Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Joe Jackson Band - Beat Crazy (1980)

4,0
2
geplaatst: 12 april 2022, 22:49 uur
Als tiener met beperkt budget leende ik vanaf de herfst van 1980 zoveel mogelijk platen uit de fonotheek van het dorp. Ondanks de lage leenkosten in de bieb (één gulden per plaat voor drie weken), viel dat niet mee. De cassettebandjes waarop ik de beste nummers van die platen opnam kostten immers ook geld, net als het abonnement op stripweekblad Eppo en de stripalbums van o.a. Trigië en Asterix…
Beat Crazy verscheen in 1980, het tweede achtereenvolgende jaar dat ska en reggae de toch al frisse en fruitige wind van new wave van extra elan voorzagen. Ik vond dat prachtig, al die Selecters, Specials, Madnessen, Polices, Fischer-Z’s etcetera, die zo creatief diverse stijlen mengden. In Eppo zag ik hoe Robert van der Kroft in zijn verhalen van Sjors en Sjimmie ook hiermee wegliep, als diverse bandnamen op de gevels van zijn getekende huizen stonden vermeld. Het bevestigde mijn gevoel dat dit een muzikaal opwindende tijd was. Ik kon toen nog niet weten hoe waar dat was, juist nu ik zovele jaren later terugblik.
De derde Joe Jackson bleek minder gitaargeoriënteerd dan de twee voorgangers. Daarbij is het overwegend swingen wat de klok slaat. Minder wit, meer West-Indisch, zoals Venceremos hierboven terecht opmerkt. Al heeft gitarist Gary Sanford het nog druk hier, toch hoorde ik op Beat Crazy een luchtiger en swingender Joe Jackson Band.
Heb tegenwoordig de plaat in huis; dit dankzij de kringloop, waar die als kwaliteitsplaat maar liefst twee euro kostte. Jammer genoeg ontbreekt de originele knalgele binnenhoes met teksten en credits, moet dus van Discogs lezen dat de bandfoto op de achterzijde van de cover van Anton Corbijn is; dát was ik vergeten. De spetterend-kleurige voorzijde komt in deze vorm zoveel beter tot zijn recht dan op cd en de muziek past daar dus helemaal bij.
Kant A is er één van alleen maar hoogtepunten, waarvan ik One to One de mooiste vind, een heerlijk pianoliedje. Maar ook het felle Mad at You is een klassiekertje.
De B-kant begint relatief rustig met wat wel op een serietune lijkt: Crime Don’t Pay mét pianosolo, waarna het er op Someone Up There wederom fel toegaat met een knallende basriff; met bovendien een originele en gelukkige tekst over een meisje, God en het lot.
Dan reggae in Battleground met een verhaal dat veertig jaar later prima had gepast als soundtrack in de hausse aan berichten rond Black Lives Matter; Jackson is uitermate kritisch naar beide “kampen” over een thema dat in het Engeland van 1980 weer eens opspeelde.
In Biology is Jackson in ironische topvorm, humoristisch hoe hij hier de luisteraar – en de seksen – in zijn verhaal op het verkeerde been zet. Op Pretty Boys weer vrolijke ska en een kritisch-ironische tekst, waarna de plaat midtempo en stevig afsluit met Fit, een lied dat me minder pakt.
Zijn/hun derde sterke plaat in twee jaar, hóe knap gedaan. En het beste moest nog komen…
Beat Crazy verscheen in 1980, het tweede achtereenvolgende jaar dat ska en reggae de toch al frisse en fruitige wind van new wave van extra elan voorzagen. Ik vond dat prachtig, al die Selecters, Specials, Madnessen, Polices, Fischer-Z’s etcetera, die zo creatief diverse stijlen mengden. In Eppo zag ik hoe Robert van der Kroft in zijn verhalen van Sjors en Sjimmie ook hiermee wegliep, als diverse bandnamen op de gevels van zijn getekende huizen stonden vermeld. Het bevestigde mijn gevoel dat dit een muzikaal opwindende tijd was. Ik kon toen nog niet weten hoe waar dat was, juist nu ik zovele jaren later terugblik.
De derde Joe Jackson bleek minder gitaargeoriënteerd dan de twee voorgangers. Daarbij is het overwegend swingen wat de klok slaat. Minder wit, meer West-Indisch, zoals Venceremos hierboven terecht opmerkt. Al heeft gitarist Gary Sanford het nog druk hier, toch hoorde ik op Beat Crazy een luchtiger en swingender Joe Jackson Band.
Heb tegenwoordig de plaat in huis; dit dankzij de kringloop, waar die als kwaliteitsplaat maar liefst twee euro kostte. Jammer genoeg ontbreekt de originele knalgele binnenhoes met teksten en credits, moet dus van Discogs lezen dat de bandfoto op de achterzijde van de cover van Anton Corbijn is; dát was ik vergeten. De spetterend-kleurige voorzijde komt in deze vorm zoveel beter tot zijn recht dan op cd en de muziek past daar dus helemaal bij.
Kant A is er één van alleen maar hoogtepunten, waarvan ik One to One de mooiste vind, een heerlijk pianoliedje. Maar ook het felle Mad at You is een klassiekertje.
De B-kant begint relatief rustig met wat wel op een serietune lijkt: Crime Don’t Pay mét pianosolo, waarna het er op Someone Up There wederom fel toegaat met een knallende basriff; met bovendien een originele en gelukkige tekst over een meisje, God en het lot.
Dan reggae in Battleground met een verhaal dat veertig jaar later prima had gepast als soundtrack in de hausse aan berichten rond Black Lives Matter; Jackson is uitermate kritisch naar beide “kampen” over een thema dat in het Engeland van 1980 weer eens opspeelde.
In Biology is Jackson in ironische topvorm, humoristisch hoe hij hier de luisteraar – en de seksen – in zijn verhaal op het verkeerde been zet. Op Pretty Boys weer vrolijke ska en een kritisch-ironische tekst, waarna de plaat midtempo en stevig afsluit met Fit, een lied dat me minder pakt.
Zijn/hun derde sterke plaat in twee jaar, hóe knap gedaan. En het beste moest nog komen…
Joe Lynn Turner - Belly of the Beast (2022)

3,5
0
geplaatst: 2 november 2022, 18:02 uur
Een vriend van me rolde als fan in de muziek toen Joe Lynn Turner de zanger van Rainbow was en volgt hem sindsdien. Ik ben een kleine tien jaar ouder en voor mij staat de man in het hoofd gegrift als de derde zanger van dat bandje, degene die de groep hielp een hitsingleband te worden.
De vriend wilde weten wat ik van de nieuwe JLT vond, een zanger wiens carrière we altijd bleven volgen. Bij deze:
Sympathiek is hoe JLT onlangs "uit de kast kwam". Zijn hele leven blijkt hij al kaal te zijn, het gevolg van een auto-immuunziekte, waarmee hij reeds als kind werd gepest. Daarmee ontdekken we dat hij gedurende zijn gehele carrière een pruik droeg. Ik vermoed dat hij in 1980 zonder pruik nooit tot Rainbow had kunnen toetreden; dat had niet bij het imago van de band en de mode van die dagen gepast. Mogelijk was hij dan nooit doorgebroken. Gezien zijn imposante carrière, ook ná Rainbow, hadden we dan veel muziek gemist. Misschien was hij professioneel achtergrondzanger geworden, een vak waarin hij sowieso voor de nodige albums werd ingehuurd. Mijn respect voor hoe hij onlangs zijn verhaal deed en pruikloos naar buiten trad.
Mijn respect groeit verder bij de eerste zanggeluiden: Turner is nu 71 en nog altijd zeer goed bij stem. Wat lager en vooral rauwer dan voorheen, maar krachtig en met een groot bereik, zoals op track 2 Black Sun blijkt. Rauwer is ook de muziek. Al vanaf de onstuimige opener Belly of the Beast is dat duidelijk.
In die titelsong duikt onmiddelijk het thema van dit album op: een apocalyptische visie op de staat van de wereld, waar goed en kwaad met elkaar strijden. De sfeer is dus allesbehalve romantisch en Turner is niet stil blijven staan.
Wat mij minder bevalt is dat hij voor powermetal heeft gekozen, een genre dat nogal eens lijdt onder volgepropte arrangementen en eenvormigheid. Die invloed komt vermoedelijk mede door producer en mede-liedschrijver Peter Tägtgren, bekend van de Zweedse deathmetallers van Hypocrisy.
Wie van powermetal houdt zal het heerlijk vinden, maar de overvloedig ingezette digitale zangkoren vind ik teveel en de gitaarsound erg gecomprimeerd. Zoals op het tweede nummer Black Sun waar zo'n koor al in het begin verschijnt, of de refreinen in Tortured Soul, Rise Up en Fallen World.
Snelle shredsolo's, nummers die onderling variëren in tempo en dit alles vakkundig uitgevoerd; het is er allemaal. Ik mis daarbij tempowisselingen binnen de nummers, waar alles vierkwartsmaat is in een overvolle productie. Verrassingen blijven uit.
Sterk vind ik desondanks de knallende titelsong, de ballade Dark Night of the Soul, het slepende Desire met zijn zware riff, de sterke melodie van Living the Dream en slotlied Requiem, dat in de toetsenpartij zowaar iets van Rainbow wegheeft, ondanks alweer zo'n koorzangrefrein.
Ach, mijn reserves zullen de fans van het genre worst zijn. Sterker nog, dit is een sterk album in de powermetal. Meneer Turner heeft z'n hardste album ooit afgeleverd en zijn stem kan nog makkelijk de nodige jaren mee. Petje af van mijn kalende hoofd.
De vriend wilde weten wat ik van de nieuwe JLT vond, een zanger wiens carrière we altijd bleven volgen. Bij deze:
Sympathiek is hoe JLT onlangs "uit de kast kwam". Zijn hele leven blijkt hij al kaal te zijn, het gevolg van een auto-immuunziekte, waarmee hij reeds als kind werd gepest. Daarmee ontdekken we dat hij gedurende zijn gehele carrière een pruik droeg. Ik vermoed dat hij in 1980 zonder pruik nooit tot Rainbow had kunnen toetreden; dat had niet bij het imago van de band en de mode van die dagen gepast. Mogelijk was hij dan nooit doorgebroken. Gezien zijn imposante carrière, ook ná Rainbow, hadden we dan veel muziek gemist. Misschien was hij professioneel achtergrondzanger geworden, een vak waarin hij sowieso voor de nodige albums werd ingehuurd. Mijn respect voor hoe hij onlangs zijn verhaal deed en pruikloos naar buiten trad.
Mijn respect groeit verder bij de eerste zanggeluiden: Turner is nu 71 en nog altijd zeer goed bij stem. Wat lager en vooral rauwer dan voorheen, maar krachtig en met een groot bereik, zoals op track 2 Black Sun blijkt. Rauwer is ook de muziek. Al vanaf de onstuimige opener Belly of the Beast is dat duidelijk.
In die titelsong duikt onmiddelijk het thema van dit album op: een apocalyptische visie op de staat van de wereld, waar goed en kwaad met elkaar strijden. De sfeer is dus allesbehalve romantisch en Turner is niet stil blijven staan.
Wat mij minder bevalt is dat hij voor powermetal heeft gekozen, een genre dat nogal eens lijdt onder volgepropte arrangementen en eenvormigheid. Die invloed komt vermoedelijk mede door producer en mede-liedschrijver Peter Tägtgren, bekend van de Zweedse deathmetallers van Hypocrisy.
Wie van powermetal houdt zal het heerlijk vinden, maar de overvloedig ingezette digitale zangkoren vind ik teveel en de gitaarsound erg gecomprimeerd. Zoals op het tweede nummer Black Sun waar zo'n koor al in het begin verschijnt, of de refreinen in Tortured Soul, Rise Up en Fallen World.
Snelle shredsolo's, nummers die onderling variëren in tempo en dit alles vakkundig uitgevoerd; het is er allemaal. Ik mis daarbij tempowisselingen binnen de nummers, waar alles vierkwartsmaat is in een overvolle productie. Verrassingen blijven uit.
Sterk vind ik desondanks de knallende titelsong, de ballade Dark Night of the Soul, het slepende Desire met zijn zware riff, de sterke melodie van Living the Dream en slotlied Requiem, dat in de toetsenpartij zowaar iets van Rainbow wegheeft, ondanks alweer zo'n koorzangrefrein.
Ach, mijn reserves zullen de fans van het genre worst zijn. Sterker nog, dit is een sterk album in de powermetal. Meneer Turner heeft z'n hardste album ooit afgeleverd en zijn stem kan nog makkelijk de nodige jaren mee. Petje af van mijn kalende hoofd.
Joey Tempest - A Place to Call Home (1995)

3,5
2
geplaatst: 14 september 2024, 10:06 uur
Het succesvolle Europe was in 1993 rock bottom gecrasht. De Zweedse belastingdienst erkende niet dat de leden in de periode 1989 – 1992 in het buitenland hadden gewoond en wilde kronen zien. Nee, niet die van de tandarts. Het resulteerde erin dat de leden geen bezittingen mochten hebben, behalve hetgeen nodig was voor het bestaansminimum. Pas in 2002 verliep deze ingrijpende beperking, zo verhaalt Wings of Tomorrow.com.
De jongensdroom van albums opnemen en internationale tournees eindigde dus bitter. Rolf Larsson, beter bekend als Joey Tempest bracht desondanks in 1995 zijn eerste soloalbum uit, genaamd A Place to Call Home. Andere muzikale wegen werden verkend. Geen hardrock maar wel uptempo poprock, soms met vleugjes countryrock.
Het resulteert in een aangenaam album. Tempest zingt meestal kalmer en lager dan we hem bij Europe hoorden doen, waarbij hij met sterk materiaal komt. De lijst met meewerkende musici is lang, van een vrouwelijk achtergrondkoortje tot en met de violisten van het Sveriges Radios Symfoniorkester. In Lord of the Manor waagt hij zich aan soul en doet dat met verve; het heeft weg van klassieker People Get Ready.
Favorieten kiezen is best lastig, want van de vlotte opener We Come Alive tot de warme slotballade For My Country is er volop te genieten, vooral als het uptempo is. Ongeschikt voor mensen die Joey Tempest hard willen horen rocken, maar wie het relaxter wil, is aan het goede adres.
De jongensdroom van albums opnemen en internationale tournees eindigde dus bitter. Rolf Larsson, beter bekend als Joey Tempest bracht desondanks in 1995 zijn eerste soloalbum uit, genaamd A Place to Call Home. Andere muzikale wegen werden verkend. Geen hardrock maar wel uptempo poprock, soms met vleugjes countryrock.
Het resulteert in een aangenaam album. Tempest zingt meestal kalmer en lager dan we hem bij Europe hoorden doen, waarbij hij met sterk materiaal komt. De lijst met meewerkende musici is lang, van een vrouwelijk achtergrondkoortje tot en met de violisten van het Sveriges Radios Symfoniorkester. In Lord of the Manor waagt hij zich aan soul en doet dat met verve; het heeft weg van klassieker People Get Ready.
Favorieten kiezen is best lastig, want van de vlotte opener We Come Alive tot de warme slotballade For My Country is er volop te genieten, vooral als het uptempo is. Ongeschikt voor mensen die Joey Tempest hard willen horen rocken, maar wie het relaxter wil, is aan het goede adres.
Joey Tempest - Azalea Place (1997)

