Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Bel 80 - 1980 (2005)
Alternatieve titel: Het Beste Uit de Belpop van 1980

1
geplaatst: 15 juni 2025, 23:05 uur
Op reis door de new wave van 1980 reis ik van de EP met de bijnaam Yellow van het Engelse Gang of Four naar de single Pick It Up van The Employees. Die hoorde je destijds op de Nederlandse radio, waarbij ik me herinnerde dat The Employees uit Nederland kwamen. FOUT. Hartstikke uit België.
Uiterst aanstekelijke ska, vrolijk, pakkend, in staat om de grootste chagrijn een glimlach op de lippen te toveren. Het haalde begin november '80 zijn hoogste positie in de Tipparade van Veronica: #19. Eén plaats hoger stond die week Baggy Trousers van Madness en wie weet waarom die drollenvangersbroeken wél een grote hit werden en het pareltje van The Employees niet, mag het zeggen. De nummers doen niet voor elkaar onder.
Ik ontdekte dat Pick It Up vrij moeilijk te vinden is; het duurde enige tijd voordat ik verzamelaar Bel 80 ontdekte. Pas twee jaar na de radiohit verscheen hun albumdebuut, The Employees geheten. Daarop ontbreekt dit liedje. Sterker nog, het nummer is, voor zover ik kan nagaan, nooit op een album van The Employees gekomen; niet als bonus bij een regulier album en evenmin op een compilatie.
Op oudjaarsdag 2008 postte freddze een helder nummer-na-nummer-overzicht van deze compilatie, waaruit blijkt dat er meer wave uit België kwam in die dagen. Toch is het slechts het liedje van The Employees dat - weliswaar bescheiden - de weg naar de Nederlandse hitlijsten vond, uitgezonderd het slotlied van Raymond Van Het Groenewoud natuurlijk. De naam van groepslid Kloot Per W (Claude Perwez) is er eentje waarover ik weleens las (Oor?); dat hij deel uitmaakte van The Employees was mij onbekend.
Mijn reis door new wave vervolgt bij een groep waarbij ik voor het eerst het volle, geliktere geluid van jaren '80 new wave hoor: op naar The Teardrop Explodes en hun debuut Kilimanjaro.
Uiterst aanstekelijke ska, vrolijk, pakkend, in staat om de grootste chagrijn een glimlach op de lippen te toveren. Het haalde begin november '80 zijn hoogste positie in de Tipparade van Veronica: #19. Eén plaats hoger stond die week Baggy Trousers van Madness en wie weet waarom die drollenvangersbroeken wél een grote hit werden en het pareltje van The Employees niet, mag het zeggen. De nummers doen niet voor elkaar onder.
Ik ontdekte dat Pick It Up vrij moeilijk te vinden is; het duurde enige tijd voordat ik verzamelaar Bel 80 ontdekte. Pas twee jaar na de radiohit verscheen hun albumdebuut, The Employees geheten. Daarop ontbreekt dit liedje. Sterker nog, het nummer is, voor zover ik kan nagaan, nooit op een album van The Employees gekomen; niet als bonus bij een regulier album en evenmin op een compilatie.
Op oudjaarsdag 2008 postte freddze een helder nummer-na-nummer-overzicht van deze compilatie, waaruit blijkt dat er meer wave uit België kwam in die dagen. Toch is het slechts het liedje van The Employees dat - weliswaar bescheiden - de weg naar de Nederlandse hitlijsten vond, uitgezonderd het slotlied van Raymond Van Het Groenewoud natuurlijk. De naam van groepslid Kloot Per W (Claude Perwez) is er eentje waarover ik weleens las (Oor?); dat hij deel uitmaakte van The Employees was mij onbekend.
Mijn reis door new wave vervolgt bij een groep waarbij ik voor het eerst het volle, geliktere geluid van jaren '80 new wave hoor: op naar The Teardrop Explodes en hun debuut Kilimanjaro.
Bernie Marsden - And About Time, Too! (1979)

3,5
0
geplaatst: 27 december 2023, 17:55 uur
Ambachtelijk gemaakte poprock anno 1979 met de popflair van een Leo Sayer en een interessante gitaarlaag, vergelijkbaar met iemand als Phil Keaggy. Bernie Marsdens lichte zang is vrij licht, vandaar dat ik aan Sayer moest denken. Geschikt voor radio van rond 1980, ik fantaseer de knusse presentatiestem van radio-dj Tom Mulder erbij...
Ik kom bij And About Time Too al lezende in de autobiografie van de dit jaar overleden Marsden, getiteld Where's My Guitar? (2020). Ten tijde van de opnamen was hij lid van Whitesnake, dat nog maar kort bezig was aan zijn langzame opmars naar de (hard)rocktop. Het album ontstond rond dezelfde periode als hun Lovehunter.
Verwacht juist daarom géén heavy rock: die reserveerde Marsden voor David Coverdale. Hij groeide op met merseybeat en The Hollies om later de blues te ontdekken. Hier is het vooral zijn popkant die hij tentoonspreidt.
Behalve zingen en gitaarspelen kon de man ook liedjes schrijven. Hij had ze evengoed kunnen leveren aan grote popzangers uit die periode, van Rod Stewart tot Cliff Richard. Ze staan vooral op de eerste helft: opener You're the One met zijn funk en warme koortjes, Love Made a Fool of Me met huppelende baslijn van Neil Murray en pakkend hoog refrein en Here We Go Again (een heel ander nummer dan Whitesnakes Here I Go Again). Melancholie is er in Still the Same, met een openingsakkoord waarbij ik aan de Cure denk en een prachtige gitaarsolo; de laatste edelpop klinkt in het ietwat rockende Sad Clown, dat de B-kant opent.
Soms laat Marsden de gitarist in zich los. Hierbij geen snarenracerij, waar hij sowieso niet van was. Het instrumentale Song for Fran, geschreven voor zijn vrouw heeft een pakkende gitaarmelodie, met het eveneens zangloze Brief Encounter verruilt hij pop voor lichte blues, waarbij ik aan Thin Lizzy en Gary Moore moet denken.
Via Are You Ready volgt het stevigste nummer tot dan toe. De boogierock met een dominante rol voor het koortje van Doreen en Irene Chanter neigt naar de twee soloalbums die David Coverdale vóór Whitesnake maakte.
Head the Ball sluit de originele elpee af en is het derde instrumentale nummer. Nu klinkt stevige fusion alsof we bij Colosseum II zijn beland. Een buitenbeentje op de plaat en toch logisch: bij de schrijfcredits staat naast Marsden toetsenist Don Airey vermeld, ex-lid van die groep.
Met die gastrol moeten ook de namen van de gastmusici worden genoemd. Drummers Ian Paice, Cozy Powell en Simon Phillips; op bas Neil Murray en Marsdens jeugdheld Jack Bruce; op toetsen naast Airey ook Jon Lord. Vaak afkomstig uit de kringen van (ex-)Deep Purple hadden ze er hoorbaar plezier in. Het album verscheen echter bij Parlophone en niet bij Purple Records. De productie werd gedaan door Martin Birch.
Bij de schrijfcredits kom je op sommige edities de naam Bobby Dazzler tegen. Marsden vertelt dat dit David Coverdale is. Deze nummers (track 1 en 3 - 5) werden geschreven voor Whitesnakes Lovehunter maar haalden dat album niet.
In 2000 verscheen de plaat voor het eerst op cd, alsnog bij Purple. Hierop staat als bonustrack het door Marsden geleverde en gezongen You and Me, al in '79 op Lovehunter te vinden als You 'n' Me. Op die editie ook livebonussen Who's Fooling Who met Coverdale als tweede zanger en Shakey Ground.
And About Time Too miste net als al zijn andere soloplaten de albumlijsten. Totdat er de week vóór Kerstmis '23 wel enig albumsucces voor Marsden kwam met het postuum uitgebrachte Working Man. Een album dat steviger is dan And About Time Too, al laat Marsden op dit solodebuut richting het einde iets meer de teugels los. De muziek is als zijn stem: niet opzienbarend, wel aangenaam.
Ik kom bij And About Time Too al lezende in de autobiografie van de dit jaar overleden Marsden, getiteld Where's My Guitar? (2020). Ten tijde van de opnamen was hij lid van Whitesnake, dat nog maar kort bezig was aan zijn langzame opmars naar de (hard)rocktop. Het album ontstond rond dezelfde periode als hun Lovehunter.
Verwacht juist daarom géén heavy rock: die reserveerde Marsden voor David Coverdale. Hij groeide op met merseybeat en The Hollies om later de blues te ontdekken. Hier is het vooral zijn popkant die hij tentoonspreidt.
Behalve zingen en gitaarspelen kon de man ook liedjes schrijven. Hij had ze evengoed kunnen leveren aan grote popzangers uit die periode, van Rod Stewart tot Cliff Richard. Ze staan vooral op de eerste helft: opener You're the One met zijn funk en warme koortjes, Love Made a Fool of Me met huppelende baslijn van Neil Murray en pakkend hoog refrein en Here We Go Again (een heel ander nummer dan Whitesnakes Here I Go Again). Melancholie is er in Still the Same, met een openingsakkoord waarbij ik aan de Cure denk en een prachtige gitaarsolo; de laatste edelpop klinkt in het ietwat rockende Sad Clown, dat de B-kant opent.
Soms laat Marsden de gitarist in zich los. Hierbij geen snarenracerij, waar hij sowieso niet van was. Het instrumentale Song for Fran, geschreven voor zijn vrouw heeft een pakkende gitaarmelodie, met het eveneens zangloze Brief Encounter verruilt hij pop voor lichte blues, waarbij ik aan Thin Lizzy en Gary Moore moet denken.
Via Are You Ready volgt het stevigste nummer tot dan toe. De boogierock met een dominante rol voor het koortje van Doreen en Irene Chanter neigt naar de twee soloalbums die David Coverdale vóór Whitesnake maakte.
Head the Ball sluit de originele elpee af en is het derde instrumentale nummer. Nu klinkt stevige fusion alsof we bij Colosseum II zijn beland. Een buitenbeentje op de plaat en toch logisch: bij de schrijfcredits staat naast Marsden toetsenist Don Airey vermeld, ex-lid van die groep.
Met die gastrol moeten ook de namen van de gastmusici worden genoemd. Drummers Ian Paice, Cozy Powell en Simon Phillips; op bas Neil Murray en Marsdens jeugdheld Jack Bruce; op toetsen naast Airey ook Jon Lord. Vaak afkomstig uit de kringen van (ex-)Deep Purple hadden ze er hoorbaar plezier in. Het album verscheen echter bij Parlophone en niet bij Purple Records. De productie werd gedaan door Martin Birch.
Bij de schrijfcredits kom je op sommige edities de naam Bobby Dazzler tegen. Marsden vertelt dat dit David Coverdale is. Deze nummers (track 1 en 3 - 5) werden geschreven voor Whitesnakes Lovehunter maar haalden dat album niet.
In 2000 verscheen de plaat voor het eerst op cd, alsnog bij Purple. Hierop staat als bonustrack het door Marsden geleverde en gezongen You and Me, al in '79 op Lovehunter te vinden als You 'n' Me. Op die editie ook livebonussen Who's Fooling Who met Coverdale als tweede zanger en Shakey Ground.
And About Time Too miste net als al zijn andere soloplaten de albumlijsten. Totdat er de week vóór Kerstmis '23 wel enig albumsucces voor Marsden kwam met het postuum uitgebrachte Working Man. Een album dat steviger is dan And About Time Too, al laat Marsden op dit solodebuut richting het einde iets meer de teugels los. De muziek is als zijn stem: niet opzienbarend, wel aangenaam.
Bernie Marsden - Chess (2021)

3,0
0
geplaatst: 15 januari 2024, 13:20 uur
Ik leerde de blues kennen als piepjong pubertje via de muziek van Status Quo en AC/DC. Een ware bluesfan werd ik nooit en het is daarom dat Chess, het tweede bluescoveralbum van Bernie Marsden uit 2021, mij beter bevalt dan voorganger Kings. Hij pakt het op deel 2 van deze "Inspirations" namelijk iets minder puur aan met muziek afkomstig van het legendarische label Chess. Getuige dit interview bij het Griekse magazine Rock Pages nam hij het op vóór Kings.
Het zit 'm in de scheurende shuffle van opener Just Your Fool van Little Walter met scheurende mondharmonica (Alan Glen), wat wordt overtroffen door de cover van Chuck Berry's Back in the USA.
De start is daarmee steviger en bovendien minder puur qua blues, wat goed bevalt. Hierna wordt het alsnog wat rustiger en langzamer, al is You Can't Judge a Book lekker vlot. Met de twee instrumentale slotnummers echter, eigen composities van Marsden, laat hij vooral horen hoe lekker hij gitaar kon spelen, meer dan op covers.
Kon ik op de voorganger de naam van de pianist/toetsenist niet vinden, op dit album blijkt dat Bob Haddrell te zijn geweest en hij is waarschijnlijk ook degene die te horen is op deel 1 van deze drie bluesalbums. Drie? Ja, want met een hoes in dezelfde stijl volgde in 2022 Trios.
In 2020 verscheen Marsdens autobiografie Where's My Guitar, in mei 2021 werd hij hierover geïnterviewd in vlog Word in Your Ear. Leuk interview, al mag je van deze muziekmannen verwachten dat ze de audio voor gesproken woord beter op orde hadden gehad dan het dunne laptopgeluid dat wordt geserveerd.
Chess bevalt mij net wat beter dan Kings en krijgt daarom een dikke drie sterren.
Het zit 'm in de scheurende shuffle van opener Just Your Fool van Little Walter met scheurende mondharmonica (Alan Glen), wat wordt overtroffen door de cover van Chuck Berry's Back in the USA.
De start is daarmee steviger en bovendien minder puur qua blues, wat goed bevalt. Hierna wordt het alsnog wat rustiger en langzamer, al is You Can't Judge a Book lekker vlot. Met de twee instrumentale slotnummers echter, eigen composities van Marsden, laat hij vooral horen hoe lekker hij gitaar kon spelen, meer dan op covers.
Kon ik op de voorganger de naam van de pianist/toetsenist niet vinden, op dit album blijkt dat Bob Haddrell te zijn geweest en hij is waarschijnlijk ook degene die te horen is op deel 1 van deze drie bluesalbums. Drie? Ja, want met een hoes in dezelfde stijl volgde in 2022 Trios.
In 2020 verscheen Marsdens autobiografie Where's My Guitar, in mei 2021 werd hij hierover geïnterviewd in vlog Word in Your Ear. Leuk interview, al mag je van deze muziekmannen verwachten dat ze de audio voor gesproken woord beter op orde hadden gehad dan het dunne laptopgeluid dat wordt geserveerd.
Chess bevalt mij net wat beter dan Kings en krijgt daarom een dikke drie sterren.
Bernie Marsden - Green and Blues (1995)

3,0
0
geplaatst: 9 januari 2024, 18:34 uur
Blues and Green is Bernie Marsdens ode aan John Mayall's Blues Breakers en dan vooral drie gitaristen die daarin voorbij kwamen: Eric Clapton, Peter Green en Mick Taylor.
Opvallend hoe de carrière van Marsden parallel liep aan die van Gary Moore. Beiden hebben hun wortels in de blues, om met hardrock door te breken en in de jaren '90 terug te keren naar hun eerste liefde. Alhoewel, Marsden was eigenlijk in eerste instantie onder de indruk van de beatgolf en ontdekte pas daarna de blues. Dat laatste genre domineerde evenwel zijn speelstijl.
Hij gebruikte ook blazers: de Midnight Horns, die tegelijkertijd met Gary Moore opnamen. Toen die het bericht vernam dat Marsden bezig was met een album vol muziek van Peter Green, nam deze in korte tijd Blues for Greeny op en bracht dat uit voordat Marsden toe was aan het uitbrengen van zijn Green and Blues.
Marsden had er geen problemen mee; sterker nog, hij besloot te wachten met zijn album, zodat de twee elkaar niet in de weg zouden zitten. Niet veel later zouden ze met veel plezier samenspelen op een festival in het Noorse dorp Hell, onder toeziend oog van Green. Geen concurrenten maar bluesbroeders.

Het album is dus goed vergelijkbaar met het veel bekendere Blues for Greeny en doet daar niet voor onder. Omdat ik geen bluespurist ben, is het wat minder geschikt voor mij. Wel leuk is dat we gitarist Micky Moody tegenkomen, net als Marsden ex-Whitesnake.
Mijn favorieten zijn het met vette slidegitaar ingezette My Heart Beats like a Hammer (dankzij Moody!), het dromerige en instrumentale The Supernatural met passende toetsensferen van Josh Phillips en het vriendelijke, in jaren '60-sfeer gedrenkte Man of the World dat het album afsluit.
Voor het overige klinkt traditionele blues van hoge kwaliteit, geschikt voor de liefhebber van het genre. Of vinden ze de zang van Marsden wellicht te braaf hiervoor?
Opvallend hoe de carrière van Marsden parallel liep aan die van Gary Moore. Beiden hebben hun wortels in de blues, om met hardrock door te breken en in de jaren '90 terug te keren naar hun eerste liefde. Alhoewel, Marsden was eigenlijk in eerste instantie onder de indruk van de beatgolf en ontdekte pas daarna de blues. Dat laatste genre domineerde evenwel zijn speelstijl.
Hij gebruikte ook blazers: de Midnight Horns, die tegelijkertijd met Gary Moore opnamen. Toen die het bericht vernam dat Marsden bezig was met een album vol muziek van Peter Green, nam deze in korte tijd Blues for Greeny op en bracht dat uit voordat Marsden toe was aan het uitbrengen van zijn Green and Blues.
Marsden had er geen problemen mee; sterker nog, hij besloot te wachten met zijn album, zodat de twee elkaar niet in de weg zouden zitten. Niet veel later zouden ze met veel plezier samenspelen op een festival in het Noorse dorp Hell, onder toeziend oog van Green. Geen concurrenten maar bluesbroeders.

