MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Blondie - Plastic Letters (1977)

poster
4,0
Terwijl punk nagenoeg aan de Nederlandse radio voorbij ging en dus ook aan mij, was daar wél in toenemende mate new wave te horen. Het waren in Nederland niet de Sex Pistols, The Stranglers, Iggy Pop of Ramones die als eersten de massa bereikten met hun korte, van energie overlopende liedjes, zelfs niet als ze hier de hitparades haalden.

Nee, Blondie was de band die er als eerste in slaagde om niet alleen de deur in te trappen, maar bovendien middenin de kamer te stralen, omringd door talrijke zoemende camera’s. De reden was simpel: vanaf 1978 brachten ze de ene na andere single uit die ook de jonge singlekopers aanspraken, (pre-)pubers van 10+.
Nou hielp het natuurlijk ook dat in dit geval níet alleen lelijke jongens de camera inkeken, maar bovendien een niet onknappe dame met alles erop en eraan. Dat viel niet alleen deze startende puber op. Anders dan bij punk, dat door de grotere media als een rage van voorbijgaande aard werd gezien, besteedden diezelfde media wél aandacht aan deze groep. Pakkende melodieën, vlotte uitstraling: Nederland ging overstag, geholpen door de wekelijkse uitzendingen van Toppop. Terugblikkend kan het niet anders dan dat Blondie dé band was die new wave hitparadefähig maakte en via Nederland ook de rest van West-Europa bereikte.

Hun debuutplaat was aan ons voorbij gegaan, maar de opvolger bevatte twee hits die ik beide opnam bij de Nationale Hitparade, waar Felix Meurders niet door de liedjes heen praatte. Die liedjes vond ik simpelweg erg leuk, heerlijk uptempo en hóe levendig en gevarieerd gedrumd! Denis stond in maart-april zes weken op 1; (I’m Always Touched By Your) Presence Dear haalde in juni #8. De laatste was nóg leuker. De teksten trof ik in de Hitkrant aan, goed voor mijn Engels (en een beetje voor mijn Frans).

Anno 2022 beluister ik die plaat voor het eerst in z’n geheel. Via streaming, heel onromantisch. Eens kijken of band en plaat hun magie hebben behouden. Vanaf de eerste tonen waan ik mij terug in 1978: de plaat bevat maar liefst dertien tracks, die vanzelfsprekend niet lang duren. De sound is fris en energiek, hier en daar klinkt een korte toetsensolo van James Destri. Niet alle liedjes zijn even sterk, maar ze hebben niets aan sfeer ingeboet.
De midtempo opener Fan Mail doet me niet zoveel maar heeft een grappig einde, dan volgt Denis en op Bermuda Triangle Blues speelt de band ingehouden. Maar dan: Youth Nabbed as Sniper en Contact in Red Square lopen óver van de energie en sterke melodieën, passioneel en toegankelijk. Na die andere single eindigt de A-kant met I’m on E, opnieuw uptempo met dat energieke drumwerk van Clement Burke.
Op de B-kant geen hitsingles, maar hij is net zo goed als de A-kant. No Imagination bevat heerlijk klassiek-beïnvloed toetsenwerk, wat een aparte mix van stijlen oplevert. In Kidnapper klinkt een mondharmonica wat ik dan weer wat minder vind passen, van Detroit 442 en Cautious Lip met zijn dreigende eerste deel en knallende slot word ik vrolijk. Jammer dat ik in '78 een bouwpakket van de F-16 voor mijn verjaardag vroeg en niet deze plaat!

44 jaar en duizenden liedjes later valt er meer op. Wat ik toen niet wist maar nu wél, is dat de Denis een cover was en de leden niet zo piepjong als ik dacht. Sterker nog, een ongeblondeerde Harry maakte tien jaar eerder haar vinyldebuut met "hippiemuziek". Wel hele lekkere overigens.
Op streaming hoor ik nog wat interessante extra’s en op Wikipedia wordt gemeld dat Debbie Harry op de hoes een designjurk draagt. Hoe effectief was de marketing, heel anders dan de do-it-yourselfhouding waarover ik las! Het werkte wel: hier haalde Plastic Letters in maart #2 en de gouden status. Met de opvolger die al in de nazomer verscheen bouwde de band zijn populariteit verder uit, wordt vervolgd.

Blondie - The Best Of (1981)

Alternatieve titel: Blondie's Hits

poster
4,0
Call Me betrad in mei 1980 de Nationale Hitparade om later die maand tot #12 te komen. Afkomstig uit de film American Gigolo, waarbij deze lange videoclip is te zien. De eerste keer dat het nummer op een album van Blondie was te horen, was bij deze The Best of die in Nederland in november '81 slechts tot #46 reikte.

Nou meen ik zeker te weten dat ik die op vinyl heb - maar kan 'm niet vinden. In mijn herinnering in de jaren '90 op een Koninginnedagvrijmarkt gekocht, toen vinyl massaal werd vervangen voor cd. Hoe dan ook: een prima samenvatting van het werk van de groep, die na de tegenvallende opvolger The Hunter spoedig uit elkaar zou vallen tot de reünie van 1998 met No Exit. De plaat laat horen hoe dit de eerste groep in de new wave was, die tevens de hitlijsten zo makkelijk wist te halen.
In Nederland overigens geperst en uitgebracht als Blondie's Hits met iets andere nummers erop en toch weet ik dat ik 'm ergens met de reguliere titel heb staan, want zo leerde ik bijvoorbeeld Rip Her to Shreds kennen, een fel en relatief onbekend pareltje. Maar waar is ie dan?

Mijn reis door new wave van 1980 kwam vanaf The Correct Use of Soap van Magazine en omdat ik single Messages van Orchestral Manoeuvres In The Dark en hun titelloze debuut al eerder besprak, vervolg ik bij een andere groep met een frontvrouw: Metro Music van Martha and the Muffins.

Blondie - The Hunter (1982)

poster
2,5
De term ‘burnout’ kende ik in 1982 nog niet, wel alternatieven als ‘overspannen’ of ‘overwerkt’. Ze lijken allemaal van toepassing op het laatste album dat Blondie in hun tweede decennium uitbracht. Het was 1982 en Hunter was hun zesde album. Ik kan me totaal niets herinneren over de uitgave van deze plaat, terwijl ik ook toen veel radio luisterde. Wel weet ik nog dat dat het solodebuut van Deborah Harry, het jaar ervoor, nauwelijks succesvol was en dat ik de hoes van Hunter niet bij de band vond passen. Dat kapsel van Harry, alsof het haar tweede soloplaat was en de band bij hoge gratie mee mocht doen...

Van de nieuwe Blondie werd slechts Island of Lost Souls met zijn reggae-invloeden een hit. Het piekte in mei en juni 1982 bij Veronica’s Top 40 twee weken op #20 en in juni 1982 bij de Nationale Hitparade van de NOS één week op #21. Totaal gemist. Ik herinnerde me dit liedje niet eens. Alhoewel ik allang niet meer de hitparadegevoelige pre-puber was, waren er diezelfde weken hits die me wél positief opvielen; Skandal in Sperrbezirk, I Love Rock ‘n’ Roll, Down Under, The Look of Love, Promised You a Miracle vond deze tiener best fijn… De elpee haalde in juni #19 in de albumlijst.

Mijn kennishiaat qua Hunter heb ik de voorbije twee weken ingehaald, lang leve streaming! Daarbij verbaasde ik me twee maal.
De eerste verbazing was de sound. Net als Harry’s solodebuut klinkt veel standaardpop, waarin zomerse sferen prevaleren. Waar is de gitaarwave van voorheen gebleven? Met zijn gladdere sound lijkt dit Blondie meer op Harry-solo dan op zichzelf. Overgeproduceerde klanken die desondanks niet meer het hitlijstsucces van voorheen behaalden. Ik lees op Wikipedia dat For Your Eyes Only hun afgewezen liedje voor de gelijknamige Bondfilm was, het is nog het aardigste nummer op de A-kant en bovendien veel aangenamer dan het gelijknamige draakje van Sheena Easton.
Op de B-kant wordt de zouteloze pop nog even voortgezet, maar als de liedjes van gitarist Chris Stein op zijn, val ik in de tweede verbazing. Want verrek, ze konden het nog wel: er volgen drie liedjes van toetsenist Jimmy Destri waarop een band klinkt in plaats van een studioproject, drie maal fris: Danceway, Find the Right Words en English Boys, plus een sterke cover van The Hunter Gets Captured by the Game, een mij onbekend liedje van soulzanger Smokey Robinson.