3,0
1
geplaatst: 16 september 2024, 15:26 uur
Mijn laatste woorden bij Joey Tempests vorige soloplaat A Place to Call Home waren "wie het relaxter wil, is aan het goede adres." Nou wordt het op opvolger Azalea Place uit april 1997 zó rustig, dat ook ik meestal afhaak.
De (toen voormalige) zanger van hardrockgroep Europe komt hier met pure singer-songwriterpop op de proppen. Een Amerikaans album, opgenomen in Nashville met de Engelse producer Richard Dodd, verantwoordelijk voor de arrangementen. Dit alles opgenomen met Amerikaanse musici en daarmee vrij "keurig".
De liedjes op Azalea Place hebben een basis op akoestische gitaar en zonder uitzondering een ingetogen karakter. Een laatavondplaatje is het gevolg. Neemt niet weg dat Tempest orenschijnlijk dicht bij zijn naakte zelf komt, voorbije de (rock)waan van de dag met z'n grote podia, muren van Marshalls en oogverblindende lichtshows.
Het zou me niet verbazen dat wie wil weten wie de mens achter de zanger is, hier het nodige te weten kan komen. Al weet je het nooit: zijn het zomaar verhaaltjes of zijn de teksten veelal autobiografisch?
Regelmatig klinkt een sobere drumcomputer, andere keren drums óf een combinatie van beide. Andere nieuwe geluiden in de wereld van Tempest: jazzachtig gitaarspel zoals in The One in the Glass en Spaanstalige zang in Revolution of Love dankzij zangeres Siobhan Maher Kennedy.
Anders dan in het bovenstaande bericht heb ik geen enkel probleem met de productie: die beleef ik als warm en fris. Het zit 'm in de stijl. Alsof je een band op straat of in de hoek van een café ziet optreden. Hartstikke gezellig met vrienden en een drankje erbij, maar als je dan de cd koopt en thuis probeert de sfeer te herbeleven, lukt dat niet.
Hoogtepunten voor mij: opener The Match is zowel spannend als warm met een boeiend verhaal; Better than Real is één van de schaarse uptempo nummers, het kalme In Confidence vertelt over een mooie ontmoeting en in afsluiter Lucky zitten uillean pipes,.
Een kalm singer-songwriterplaatje in Amerikaanse stijl. Eigenlijk zou een echte liefhebber van dit genre eens zijn licht hierop moeten laten schijnen. Mag ik vragen of potjandosie eventueel zin heeft om dat een keer te doen?
De (toen voormalige) zanger van hardrockgroep Europe komt hier met pure singer-songwriterpop op de proppen. Een Amerikaans album, opgenomen in Nashville met de Engelse producer Richard Dodd, verantwoordelijk voor de arrangementen. Dit alles opgenomen met Amerikaanse musici en daarmee vrij "keurig".
De liedjes op Azalea Place hebben een basis op akoestische gitaar en zonder uitzondering een ingetogen karakter. Een laatavondplaatje is het gevolg. Neemt niet weg dat Tempest orenschijnlijk dicht bij zijn naakte zelf komt, voorbije de (rock)waan van de dag met z'n grote podia, muren van Marshalls en oogverblindende lichtshows.
Het zou me niet verbazen dat wie wil weten wie de mens achter de zanger is, hier het nodige te weten kan komen. Al weet je het nooit: zijn het zomaar verhaaltjes of zijn de teksten veelal autobiografisch?
Regelmatig klinkt een sobere drumcomputer, andere keren drums óf een combinatie van beide. Andere nieuwe geluiden in de wereld van Tempest: jazzachtig gitaarspel zoals in The One in the Glass en Spaanstalige zang in Revolution of Love dankzij zangeres Siobhan Maher Kennedy.
Anders dan in het bovenstaande bericht heb ik geen enkel probleem met de productie: die beleef ik als warm en fris. Het zit 'm in de stijl. Alsof je een band op straat of in de hoek van een café ziet optreden. Hartstikke gezellig met vrienden en een drankje erbij, maar als je dan de cd koopt en thuis probeert de sfeer te herbeleven, lukt dat niet.
Hoogtepunten voor mij: opener The Match is zowel spannend als warm met een boeiend verhaal; Better than Real is één van de schaarse uptempo nummers, het kalme In Confidence vertelt over een mooie ontmoeting en in afsluiter Lucky zitten uillean pipes,.
Een kalm singer-songwriterplaatje in Amerikaanse stijl. Eigenlijk zou een echte liefhebber van dit genre eens zijn licht hierop moeten laten schijnen. Mag ik vragen of potjandosie eventueel zin heeft om dat een keer te doen?
Joey Tempest - Joey Tempest (2002)

2
geplaatst: 18 september 2024, 08:42 uur
Als een artiest halverwege de carrière een album naar zichzelf noemt, duidt dat er vaak op dat wordt teruggekeerd naar de kern. In het geval van Joey Tempest, in 2002 nog ex-zanger van Europe, vaart hij op zijn derde soloalbum genaamd Joey Tempest een rockkoers. Daarmee is het beduidend steviger dan op voorganger Azalea Place van vijf jaar eerder, waar hij de singer-songwriter was. Wel melodieus en ietwat melancholisch, waarbij hij wegblijft van hardrock.
Op Joey Tempest werkt hij met een band: van het Zweedse duo DeadMono spelen zowel Fredrik Rinman als Malcolm Pardon; de eerste gitaar en (schaarse) toetsen en de tweede bas. Brit Adam Lamprell (o.a. ex-Bryan Ferry Band) speelt gitaar en de Zweed Jörgen Wall drums.
Het album opent voortvarend met Forgiven; is het autobiografisch? Een sterke tekst over loutering en verder gaan. Met Loved by Me en Sometimes vervolgt het iets kalmer en even sterk.
Dan verflauwt mijn aandacht: de bliepjes van Losers maken het bedachtzamer, muziek á la U2 op Pop. Superhuman heeft dan weer een basis op akoestische gitaar. De tempo's zijn omlaag gegaan. Totdat Magnificent klinkt, uptempo met sterke melodie en hetzelfde lukt bij Dreamless. Daarna is het weer bedachtzamer.
Verschil met het debuut is dat hier een groep klinkt in plaats van een grote groep gastmusici van uiteenlopende aard. Verschil met de voorganger is dat Joey Tempest veel vaker uptempo is.
Het album verscheen in oktober 2002, het jaar waarin de leden van het Europe van 1989-1992 werden ontslagen van een tien jaren lang durende claim van de belastingdienst. Vanaf 1999 zochten de leden elkaar weer op: oudjaarsdag 1999 een kort optreden (hier de beelden met zowel John Norum als Kee Marcello op gitaar), in 2000 bij een veiling van memorabilia van Europespullen. In oktober 2003 maakte Europe bekend weer terug te zijn, waarmee dit tot de dag van vandaag Tempests laatste soloalbum blijft.
En Kondoro0614, overmorgen komt een nieuwe Michael Schenker uit getiteld My Years with UFO met onder andere Joey Tempest als gastzanger. Tijd voor mij om de muzikale reis door het land van UFO te vervolgen: op naar Misdemeanor.
Op Joey Tempest werkt hij met een band: van het Zweedse duo DeadMono spelen zowel Fredrik Rinman als Malcolm Pardon; de eerste gitaar en (schaarse) toetsen en de tweede bas. Brit Adam Lamprell (o.a. ex-Bryan Ferry Band) speelt gitaar en de Zweed Jörgen Wall drums.
Het album opent voortvarend met Forgiven; is het autobiografisch? Een sterke tekst over loutering en verder gaan. Met Loved by Me en Sometimes vervolgt het iets kalmer en even sterk.
Dan verflauwt mijn aandacht: de bliepjes van Losers maken het bedachtzamer, muziek á la U2 op Pop. Superhuman heeft dan weer een basis op akoestische gitaar. De tempo's zijn omlaag gegaan. Totdat Magnificent klinkt, uptempo met sterke melodie en hetzelfde lukt bij Dreamless. Daarna is het weer bedachtzamer.
Verschil met het debuut is dat hier een groep klinkt in plaats van een grote groep gastmusici van uiteenlopende aard. Verschil met de voorganger is dat Joey Tempest veel vaker uptempo is.
Het album verscheen in oktober 2002, het jaar waarin de leden van het Europe van 1989-1992 werden ontslagen van een tien jaren lang durende claim van de belastingdienst. Vanaf 1999 zochten de leden elkaar weer op: oudjaarsdag 1999 een kort optreden (hier de beelden met zowel John Norum als Kee Marcello op gitaar), in 2000 bij een veiling van memorabilia van Europespullen. In oktober 2003 maakte Europe bekend weer terug te zijn, waarmee dit tot de dag van vandaag Tempests laatste soloalbum blijft.
En Kondoro0614, overmorgen komt een nieuwe Michael Schenker uit getiteld My Years with UFO met onder andere Joey Tempest als gastzanger. Tijd voor mij om de muzikale reis door het land van UFO te vervolgen: op naar Misdemeanor.
John Dowie - Another Close Shave (1977)

4,0
0
geplaatst: 2 mei 2024, 18:34 uur
EP van de Engelse komiek John Dowie uit Birmingham. Ik kwam hem tegen in mijn speurtocht door de vroege punk en new wave. Another Close Shave verscheen bij Virgin en bevat een gevarieerde set van zes nummers. Te vinden op YouTube en alleen al de reacties daarbij stemmen vrolijk. Zo is er menigeen die de teksten jaren later letterlijk kan meezingen.
Op zijn eigen website staat zijn biografie, waaruit duidelijk wordt dat hij met zijn groep Mr John Dowie & The Big Girl’s Blouse in het pubrockcircuit actief was. Daar zal hij een netwerk hebben opgebouwd, want als hij na het zien van de Sex Pistols solo gaat, weet hij de aandacht te trekken van Virgin, dat in oktober 1977 deze EP uitbrengt op paars vinyl. Hierop staat hij afgebeeld met slechts op de linkerzijde van zijn gezicht een baard.
De achterzijde van de hoes bevat een waarschuwing: "This is a Stereo record. If played on mono equipment it will sound worse than having your head pushed up a dead bear's bum."
Muzikaal gezien is dit geen new wave... of toch wel? Het maffe British Tourist (I Hate the Dutch) bevat niet alleen krenkende opmerkingen aan het adres van mijn glorieuze volk (zie het bericht hierboven), maar stiekem ook inventieve elektrischepianopop. Dowie combineerde frisse pop met cabaretske muziek, wat hem een eigen geluid bracht.
Naked Noolies in the Moonlight is een vreemde liefdesverklaring en in het neurotische en licht-rockende I Don't Want to Be Your Amputee verzet hij zich tegen het hogere doel dat hem zal treffen.
Kant 2 begint met de 27 seconden van punkparodie Mew Wave, waarna politicus Jim Gallaghan een kalmer loflied krijgt, waar de man hopelijk om kon lachen. Voor alle fans van Star Trek, Star Wars en aanverwanten is er Time Warp.
Blijkens zijn bio tourde hij vervolgens driemaal als voorprogramma van comedyrockgroep Alberto y Los Trios Paranoias; bij de derde werd hij voorafgegaan door een nieuw bandje met de naam The Police.
Dowie bleef worden geassocieerd met new wave en (post) punk: in 1978 belandden drie nieuwe nummers op A Factory Sample met verder debutanten Joy Division, The Durutti Column en Cabaret Voltaire.
In 2013 kwam British Tourist terecht op verzamelaar Never Trust A Hippy: Punk & New Wave '76-'79.
Na zijn carrière als muzikant en komiek schreef hij boeken. Inmiddels is hij met pensioen.
Mijn reis door new wave kwam vanaf Stick to Me van Graham Parker & The Rumour en gaat verder bij 10 Mistakes van Gruppo Sportivo uit... Nederland. Lekker puh, meneer Dowie!
Op zijn eigen website staat zijn biografie, waaruit duidelijk wordt dat hij met zijn groep Mr John Dowie & The Big Girl’s Blouse in het pubrockcircuit actief was. Daar zal hij een netwerk hebben opgebouwd, want als hij na het zien van de Sex Pistols solo gaat, weet hij de aandacht te trekken van Virgin, dat in oktober 1977 deze EP uitbrengt op paars vinyl. Hierop staat hij afgebeeld met slechts op de linkerzijde van zijn gezicht een baard.
De achterzijde van de hoes bevat een waarschuwing: "This is a Stereo record. If played on mono equipment it will sound worse than having your head pushed up a dead bear's bum."
Muzikaal gezien is dit geen new wave... of toch wel? Het maffe British Tourist (I Hate the Dutch) bevat niet alleen krenkende opmerkingen aan het adres van mijn glorieuze volk (zie het bericht hierboven), maar stiekem ook inventieve elektrischepianopop. Dowie combineerde frisse pop met cabaretske muziek, wat hem een eigen geluid bracht.
Naked Noolies in the Moonlight is een vreemde liefdesverklaring en in het neurotische en licht-rockende I Don't Want to Be Your Amputee verzet hij zich tegen het hogere doel dat hem zal treffen.
Kant 2 begint met de 27 seconden van punkparodie Mew Wave, waarna politicus Jim Gallaghan een kalmer loflied krijgt, waar de man hopelijk om kon lachen. Voor alle fans van Star Trek, Star Wars en aanverwanten is er Time Warp.
Blijkens zijn bio tourde hij vervolgens driemaal als voorprogramma van comedyrockgroep Alberto y Los Trios Paranoias; bij de derde werd hij voorafgegaan door een nieuw bandje met de naam The Police.
Dowie bleef worden geassocieerd met new wave en (post) punk: in 1978 belandden drie nieuwe nummers op A Factory Sample met verder debutanten Joy Division, The Durutti Column en Cabaret Voltaire.
In 2013 kwam British Tourist terecht op verzamelaar Never Trust A Hippy: Punk & New Wave '76-'79.
Na zijn carrière als muzikant en komiek schreef hij boeken. Inmiddels is hij met pensioen.
Mijn reis door new wave kwam vanaf Stick to Me van Graham Parker & The Rumour en gaat verder bij 10 Mistakes van Gruppo Sportivo uit... Nederland. Lekker puh, meneer Dowie!
John Elefante - Corridors (1997)

3,5
0
geplaatst: 28 augustus 2023, 17:41 uur
Het tweede album dat John Elefante onder eigen naam opnam, twee jaar na Windows of Heaven. Daarop verwisselde hij adult oriented rock moeiteloos voor iets ingetogener ao-pop, zonder de scheurende gitaren van zijn dagen bij Mastedon.
Op Corridors heb ik echter niet meer het rockgevoel dat er in 1995 nog wel in zat. Wat resteert zijn eenvoudigweg sterke popliedjes, gewoontegetrouw geschreven door de zanger met zijn broer, gitarist Dino en driemaal voegde Paul Rogers zich bij hen. Als op Treasures of Heaven de viool van Chris Carmichael klinkt, denk ik terug aan Elefantes dagen bij Kansas, maar eigenlijk is dat onzin: hier klinkt kwaliteitspop en geen (prog)rock.
Wat ook is verdwenen is de sfeer van de jaren '80 die hier en daar op de voorganger opdook, omdat een deel van de nummers in dat decennium werd geschreven. Hier klinkt tijdloze pop.
Je kunt vergelijken, zo moet ik bij Eyes of My Heart en Everytime You See Me Cry denken aan Crowded House, maar dat is omdat de productie en sterke melodieën datzelfde niveau van edelsmidpopliedjes bereiken. Ook heel sterk zijn Talk to Me waarin Elefante lekker uithaalt in het refrein en Reprise, een korte afsluiter met viool, waarin het uiteindelijk toch nog redelijk luid wordt.
Eigenlijk is dit album niet zo geschikt voor mij. Ten eerste is het te pop; ik heb het graag wat pittiger, waarbij Elefante meer zijn vocale grenzen opzoekt. Ten tweede te smeuïg geproduceerd; de Californiërs togen hiervoor naar de Sound Kitchen Studio in Franklin, Tenessee, waarmee het zo'n vol Nashvillegeluid kreeg. Dat zegt echter vooral iets over mijn smaak. Liefhebbers van mooie popliedjes kunnen er zó een dikke ster bovenop doen.
Op Corridors heb ik echter niet meer het rockgevoel dat er in 1995 nog wel in zat. Wat resteert zijn eenvoudigweg sterke popliedjes, gewoontegetrouw geschreven door de zanger met zijn broer, gitarist Dino en driemaal voegde Paul Rogers zich bij hen. Als op Treasures of Heaven de viool van Chris Carmichael klinkt, denk ik terug aan Elefantes dagen bij Kansas, maar eigenlijk is dat onzin: hier klinkt kwaliteitspop en geen (prog)rock.
Wat ook is verdwenen is de sfeer van de jaren '80 die hier en daar op de voorganger opdook, omdat een deel van de nummers in dat decennium werd geschreven. Hier klinkt tijdloze pop.
Je kunt vergelijken, zo moet ik bij Eyes of My Heart en Everytime You See Me Cry denken aan Crowded House, maar dat is omdat de productie en sterke melodieën datzelfde niveau van edelsmidpopliedjes bereiken. Ook heel sterk zijn Talk to Me waarin Elefante lekker uithaalt in het refrein en Reprise, een korte afsluiter met viool, waarin het uiteindelijk toch nog redelijk luid wordt.
Eigenlijk is dit album niet zo geschikt voor mij. Ten eerste is het te pop; ik heb het graag wat pittiger, waarbij Elefante meer zijn vocale grenzen opzoekt. Ten tweede te smeuïg geproduceerd; de Californiërs togen hiervoor naar de Sound Kitchen Studio in Franklin, Tenessee, waarmee het zo'n vol Nashvillegeluid kreeg. Dat zegt echter vooral iets over mijn smaak. Liefhebbers van mooie popliedjes kunnen er zó een dikke ster bovenop doen.
John Elefante - Defying Gravity (1999)