Het album is dus goed vergelijkbaar met het veel bekendere Blues for Greeny en doet daar niet voor onder. Omdat ik geen bluespurist ben, is het wat minder geschikt voor mij. Wel leuk is dat we gitarist Micky Moody tegenkomen, net als Marsden ex-Whitesnake.
Mijn favorieten zijn het met vette slidegitaar ingezette My Heart Beats like a Hammer (dankzij Moody!), het dromerige en instrumentale The Supernatural met passende toetsensferen van Josh Phillips en het vriendelijke, in jaren '60-sfeer gedrenkte Man of the World dat het album afsluit.
Voor het overige klinkt traditionele blues van hoge kwaliteit, geschikt voor de liefhebber van het genre. Of vinden ze de zang van Marsden wellicht te braaf hiervoor?
Bernie Marsden - Icons (2025)

4,0
0
geplaatst: 16 mei 2025, 17:32 uur
Een leeswaarschuwing! Hieronder een beschrijving van de nieuwe Bernie Marsden, de bluesgitarist pur sang die in de eerste jaren van Whitesnake hielp om die groep op de kaart te zetten. Postuum uitgegeven, hij overleed in 2023.
Icons is een heerlijk album met blues(rock)covers, maar vermijd de tracklist en luister vooral eerst zelf. Laat je verrassen! Lees pas daarna welke nummers je zult tegenkomen en de spoilers van luisteraars als ik, elders en hieronder.
Verschenen op 9 mei bij zijn eigen Little House Music, het vierde album in de reeks ‘Inspirations’. De titel Icons hint er al op dat hier sprake is van odes aan de groten in Marsdens muzikale wereld. Rory Gallagher, Jimi Hendrix en het Fleetwood Mac met gitarist Peter Green bijvoorbeeld. Bij elkaar één grote ode aan de blues, al zijn er met bijvoorbeeld Jessica (mét viool!) van The Allman Brothers en zijn eigen compositie, afsluiter Barford Blues, kleine uitstapjes naar het land van rock.
Marsden zong op de meeste nummers en hield het soms instrumentaal. Meestal elektrisch, soms akoestisch en altijd ontspannen biedt hij een fraaie samenvatting van het genre. Dit op een wijze die enerzijds geschikt is als laatavondplaat en anderzijds aangenaam terwijl je aan een ingewikkelde klus werkt.
Ja, die Marsden was een klasbak. Aanbevolen voor bluesfans; wie harde rock in de stijl van Whitesnake verwacht, zal bedrogen uitkomen.
Icons is een heerlijk album met blues(rock)covers, maar vermijd de tracklist en luister vooral eerst zelf. Laat je verrassen! Lees pas daarna welke nummers je zult tegenkomen en de spoilers van luisteraars als ik, elders en hieronder.
Verschenen op 9 mei bij zijn eigen Little House Music, het vierde album in de reeks ‘Inspirations’. De titel Icons hint er al op dat hier sprake is van odes aan de groten in Marsdens muzikale wereld. Rory Gallagher, Jimi Hendrix en het Fleetwood Mac met gitarist Peter Green bijvoorbeeld. Bij elkaar één grote ode aan de blues, al zijn er met bijvoorbeeld Jessica (mét viool!) van The Allman Brothers en zijn eigen compositie, afsluiter Barford Blues, kleine uitstapjes naar het land van rock.
Marsden zong op de meeste nummers en hield het soms instrumentaal. Meestal elektrisch, soms akoestisch en altijd ontspannen biedt hij een fraaie samenvatting van het genre. Dit op een wijze die enerzijds geschikt is als laatavondplaat en anderzijds aangenaam terwijl je aan een ingewikkelde klus werkt.
Ja, die Marsden was een klasbak. Aanbevolen voor bluesfans; wie harde rock in de stijl van Whitesnake verwacht, zal bedrogen uitkomen.
Bernie Marsden - Kings (2021)

3,0
0
geplaatst: 14 januari 2024, 22:50 uur
Bernie Marsden was in de laatste fase van zijn leven productief qua studioalbums. Wellicht omdat de coronalockdowns concerten verhinderden?
Hier eert hij drie koningen; niet die van het kerstverhaal maar Albert King, B.B. King en Freddie King. Nummers door hen bekend gemaakt, niet per se door hen geschreven. Als liedschrijvers komen we tweemaal de namen van Leon Russell en Don Nix tegen.
Verder in de band: bassist John Gordon, drummer Jim Russell (o.a. bekend van synthpopgroep (!) The Human League en Graham Parker & The Goldtops), waarbij een anonieme pianist/organist zich verdienstelijk laat horen. Heel soms is daar de mondharmonica van Alan Glen.
Een coveralbum voor liefhebbers van de pure elektrische blues dus, wat mijn magere drie sterren verklaart: ik vind het al snel saai worden. Laat onverlet Marsdens klasse als gitarist, al is hij op de zes snaren beter dan als blueszanger. Toch is Kings hoorbaar met liefde door profs gemaakt, met als mogelijk nadeel dat liefhebbers van de originelen zijn vocalen wellicht te glad vinden.
Het album sluit af met twee korte instrumentale nummers, eigen composities van de Brit. In dit interview gaf hij toelichting.
Hier eert hij drie koningen; niet die van het kerstverhaal maar Albert King, B.B. King en Freddie King. Nummers door hen bekend gemaakt, niet per se door hen geschreven. Als liedschrijvers komen we tweemaal de namen van Leon Russell en Don Nix tegen.
Verder in de band: bassist John Gordon, drummer Jim Russell (o.a. bekend van synthpopgroep (!) The Human League en Graham Parker & The Goldtops), waarbij een anonieme pianist/organist zich verdienstelijk laat horen. Heel soms is daar de mondharmonica van Alan Glen.
Een coveralbum voor liefhebbers van de pure elektrische blues dus, wat mijn magere drie sterren verklaart: ik vind het al snel saai worden. Laat onverlet Marsdens klasse als gitarist, al is hij op de zes snaren beter dan als blueszanger. Toch is Kings hoorbaar met liefde door profs gemaakt, met als mogelijk nadeel dat liefhebbers van de originelen zijn vocalen wellicht te glad vinden.
Het album sluit af met twee korte instrumentale nummers, eigen composities van de Brit. In dit interview gaf hij toelichting.
Bernie Marsden - Look at Me Now (1981)

3,5
2
geplaatst: 31 december 2023, 12:09 uur
In augustus overleed gitarist Bernie Marsden. Als soloartiest niet de meest bekende naam, maar liefhebbers van Whitesnake weten waarschijnlijk meer. Op deze Oudjaarsdag reis ik verder door zijn boek en carrière.
Het tweede soloalbum van Marsden bereikt tot zijn blijde verbazing de Britse albumlijst: twee weken in september 1981 met #71 als hoogste notering. "Suddenly I was a charting solo artist," schrijft hij nog altijd verbaasd in Where's My Guitar? (2020).
Dat Whitesnake met hem in de gelederen tegelijkertijd nieuwe hoogten in hun populariteit bereikte zal ongetwijfeld hebben geholpen, maar er was meer. Liedjes schrijven was zijn andere grote talent. Mede daarom was zijn solodebuut met pakkende poprock maandenlang de bestverkochte Britse importplaat in Japan geweest, gok ik zo.
De bekende namen op de opvolger zullen een extra duwtje aan de verkoopcijfers hebben gegeven. Op het meestal hardrockende Look at Me Now doen namelijk leden van Whitesnake en Rainbow mee: drummers Ian Paice, sessiedrummer Simon Phillips en Marsdens maatje Cozy Powell; bassist Neil Murray en toetsenist Jon Lord.
De bio vertelt meer. Michael Schenker kwam eens kijken en mocht van Marsden meedoen... door in zijn handen te klappen op de boogierock van Who's Fooling Who. Gemiste kans, hier had ik graag een gitaarduet gehoord! Het is wél een zangduet en Marsden wordt weggeblazen door de strot van Doreen Chanter. Want dat is het enige minpunt aan dit plaatje: zijn lichte stem past beter bij popmuziek dan bij rockende gitaren.
David Coverdale had gráág het titelnummer voor Whitesnake gebruikt, maar Marsden weigerde. Niet slim beseft hij achteraf, ongetwijfeld omdat er dan meer royalties waren binnengekomen. Jon Lord had het naar zijn zin en vroeg op zijn beurt Marsden voor soloplaat Before I Forget.
De plaat werd in drie weken opgenomen met producer Guy Bidmead, die een robuuster geluid afleverde dan de knusse jaren '70-sferen van de voorganger. In de tijdsdruk kwam Marsden nog een nummer tekort. Powell stelde Shakey Ground voor van soulgroep The Temptations: het funkuitstapje op Look at Me Now met een toetsenpartij van John Cook (ex-Mungo Jerry). De plaat sluit af met de instrumentale blues van After all the Madness.
In 2000 verscheen bij Purple Records een cd-versie met drie bonusnummers en andere voorzijde plus uitgebreide informatie in het boekje, in 2013 bij Hear No Evil een volgende cd-editie met oorspronkelijke hoes, één bonus en eveneens een achtergrondverhaal.
Al met al een verrassend stevige opvolger met als persoonlijke hoogtepunten het titelnummer, dan het instrumentale, spuitende en in tweeën gedeelde Byblos Shack, het met Murray geschreven Thunder and Lightning wat met zijn spannende gitaarpartijen en dubbele basdrum (Phillips) doet denken aan Emerald van Thin Lizzy; bovendien zijn de koortjes van Doreen en Irene Chanter in Can You Do It? niet te versmaden.
Sterke riffs en composities, niet verrassend voor de man die tevens aan de wieg stond van UFO’s Doctor Doctor. Het enige wat minder bevalt is de lenige maar te keurige stem van Marsden.
En nu is het tijd om oliebollen op te halen en elders af te leveren en u een goede jaarwisseling te wensen. Of, om David Coverdale te citeren: "We wish you well."
Het tweede soloalbum van Marsden bereikt tot zijn blijde verbazing de Britse albumlijst: twee weken in september 1981 met #71 als hoogste notering. "Suddenly I was a charting solo artist," schrijft hij nog altijd verbaasd in Where's My Guitar? (2020).
Dat Whitesnake met hem in de gelederen tegelijkertijd nieuwe hoogten in hun populariteit bereikte zal ongetwijfeld hebben geholpen, maar er was meer. Liedjes schrijven was zijn andere grote talent. Mede daarom was zijn solodebuut met pakkende poprock maandenlang de bestverkochte Britse importplaat in Japan geweest, gok ik zo.
De bekende namen op de opvolger zullen een extra duwtje aan de verkoopcijfers hebben gegeven. Op het meestal hardrockende Look at Me Now doen namelijk leden van Whitesnake en Rainbow mee: drummers Ian Paice, sessiedrummer Simon Phillips en Marsdens maatje Cozy Powell; bassist Neil Murray en toetsenist Jon Lord.
De bio vertelt meer. Michael Schenker kwam eens kijken en mocht van Marsden meedoen... door in zijn handen te klappen op de boogierock van Who's Fooling Who. Gemiste kans, hier had ik graag een gitaarduet gehoord! Het is wél een zangduet en Marsden wordt weggeblazen door de strot van Doreen Chanter. Want dat is het enige minpunt aan dit plaatje: zijn lichte stem past beter bij popmuziek dan bij rockende gitaren.
David Coverdale had gráág het titelnummer voor Whitesnake gebruikt, maar Marsden weigerde. Niet slim beseft hij achteraf, ongetwijfeld omdat er dan meer royalties waren binnengekomen. Jon Lord had het naar zijn zin en vroeg op zijn beurt Marsden voor soloplaat Before I Forget.
De plaat werd in drie weken opgenomen met producer Guy Bidmead, die een robuuster geluid afleverde dan de knusse jaren '70-sferen van de voorganger. In de tijdsdruk kwam Marsden nog een nummer tekort. Powell stelde Shakey Ground voor van soulgroep The Temptations: het funkuitstapje op Look at Me Now met een toetsenpartij van John Cook (ex-Mungo Jerry). De plaat sluit af met de instrumentale blues van After all the Madness.
In 2000 verscheen bij Purple Records een cd-versie met drie bonusnummers en andere voorzijde plus uitgebreide informatie in het boekje, in 2013 bij Hear No Evil een volgende cd-editie met oorspronkelijke hoes, één bonus en eveneens een achtergrondverhaal.
Al met al een verrassend stevige opvolger met als persoonlijke hoogtepunten het titelnummer, dan het instrumentale, spuitende en in tweeën gedeelde Byblos Shack, het met Murray geschreven Thunder and Lightning wat met zijn spannende gitaarpartijen en dubbele basdrum (Phillips) doet denken aan Emerald van Thin Lizzy; bovendien zijn de koortjes van Doreen en Irene Chanter in Can You Do It? niet te versmaden.
Sterke riffs en composities, niet verrassend voor de man die tevens aan de wieg stond van UFO’s Doctor Doctor. Het enige wat minder bevalt is de lenige maar te keurige stem van Marsden.
En nu is het tijd om oliebollen op te halen en elders af te leveren en u een goede jaarwisseling te wensen. Of, om David Coverdale te citeren: "We wish you well."
Bernie Marsden - Shine (2014)

4,0
0
geplaatst: 14 januari 2024, 17:31 uur
Sinds begin december verdiep ik me in de carrière van Bernie Marsden. Niet dat ik veel van hem wist en een grote fan was ik evenmin. De directe reden was zijn overlijden in augustus: een vriend van me kocht daarom diens biografie die ik vervolgens te leen kreeg.
Dus heb ik zijn carrière bij (opsomming in chronologische volgorde) Skinny Cat, Wild Turkey, Babe Ruth, Whitesnake, solo, S.O.S, Alaska, (The) Moody-Marsden (Band), The Snakes, Company of Snakes en M3 voor zover mogelijk beluisterd.
Na zijn vertrek uit Whitesnake in 1982 was ik hem uit het oog & oor verloren. Pas in 2014 kwam daar met dit Shine voorzichtig verandering in. En dan ook alleen maar omdat David Coverdale gastzanger is van een reprise van Whitesnakes Trouble.
Marsden heeft dan zijn solocarrière alweer twaalf jaar nieuw leven ingeblazen, te beginnen met Big Boy Blue. Shine is geen puur bluesalbum, iets wat je bij Marsden-solo zou verwachten. Hij doorloopt de stijlen van zijn verleden, verpakt in nieuwe liedjes, op Trouble na. Daarom klinken op Shine ook adult oriented rock / poprock en hardrock. Het levert onvermijdelijk een afwisselend plaatje op, wat ik liever heb dan slechts blues.
Wat mij betreft de volgende hoogtepunten: de broeierige blues van opener Linin’ Track; aor in Walk Away; boogiehardrock op z’n ZZ Tops in Kinda Wish She Would, een nummer dat eerder op livealbums van hem met Micky Moody verscheen; de moderne productie van klassieker Trouble bevalt mij goed en Coverdales gruizige stem is heerlijk; uptempo hardrock op het titelnummer en bovendien is gitarist Joe Bonamassa te gast, wat Shine nog lekkerder maakt; de shuffle van You Better Run is lekker, sterker nog, had ik voor extra kwaliteit door Coverdale laten inzingen!
Vermeldenswaardig zijn popnummer Who Do We Think We Are? ; de bluesrock van Bad Blood is niet per se opvallend, maar als duet met Cherry Lee Mewis toch aangenaam; de dromerige blues van Dragonfly en akoestische blues van NW8.
Op streaming twee bonussen die volgens mij nooit op geluidsdrager verschenen. Daarbij een instrumentale versie van Shine, wat extra duidelijk maakt hoe lekker het gitaarwerk is.
Een krappe vier sterren voor dit gevarieerde album, liefhebbers van bluesrock zullen er meer voor geven.
Dus heb ik zijn carrière bij (opsomming in chronologische volgorde) Skinny Cat, Wild Turkey, Babe Ruth, Whitesnake, solo, S.O.S, Alaska, (The) Moody-Marsden (Band), The Snakes, Company of Snakes en M3 voor zover mogelijk beluisterd.
Na zijn vertrek uit Whitesnake in 1982 was ik hem uit het oog & oor verloren. Pas in 2014 kwam daar met dit Shine voorzichtig verandering in. En dan ook alleen maar omdat David Coverdale gastzanger is van een reprise van Whitesnakes Trouble.
Marsden heeft dan zijn solocarrière alweer twaalf jaar nieuw leven ingeblazen, te beginnen met Big Boy Blue. Shine is geen puur bluesalbum, iets wat je bij Marsden-solo zou verwachten. Hij doorloopt de stijlen van zijn verleden, verpakt in nieuwe liedjes, op Trouble na. Daarom klinken op Shine ook adult oriented rock / poprock en hardrock. Het levert onvermijdelijk een afwisselend plaatje op, wat ik liever heb dan slechts blues.
Wat mij betreft de volgende hoogtepunten: de broeierige blues van opener Linin’ Track; aor in Walk Away; boogiehardrock op z’n ZZ Tops in Kinda Wish She Would, een nummer dat eerder op livealbums van hem met Micky Moody verscheen; de moderne productie van klassieker Trouble bevalt mij goed en Coverdales gruizige stem is heerlijk; uptempo hardrock op het titelnummer en bovendien is gitarist Joe Bonamassa te gast, wat Shine nog lekkerder maakt; de shuffle van You Better Run is lekker, sterker nog, had ik voor extra kwaliteit door Coverdale laten inzingen!
Vermeldenswaardig zijn popnummer Who Do We Think We Are? ; de bluesrock van Bad Blood is niet per se opvallend, maar als duet met Cherry Lee Mewis toch aangenaam; de dromerige blues van Dragonfly en akoestische blues van NW8.
Op streaming twee bonussen die volgens mij nooit op geluidsdrager verschenen. Daarbij een instrumentale versie van Shine, wat extra duidelijk maakt hoe lekker het gitaarwerk is.
Een krappe vier sterren voor dit gevarieerde album, liefhebbers van bluesrock zullen er meer voor geven.
Bernie Marsden - Trios (2022)

3,5
0
geplaatst: 15 januari 2024, 15:37 uur
Het derde en laatste deel van gitarist Bernie Marsden in de reeks Inspirations van het label Conquest is tevens het stevigste en daarmee bevalt het mij het beste. Hij keert terug naar de dagen van de powertrio's, enkele jaren voordat hij via Whitesnake een bekende naam werd.
Die powertrio's rekten de blues en mogelijkheden van de elektrische gitaar en bijhorende gitaareffecten op, voorbij hetgeen tot dan toe was gedaan. Een veel avontuurlijker reis dan het nogal conservatieve bluesidioom, waar de "kenners" beoordelen of de gespeelde blues wel "echt" is. Witte bluesmannen uit de jaren '90 als Gary Moore en Bernie Marsden halen in hun ogen de lat niet, want het is "veel te glad" of "het mist de blues". Althans, zo kom ik dat regelmatig tegen op MusicMeter.
Uitleg van wat dat gevoel dan behelst, kom ik niet tegen. Of, zoals Bernie Marsden zanger David Coverdale bij Whitesnake liet zingen: "I love the blues, they tell my story. If you don't feel it you will never understand." Maar dat was bepaald géén pure blues en daar voel ik het wel!
Om diezelfde reden voel ik het ook bij Trios, waar ik qua smaak meer mee heb dan met de vorige delen met hun pure blues. Fijn is het bijvoorbeeld om Same Old Story te horen, oorspronkelijk van het Taste van Rory Gallagher. Uitsmijter Na Na Na was in 1974 een hit voor (Cozy Powell's) Hammer, waar Marsden deel van uitmaakte. Het vormt met zijn glamrockstijl een vrolijke uitsmijter op dit album waar verder serieuzer werk klinkt van bijvoorbeeld Peter Green, Jimi Hendrix en Rick Derringer.
Lekker plaatje, aanbevolen voor liefhebbers van gitaarwerk in classic rockstijl.
Die powertrio's rekten de blues en mogelijkheden van de elektrische gitaar en bijhorende gitaareffecten op, voorbij hetgeen tot dan toe was gedaan. Een veel avontuurlijker reis dan het nogal conservatieve bluesidioom, waar de "kenners" beoordelen of de gespeelde blues wel "echt" is. Witte bluesmannen uit de jaren '90 als Gary Moore en Bernie Marsden halen in hun ogen de lat niet, want het is "veel te glad" of "het mist de blues". Althans, zo kom ik dat regelmatig tegen op MusicMeter.
Uitleg van wat dat gevoel dan behelst, kom ik niet tegen. Of, zoals Bernie Marsden zanger David Coverdale bij Whitesnake liet zingen: "I love the blues, they tell my story. If you don't feel it you will never understand." Maar dat was bepaald géén pure blues en daar voel ik het wel!
Om diezelfde reden voel ik het ook bij Trios, waar ik qua smaak meer mee heb dan met de vorige delen met hun pure blues. Fijn is het bijvoorbeeld om Same Old Story te horen, oorspronkelijk van het Taste van Rory Gallagher. Uitsmijter Na Na Na was in 1974 een hit voor (Cozy Powell's) Hammer, waar Marsden deel van uitmaakte. Het vormt met zijn glamrockstijl een vrolijke uitsmijter op dit album waar verder serieuzer werk klinkt van bijvoorbeeld Peter Green, Jimi Hendrix en Rick Derringer.
Lekker plaatje, aanbevolen voor liefhebbers van gitaarwerk in classic rockstijl.
Bernie Marsden - Working Man (2023)

