Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Black Sabbath - Heaven and Hell (1980)

5,0
18
geplaatst: 3 december 2021, 19:58 uur
Op een zaterdagavond in mei 1980 luisterde ik tussen 7 en 8 uur naar Elpee-Pop, een NCRV-programma van presentator Henk Mouwe. Een degelijke programmanaam met een nette presentatiestem. Het laatste kwartier echter klonken daar nogal eens harde gitaren.
Op die zonnige lenteavond werd ik omver geblazen door twee tracks van nieuw verschenen platen. In welke volgorde ze werden gedraaid weet ik niet meer, maar vanaf 10 voor 8 grepen Neon Knights van Black Sabbath en Motorcycle Man van Saxon mij liefdevol bij de keel. Wat was dit? Zulke massieve en tegelijkertijd meeslepende muziek had ik nooit eerder ervaren!
Het was het tweede liedje van Sabbath dat ik hoorde, na die ene hit die wekelijks bij Arbeidsvitaminen klonk en afgelopen kerstvakantie in Veronica Top 100 Aller Tijden.
Sparen voor die plaat! Ondertussen leerde ik de namen van de bandleden uit het hoofd. De hoes bekeek ik alvast in de winkel. Ik vond – en vind – die namelijk meer dan fraai, zowel voor- als achterzijde. Apart toch, hoe intens zulke indrukken een tienerbrein kunnen raken...
Vreemd genoeg laat mijn geheugen mij in de steek over de winkel en periode waarin ik Heaven and Hell kocht. Uiterlijk dat najaar, waarschijnlijk in die alternatieve platenzaak in het centrum van de Grote Stad. Doet er ook niet toe.
Blies de eerste kennismaking met Neon Knights mij al via een radiootje omver, nu gebeurde dat helemaal met de orkaan die uit grotere boxen knalde. Wát een gitaarriff, wát een basmuur, wát een stem! Binnen twintig seconden was ik opnieuw frontaal getroffen door iets wat me naar adem deed happen. Fe-no-me-naal.
De gitaarsolo kan ik uit mijn hoofd meezingen. Een lied in een lied, een raamvertelling gehuld in heldere sound. Aanvankelijk vrij langzaam en hoog, dan dalend naar laag. Vervolgens klimmend, enkele langere, jankende noten; dreigen, dréigen dat ie sneller gaat en dat vervolgens ook dóen: bizar snel, “pielen op de vierkante centimeter” omschreven journalisten het. Snarenracen met heel veel gevoel.
Vervolgens het getokkel van Children of the Sea, dat daarna zwaar verder gaat; de iets mindere compositie Lady Evil (maar hoe mooi gezongen en alweer een heerlijke solo!) en de titelsong: prachtige, slepende riff, op twee derde een versnelling en dan een akoestisch einde, waarin de akkoorden van de eerste riff zitten verscholen. Ademloos beluisterde ik die opbouw keer op keer, licht ontroerd door het slot.
Kant 2 opent met Wishing Well, een track die ik door de jaren heen meer en meer ben gaan waarderen. Uptempo, swingend gedrumd door Bill Ward, die zeker niet de vierkante drummer is waar velen hem voor houden. Sterker nog, hier klinken jazzinvloeden. Poëtische tekst van Ronnie James Dio; ik schreef de regels ‘Time is a never ending journey, love is a never ending smile’ met stift in sierletters op een breed stuk papier en liet dit jaren aan de muur van mijn zolderkamer hangen.
Dan alweer een magisch hoogtepunt: het begint met intrigerende synthesizerklanken, waarna Iommi met ijle klanken bijvalt. Nadat Die Young losbarst met in het intro een snelle gitaarsolo, volgt Dio met één van zijn sterkste partijen ooit; één van de beste composities van de groep.
Daarna Walk Away: niet de sterkste track, maar verre van onaardig. Leuk om te weten dat Dio hier de kennismaking met zijn echtgenote bezingt.
Afsluiter Lonely Is the Word is een groeibriljantje. Leunend op een megalogge riff in het eerste deel, volgt in het tweede deel een lange, ingetogen en meeslepende jazzy gitaarsolo. In die rust hoor je extra goed hoe bassist Geezer Butler er omheen danst. Daarna een vetter sologeluid, waarna nog éénmaal het refrein klinkt. Tenslotte wéér een solo, waarna ranke toetsen bijvallen en producer Martin Birch de plaat langzaam uitdooft. Oef.
Mijn hoofd is een muziekstad, gevuld met duizenden steegjes met liedjes en honderden straten met albums, waar mijn herinneringen doorheen wandelen. Voor dit album is een plein ingeruimd. Daarom kocht ik enkele jaren geleden de 2cd-special edition, met fraaie verhalen en bonussongs. De voorbije maanden kwam ik op internet de foto’s tegen waarop beide hoestekeningen zijn gebaseerd; leuk om al die lijntjes bij deze klassieker te ontdekken. Daarbij gaat de studie door: voor de Kerst ligt de biografie Rainbow in the Dark van Ronald Padovano klaar.
Op die zonnige lenteavond werd ik omver geblazen door twee tracks van nieuw verschenen platen. In welke volgorde ze werden gedraaid weet ik niet meer, maar vanaf 10 voor 8 grepen Neon Knights van Black Sabbath en Motorcycle Man van Saxon mij liefdevol bij de keel. Wat was dit? Zulke massieve en tegelijkertijd meeslepende muziek had ik nooit eerder ervaren!
Het was het tweede liedje van Sabbath dat ik hoorde, na die ene hit die wekelijks bij Arbeidsvitaminen klonk en afgelopen kerstvakantie in Veronica Top 100 Aller Tijden.
Sparen voor die plaat! Ondertussen leerde ik de namen van de bandleden uit het hoofd. De hoes bekeek ik alvast in de winkel. Ik vond – en vind – die namelijk meer dan fraai, zowel voor- als achterzijde. Apart toch, hoe intens zulke indrukken een tienerbrein kunnen raken...
Vreemd genoeg laat mijn geheugen mij in de steek over de winkel en periode waarin ik Heaven and Hell kocht. Uiterlijk dat najaar, waarschijnlijk in die alternatieve platenzaak in het centrum van de Grote Stad. Doet er ook niet toe.
Blies de eerste kennismaking met Neon Knights mij al via een radiootje omver, nu gebeurde dat helemaal met de orkaan die uit grotere boxen knalde. Wát een gitaarriff, wát een basmuur, wát een stem! Binnen twintig seconden was ik opnieuw frontaal getroffen door iets wat me naar adem deed happen. Fe-no-me-naal.
De gitaarsolo kan ik uit mijn hoofd meezingen. Een lied in een lied, een raamvertelling gehuld in heldere sound. Aanvankelijk vrij langzaam en hoog, dan dalend naar laag. Vervolgens klimmend, enkele langere, jankende noten; dreigen, dréigen dat ie sneller gaat en dat vervolgens ook dóen: bizar snel, “pielen op de vierkante centimeter” omschreven journalisten het. Snarenracen met heel veel gevoel.
Vervolgens het getokkel van Children of the Sea, dat daarna zwaar verder gaat; de iets mindere compositie Lady Evil (maar hoe mooi gezongen en alweer een heerlijke solo!) en de titelsong: prachtige, slepende riff, op twee derde een versnelling en dan een akoestisch einde, waarin de akkoorden van de eerste riff zitten verscholen. Ademloos beluisterde ik die opbouw keer op keer, licht ontroerd door het slot.
Kant 2 opent met Wishing Well, een track die ik door de jaren heen meer en meer ben gaan waarderen. Uptempo, swingend gedrumd door Bill Ward, die zeker niet de vierkante drummer is waar velen hem voor houden. Sterker nog, hier klinken jazzinvloeden. Poëtische tekst van Ronnie James Dio; ik schreef de regels ‘Time is a never ending journey, love is a never ending smile’ met stift in sierletters op een breed stuk papier en liet dit jaren aan de muur van mijn zolderkamer hangen.
Dan alweer een magisch hoogtepunt: het begint met intrigerende synthesizerklanken, waarna Iommi met ijle klanken bijvalt. Nadat Die Young losbarst met in het intro een snelle gitaarsolo, volgt Dio met één van zijn sterkste partijen ooit; één van de beste composities van de groep.
Daarna Walk Away: niet de sterkste track, maar verre van onaardig. Leuk om te weten dat Dio hier de kennismaking met zijn echtgenote bezingt.
Afsluiter Lonely Is the Word is een groeibriljantje. Leunend op een megalogge riff in het eerste deel, volgt in het tweede deel een lange, ingetogen en meeslepende jazzy gitaarsolo. In die rust hoor je extra goed hoe bassist Geezer Butler er omheen danst. Daarna een vetter sologeluid, waarna nog éénmaal het refrein klinkt. Tenslotte wéér een solo, waarna ranke toetsen bijvallen en producer Martin Birch de plaat langzaam uitdooft. Oef.
Mijn hoofd is een muziekstad, gevuld met duizenden steegjes met liedjes en honderden straten met albums, waar mijn herinneringen doorheen wandelen. Voor dit album is een plein ingeruimd. Daarom kocht ik enkele jaren geleden de 2cd-special edition, met fraaie verhalen en bonussongs. De voorbije maanden kwam ik op internet de foto’s tegen waarop beide hoestekeningen zijn gebaseerd; leuk om al die lijntjes bij deze klassieker te ontdekken. Daarbij gaat de studie door: voor de Kerst ligt de biografie Rainbow in the Dark van Ronald Padovano klaar.
Black Sabbath - Live Evil (1982)

4,0
3
geplaatst: 7 september 2022, 21:39 uur
Ik zat in het examenjaar van de middelbare school en aangezien ik nogal lui was aangelegd qua huiswerk maar niet wilde zakken, had ik mezelf streng toegesproken. Na iedere goede tentamenweek mocht ik een elpee kopen.
Kort voor Kerst 1982 kwam voor het eerst een officiële liveplaat van Black Sabbath uit (deze was een dikke twee jaar eerder zonder medeweten van de band uitgebracht, ik had die plaat wel in de winkel zien staan maar nooit gehoord). Sinds Heaven and Hell in mei 1980 was verschenen, waren de Sabs mijn überfavoriete band, van wie ik bovendien bezig was de vorige albums te ontdekken.
Maar deze bezetting was het summum. Immers, zowel de beste gitarist als de beste zanger ter wereld waren aan boord. Ja, ik was fanatiek fan, zoals dat hoort op die leeftijd en Live Evil was dus het ultieme cadeau aan mezelf.
De resultaten van de tentamenweek bleken goed. Mijn muziekmaatje op school wist van mijn plannen en de maandag nadat ik de dubbelelpee had gekocht vroeg hij me na afloop van het eerste lesuur (gym) in de kleedkamer of het een goede plaat was. Uit mijn hoofd somde ik de tracklist op, ik vertelde over de prachtige klaphoes en dat ik 'm sinds zaterdagmiddag continu had gedraaid! Euforisch is het woord...
Vervolgens zal ik iets als het volgende hebben verteld. Bij de eerste beluistering waren er twee speerpunten geweest. Eerst Dio: hoe zong hij de nummers uit de periode Osbourne? Bovendien was ik benieuwd naar de gitaarsolo’s die Iommi live uit de hoed toverde. Let wel: ik was nog nooit naar een heavy rockconcert geweest, deze wereld kende ik alleen van radio en tijdschriften. Op mijn zolderkamer ging ik compleet op in hetgeen mijn oren en ogen bereikte. Dat ik onder de indruk was, is een groot understatement. Het was... magisch!
Wederom was ik onder de indruk van de twee namen die ik zojuist noemde, óók als de pre-Diosongs voorbij kwamen. Knap hoe deze in zijn eigen stijl deze songs een nieuw jasje gaf en de verhalen daarin vertelde; hoe hij bijvoorbeeld eng lachte in Black Sabbath of gromde in het intro van Iron Man, práchtig vond ik het!
Nieuwe drummer Vinny Appice drumde weliswaar stukken vierkanter dan zijn voorganger, maar dat stoorde mij in het geheel niet. En zijn drumsolo in War Pigs mocht er zijn. Het was bekend dat menig oude fan ronduit vijandig stond tegenover de nieuwkomers; knap hoe beiden hun talent gebruikten en zo voor zichzelf een eigen hoofdstuk binnen het instituut Black Sabbath creëerden.
Slechts twee zaken vond ik minder: het publiek was wel erg ver naar de achtergrond gemixt en Neon Knights knalde bij lange niet zo uit de speakers als ik had verwacht.
Via Oor en de radio was mij inmiddels bekend dat Dio de band mét Appice had verlaten. Grote ruzie hadden mijn helden gehad. Geleidelijk sijpelden verhalen door over hoe de kampen Iommi/Butler en Dio elkaar ervan beschuldigden met de mix van Live Evil te hebben geknoeid als de anderen er niet waren. Vooral rond het uitkomen van Dio's debuutplaat laaiden deze verhalen op, in het internettijdperk worden ze steevast herkauwd. Het haalde in 1983 wel iets af van mijn romantische magie rondom Live Evil.
Gelukkig is de onenigheid tussen de heren later bijgelegd. De nuchtere versie lijkt deze te zijn: het mixen van het album begon tijdens de geboekte studiodagen om 14 uur des namiddags. Hierbij was Dio keurig op tijd, in tegenstelling tot Iommi en Butler die steevast twee dure studio-uren te laat kwamen. De op-tijd-komer ging niet op zijn krent zitten, maar aan de slag.
Inmiddels was er enig wantrouwen vanuit de twee oudgedienden naar Dio gegroeid, die geheel naar Birminghamse volksaard niet werd uitgesproken. Het lijkt wel het verhaal van een vastlopend huwelijk, want met die stroeve communicatie verviel het van kwaad tot erger: exit Dio, die Appice meevroeg.
En toch vind ik dit nog altijd een lekker plaatje, zij het zeker niet meer zo briljant als toen. Van de 5 sterren die ik in februari 1983 zou hebben gegeven, blijven er nu 4 over.
28 september aanstaande hoop ik naar Kinepolis te gaan, waar alleen die avond de docu 'Dio: Dreamers Never Die' zal draaien. Live Evil is slechts één van de interessante hoofdstukken waarvan ik hoop (kort) iets mee te krijgen.
Kort voor Kerst 1982 kwam voor het eerst een officiële liveplaat van Black Sabbath uit (deze was een dikke twee jaar eerder zonder medeweten van de band uitgebracht, ik had die plaat wel in de winkel zien staan maar nooit gehoord). Sinds Heaven and Hell in mei 1980 was verschenen, waren de Sabs mijn überfavoriete band, van wie ik bovendien bezig was de vorige albums te ontdekken.
Maar deze bezetting was het summum. Immers, zowel de beste gitarist als de beste zanger ter wereld waren aan boord. Ja, ik was fanatiek fan, zoals dat hoort op die leeftijd en Live Evil was dus het ultieme cadeau aan mezelf.
De resultaten van de tentamenweek bleken goed. Mijn muziekmaatje op school wist van mijn plannen en de maandag nadat ik de dubbelelpee had gekocht vroeg hij me na afloop van het eerste lesuur (gym) in de kleedkamer of het een goede plaat was. Uit mijn hoofd somde ik de tracklist op, ik vertelde over de prachtige klaphoes en dat ik 'm sinds zaterdagmiddag continu had gedraaid! Euforisch is het woord...
Vervolgens zal ik iets als het volgende hebben verteld. Bij de eerste beluistering waren er twee speerpunten geweest. Eerst Dio: hoe zong hij de nummers uit de periode Osbourne? Bovendien was ik benieuwd naar de gitaarsolo’s die Iommi live uit de hoed toverde. Let wel: ik was nog nooit naar een heavy rockconcert geweest, deze wereld kende ik alleen van radio en tijdschriften. Op mijn zolderkamer ging ik compleet op in hetgeen mijn oren en ogen bereikte. Dat ik onder de indruk was, is een groot understatement. Het was... magisch!
Wederom was ik onder de indruk van de twee namen die ik zojuist noemde, óók als de pre-Diosongs voorbij kwamen. Knap hoe deze in zijn eigen stijl deze songs een nieuw jasje gaf en de verhalen daarin vertelde; hoe hij bijvoorbeeld eng lachte in Black Sabbath of gromde in het intro van Iron Man, práchtig vond ik het!
Nieuwe drummer Vinny Appice drumde weliswaar stukken vierkanter dan zijn voorganger, maar dat stoorde mij in het geheel niet. En zijn drumsolo in War Pigs mocht er zijn. Het was bekend dat menig oude fan ronduit vijandig stond tegenover de nieuwkomers; knap hoe beiden hun talent gebruikten en zo voor zichzelf een eigen hoofdstuk binnen het instituut Black Sabbath creëerden.
Slechts twee zaken vond ik minder: het publiek was wel erg ver naar de achtergrond gemixt en Neon Knights knalde bij lange niet zo uit de speakers als ik had verwacht.
Via Oor en de radio was mij inmiddels bekend dat Dio de band mét Appice had verlaten. Grote ruzie hadden mijn helden gehad. Geleidelijk sijpelden verhalen door over hoe de kampen Iommi/Butler en Dio elkaar ervan beschuldigden met de mix van Live Evil te hebben geknoeid als de anderen er niet waren. Vooral rond het uitkomen van Dio's debuutplaat laaiden deze verhalen op, in het internettijdperk worden ze steevast herkauwd. Het haalde in 1983 wel iets af van mijn romantische magie rondom Live Evil.
Gelukkig is de onenigheid tussen de heren later bijgelegd. De nuchtere versie lijkt deze te zijn: het mixen van het album begon tijdens de geboekte studiodagen om 14 uur des namiddags. Hierbij was Dio keurig op tijd, in tegenstelling tot Iommi en Butler die steevast twee dure studio-uren te laat kwamen. De op-tijd-komer ging niet op zijn krent zitten, maar aan de slag.
Inmiddels was er enig wantrouwen vanuit de twee oudgedienden naar Dio gegroeid, die geheel naar Birminghamse volksaard niet werd uitgesproken. Het lijkt wel het verhaal van een vastlopend huwelijk, want met die stroeve communicatie verviel het van kwaad tot erger: exit Dio, die Appice meevroeg.
En toch vind ik dit nog altijd een lekker plaatje, zij het zeker niet meer zo briljant als toen. Van de 5 sterren die ik in februari 1983 zou hebben gegeven, blijven er nu 4 over.
28 september aanstaande hoop ik naar Kinepolis te gaan, waar alleen die avond de docu 'Dio: Dreamers Never Die' zal draaien. Live Evil is slechts één van de interessante hoofdstukken waarvan ik hoop (kort) iets mee te krijgen.
Black Sabbath - Master of Reality (1971)

5,0
1
geplaatst: 11 maart 2022, 12:07 uur
Inderdaad spinout, alhoewel de meeste songs de vier leden als componist vermelden (zodat er geen onenigheid ontstond om ongelijke inkomsten) was het in de praktijk Iommi die de riffs schreef en Butler die de teksten voor zijn rekening nam. Toen Dio zich in '79 bij de band voegde, hoefde Butler niet meer aan tekstschrijven te doen.
Per persing/editie/label in het midden van het vinyl zie je overigens soms andere creditvermeldingen, ik neem aan omdat er fouten zijn gemaakt door de hoezen-/labelmakers.
Per persing/editie/label in het midden van het vinyl zie je overigens soms andere creditvermeldingen, ik neem aan omdat er fouten zijn gemaakt door de hoezen-/labelmakers.
Black Sabbath - Mob Rules (1981)