Herhaaldelijk draaien doet soms liedjes groeien. Ik heb het geprobeerd. Dragonfly wordt beter, maar is met z’n zes minuten te lang. Verder klinken vooral magere ideeën, waarbij The Beast met z'n vierkante rock en cliché-gitaarsolo juist de ergernis doet groeien.
Op de hoes van de 2001-cd-heruitgave is producer Mike Chapman openhartig over de verdampte inspiratie. Tegelijkertijd heeft hij ook boter op z’n hoofd, want is hij niet medeverantwoordelijk voor deze popsound?

Slechts een half jaar na de release, november 1982, maakte de band bekend ermee te stoppen. Dit door een combinatie van factoren die je bij tal van artiesten eveneens tegenkomt: uitputting, een ongezond gebruik van recreatieve genotsmiddelen en slecht management. Je hoort er iets van terug in de teksten, waarin Stein openhartig is over de tol van roem.
Toen de band eind jaren ’90 terugkeerde was ik nieuwsgierig: de band bleek nog altijd een plekje in mijn hart te hebben. Als ik Hunter vanaf het achtste nummer beluister, weet ik onmiddelijk waarom en daarmee houd ik een prima EP over.

Bloodgood - Alive in America (1990)

Alternatieve titel: Live Volume I

poster
3,0
In 1990 verschenen twee livealbums van Bloodgood, als ik me goed herinner tegelijkertijd naar aanleiding van de rocktheatershows die de groep had gedaan. Eveneens verkrijgbaar op video. Naast Alive in America kwam deel 2 Shakin' the World uit.
Ik liet ze destijds links liggen: dat gezwaai met de Amerikaanse vlag wat ik op de achterzijde zag maakte me niet enthousiast en de setlists nodigden niet uit. Alle muziek komt namelijk van de vorige vier albums en die kende ik al. Tezamen komen van hun eerdere vier albums 26 van de 38 nummers voorbij.

Anno 2026 gaan beide albums in de herkansing en wat betreft Alive in America blijkt mijn scepsis niet ten onrechte. De groep deed de productie zelf onder supervisie van ene Steve White. Die is degelijk, maar spetteren wil het niet. Een externe producer had hier meer mee gedaan.
Daarbij komt geen nieuw werk langs en bovendien blijft men dicht bij de studioversies. Alsof je een afspeellijst maakt in een livejasje, waarbij een enkele keer iets tegen het thuispubliek in Seattle wordt gezegd. Je moet bovendien tegen de medley kunnen die track 12 vormt, met daarin precies de drie nummers die ik tot mijn favorieten reken. Altijd zonde om die in een medley te vermalen.

Wie de vier studioalbums van hiervoor niet kent, kan wellicht meer met Alive in America. Klassieke metal en hardrock met sterk gitaarwerk van Paul Jackson en rauw gezongen door Les Carlsen. Het vakmanschap is duidelijk, maar ik mis de opwinding.
Het Britse tijdschrift Cross Rhythms publiceerde destijds deze recensie, waar ik me goed in kan vinden en plakte er desondanks een 8/10 op. Ik houd het bij drie sterren.

Is deel 2 méér dan een best of in livejasje? We gaan het beleven.

Bloodgood - All Stand Together (1991)

poster
2,5
Na vier studioplaten en een tweetal livealbums bracht Bloodgood in september 1991 hun vijfde studioalbum uit, waarvoor de groep overstapte naar het label Broken. All Stand Together bleek een radicale trendbreuk met voorheen, inclusief de toch al afgezwakte muzikale koers van Out of the Darkness. Zo goed als verdwenen zijn de riffs, metal maakt plaats voor melodieuze hardrock of zelfs adult oriented rock.
De groep is uitgebreid met toetsenist Tim Heintz, wiens bijdragen mij te klef zijn. Daarnaast is er nieuwe drummer David Huff. De hoes vermeldt dat beiden met "met toestemming" meedoen, hetgeen suggereert dat ze geen vaste groepsleden waren.

Als oude fan was ik al afgehaakt en had ik dit album destijds gehoord, dan had ik slechts met één nummer wat gekund. De verkopen toonden aan dat ik bepaald niet de enige was.
Daar zit ik nu milder in, maar de bevlogenheid van de eerste albums wordt node gemist. Vier keer lukt het iets neer te zetten dat blijft hangen: opener S.O.S. bevat aardige hardrock, uitschieter Escape from the Fire sterke aor, Fear No Evil doet met zijn hoge koortjes aan het betere werk van Uriah Heep denken en Lies in the Dark heeft een prima opbouw die profiteert van enkele tempowisselingen.
De rest werkt dus niet. Paul Jackson mag een prima gitarist zijn en de whiskeystem van Les Carlsen aangenaam, te vaak klinkt een halfzachte rockriff (zoals het langzame, stevige titelnummer) of een ballade (zoals slotlied I Want to Live in Your Heart, in de geest van Foreigners hit I Want to Know What Love Is geschreven).

In oktober 1991 wordt grunge plotseling groot als MTV Nirvana's Smells Like Teen Spirit op hoge rotatie zet. Melodieuze hardrock van een groep als Bloodgood is plotseling hopeloos uit de mode, al redden sommigen het door de rage rond unplugged muziek die ongeveer gelijktijdig opgang maakt.
En al zegt mode niets over kwaliteit van muziek, bik mij gaan teveel nummers het ene oor in en andere uit. Voor een ander kan dit juist een aanbeveling zijn, pakkumbeet degenen die de Knuffelrock-cd's waardeerden.

Voordat Bloodgood in 1994 de handdoek in de ring gooide, was er eerst nog een curieus liveschijfje genaamd To Germany, with Love. Plus het decennium erop een comeback.

Bloodgood - Bloodgood (1986)

poster
4,0
Bloodgood was in 1986 één van de Amerikaanse groepen die in de slipstream van Stryper opkwamen. De term 'white metal' was kort tevoren geïntroduceerd en zeker van toepassing op dit kwartet uit Seattle rond bassist Michael Bloodgood. Met verder zanger Les Carlsen, gitarist David Zaffiro en drummer JT Taylor.

Bloodgood start overtuigend met Accept the Lamb, dat verrassenderwijs a capella begint en vervolgens midtempo vervolgt. Carlsen heeft een aangenaam rauwe stem, wat Zaffiro aan solocapaciteiten in petto heeft, houdt deze nog even geheim. Waar je verwacht - en deze puber was daar destijds op gebrand - dat een snel nummer zou volgen, volgt het eveneens midtempo Stand in the Light.
Producer Darrell Mansfield - een zanger uit de (blues)rocktraditie - heeft de boel capabel vastgelegd, maar verzuimde bij sommige nummers een echt vette metalproductie te creëren. Dat blijkt bijvoorbeeld op het eindelijk snellere Demon on the Run, waar Zaffiro weliswaar voor het eerst zijn vingervlugheid bewijst, er had echter een hakkende slagpartij onder gemoeten.
Met Anguish and Pain komt het album dan eindelijk echt op gang. Was het track 2 geweest, dan had de plaat eerder overtuigd met z'n basis van rollende basdrums op de manier van de New wave of British heavy metal. Het iets langzamere maar snel riffende Awake! sluit kant 1 sterk af, mede dankzij de sterke brug halverwege, die fraai in contrast staat met de Randy Rhoadsachtige riff.

