MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

John Norum - Slipped Into Tomorrow (1999)

poster
2,5
Gitarist John Norum is op Slipped Into Tomorrow terug bij de basis: een triobezetting waarbij hij zelf zingt. Het is zijn zwaarste soloalbum tot dan toe, dankzij de laag gestemde gitaren en knallende composities. Snarenracen kan hij als de beste, opnieuw vind ik de zanglijnen het zwakkere onderdeel, al houdt zijn stem zich prima staande in al het geweld.

Still in the Game beukt als een malle, Waiting on You net zo heavy maar slepender en alhoewel Blackscape eveneens wat langzamer is, bevat het enkele hypersnelle staccatodelen. En zo gaat het door van de ene naar de andere gitaarmuur.

Wie denkt dat de (hier nog ex-)gitarist van Europe slechts licht verteerbare hardrock kan spelen, moet dit eens horen en zal verrast worden. Een lekker plaatje voor wie het louter luid wil. Ik mis echter variatie zoals Norum die voorheen liet horen, het gevoel van Blackmore, Schenker, Thin Lizzy en anderen, waarin melodie en snelheid zo goed samengingen.

John Norum - Total Control (1987)

poster
3,5
Reeds het jaar na zijn vertrek uit Europe kwam gitarist John Norum met zijn solodebuut Total Control. Weg van het hitparadecircus, lekker de gitaar centraal. Hierboven las ik de nodige informatie over de mij onbekende Göran Edman die op track 2, 5 en 6 een prima zanger blijkt en tegelijkertijd verbaast het me dat Norum ook over zo'n goede zangstem beschikt.
Zou hij al het werk ná zijn vertrek uit Europe hebben geschreven? Of zit er materiaal bij dat oorspronkelijk voor Europe was bedoeld? Feit is dat er in 1988 in Scandinavië alleen al 70.000 exemplaren waren verkocht, blijkens dit interview.

Het materiaal is degelijk, maar qua composities word ik nergens écht enthousiast. Norum schreef ze met bassist Marcel Jacob, de bassist bij Yngwie Malmsteen op diens Marching Out (1985). Mijn favorieten zijn Too Many Hearts dat iets wegheeft van Black Sabbaths No Stranger to Love uit 1986, het uptempo Eternal Flame en het Whitesnakeaanse Blind. En laat ik het instrumentale slotlied In Chase of the Wind niet vergeten.
De gitaarsolo's: fraaaaaai in de combinatie melodie met snelheid. Norum stelt die altijd ten dienste van het liedje.
Omdat hij Back on the Streets van Vinnie Vincent Invasion covert, staan hierboven de nodige vergelijkingen. Nou heb ik die VVI hier op vinyl staan - cadeau van maatje JeKo die 'm kocht maar een miskoop bevond - en dan valt inderdaad het grote verschil in aanpak op tussen deze twee snarenracers. Bij VVI dus behoorlijk over de top in vergelijking met de nuchtere Norum, al heeft het allebei z'n charme.

Eén keer word ik wél enthousiast. Dat is bij Wild One, de cover van Thin Lizzy, in Europa alleen op de cd-versie van dit album verschenen en nadien ook via streaming. Plotseling weet ik zeker dat dát hetgeen is wat ik mis op Total Control : hele goede eigen composities. Want wat is en blijft dit toch een zeldzaam mooi nummer: de breaks alleen al, als op het origineel uit 1975.
Bovendien leuk om het in de productiestijl van 1987 te horen, wat me bij de constatering brengt dat dit toch een stuk beter klinkt dan de eerste twee van Europe, waar het eveneens om de gitaren draaide. Eigenlijk keert Norum terug naar die stijl, maar dan met sterk verbeterd geluid.

Al met al is Total Control een degelijk album, dat me op de gitaarsolo's na niet op het puntje van mijn stoel brengt. Een dikke 7 daarom voor deze bezige bij van toen slechts 24 jaar oud, die het jaar ervoor niet alleen druk was geweest met Europe maar ook met het album dat zus Tone Norum maakte. Dat hij zo snel al met dit vervolg kwam, verdient een kleine buiging.

John Norum - Worlds Away (1996)

poster
3,5
Europe was ter ziele en twee ex-leden gingen hun soloweg. Het vierde soloalbum van John Norum, al in 1986 vertrokken, heet Worlds Away en verscheen het jaar vóór Azalea Place, het tweede album van Joey Tempest.
Die ging het singer-songwriterpad op, bij Norum echter geen haar die erover piekerde om andere muzikale horizonten te verkennen. Hij blijft stevig hardrocken, daarbij zijn kunsten op de zes snaren etalerend. Net als op voorganger Another Destination van twee jaar eerder is Kelly Keeling zanger, tevens een enkele toetsenpartij inspelend.
De productie van Jeff Glixman is droger dan die van Mike Varney, wat een transparanter geluid brengt. Ander verschil is dat Keelings partijen hier heser klinken, minder rauw en meer ontspannen dan hij eerder bij Norum liet horen. Drummer is Simon Wright, bekend van voorheen AC/DC en Dio.

Minder nadrukkelijk dan op de voorganger zoekt Norum de blues, al is deze nooit ver weg. Het resultaat is hardrock die net als Keelings stem nét wat lichter en toegankelijker is.
De uptempo opener Manic Distortion is met zijn knipoog naar Jimi Hendrix in de titel een relaxt en toch knallend nummer: heerlijk, zeker met de notenwaterval in de gitaarsolo. C.Y.R. is een groeinummer met heerlijke slaggitaarpartij en sterke zanglijn, semiballade Where the Grass Is Green mag er ook zijn.
Slidegitaar klinkt in Dogs Are Barking, In Wasted Labor zou je zelfs enige zware grunge kunnen herkennen - alhoewel, rock is rock en scheurende gitaren zijn scheurende gitaren. Toch moet ik in het laatste deel van het nummer denken aan groepen als Soundgarden en Alice in Chains.
Het album sluit af met een nieuwe versie van Endica, oorspronkelijk op Face the Truth (1992) en omgedoopt tot Endica (Revisited). Waarom From Outside In slechts een bonusnummer is, is me een raadsel; hier komt het beste van Norum en Keeling samen.

Het is het enige soloalbum van Norum waarop hij niet op de voorzijde is geportretteerd. In plaats daarvan zo'n digitale fotocollage van optisch laag niveau, wat vooral opvalt op de plek waar de benen van de dame (echtgenote en tevens gitariste Michelle Meldrum van o.a. Phantom Blue?) in het gras verdwijnen. Dit soort hoezen zag je veel in die tijd...
Mijn streamingplatform heeft Worlds Away niet staan, gelukkig biedt YouTube uitkomst.

John Waite - Anything (2022)

poster
4,0
Op 30 april bracht John Waite de EP Anything uit. Na zijn laatste album Rough & Tumble (2011) verschenen geen elektrische albums, afgezien van enkele compilaties; wel kwam er het nodige akoestische werk uit, deels heropnames van eerder werk.
Nu zijn er dus vijf nieuwe composities, met een vierkoppige elektrische band opgenomen. Te vinden op streaming en waarschijnlijk verkrijgbaar bij de concerten die hij deze week in Nederland geeft.

Muzikaal ligt het in de lijn van dat laatste echte studioalbum. De EP begint met de titelsong; degenen die de singles van de man sinds 1977 konden waarderen, herkennen er hier eentje in dezelfde sfeer. Romantische adult oriented rock (stevige poprock of is het rustige rockpop?) waarin uiteraard een pakkend en gepassioneerd refrein klinkt. Met nog altijd die prachtige stem, waarin op de juiste momenten een rauw randje klinkt. Zijn stem lijkt sinds het debuut in 1976 onveranderd, hoe doet hij dat toch?
Lifeguard is eveneens midtempo en romantisch, ik ben er dol op want altijd weer is daar zo'n sterk refrein. Grenadine is een ballade, wat de man altijd al zo goed kon. In de laatste twee nummers wordt meer ruimte te geven aan scheurende gitaren. Na de knallende slotsolo van mijn favoriet Darling covert Waite wederom Bob Dylan, deze keer Masters of War en dat gaat hem weer eens goed af.

Verhuisde Waite begin jaren ’80 van Engeland naar New York, volgens Wikipedia woont de inmiddels zeventigjarige sinds 2014 in het Californische Santa Monica. Het is daar fijn wonen voor de pensionado, vermoed ik. Toch fijn dat hij actief blijft.
Vorige week was hij te gast bij radio-dj Gerard Ekdom, die een kort maar zinnig interview hield, waarna Waite met zijn tourband drie klassiekertjes uit zijn discografie speelde.
In een interview met The Rockpit las ik dat hij het in deze tijd van streaming niet meer verstandig vindt om albums uit te brengen, vandaar dat hij het bij een EP hield. Van mij mag hij er wel ieder jaar zo één uitbrengen, zeker met de lange radiostilte die eraan voorafging.