4,5
3
geplaatst: 8 mei 2022, 19:48 uur
Nadat Heaven and Hell een overdonderende indruk hadden gemaakt op deze puber, was de opvolger Mob Rules een must-have. Tegelijkertijd besefte ik in dat najaar van 1981 dat het moeilijk zou zijn om dat juweeltje te overtreffen. Eerder las ik dat drummer Bill Ward de band had verlaten, wat ik heel jammer vond.
Met mijn door-weer-en-wind-krantenwijk verdiende geld haastte ik mij dan ook naar de Grote Stad, nadat Oor via de pen van Kees Baars een uiterst positieve recensie had gepubliceerd. Niet dat die recensie iets had uitgemaakt, voor mij was dit sowieso de beste band ter wereld.
Toch was de start niet makkelijk: ik kon noch op het label, noch op de (best gruwelijke en tegelijkertijd fraaie) hoes zien wat kant A was en gokte verkeerd. Hopend op een Neon Knights deel 2 kreeg ik Country Girl. Een fijn liedje, maar géén knallende binnenkomer.
Op 3 januari 2021 heeft Sir Spamalot een recensie genoteerd waar ik mij goed in kan vinden. Daarom meld ik slechts dat ik alle nummers goed vond, behalve Voodoo en Slipping Away die me niet grepen. Maakte niet uit, draai de plaatkanten in z’n geheel en je krijgt het ene na het andere hoogtepunt opgediend. Bovendien speciale vermeldingen voor de boodschap van de titelsong (in deze dagen van populisme schiet me dat lied vaak te binnen), de wonderschone brug in Country Girl, de übercompositie Falling of the Edge of the World en de gekwelde gitaarsolo’s in Over and Over, waarin Dio bovendien de zwaarmoedigen een hart onder de riem steekt.
Wat me gedurende de jaren erna pas opviel was dat de zangstijl van Dio hier was geëvolueerd: meer “grom”, meer “roar” in zijn stem, passend bij Iommi’s gitaarmuren. Het drumspel van Vinnie Appice is hoekiger dan het jazzy-swingende spel van Ward. Dat was wennen, maar door de jaren heen ben ik zijn spel steeds meer gaan waarderen: de man heeft een eigen stijl die passend is voor dit Sabbath.
In internetjaren kwam ik de theorie tegen dat kunstenaar Greg Hildebrandt de naam ‘Ozzy’ in bloed had verstopt op de cover, omdat de band wraak wilde nemen op de voormalige frontman. Een onjuiste complottheorie, een mob rule.
Enkele jaren terug kocht ik de 2cd-special edition met daarop als bonus o.a. de titelsong zoals die in de film Heavy Metal klonk. Nooit gezien deze tekenfilm, maar zelfs in de stripboekenwinkel kwam ik hier promotie voor tegen. Tot mijn verrassing bleek die versie licht afwijkend van de plaat, de liner notes spreken over demoversie.
De tweede cd bevat een concert van Oudjaar ’81 en 2 januari ’82, een sterke setlist met werk van beide Dio-albums plus de bekende hoogtepunten uit de jaren Ozzy. Je hoort een ingespeelde band, waarbij het afwijkende gitaar- (solo’s) en drumwerk het meest opvallen.
Vergeleken met de voorganger was de verrassing eraf, maar de band leverde opnieuw een klassieker.
Met mijn door-weer-en-wind-krantenwijk verdiende geld haastte ik mij dan ook naar de Grote Stad, nadat Oor via de pen van Kees Baars een uiterst positieve recensie had gepubliceerd. Niet dat die recensie iets had uitgemaakt, voor mij was dit sowieso de beste band ter wereld.
Toch was de start niet makkelijk: ik kon noch op het label, noch op de (best gruwelijke en tegelijkertijd fraaie) hoes zien wat kant A was en gokte verkeerd. Hopend op een Neon Knights deel 2 kreeg ik Country Girl. Een fijn liedje, maar géén knallende binnenkomer.
Op 3 januari 2021 heeft Sir Spamalot een recensie genoteerd waar ik mij goed in kan vinden. Daarom meld ik slechts dat ik alle nummers goed vond, behalve Voodoo en Slipping Away die me niet grepen. Maakte niet uit, draai de plaatkanten in z’n geheel en je krijgt het ene na het andere hoogtepunt opgediend. Bovendien speciale vermeldingen voor de boodschap van de titelsong (in deze dagen van populisme schiet me dat lied vaak te binnen), de wonderschone brug in Country Girl, de übercompositie Falling of the Edge of the World en de gekwelde gitaarsolo’s in Over and Over, waarin Dio bovendien de zwaarmoedigen een hart onder de riem steekt.
Wat me gedurende de jaren erna pas opviel was dat de zangstijl van Dio hier was geëvolueerd: meer “grom”, meer “roar” in zijn stem, passend bij Iommi’s gitaarmuren. Het drumspel van Vinnie Appice is hoekiger dan het jazzy-swingende spel van Ward. Dat was wennen, maar door de jaren heen ben ik zijn spel steeds meer gaan waarderen: de man heeft een eigen stijl die passend is voor dit Sabbath.
In internetjaren kwam ik de theorie tegen dat kunstenaar Greg Hildebrandt de naam ‘Ozzy’ in bloed had verstopt op de cover, omdat de band wraak wilde nemen op de voormalige frontman. Een onjuiste complottheorie, een mob rule.
Enkele jaren terug kocht ik de 2cd-special edition met daarop als bonus o.a. de titelsong zoals die in de film Heavy Metal klonk. Nooit gezien deze tekenfilm, maar zelfs in de stripboekenwinkel kwam ik hier promotie voor tegen. Tot mijn verrassing bleek die versie licht afwijkend van de plaat, de liner notes spreken over demoversie.
De tweede cd bevat een concert van Oudjaar ’81 en 2 januari ’82, een sterke setlist met werk van beide Dio-albums plus de bekende hoogtepunten uit de jaren Ozzy. Je hoort een ingespeelde band, waarbij het afwijkende gitaar- (solo’s) en drumwerk het meest opvallen.
Vergeleken met de voorganger was de verrassing eraf, maar de band leverde opnieuw een klassieker.
Black Sabbath - Never Say Die! (1978)

4,5
0
geplaatst: 29 april 2023, 23:57 uur
Afgelopen maandag kwam ik 'm tegen in een platenzaak in Vlissingen: de heruitgave van dit album ter gelegenheid van Record Store Day. Ik heb de elpee-met-cd-versie en ik vroeg me af wat deze editie toevoegt. De hoessticker meldt dat onder het folie de 'extremely rare The Ten Year War brochure' is opgenomen, alsmede 'transparent and light blue splatter vinyl".
Op Discogs kon ik de inhoud toch zien. Een leuk hebbedingetje is het zeker en wellicht een beleggingsobject. Maar zelfs de fan in mij vindt dit al te gortig worden...
Voor wie van vinyl houdt en de plaat niet kent: dit is een heule fraaie!
Op Discogs kon ik de inhoud toch zien. Een leuk hebbedingetje is het zeker en wellicht een beleggingsobject. Maar zelfs de fan in mij vindt dit al te gortig worden...
Voor wie van vinyl houdt en de plaat niet kent: dit is een heule fraaie!
Black Sabbath - Paranoid (1970)

3,5
2
geplaatst: 8 januari 2022, 20:09 uur
Het tweede album van Sabbath dat ik in zijn geheel hoorde was Paranoid, de compilatie We Sold Our Soul... niet meegerekend. Die verzamelaar had grote indruk op mij gemaakt, voor het album Paranoid was het dus uitzoeken of er andere pareltjes op stonden.
Het moet ergens begin ’81 zijn geweest dat ie vanuit de bieb op mijn draaitafel belandde. De hoes vond ik niet tof. Een man in een geel-rood trimpak (zo heette dat toen nog) en een blauw supermanzwembroekje, een witte brommerhelm op, rood schild en kromzwaard in de handen, springt achter een boom vandaan. Hartstikke mesjokke! Paranoid klopte wel als titel; mooi was het niet.
Bij nadere observatie herinnerde ik me de nachtelijke dropping van het zomerkamp waar ik drie jaar eerder bij was, toen ome Henk ons in het bos probeerde bang te maken door in een carnavalspak van achter een boom tevoorschijn te springen: ‘Boeh!’
Jaren later leerde ik dat de band het album War Pigs had willen noemen; dan snap ik de hoes beter, maar ook in dat geval oogt het onnozel. Passender was een hoes als deze van Wishbone Ash of deze van Count Basie geweest. Eén van de vele zaken die misgingen in de bandcarrière, zoals gitarist Tony Iommi met veel onderkoelde humor vertelt in zijn biografie Iron Man (2012). Op de hoes van Live Evil (1982) zouden ze bovendien zelf laten zien hoe het had gekund, zie tweede figuur van rechts.
Let the music do the talking! Op de A-kant staan drie nummers die ik al kende: War Pigs, Paranoid en Iron Man. Wat ik toen – nu nog steeds – zo goed vond waren de tempowisselingen in de langere nummers. Maar ook geluidseffecten als de sirene in de eerste klanken van de plaat of de vervormde stem in het intro van Iron Man droegen bij aan de sfeer. Paranoid is kort, krachtig en straalt warempel wanhoop uit. Ozzy, die sowieso goed op dreef is op dit album, brengt met zijn typische stem extra sfeer.
De teksten probeerde ik zo goed als dat ging te volgen. Die van War Pigs bleken verbazingwekkend hippie-achtig met z’n vredesboodschap; voor een duister imago als dat van Sabbath vond ik het bijzonder dat iedereen die de oorlog zoekt, wordt voorgehouden dat je voor de troon van God zal komen te staan. Iron Man is als een spannende science-fictionfilm, dat kende ik nauwelijks uit de pop/rockmuziek. Nieuw voor mij was Planet Caravan, een ingetogen zweverig liedje dat mooi is voor het contrast maar me te lang duurde; wél met fraaie jazzy gitaarsolo.
De B-kant bevat drie nummers die ik nog niet kende. Het donkere Electric Funeral opent, een lied over een dreigende atoomoorlog met robots. Daarna Hand of Doom, dat z’n titel eer aandoet en alweer een vredesboodschap heeft: ik kon in ’81 ‘bomb’ en ‘Vietnam’ onderscheiden, woorden die ik verbond aan de journaalbeelden van enkele jaren eerder. De track duurt ruim zeven minuten en bevat de nodige variatie. Rat Salad doet nog sterker dan de vorige track aan een livejam denken, compleet met drumsolo. Van afsluiter Fairies Wear Boots snapte ik de titel nooit, maar de muziek kende ik van de verzamelaar en die was ijzersterk met z’n eigenwijze riffs en ritmes.
Zo’n elpee mocht je drie weken lenen. Het was dus zaak om ‘m veel te draaien en dan de beste nummers op een cassettebandje te zetten. Na drie weken kwam ik tot de conclusie dat de vier “nieuwe” nummers weinig toevoegden, ondanks dat de band heerlijk musiceert. De plaat viel dus tegen, constateerde ik enigszins beduusd.
Vandaag draaide ik 'm weer eens, zoals incidenteel in de voorbije jaren. Dat het album de sfeer van de Koude Oorlog en de dreiging van de atoombom uitademt, is evident. Die sfeer staat me nog levendig voor de geest: twee jaar nadat ik de plaat voor het eerst draaide zou “ons eigen” Doe Maar er bijvoorbeeld ook bij stilstaan, in de jaren dat de anti-neutronenbomdemonstraties menigtes trokken (Over de Muur van Klein Orkest!).
In dit opzicht stond Sabbath in 1970 veel dichter bij de hippiebeweging dan ik elf jaar later als fan doorhad. Ook de muziekpers benaderde dit sombere realisme niet of nauwelijks, meestal ging het over het duistere imago, drugsgebruik of de meesterlijke riffs.
Ik heb nog eens extra op de tekst van Fairies… gelet. In het kort: de ik-persoon zag elfjes dansen met een dwerg en de dokter stelt als diagnose dat dit komt door teveel blowen. Hihihi…
Net als indertijd constateer ik dat dit nooit mijn favoriete album van de groep zal worden, ook al valt er in muzikaal opzicht genoeg te genieten. In ’81 wist ik welke plaat ik hierna zou gaan lenen: Never Say Die, die had wél een toffe hoes.
Het moet ergens begin ’81 zijn geweest dat ie vanuit de bieb op mijn draaitafel belandde. De hoes vond ik niet tof. Een man in een geel-rood trimpak (zo heette dat toen nog) en een blauw supermanzwembroekje, een witte brommerhelm op, rood schild en kromzwaard in de handen, springt achter een boom vandaan. Hartstikke mesjokke! Paranoid klopte wel als titel; mooi was het niet.
Bij nadere observatie herinnerde ik me de nachtelijke dropping van het zomerkamp waar ik drie jaar eerder bij was, toen ome Henk ons in het bos probeerde bang te maken door in een carnavalspak van achter een boom tevoorschijn te springen: ‘Boeh!’
Jaren later leerde ik dat de band het album War Pigs had willen noemen; dan snap ik de hoes beter, maar ook in dat geval oogt het onnozel. Passender was een hoes als deze van Wishbone Ash of deze van Count Basie geweest. Eén van de vele zaken die misgingen in de bandcarrière, zoals gitarist Tony Iommi met veel onderkoelde humor vertelt in zijn biografie Iron Man (2012). Op de hoes van Live Evil (1982) zouden ze bovendien zelf laten zien hoe het had gekund, zie tweede figuur van rechts.
Let the music do the talking! Op de A-kant staan drie nummers die ik al kende: War Pigs, Paranoid en Iron Man. Wat ik toen – nu nog steeds – zo goed vond waren de tempowisselingen in de langere nummers. Maar ook geluidseffecten als de sirene in de eerste klanken van de plaat of de vervormde stem in het intro van Iron Man droegen bij aan de sfeer. Paranoid is kort, krachtig en straalt warempel wanhoop uit. Ozzy, die sowieso goed op dreef is op dit album, brengt met zijn typische stem extra sfeer.
De teksten probeerde ik zo goed als dat ging te volgen. Die van War Pigs bleken verbazingwekkend hippie-achtig met z’n vredesboodschap; voor een duister imago als dat van Sabbath vond ik het bijzonder dat iedereen die de oorlog zoekt, wordt voorgehouden dat je voor de troon van God zal komen te staan. Iron Man is als een spannende science-fictionfilm, dat kende ik nauwelijks uit de pop/rockmuziek. Nieuw voor mij was Planet Caravan, een ingetogen zweverig liedje dat mooi is voor het contrast maar me te lang duurde; wél met fraaie jazzy gitaarsolo.
De B-kant bevat drie nummers die ik nog niet kende. Het donkere Electric Funeral opent, een lied over een dreigende atoomoorlog met robots. Daarna Hand of Doom, dat z’n titel eer aandoet en alweer een vredesboodschap heeft: ik kon in ’81 ‘bomb’ en ‘Vietnam’ onderscheiden, woorden die ik verbond aan de journaalbeelden van enkele jaren eerder. De track duurt ruim zeven minuten en bevat de nodige variatie. Rat Salad doet nog sterker dan de vorige track aan een livejam denken, compleet met drumsolo. Van afsluiter Fairies Wear Boots snapte ik de titel nooit, maar de muziek kende ik van de verzamelaar en die was ijzersterk met z’n eigenwijze riffs en ritmes.
Zo’n elpee mocht je drie weken lenen. Het was dus zaak om ‘m veel te draaien en dan de beste nummers op een cassettebandje te zetten. Na drie weken kwam ik tot de conclusie dat de vier “nieuwe” nummers weinig toevoegden, ondanks dat de band heerlijk musiceert. De plaat viel dus tegen, constateerde ik enigszins beduusd.
Vandaag draaide ik 'm weer eens, zoals incidenteel in de voorbije jaren. Dat het album de sfeer van de Koude Oorlog en de dreiging van de atoombom uitademt, is evident. Die sfeer staat me nog levendig voor de geest: twee jaar nadat ik de plaat voor het eerst draaide zou “ons eigen” Doe Maar er bijvoorbeeld ook bij stilstaan, in de jaren dat de anti-neutronenbomdemonstraties menigtes trokken (Over de Muur van Klein Orkest!).
In dit opzicht stond Sabbath in 1970 veel dichter bij de hippiebeweging dan ik elf jaar later als fan doorhad. Ook de muziekpers benaderde dit sombere realisme niet of nauwelijks, meestal ging het over het duistere imago, drugsgebruik of de meesterlijke riffs.
Ik heb nog eens extra op de tekst van Fairies… gelet. In het kort: de ik-persoon zag elfjes dansen met een dwerg en de dokter stelt als diagnose dat dit komt door teveel blowen. Hihihi…
Net als indertijd constateer ik dat dit nooit mijn favoriete album van de groep zal worden, ook al valt er in muzikaal opzicht genoeg te genieten. In ’81 wist ik welke plaat ik hierna zou gaan lenen: Never Say Die, die had wél een toffe hoes.
Black Sabbath - Past Lives (2002)

3,5
1
geplaatst: 29 december 2022, 21:51 uur
Omstreeks 2015 schafte ik Past Lives aan, mede om het verfoeilijke "Live at Last" een tweede kans te gunnen. Die kans is met deze heruitgave gegrepen, zie mijn verhaal bij dat album. Daarmee is cd 1 van Past Lives besproken.
Als fan van wat veel fans van Black Sabbath hun mindere fase met Osbourne vinden, de jaren '75 - '78, was ik vooral benieuwd naar de eerste vier nummers van cd 2, het concert dat de band in 1975 gaf in Asbury Park, New Jersey. U weet wel, daarvandaan stuurde Bruce Springsteen ons twee jaar eerder een ansichtkaart. Zonder alle studioperfectie klinkt hier een rauwe band, met furieus drumwerk van Bill Ward op Symptom of the Universe en op Megalomania vergezeld door toetsenman-in-de-coulissen Gerald Woodroffe.
Vanaf Iron Man klinkt een set uit Parijs 1970, waarvan ik vooral Behind the Wall of Sleep graag mag horen. Tegelijkertijd kan ik mij goed vinden in de opmerking van wizard, die liever een compleet concert had gehoord. Ik kwam Asbury hier tegen en Parijs daar.
Mede omdat Black Sabbath een abonnement had op mislukte livealbums, is dit Past Lives een geslaagde inhaalslag. Misschien te laat, misschien te weinig, misschien te zus of juist zo, maar ik draai 'm met plezier.
Als fan van wat veel fans van Black Sabbath hun mindere fase met Osbourne vinden, de jaren '75 - '78, was ik vooral benieuwd naar de eerste vier nummers van cd 2, het concert dat de band in 1975 gaf in Asbury Park, New Jersey. U weet wel, daarvandaan stuurde Bruce Springsteen ons twee jaar eerder een ansichtkaart. Zonder alle studioperfectie klinkt hier een rauwe band, met furieus drumwerk van Bill Ward op Symptom of the Universe en op Megalomania vergezeld door toetsenman-in-de-coulissen Gerald Woodroffe.
Vanaf Iron Man klinkt een set uit Parijs 1970, waarvan ik vooral Behind the Wall of Sleep graag mag horen. Tegelijkertijd kan ik mij goed vinden in de opmerking van wizard, die liever een compleet concert had gehoord. Ik kwam Asbury hier tegen en Parijs daar.
Mede omdat Black Sabbath een abonnement had op mislukte livealbums, is dit Past Lives een geslaagde inhaalslag. Misschien te laat, misschien te weinig, misschien te zus of juist zo, maar ik draai 'm met plezier.
Black Sabbath - Reunion (1998)

3,5
0
geplaatst: 11 juni 2025, 19:58 uur
Begin jaren '80 was deze kersverse fan van Black Sabbath teleurgesteld met Live at Last, om redenen die ik daar beschreef. Dat album kreeg weliswaar in 2002 een opfrisbeurt middels Past Lives, maar toen was Reunion alweer vier jaar oud. Het is de livedubbelaar die in 1980 - of eigenlijk eerder - had moeten verschijnen.
De klassiekers uit het oeuvre komen allemaal langs: in 1980 was ik omver geblazen. En toch. Inmiddels behoor ik tot een kleine groep fans die jarenlang droomde van een livealbum met ándere nummers uit hun discografie. Wéér War Pigs, wéér Paranoid... Wellicht kwestie van verzadiging, maar ik zou het zo leuk vinden als deep cuts van later zouden worden gespeeld, het progressievere werk. Daarbij zou ik als eerste Electric Funeral laten sneuvelen. Blijf lkkr dromen Ronaldje, dát gaat nooit gebeuren: Iommi & co zijn behoorlijk keuzevast, volgens zijn bio mede omdat de fans erom vragen.
Toch hoop ik dat ik me vergis, gezien dit bericht over het Back to the Beginning concert van 5 juli aanstaande. Uitverkocht maar online te zien voor 30 pond. Dan hoop ik op nummers van Sabotage, Technical Ecstacy, Never Say Die! en iets van 13.
Terug naar Reunion. Mijn favo's zijn tegenwoordig Spiral Architect, Into the Void, Sabbath Bloody Sabbath, Orchid - Lord of This World en Dirty Women (gitaarsolo!). Geinig is dat na NIB een overenthousiaste (beschonken?) fan bij de microfoon komt en daar wat in roept. "What was that?" reageert Osbourne, die met de anderen in uitstekende vorm stak.
Bij de nieuwe studionummers Psycho Man en Selling My Soul valt op dat ze stilistisch teruggrijpen op hun eerste twee albums. Doom dus, waarvan vooral de eerste mij goed bevalt dankzij de tempowisselingen en Osbournes laag-hese stem. Hij was hoorbaar ouder geworden.
Door de aanwezigheid van drummer Bill Ward is Reunion een logischer afscheid dan The End uit 2017. Maar goed, inmiddels is daar het - nu echt, ja ja - slot op 5 juli aanstaande. Ik ben dan te druk met werk en andere zaken, maar zal de berichtgeving met belangstelling volgen. Bovendien lijkt het niet meer dan logisch dat ook daarvan een dvd/bluray zal verschijnen, al heb ik van tevoren niet zo'n zin in de all-star cast die mee zal doen en las ik vreeswekkende berichten over de conditie van de madman.
De klassiekers uit het oeuvre komen allemaal langs: in 1980 was ik omver geblazen. En toch. Inmiddels behoor ik tot een kleine groep fans die jarenlang droomde van een livealbum met ándere nummers uit hun discografie. Wéér War Pigs, wéér Paranoid... Wellicht kwestie van verzadiging, maar ik zou het zo leuk vinden als deep cuts van later zouden worden gespeeld, het progressievere werk. Daarbij zou ik als eerste Electric Funeral laten sneuvelen. Blijf lkkr dromen Ronaldje, dát gaat nooit gebeuren: Iommi & co zijn behoorlijk keuzevast, volgens zijn bio mede omdat de fans erom vragen.
Toch hoop ik dat ik me vergis, gezien dit bericht over het Back to the Beginning concert van 5 juli aanstaande. Uitverkocht maar online te zien voor 30 pond. Dan hoop ik op nummers van Sabotage, Technical Ecstacy, Never Say Die! en iets van 13.
Terug naar Reunion. Mijn favo's zijn tegenwoordig Spiral Architect, Into the Void, Sabbath Bloody Sabbath, Orchid - Lord of This World en Dirty Women (gitaarsolo!). Geinig is dat na NIB een overenthousiaste (beschonken?) fan bij de microfoon komt en daar wat in roept. "What was that?" reageert Osbourne, die met de anderen in uitstekende vorm stak.
Bij de nieuwe studionummers Psycho Man en Selling My Soul valt op dat ze stilistisch teruggrijpen op hun eerste twee albums. Doom dus, waarvan vooral de eerste mij goed bevalt dankzij de tempowisselingen en Osbournes laag-hese stem. Hij was hoorbaar ouder geworden.
Door de aanwezigheid van drummer Bill Ward is Reunion een logischer afscheid dan The End uit 2017. Maar goed, inmiddels is daar het - nu echt, ja ja - slot op 5 juli aanstaande. Ik ben dan te druk met werk en andere zaken, maar zal de berichtgeving met belangstelling volgen. Bovendien lijkt het niet meer dan logisch dat ook daarvan een dvd/bluray zal verschijnen, al heb ik van tevoren niet zo'n zin in de all-star cast die mee zal doen en las ik vreeswekkende berichten over de conditie van de madman.
Black Sabbath - Sabbath Bloody Sabbath (1973)