3,5
0
geplaatst: 24 september 2023, 11:17 uur
De voorzijde van de hoes had beter kunnen worden omgeruild met de afbeelding in het cd-doosje. Maar daarmee is mijn negatieve kritiek ook wel voorbij. Op Defying Gravity brengt John Elefante namelijk net als op voorganger Corridors kwaliteitspop in een (toch nog tweede kritiekpunt?) volle Nashvilleproductie.
Nee, géén country, maar in de jaren '90 verhuisde een deel van de Amerikaanse muziekindustrie naar die stad/regio, waarbij een herkenbaar geluid ontstond. Moeilijk te omschrijven, toch een poging: een volle, warme en dichtgesmeerde productie, die zich zowel onderweg op autospeakers of via koptelefoon/oortjes, als thuis op stereo-hifi of tv-subwooferset als zachte pindakaas over de muzikale boterham laat smeren. Steevast gedaan door goede producers en muzikanten, waarmee goed wordt gemusiceerd maar nóóit heftig, altijd braaf binnen de lijntjes; het blijft radiovriendelijk.
Het (rock)bombasme wat de gebroeders Elefante voorheen in Californië praktiseerden is weliswaar weg, een rijke sound is gebleven. John en Dino produceerden de muziek zelf, met opnieuw "executive producer" (geldschieter) dr. Robert Pamplin Jr. achter de schermen. Het resultaat is hapklare pop met liedjes die echter zó goed in elkaar zitten dat Defying Gravity gewoon een lekker album is. Opgenomen in Sound Kitchen in Franklin, Tennessee. In Europa verscheen het bij Frontiers, dat The Way that You Love Me van de tracklist haalde.
De stem van Elefante doet het prima in deze popbombast en mede door de sterke liedjes word ik (eigenlijk niet zo van dit soort pop en productie) toch over de streep getrokken. Het album vond zijn oorsprong in de droom die een vriend van Elefante had. Hij kwam hem vertellen dat er scheuren zaten in het fundament van zijn huis. Een inspectie bracht niets aan het licht, maar toen ging het de zanger dagen: zijn geloof (hij is christen) had averij opgelopen. Daarom gaat het in de teksten soms over 'terug naar de basis.' Dat betekent een persoonlijk verhaal in de teksten die directer zijn dan voorheen, met name in het titelnummer en Exit 39.
Mijn favorieten: de vrij langzame opener If You Just Believe met z'n sterke melodie; The Stream lijkt in de eerste klanken de countrykant op te gaan, maar met de digitale strijkers die volgen wordt het onmiddelijk pop. In de brug hoor ik verrassend iets terug van zijn progrockdagen bij Kansas.
The Truth, the Life bevat scheurende gitaren die geheel in Nashvillestijl zijn gladgestreken maar dankzij gitarist Tony Palacios (van hardrockgroep Guardian, één van de bands op het Pakadermlabel van de gebroeders Elefante) is dit het aor-nummer van Defying Gravity.
Op de tweede helft is het miniroadmoviesoundtrack Exit 39 met een persoonlijk verhaal van de zanger, het swingende Don't Leave the Band en de strijkers in het intro van Give It All Away, als compositie echter te lang en flauw.
Een heel klein vleugje country dient zich voor het eerst aan in zijn muziek. Dit al snel op track 2 Pass the Flame en later in The Way that You Love Me. Misschien was tweemaal te veel voor (prog)rocklabel Frontiers, waarmee het laatstgenoemde nummer sneuvelde?
In tegenstelling tot vorige albums van Elefante is deze makkelijker en goedkoper verkrijgbaar in Europa. Let dan wel op of je de editie met 9 of 10 tracks aanschaft.
Nee, géén country, maar in de jaren '90 verhuisde een deel van de Amerikaanse muziekindustrie naar die stad/regio, waarbij een herkenbaar geluid ontstond. Moeilijk te omschrijven, toch een poging: een volle, warme en dichtgesmeerde productie, die zich zowel onderweg op autospeakers of via koptelefoon/oortjes, als thuis op stereo-hifi of tv-subwooferset als zachte pindakaas over de muzikale boterham laat smeren. Steevast gedaan door goede producers en muzikanten, waarmee goed wordt gemusiceerd maar nóóit heftig, altijd braaf binnen de lijntjes; het blijft radiovriendelijk.
Het (rock)bombasme wat de gebroeders Elefante voorheen in Californië praktiseerden is weliswaar weg, een rijke sound is gebleven. John en Dino produceerden de muziek zelf, met opnieuw "executive producer" (geldschieter) dr. Robert Pamplin Jr. achter de schermen. Het resultaat is hapklare pop met liedjes die echter zó goed in elkaar zitten dat Defying Gravity gewoon een lekker album is. Opgenomen in Sound Kitchen in Franklin, Tennessee. In Europa verscheen het bij Frontiers, dat The Way that You Love Me van de tracklist haalde.
De stem van Elefante doet het prima in deze popbombast en mede door de sterke liedjes word ik (eigenlijk niet zo van dit soort pop en productie) toch over de streep getrokken. Het album vond zijn oorsprong in de droom die een vriend van Elefante had. Hij kwam hem vertellen dat er scheuren zaten in het fundament van zijn huis. Een inspectie bracht niets aan het licht, maar toen ging het de zanger dagen: zijn geloof (hij is christen) had averij opgelopen. Daarom gaat het in de teksten soms over 'terug naar de basis.' Dat betekent een persoonlijk verhaal in de teksten die directer zijn dan voorheen, met name in het titelnummer en Exit 39.
Mijn favorieten: de vrij langzame opener If You Just Believe met z'n sterke melodie; The Stream lijkt in de eerste klanken de countrykant op te gaan, maar met de digitale strijkers die volgen wordt het onmiddelijk pop. In de brug hoor ik verrassend iets terug van zijn progrockdagen bij Kansas.
The Truth, the Life bevat scheurende gitaren die geheel in Nashvillestijl zijn gladgestreken maar dankzij gitarist Tony Palacios (van hardrockgroep Guardian, één van de bands op het Pakadermlabel van de gebroeders Elefante) is dit het aor-nummer van Defying Gravity.
Op de tweede helft is het miniroadmoviesoundtrack Exit 39 met een persoonlijk verhaal van de zanger, het swingende Don't Leave the Band en de strijkers in het intro van Give It All Away, als compositie echter te lang en flauw.
Een heel klein vleugje country dient zich voor het eerst aan in zijn muziek. Dit al snel op track 2 Pass the Flame en later in The Way that You Love Me. Misschien was tweemaal te veel voor (prog)rocklabel Frontiers, waarmee het laatstgenoemde nummer sneuvelde?
In tegenstelling tot vorige albums van Elefante is deze makkelijker en goedkoper verkrijgbaar in Europa. Let dan wel op of je de editie met 9 of 10 tracks aanschaft.
John Elefante - On My Way to the Sun (2013)

5,0
1
geplaatst: 24 november 2023, 17:07 uur
Het zevende soloalbum dat John Elefante maakte, zijn muziek met Mastedon meegerekend. Zo beschouwd is dit de opvolger van Mastedons 3 (2009).
Op On My Way to the Sun klinkt Elefante alsof hij in 1976 in Kansas zong toen de groep zijn hoogtijdagen van progressieve rock beleefde. Ik las in 2014 over het album op website Angelic Warlord en tot mijn opluchting was de cd gewoon in Nederland verkrijgbaar. Zo'n drie dagen later werd ik omvergeblazen, zó goed bleek dit te zijn.
Opener This Is How the Story Goes bevat meteen razende en gecompliceerde progrock met vele tempowisselingen en bovendien wervelende melodieën. Dat violist David Ragsdale en gitarist Rich Williams van Kansas te gast zijn, stuwt deze ruim elf minuten briljantheid alleen maar verder omhoog.
Ook op Where Have the Old Days Gone weer stevige progklasse, nu met vioolspel van Chris Carmichael.
Vanaf track 3 wordt aor aangeboden, te beginnen met het titelnummer dat iets wegheeft van een ronkende versie van Foreigner, gevolgd door All I Have to Do met daarin een fantastische, snelle gitaarsolo van de mij onbekende Dave Cleveland.
De stem van Elefante klinkt verbazingwekkend fris als dertig jaar eerder en zijn kwaliteiten als liedschrijver zijn meer dan bijzonder, zo blijkt opnieuw op dit nummer waar een bed van strijkers het geluid vervolmaakt.
Met The Awakening gaat het tempo iets omlaag én keert de progrock terug, zij het minder onstuimig dan bij de twee eerste nummers. Dit met alweer een prachtig refrein op z'n Elefantes en bovendien een sterke gitaarsolo, hier met Clevelands lange noten.
Daarna aor met Half the Way Home en We All Fall Short, een licht-melancholische ballade met viool van Carmichael, waarin Elefante zowel zijn geloof als kwetsbaarheid benoemt.
Don't Hide Away is dan weer iets sneller, lichte adult oriented rock met een aangenaam riffje.
Soms gaan albums als een nachtkaarsje uit, maar met verhaal, melodie, Elefantes vertolking en strijkcombo in This Time dient zich een indrukwekkende scene aan, gebaseerd op een waargebeurd verhaal volgens de hoes. Het wiegende slot in 6/8 maat heet Confess en is wat de titel zegt.
Opgenomen in maar liefst acht verschillende studio's in Tennessee en Georgia, wat erop wijst dat dit een meerjarenproject is geweest. Gerijpt als goede wijn of whiskey, warm geproduceerde adult oriented progrock die ik wel zes sterren zou willen geven.
Op On My Way to the Sun klinkt Elefante alsof hij in 1976 in Kansas zong toen de groep zijn hoogtijdagen van progressieve rock beleefde. Ik las in 2014 over het album op website Angelic Warlord en tot mijn opluchting was de cd gewoon in Nederland verkrijgbaar. Zo'n drie dagen later werd ik omvergeblazen, zó goed bleek dit te zijn.
Opener This Is How the Story Goes bevat meteen razende en gecompliceerde progrock met vele tempowisselingen en bovendien wervelende melodieën. Dat violist David Ragsdale en gitarist Rich Williams van Kansas te gast zijn, stuwt deze ruim elf minuten briljantheid alleen maar verder omhoog.
Ook op Where Have the Old Days Gone weer stevige progklasse, nu met vioolspel van Chris Carmichael.
Vanaf track 3 wordt aor aangeboden, te beginnen met het titelnummer dat iets wegheeft van een ronkende versie van Foreigner, gevolgd door All I Have to Do met daarin een fantastische, snelle gitaarsolo van de mij onbekende Dave Cleveland.
De stem van Elefante klinkt verbazingwekkend fris als dertig jaar eerder en zijn kwaliteiten als liedschrijver zijn meer dan bijzonder, zo blijkt opnieuw op dit nummer waar een bed van strijkers het geluid vervolmaakt.
Met The Awakening gaat het tempo iets omlaag én keert de progrock terug, zij het minder onstuimig dan bij de twee eerste nummers. Dit met alweer een prachtig refrein op z'n Elefantes en bovendien een sterke gitaarsolo, hier met Clevelands lange noten.
Daarna aor met Half the Way Home en We All Fall Short, een licht-melancholische ballade met viool van Carmichael, waarin Elefante zowel zijn geloof als kwetsbaarheid benoemt.
Don't Hide Away is dan weer iets sneller, lichte adult oriented rock met een aangenaam riffje.
Soms gaan albums als een nachtkaarsje uit, maar met verhaal, melodie, Elefantes vertolking en strijkcombo in This Time dient zich een indrukwekkende scene aan, gebaseerd op een waargebeurd verhaal volgens de hoes. Het wiegende slot in 6/8 maat heet Confess en is wat de titel zegt.
Opgenomen in maar liefst acht verschillende studio's in Tennessee en Georgia, wat erop wijst dat dit een meerjarenproject is geweest. Gerijpt als goede wijn of whiskey, warm geproduceerde adult oriented progrock die ik wel zes sterren zou willen geven.
John Elefante - The Amazing Grace (2022)

4,0
0
geplaatst: 17 december 2022, 14:42 uur
Met alle details die Marco hierboven noemt, kan ik het kort houden. The Amazing Grace is inderdaad een sterk aor-album vol pakkende melodieën en uiteraard perfect geproduceerd. Laat dat maar aan Elefante over. Soms klinken extra's, zoals strijkers en in Time Machine zelfs blaaspartijen, maar nergens worden dit overheersend.
Opvallend: de gitaarriff van Little Brown Book lijkt wel een vertraagde versie van Fight Fire with Fire wat hij ooit met Kansas opnam.
Beste nummer voor mij is Won't Fade Away, een progrocker met tempowisselingen in de stijl van datzelfde bandje. Verder biedt het album qua composities rechttoe-aor, waarbij kwaliteit is gegarandeerd. Hierbij springen vooral het titellied en We Will be Fine met zijn pianopartij en swing er voor mij uit.
De positieve, nuchtere toon van de doordachte teksten spreekt me eveneens aan. Bij veel muzikanten zijn die nogal eens van het niveau "O ja, dat moet ook nog...." Hier is dat anders.
Niet vernieuwend, wel sterk en evenwichtig. Een degelijk viersterrenalbum, net iets meer dan het dit jaar verschenen album Q.A.R. van eveneens ex-Kansasman Kerry Livgren, waarop Elefante ook zingt.
Opvallend: de gitaarriff van Little Brown Book lijkt wel een vertraagde versie van Fight Fire with Fire wat hij ooit met Kansas opnam.
Beste nummer voor mij is Won't Fade Away, een progrocker met tempowisselingen in de stijl van datzelfde bandje. Verder biedt het album qua composities rechttoe-aor, waarbij kwaliteit is gegarandeerd. Hierbij springen vooral het titellied en We Will be Fine met zijn pianopartij en swing er voor mij uit.
De positieve, nuchtere toon van de doordachte teksten spreekt me eveneens aan. Bij veel muzikanten zijn die nogal eens van het niveau "O ja, dat moet ook nog...." Hier is dat anders.
Niet vernieuwend, wel sterk en evenwichtig. Een degelijk viersterrenalbum, net iets meer dan het dit jaar verschenen album Q.A.R. van eveneens ex-Kansasman Kerry Livgren, waarop Elefante ook zingt.
John Elefante - Windows of Heaven (1995)

3,5
0
geplaatst: 22 augustus 2023, 12:07 uur
Dank voor je aanvullingen! Je beleeft dit album hetzelfde als ik, ook wat betreft sentimentaliteit en teksten. Hij houdt het dicht bij zichzelf en daardoor blijft het naturel, zij het dat zijn producties steevast vrij dichtgesmeerd zijn en rond klinken.
On My Way heb ik in de kast staan, vind ik inderdaad een heel sterk album. Maar alweer een paar jaar niet gehoord, dat wordt wel weer eens tijd. De twee volgende albums van Elefante solo wil ik binnenkort gaan horen. Fijn dat je Defying Gravity hebt toegevoegd, dat komt vast wel goed (als is het soms lastig om een hoesfoto te vinden die aan de kwaliteitseisen voldoet.
Sowieso leuk om al die soloprojecten van al dan niet ex-Kansasmannen te checken! Ontdekte op Rate Your Music dit lijstje, dat ik grotendeels volg. Niet actueel of compleet, maar 90% staat er wel bij geloof ik.
Zo luister ik deze dagen naar het debuut van Steinhardt-Moon. Hmmm... ik zie dat ie nog niet op MuMe staat, zal ga ik regelen.
Bij deze Windows of Heaven is het echt de kwaliteit van Elefantes stem die maakt dat ik het goed kan hebben. Met een Phil Collins bij de microfoon had ik dat niet gehad. Dat zegt overigens vooral iets over mijn smaak, als zanger is Collins op zich prima. Maar de "extra versnelling" in de stem van Elefante doet het hem voor mij.
On My Way heb ik in de kast staan, vind ik inderdaad een heel sterk album. Maar alweer een paar jaar niet gehoord, dat wordt wel weer eens tijd. De twee volgende albums van Elefante solo wil ik binnenkort gaan horen. Fijn dat je Defying Gravity hebt toegevoegd, dat komt vast wel goed (als is het soms lastig om een hoesfoto te vinden die aan de kwaliteitseisen voldoet.
Sowieso leuk om al die soloprojecten van al dan niet ex-Kansasmannen te checken! Ontdekte op Rate Your Music dit lijstje, dat ik grotendeels volg. Niet actueel of compleet, maar 90% staat er wel bij geloof ik.
Zo luister ik deze dagen naar het debuut van Steinhardt-Moon. Hmmm... ik zie dat ie nog niet op MuMe staat, zal ga ik regelen.
Bij deze Windows of Heaven is het echt de kwaliteit van Elefantes stem die maakt dat ik het goed kan hebben. Met een Phil Collins bij de microfoon had ik dat niet gehad. Dat zegt overigens vooral iets over mijn smaak, als zanger is Collins op zich prima. Maar de "extra versnelling" in de stem van Elefante doet het hem voor mij.
John Foxx - Metamatic (1980)