Op kant 2 is de wisselvalligheid verdwenen. Soldier of Peace stoempt aangenaam, met You Lose gaat het gaspedaal dieper in: Zaffiro racet een enkele keer zijn gitaarhals af en halverwege opnieuw een pakkende brug. What's Following the Grave sleept aangenaam met een sterke melodie en Killing the Beast doet wat het belooft. Met afsluiter Black Snake werd destijds het snelheidsrecord binnen de white metal gehaald.

Weinig stemmen op MuMe bij dit debuut, maar verkijk je niet op het lage gemiddelde: een grapjas gaf een halve ster en gezien zijn overige stemmen vermoed ik dat dit niet geheel serieus was of wellicht met minder nobele intenties gedaan. Tja, white metal hè, dat vinden sommigen wat moeilijk...
De productie is bij sommige nummers wat te ingetogen, maar de meeste composities overtuigen. Zaffiro combineert fraai snelheid en melodie én heeft een neusje voor riffs, waarbij hij de Brits klinkende metal van begin jaren '80 een Amerikaans (shredder)snufje geeft. Daarbij gaat de gepassioneerde whiskeystem van Carlsen nooit vervelen. Een krappe 4 sterren geven een realistischer beeld.

Net als de eveneens in 1986 verschenen debuutelpees van Barren Cross (Rock for the King), Saint (Time's End) en Bride (Show No Mercy) ging Bloodgood muzikaal nét wat verder dan Stryper. Met opvolger Detonation werd het opnieuw een stapje steviger, zeer naar mijn zin.

Bloodgood - Dangerously Close (2013)

poster
3,5
Na twaalf jaar inactiviteit kwam Bloodgood in 2006 weer bij elkaar. Nieuw was gitarist Oz Fox, dit combinerend met zijn werk in Stryper. Gitarist Paul Jackson bleef, waarmee voor het eerst twee gitaristen aan boord zaten. De groep nam de tijd voor het schrijven van nieuw werk, want pas in 2013 verscheen Dangerously Close, gemasterd door hun eerste gitarist David Zaffiro.
Bloodgood keert hiermee terug naar stevige metal, anders dan de laatste albums voordat de groep uiteen viel. Opvallend is dat de bas van Michael Bloodgood veel vetter in de mix zit dan ooit tevoren. Verder is drummer Kevin Whisler terug op drums en zanger Les Carlsen blijkt niets van zijn kracht te hebben verloren. Het boekje geeft per solo aan of deze door Jackson dan wel Fox wordt gespeeld.

Het resultaat is een aangenaam, heavy album. Nogal wat ritmes zijn slepend zoals bij Child on Earth en Pray, op Bread Alone mag de dubbele basdrum rollen, wat ik wel vaker had willen horen. Meer variatie is er op I Will dankzij een sitar en Crush Me is akoestisch.
De oorspronkelijke uitgave verscheen ook bij een Scandinavisch label en is daarom als geluidsdrager makkelijker verkrijgbaar in Europa. In 2021 verscheen het album opnieuw, deze keer met andere hoes en bovendien voor het eerst op vinyl in diverse varianten.

In 2022 verscheen documentaire Trenches of Rock, waarin de leden van Bloodgood terugblikken op hun roerige eerste jaren, zoals de trailer duidelijk maakt. Ongepland was echter dat Michael Bloodgood in juli dat jaar overleed, waarmee zijn groep tot een einde kwam.

Les Carlsen bracht december '22 het album He's Coming uit, eind '25 gevolgd door Free Will, waarvan het titelnummer in augustus 2025 vooruit ging via streaming. Rondzoeken op internet levert op dat hij het komende februari in Duitsland komt promoten, in maart in Zweden. Samenhangende informatie hierover kon ik echter niet vinden.

Bloodgood - Detonation (1987)

poster
4,5
Met hun titelloze debuut maakte Bloodgood in 1986 indruk op mij, met Detonation ging er nog schepje bovenop. Zoals Sir Spamalot schrijft, een "mix tussen traditionele heavy metal en speed(y) metal", waarbij de whiskeystem van Les Carlsen een extra rafelrandje geeft.
Wel was het destijds even wennen aan de eigen, rauwe productie, zoals ik vier jaar eerder moest wennen aan de productie van Dio's Holy Diver. Enkele draaibeurten later was ik definitief om: dit was simpelweg ijzersterk, zéker met die hoes (voor- en achterzijde) erbij, ook al herinnerend aan Dio.

Bij podcast Metal Geeks kwam ik een interview tegen met de zanger, inmiddels 76 jaar maar nog volop actief. Hij vertelt er dat ze van platenmaatschappij Frontline $20.000 kregen voor alles, opnames én "sandwiches", wat het ruwere geluid verklaart.
Bovendien ontstond het idee om er een theaterproductie van te maken, wat enkele jaren later werd gerealiseerd; Carlsen startte namelijk zijn professionele carrière begin jaren '70 in rockmusical Hair, mogelijk de kiem om iets dergelijks in de hardere vorm van hardrock/metal te realiseren.
Verder leer ik dat Carlsen met zijn vrouw begin jaren '80 nog pop maakten onder de vlaggen Carlsen-Macek en Sticker, bekende namen in de regio Seattle. Via hun zoon ontdekten ze heavy metal. Kijk, zó kan het ook gaan!

Die dingen waren mij in 1987 onbekend. Ik hoorde simpelweg metal zoals ik die graag hoorde: hard, snel en passievol. Nieuw is drummer Mark Welling die hard mag werken, belangrijkste troef blijft gitarist David Zaffiro die alle ruimte krijgt voor zijn snelle solo's en een groot gevoel voor melodie heeft.
Hoogtepunten zijn er te over, met de snelle nummers Battle of the Flesh, Crucify (een knallend hoorspel met familieleden in gastrollen) en Live Wire als favorieten; Eat the Flesh en het emotionele Alone in Suicide zijn andere toppers. Zwakke nummers ontbreken, al had/heb ik minder met het langzame The Messiah.

White metal groeide in omvang en kwaliteit, ondanks de kritiek vanuit vooral christelijke hoek. Anders dan Stryper kreeg Bloodgood geen release via seculiere kanalen, waardoor de groep buiten de VS minder bekend bleef, al is er in Duitsland wél een redelijke fanschare. Voor mij hun beste album.

Bloodgood - Out of the Darkness (1989)

poster
3,5
De vierde Bloodgood. Nieuw zijn gitarist Paul Jackson, op de vorige drie al te vinden bij de schrijfcredits van een enkel nummer, en drummer Paul Whisler, ex-Watchmen. Die kende ik van de verzamelaar Underground Metal waar ze met een Dio-achtig nummer vertegenwoordigd waren.
De hoes van Out of the Darkness is sober, niet alleen in vergelijking met Detonation van twee jaar daarvoor maar ook met voorganger Rock in a Hard Place. Niet eens een bandfoto, zodat je mocht raden hoe de nieuwe leden eruit zagen.
De groep zat al bij het label Frontline maar dit verscheen bij hun sublabel Intense, gespecialiseerd in stevige rock: de white metalscene was gegroeid. Opnieuw adequaat geproduceerd door Terry Shelton, bleek dat enkele scherpe randjes van de metal waren verwijderd. Ik herinnerde me hoe vóór hen menig groep uit de new wave of British heavy metal zijn geluid gladstreek, eveneens door mij betreurd.

Met Out of the Darkness gaat het fel uit de startblokken met dubbele basdrums, geknipt voor de rauwe stem van Les Carlsen. De melodielijnen van Jackson zorgen ondanks de standaardriff voor een sterk slot. Iets kalmer maar nog altijd op tempo zijn Let My People Go en America, de laatste met sterke melodielijnen. It's Alright moet het vooral van de twee gitaarsolo's hebben en waar Top of the Mountain me aanvankelijk te kalm was, bleek het dankzij melodie en opbouw te groeien bij vaker draaien. Een degelijke eerste helft.