4,0
1
geplaatst: 3 augustus 2022, 17:08 uur
Toen ik als tiener ergens rond 1981 Sabbath Bloody Sabbath uit de fonotheek in ons dorp leende, zorgde ik er wél voor dat ie op mijn kamer verstopt achter andere platen stond. Mijn ouders mochten deze duistere hoes, met daarop een door een angstdroom geteisterde man, niet zien. Dat zou ongetwijfeld tot gemopper leiden. Of meer.
Het was de enkele hoes, dus géén klaphoes. De mysterieuze foto op de binnenzijde daarvan kende ik nog niet.
Al vond ik de voorzijde heftig, de muziek viel dan weer tegen. Die kwam op mij over als weliswaar somber, maar ook vrij ingetogen. Deze puber ging voor harder en sneller met huizenhoge gitaarmuren. Laat dat nou níet de filosofie van de plaat zijn. De eerste riff in de titelsong is zeker heavy, maar al in de brug erna klinkt een jazzy gitaargeluid. Iets wat ik al wist van deze verzamelaar. Het hierop volgende A National Acrobat lijkt qua riff op het vorige nummer; ook dit is een prima lied, maar de tweede midtempo op rij.
Het akoestische Fluff vond ik prachtig. Als laatste van kant A klinkt dan eindelijk iets wat uptempo is. Toch vervalt Sabbra Cadabra na enige tijd alwéér in een trager tempo en het eindigt niet met een heftige slotclimax maar met piano en klein drumroffeltje.
Wat ik als puber wel lekker vond waren de gitaarsolo’s, soms zelfs drie tegelijk, zoals in Killing Yourself to Live. Buitenbeentje Who Are You? met zijn oersynthesizer (een Moog bespeeld door zanger Ozzy Osbourne) en hypnotiserende-onheilspellende melodie vond ik verrassend pakkend. En toch. Werd het een keer uptempo (Looking for Today), dan was de riff mij niet hard genoeg.
Ik heb het album een jaar of drie later nogmaals uit de bieb geleend, omdat mijn opname op cassettebandje niet goed meer was. Met andere verwachtingen luisterend, beviel de plaat iets beter. Bovendien viel mij op hoe goed Osbourne bij stem is: de man zingt hoger dan ooit zonder aan kracht te verliezen. Vermoedelijk had ik indertijd zo’n 2,5 ster gegeven.
Inmiddels ben ik dan eindelijk genoeg gerijpt om dit album te waarderen. Verdwenen is mijn hang naar harder-is-beter.
Het vinyl draait nu in zo’n speciale gekleurde versie. Dat laatste hoeft van mij eigenlijk niet, overbodige luxe; maar met de klaphoes in handen begrijp ik waarom gitarist Tony Iommi in zijn biografie Iron Man om de bandfoto grinnikt: het moest er mysterieus, Middeleeuws uitzien met dat hemelbed; jammer genoeg zie je rechts van de eiken kast een stopcontact…
Hij vindt deze plaat mét het album Heaven and Hell het hoogtepunt van hun discografie. Dit ondanks een schrijfblokkade. In Californië lukte het Iommi niet om met nieuwe riffs te komen, vertelt Osbourne in zijn bio I Am Ozzy, eveneens lezenswaardig. Dit werd verergerd door de afhankelijkheid en passiviteit van de andere bandleden, zoals Iommi zijn lezers fijntjes voorhoudt.
Desondanks kwamen de ideeën in Engeland wél. Iommi beschrijft ook hoe hij experimenteerde met keyboards, doedelzak, sitar en meer. Dat kostte veel tijd, mislukkingen gingen subiet de prullenbak in.
Wat resteerde werd dit album, achteraf gezien hun meest progressieve. Dit ondanks een uitputtend tourleven en het intensieve gebruik van cocaïne. Dat hun manager de band verwaarloosde, begon hen ook te dagen. Deze Patrick Meehan liet niet na zich op de hoes als director te laten noteren: centjes centjes centjes…
In 1983 of '84 gaf Osbourne in een interview in Oor af op Iommi, omdat deze er met zijn (drie)dubbele gitaarsolo’s op uit zou zijn geweest indruk te maken op anderen. Bij die woorden moest ik vooral aan dit album denken, met alle details en laagjes. De wrijving die er toen tussen de twee was, is lang voorbij. Het is Osbourne duidelijk geworden dat de riffman uitzonderlijk goed werk leverde en bovendien veel breder dacht dan alleen gitaren.
Zo is het orkest in afsluiter Spiral Architect, mijn persoonlijke favoriet, Iommi’s idee. Wat ik indertijd al prachtig vond, was het applaus aan het einde, waarna het lied kort terugkeert en wordt weggedraaid. Dat bleef hangen in de jaren erna!
De duistere voorzijde van de hoes was mij indertijd beter bijgebleven dan de achterzijde: daarop echter zie je hoe de man op bed inmiddels wordt getroost door engelachtige vrouwenfiguren, terwijl een enorme manspersoon beschermend aan het hoofdeinde staat. Een tweeluik dus, fraai geschilderd door fantasy-artiest Drew Struzan. Hier veel meer daarover.
Een album dat qua imago niet duister is, zoals ik eerst dacht. In muzikaal opzicht behoefde het de nodige draaibeurten, in mijn geval verspreid over enkele decennia. Nu het is gerijpt, geef ik Sabbath Bloody Sabbath vier sterren.
Het was de enkele hoes, dus géén klaphoes. De mysterieuze foto op de binnenzijde daarvan kende ik nog niet.
Al vond ik de voorzijde heftig, de muziek viel dan weer tegen. Die kwam op mij over als weliswaar somber, maar ook vrij ingetogen. Deze puber ging voor harder en sneller met huizenhoge gitaarmuren. Laat dat nou níet de filosofie van de plaat zijn. De eerste riff in de titelsong is zeker heavy, maar al in de brug erna klinkt een jazzy gitaargeluid. Iets wat ik al wist van deze verzamelaar. Het hierop volgende A National Acrobat lijkt qua riff op het vorige nummer; ook dit is een prima lied, maar de tweede midtempo op rij.
Het akoestische Fluff vond ik prachtig. Als laatste van kant A klinkt dan eindelijk iets wat uptempo is. Toch vervalt Sabbra Cadabra na enige tijd alwéér in een trager tempo en het eindigt niet met een heftige slotclimax maar met piano en klein drumroffeltje.
Wat ik als puber wel lekker vond waren de gitaarsolo’s, soms zelfs drie tegelijk, zoals in Killing Yourself to Live. Buitenbeentje Who Are You? met zijn oersynthesizer (een Moog bespeeld door zanger Ozzy Osbourne) en hypnotiserende-onheilspellende melodie vond ik verrassend pakkend. En toch. Werd het een keer uptempo (Looking for Today), dan was de riff mij niet hard genoeg.
Ik heb het album een jaar of drie later nogmaals uit de bieb geleend, omdat mijn opname op cassettebandje niet goed meer was. Met andere verwachtingen luisterend, beviel de plaat iets beter. Bovendien viel mij op hoe goed Osbourne bij stem is: de man zingt hoger dan ooit zonder aan kracht te verliezen. Vermoedelijk had ik indertijd zo’n 2,5 ster gegeven.
Inmiddels ben ik dan eindelijk genoeg gerijpt om dit album te waarderen. Verdwenen is mijn hang naar harder-is-beter.
Het vinyl draait nu in zo’n speciale gekleurde versie. Dat laatste hoeft van mij eigenlijk niet, overbodige luxe; maar met de klaphoes in handen begrijp ik waarom gitarist Tony Iommi in zijn biografie Iron Man om de bandfoto grinnikt: het moest er mysterieus, Middeleeuws uitzien met dat hemelbed; jammer genoeg zie je rechts van de eiken kast een stopcontact…
Hij vindt deze plaat mét het album Heaven and Hell het hoogtepunt van hun discografie. Dit ondanks een schrijfblokkade. In Californië lukte het Iommi niet om met nieuwe riffs te komen, vertelt Osbourne in zijn bio I Am Ozzy, eveneens lezenswaardig. Dit werd verergerd door de afhankelijkheid en passiviteit van de andere bandleden, zoals Iommi zijn lezers fijntjes voorhoudt.
Desondanks kwamen de ideeën in Engeland wél. Iommi beschrijft ook hoe hij experimenteerde met keyboards, doedelzak, sitar en meer. Dat kostte veel tijd, mislukkingen gingen subiet de prullenbak in.
Wat resteerde werd dit album, achteraf gezien hun meest progressieve. Dit ondanks een uitputtend tourleven en het intensieve gebruik van cocaïne. Dat hun manager de band verwaarloosde, begon hen ook te dagen. Deze Patrick Meehan liet niet na zich op de hoes als director te laten noteren: centjes centjes centjes…
In 1983 of '84 gaf Osbourne in een interview in Oor af op Iommi, omdat deze er met zijn (drie)dubbele gitaarsolo’s op uit zou zijn geweest indruk te maken op anderen. Bij die woorden moest ik vooral aan dit album denken, met alle details en laagjes. De wrijving die er toen tussen de twee was, is lang voorbij. Het is Osbourne duidelijk geworden dat de riffman uitzonderlijk goed werk leverde en bovendien veel breder dacht dan alleen gitaren.
Zo is het orkest in afsluiter Spiral Architect, mijn persoonlijke favoriet, Iommi’s idee. Wat ik indertijd al prachtig vond, was het applaus aan het einde, waarna het lied kort terugkeert en wordt weggedraaid. Dat bleef hangen in de jaren erna!
De duistere voorzijde van de hoes was mij indertijd beter bijgebleven dan de achterzijde: daarop echter zie je hoe de man op bed inmiddels wordt getroost door engelachtige vrouwenfiguren, terwijl een enorme manspersoon beschermend aan het hoofdeinde staat. Een tweeluik dus, fraai geschilderd door fantasy-artiest Drew Struzan. Hier veel meer daarover.
Een album dat qua imago niet duister is, zoals ik eerst dacht. In muzikaal opzicht behoefde het de nodige draaibeurten, in mijn geval verspreid over enkele decennia. Nu het is gerijpt, geef ik Sabbath Bloody Sabbath vier sterren.
Black Sabbath - Sabotage (1975)

4,0
0
geplaatst: 4 oktober 2022, 19:55 uur
De zesde Black Sabbath. De breuk met hun stelende manager Patrick Meehan leidde tot de boosheid die hoorbaar van dit album afstraalt. Hierdoor zijn de arrangementen ten opzichte van de twee voorgangers eenvoudiger en minder swingend, de gitaarmuren daarentegen logger en hoger.
Maar kwaliteit verloochent zich niet: Iommi soleert her en der meer dan aardig, Osbourne zingt net als op de voorganger hoog en krachtig, Butler en Ward vormen wederom een creatieve ritmesectie. Iommi en Butler zouden beiden de spaarzame toetsenpartijen voor hun rekening nemen.
Gebleven is daarbij Iommi’s voorliefde voor akoestische gitaren, tot jazzinvloeden toe: Don’t Start (Too Late), het laatste deel van Symptom of the Universe. Dan is daar de gotische koorzang in filmjaren '40-stijl van Supertzar, waarmee de band vervolgens als begintune hun concerten zou inluiden.
Symptom of the Universe kende ik niet, toen ik de plaat ergens in '81 of ’82 kocht. Maar ik werd omver geblazen, wát een ultieme riff – een snelle versie van hun naamlied op het debuut, dat dezelfde intervallen bevat. In dit boze jasje very metal.
Zware rockriffs, die vaak worden herhaald, volgen met Megalomania en The Thrill of It All. Minder doem, zo ervaarde ik het, maar zeker heavy. Ook The Writ is knap zwaar, maar kent eveneens een melodieuzer deel, waarop Osbourne prachtig zingt.
Dat de plaat melig eindigt, vond ik wel leuk. Na alle grimmigheid tóch weer een knipoog van de madman Ozzy. Pas in internetjaren kreeg het een aparte titel: Blow on a Jug.
De docu die Zagato hierboven noemt, is inderdaad het kijken waard. Zo wordt nog eens verteld waarom twee van de bandleden rare kleding op de hoes dragen; bij de beenbedekking van Bill Ward moest ik denken aan de kledingstijl van kleine meisjes in de jaren ’70: rode maillots waren toen erg hip bij die groep.
Heb nog even gekoekeld: Wikipedia vertelt dat Meehan in 2017 voor andere zaken werd veroordeeld en mag volgens Wikipedia tot 2030 geen zakelijke rol meer vervullen. De man is kennelijk meer dan verzot op centjes (zoals mr. Crabs van Spongebob indertijd smakelijk kon vertellen) en leert dat maar niet af…
Maar kwaliteit verloochent zich niet: Iommi soleert her en der meer dan aardig, Osbourne zingt net als op de voorganger hoog en krachtig, Butler en Ward vormen wederom een creatieve ritmesectie. Iommi en Butler zouden beiden de spaarzame toetsenpartijen voor hun rekening nemen.
Gebleven is daarbij Iommi’s voorliefde voor akoestische gitaren, tot jazzinvloeden toe: Don’t Start (Too Late), het laatste deel van Symptom of the Universe. Dan is daar de gotische koorzang in filmjaren '40-stijl van Supertzar, waarmee de band vervolgens als begintune hun concerten zou inluiden.
Symptom of the Universe kende ik niet, toen ik de plaat ergens in '81 of ’82 kocht. Maar ik werd omver geblazen, wát een ultieme riff – een snelle versie van hun naamlied op het debuut, dat dezelfde intervallen bevat. In dit boze jasje very metal.
Zware rockriffs, die vaak worden herhaald, volgen met Megalomania en The Thrill of It All. Minder doem, zo ervaarde ik het, maar zeker heavy. Ook The Writ is knap zwaar, maar kent eveneens een melodieuzer deel, waarop Osbourne prachtig zingt.
Dat de plaat melig eindigt, vond ik wel leuk. Na alle grimmigheid tóch weer een knipoog van de madman Ozzy. Pas in internetjaren kreeg het een aparte titel: Blow on a Jug.
De docu die Zagato hierboven noemt, is inderdaad het kijken waard. Zo wordt nog eens verteld waarom twee van de bandleden rare kleding op de hoes dragen; bij de beenbedekking van Bill Ward moest ik denken aan de kledingstijl van kleine meisjes in de jaren ’70: rode maillots waren toen erg hip bij die groep.
Heb nog even gekoekeld: Wikipedia vertelt dat Meehan in 2017 voor andere zaken werd veroordeeld en mag volgens Wikipedia tot 2030 geen zakelijke rol meer vervullen. De man is kennelijk meer dan verzot op centjes (zoals mr. Crabs van Spongebob indertijd smakelijk kon vertellen) en leert dat maar niet af…
Black Sabbath - Seventh Star (1986)

3,5
4
geplaatst: 8 maart 2023, 20:56 uur
Ik snapte er vanaf 1984 steeds minder van: wie speelden er nog in mijn überfavoriete bandje Black Sabbath? Na de tour bij Born Again besloot Ian Gillan deel te nemen aan de doorstart van het te heroprichten Deep Purple. Vervolgens ontstond een wolk van mysterie rond de bezetting van de Sabs.
Eerst was daar het bericht dat drummer Bill Ward wederom terug was. Na de eendaagse reünie van de originele bezetting bij Live Aid in 1985 kwam het doorgesijpelde bericht dat niet alleen Ward alweer was vertrokken; bassist Geezer Butler zou hetzelfde hebben gedaan.
Gitarist Tony Iommi en toetsenist Geoff Nichols bleven achter, de laatste werd tot officieel groepslid gepromoveerd. Daarbij verschenen geruchten dat Iommi aan een soloplaat werkte, waarbij verschillende zangers werden genoemd. De naam die na enige tijd kwam bovendrijven was die van de mij onbekende Jeff Fennholt.
Later bleek dat Iommi de ritmesectie had geleend van de band van zijn kersverse liefje Lita Ford: Eric Singer op drums en Gordon Copley op bas. Vervolgens werd de naam van opnieuw een voormalig Purplezanger genoemd: Glenn Hughes. Tenslotte was daar het bericht dat de nieuwe Iommi niet als soloalbum mocht verschijnen, maar als Black Sabbath featuring Tony Iommi.
Het lange wachten plus het feit dat dit project een duiventil was geworden, maakten dat ik mijn reserves had. Was dit solo of een groep? Waarom konden Butler en Ward niet meedoen, dat is toch veel interessanter dan die nieuwe namen? En de mallemolen draaide verder: er was opnieuw een nieuwe bassist, Dave Spitz, alweer een Amerikaan met veel hairspray. Nee, dit was niet meer “mijn Sabbath”.
Ondanks mijn scepsis bleek de nieuwe single verre van onaardig. Bij Sky Channel complimenteerde presentatrice Amanda Redington van metalshow Monsters of Rock Iommi met zijn kekke jasje, dat hij zowel droeg in de tv-studio als in de eerste Sabbathclip die ik ooit zag, als op de hoes. Stranger to Love was een gevoelige ballade met heerlijk gitaarwerk. Album Seventh Star sloeg ik desondanks over.
Inmiddels heb ik ‘m op cd (de geremasterde versie uit 1996) en kan ik er er zonder sentimenten naar luisteren. Voor een (soort van) soloalbum is de muzikale koers bijzonder dicht bij het heavy Sabbath gebleven. Eerdere platen als Sabbath Bloody Sabbath, Technical Ecstacy en Never Say Die! bevatten nummers die veel verder van de heavy koers waren verwijderd. Dat neemt niet weg dat de muziek meer “soul” bevat, dankzij de stem van Hughes.
Producer Jeff Glixman van Kansasfaam gaf de drums die typische jaren ’80 badkamersound. Dit gaat me gedurende het album tegenstaan, evenals het een plaat lang naar Hughes’ stem luisteren. De man is prima op dreef, maar zeker in de tweede helft weet ik het wel. Kwestie van smaak? Hiertegenover staat dat de gitaarsolo’s alle ruimte krijgen, badend in een warm geluid.
Vierkante metal met dubbele basdrum klinkt in In for the Kill en Turn to Stone. Daartussenin klinkt de iets langere versie van de single. Het toetseninstrumentaaltje Sphinx is de opmaat naar het slepende titellied.
De tweede helft bevat de mindere composities. Danger Zone heeft een degelijke riff, die echter veel te vaak wordt herhaald. Op het langzame Heart like a wheel klinkt blues, dienend als onderstel voor langgerekte gitaarsolo’s waarin wederom wordt geëxcelleerd.
Het midtempo Angry Heart doet me, net als B.Robertson noemde, qua riff, zanglijn en stem denken aan Wishing Well in de versie van Gary Moore (album Victims of the Future). Al na drie minuten gaat het naadloos over op de akoestische gitaar van In Memory.
Volgens de tekst in het cd-boekje was Hughes in deze periode zó verslaafd aan cocaïne en Marsrepen, dat hij volledig onbetrouwbaar werd toen de band op tournee ging. Dit wordt door Iommi in diens autobiografie Iron Man bevestigd: al na vier concerten werd Hughes ontslagen.
Het gevolg hiervan is te horen op de special 2cd-editie die in 2010 verscheen en ook op streaming is te vinden. De bonussen mogen er zijn. Na de singleversie van Stranger to Love (met dameskoortje en dat wérkt!) klinkt een concert dat de band in juni 1986 gaf. Hier is inmiddels Ray Gillen de nieuwe zanger, weer zo’n naam over wie ik indertijd las, maar die alweer spoedig was vertrokken. De man blijkt zich desondanks sterk door zowel het werk van Osbourne als vooral Dio als Hughes heen te slaan. Muziek van Born Again wordt overgeslagen. Jammer dat de audiokwaliteit zeer matig is, desondanks interessant om te horen.
Leuke details: toetsenist Nichols doet de achtergrondzang in Neon Knights; in het intro van Paranoid doet Iommi bovendien een stukje Supernaut, oorspronkelijk op Vol. 4 te vinden.
Een woelige periode in de toch al tumultueuze bandgeschiedenis, met als nerdfeitje dat de dame in de videoclip een latere hoofdrolspeelster uit de serie Star Trek: The Next Generation blijkt te zijn, wat ik als Trekkie geinig vind. Zeker nu ik weet dat deze Denise Crosby een kleindochter is van crooner Bing Crosby.
Meer randzaken: op YouTube kwam ik deze demo van Seventh Star met Jeff Fenholt tegen, die later een sterk album bij de groep Joshua zou inzingen. Ook interessant is deze korte documentaire (slechte beeldkwaliteit) over het album en de tournee.
Later dit jaar verschijnt de bio van Geezer Butler. Eens kijken wat hij heeft te melden over de eerste scenes in deze episode…
Eerst was daar het bericht dat drummer Bill Ward wederom terug was. Na de eendaagse reünie van de originele bezetting bij Live Aid in 1985 kwam het doorgesijpelde bericht dat niet alleen Ward alweer was vertrokken; bassist Geezer Butler zou hetzelfde hebben gedaan.
Gitarist Tony Iommi en toetsenist Geoff Nichols bleven achter, de laatste werd tot officieel groepslid gepromoveerd. Daarbij verschenen geruchten dat Iommi aan een soloplaat werkte, waarbij verschillende zangers werden genoemd. De naam die na enige tijd kwam bovendrijven was die van de mij onbekende Jeff Fennholt.
Later bleek dat Iommi de ritmesectie had geleend van de band van zijn kersverse liefje Lita Ford: Eric Singer op drums en Gordon Copley op bas. Vervolgens werd de naam van opnieuw een voormalig Purplezanger genoemd: Glenn Hughes. Tenslotte was daar het bericht dat de nieuwe Iommi niet als soloalbum mocht verschijnen, maar als Black Sabbath featuring Tony Iommi.
Het lange wachten plus het feit dat dit project een duiventil was geworden, maakten dat ik mijn reserves had. Was dit solo of een groep? Waarom konden Butler en Ward niet meedoen, dat is toch veel interessanter dan die nieuwe namen? En de mallemolen draaide verder: er was opnieuw een nieuwe bassist, Dave Spitz, alweer een Amerikaan met veel hairspray. Nee, dit was niet meer “mijn Sabbath”.
Ondanks mijn scepsis bleek de nieuwe single verre van onaardig. Bij Sky Channel complimenteerde presentatrice Amanda Redington van metalshow Monsters of Rock Iommi met zijn kekke jasje, dat hij zowel droeg in de tv-studio als in de eerste Sabbathclip die ik ooit zag, als op de hoes. Stranger to Love was een gevoelige ballade met heerlijk gitaarwerk. Album Seventh Star sloeg ik desondanks over.
Inmiddels heb ik ‘m op cd (de geremasterde versie uit 1996) en kan ik er er zonder sentimenten naar luisteren. Voor een (soort van) soloalbum is de muzikale koers bijzonder dicht bij het heavy Sabbath gebleven. Eerdere platen als Sabbath Bloody Sabbath, Technical Ecstacy en Never Say Die! bevatten nummers die veel verder van de heavy koers waren verwijderd. Dat neemt niet weg dat de muziek meer “soul” bevat, dankzij de stem van Hughes.
Producer Jeff Glixman van Kansasfaam gaf de drums die typische jaren ’80 badkamersound. Dit gaat me gedurende het album tegenstaan, evenals het een plaat lang naar Hughes’ stem luisteren. De man is prima op dreef, maar zeker in de tweede helft weet ik het wel. Kwestie van smaak? Hiertegenover staat dat de gitaarsolo’s alle ruimte krijgen, badend in een warm geluid.
Vierkante metal met dubbele basdrum klinkt in In for the Kill en Turn to Stone. Daartussenin klinkt de iets langere versie van de single. Het toetseninstrumentaaltje Sphinx is de opmaat naar het slepende titellied.
De tweede helft bevat de mindere composities. Danger Zone heeft een degelijke riff, die echter veel te vaak wordt herhaald. Op het langzame Heart like a wheel klinkt blues, dienend als onderstel voor langgerekte gitaarsolo’s waarin wederom wordt geëxcelleerd.
Het midtempo Angry Heart doet me, net als B.Robertson noemde, qua riff, zanglijn en stem denken aan Wishing Well in de versie van Gary Moore (album Victims of the Future). Al na drie minuten gaat het naadloos over op de akoestische gitaar van In Memory.
Volgens de tekst in het cd-boekje was Hughes in deze periode zó verslaafd aan cocaïne en Marsrepen, dat hij volledig onbetrouwbaar werd toen de band op tournee ging. Dit wordt door Iommi in diens autobiografie Iron Man bevestigd: al na vier concerten werd Hughes ontslagen.
Het gevolg hiervan is te horen op de special 2cd-editie die in 2010 verscheen en ook op streaming is te vinden. De bonussen mogen er zijn. Na de singleversie van Stranger to Love (met dameskoortje en dat wérkt!) klinkt een concert dat de band in juni 1986 gaf. Hier is inmiddels Ray Gillen de nieuwe zanger, weer zo’n naam over wie ik indertijd las, maar die alweer spoedig was vertrokken. De man blijkt zich desondanks sterk door zowel het werk van Osbourne als vooral Dio als Hughes heen te slaan. Muziek van Born Again wordt overgeslagen. Jammer dat de audiokwaliteit zeer matig is, desondanks interessant om te horen.
Leuke details: toetsenist Nichols doet de achtergrondzang in Neon Knights; in het intro van Paranoid doet Iommi bovendien een stukje Supernaut, oorspronkelijk op Vol. 4 te vinden.
Een woelige periode in de toch al tumultueuze bandgeschiedenis, met als nerdfeitje dat de dame in de videoclip een latere hoofdrolspeelster uit de serie Star Trek: The Next Generation blijkt te zijn, wat ik als Trekkie geinig vind. Zeker nu ik weet dat deze Denise Crosby een kleindochter is van crooner Bing Crosby.
Meer randzaken: op YouTube kwam ik deze demo van Seventh Star met Jeff Fenholt tegen, die later een sterk album bij de groep Joshua zou inzingen. Ook interessant is deze korte documentaire (slechte beeldkwaliteit) over het album en de tournee.
Later dit jaar verschijnt de bio van Geezer Butler. Eens kijken wat hij heeft te melden over de eerste scenes in deze episode…
Black Sabbath - Technical Ecstasy (1976)