3,0
1
geplaatst: 28 januari 2025, 20:08 uur
Dennis Leigh alias John Foxx bracht in 1975 zijn eerste single uit met de groep Tiger Lily, die via enkele naamwijzigingen transformeerde met Ultravox! dat in 1977 twee albums uitbracht en in '78 een volgende, waarbij de uitroepteken uit de groepsnaam is verdwenen. In 'Ultravox' zit de naam Foxx verscholen, een alias dat hij sinds oktober 1976 gebruikt.
De invloed van synthesizers werd per album sterker en met solodebuut Metamatic is niet meer sprake van een hybride synthband, waar deze nieuwigheden worden gecombineerd met conventionele instrumenten. Solo schakelt hij volledig over op de synthesizer. Anders dan zijn oude bandje, waar ene Midge Ure zijn plek innam en de groep meer tijd nodig had voor een nieuw album: Vienna verscheen in juli 1980, Metamatic al in januari dat jaar.
Ter promotie waren daar singles Underpass (#31 in februari in de Britse hitlijst) en No-One Driving (#32 in maart-april).
De koele sferen van de instrumenten stammen goed bij Foxx' stem, maar de melodieën willen niet zo beklijven. Slechts bij opener Plaza, A New Kind of Man en Blurred Girl vind ik het gehele nummer pakkend, bij de overige nummers zijn er weliswaar aangename synthgeluiden, maar als composities niet voldoende om me bij de lurven te pakken. Dat het album half februari #18 haalde, laat echter zien dat menigeen dat anders ervaarde en hierboven staan de nodige berichten waarin de MuMensen dat ook zo beleven.
Op reis door new wave bevind ik me in januari 1980. Ik kwam van de derde van 999; volgende nummer op mijn afspeellijst is Dance Stance van Dexys Midnight Runners, maar omdat ik hun debuut Searching for the Young Soul Rebels al besprak, vervolg ik bij The Special A.K.A. en dat bij het debuut van The Specials.
De invloed van synthesizers werd per album sterker en met solodebuut Metamatic is niet meer sprake van een hybride synthband, waar deze nieuwigheden worden gecombineerd met conventionele instrumenten. Solo schakelt hij volledig over op de synthesizer. Anders dan zijn oude bandje, waar ene Midge Ure zijn plek innam en de groep meer tijd nodig had voor een nieuw album: Vienna verscheen in juli 1980, Metamatic al in januari dat jaar.
Ter promotie waren daar singles Underpass (#31 in februari in de Britse hitlijst) en No-One Driving (#32 in maart-april).
De koele sferen van de instrumenten stammen goed bij Foxx' stem, maar de melodieën willen niet zo beklijven. Slechts bij opener Plaza, A New Kind of Man en Blurred Girl vind ik het gehele nummer pakkend, bij de overige nummers zijn er weliswaar aangename synthgeluiden, maar als composities niet voldoende om me bij de lurven te pakken. Dat het album half februari #18 haalde, laat echter zien dat menigeen dat anders ervaarde en hierboven staan de nodige berichten waarin de MuMensen dat ook zo beleven.
Op reis door new wave bevind ik me in januari 1980. Ik kwam van de derde van 999; volgende nummer op mijn afspeellijst is Dance Stance van Dexys Midnight Runners, maar omdat ik hun debuut Searching for the Young Soul Rebels al besprak, vervolg ik bij The Special A.K.A. en dat bij het debuut van The Specials.
John Norum - Another Destination (1995)

3,0
0
geplaatst: 16 september 2024, 16:26 uur
Op Another Destination speelt John Norum gedreven. De plaat is vaak zeer heavy of zelfs log en bevat de nodige bluestinten. Rustiger nummers voorkomen eenvormigheid qua geluidsmuren, de melodieën zijn aardig en het gitaarwerk spetterend. Dat de mij onbekende Kelly Keeling geen Glenn Hughes is (zanger op voorganger Face the Truth), is voor mij een aanbeveling. Nou krijg ik wel de indruk dat de Amerikaanse zanger is verkozen omdat zijn stem wegheeft van die van Hughes.
Inside is de log rockende opener met een zweverige melodie waarin je enige invloed van Led Zeppelin kunt herkennen, plus een razende gitaarsolo; toch hoor ik liever het vlottere Resurrection Time dat volgt met een nog veel langere solo en aan het slot nog een korte.
Wat Norum goed doet, is dat hij ter variatie een paar ingetogener muziekjes schreef. De eerste is track 3 al: de blues van Strange Days was single/video bij het album en opnieuw denk ik Glenn Hughes te horen. Keeling is geen prutser; vreemd dat ik de man nu pas ontdek!
Met menig riff en zanglijn heb ik minder. Zoals bij de eveneens blueshardrock van Spirit World, waarna ik bij de instrumentale ballade Shimmering Highs juist geniet van Norums melodiegevoel op de zes snaren.
Sinds 2021 weten we dat de B-kant begint met Whose Side Are You On? waarin blues en shredding de opmaat vormen tot een nummer vol stoempende hardrock. Sunshine of Your Love van The Cream krijgt een doomjasje alsof Black Sabbath het in 1970 coverde; het resultaat is niet zo spannend.
Ter verlichting is daar het akoestische en instrumentale Catalina Sunset, waarna Half Way Home klinkt alsof Eddie Van Halen gastgitarist was; ben benieuwd of VH-kenner OzzyLoud dat ook zo beleeft! Dankzij de klank van de gitaar, de akkoorden en drie (!) vliegende gitaarsolo's klinkt Norum anders dan anders.
Healing Rays is qua compositie een buitenbeentje. Het bestaat slechts uit een refrein dat één maal wordt herhaald; geen coupletten. De muziek is slepend en uiteraard gaat Norum weer lós, precies goed voor de 185 seconden. Tenslotte is daar Jillana, akoestisch en tevens het derde instrumentale nummer.
Ik ben ten diepste een popjongetje, zeker als het om melodieuze muziek gaat: geef mij maar pakkende melodieën. Hartstikke arbitrair is natuurlijk of dat op een album lukte. Het gitaarwerk is hier in mijn beleving veel spettender dan de composities, waarmee ik uitkom op een 6,5, vertaald in 3 sterren.
Inside is de log rockende opener met een zweverige melodie waarin je enige invloed van Led Zeppelin kunt herkennen, plus een razende gitaarsolo; toch hoor ik liever het vlottere Resurrection Time dat volgt met een nog veel langere solo en aan het slot nog een korte.
Wat Norum goed doet, is dat hij ter variatie een paar ingetogener muziekjes schreef. De eerste is track 3 al: de blues van Strange Days was single/video bij het album en opnieuw denk ik Glenn Hughes te horen. Keeling is geen prutser; vreemd dat ik de man nu pas ontdek!
Met menig riff en zanglijn heb ik minder. Zoals bij de eveneens blueshardrock van Spirit World, waarna ik bij de instrumentale ballade Shimmering Highs juist geniet van Norums melodiegevoel op de zes snaren.
Sinds 2021 weten we dat de B-kant begint met Whose Side Are You On? waarin blues en shredding de opmaat vormen tot een nummer vol stoempende hardrock. Sunshine of Your Love van The Cream krijgt een doomjasje alsof Black Sabbath het in 1970 coverde; het resultaat is niet zo spannend.
Ter verlichting is daar het akoestische en instrumentale Catalina Sunset, waarna Half Way Home klinkt alsof Eddie Van Halen gastgitarist was; ben benieuwd of VH-kenner OzzyLoud dat ook zo beleeft! Dankzij de klank van de gitaar, de akkoorden en drie (!) vliegende gitaarsolo's klinkt Norum anders dan anders.
Healing Rays is qua compositie een buitenbeentje. Het bestaat slechts uit een refrein dat één maal wordt herhaald; geen coupletten. De muziek is slepend en uiteraard gaat Norum weer lós, precies goed voor de 185 seconden. Tenslotte is daar Jillana, akoestisch en tevens het derde instrumentale nummer.
Ik ben ten diepste een popjongetje, zeker als het om melodieuze muziek gaat: geef mij maar pakkende melodieën. Hartstikke arbitrair is natuurlijk of dat op een album lukte. Het gitaarwerk is hier in mijn beleving veel spettender dan de composities, waarmee ik uitkom op een 6,5, vertaald in 3 sterren.
John Norum - Face the Truth (1992)

3,5
1
geplaatst: 14 september 2024, 09:47 uur
Het eerste soloalbum dat ik van John Norum hoorde was Face the Truth. De gitarist kende ik uiteraard uit zijn dagen bij Europe en een vriend leende me diens solo-cd. Indertijd maakte Thin Lizzy’s Opium Trail een verpletterende indruk op me, zoals ik hier vorig jaar augustus schreef: nog altijd prefereer ik Norums knallende cover.
Het album verschijnt in 1992 terwijl Europe de stekker eruit trekt en de leden naar Zweden remigreren. Als de Zweedse belastingdienst geld ruikt, doemen voor de leden van de groep immens grote problemen op.
Dat gold niet voor Norum, die al op 31 oktober 1986 zijn laatste optreden met de groep deed in Amsterdam voor tv-station Sky Channel. Hij vertrok in goed overleg. Niet alleen omdat hij het te commercieel vond worden, ook omdat hij inmiddels grote bedenkingen had bij manager Thomas Erdtman en Joey Tempest, zo vertelt website Wings of Tomorrow.com:
"Around 1984-85, Norum's mother Sofie had started to date Erdtman. "At first I thought it was cool and so did the other guys," Norum said, "But she started telling me that he often had lots of money in his pockets saying: 'This is the boys' cash but I don't care - let's have fun with it instead'. I thought it was strange that he had so much money and we had so little when we already had two gold albums. It was all a mystery. I left partly because of Erdtman's management, and partly because he and Joey made too many decisions. Joey and Erdtman were the bosses, and the rest of us had to deal with it."
Zanger op de meeste nummers van Face the Truth is Glenn Hughes, ex-Deep Purple. Ik ben niet de grootste fan van diens stem, kwestie van smaak. Laat onverlet dat dit in combinatie met Norums hardrockende riffs staat als een huis. Als altijd is er ook een instrumentaal nummer en dit midtempo Endica bevat net als elders op de plaat een sterke en herkenbare combinatie van melodie en snelheid.
Joey Tempest zingt met Norum op We Will Be Strong, één van de zwakkere nummers op het album. Wel favoriet: de snelle titelsong die het album opent, het melodieuze Still the Night en het robuuste Distant Voices met op drums landgenoot Mikkey Dee.
John Norum doet dus waar hij goed in is en haalde tevens het contact met Joey Tempest op, waar het voordien nogal eens gespannen was. Je had in die dagen kunnen gaan hopen op een doorstart van Europe, maar daar was de tijd nog niet rijp voor; zeker niet met de donkere wolken van de belastingdienst in aantocht. Meer daarover noteer ik dadelijk bij het solodebuut van de zanger.
Het album verschijnt in 1992 terwijl Europe de stekker eruit trekt en de leden naar Zweden remigreren. Als de Zweedse belastingdienst geld ruikt, doemen voor de leden van de groep immens grote problemen op.
Dat gold niet voor Norum, die al op 31 oktober 1986 zijn laatste optreden met de groep deed in Amsterdam voor tv-station Sky Channel. Hij vertrok in goed overleg. Niet alleen omdat hij het te commercieel vond worden, ook omdat hij inmiddels grote bedenkingen had bij manager Thomas Erdtman en Joey Tempest, zo vertelt website Wings of Tomorrow.com:
"Around 1984-85, Norum's mother Sofie had started to date Erdtman. "At first I thought it was cool and so did the other guys," Norum said, "But she started telling me that he often had lots of money in his pockets saying: 'This is the boys' cash but I don't care - let's have fun with it instead'. I thought it was strange that he had so much money and we had so little when we already had two gold albums. It was all a mystery. I left partly because of Erdtman's management, and partly because he and Joey made too many decisions. Joey and Erdtman were the bosses, and the rest of us had to deal with it."
Zanger op de meeste nummers van Face the Truth is Glenn Hughes, ex-Deep Purple. Ik ben niet de grootste fan van diens stem, kwestie van smaak. Laat onverlet dat dit in combinatie met Norums hardrockende riffs staat als een huis. Als altijd is er ook een instrumentaal nummer en dit midtempo Endica bevat net als elders op de plaat een sterke en herkenbare combinatie van melodie en snelheid.
Joey Tempest zingt met Norum op We Will Be Strong, één van de zwakkere nummers op het album. Wel favoriet: de snelle titelsong die het album opent, het melodieuze Still the Night en het robuuste Distant Voices met op drums landgenoot Mikkey Dee.
John Norum doet dus waar hij goed in is en haalde tevens het contact met Joey Tempest op, waar het voordien nogal eens gespannen was. Je had in die dagen kunnen gaan hopen op een doorstart van Europe, maar daar was de tijd nog niet rijp voor; zeker niet met de donkere wolken van de belastingdienst in aantocht. Meer daarover noteer ik dadelijk bij het solodebuut van de zanger.
John Norum - Gone to Stay (2022)

4,0
0
geplaatst: 28 maart 2025, 17:51 uur
Op zijn website noemt John Norum zichzelf "rock and blues guitarist". De blues zit er op zijn latere solowerk inderdaad sterker in, qua rock zit hij in de heavy hoek. Meestal zwaarder dan in moederschip Europe. Zijn stem heeft aan heesheid gewonnen, zijn gitaarwerk spettert onverminderd. Eén van de beste sologitaristen die er rondlopen, omdat hij ertoe in staat is daarmee een liedje in een liedje te construeren. Razendsnel snarenracen, maar opbouw en gevoel zijn altijd het belangrijkste.
Voices of Silences is een ijzersterke, hardrockende opener waar alles klopt: riffs, melodie, gitaarsolo en bovendien een fraai akoestisch slot. Het melancholieke Sail On doet enigszins aan het werk van Whitesnake denken, maar hij werkt met een driemansband, met recht een powertrio.
Wel is hier en daar hulp ingeroepen, zoals toetsenist Mats Schubert in onder meer het titelnummer; diens bijdragen geven de muziek een extra laag. Gone to Stay heeft tot dan toe de sterkste invloed vanuit de blues.
In One by One met gastzanger Åge Nilsen lijkt Norum terug te blikken op de tijd met zijn echtgenote Michelle Meldrum, in 2008 overleden. Een dramatisch hoofdstuk, maar in de categorie shownieuws vertelt zijn website dat hij afgelopen februari na vele jaren samenzijn dan eindelijk met Camilla Wåhlander trouwde.
Daarna volgt meer stevige blues-hardrock, enigszins vergelijkbaar met het werk van Stevie Ray Vaughan. Ik heb daar minder mee, maar met David Bowies Lady Grinning Soul is het weer helemaal ráák. Norma is dan weer voluit rockend met op zang Nilsen, bijgestaan door het Stockholm Philharmonica Orchestra. En wát een solo komt weer voorbij; zwijmel...
Dan is het beste van het album geweest, al is het vlotte Terror over Me aardig. De ingetogen remake van zijn eigen Face the Truth doet me niets. Al met al een prima album, verrassender dan de laatste van Robin McAuley die ik de afgelopen dagen om en om afwisselde met deze. Wel is de bluessaus bij Norum me soms iets te vet en massief.
Voices of Silences is een ijzersterke, hardrockende opener waar alles klopt: riffs, melodie, gitaarsolo en bovendien een fraai akoestisch slot. Het melancholieke Sail On doet enigszins aan het werk van Whitesnake denken, maar hij werkt met een driemansband, met recht een powertrio.
Wel is hier en daar hulp ingeroepen, zoals toetsenist Mats Schubert in onder meer het titelnummer; diens bijdragen geven de muziek een extra laag. Gone to Stay heeft tot dan toe de sterkste invloed vanuit de blues.
In One by One met gastzanger Åge Nilsen lijkt Norum terug te blikken op de tijd met zijn echtgenote Michelle Meldrum, in 2008 overleden. Een dramatisch hoofdstuk, maar in de categorie shownieuws vertelt zijn website dat hij afgelopen februari na vele jaren samenzijn dan eindelijk met Camilla Wåhlander trouwde.
Daarna volgt meer stevige blues-hardrock, enigszins vergelijkbaar met het werk van Stevie Ray Vaughan. Ik heb daar minder mee, maar met David Bowies Lady Grinning Soul is het weer helemaal ráák. Norma is dan weer voluit rockend met op zang Nilsen, bijgestaan door het Stockholm Philharmonica Orchestra. En wát een solo komt weer voorbij; zwijmel...
Dan is het beste van het album geweest, al is het vlotte Terror over Me aardig. De ingetogen remake van zijn eigen Face the Truth doet me niets. Al met al een prima album, verrassender dan de laatste van Robin McAuley die ik de afgelopen dagen om en om afwisselde met deze. Wel is de bluessaus bij Norum me soms iets te vet en massief.
John Norum - Optimus (2005)