3,5
1
geplaatst: 16 januari 2024, 20:15 uur
In november 2020 berichtte de BBC dat gitarist Bernie Marsden, toen 69 jaar, zijn Marshalls verkocht. Vervolgens verschenen drie bluescoversalbums, waarna hij in augustus 2023 onverwacht overleed, naar in oktober bleek aan bacteriële mengitis, net als Jeff Beck zou zijn overkomen. Kort tevoren had hij een soloalbum met nieuw, eigen werk afgerond.
De hoes van het postuum verschenen Working Man suggereert dat dit opnieuw op Amerikaanse blues gebaseerd is, maar alhoewel die inspiratie regelmatig klinkt slaat Marsden verrassend een andere weg in. Wat volgt is vooral melodieuze poprock in jaren '70-stijl. De gitaar scheurt soms, maar nooit té. In opener Being Famous is het nog "rock 'n' roll time", daarna is het aanmerkelijk ingetogener.
Zijn vrij lichte maar lenige stem past beter bij deze ontspannen aanpak en al helemaal als soms countryrock binnensluipt, zoals in het titelnummer. Daarmee begrijp ik de keuze voor de (fraaie!) hoesfoto beter. De eerste helft wordt sterk afgesloten met het instrumentale gitaarpareltje The Pearl.
De tweede helft van de 2lp/2cd wordt steevast aangemerkt als bonus, al is Working Man niet zonder die nummers verkrijgbaar. Toch is opvallend dat het vanaf track 13 Look at Me Now nogal eens steviger wordt én dat Marsden zijn historie uit de mottenballen haalt: het nummer is een reprise van het titelnummer van zijn tweede soloplaat uit 1981. Who's Fooling Who, wat hij in 1982 met zijn kortstondige groep SOS op Reading speelde, rockt eveneens.
Vanaf track 18 komen vier nummers uit zijn jaren met Whitesnake langs, welke echter veel ingetogener worden gespeeld. Vooral de versie van Til the Day I Die maakt indruk met een prachtig arrangement inclusief de viool van Tom Leary, waarmee warempel folkrock klinkt.
Jammer dat de man niet meer onder ons is, maar dit album is een waardig en gevarieerd afscheid geworden, waarop niet alleen blijkt hoe goed hij was als gitarist, maar ook als liedjesschrijver.
De hoes van het postuum verschenen Working Man suggereert dat dit opnieuw op Amerikaanse blues gebaseerd is, maar alhoewel die inspiratie regelmatig klinkt slaat Marsden verrassend een andere weg in. Wat volgt is vooral melodieuze poprock in jaren '70-stijl. De gitaar scheurt soms, maar nooit té. In opener Being Famous is het nog "rock 'n' roll time", daarna is het aanmerkelijk ingetogener.
Zijn vrij lichte maar lenige stem past beter bij deze ontspannen aanpak en al helemaal als soms countryrock binnensluipt, zoals in het titelnummer. Daarmee begrijp ik de keuze voor de (fraaie!) hoesfoto beter. De eerste helft wordt sterk afgesloten met het instrumentale gitaarpareltje The Pearl.
De tweede helft van de 2lp/2cd wordt steevast aangemerkt als bonus, al is Working Man niet zonder die nummers verkrijgbaar. Toch is opvallend dat het vanaf track 13 Look at Me Now nogal eens steviger wordt én dat Marsden zijn historie uit de mottenballen haalt: het nummer is een reprise van het titelnummer van zijn tweede soloplaat uit 1981. Who's Fooling Who, wat hij in 1982 met zijn kortstondige groep SOS op Reading speelde, rockt eveneens.
Vanaf track 18 komen vier nummers uit zijn jaren met Whitesnake langs, welke echter veel ingetogener worden gespeeld. Vooral de versie van Til the Day I Die maakt indruk met een prachtig arrangement inclusief de viool van Tom Leary, waarmee warempel folkrock klinkt.
Jammer dat de man niet meer onder ons is, maar dit album is een waardig en gevarieerd afscheid geworden, waarop niet alleen blijkt hoe goed hij was als gitarist, maar ook als liedjesschrijver.
Bernie Tormé - Electric Gypsies (1983)

3,5
0
geplaatst: 31 maart 2024, 21:00 uur
Indertijd kocht ik deze elpee voor een tientje in de uitverkoopbakken, slechts drie jaar na release. Bernie Tormé liet in Nederland nauwelijks harten sneller kloppen. Het kikkerlandje miste wel iets...
Terug vanuit de VS nam Tormé met een gelegenheidsgroep zijn debuutelpee Turn Out the Lights op. Vervolgens tourt hij intensief, nadat hij met bassist Everton Williams en iets later drummer Frank Noon het powertrio The Electric Gypsies heeft gevormd. Met hen brengt hij in september 1982 de EP Shoorah Shoorah uit.
De vier nummers daarvan staan als bonus op de cd-versie van Electric Gypsies. Daarbij twee covers: het titelnummer is oorspronkelijk van r&b-zanger en -pianist Allan Toussaint, bekend gemaakt door de Schot Frankie Miller op diens High Life (1974); de tweede cover is Search and Destroy van Iggy Pop & The Stooges van hun Raw Power (1973).
Dankzij talloze optredens groeien zowel de reputatie van de groep als de verkoop van de EP. Vervolgens nemen ze een langspeler op, maar als platenmaatschappij Kamaflage hen desondanks laat vallen, duurt het door juridische problemen een jaar voordat de elpee alsnog kan worden uitgebracht. Dit door Zebra Records.
Electric Gypsies verschijnt najaar 1983 met dezelfde bezetting als op de EP. Ik beluister deze als cd 2 van de box Lightning Strikes 1982 - 1983, die nog eens drie extra bonussen bevat.
Hij klinkt dankzij de productie van Tormé met Stephen Stewart aanmerkelijk voller en luider dan de EP en is ten opzichte van het debuut een forse stap voorwaarts. Wat wel werd bewaard is een geluid alsof het live in de studio werd opgenomen met zo min mogelijk overdubs. Waarschijnlijk speelde de band de muziek in, waarna Tormé zijn zangpartijen toevoegde.
Wild West begint met de klassieke klanken "Rollin' Rollin' Rollin'" van westernserie Rawhide, waarna een heerlijk snel en hardrockend nummer begint en Tormé in de solo zijn kwaliteiten etaleert, meteen méér dan op het debuut.
Andere favoriet van de eerste plaatkant is Lightning Strikes, dat ook tot een livefavoriet uitgroeide. En terecht, want ook hier is zijn gitaarwerk heerlijk zingend danwel racend.
Op de tweede plaatkant viel ik voor het midtempo Call of the Wild met zijn lekkere tremolosolo en het snelle D.I.S.E., waarop hij laat horen waarom Ozzy Osbourne hem als eerste vervanger inhuurde van de noodlottig omgekomen Randy Rhoads.
Mysterieus zijn de akoestische klanken van Presences, alsof we terugkeren naar Orchid op Master of Reality (1971) van Black Sabbath, mede door de fluit en viool van gastmusici. Pareltje!
Bij de nieuwe bonustracks van de boxset zit het stevige en vlotte New World met een lekkere solo á la Thin Lizzy plus goedklinkende liveversies van Search and Destroy en Star. Duidelijk is dat Tormés grootste kracht in liveoptredens lag, zoals hij op mijn instapplaat Live bewees. Laat dat nou de derde cd in dit doosje zijn!
Terug vanuit de VS nam Tormé met een gelegenheidsgroep zijn debuutelpee Turn Out the Lights op. Vervolgens tourt hij intensief, nadat hij met bassist Everton Williams en iets later drummer Frank Noon het powertrio The Electric Gypsies heeft gevormd. Met hen brengt hij in september 1982 de EP Shoorah Shoorah uit.
De vier nummers daarvan staan als bonus op de cd-versie van Electric Gypsies. Daarbij twee covers: het titelnummer is oorspronkelijk van r&b-zanger en -pianist Allan Toussaint, bekend gemaakt door de Schot Frankie Miller op diens High Life (1974); de tweede cover is Search and Destroy van Iggy Pop & The Stooges van hun Raw Power (1973).
Dankzij talloze optredens groeien zowel de reputatie van de groep als de verkoop van de EP. Vervolgens nemen ze een langspeler op, maar als platenmaatschappij Kamaflage hen desondanks laat vallen, duurt het door juridische problemen een jaar voordat de elpee alsnog kan worden uitgebracht. Dit door Zebra Records.
Electric Gypsies verschijnt najaar 1983 met dezelfde bezetting als op de EP. Ik beluister deze als cd 2 van de box Lightning Strikes 1982 - 1983, die nog eens drie extra bonussen bevat.
Hij klinkt dankzij de productie van Tormé met Stephen Stewart aanmerkelijk voller en luider dan de EP en is ten opzichte van het debuut een forse stap voorwaarts. Wat wel werd bewaard is een geluid alsof het live in de studio werd opgenomen met zo min mogelijk overdubs. Waarschijnlijk speelde de band de muziek in, waarna Tormé zijn zangpartijen toevoegde.
Wild West begint met de klassieke klanken "Rollin' Rollin' Rollin'" van westernserie Rawhide, waarna een heerlijk snel en hardrockend nummer begint en Tormé in de solo zijn kwaliteiten etaleert, meteen méér dan op het debuut.
Andere favoriet van de eerste plaatkant is Lightning Strikes, dat ook tot een livefavoriet uitgroeide. En terecht, want ook hier is zijn gitaarwerk heerlijk zingend danwel racend.
Op de tweede plaatkant viel ik voor het midtempo Call of the Wild met zijn lekkere tremolosolo en het snelle D.I.S.E., waarop hij laat horen waarom Ozzy Osbourne hem als eerste vervanger inhuurde van de noodlottig omgekomen Randy Rhoads.
Mysterieus zijn de akoestische klanken van Presences, alsof we terugkeren naar Orchid op Master of Reality (1971) van Black Sabbath, mede door de fluit en viool van gastmusici. Pareltje!
Bij de nieuwe bonustracks van de boxset zit het stevige en vlotte New World met een lekkere solo á la Thin Lizzy plus goedklinkende liveversies van Search and Destroy en Star. Duidelijk is dat Tormés grootste kracht in liveoptredens lag, zoals hij op mijn instapplaat Live bewees. Laat dat nou de derde cd in dit doosje zijn!
Bernie Tormé - Lightning Strikes 1982 - 1983 (2023)
Alternatieve titel: Lightning Strikes – Volume One (1982-1983)

4,0
0
geplaatst: 23 januari 2024, 18:53 uur
Box met vier cd's van de Ierse gitarist die vooral furore maakte bij de groep Gillan. Twee studio- en twee livealbums plus een uiteraard informatief boekje. Daartussen ook de nodige muzikale bonussen.
Ik zal de komende tijd bij de oorspronkelijke platen mijn bevindingen noteren, wordt vervolgd. Ondertussen vertelt nonkel Phil één en ander.
Ik zal de komende tijd bij de oorspronkelijke platen mijn bevindingen noteren, wordt vervolgd. Ondertussen vertelt nonkel Phil één en ander.
Bernie Tormé - Live (1984)

4,5
0
geplaatst: 2 april 2024, 22:04 uur
In 1984 kwam ik in de bakken dit Live tegen van de voormalige snarenracer van de groep Gillan. In mijn herinnering was het toen zomer, wat vrolijk stemde. Ietwat impulsief kocht ik deze Bernie Tormé, nog altijd onder de indruk van zijn te schaarse snarencapriolen bij die groep. Het was het eerste soloalbum dat ik van hem hoorde en het bleek een livealbum á la het fenomenale Stage Struck van Rory Gallagher: een driemansbezetting, hardrock met de wortels in de blues, een gitarist die kon spetteren maar wiens vocalen wat achterbleven.
Later kocht ik studiovoorganger Electric Gypsies en kwam tot de conclusie dat Tormé live op z'n allerbest was, terwijl dat album al de nodige sterke nummers kende. Maar op Live komen die ten volle uit de speakers knallen. Zo beleef ik dat ook nu weer, inmiddels luisterend naar de editie die in de box Lightning Strikes 1982 - 1983 uit 2023 zit.
Uiteraard worden de beste nummers van de twee studioplaten samengebald, wat resulteert in een grandioze A-kant (track 1 - 4) en een iets minder spannende B-kant met een heerlijke solo in Getting There en No Easy Way uit zijn dagen bij Gillan als denderend slot. In 1984 voelde het album dan ook precies lang genoeg aan.
In Getting There hoorde ik voor het eerst Taurus pedals, de nieuwe voetpedalen waar sommige bassisten zich van bedienden: ze brachten een geluid vergelijkbaar met de pedalen onder het elektronisch orgel bij ons thuis en pasten wonderwel bij deze muziek.
In mijn boxversie zijn er vier bonusnummers. Naast de liveversies die MuMe aangeeft ook eentje van The Beat, Tormés solosingle uit 1980, nu echter live in november 1983. Toch voegen ze niet veel toe: twee nummers kwamen al voorbij en drie opnamen zijn clandestiene bootlegs van mindere audiokwaliteit. Wel aardig vanwege Tormés kwaliteiten als gitarist én omdat het melancholieke Presences zo'n juweeltje is, nu elektrisch en opgerekt met wederom heerlijk gitaarwerk. De opname van The Beat komt gelukkig uit het mengpaneel, een uptempo rocker in Tormés kenmerkende stijl.
Het boekje in de box vertelt een verhaal dat voor mij nieuw is: juridische strubbelingen met zijn vorige platenmaatschappij zorgden ervoor dat de twee leden van zijn Electric Gypsies het voor gezien hielden. Omdat er al een tour was geboekt, moest Tormé binnen een week vervangers vinden.
Hij vond die in voormalige flatgenoot Colin "James" Bond als bassist en via John McCoy, inmiddels ook ex-Gillan, kwam hij in contact met drummer Ron Rebel, die kort tevoren bij McCoy had gespeeld. In vier dagen leerden ze de set om vervolgens een tweeweekse tour te doen en daarna in goed humeur terug te keren naar hun eigen groepen. Ik denk dat ze met genoegen een exemplaar van Live ontvingen, tevreden met wat ze in korte tijd hadden weten neer te zetten.
Een 9 als schoolcijfer voor het oorspronkelijke Live, extra aanbevolen voor iedereen die Stage Struck van Rory Gallagher kan waarderen. De eerste twee bonusnummers voegen te weinig toe, de twee daarna zijn echter bijzonder genoeg, met name Presences dankzij het gitaarwerk. Ik ga eens zien wat het laatste schijfje van de boxset toevoegt: eveneens live, maar nu in Sheffield.
Later kocht ik studiovoorganger Electric Gypsies en kwam tot de conclusie dat Tormé live op z'n allerbest was, terwijl dat album al de nodige sterke nummers kende. Maar op Live komen die ten volle uit de speakers knallen. Zo beleef ik dat ook nu weer, inmiddels luisterend naar de editie die in de box Lightning Strikes 1982 - 1983 uit 2023 zit.
Uiteraard worden de beste nummers van de twee studioplaten samengebald, wat resulteert in een grandioze A-kant (track 1 - 4) en een iets minder spannende B-kant met een heerlijke solo in Getting There en No Easy Way uit zijn dagen bij Gillan als denderend slot. In 1984 voelde het album dan ook precies lang genoeg aan.
In Getting There hoorde ik voor het eerst Taurus pedals, de nieuwe voetpedalen waar sommige bassisten zich van bedienden: ze brachten een geluid vergelijkbaar met de pedalen onder het elektronisch orgel bij ons thuis en pasten wonderwel bij deze muziek.
In mijn boxversie zijn er vier bonusnummers. Naast de liveversies die MuMe aangeeft ook eentje van The Beat, Tormés solosingle uit 1980, nu echter live in november 1983. Toch voegen ze niet veel toe: twee nummers kwamen al voorbij en drie opnamen zijn clandestiene bootlegs van mindere audiokwaliteit. Wel aardig vanwege Tormés kwaliteiten als gitarist én omdat het melancholieke Presences zo'n juweeltje is, nu elektrisch en opgerekt met wederom heerlijk gitaarwerk. De opname van The Beat komt gelukkig uit het mengpaneel, een uptempo rocker in Tormés kenmerkende stijl.
Het boekje in de box vertelt een verhaal dat voor mij nieuw is: juridische strubbelingen met zijn vorige platenmaatschappij zorgden ervoor dat de twee leden van zijn Electric Gypsies het voor gezien hielden. Omdat er al een tour was geboekt, moest Tormé binnen een week vervangers vinden.
Hij vond die in voormalige flatgenoot Colin "James" Bond als bassist en via John McCoy, inmiddels ook ex-Gillan, kwam hij in contact met drummer Ron Rebel, die kort tevoren bij McCoy had gespeeld. In vier dagen leerden ze de set om vervolgens een tweeweekse tour te doen en daarna in goed humeur terug te keren naar hun eigen groepen. Ik denk dat ze met genoegen een exemplaar van Live ontvingen, tevreden met wat ze in korte tijd hadden weten neer te zetten.
Een 9 als schoolcijfer voor het oorspronkelijke Live, extra aanbevolen voor iedereen die Stage Struck van Rory Gallagher kan waarderen. De eerste twee bonusnummers voegen te weinig toe, de twee daarna zijn echter bijzonder genoeg, met name Presences dankzij het gitaarwerk. Ik ga eens zien wat het laatste schijfje van de boxset toevoegt: eveneens live, maar nu in Sheffield.
Bernie Tormé - Live in Sheffield 1983 (2002)

3,5
0
geplaatst: 6 april 2024, 10:30 uur
Plaatje voor rockgitaarliefhebbers! Ik kom deze cd tegen als onderdeel van de box Lightning Strikes 1982 - 1983. Net als het in 1984 verschenen Live is dit een registratie van één van de concerten tijdens een twee weken durende Britse tour van Bernie Tormé met de in alle haast ingehuurde bassist Colin 'James' Bond en drummer Ron Rebel.
Nou ken ik Live al vanaf het verschijnen en in dat opzicht brengt Live in Sheffield dat in 2002 los verscheen weinig nieuws, want uiteraard werd daar Tormé met diens twee studioalbums en kersverse begeleiders nagenoeg dezelfde setlist gespeeld.
En toch. Tormé was niet de gitarist die zijn solo's altijd hetzelfde speelde, plus dat Getting There met een heerlijk lange en toch krachtige gitaarsolo, Troggscover I Can't Control Myself en het geïmproviseerde zesminutenjuweeltje Bernie's Guitar Extravaganza niet op Live stonden, zelfs niet op de extra uitgebreide cd-versie.
Opnieuw begrijp ik waarom Ian Gillan en Ozzy Osbourne hem aan hun zijde hadden; tegelijkertijd is duidelijk dat Bernie Tormé een eigen wil had, te eigenzinnig om lang "de gitarist van..." te willen zijn.
Nou ken ik Live al vanaf het verschijnen en in dat opzicht brengt Live in Sheffield dat in 2002 los verscheen weinig nieuws, want uiteraard werd daar Tormé met diens twee studioalbums en kersverse begeleiders nagenoeg dezelfde setlist gespeeld.
En toch. Tormé was niet de gitarist die zijn solo's altijd hetzelfde speelde, plus dat Getting There met een heerlijk lange en toch krachtige gitaarsolo, Troggscover I Can't Control Myself en het geïmproviseerde zesminutenjuweeltje Bernie's Guitar Extravaganza niet op Live stonden, zelfs niet op de extra uitgebreide cd-versie.
Opnieuw begrijp ik waarom Ian Gillan en Ozzy Osbourne hem aan hun zijde hadden; tegelijkertijd is duidelijk dat Bernie Tormé een eigen wil had, te eigenzinnig om lang "de gitarist van..." te willen zijn.
Bernie Tormé - Turn Out the Lights (1982)