4,5
4
geplaatst: 16 februari 2023, 22:08 uur
Zoals beloofd kom ik terug op de Special Edition Box van Black Sabbaths Technical Ecstasy, zij het een maand later dan ik wilde. Daardoor heeft de muziek wel meer kunnen rijpen.
Kort gezegd: wie dit album zo waardeert als ik, zal met deze (dure!) box heel plezante extra’s tegenkomen. Wie dit echter een minder album in hun catalogus vindt, zal niet plotseling van mening veranderen.
Wat mij goed beviel, was onder meer het papierwerk. Eerst een boekje met gekartonneerde kaft over de band tijdens de opnamen en de diverse releases van album en single. Vervolgens het tourboekje van de bijbehorende tournee met loftuitingen op de band en het album. Anders dan in de latere biografieën van Osbourne en Iommi wordt hier voorgespiegeld dat het koek en ei was binnen de gelederen. Daarbij drie cartoongrappen waarin de hoes van ontwerperscollectief Hipgnosis op de hak wordt genomen en de robotportretten van de bandleden, plus een introductie op toetsenist Gerald Woodruffe.
Ik zie dit soort boekjes nooit bij concerten. Kreeg je vroeger als concertbezoeker zo’n boekje, of moest je dat kopen? Iemand die dit weet?
De muziek dan: de eerste cd bevat het originele (geremasterde) album, het tweede de nieuwe mix van Steven Wilson. Hij laat interessante details bovenkomen, zoals de keyboardgeluiden in het intro van You Won’t Change Me en de achtergrondzang in het laatste deel van Dirty Women.
De meest verrassende cd blijkt echter de derde, gereserveerd voor een achttal outtakes en alternatieve mixen, zoals een bandversie van She’s Gone, dus zonder strijkers maar met de bandleden, inclusief Woodruffe (iemand die weet of je zijn naam als ‘ruffe’, of ‘roffe’ spelt? De band gebruikte beide spellingen).
Ook de vierde cd mag er zijn: liveopnamen van de tour bij deze elpee. Qua geluidskwaliteit doet het denken aan de opgepoetste versie van Live at Last die op Past Lives (2002) te horen is. Drie nummers van dat album staan ook hier op de setlist, te weten War Pigs, Snowblind en Children of the Grave. Daarnaast klinken nummers die ik niet in een liveversie uit deze periode kende of zelfs nooit in liveversie verschenen.
Het concert startte met een introtape, waar kort Supertzar klinkt van Sabotage. Dit werkt goed.
Van het debuut is het titellied te horen, van het album Paranoid een fijne versie van Electric Funeral (de beroemde titelsong wordt een keertje overgeslagen), van Sabotage is Symptom of the Universe meegenomen en van Technical Ecstasy komen Gypsy, All Moving Parts en Dirty Women voorbij. Osbourne is redelijk bij stem, waarbij de band vooral puur klinkt, minder gepolijst dan studio het geval is. Geen hoge gitaarmuren, maar wel degelijk heavy. Iommi's solo's zijn hier van zijn kenmerkende überniveau, flitsend mét gevoel.
Is deze box de circa zes tientjes waard? Wel als je van de progressieve kant van Black Sabbath houdt, zoals die ook op voorganger Sabbath Bloody Sabbath klinkt. Ik heb er de voorbije anderhalve maand intensief van genoten.
Kort gezegd: wie dit album zo waardeert als ik, zal met deze (dure!) box heel plezante extra’s tegenkomen. Wie dit echter een minder album in hun catalogus vindt, zal niet plotseling van mening veranderen.
Wat mij goed beviel, was onder meer het papierwerk. Eerst een boekje met gekartonneerde kaft over de band tijdens de opnamen en de diverse releases van album en single. Vervolgens het tourboekje van de bijbehorende tournee met loftuitingen op de band en het album. Anders dan in de latere biografieën van Osbourne en Iommi wordt hier voorgespiegeld dat het koek en ei was binnen de gelederen. Daarbij drie cartoongrappen waarin de hoes van ontwerperscollectief Hipgnosis op de hak wordt genomen en de robotportretten van de bandleden, plus een introductie op toetsenist Gerald Woodruffe.
Ik zie dit soort boekjes nooit bij concerten. Kreeg je vroeger als concertbezoeker zo’n boekje, of moest je dat kopen? Iemand die dit weet?
De muziek dan: de eerste cd bevat het originele (geremasterde) album, het tweede de nieuwe mix van Steven Wilson. Hij laat interessante details bovenkomen, zoals de keyboardgeluiden in het intro van You Won’t Change Me en de achtergrondzang in het laatste deel van Dirty Women.
De meest verrassende cd blijkt echter de derde, gereserveerd voor een achttal outtakes en alternatieve mixen, zoals een bandversie van She’s Gone, dus zonder strijkers maar met de bandleden, inclusief Woodruffe (iemand die weet of je zijn naam als ‘ruffe’, of ‘roffe’ spelt? De band gebruikte beide spellingen).
Ook de vierde cd mag er zijn: liveopnamen van de tour bij deze elpee. Qua geluidskwaliteit doet het denken aan de opgepoetste versie van Live at Last die op Past Lives (2002) te horen is. Drie nummers van dat album staan ook hier op de setlist, te weten War Pigs, Snowblind en Children of the Grave. Daarnaast klinken nummers die ik niet in een liveversie uit deze periode kende of zelfs nooit in liveversie verschenen.
Het concert startte met een introtape, waar kort Supertzar klinkt van Sabotage. Dit werkt goed.
Van het debuut is het titellied te horen, van het album Paranoid een fijne versie van Electric Funeral (de beroemde titelsong wordt een keertje overgeslagen), van Sabotage is Symptom of the Universe meegenomen en van Technical Ecstasy komen Gypsy, All Moving Parts en Dirty Women voorbij. Osbourne is redelijk bij stem, waarbij de band vooral puur klinkt, minder gepolijst dan studio het geval is. Geen hoge gitaarmuren, maar wel degelijk heavy. Iommi's solo's zijn hier van zijn kenmerkende überniveau, flitsend mét gevoel.
Is deze box de circa zes tientjes waard? Wel als je van de progressieve kant van Black Sabbath houdt, zoals die ook op voorganger Sabbath Bloody Sabbath klinkt. Ik heb er de voorbije anderhalve maand intensief van genoten.
Black Sabbath - The End (2017)
Alternatieve titel: Live in Birmingham, 4 february 2017

4,5
2
geplaatst: 25 mei 2025, 01:08 uur
Die sukkel van het bericht hierboven dacht dat Black Sabbath met een ballet zou eindigen. Maar er is (opnieuw) een afscheidsconcert: 5 juli aanstaande, zij het dat Osbourne niet meer in staat is om de hele set te zingen. Het wordt afwachten wat zijn bescheiden bijdrage zal zijn te midden van vele gastmuzikanten.
Mijn geliefde is een weekend weg en dan kun je dingen doen die normaliter een beetje raar zijn. In dit geval kijken naar The End, versterker op hárd. Het afscheidsconcert van 2017, dat ik vanavond via beamer in de huiskamer bekeek. Staande, speciaalbiertje in de hand, dan kom ik beter bij livebeleving. In de dagen ervoor draaide ik de bonus-cd waar de groep enkele klassiekers live in de studio doorneemt. Lekker als opwarmer: The Wizard, Wicked World, Sweet Leaf, Tomorrow's Dream en met Moogsynth de ballade Changes.
Buiten regent het na lange tijd. Een teken? Dvd erin, beamer aan. Geen menu, meteen het concert. Drummer is Tommy Clufetos, die zich prima door het oude, klassieke materiaal heenslaat en qua uiterlijk, inclusief haarband, op oorspronkelijke drummer Bill Ward lijkt.
Begin met regen en kerkklokken, de openingsklanken van hun debuut. Osbourne zingt de coupletten in Black Sabbath veel te snel: adrenaline of deden zijn in-ears het niet goed? Uitstraling heeft de man nog altijd en hij is goed bij stem.
Verrassend is dat later Under the Sun van Vol. 4 in de setlist zit, überklasse qua riffs. Het praatje wat Osbourne na afloop houdt, een korte terugblik op het begin in 1968, is persoonlijk en gemeend. Even blij ben ik met After Forever, van dat aparte Master of Reality. Met toetsen vanuit de coulissen van Adam Wakeman. Hierin opvallende teksten van Geezer Butler, die in zijn jonge jaren nogal eens als Jacob met God worstelde, getuige die twee nummers.
Dan ontvluchten we de vervuilde planeet aarde met Into the Void (prangender tekst dan in 1971, helaas!) met al z'n dikke riffs. In Snowblind wordt geworsteld met cocaïne en blijkt Osbourne nog altijd hoge registers te halen - of spelen ze het in een lagere toonsoort? Heb het niet gecheckt, ik sta in de zaal en wordt meegenomen door de riffs. Door close-ups krijg ik goed zicht op de topjes op Iommi's afgesneden vingertoppen. Knap toch, hoe de man zich daar destijds uit heeft gevochten.
Bij het voorstelrondje treedt Wakeman uit de coulissen. Mooi gebaar. Objectief gezien staan de heren vrij statisch op het podium; Osbourne anders dan in de jaren '70 in het midden en afwijkend van zijn soloshows blijft hij bij de microfoonstandaard en smijt hij niet met emmers water.
Op 52 minuten vraagt hij: "Are you having fun? Shall we come back and do it again?" Het publiek (volle hal, formaat Ziggo Dome): "Yeaaaaah!" Osbourne: "Heheh, we're not," om na deze zwarte humor onmiddellijk Behind the Wall of Sleep aan te kondigen, mijn favoriet van het debuut. Ik wil 'm huggen.
Ik zie het wah-wahpedaal van Geezer Butler in diens bassolo, overlopend in het intro van N.I.B. En later het instrumentale deel met achtereenvolgens Supernaut- Sabbath Bloody Sabbath - Megalomania - Rat Salad en aansluitend een drumsolo; zóóó lekker, maar hier zong de madman oorspronkelijk. Lag hij backstage bij te komen met een energydrankje, aangereikt door Sharon?
Opnieuw valt me op hoe sterk Dirty Women als compositie is met onder meer dat jazzdeel halverwege en zo'n typisch Iommi-knappe gitaarsolo in het slot. Geen werk van 13, wél Children of the Grave en de regels: "Show the world that love is still alive, we must be brave." Ware woorden.
Na de enkele toegift (Paranoid, duhuh...) gaat Osbourne op de knieën voor het publiek als blijk van dank en klinken zijn afscheidswoorden: "God bless ye all!" De lieverd. Stiekem toch een priester willen zijn.
Deze live-dvd ga ik de komende tijd vaker draaien. Zonder beeld, audio is voorlopig voldoende. En ik zag dat tijdschrift Classic Rock een exclusief interview heeft met de Sabs in aanloop naar hun (ja, nu echt) afscheidsconcert, opnieuw in Birmingham. Vond 'm vandaag nog niet in de winkel, komende week weer eens proberen. En nu naar bed, wil morgen een beetje fris in de kerk zitten.
Mijn geliefde is een weekend weg en dan kun je dingen doen die normaliter een beetje raar zijn. In dit geval kijken naar The End, versterker op hárd. Het afscheidsconcert van 2017, dat ik vanavond via beamer in de huiskamer bekeek. Staande, speciaalbiertje in de hand, dan kom ik beter bij livebeleving. In de dagen ervoor draaide ik de bonus-cd waar de groep enkele klassiekers live in de studio doorneemt. Lekker als opwarmer: The Wizard, Wicked World, Sweet Leaf, Tomorrow's Dream en met Moogsynth de ballade Changes.
Buiten regent het na lange tijd. Een teken? Dvd erin, beamer aan. Geen menu, meteen het concert. Drummer is Tommy Clufetos, die zich prima door het oude, klassieke materiaal heenslaat en qua uiterlijk, inclusief haarband, op oorspronkelijke drummer Bill Ward lijkt.
Begin met regen en kerkklokken, de openingsklanken van hun debuut. Osbourne zingt de coupletten in Black Sabbath veel te snel: adrenaline of deden zijn in-ears het niet goed? Uitstraling heeft de man nog altijd en hij is goed bij stem.
Verrassend is dat later Under the Sun van Vol. 4 in de setlist zit, überklasse qua riffs. Het praatje wat Osbourne na afloop houdt, een korte terugblik op het begin in 1968, is persoonlijk en gemeend. Even blij ben ik met After Forever, van dat aparte Master of Reality. Met toetsen vanuit de coulissen van Adam Wakeman. Hierin opvallende teksten van Geezer Butler, die in zijn jonge jaren nogal eens als Jacob met God worstelde, getuige die twee nummers.
Dan ontvluchten we de vervuilde planeet aarde met Into the Void (prangender tekst dan in 1971, helaas!) met al z'n dikke riffs. In Snowblind wordt geworsteld met cocaïne en blijkt Osbourne nog altijd hoge registers te halen - of spelen ze het in een lagere toonsoort? Heb het niet gecheckt, ik sta in de zaal en wordt meegenomen door de riffs. Door close-ups krijg ik goed zicht op de topjes op Iommi's afgesneden vingertoppen. Knap toch, hoe de man zich daar destijds uit heeft gevochten.
Bij het voorstelrondje treedt Wakeman uit de coulissen. Mooi gebaar. Objectief gezien staan de heren vrij statisch op het podium; Osbourne anders dan in de jaren '70 in het midden en afwijkend van zijn soloshows blijft hij bij de microfoonstandaard en smijt hij niet met emmers water.
Op 52 minuten vraagt hij: "Are you having fun? Shall we come back and do it again?" Het publiek (volle hal, formaat Ziggo Dome): "Yeaaaaah!" Osbourne: "Heheh, we're not," om na deze zwarte humor onmiddellijk Behind the Wall of Sleep aan te kondigen, mijn favoriet van het debuut. Ik wil 'm huggen.
Ik zie het wah-wahpedaal van Geezer Butler in diens bassolo, overlopend in het intro van N.I.B. En later het instrumentale deel met achtereenvolgens Supernaut- Sabbath Bloody Sabbath - Megalomania - Rat Salad en aansluitend een drumsolo; zóóó lekker, maar hier zong de madman oorspronkelijk. Lag hij backstage bij te komen met een energydrankje, aangereikt door Sharon?
Opnieuw valt me op hoe sterk Dirty Women als compositie is met onder meer dat jazzdeel halverwege en zo'n typisch Iommi-knappe gitaarsolo in het slot. Geen werk van 13, wél Children of the Grave en de regels: "Show the world that love is still alive, we must be brave." Ware woorden.
Na de enkele toegift (Paranoid, duhuh...) gaat Osbourne op de knieën voor het publiek als blijk van dank en klinken zijn afscheidswoorden: "God bless ye all!" De lieverd. Stiekem toch een priester willen zijn.
Deze live-dvd ga ik de komende tijd vaker draaien. Zonder beeld, audio is voorlopig voldoende. En ik zag dat tijdschrift Classic Rock een exclusief interview heeft met de Sabs in aanloop naar hun (ja, nu echt) afscheidsconcert, opnieuw in Birmingham. Vond 'm vandaag nog niet in de winkel, komende week weer eens proberen. En nu naar bed, wil morgen een beetje fris in de kerk zitten.
Black Sabbath - The Eternal Idol (1987)