3,0
0
geplaatst: 17 februari 2025, 22:04 uur
Wat doe je als je oude bandje weer bij elkaar is, maar niet al je materiaal kan gebruiken? Je brengt een volgend soloalbum uit. Tussen comeback Start from the Dark (2004) en Secret Society (2006) van Europe, bracht gitarist John Norum Optimus uit.
Hierboven verwoordt milesdavisjr precies hoe ik het beleef, waarbij de kleine toevoeging dat Phantom Blue, van wie het nummer Time to Run wordt gecoverd, de groep was van zijn Amerikaanse echtgenote Michelle Meldrum. Dan snap ik hoe het nummer in Zweden terecht kwam. Norum is een prima zanger met een vrij rauwe stem en dit leentjebuur past bij de rest van het album. Dit is dus tevens het nummer dat mede door ex-Purpleman en vriend-van-John Glenn Hughes werd geschreven, zoals Kronos reeds in 2011 opmerkte.
Tegelijkertijd kan ik mee met miles' kritiek op de doffe productie, die gecomprimeerd aanvoelt. Dat mede door de laaggestemde gitaren, het kritiekpunt van vielip.
Mijn favorieten: de niet eens zo vlotte opener Chase Down the Moon, het lichtere One More Time, het instrumentale Optimus, Takin' the Blame met zijn zware en tegelijkertijd melodieuze intro, alsof hier Thin Lizzy en Black Sabbath elkaar ontmoeten én het optimistische en lichtere Change Will Come.
Het tweede instrumentaal is de afsluiter Solitude, waar Norum (weer) eens laat horen hoe goed hij als sologitarist is. Een eigen compositie, niet een cover van het gelijknamige nummer van de Sabs.
Degelijk, verdienstelijk maar nergens verrassend, ontroerend of iets anders wat me echt raakt. Een 6,5 als schoolcijfer en dat is toch meer dan de 5 die ik voorganger Slipped Into Tomorrow uit 1999 gaf. Met de mannen van Europe wordt Norum echter naar grotere hoogten gestuwd.
Hierboven verwoordt milesdavisjr precies hoe ik het beleef, waarbij de kleine toevoeging dat Phantom Blue, van wie het nummer Time to Run wordt gecoverd, de groep was van zijn Amerikaanse echtgenote Michelle Meldrum. Dan snap ik hoe het nummer in Zweden terecht kwam. Norum is een prima zanger met een vrij rauwe stem en dit leentjebuur past bij de rest van het album. Dit is dus tevens het nummer dat mede door ex-Purpleman en vriend-van-John Glenn Hughes werd geschreven, zoals Kronos reeds in 2011 opmerkte.
Tegelijkertijd kan ik mee met miles' kritiek op de doffe productie, die gecomprimeerd aanvoelt. Dat mede door de laaggestemde gitaren, het kritiekpunt van vielip.
Mijn favorieten: de niet eens zo vlotte opener Chase Down the Moon, het lichtere One More Time, het instrumentale Optimus, Takin' the Blame met zijn zware en tegelijkertijd melodieuze intro, alsof hier Thin Lizzy en Black Sabbath elkaar ontmoeten én het optimistische en lichtere Change Will Come.
Het tweede instrumentaal is de afsluiter Solitude, waar Norum (weer) eens laat horen hoe goed hij als sologitarist is. Een eigen compositie, niet een cover van het gelijknamige nummer van de Sabs.
Degelijk, verdienstelijk maar nergens verrassend, ontroerend of iets anders wat me echt raakt. Een 6,5 als schoolcijfer en dat is toch meer dan de 5 die ik voorganger Slipped Into Tomorrow uit 1999 gaf. Met de mannen van Europe wordt Norum echter naar grotere hoogten gestuwd.
John Norum - Play Yard Blues (2010)

4,0
0
geplaatst: 24 februari 2025, 18:46 uur
Verrassend en dat in dubbel opzicht! De eerste omdat John Norum op zijn vorige soloalbums zijn gitaren nogal eens laag stemde en voor een donkere aanpak koos. Dat laat hij hier na.
Tweede verrassing is dat je met de titel Play Yard Blues een voluit bluesalbum zou verwachten in de lijn van hetgeen Gary Moore menigmaal deed, één van Norums grote voorbeelden - dat is dus níet het geval.
Jazeker, de blues druipt ervan af, maar Norum gaat op bijna het gehele album een stap verder. Dit is blues die soms aan een stevige versie van Cream met dezelfde slepende melancholie als die groep kon doen. Je zou ook aan BBM, de groep met Gary Moore kunnen denken. Of vaker gewoon knallende hardrock. Of aan de steviger varianten van southern rock, zoals Blackfoot en Molly Hatchet. Ondertussen soleert hij als een malle.
Zoals in It's Only Money, gecoverd van Norums andere helden Thin Lizzy. Hij speelt ook op dit album in triobezetting, in het stoempende eigen nummer Got My Eyes on You met toegevoegd gastzanger Leif Sundin.
Op de tweede helft van de cd meer covers: eerst Ditch Queen van Frank Marino en daarna Travel in the Dark van Mountain, waar het in 1971 Travellin' in the Dark (To E.M.P.) heette. Grommend en snel is het zelfgeschreven Born Again over een verloren liefde, waar Sundins stem net tekort komt. Ach, het gitaarwerk maakt dat goed.
Op het instrumentale titellied dat de plaat afsluit klinkt warempel toch nog een traditioneel bluesschema. Norum laat nog eens horen wat hij vermag. Dat is véél, al zullen bluespuristen dit veel te hardrock vinden.
Tweede verrassing is dat je met de titel Play Yard Blues een voluit bluesalbum zou verwachten in de lijn van hetgeen Gary Moore menigmaal deed, één van Norums grote voorbeelden - dat is dus níet het geval.
Jazeker, de blues druipt ervan af, maar Norum gaat op bijna het gehele album een stap verder. Dit is blues die soms aan een stevige versie van Cream met dezelfde slepende melancholie als die groep kon doen. Je zou ook aan BBM, de groep met Gary Moore kunnen denken. Of vaker gewoon knallende hardrock. Of aan de steviger varianten van southern rock, zoals Blackfoot en Molly Hatchet. Ondertussen soleert hij als een malle.
Zoals in It's Only Money, gecoverd van Norums andere helden Thin Lizzy. Hij speelt ook op dit album in triobezetting, in het stoempende eigen nummer Got My Eyes on You met toegevoegd gastzanger Leif Sundin.
Op de tweede helft van de cd meer covers: eerst Ditch Queen van Frank Marino en daarna Travel in the Dark van Mountain, waar het in 1971 Travellin' in the Dark (To E.M.P.) heette. Grommend en snel is het zelfgeschreven Born Again over een verloren liefde, waar Sundins stem net tekort komt. Ach, het gitaarwerk maakt dat goed.
Op het instrumentale titellied dat de plaat afsluit klinkt warempel toch nog een traditioneel bluesschema. Norum laat nog eens horen wat hij vermag. Dat is véél, al zullen bluespuristen dit veel te hardrock vinden.
John Norum - Slipped Into Tomorrow (1999)

2,5
0
geplaatst: 17 september 2024, 18:53 uur
Gitarist John Norum is op Slipped Into Tomorrow terug bij de basis: een triobezetting waarbij hij zelf zingt. Het is zijn zwaarste soloalbum tot dan toe, dankzij de laag gestemde gitaren en knallende composities. Snarenracen kan hij als de beste, opnieuw vind ik de zanglijnen het zwakkere onderdeel, al houdt zijn stem zich prima staande in al het geweld.
Still in the Game beukt als een malle, Waiting on You net zo heavy maar slepender en alhoewel Blackscape eveneens wat langzamer is, bevat het enkele hypersnelle staccatodelen. En zo gaat het door van de ene naar de andere gitaarmuur.
Wie denkt dat de (hier nog ex-)gitarist van Europe slechts licht verteerbare hardrock kan spelen, moet dit eens horen en zal verrast worden. Een lekker plaatje voor wie het louter luid wil. Ik mis echter variatie zoals Norum die voorheen liet horen, het gevoel van Blackmore, Schenker, Thin Lizzy en anderen, waarin melodie en snelheid zo goed samengingen.
Still in the Game beukt als een malle, Waiting on You net zo heavy maar slepender en alhoewel Blackscape eveneens wat langzamer is, bevat het enkele hypersnelle staccatodelen. En zo gaat het door van de ene naar de andere gitaarmuur.
Wie denkt dat de (hier nog ex-)gitarist van Europe slechts licht verteerbare hardrock kan spelen, moet dit eens horen en zal verrast worden. Een lekker plaatje voor wie het louter luid wil. Ik mis echter variatie zoals Norum die voorheen liet horen, het gevoel van Blackmore, Schenker, Thin Lizzy en anderen, waarin melodie en snelheid zo goed samengingen.
John Norum - Total Control (1987)

3,5
0
geplaatst: 12 september 2024, 19:12 uur
Reeds het jaar na zijn vertrek uit Europe kwam gitarist John Norum met zijn solodebuut Total Control. Weg van het hitparadecircus, lekker de gitaar centraal. Hierboven las ik de nodige informatie over de mij onbekende Göran Edman die op track 2, 5 en 6 een prima zanger blijkt en tegelijkertijd verbaast het me dat Norum ook over zo'n goede zangstem beschikt.
Zou hij al het werk ná zijn vertrek uit Europe hebben geschreven? Of zit er materiaal bij dat oorspronkelijk voor Europe was bedoeld? Feit is dat er in 1988 in Scandinavië alleen al 70.000 exemplaren waren verkocht, blijkens dit interview.
Het materiaal is degelijk, maar qua composities word ik nergens écht enthousiast. Norum schreef ze met bassist Marcel Jacob, de bassist bij Yngwie Malmsteen op diens Marching Out (1985). Mijn favorieten zijn Too Many Hearts dat iets wegheeft van Black Sabbaths No Stranger to Love uit 1986, het uptempo Eternal Flame en het Whitesnakeaanse Blind. En laat ik het instrumentale slotlied In Chase of the Wind niet vergeten.
De gitaarsolo's: fraaaaaai in de combinatie melodie met snelheid. Norum stelt die altijd ten dienste van het liedje.
Omdat hij Back on the Streets van Vinnie Vincent Invasion covert, staan hierboven de nodige vergelijkingen. Nou heb ik die VVI hier op vinyl staan - cadeau van maatje JeKo die 'm kocht maar een miskoop bevond - en dan valt inderdaad het grote verschil in aanpak op tussen deze twee snarenracers. Bij VVI dus behoorlijk over de top in vergelijking met de nuchtere Norum, al heeft het allebei z'n charme.
Eén keer word ik wél enthousiast. Dat is bij Wild One, de cover van Thin Lizzy, in Europa alleen op de cd-versie van dit album verschenen en nadien ook via streaming. Plotseling weet ik zeker dat dát hetgeen is wat ik mis op Total Control : hele goede eigen composities. Want wat is en blijft dit toch een zeldzaam mooi nummer: de breaks alleen al, als op het origineel uit 1975.
Bovendien leuk om het in de productiestijl van 1987 te horen, wat me bij de constatering brengt dat dit toch een stuk beter klinkt dan de eerste twee van Europe, waar het eveneens om de gitaren draaide. Eigenlijk keert Norum terug naar die stijl, maar dan met sterk verbeterd geluid.
Al met al is Total Control een degelijk album, dat me op de gitaarsolo's na niet op het puntje van mijn stoel brengt. Een dikke 7 daarom voor deze bezige bij van toen slechts 24 jaar oud, die het jaar ervoor niet alleen druk was geweest met Europe maar ook met het album dat zus Tone Norum maakte. Dat hij zo snel al met dit vervolg kwam, verdient een kleine buiging.
Zou hij al het werk ná zijn vertrek uit Europe hebben geschreven? Of zit er materiaal bij dat oorspronkelijk voor Europe was bedoeld? Feit is dat er in 1988 in Scandinavië alleen al 70.000 exemplaren waren verkocht, blijkens dit interview.
Het materiaal is degelijk, maar qua composities word ik nergens écht enthousiast. Norum schreef ze met bassist Marcel Jacob, de bassist bij Yngwie Malmsteen op diens Marching Out (1985). Mijn favorieten zijn Too Many Hearts dat iets wegheeft van Black Sabbaths No Stranger to Love uit 1986, het uptempo Eternal Flame en het Whitesnakeaanse Blind. En laat ik het instrumentale slotlied In Chase of the Wind niet vergeten.
De gitaarsolo's: fraaaaaai in de combinatie melodie met snelheid. Norum stelt die altijd ten dienste van het liedje.
Omdat hij Back on the Streets van Vinnie Vincent Invasion covert, staan hierboven de nodige vergelijkingen. Nou heb ik die VVI hier op vinyl staan - cadeau van maatje JeKo die 'm kocht maar een miskoop bevond - en dan valt inderdaad het grote verschil in aanpak op tussen deze twee snarenracers. Bij VVI dus behoorlijk over de top in vergelijking met de nuchtere Norum, al heeft het allebei z'n charme.
Eén keer word ik wél enthousiast. Dat is bij Wild One, de cover van Thin Lizzy, in Europa alleen op de cd-versie van dit album verschenen en nadien ook via streaming. Plotseling weet ik zeker dat dát hetgeen is wat ik mis op Total Control : hele goede eigen composities. Want wat is en blijft dit toch een zeldzaam mooi nummer: de breaks alleen al, als op het origineel uit 1975.
Bovendien leuk om het in de productiestijl van 1987 te horen, wat me bij de constatering brengt dat dit toch een stuk beter klinkt dan de eerste twee van Europe, waar het eveneens om de gitaren draaide. Eigenlijk keert Norum terug naar die stijl, maar dan met sterk verbeterd geluid.
Al met al is Total Control een degelijk album, dat me op de gitaarsolo's na niet op het puntje van mijn stoel brengt. Een dikke 7 daarom voor deze bezige bij van toen slechts 24 jaar oud, die het jaar ervoor niet alleen druk was geweest met Europe maar ook met het album dat zus Tone Norum maakte. Dat hij zo snel al met dit vervolg kwam, verdient een kleine buiging.
John Norum - Worlds Away (1996)

3,5
0
geplaatst: 17 september 2024, 07:19 uur
Europe was ter ziele en twee ex-leden gingen hun soloweg. Het vierde soloalbum van John Norum, al in 1986 vertrokken, heet Worlds Away en verscheen het jaar vóór Azalea Place, het tweede album van Joey Tempest.
Die ging het singer-songwriterpad op, bij Norum echter geen haar die erover piekerde om andere muzikale horizonten te verkennen. Hij blijft stevig hardrocken, daarbij zijn kunsten op de zes snaren etalerend. Net als op voorganger Another Destination van twee jaar eerder is Kelly Keeling zanger, tevens een enkele toetsenpartij inspelend.
De productie van Jeff Glixman is droger dan die van Mike Varney, wat een transparanter geluid brengt. Ander verschil is dat Keelings partijen hier heser klinken, minder rauw en meer ontspannen dan hij eerder bij Norum liet horen. Drummer is Simon Wright, bekend van voorheen AC/DC en Dio.
Minder nadrukkelijk dan op de voorganger zoekt Norum de blues, al is deze nooit ver weg. Het resultaat is hardrock die net als Keelings stem nét wat lichter en toegankelijker is.
De uptempo opener Manic Distortion is met zijn knipoog naar Jimi Hendrix in de titel een relaxt en toch knallend nummer: heerlijk, zeker met de notenwaterval in de gitaarsolo. C.Y.R. is een groeinummer met heerlijke slaggitaarpartij en sterke zanglijn, semiballade Where the Grass Is Green mag er ook zijn.
Slidegitaar klinkt in Dogs Are Barking, In Wasted Labor zou je zelfs enige zware grunge kunnen herkennen - alhoewel, rock is rock en scheurende gitaren zijn scheurende gitaren. Toch moet ik in het laatste deel van het nummer denken aan groepen als Soundgarden en Alice in Chains.
Het album sluit af met een nieuwe versie van Endica, oorspronkelijk op Face the Truth (1992) en omgedoopt tot Endica (Revisited). Waarom From Outside In slechts een bonusnummer is, is me een raadsel; hier komt het beste van Norum en Keeling samen.
Het is het enige soloalbum van Norum waarop hij niet op de voorzijde is geportretteerd. In plaats daarvan zo'n digitale fotocollage van optisch laag niveau, wat vooral opvalt op de plek waar de benen van de dame (echtgenote en tevens gitariste Michelle Meldrum van o.a. Phantom Blue?) in het gras verdwijnen. Dit soort hoezen zag je veel in die tijd...
Mijn streamingplatform heeft Worlds Away niet staan, gelukkig biedt YouTube uitkomst.
Die ging het singer-songwriterpad op, bij Norum echter geen haar die erover piekerde om andere muzikale horizonten te verkennen. Hij blijft stevig hardrocken, daarbij zijn kunsten op de zes snaren etalerend. Net als op voorganger Another Destination van twee jaar eerder is Kelly Keeling zanger, tevens een enkele toetsenpartij inspelend.
De productie van Jeff Glixman is droger dan die van Mike Varney, wat een transparanter geluid brengt. Ander verschil is dat Keelings partijen hier heser klinken, minder rauw en meer ontspannen dan hij eerder bij Norum liet horen. Drummer is Simon Wright, bekend van voorheen AC/DC en Dio.
Minder nadrukkelijk dan op de voorganger zoekt Norum de blues, al is deze nooit ver weg. Het resultaat is hardrock die net als Keelings stem nét wat lichter en toegankelijker is.
De uptempo opener Manic Distortion is met zijn knipoog naar Jimi Hendrix in de titel een relaxt en toch knallend nummer: heerlijk, zeker met de notenwaterval in de gitaarsolo. C.Y.R. is een groeinummer met heerlijke slaggitaarpartij en sterke zanglijn, semiballade Where the Grass Is Green mag er ook zijn.
Slidegitaar klinkt in Dogs Are Barking, In Wasted Labor zou je zelfs enige zware grunge kunnen herkennen - alhoewel, rock is rock en scheurende gitaren zijn scheurende gitaren. Toch moet ik in het laatste deel van het nummer denken aan groepen als Soundgarden en Alice in Chains.
Het album sluit af met een nieuwe versie van Endica, oorspronkelijk op Face the Truth (1992) en omgedoopt tot Endica (Revisited). Waarom From Outside In slechts een bonusnummer is, is me een raadsel; hier komt het beste van Norum en Keeling samen.
Het is het enige soloalbum van Norum waarop hij niet op de voorzijde is geportretteerd. In plaats daarvan zo'n digitale fotocollage van optisch laag niveau, wat vooral opvalt op de plek waar de benen van de dame (echtgenote en tevens gitariste Michelle Meldrum van o.a. Phantom Blue?) in het gras verdwijnen. Dit soort hoezen zag je veel in die tijd...
Mijn streamingplatform heeft Worlds Away niet staan, gelukkig biedt YouTube uitkomst.
John Waite - Anything (2022)