3,5
0
geplaatst: 28 maart 2024, 21:08 uur
Twee voormalige zangers van Deep Purple die op eigen benen een carrière opbouwden, werden bijgestaan door een Bernie. David Coverdale in zijn Whitesnake door Bernie Marsden en Ian Gillan in zijn Gillan door Bernie Tormé. De voornaam Bernard was wel de grootste overeenkomst, want alhoewel beiden actief waren in de hardrock is Tormés stijl behoorlijk anders.
Begin januari 2024 landde deze verzamelbox in mijn huis en zoals daar beloofd loop ik de vier albums hierop langs.
Bernie Tormé werd in 1952 geboren in Ranelagh, iets ten zuiden van Dublin. De Ier speelde eerst in Dublin in The Urge en studeerde oud-Grieks, om in 1974 naar Londen te emigreren om bij Scrapyard te spelen. Daarin speelde hij met bassist John McCoy. Geïnspireerd door de punkgolf begon hij in 1976 de Bernie Tormé Band. Twee van zijn nummers kwamen op punkverzamelaar Live at the Vortex, een plaat op YouTube te horen.
In 1979 stapte hij echter over naar Gillan, waar hij werd herenigd met McCoy. De razendsnelle leadgitarist is te horen op vier albums, waar hij de zanger een nieuwe stoot energie hielp geven. Bovendien bracht hij in ’79 en ’80 twee solosingles uit buiten de strakke routine van Gillan.
Omdat hij de gage onvoldoende vond, vertrok hij in 1981. Korte tijd speelde hij bij Atomic Rooster, tot zijn hulp werd ingeroepen door Ozzy Osbourne als vervanger van de kort daarvoor verongelukte Randy Rhoads. Tormés stijl bleek tijdens die concerten echter te weinig in de klassieke muziek gedrenkt, waarop hij terugkeerde naar Engeland en voor de tweede maal een solocarrière startte. Hij overleed in 2019.
Elpee Turn Out the Lights was het eerste album na zijn terugkeer. Dat zijn naam in het Verenigd Koninkrijk een zekere reputatie had, bleek in juli 1982 toen de plaat #50 haalde in de Britse album top 100. En dat zonder hitsingle. Het zou zijn enige albumnotering onder eigen naam blijven.
Drummer op het album is Nigel Glockler, voorheen actief bij newwavezangeres Toyah en dan inmiddels bij metalgroep Saxon. Colin Towns, eveneens van Gillan, assisteerde op toetsen en fluit, zij het in bescheiden mate. Juist hier doet het aan Tormés oude bandje denken.
Producer was Nick Tauber, die tien jaar eerder voor Thin Lizzy en kort tevoren met Toyah werkte en het jaar erop het debuut van Marillion zou doen. De plaat klinkt alsof deze live werd opgenomen in de studio, met een ruimtelijk drumgeluid en nagenoeg zonder overdubs.
Qua composities klinkt conventionele hardrock. Tormé was een redelijk zanger en een begenadigd gitarist, maar is op Turn Out the Lights niet degene die zich uitleeft in lange gitaarsolo’s. Daar had ik wel meer van willen horen. Verrassenderwijs schemert soms new wave á la The Mission door, namelijk als hij een akoestische, twaalfsnarige gitaar erbij pakt, zoals op kant 2 in Possession en in het instrumentale kleinood India.
Eén van mijn eerste favorieten als prille tiener was Painter Man in de versie van Boney M (1978). Nooit geweten dat dit een cover was, tot ik hier ontdekte dat ook Tormé zich eraan heeft gewaagd. Dat zelfs als tweede nummer van de plaat. Ook in dit jasje een geinig nummer, al wreekt zich in het refrein dat Tormés vocale bereik niet zo groot was.
Een spontaan klinkend album, waar met wat meer productionele zorg wellicht meer in had gezeten. Op mijn exemplaar zoals ik dat in de box aantrof, zijn vijf bonussen te vinden die in hetzelfde stramien voortrocken. Volgende schijfje in de box: Electric Gypsies.
Begin januari 2024 landde deze verzamelbox in mijn huis en zoals daar beloofd loop ik de vier albums hierop langs.
Bernie Tormé werd in 1952 geboren in Ranelagh, iets ten zuiden van Dublin. De Ier speelde eerst in Dublin in The Urge en studeerde oud-Grieks, om in 1974 naar Londen te emigreren om bij Scrapyard te spelen. Daarin speelde hij met bassist John McCoy. Geïnspireerd door de punkgolf begon hij in 1976 de Bernie Tormé Band. Twee van zijn nummers kwamen op punkverzamelaar Live at the Vortex, een plaat op YouTube te horen.
In 1979 stapte hij echter over naar Gillan, waar hij werd herenigd met McCoy. De razendsnelle leadgitarist is te horen op vier albums, waar hij de zanger een nieuwe stoot energie hielp geven. Bovendien bracht hij in ’79 en ’80 twee solosingles uit buiten de strakke routine van Gillan.
Omdat hij de gage onvoldoende vond, vertrok hij in 1981. Korte tijd speelde hij bij Atomic Rooster, tot zijn hulp werd ingeroepen door Ozzy Osbourne als vervanger van de kort daarvoor verongelukte Randy Rhoads. Tormés stijl bleek tijdens die concerten echter te weinig in de klassieke muziek gedrenkt, waarop hij terugkeerde naar Engeland en voor de tweede maal een solocarrière startte. Hij overleed in 2019.
Elpee Turn Out the Lights was het eerste album na zijn terugkeer. Dat zijn naam in het Verenigd Koninkrijk een zekere reputatie had, bleek in juli 1982 toen de plaat #50 haalde in de Britse album top 100. En dat zonder hitsingle. Het zou zijn enige albumnotering onder eigen naam blijven.
Drummer op het album is Nigel Glockler, voorheen actief bij newwavezangeres Toyah en dan inmiddels bij metalgroep Saxon. Colin Towns, eveneens van Gillan, assisteerde op toetsen en fluit, zij het in bescheiden mate. Juist hier doet het aan Tormés oude bandje denken.
Producer was Nick Tauber, die tien jaar eerder voor Thin Lizzy en kort tevoren met Toyah werkte en het jaar erop het debuut van Marillion zou doen. De plaat klinkt alsof deze live werd opgenomen in de studio, met een ruimtelijk drumgeluid en nagenoeg zonder overdubs.
Qua composities klinkt conventionele hardrock. Tormé was een redelijk zanger en een begenadigd gitarist, maar is op Turn Out the Lights niet degene die zich uitleeft in lange gitaarsolo’s. Daar had ik wel meer van willen horen. Verrassenderwijs schemert soms new wave á la The Mission door, namelijk als hij een akoestische, twaalfsnarige gitaar erbij pakt, zoals op kant 2 in Possession en in het instrumentale kleinood India.
Eén van mijn eerste favorieten als prille tiener was Painter Man in de versie van Boney M (1978). Nooit geweten dat dit een cover was, tot ik hier ontdekte dat ook Tormé zich eraan heeft gewaagd. Dat zelfs als tweede nummer van de plaat. Ook in dit jasje een geinig nummer, al wreekt zich in het refrein dat Tormés vocale bereik niet zo groot was.
Een spontaan klinkend album, waar met wat meer productionele zorg wellicht meer in had gezeten. Op mijn exemplaar zoals ik dat in de box aantrof, zijn vijf bonussen te vinden die in hetzelfde stramien voortrocken. Volgende schijfje in de box: Electric Gypsies.
Beyond the Black - Beyond the Black (2023)

4,0
3
geplaatst: 15 april 2024, 22:37 uur
Het is vaak leuk als een muziekvriend je eens op een ander pad zet. Gisteren zag ik Beyond The Black in het Patronaat in Haarlem. Ik kende de groep niet, wél draaide ik van tevoren dit titelloze album. Waar ik voorspelbare power metal of symphonic metal verwachtte, kwam ik al rap tot de conclusie dat dit incorrect was en dus ging ik met extra zin naar het concert.
Wat ik kreeg was een sterke show, uitgevoerd door goede muzikanten. Al moet ik altijd weer even wennen aan de hoeveelheid ondersteunende geluiden die uit de computer komen: akoestische gitaar, koortje, toetsen, tweede/derde stem etcetera. Maar dit is tweeduizendvierentwintig, Ronaldje. Wen er maar aan. En het geeft drummer Kai Tschierschky een leuke extra taak met de laptop naast zijn kit...
Alle sterke elementen van het concert komen ook op deze plaat voorbij: gevarieerde composities, veel energie, de krachtige zang van Jennifer Haben én de solo's van gitaristen Chris Hermsdörfer en Tobi Lodes. Ze spelen soms met gitaargeluiden buiten de bekende scheurgeluiden en integreren snelheid en melodie tot een pakkend liedje in een liedje.
Enerzijds is de muziek toegankelijk, anderzijds zitten er diverse lagen in, met soms verrassende melodielijnen. Mijn favo's van Beyond the Black: opener Is There Anybody Out There?, Winter Is Coming, Wide Awake met zijn prachtige akoestische gitaarspel, in Not in My Name gaat akoestische blues naadloos samen met metal en de folkachtige doedelzak in slotlied I Remember Dying brengt weer een andere atmosfeer.
Soms lees/hoor ik verhalen dat rock dood is en de gitaar passé. Bollocks. Hiervoor blijft altijd een publiek. Dat zag ik gisteravond met diverse schakeringen aan publiek, in diverse generaties opgedeeld. Van jong tot oud. En vooral in Beyond the Black, dat zijn tienjarig bestaan viert en laat merken hoe fris en creatief hun muziek is. En daarmee ook het genre. Beluister dit album maar en let dan eens extra op het gitaarwerk.
Wat ik kreeg was een sterke show, uitgevoerd door goede muzikanten. Al moet ik altijd weer even wennen aan de hoeveelheid ondersteunende geluiden die uit de computer komen: akoestische gitaar, koortje, toetsen, tweede/derde stem etcetera. Maar dit is tweeduizendvierentwintig, Ronaldje. Wen er maar aan. En het geeft drummer Kai Tschierschky een leuke extra taak met de laptop naast zijn kit...
Alle sterke elementen van het concert komen ook op deze plaat voorbij: gevarieerde composities, veel energie, de krachtige zang van Jennifer Haben én de solo's van gitaristen Chris Hermsdörfer en Tobi Lodes. Ze spelen soms met gitaargeluiden buiten de bekende scheurgeluiden en integreren snelheid en melodie tot een pakkend liedje in een liedje.
Enerzijds is de muziek toegankelijk, anderzijds zitten er diverse lagen in, met soms verrassende melodielijnen. Mijn favo's van Beyond the Black: opener Is There Anybody Out There?, Winter Is Coming, Wide Awake met zijn prachtige akoestische gitaarspel, in Not in My Name gaat akoestische blues naadloos samen met metal en de folkachtige doedelzak in slotlied I Remember Dying brengt weer een andere atmosfeer.
Soms lees/hoor ik verhalen dat rock dood is en de gitaar passé. Bollocks. Hiervoor blijft altijd een publiek. Dat zag ik gisteravond met diverse schakeringen aan publiek, in diverse generaties opgedeeld. Van jong tot oud. En vooral in Beyond the Black, dat zijn tienjarig bestaan viert en laat merken hoe fris en creatief hun muziek is. En daarmee ook het genre. Beluister dit album maar en let dan eens extra op het gitaarwerk.
Bible Black - The Complete Recordings 1981 - 1983 (2022)

4,0
1
geplaatst: 21 maart 2025, 17:58 uur
Alsof je een tijdcapsule vindt, in 1983 verstopt. Dat is The Complete Recordings 1981-1983 van Bible Black, een heavy rockgroep die nooit een platencontract wist te krijgen maar in twee jaar wél de nodige namen zou herbergen die voorheen of juist nadien naam maakten.
In de laatste categorie zitten de drie zangers die in deze groep uit Upstate New York (drie rijden van New York City, vermeldt de binnenhoes) actief waren. Eerst (track 1-3) Louis Marullo, die met het alter ego Eric Adams naam zou maken bij Manowar; dan (track 4-10) Jeff Fenholt, later bij Joshua; tenslotte Joe Belladini, later bij Anthrax bekend als Joey Belladonna.
De binnenhoes van de elpee vertelt het verhaal. In een notendop: dit in 2024 verschenen album is een verzameling van drie opgepoetste demo's. Op vinyl krijg je er bovendien een single bij (track 13 en 14) met nogmaals Fenholt bij de microfoon.
De harde kern werd gevormd door gitarist Andrew McDonald en twee voormalige leden van Elf, de groep met Ronnie James Dio: bassist Craig Gruber en drummer Gary Driscoll, tevens te horen op de eerste elpee van Ritchie Blackmore's Rainbow. Aanvankelijk nog twijfelend over de koers (hardrock of metal, zo is op Back to Back pianist Mickey Lee Soule te horen, eveneens ex-Elf), wordt vanaf de tweede demo, dus vanaf track 4, voor een steviger koers gekozen.
Gruber is getrouwd met de vermogende Jennifer Brooks - later het liefje van John Sykes - waardoor de groep in staat is om op te nemen met Kansas' producer Jeff Glixman en lokale optredens kan doen. Als dat huwelijk strandt, droogt de geldkraan op. Fenholt stapt op maar de drie achterblijvers proberen het het nog enige tijd met Joe Belladini.
Dan vertrekt ook Gruber - hij belandt in Engeland in de groep van Gary Moore - en de onbekende Joe Sopp wordt zijn vervanger. Met Belladini/Belladonna worden track 11 en 12 opgenomen. Helaas helaas, ook die demo brengt geen platencontract en McDonald gooit de handdoek in de ring. Bible Black wordt ontbonden.
Wat de binnenhoes niet vertelt is dat McDonald hierna het project Thrasher deed en bij onder meer Blue Cheer speelde; Driscoll werd in 1987 noodlottig vermoord.
De band wist dus geen platencontract te scoren, maar deze tijdcapsule is wel degelijk de moeite waard. Aanbevolen voor de liefhebbers van klassieke hardrock, new wave of British heavy metal én de Amerikaanse reactie daarop, U.S. metal. Pakkende hardrock/metal, door audiotechnicus Patrick W. Engel adequaat bijgewerkt in een frisse mix.
In de beschrijving van namsaap hierboven kan ik me goed vinden, met als enige verschil dat bij track 1 en 2 versus 13 en 14 mijn voorkeur uitgaat naar Fenholt.
McDonald is een prima gitarist die zijn gitaar zowel kan laten racen als huilen: genieten! Cover Paint It Black, oorspronkelijk van de Rolling Stones, is aangenaam verhardrockt.
De binnenhoes vermeldt ook de bio's van Gruber, McDonald, Driscoll en Fennholt, zoals destijds opgediend: "an unstoppable quartet". Dat bleken slechts woorden, maar neem van mij aan dat deze tijdcapsule zijn geld waard is. Hij staat hier op vinyl in de sobere maar pakkende hoes.
In de laatste categorie zitten de drie zangers die in deze groep uit Upstate New York (drie rijden van New York City, vermeldt de binnenhoes) actief waren. Eerst (track 1-3) Louis Marullo, die met het alter ego Eric Adams naam zou maken bij Manowar; dan (track 4-10) Jeff Fenholt, later bij Joshua; tenslotte Joe Belladini, later bij Anthrax bekend als Joey Belladonna.
De binnenhoes van de elpee vertelt het verhaal. In een notendop: dit in 2024 verschenen album is een verzameling van drie opgepoetste demo's. Op vinyl krijg je er bovendien een single bij (track 13 en 14) met nogmaals Fenholt bij de microfoon.
De harde kern werd gevormd door gitarist Andrew McDonald en twee voormalige leden van Elf, de groep met Ronnie James Dio: bassist Craig Gruber en drummer Gary Driscoll, tevens te horen op de eerste elpee van Ritchie Blackmore's Rainbow. Aanvankelijk nog twijfelend over de koers (hardrock of metal, zo is op Back to Back pianist Mickey Lee Soule te horen, eveneens ex-Elf), wordt vanaf de tweede demo, dus vanaf track 4, voor een steviger koers gekozen.
Gruber is getrouwd met de vermogende Jennifer Brooks - later het liefje van John Sykes - waardoor de groep in staat is om op te nemen met Kansas' producer Jeff Glixman en lokale optredens kan doen. Als dat huwelijk strandt, droogt de geldkraan op. Fenholt stapt op maar de drie achterblijvers proberen het het nog enige tijd met Joe Belladini.
Dan vertrekt ook Gruber - hij belandt in Engeland in de groep van Gary Moore - en de onbekende Joe Sopp wordt zijn vervanger. Met Belladini/Belladonna worden track 11 en 12 opgenomen. Helaas helaas, ook die demo brengt geen platencontract en McDonald gooit de handdoek in de ring. Bible Black wordt ontbonden.
Wat de binnenhoes niet vertelt is dat McDonald hierna het project Thrasher deed en bij onder meer Blue Cheer speelde; Driscoll werd in 1987 noodlottig vermoord.
De band wist dus geen platencontract te scoren, maar deze tijdcapsule is wel degelijk de moeite waard. Aanbevolen voor de liefhebbers van klassieke hardrock, new wave of British heavy metal én de Amerikaanse reactie daarop, U.S. metal. Pakkende hardrock/metal, door audiotechnicus Patrick W. Engel adequaat bijgewerkt in een frisse mix.
In de beschrijving van namsaap hierboven kan ik me goed vinden, met als enige verschil dat bij track 1 en 2 versus 13 en 14 mijn voorkeur uitgaat naar Fenholt.
McDonald is een prima gitarist die zijn gitaar zowel kan laten racen als huilen: genieten! Cover Paint It Black, oorspronkelijk van de Rolling Stones, is aangenaam verhardrockt.
De binnenhoes vermeldt ook de bio's van Gruber, McDonald, Driscoll en Fennholt, zoals destijds opgediend: "an unstoppable quartet". Dat bleken slechts woorden, maar neem van mij aan dat deze tijdcapsule zijn geld waard is. Hij staat hier op vinyl in de sobere maar pakkende hoes.
Biff Byford - School of Hard Knocks (2020)