3,0
3
geplaatst: 12 juli 2023, 09:15 uur
Eindelijk had Tony Iommi zijn soloalbum kunnen maken, zij het onder de vlag van Black Sabbath: Seventh Star (1986). Al na vier concerten moest zanger Glenn Hughes door drugsgebruik worden vervangen door de veel jongere Ray Gillen. En toen moest Iommi als enig origineel lid van Black Sabbath met trouwe toetsenist Geoff Nichols een nieuwe plaat gaan maken.
Eind 1987 zag ik bij Monsters of Rock van satellietzender Sky Channel hoe Iommi zijn nieuwe album promootte bij Mick Wall. Op YouTube in slechte VHS-kwaliteit vanaf 1’10” een fragment. Ik herinner me dat hij bovendien iets over de hoes vertelde, een intrigerende foto, vond ik.
In zijn biografie ‘Iron Man’ (2011) vertelt de gitarist over de tumultueuze aanloop. Eerst belandde manager Don Arden (schoonvader van Ozzy Osbourne) in de bak wegens belastingontduiking. Hij hoestte met managementgenoten Air Supply een grote som geld op om hem vrij te krijgen. Dit op verzoek van de advocaat: “Je krijgt je geld terug.” Niet dus.
Tot mijn grote verbazing lees ik dat hij vervolgens Patrick Meehan terugvroeg als manager, degene over wie Black Sabbath The Writ schreef op Sabotage. Nog altijd dezelfde schurk als toen met grote verhalen maar zonder betalingen.
Op toetsenist Geoff Nichols na voelde Iommi zich niet verbonden met de groepsleden, een stuk jonger dan zij. Het maatjesgevoel had hij niet met drummer Eric Singer (vanwege zijn kapsel tot Shirley omgedoopt) en bassist Dave Spitz. Gillen mat zich een rocksterrenleven aan met drank en vrouwen. Iommi: “I felt ancient.”
De opnamen vinden plaats in de AIR Studio van George Martin op het Caraïbische eiland Montserrat, maar gaan verre van vlekkeloos. Als Spitz halverwege naar huis vertrekt vanwege familiezaken en producer Jeff Glixman zowel Gillen als Spitz definitief kwijt wil, wordt hij zelf weggestuurd. Manager Meehan vertrekt als Iommi zich beklaagt over alweer een niet uitbetaalde cheque en Gillen vertrekt omdat hij niet wordt uitbetaald.
Iommi keert mét de geluidbanden terug naar Londen. Daar huurt hij producer Chris Tsangarides in om de plaat af te maken. Bob Daisley (ex-Rainbow, -Blizzard of Ozz en -Uriah Heep) komt de laatste baspartijen doen en schrijft mee. Drummer Bev Bevan keert vier jaar na de Born Again Tour terug om enige percussie toe te voegen op het instrumentale Scarlet Pimpernel.
Als een vriend zanger Tony Martin aanbeveelt, wordt deze aangenomen om de partijen van Gillen te vervangen. Bovendien is Iommi getuige van de urenlange fotosessie voor de hoes, een idee van Meehan en verwijzend naar het beeldhouwwerk Éternelle Idole (1893), te zien in het Rodin Museum in Parijs.
Na het afronden van de opnamen vertrekt Daisley niet alleen: hij neemt Singer mee naar Gary Moore. Iommi: “(…) never able to duplicate the friendship I had with the original four guys [or] with Ronnie [James Dio]. You can’t find that again.”
In de videoclip van The Shining figureert een onbekende gitarist op basgitaar met Terry Chimes van The Clash op drums. De laatste zou ook meegaan voor een zestal optredens (twee per weekend) in Sun City, augustus 1987 in Zuid-Afrika, wat hen veel slechte publiciteit opleverde vanuit anti-apartheidshoek. Die was ook in de popwereld krachtig actief sinds Little Steven in 1985 een hit scoorde met United Artists Against Apartheid. Hier is te lezen hoe een Zuid-Afrikaanse fan op fotosite Flickr terugblikt, met onder meer een fraai kiekje van bassist Dave Spitz.
Een (te?) lange context bij dit album. Qua muziek wordt prima gemusiceerd, alleen pakt de muziek me niet, afgezien van The Shining, dat met zijn majestueuze riff de rest ontstijgt, al is het instrumentaaltje ook fijn. Tony Martin is weliswaar een prima zanger, maar zowel composities als gitaarsolo’s ontberen veelal overtuiging. Een lichtere vorm van Black Sabbath, vergelijkbaar met Iommi’s soloplaat.
In 2009 verschenen als 2cd met daarbij de originele opnamen met Gillen, een album ook op streaming te vinden. Die ontberen hoorbaar een eindmix, daardoor iets ruwere versies klinken dan op het reguliere album. Gillens stem is net iets ruwer dan die van Martin, maar verder zijn de twee vergelijkbaar. Melodieus en krachtig zingend, maar net als in de muziek mis ik ware passie.
Eind 1987 zag ik bij Monsters of Rock van satellietzender Sky Channel hoe Iommi zijn nieuwe album promootte bij Mick Wall. Op YouTube in slechte VHS-kwaliteit vanaf 1’10” een fragment. Ik herinner me dat hij bovendien iets over de hoes vertelde, een intrigerende foto, vond ik.
In zijn biografie ‘Iron Man’ (2011) vertelt de gitarist over de tumultueuze aanloop. Eerst belandde manager Don Arden (schoonvader van Ozzy Osbourne) in de bak wegens belastingontduiking. Hij hoestte met managementgenoten Air Supply een grote som geld op om hem vrij te krijgen. Dit op verzoek van de advocaat: “Je krijgt je geld terug.” Niet dus.
Tot mijn grote verbazing lees ik dat hij vervolgens Patrick Meehan terugvroeg als manager, degene over wie Black Sabbath The Writ schreef op Sabotage. Nog altijd dezelfde schurk als toen met grote verhalen maar zonder betalingen.
Op toetsenist Geoff Nichols na voelde Iommi zich niet verbonden met de groepsleden, een stuk jonger dan zij. Het maatjesgevoel had hij niet met drummer Eric Singer (vanwege zijn kapsel tot Shirley omgedoopt) en bassist Dave Spitz. Gillen mat zich een rocksterrenleven aan met drank en vrouwen. Iommi: “I felt ancient.”
De opnamen vinden plaats in de AIR Studio van George Martin op het Caraïbische eiland Montserrat, maar gaan verre van vlekkeloos. Als Spitz halverwege naar huis vertrekt vanwege familiezaken en producer Jeff Glixman zowel Gillen als Spitz definitief kwijt wil, wordt hij zelf weggestuurd. Manager Meehan vertrekt als Iommi zich beklaagt over alweer een niet uitbetaalde cheque en Gillen vertrekt omdat hij niet wordt uitbetaald.
Iommi keert mét de geluidbanden terug naar Londen. Daar huurt hij producer Chris Tsangarides in om de plaat af te maken. Bob Daisley (ex-Rainbow, -Blizzard of Ozz en -Uriah Heep) komt de laatste baspartijen doen en schrijft mee. Drummer Bev Bevan keert vier jaar na de Born Again Tour terug om enige percussie toe te voegen op het instrumentale Scarlet Pimpernel.
Als een vriend zanger Tony Martin aanbeveelt, wordt deze aangenomen om de partijen van Gillen te vervangen. Bovendien is Iommi getuige van de urenlange fotosessie voor de hoes, een idee van Meehan en verwijzend naar het beeldhouwwerk Éternelle Idole (1893), te zien in het Rodin Museum in Parijs.
Na het afronden van de opnamen vertrekt Daisley niet alleen: hij neemt Singer mee naar Gary Moore. Iommi: “(…) never able to duplicate the friendship I had with the original four guys [or] with Ronnie [James Dio]. You can’t find that again.”
In de videoclip van The Shining figureert een onbekende gitarist op basgitaar met Terry Chimes van The Clash op drums. De laatste zou ook meegaan voor een zestal optredens (twee per weekend) in Sun City, augustus 1987 in Zuid-Afrika, wat hen veel slechte publiciteit opleverde vanuit anti-apartheidshoek. Die was ook in de popwereld krachtig actief sinds Little Steven in 1985 een hit scoorde met United Artists Against Apartheid. Hier is te lezen hoe een Zuid-Afrikaanse fan op fotosite Flickr terugblikt, met onder meer een fraai kiekje van bassist Dave Spitz.
Een (te?) lange context bij dit album. Qua muziek wordt prima gemusiceerd, alleen pakt de muziek me niet, afgezien van The Shining, dat met zijn majestueuze riff de rest ontstijgt, al is het instrumentaaltje ook fijn. Tony Martin is weliswaar een prima zanger, maar zowel composities als gitaarsolo’s ontberen veelal overtuiging. Een lichtere vorm van Black Sabbath, vergelijkbaar met Iommi’s soloplaat.
In 2009 verschenen als 2cd met daarbij de originele opnamen met Gillen, een album ook op streaming te vinden. Die ontberen hoorbaar een eindmix, daardoor iets ruwere versies klinken dan op het reguliere album. Gillens stem is net iets ruwer dan die van Martin, maar verder zijn de twee vergelijkbaar. Melodieus en krachtig zingend, maar net als in de muziek mis ik ware passie.
Black Sabbath - TYR (1990)

4,0
3
geplaatst: 14 juli 2023, 11:44 uur
De aanloop naar Tyr was een stuk rustiger dan die bij voorganger Headless Cross. Voor de tour van dat album werd bassist Neil Murray (39 jaar) ingelijfd, wat ik prachtig vond: de grote vriendelijke reus was nu bij "mijn" Sabbath! Hij was erbij gehaald door drummer Cozy Powell van het beste Rainbow ooit, de twee kenden elkaar van hun tijd bij Whitesnake. Relatief jong was zanger Tony Martin (toen 32) en de kern van de groep werd gevormd door oudgedienden Tony Iommi en Geoff Nicholls, inmiddels veertigers. Iommi voelde zich niet meer een oude man met allemaal jonkies om zich heen, zoals ten tijde van The Eternal Idol.
Op tournee in Amerika ergerde hij zich: Headless Cross ontbrak nogal eens in de winkels, promotieposters ontbraken. Sterker nog, zelfs de tournee was slecht gepromoot. In zijn boek ‘Iron Man’ (2011) over fans die ze op straat tegenkwamen en hen vroegen: ‘What are you doing here?’
‘Oh… we’re playing here tonight.’
‘Eh?’
Zijn conclusie: ‘It was all very Spinal Tap-ish’.
Hierna vervolgde de tour door het Verenigd Koninkrijk, Mexico en tienmaal Moskou, waar Girlschool in het voorprogramma speelde. Tony zag hoe kort na aankomst twee van de meisjesschooldames in de hotelbar met elkaar op de vuist gingen. Zijn eerste kennismaking met deze feminine groep van de New wave of British heavy metal generatie, noteert hij droogjes. Bovendien viel hem op dat ze alle vier goed konden drinken en eveneens heeft hij niet gemist dat Powell daar een relatie kreeg met frontvrouw Kim McAuliffe; ‘She was a really nice girl.’
De opnamen van de nieuwe Sabbath verliepen voor de verandering eens zonder problemen. Al snel wordt duidelijk dat Tyr subtieler is geworden dan de voorganger: de teksten van Martin behandelen nu de noordse mythologie. Iommi vraagt zich af of het passend was bij Sabbath, maar met die schitterende hoes erbij hoorde je mij niet klagen; de composities kennen eveneens meer variatie met het frequentere gebruik van rustige passages, waardoor Martin niet steeds op volle kracht hoeft te zingen. Die variatie doet het veel beter bij mij, waardoor ik dit de beste Sabbath met Martin tot dan toe vind.
Hoe sfeervol bijvoorbeeld is het intro bij de aftrap van de plaat middels Anno Mundi, gevolgd door het snelle The Law Maker en het heerlijk logge Jerusalem. Ook boeiend zijn de verschillende delen van Odin’s Court en de ballade Feels Good to Me, waarin Iommi zijn jazzkant etaleert. Het nummer had zó op zijn soloplaat Seventh Star gepast.
Een klein jaar na de berichten van Edwynn, Arjan Hut, gaucho en CWTAB over een heruitgave van de Sabbathalbums met Tony Martin is het nog altijd stil hieromheen. Pensionado Tony heeft geen haast...
Bij thuiskomst, eerder vandaag, ontdekte ik de bio van Geezer Butler in mijn brievenbus, het zojuist verschenen ‘Into the Void’. De bassist keerde voor de opvolger van Tyr terug op het nest, mét Ronnie James Dio. Met Tony Martin werd enorm gesold, wat de man volstrekt niet verdiende. De komende weken eens lezen van Butler daarvan vindt.
Op tournee in Amerika ergerde hij zich: Headless Cross ontbrak nogal eens in de winkels, promotieposters ontbraken. Sterker nog, zelfs de tournee was slecht gepromoot. In zijn boek ‘Iron Man’ (2011) over fans die ze op straat tegenkwamen en hen vroegen: ‘What are you doing here?’
‘Oh… we’re playing here tonight.’
‘Eh?’
Zijn conclusie: ‘It was all very Spinal Tap-ish’.
Hierna vervolgde de tour door het Verenigd Koninkrijk, Mexico en tienmaal Moskou, waar Girlschool in het voorprogramma speelde. Tony zag hoe kort na aankomst twee van de meisjesschooldames in de hotelbar met elkaar op de vuist gingen. Zijn eerste kennismaking met deze feminine groep van de New wave of British heavy metal generatie, noteert hij droogjes. Bovendien viel hem op dat ze alle vier goed konden drinken en eveneens heeft hij niet gemist dat Powell daar een relatie kreeg met frontvrouw Kim McAuliffe; ‘She was a really nice girl.’
De opnamen van de nieuwe Sabbath verliepen voor de verandering eens zonder problemen. Al snel wordt duidelijk dat Tyr subtieler is geworden dan de voorganger: de teksten van Martin behandelen nu de noordse mythologie. Iommi vraagt zich af of het passend was bij Sabbath, maar met die schitterende hoes erbij hoorde je mij niet klagen; de composities kennen eveneens meer variatie met het frequentere gebruik van rustige passages, waardoor Martin niet steeds op volle kracht hoeft te zingen. Die variatie doet het veel beter bij mij, waardoor ik dit de beste Sabbath met Martin tot dan toe vind.
Hoe sfeervol bijvoorbeeld is het intro bij de aftrap van de plaat middels Anno Mundi, gevolgd door het snelle The Law Maker en het heerlijk logge Jerusalem. Ook boeiend zijn de verschillende delen van Odin’s Court en de ballade Feels Good to Me, waarin Iommi zijn jazzkant etaleert. Het nummer had zó op zijn soloplaat Seventh Star gepast.
Een klein jaar na de berichten van Edwynn, Arjan Hut, gaucho en CWTAB over een heruitgave van de Sabbathalbums met Tony Martin is het nog altijd stil hieromheen. Pensionado Tony heeft geen haast...
Bij thuiskomst, eerder vandaag, ontdekte ik de bio van Geezer Butler in mijn brievenbus, het zojuist verschenen ‘Into the Void’. De bassist keerde voor de opvolger van Tyr terug op het nest, mét Ronnie James Dio. Met Tony Martin werd enorm gesold, wat de man volstrekt niet verdiende. De komende weken eens lezen van Butler daarvan vindt.
Black Sabbath - Vol. 4 (1972)

4,5
2
geplaatst: 6 juli 2022, 11:54 uur
Het eerste wat ik ooit hoorde van Black Sabbath was Paranoid, waarschijnlijk bij Arbeidsvitaminen waar ie eind jaren '70 bijna wekelijks voorbij kwam. Toen Heaven and Hell in 1980 mijn leven binnendenderde, werd ik uiterst nieuwsgierig naar de solo's van gitarist Tony Iommi. Ik ging op zoek naar meer van dat briljant-eigenzinnig-snelle gitaarhalsgerace.
De eerste drie platen van Sabbath waren in dat opzicht teleurstellend, al vond ik vooral het debuut en Master of Reality briljante platen. De man stond echter qua soleren nog aan het begin van zijn ontwikkeling. Ik vroeg mij dus af wanneer hij dit onder de knie kreeg.
Het antwoord hoorde ik in de opener van Vol. 4, een plaat die ik in de Grote Stad kocht van mijn kostbare zakgeld. In het tweede deel van Wheels of Confusion beklimt hij tergend traag de hals, hoger en hoger. Eenmaal bovenaan gaat hij voor het eerst voor rapheid. Sterk opgebouwd, virtuoos gespeeld.
De hoes vond ik ook fraai. Een vriend ontdekte dat Geezer Butler te zien is met een doorzichtige plexiglas basgitaar, dat was mij ontgaan. Van de binnenzijde van de klaphoes begreep ik dat de jongens veel cola dronken, kennelijk was dat goed voor de inspiratie. De songs bevatten namelijk naast sterke riffs véél tempowisselingen, zoals in Snowblind. Liedjes in liedjes, afwisseling troef. Nee, de hints naar cocaïne had ik op mijn zolderkamer niet door, terwijl mijn moeder zich regelmatig ergerde aan de geluidsmuren die daarvandaan afdaalden… Eindeloos draaide ik deze plaat, waarop veel valt te ontdekken.
Van de biografie Iron Man (2012) van Tony Iommi leerde ik dat drummer Bill Ward de opnamen bijna niet had overleefd. Zijn maatjes hadden hem ondergespoten met goudverf, zoals in de Bondfilm Goldfinger, waarna ze beschaamd aan een inderhaast opgeroepen arts moesten uitleggen wat er was gebeurd en wat de exacte aard van de verf was.
Diezelfde Ward drukte in hun gehuurde villa op een knop, die als noodalarm bleek te dienen. Korte tijd later stond de politie voor de deur en moest alle dure cocaïne inderhaast worden doorgespoeld. Het zwarte imago van de band krijgt in Iommi’s biografie met alle practical jokes, missers en anekdotes véél meer kleur.
Tomorrow’s Dream heet op mijn hoes (editie 1976) Tomorrow Dream; op het label staat de titel wel correct. Met zijn 3’06” is het een overzichtelijk lied, in Duitsland en Frankrijk op single verschenen, geen hit.
Muzikale zijstapjes volgen met met ballade Changes (piano en mellotron, gespeeld door Iommi en Butler) en soundscape FX; over beide nummers deelt Iommi in zijn biografie interessante achtergronden. Supernaut dendert dan extra zwaar de speakers uit met zijn heerlijke riffs en jawel, weer een snelle gitaarsolo. Twee tegelijk zelfs, de band had hoorbaar meer studiotijd gekregen voor dit soort experimenten.
De B-kant. Na het al genoemde Snowblind volgt het intro van Cornucopia, één van hun zwaarste riffs ooit, waarna uptempo delen volgen.
Laguna Sunrise schreef Iommi met een roadie, zittend aan Laguna Beach. Zwaar en afwisselend is het wederom op St. Vitus Dance, dat desondanks nog geen tweeëneenhalve minuut duurt.
Slotstuk Under the Sun, tegenwoordig krijgt het laatste deel daarvan een extra titel, is mijn absolute toplied van deze plaat. Het begint zwaar, versnelt al snel om daarna wederom te versnellen en kent een zwaar en vertragend slot, met opnieuw zo'n heerlijke gitaarsolo.
Sterk album met talloze sterke en zware riffs, veel variatie en bovendien hun eerste waarop Iommi snelle solo’s produceert. Op mijn vinylversie keert na afloop van Wheels of Confusion (het deel dat tegenwoordig in de digitale versie The Straightener heet) na enkele seconden stilte het gitaarthema terug, ditmaal zonder distortion. Op streaming is dat weggelaten. Jammer. Dan ga ik toch lekker voor mijn gouwe ouwe elpeetje.
De eerste drie platen van Sabbath waren in dat opzicht teleurstellend, al vond ik vooral het debuut en Master of Reality briljante platen. De man stond echter qua soleren nog aan het begin van zijn ontwikkeling. Ik vroeg mij dus af wanneer hij dit onder de knie kreeg.
Het antwoord hoorde ik in de opener van Vol. 4, een plaat die ik in de Grote Stad kocht van mijn kostbare zakgeld. In het tweede deel van Wheels of Confusion beklimt hij tergend traag de hals, hoger en hoger. Eenmaal bovenaan gaat hij voor het eerst voor rapheid. Sterk opgebouwd, virtuoos gespeeld.
De hoes vond ik ook fraai. Een vriend ontdekte dat Geezer Butler te zien is met een doorzichtige plexiglas basgitaar, dat was mij ontgaan. Van de binnenzijde van de klaphoes begreep ik dat de jongens veel cola dronken, kennelijk was dat goed voor de inspiratie. De songs bevatten namelijk naast sterke riffs véél tempowisselingen, zoals in Snowblind. Liedjes in liedjes, afwisseling troef. Nee, de hints naar cocaïne had ik op mijn zolderkamer niet door, terwijl mijn moeder zich regelmatig ergerde aan de geluidsmuren die daarvandaan afdaalden… Eindeloos draaide ik deze plaat, waarop veel valt te ontdekken.
Van de biografie Iron Man (2012) van Tony Iommi leerde ik dat drummer Bill Ward de opnamen bijna niet had overleefd. Zijn maatjes hadden hem ondergespoten met goudverf, zoals in de Bondfilm Goldfinger, waarna ze beschaamd aan een inderhaast opgeroepen arts moesten uitleggen wat er was gebeurd en wat de exacte aard van de verf was.
Diezelfde Ward drukte in hun gehuurde villa op een knop, die als noodalarm bleek te dienen. Korte tijd later stond de politie voor de deur en moest alle dure cocaïne inderhaast worden doorgespoeld. Het zwarte imago van de band krijgt in Iommi’s biografie met alle practical jokes, missers en anekdotes véél meer kleur.
Tomorrow’s Dream heet op mijn hoes (editie 1976) Tomorrow Dream; op het label staat de titel wel correct. Met zijn 3’06” is het een overzichtelijk lied, in Duitsland en Frankrijk op single verschenen, geen hit.
Muzikale zijstapjes volgen met met ballade Changes (piano en mellotron, gespeeld door Iommi en Butler) en soundscape FX; over beide nummers deelt Iommi in zijn biografie interessante achtergronden. Supernaut dendert dan extra zwaar de speakers uit met zijn heerlijke riffs en jawel, weer een snelle gitaarsolo. Twee tegelijk zelfs, de band had hoorbaar meer studiotijd gekregen voor dit soort experimenten.
De B-kant. Na het al genoemde Snowblind volgt het intro van Cornucopia, één van hun zwaarste riffs ooit, waarna uptempo delen volgen.
Laguna Sunrise schreef Iommi met een roadie, zittend aan Laguna Beach. Zwaar en afwisselend is het wederom op St. Vitus Dance, dat desondanks nog geen tweeëneenhalve minuut duurt.
Slotstuk Under the Sun, tegenwoordig krijgt het laatste deel daarvan een extra titel, is mijn absolute toplied van deze plaat. Het begint zwaar, versnelt al snel om daarna wederom te versnellen en kent een zwaar en vertragend slot, met opnieuw zo'n heerlijke gitaarsolo.
Sterk album met talloze sterke en zware riffs, veel variatie en bovendien hun eerste waarop Iommi snelle solo’s produceert. Op mijn vinylversie keert na afloop van Wheels of Confusion (het deel dat tegenwoordig in de digitale versie The Straightener heet) na enkele seconden stilte het gitaarthema terug, ditmaal zonder distortion. Op streaming is dat weggelaten. Jammer. Dan ga ik toch lekker voor mijn gouwe ouwe elpeetje.
Black Sabbath - We Sold Our Soul for Rock 'N' Roll (1975)

