MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

John Waite - When You Were Mine (1997)

poster
4,0
De buurman heeft ruim negen jaar geduld moeten hebben, maar waarschijnlijk is dit de door hem gehoopte reactie ...

Twee jaar na Temple Bar verscheen When You Were Mine. Dit op een ander label dan het vorige, namelijk Mercury. Het album wordt gedragen door de akoestische gitaren van Shayne Fontayne. Ik kende die naam niet, maar een blik op Discogs leert dat hij voordien onder andere te horen was op albums van Lone Justice en Bruce Springsteen. Die namen geven meteen aan dat we het zesde soloalbum van John Waite moeten zoeken in de akoestische rock met invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek: blues in een enkele gitaarlick en vooral country.

Er klinkt ontspannen muziek. Net als voorheen musiceert Waite op de grens van pop en rock, nu echter met de volumeknop beduidend lager dan voorheen. Gaandeweg wordt duidelijk dat de muzikanten een countryachtergrond hebben; toch is dit géén cowboyalbum. Nee, het is 100% kwaliteitspop waarbij de countryinvloeden de ene keer licht en dan weer stevig doorschijnen. De basis is die van akoestische instrumenten, anders dan op het vorige album waar keyboards de muziek bepaalden. Ook de piano is er één met echte snaren. Natuurlijk ontbreken een elektrische bas en gitaar niet, maar nergens worden de composities dichtgesmeerd met powerchords of andere (hard)rockende invloeden. Het is altijd transparant.

Legde Waite op zijn vorige album in de teksten nadruk op zijn doorstane misfortuin en verdriet, de camera op zichzelf gericht, hier beschrijft hij ook mensen en situaties buiten zich. Bluebird Cafe bijvoorbeeld, over een meisje onderweg naar Nashville om het te maken als countryzangeres. Bij herhaaldelijk draaien groeit dit fraaie portret.
Mijn andere favootjes: titelsong When You Were Mine, Imaginary Girl, het uptempo I-95 en All I Want For Christmas, dat absoluut níets heeft te maken met de oorwurm die ons jaarlijks in december teistert. Alhoewel, misschien is het een poging om die te doen vergeten?

Waite klinkt op dit album in ontspannen topvorm. De muziek wordt mooier als je de tijd neemt om de liedjes op je in te laten werken. Weliswaar heel anders dan hetgeen Waite bij The Babys en Bad English maakte, maar hij voelt zich hoorbaar als een vis in het water. Ik hoop dat ik 'm komende week tijdens zijn Nederlandse tour wat van When You Were Mine hoor spelen!

John Waite - Wooden Heart (2017)

Alternatieve titel: Acoustic Anthology, Volume 2

poster
2,5
Drie jaar na Wooden Heart verscheen Volume 2, waarop John Waite wederom de rockkant inruilt voor folk. Eigenlijk is drie nummers het maximale aantal akoestische liedjes zonder band dat ik kan uitzitten. Op dit deel staan er beduidend meer.
Bij de herbewerkingen van oude successen (tracks 2, 3 en 7) veer ik even op, maar daarbuiten slaat de verveling toe. Het is simpelweg teveel voor ondergetekende, die graag drums en tempo hoort.

In september 2021 verscheen een derde deel van Wooden Heart, met als ondertitel Acoustic Anthology Volumes 1 2 3. Deel 3 vertoont veel overeenkomsten met zijn soloalbum When You Were Mine. Je kunt op zijn website een gewone versie voor $30 en een gesigneerde voor $40 bestellen. Eeeeeeh… Voor de hele fanatieke fan van John Waite die bovendien een voorkeur voor akoestisch heeft. Goedkoper is wellicht om hem deze week live te gaan zien tijdens de Nederlandse tournee en dan om een handtekening te vragen. Bovendien is de muziek op streaming te vinden.

Klein en fijn, dat is deel 2 qua uitvoeringen. Iets te klein voor mij. Gelukkig verscheen vier maanden geleden de elektrische EP Anything, waar ik veel meer mee heb. Maar goed, wie niet vies is van ingetogen muziek zal hier ongetwijfeld het nodige van zijn gading vinden. De stem van John Waite is immers een klasse apart.

John Waite - Wooden Heart: Acoustic (2014)

poster
3,0
EP met vier maal John Wait op de akoestische toer, dat is Wooden Heart .Track 1 en 3 zijn eigen composities, 2 en 4 zijn covers van muziek van Richard Thompson.

Er is bescheiden hulp van drie anderen, de uitvoeringen blijven daardoor klein. Mijn favoriet is Magic Camera, met als nummer twee The One that Got Away, de twee eigen composities dus. Waite schreef ze met Rick Giles.
Op gitaar en mandoline hoor je Shane Fontayne, met wie hij vaker samenwerkte op zijn albums.

Vier maal akoestisch is voor mijn doen een lange zit. Ik hoor hem liever met band en dan bovendien elektrisch. Maar trek je daar niks van aan als je van akoestische muziek houdt.

John Watts - One More Twist (1982)

poster
3,5
De eerste plaat van John Watts solo, wiens Fischer-Z in zijn ogen te ver van de punkidealen was weggedreven, lees ik op Wikipedia. Terug naar het credo ‘Do it yourself!’ En dat terwijl hij met laatsteling Red Skies over Paradise eindelijk in zijn thuisland de eerste verkoopsuccessen smaakte, mede dankzij twee singlehits. Via de radio was ik sinds 1979 een fan van de groep.
Het is bij zijn solowerk vaak gememoreerd: hij had het beter bij die groepsnaam kunnen laten. Met voortschrijdend inzicht weten we immers dat het grote succes ook solo niet kwam. Waarschijnlijk deelde hij die mening, al in 1987 ging Watts weer onder de groepsnaam werken.

Waar in Nederland ieder album van Fischer-Z een hitsingle had opgeleverd, lukte hem dat nooit solo. Wel haalde One More Twist in Nederland #11 in de albumlijst. En terecht! Een prima album, vooral de A-zijde. Het ene na het andere sterke nummer komt voorbij.
Verdwenen zijn de toetsen en het geflirt met reggae en ska is minder frequent, al klinken deze genres wel door op de eerste twee nummers, te weten One Voice en Lagonda Lifestyle. Hier schemert ook iets door van The Clash ten tijde van Sandinista!, al denk ik niet dat de twee namen elkaar zullen aanwijzen als invloed. Ska en reggae hingen in de lucht en werden gulzig ingeademd door diverse artiesten.

Verder horen we op One More Twist vooral uptempo new wave op basis van een stevige gitaar, die een enkele keer (Watching You) aan het geluid van Marillion (ja, heus!) doet denken. Gekruide muziek met vinnige zang en pittige, poëtische teksten over de wereld om Watts heen, zowel qua privéleven als de grote (wereld)politiek.
De B-zijde doet me iets minder dan de eerste helft, maar als ik de plaat een tijdje niet draai en dan aan B begin, blijken ze in ieder geval de toets der kritiek ruimschoots te doorstaan. Ze beklijven echter net wat minder dan die op de A-kant.

Op mijn tweedehands exemplaar zit een stickertje met de naam van de oorspronkelijke eigenaar, die mogelijk in dezelfde keistad woonachtig is als die waar ik dit exemplaar tegenkwam. Harry, dit kleinood heeft een nieuwe, gelukkige eigenaar, mijn dank is groot!

John Watts - The Iceberg Model (1983)

poster
3,5
Van 25 september tot en met 3 oktober dit jaar tourt John Watts / Fischer-Z solo door Nederland om onder meer Red Skies over Paradise integraal te spelen. Dat wil ik zien, tijd dus om verder te gaan met mijn tocht door zijn oeuvre, waar ik bij 1983 was gekomen.

Als mijn geheugen me niet bedriegt, was de NCRV-gids indertijd heel positief over deze tweede van John Watts solo. In Oor had Alfred Bos het over "een artistieke overwinning" (hier het fragment, even scrollen). Zeker is dat diverse MuMensen de voorbije jaren lovende verhalen schreven over The Iceberg Model.
Hierop verwijdert hij zich van het geluid dat hij bij Fischer-Z neerzette. Het is minder new wave, meer mainstream (kwaliteits)pop, enigszins vergelijkbaar met hoe Sting na The Police ingetogener en bedachtzamer klonk.
Deze keer geen teksten over politiek of atoomdreiging: op dit conceptalbum verhaalt Watts over een ik-persoon die door zijn omgeving zodanig wordt onderdrukt, dat hij er mentaal geleidelijk aan onderdoor gaat. Lied voor lied voltrekt zich deze neergang. Alsof de voormalige student klinische psychologie en werker in de psychische gezondheidszorg een psychologische audioroman schreef.