John Waite - Downtown (2006)

Alternatieve titel: Journey of a Heart

poster
4,0
Terwijl Waite bezig is aan zijn tournee door Nederland, draai ik zijn discografie. Dat met veel plezier.

Downtown is het tweede achtereenvolgende album van Waite met eigen liedjes in een nieuw jasje, verschenen in juli 2006.
Wat je krijgt te horen is een band, alsof je live in de studio erbij bent: gitaar, bas, drums en keyboards. Oftewel weinig opsmuk, wél twaalf sterke songs uit 's mans carrière. Geen vetgemeste productie maar een geluid dat dicht bij het livegevoel staat. Vijf mensen die hoorbaar met plezier samenspelen. In werkelijkheid speelden er meer mensen mee, maar het gevoel is dat van een livebandje.

Het is genieten van de bijna-liveversies van Babysklassiekers Isn't it Time? en Head First, idem voor de recht-in-je-gezicht-versies van zijn solowerk.
Missing You staat er als duet met Alison Krauss op, in Nederland indertijd niet meer dan een radiohitje. Het blijft desondanks dicht bij het origineel, anders dan When I See You Smile, dat hier akoestisch met een ingetogen melodielijn is, in tegenstelling tot de knallende hit die hij er ooit mee had als zanger van Bad English.

Twee liedjes nam hij voor het eerst op: Highway 61 met scheurende mondharmonica, oorspronkelijk van Bob Dylan; en de zelfgeschreven ballade St. Patrick's Day, een observatie van een romance in zijn woonplaats New York.

Niet revolutionair, wel bijzonder fijn. Ik verheug me op het naderende concert!

John Waite - Figure in a Landscape (2001)

poster
3,5
De eerste John Waite van het nieuwe millennium was Figure in a Landscape, waarvan ik de hoes meteen mooi vond. Staande voor een theaterdoek, gekleed in het zwart, de rode haren tot op de schouders, kijkt hij ons ernstig aan. Zoals op zijn vorige soloplaten produceerde Waite zelf, deze keer met Ed Thacker. Op het album heeft gitarist Shayne Fontayne wederom een grote rol, desondanks zijn de countryrockinvloeden van voorganger When You Were Mine grotendeels verdwenen.

Op Figure in a Landscape klinkt fraaie popmuziek, iets uitbundiger dan op die voorganger dankzij een her en der opduikende slidegitaar. Gebleven zijn de akoestische basis, de meestal zelfgeschreven fraaie liedjes en uiteraard Waites fantastische stem, die jong en lenig blijft klinken. Dankzij de steviger uitvoeringen, een enkel dameskoortje of spaarzame strijkers klinkt het resultaat gevulder dan zijn vorige album.

Waite is ten diepste een singer-songwriter; als voorheen hoor je hem vaak als romanticus, zoals in opener Keys to your Heart, waar een swingende shuffle de basis vormt. In het ingetogen Always Be Your Man is het september, de herfst kondigt zich aan en in de verte lonkt de winter. Hé, die weersomstandigheden herken ik van vandaag… Waite maakt het alsnog warm met violen en de stem van ene Debby Holiday.
Hij bezingt niet alleen zichzelf. Op NYC Girl bijvoorbeeld portretteert hij een stadsgenote van hem, de tweede ballade die groeit bij vaker draaien. Eén keer wordt het stevig, namelijk met Godhead. Dit nummer raakt mij echter niet: opvallend dat ik hem op deze plaat het liefst wat ingetogener hoor; voorheen hield ik juist van zijn luide rock.
Coverde hij op zijn vorige twee albums respectievelijk Hank Williams en Bob Dylan, deze keer ontbreekt een cover. Heeft hij ook niet nodig, liedjes schrijven ligt hem nog altijd. Al covert hij wel zichzelf: op streaming staat de 2009-editie met als bonus een tweede versie van Keys to your Heart, die veel meer slidegitaar bevat. Lekker!

Een heerlijk plaatje met naar mijn smaak iets te veel ballads (vijf stuks), dat had er wel eentje minder mogen zijn. Maar omdat ook Fly, New Thing (harp in het intro, leuk!) en Special One zeer smakelijk zijn, is een (dikke) 7½ de enig logische conclusie.

John Waite - Ignition (1982)

poster
4,0
Vanaf aanstaande woensdag geeft John Waite zeven concerten in Nederland, reden voor mij om de komende dagen extra naar zijn solowerk te luisteren én hem te gaan zien.

Na hitsingles in de jaren 1977 – 1979 brachten The Babys in 1980 twee albums uit in gewijzigde bezetting, waarop een steviger geluid klonk. Hierop viel de band uit elkaar, in 1982 debuteerde zanger John Waite solo met Ignition. Hij bleef bij het label Chrysalis.
Gelukkig voor mij schafte de dorpsfonotheek deze plaat aan, net zoals ze de opvolgers gedurende de jaren ’80 zouden inslaan. De hoes van Ignition deed mij met zijn videofoto’s denken aan Strangers in the Night van labelgenoten UFO. Met Waites korte kapsel en de typografie van de hoes had het zelfs een new wave-achtige uitstraling.

Het is warempel een stevige plaat, waarop uptempo songs en scheurende gitaren de sfeer bepalen en keyboards een ondergeschikte rol spelen. Hoe vreemd het misschien lijkt, hier klinkt muziek op de snijvlakken van new wave, hard rock en adult oriented rock, zoals dat bijvoorbeeld ook Pat Benatar in die jaren lukte. Wat hierbij voorop staat: de melodie. Hoe pakkender, hoe beter.
De teksten gaan net als voorheen bijna altijd over de liefde voor een meisje, van blinde verliefdheid tot gebroken harten. Klef wordt het voor mij nergens. In White Heat bezingt Waite een meisje uit Baltimore, waarmee hij nadrukkelijk naar de Amerikaanse markt lonkte. De Engelsman was namelijk verkast naar New York en wordt op Ignition bijgestaan door Amerikaanse liedschrijvers en muzikanten. Zelf schreef hij (mee aan) zeven van de tien nummers.

De plaat deed in Nederland hoegenaamd niets. Wat dat betreft had de Nederlandse platenkoper bananen in de oren.
Hoogtepunten op de A-kant: opener White Heat (in de eerste tonen klinkt kort een saxofoon, even “schrikken” maar spoedig zijn daar zijn stem en een heerlijk refrein), Change dat in de Verenigde Staten een hitje was, Mr. Wonderful en Desperate Love.
Op de B-kant zijn het Be My Baby Tonight, het iets ingetogener Make it Happen en de dromerige midtempo ballade I’m Still in Love.
Wie van de twee laatste albums van The Babys houdt, Union Jacks en On the Edge, wordt ongetwijfeld blij verrast met het uptempo werk in die muzikale lijn. Stevig en melodieus. Romantisch en rockend. Kwetsbaar en toch stoer. Plus altijd weer zijn markante stem, gepassioneerd met een rauw randje.

Op streaming vind je het album met de Zuid-Europese en Amerikaanse hoes, conventioneler dan de versie die elders in Europa in de platenbakken belandde. Ben blij dat MuMe het bij de Nederlandse variant houdt.

John Waite - Mask of Smiles (1985)

poster
3,0
Een jaar na voorganger No Brakes verscheen Mask of Smiles, de derde soloplaat van John Waite. Na de sobere zwart-withoes van de vorige plaat, hulde hij zich inmiddels in sjieke kledij op een kleurige hoes; op de cover draagt hij zwart, achterop is hij gehuld in een witte mantel, alsof hij van de catwalk komt gestapt. De haren liet hij weer lang groeien.
Waite produceerde het album met Stephen Galfas, die in de jaren ’80 een grote naam werd in de wereld van de melodieuze (hard)rock en metal. Qua sound werd gekozen voor een geluid zoals dat in 1985 ook bij hitgevoelige newwavebands klonk, de muziek is echter conservatiever: gitaargeoriënteerd, melodieus rockend met opnieuw een groeiende rol voor keyboards. In de beste Waite-traditie gaan de meeste teksten over de liefde in al haar seizoenen. Zijn passievolle stem doet je geloven dat hij alles meent, wát een kwaliteit schuilt hierin!

Dit album bevat slechts zes redelijke tot goede songs. Solodebuut Ignition steekt daar met kop en schouders bovenuit maar ook voorganger No Brakes was beter, wat ertoe leidt dat Waites derde soloplaat zijn minste is tot dan toe.
Ieder van die albums telde evenwel minimaal één juweel van een (hit)single. Op deze plaat is dat opener Every Step of the Way, wat hij met de succesvolle Tsjechisch-Amerikaanse liedschrijver Ivan Král neerpende. Het is een hartstochtelijke ode aan een vrouw. Powerpop met een tekst die ik tot op de dag van vandaag kan meezingen.