1
geplaatst: 8 januari 2022, 14:15 uur
Nadat ik in 1980 Heaven and Hell, de eerste plaat van Sabbath met Ronnie Dio had ontdekt, wilde ik rap meer van de band weten. Deze verzamelaar stond in de bieb. Het betrof overigens de enkelelpee, waarschijnlijk de Nederlandse persing, dus met tien nummers. Desalniettemin een zeer nuttige introductie tot de band, waarvan ik alleen hitsingle Paranoid kende.
Ik zat letterlijk te griezelen bij Black Sabbath en de fluisterstemmen aan het einde van Children of the Grave, alleen al het onheilspellende intro van Iron Man vond ik machtig mooi en War Pigs was natuurlijk ook prachtig. Inmiddels songs die ik (te?) vaak heb gehoord, maar toen maakten ze grote indruk op mijn zolderkamer.
In die fonotheek stond nóg een verzamelaar van de band, plus drie originele albums, die uiteraard spoedig daarna werden geleend. Gegriezeld als die eerste keer heb ik nooit meer...
Ik zat letterlijk te griezelen bij Black Sabbath en de fluisterstemmen aan het einde van Children of the Grave, alleen al het onheilspellende intro van Iron Man vond ik machtig mooi en War Pigs was natuurlijk ook prachtig. Inmiddels songs die ik (te?) vaak heb gehoord, maar toen maakten ze grote indruk op mijn zolderkamer.
In die fonotheek stond nóg een verzamelaar van de band, plus drie originele albums, die uiteraard spoedig daarna werden geleend. Gegriezeld als die eerste keer heb ik nooit meer...
Black Sheep - Black Sheep (1975)

3,5
0
geplaatst: 23 november 2024, 18:47 uur
Het debuut van Lou Gramm, later bekend geworden bij Foreigner. Ik weet niet of het komt door het grijze en koude weer of de sfeer van Kerst die geleidelijk sterker wordt, maar ik ben in een bui waarin ik vooral zin heb in klassieke (hard)rock. Die kan van recente datum zijn zoals ik gisteren bij Cats in Space en vandaag bij Sweet meemaakte, maar ook van vijftig jaar geleden.
Het titelloze debuut van Black Sheep verscheen in 1975. Afgelopen voorjaar las ik erover, om me voor te nemen later in het jaar te gaan luisteren. En kennelijk ben ik in de juiste stemming! Het album vond ik op YouTube.
Gramm heet hier nog voluit Grammatico. Naast hem treffen we aan gitarist Don Mancuso, toetsenist Larry Crozier, bassist (ook later op Gramms solowerk) Bruce Turgon en drummer Ronald Rocco. De groep kwam uit het New Yorkse Rochester en zet hier meteen een sterk debuut neer. Dat komt niet alleen door Gramms stem, maar ook omdat de composities (door de leden in wisselende combinaties geschreven) ertoe doen.
Althans, op de eerste plaatkant. Op de tweede plaatkant is het tempo vooral laag en dat werkt niet zo. Sterkste nummers zijn daarmee de eerste vijf, al duurt Let Me Stay met z'n dikke zeven minuten te lang. Dan is het korte en instrumentale Piano Prelude extra opgevallen door de jazz erin. Kant 2 opent met het heerlijke Power to Heal, waarna de rest te traag is om mijn aandacht vast te houden.
Neem niet weg dat dit album zeker interessant is voor liefhebbers van de eerste drie van Foreigner, te weten Foreigner, Double Vision en Head Games. Bij Black Sheep is meer ruimte voor improvisatie en dat in de sfeer van 1975. Lekker hoor!
Het titelloze debuut van Black Sheep verscheen in 1975. Afgelopen voorjaar las ik erover, om me voor te nemen later in het jaar te gaan luisteren. En kennelijk ben ik in de juiste stemming! Het album vond ik op YouTube.
Gramm heet hier nog voluit Grammatico. Naast hem treffen we aan gitarist Don Mancuso, toetsenist Larry Crozier, bassist (ook later op Gramms solowerk) Bruce Turgon en drummer Ronald Rocco. De groep kwam uit het New Yorkse Rochester en zet hier meteen een sterk debuut neer. Dat komt niet alleen door Gramms stem, maar ook omdat de composities (door de leden in wisselende combinaties geschreven) ertoe doen.
Althans, op de eerste plaatkant. Op de tweede plaatkant is het tempo vooral laag en dat werkt niet zo. Sterkste nummers zijn daarmee de eerste vijf, al duurt Let Me Stay met z'n dikke zeven minuten te lang. Dan is het korte en instrumentale Piano Prelude extra opgevallen door de jazz erin. Kant 2 opent met het heerlijke Power to Heal, waarna de rest te traag is om mijn aandacht vast te houden.
Neem niet weg dat dit album zeker interessant is voor liefhebbers van de eerste drie van Foreigner, te weten Foreigner, Double Vision en Head Games. Bij Black Sheep is meer ruimte voor improvisatie en dat in de sfeer van 1975. Lekker hoor!
Black Sheep - Encouraging Words (1975)

3,5
0
geplaatst: 14 december 2024, 10:24 uur
De groep waarin Lou Gramm, nadien welbekend van Foreigner, zijn eerste schreden op het pad van vinyl zette. Dit onder zijn volle achternaam Grammatico. Net als het debuut verscheen deze tweede - en laatste - van Black Sheep in 1975. Twee albums zo kort na elkaar? Vaak bevat de opvolger het mindere materiaal; hier is dat niet het geval. De groep speelt melodieuze hardrock / adult oriented rock, waarin de toetsen van Larry Crozier (piano en orgel) niet verzuipen ten opzichte van hetgeen gitarist Donald Mancuso neerzet.
Opener Halfway Home laat Encouraging Words rockend starten en had zo maar één van de topnummers van Foreigner kunnen zijn. Daarna volgt het melodieuzere en langzamere titelnummer; op zich ook sterk, maar met z'n 5'31" iets te lang. To Whom It May Concern is vervolgens uptempo en aangenaam en waar de vorige nummers op gitaar leunden, is het hier een Hammondorgel dat de basis legt.
Op het midtempo No Worry, No Pain zijn piano en gitaar in evenwicht, waarna kant 1 met zwoele elektrische piano afsluit via ballade When It All Makes Sense. Hierbij moet ik aan The Babys denken.
Het blijft qua tempo kalm, omdat kant 2 opent met ballade The Change. Net als op het debuut had ik wel meer uptempo werk gewild, al spelen de muzikanten prima en is Gramm in topvorm. Iets vlotter is All I Am, de akoestische ballade Shauna werkt vervolgens verrassend goed en met slotlied Chain on Me is daar eindelijk het derde uptempo nummer en het mag er zijn.
De groep gaat op tournee als voorprogramma van Kiss, maar als hun truck met daarin alle apparatuur verongelukt op een spekgladde snelweg en men de tour moet afbreken, is het einde daar.
Ik vond het album op YouTube. Dit was dus de laatste die Black Sheep maakte; beide zijn meer dan interessant voor liefhebbers van het vroege werk van Foreigner, waar eveneens de adult oriented rocksferen van de jaren '70 klinken.
Gramm maakte furore bij die groep, op zijn latere solowerk werkte hij echter weer samen met zijn oude maatje van Black Sheep, bassist Bruce Turgon. Dan bedoel ik Ready Or Not (1987), Long Hard Look (1989) en het kortstondige project met het gelijknamige album Shadow King (1991), waarna Turgon meeging naar Foreigner om daar zo'n tien jaar te blijven. Hij is op hun Mr. Moonlight te horen.
Als Gramm in 2009 zijn album met The Lou Gramm Band uitbrengt, klinkt daar een ander kompaan uit de dagen van Black Sheep: gitarist Donald Mancuso.
Zo af en toe doet Black Sheep een reünieconcert. De laatste keer in juni 2024, waarvan ik deze beelden tegenkwam op YouTube. Alhoewel de groep slechts een tweetal albums maakte en niet ieder nummer sterk genoeg is, valt met het beste van de twee een prima afspeellijst samen te stellen. Zoals ik destijds deed met de eerste albums van Whitesnake, waar eveneens mindere nummers met briljantjes werden afgewisseld. Degenen die minder moeite hebben met langzaam werk, kunnen hier op een hogere score uitkomen.
Opener Halfway Home laat Encouraging Words rockend starten en had zo maar één van de topnummers van Foreigner kunnen zijn. Daarna volgt het melodieuzere en langzamere titelnummer; op zich ook sterk, maar met z'n 5'31" iets te lang. To Whom It May Concern is vervolgens uptempo en aangenaam en waar de vorige nummers op gitaar leunden, is het hier een Hammondorgel dat de basis legt.
Op het midtempo No Worry, No Pain zijn piano en gitaar in evenwicht, waarna kant 1 met zwoele elektrische piano afsluit via ballade When It All Makes Sense. Hierbij moet ik aan The Babys denken.
Het blijft qua tempo kalm, omdat kant 2 opent met ballade The Change. Net als op het debuut had ik wel meer uptempo werk gewild, al spelen de muzikanten prima en is Gramm in topvorm. Iets vlotter is All I Am, de akoestische ballade Shauna werkt vervolgens verrassend goed en met slotlied Chain on Me is daar eindelijk het derde uptempo nummer en het mag er zijn.
De groep gaat op tournee als voorprogramma van Kiss, maar als hun truck met daarin alle apparatuur verongelukt op een spekgladde snelweg en men de tour moet afbreken, is het einde daar.
Ik vond het album op YouTube. Dit was dus de laatste die Black Sheep maakte; beide zijn meer dan interessant voor liefhebbers van het vroege werk van Foreigner, waar eveneens de adult oriented rocksferen van de jaren '70 klinken.
Gramm maakte furore bij die groep, op zijn latere solowerk werkte hij echter weer samen met zijn oude maatje van Black Sheep, bassist Bruce Turgon. Dan bedoel ik Ready Or Not (1987), Long Hard Look (1989) en het kortstondige project met het gelijknamige album Shadow King (1991), waarna Turgon meeging naar Foreigner om daar zo'n tien jaar te blijven. Hij is op hun Mr. Moonlight te horen.
Als Gramm in 2009 zijn album met The Lou Gramm Band uitbrengt, klinkt daar een ander kompaan uit de dagen van Black Sheep: gitarist Donald Mancuso.
Zo af en toe doet Black Sheep een reünieconcert. De laatste keer in juni 2024, waarvan ik deze beelden tegenkwam op YouTube. Alhoewel de groep slechts een tweetal albums maakte en niet ieder nummer sterk genoeg is, valt met het beste van de twee een prima afspeellijst samen te stellen. Zoals ik destijds deed met de eerste albums van Whitesnake, waar eveneens mindere nummers met briljantjes werden afgewisseld. Degenen die minder moeite hebben met langzaam werk, kunnen hier op een hogere score uitkomen.
Black Swan - Generation Mind (2022)

4,0
0
geplaatst: 17 maart 2025, 21:29 uur
De tweede van Black Swan, een album waar ik niets van kende. Werd door milesdavisjr op het spoor gezet toen ik op het idee kwam het werk van ex-MSG-zanger Robin McAuley eens te verkennen. Hij raadde me deze aan nadat ik de voorganger prima vond, zij het qua melodieën wat eentonig.
Hij had gelijk, met Generation Mind is dat onderdeel verbeterd. Gebleven is het flitsende gitaarspel van Reb Beach, dat heftiger is dan hetgeen ik van de man ken bij Whitesnake. Toch had het album de nodige draaibeurten nodig, maar dankzij track 6 Killer on the Loose met een gitaargeluid en -intro waarbij ik denk naar Scorpions te luisteren, viel de muziek alsnog.
Opeens blijkt het pakkender dan ik het eerst beleefde. Miracle is met z'n slepende melodie als een kruising tussen het solowerk van Ozzy Osbourne en de aor van een groep als H.E.A.T., How Do You Feel is opnieuw een stapje kalmer en bezit een sterk refrein waarin McAuley excelleert, in Long Way Down aan het slot een (spoiler) onverwachte versnelling, de riff van Crown heeft een jaren '80-gevoel waarna Wicked the Day met een felle riff heerlijk knalt en weer denk ik aan de voorbije dagen van Randy Rhoads en Jake E. Lee bij Ozzy, waarna I Will Follow opnieuw een sterk refrein bevat.
Dan beluister ik wederom de robuuste eerste helft. In het sferische en instrumentale Before the Light kun je enige invloed van Michael Schenkers (Lost Horizons) horen, waarna She Hides Behind en Generation Mind lekker uptempo zijn. Eagles Fly blijft niet hangen al musiceren de mannen op hoog niveau en het gevarieerdere See You Cry heeft hetzelfde, al is het refrein prima. Daarbij valt nog eens op hoe goed McAuley bij stem is.
Een aardige eerste en een sterke tweede helft met spetterend gitaarwerk en regelmatig sterke refreinen. Geen muzikale verrassingen maar zó goed gespeeld...
Dan resteren nog de drie soloalbums van McAuley, te beginnen met Standing on the Edge uit 2021.
Hij had gelijk, met Generation Mind is dat onderdeel verbeterd. Gebleven is het flitsende gitaarspel van Reb Beach, dat heftiger is dan hetgeen ik van de man ken bij Whitesnake. Toch had het album de nodige draaibeurten nodig, maar dankzij track 6 Killer on the Loose met een gitaargeluid en -intro waarbij ik denk naar Scorpions te luisteren, viel de muziek alsnog.
Opeens blijkt het pakkender dan ik het eerst beleefde. Miracle is met z'n slepende melodie als een kruising tussen het solowerk van Ozzy Osbourne en de aor van een groep als H.E.A.T., How Do You Feel is opnieuw een stapje kalmer en bezit een sterk refrein waarin McAuley excelleert, in Long Way Down aan het slot een (spoiler) onverwachte versnelling, de riff van Crown heeft een jaren '80-gevoel waarna Wicked the Day met een felle riff heerlijk knalt en weer denk ik aan de voorbije dagen van Randy Rhoads en Jake E. Lee bij Ozzy, waarna I Will Follow opnieuw een sterk refrein bevat.
Dan beluister ik wederom de robuuste eerste helft. In het sferische en instrumentale Before the Light kun je enige invloed van Michael Schenkers (Lost Horizons) horen, waarna She Hides Behind en Generation Mind lekker uptempo zijn. Eagles Fly blijft niet hangen al musiceren de mannen op hoog niveau en het gevarieerdere See You Cry heeft hetzelfde, al is het refrein prima. Daarbij valt nog eens op hoe goed McAuley bij stem is.
Een aardige eerste en een sterke tweede helft met spetterend gitaarwerk en regelmatig sterke refreinen. Geen muzikale verrassingen maar zó goed gespeeld...
Dan resteren nog de drie soloalbums van McAuley, te beginnen met Standing on the Edge uit 2021.
Black Swan - Shake the World (2020)

4,0
1
geplaatst: 11 maart 2025, 07:08 uur
Ik noteerde bij Robin McAuleys Soulbound dat onlangs verscheen mijn nieuwsgierigheid naar het werk van de man. milesdavisjr tipte Black Swan en zo kom ik hier, nadat ik de drie albums van de McAuley Schenker Group beluisterde.
Binnen het hardrockgenre zijn de verschillen tussen die groepen groot. Tot mijn verrassing herkende ik opener Shake the World. Het nummer zette ik begin 2020 op een afspeellijst met nieuwe muziek en aangezien ik destijds vanaf half maart thuis kwam te werken vanwege de lockdown, was er veel gelegenheid om die te draaien. Het nummer heb ik dat jaar dus vaak gehoord, maar aan het album kwam ik niet toe.
Platenbaas Serafino Perugino van Frontiers had eens een kop koffie gedronken met bassist Jeff Pilson, waarbij het idee was ontstaan dat de laatste een project zou starten. McAuley werd zanger, als gitarist kwam Reb Beach van Whitesnake en op de drumkruk landde de mij onbekende Matt Starr, maar ook hij heeft een stevig cv.
De stijl van Black Swan is veel massiever dan die van destijds MSG, zoals het titelnummer al meteen laat horen. Bij de zwarte zwaan is het massief, uptempo, robuust en voortdenderend. Verbazingwekkend is hoe krachtig McAuley zingt, nog meer dan vroeger.
Enige nadeel is dat bij het afspelen van het album de melodieën niet zo willen groeien, ook niet bij herhaald beluisteren; er sluipt daardoor enige eenvormigheid in, vooral omdat McAuley in dezelfde versnelling zingt. Dat valt pas goed op in het sterke slotlied Divided/United, waarin hij het in het eerste deel kalmer aandoet; had hij meer mogen doen.
Neemt niet weg dat de snelle shuffle van Big Disaster aangenaam is en het logge Johnny Came Marching valt op met een tekst over wapenbezit. Ander sterk nummer is het uptempo The Rock that Rolled Away en het kalmere Sacred Place, drijvend op een heerlijke gitaarlick. Van Beach weet je dat hij bekwaam en gevarieerd speelt, in het volle geluid de nodige variatie aanbrengend.
De ronkende bas van Pilson in het geluid maakt het alleen maar aangenamer. Was dit album in de jaren '80 gemaakt, dan had het mij omver geblazen. Zo hoor ik het graag.
Binnen het hardrockgenre zijn de verschillen tussen die groepen groot. Tot mijn verrassing herkende ik opener Shake the World. Het nummer zette ik begin 2020 op een afspeellijst met nieuwe muziek en aangezien ik destijds vanaf half maart thuis kwam te werken vanwege de lockdown, was er veel gelegenheid om die te draaien. Het nummer heb ik dat jaar dus vaak gehoord, maar aan het album kwam ik niet toe.
Platenbaas Serafino Perugino van Frontiers had eens een kop koffie gedronken met bassist Jeff Pilson, waarbij het idee was ontstaan dat de laatste een project zou starten. McAuley werd zanger, als gitarist kwam Reb Beach van Whitesnake en op de drumkruk landde de mij onbekende Matt Starr, maar ook hij heeft een stevig cv.
De stijl van Black Swan is veel massiever dan die van destijds MSG, zoals het titelnummer al meteen laat horen. Bij de zwarte zwaan is het massief, uptempo, robuust en voortdenderend. Verbazingwekkend is hoe krachtig McAuley zingt, nog meer dan vroeger.
Enige nadeel is dat bij het afspelen van het album de melodieën niet zo willen groeien, ook niet bij herhaald beluisteren; er sluipt daardoor enige eenvormigheid in, vooral omdat McAuley in dezelfde versnelling zingt. Dat valt pas goed op in het sterke slotlied Divided/United, waarin hij het in het eerste deel kalmer aandoet; had hij meer mogen doen.
Neemt niet weg dat de snelle shuffle van Big Disaster aangenaam is en het logge Johnny Came Marching valt op met een tekst over wapenbezit. Ander sterk nummer is het uptempo The Rock that Rolled Away en het kalmere Sacred Place, drijvend op een heerlijke gitaarlick. Van Beach weet je dat hij bekwaam en gevarieerd speelt, in het volle geluid de nodige variatie aanbrengend.
De ronkende bas van Pilson in het geluid maakt het alleen maar aangenamer. Was dit album in de jaren '80 gemaakt, dan had het mij omver geblazen. Zo hoor ik het graag.
Blackfoot - Highway Song Live (1982)

