wat doe je als je oude bandje weer bij elkaar is, maar niet al je materiaal kan gebruiken? Je brengt een volgend soloalbum uit. Tussen comeback Start from the Dark (2004) en Secret Society (2006) van Europe, bracht gitarist John Norum Optimus uit.
Hierboven verwoordt milesdavisjr precies hoe ik het beleef, waarbij de kleine toevoeging dat Phantom Blue, van wie het nummer Time to Run wordt gecoverd, de groep was van zijn Amerikaanse echtgenote Michelle Meldrum. Dan snap ik hoe het nummer in Zweden terecht kwam. Norum is een prima zanger met een vrij rauwe stem en dit leentjebuur past bij de rest van het album. Dit is dus tevens het nummer dat mede door ex-Purpleman en vriend-van-John Glenn Hughes werd geschreven, zoals Kronos reeds in 2011 opmerkte.
Tegelijkertijd kan ik mee met miles' kritiek op de doffe productie, die gecomprimeerd aanvoelt. Dat mede door de laaggestemde gitaren, het kritiekpunt van vielip.
Mijn favorieten: de niet eens zo vlotte opener Chase Down the Moon, het lichtere One More Time, het instrumentale Optimus, Takin' the Blame met zijn zware en tegelijkertijd melodieuze intro, alsof hier Thin Lizzy en Black Sabbath elkaar ontmoeten én het optimistische en lichtere Change Will Come.
Het tweede instrumentaal is de afsluiter Solitude, waar Norum (weer) eens laat horen hoe goed hij als sologitarist is. Een eigen compositie, niet een cover van het gelijknamige nummer van de Sabs.
Degelijk, verdienstelijk maar nergens verrassend, ontroerend of iets anders wat me echt raakt. Een 6,5 als schoolcijfer en dat is toch meer dan de 5 die ik voorganger Slipped Into Tomorrow uit 1999 gaf. Met de mannen van Europe wordt Norum echter naar grotere hoogten gestuwd.
Hierboven verwoordt milesdavisjr precies hoe ik het beleef, waarbij de kleine toevoeging dat Phantom Blue, van wie het nummer Time to Run wordt gecoverd, de groep was van zijn Amerikaanse echtgenote Michelle Meldrum. Dan snap ik hoe het nummer in Zweden terecht kwam. Norum is een prima zanger met een vrij rauwe stem en dit leentjebuur past bij de rest van het album. Dit is dus tevens het nummer dat mede door ex-Purpleman en vriend-van-John Glenn Hughes werd geschreven, zoals Kronos reeds in 2011 opmerkte.
Tegelijkertijd kan ik mee met miles' kritiek op de doffe productie, die gecomprimeerd aanvoelt. Dat mede door de laaggestemde gitaren, het kritiekpunt van vielip.
Mijn favorieten: de niet eens zo vlotte opener Chase Down the Moon, het lichtere One More Time, het instrumentale Optimus, Takin' the Blame met zijn zware en tegelijkertijd melodieuze intro, alsof hier Thin Lizzy en Black Sabbath elkaar ontmoeten én het optimistische en lichtere Change Will Come.
Het tweede instrumentaal is de afsluiter Solitude, waar Norum (weer) eens laat horen hoe goed hij als sologitarist is. Een eigen compositie, niet een cover van het gelijknamige nummer van de Sabs.
Degelijk, verdienstelijk maar nergens verrassend, ontroerend of iets anders wat me echt raakt. Een 6,5 als schoolcijfer en dat is toch meer dan de 5 die ik voorganger Slipped Into Tomorrow uit 1999 gaf. Met de mannen van Europe wordt Norum echter naar grotere hoogten gestuwd.
John Norum - Play Yard Blues (2010)

4,0
0
geplaatst: 24 februari 2025, 18:46 uur
Verrassend en dat in dubbel opzicht! De eerste omdat John Norum op zijn vorige soloalbums zijn gitaren nogal eens laag stemde en voor een donkere aanpak koos. Dat laat hij hier na.
Tweede verrassing is dat je met de titel Play Yard Blues een voluit bluesalbum zou verwachten in de lijn van hetgeen Gary Moore menigmaal deed, één van Norums grote voorbeelden - dat is dus níet het geval.
Jazeker, de blues druipt ervan af, maar Norum gaat op bijna het gehele album een stap verder. Dit is blues die soms aan een stevige versie van Cream met dezelfde slepende melancholie als die groep kon doen. Je zou ook aan BBM, de groep met Gary Moore kunnen denken. Of vaker gewoon knallende hardrock. Of aan de steviger varianten van southern rock, zoals Blackfoot en Molly Hatchet. Ondertussen soleert hij als een malle.
Zoals in It's Only Money, gecoverd van Norums andere helden Thin Lizzy. Hij speelt ook op dit album in triobezetting, in het stoempende eigen nummer Got My Eyes on You met toegevoegd gastzanger Leif Sundin.
Op de tweede helft van de cd meer covers: eerst Ditch Queen van Frank Marino en daarna Travel in the Dark van Mountain, waar het in 1971 Travellin' in the Dark (To E.M.P.) heette. Grommend en snel is het zelfgeschreven Born Again over een verloren liefde, waar Sundins stem net tekort komt. Ach, het gitaarwerk maakt dat goed.
Op het instrumentale titellied dat de plaat afsluit klinkt warempel toch nog een traditioneel bluesschema. Norum laat nog eens horen wat hij vermag. Dat is véél, al zullen bluespuristen dit veel te hardrock vinden.
Tweede verrassing is dat je met de titel Play Yard Blues een voluit bluesalbum zou verwachten in de lijn van hetgeen Gary Moore menigmaal deed, één van Norums grote voorbeelden - dat is dus níet het geval.
Jazeker, de blues druipt ervan af, maar Norum gaat op bijna het gehele album een stap verder. Dit is blues die soms aan een stevige versie van Cream met dezelfde slepende melancholie als die groep kon doen. Je zou ook aan BBM, de groep met Gary Moore kunnen denken. Of vaker gewoon knallende hardrock. Of aan de steviger varianten van southern rock, zoals Blackfoot en Molly Hatchet. Ondertussen soleert hij als een malle.
Zoals in It's Only Money, gecoverd van Norums andere helden Thin Lizzy. Hij speelt ook op dit album in triobezetting, in het stoempende eigen nummer Got My Eyes on You met toegevoegd gastzanger Leif Sundin.
Op de tweede helft van de cd meer covers: eerst Ditch Queen van Frank Marino en daarna Travel in the Dark van Mountain, waar het in 1971 Travellin' in the Dark (To E.M.P.) heette. Grommend en snel is het zelfgeschreven Born Again over een verloren liefde, waar Sundins stem net tekort komt. Ach, het gitaarwerk maakt dat goed.
Op het instrumentale titellied dat de plaat afsluit klinkt warempel toch nog een traditioneel bluesschema. Norum laat nog eens horen wat hij vermag. Dat is véél, al zullen bluespuristen dit veel te hardrock vinden.