Hiermee is meteen het beste voorbij gekomen. Dat betekent echter niet dat de rest waardeloos is. In 1985 belandden de volgende liedjes op mijn cassettebandje: van de A-zijde Laydown met daarin een doedelzakachtige (!) toetsenpartij, het vrolijk-stevige Lust for Life en Ain’t that Peculiar, dat geleidelijk een bescheiden briljantje wordt, zeker als de dames in het koortje gaan zingen. Het origineel van Smokey Robinson stamt uit 1965, in deze versie moet ik zowaar aan Waites voorbije dagen bij The Babys denken.
De B-zijde opent met Just like Lovers, waarin een saxofoonsolo zit. Een aardige popsong. Op afsluiter No Brakes (waarom stond deze track niet op de vorige plaat?!) speelt op gitaar Waites stadsgenoot Johnny Thunders, bekend van New York Dolls. Met een honkytonkpiano erbij wordt het gaspedaal nog eens stevig ingetrapt.

Soms kakt de plaat in. Vooral bij de twee ballades houd ik het niet vol: op de A-zijde Welcome to Paradise en op de B-zijde The Choice. Dat laatste lied begint met de suikerspinzoete keyboardgeluiden die in die periode gangbaar waren en die je bijvoorbeeld ook bij Whitney Houston hoort. Veel te klef. You’re the One is stevig maar nauwelijks memorabel, ondanks het feit dat de stem van Waite ook deze compositie naar een hoger niveau trekt.
Misschien werd het gestaag dalende niveau van de eerste drie soloplaten veroorzaakt doordat Waite opnieuw met (andere) sessiemuzikanten werkte, waarbij hij creatieve input van bandleden ontbeerde. Te solo. Bovendien kan tijdsgebrek een rol hebben gespeeld, Mask of Smiles verscheen slechts dertien maanden na de voorganger.
Maar goed, die single hè? In Nederland en België overigens geen hit, maar dankzij Sky Channel, de eerste muziekzender die bij ons thuis via de kabel binnenrolde, kwam ik de videoclip vaak tegen. Tijdloos pareltje.

John Waite - No Brakes (1984)

poster
4,5
Voor zijn tweede soloplaat No Brakes stapte John Waite over van het independant Chrysalis naar major label EMI. Vergeleken met voorganger Ignition vond ik No Brakes nét wat rustiger met wat meer ruimte voor keyboards. Missing You haalde in Nederland in september 1984 slechts de Tipparade, maar klonk regelmatig op Hilversum 3. Kennelijk een favootje van diverse dj’s. Ik was verkocht!

Op de cover bleken zijn rode haren alweer iets korter te zijn geknipt; een prachtige zwart-witfoto. Kant A was pakkend. Het snelle Saturday Night, de megaballade Missing You die ik spoedig helemaal kon meezingen, Dark Side of the Sun en het prachtige Restless Heart, een popliedje met fraaie slidegitaar van Gary Myrick. Het is één van de zeven songs waar Waite (mee)componeerde. Het slot van die kant is Tears, waarvan ik hierboven lees dat dit een liedje van Kiss’ Vinnie Vincent is. Een prima nummer.

Op de B-kant echter is er geen enkel liedje dat me echt pakt. Wel valt me nu pas op dat er in de coupletten op Love Collision enige invloeden van Talking Heads klinken: ik bedoel het gitaartje in het refrein waarmee de plaat ook eindigt. Misschien waren de Britse New Yorker en zijn bandleden fan van de eigenzinnige newwavemeesters uit diezelfde stad.
In de Verenigde Staten brak hij na zijn succesjaren met The Babys wederom door. EMI kon tevreden zijn.

De plaat blijkt transparanter te zijn geproduceerd dan de voorganger, wat wel lekker is. Met die sterke eerste helft toch nog drieëneenhalve ster, die plaatkant is immers heerlijk genieten. En als Waite de komende week tijdens de Nederlandse tournee Missing You en Restless Heart speelt, is deze jongen helemaal content.

John Waite - Rough & Tumble (2011)

poster
3,5
John Waite was ver naar de achtergrond van mijn muzikale wereld beland, toen dit album in 2011 verscheen. Hij was zichtbaar ouder geworden, al ziet hij er op de hoes voor een 58-jarige nog prima uit met z’n volle bos haar. Dat lukt niet iedereen...
De buurman constateerde indertijd al dat dit een heuse rockplaat is. De plaat opent met de bluesrockende gitaarlick van titelsong Rough & Tumble. Een riff die me niet pakt, maar de toon is gezet: we gaan knallen!
Op Shadows of Love is de zangmelodie belangrijker, dit bevalt mij beter. Evil is een uptempo poprocker over een verboden liefde; met stiekem een four-to-the-floor-discobeat - maar lékkerrr, zeker met dat nanana-koortje in het refrein!
If You Ever Get Lonely was in 2013 de single en doet wat zoiets belooft: midtempo, romantisch met alweer een sterk ijzersterk refrein, dat je vanzelf doet meezingen.

Het volgende sterke nummer is Sweet Rhode Island Red, een vlot liedje met twee slidegitaarsolo’s. Love's Goin' Out of Style lijkt wel een bewerking van een soulklassieker, maar is een eigen compositie; een paar keer draaien deed me constateren dat ie steeds mooier wordt. Mijn laatste favo is de remake van Mr. Wonderful, oorspronkelijk te vinden op zijn eerste soloplaat Ignition (1982).

Dat diezelfde buurman, doorgaans zo enthousiast over Waite, hierboven vermeldt dat diens soloplaten uit de jaren ’80 “bepaald geen aanraders” zijn, doet mij de wenkbrauwen omhoog trekken van oprechte verbazing. Misschien wil hij ze een tweede kans gunnen?
Voor ToetnL en anderen die van de stevige kant van John Waite houden, bij deze een mosterd-na-de-maaltijd-advies. Probeer eens de laatste twee albums die hij met met The Babys maakte (Union Jacks en On the Edge, beiden uit 1980) en zijn eerste twee soloplaten (het zojuist genoemde Ignition en No Brakes). Plus inderdaad de twee met Bad English, daarin heeft buurman helemaal gelijk. Overigens vind je ook op de overige albums die hij in de jaren ’70 en ’80 opnam altijd enkele stevige nummers.

Dit album bracht Waite terug op mijn vizier. Omdat niet alles me pakt geef ik 'm als geheel een dikke zeven.
De komende dagen ga ik zijn livealbums en verzamelaars nog eens draaien. Wie weet zit daar nog een verrassing op, niet op een regulier studioalbum te horen. En dan vrijdag de man met eigen ogen gaan zien... Zelfs de weersverwachting belooft warmer en droger weer, heb er zin in.

John Waite - Rover's Return (1987)

poster
3,5
Twee jaar na Mask of Smiles bracht John Waite Rover’s Return. Als altijd was ik benieuwd of daar opnieuw van die heerlijke meezingers op zouden staan, iets wat met de voorganger slechts éénmaal écht het geval was.
Aan de namenlijst te zien was EMI vastbesloten om deze missie te laten slagen. Opgenomen met een lange lijst sessiemuzikanten, grotendeels dezelfden als op zijn vorige platen, plus maar liefst zeventien technici, werd niets aan het toeval overgelaten.
Producers waren naast Waite en Frank Filipetti de succesvolle veelschrijver Desmond Child (de openingssong) en ene Rick Nowels (twee nummers op de B-zijde). Opgenomen in New York, zodat de zanger vanuit huis naar de studio kon forensen.

De elpee plukte ik uit de fonotheek in het dorp, waar kennelijk iemand werkte die het goed voorhad met de voormalige zanger van The Babys: elke soloplaat werd aangeschaft. De hoes deed denken aan No Brakes van drie jaar eerder. Een zwart-wit foto van Waite die zijn haarlengte had teruggebracht tot hetgeen menig moeder kon waarderen. Op de binnenhoes echter ontwaarde ik Waite met lang haar en staartje, de buitenhoes had me voor de gek gehouden. Wat deed het ertoe? Ik wilde de single horen waarvan ik de clip op tv had gezien: These Times are Hard for Lovers. Twee plaatkanten later wist ik dat de Engelsman zijn oude vorm had hervonden.

De A-zijde opent met die fenomenale single, een meeslepend statement over liefhebben tegen de klippen op. Het wordt gevolgd door het al even mooie Act of Love met zijn hamerende pianobegeleiding. Mijn derde hoogtepunt op die dag in 1987 was Wild One, met in het intro een toetsenpartij die me deed denken aan Dio’s Rainbow in the Dark. De romantiek spatte weer uit de groef, de melodieën dwongen me regelmatig tot luid meezingen, dit alles badend in gevarieerde adult oriented rock.
B-kanten van elpees waren bij Waite (en vele anderen) vaak minder sterk. Hij opent sterk met Don’t Lose Any Sleep. Het stevige She’s the One vond ik fijn met zijn stuwende combinatie van scheurende gitaar, zwevende toetsen en de stem van Waite die wederom bruist van emotie.
Jaren later valt me bij herbeluistering op de A-kant Encircled op. Hier draait het een keer niet om de melodie, maar om een gitaarriff, waarbij Waite de rauwe randen van zijn stem opzoekt. De afsluiter van de plaat is Big Time for Love met een heerlijke Hammondsolo.