Op kant 2 wordt het minder. Vierkante hardrock met Hey! You wordt gevolgd door het flauw rockende Mad Dog World. Muziek conform de degelijke maar fantasieloze hoes. Met Changing Me is daar de onvermijdelijke ballade, waar op voorganger Rock in a Hard Place mee was begonnen. Voor de stijl een aardig nummer, deels met akoestische gitaar en toetsen, geschikt voor Amerikaanse rockradio. Met afsluiter New Age Illusion is daar het eerste nummer van kant 2 dat een voldoende haalt, al vind ik het opnieuw teveel op automatische piloot.
Geen onaardig album, maar omdat ik mijn metal graag mét scherpe kantjes consumeer, is de 7 die ik geef een magere. Wie metal met ronde randjes prefereert, zal dit hoger waarderen.

In 2015 verscheen een heruitgave met nieuw artwork, in 2023 een volgende editie met weliswaar de oorspronkelijke voorzijde maar met een uitgebreid boekje, inclusief foto's van de groepsleden.

Bloodgood - Rock in a Hard Place (1988)

poster
4,0
Albumtitel Rock in a Hard Place verwijst naar de felle kritiek die de christelijke groep Bloodgood in die tijd vanuit conservatieve christelijke hoek kreeg. Tegelijkertijd kwam je in de hardrockende metalen wereld de opinie tegen dat hun teksten niet samen zouden gaan met metal. Van beide kampen is de argumentatie erg zwak.
Voor mij geldt: laat de muziek het werk doen. Daarbij hoor ik inderdaad graag teksten met een positieve inslag, er is al teveel ellende in de wereld. Om die reden vind ik bijvoorbeeld War Pigs, Into the Void en After Forever van Black Sabbath zulke lekkere nummers. Of de conceptalbums van Queensrÿche, die me tot nadenken aanzetten.

Bloodgood slaat op hun derde album een iets melodieuzer pad in, voor mij nog pakkend genoeg. Ik hoorde de plaat voor het eerst in een winkel in de zomer van '88 in Engeland en bij thuiskomst heb ik 'm meteen gekocht. De productie van Terry Shelton is prima, Bloodgoods best geproduceerde album tot dan toe.
Op Shakin' It klinkt meer rock 'n' roll dan voorheen, zij het stevig. De schuurpapieren stem van Les Carlsen doet het daar goed op, terwijl David Zaffiro weer een solo met zowel snelheid als melodie neerzet. Spannender vind ik echter de akkoordenopbouw van Never Be the Same, geschreven door bassist Michael Bloodgood, waar Zaffiro opnieuw zo'n lekkere gitaarsolo neerzet; ik proef de echo van Randy Rhoads. Heel voorzichtig klinken toetsen.
The Presence is een ijzersterke compositie dankzij de sterke melodie, uptempo metal met opnieuw fraai gitaarwerk inclusief subtiele accenten. Altijd een favoriet geweest. Met het langzamere What Have I Done? heb ik minder, al is het meer dan degelijk. Gelukkig is het slot met Heaven on Earth stevig: opnieuw komen stevige metal en een pakkende melodie fraai samen, met alweer een pakkende solo. Zaffiro is een klasbak.

Kant 2 opent met de het stampende Do Or Die, maar met te simpele riffs. De weliswaar stevige ballade She's Gone maakt het niet beter, maar wellicht dat fans van Scorpions er meer mee kunnen waarbij Carlsens stem een tikkie rauwer is dan die van zijn Duitse collega.
Liever het uptempo en verrassend semi-akoestische The World (Keeps Movin' Around) met z'n heerlijke groove, bovendien lekker gedrumd door Mark Welling met open hi-hat.
Van Seven weet ik inmiddels dat de groep twijfelde of dit nummer wel voldoende niveau had. Wel, dat hééft het. Het is een aparte eend in de bijt: langzaam en beginnend met een toetsenintro, bijna statig in melodie en tegelijkertijd stevig, met een mystieke tekst die binnenkwam.

Hierna vertrok Zaffiro, naar ik destijds las omdat hij een melodieuzer koers zou willen. Die koers sloeg de groep echter hierna in: dát kon het probleem dus niet zijn. Recent hoorde ik in podcast Metal Geeks echter dat hij het touren niet meer kon combineren met de zorg voor zijn gezin. Een papa die thuis is in plaats van te vaak van huis? Als die twee niet langer zijn te combineren, geef ik hem groot gelijk. Zijn vervanger werd een oude vriend van de band, Paul Jackson.

Bloodgood - Shakin' the World (1990)

Alternatieve titel: Live Volume Two

poster
3,0
Najaar 1990 bracht Bloodgood twee video’s en cd’s uit genaamd Live Volume 1 en 2, opgenomen in hun Seattle. De eerste heeft als hoofdtitel Alive in America, deze tweede Shakin’ the World. Deel 2 gaat verder waar deel 1 eindigde, ontbeert gelukkig een medley én er is een nieuw nummer, The Sixth Hour. Die laatste een digitale soundscape van zo'n twee minuten, passend bij de set en het verhaal dat wordt verteld.

Zanger Les Carlsen begon zijn professionele carrière begin jaren '70 in de rockmusical Hair en wilde het theateraspect eveneens inzetten bij Bloodgood. Met name het verhaal van de kruisiging en opstanding, te horen bij track 7 tot en met 11. Het vormt het sterkste blok van dit album, ondanks dat Accept the Lamb er slechts 21 seconden in zit, te weten het intro in aangepast arrangement.
Als een moderne versie van J.S. Bachs Mattheus Passion en hippiemusical Jesus Christ Superstar was dit in Seattle wellicht ook geschikt voor een publiek dat minder met metal heeft.

Ik kan me zeker voorstellen dat toeschouwers destijds enthousiast waren, hier in mijn huiskamer met “slechts” audio overkomt me dat niet. Hetgeen ik bij deel 1 schreef, geldt ook voor deel 2 en toch ben ik iets positiever. Een 6,5 als schoolcijfer, omdat Bloodgood een enkele keer wél iets verder gaat dan de studioversies. Wie onbekend is met het vorige werk, zal er frisser instappen.

Bloodgood - To Germany, with Love! (1993)

poster
3,0
Een eigenbeheeruitgave van de groep in samenwerking met Stephan's Buchhandlung, van oorsprong een boekhandel die allengs meer was gaan doen. To Germany, with Love is het resultaat een drietal concerten in maart 1993 in Duitsland gegeven. Verrassend genoeg net als hun reguliere werk op streaming te vinden.

Meer dan de twee officiële live-cd's voelt dit als een realistische weergave van hoe Bloodgood in die dagen klonk. Bloodgood was een christelijke groep en dat valt behalve via de teksten te merken aan hetgeen zanger Les Carlsen tussen de nummers in deelt met het publiek. Gitarist is de getalenteerde Paul Jackson, drummer is Paul Rorabeck en tourtoetsenist was David McKay. De geluidskwaliteit is redelijk, als een goede bootleg. Alsof je bij het mengpaneel in de zaal staat, al klinkt de bas van Michael Bloodgood te zacht.
Aan de setlist is te merken dat de groep in die fase voor een melodieuzere aanpak koos. De nadruk ligt daarbij op hun laatste album All Stand Together, nieuw is Holy Spirit Jam, een spontane samenwerking tussen band en publiek. Qua missie is de gedrevenheid onverminderd en het publiek geniet hoorbaar. Grappig is de introductie van de gastheer, die als een filmtypetje met zwaar Duits accent inclusief dunne 'l' het publiek toeroept: "Do you want rock 'n' roooll?"

Het jaar na verschijning viel Bloodgood uit elkaar, waarmee dit lange tijd hun laatstverschenen album zou blijven. In 2000 verscheen een Amerikaanse heruitgave met andere hoes. In 2013 keerde de groep terug met Dangerously Close.
Dat Bloodgood nog altijd geliefd is in Duitsland, blijkt uit het feit dat zanger Les Carlsen er in februari 2026 solo hoopt op te treden, zo vertelde de inmiddels 76-jarige in Christian Geeks Rockcast.