4,0
1
geplaatst: 6 oktober 2025, 19:48 uur
In mei 1980 blies Biff Byford mij met zijn Saxon omver via Motorcycle Man, dat ik op een zaterdagavond voorbij hoorde komen in een programma met muziek van nieuw verschenen albums. Vele Saxons volgden, hoog- en laagtijdagen, altijd weer interessant.
Toen (eind 2019?) de mededeling kwam dat er een soloalbum van hem aankwam in combinatie met een solotour, kocht ik dan ook een kaartje voor het optreden in 013. Helaas helaas, nog vóór corona zijn tanden volop liet zien, werd de tour gecanceld wegens lage verkopen - al had het één vast met het ander te maken. Ik had gehoopt op enkele persoonlijke verhalen bij deze en andere liedjes: een kijkje in de ziel van Peter "Biff" Byford.
Met de naïeve kunst van de hoes zou je verwachten dat hij op School of Hard Knocks de nodige afstand zou nemen van Saxon. Dat blijkt slechts weinig het geval. Enigszins afwijkend is de akoestische gitaar in Inquisitor en The Pit and the Pendulum, maar spoedig rockt het vertrouwd met metalen aanpak; bovendien wordt ook bij Saxon soms voor deze aanpak gekozen. Maar mooi is het zeker!
Echt afwijkend is het bij folkrocklied Scarborough Fair met een prachtige melodie. Van Wishbone Ash wordt de ballade Throw Down the Sword gecoverd, dat uitgroeit tot een volbloed hardrocklied.
Pure pop mét saxofoon biedt Me and You, een primeur in de wereld van Byford die verder met zijn kompanen (meestal gitarist Fredrik Åkesson van Opeth, bassist Kostas Makrikostas en drummer Christian Lundqvist) hardrock/metal serveert.
Tweemaal deed bassist Nibbs Carter van Saxon mee en gitarist Phil Campbell, ex-Motörhead, assisteert op titellied School of Hard Knocks, waar klassieke hardrock klinkt. Byford bezingt hier de "universiteit van het leven" of eigenlijk zijn persoonlijke ervaringen. Een heerlijk nummer.
Al met al iets avontuurlijker dan het werk dat de laatste jaren bij Saxon is geserveerd. In ieder geval recht uit het hart en ondanks de kleine zijstapjes weet ik het nu zeker: Byford is een volbloed liefhebber van luide rock en metal.
Toen (eind 2019?) de mededeling kwam dat er een soloalbum van hem aankwam in combinatie met een solotour, kocht ik dan ook een kaartje voor het optreden in 013. Helaas helaas, nog vóór corona zijn tanden volop liet zien, werd de tour gecanceld wegens lage verkopen - al had het één vast met het ander te maken. Ik had gehoopt op enkele persoonlijke verhalen bij deze en andere liedjes: een kijkje in de ziel van Peter "Biff" Byford.
Met de naïeve kunst van de hoes zou je verwachten dat hij op School of Hard Knocks de nodige afstand zou nemen van Saxon. Dat blijkt slechts weinig het geval. Enigszins afwijkend is de akoestische gitaar in Inquisitor en The Pit and the Pendulum, maar spoedig rockt het vertrouwd met metalen aanpak; bovendien wordt ook bij Saxon soms voor deze aanpak gekozen. Maar mooi is het zeker!
Echt afwijkend is het bij folkrocklied Scarborough Fair met een prachtige melodie. Van Wishbone Ash wordt de ballade Throw Down the Sword gecoverd, dat uitgroeit tot een volbloed hardrocklied.
Pure pop mét saxofoon biedt Me and You, een primeur in de wereld van Byford die verder met zijn kompanen (meestal gitarist Fredrik Åkesson van Opeth, bassist Kostas Makrikostas en drummer Christian Lundqvist) hardrock/metal serveert.
Tweemaal deed bassist Nibbs Carter van Saxon mee en gitarist Phil Campbell, ex-Motörhead, assisteert op titellied School of Hard Knocks, waar klassieke hardrock klinkt. Byford bezingt hier de "universiteit van het leven" of eigenlijk zijn persoonlijke ervaringen. Een heerlijk nummer.
Al met al iets avontuurlijker dan het werk dat de laatste jaren bij Saxon is geserveerd. In ieder geval recht uit het hart en ondanks de kleine zijstapjes weet ik het nu zeker: Byford is een volbloed liefhebber van luide rock en metal.
Big Big Train - Ingenious Devices (2023)

4,0
2
geplaatst: 10 december 2023, 17:38 uur
Een aangenaam tussendoortje, dat is Ingenious Devices. Met de toegevoegde strijkers (zeventienkoppig) een sfeervolle bewerking van oudere nummers, waarop de twee jaar geleden zanger David Longdon is te horen en veel overige partijen nieuw zijn ingespeeld. Zo zijn in Voyager gitaar en viool toegevoegd. Toegankelijke en extra warme progrock is het gevolg.
Lekker genoeg om in mijn eindejaarslijstje te belanden. Als voorproefje van het in maart te verschijnen The Likes of Us verscheen vrijdag single Oblivion, dat alvast goed smaakt. Maar bij lange avonden eerst Ingenious Devices eens regelmatig opzetten.
Lekker genoeg om in mijn eindejaarslijstje te belanden. Als voorproefje van het in maart te verschijnen The Likes of Us verscheen vrijdag single Oblivion, dat alvast goed smaakt. Maar bij lange avonden eerst Ingenious Devices eens regelmatig opzetten.
Big Star - Radio City (1974)

1
geplaatst: 28 februari 2024, 07:58 uur
In februari 2022 schreef Stijn_Slayer bij het debuut #1 Record van Big Star uit 1972: “Het klinkt alsof de Beatles na Abbey Road nog een album maakten in het glamtijdperk.” Mooi omschreven!
Ik kom hier echter in een rondreis langs de wortels/invloeden van new wave en dat met andere oren, nadat Autobahn van Kraftwerk aan de beurt was geweest. Van Düsseldorf naar Memphis. Big Stars tweede plaat Radio City is geenszins een kopie van hun eersteling, waar ik nog geen hints op gitaarpop hoor zoals die in 1976 - '77 losbarstte.
Chris Bell is vertrokken en Big Star als trio blijkt twee jaar later naakter en pittiger. Muziek die mij beter ligt, zeker met het soms energieke drumwerk van Jody Stephens. In combinatie met de heldere, soms felle gitaarlicks van Alex Chilton is het alsof ik een prototype van The Police hoor, waar het op rustiger momenten op het nog te verschijnen werk van Tom Petty doet denken, zoals twee berichten hierboven terecht door dezelfde Stijn_Slayer opgemerkt.
Dat inventieve, soms felle drumwerk zit in opener O My Soul, sinds 2009 ook te vinden in singleversie en dat op de heruitgave op cd; in Back of a Car en mijn favorietje Septembur Gurls, een blauwdruk voor indiebandjes met gitaren die hierna ontstonden, tot op de dag van vandaag. Het puntige gitaarspel van Chilton klinkt alsof de liedjes morgen geschreven gaan worden.
Buitenbeentjes zijn Mod Lang, een knipoog naar het werk van gitarist Keith Richards en diens Rolling Stones; pianoballade Morpha Too bezit iets van de sfeer van het debuut, en weer anders is het folkachtige kleinood I'm in Love with a Girl.
Drie nummers werden overigens met een andere ritmesectie op band gezet: het al genoemde Mod Lang plus She's a Mover en What's Going Ahn. Deze drie werden ingespeeld door bassist Danny Jones en drummer Richard Rosebrough, wat qua drumwerk wel opvalt.
Mijn reis vervolgt met de volgende wavepionier: meer gitaarpop bij Milk 'n' Cookies.
Ik kom hier echter in een rondreis langs de wortels/invloeden van new wave en dat met andere oren, nadat Autobahn van Kraftwerk aan de beurt was geweest. Van Düsseldorf naar Memphis. Big Stars tweede plaat Radio City is geenszins een kopie van hun eersteling, waar ik nog geen hints op gitaarpop hoor zoals die in 1976 - '77 losbarstte.
Chris Bell is vertrokken en Big Star als trio blijkt twee jaar later naakter en pittiger. Muziek die mij beter ligt, zeker met het soms energieke drumwerk van Jody Stephens. In combinatie met de heldere, soms felle gitaarlicks van Alex Chilton is het alsof ik een prototype van The Police hoor, waar het op rustiger momenten op het nog te verschijnen werk van Tom Petty doet denken, zoals twee berichten hierboven terecht door dezelfde Stijn_Slayer opgemerkt.
Dat inventieve, soms felle drumwerk zit in opener O My Soul, sinds 2009 ook te vinden in singleversie en dat op de heruitgave op cd; in Back of a Car en mijn favorietje Septembur Gurls, een blauwdruk voor indiebandjes met gitaren die hierna ontstonden, tot op de dag van vandaag. Het puntige gitaarspel van Chilton klinkt alsof de liedjes morgen geschreven gaan worden.
Buitenbeentjes zijn Mod Lang, een knipoog naar het werk van gitarist Keith Richards en diens Rolling Stones; pianoballade Morpha Too bezit iets van de sfeer van het debuut, en weer anders is het folkachtige kleinood I'm in Love with a Girl.
Drie nummers werden overigens met een andere ritmesectie op band gezet: het al genoemde Mod Lang plus She's a Mover en What's Going Ahn. Deze drie werden ingespeeld door bassist Danny Jones en drummer Richard Rosebrough, wat qua drumwerk wel opvalt.
Mijn reis vervolgt met de volgende wavepionier: meer gitaarpop bij Milk 'n' Cookies.
Black Sabbath - "Live at Last" (1980)

3,5
2
geplaatst: 29 december 2022, 20:53 uur
Black Sabbath en livealbums, het is geen succesverhaal. In 1980, als kersverse fan van Black Sabbath, miste ik een liveplaat van de groep. Ik was een fan van deze categorie en verwachtte dat de geluidsmuren bij Sabbath hui-zen-hoog zouden zijn.
Vervolgens kwam "Live at Last" bijzonder onverwacht. Omdat ie in (najaar?) 1980 verscheen, verwachtte ik ook werk van hun laatste drie albums uit de jaren '70 te gaan horen, de tournee bij Never Say Die!, de laatste met zanger Ozzy Osbourne. Leek me logisch.
De hoes bekeek ik in de winkel. Deze gaf bijzonder weinig informatie, behalve dat ik te weten kwam dat er geen werk op klinkt van de studioalbums vanaf 1975. Wat me bij voorbaat tegenviel, was dat het geen dubbelaar was zoals vele andere bands zo succesvol hadden gedaan. Ook geen mooie livefoto's. Wat was hier aan de hand?
Na verloop van lange tijd landde de elpee dan eindelijk op mijn platenspeler, van iemand geleend. Naast de tegenvallende setlist viel ook het geluid tegen. Deze was iel en dof, de gitaarmuren kwam slechts tot mijn enkels. Teleurgesteld haalde ik de zwarte schijf er weer af, een illusie rijker. Mijn überfavorieten haalden een dikke onvoldoende...
Tsja, later leerde ik bij. Platenmaatschappij NEMS wilde cashen op de herlevende belangstelling voor zowel Black Sabbath als Ozzy solo. Daarbij mocht het hen niet teveel kosten. Daarom wél maanfoto's (ongetwijfeld rechtenvrij) en geen fatsoenlijke achtergrondinformatie op de hoes, zoals waar en wanneer de boel was opgenomen.
Zo teleurgesteld als ik toen was, zo opgelucht was ik medio 2015 toen ik de heruitgave op Past Lives had aangeschaft. Dit viel alleszins mee. De audiokwaliteit is beduidend opgeschroefd en met de uitgebreide liner notes leerde ik meer over deze opnamen uit 1973. Met terugwerkende kracht was het alsnog aangenaam. Het gehoopte omvergeblazen worden heb ik echter nooit hierbij beleefd.
Voor die laatste versie geef ik 3,5 ster, waar ik in de jaren '80 zo'n 2,5 ster of minder had gegeven.
Vervolgens kwam "Live at Last" bijzonder onverwacht. Omdat ie in (najaar?) 1980 verscheen, verwachtte ik ook werk van hun laatste drie albums uit de jaren '70 te gaan horen, de tournee bij Never Say Die!, de laatste met zanger Ozzy Osbourne. Leek me logisch.
De hoes bekeek ik in de winkel. Deze gaf bijzonder weinig informatie, behalve dat ik te weten kwam dat er geen werk op klinkt van de studioalbums vanaf 1975. Wat me bij voorbaat tegenviel, was dat het geen dubbelaar was zoals vele andere bands zo succesvol hadden gedaan. Ook geen mooie livefoto's. Wat was hier aan de hand?
Na verloop van lange tijd landde de elpee dan eindelijk op mijn platenspeler, van iemand geleend. Naast de tegenvallende setlist viel ook het geluid tegen. Deze was iel en dof, de gitaarmuren kwam slechts tot mijn enkels. Teleurgesteld haalde ik de zwarte schijf er weer af, een illusie rijker. Mijn überfavorieten haalden een dikke onvoldoende...
Tsja, later leerde ik bij. Platenmaatschappij NEMS wilde cashen op de herlevende belangstelling voor zowel Black Sabbath als Ozzy solo. Daarbij mocht het hen niet teveel kosten. Daarom wél maanfoto's (ongetwijfeld rechtenvrij) en geen fatsoenlijke achtergrondinformatie op de hoes, zoals waar en wanneer de boel was opgenomen.
Zo teleurgesteld als ik toen was, zo opgelucht was ik medio 2015 toen ik de heruitgave op Past Lives had aangeschaft. Dit viel alleszins mee. De audiokwaliteit is beduidend opgeschroefd en met de uitgebreide liner notes leerde ik meer over deze opnamen uit 1973. Met terugwerkende kracht was het alsnog aangenaam. Het gehoopte omvergeblazen worden heb ik echter nooit hierbij beleefd.
Voor die laatste versie geef ik 3,5 ster, waar ik in de jaren '80 zo'n 2,5 ster of minder had gegeven.
Black Sabbath - 13 (2013)

3,5
0
geplaatst: 20 mei 2025, 22:51 uur
Veel aandacht voor 13 bij de verschijning. Zelfs het degelijke Nieuwsweekend (toen nog bij AVROTROS) op NPO Radio 1 nodigde Robert Haagsma uit voor een gesprek hierover. Hij vertelde nog eens wat de bladen meldden: de terugkeer van Black Sabbath met Ozzy Osbourne bij de microfoon.
Teleurgesteld was ik met het nieuws dat dit helaas helaas helaas zonder drummer Bill Ward was, die zich had teruggetrokken. Gekrenkt door een uitspraak van Osbourne over zijn conditie en ook financieel zou hij zijn benadeeld. Nog in 2015 etterde de ruzie voort.
Producer Rick Rubin pakte het op dezelfde wijze aan als met Johnny Cash (de reeks American Recordings, 1994-2010) en Neil Diamond (12 Songs, 2005): terug naar de wortels. Dat had fraaie albums opgeleverd, bij Rubins Metallica (Death Magnetic, 2008) vond ik de opbrengst magerder. In het geval van Black Sabbath hield hij hen voor: "Vergeet alle lofzangen dat jullie de grondleggers van heavy metal zijn en probeer zo spontaan mogelijk de muziek uit je beginjaren te maken".
Ik kocht de 2cd-versie en mij verging het zoals velen: aanvankelijk vond ik het lekker, na vaker draaien ging de smaak er echter snel vanaf. De voorbije dagen heb ik 'm uit de mottenballen gevist; wat is hier aan de hand?
Wel, de nummers lijken teveel op elkaar. Opener End of the Beginning is sterk: eerst log, dan versnellen met bovendien het typische razendsnelle gepriegel van Iommi in de solo's, ook nu weer meeslepend. Maar met wederom logheid in God is Dead? en een versnelling in het tweede deel is 't minder spannend, ondanks de tekst met de herkenbare hand van bassist Geezer Butler.
Hetzelfde geldt voor The Loner. Als nét iets mindere versies van het startlied, wordt het wat eentonig. Ik had op iets snellers gehoopt als Paranoid, Lord of This World of Symptom of the Universe of Never Say Die... Variatie biedt zich aan middels Zeitgeist, maar dat blijkt een al te opzichtige poging om Planet Caravan uit 1970 nog eens over te doen. De kalme, jazzachtige gitaarsolo redt het nummer echter.
Tweede helft. Age of Reason lijkt aanvankelijk de logge koers te vervolgen, maar op 2'20" tovert Iommi een fraaie melodie tevoorschijn die lucht brengt. Die wordt gevolgd door een volgende riff plus zang. Dankzij meer tempowisselingen, een fraaie gitaarsolo en een subtiel toetsentapijtje (door wie ingespeeld? De hoes zwijgt erover) mijn tweede favoriet.
Een swingende riff in het eerste deel van Live Forever wordt afgewisseld met trage delen. Het heeft opnieuw iets van een herhalingsoefening. Blues in Damaged Soul; de bijna acht minuten hadden bij zes mogen blijven. Desondanks lekkere details op hi-hat van gastdrummer Brad Wilk en pakkend is de jankende mondharmonica van Osbourne, net als de (verwachte) versnelling in het laatste deel. Het wint de bronzen plak.
Met Dear Father meer muziek als menig track hiervoor: eerst traag, dan sneller. Zo flippert het heen en weer tot het slot. Hierin keert de oerriff van Black Sabbath terug mét de regen en kerkklok uit de eerste tonen van het debuut. De cirkel is rond: slim!
Op cd 2 staan drie nummers. Methademic begint akoestisch en blijkt vervolgens uptempo en fel. Had ik wel op de eerste schijf gewenst ten koste van track 2, 3, of 6. In de categorie van die drie nummers zit helaas ook Peace of Mind, waarna het vlottere Pariah eveneens van mij op de eerste cd had gemogen.
Bij dit alles mis ik de swingende drumstijl van Bill Ward en had er bij ten minste één nummer wel iets experimentelers gemogen, zoals Iommi probeerde ten tijde van de elpee Sabbath Bloody Sabbath. Had bijvoorbeeld Rick of Adam Wakeman uitgenodigd...
In 2013 was er een grote mediacampagne met onder meer een verschijning bij tv-serie CSI, die ik inmiddels hier aantref. Opvallend veel vrouwelijk schoon in het publiek, van een leeftijd waarop ze de kleindochters van de Sabs konden zijn. Dit alles maakte 13 tot hun eerste Amerikaanse #1-album.
En toch. Te geforceerd wordt geprobeerd te doen alsof het 1970 is, waarbij Ward node wordt gemist. Spontaan de muziek uit je beginjaren maken, lukte zelfs niet met baardman Rubin. Een krappe 7.
Teleurgesteld was ik met het nieuws dat dit helaas helaas helaas zonder drummer Bill Ward was, die zich had teruggetrokken. Gekrenkt door een uitspraak van Osbourne over zijn conditie en ook financieel zou hij zijn benadeeld. Nog in 2015 etterde de ruzie voort.
Producer Rick Rubin pakte het op dezelfde wijze aan als met Johnny Cash (de reeks American Recordings, 1994-2010) en Neil Diamond (12 Songs, 2005): terug naar de wortels. Dat had fraaie albums opgeleverd, bij Rubins Metallica (Death Magnetic, 2008) vond ik de opbrengst magerder. In het geval van Black Sabbath hield hij hen voor: "Vergeet alle lofzangen dat jullie de grondleggers van heavy metal zijn en probeer zo spontaan mogelijk de muziek uit je beginjaren te maken".
Ik kocht de 2cd-versie en mij verging het zoals velen: aanvankelijk vond ik het lekker, na vaker draaien ging de smaak er echter snel vanaf. De voorbije dagen heb ik 'm uit de mottenballen gevist; wat is hier aan de hand?
Wel, de nummers lijken teveel op elkaar. Opener End of the Beginning is sterk: eerst log, dan versnellen met bovendien het typische razendsnelle gepriegel van Iommi in de solo's, ook nu weer meeslepend. Maar met wederom logheid in God is Dead? en een versnelling in het tweede deel is 't minder spannend, ondanks de tekst met de herkenbare hand van bassist Geezer Butler.
Hetzelfde geldt voor The Loner. Als nét iets mindere versies van het startlied, wordt het wat eentonig. Ik had op iets snellers gehoopt als Paranoid, Lord of This World of Symptom of the Universe of Never Say Die... Variatie biedt zich aan middels Zeitgeist, maar dat blijkt een al te opzichtige poging om Planet Caravan uit 1970 nog eens over te doen. De kalme, jazzachtige gitaarsolo redt het nummer echter.
Tweede helft. Age of Reason lijkt aanvankelijk de logge koers te vervolgen, maar op 2'20" tovert Iommi een fraaie melodie tevoorschijn die lucht brengt. Die wordt gevolgd door een volgende riff plus zang. Dankzij meer tempowisselingen, een fraaie gitaarsolo en een subtiel toetsentapijtje (door wie ingespeeld? De hoes zwijgt erover) mijn tweede favoriet.
Een swingende riff in het eerste deel van Live Forever wordt afgewisseld met trage delen. Het heeft opnieuw iets van een herhalingsoefening. Blues in Damaged Soul; de bijna acht minuten hadden bij zes mogen blijven. Desondanks lekkere details op hi-hat van gastdrummer Brad Wilk en pakkend is de jankende mondharmonica van Osbourne, net als de (verwachte) versnelling in het laatste deel. Het wint de bronzen plak.
Met Dear Father meer muziek als menig track hiervoor: eerst traag, dan sneller. Zo flippert het heen en weer tot het slot. Hierin keert de oerriff van Black Sabbath terug mét de regen en kerkklok uit de eerste tonen van het debuut. De cirkel is rond: slim!
Op cd 2 staan drie nummers. Methademic begint akoestisch en blijkt vervolgens uptempo en fel. Had ik wel op de eerste schijf gewenst ten koste van track 2, 3, of 6. In de categorie van die drie nummers zit helaas ook Peace of Mind, waarna het vlottere Pariah eveneens van mij op de eerste cd had gemogen.
Bij dit alles mis ik de swingende drumstijl van Bill Ward en had er bij ten minste één nummer wel iets experimentelers gemogen, zoals Iommi probeerde ten tijde van de elpee Sabbath Bloody Sabbath. Had bijvoorbeeld Rick of Adam Wakeman uitgenodigd...
In 2013 was er een grote mediacampagne met onder meer een verschijning bij tv-serie CSI, die ik inmiddels hier aantref. Opvallend veel vrouwelijk schoon in het publiek, van een leeftijd waarop ze de kleindochters van de Sabs konden zijn. Dit alles maakte 13 tot hun eerste Amerikaanse #1-album.
En toch. Te geforceerd wordt geprobeerd te doen alsof het 1970 is, waarbij Ward node wordt gemist. Spontaan de muziek uit je beginjaren maken, lukte zelfs niet met baardman Rubin. Een krappe 7.
Black Sabbath - Black Sabbath (1970)