Waite schreef als vanouds het meeste zelf: op zeven van de negen nummers is hij (co-)componist. Tevens kom ik “grote namen” tegen als Desmond Child (These Times, hier de minidocu over hem van Top 2000 á Gogo), Diane Warren (Don’t Lose) en zelfs Dan Hartman (de door keyboards gedragen ballade Sometimes, hij scoorde zelf in 1980 een discohit met Relight My Fire).

De plaat was een redelijk succes in de Verenigde Staten, maar werd niet de megaklapper waarop was gehoopt. In het buitenland wilde het qua hitparade ook niet lukken, zodat ook de albumverkoop achterbleef. Twee jaar later keerde Waite onverwacht terug als frontman van Bad English, waar het succes juist alle verwachtingen zou overtreffen.
Ik hoop komende week enkele nummers van Rover's Return live mee te maken tijdens zijn tournee door de Lage Landen. Ongegeneerd meezingen!

John Waite - Temple Bar (1995)

poster
3,0
Gedurende het eerste deel van zijn carrière bivakkeerde John Waite op het snijvlak van pop en rock. Alleen bij Bad English was het duidelijk hardrock, door de inbreng van met name gitarist Neal Schon. Voor het overige was Waite wellicht te pop voor rock, of juist te rock voor pop. Ik vond en vind deze adult oriented rock erg fijn, zeker als je een stem hebt als hij.

Pas vier jaar na zijn lidmaatschap van Bad English keerde de zanger met de gouden stem terug. Dit met zijn vijfde soloalbum, hij is dan inmiddels 42. Al spoedig wordt duidelijk dat hij hierop resoluut voor pop kiest. Jammer voor de fans van scheurende gitaren, want die zijn op Temple Bar verdwenen. Persoonlijke ervaringen hadden geleid tot een nieuwe stijl: na de teleurstellingen met de “supergroep” en een echtscheiding wilde hij dichter bij zichzelf blijven.
Dat levert enkele sterke nummers op: met het midtempo openingslied How Did I Get by Without You? kun je overigens nog denken dat er sprake is van rockende pop, maar als op de volgende nummers vrij ingetogen pop klinkt op een tapijt van digitale keyboards, is duidelijk dat de koers is gewijzigd.
Andere hoogtepunten: Price of my Tears, The Glittering Prize en het later als bonus verschenen I’ve Been Wrong Before. De teksten behandelen deels de misère die hij had meegemaakt en maakten zo de cd (hij kwam niet op elpee uit) tot zijn meest persoonlijke product tot dan toe. De romantische prins op het witte paard bleek een soms kwetsbare man te zijn, wat hem eigenlijk alleen maar interessanter maakte.

Elf jaar geleden was joko16 kritisch: hij vond het te gepolijst. Ik begrijp wel wat hij bedoelt: luister maar naar het tweede nummer Someone Like You. Op zich een aardig liedje, maar met die zwoele keyboards en digipercussie is het wel erg glad, daar verandert de spaarzame gitaarpartij niets aan. Dit euvel doet zich te vaak voor: er zit wel erg veel zoete glazuur in de arrangementen.

Echter, van Hank Williams covert hij I’m So Lonesome I Could Cry, dat verrassend goed uitpakt: akoestische begeleiding en uiteraard weer de immer pakkende stem van Waite in diens versie van deze countryklassieker uit 1949.
Met voortschrijdend inzicht zou je Temple Bar als een overgangsplaat kunnen zien tussen zijn jonge jaren van aor naar de gerijpte jaren van akoestische kwaliteitspop; op de opvolger When You Were Mine klinkt die laatste stijl.

Temple Bar verscheen op het nieuwe label van Terry Ellis, Imago genaamd. Deze was ooit bandlid van Jethro Tull om in 1969 het label Chrysalis te starten. Hier bracht Waites eerste grote band The Babys hun muziek uit en maakte hij tevens zijn eerste soloplaat.
Na The Babys, zijn eerste vier soloalbums en de twee als frontman van Bad English kreeg Waite van Ellis de kans om het tweede deel van zijn solocarrière te starten en zich te ontdoen van bombastische muziek. Enerzijds vind ik dit jammer, ik ben immers niet vies van een gitaarmuurtje. Anderzijds klinken gewoon alweer goede liedjes.
Een laatavondplaat is de term voor zijn nieuwe jasje, zoals mijn MuMe-vriend uit Oostende mij leerde. Wijntje, whiskeytje, bokbiertje, kaasje… Laat het najaar maar komen. Alhoewel latere albums van Waite dan mijn voorkeur hebben, is het Temple Bar dat de weg wees. Een essentieel overgangsalbum in de discografie van de Britse New Yorker, dat ik drie sterren geef.

John Waite - The Hard Way (2004)

poster
3,5
Hierboven meldden De Buurman en FUEL dat de tracklist zoals die op MuMe staat vermeld incorrect is. Hun opmerkingen zijn dat wél, heb zojuist bij MuMe een gecorrigeerde tracklist ingediend, conform hetgeen bij Discogs en op Waites website is te vinden.

Daar vertelt John Waite dat platenmaatschappij Gold Circle ermee stopte en dat hij de masters van Figure in a Landscape kreeg. Het vormde de aanleiding om enkele nummers van dat album in een nieuw jasje te steken en die op The Hard Way (track 2 tot en met 7) samen te brengen. Die versies vallen veelal steviger uit dan de oorspronkelijke. De nieuwe versie van Keys to Your Heart verscheen overigens in 2009 nogmaals als slottrack op een heruitgave van Figure.

Op The Hard Way vinden we twee nieuwe liedjes in de Waite catalogus. Allereerst de titelsong en die mag er zijn! Een sterke compositie, verrassenderwijs ouderwets stevig rockend. Hierin excelleert hij als in zijn jongere jaren, hoe is het toch mogelijk dat iemands stem zó jong blijft?! Het brengt de luisteraar terug naar de albums met The Babys en zijn eerste vier soloplaten, toen hij adult oriented rock maakte.
Dan is er Girl from the North Country, oorspronkelijk van Bob Dylan, bij Waite een fraaie akoestische cover.
Niet nieuw maar wél anders is Waites nieuwe versie van zijn solohit Missing You, dat eveneens akoestisch dit oude-liedjes-in-nieuwe-jasjes-plaatje afsluit.

Waite coverde dus zichzelf en voegde er twee meer dan fraaie liedjes aan toe. De titel is opeens weer actueel: nog dit jaar moet een documentaire over Waite verschijnen die ook The Hard Way heet.

John Waite - When You Were Mine (1997)

poster
4,0
De buurman heeft ruim negen jaar geduld moeten hebben, maar waarschijnlijk is dit de door hem gehoopte reactie ...

Twee jaar na Temple Bar verscheen When You Were Mine. Dit op een ander label dan het vorige, namelijk Mercury. Het album wordt gedragen door de akoestische gitaren van Shayne Fontayne. Ik kende die naam niet, maar een blik op Discogs leert dat hij voordien onder andere te horen was op albums van Lone Justice en Bruce Springsteen. Die namen geven meteen aan dat we het zesde soloalbum van John Waite moeten zoeken in de akoestische rock met invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek: blues in een enkele gitaarlick en vooral country.

Er klinkt ontspannen muziek. Net als voorheen musiceert Waite op de grens van pop en rock, nu echter met de volumeknop beduidend lager dan voorheen. Gaandeweg wordt duidelijk dat de muzikanten een countryachtergrond hebben; toch is dit géén cowboyalbum. Nee, het is 100% kwaliteitspop waarbij de countryinvloeden de ene keer licht en dan weer stevig doorschijnen. De basis is die van akoestische instrumenten, anders dan op het vorige album waar keyboards de muziek bepaalden. Ook de piano is er één met echte snaren. Natuurlijk ontbreken een elektrische bas en gitaar niet, maar nergens worden de composities dichtgesmeerd met powerchords of andere (hard)rockende invloeden. Het is altijd transparant.

Legde Waite op zijn vorige album in de teksten nadruk op zijn doorstane misfortuin en verdriet, de camera op zichzelf gericht, hier beschrijft hij ook mensen en situaties buiten zich. Bluebird Cafe bijvoorbeeld, over een meisje onderweg naar Nashville om het te maken als countryzangeres. Bij herhaaldelijk draaien groeit dit fraaie portret.
Mijn andere favootjes: titelsong When You Were Mine, Imaginary Girl, het uptempo I-95 en All I Want For Christmas, dat absoluut níets heeft te maken met de oorwurm die ons jaarlijks in december teistert. Alhoewel, misschien is het een poging om die te doen vergeten?

Waite klinkt op dit album in ontspannen topvorm. De muziek wordt mooier als je de tijd neemt om de liedjes op je in te laten werken. Weliswaar heel anders dan hetgeen Waite bij The Babys en Bad English maakte, maar hij voelt zich hoorbaar als een vis in het water. Ik hoop dat ik 'm komende week tijdens zijn Nederlandse tour wat van When You Were Mine hoor spelen!