Blue Murder - Blue Murder (1989)

poster
3,0
Ik vraag om bronnen en - BAM - daar zijn de weledelgeleerde heren Von Helsing en Edwynn met respectievelijk de kant van Coverdale en de kant van Sykes. Grote dank heren, niks broodje aap dus. Twee haantjes op Coverdales schip zonder onderlinge chemie, behalve dan voor de muziek. Dat werkt inderdaad niet en het valt me mee te lezen dat Coverdale meldt dat de twee zich later verzoenden, al was muzikale samenwerking uitgesloten. Geen verzoeningen zoals tussen Black Sabbath en Ronnie James Dio.

De voorbije dagen heb ik deze Blue Murder regelmatig gedraaid. Zoals ik eerder meldde: de moeite die ik destijds met Sykes' stem had, is er heden ten dage niet. Ik verbaas me zelfs over mijn toenmalige mening. Toch raak ik pas echt enthousiast bij het slotnummer.
Vijf redenen daarvoor: de composities vind ik vrij saai; die matige ideeën gaan te lang door met lengtes van vaak boven de zes minuten; de sologitaren zijn te wollig geproduceerd en bovendien is het drumgeluid (productie van Rob Rock) te galmend. Tot slot houd ik niet van fretloze bas (Tony Franklin), veel te clean en glad.
Iedere hardrockende lezer weet dus dat wie bezwaar 2 tot en met 5 niet deelt er zó minimaal één sterretje bij kan doen. Of de composities je pakken, is een persoonlijke kwestie. Oordeel dus vooral zélf.

Twee nummers bevallen me wél: de rock-in-akoestische-bluessaus van Jelly Roll en slotlied Black-Hearted Woman. Niet geheel toevallig twee nummers die zó door Whitesnake hadden kunnen opgenomen.
Maar verder: véél liever de John Sykes ten tijde van Spellbound en Thunder and Lightning (beide platen met de productie van Chris Tsangarides) of zelfs het ronder geproduceerde Crazy Nights (door Dennis MacKay).
Wat dat betreft laat de volle productie die door Def Leppard werd ingezet zich ook bij Blue Murder als invloedrijk gelden; de directheid van de New wave of British heavy metal was passé. Toch nog drie sterren van mij voor Blue Murder en dat komt door Sykes' gitaarsolo's. Wat een fenomeen was hij toch...

Opeens schiet me te binnen dat er in de eerste helft van de jaren '80 een Nederlandse Blue Murder was. New wave, moet ik ook eens gaan beluisteren.

Blue Öyster Cult - Agents of Fortune (1976)

poster
3,5
Agents of Fortune is één van de platen die ik vanaf 1980 leende uit de fonotheek, halverwege mijn vijftiende levensjaar. Een ontdekkingstocht met de oren wijd open door het land van vooral hardrock, metal en new wave.
De hoes (in dit geval een enkele, niet de klaphoes) vond ik intrigerend. Vermoedelijk waren er in Nederland weinig mensen die dit album kenden, de groep was hier obscuur.
Twee nummers sprongen eruit: (Don’t Fear) The Reaper en het snelle Tattoo Vampire. Want snel = goed, vond ik. Met de rustiger nummers, waarin bovendien nogal eens een piano klinkt, kon ik weinig.

Toen ik in de jaren ’90 plotseling Don’t Fear regelmatig op de radio tegenkwam, was mijn verbazing groot. Het klonk tot Arbeidsvitaminen met dj Wim Richter toe, indertijd dagelijks in de ochtend op 3FM. Nog altijd weet ik niet hoe dit liedje doordrong tot de mainstream radio van ons kikkerlandje. Wel dat ik heel blij was het liedje weer tegen te komen, ik was het bijna vergeten!
In 2014 maakte het een tweede comeback in mijn bubbel dankzij deze bril-jan-te sketch in The Tonight Show met Chad Smith (Red Hot Chili Peppers) en acteur Will Ferrell. De cowbellhype rond dit nummer was geboren.

Afgelopen week werd het tijd om het gehele album weer eens te draaien en te horen hoe het me veertig jaren verder bevalt. De twee genoemde nummers zijn favoriet gebleven, maar er valt meer op.
Opener This Ain’t the Summer of Love is lekker, ook al vanwege het drukke drumwerk, een knipoog naar de stijl van de periode die wordt bezongen. E.T.I. heb ik indertijd volgens mij ook op de (Britse?) radio gehoord, een nummer met een sterk refrein.
Dat Patti Smith meedoet op The Revenge of Vera Gemini viel me indertijd niet eens op, terwijl ik haar kende van de hits die ze eind jaren ’70 in Nederland had gescoord. Grappig dat deze co-koningin van new wave (met Debbie Harry en Siouxie Sioux uiteraard) debuteerde op een album gevuld met classic hardrock.
De B-kant vind ik nog altijd minder. Natuurlijk knalt Tattoo Vampire onverminderd, maar alleen Debbie Denise kan me wel bekoren; dit had van Bruce Springsteen kunnen zijn!

Vond ik Agents of Fortune indertijd te kalm, inmiddels kan ik het grotendeels goed waarderen, waarbij mijn twee favorieten van toen er nog altijd uitspringen. Bijzonder sterk is tenslotte de productie, van het trio Krugman-Pearlman-Lucas. Warm en sterk, doet aan de kwaliteit van Martin Birch denken.

Slotvraag: gaat Debbie Denise over Debbie Harry, die van de hit Denise van Blondie? Dat laatste liedje stamt echter uit 1978, twee jaar later dus. Of zou het toch?

Blue Öyster Cult - Fire of Unknown Origin (1981)

poster
4,0
Rond 1981, '82 uit de fonotheek geleend omdat de band met Black Sabbath op tournee ging, met wie zij producer Martin Birch deelden. Dit onder de noemer Black & Blue Tour.

De kleurige hoes vond deze liefhebber van stripverhalen schitterend, maar de muziek viel bij eerste draaibeurt zwaar tegen. Dit door de gewekte verwachtingen met de songtitel Heavy Metal.
Wat ik hoorde waren veel, véél keyboards. Het was alsof een Britse synthpopband á la OMD een bandlid had uitgeleend aan deze New Yorkse (hard?)rockgroep.
Herhaaldelijk draaien hielp wennen. Eenmaal voorbij mijn metalen verwachtingen bleken er vooral oorwurmpjes op te staan.

Bijna iedereen hierboven noemde al Veteran of the Psychic Wars, dat met zijn digitale drumsound en indringende zang een portret schetst van een getormenteerd persoon.
Vengeance vond ik extra fijn met zijn rare versnelling en het klassiek-geïnspireerde intro van Joan Crawford leidde een griezelige track in.
Het nummer Heavy Metal bleek juist mijn minst favoriete; te vierkant en sloom. Dan liever de swing die in Burnin' for You, het net iets snellere After Dark en het relaxte Don't Turn Your Back zitten.

Sci-fi met een mysterieus randje, verpakt in een schitterende hoes. Muzikaal op de grens van synthpop en rock, schitterend geproduceerd met sterke composities. Nog altijd een eigenzinnig album.

Blue Öyster Cult - On Your Feet or on Your Knees (1975)

poster
3,0
Vanaf mei 1980 las ik als kersverse puberfan van het zwarte Black Sabbath álles over hen. Daarbij het bericht dat de band met het blauwe Blue Öyster Cult zou gaan touren door de Verenigde Staten, onder de noemer Black & Blue.
De hoezen, het swastika-achtige logo en de umlaut in de groepsnaam (lang voordat Motörhead er furore mee maakte) hadden al eerder mijn aandacht getrokken. Dit moest héél heftige muziek zijn! Toen ik najaar 1980 oud genoeg was om lid te kunnen worden van de fonotheek in het dorp, ging ik ook hun werk ontdekken. Daarbij was ik wel enigszins op mijn hoede: als dit maar geen nazishit bevatte...