5,0
6
geplaatst: 4 februari 2022, 23:24 uur
Het was ergens in 1982. Black Sabbath met Dio was mijn zolderkamer binnengedenderd en ik las lovende verhalen over ex-zanger Ozzy Osbourne, die een veelbelovende solocarrière was gestart. Het eerdere werk lonkte. Nadat ik uit de fonotheek verzamelaar We Sold Our Soul for Rock 'N' Roll leende, trok hun debuut mij onweerstaanbaar aan.
Ik bekeek in de winkel nog eens die hoes… Een enge dame in het zwart, staande in een naargeestige omgeving. De achterkant van de klaphoes draaide ik omhoog, waarmee het landschap-met-watermolen werd verdubbeld. Aan de andere zijde: een omgekeerd kruis, een gedicht en informatie over de plaat.
Bij thuiskomst vooral niet de plaat aan mijn ouders tonen, dit zouden ze niet goedkeuren! Snel naar zolder. Even later klonken onheilspellende regen, onweer, een kerkklok in de verte en dan de befaamde riff. Het gedicht op de hoes las ik aandachtig. Aha, dat slaat op de titelsong! “Still falls the rain…” Dan verrijst de gitaarmuur, de huilende zang van Ossie Osborne, zoals de hoes zijn naam spelt. Een versnelling volgt en tenslotte de aparte manier van afsluiten.
The Wizard kende ik van diezelfde verzamelaar, heerlijke song, waarna het mij onbekende deel volgde: om te beginnen Behind the Wall of Sleep, prachtige titel alleen al, zang die afwisselend van links en rechts komt. Na een bassolo volgt het intro van NIB. Waar in de opener de duivel nog wordt afgewezen, komt hij hier heel dichtbij zijn hand aanbieden. Nee dank u, ook al is het verpakt in alweer prachtriffs.
Ook de B-kant heb ik ontelbare malen gedraaid. Na Evil Woman met haar simpele en toch verslavende refrein, volgden twee nummers waarbij het vanaf vinyl lastig was te onderscheiden waar de eerste eindigde en de tweede begon, ook al omdat een tekstvel niet was bijgeleverd. Sleeping Village begint akoestisch en klaaglijk, waarna de gitaarmuren er weer zijn, twee gitaarsolo’s door elkaar klinken en een soundscape van Iommi. Dan volgt een bassolo, naar ik aannam het begin van Warning.
De compositie is onvoorspelbaar, niet van het soort couplet-refrein-brug, maar vol ideeën, tempowisselingen, gitaarsolo’s die meestal niet snel maar wél pakkend zijn en het dansende basspel van Geezer Butler.
Gaandeweg werd dit mijn favoriete nummer van de plaat. Delen van de tekst gebruikte ik enige tijd later bij een opstel voor Engels, uit het hoofd, in mijn hoofd geramd door het vele draaien: “The sea began to shiver…” De docente vond het een merkwaardig verhaal, begreep ik uit haar blik toen ik het becijferd terugkreeg. Wel met een mooie voldoende.
Ik heb vanavond alle 9 pagina’s aan berichten bij dit album doorgelezen en zag daar al snel de discussie oplaaien of dit nu wel of niet de eerste metalplaat ooit was.
De Popencyclopedie van Oor houdt het terecht bij een “uitermate heavy album”. Net als tijdgenoten sloeg Black Sabbath vanuit bluesrock nieuwe wegen in, geholpen door de uitdijende mogelijkheden van de elektrische gitaar(effecten). Met een swingende ritmesectie als deze (Bill Ward is hier al zo goed!) winnen de riffmuren van Iommi extra kracht. Wat Black Sabbath bovendien anders maakt dan o.a. Blue Cheer, Iron Butterfly, Led Zeppelin en MC5 is de ijzingwekkende kleur van Ozzy’s stem, perfect passend bij de duistere sferen.
Een piepjonge Rodger Bain, "niet veel ouder dan wij" aldus Iommi, leverde ondanks de korte opnametijd en het beperkte budget een knappe prestatie, door de sfeer perfect te laten klinken.
Hoe demystificerend zijn de biografieën Iron Man (Tony Iommi, 2011) en I Am Ozzy (juist, hij, 2009). De plaat werd opgenomen in oktober ’69 in een studio van het formaat huiskamer, op vier sporen. Het omgekeerde kruis op de hoes? “Dat wilden wij niet, idee van de platenmaatschappij, we zagen het pas toen we de hoes onder ogen kregen; het opende allerlei blikken met wormen voor ons.”
Satanisme, occultisme? “We gingen kruizen om de nek dragen, gemaakt door de vader van Ozzy om het eventuele kwaad van zulke fans te weren.” Dezelfde Ozzy die enkele van deze fans in Amerika overviel door, terwijl zij in de gang van Sabbaths hotel in een cirkel rond kaarsen zaten, vanuit zijn kamer op hen af te stappen en ‘Happy birthday’ te zingen, alsof de occultisten een verjaardagsfeestje vierden. Het hielp, ze vertrokken.
Betekent N.I.B. nativity in black? Nee, dat is weer “typisch Amerikaans”, aldus Iommi; het was "een grap, de bijnaam van Bill Ward, vanwege de vorm van zijn gezicht met baard, nét een pennenpunt [pen nib]”. Je valt van de ene anekdote in de andere.
Uit de biografieën rijst het verhaal van vier arbeidersjongens, waarvan twee met een katholieke opvoeding. Dat laatste bepaalde hun blik op de wereld, zie bijvoorbeeld de vredesboodschappen op hun volgende elpee. Dat fans rond het griezelimago zulke verhalen verzonnen, daarover schudden de bandleden meewarig het hoofd.
Tegelijkertijd hielden ze de mythe ook in stand: geef zo min mogelijk interviews, dat maakt ons geheimzinniger, was het devies in die dagen.
Internet ontnuchtert verder. De jongedame op de hoes werd in 2020 getraceerd en de spookachtige watermolen zit ook in de film The Eagle has Landed (1976). Met zo’n titel (Saxon!) móest ik die zien: een spannend oorlogsdrama met de molen op warme zomerdagen in een knus Engels dorpje.
Ik zet de B-kant weer eens op. Inmiddels van cd, dus vanaf track 5. Blueshardmetalrock 2.0. Of hoe je het ook wil noemen. Ik vind het gewoon lekker.
Ik bekeek in de winkel nog eens die hoes… Een enge dame in het zwart, staande in een naargeestige omgeving. De achterkant van de klaphoes draaide ik omhoog, waarmee het landschap-met-watermolen werd verdubbeld. Aan de andere zijde: een omgekeerd kruis, een gedicht en informatie over de plaat.
Bij thuiskomst vooral niet de plaat aan mijn ouders tonen, dit zouden ze niet goedkeuren! Snel naar zolder. Even later klonken onheilspellende regen, onweer, een kerkklok in de verte en dan de befaamde riff. Het gedicht op de hoes las ik aandachtig. Aha, dat slaat op de titelsong! “Still falls the rain…” Dan verrijst de gitaarmuur, de huilende zang van Ossie Osborne, zoals de hoes zijn naam spelt. Een versnelling volgt en tenslotte de aparte manier van afsluiten.
The Wizard kende ik van diezelfde verzamelaar, heerlijke song, waarna het mij onbekende deel volgde: om te beginnen Behind the Wall of Sleep, prachtige titel alleen al, zang die afwisselend van links en rechts komt. Na een bassolo volgt het intro van NIB. Waar in de opener de duivel nog wordt afgewezen, komt hij hier heel dichtbij zijn hand aanbieden. Nee dank u, ook al is het verpakt in alweer prachtriffs.
Ook de B-kant heb ik ontelbare malen gedraaid. Na Evil Woman met haar simpele en toch verslavende refrein, volgden twee nummers waarbij het vanaf vinyl lastig was te onderscheiden waar de eerste eindigde en de tweede begon, ook al omdat een tekstvel niet was bijgeleverd. Sleeping Village begint akoestisch en klaaglijk, waarna de gitaarmuren er weer zijn, twee gitaarsolo’s door elkaar klinken en een soundscape van Iommi. Dan volgt een bassolo, naar ik aannam het begin van Warning.
De compositie is onvoorspelbaar, niet van het soort couplet-refrein-brug, maar vol ideeën, tempowisselingen, gitaarsolo’s die meestal niet snel maar wél pakkend zijn en het dansende basspel van Geezer Butler.
Gaandeweg werd dit mijn favoriete nummer van de plaat. Delen van de tekst gebruikte ik enige tijd later bij een opstel voor Engels, uit het hoofd, in mijn hoofd geramd door het vele draaien: “The sea began to shiver…” De docente vond het een merkwaardig verhaal, begreep ik uit haar blik toen ik het becijferd terugkreeg. Wel met een mooie voldoende.
Ik heb vanavond alle 9 pagina’s aan berichten bij dit album doorgelezen en zag daar al snel de discussie oplaaien of dit nu wel of niet de eerste metalplaat ooit was.
De Popencyclopedie van Oor houdt het terecht bij een “uitermate heavy album”. Net als tijdgenoten sloeg Black Sabbath vanuit bluesrock nieuwe wegen in, geholpen door de uitdijende mogelijkheden van de elektrische gitaar(effecten). Met een swingende ritmesectie als deze (Bill Ward is hier al zo goed!) winnen de riffmuren van Iommi extra kracht. Wat Black Sabbath bovendien anders maakt dan o.a. Blue Cheer, Iron Butterfly, Led Zeppelin en MC5 is de ijzingwekkende kleur van Ozzy’s stem, perfect passend bij de duistere sferen.
Een piepjonge Rodger Bain, "niet veel ouder dan wij" aldus Iommi, leverde ondanks de korte opnametijd en het beperkte budget een knappe prestatie, door de sfeer perfect te laten klinken.
Hoe demystificerend zijn de biografieën Iron Man (Tony Iommi, 2011) en I Am Ozzy (juist, hij, 2009). De plaat werd opgenomen in oktober ’69 in een studio van het formaat huiskamer, op vier sporen. Het omgekeerde kruis op de hoes? “Dat wilden wij niet, idee van de platenmaatschappij, we zagen het pas toen we de hoes onder ogen kregen; het opende allerlei blikken met wormen voor ons.”
Satanisme, occultisme? “We gingen kruizen om de nek dragen, gemaakt door de vader van Ozzy om het eventuele kwaad van zulke fans te weren.” Dezelfde Ozzy die enkele van deze fans in Amerika overviel door, terwijl zij in de gang van Sabbaths hotel in een cirkel rond kaarsen zaten, vanuit zijn kamer op hen af te stappen en ‘Happy birthday’ te zingen, alsof de occultisten een verjaardagsfeestje vierden. Het hielp, ze vertrokken.
Betekent N.I.B. nativity in black? Nee, dat is weer “typisch Amerikaans”, aldus Iommi; het was "een grap, de bijnaam van Bill Ward, vanwege de vorm van zijn gezicht met baard, nét een pennenpunt [pen nib]”. Je valt van de ene anekdote in de andere.
Uit de biografieën rijst het verhaal van vier arbeidersjongens, waarvan twee met een katholieke opvoeding. Dat laatste bepaalde hun blik op de wereld, zie bijvoorbeeld de vredesboodschappen op hun volgende elpee. Dat fans rond het griezelimago zulke verhalen verzonnen, daarover schudden de bandleden meewarig het hoofd.
Tegelijkertijd hielden ze de mythe ook in stand: geef zo min mogelijk interviews, dat maakt ons geheimzinniger, was het devies in die dagen.
Internet ontnuchtert verder. De jongedame op de hoes werd in 2020 getraceerd en de spookachtige watermolen zit ook in de film The Eagle has Landed (1976). Met zo’n titel (Saxon!) móest ik die zien: een spannend oorlogsdrama met de molen op warme zomerdagen in een knus Engels dorpje.
Ik zet de B-kant weer eens op. Inmiddels van cd, dus vanaf track 5. Blueshardmetalrock 2.0. Of hoe je het ook wil noemen. Ik vind het gewoon lekker.
Black Sabbath - Born Again (1983)

4,5
4
geplaatst: 4 december 2022, 20:39 uur
Vanmiddag las ik het bericht dat Ian Gillan twee weken geleden weduwnaar is geworden. Heb daarom Born Again opgezet. Hierop staat namelijk Keep it Warm, met een tekst van de zanger over zijn toen kersverse lief.
In 1982 of '83 kwam het gerucht dat Gillan de nieuwe zanger van Black Sabbath zou worden, waarna we op het schoolplein grappen maakten over Black Purple en Deep Sabbath. Zou het kloppen? Op zekere avond presenteerde hij eenmalig op BBC Radio 1 de Friday Rock Show, openend met Paranoid. Ik wist genoeg, dit was zijn hint. Er was meer goed nieuws: Bill Ward bleek te zijn teruggekeerd, waar ik erg blij mee was, fantastische drummer immers!
Het werd september. Fietsen naar de Grote Stad om hem te kopen. De buitenhoes vond ik apart qua voorzijde, de foto's en lettering op de achterzijde prachtig. Nog nieuwsgieriger terug. Toen ik thuis de binnenhoes eruit haalde, bleek die bovendien prachtig met -handig! - de teksten. Handgeschreven, leerde ik veel later.
Het album opende met knaller Trashed, waarvan de muziek mij aan Neon Knights van drie jaar eerder deed denken. Ik was meer dan aangenaam verrast: Gillan krijst en gilt als nooit tevoren, enthousiast als een jonge hond. Dit om critici de mond snoeren, vermoedde ik.
De inbreng van toetsenist Geoff Nichols kende ik van de vorige twee studioalbums; spaarzaam maar raak. Hier staat hij al op het tweede nummer in de schijnwerpers met het dreigende en instrumentale Stonehenge, dat ertoe leidt dat Disturbing the Priest (echt gebeurd, over een priester die kwam klagen over de geluidsoverlast) extra zwaar wordt.
Ik was dus enthousiast, ondanks de ietwat modderige productie, waarmee ook Iommi en bassist Geezer Butler later ontevreden bleken te zijn. Er schijnt wederom iets te zijn misgegaan bij het mixen en/of masteren, net als bij Live Evil het jaar ervoor. Na de soundscape van The Dark volgt de snelle basriff van Zero the Hero, die qua geluid wat zompig klinkt. Deze keer konden ze niet Dio de schuld geven…
Op de B-zijde volgt na het uptempo Digital Bitch de doemerige titeltrack, welke sterk is opgebouwd. Opnieuw viel op dat Iommi her en der prachtig soleert. Het summum hiervan klinkt op de afsluiter, over Gillans kersverse vriendin. Iommi’s kenmerkende soleerstijl is hier weer eens fenomenaal: de solo begint langzaam en melodieus, waarna riff en solo versnellen naar een pakkende climax.
De recensenten waren het oneens met mij. Zo schreef Hans van den Heuvel de plaat in Oor af als een verzameling van restriffjes, kliekjes van vorige albums. Zie hier voor het fragment dat dazzler hieruit citeert in zijn topic OORdelen.
Ik zie dat nog steeds anders: op Hot Line na bevielen alle nummers me heel goed. Gevarieerd in tempo's met heerlijke riffs en gitaarsolo's, Ward die sterk drumt en een zanger in topvorm.
Idem voor de speciale editie (2cd) die ik enkele jaren geleden aanschafte. Na het onuitgebrachte en sterke The Fallen en de volledige versie van Stonehenge volgt een deel van het concert dat de band in augustus 1983 gaf op het Reading Festival. Opvallend is dat het werk met Dio werd overgeslagen (op de riff van Heaven and Hell in het uittro van Paranoid na) en dat Deep Purples Smoke on the Water niet ontbrak.
Ward is dan inmiddels vervangen; hij was helaas weer aan de fles. Interimdrummer was de van Electric Light Orchestra geleende Bev Bevan, ook uit Birmingham. Indertijd heb ik deze show in de Friday Rock Show gehoord en van cd valt me wederom op dat het publiek anders over deze “volledig doodgeboren” (aldus Oor’s Popencyclopedie) plaat oordeelde dan menig recensent. Hoor het bijvoorbeeld eens meezingen in War Pigs, waar Gillan zich wederom helemaal geeft.
Over de totstandkoming van Born Again las ik meer grappige anekdotes in Iommi’s biografie Iron Man (2011). Hij en Gillan waren het in een pub stomdronken eens geworden over diens toetreding tot Black Sabbath, daarmee hun stomverbaasde managers passerend. Tijdens de opnamen verbleef de zanger in een grote tipi op het terrein bij de studio, gefascineerd door de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika. Geheel in stijl groeide zijn haar tot zijn kont, aldus de vrouw die hij het jaar erop huwde.
Iommi kijkt minzaam terug op dit curieuze hoofdstuk in de groepshistorie, voorproeverij van latere samenwerkingen tussen de gitarist en de zanger. De band klinkt uiteraard anders dan met voorgangers Ozzy Osbourne en Ronnie James Dio, maar dan wel anders-prachtig.
Iommi meldde in 2021 dat de mastertapes zijn teruggevonden, waarmee er waarschijnlijk een remix van dit album gaat komen. Ketwiezel is nieuwsgierig, ik teken alvast in.
In 1982 of '83 kwam het gerucht dat Gillan de nieuwe zanger van Black Sabbath zou worden, waarna we op het schoolplein grappen maakten over Black Purple en Deep Sabbath. Zou het kloppen? Op zekere avond presenteerde hij eenmalig op BBC Radio 1 de Friday Rock Show, openend met Paranoid. Ik wist genoeg, dit was zijn hint. Er was meer goed nieuws: Bill Ward bleek te zijn teruggekeerd, waar ik erg blij mee was, fantastische drummer immers!
Het werd september. Fietsen naar de Grote Stad om hem te kopen. De buitenhoes vond ik apart qua voorzijde, de foto's en lettering op de achterzijde prachtig. Nog nieuwsgieriger terug. Toen ik thuis de binnenhoes eruit haalde, bleek die bovendien prachtig met -handig! - de teksten. Handgeschreven, leerde ik veel later.
Het album opende met knaller Trashed, waarvan de muziek mij aan Neon Knights van drie jaar eerder deed denken. Ik was meer dan aangenaam verrast: Gillan krijst en gilt als nooit tevoren, enthousiast als een jonge hond. Dit om critici de mond snoeren, vermoedde ik.
De inbreng van toetsenist Geoff Nichols kende ik van de vorige twee studioalbums; spaarzaam maar raak. Hier staat hij al op het tweede nummer in de schijnwerpers met het dreigende en instrumentale Stonehenge, dat ertoe leidt dat Disturbing the Priest (echt gebeurd, over een priester die kwam klagen over de geluidsoverlast) extra zwaar wordt.
Ik was dus enthousiast, ondanks de ietwat modderige productie, waarmee ook Iommi en bassist Geezer Butler later ontevreden bleken te zijn. Er schijnt wederom iets te zijn misgegaan bij het mixen en/of masteren, net als bij Live Evil het jaar ervoor. Na de soundscape van The Dark volgt de snelle basriff van Zero the Hero, die qua geluid wat zompig klinkt. Deze keer konden ze niet Dio de schuld geven…
Op de B-zijde volgt na het uptempo Digital Bitch de doemerige titeltrack, welke sterk is opgebouwd. Opnieuw viel op dat Iommi her en der prachtig soleert. Het summum hiervan klinkt op de afsluiter, over Gillans kersverse vriendin. Iommi’s kenmerkende soleerstijl is hier weer eens fenomenaal: de solo begint langzaam en melodieus, waarna riff en solo versnellen naar een pakkende climax.
De recensenten waren het oneens met mij. Zo schreef Hans van den Heuvel de plaat in Oor af als een verzameling van restriffjes, kliekjes van vorige albums. Zie hier voor het fragment dat dazzler hieruit citeert in zijn topic OORdelen.
Ik zie dat nog steeds anders: op Hot Line na bevielen alle nummers me heel goed. Gevarieerd in tempo's met heerlijke riffs en gitaarsolo's, Ward die sterk drumt en een zanger in topvorm.
Idem voor de speciale editie (2cd) die ik enkele jaren geleden aanschafte. Na het onuitgebrachte en sterke The Fallen en de volledige versie van Stonehenge volgt een deel van het concert dat de band in augustus 1983 gaf op het Reading Festival. Opvallend is dat het werk met Dio werd overgeslagen (op de riff van Heaven and Hell in het uittro van Paranoid na) en dat Deep Purples Smoke on the Water niet ontbrak.
Ward is dan inmiddels vervangen; hij was helaas weer aan de fles. Interimdrummer was de van Electric Light Orchestra geleende Bev Bevan, ook uit Birmingham. Indertijd heb ik deze show in de Friday Rock Show gehoord en van cd valt me wederom op dat het publiek anders over deze “volledig doodgeboren” (aldus Oor’s Popencyclopedie) plaat oordeelde dan menig recensent. Hoor het bijvoorbeeld eens meezingen in War Pigs, waar Gillan zich wederom helemaal geeft.
Over de totstandkoming van Born Again las ik meer grappige anekdotes in Iommi’s biografie Iron Man (2011). Hij en Gillan waren het in een pub stomdronken eens geworden over diens toetreding tot Black Sabbath, daarmee hun stomverbaasde managers passerend. Tijdens de opnamen verbleef de zanger in een grote tipi op het terrein bij de studio, gefascineerd door de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika. Geheel in stijl groeide zijn haar tot zijn kont, aldus de vrouw die hij het jaar erop huwde.
Iommi kijkt minzaam terug op dit curieuze hoofdstuk in de groepshistorie, voorproeverij van latere samenwerkingen tussen de gitarist en de zanger. De band klinkt uiteraard anders dan met voorgangers Ozzy Osbourne en Ronnie James Dio, maar dan wel anders-prachtig.
Iommi meldde in 2021 dat de mastertapes zijn teruggevonden, waarmee er waarschijnlijk een remix van dit album gaat komen. Ketwiezel is nieuwsgierig, ik teken alvast in.
Black Sabbath - Cross Purposes (1994)