John Waite - Wooden Heart (2017)

Alternatieve titel: Acoustic Anthology, Volume 2

poster
2,5
Drie jaar na Wooden Heart verscheen Volume 2, waarop John Waite wederom de rockkant inruilt voor folk. Eigenlijk is drie nummers het maximale aantal akoestische liedjes zonder band dat ik kan uitzitten. Op dit deel staan er beduidend meer.
Bij de herbewerkingen van oude successen (tracks 2, 3 en 7) veer ik even op, maar daarbuiten slaat de verveling toe. Het is simpelweg teveel voor ondergetekende, die graag drums en tempo hoort.

In september 2021 verscheen een derde deel van Wooden Heart, met als ondertitel Acoustic Anthology Volumes 1 2 3. Deel 3 vertoont veel overeenkomsten met zijn soloalbum When You Were Mine. Je kunt op zijn website een gewone versie voor $30 en een gesigneerde voor $40 bestellen. Eeeeeeh… Voor de hele fanatieke fan van John Waite die bovendien een voorkeur voor akoestisch heeft. Goedkoper is wellicht om hem deze week live te gaan zien tijdens de Nederlandse tournee en dan om een handtekening te vragen. Bovendien is de muziek op streaming te vinden.

Klein en fijn, dat is deel 2 qua uitvoeringen. Iets te klein voor mij. Gelukkig verscheen vier maanden geleden de elektrische EP Anything, waar ik veel meer mee heb. Maar goed, wie niet vies is van ingetogen muziek zal hier ongetwijfeld het nodige van zijn gading vinden. De stem van John Waite is immers een klasse apart.

John Waite - Wooden Heart: Acoustic (2014)

poster
3,0
EP met vier maal John Wait op de akoestische toer, dat is Wooden Heart .Track 1 en 3 zijn eigen composities, 2 en 4 zijn covers van muziek van Richard Thompson.

Er is bescheiden hulp van drie anderen, de uitvoeringen blijven daardoor klein. Mijn favoriet is Magic Camera, met als nummer twee The One that Got Away, de twee eigen composities dus. Waite schreef ze met Rick Giles.
Op gitaar en mandoline hoor je Shane Fontayne, met wie hij vaker samenwerkte op zijn albums.

Vier maal akoestisch is voor mijn doen een lange zit. Ik hoor hem liever met band en dan bovendien elektrisch. Maar trek je daar niks van aan als je van akoestische muziek houdt.

John Watts - One More Twist (1982)

poster
3,5
De eerste plaat van John Watts solo, wiens Fischer-Z in zijn ogen te ver van de punkidealen was weggedreven, lees ik op Wikipedia. Terug naar het credo ‘Do it yourself!’ En dat terwijl hij met laatsteling Red Skies over Paradise eindelijk in zijn thuisland de eerste verkoopsuccessen smaakte, mede dankzij twee singlehits. Via de radio was ik sinds 1979 een fan van de groep.
Het is bij zijn solowerk vaak gememoreerd: hij had het beter bij die groepsnaam kunnen laten. Met voortschrijdend inzicht weten we immers dat het grote succes ook solo niet kwam. Waarschijnlijk deelde hij die mening, al in 1987 ging Watts weer onder de groepsnaam werken.

Waar in Nederland ieder album van Fischer-Z een hitsingle had opgeleverd, lukte hem dat nooit solo. Wel haalde One More Twist in Nederland #11 in de albumlijst. En terecht! Een prima album, vooral de A-zijde. Het ene na het andere sterke nummer komt voorbij.
Verdwenen zijn de toetsen en het geflirt met reggae en ska is minder frequent, al klinken deze genres wel door op de eerste twee nummers, te weten One Voice en Lagonda Lifestyle. Hier schemert ook iets door van The Clash ten tijde van Sandinista!, al denk ik niet dat de twee namen elkaar zullen aanwijzen als invloed. Ska en reggae hingen in de lucht en werden gulzig ingeademd door diverse artiesten.

Verder horen we op One More Twist vooral uptempo new wave op basis van een stevige gitaar, die een enkele keer (Watching You) aan het geluid van Marillion (ja, heus!) doet denken. Gekruide muziek met vinnige zang en pittige, poëtische teksten over de wereld om Watts heen, zowel qua privéleven als de grote (wereld)politiek.
De B-zijde doet me iets minder dan de eerste helft, maar als ik de plaat een tijdje niet draai en dan aan B begin, blijken ze in ieder geval de toets der kritiek ruimschoots te doorstaan. Ze beklijven echter net wat minder dan die op de A-kant.

Op mijn tweedehands exemplaar zit een stickertje met de naam van de oorspronkelijke eigenaar, die mogelijk in dezelfde keistad woonachtig is als die waar ik dit exemplaar tegenkwam. Harry, dit kleinood heeft een nieuwe, gelukkige eigenaar, mijn dank is groot!

John Watts - The Iceberg Model (1983)

poster
3,5
Van 25 september tot en met 3 oktober dit jaar tourt John Watts / Fischer-Z solo door Nederland om onder meer Red Skies over Paradise integraal te spelen. Dat wil ik zien, tijd dus om verder te gaan met mijn tocht door zijn oeuvre, waar ik bij 1983 was gekomen.

Als mijn geheugen me niet bedriegt, was de NCRV-gids indertijd heel positief over deze tweede van John Watts solo. In Oor had Alfred Bos het over "een artistieke overwinning" (hier het fragment, even scrollen). Zeker is dat diverse MuMensen de voorbije jaren lovende verhalen schreven over The Iceberg Model.
Hierop verwijdert hij zich van het geluid dat hij bij Fischer-Z neerzette. Het is minder new wave, meer mainstream (kwaliteits)pop, enigszins vergelijkbaar met hoe Sting na The Police ingetogener en bedachtzamer klonk.
Deze keer geen teksten over politiek of atoomdreiging: op dit conceptalbum verhaalt Watts over een ik-persoon die door zijn omgeving zodanig wordt onderdrukt, dat hij er mentaal geleidelijk aan onderdoor gaat. Lied voor lied voltrekt zich deze neergang. Alsof de voormalige student klinische psychologie en werker in de psychische gezondheidszorg een psychologische audioroman schreef.

Levert dat mooie nummers op? Jazeker, al ben ik niet zo euforisch als sommigen. Het geluid van de saxofoon vind ik niet zo bij hem passen, wat kennelijk door menigeen anders wordt beleefd. Watts zet gelukkig vaak zijn kopstem in, welke ik graag hoor.
Op de A-zijde (heb het album op vinyl) zijn het Man in Someone Else’s Skin en I Smelt Roses (in the Underground) die ik als compositie heel sterk vind, van I Was in Love with You bevalt het blazersarrangement mij goed. Op de B-zijde zijn het Mayday Mayday, uptempo met blazers, alsmede de reggae van Menagerie Makers die ik sterk vind.
Het verhalende concept van deze plaat blijft fier overeind, zeker als de hoofdpersoon in het afsluitende titelnummer ten onder gaat; als een onheilspellende filmsoundtrack, passend bij het verhaal.

Terzijde: vanaf 2006 ging het bij dit album op MuMe frequent over de moeilijk verkrijgbare cd-versie van The Iceberg Model. Zeventien jaar later is de compact disc uit de mode en vinyl is heul hip. Ik heb eens op Discogs gekeken hoeveel de cd van dit album heden ten dage kost. Wie schetst mijn verbazing: er is slechts één exemplaar te koop, waarvoor u maar liefst 75 eurootjes moet neertellen!

Watts ging vervolgens verder onder de groepsnaam The Cry. Die plaat hoop ik de komende maanden in het echt tegen te komen, het liefst op vinyl.

Johnny Cash - Songwriter (2024)

poster
4,0
Ik vind het verbazingwekkend én heerlijk op z'n tijd, een nieuwe Johnny Cash. Ondanks zijn overlijden in 2003 verschijnt zo af en toe "nieuw" werk, altijd met de grootste zorg samengesteld door zoon John Carter Cash. In dit geval ging hij demo-opnamen van net vóór de American Recordings bijwerken.
Dat er enkele bekende namen meedoen, doet er minder toe. Waar het om gaat zijn De Stem en dat de man ook nog eens liedjes kon schrijven. Bovendien nog eens piekfijn geproduceerd, warm als Johnny Cash and The Royal Philharmonic Orchestra uit 2020.

Het allerleukste vind ik altijd zijn uptempo liedjes. Tjakkeboem tjakkeboem, als een paard op de prairie. En als er dan ook nog eens een verhaal als een filmscène wordt verteld, ben ik helemaal vol aandacht. Zoals in Well Allright:
"I met her at the laundry mat, she was washing extra hot
I said: 'Don't you need a little help with that bog load you got?'
She said: 'No' but did a double take."


Of deze tekst over een veteraan van de Vietnamoorlog:
"Well, a mortar fell 20 feet away - And I carry shrapel, to this day
I came home, but Tex did not - And I can't talk about the hit he got."