Levert dat mooie nummers op? Jazeker, al ben ik niet zo euforisch als sommigen. Het geluid van de saxofoon vind ik niet zo bij hem passen, wat kennelijk door menigeen anders wordt beleefd. Watts zet gelukkig vaak zijn kopstem in, welke ik graag hoor.
Op de A-zijde (heb het album op vinyl) zijn het Man in Someone Else’s Skin en I Smelt Roses (in the Underground) die ik als compositie heel sterk vind, van I Was in Love with You bevalt het blazersarrangement mij goed. Op de B-zijde zijn het Mayday Mayday, uptempo met blazers, alsmede de reggae van Menagerie Makers die ik sterk vind.
Het verhalende concept van deze plaat blijft fier overeind, zeker als de hoofdpersoon in het afsluitende titelnummer ten onder gaat; als een onheilspellende filmsoundtrack, passend bij het verhaal.

Terzijde: vanaf 2006 ging het bij dit album op MuMe frequent over de moeilijk verkrijgbare cd-versie van The Iceberg Model. Zeventien jaar later is de compact disc uit de mode en vinyl is heul hip. Ik heb eens op Discogs gekeken hoeveel de cd van dit album heden ten dage kost. Wie schetst mijn verbazing: er is slechts één exemplaar te koop, waarvoor u maar liefst 75 eurootjes moet neertellen!

Watts ging vervolgens verder onder de groepsnaam The Cry. Die plaat hoop ik de komende maanden in het echt tegen te komen, het liefst op vinyl.

Johnny Cash - Songwriter (2024)

poster
4,0
Ik vind het verbazingwekkend én heerlijk op z'n tijd, een nieuwe Johnny Cash. Ondanks zijn overlijden in 2003 verschijnt zo af en toe "nieuw" werk, altijd met de grootste zorg samengesteld door zoon John Carter Cash. In dit geval ging hij demo-opnamen van net vóór de American Recordings bijwerken.
Dat er enkele bekende namen meedoen, doet er minder toe. Waar het om gaat zijn De Stem en dat de man ook nog eens liedjes kon schrijven. Bovendien nog eens piekfijn geproduceerd, warm als Johnny Cash and The Royal Philharmonic Orchestra uit 2020.

Het allerleukste vind ik altijd zijn uptempo liedjes. Tjakkeboem tjakkeboem, als een paard op de prairie. En als er dan ook nog eens een verhaal als een filmscène wordt verteld, ben ik helemaal vol aandacht. Zoals in Well Allright:
"I met her at the laundry mat, she was washing extra hot
I said: 'Don't you need a little help with that bog load you got?'
She said: 'No' but did a double take."


Of deze tekst over een veteraan van de Vietnamoorlog:
"Well, a mortar fell 20 feet away - And I carry shrapel, to this day
I came home, but Tex did not - And I can't talk about the hit he got."


Niet alles is uptempo en in mijn beleving soms bijna klef, zoals in I Love You Tonite. Maar hoe hij zijn geliefde toezingt, terugblikkend op zovele jaren samen... "Can you believe we made it through the eighties - And will we make the millennium?" Bijna tegen mijn wil in, word ik tóch weer ingepakt.
De muzikanten van de originele opnamen, ook geen kleine namen, kregen voor deze "'update" assistentie van nieuwe. Het resultaat klinkt alsof Johnny Cash zojuist de studio uitliep, een grote glimlach op het gezicht.

Bij aanschaf van de cd lette ik niet op (had haast en geen leesbril...) zodat ik pas in de auto ontdekte dat er een best-of cd genaamd Icon bij zit. Met naast de bekende nummers ook onbekender werk. Zwaar genieten bij bijvoorbeeld het voor mij nieuwe The Night Hank Williams Came To Town. Vele kilometers zijn sinds eind juni gereden met één van de twee cd's op.

Snapt u mijn vier sterren?

Johnny Cash and The Royal Philharmonic Orchestra - Johnny Cash and The Royal Philharmonic Orchestra (2020)

poster
4,0
Een heerlijk zondagochtendplaatje bleek vanochtend weer eens, al draai ik 'm meestal op winteravonden.

Een prima lijstje klassiekertjes van Johnny Cash, met aangename lichte orkestrale saus door het Royal Philharmonic Orchestra. De duetten met nonkel Bob Dylan, eega June Carter, Duane Eddy en de afsluiter met The Highwaymen zorgen voor extra variatie.
Samengesteld door zoon John Carter Cash, waarbij de cd-editie is voorzien van een twaalf pagina's tellend boekje met de nodige achtergrond- en trackinformatie plus foto's.

Met het orkest wordt de muziek net iets warmer; je mag het kitscherig of overbodig noemen, ik ben er op z'n tijd voor in de stemming. Orkestrale countrypop, een goede kop koffie erbij...
Als postuum project een zoet dessert bij de discografie van de man in het zwart.

Johnny Mac & the Faithful - Midnight Glasgow Rodeo (2022)

poster
4,0
Iemand op MusicMeter, weet niet meer wie en bij welk album, tipte mij over dit album. Onbekende tipgever: hartelijk dank, want dit is een best plaatje.

Akoestische muziek met de energie van punk, puttend uit de tradities van folk en country. Een band uit Glasgow rond frontman John McLaughlin. Single Me Oh My verscheen eind oktober en trok mijn aandacht door de samenwerking met Rod Stewart, die het in de clip zichtbaar naar zijn zin heeft. Geen wonder dat de groep al bij drie tournees door het Verenigd Koninkrijk en Ierland voor hem mocht openen.
De band is dus Schots, dit om misverstanden te voorkomen: al koekelend kwam ik namelijk ook de Amerikaanse Johnny Mac Band tegen, een onvervalste bluesrockband.

De verleiding is groot om te gaan vergelijken. Ik moest aan The Pogues en Shane McGowan denken als er folk klinkt, aan Jason & The Scorchers als uit het countryvat werd getapt. Plus aan de Nederlandse groepen Pater Moeskroen en Boh Foi Toch. Met de laatste heeft Johnny Mac & The Faithful zelfs één nummer gemeenschappelijk: het vrolijke en swingende Pay Me my Money Down is hetzelfde liedje als Geef mi-j mien bier es an (2010). Een traditional.
Op Midnight Glasgow Rodeo veel variatie in tempo’s en sferen. Van rockend-met-mandoline in Little Fire, via akoestisch en energiek in de titelsong en You Make my Monday Mornings Feel like Saturday Night, tot romantisch in Let Sleeping Dogs Lie. Mijn grootste favoriet is Joey Ramone, dat niet alleen een buiginkje is naar de zanger van de Ramones maar ook naar Rod Stewart, wiens Gasoline Alley in de tekst voorbijkomt.

Een nieuwe muziekstijl is hier dus niet ontdekt, maar wie maalt daarom als alle zestien liedjes goed zijn? Goed en gevarieerd geschreven, scherp gespeeld en dat 52 minuten lang zonder te vervelen.
Ik ga voorbereidingen voor Oud & Nieuw treffen, Johnny zingt me toe en ik vraag me af wanneer die ouwe ome Rod een plaatje als dit zal maken… Goede jaarwisseling allemaal, tot volgend jaar.

Johnny Thunders & The Heartbreakers - L.A.M.F. (1977)

Alternatieve titel: Like a Mother Fucker

poster
2,0
Op reis door punk en wave kom ik vanaf Ian Dury's New Boots and Panties!! bij dit debuut van de voormalige gitarist van New York Dolls, die ik al eerder op diezelfde reis tegenkwam.
Qua Johnny Thunders' historie moet ik denken aan Casino Lee, die eveneens met glam(hard)rock begon, in diens geval in de Londense groep Hollywood Brats, om later over te stappen naar punk met The Boys.

Dan vind ik L.A.M.F. van de Heartbreakers, de groep van Thunders, toch een stuk minder spannend. Natuurlijk, de persoon en zijn geschiedenis hadden al in 1977 de nodige invloed op anderen en bij de bewonderaars was ook Pete Townsend van The Who, maar qua composities heb ik er niet zoveel mee. Wat ik hoor zijn vooral vrij uitgekauwde rock 'n' rollschema's, waarin ik de vonk mis. Kwestie van smaak, zoals hierboven al blijkt uit uiteenlopende reacties van MuMensen.

Van Wikipedia begrijp ik dat er sowieso veel controverse over dit album is geweest, om te beginnen bij de Heartbreakers zelf. Die waren zwaar ontevreden over de mix die klonk op de elpee, verschenen in oktober 1977. Gedurende de zomer pendelde men per taxi heen en weer tussen Londen en Birmingham om de mixen goed te krijgen; overvloedige drugsconsumptie vergemakkelijkte dit proces niet. Drummer Jerry Nolan had er uiteindelijk zo genoeg van, dat hij de groep tijdens een Britse tour verliet. Hij werd voor de resterende optredens vervangen door Paul Cook van de Sex Pistols.
De van een verhullende titel voorziene langspeelplaat L.A.M.F. stond in oktober-november '77 één week in de Britse albumlijst en wel op #55. In de jaren erna volgde juridische touwtrekkerij aldus Wikipedia, waarna in 1994 L.A.M.F.: The Lost '77 Mixes verscheen, in 2012 gevolgd door de 4cd Definitive Edition en tenslotte in 2021 L.A.M.F. the Found Masters. Die laatste haalde warempel in juli dat jaar #67, een teken dat Thunders en zijn Heartbreakers niet zijn vergeten.