Mijn eerste kennismaking was via On Your Feet or on your Knees uit 1975. Op de hoes staat prominent een begrafeniswagen voor een kerk. Het zette me onmiddellijk op het verkeerde been: dat deze dubbelaar een liveplaat is, had ik niet zien aankomen. Dat was omschakelen qua verwachtingen.
Tweede verrassing: muzikaal gezien is het niet zo hard. Het imago doet weliswaar aan metal denken, maar op deze plaat klinkt de muziek stukken rustiger. Sterker nog, de zang viel al helemaal tegen. Die is als die van een standaard rockbandje, waar ik Dioaanse krachtpatserij had verwacht.
Maar deze puber met een bescheiden budget en nauwelijks eigen platen had weinig keus. Dus werden de vier plaatkanten gedurende drie weken regelmatig gedraaid. Vier songs sprongen eruit, ik herken ze nog altijd als ik ze (nu van streaming) draai.

Het zal de zomer van '81 of '82 zijn geweest, warm was het zeker toen ik de dubbelaar draaide, helaas door een eerdere lener van de binnenhoezen ontdaan.
Harvester of Eyes met z’n prachtige gitaarsolo in het laatste deel; die kwaliteit wordt in het instrumentale Buck’s Boogie nog eens spetterend overtroffen. Absoluut hoogtepunt vond ik (Then Came the) Last Days of May; prachtige titel en doordat het liedje ingetogen is, vallen de bescheiden zangkwaliteiten niet negatief op. En wát een solo, hoe goed getimed! Op afsluiter Born to be Wild, van Steppenwolf geleend, gaan de mannen dan eindelijk eens goed lós; althans, in de oren van de tiener die regelmatig had zitten zuchten op zijn hete zolderkamer.
Regelmatig was ik opgeveerd, meestal voor slechts even. Het intro van M.E. 262 klinkt bijvoorbeeld als het Status Quo van die jaren, maar dan zonder de intensiteit van de Britse band. De her en der opduikende sterke gitaarsolo’s vond ik hoogtepuntjes in de vaak (te) lange versies, zoals in Before the Kiss (A Reward).
Opvallend is dat de band tweemaal op een ongewone plaats wordt geïntroduceerd: bij aanvang van het tweede nummer én bij aanvang van de afsluiter. Naar ik vermoed omdat sprake is van een livecompilatie van diverse concerten. De tweede aankondiging is iconisch met zijn wolvengehuil.

Een dikke veertig jaar later glimlach ik om de puber die ik was. De opnamen dateren van 1974: hetgeen ik verwachtte zou pas vanaf 1979 opduiken, enkele nummers van Purple en Sabbath daargelaten. De plaat werd een ontnuchterend geschiedenislesje.
Mijn "ikken" van toen en nu vinden dezelfde nummers leuk. Hierbij valt me nu op dat de band in muzikaal opzicht een plek tussen de eerste generatie hardrock (Steppenwolf, MC5) en southern rock inneemt. De gitaarsolo's bijvoorbeeld doen me aan het laatste genre denken. Ze blijken nog altijd een klasse apart.

Van vermeende nazisympathieën heb ik rond BÖC nooit iets gemerkt. Wel met het flirten met het occulte (hier op Seven Screaming Diz-Busters, waarin "stoer" over een gesprek met Lu Cifer, hun grap, wordt verteld). Wat dat betreft tref je hier thematiek aan die later binnen metal modieus werd. Ook science-fiction bleek een terugkerend thema, op dit album zich uitend in geinige synthgeluiden, progressief voor die tijd.

Leuk om weer eens te horen, vier nummers komen op mijn streamingplaylist van de band.

Blue Öyster Cult - Some Enchanted Evening (1978)

poster
3,0
Some Enchanted Evening plukte ik uit de biebbak vanwege de hoes, ergens begin jaren '80. E.T.I. had ik wellicht eens bij Alfred Lagarde in diens Betonuur gehoord, realiseer ik me nu.
Waarom slechts drie jaar na de livedubbelaar On Your Feet opnieuw een liveplaat werd uitgebracht, weet ik niet. MSG deed in de jaren '80 hetzelfde; wellicht om aan contractverplichtingen te voldoen. Het zou BÖC's bestverkochte album ooit worden.

Soms is het op deze plaat niks, soms juist lekker. De opener begint saaitjes met honkytonkpianorock, maar pakt bij de versnelling alsnog mijn aandacht. E.T.I. is sfeervol en stevig, waarna de band op Astronomy op z'n best klinkt. Dit met wat eigenlijk southern rock is, zij het met een dikke New Yorkse saus overgoten: een sfeervolle start met keyboards, een spannende zanglijn en later een lange gitaarsolo á la Lynyrd Skynyrd.

De B-kant. Als fan van metal/punk beviel Kick out the Jams goed, oorspronkelijk van MC5: fel met een lekkere gitaarsolo.
Godzilla was een livefavoriet, maar niet voor mij met een te hoekige riff, zij het voorzien van lekkere solo's.
De liveversie van Don't Fear the Reaper (je ziet hem op de hoes) is sterk, waarna met de overbodige Animalscover We Gotta Get Out of this Place wordt afgesloten.

Hierboven kom ik een misverstand tegen. M.Nieuweboer bedoelde tien jaar geleden dat Uriah Heep live zuiver zong, in tegenstelling tot BÖC. Maar die twee laten zich moeilijk vergelijken.
De Amerikanen waren geen band van meerstemmige koortjes. Wel hoor ik een in blues gewortelde zangstijl, soms te vlak voor de geboden heavy rock.
En toch weet de band bij vlagen te boeien, namelijk als pakkende zanglijnen en lekkere gitaarsolo's klinken. Daarmee voeg ik vier nummers aan mijn afspeellijst toe.

Bonafide - Are You Listening? (2023)

poster
3,5
De prijs voor het meest originele album van dit jaar gaat naar... het Zweedse Bonafide.

Natuurlijk niet. Maar wél lekkere liedjes in de traditie van AC/DC. Muziek die het onderweg nog beter doet. Op hun zevende album lekkere koortjes, whiskyzang van tevens gitarist Pontus Snibb, dito riffjes en vuige solo's van Anders Rosell, die niet de snelste allertijden is - maar met al die shredders die ook in Zweden rondlopen is dat juist lekkah.

Het kwartet zorgt voor afwisseling in sfeer en tempo, zolang het maar in de beste rockkroegsferen blijft. Een monotone baslijn opent Are You Listening? waarna de heren in koor de riff voorzingen: effectief lekker. In Salvation klinkt zelfs jaren '70 glamrock in een stampend ritme, gevolgd door Who's the Boss dat het tempo omhoog gooit.
Dealt a Bad Hand is de snelste op dit plaatje, Rumble is dan weer aangenaam slepend. Tonight I'm Wild is nog een favorietje, zelfs plezant op de bank met een snorrende kat op schoot. Ja, je kunt alles jatten/lenen/geïnspireerd worden door (streep door wat in uw ogen fout is) en nog steeds een lekkere plaat neerzetten.

Boney M. - Love for Sale (1977)

poster
4,5
Begin deze week kwam het bericht dat Frank Farian overleed, een naam die ik in 1977 leerde dankzij Boney M. Nadat die groep in de obscuriteit was verdwenen viel zijn naam bij Milli Vanilli, maar toen was ik inmiddels verder in mijn muzikale ontwikkeling.
Ik geloof niet in guilty pleasures: muziek die ik goed vind, vind ik goed. Al zal menigeen verbaasd opkijken dat ik over Love for Sale zo positief ben. In de wekelijkse Top 15 die ik iedere vrijdagavond na de uitzending van de Nationale Hitparade in de oude werkagenda van mijn vader noteerde, was Ma Baker de eerste #1 en dat vier weken lang. Deze pre-puber vond dit fan-tas-tisch!
Boney M is dus een eerste liefde en dat positieve gevoel is gebleven. Datzelfde jaar was ik onder de indruk van Sound and Vision van David Bowie en rolde ik vanzelf de "serieuze" en "kwaliteitspop" in, maar dat gebeurde dus naast Boney M. Ze zijn geen tegenpolen, maar lopen parallel in mijn muzikale reis.