4,0
0
geplaatst: 19 september 2022, 07:22 uur
Op 30 april bracht John Waite de EP Anything uit. Na zijn laatste album Rough & Tumble (2011) verschenen geen elektrische albums, afgezien van enkele compilaties; wel kwam er het nodige akoestische werk uit, deels heropnames van eerder werk.
Nu zijn er dus vijf nieuwe composities, met een vierkoppige elektrische band opgenomen. Te vinden op streaming en waarschijnlijk verkrijgbaar bij de concerten die hij deze week in Nederland geeft.
Muzikaal ligt het in de lijn van dat laatste echte studioalbum. De EP begint met de titelsong; degenen die de singles van de man sinds 1977 konden waarderen, herkennen er hier eentje in dezelfde sfeer. Romantische adult oriented rock (stevige poprock of is het rustige rockpop?) waarin uiteraard een pakkend en gepassioneerd refrein klinkt. Met nog altijd die prachtige stem, waarin op de juiste momenten een rauw randje klinkt. Zijn stem lijkt sinds het debuut in 1976 onveranderd, hoe doet hij dat toch?
Lifeguard is eveneens midtempo en romantisch, ik ben er dol op want altijd weer is daar zo'n sterk refrein. Grenadine is een ballade, wat de man altijd al zo goed kon. In de laatste twee nummers wordt meer ruimte te geven aan scheurende gitaren. Na de knallende slotsolo van mijn favoriet Darling covert Waite wederom Bob Dylan, deze keer Masters of War en dat gaat hem weer eens goed af.
Verhuisde Waite begin jaren ’80 van Engeland naar New York, volgens Wikipedia woont de inmiddels zeventigjarige sinds 2014 in het Californische Santa Monica. Het is daar fijn wonen voor de pensionado, vermoed ik. Toch fijn dat hij actief blijft.
Vorige week was hij te gast bij radio-dj Gerard Ekdom, die een kort maar zinnig interview hield, waarna Waite met zijn tourband drie klassiekertjes uit zijn discografie speelde.
In een interview met The Rockpit las ik dat hij het in deze tijd van streaming niet meer verstandig vindt om albums uit te brengen, vandaar dat hij het bij een EP hield. Van mij mag hij er wel ieder jaar zo één uitbrengen, zeker met de lange radiostilte die eraan voorafging.
Nu zijn er dus vijf nieuwe composities, met een vierkoppige elektrische band opgenomen. Te vinden op streaming en waarschijnlijk verkrijgbaar bij de concerten die hij deze week in Nederland geeft.
Muzikaal ligt het in de lijn van dat laatste echte studioalbum. De EP begint met de titelsong; degenen die de singles van de man sinds 1977 konden waarderen, herkennen er hier eentje in dezelfde sfeer. Romantische adult oriented rock (stevige poprock of is het rustige rockpop?) waarin uiteraard een pakkend en gepassioneerd refrein klinkt. Met nog altijd die prachtige stem, waarin op de juiste momenten een rauw randje klinkt. Zijn stem lijkt sinds het debuut in 1976 onveranderd, hoe doet hij dat toch?
Lifeguard is eveneens midtempo en romantisch, ik ben er dol op want altijd weer is daar zo'n sterk refrein. Grenadine is een ballade, wat de man altijd al zo goed kon. In de laatste twee nummers wordt meer ruimte te geven aan scheurende gitaren. Na de knallende slotsolo van mijn favoriet Darling covert Waite wederom Bob Dylan, deze keer Masters of War en dat gaat hem weer eens goed af.
Verhuisde Waite begin jaren ’80 van Engeland naar New York, volgens Wikipedia woont de inmiddels zeventigjarige sinds 2014 in het Californische Santa Monica. Het is daar fijn wonen voor de pensionado, vermoed ik. Toch fijn dat hij actief blijft.
Vorige week was hij te gast bij radio-dj Gerard Ekdom, die een kort maar zinnig interview hield, waarna Waite met zijn tourband drie klassiekertjes uit zijn discografie speelde.
In een interview met The Rockpit las ik dat hij het in deze tijd van streaming niet meer verstandig vindt om albums uit te brengen, vandaar dat hij het bij een EP hield. Van mij mag hij er wel ieder jaar zo één uitbrengen, zeker met de lange radiostilte die eraan voorafging.
John Waite - Downtown (2006)
Alternatieve titel: Journey of a Heart

4,0
0
geplaatst: 18 september 2022, 06:59 uur
Terwijl Waite bezig is aan zijn tournee door Nederland, draai ik zijn discografie. Dat met veel plezier.
Downtown is het tweede achtereenvolgende album van Waite met eigen liedjes in een nieuw jasje, verschenen in juli 2006.
Wat je krijgt te horen is een band, alsof je live in de studio erbij bent: gitaar, bas, drums en keyboards. Oftewel weinig opsmuk, wél twaalf sterke songs uit 's mans carrière. Geen vetgemeste productie maar een geluid dat dicht bij het livegevoel staat. Vijf mensen die hoorbaar met plezier samenspelen. In werkelijkheid speelden er meer mensen mee, maar het gevoel is dat van een livebandje.
Het is genieten van de bijna-liveversies van Babysklassiekers Isn't it Time? en Head First, idem voor de recht-in-je-gezicht-versies van zijn solowerk.
Missing You staat er als duet met Alison Krauss op, in Nederland indertijd niet meer dan een radiohitje. Het blijft desondanks dicht bij het origineel, anders dan When I See You Smile, dat hier akoestisch met een ingetogen melodielijn is, in tegenstelling tot de knallende hit die hij er ooit mee had als zanger van Bad English.
Twee liedjes nam hij voor het eerst op: Highway 61 met scheurende mondharmonica, oorspronkelijk van Bob Dylan; en de zelfgeschreven ballade St. Patrick's Day, een observatie van een romance in zijn woonplaats New York.
Niet revolutionair, wel bijzonder fijn. Ik verheug me op het naderende concert!
Downtown is het tweede achtereenvolgende album van Waite met eigen liedjes in een nieuw jasje, verschenen in juli 2006.
Wat je krijgt te horen is een band, alsof je live in de studio erbij bent: gitaar, bas, drums en keyboards. Oftewel weinig opsmuk, wél twaalf sterke songs uit 's mans carrière. Geen vetgemeste productie maar een geluid dat dicht bij het livegevoel staat. Vijf mensen die hoorbaar met plezier samenspelen. In werkelijkheid speelden er meer mensen mee, maar het gevoel is dat van een livebandje.
Het is genieten van de bijna-liveversies van Babysklassiekers Isn't it Time? en Head First, idem voor de recht-in-je-gezicht-versies van zijn solowerk.
Missing You staat er als duet met Alison Krauss op, in Nederland indertijd niet meer dan een radiohitje. Het blijft desondanks dicht bij het origineel, anders dan When I See You Smile, dat hier akoestisch met een ingetogen melodielijn is, in tegenstelling tot de knallende hit die hij er ooit mee had als zanger van Bad English.
Twee liedjes nam hij voor het eerst op: Highway 61 met scheurende mondharmonica, oorspronkelijk van Bob Dylan; en de zelfgeschreven ballade St. Patrick's Day, een observatie van een romance in zijn woonplaats New York.
Niet revolutionair, wel bijzonder fijn. Ik verheug me op het naderende concert!
John Waite - Figure in a Landscape (2001)

3,5
2
geplaatst: 17 september 2022, 21:16 uur
De eerste John Waite van het nieuwe millennium was Figure in a Landscape, waarvan ik de hoes meteen mooi vond. Staande voor een theaterdoek, gekleed in het zwart, de rode haren tot op de schouders, kijkt hij ons ernstig aan. Zoals op zijn vorige soloplaten produceerde Waite zelf, deze keer met Ed Thacker. Op het album heeft gitarist Shayne Fontayne wederom een grote rol, desondanks zijn de countryrockinvloeden van voorganger When You Were Mine grotendeels verdwenen.
Op Figure in a Landscape klinkt fraaie popmuziek, iets uitbundiger dan op die voorganger dankzij een her en der opduikende slidegitaar. Gebleven zijn de akoestische basis, de meestal zelfgeschreven fraaie liedjes en uiteraard Waites fantastische stem, die jong en lenig blijft klinken. Dankzij de steviger uitvoeringen, een enkel dameskoortje of spaarzame strijkers klinkt het resultaat gevulder dan zijn vorige album.
Waite is ten diepste een singer-songwriter; als voorheen hoor je hem vaak als romanticus, zoals in opener Keys to your Heart, waar een swingende shuffle de basis vormt. In het ingetogen Always Be Your Man is het september, de herfst kondigt zich aan en in de verte lonkt de winter. Hé, die weersomstandigheden herken ik van vandaag… Waite maakt het alsnog warm met violen en de stem van ene Debby Holiday.
Hij bezingt niet alleen zichzelf. Op NYC Girl bijvoorbeeld portretteert hij een stadsgenote van hem, de tweede ballade die groeit bij vaker draaien. Eén keer wordt het stevig, namelijk met Godhead. Dit nummer raakt mij echter niet: opvallend dat ik hem op deze plaat het liefst wat ingetogener hoor; voorheen hield ik juist van zijn luide rock.
Coverde hij op zijn vorige twee albums respectievelijk Hank Williams en Bob Dylan, deze keer ontbreekt een cover. Heeft hij ook niet nodig, liedjes schrijven ligt hem nog altijd. Al covert hij wel zichzelf: op streaming staat de 2009-editie met als bonus een tweede versie van Keys to your Heart, die veel meer slidegitaar bevat. Lekker!
Een heerlijk plaatje met naar mijn smaak iets te veel ballads (vijf stuks), dat had er wel eentje minder mogen zijn. Maar omdat ook Fly, New Thing (harp in het intro, leuk!) en Special One zeer smakelijk zijn, is een (dikke) 7½ de enig logische conclusie.
Op Figure in a Landscape klinkt fraaie popmuziek, iets uitbundiger dan op die voorganger dankzij een her en der opduikende slidegitaar. Gebleven zijn de akoestische basis, de meestal zelfgeschreven fraaie liedjes en uiteraard Waites fantastische stem, die jong en lenig blijft klinken. Dankzij de steviger uitvoeringen, een enkel dameskoortje of spaarzame strijkers klinkt het resultaat gevulder dan zijn vorige album.
Waite is ten diepste een singer-songwriter; als voorheen hoor je hem vaak als romanticus, zoals in opener Keys to your Heart, waar een swingende shuffle de basis vormt. In het ingetogen Always Be Your Man is het september, de herfst kondigt zich aan en in de verte lonkt de winter. Hé, die weersomstandigheden herken ik van vandaag… Waite maakt het alsnog warm met violen en de stem van ene Debby Holiday.
Hij bezingt niet alleen zichzelf. Op NYC Girl bijvoorbeeld portretteert hij een stadsgenote van hem, de tweede ballade die groeit bij vaker draaien. Eén keer wordt het stevig, namelijk met Godhead. Dit nummer raakt mij echter niet: opvallend dat ik hem op deze plaat het liefst wat ingetogener hoor; voorheen hield ik juist van zijn luide rock.
Coverde hij op zijn vorige twee albums respectievelijk Hank Williams en Bob Dylan, deze keer ontbreekt een cover. Heeft hij ook niet nodig, liedjes schrijven ligt hem nog altijd. Al covert hij wel zichzelf: op streaming staat de 2009-editie met als bonus een tweede versie van Keys to your Heart, die veel meer slidegitaar bevat. Lekker!
Een heerlijk plaatje met naar mijn smaak iets te veel ballads (vijf stuks), dat had er wel eentje minder mogen zijn. Maar omdat ook Fly, New Thing (harp in het intro, leuk!) en Special One zeer smakelijk zijn, is een (dikke) 7½ de enig logische conclusie.
John Waite - Ignition (1982)

4,0
0
geplaatst: 12 september 2022, 19:07 uur
Vanaf aanstaande woensdag geeft John Waite zeven concerten in Nederland, reden voor mij om de komende dagen extra naar zijn solowerk te luisteren én hem te gaan zien.
Na hitsingles in de jaren 1977 – 1979 brachten The Babys in 1980 twee albums uit in gewijzigde bezetting, waarop een steviger geluid klonk. Hierop viel de band uit elkaar, in 1982 debuteerde zanger John Waite solo met Ignition. Hij bleef bij het label Chrysalis.
Gelukkig voor mij schafte de dorpsfonotheek deze plaat aan, net zoals ze de opvolgers gedurende de jaren ’80 zouden inslaan. De hoes van Ignition deed mij met zijn videofoto’s denken aan Strangers in the Night van labelgenoten UFO. Met Waites korte kapsel en de typografie van de hoes had het zelfs een new wave-achtige uitstraling.
Het is warempel een stevige plaat, waarop uptempo songs en scheurende gitaren de sfeer bepalen en keyboards een ondergeschikte rol spelen. Hoe vreemd het misschien lijkt, hier klinkt muziek op de snijvlakken van new wave, hard rock en adult oriented rock, zoals dat bijvoorbeeld ook Pat Benatar in die jaren lukte. Wat hierbij voorop staat: de melodie. Hoe pakkender, hoe beter.
De teksten gaan net als voorheen bijna altijd over de liefde voor een meisje, van blinde verliefdheid tot gebroken harten. Klef wordt het voor mij nergens. In White Heat bezingt Waite een meisje uit Baltimore, waarmee hij nadrukkelijk naar de Amerikaanse markt lonkte. De Engelsman was namelijk verkast naar New York en wordt op Ignition bijgestaan door Amerikaanse liedschrijvers en muzikanten. Zelf schreef hij (mee aan) zeven van de tien nummers.
De plaat deed in Nederland hoegenaamd niets. Wat dat betreft had de Nederlandse platenkoper bananen in de oren.
Hoogtepunten op de A-kant: opener White Heat (in de eerste tonen klinkt kort een saxofoon, even “schrikken” maar spoedig zijn daar zijn stem en een heerlijk refrein), Change dat in de Verenigde Staten een hitje was, Mr. Wonderful en Desperate Love.
Op de B-kant zijn het Be My Baby Tonight, het iets ingetogener Make it Happen en de dromerige midtempo ballade I’m Still in Love.
Wie van de twee laatste albums van The Babys houdt, Union Jacks en On the Edge, wordt ongetwijfeld blij verrast met het uptempo werk in die muzikale lijn. Stevig en melodieus. Romantisch en rockend. Kwetsbaar en toch stoer. Plus altijd weer zijn markante stem, gepassioneerd met een rauw randje.
Op streaming vind je het album met de Zuid-Europese en Amerikaanse hoes, conventioneler dan de versie die elders in Europa in de platenbakken belandde. Ben blij dat MuMe het bij de Nederlandse variant houdt.
Na hitsingles in de jaren 1977 – 1979 brachten The Babys in 1980 twee albums uit in gewijzigde bezetting, waarop een steviger geluid klonk. Hierop viel de band uit elkaar, in 1982 debuteerde zanger John Waite solo met Ignition. Hij bleef bij het label Chrysalis.
Gelukkig voor mij schafte de dorpsfonotheek deze plaat aan, net zoals ze de opvolgers gedurende de jaren ’80 zouden inslaan. De hoes van Ignition deed mij met zijn videofoto’s denken aan Strangers in the Night van labelgenoten UFO. Met Waites korte kapsel en de typografie van de hoes had het zelfs een new wave-achtige uitstraling.
Het is warempel een stevige plaat, waarop uptempo songs en scheurende gitaren de sfeer bepalen en keyboards een ondergeschikte rol spelen. Hoe vreemd het misschien lijkt, hier klinkt muziek op de snijvlakken van new wave, hard rock en adult oriented rock, zoals dat bijvoorbeeld ook Pat Benatar in die jaren lukte. Wat hierbij voorop staat: de melodie. Hoe pakkender, hoe beter.
De teksten gaan net als voorheen bijna altijd over de liefde voor een meisje, van blinde verliefdheid tot gebroken harten. Klef wordt het voor mij nergens. In White Heat bezingt Waite een meisje uit Baltimore, waarmee hij nadrukkelijk naar de Amerikaanse markt lonkte. De Engelsman was namelijk verkast naar New York en wordt op Ignition bijgestaan door Amerikaanse liedschrijvers en muzikanten. Zelf schreef hij (mee aan) zeven van de tien nummers.
De plaat deed in Nederland hoegenaamd niets. Wat dat betreft had de Nederlandse platenkoper bananen in de oren.
Hoogtepunten op de A-kant: opener White Heat (in de eerste tonen klinkt kort een saxofoon, even “schrikken” maar spoedig zijn daar zijn stem en een heerlijk refrein), Change dat in de Verenigde Staten een hitje was, Mr. Wonderful en Desperate Love.
Op de B-kant zijn het Be My Baby Tonight, het iets ingetogener Make it Happen en de dromerige midtempo ballade I’m Still in Love.
Wie van de twee laatste albums van The Babys houdt, Union Jacks en On the Edge, wordt ongetwijfeld blij verrast met het uptempo werk in die muzikale lijn. Stevig en melodieus. Romantisch en rockend. Kwetsbaar en toch stoer. Plus altijd weer zijn markante stem, gepassioneerd met een rauw randje.
Op streaming vind je het album met de Zuid-Europese en Amerikaanse hoes, conventioneler dan de versie die elders in Europa in de platenbakken belandde. Ben blij dat MuMe het bij de Nederlandse variant houdt.
John Waite - Mask of Smiles (1985)