Ongeacht al die mixen - ik vind de verschillen niet eens zo groot - wat klinkt is rudimentaire, rauwe rock 'n' roll. De wortels stevig in de jaren '50, uitgevoerd op scheurende overdrive-distortioneffectpedalen. Voorbeelden hiervan zijn Baby Talk, Goin' Steady en Let Go dat het oorspronkelijke album afsluit, waar in de tekst aan Radar Love (die van onze Golden Earring?) wordt gerefereerd.
Een enkele keer is het aardig, zoals in de (bijna) powerpop van All By Myself. Alleen, voor powerpop is de melodie van het refrein niet sterk genoeg, zoals ook in Get off the Phone gebeurt.
Verrassend is dat er een ballade op staat. It's Not Enough is alleen wel saaitjes. Maar goed, je moet het maar durven: punk? Ballade? Jazeker, dat mag, no rules!
Slechts één keer word ik wél enthousiast en dat bij Chinese Rocks dat in de coupletten lekker heavy is met powerpop in het refrein. Geschreven door Dee Dee Ramone en Richard Hell, zie ik. Oooooh, vandaar...

Punk met een hoog garagegehalte. Simpelweg niet mijn ding, maar wie dat juist lekker vindt, kan zomaar twee sterren meer geven dan ik doe.
De reis door punk en new wave springt verder naar een album dat eveneens in oktober 1977 #55 haalde in de Britse albumlijst: Be Seeing You van de Engelse pubrockgroep Dr. Feelgood.

Jolie Holland - Haunted Mountain (2023)

poster
3,5
MuMe noemt dit qua genre 'roots' en in het geval van Haunted Mountain van de Amerikaanse Jolie Holland betekent dat countryfolk. Daarbij is ze niet bang om met drumcomputer en dronegeluiden een zijweggetje in te slaan in de richting van drum 'n' bass, getuige Feet on the Ground, als een U.S.-zusje van Goldfrapp in donkere sfeer meanderend.

Dat je ook met viool kunt dronen, bewijst het intro van Highway 72, dat zich openvouwt tot een weemoedig duet met Buck Meek. In Won't Find Me is ze juist triomfantelijk als ze haar ex (?) toezingt in opnieuw een kalm liedje.
Met haar band (elektrische gitaar, bas, drums) brengt ze in veertig minuten het ene na het andere dromerige liedje, de ene keer traditioneler dan de andere. En ook al mis ik een vlot nummer, de schoonheid van het titellied en Orange Blossoms vallen meteen op.
Met dank aan maatje JeKo, die me erop attendeerde dat ik hierbij een bericht had geschreven, was dit een herontdekkinkje. Buiten giert de wind, net als een krap jaar geleden. Met de muziek van Holland is er een rustgevende soundtrack bij.

Jon Lord - Before I Forget (1982)

poster
4,0
Waar Jon Lord in Deep Purple en op zijn soloplaten zijn liefde voor klassieke muziek etaleerde, was daarvoor in 1982 nauwelijks ruimte binnen de hardrock van zijn werkgever Whitesnake. Dit eenvoudigweg omdat de bluesbasis van de groep zich er niet voor leende.
Ik vermoed dat dit de reden is geweest dat hij hij na zes jaar weer eens een solowerk uitbracht. Mogelijk was hij ook geïnspireerd geraakt door de tweede soloplaat Look at Me Now van bandmaatje Bernie Marsden, waarop hij frequent is te horen. Alle nummers werden door Lord geschreven, Say It's Allright met Elmer Gantry, die we ook als zanger tegenkomen.

Gestoken in een droogkomische hoes is het Marsden die Before I Forget aftrapt als zanger-gitarist in Chance on a Feeling. Op de plaat horen we meer namen die bij Marsden werkten: producer Guy Bidmead, drummers Ian Paice, Cozy Powell en Simon Phillips en bassist Neil Murray: de kringen van post-Deep Purple. En er zijn meer gasten, met als meest bekende de (achtergrond)zangeressen Sam en Vicky Brown. De muziek is daarbij grotendeels instrumentaal.

Zoals B.Robertson een dikke tien jaar eerder noteerde, rechtvaardigt alleen al het gevarieerde en stevige Bach onto This de aankoop, maar de andere nummers mogen er ook zijn.
Op kant 1 het renaissanceorgel van Tender Babes, dat spoedig wordt vergezeld door Powells kenmerkende powerdrums; op Hollywood Rock 'n' Roll horen we op toetsen en gitaar Tony Ashton, waarmee het geluid van Paice Ashton Lord terugkeert.
Op de ingetogen kant 2 klinkt het titellied, een ballade, gevolgd door popballade Say It's Allright met leadzang van Vicki Brown; Burntwood is dan weer instrumentaal en bevat alleen de toetsen van Lord plus fretloze bas van Murray; op alweer ballade Where Are You? zingt Elmer Gantry, in 1974 zanger bij een "illegale versie" van Fleetwood Mac.

In 2012 verscheen bij EMI/Harvest een gemasterde cd-versie met drie instrumentale bonustracks die eveneens de moeite waard zijn, inclusief de singleversie van Bach onto This én een klein achtergrondverhaal van Neil Murray. Deze versie is bovendien op streaming te vinden.
In 2017 was daar bovendien een volgende bonuseditie met de nummers Lady en For a Friend, deze keer bij Purple Records.
Ook zonder deze extra's een vermakelijke plaat met een stevige eerste en ingetogen tweede helft. Het markeert de veelzijdigheid van Jon Lord.

Jona Lewie - Heart Skips Beat (1982)

poster
In 1978 bracht Jona Lewie zijn eerste elpee uit bij het jonge punklabel Stiff, tegelijkertijd totaal niet punk zijnde. Sterker nog, in de ogen van de punkwereld was dit een oude man met bovendien een hele carrière daarvoor: reeds in 1968 was hij beroepsmuzikant. In 1980 verscheen dat album nogmaals, maar nu met deels andere nummers, zoals zijn non-albumhit You'll Always Find Me in the Kitchen at Parties.
John Lewis is een noeste muziekknutselaar en dat blijkt ook uit Stop the Cavalry, dat in Nederland de dag ná Kerst 1980 de hitlijst betrad en half januari 1981 op #6 piekte. Een post-Kersthit. Dankzij streaming staat het sinds 2017 bijna ieder jaar wel een weekje in de Nederlandse top 100. Het is een evergreen geworden, zoals ik tegen Kerst 2024 meemaakte toen ik langs een winkel liep, terwijl een oude man op een bankje tevreden het deel met "dududududumdum" bromde.

Pas in 1982 verscheen het op een album van Lewie, te weten dit Heart Skips Beat. Tegen de tijd dat ik bij dat jaar ben, keer ik hier terug. Maar eerst rond ik mijn reis door de new wave van 1980 af. Ik kwam van single Young Parisians van Adam and the Ants, te vinden op hun compilatie-cd Antmusic en reis naar Department S en single Is Vic There?

Jona Lewie - On the Other Hand There's a Fist (1978)

poster
3,0
Muzikale uitersten: op reis door new wave en aanverwanten kom ik van de eerste industrial ooit (Throbbing Gristle) bij doe-het-zelver Jona Lewie.

Een man met een uitgebreide muziekcarrière in de dagen vóór punk, door het onafhankelijke label Stiff in de stal opgenomen. Zijn debuut bij hen was dat met de heerlijke titel On the Other Hand There's a Fist. Hierboven staat beschreven dat het album nadien in uitgebreidere edities verscheen. Dit na de oorspronkelijke uitgave van 13 oktober 1978 (ja ja, een vrijdag de dertiende...). Ik beperk me echter tot dat jaar.
In 1978 bleef de naam van Lewie een onopvallende naam in Nederland. Eigenlijk een bescheiden wonder dat hij nadien überhaupt hits scoorde, gezien de eigenwijze synthpop, soms met drums en soms met primitieve, eerste generatie drummachine ondersteund.

Tegelijkertijd klinkt hier heerlijk eigenwijze synthesizer-/piano-/orgelpop, want zo zou je het ook kunnen noemen. En met Hallelujah Europa was hij Europapa van Joost Klein mooi 46 jaar vóór. Meest pakkend vind ik Vous et Moi, met Lewies kenmerkende lichte stem, synthesizer en dameskoortje. Dat Lewie veelvuldig uit de popgeschiedenis graait is eveneens aangenaam, zoals de pianoblues in I'll Get By in Pitsburgh.

Volgende halte in mijn reis door wave: meer industrial van Throbbing Gristle op het eveneens in 1978 verschenen D.o.A. The Third and Final Report.

Jona Lewie - On the Other Hand There's a Fist [1980] (1980)

poster
3,5
Vond dat destijds zó irritant: leende ik met mijn bescheiden zakgeld + krantenwijk een lp uit de fonotheek, stond de hit er niet op. Bij Jona Lewie werd het nog bonter gemaakt. Zoals dazzler bijna tien jaar geleden schreef: "In 1980 bracht Stiff een verzamelaar van Jona Lewie uit met exact dezelfde titel en hoes als het reguliere album uit 1978."