Ooit sprak ik iemand die Farian op een feest had ontmoet. Een stille, verlegen man, werd me verteld. Maar de muziek op Love for Sale (dat ik tijdens het typen voor het eerst in z'n geheel hoor) is prima. Discoviolen, pakkende melodieën, af en toe blazers, uptempo muziek: het zit goed in elkaar. Belfast (vier weken #3 in de Nationale Hitparade in oktober-november '77) volgde het spannende misdaadverhaal Ma Baker (zes weken #1 in juni-juli '77) op als single. Vond ik ook heel goed maar het werd geen #1 in mijn persoonlijke lijst.
Het titelnummer is aangenaam, de schaamteloze cover van Creedence Clearwater Revivals Have You Ever Seen the Rain is dik geslaagd en hetzelfde geldt voor de bewerking van Gloria van Them.

Er wordt meer gecoverd, om te beginnen Plantation Boy dat de B-kant aftrapt. Ik ken het origineel niet maar deze versie is helemaal okay. De stemmen van de dames die wél mochten zingen zijn fraai, getuige Motherless Child, ook nog eens een liedje met een miniverhaal. Silent Lover vind ik qua stijl Amerikaans klinken, als een cover van Donna Summer, waarna de Duitse hitparadedisco terugkeert met A Woman Can Change A Man dat een sterke melodie heeft. Afsluiter Still I'm Said ken ik in eerste instantie van Boney M, maar ik was hun versie compleet vergeten... Hoe fijn die weer te horen, ook al heb ik de versie van Rainbow met Ritchie Blackmore en Ronnie James Dio vele malen vaker gehoord.

De hoezen van de groep vond ik trouwens ook aangenaam met die knappe dames in hun strakke pakjes. De puberteit begon, iets ontwaakte in mij...
Overenthousiaste lezertjes vragen zich wellicht af wie Boney M in mijn agenda van de #1-positie verdreef. Dat was Smokie met Needles and Pins, naar me bijstaat ook vier weken op die plek.

Jeugdsentiment? Zeker! Guilty pleasure? Neen. Hiervoor hoef ik me echt niet schuldig te voelen. Boney M maakte in deze fase kwaliteitspop die nog geschikt was voor de hitparade ook. Nog altijd word ik er vrolijk van, omdat ik op deze grijze middag de muzikale zon hoor schijnen.
Anders dan de eerdere bijdragen bij Love for Sale op MuMe neem ik de muziek wél serieus, resulterend in een 9 als schoolcijfer. Mede dankzij Frank Farian.

Boston - Boston (1976)

poster
5,0
Tegenwoordig kom ik om de haverklap verhalen tegen over Van Halen als dé grote vernieuwer van hardrock in de tweede helft van de jaren ’70. Een incompleet verhaal: men vergeet Boston, de band die debuteerde in augustus ’76.

Januari 1977 werd More than a Feeling een hit in Nederland, piekend in de Top 20. Ik stond op de drempel van de puberteit en mijn oren waren nog niet klaar voor steviger muziekstijlen. Dat veranderde nog datzelfde jaar toen ik in een nieuwe klas kwam, met daarin een grote fan van Status Quo. Via hem rolde ik de hardrock binnen. Met terugwerkende kracht ontdekte ik al spoedig Boston en veel meer namen.
Kerst 1977 kwam het lied nieuw binnen op 75 in Veronica’s Top 100 Aller Tijden met Deep Purples Child in Time op 1. Aan de radio gekluisterd nam ik dit en veel meer op met mijn radiocassettespeler. In ’78 ontbrak die Top 100 (Veronica was slechts een aspirant-omroep op Hilversum 3), in ’79 steeg het naar 33 bij de inmiddels C-omroep.

In de bladen werd hoog opgegeven over de unieke, warme sound en de immense productietechnische kwaliteiten van de plaat. Supermelodieus en toch die muur van geluid. Tom Scholz die dit alles jarenlang in zijn kelder had zitten knutselen; men vond het heel bijzonder. Menig ervaren geluidstechnicus moet verbaasd hebben geluisterd naar deze briljante nieuwkomer, een ruimteschip met warp 7 arriverend.

Ergens in de winter van ’80-’81 was daar het moment dat ik de elpee uit de bieb kon lenen en voor het eerst uit fatsoenlijke boxen hoorde. Een audiofeest. De cover vond ik als fan van sc-fi sowieso mooi, met bovendien de skyline van de stad in de cockpit.
Zwakke nummers kent de plaat niet, zang- en gitaarmelodieën zijn meer dan fraai, de variatie groot. Hier en daar spannend, zoals op Foreplay met enige progressieve rockinvloeden, net als sommige passages in Smokin’. Met Hitch a Ride móet ik altijd meezingen, al veertig jaar, zowel de zang als gitaarpartij. Prachtig blijft het subtiele intro van Something about You, waarover spoedig die prachtige gitaarsound golft. Dat en veel, véél meer, er valt immens veel te genieten.

Jaaaaa, die gitaarmuren van Boston! Bij tijdgenoten Zeppelin (dat jaar: de lp Presence) zijn ze grijs-bluesy, bij Sabbath (dat jaar: Technical Ecstacy) zwart-dreigend, bij Ted Nugent (Free-for-All) testosteron en róck ‘n’ róóóll.
Bij Boston echter zijn ze niet alleen megahoog en -heavy, maar tegelijkertijd gemetseld met warm-rode stenen waarover groene klimop groeit. In de zomer als een knusse stadstuin, waar je comfortabel voor de hitte kunt schuilen. In de winter als een roodgloeiende vuurkorf om je aan op te warmen van de winterkou. Vier seizoenen lang gastvrij, toegankelijk, onbezorgd en optimistisch.

De laatste jaren herwaardeer ik dit soort “gepolijste” hardrock. Pakkende melodieën schrijven, die krachtig zingen, heavy spelen en bovendien zoveel afwisseling in de songs aanbrengen? Dat is niet veel bands gegeven.

Boston - Don't Look Back (1978)

poster
4,5
Het is op MuMe en elders vaak gememoreerd: over Bostons debuut deed Tom Scholz jááááren, opvolger Don’t Look Back was er al twee jaar later en viel na dat fenomenale debuut wat tegen. De verrassing was eraf én hij duurde vrij kort. Zo beleefde ook ik dat toen ik ‘m indertijd uit de fonotheek leende, ondanks de fraaie klaphoes die platenmaatschappij Epic eromheen had laten fabriceren: het label deed er na het immense debuutsucces qua marketing een schepje bovenop. Scholz had langer willen werken aan een opvolger, maar Epic rook geld en had daarom haast, zo weten we inmiddels,

Ten tijde dat ik in de winter van 1981/1982 voor het eerst de hele elpee hoorde, ging ik inmiddels voor harder en sneller: metal van Britse origine. Aan Don't Look Back is echter niets grimmigs. De titelsong kende ik uiteraard, die had in oktober 1978 #19 gehaald in de Nationale Hitparade van de NOS en is sindsdien verankerd in mijn geheugen. De rest van de plaat maakte kennelijk niet zo'n indruk, want de afgelopen week was er geen herkenning in de jukebox die mijn hoofd is.