Niet alles is uptempo en in mijn beleving soms bijna klef, zoals in I Love You Tonite. Maar hoe hij zijn geliefde toezingt, terugblikkend op zovele jaren samen... "Can you believe we made it through the eighties - And will we make the millennium?" Bijna tegen mijn wil in, word ik tóch weer ingepakt.
De muzikanten van de originele opnamen, ook geen kleine namen, kregen voor deze "'update" assistentie van nieuwe. Het resultaat klinkt alsof Johnny Cash zojuist de studio uitliep, een grote glimlach op het gezicht.

Bij aanschaf van de cd lette ik niet op (had haast en geen leesbril...) zodat ik pas in de auto ontdekte dat er een best-of cd genaamd Icon bij zit. Met naast de bekende nummers ook onbekender werk. Zwaar genieten bij bijvoorbeeld het voor mij nieuwe The Night Hank Williams Came To Town. Vele kilometers zijn sinds eind juni gereden met één van de twee cd's op.

Snapt u mijn vier sterren?

Johnny Cash and The Royal Philharmonic Orchestra - Johnny Cash and The Royal Philharmonic Orchestra (2020)

poster
4,0
Een heerlijk zondagochtendplaatje bleek vanochtend weer eens, al draai ik 'm meestal op winteravonden.

Een prima lijstje klassiekertjes van Johnny Cash, met aangename lichte orkestrale saus door het Royal Philharmonic Orchestra. De duetten met nonkel Bob Dylan, eega June Carter, Duane Eddy en de afsluiter met The Highwaymen zorgen voor extra variatie.
Samengesteld door zoon John Carter Cash, waarbij de cd-editie is voorzien van een twaalf pagina's tellend boekje met de nodige achtergrond- en trackinformatie plus foto's.

Met het orkest wordt de muziek net iets warmer; je mag het kitscherig of overbodig noemen, ik ben er op z'n tijd voor in de stemming. Orkestrale countrypop, een goede kop koffie erbij...
Als postuum project een zoet dessert bij de discografie van de man in het zwart.

Johnny Mac & the Faithful - Midnight Glasgow Rodeo (2022)

poster
4,0
Iemand op MusicMeter, weet niet meer wie en bij welk album, tipte mij over dit album. Onbekende tipgever: hartelijk dank, want dit is een best plaatje.

Akoestische muziek met de energie van punk, puttend uit de tradities van folk en country. Een band uit Glasgow rond frontman John McLaughlin. Single Me Oh My verscheen eind oktober en trok mijn aandacht door de samenwerking met Rod Stewart, die het in de clip zichtbaar naar zijn zin heeft. Geen wonder dat de groep al bij drie tournees door het Verenigd Koninkrijk en Ierland voor hem mocht openen.
De band is dus Schots, dit om misverstanden te voorkomen: al koekelend kwam ik namelijk ook de Amerikaanse Johnny Mac Band tegen, een onvervalste bluesrockband.

De verleiding is groot om te gaan vergelijken. Ik moest aan The Pogues en Shane McGowan denken als er folk klinkt, aan Jason & The Scorchers als uit het countryvat werd getapt. Plus aan de Nederlandse groepen Pater Moeskroen en Boh Foi Toch. Met de laatste heeft Johnny Mac & The Faithful zelfs één nummer gemeenschappelijk: het vrolijke en swingende Pay Me my Money Down is hetzelfde liedje als Geef mi-j mien bier es an (2010). Een traditional.
Op Midnight Glasgow Rodeo veel variatie in tempo’s en sferen. Van rockend-met-mandoline in Little Fire, via akoestisch en energiek in de titelsong en You Make my Monday Mornings Feel like Saturday Night, tot romantisch in Let Sleeping Dogs Lie. Mijn grootste favoriet is Joey Ramone, dat niet alleen een buiginkje is naar de zanger van de Ramones maar ook naar Rod Stewart, wiens Gasoline Alley in de tekst voorbijkomt.

Een nieuwe muziekstijl is hier dus niet ontdekt, maar wie maalt daarom als alle zestien liedjes goed zijn? Goed en gevarieerd geschreven, scherp gespeeld en dat 52 minuten lang zonder te vervelen.
Ik ga voorbereidingen voor Oud & Nieuw treffen, Johnny zingt me toe en ik vraag me af wanneer die ouwe ome Rod een plaatje als dit zal maken… Goede jaarwisseling allemaal, tot volgend jaar.

Johnny Thunders & The Heartbreakers - L.A.M.F. (1977)

Alternatieve titel: Like a Mother Fucker

poster
2,0
Op reis door punk en wave kom ik vanaf Ian Dury's New Boots and Panties!! bij dit debuut van de voormalige gitarist van New York Dolls, die ik al eerder op diezelfde reis tegenkwam.
Qua Johnny Thunders' historie moet ik denken aan Casino Lee, die eveneens met glam(hard)rock begon, in diens geval in de Londense groep Hollywood Brats, om later over te stappen naar punk met The Boys.

Dan vind ik L.A.M.F. van de Heartbreakers, de groep van Thunders, toch een stuk minder spannend. Natuurlijk, de persoon en zijn geschiedenis hadden al in 1977 de nodige invloed op anderen en bij de bewonderaars was ook Pete Townsend van The Who, maar qua composities heb ik er niet zoveel mee. Wat ik hoor zijn vooral vrij uitgekauwde rock 'n' rollschema's, waarin ik de vonk mis. Kwestie van smaak, zoals hierboven al blijkt uit uiteenlopende reacties van MuMensen.

Van Wikipedia begrijp ik dat er sowieso veel controverse over dit album is geweest, om te beginnen bij de Heartbreakers zelf. Die waren zwaar ontevreden over de mix die klonk op de elpee, verschenen in oktober 1977. Gedurende de zomer pendelde men per taxi heen en weer tussen Londen en Birmingham om de mixen goed te krijgen; overvloedige drugsconsumptie vergemakkelijkte dit proces niet. Drummer Jerry Nolan had er uiteindelijk zo genoeg van, dat hij de groep tijdens een Britse tour verliet. Hij werd voor de resterende optredens vervangen door Paul Cook van de Sex Pistols.
De van een verhullende titel voorziene langspeelplaat L.A.M.F. stond in oktober-november '77 één week in de Britse albumlijst en wel op #55. In de jaren erna volgde juridische touwtrekkerij aldus Wikipedia, waarna in 1994 L.A.M.F.: The Lost '77 Mixes verscheen, in 2012 gevolgd door de 4cd Definitive Edition en tenslotte in 2021 L.A.M.F. the Found Masters. Die laatste haalde warempel in juli dat jaar #67, een teken dat Thunders en zijn Heartbreakers niet zijn vergeten.

Ongeacht al die mixen - ik vind de verschillen niet eens zo groot - wat klinkt is rudimentaire, rauwe rock 'n' roll. De wortels stevig in de jaren '50, uitgevoerd op scheurende overdrive-distortioneffectpedalen. Voorbeelden hiervan zijn Baby Talk, Goin' Steady en Let Go dat het oorspronkelijke album afsluit, waar in de tekst aan Radar Love (die van onze Golden Earring?) wordt gerefereerd.
Een enkele keer is het aardig, zoals in de (bijna) powerpop van All By Myself. Alleen, voor powerpop is de melodie van het refrein niet sterk genoeg, zoals ook in Get off the Phone gebeurt.
Verrassend is dat er een ballade op staat. It's Not Enough is alleen wel saaitjes. Maar goed, je moet het maar durven: punk? Ballade? Jazeker, dat mag, no rules!
Slechts één keer word ik wél enthousiast en dat bij Chinese Rocks dat in de coupletten lekker heavy is met powerpop in het refrein. Geschreven door Dee Dee Ramone en Richard Hell, zie ik. Oooooh, vandaar...

Punk met een hoog garagegehalte. Simpelweg niet mijn ding, maar wie dat juist lekker vindt, kan zomaar twee sterren meer geven dan ik doe.
De reis door punk en new wave springt verder naar een album dat eveneens in oktober 1977 #55 haalde in de Britse albumlijst: Be Seeing You van de Engelse pubrockgroep Dr. Feelgood.

Jolie Holland - Haunted Mountain (2023)

poster
3,5
MuMe noemt dit qua genre 'roots' en in het geval van Haunted Mountain van de Amerikaanse Jolie Holland betekent dat countryfolk. Daarbij is ze niet bang om met drumcomputer en dronegeluiden een zijweggetje in te slaan in de richting van drum 'n' bass, getuige Feet on the Ground, als een U.S.-zusje van Goldfrapp in donkere sfeer meanderend.

Dat je ook met viool kunt dronen, bewijst het intro van Highway 72, dat zich openvouwt tot een weemoedig duet met Buck Meek. In Won't Find Me is ze juist triomfantelijk als ze haar ex (?) toezingt in opnieuw een kalm liedje.
Met haar band (elektrische gitaar, bas, drums) brengt ze in veertig minuten het ene na het andere dromerige liedje, de ene keer traditioneler dan de andere. En ook al mis ik een vlot nummer, de schoonheid van het titellied en Orange Blossoms vallen meteen op.
Met dank aan maatje JeKo, die me erop attendeerde dat ik hierbij een bericht had geschreven, was dit een herontdekkinkje. Buiten giert de wind, net als een krap jaar geleden. Met de muziek van Holland is er een rustgevende soundtrack bij.