Het was het eerste album van Lewie waarop You'll Find Me in the Kitchen at Parties was te vinden. Die non-albumsingle haalde in de Nationale Hitparade van juni 1980 een uiterst bescheiden #30, vermoedelijk één van de weinige singlesuccessen die (punk)label Stiff in Nederland haalde. Een heerlijk droogkloterig liedje dat het geluid van new wave had en de onderkoelde humor van Britse comedy.
Het stond dus niet op zijn vorige plaat On the Other Hand There's a Fist (die andere met die titel dus) en zou evenmin op het pas in 1982 verschenen Heart Skips Beat komen. Dat was jammer, want in de categorie aangename buitenbeentjes in de popmuziek is dit er toch één. Een pareltje zelfs, badend in een toetsenarrangement zoals dat bij de new wave van 1980 paste.

Anno 2025 is er natuurlijk streaming en er zijn verzamelaars, met als meest recente The Best of uit 2002. Je vindt het nummer ook als bonustrack op de in 2007 verschenen cd van het 1978-album. De 1980-versie van On the Other Hand wijkt dus af van de oorspronkelijke plaat met die titel maar bevat nog steeds geinige noveltysongs van Engelsman John Lewis, zoals hij eigenlijk heet.

Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave vervolgt. Vorige station was bij aanmerkelijk serieuzer werk van Deutsch Amerikanische Freundschaft en omdat ik Madness' single Night Boat to Cairo en album One Step Beyond... al besprak, is de volgende halte bij de tweede van de groep Toyah.

Jonathan Jeremiah - Horsepower for the Streets (2022)

poster
4,5
In januari 2020 zag ik Jeremiah met Amsterdam Sinfonietta in Tivoli Vredenburg. Naar spoedig bleek voor lange tijd het laatste concert waar ik bij was, vanwege de naderende lockdown.
Het programmaboekje bevatte de setlist en als ik die terugzie, zou ik willen dat er een liveopname van het concert zou verschijnen. Hierbij ging het van Schubert naar Jeremiah naar Mahler naar Jeremiah naar Dowland naar... Juist. Variatie troef met zowel muziek uit de Romantiek en Renaissance als de popjaren 1970.

Voorheen bevatte zijn muziek naast soulpop tevens singer-songwriterfolk. Met de Sinfonietta aan zijn zijde slaat de balans op Horsepower for the Streets door naar zwoele, blue-eyed soul. Transparant geproduceerd, warm als een deken en romantisch als een film met Julia Roberts en Hugh Grant. Allemaal heerlijke composities, badend in strijkersrijke arrangementen, waarbij bassist Tom Mason met zijn plectrum regelmatig voor lekkere tegenmelodietjes zorgt; plus uiteraard die mooie stem van Jeremiah. Pianoballade Early Morning Sign groeit bij vaker draaien, een relatief rustpuntje tussen de andere nummers.

Met deze elf pareltjes zou mijn enige kritiekpunt kunnen zijn dat het album niet verrassend is en dat het wel erg veel op elkaar lijkt. Tegelijkertijd zit ik hier ook niet te wachten op, pakkumbeet, hippe hiphopbeats of huilende shoegazegitaren. Het is hartstikke retro en tegelijkertijd zó ontzettend geïnspireerd en mooi.
Een favoriet nummer kiezen is lastig, de drie die ik koos zijn min of meer willekeurig. Niet alleen fijn om hard in de auto af te spelen, ook lekker op een lager volume, op de bank onder een dekentje met de verwarming op bespaarstand en wijn en kaas op tafel.

Joshua - Surrender (1985)

poster
4,5
In 1985 stond het onbekende Joshua met Surrender in de platenbakken en mede gelokt door de reuring hieromheen van 'snelste gitarist ter wereld' kocht ik het album. Joshua Perahia, Californiër van Griekse afkomst, bleek inderdaad razendsnel - ik vroeg me af of te meten viel of hij nog sneller was dan Yngwie Malmsteen.
Surrender Love is meteen het eerste bewijs van Perahia's kunnen op de zes snaren. Daarbij de lenige stem van (gast)zanger Jeff Fenholt, niet op de hoes afgebeeld. Vervolgens mijn eerste kennismaking met Heart Full of Soul, oorspronkelijk van Graham Gouldman van The Yardbirds, ver voor mijn tijd. Dezelfde Gouldman die later bij 10CC zou opduiken. Het onderstreept nog eens de voorliefde van Perahia voor melodie, waarbij hij in Fennholt een capabele vocalist vond.
Kant 1 sluit af met het snelle Hold On: toetsen en dubbele basdrum, in 1985 bepaald nog geen standaard in het genre van melodieuze hardrock. Een romantische tekst en alweer spet-te-rend gitaarwerk, de verhalen bleken bepaald niet overdreven.

Back to the Rock is de sterke opener van kant 2, waarbij het gitaargeluid heerlijk vol is en de licks als horzels langs de oren vliegen. Teksten met een christelijke inslag, het was in die dagen nog een nieuwigheidje in hardrock- en metalland, enkele pioniers daargelaten. "I am climbing over the rainbow" zingt Fennholt in Rockin' the World, een tekst die me aan Ronnie James Dio deed denken; hoe zou hij dit nummer hebben gezongen?
Wat ook zo lekker is: géén ballades! Al begint Loveshock langzaam. Dan klinkt opeens een andere stem, die van tweede gitarist Ken Tamplin; het nummer wordt spoedig uptempo. Met een Reprise van Rockin' the World sluit de plaat in Dioaanse stijl af: "I see a light in a distance, I hear a voice calling me".

Hierboven las ik dat er sprake zou zijn van een drumcomputer. Als dat zo is, dan is het goed gedaan. Viel mij indertijd nooit op en als ik Stay Alive beluister, denk ik toch echt dat Jo Galetta op de drumkruk zit. Laat onverlet dat zijn stijl soms zo sober is en het (elektronisch?) drumgeluid wat metalig (Surrender Love) dat ik me die indruk kan voorstellen. Vermoedelijk hadden producer Ted Vegvari en Joshua niet het grootste budget.

In 1986 kwam het bericht dat de groep die zomer per trein (!) door Europa zou gaan touren. Een fotootje in Oor op een perron én een zinderend concert bij Countdown Café volgden, waarbij Tamplin inmiddels de vaste zanger was. Ik nam het magistrale concert op van de radio - heb ik die cassette nog ergens liggen? Hier de foto's van een fan.

Het album verscheen later met andere (cd-)hoezen in een iets andere mix of zelfs heropname. Op streaming met andere trackvolgorde, de cd-editie van 2008. Daarbij het sterke bonusnummer Show Me the Way met zang van Robin Kyle Basauri. Zijn rauwe stem ken ik onder andere van Die Happy en Red Sea. Het kan niet anders of dit nummer is pas jaren later opgenomen.
Toch koester ik mijn gouwe ouwe elpeetje met bovendien een fijne binnenhoes met teksten. Na het jaren links te hebben laten liggen (in de jaren '90 vond ik het niet heavy genoeg, weer later was ik klaar met scheurende gitaren en bovendien was mijn platenspeler overleden), is daar inmiddels grote herwaardering. Een 9 met een grote krul.

Joy Division - Closer (1980)

poster
4,0
Na de zwarte hoes van Unknown Pleasures en de zelfdoding van zanger Ian Curtis in mei 1980, hetgeen diepe indruk op deze tiener maakte, volgde in juli dat jaar het in een witte rouwhoes gestoken Closer. In de inlay van de 2cd-versie die ik heb, vertellen de drie andere bandleden over de totstandkoming van het album, wat er daarna gebeurde en hoe ze dit beleefden.
Dat zanger Ian Curtis zijn vriendin Annik bij de band betrok, veranderde volgens bassist (en soms gitarist) Peter Hook “alles”: de zanger wilde indruk maken op het meisje, waardoor hij diens gedrag zag veranderen. Dat Curtis’ teksten hintten op zijn gemoedstoestand, hadden de drie simpelweg niet door.
Na de dood van Curtis verkeerden ze als in een waas. Zo hoorde Hook eind juli 1980 op zijn autoradio dat non-albumsingle Love will Tear us Apart de top tien naderde; het deed hem echter niets. Dit was passé, hij wilde verder. Hun remedie: doorgaan met repeteren, zoals ze gewoon waren te doen. Op deze wijze ontstond al bij de eerste repetitie na Curtis' dood Dreams Never End. Het werd de opener van de eerste New Order die ze een klein jaar later opnamen, een plaat die in november 1981 zou verschijnen.

Enfin, interessant om deze liner notes te lezen, mede omdat ik me de ontzetting in de pers herinner. De recensies en artikelen die ik indertijd las noemden onvermijdelijk de dood van Curtis, nog maar 23 jaar; hoe recenseer je zo’n album met deze gebeurtenis vers in het geheugen? Voor mij als tiener was het razend interessant, voor de betrokkenen was dat anders.
Wat ik eveneens in het cd-boekje lees: los van de maalstroom aan gebeurtenissen waren de resterende bandleden sowieso niet tevreden met het geluid van Closer. Wederom geproduceerd door Peter Hannett, iemand die als een extra bandlid aan het geluid knutselde. Hook was woest dat wederom zijn gitaargeluid was gewijzigd.
De band ontwikkelde zich los van de eigenwijze knoppenman Hannett. Zo was gitarist Bernard Sumner gaan experimenteren met synthesizers, waardoor het geluid (niet de sfeer of teksten!) minder zwaar is dan op het debuut.