3,5
0
geplaatst: 28 november 2023, 09:14 uur
Mijn cd-exemplaar van Highway Song Live heb ik pas sinds kort in bezit. Het is de editie (1997) met bonustracks. Naast de originele hoestekst vind ik in het boekje ook twee interviews uit 1982 uit Kerrang! plus de recensie in dat blad van deze liveklassieker.
Zo leer ik dat drie van de vier leden van Blackfoot in de jaren 1949-1951 werden geboren en de groep al in 1969 begon. Eveneens drie van hen hebben native-Amerikaans bloed in zich. Jarenlang bleef men succesloos, wat verandert als ze Jacksonville verruilen voor New Jersey. Het was ploeteren: in Amerika deed men noodgedwongen headlinetours, omdat er niemand was die hen als voorprogramma wilde.
Het Verenigd Koninkrijk werd door de inmiddels ene twintiger en drie dertigers veroverd via een tournee met de Scorpions in 1980 voor album Tomcattin', in '81 een optreden op Castle Donington en in 1982 de Britse tournee voor Maurauder inclusief een optreden op het Reading Festival. Diverse shows werden opgenomen met de Rolling Stone Mobile Studio met als resultaat Highway Song Live.
In Frankrijk en Spanje werd opgetreden met Iron Maiden, met wie in de toegift Tush van ZZ Top werd gecoverd.
In september '82 vertelt frontman Rick Medlocke aan Kerrang! dat zijn opa, banjonist Paul 'Shorty' Medlocke die Rattlesnake Rock'n' Roller op Maurauder zo'n fantastisch intro gaf, kort daarvoor is overleden. Hijzelf heeft net drie dagen in de cel doorgebracht voor iets wat hij liever voor zich houdt en drummer Jak Spires heeft een grote dollarclaim aan de broek hangen.
Neen, het waren geen koorknaapjes maar hoorbaar is dat ze wisten hoe je een zaal plát moest spelen. De meeste nummers komen vanuit Hammersmith Odeon, Londen, afsluiter Howay the Lads uit Newcastle, waar het publiek uitzinnig een traditional zong waarop de band inhaakte.
Qua sfeer vergelijkbaar met de grote liveklassiekers van de jaren '70 en '80, maar omdat mijn voorkeur uitgaat naar de (slechts) drie nummers van Maurauder plus het mooi opgebouwde Highway Song, is mijn score minder hoog dan die van menig ander. De boogierock van menig nummer pakt me niet zo.
Bij de vier bonussen op cd (twee van Castle Donington 1982 en twee uit Cleveland, Ohio, eind 1981) hoor je in het uittro van On the Run iets van de drumsolo. Dan volgt een tweede liveversie van Train Train, nu met alweer een drumsolo in het slot. Liever had ik Too Hard to Handle of Searchin' gehoord, die tijdens die tour eveneens op de setlist stonden. Wel is Rattlesnake Rock'n' Roller te horen!
Een album waar de vonken vanaf springen, ik heb echter niet zo'n klik met de setlist. Was ik erbij geweest dan beleefde ik Highway Song Live waarschijnlijk intenser.
Zo leer ik dat drie van de vier leden van Blackfoot in de jaren 1949-1951 werden geboren en de groep al in 1969 begon. Eveneens drie van hen hebben native-Amerikaans bloed in zich. Jarenlang bleef men succesloos, wat verandert als ze Jacksonville verruilen voor New Jersey. Het was ploeteren: in Amerika deed men noodgedwongen headlinetours, omdat er niemand was die hen als voorprogramma wilde.
Het Verenigd Koninkrijk werd door de inmiddels ene twintiger en drie dertigers veroverd via een tournee met de Scorpions in 1980 voor album Tomcattin', in '81 een optreden op Castle Donington en in 1982 de Britse tournee voor Maurauder inclusief een optreden op het Reading Festival. Diverse shows werden opgenomen met de Rolling Stone Mobile Studio met als resultaat Highway Song Live.
In Frankrijk en Spanje werd opgetreden met Iron Maiden, met wie in de toegift Tush van ZZ Top werd gecoverd.
In september '82 vertelt frontman Rick Medlocke aan Kerrang! dat zijn opa, banjonist Paul 'Shorty' Medlocke die Rattlesnake Rock'n' Roller op Maurauder zo'n fantastisch intro gaf, kort daarvoor is overleden. Hijzelf heeft net drie dagen in de cel doorgebracht voor iets wat hij liever voor zich houdt en drummer Jak Spires heeft een grote dollarclaim aan de broek hangen.
Neen, het waren geen koorknaapjes maar hoorbaar is dat ze wisten hoe je een zaal plát moest spelen. De meeste nummers komen vanuit Hammersmith Odeon, Londen, afsluiter Howay the Lads uit Newcastle, waar het publiek uitzinnig een traditional zong waarop de band inhaakte.
Qua sfeer vergelijkbaar met de grote liveklassiekers van de jaren '70 en '80, maar omdat mijn voorkeur uitgaat naar de (slechts) drie nummers van Maurauder plus het mooi opgebouwde Highway Song, is mijn score minder hoog dan die van menig ander. De boogierock van menig nummer pakt me niet zo.
Bij de vier bonussen op cd (twee van Castle Donington 1982 en twee uit Cleveland, Ohio, eind 1981) hoor je in het uittro van On the Run iets van de drumsolo. Dan volgt een tweede liveversie van Train Train, nu met alweer een drumsolo in het slot. Liever had ik Too Hard to Handle of Searchin' gehoord, die tijdens die tour eveneens op de setlist stonden. Wel is Rattlesnake Rock'n' Roller te horen!
Een album waar de vonken vanaf springen, ik heb echter niet zo'n klik met de setlist. Was ik erbij geweest dan beleefde ik Highway Song Live waarschijnlijk intenser.
Blackfoot - Marauder (1981)

4,5
1
geplaatst: 11 december 2022, 16:57 uur
In de fonotheek van het dorp waar ik als tiener woonde, stond lang niet altijd wat ik zocht. Dat was de gelegenheid om iets op de gok te lenen. Al lezende in Oor (tijdschrift en encyclopedie) was ik het genre southern rock tegengekomen, muziek die je nauwelijks op de radio hoorde maar waarvan ik vermoedde dat het met z’n gitaren interessant kon zijn. De eerste kennismaking was met het debuut van Lynyrd Skynyrd waar ik niets mee kon. Dit mocht een klassieker zijn, voor mij was het te tam. Ik wilde het hard en snel.
Later ondernam ik een tweede poging en wel met Marauder van Blackfoot, wat mij veel beter beviel. Geen wonder: de muziek is veel steviger dan de southern rock in de begindagen van het genre. Hierboven wordt niet voor niets de discussie gevoerd of dit niet gewoon hardrock is. Ja, dat is het, oordeelde ik indertijd, al schemeren soms de blues- en countryinvloeden van voorheen door.
Vooral opener Goodmorning beviel mij goed. Een dikke veertig jaar later helpt ie nog altijd als ik geen zin heb om de dag te starten. Wat een passie en bijzondere gitaarriffs klinken hier! In combinatie met het manische gelach en de gejaagde groove tot op de huidige dag één van mijn favoriete liedjes ooit.
Maar deze puber hoorde meer aangename muziek. Zo kwam ik twee (semi)ballades tegen die goed smaakten. Op de A-zijde is dat Diary of a Workingman, dat uiterst fraai wordt opgebouwd. Er klinken een fluit en fraai akoestisch gitaarspel, waarbij ik qua harmonieën soms het idee heb naar Tony Iommi van Black Sabbath te luisteren: vanaf 3’06” waan ik mij even op hun album Sabbath Bloody Sabbath. Opnieuw is de stem van Rick Medlocke heel aangenaam, zowel in de ingetogen als de uitbundige delen.
Too Hard to Handle bleek een verraderlijke oorwurm, die mij nog altijd te binnen schiet als ik met een lastig persoon te maken heb.
Op de B-zijde genoot ik van de twee laatste nummers: net als eerder bij Fast as a Shark van Accept moesten mijn broertje en zusje het intro van Rattlesnake Rock 'n' Roller horen met daarin de redneck die met zwaar accent zijn snelle banjospel verdedigt; daarna knalt een zware elektrische gitaar erin en begint een boogierocker, compleet met piano. Ik vond het fantastisch.
En dan Searchin’, één van de mooiste ballades die ik ken, zeker met de versnelling als we de vier minuten naderen, waarna heerlijk sologitaarwerk volgt. De tekst is bovendien bijzonder herkenbaar met zijn levenswijsheden: prachtig!
Soms denk ik na zovele jaren hetzelfde over een album als voorheen. Hier echter groeit mijn waardering, mede vanwege drie andere nummers die opeens landen. Op deze grijze zondagmiddag viel me op dat Payin’ for it heel aangenaam is met een fraai koortje dat me terugbrengt naar nota bene Status Quo. De trompet in Too Hard to Handle vind ik tegenwoordig Texaans-Mexicaans-lekker. Op de B-zijde valt Fire of the Dragon erg goed met alle variatie tussen ingetogen en stevige delen.
Een rijpingsplaatje dus, hetgeen overigens eveneens bij Lynyrd Skynyrd is gebeurd. Al hoor ik nog altijd veel liever een compleet album van Blackfoot dan van Skynyrd. Met de rijping komt de wijsheid. Hopelijk...
Later ondernam ik een tweede poging en wel met Marauder van Blackfoot, wat mij veel beter beviel. Geen wonder: de muziek is veel steviger dan de southern rock in de begindagen van het genre. Hierboven wordt niet voor niets de discussie gevoerd of dit niet gewoon hardrock is. Ja, dat is het, oordeelde ik indertijd, al schemeren soms de blues- en countryinvloeden van voorheen door.
Vooral opener Goodmorning beviel mij goed. Een dikke veertig jaar later helpt ie nog altijd als ik geen zin heb om de dag te starten. Wat een passie en bijzondere gitaarriffs klinken hier! In combinatie met het manische gelach en de gejaagde groove tot op de huidige dag één van mijn favoriete liedjes ooit.
Maar deze puber hoorde meer aangename muziek. Zo kwam ik twee (semi)ballades tegen die goed smaakten. Op de A-zijde is dat Diary of a Workingman, dat uiterst fraai wordt opgebouwd. Er klinken een fluit en fraai akoestisch gitaarspel, waarbij ik qua harmonieën soms het idee heb naar Tony Iommi van Black Sabbath te luisteren: vanaf 3’06” waan ik mij even op hun album Sabbath Bloody Sabbath. Opnieuw is de stem van Rick Medlocke heel aangenaam, zowel in de ingetogen als de uitbundige delen.
Too Hard to Handle bleek een verraderlijke oorwurm, die mij nog altijd te binnen schiet als ik met een lastig persoon te maken heb.
Op de B-zijde genoot ik van de twee laatste nummers: net als eerder bij Fast as a Shark van Accept moesten mijn broertje en zusje het intro van Rattlesnake Rock 'n' Roller horen met daarin de redneck die met zwaar accent zijn snelle banjospel verdedigt; daarna knalt een zware elektrische gitaar erin en begint een boogierocker, compleet met piano. Ik vond het fantastisch.
En dan Searchin’, één van de mooiste ballades die ik ken, zeker met de versnelling als we de vier minuten naderen, waarna heerlijk sologitaarwerk volgt. De tekst is bovendien bijzonder herkenbaar met zijn levenswijsheden: prachtig!
Soms denk ik na zovele jaren hetzelfde over een album als voorheen. Hier echter groeit mijn waardering, mede vanwege drie andere nummers die opeens landen. Op deze grijze zondagmiddag viel me op dat Payin’ for it heel aangenaam is met een fraai koortje dat me terugbrengt naar nota bene Status Quo. De trompet in Too Hard to Handle vind ik tegenwoordig Texaans-Mexicaans-lekker. Op de B-zijde valt Fire of the Dragon erg goed met alle variatie tussen ingetogen en stevige delen.
Een rijpingsplaatje dus, hetgeen overigens eveneens bij Lynyrd Skynyrd is gebeurd. Al hoor ik nog altijd veel liever een compleet album van Blackfoot dan van Skynyrd. Met de rijping komt de wijsheid. Hopelijk...
Blonde on Blonde - Labyrinth of Love (1989)

1,0
0
geplaatst: 19 januari 2024, 20:54 uur
Ik kom hier als zijpaadje in de carrière van ex-Whitesnaker Bernie Marsden, die bevriend raakte met de ritmesectie van deze Noorse groep. Blonde On Blonde (niet te verwarren met de gelijknamige rockgroep uit Wales of het discoduo uit Engeland) maakt op debuut Labyrinth of Love pophardrock.
Precies éénmaal is de muziek okay, namelijk als de groep op het uptempo Shine On sfeervolle aor aanraakt.
Verder klinkt muziek die liefhebbers van Roxette wellicht kunnen waarderen. Zangeres Bente Smaavik heeft daarbij een prima stem: als ze uithaalt kan ze zich met Pat Benatar meten. Het totaal is me alleen te slap.
Marsden produceerde vervolgens hun tweede album, als de groep zich heeft omgedoopt tot Perfect Crime (opnieuw een naam door meer artiesten gekozen) en de plaat sluw Blonde on Blonde noemt.
Precies éénmaal is de muziek okay, namelijk als de groep op het uptempo Shine On sfeervolle aor aanraakt.
Verder klinkt muziek die liefhebbers van Roxette wellicht kunnen waarderen. Zangeres Bente Smaavik heeft daarbij een prima stem: als ze uithaalt kan ze zich met Pat Benatar meten. Het totaal is me alleen te slap.
Marsden produceerde vervolgens hun tweede album, als de groep zich heeft omgedoopt tot Perfect Crime (opnieuw een naam door meer artiesten gekozen) en de plaat sluw Blonde on Blonde noemt.
Blonde Redhead - Sit Down for Dinner (2023)

3,5
1
geplaatst: 22 januari 2024, 19:10 uur
Dan ook maar serieuzer reageren. Jaren geleden hoorde ik op bezoek muziek die mij pakte maar me onbekend was. Zoals toen gewoonte was (?) kreeg ik van 23 van Blonde Redhead meteen een gebrand kopie mee. Dat moet ergens in 2009 of '10 zijn geweest. Wat me vooral aantrok waren de voortdenderende drumbeats in combinatie met de ijle zang van een dame waarmee het album begon, gevolgd door meestal iets ingetogener muziek met diezelfde stem. De eerste weken frequent gedraaid en in de jaren daarna zo heel af en toe, om meestal halverwege iets anders op te zetten.
Zovele jaren later is Sit Down for Dinner het eerste album dat ik na die kennismaking in zijn geheel beluister, al ben ik het trio via de pers blijven volgen. Wat dat betreft was 23 blijven hangen. Wat blijkt: dit is pas hun derde album in die tijdspanne?!
De drums 'n' bass-invloeden van toen hoor ik niet meer, wel conventioneel slagwerk. Ook opvallend is dat behalve de dame (ze bleek Kazu Makino te heten) de man (Amadeo Pace - vernoemd naar Mozart?) vaak zingt.
Verder is de muziek kalmer. Op Rest for Her Life klinkt zelfs een akoestische gitaar. Het titelnummer komt in twee delen voorbij, eerst ingetogen en dan met een ontspannen drumcomputertje - toch weer.
Net als toen hoor ik Blonde Redhead het liefst uptempo - maar dat heb ik bij veel namen, om het even in welk genre. In dit geval bovendien graag met de stem van Makino. Mijn favorieten zijn daarom Melody Experiment en vooral Before. Dank aan Juveniles om met zijn opmerking over zijn überfavoriet van dit Sit Down for Dinner mijn aandacht te trekken! Een lekker dreampopplaatje.
Zovele jaren later is Sit Down for Dinner het eerste album dat ik na die kennismaking in zijn geheel beluister, al ben ik het trio via de pers blijven volgen. Wat dat betreft was 23 blijven hangen. Wat blijkt: dit is pas hun derde album in die tijdspanne?!
De drums 'n' bass-invloeden van toen hoor ik niet meer, wel conventioneel slagwerk. Ook opvallend is dat behalve de dame (ze bleek Kazu Makino te heten) de man (Amadeo Pace - vernoemd naar Mozart?) vaak zingt.
Verder is de muziek kalmer. Op Rest for Her Life klinkt zelfs een akoestische gitaar. Het titelnummer komt in twee delen voorbij, eerst ingetogen en dan met een ontspannen drumcomputertje - toch weer.
Net als toen hoor ik Blonde Redhead het liefst uptempo - maar dat heb ik bij veel namen, om het even in welk genre. In dit geval bovendien graag met de stem van Makino. Mijn favorieten zijn daarom Melody Experiment en vooral Before. Dank aan Juveniles om met zijn opmerking over zijn überfavoriet van dit Sit Down for Dinner mijn aandacht te trekken! Een lekker dreampopplaatje.
Blondie - Against the Odds 1974-1982 (2022)

3,5
1
geplaatst: 28 augustus 2022, 21:46 uur
De voorbije maanden ben ik in de catalogus van Blondie tot 1982 gedoken. Nu die ontdekkingsreis is afgerond, verschijnt deze verzamelbox. Dit in diverse versies: als 3-cd en 4-lp met "slechts" de bonusliedjes plus boek, voor degenen die de reguliere albums uit de jaren '76 - '82 al hadden. Bovendien zijn er de uitgebreidere versies, te weten 8-cd en 12-lp. Hierop bovendien de reguliere albums uit die jaren en maar liefst twee boekwerken, zoals een promofilmpje toont. Vertrouwenwekkend is dat de keuze voor de extra's is gemaakt door zangeres Deborah Harry en gitarist Chris Stein.
Je kunt dus heel veel (zo'n 330 euro) of juist minder (nog altijd iets meer dan 50 euro) uitgeven, al naar gelang je voorkeuren voor de hoeveelheid muziek, de hoeveelheid boeken en de keuze cd of vinyl. Of je doet zoals ik en houdt het bij streaming, daarmee de boekwerken missend.
De tracklijst die MuMe hierboven toont, betreft de bonusversies, die op chronologische volgorde zijn gezet. Het zijn er veel, waarbij je regelmatig vrolijk wordt! In mijn geval vooral van het eerste deel, waar we terugreizen naar 1974. Hier klinkt namelijk tintelfrisse new wave, nog voordat die term was uitgevonden.
Je hoort demo-, oer-, klad- en alternatieve versies van bekende en minder bekende liedjes. Gitaarversies van latere discohits, anderstalige versies van hun Engelstalige hits, instrumentale versies of liedjes met niet Harry maar een man op zang. Stein? Kijk, nóu mis ik die boekwerken!
En dan zijn er de buitenbeentjes: Harry die de mist ingaat in het intro van X Offender plus een reclamespotje voor Autoamerican. Mijn grootste favoriet is Moonlight Drive, oorspronkelijk van The Doors. Er zijn meer briljantjes aan te wijzen: afsluiter Ring of Fire bijvoorbeeld, oorspronkelijk van Johnny Cash.
Sympathiek van band en platenmaatschappij dat ze rekening houden met de trouwe fans en hen niet verplichten om materiaal wat allang in hun bezit was, opnieuw te kopen. Al lijkt mij de keuze lastig met die boekwerken erbij. Dat Blondie een heel fijn bandje was, is hier weer eens onomstotelijk bewezen.
Je kunt dus heel veel (zo'n 330 euro) of juist minder (nog altijd iets meer dan 50 euro) uitgeven, al naar gelang je voorkeuren voor de hoeveelheid muziek, de hoeveelheid boeken en de keuze cd of vinyl. Of je doet zoals ik en houdt het bij streaming, daarmee de boekwerken missend.
De tracklijst die MuMe hierboven toont, betreft de bonusversies, die op chronologische volgorde zijn gezet. Het zijn er veel, waarbij je regelmatig vrolijk wordt! In mijn geval vooral van het eerste deel, waar we terugreizen naar 1974. Hier klinkt namelijk tintelfrisse new wave, nog voordat die term was uitgevonden.
Je hoort demo-, oer-, klad- en alternatieve versies van bekende en minder bekende liedjes. Gitaarversies van latere discohits, anderstalige versies van hun Engelstalige hits, instrumentale versies of liedjes met niet Harry maar een man op zang. Stein? Kijk, nóu mis ik die boekwerken!
En dan zijn er de buitenbeentjes: Harry die de mist ingaat in het intro van X Offender plus een reclamespotje voor Autoamerican. Mijn grootste favoriet is Moonlight Drive, oorspronkelijk van The Doors. Er zijn meer briljantjes aan te wijzen: afsluiter Ring of Fire bijvoorbeeld, oorspronkelijk van Johnny Cash.
Sympathiek van band en platenmaatschappij dat ze rekening houden met de trouwe fans en hen niet verplichten om materiaal wat allang in hun bezit was, opnieuw te kopen. Al lijkt mij de keuze lastig met die boekwerken erbij. Dat Blondie een heel fijn bandje was, is hier weer eens onomstotelijk bewezen.
Blondie - Autoamerican (1980)