3,0
0
geplaatst: 13 september 2022, 12:14 uur
Een jaar na voorganger No Brakes verscheen Mask of Smiles, de derde soloplaat van John Waite. Na de sobere zwart-withoes van de vorige plaat, hulde hij zich inmiddels in sjieke kledij op een kleurige hoes; op de cover draagt hij zwart, achterop is hij gehuld in een witte mantel, alsof hij van de catwalk komt gestapt. De haren liet hij weer lang groeien.
Waite produceerde het album met Stephen Galfas, die in de jaren ’80 een grote naam werd in de wereld van de melodieuze (hard)rock en metal. Qua sound werd gekozen voor een geluid zoals dat in 1985 ook bij hitgevoelige newwavebands klonk, de muziek is echter conservatiever: gitaargeoriënteerd, melodieus rockend met opnieuw een groeiende rol voor keyboards. In de beste Waite-traditie gaan de meeste teksten over de liefde in al haar seizoenen. Zijn passievolle stem doet je geloven dat hij alles meent, wát een kwaliteit schuilt hierin!
Dit album bevat slechts zes redelijke tot goede songs. Solodebuut Ignition steekt daar met kop en schouders bovenuit maar ook voorganger No Brakes was beter, wat ertoe leidt dat Waites derde soloplaat zijn minste is tot dan toe.
Ieder van die albums telde evenwel minimaal één juweel van een (hit)single. Op deze plaat is dat opener Every Step of the Way, wat hij met de succesvolle Tsjechisch-Amerikaanse liedschrijver Ivan Král neerpende. Het is een hartstochtelijke ode aan een vrouw. Powerpop met een tekst die ik tot op de dag van vandaag kan meezingen.
Hiermee is meteen het beste voorbij gekomen. Dat betekent echter niet dat de rest waardeloos is. In 1985 belandden de volgende liedjes op mijn cassettebandje: van de A-zijde Laydown met daarin een doedelzakachtige (!) toetsenpartij, het vrolijk-stevige Lust for Life en Ain’t that Peculiar, dat geleidelijk een bescheiden briljantje wordt, zeker als de dames in het koortje gaan zingen. Het origineel van Smokey Robinson stamt uit 1965, in deze versie moet ik zowaar aan Waites voorbije dagen bij The Babys denken.
De B-zijde opent met Just like Lovers, waarin een saxofoonsolo zit. Een aardige popsong. Op afsluiter No Brakes (waarom stond deze track niet op de vorige plaat?!) speelt op gitaar Waites stadsgenoot Johnny Thunders, bekend van New York Dolls. Met een honkytonkpiano erbij wordt het gaspedaal nog eens stevig ingetrapt.
Soms kakt de plaat in. Vooral bij de twee ballades houd ik het niet vol: op de A-zijde Welcome to Paradise en op de B-zijde The Choice. Dat laatste lied begint met de suikerspinzoete keyboardgeluiden die in die periode gangbaar waren en die je bijvoorbeeld ook bij Whitney Houston hoort. Veel te klef. You’re the One is stevig maar nauwelijks memorabel, ondanks het feit dat de stem van Waite ook deze compositie naar een hoger niveau trekt.
Misschien werd het gestaag dalende niveau van de eerste drie soloplaten veroorzaakt doordat Waite opnieuw met (andere) sessiemuzikanten werkte, waarbij hij creatieve input van bandleden ontbeerde. Te solo. Bovendien kan tijdsgebrek een rol hebben gespeeld, Mask of Smiles verscheen slechts dertien maanden na de voorganger.
Maar goed, die single hè? In Nederland en België overigens geen hit, maar dankzij Sky Channel, de eerste muziekzender die bij ons thuis via de kabel binnenrolde, kwam ik de videoclip vaak tegen. Tijdloos pareltje.
Waite produceerde het album met Stephen Galfas, die in de jaren ’80 een grote naam werd in de wereld van de melodieuze (hard)rock en metal. Qua sound werd gekozen voor een geluid zoals dat in 1985 ook bij hitgevoelige newwavebands klonk, de muziek is echter conservatiever: gitaargeoriënteerd, melodieus rockend met opnieuw een groeiende rol voor keyboards. In de beste Waite-traditie gaan de meeste teksten over de liefde in al haar seizoenen. Zijn passievolle stem doet je geloven dat hij alles meent, wát een kwaliteit schuilt hierin!
Dit album bevat slechts zes redelijke tot goede songs. Solodebuut Ignition steekt daar met kop en schouders bovenuit maar ook voorganger No Brakes was beter, wat ertoe leidt dat Waites derde soloplaat zijn minste is tot dan toe.
Ieder van die albums telde evenwel minimaal één juweel van een (hit)single. Op deze plaat is dat opener Every Step of the Way, wat hij met de succesvolle Tsjechisch-Amerikaanse liedschrijver Ivan Král neerpende. Het is een hartstochtelijke ode aan een vrouw. Powerpop met een tekst die ik tot op de dag van vandaag kan meezingen.
Hiermee is meteen het beste voorbij gekomen. Dat betekent echter niet dat de rest waardeloos is. In 1985 belandden de volgende liedjes op mijn cassettebandje: van de A-zijde Laydown met daarin een doedelzakachtige (!) toetsenpartij, het vrolijk-stevige Lust for Life en Ain’t that Peculiar, dat geleidelijk een bescheiden briljantje wordt, zeker als de dames in het koortje gaan zingen. Het origineel van Smokey Robinson stamt uit 1965, in deze versie moet ik zowaar aan Waites voorbije dagen bij The Babys denken.
De B-zijde opent met Just like Lovers, waarin een saxofoonsolo zit. Een aardige popsong. Op afsluiter No Brakes (waarom stond deze track niet op de vorige plaat?!) speelt op gitaar Waites stadsgenoot Johnny Thunders, bekend van New York Dolls. Met een honkytonkpiano erbij wordt het gaspedaal nog eens stevig ingetrapt.
Soms kakt de plaat in. Vooral bij de twee ballades houd ik het niet vol: op de A-zijde Welcome to Paradise en op de B-zijde The Choice. Dat laatste lied begint met de suikerspinzoete keyboardgeluiden die in die periode gangbaar waren en die je bijvoorbeeld ook bij Whitney Houston hoort. Veel te klef. You’re the One is stevig maar nauwelijks memorabel, ondanks het feit dat de stem van Waite ook deze compositie naar een hoger niveau trekt.
Misschien werd het gestaag dalende niveau van de eerste drie soloplaten veroorzaakt doordat Waite opnieuw met (andere) sessiemuzikanten werkte, waarbij hij creatieve input van bandleden ontbeerde. Te solo. Bovendien kan tijdsgebrek een rol hebben gespeeld, Mask of Smiles verscheen slechts dertien maanden na de voorganger.
Maar goed, die single hè? In Nederland en België overigens geen hit, maar dankzij Sky Channel, de eerste muziekzender die bij ons thuis via de kabel binnenrolde, kwam ik de videoclip vaak tegen. Tijdloos pareltje.
John Waite - No Brakes (1984)

4,5
0
geplaatst: 12 september 2022, 21:06 uur
Voor zijn tweede soloplaat No Brakes stapte John Waite over van het independant Chrysalis naar major label EMI. Vergeleken met voorganger Ignition vond ik No Brakes nét wat rustiger met wat meer ruimte voor keyboards. Missing You haalde in Nederland in september 1984 slechts de Tipparade, maar klonk regelmatig op Hilversum 3. Kennelijk een favootje van diverse dj’s. Ik was verkocht!
Op de cover bleken zijn rode haren alweer iets korter te zijn geknipt; een prachtige zwart-witfoto. Kant A was pakkend. Het snelle Saturday Night, de megaballade Missing You die ik spoedig helemaal kon meezingen, Dark Side of the Sun en het prachtige Restless Heart, een popliedje met fraaie slidegitaar van Gary Myrick. Het is één van de zeven songs waar Waite (mee)componeerde. Het slot van die kant is Tears, waarvan ik hierboven lees dat dit een liedje van Kiss’ Vinnie Vincent is. Een prima nummer.
Op de B-kant echter is er geen enkel liedje dat me echt pakt. Wel valt me nu pas op dat er in de coupletten op Love Collision enige invloeden van Talking Heads klinken: ik bedoel het gitaartje in het refrein waarmee de plaat ook eindigt. Misschien waren de Britse New Yorker en zijn bandleden fan van de eigenzinnige newwavemeesters uit diezelfde stad.
In de Verenigde Staten brak hij na zijn succesjaren met The Babys wederom door. EMI kon tevreden zijn.
De plaat blijkt transparanter te zijn geproduceerd dan de voorganger, wat wel lekker is. Met die sterke eerste helft toch nog drieëneenhalve ster, die plaatkant is immers heerlijk genieten. En als Waite de komende week tijdens de Nederlandse tournee Missing You en Restless Heart speelt, is deze jongen helemaal content.
Op de cover bleken zijn rode haren alweer iets korter te zijn geknipt; een prachtige zwart-witfoto. Kant A was pakkend. Het snelle Saturday Night, de megaballade Missing You die ik spoedig helemaal kon meezingen, Dark Side of the Sun en het prachtige Restless Heart, een popliedje met fraaie slidegitaar van Gary Myrick. Het is één van de zeven songs waar Waite (mee)componeerde. Het slot van die kant is Tears, waarvan ik hierboven lees dat dit een liedje van Kiss’ Vinnie Vincent is. Een prima nummer.
Op de B-kant echter is er geen enkel liedje dat me echt pakt. Wel valt me nu pas op dat er in de coupletten op Love Collision enige invloeden van Talking Heads klinken: ik bedoel het gitaartje in het refrein waarmee de plaat ook eindigt. Misschien waren de Britse New Yorker en zijn bandleden fan van de eigenzinnige newwavemeesters uit diezelfde stad.
In de Verenigde Staten brak hij na zijn succesjaren met The Babys wederom door. EMI kon tevreden zijn.
De plaat blijkt transparanter te zijn geproduceerd dan de voorganger, wat wel lekker is. Met die sterke eerste helft toch nog drieëneenhalve ster, die plaatkant is immers heerlijk genieten. En als Waite de komende week tijdens de Nederlandse tournee Missing You en Restless Heart speelt, is deze jongen helemaal content.
John Waite - Rough & Tumble (2011)

3,5
0
geplaatst: 18 september 2022, 21:38 uur
John Waite was ver naar de achtergrond van mijn muzikale wereld beland, toen dit album in 2011 verscheen. Hij was zichtbaar ouder geworden, al ziet hij er op de hoes voor een 58-jarige nog prima uit met z’n volle bos haar. Dat lukt niet iedereen...
De buurman constateerde indertijd al dat dit een heuse rockplaat is. De plaat opent met de bluesrockende gitaarlick van titelsong Rough & Tumble. Een riff die me niet pakt, maar de toon is gezet: we gaan knallen!
Op Shadows of Love is de zangmelodie belangrijker, dit bevalt mij beter. Evil is een uptempo poprocker over een verboden liefde; met stiekem een four-to-the-floor-discobeat - maar lékkerrr, zeker met dat nanana-koortje in het refrein!
If You Ever Get Lonely was in 2013 de single en doet wat zoiets belooft: midtempo, romantisch met alweer een sterk ijzersterk refrein, dat je vanzelf doet meezingen.
Het volgende sterke nummer is Sweet Rhode Island Red, een vlot liedje met twee slidegitaarsolo’s. Love's Goin' Out of Style lijkt wel een bewerking van een soulklassieker, maar is een eigen compositie; een paar keer draaien deed me constateren dat ie steeds mooier wordt. Mijn laatste favo is de remake van Mr. Wonderful, oorspronkelijk te vinden op zijn eerste soloplaat Ignition (1982).
Dat diezelfde buurman, doorgaans zo enthousiast over Waite, hierboven vermeldt dat diens soloplaten uit de jaren ’80 “bepaald geen aanraders” zijn, doet mij de wenkbrauwen omhoog trekken van oprechte verbazing. Misschien wil hij ze een tweede kans gunnen?
Voor ToetnL en anderen die van de stevige kant van John Waite houden, bij deze een mosterd-na-de-maaltijd-advies. Probeer eens de laatste twee albums die hij met met The Babys maakte (Union Jacks en On the Edge, beiden uit 1980) en zijn eerste twee soloplaten (het zojuist genoemde Ignition en No Brakes). Plus inderdaad de twee met Bad English, daarin heeft buurman helemaal gelijk. Overigens vind je ook op de overige albums die hij in de jaren ’70 en ’80 opnam altijd enkele stevige nummers.
Dit album bracht Waite terug op mijn vizier. Omdat niet alles me pakt geef ik 'm als geheel een dikke zeven.
De komende dagen ga ik zijn livealbums en verzamelaars nog eens draaien. Wie weet zit daar nog een verrassing op, niet op een regulier studioalbum te horen. En dan vrijdag de man met eigen ogen gaan zien... Zelfs de weersverwachting belooft warmer en droger weer, heb er zin in.
De buurman constateerde indertijd al dat dit een heuse rockplaat is. De plaat opent met de bluesrockende gitaarlick van titelsong Rough & Tumble. Een riff die me niet pakt, maar de toon is gezet: we gaan knallen!
Op Shadows of Love is de zangmelodie belangrijker, dit bevalt mij beter. Evil is een uptempo poprocker over een verboden liefde; met stiekem een four-to-the-floor-discobeat - maar lékkerrr, zeker met dat nanana-koortje in het refrein!
If You Ever Get Lonely was in 2013 de single en doet wat zoiets belooft: midtempo, romantisch met alweer een sterk ijzersterk refrein, dat je vanzelf doet meezingen.
Het volgende sterke nummer is Sweet Rhode Island Red, een vlot liedje met twee slidegitaarsolo’s. Love's Goin' Out of Style lijkt wel een bewerking van een soulklassieker, maar is een eigen compositie; een paar keer draaien deed me constateren dat ie steeds mooier wordt. Mijn laatste favo is de remake van Mr. Wonderful, oorspronkelijk te vinden op zijn eerste soloplaat Ignition (1982).
Dat diezelfde buurman, doorgaans zo enthousiast over Waite, hierboven vermeldt dat diens soloplaten uit de jaren ’80 “bepaald geen aanraders” zijn, doet mij de wenkbrauwen omhoog trekken van oprechte verbazing. Misschien wil hij ze een tweede kans gunnen?
Voor ToetnL en anderen die van de stevige kant van John Waite houden, bij deze een mosterd-na-de-maaltijd-advies. Probeer eens de laatste twee albums die hij met met The Babys maakte (Union Jacks en On the Edge, beiden uit 1980) en zijn eerste twee soloplaten (het zojuist genoemde Ignition en No Brakes). Plus inderdaad de twee met Bad English, daarin heeft buurman helemaal gelijk. Overigens vind je ook op de overige albums die hij in de jaren ’70 en ’80 opnam altijd enkele stevige nummers.
Dit album bracht Waite terug op mijn vizier. Omdat niet alles me pakt geef ik 'm als geheel een dikke zeven.
De komende dagen ga ik zijn livealbums en verzamelaars nog eens draaien. Wie weet zit daar nog een verrassing op, niet op een regulier studioalbum te horen. En dan vrijdag de man met eigen ogen gaan zien... Zelfs de weersverwachting belooft warmer en droger weer, heb er zin in.
John Waite - Rover's Return (1987)