De tiener die ik was, was vooral in de muziek geïnteresseerd. Mijn favorieten waren op de A-kant het uptempo Isolation waar Sumner toetsen speelt en A Means to an End wat een gitaarnummer is.
Op de B-zijde Heart and Soul dat qua drumsound op het debuut had gepast, het met warme bastonen beginnende Twenty Four Hours, dat echter spoedig met uitwaaierende gitaren en felle drumrolls over je heen walst; en het stemmige The Eternal, in mijn oren een passender slot dan het saaie Decades dat kant 2 afsloot. De sfeer is wederom beklemmend, jazeker, maar net als op het debuut pakte slechts de helft van de muziek me.
Een dikke veertig jaar later valt me op hoe goed de muzikanten waren. Stephen Morris bijvoorbeeld met zijn drumpatronen, per nummer divers, altijd aangepast aan het liedje.

De bonus-cd bevat een concert, gegeven op 8 februari 1980. Het publiek is kalmer dan dat op de bonus-live-cd bij Unknown Pleasures. Bijna verstaanbaar zijn de gesprekjes die ik tussen de nummers van enkele aanwezigen hoor, alsof je ernaast staat. Hierbij wordt al Love Will Tear Us Apart gespeeld, ruim vier maanden voordat ie in studioversie op single verscheen. Minder fijn is dat de audiokwaliteit van het concert nogal lo-fi is.

De tweede en laatste Joy Division maakt(e) wederom grote indruk, waarbij ik echter niet alle nummers goed vind. Desondanks is Closer onmisbaar als tijdsdocument, de muziek overstijgend en bovendien de eerste voortekenen van de synthesizers van New Order bevattend. Dat de teksten een klasse apart zijn, betoogden vele anderen al; zie bijvoorbeeld hierboven de diverse beschrijvingen van andere MuMensen (selecteer 'Meningen' en je vindt nog altijd véél).

Joy Division - Martin Hannett's Personal Mixes (2007)

poster
3,5
Kwam deze net als Premonition voor 5 euro tegen, maar dan begin vorige maand. Ook ik kon 'm voor die prijs niet laten staan, de titel Martin Hannett's Personal Mixes maakte nieuwsgierig. Het is Joy Division, er zal allicht íets aardigs zijn te horen.

De achterzijde van de cd vermeldt - handig - "To play full songs only start at track 9". Dat klopt en dan krijg ik de indruk dat ik naar ruwe versies van albumversies luister. Nu zou ik diepgravend kunnen gaan analyseren waarin de verschillen zitten. Liever beleef ik dit als een amusant (níet briljant!) verzamelalbum, waarbij N4 er driemaal opstaat en The Eternal dubbel.

Bij track 1 tot en met 8 is het alsof je in een hoekje van de studio zit en meemaakt wat er gebeurt: bijna niets. Zoals Hannett's Lift Recording. De man was bezig om geluiden te verzamelen, die later moesten worden vermengd met de muziek. Als losse geluiden niet interessant.
Als toehoorder-in-een-hoekje zijn de "false starts" die tweemaal zijn opgenomen wel aardig. Een bandje in een oefenkot, zoals zovele andere groepen.

Met mijn lage verwachtingen kom ik tot een 7 als schoolcijfer, eigenlijk veel te hoog. Martin Hannett's Personal Mixes is echt een heel bescheiden extraatje voor de liefhebbers van Joy Division. Niet meer en niet minder.

Joy Division - Permanent : Joy Division 1995 (1995)

poster
4,0
Op reis door de new wave van 1980 kom ik van de relatief onbekende The Only Ones bij een fameuze single, 28 juni 1980 verschenen: Love Will Tear Us Apart van Joy Division. Een dikke maand na de zelfgekozen dood van zanger Ian Curtis uitgebracht.

Ik hoorde het nummer pas in 1984 en dan in de versie van Paul Young: die haalde in maart dat jaar de Nederlandse hitlijst, een versie die ik overigens ook waardeer.
Maar toch liever de uitvoeringen van Joy Division die ik naderhand hoorde. Niet verrassend: ze zijn veel donkerder. Zeker, zo benadrukte Oor in mei 2020 met daarin herdrukte én nieuwe artikelen over Joy Division. Dit naar aanleiding van Curtis’ dood op 18 mei, dan veertig jaar geleden. ”Manchester wás ook zwaar,” wordt ons voorgehouden.

Wie rondkoekelt zal ontdekken dat er diverse versies van Love Will Tear Us Apart zijn en de reden dat ik deze verzamelaar Permanent uit 1995 kocht is dat er daarop twee zijn te vinden. Track 1 was de single B-kant, opgenomen in januari 1980 en track 16 een afwijkende mix speciaal voor dit Permanent. Die wijken dan weer af van de bekende mix, die uit maart 1980 stamt en onder meer is te vinden op verzamelaar Substance (1988). Uitgebreide informatie over de achtergronden van de tekst en diverse opnames vond ik handig bijeen op Wikipedia.
Laat ik echter iets anders delen: veel is geschreven over de psychische toestand, het krakende huwelijk en de epilepsie van zanger Ian Curtis, maar eigenlijk lees ik nooit dat hij simpelweg een goede zanger was met een behoorlijk bereik en een indringende voordracht. Zoals op Love Will Tear Us Apart, nota bene geïnspireerd door Frank Sinatra.

Permanent is een pakkende verzamelaar van een groep die eigenlijk slechts twee officiële platen uitbracht. Voor deze schijf geldt wat ook voor andere albums van de groep geldt, verzameld werk of origineel album: dit komt bínnen.

Mijn volgende halte in het land van new wave verscheen zes dagen na de postume single van Joy Division: The Art of Walking van de avant-gardistische rockgroep Pere Ubu.

Joy Division - Still (1981)

poster
3,5
Bij Still heb ik vage herinneringen aan de hype die in 1980 rond Joy Division en Ian Curtis in het bijzonder was ontstaan. Ik las erover in Oor en bij de VPRO hoorde ik de audio erbij. Fascinerend vond ik het, al kende ik het werk eigenlijk nauwelijks. Dit betrof iemand van mijn generatie en daarom kwam het dichtbij. Toen Still verscheen, had New Order inmiddels al twee singles uitgebracht; vijf weken vóór hun albumdebuut verscheen deze terugblik. Mogelijk ook om publiciteit rond New Order te genereren. Menig popjournalist was er druk mee...
Ook een dikke veertig jaar later blijft het opmerkelijk hoezeer de populariteit van de band was gestegen door Curtis' zelfgekozen dood. Toen al hoorde je de begrijpelijke beschuldiging van lijkenpikkerij die ik ook hierboven tegenkom. De resterende bandleden weigerden echter om te kijken of in interviews uitgebreid terug te blikken. Zij gingen vooral door met het maken van nieuwe muziek, zich openstellend voor nieuwe geluiden. Geldzucht van de platenmaatschappij of niet, toch staat Still inmiddels in mijn kast en wel in de 2cd-versie.

De studio-opnamen vind ik hierop het beste, oftewel het eerste kwart van deze dubbel-cd. Mijn favorieten: Ice Age, The Only Mistake, Walked in Line, The Kill, Something Must Break en Dead Souls. Hierbij ben ik vooral onder de indruk van drummer Stephen Morris en bassist Peter Hook, die op de puinhopen van punk een nieuwe ritmebasis uitvonden, waarbij de soms punkachtige gitaarpartijen van Bernard Sumner gedijden.
Het concert dat daarna volgt is niet hun beste, wat dat betreft vind ik vooral het rauwe concert op de 2cd-versie van Unknown Pleasures pakkend. De wetenschap dat dit de laatste met de eenzame frontman was, maakt tegelijkertijd dat je het werk anders beluistert.
Toch moest ik nog het meest genieten van die valse synthesizer, die sympathiek jengelt én laat horen dat de groep toen al bezig was te evolueren naar wat korte tijd later New Order zou zijn. Bovendien is het interessant om Ceremony in zijn oervorm te horen, in januari 1981 de eerste single van de fenix uit de as herrezen; ik hoorde het voor het eerst op de compilatie-cd Singles (2005) van de doorstartgroep, ook al zo'n fijn verzamelschijfje.

Het concert op de bonus-cd doet me dan minder, maar misschien ben ik bij vier concerten (ook de bonus-cd van Closer bevat er eentje) wel enigszins oververzadigd, waarbij nuchter gezien niet de meest constante liveprestaties werden neergezet. Tegelijkertijd was die onvoorspelbaarheid met alle emotionele geladenheid de kracht van Joy Division. Geoliede concertgroepen zijn er genoeg, dit is en blijft uniek.

dazzler postte in 2013 dit fragment uit de recensie in Oor van Bert van de Kamp. Even scrollen en je leest onder andere dat hij "Geen pretje, deze vier plaatkanten achter elkaar" noteerde, dit positief bedoelend. De geladenheid was zo kort na dato nog groot.
Nog één album te gaan: Substance is voor mij de laatste relevante terugblik op de groep, die in zijn korte bestaan met Curtis nog in het land der levenden maar één album uitbracht en toch zoveel voor zovelen heeft betekend.