3,5
1
geplaatst: 28 juni 2024, 11:19 uur
In zijn bio Iron Man vertelt Tony Iommi over de aanloop naar Cross Purposes: hoe Dio de groep verliet en voor twee shows werd vervangen door Rob Halford, met nog steeds Vinny Appice op de drumkruk die wél de tour met de groep afmaakte. Maar vooral gaat het over hoe Iommi werd gearresteerd in Californië omdat hij geen kinderalimentatie zou hebben betaald, in een bedreigende situatie in een cel zat, op borgtocht vrijkwam en zes weken in Florida wachtte tot hij zijn paspoort terug kreeg.
Eenmaal thuis in Engeland gaat het echter voorspoedig. Bobby Rondinelli belt omdat hij weet dat Appice weg is: "Kan ik komen?" Zijn stijl en persoon blijken goed aan te sluiten. En natuurlijk wordt zanger Tony Martin terug gevraagd, ook al heeft Iommi kritiek op diens podiumpresentatie: "He was very amateurish as far as that [his performance] was concerned. Overnight he went from working only local little venues in Birmingham to big stages everywhere."
Producer wordt Leif Mases, omdat de samenwerking met hem bij het nummer Time Machine op de soundtrack van Wayne's World goed was bevallen. In mijn oren deed hij een prima klus op Cross Purposes. Daarbij zit in Iommi's riffs soms iets dat verwijst naar de jaren '70. Ik zal ze dadelijk aantippen.
Martin zingt wederom sterk, nooit echter word ik geraakt door zijn stem - kwestie van smaak. Maar altijd staan er op een album van Sabbath wel weer riffs en solo's van Iommi die me pakken.
Mijn hoogtepunten zijn allereerst de opener, het uptempo I Witness met sterke riffs, swingende baslijnen en vlak voor het slot even vertragen met zo'n lekkere doomriff.
In Cross of Thorns is de gitaarsolo is mjammie, zij het te kort. Virtual Death heeft de klassieke doomriff, inclusief basintro en bovendien lekker gedrumd - alleen geen gitaarsolo?! Immaculate Deception begint eveneens slepend maar kent ook snelle delen én een solo, zij het niet zo spannend.
Dying for Love is warm-sferisch als Iommi's pseudo-soloplaat Seventh Star (1986). Plus details in de introsolo waar ik met de typische timing wél van opveer; het nummer wordt gaandeweg zwaarder maar duurt me te lang.
De swingende riff van Back to Eden heeft weg van All Moving Parts (Stand Still) van Technical Ecstacy (1976). Een los jaren '70-gevoel, met de zang van Martin en de productie in 1994-jasje en Iommi's twee solo's duren me veuls te kort.
Cardinal Sin gaat over een priester die zijn kind 21 jaar verborg. "That would be a very topical song now," meldt Iommi droogjes op, verwijzend naar de verhalen die nadien volgden. Weer een trage riff, maar deze pakt minder en de versnelling komt te laat.
Evil Eye is het nummer waarop Eddie Van Halen kwam meespelen. Als Iommi hem van het hotel ophaalt, wordt op verzoek van Eddie onderweg een kratje bier gescoord. De Amerikaan raakt dronken maar "he played a great solo over it. Unfortunately we didn't record it properly on our little tape player so I never got a chance to hear it!" Is het iemand opgevallen dat de riff wegheeft van die van Sabbath Bloody Sabbath (1973)? Pas op 3'58" viel het me op met die dubbele gitaarlijn.
Bonus What's the Use is lekker uptempo met knallende gitaarsolo, Iommi in geïnspireerde topvorm.
Label I.R.S. deed deze keer wél zijn best voor de promotie en mede daarom viel de verkoop mee: "Even though Cross Purposes wasn't a huge seller, it did all right".
Na een Europese tour volgt Zuid-Amerika met zowaar oudgediende Bill Ward terug op de drumkruk. Jammer alleen dat deze niet de muziek uit de periode Martin onder de knie krijgt. Tijdens de tour wordt snel duidelijk dat ze het beter bij Wards vertrouwde materiaal kunnen laten; zie de setlist van hun laatste optreden daar. Martin past zich goedmoedig aan en de andere Tony laat in zijn bio noteren: "Fair dues to Tony, he sang those old songs great."
Eenmaal thuis in Engeland gaat het echter voorspoedig. Bobby Rondinelli belt omdat hij weet dat Appice weg is: "Kan ik komen?" Zijn stijl en persoon blijken goed aan te sluiten. En natuurlijk wordt zanger Tony Martin terug gevraagd, ook al heeft Iommi kritiek op diens podiumpresentatie: "He was very amateurish as far as that [his performance] was concerned. Overnight he went from working only local little venues in Birmingham to big stages everywhere."
Producer wordt Leif Mases, omdat de samenwerking met hem bij het nummer Time Machine op de soundtrack van Wayne's World goed was bevallen. In mijn oren deed hij een prima klus op Cross Purposes. Daarbij zit in Iommi's riffs soms iets dat verwijst naar de jaren '70. Ik zal ze dadelijk aantippen.
Martin zingt wederom sterk, nooit echter word ik geraakt door zijn stem - kwestie van smaak. Maar altijd staan er op een album van Sabbath wel weer riffs en solo's van Iommi die me pakken.
Mijn hoogtepunten zijn allereerst de opener, het uptempo I Witness met sterke riffs, swingende baslijnen en vlak voor het slot even vertragen met zo'n lekkere doomriff.
In Cross of Thorns is de gitaarsolo is mjammie, zij het te kort. Virtual Death heeft de klassieke doomriff, inclusief basintro en bovendien lekker gedrumd - alleen geen gitaarsolo?! Immaculate Deception begint eveneens slepend maar kent ook snelle delen én een solo, zij het niet zo spannend.
Dying for Love is warm-sferisch als Iommi's pseudo-soloplaat Seventh Star (1986). Plus details in de introsolo waar ik met de typische timing wél van opveer; het nummer wordt gaandeweg zwaarder maar duurt me te lang.
De swingende riff van Back to Eden heeft weg van All Moving Parts (Stand Still) van Technical Ecstacy (1976). Een los jaren '70-gevoel, met de zang van Martin en de productie in 1994-jasje en Iommi's twee solo's duren me veuls te kort.
Cardinal Sin gaat over een priester die zijn kind 21 jaar verborg. "That would be a very topical song now," meldt Iommi droogjes op, verwijzend naar de verhalen die nadien volgden. Weer een trage riff, maar deze pakt minder en de versnelling komt te laat.
Evil Eye is het nummer waarop Eddie Van Halen kwam meespelen. Als Iommi hem van het hotel ophaalt, wordt op verzoek van Eddie onderweg een kratje bier gescoord. De Amerikaan raakt dronken maar "he played a great solo over it. Unfortunately we didn't record it properly on our little tape player so I never got a chance to hear it!" Is het iemand opgevallen dat de riff wegheeft van die van Sabbath Bloody Sabbath (1973)? Pas op 3'58" viel het me op met die dubbele gitaarlijn.
Bonus What's the Use is lekker uptempo met knallende gitaarsolo, Iommi in geïnspireerde topvorm.
Label I.R.S. deed deze keer wél zijn best voor de promotie en mede daarom viel de verkoop mee: "Even though Cross Purposes wasn't a huge seller, it did all right".
Na een Europese tour volgt Zuid-Amerika met zowaar oudgediende Bill Ward terug op de drumkruk. Jammer alleen dat deze niet de muziek uit de periode Martin onder de knie krijgt. Tijdens de tour wordt snel duidelijk dat ze het beter bij Wards vertrouwde materiaal kunnen laten; zie de setlist van hun laatste optreden daar. Martin past zich goedmoedig aan en de andere Tony laat in zijn bio noteren: "Fair dues to Tony, he sang those old songs great."
Black Sabbath - Cross Purposes - Live (1995)

3,5
1
geplaatst: 1 juli 2024, 14:30 uur
Veel gemopper en een lage score bij Cross Purposes Live, waar ik echter niet in meega. Destijds (maart 1995, een jaartje na het concert) niet in de cd-bakken te vinden maar wel in die met videobanden met daarbij de cd. En dat mondjesmaat.
Die tape verscheen in 2010 op dvd maar zonder cd. Die is dan weer op YouTube beland met via die link ook beelden die de officiële release niet haalden, zoals Children of the Sea.
Wat ik hoor, valt me na alle klaagzangen alleszins mee. Alhoewel zanger Tony Martins stem een enkele keer kraakt, hij was kennelijk licht verkouden of iets dergelijks, sloeg hij zich prima door de set. Daarbij vertolkt hij met zijn rauw-hese stem de muziek uit de periodes Osbourne en Dio op een wijze die mij overtuigt. Deze twee voorgangers haalden overigens ook lang niet altijd het niveau van hun eigen studioversies...
Hetgeen negatief is, heeft mijns inziens met vijf andere zaken te maken, voor de audio slechts bijzaken. Een boeiende showman is Martin niet, de setlist bevat te weinig van de albums met hem, het publieksgeluid zit te zacht in de mix wat niet fijn is voor de livebeleving, toetsenist en achtergrondzanger Geoff Nicholls staat onzichtbaar in de coulissen (pas aan het einde, als de groep op het podium afscheid neemt, komt hij in beeld) én bij de aftiteling wordt hij niet eens genoemd.
In zijn biografie Iron Man besteedt gitarist Tony Iommi nauwelijks woorden aan deze uitgave: "In April our gig at the Hammersmith Odeon was recorded and filmed for a video and CD package called Cross Purposes Live, which was released about a year later. I once heard somebody describe it as the most underpromoted release of all time. That’s probably very true, because even I can only vaguely remember it being released," om dan te vertellen dat drummer Bob Rondinelli na deze tour plaatsmaakte voor Bill Ward. Aan alles is dan ook te merken dat de groep weinig bemoeienis had bij deze uitgave.
Positieve slotnoten: omdat Martin mondharmonica speelt, keerde The Wizard van Sabbaths debuut terug in de set. Hartstikke fijn. En hij wijzigde de melodie van Neon Knights een beetje maar deed dat pakkend, waarbij Nicholls' achtergrondzang goed uit de verf komt.
Op Discogs wordt overigens best veel voor Cross Purposes Live gevraagd, het is warempel een collector's item geworden...
Die tape verscheen in 2010 op dvd maar zonder cd. Die is dan weer op YouTube beland met via die link ook beelden die de officiële release niet haalden, zoals Children of the Sea.
Wat ik hoor, valt me na alle klaagzangen alleszins mee. Alhoewel zanger Tony Martins stem een enkele keer kraakt, hij was kennelijk licht verkouden of iets dergelijks, sloeg hij zich prima door de set. Daarbij vertolkt hij met zijn rauw-hese stem de muziek uit de periodes Osbourne en Dio op een wijze die mij overtuigt. Deze twee voorgangers haalden overigens ook lang niet altijd het niveau van hun eigen studioversies...
Hetgeen negatief is, heeft mijns inziens met vijf andere zaken te maken, voor de audio slechts bijzaken. Een boeiende showman is Martin niet, de setlist bevat te weinig van de albums met hem, het publieksgeluid zit te zacht in de mix wat niet fijn is voor de livebeleving, toetsenist en achtergrondzanger Geoff Nicholls staat onzichtbaar in de coulissen (pas aan het einde, als de groep op het podium afscheid neemt, komt hij in beeld) én bij de aftiteling wordt hij niet eens genoemd.
In zijn biografie Iron Man besteedt gitarist Tony Iommi nauwelijks woorden aan deze uitgave: "In April our gig at the Hammersmith Odeon was recorded and filmed for a video and CD package called Cross Purposes Live, which was released about a year later. I once heard somebody describe it as the most underpromoted release of all time. That’s probably very true, because even I can only vaguely remember it being released," om dan te vertellen dat drummer Bob Rondinelli na deze tour plaatsmaakte voor Bill Ward. Aan alles is dan ook te merken dat de groep weinig bemoeienis had bij deze uitgave.
Positieve slotnoten: omdat Martin mondharmonica speelt, keerde The Wizard van Sabbaths debuut terug in de set. Hartstikke fijn. En hij wijzigde de melodie van Neon Knights een beetje maar deed dat pakkend, waarbij Nicholls' achtergrondzang goed uit de verf komt.
Op Discogs wordt overigens best veel voor Cross Purposes Live gevraagd, het is warempel een collector's item geworden...
Black Sabbath - Dehumanizer (1992)

4,0
7
geplaatst: 20 juli 2023, 20:06 uur
In 1984 hadden familieomstandigheden ertoe geleid dat bassist Geezer Butler zijn interesse in Black Sabbath verloor. Alhoewel drummer Bill Ward korte tijd met hem en Tony Iommi was betrokken bij de zoektocht naar een nieuwe zanger, haakte Ward af omdat hij Ozzy miste. Als Butlers vader ernstig ziek wordt keert deze terug naar Engeland, om zich na diens overlijden in Amerika bij zijn vrouw te voegen. Hier wordt korte tijd later een zoon geboren met een hartafwijking, waarna opnieuw enerverende maanden volgen, gelukkig met goede afloop. Aldus Butler in diens biografie 'Into the Void' dat deze zomer verscheen.
Ter elfder ure wordt Black Sabbath in de oorspronkelijke bezetting in juli '85 voor Live Aid gevraagd, maar deze reünie is eenmalig. Iommi wil vervolgens door met Black Sabbath en als manager Don Arden Butler belt met de vraag wanneer deze naar Los Angeles komt om hem te vergezellen, bedankt deze. Hij is niet meer geïnteresseerd, sterker nog, hij verkoopt zijn aandeel in de rechten op de groepsnaam voor een vriendenprijs aan Iommi.
De bassist richt zich op het gezinsleven, begint in Engeland de groep Beez en treedt met hen op in de Londense Marquee. Tot een platencontract komt het niet. Iommi vraagt hem terug maar hij weigert: dat Iommi in Zuid-Afrika optrad tijdens de apartheidsboycot én de onbetrouwbare manager Patrick Meehan weer in dienst heeft genomen zijn de voornaamste redenen. In 1988 sluit hij zich aan bij Ozzy Osbourne voor diens tournee voor No Rest for the Wicked.
In de zomer van 1990 speelt hij als gastmuzikant een nummer mee met de groep van zanger Ronnie James Dio, wat hen beiden goed bevalt. Als Butler hierover Iommi spreekt, besluiten de twee om Dio te vragen terug te keren bij Sabbath. Wat hierbij helpt is dat ook het derde album met zanger Tony Martin belabberd verkocht en de platenmaatschappij aan de deur rammelt.
Dio hapt toe en in Wales wordt gewerkt aan nieuw materiaal. Hij kan echter al sinds hun jaren bij Rainbow (1976-1978) niet goed opschieten met drummer Cozy Powell. Na enige tijd vertrekt Dio en keert Tony Martin terug.
Als Powell zijn heup breekt bij een val met zijn paard is echter de weg vrij voor zowel Dio als drummer Vinny Appice. Martin kan wederom vertrekken en zo ontstaat Dehumanizer. Butler vraagt hiervoor Dio of hij de draken en regenbogen in zijn teksten een keer kan overslaan, waarin deze nog toestemt ook.
Black Sabbath klinkt een stuk intenser dan op de drie albums met Martin, met de gitaren ouderwets prominent in de mix. Gierende gitaarsolo's van het soort waar ik van houd en qua songmateriaal is het dik in orde, al zijn Letters from Earth en Sins of the Father wel wat saai. Qua productie had ik liever producer Martin Birch terug gehad, wat Butler later in zijn boek aangeeft. Met Reinhold Mack wordt het geluid teveel dichtgesmeerd en klinken de drums niet vol genoeg. De productie had transparanter gemogen.
Master of Insanity is een nummer dat Butler enkele jaren eerder schreef met drummer Jimi Bell van zijn eigen band. Vooral op Too Late klinkt de variatie tussen ingetogen en heavy stukken, handelsmerk van Iommi en mijn favoriet, ook omdat Dio de "grom" in zijn stem waar nodig intoomt en sterk naar de climax toezingt.
Het werd het bestverkochte album van de groep in tien jaar, waarna tijdens de tournee de gebruikelijke spanningen tussen Butler en Iommi enerzijds en Dio anderzijds weer de kop opstaken. Een verzoek van het management van Ozzy Osbourne om nog eenmaal samen te spelen bij diens afscheidstournee, maakt dat Dio vertrekt. Net als Appice, die plaatsmaakt voor Bill Ward.
Butler noemt het Sabbath van na 1985 "Iommi desperately trying to keep the Frankenstein version of Sabbath from falling apart at the seams." Daar zit wat in, zeker vanuit zijn standpunt gezien. Toch bevat ieder album zijn sterke momenten. Dat geldt zeker voor Dehumanizer, tot dan toe de hardste van de groep. Alleen jammer van magere Hein op de hoes, dát vind ik zo afgezaagd en bovendien lelijk getekend... Wat dat betreft bevatten de albums met Tony Martin wél fraaie kunststukjes.
Ter elfder ure wordt Black Sabbath in de oorspronkelijke bezetting in juli '85 voor Live Aid gevraagd, maar deze reünie is eenmalig. Iommi wil vervolgens door met Black Sabbath en als manager Don Arden Butler belt met de vraag wanneer deze naar Los Angeles komt om hem te vergezellen, bedankt deze. Hij is niet meer geïnteresseerd, sterker nog, hij verkoopt zijn aandeel in de rechten op de groepsnaam voor een vriendenprijs aan Iommi.
De bassist richt zich op het gezinsleven, begint in Engeland de groep Beez en treedt met hen op in de Londense Marquee. Tot een platencontract komt het niet. Iommi vraagt hem terug maar hij weigert: dat Iommi in Zuid-Afrika optrad tijdens de apartheidsboycot én de onbetrouwbare manager Patrick Meehan weer in dienst heeft genomen zijn de voornaamste redenen. In 1988 sluit hij zich aan bij Ozzy Osbourne voor diens tournee voor No Rest for the Wicked.
In de zomer van 1990 speelt hij als gastmuzikant een nummer mee met de groep van zanger Ronnie James Dio, wat hen beiden goed bevalt. Als Butler hierover Iommi spreekt, besluiten de twee om Dio te vragen terug te keren bij Sabbath. Wat hierbij helpt is dat ook het derde album met zanger Tony Martin belabberd verkocht en de platenmaatschappij aan de deur rammelt.
Dio hapt toe en in Wales wordt gewerkt aan nieuw materiaal. Hij kan echter al sinds hun jaren bij Rainbow (1976-1978) niet goed opschieten met drummer Cozy Powell. Na enige tijd vertrekt Dio en keert Tony Martin terug.
Als Powell zijn heup breekt bij een val met zijn paard is echter de weg vrij voor zowel Dio als drummer Vinny Appice. Martin kan wederom vertrekken en zo ontstaat Dehumanizer. Butler vraagt hiervoor Dio of hij de draken en regenbogen in zijn teksten een keer kan overslaan, waarin deze nog toestemt ook.
Black Sabbath klinkt een stuk intenser dan op de drie albums met Martin, met de gitaren ouderwets prominent in de mix. Gierende gitaarsolo's van het soort waar ik van houd en qua songmateriaal is het dik in orde, al zijn Letters from Earth en Sins of the Father wel wat saai. Qua productie had ik liever producer Martin Birch terug gehad, wat Butler later in zijn boek aangeeft. Met Reinhold Mack wordt het geluid teveel dichtgesmeerd en klinken de drums niet vol genoeg. De productie had transparanter gemogen.
Master of Insanity is een nummer dat Butler enkele jaren eerder schreef met drummer Jimi Bell van zijn eigen band. Vooral op Too Late klinkt de variatie tussen ingetogen en heavy stukken, handelsmerk van Iommi en mijn favoriet, ook omdat Dio de "grom" in zijn stem waar nodig intoomt en sterk naar de climax toezingt.
Het werd het bestverkochte album van de groep in tien jaar, waarna tijdens de tournee de gebruikelijke spanningen tussen Butler en Iommi enerzijds en Dio anderzijds weer de kop opstaken. Een verzoek van het management van Ozzy Osbourne om nog eenmaal samen te spelen bij diens afscheidstournee, maakt dat Dio vertrekt. Net als Appice, die plaatsmaakt voor Bill Ward.
Butler noemt het Sabbath van na 1985 "Iommi desperately trying to keep the Frankenstein version of Sabbath from falling apart at the seams." Daar zit wat in, zeker vanuit zijn standpunt gezien. Toch bevat ieder album zijn sterke momenten. Dat geldt zeker voor Dehumanizer, tot dan toe de hardste van de groep. Alleen jammer van magere Hein op de hoes, dát vind ik zo afgezaagd en bovendien lelijk getekend... Wat dat betreft bevatten de albums met Tony Martin wél fraaie kunststukjes.
Black Sabbath - Forbidden (1995)