Jon Lord - Before I Forget (1982)

poster
4,0
Waar Jon Lord in Deep Purple en op zijn soloplaten zijn liefde voor klassieke muziek etaleerde, was daarvoor in 1982 nauwelijks ruimte binnen de hardrock van zijn werkgever Whitesnake. Dit eenvoudigweg omdat de bluesbasis van de groep zich er niet voor leende.
Ik vermoed dat dit de reden is geweest dat hij hij na zes jaar weer eens een solowerk uitbracht. Mogelijk was hij ook geïnspireerd geraakt door de tweede soloplaat Look at Me Now van bandmaatje Bernie Marsden, waarop hij frequent is te horen. Alle nummers werden door Lord geschreven, Say It's Allright met Elmer Gantry, die we ook als zanger tegenkomen.

Gestoken in een droogkomische hoes is het Marsden die Before I Forget aftrapt als zanger-gitarist in Chance on a Feeling. Op de plaat horen we meer namen die bij Marsden werkten: producer Guy Bidmead, drummers Ian Paice, Cozy Powell en Simon Phillips en bassist Neil Murray: de kringen van post-Deep Purple. En er zijn meer gasten, met als meest bekende de (achtergrond)zangeressen Sam en Vicky Brown. De muziek is daarbij grotendeels instrumentaal.

Zoals B.Robertson een dikke tien jaar eerder noteerde, rechtvaardigt alleen al het gevarieerde en stevige Bach onto This de aankoop, maar de andere nummers mogen er ook zijn.
Op kant 1 het renaissanceorgel van Tender Babes, dat spoedig wordt vergezeld door Powells kenmerkende powerdrums; op Hollywood Rock 'n' Roll horen we op toetsen en gitaar Tony Ashton, waarmee het geluid van Paice Ashton Lord terugkeert.
Op de ingetogen kant 2 klinkt het titellied, een ballade, gevolgd door popballade Say It's Allright met leadzang van Vicki Brown; Burntwood is dan weer instrumentaal en bevat alleen de toetsen van Lord plus fretloze bas van Murray; op alweer ballade Where Are You? zingt Elmer Gantry, in 1974 zanger bij een "illegale versie" van Fleetwood Mac.

In 2012 verscheen bij EMI/Harvest een gemasterde cd-versie met drie instrumentale bonustracks die eveneens de moeite waard zijn, inclusief de singleversie van Bach onto This én een klein achtergrondverhaal van Neil Murray. Deze versie is bovendien op streaming te vinden.
In 2017 was daar bovendien een volgende bonuseditie met de nummers Lady en For a Friend, deze keer bij Purple Records.
Ook zonder deze extra's een vermakelijke plaat met een stevige eerste en ingetogen tweede helft. Het markeert de veelzijdigheid van Jon Lord.

Jona Lewie - Heart Skips Beat (1982)

poster
In 1978 bracht Jona Lewie zijn eerste elpee uit bij het jonge punklabel Stiff, tegelijkertijd totaal niet punk zijnde. Sterker nog, in de ogen van de punkwereld was dit een oude man met bovendien een hele carrière daarvoor: reeds in 1968 was hij beroepsmuzikant. In 1980 verscheen dat album nogmaals, maar nu met deels andere nummers, zoals zijn non-albumhit You'll Always Find Me in the Kitchen at Parties.
John Lewis is een noeste muziekknutselaar en dat blijkt ook uit Stop the Cavalry, dat in Nederland de dag ná Kerst 1980 de hitlijst betrad en half januari 1981 op #6 piekte. Een post-Kersthit. Dankzij streaming staat het sinds 2017 bijna ieder jaar wel een weekje in de Nederlandse top 100. Het is een evergreen geworden, zoals ik tegen Kerst 2024 meemaakte toen ik langs een winkel liep, terwijl een oude man op een bankje tevreden het deel met "dududududumdum" bromde.

Pas in 1982 verscheen het op een album van Lewie, te weten dit Heart Skips Beat. Tegen de tijd dat ik bij dat jaar ben, keer ik hier terug. Maar eerst rond ik mijn reis door de new wave van 1980 af. Ik kwam van single Young Parisians van Adam and the Ants, te vinden op hun compilatie-cd Antmusic en reis naar Department S en single Is Vic There?

Jona Lewie - On the Other Hand There's a Fist (1978)

poster
3,0
Muzikale uitersten: op reis door new wave en aanverwanten kom ik van de eerste industrial ooit (Throbbing Gristle) bij doe-het-zelver Jona Lewie.

Een man met een uitgebreide muziekcarrière in de dagen vóór punk, door het onafhankelijke label Stiff in de stal opgenomen. Zijn debuut bij hen was dat met de heerlijke titel On the Other Hand There's a Fist. Hierboven staat beschreven dat het album nadien in uitgebreidere edities verscheen. Dit na de oorspronkelijke uitgave van 13 oktober 1978 (ja ja, een vrijdag de dertiende...). Ik beperk me echter tot dat jaar.
In 1978 bleef de naam van Lewie een onopvallende naam in Nederland. Eigenlijk een bescheiden wonder dat hij nadien überhaupt hits scoorde, gezien de eigenwijze synthpop, soms met drums en soms met primitieve, eerste generatie drummachine ondersteund.

Tegelijkertijd klinkt hier heerlijk eigenwijze synthesizer-/piano-/orgelpop, want zo zou je het ook kunnen noemen. En met Hallelujah Europa was hij Europapa van Joost Klein mooi 46 jaar vóór. Meest pakkend vind ik Vous et Moi, met Lewies kenmerkende lichte stem, synthesizer en dameskoortje. Dat Lewie veelvuldig uit de popgeschiedenis graait is eveneens aangenaam, zoals de pianoblues in I'll Get By in Pitsburgh.

Volgende halte in mijn reis door wave: meer industrial van Throbbing Gristle op het eveneens in 1978 verschenen D.o.A. The Third and Final Report.

Jona Lewie - On the Other Hand There's a Fist [1980] (1980)

poster
3,5
Vond dat destijds zó irritant: leende ik met mijn bescheiden zakgeld + krantenwijk een lp uit de fonotheek, stond de hit er niet op. Bij Jona Lewie werd het nog bonter gemaakt. Zoals dazzler bijna tien jaar geleden schreef: "In 1980 bracht Stiff een verzamelaar van Jona Lewie uit met exact dezelfde titel en hoes als het reguliere album uit 1978."

Het was het eerste album van Lewie waarop You'll Find Me in the Kitchen at Parties was te vinden. Die non-albumsingle haalde in de Nationale Hitparade van juni 1980 een uiterst bescheiden #30, vermoedelijk één van de weinige singlesuccessen die (punk)label Stiff in Nederland haalde. Een heerlijk droogkloterig liedje dat het geluid van new wave had en de onderkoelde humor van Britse comedy.
Het stond dus niet op zijn vorige plaat On the Other Hand There's a Fist (die andere met die titel dus) en zou evenmin op het pas in 1982 verschenen Heart Skips Beat komen. Dat was jammer, want in de categorie aangename buitenbeentjes in de popmuziek is dit er toch één. Een pareltje zelfs, badend in een toetsenarrangement zoals dat bij de new wave van 1980 paste.

Anno 2025 is er natuurlijk streaming en er zijn verzamelaars, met als meest recente The Best of uit 2002. Je vindt het nummer ook als bonustrack op de in 2007 verschenen cd van het 1978-album. De 1980-versie van On the Other Hand wijkt dus af van de oorspronkelijke plaat met die titel maar bevat nog steeds geinige noveltysongs van Engelsman John Lewis, zoals hij eigenlijk heet.

Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave vervolgt. Vorige station was bij aanmerkelijk serieuzer werk van Deutsch Amerikanische Freundschaft en omdat ik Madness' single Night Boat to Cairo en album One Step Beyond... al besprak, is de volgende halte bij de tweede van de groep Toyah.

Jonathan Jeremiah - Horsepower for the Streets (2022)

poster
4,5
In januari 2020 zag ik Jeremiah met Amsterdam Sinfonietta in Tivoli Vredenburg. Naar spoedig bleek voor lange tijd het laatste concert waar ik bij was, vanwege de naderende lockdown.
Het programmaboekje bevatte de setlist en als ik die terugzie, zou ik willen dat er een liveopname van het concert zou verschijnen. Hierbij ging het van Schubert naar Jeremiah naar Mahler naar Jeremiah naar Dowland naar... Juist. Variatie troef met zowel muziek uit de Romantiek en Renaissance als de popjaren 1970.