Joy Division - Unknown Pleasures (1979)

poster
4,0
De eerste dode in de popwereld die ik bewust meemaakte was Elvis Presley in augustus 1977, maar dat maakte niet veel indruk op me; een dikke meneer in een raar wit pak, zoals ik hem vooral kende. Nee, het overlijden van Ian Curtis in mei 1980, dát maakte indruk... Terwijl ik op dat moment nog nooit hun muziek had gehoord, voor zover ik me kan herinneren.
Dat laatste was niet vreemd. Zijn Joy Division was een obscuur bandje dat je nauwelijks op onze enige popzender Hilversum 3 hoorde; en áls het al gedraaid werd, dan vooral bij de VPRO met hun beperkte zendtijd. Unknown Pleasures was een album voor een select groepje muziekliefhebbers, mensen die ook bands als The Cure (debuut eveneens in '79) of The Sound (debuterend in 1980) waardeerden, namen die eveneens bij een nieuwe lichting new wave hoorden.
Dat zijn dood indruk op mij maakte, had ook te maken met het feit dat hij bij míjn generatie hoorde, niet veel ouder dan de tiener die ik was. Muziek waarmee ik mij identificeerde. Want over Joy Division had ik wel gelézen, uiteraard in Oor. Dit maakte grote indruk, artikelen die ik opzoog als een spons.

Pas in ’82 of ‘83 zou ik via de fonotheek hun debuut lenen, bereikbaar dankzij mijn zelfgespaarde platenspeler, waarvan de beste nummers op cassettebandje werden opgenomen. Opvallend was de verpakking: de grafische golven op de voorzijde, een ontbrekende bandfoto (dat miste ik), geen namen van groepsleden (miste ik ook) en de plaat kent geen A- en B-kant, maar een Out- en Insidekant. Alles bij elkaar geheimzinnig, dát was weer interessant.
De muziek maakte enerzijds grote indruk, anderzijds vond ik echt niet alle nummers leuk. Toen de cd rond 2015 zomaar in een kringloopwinkel stond en in mijn collectie belandde (heb ik vervolgens aan mijn oudste zoon gegeven in het kader van muziekeducatie) herkende ik onmiddellijk de vijf opgenomen tracks van toen: Disorder, Insight (met zijn lasergungeluiden, die ik eerder hoorde in o.a. tv-serie Battlestar Galactica), She’s Lost Control, Shadowplay en Wilderness. Vooral de uptempo songs dus.
Met name She’s Lost Control maakte indruk: met die onheilspellende stem van Curtis, ondersteund door een aparte drumsound (herinnerde mij aan Seventeen Seconds en Faith van The Cure) en een extreem rauw gitaargeluid klonkt verlatenheid wel zó heftig eenzaam, dát kwam binnen... Het was dit liedje dat ik opsloeg in mijn geheugen. In de decennia erna schoot dit donkere pareltje mij regelmatig spontaan te binnen.

Net als bij The Cure hoorde ik de somberheid en economische depressie van het Engeland van eind jaren ’70; bij Joy Division was dit nog sterker het geval. Voeg daarbij de voortdurende dreiging van een atoomoorlog en je hebt een perfecte soundtrack van die dagen.
Day of the Lords zou ik twintig jaar later herontdekken dankzij het album Hoarse van 16 Horsepower, gekocht bij één van de concerten die deze band in juni en augustus 2002 in Paradiso gaf. Toen viel het kwartje wél.

Inmiddels heb ik Unknown Pleasures op 2cd, waarop toegevoegd een concert van de band uit juli 1979. Ondanks de comeback van het vinyl ben ik namelijk nog steeds blij met de bonusvoordelen van de cd, zoals deze knallende liveset. Ook hier weer de beklemmende sferen van een Engeland in verval, werk- en troosteloosheid, de jaren Margaret Thatcher. Met bovendien een rauw maar enthousiast publiek.

Ian Curtis' voortijdige dood gaf Joy Division een enorme boost en het aantal berichten bij dit album (dit is pagina 51 op MuMe!) bewijst de indruk die muziek en sfeer sindsdien hebben gemaakt.
Qua sterrenwaardering beperk ik me tot de muziek, maar Unknown Pleasures is veel meer dan wat de oren horen: een tijdsdocument dat noten overstijgt.

Judas Priest - British Steel (1980)

poster
3,5
‘Alsjeblieeeeeeft!’ riep Felix Meurders, toen hij het Betonuur presenteerde als vervanger van Alfred Lagarde. De slottonen van Rapid Fire knalden tegelijkertijd door de ether. Het was een hete dinsdagmiddag in juli 1980 na een uitzending van Radio Tour de France, dat toen nog op Hilversum 3 werd uitgezonden. Lagarde lag waarschijnlijk op een strand met een fles whiskey onder zijn handdoek, maar Meurders kon óók enthousiast zijn. En dat voor één van de meest brute metalliedjes die de wereld toentertijd kende, een genre dat niet helemaal des Meurders was...

Mijn leven met British Steel kent drie hoofdstukken. Allereerst 1980 of 1981, toen ik de prachtige hoes met het glanzende vinyl erin uit de bieb had geleend. De eerste Priest die ik in zijn geheel hoorde. Naast Rapid Fire viel vooral Steeler op, beide songs kregen als rapportcijfer een 12. Een 8 kreeg Grinder, een 7 voor You Don’t Have… en een 6 of lager voor meezingers als Living after Midnight of United, liedjes die niet mijn cassettebandje haalden. Ik vond deze plaat vergelijkbaar met de platen van Whitesnake in die dagen, de band die briljantjes afwisselde met fillers. Hoorde je één elpee van ze, dan had je van de helft plezier.

Hoofdstuk 2, de jaren 1993 - 1997, toen op MTV Beavis and Butthead Breaking the Law keken en met hun karakteristieke stemmen meesnauwden. Deed ik vaak na in die dagen, onweerstaanbaar, ook al was ik inmiddels huisvader met kinderen. De clip van die track zag ik voor het eerst in deze show; hoe be-la-che-lijk wat ik daar kreeg te zien! Spinal Tap, zó slecht dat het weer leuk werd. Maar het ijzer van British Steel kreeg hier een gevoelige deuk. Meer roeststaal, zoals dat in menig Franse auto zat. Dat Breaking the Law bij B&B Washing the Dog werd, maakte het niet beter. Niet eerlijk om de band hierop af te rekenen, ik weet het, maar het leed was geschied.

Hoofdstuk 3, najaar 2018, de herkansing. Ik ben via streaming de catalogus van de band aan het doorspitten. British Steel klinkt als het begin van een nieuwe fase voor de band met een zwaardere sound, zij het dat die al enigszins werd opgestart met Killing Machine van twee jaar eerder. Jammer dat de drums nogal droog klinken in vergelijking met de albums uit 1980 van onder meer Sabbath, Saxon en Maiden; anderzijds is de gitaarsound überlekker, veel massiever dan voorheen.
Rapid Fire en Steeler blijven mijn absolute favorieten, want snel en heavy en prachtig dreigend gezongen. Als een buitenaards wezen in mijn tuin zou landen en zou eisen: 'Let me hear what heavy metal is!' dan zou ik hem/haar/het deze songs laten horen.
De andere drie songs die ik goed vind zijn allemaal zwaar en slepend: Metal Gods, Grinder en nieuwe favoriet The Rage, met verrassenderwijs een reggae-intro á la tijdgenoten Fischer-Z of The Police.
Matig of zelfs miskleunen vind ik de rest, die voor mij onder de categorie meezingers en partysongs vallen.

Afgelopen najaar las ik Confess, de biografie van Rob Halford. Jammer genoeg vertelt hij hierin niet veel over de totstandkoming van deze plaat. Ik had bijvoorbeeld graag willen weten of de zwaardere sound bewust was gekozen met het oog op de NwoBhm, of dat het eenvoudigweg de volgende logische stap was.

Felix Meurders is tegenwoordig op zaterdagochtend te horen op Radio 5. Misschien moet ik Rapid Fire aanvragen met het verzoek of hij weer zo heerlijk ‘Alsjeblieeeeeeft!’ wil roepen bij het slot. Wát een kickstarter blijft dit lied!

Judas Priest - Defenders of the Faith (1984)

poster
4,0
In 2013 gaf de illustere kasteelheer Sir Spamalot vanuit zijn Oostendse burcht een college over dit album dat de spijker op de kop slaat. In de derde alinea van zijn betoog legt hij haarfijn uit wat de kracht van Defenders of the Faith is: vooral de eerste vier nummers en daarna Eat Me Alive en Night Comes Down. Lees het hier maar eens terug.