3,5
2
geplaatst: 5 juli 2024, 15:10 uur
Na alle berichten over (de nieuwe mix van) Forbidden in de versie van Anno Domini : 1989 - 1995 kan ik het kort houden over het nieuwe geluid: véél liever die dan de oude. Ik ben sowieso geen liefhebber van die opgeblazen jaren '90 mixen, standaard in dat decennium. Een trend die halverwege de jaren '80 inzette met veel galm in het geluid.
Tony Iommi was eveneens ontevreden. In zijn biografie Iron Man liet hij Tjerk Lammers optekenen: "The record company suggested we should use a more hip producer. (...) They said it would give us a bit more street cred (...) The production was dreadful." Voor meer gemopper hierover verwijs ik naar dit heerlijke boek!
Qua songmateriaal ben ik positiever dan menig andere fan. Het is qua riffs en solo's regelmatig genieten, ook al omdat Iommi net als op de voorganger af en toe terugkeert naar de jaren '70 of soms '80.
Zoals in Illusion of Power met z'n heerlijke doomriff, Iommi in geïnspireerde topvorm. Met Ice-T's korte, vervormde voice-over halverwege heb ik geen moeite. En al is Get a Grip niet heel spannend, de hoofdriff heeft aangenaam weg van Disturbing the Priest (op Born Again uit 1983) en de versnelling op twee derde van het nummer is effectief.
De geluidsmuur van Can't Get Close Enough klinkt in de huidige mix als die op Sabbaths Sabotage (1975) en bij de riff van Shaking off the Chains is het alsof die speciaal voor Ozzy Osbourne werd geschreven en niet voor diens opvolger Tony Martin.
Ook het toetsgeluid van Geoff Nicholls profiteert van Iommi's remix, getuige het intro van I Won't Cry for You. Met daarin een práchtige gitaarsolo; kip-pen-vel! Alsof ik terug ben bij Technical Ecstacy (1976).
Met de langzame shuffle en de lange noten in de gitaarsolo's van Sick and Tired klinken warempel vleugjes blues zoals op Sabbaths eerste twee albums. In het uptempo Rusty Angels meer gerekte solonoten en een warm gitaargeluid in de refreinen.
In het titelnummer zingt Martin in het refrein in Osbourneaanse stijl mee met de riff en als na de warme tokkeldelen van (oorspronkelijk slotlied) Kiss of Death dreigende gitaarmuren volgen,, voel je dat het naar een climax toewerkt. Als Cozy Powells stokken en de soms dansende bas van Neil Murray versnellen, volgt die inderdaad. Daarbij mis ik echter een gitaarapotheose, al eindigt het nummer fraai ingetogen en effectieve geluiden van een klok.
Inmiddels is Loser Gets It All het slotlied geworden, maar met het tikkende slot van het vorige nummer had deze bonus beter daarvóór op het album gepast. Aardig, niet spetterend.
Deze versie van Sabbath strandt gedurende de navolgende Amerikaanse tournee. Powell heeft het niet meer naar zijn zin en verlaat op amicale wijze de groep, waarna Bobby Rondinelli terugkeert. Het carpaletunnelsyndroom noopt echter Iommi de tour af te breken om onder het mes te gaan. "When the tour stopped the band broke up and it would be many years before I'd see Tony Martin again," aldus Iommi in zijn bio. De volgende Black Sabbath zou veertien jaar op zich laten wachten en dat onder andere vlag.
Qua Forbidden heb ik een voorkeur voor de eerste helft; de nummers doen niet onder voor die van de vorige albums, waarbij Iommi altijd bij de productie was betrokken, in tegenstelling tot de Ernie C-mix van 1995. Het album wordt in de 2024-versie recht gedaan. En alhoewel Tony Martin nooit mijn favoriet zal worden, zingen kán hij, zo bewijst hij hier opnieuw.
Tony Iommi was eveneens ontevreden. In zijn biografie Iron Man liet hij Tjerk Lammers optekenen: "The record company suggested we should use a more hip producer. (...) They said it would give us a bit more street cred (...) The production was dreadful." Voor meer gemopper hierover verwijs ik naar dit heerlijke boek!
Qua songmateriaal ben ik positiever dan menig andere fan. Het is qua riffs en solo's regelmatig genieten, ook al omdat Iommi net als op de voorganger af en toe terugkeert naar de jaren '70 of soms '80.
Zoals in Illusion of Power met z'n heerlijke doomriff, Iommi in geïnspireerde topvorm. Met Ice-T's korte, vervormde voice-over halverwege heb ik geen moeite. En al is Get a Grip niet heel spannend, de hoofdriff heeft aangenaam weg van Disturbing the Priest (op Born Again uit 1983) en de versnelling op twee derde van het nummer is effectief.
De geluidsmuur van Can't Get Close Enough klinkt in de huidige mix als die op Sabbaths Sabotage (1975) en bij de riff van Shaking off the Chains is het alsof die speciaal voor Ozzy Osbourne werd geschreven en niet voor diens opvolger Tony Martin.
Ook het toetsgeluid van Geoff Nicholls profiteert van Iommi's remix, getuige het intro van I Won't Cry for You. Met daarin een práchtige gitaarsolo; kip-pen-vel! Alsof ik terug ben bij Technical Ecstacy (1976).
Met de langzame shuffle en de lange noten in de gitaarsolo's van Sick and Tired klinken warempel vleugjes blues zoals op Sabbaths eerste twee albums. In het uptempo Rusty Angels meer gerekte solonoten en een warm gitaargeluid in de refreinen.
In het titelnummer zingt Martin in het refrein in Osbourneaanse stijl mee met de riff en als na de warme tokkeldelen van (oorspronkelijk slotlied) Kiss of Death dreigende gitaarmuren volgen,, voel je dat het naar een climax toewerkt. Als Cozy Powells stokken en de soms dansende bas van Neil Murray versnellen, volgt die inderdaad. Daarbij mis ik echter een gitaarapotheose, al eindigt het nummer fraai ingetogen en effectieve geluiden van een klok.
Inmiddels is Loser Gets It All het slotlied geworden, maar met het tikkende slot van het vorige nummer had deze bonus beter daarvóór op het album gepast. Aardig, niet spetterend.
Deze versie van Sabbath strandt gedurende de navolgende Amerikaanse tournee. Powell heeft het niet meer naar zijn zin en verlaat op amicale wijze de groep, waarna Bobby Rondinelli terugkeert. Het carpaletunnelsyndroom noopt echter Iommi de tour af te breken om onder het mes te gaan. "When the tour stopped the band broke up and it would be many years before I'd see Tony Martin again," aldus Iommi in zijn bio. De volgende Black Sabbath zou veertien jaar op zich laten wachten en dat onder andere vlag.
Qua Forbidden heb ik een voorkeur voor de eerste helft; de nummers doen niet onder voor die van de vorige albums, waarbij Iommi altijd bij de productie was betrokken, in tegenstelling tot de Ernie C-mix van 1995. Het album wordt in de 2024-versie recht gedaan. En alhoewel Tony Martin nooit mijn favoriet zal worden, zingen kán hij, zo bewijst hij hier opnieuw.
Black Sabbath - Greatest Hits (1977)

4,0
1
geplaatst: 4 oktober 2022, 18:55 uur
Het mooiste van deze verzamelaar vond ik de hoes, want na We Sold Our Soul was dit de tweede verzamelaar van Black Sabbath die in de fonotheek stond en door mij werd geleend. Waarom twee compilaties lenen? Tja, iets met superfan zijn en met het weinige (zak)geld dat ik had toch nieuwe muziek van de groep willen ontdekken. Niet kunnen wachten tot ik een nieuwe plaat bij elkaar had gespaard.
De titel is misleidend, de enige hitsingle is Paranoid. Maar dit was ook geen band die singles uitbracht, de mannen wilden geen gillende tienermeisjes achter zich aan, vertelt gitarist Tony Iommi in zijn bio.
Weinig muzikale verrassingen waren er dus voor mij, maar dat wist ik van tevoren: hierop stond vooral werk wat ik al kende. Nieuw waren het ingetogen Changes en Laguna Sunrise en het iets steviger Tomorrow's Dream, want de debuutplaat had ik inmiddels zelf gekocht en N.I.B., die eveneens op die andere verzamelaar ontbreekt, was daarmee bekend.
Desalniettemin een prima verzamelaar van de band. Met zijn voorproefjes van de albums die ik nog wilde gaan kopen, bood het een eerste geluidsbeeld. Hier en daar mopperen luisteraars op die rustiger tracks, ik vond ze echter hartstikke mooi. Changes kende ik al snel uit mijn hoofd, goed voor mijn karige Engels bovendien.
Heel bijzonder ook hoe Pieter Breughel de Oude de sfeer op dit album had voelen aankomen... Voor wie de band wil leren kennen en deze plaat ergens tegenkomt voor een schappelijke prijs: meenemen!
De titel is misleidend, de enige hitsingle is Paranoid. Maar dit was ook geen band die singles uitbracht, de mannen wilden geen gillende tienermeisjes achter zich aan, vertelt gitarist Tony Iommi in zijn bio.
Weinig muzikale verrassingen waren er dus voor mij, maar dat wist ik van tevoren: hierop stond vooral werk wat ik al kende. Nieuw waren het ingetogen Changes en Laguna Sunrise en het iets steviger Tomorrow's Dream, want de debuutplaat had ik inmiddels zelf gekocht en N.I.B., die eveneens op die andere verzamelaar ontbreekt, was daarmee bekend.
Desalniettemin een prima verzamelaar van de band. Met zijn voorproefjes van de albums die ik nog wilde gaan kopen, bood het een eerste geluidsbeeld. Hier en daar mopperen luisteraars op die rustiger tracks, ik vond ze echter hartstikke mooi. Changes kende ik al snel uit mijn hoofd, goed voor mijn karige Engels bovendien.
Heel bijzonder ook hoe Pieter Breughel de Oude de sfeer op dit album had voelen aankomen... Voor wie de band wil leren kennen en deze plaat ergens tegenkomt voor een schappelijke prijs: meenemen!
Black Sabbath - Headless Cross (1989)

3,0
0
geplaatst: 13 juli 2023, 19:35 uur
Drummer Cozy Powell trad toe tot het Black Sabbath van bandleider en gitarist Tony Iommi, toetsenist Geoff Nicholls en zanger Tony Martin, die voor het eerst bij het hele proces kon worden betrokken. De drummer die zoveel indruk op me had gemaakt door zijn werk bij Rainbow in de tweede helft van de jaren '70. In zijn bio 'Iron Man' vertelt Iommi dat hij en Powell gezamenlijk de basis van de nummers schreven, waarna Nicholls en Martin kwamen om ze te voltooien.
Jazzbassist Laurence Cottle fungeerde als sessiemuzikant en bleek ontzettend goed. Iommi en Powell produceerden de boel, waarbij Powell ervoor zorgde dat zijn partijen lekker ruimtelijk klonken.
Een prachtige hoes oordeelde ik. De titel Headless Cross verwijst naar het dorp met die naam bij Birmingham. Na een onheilspellend klinkende toetsenouverture begint het titelnummer, dat qua ritme lijkt op de opener van voorganger The Eternal Idol, te weten The Shining, dat op zijn beurt weer een voortzetting was van Heaven and Hell, zoals Iommi in zijn boek vertelt. Maar deze derde is verreweg de zwakste van de drie.
De teksten blijken wat plat en gemakkelijk met het nodige "evil" en "devil" en "stealing your soul"; krampachtig overkomend, wellicht om aan het Sabbathimago te voldoen? Daar kwam bij dat de muziek me nauwelijks pakt, uitgezonderd het mooi opgebouwde When Death Calls, dat in het allereerste deel iets weg heeft van Planet Caravan (van Paranoid, 1970), vervolgens massief wordt en in het rustiger deel daarna doet denken aan No Stranger to Love (van Seventh Star, 1986), om dan te versnellen. Daarin bovendien een fraaie gitaarsolo van Brian May met lange, huilende noten - jammer alleen van weer zo'n suffe tekst. Verder houd ik van de fraaie gitaarsolo's van Iommi , vooral in Kill in the Spirit World en slotnummer Nightwing.
De videoclip bij het titelnummer werd in een winternacht opgenomen in Battle Abbey bij Hastings, de plek waar de Battle of Hastings 1000 jaar eerder werd gevochten. Powell dronk het nodige tegen de kou en rolde bijna dronken van zijn drumkruk, Iommi's vingers waren stijf en zijn neus rood, een ieder na afloop snipverkouden. In de clip is ook Cottle te zien.
Het album verkocht in eigen land beter dan elke vorige Black Sabbath aldus Iommi (wat me sterk lijkt, maar wie ben ik om dat te betwisten?), in Amerika niet omdat nieuwe platenmaatschappij IRS daar de promotie niet op orde had.
Van tevoren had ik wel getekend voor de combinatie Iommi-Powell-Martin, maar Headless Cross doet me weinig. Het is niet slecht, maar raakt me simpelweg niet en dat zit 'm vooral in de stem van Martin. Een prima zanger, maar de klik erbij heb ik niet. Sterker nog, hoe langer ik hem hoor, hoe meer hij gaat tegenstaan. De grote drumsound, zo typisch voor die periode, helpt ook al niet.
Jazzbassist Laurence Cottle fungeerde als sessiemuzikant en bleek ontzettend goed. Iommi en Powell produceerden de boel, waarbij Powell ervoor zorgde dat zijn partijen lekker ruimtelijk klonken.
Een prachtige hoes oordeelde ik. De titel Headless Cross verwijst naar het dorp met die naam bij Birmingham. Na een onheilspellend klinkende toetsenouverture begint het titelnummer, dat qua ritme lijkt op de opener van voorganger The Eternal Idol, te weten The Shining, dat op zijn beurt weer een voortzetting was van Heaven and Hell, zoals Iommi in zijn boek vertelt. Maar deze derde is verreweg de zwakste van de drie.
De teksten blijken wat plat en gemakkelijk met het nodige "evil" en "devil" en "stealing your soul"; krampachtig overkomend, wellicht om aan het Sabbathimago te voldoen? Daar kwam bij dat de muziek me nauwelijks pakt, uitgezonderd het mooi opgebouwde When Death Calls, dat in het allereerste deel iets weg heeft van Planet Caravan (van Paranoid, 1970), vervolgens massief wordt en in het rustiger deel daarna doet denken aan No Stranger to Love (van Seventh Star, 1986), om dan te versnellen. Daarin bovendien een fraaie gitaarsolo van Brian May met lange, huilende noten - jammer alleen van weer zo'n suffe tekst. Verder houd ik van de fraaie gitaarsolo's van Iommi , vooral in Kill in the Spirit World en slotnummer Nightwing.
De videoclip bij het titelnummer werd in een winternacht opgenomen in Battle Abbey bij Hastings, de plek waar de Battle of Hastings 1000 jaar eerder werd gevochten. Powell dronk het nodige tegen de kou en rolde bijna dronken van zijn drumkruk, Iommi's vingers waren stijf en zijn neus rood, een ieder na afloop snipverkouden. In de clip is ook Cottle te zien.
Het album verkocht in eigen land beter dan elke vorige Black Sabbath aldus Iommi (wat me sterk lijkt, maar wie ben ik om dat te betwisten?), in Amerika niet omdat nieuwe platenmaatschappij IRS daar de promotie niet op orde had.
Van tevoren had ik wel getekend voor de combinatie Iommi-Powell-Martin, maar Headless Cross doet me weinig. Het is niet slecht, maar raakt me simpelweg niet en dat zit 'm vooral in de stem van Martin. Een prima zanger, maar de klik erbij heb ik niet. Sterker nog, hoe langer ik hem hoor, hoe meer hij gaat tegenstaan. De grote drumsound, zo typisch voor die periode, helpt ook al niet.