3,5
0
geplaatst: 13 september 2022, 19:32 uur
Twee jaar na Mask of Smiles bracht John Waite Rover’s Return. Als altijd was ik benieuwd of daar opnieuw van die heerlijke meezingers op zouden staan, iets wat met de voorganger slechts éénmaal écht het geval was.
Aan de namenlijst te zien was EMI vastbesloten om deze missie te laten slagen. Opgenomen met een lange lijst sessiemuzikanten, grotendeels dezelfden als op zijn vorige platen, plus maar liefst zeventien technici, werd niets aan het toeval overgelaten.
Producers waren naast Waite en Frank Filipetti de succesvolle veelschrijver Desmond Child (de openingssong) en ene Rick Nowels (twee nummers op de B-zijde). Opgenomen in New York, zodat de zanger vanuit huis naar de studio kon forensen.
De elpee plukte ik uit de fonotheek in het dorp, waar kennelijk iemand werkte die het goed voorhad met de voormalige zanger van The Babys: elke soloplaat werd aangeschaft. De hoes deed denken aan No Brakes van drie jaar eerder. Een zwart-wit foto van Waite die zijn haarlengte had teruggebracht tot hetgeen menig moeder kon waarderen. Op de binnenhoes echter ontwaarde ik Waite met lang haar en staartje, de buitenhoes had me voor de gek gehouden. Wat deed het ertoe? Ik wilde de single horen waarvan ik de clip op tv had gezien: These Times are Hard for Lovers. Twee plaatkanten later wist ik dat de Engelsman zijn oude vorm had hervonden.
De A-zijde opent met die fenomenale single, een meeslepend statement over liefhebben tegen de klippen op. Het wordt gevolgd door het al even mooie Act of Love met zijn hamerende pianobegeleiding. Mijn derde hoogtepunt op die dag in 1987 was Wild One, met in het intro een toetsenpartij die me deed denken aan Dio’s Rainbow in the Dark. De romantiek spatte weer uit de groef, de melodieën dwongen me regelmatig tot luid meezingen, dit alles badend in gevarieerde adult oriented rock.
B-kanten van elpees waren bij Waite (en vele anderen) vaak minder sterk. Hij opent sterk met Don’t Lose Any Sleep. Het stevige She’s the One vond ik fijn met zijn stuwende combinatie van scheurende gitaar, zwevende toetsen en de stem van Waite die wederom bruist van emotie.
Jaren later valt me bij herbeluistering op de A-kant Encircled op. Hier draait het een keer niet om de melodie, maar om een gitaarriff, waarbij Waite de rauwe randen van zijn stem opzoekt. De afsluiter van de plaat is Big Time for Love met een heerlijke Hammondsolo.
Waite schreef als vanouds het meeste zelf: op zeven van de negen nummers is hij (co-)componist. Tevens kom ik “grote namen” tegen als Desmond Child (These Times, hier de minidocu over hem van Top 2000 á Gogo), Diane Warren (Don’t Lose) en zelfs Dan Hartman (de door keyboards gedragen ballade Sometimes, hij scoorde zelf in 1980 een discohit met Relight My Fire).
De plaat was een redelijk succes in de Verenigde Staten, maar werd niet de megaklapper waarop was gehoopt. In het buitenland wilde het qua hitparade ook niet lukken, zodat ook de albumverkoop achterbleef. Twee jaar later keerde Waite onverwacht terug als frontman van Bad English, waar het succes juist alle verwachtingen zou overtreffen.
Ik hoop komende week enkele nummers van Rover's Return live mee te maken tijdens zijn tournee door de Lage Landen. Ongegeneerd meezingen!
Aan de namenlijst te zien was EMI vastbesloten om deze missie te laten slagen. Opgenomen met een lange lijst sessiemuzikanten, grotendeels dezelfden als op zijn vorige platen, plus maar liefst zeventien technici, werd niets aan het toeval overgelaten.
Producers waren naast Waite en Frank Filipetti de succesvolle veelschrijver Desmond Child (de openingssong) en ene Rick Nowels (twee nummers op de B-zijde). Opgenomen in New York, zodat de zanger vanuit huis naar de studio kon forensen.
De elpee plukte ik uit de fonotheek in het dorp, waar kennelijk iemand werkte die het goed voorhad met de voormalige zanger van The Babys: elke soloplaat werd aangeschaft. De hoes deed denken aan No Brakes van drie jaar eerder. Een zwart-wit foto van Waite die zijn haarlengte had teruggebracht tot hetgeen menig moeder kon waarderen. Op de binnenhoes echter ontwaarde ik Waite met lang haar en staartje, de buitenhoes had me voor de gek gehouden. Wat deed het ertoe? Ik wilde de single horen waarvan ik de clip op tv had gezien: These Times are Hard for Lovers. Twee plaatkanten later wist ik dat de Engelsman zijn oude vorm had hervonden.
De A-zijde opent met die fenomenale single, een meeslepend statement over liefhebben tegen de klippen op. Het wordt gevolgd door het al even mooie Act of Love met zijn hamerende pianobegeleiding. Mijn derde hoogtepunt op die dag in 1987 was Wild One, met in het intro een toetsenpartij die me deed denken aan Dio’s Rainbow in the Dark. De romantiek spatte weer uit de groef, de melodieën dwongen me regelmatig tot luid meezingen, dit alles badend in gevarieerde adult oriented rock.
B-kanten van elpees waren bij Waite (en vele anderen) vaak minder sterk. Hij opent sterk met Don’t Lose Any Sleep. Het stevige She’s the One vond ik fijn met zijn stuwende combinatie van scheurende gitaar, zwevende toetsen en de stem van Waite die wederom bruist van emotie.
Jaren later valt me bij herbeluistering op de A-kant Encircled op. Hier draait het een keer niet om de melodie, maar om een gitaarriff, waarbij Waite de rauwe randen van zijn stem opzoekt. De afsluiter van de plaat is Big Time for Love met een heerlijke Hammondsolo.
Waite schreef als vanouds het meeste zelf: op zeven van de negen nummers is hij (co-)componist. Tevens kom ik “grote namen” tegen als Desmond Child (These Times, hier de minidocu over hem van Top 2000 á Gogo), Diane Warren (Don’t Lose) en zelfs Dan Hartman (de door keyboards gedragen ballade Sometimes, hij scoorde zelf in 1980 een discohit met Relight My Fire).
De plaat was een redelijk succes in de Verenigde Staten, maar werd niet de megaklapper waarop was gehoopt. In het buitenland wilde het qua hitparade ook niet lukken, zodat ook de albumverkoop achterbleef. Twee jaar later keerde Waite onverwacht terug als frontman van Bad English, waar het succes juist alle verwachtingen zou overtreffen.
Ik hoop komende week enkele nummers van Rover's Return live mee te maken tijdens zijn tournee door de Lage Landen. Ongegeneerd meezingen!
John Waite - Temple Bar (1995)

3,0
0
geplaatst: 16 september 2022, 18:48 uur
Gedurende het eerste deel van zijn carrière bivakkeerde John Waite op het snijvlak van pop en rock. Alleen bij Bad English was het duidelijk hardrock, door de inbreng van met name gitarist Neal Schon. Voor het overige was Waite wellicht te pop voor rock, of juist te rock voor pop. Ik vond en vind deze adult oriented rock erg fijn, zeker als je een stem hebt als hij.
Pas vier jaar na zijn lidmaatschap van Bad English keerde de zanger met de gouden stem terug. Dit met zijn vijfde soloalbum, hij is dan inmiddels 42. Al spoedig wordt duidelijk dat hij hierop resoluut voor pop kiest. Jammer voor de fans van scheurende gitaren, want die zijn op Temple Bar verdwenen. Persoonlijke ervaringen hadden geleid tot een nieuwe stijl: na de teleurstellingen met de “supergroep” en een echtscheiding wilde hij dichter bij zichzelf blijven.
Dat levert enkele sterke nummers op: met het midtempo openingslied How Did I Get by Without You? kun je overigens nog denken dat er sprake is van rockende pop, maar als op de volgende nummers vrij ingetogen pop klinkt op een tapijt van digitale keyboards, is duidelijk dat de koers is gewijzigd.
Andere hoogtepunten: Price of my Tears, The Glittering Prize en het later als bonus verschenen I’ve Been Wrong Before. De teksten behandelen deels de misère die hij had meegemaakt en maakten zo de cd (hij kwam niet op elpee uit) tot zijn meest persoonlijke product tot dan toe. De romantische prins op het witte paard bleek een soms kwetsbare man te zijn, wat hem eigenlijk alleen maar interessanter maakte.
Elf jaar geleden was joko16 kritisch: hij vond het te gepolijst. Ik begrijp wel wat hij bedoelt: luister maar naar het tweede nummer Someone Like You. Op zich een aardig liedje, maar met die zwoele keyboards en digipercussie is het wel erg glad, daar verandert de spaarzame gitaarpartij niets aan. Dit euvel doet zich te vaak voor: er zit wel erg veel zoete glazuur in de arrangementen.
Echter, van Hank Williams covert hij I’m So Lonesome I Could Cry, dat verrassend goed uitpakt: akoestische begeleiding en uiteraard weer de immer pakkende stem van Waite in diens versie van deze countryklassieker uit 1949.
Met voortschrijdend inzicht zou je Temple Bar als een overgangsplaat kunnen zien tussen zijn jonge jaren van aor naar de gerijpte jaren van akoestische kwaliteitspop; op de opvolger When You Were Mine klinkt die laatste stijl.
Temple Bar verscheen op het nieuwe label van Terry Ellis, Imago genaamd. Deze was ooit bandlid van Jethro Tull om in 1969 het label Chrysalis te starten. Hier bracht Waites eerste grote band The Babys hun muziek uit en maakte hij tevens zijn eerste soloplaat.
Na The Babys, zijn eerste vier soloalbums en de twee als frontman van Bad English kreeg Waite van Ellis de kans om het tweede deel van zijn solocarrière te starten en zich te ontdoen van bombastische muziek. Enerzijds vind ik dit jammer, ik ben immers niet vies van een gitaarmuurtje. Anderzijds klinken gewoon alweer goede liedjes.
Een laatavondplaat is de term voor zijn nieuwe jasje, zoals mijn MuMe-vriend uit Oostende mij leerde. Wijntje, whiskeytje, bokbiertje, kaasje… Laat het najaar maar komen. Alhoewel latere albums van Waite dan mijn voorkeur hebben, is het Temple Bar dat de weg wees. Een essentieel overgangsalbum in de discografie van de Britse New Yorker, dat ik drie sterren geef.
Pas vier jaar na zijn lidmaatschap van Bad English keerde de zanger met de gouden stem terug. Dit met zijn vijfde soloalbum, hij is dan inmiddels 42. Al spoedig wordt duidelijk dat hij hierop resoluut voor pop kiest. Jammer voor de fans van scheurende gitaren, want die zijn op Temple Bar verdwenen. Persoonlijke ervaringen hadden geleid tot een nieuwe stijl: na de teleurstellingen met de “supergroep” en een echtscheiding wilde hij dichter bij zichzelf blijven.
Dat levert enkele sterke nummers op: met het midtempo openingslied How Did I Get by Without You? kun je overigens nog denken dat er sprake is van rockende pop, maar als op de volgende nummers vrij ingetogen pop klinkt op een tapijt van digitale keyboards, is duidelijk dat de koers is gewijzigd.
Andere hoogtepunten: Price of my Tears, The Glittering Prize en het later als bonus verschenen I’ve Been Wrong Before. De teksten behandelen deels de misère die hij had meegemaakt en maakten zo de cd (hij kwam niet op elpee uit) tot zijn meest persoonlijke product tot dan toe. De romantische prins op het witte paard bleek een soms kwetsbare man te zijn, wat hem eigenlijk alleen maar interessanter maakte.
Elf jaar geleden was joko16 kritisch: hij vond het te gepolijst. Ik begrijp wel wat hij bedoelt: luister maar naar het tweede nummer Someone Like You. Op zich een aardig liedje, maar met die zwoele keyboards en digipercussie is het wel erg glad, daar verandert de spaarzame gitaarpartij niets aan. Dit euvel doet zich te vaak voor: er zit wel erg veel zoete glazuur in de arrangementen.
Echter, van Hank Williams covert hij I’m So Lonesome I Could Cry, dat verrassend goed uitpakt: akoestische begeleiding en uiteraard weer de immer pakkende stem van Waite in diens versie van deze countryklassieker uit 1949.
Met voortschrijdend inzicht zou je Temple Bar als een overgangsplaat kunnen zien tussen zijn jonge jaren van aor naar de gerijpte jaren van akoestische kwaliteitspop; op de opvolger When You Were Mine klinkt die laatste stijl.
Temple Bar verscheen op het nieuwe label van Terry Ellis, Imago genaamd. Deze was ooit bandlid van Jethro Tull om in 1969 het label Chrysalis te starten. Hier bracht Waites eerste grote band The Babys hun muziek uit en maakte hij tevens zijn eerste soloplaat.
Na The Babys, zijn eerste vier soloalbums en de twee als frontman van Bad English kreeg Waite van Ellis de kans om het tweede deel van zijn solocarrière te starten en zich te ontdoen van bombastische muziek. Enerzijds vind ik dit jammer, ik ben immers niet vies van een gitaarmuurtje. Anderzijds klinken gewoon alweer goede liedjes.
Een laatavondplaat is de term voor zijn nieuwe jasje, zoals mijn MuMe-vriend uit Oostende mij leerde. Wijntje, whiskeytje, bokbiertje, kaasje… Laat het najaar maar komen. Alhoewel latere albums van Waite dan mijn voorkeur hebben, is het Temple Bar dat de weg wees. Een essentieel overgangsalbum in de discografie van de Britse New Yorker, dat ik drie sterren geef.
John Waite - The Hard Way (2004)

3,5
0
geplaatst: 17 september 2022, 22:27 uur
Hierboven meldden De Buurman en FUEL dat de tracklist zoals die op MuMe staat vermeld incorrect is. Hun opmerkingen zijn dat wél, heb zojuist bij MuMe een gecorrigeerde tracklist ingediend, conform hetgeen bij Discogs en op Waites website is te vinden.
Daar vertelt John Waite dat platenmaatschappij Gold Circle ermee stopte en dat hij de masters van Figure in a Landscape kreeg. Het vormde de aanleiding om enkele nummers van dat album in een nieuw jasje te steken en die op The Hard Way (track 2 tot en met 7) samen te brengen. Die versies vallen veelal steviger uit dan de oorspronkelijke. De nieuwe versie van Keys to Your Heart verscheen overigens in 2009 nogmaals als slottrack op een heruitgave van Figure.
Op The Hard Way vinden we twee nieuwe liedjes in de Waite catalogus. Allereerst de titelsong en die mag er zijn! Een sterke compositie, verrassenderwijs ouderwets stevig rockend. Hierin excelleert hij als in zijn jongere jaren, hoe is het toch mogelijk dat iemands stem zó jong blijft?! Het brengt de luisteraar terug naar de albums met The Babys en zijn eerste vier soloplaten, toen hij adult oriented rock maakte.
Dan is er Girl from the North Country, oorspronkelijk van Bob Dylan, bij Waite een fraaie akoestische cover.
Niet nieuw maar wél anders is Waites nieuwe versie van zijn solohit Missing You, dat eveneens akoestisch dit oude-liedjes-in-nieuwe-jasjes-plaatje afsluit.
Waite coverde dus zichzelf en voegde er twee meer dan fraaie liedjes aan toe. De titel is opeens weer actueel: nog dit jaar moet een documentaire over Waite verschijnen die ook The Hard Way heet.
Daar vertelt John Waite dat platenmaatschappij Gold Circle ermee stopte en dat hij de masters van Figure in a Landscape kreeg. Het vormde de aanleiding om enkele nummers van dat album in een nieuw jasje te steken en die op The Hard Way (track 2 tot en met 7) samen te brengen. Die versies vallen veelal steviger uit dan de oorspronkelijke. De nieuwe versie van Keys to Your Heart verscheen overigens in 2009 nogmaals als slottrack op een heruitgave van Figure.
Op The Hard Way vinden we twee nieuwe liedjes in de Waite catalogus. Allereerst de titelsong en die mag er zijn! Een sterke compositie, verrassenderwijs ouderwets stevig rockend. Hierin excelleert hij als in zijn jongere jaren, hoe is het toch mogelijk dat iemands stem zó jong blijft?! Het brengt de luisteraar terug naar de albums met The Babys en zijn eerste vier soloplaten, toen hij adult oriented rock maakte.
Dan is er Girl from the North Country, oorspronkelijk van Bob Dylan, bij Waite een fraaie akoestische cover.
Niet nieuw maar wél anders is Waites nieuwe versie van zijn solohit Missing You, dat eveneens akoestisch dit oude-liedjes-in-nieuwe-jasjes-plaatje afsluit.
Waite coverde dus zichzelf en voegde er twee meer dan fraaie liedjes aan toe. De titel is opeens weer actueel: nog dit jaar moet een documentaire over Waite verschijnen die ook The Hard Way heet.