Een studie- en naamgenoot van me kocht de plaat. Ik weet nog dat ik die in zijn appartement in een betonnen studentenflat in Amsterdam-Noord hoorde, qua omgeving lijkend op Oost-Berlijn. Het was een doordeweekse, grijze winterdag na college, kort na het verschijnen in januari 1984. Maar deze muziek bracht vuur in de grauwte.
Wat helpt is dat dit met dank aan Tom Allom de bestgeproduceerde Priest tot dan toe was, het tandem Tipton - Downing menig gitaarduel op grootse wijze uitvecht en Rob Halford zijn enorme vocale kwaliteiten weer eens vetjes in de microfoon vastlegde.

In zijn biografie 'Confess' vertelt Halford overigens waar Jawbreaker over gaat. Dat weet ik nu ook weer; niet over hetgeen ik dacht, dat snoepgoed.

Judas Priest - Firepower (2018)

poster
3,5
En dat voorbeeld volg ik, om daarna de twee plaatjes van KK's Priest mee te nemen, op weg naar Invincible Shield. Firepower verscheen behalve op cd als dubbelelpee met drie á vier nummers per plaatkant.

Enkele nummers gingen indertijd vooraf en die zitten in de eerste helft. Titelnummer Firepower opent met alles wat Judas Priest naar mijn smaak zo goed maakt: sterke riffs, snelle gitaarduels met soms een vleugje klassiek aandoende melodie en de sterke zang van Rob Halford. Lightning Strike is iets langzamer van hetzelfde laken een pak: pakkend bovendien. Evil Never Dies is net zo massief waarna het derde nummer dat als "single" verscheen volgt: met Never the Heroes is het weer ieeeetjes ingetogener. Maar nog altijd klinkt intense heavy metal, messcherp vastgelegd.

Daarna verlies ik wat aandacht. Niet omdat de kwaliteit van de composities minder is, maar omdat verrassingen ontbreken. Misschien is het verzadiging die ik voel bij Necromancer en Children of the Sun. Het ingetogen en korte Guardians dat als een intro overgaat in het slepende Rising from Ruins biedt echter de afwisseling die ik zocht. Mede omdat Halford met zijn stem terugschakelt en de gitaarsolo's zo fraai melodieus zijn.

Daarna gebeurt het me echter weer: de aandacht verslapt, terwijl nog steeds alles klopt. Had ik ook bij verschijnen in 2018, toen het ondanks alle lovende verhalen bij mij niet tot een überklassieker wilde uitgroeien. Het beste werk zit in mijn beleving in de eerste helft van de plaat.
Vergelijk ik dit echter met de sterke albums uit de jaren '80, dan doet het er niet voor onder. Integendeel! Geen vervelende meezingers om de hitparade te halen bijvoorbeeld. Vullertjes ontbreken, de kwaliteit is constant. Waarschijnlijk toch iets teveel (?) vlieguren van mijn kant door de jaren heen.

Nadat ik steeds ongeduldiger wacht op een sterk afwijkend nummer, iets avontuurlijkers, misschien wel een Victim of Changes, komt uiteindelijk powerballad Sea of Red. Juist de variatie in Halfords stem laat horen wat de man vermag en hetzelfde geldt voor de opbouw van het nummer met heerlijk gitaarwerk.

Indertijd verschenen met online logomaker, leuk om je naam in te noteren.

Judas Priest - Invincible Shield (2024)

poster
4,0
Invincible Shield is de hoogst genoteerde langspeler van Judas Priest in hun eigen Brittannië ooit: #2. Gezien alle 'rave reviews' in de diverse media geen wonder. Even checken wat de tussenstand is in enkele andere landen: in Nederland #5, België verdeeld in Vlaanderen #3 en Wallonië #5, Duitsland #1 en Zwitserland #1. Aan deze succesreeks zullen ongetwijfeld nog de nodige landen worden toegevoegd, zo zie ik hem nog niet in de Billboard 200.
Maar goed, wat de massa's vinden, kan ik anders beleven. Wat zeggen deze cijfers? Vergeleken met een Taylor Swift zijn de aantallen bijna armzalig en bovendien zijn hitparades en albumlijsten voor mij vaker iets om te ontlopen dan te omarmen. Voor een metalband is het desalniettemin meer dan aardig en uiteindelijk komt het er altijd op neer wat je er zélf van vindt.

Met alle positieve verhalen in de lijn van "deze krasse knarren kunnen het nog" op het netvlies, beluisterde ik in de aanloop eerst de voorganger én de twee van KK's Priest, daarbij mijmerend over allerlei zaken waarmee Judas Priest na het verschijnen van Firepower de nieuwskolommen haalde.
Best veel, naast de optredens: Glenn Tipton die het rustiger aan moet doen door Parkinson, hartproblemen voor Richie Faulkner, de mediaruzies met K.K. Downing, de inductie in de R&R Hall of Fame, Rob Halford die zijn biografie 'Confess' uitbracht, in duet ging met Dolly Parton én luidop nadacht over een Priest met slechts één gitarist... maar daar snel op terugkwam.

Van al deze muzikale bijzaken hoor ik echter niets terug: Panic Attack begint fraai dromerig om dan te knallen, waarbij Halford diverse registers van zijn nog altijd krachtige stem visiteert. The Serpent and the King doet daar nog een schepje bovenop, waarna Invincible Shield sterk verder beukt. Gitaarwerk en productie (Andy Sneap) zijn dik in orde zoals het hoort, terwijl de ritmesectie weer heerlijk solide en krachtig is.
De twee volgende nummers pakken me muzikaal minder. Wel zou ik eens willen weten wat Halford met de tekst van Gates of Hell bedoelt; net als ex-lid Downing bij zijn band doet, bevat de tekst een mix van allerlei religieuze termen. Zit daar een visie achter?
Bij Crown of Horns haak ik weer aan mede dankzij de fraaie melodie en een tekst deels geïnspireerd door de oorlog in Oekraïne, zo citeert Classic Rock uit een interview waarnaar ik nieuwsgierig word.

Gelukkig vermijdt het Priest van 2024 slappe kost, iets wat hen in "mijn" jaren '80 nogal eens parten speelde. As God Is My Witness ramt dan ook als Rapid Fire en Steeler, de indrukwekkende nummers van mijn kennismaking British Steel (1980).

Deze jongen hoort het liefst albums van zo'n 45 minuten. Daarna kakt het vaak enigszins in. Ook Invincible Shield ontkomt daar niet aan, al hoor ik geen afdankertjes en wordt het niet kalmer. Melodieën, riffs, solo's: ze moeten je maar steeds wéér weten te pakken.
Positieve uitzondering is Escape from Reality dat enkele draaibeurten nodig had en in de brug, vanaf de regel "Get lost in a psychedelic haze", klinkt alsof het een cover van Ozzy Osbourne is. Groeinummer.

Tenslotte drie bonusnummers, waarvan Fight for Your Life en Vicious Circle ondanks zijn bijtende riff niet blijven hangen. Maarrrrrrr dat doet The Lodger wél. Perfecte afsluiter met een sterke melodie, melancholieke sfeer en weer zó mooi gezongen...
Zet ik dit album af tegen de twee langspelers van KK's Priest, dan is duidelijk dat het ex-lid minder bekwaam is in het schrijven van sterke melodieën dan zijn voormalige groepsgenoten. KK compenseert dat met veel energie en tempowisselingen en vooral dat laatste had ervoor kunnen zorgen dat de tweede helft van Invincible Shield spannend was gebleven. Wat dat betreft snap ik iets van diens kritiek, maar over het geheel pareert het moederschip alle opmerkingen met een kwaliteit die KK nog niet heeft gehaald.

Judas Priest - Painkiller (1990)

poster
4,5
Hieronder diverse citaatjes, op originele invalshoeken zal ik niet worden betrapt.

Met als kennismaking in 1980 beukers Steeler en Rapid Fire van mijn instapplaat British Steel, was ook ik meer dan blij verrast met de titelsong van Painkiller die MTV ons toonde in tv-show Headbangers Ball. Dat Scott Travis de overigen een schop onder de bips gaf was nodig geweest. Het bleek effectief. Dat deze drummer een mens was in plaats van de drumcomputer op de voorganger, bewees de meerwaarde daarvan.
Zoals RuudC optekende: "Het is alsof iedereen na Ram It Down de band gesmeekt heeft om meer hardere en snellere tracks".
Hierboven vinden sommigen het de beste Judas Priest ooit, anderen zijn iets minder positief. lennert noteerde: "De dubbele bas overheerst op praktisch ieder nummer en de harde klappen verdringen enige vorm van subtiliteit. Resultaat: Painkiller is een vermoeiend album om te luisteren."

Ik heb he-le-maal niets met de meezing- en hairmetalkant van de groep, die in de jaren '80 op ieder album wel ergens opdook in de vorm van popachtige melodieën. Die ontbreekt hier geheel, de eerste winst is een feit.
Halford zoekt vaker de grenzen van zijn toch al niet misselijke stem op en Tipton en Downing gaan mee in alle nieuwe energie. Zoals Dirkrocker opmerkte: "Wat ik hier hoorde was geen heavy metal meer, gewoon speed metal." De tweede winst is daarmee binnen.
Vond ik de productie van de voorganger soms te schel, ondanks dat dit album om energie draait klinkt de boel zoals BlauweVla meldde: "Keihard droog drumwerk met evenzo droge gitaarmuren die strijden om de frontpositie.". Met dank aan Chris Tsangarides is de derde winst binnen.