2,5
1
geplaatst: 29 april 2022, 08:39 uur
In 1980 was discoficering alomtegenwoordig. Deze puber hield er niet van, maar op de enige popzender Hilversum 3 was het genre onvermijdelijk. Dat was helemaal prima voor de goede acts in soul en funk; dat veteranenrockers ook hun toevlucht zochten tot het genre (denk aan Stones, Rod Stewart, Quo) ontnam deze acts in de meeste gevallen hun rauwe randjes. Meer nog, de hele popwereld leek wel van disco doordrenkt, zoals Hilversum 3 dagelijks liet horen.
Ook dat felle wavebandje Blondie, in 1978 door mij omarmd met hun vrolijke en energieke gitaarpop, had in 1979 een kraker van een discohit gehad met Heart of Glass, dat ik in tegenstelling tot vorige hits snel beu was. Ook op Atomic, vanaf april 1980 een hit, klonk die stijl, zij het dat drummer Clem Burke hier wat meer los ging.
In mei 1980 was daar ook nog non-albumsingle Call Me, díe ging dan nog wel... De hits van opvolger Autoamerican maakten dat ik Blondie niet meer tot mijn favobandjes rekende: The Tide is High vanaf november 1980 (slappe reggae) en saaie disco in Rapture, een hit vanaf carnaval 1981.
De voorbije dagen heb ik de puber van toen eens kritisch beschouwd, nu met het hele album Autoamerican erbij. Wat zou ik indertijd daarvan op cassette hebben opgenomen en hoe klinkt het in mijn huidige oren?
Met de fraaie hoes erbij (dankzij Discogs, dattanweerwel) hoor ik een filmisch intro, lekker en onBlondiaans tegelijk, gevolgd door 'spoken word' van Debbie Harry, die over een mooie spreekstem beschikt.
Dan volgen drie tracks die de puber van toen niet fijn had gevonden: disco in Live it Up, al is het refrein wat steviger; ballroomblazers (?!) in Here's Looking at You en dan weer disco in The Tide.
Maar dan. Met het zwoele Angels on the Balcony duikt opeens een heerlijk fris liedje op, niet stevig maar wel zomers. De A-kant sluit af met het poppy Go Through It, een gitaarliedje dat dankzij prominente trompetten en een cornet een popsound heeft. Was als single wel aardig geweest, met die oproep "I love you honey, Gimme your beer".
De B-kant: Do the Dark en Rapture, leuk voor mijn leeftijdsgenoten die indertijd naar de dansschool gingen maar waar ik nadrukkelijk níet bij hoorde. Vandaag valt me op dat Harry hier verdienstelijk rapt. Faces is het tweede ballroomliedje: nu vind ik het geinig voor een keertje, de puber van toen had dit hoofdschuddend doorstaan (vinyl, je haalt niet de naald van de plaat om hem er bij het volgende nummer weer op te kwakken: dat geeft tikken op de plaat).
Dan eindelijk weer gitaarwave in T-Birds, lekker liedje, idem voor Walk Like Me. Het lief-kneuterige slaapliedje Follow Me bevalt me als papa wel, de puber in mij echter...
Op streaming de bonussen Call Me, melancholische new wave in Suzy and Jeffrey en de 12" van Rapture.
De puber van toen had het juist. Blondie werd minder wave, meer pop/disco, wat fijn was voor Hilversum 3, discotheken en dansscholen. Het dreef mij extra in de armen van alternatievere muziek. Wél vermoed ik dat deze New Yorkers door de hits tegenwoordig van een goed pensioen genieten. Indertijd haakte een deel van het albumkopende publiek af: de elpee werd in Nederland net als de voorganger "slechts" #16, waar de twee platen daarvoor (beide in 1978) de top 10 haalden.
Drie á vier liedjes had ik in 1980 kunnen waarderen; ook in 2022 constateer ik dat de band te nadrukkelijk "voor ieder wat wils" bood met de twee ballroomliedjes als negatieve uitschieters, ook al vind ik het áltijd fijn als een band iets anders durft, zelfs als het resultaat me niet bevalt. Desondanks: wat mij betreft hadden ze die twee beter op een aparte single kunnen zetten en in plaats daarvan Clem Burke laten excelleren in puntige gitaarnewwave met die heerlijke sixtiesreferenties...
Ook dat felle wavebandje Blondie, in 1978 door mij omarmd met hun vrolijke en energieke gitaarpop, had in 1979 een kraker van een discohit gehad met Heart of Glass, dat ik in tegenstelling tot vorige hits snel beu was. Ook op Atomic, vanaf april 1980 een hit, klonk die stijl, zij het dat drummer Clem Burke hier wat meer los ging.
In mei 1980 was daar ook nog non-albumsingle Call Me, díe ging dan nog wel... De hits van opvolger Autoamerican maakten dat ik Blondie niet meer tot mijn favobandjes rekende: The Tide is High vanaf november 1980 (slappe reggae) en saaie disco in Rapture, een hit vanaf carnaval 1981.
De voorbije dagen heb ik de puber van toen eens kritisch beschouwd, nu met het hele album Autoamerican erbij. Wat zou ik indertijd daarvan op cassette hebben opgenomen en hoe klinkt het in mijn huidige oren?
Met de fraaie hoes erbij (dankzij Discogs, dattanweerwel) hoor ik een filmisch intro, lekker en onBlondiaans tegelijk, gevolgd door 'spoken word' van Debbie Harry, die over een mooie spreekstem beschikt.
Dan volgen drie tracks die de puber van toen niet fijn had gevonden: disco in Live it Up, al is het refrein wat steviger; ballroomblazers (?!) in Here's Looking at You en dan weer disco in The Tide.
Maar dan. Met het zwoele Angels on the Balcony duikt opeens een heerlijk fris liedje op, niet stevig maar wel zomers. De A-kant sluit af met het poppy Go Through It, een gitaarliedje dat dankzij prominente trompetten en een cornet een popsound heeft. Was als single wel aardig geweest, met die oproep "I love you honey, Gimme your beer".
De B-kant: Do the Dark en Rapture, leuk voor mijn leeftijdsgenoten die indertijd naar de dansschool gingen maar waar ik nadrukkelijk níet bij hoorde. Vandaag valt me op dat Harry hier verdienstelijk rapt. Faces is het tweede ballroomliedje: nu vind ik het geinig voor een keertje, de puber van toen had dit hoofdschuddend doorstaan (vinyl, je haalt niet de naald van de plaat om hem er bij het volgende nummer weer op te kwakken: dat geeft tikken op de plaat).
Dan eindelijk weer gitaarwave in T-Birds, lekker liedje, idem voor Walk Like Me. Het lief-kneuterige slaapliedje Follow Me bevalt me als papa wel, de puber in mij echter...
Op streaming de bonussen Call Me, melancholische new wave in Suzy and Jeffrey en de 12" van Rapture.
De puber van toen had het juist. Blondie werd minder wave, meer pop/disco, wat fijn was voor Hilversum 3, discotheken en dansscholen. Het dreef mij extra in de armen van alternatievere muziek. Wél vermoed ik dat deze New Yorkers door de hits tegenwoordig van een goed pensioen genieten. Indertijd haakte een deel van het albumkopende publiek af: de elpee werd in Nederland net als de voorganger "slechts" #16, waar de twee platen daarvoor (beide in 1978) de top 10 haalden.
Drie á vier liedjes had ik in 1980 kunnen waarderen; ook in 2022 constateer ik dat de band te nadrukkelijk "voor ieder wat wils" bood met de twee ballroomliedjes als negatieve uitschieters, ook al vind ik het áltijd fijn als een band iets anders durft, zelfs als het resultaat me niet bevalt. Desondanks: wat mij betreft hadden ze die twee beter op een aparte single kunnen zetten en in plaats daarvan Clem Burke laten excelleren in puntige gitaarnewwave met die heerlijke sixtiesreferenties...
Blondie - Blondie (1976)

3,5
0
geplaatst: 11 augustus 2022, 14:53 uur
Zoals de meeste Nederlanders leerde ik Blondie in 1978 kennen via debuuthit Denis. Hun debuutelpee is de laatste uit die eerste periode (1976-1982) die ik in zijn geheel hoorde. Dit lang na verschijnen via streaming, zij het dat ik sinds begin jaren '80 via deze verzamelaar Rip Her to Shreds kende.
De band klinkt hier niet wild en gevaarlijk, alleen maar omdat ze vaak speelden in club CBGB in New York, waarover je "gevaarlijke verhalen" las en hoorde; zo dacht deze kaaskop ooit... Wél klinkt een directe en transparante sound, heel anders dan de warmwollige productie die een beginnend puber als ik in 1976 meestal op de radio hoorde.
Hierboven noemden MuMensen al de sixtiesinvloeden. Dankzij de productie van Richard Gottehrer klinkt het debuut altijd fris, al is het me soms teveel: Little Girl Lies en vooral In the Flesh staan wel heel erg in de traditie van de jaren '60-meidengroepen. Maar de melodieën in Look Good in Blue en met name In the Sun met z'n snelle intro op de tomdrums smaken juist heel goed. Vreemd dat die niet bij ons op single verschenen, ik was er zeker voor gevallen! Ook A Shark in Jets Clothing had in '76/'77 mijn aandacht getrokken met zijn heerlijke toetsenpartijen en sterke melodie. Of wat te denken van de felle albumopener X Offender? Hier hoor ik toch een CBGB-sfeertje.
Dat de B-kant opent met het reggae-achtige Man Overboard en past naadloos bij diverse Britse newwavers die gelijktijdig aan het begin van hun platencarrière stonden. Iets verderop staat Kung Fu Girls, dat ook als een potentiële single klinkt. Op het malle The Attack of the Giant Ants hoor je niet alleen de invloed van B-films, maar ook die van de zomerse Caribische sferen waarmee ze enkele jaren later hits zouden scoren.
Eveneens door anderen genoemd is dat toetsenist Jimmy Destri veel ruimte kreeg, zoals in het verrassende Rifle Range waarin een hammondorgeltje danst. Onderschat echter niet het gitaarwerk van Chris Stein, die weliswaar lager in de mix zit maar lekkere partijen speelt, zoals in Rip Her to Shreds en het al genoemde Kung Fu Girls.
Fris, radiovriendelijk; retro en toch helemaal New York 1976: deze plaat verdiende indertijd in Nederland veel meer radio-aandacht én meer singles. Wie weet waren ze hier al in '76 met In the Sun doorgebroken...
De band klinkt hier niet wild en gevaarlijk, alleen maar omdat ze vaak speelden in club CBGB in New York, waarover je "gevaarlijke verhalen" las en hoorde; zo dacht deze kaaskop ooit... Wél klinkt een directe en transparante sound, heel anders dan de warmwollige productie die een beginnend puber als ik in 1976 meestal op de radio hoorde.
Hierboven noemden MuMensen al de sixtiesinvloeden. Dankzij de productie van Richard Gottehrer klinkt het debuut altijd fris, al is het me soms teveel: Little Girl Lies en vooral In the Flesh staan wel heel erg in de traditie van de jaren '60-meidengroepen. Maar de melodieën in Look Good in Blue en met name In the Sun met z'n snelle intro op de tomdrums smaken juist heel goed. Vreemd dat die niet bij ons op single verschenen, ik was er zeker voor gevallen! Ook A Shark in Jets Clothing had in '76/'77 mijn aandacht getrokken met zijn heerlijke toetsenpartijen en sterke melodie. Of wat te denken van de felle albumopener X Offender? Hier hoor ik toch een CBGB-sfeertje.
Dat de B-kant opent met het reggae-achtige Man Overboard en past naadloos bij diverse Britse newwavers die gelijktijdig aan het begin van hun platencarrière stonden. Iets verderop staat Kung Fu Girls, dat ook als een potentiële single klinkt. Op het malle The Attack of the Giant Ants hoor je niet alleen de invloed van B-films, maar ook die van de zomerse Caribische sferen waarmee ze enkele jaren later hits zouden scoren.
Eveneens door anderen genoemd is dat toetsenist Jimmy Destri veel ruimte kreeg, zoals in het verrassende Rifle Range waarin een hammondorgeltje danst. Onderschat echter niet het gitaarwerk van Chris Stein, die weliswaar lager in de mix zit maar lekkere partijen speelt, zoals in Rip Her to Shreds en het al genoemde Kung Fu Girls.
Fris, radiovriendelijk; retro en toch helemaal New York 1976: deze plaat verdiende indertijd in Nederland veel meer radio-aandacht én meer singles. Wie weet waren ze hier al in '76 met In the Sun doorgebroken...
Blondie - Eat to the Beat (1979)

4,0
1
geplaatst: 14 maart 2022, 21:03 uur
In Nederland was Eat to the Beat het derde hitalbum van Blondie. Hiervan had ik indertijd het beeld dat de band steeds meer richting disco opschoof: de helft van de twee hits van deze plaat zat in dit genre. Dreaming haalde in oktober 1979 #12 in de Nationale Hitparade en Atomic #17 in april 1980.
Dat beeld klopte dus niet, ontdekte ik de voorbije dagen. Om te beginnen het feit dat beide plaatkanten zes songs bevatten, die logischerwijze niet al te lang duren. Op de A-kant kom ik alleen maar frisse new wave tegen, de ene song nog sterker dan de ander. Union City Blue, Shayla en Accidents Never Happen zijn voor mij de grootste uitschieters. Sterke ingrediënten zijn de altijd drukke drummer Clem Burke, de vooral uptempo songs, de pakkende gitaar- en toetsenpartijen en uiteraard de zwoele zang van Deborah Harry; maar onderschat dit katje niet!
De B-kant is gereserveerd voor muzikale zijstapjes, wat ik indertijd minder gewaardeerd zou hebben dan nu. Reggae klinkt in Die Young Stay Pretty, jaren ’60 in Slow Motion, de disco van Atomic, het schattige slaapliedje Sound-a-Sleep, het punky Victor dat door het mannenkoor aan Lene Lovich doet denken en dan toch nog een keer de wave van de A-kant in slotlied Living in the Real World.
De band was in die dagen één van de namen waarmee tijdschrift Muziek Expres zichzelf verkocht; ik kocht die af en toe en meestal stonden deze New Yorkse hitparadegigantjes er wel in. Commercieel en toch fris & verantwoord: producer Mike Chapman had ’t m weer geflikt. Dat het management slim inhaakte op de opkomende videocliptrend heeft zéker geholpen.
Eén van de opwindendste bands van die dagen met bovendien keer op keer aansluiting bij een jong hitparadepubliek. De houdbaarheid blijkt bovendien onbeperkt, zelfs na ruim veertig jaar.
Dat beeld klopte dus niet, ontdekte ik de voorbije dagen. Om te beginnen het feit dat beide plaatkanten zes songs bevatten, die logischerwijze niet al te lang duren. Op de A-kant kom ik alleen maar frisse new wave tegen, de ene song nog sterker dan de ander. Union City Blue, Shayla en Accidents Never Happen zijn voor mij de grootste uitschieters. Sterke ingrediënten zijn de altijd drukke drummer Clem Burke, de vooral uptempo songs, de pakkende gitaar- en toetsenpartijen en uiteraard de zwoele zang van Deborah Harry; maar onderschat dit katje niet!
De B-kant is gereserveerd voor muzikale zijstapjes, wat ik indertijd minder gewaardeerd zou hebben dan nu. Reggae klinkt in Die Young Stay Pretty, jaren ’60 in Slow Motion, de disco van Atomic, het schattige slaapliedje Sound-a-Sleep, het punky Victor dat door het mannenkoor aan Lene Lovich doet denken en dan toch nog een keer de wave van de A-kant in slotlied Living in the Real World.
De band was in die dagen één van de namen waarmee tijdschrift Muziek Expres zichzelf verkocht; ik kocht die af en toe en meestal stonden deze New Yorkse hitparadegigantjes er wel in. Commercieel en toch fris & verantwoord: producer Mike Chapman had ’t m weer geflikt. Dat het management slim inhaakte op de opkomende videocliptrend heeft zéker geholpen.
Eén van de opwindendste bands van die dagen met bovendien keer op keer aansluiting bij een jong hitparadepubliek. De houdbaarheid blijkt bovendien onbeperkt, zelfs na ruim veertig jaar.
Blondie - Parallel Lines (1978)

4,5
0
geplaatst: 11 januari 2022, 17:25 uur
Aangespoord door Roxy6, de beschouwing van psychonaatje van bijna zestien jaar geleden en vooral mijn nieuwsgierigheid heb ik de voorbije dagen na Plastic Letters die andere PL-titel van Blondie gedraaid.
Ik leerde ze als jonge tiener kennen van de rij hits die ik op de radio hoorde, waar ze in 1978 dé vertegenwoordiger van new wave in de hitlijsten werden. Na twee grote hits in de eerste helft van ’78 volgde al in september de volgende.
Dankzij I’m Gonna Love You Too, hun derde top 10-hit op rij en ditmaal afkomstig van het altijd cruciale derde album, waren de voortekenen goed. Ik zag deze vaste gasten bij TopPop, waar de volgende hit Sunday Girl vanaf november was te zien. Let wel, Nederland had nog maar twee tv-kanalen, de invloed van zo’n show was dus veel groter dan je je nu kunt indenken. Hun vierde hit in één jaar, zij het dat ie in de Nationale Hitparade “slechts” #13 haalde, maar ik herinner me dat ie vaak klonk bij de radio-dj’s.
Dat gold helemaal voor de derde single van Parallel Lines, Heart of Glass. Ik vond ‘m nogal mak. Tja, disco, niet mijn favoriete genre, maar nadat Saturday Night Fever in ’77 zo’n megasucces was en zelfs de Rolling Stones met Miss You uit dit genre snaaiden, was het onontkoombaar. In maart ’79 haalde Blondie-goes-disco #8 in de Nationale Hitparade. Op Hilversum 3 hoorde je de single continu, juist ook bij AVRO, TROS en NCRV, die commerciëler draaiden. In juni haalde de naar mijn smaak leukste Blondiesingle ooit slechts #20. Op Hanging on the Telephone klonk sterk gekruide new wave, de ideale popsong.
De algemene opinie op MuMe klopt: dit album is beter dan de voorganger, die al goed was. Zwakke songs staan er niet op en met alle variatie is er toch dezelfde energie. Nauwkeurig luisteren leert dat de details overal kloppen. Zo zingt Harry zowel krachtiger (zoals op One Way or Another, die ik indertijd ook op radio hoorde) áls veelzijdiger (kopstem in Heart of Glass). De reggae aan het einde van Fade Away and Radiate, oef, hoe fijn!
Clem Burke slaat wederom druk om zich heen met talrijke breaks en fills. Hij eindigt de plaat zelfs met een minidrumsolo, waar het standaard rockslotakkoord gelukkig ontbreekt.
Eerdere bijdragen op MuMe gingen over de BBC-documentaire, die je tegenwoordig hier kunt vinden. Daarin wordt beweerd dat dit album een stap verder van punk was. Dat betwist ik, afgezien van de disco van Heart of Glass. New wave is immers volop aanwezig: uptempo songs overheersen, solo’s ontbreken bijna geheel, de gitaren zitten vooraan in de mix en de toetsen dansen vrolijk.
Over producer Mike Chapman ontdekte ik als prille radiofan dat hij vóór mijn tijd glitterrock had gedaan. Ik kende zijn naam ook van een favoriete band van 1977: Smokie! In de docu leer ik meer. Eerlijk vertellen de bandleden van Blondie over hun aanvankelijke onvrede met zijn perfectionisme én dat Chapman het ‘m vervolgens flikte: de band naar een hoger niveau tillen.
Eerlijke, creatieve wave, heerlijk album. T.z.t. beschrijf ik meer werk van de band, heerlijk om dat zovele jaren later alsnog te ontdekken!
Ik leerde ze als jonge tiener kennen van de rij hits die ik op de radio hoorde, waar ze in 1978 dé vertegenwoordiger van new wave in de hitlijsten werden. Na twee grote hits in de eerste helft van ’78 volgde al in september de volgende.
Dankzij I’m Gonna Love You Too, hun derde top 10-hit op rij en ditmaal afkomstig van het altijd cruciale derde album, waren de voortekenen goed. Ik zag deze vaste gasten bij TopPop, waar de volgende hit Sunday Girl vanaf november was te zien. Let wel, Nederland had nog maar twee tv-kanalen, de invloed van zo’n show was dus veel groter dan je je nu kunt indenken. Hun vierde hit in één jaar, zij het dat ie in de Nationale Hitparade “slechts” #13 haalde, maar ik herinner me dat ie vaak klonk bij de radio-dj’s.
Dat gold helemaal voor de derde single van Parallel Lines, Heart of Glass. Ik vond ‘m nogal mak. Tja, disco, niet mijn favoriete genre, maar nadat Saturday Night Fever in ’77 zo’n megasucces was en zelfs de Rolling Stones met Miss You uit dit genre snaaiden, was het onontkoombaar. In maart ’79 haalde Blondie-goes-disco #8 in de Nationale Hitparade. Op Hilversum 3 hoorde je de single continu, juist ook bij AVRO, TROS en NCRV, die commerciëler draaiden. In juni haalde de naar mijn smaak leukste Blondiesingle ooit slechts #20. Op Hanging on the Telephone klonk sterk gekruide new wave, de ideale popsong.
De algemene opinie op MuMe klopt: dit album is beter dan de voorganger, die al goed was. Zwakke songs staan er niet op en met alle variatie is er toch dezelfde energie. Nauwkeurig luisteren leert dat de details overal kloppen. Zo zingt Harry zowel krachtiger (zoals op One Way or Another, die ik indertijd ook op radio hoorde) áls veelzijdiger (kopstem in Heart of Glass). De reggae aan het einde van Fade Away and Radiate, oef, hoe fijn!
Clem Burke slaat wederom druk om zich heen met talrijke breaks en fills. Hij eindigt de plaat zelfs met een minidrumsolo, waar het standaard rockslotakkoord gelukkig ontbreekt.
Eerdere bijdragen op MuMe gingen over de BBC-documentaire, die je tegenwoordig hier kunt vinden. Daarin wordt beweerd dat dit album een stap verder van punk was. Dat betwist ik, afgezien van de disco van Heart of Glass. New wave is immers volop aanwezig: uptempo songs overheersen, solo’s ontbreken bijna geheel, de gitaren zitten vooraan in de mix en de toetsen dansen vrolijk.
Over producer Mike Chapman ontdekte ik als prille radiofan dat hij vóór mijn tijd glitterrock had gedaan. Ik kende zijn naam ook van een favoriete band van 1977: Smokie! In de docu leer ik meer. Eerlijk vertellen de bandleden van Blondie over hun aanvankelijke onvrede met zijn perfectionisme én dat Chapman het ‘m vervolgens flikte: de band naar een hoger niveau tillen.
Eerlijke, creatieve wave, heerlijk album. T.z.t. beschrijf ik meer werk van de band, heerlijk om dat zovele jaren later alsnog te ontdekken!