Voorheen bevatte zijn muziek naast soulpop tevens singer-songwriterfolk. Met de Sinfonietta aan zijn zijde slaat de balans op Horsepower for the Streets door naar zwoele, blue-eyed soul. Transparant geproduceerd, warm als een deken en romantisch als een film met Julia Roberts en Hugh Grant. Allemaal heerlijke composities, badend in strijkersrijke arrangementen, waarbij bassist Tom Mason met zijn plectrum regelmatig voor lekkere tegenmelodietjes zorgt; plus uiteraard die mooie stem van Jeremiah. Pianoballade Early Morning Sign groeit bij vaker draaien, een relatief rustpuntje tussen de andere nummers.

Met deze elf pareltjes zou mijn enige kritiekpunt kunnen zijn dat het album niet verrassend is en dat het wel erg veel op elkaar lijkt. Tegelijkertijd zit ik hier ook niet te wachten op, pakkumbeet, hippe hiphopbeats of huilende shoegazegitaren. Het is hartstikke retro en tegelijkertijd zó ontzettend geïnspireerd en mooi.
Een favoriet nummer kiezen is lastig, de drie die ik koos zijn min of meer willekeurig. Niet alleen fijn om hard in de auto af te spelen, ook lekker op een lager volume, op de bank onder een dekentje met de verwarming op bespaarstand en wijn en kaas op tafel.

Joshua - Intense Defense (1988)

poster
4,5
Twee zaterdagen geleden was ik in de Ziggo Dome bij het triple-concert Charlotte Wessels - Amaranthe - Epica. Bij het spel van Amaranthegitarist Olof Mörck moest ik qua zowel geluid als stijl denken aan dat van Joshua Perahia. Aangezien Mörck van 1981 is, weet ik niet of Perahia werkelijk van invloed is, maar de wervelende solo's van beide mannen hebben in mijn oren de nodige overeenkomsten.

En dus gaat mijn hoofd terug naar een zomerdag in 1988, toen ik het vers verschenen Intense Defense uit de platenbak viste. Voorganger Surrender van drie jaar eerder had grote indruk gemaakt, mede vanwege de berichten over de Europese tournee die de groep per trein ondernam én dat spetterende Nederlandse radioconcert bij Countdown Café.
Zoals de sehr geehrter Herr Von Helsing hierboven schrijft opgenomen in de resturen van de studio van Dieter Derks, als de Scorpions waren vertrokken. Volgens mij waren die bezig Savage Amusement op te nemen, hetzelfde jaar verschenen. Hierdoor duurden de opnamen onnodig lang, waardoor menig bandlid moest afhaken. Althans, dat is hoe ik het me uit de Aardschok herinner. De bezetting is in ieder geval compleet anders dan op Surrender.

Op Intense Defense staat Rob Rock bij de microfoon; ik kende de man van Project: Driver van M.A.R.S. / MacAlpine-Aldridge-Rock-Sarzo en hij zingt ook al vanaf het debuut van Impellitteri. Wát een klasbak. Opnieuw een zanger met een groot bereik en rauw randje, moest enigszins aan Jon Deverill van Tygers of Pan Tang denken.
Toetsenist en bassist waren de mij onbekende Greg Shultz en Roemeen Emil Lech (LechinČ›eanu Brando), maar de drummer kende ik wél. Tim Gehrt, voorheen bij Streets, de groep van (ex-Kansas)zanger Steve Walsh.

In vergelijking met Streets, waar pure adult oriented rock klinkt, is de muziek van Joshua meer hardrock. Melodieus maar nooit te kalm, uitgezonderd ballade Remembering You. Voor het overige uptempo klassiekertjes, zonder één zwak moment met steeds die ijzersterke combinatie van melodie en snelheid in Perahia's spel.
Look to the Sky werd al gespeeld in Countdown Café, de studioversie is iets gepolijster maar wat een heerlijk nummer blijft dit... Van oud-bandlid Ken Tamplin staan drie co-composities op de plaat: opener Reach Up, I've Been Waiting en Remembering You. Bij de overige nummers was meestal Rob Rock met Perahia co-schrijver. Mijn grootste favoriet werd slotnummer Stand Alone, mooie tekst, sterk arrangement.

De kleine lettertjes op de binnenhoes tonen dat in Duitsland de nodige vriendschappen werden gesloten. Daarbij Gaby Hauke, bekend uit de entourage van Accept. In Nederland was daar platenbaas Sjaak de Bruijn. De gitarist bedankt ook de apocalyptische non-fictieschrijver Hal Lindsey, een bekende auteur uit dat decennium. Inspiratie voor de tekst van Reach Up?

Onderwijl viel ook deze bezetting snel uit elkaar. Rob Rock was het jaar erop gastzanger bij Angelica en vervolgens zou hij onder meer opduiken bij opnieuw Impellitteri, deed solowerk en de nodige gastrollen, onder meer bij het Duitse Avantasia en twee jaar geleden nog bij Empires of Eden.
Van Greg Shultz kwam ik in '91 een instrumentaal soloalbum tegen, Tim Gehrt op cd-bonustracks 11 en 12 van Glenn Hughes' Play Me Out (oorspronkelijk uit 1977) en van Emil Lech leert koeklen dat hij bij Driver en andere namen speelde, in 2024 bij het Roemeense Guts & Grace.
Perahia's carrière werd niet de meest overzichtelijke, maar van zijn groep M-Pire heb ik een cd in de kast staan. Hij overleed najaar 2024. Een onvergetelijk toptalent met fabelachtige capaciteiten.

Joshua - Surrender (1985)

poster
4,5
In 1985 stond het onbekende Joshua met Surrender in de platenbakken en mede gelokt door de reuring hieromheen van 'snelste gitarist ter wereld' kocht ik het album. Joshua Perahia, Californiër van Griekse afkomst, bleek inderdaad razendsnel - ik vroeg me af of te meten viel of hij nog sneller was dan Yngwie Malmsteen.
Surrender Love is meteen het eerste bewijs van Perahia's kunnen op de zes snaren. Daarbij de lenige stem van (gast)zanger Jeff Fenholt, niet op de hoes afgebeeld. Vervolgens mijn eerste kennismaking met Heart Full of Soul, oorspronkelijk van Graham Gouldman van The Yardbirds, ver voor mijn tijd. Dezelfde Gouldman die later bij 10CC zou opduiken. Het onderstreept nog eens de voorliefde van Perahia voor melodie, waarbij hij in Fennholt een capabele vocalist vond.
Kant 1 sluit af met het snelle Hold On: toetsen en dubbele basdrum, in 1985 bepaald nog geen standaard in het genre van melodieuze hardrock. Een romantische tekst en alweer spet-te-rend gitaarwerk, de verhalen bleken bepaald niet overdreven.

Back to the Rock is de sterke opener van kant 2, waarbij het gitaargeluid heerlijk vol is en de licks als horzels langs de oren vliegen. Teksten met een christelijke inslag, het was in die dagen nog een nieuwigheidje in hardrock- en metalland, enkele pioniers daargelaten. "I am climbing over the rainbow" zingt Fennholt in Rockin' the World, een tekst die me aan Ronnie James Dio deed denken; hoe zou hij dit nummer hebben gezongen?
Wat ook zo lekker is: géén ballades! Al begint Loveshock langzaam. Dan klinkt opeens een andere stem, die van tweede gitarist Ken Tamplin; het nummer wordt spoedig uptempo. Met een Reprise van Rockin' the World sluit de plaat in Dioaanse stijl af: "I see a light in a distance, I hear a voice calling me".

Hierboven las ik dat er sprake zou zijn van een drumcomputer. Als dat zo is, dan is het goed gedaan. Viel mij indertijd nooit op en als ik Stay Alive beluister, denk ik toch echt dat Jo Galetta op de drumkruk zit. Laat onverlet dat zijn stijl soms zo sober is en het (elektronisch?) drumgeluid wat metalig (Surrender Love) dat ik me die indruk kan voorstellen. Vermoedelijk hadden producer Ted Vegvari en Joshua niet het grootste budget.

In 1986 kwam het bericht dat de groep die zomer per trein (!) door Europa zou gaan touren. Een fotootje in Oor op een perron én een zinderend concert bij Countdown Café volgden, waarbij Tamplin inmiddels de vaste zanger was. Ik nam het magistrale concert op van de radio - heb ik die cassette nog ergens liggen? Hier de foto's van een fan.

Het album verscheen later met andere (cd-)hoezen in een iets andere mix of zelfs heropname. Op streaming met andere trackvolgorde, de cd-editie van 2008. Daarbij het sterke bonusnummer Show Me the Way met zang van Robin Kyle Basauri. Zijn rauwe stem ken ik onder andere van Die Happy en Red Sea. Het kan niet anders of dit nummer is pas jaren later opgenomen.
Toch koester ik mijn gouwe ouwe elpeetje met bovendien een fijne binnenhoes met teksten. Na het jaren links te hebben laten liggen (in de jaren '90 vond ik het niet heavy genoeg, weer later was ik klaar met scheurende gitaren en bovendien was mijn platenspeler overleden), is daar inmiddels grote herwaardering. Een 9 met een grote krul.