Hierna viel de groep stil. Het zou zeven jaar duren voordat opvolger Jugulator verscheen met Tim Owens als zanger. Alhoewel in 1990 opgenomen en verschenen, vormt dit album daarom voor mij het uitroepteken achter de jaren '80 van Judas Priest.
In mijn beleving: met British Steel betrad de groep dat decennium met muziek die deels aansloot bij de New wave of British heavy metal én bij de nieuwe muzieksmaak die ik inmiddels omarmde. Knallend gingen ze de jaren '80 uit met hun versie van de heftiger metalstijlen die later in het decennium waren ontstaan.
Dat ik geen vijf sterren geef, is omdat ook ik een eenvormigheid beleef. Harde metal kan ook langzaam en log zijn immers, nog een nummer als A Touch of Evil had niet misstaan en de variatie vergroot.
Favorieten naast het titelnummer: Night Crawler met zijn ingetogen middendeel dat zo mooi contrasteert en Battle Hymn / One Shot at Glory, met die heerlijke beginklanken en vervolgens lekkere riff.

Judas Priest - Point of Entry (1981)

poster
2,0
De eerste elpee van Judas Priest die ik in zijn geheel hoorde, vermoedelijk ergens in 1982. Had hoge verwachtingen, maar zette niet één liedje op cassette.

Mijn eerste kennismaking met de band was op Hilversum 3 geweest bij Alfred Lagarde. Hij draaide Rapid Force van British Steel. Hard, snel en monotoon. 'Pounding the world like as a battering ram', om meneer Halford te citeren.
Hier echter is het nergens snel en de melodielijnen zijn stukken melodieuzer. Futloos en bovendien niet passend bij het stoere leren imago dat ze zich inmiddels hadden aangemeten. Zonde van de gulden leengeld, vond deze tiener.

Veertig jaar later probeer ik het weer eens. Tja, naast het gebrek aan energie vind ik bovendien de composities niet sterk. Op de A-kant is slechts Hot Rockin' wat pittiger en Desert Plains nog wel sfeervol. Op de B-kant kan ik geen lichtpuntje ontdekken.
Op streaming staan twee bonussen. Thunder Road is als liedje aardig, maar met digitaal klinkende basgitaar en drums komt het steriel over. De tweede is een liveversie van Desert Plains, dat opvallend genoeg véél sneller wordt gespeeld dan in de studioversie, hetgeen het nummer goed doet.

Op zich is het dapper dat de band tegen de toenmalige trend in (de new wave of British heavy metal) een kalmere plaat uitbracht, maar ook wel een beetje dom. Recensent Kees Baars hield in Oor een grote slag om de arm wat betreft de ontvangst bij de fans. Anno 2022 houd ik het bij twee sterren, een hele meer dan ik als puber zou hebben gegeven. Omdat Halford desondanks fijn zingt.

Judas Priest - Ram It Down (1988)

poster
2,5
Omdat Judas Priest altijd een slecht album had laten volgen door een goede, had ik positieve voorgevoelens bij Ram It Down, waarvan de titel sowieso veelbelovend was. De titelsong knalde alvast heerlijk de speakers uit, al vreesde ik bij het zinnetje "Shout it out..." voor een meezingmoment. Maar nee, in combinatie met de gitaarsolo's een heerlijke opener.

Vervolgens verwachtte ik meer stevige muziek, vergelijkbaar met het niveau van voorgangers Screaming en Defenders. Dat lukt redelijk qua composities en gitaarwerk, maar die vermaledijde drumcomputer verpest het nogal eens met zijn kille, vierkante geluid en monotone patronen.
In zijn biografie Confess (2020) vertelt Rob Halford mij veel te weinig over de totstandkoming van dit album en hun andere, al was dat ook duidelijk niet zijn bedoeling met het boek. Ik had in dit geval willen lezen over het waarom van een digitale drummer.

Bij het knallende Hard as Iron heb ik er desondanks minder last van, vooral omdat K.K. Downing en Glenn Tipton hier op hun best duelleren. Maar als je vervolgens het spannende intro van Blood Red Skies hoort en daarna het invallen van de "drums", dan is het alsof iemand ranja in je speciaalbiertje gooit.
Edwynn schreef gisteren treffend over "de metal- en hairkant" van de groep. Met die tweede kant kan ik helemaal niks en iets daarvan klinkt door op single / cover Johnny B. Goode, ondanks dat Rob Halford weer eens laat horen over welk een enorme stembanden hij beschikt. Gitaren en drums klinken me bovendien weer eens te schel, te plastic.
Monsters of Rock mag dan een goedbedoelde ode zijn aan Black Sabbath, hier zijn de digidrums hol en mechanisch en bij de vette riffs mis ik een gitaarclimax. Producer Tom Allom was kennelijk ook bedwelmd door de foute invloeden die heavy metal in die jaren teisterden.

Ik begon mijn waardering met 3,5 ster, mij een krappe 7 als schoolcijfer herinnerend. Al luisterend zakt deze een vol punt. Kunnen de twee bonussen die er in 2001 bijkwamen nog iets veranderen? In ieder geval is het fijn om Dave Holland met zijn stokken te horen en vooral Bloodstone is een goed nummer, maar de 5 blijft staan.

Judas Priest - Screaming for Vengeance (1982)

poster
3,5
Met voorganger Point of Entry kon ik helemaal niks, maar Judas Priest revancheerde zich in de zomer van 1982 met Screaming for Vengeance, dat perfect paste in de New wave of British heavy metal. Over de hele linie bovendien consistenter dan British Steel, dat twee jaar eerder verscheen.

De A-kant beviel het beste, met het monumentale The Hellion als binnenkomer, gevolgd door het snelle Electric Eye. De stem van Rob Halford is hier sterk getimed: hij begint laag en dreigend, om vervolgens in kracht te groeien: heel effectief. Het gitaarduel in Riding on the Wind was eveneens van klasse, waarbij Halford zijn hoge registers inzet.
Blood Stone is net iets minder maar nog altijd fraai, waarna (Take These) Chains klein begint om vervolgens in een heerlijk uptempo deel terecht te komen met bovendien een sterke melodie. Pain and Pleasure sluit de A-kant wat saai af.

De B-kant start niet onverwacht maar wel lekker met het snelle titellied, dat mag er zijn met z’n snelle riffs. Dan de single You’ve Got another Thing Coming, die uiteraard in Nederland niets deed maar niet onaardig was. Met de laatste twee nummers van de plaat kon ik niet zoveel.

Zeven sterke nummers en drie mindere, dat is een aardige score. Ik miste de monotonie van Rapid Fire en Steeler van British Steel, maar waar dat album op andere plaatsen te feestachtig en meezingerig is, komen we dat hier niet tegen.
Op streaming staat de speciale editie uit 2012, met daarop enkele opnamen van de tournee waarmee de groep definitief de Verenigde Staten veroverde, zoals gelijktijdig ook Scorpions en Iron Maiden lukte. Studionummer Prisoner of your Eyes is een prima bonusslot, een powerballad met heerlijk gierende gitaarsolo.

Opvallend toch dat het in Amerika niet lukte met Point of Entry, nochtans nadrukkelijk voor die markt geschreven en in dezelfde studio met dezelfde producer opgenomen. Screaming is echter qua energie en composities veel overtuigender: voor mij klinkt Judas Priest hier op z’n best, namelijk zoals tv-typetje Vyvyan Basterd in de comedyserie The Young Ones op de achterkant van zijn spijkerjas had staan: 'Very Metal'.

Judas Priest - Turbo (1986)

poster
1,5
De clip van Turbo Lover was in 1986 veel bij Sky Channel te zien. Ik gaaaaaaaaapte bij zowel muziek als beelden.
Sowieso vond ik de band nogal wisselvallig qua songmateriaal: beukende metal werd al vanaf mijn instapplaat British Steel moeiteloos afgewisseld met slappe hap. Al waren Screaming en Defenders dikke voldoendes geweest, het futloze Point of Entry was ik niet vergeten. Iets dergelijks wordt op Turbo herhaald, plat als het kale Hollandse polderlandschap in de winter.

Het zit 'm voor mij nog niet eens in de gitaarsynthesizers, maar in de vele popliedjes. Sir Spamalot benoemde dit in 2013 met rake klappen en gaf desondanks 2,5 ster. Dat is mij nog teveel. Slechts Locked in, Reckless en Rock You All Around the World laten iets van metalfurie horen, al vervalt de laatste dan toch in een zoutloze meezinger. Ik gaap weer eens.
Out in the Cold is op zich een best poplied met fraaie melodie, maar dan erger ik me weer aan het schelle gitaargeluid, badkamerdrums en lange duur van een dikke 6 minuten. Hadden ze aan Bonnie Tyler of Tina Turner moeten geven.

Nee, vanaf midden jaren '80 ging het nogal eens mis in metalland...