Tot mijn verrassing beluister ik anno 2022 de rest van de plaat alsof ie net uit is. Hij blijkt warempel veel beter te zijn dan ik me herinnerde. Wederom klinken sterke composities, verpakt in melodieuze hardrock met warme gitaarmuren, prachtige melodielijnen en harmonieuze koortjes. Zelfs de B-kant, waarvan de meesten vinden dat de boel daar inkakt, beleef ik als vér boven de middelmaat. De muziek is op die tweede helft vooral uptempo en bevat dezelfde positieve sfeer.
Eigenlijk is de plaat net als het feestje dat op Party wordt omschreven: het is er vrolijk, gezellig en zelfs licht-romantisch. Niet wild en gevaarlijk zoals bij Van Halen, dat datzelfde jaar spectaculair debuteerde, maar een feestje van Boston vind ik hélemaal fijn!
Dat neemt niet weg dat ik bij afsluiter Don't Be Afraid een gevoel van eenvormigheid krijg, na de voorgaande eveneens uptempo songs. Wat dat betreft is de A-kant inderdaad sterker: een instrumentaaltje als The Journey had op de B-kant niet misstaan, het was de variatie ten goede gekomen. Voor de rest is het opnieuw genieten van die heerlijke sound die Scholz en co hier neerzetten, met A Man I'll Never Be als mijn topfavoriet.

Op YouTube kwam ik dit interview met Scholz tegen, erg leuk om te zien. Hij vertelt over de jaren vóór het debuut, hoe hij bij Polaroid in geluidstechniek rolde en wat er daarna gebeurde. Bij dit alles was hij druk met zijn Rockman, waarmee hij niet alleen zijn unieke sound creëerde maar deze vervolgens beschikbaar maakte voor de consument, die met het handzame ding zijn eigen geluid kon samenstellen. Hij verdiende daardoor ná het debuut opnieuw goed, nu als uitvinder en zakenman. Een dubbele carrière. Je ziet hem in de minidocu zowel als muzikant, uitvinder als ontwikkelaar. Niet een showman annex rockster, daarvoor is hij veel te gewoon en bescheiden. Ook deze BBC-docu bij The Old Grey Whistle Test is het kijken waard, mede omdat zanger Brad Delp aan het woord komt.

Het is duidelijk: ik heb er vierenveertig jaar na verschijnen een favoriete plaat bij. Vier-en-een-halve ster.

Boston - Third Stage (1986)

poster
3,5
In de jaren rond de brugklas ontdekte ik de charme van de scheurende gitaar, mede door Boston dat in die dagen furore maakte met hun eerste twee albums. Als nummer drie acht jaar later verschijnt, is mijn smaak via Saxons en Maidens en vervolgens Metallica’s ontwikkeld naar heftiger genres. Ik was inmiddels een twintiger toen Boston terugkeerde; hun stijl was onveranderd, maar ik was geen twaalf meer...

Die acht jaar wachten op Third Stage waren ook enkele Bostonleden teveel. Interessant zijn hun albums Barry Goudreau (1980) en Orion the Hunter (1984).
De weelderig klinkende Bostonsound keerde echter pas volop terug met Third Stage, laat dat maar aan geluidsknutselaar Tom Scholz over. Maar Amanda (begin december 1986 #22 in de Nationale Hitparade) vond ik qua compositie saai, dan hoorde ik veel liever de hitsingles van de vorige albums terug. Desondanks erg leuk om de bijdrage van lullaby1987 hierover te lezen!
Op Third Stage komt de boel qua tempo maar moeilijk op gang en als dat gebeurt, wordt nogal eens snel teruggeschakeld. De vlottere liedjes komen daarbij vaak moeizaam op gang, getuige We’re Ready, of de riffs ervan zijn gemakzuchtig, getuige de coupletten van I Think I Like It.

Waar ik kriegel van word, zijn de toetsenintro’s met aanslag op de hele tel; alsof je naar Whitney Houston luistert. Zeker als een spanningsopwekkend instrumentaaltje de B-kant aftrapt, om te worden gevolgd door een anticlimax van het intro van To Be a Man! Nee, veel liever dan dit plink-plink op elke tel hoor ik de akoestische gitaren van de vorige twee Bostonalbums.
Vier nummers stijgen boven de middelmaat uit: de twee korte instrumentale nummers The Launch (waarom opent die de plaat niet?) en A New World hadden van mij veel langer mogen duren; gezongen wordt op Cool the Engines en Can’tcha Say, dat na een pianointro heerlijk uitwaaiert met die brede gitaarsound en geïnspireerd gitaarwerk.

Tegelijk realiseer ik me dat ik zeur. Waar ik de B-kant van voorganger Don’t Look Back te eenvormig vond met teveel uptempo songs, is het me hier juist te langzaam. Live mixten ze up- en downtempo: in maart 1987 stond de band voor het eerst in vijf jaar weer op het podium. De setlist van die tournee laat zien hoe ze oud en nieuw werk combineerden tot een gevarieerde set.

Duco van Deugen vroeg zich af bij Don’t Look Back of ik ook acht jaar zou wachten met mijn mening; ik wilde hem bij deze melden dat ik dat sneller heb gedaan, maar zie dat hij geen MuMens meer is. Hopelijk gaat het hem goed en leest hij dit…

Bram Tchaikovsky - Funland (1981)

poster
3,5
Bram Tchaikovsky was voorheen gitarist bij pubrockband The Motors en debuteerde in 1979 onder eigen (artiesten)naam met zijn eigen band. Vorig jaar kocht ik die plaat mét deze; Funland is zijn derde van twee jaar later, zijn tweede album hoop ik nog eens in een platenbak tegen te komen.
De muziek is gemiddeld iets minder uitbundig dan zijn debuut, al zijn de verschillen klein. Alhoewel: was daarop bijna alle zang tweestemmig, dat is hier minder het geval. Wat dat betreft is het dus iets minder eigenwijs.

In dit 1981 kreeg het genre van de new romantics steeds meer populariteit binnen de new wave: zonder uitzondering waren dit modieus geklede heren (geen vrouwen in dit genre, vreemd eigenlijk...). Dit rond club The Blitz, waar mannen rondliepen die we leerden kennen bij Spandau Ballet, Ultravox en Culture Club.
En dan heet je Bram Tchaikovsky, je maakt alternatieve melodieuze gitaarrock en komt uit de no nonsenssfeer van pubrock. Je bent al een moeilijk te labelen naam, word je ook nog eens tot ouderwets bestempeld.

Anno 2023 zijn de modekleertjes van de new romantics natuurlijk hartstikke grappig maar op hun beurt hopeloos ouderwets, op het belachelijke af. De kleding die de bandleden op de hoes van dit Funland dragen is wat dat betreft tijdlozer: spijkerbroeken, leren jasjes en de frontman een gestreept blazertje. En als je dan lekkere liedjes maakt (op dit moment draait Why Does My Mother 'phone Me? met een verleidelijk ooh-lala in het refrein), dan is dit echt niet minder dan de mode van toen. Wat ook fijn is, is dat de bas heerlijk prominent in de mix zit.
Dibbel kon er een jaar geleden niet veel mee, mij bevalt het beter. Simpelweg omdat het uptempo rockt met lekkere melodietjes. Twee andere voorbeelden van de B-kant: Used to Be My Used to Be is een leuke woordspeling in de categorie woordenspel van Cheap Tricks I Want You to Want Me, Soul Surrender klinkt bijna als The Style Council (maar dan liever Tchaikovsky!) en de hoes vermeldt ook nog eens wie van de twee gitaristen (naast Tchaikovsky Denis Forbes) de solo in welk nummer speelt.
Met de laatste twee nummers is de fun van Funland voorbij: de rockabilly van Miracle Cure en de moeizame breaks in Egyptian Mummies pakken me niet.

Brammetje was dus hartstikke uit de mode in '81. Verkopen veel te laag: nog dat jaar valt de groep uit elkaar. Tchaikovsky begint een geluidstudio en schreef soms iets voor anderen. Leuk voor fans van Saxon zoals vielip, sinkthepink en B.Robertson: dit is de man die het nummer Solid Ball of Rock schreef, samen met de vader van gitarist Jack Broadbent.
In 2012 verschenen nog eens opnamen van Lochem Festival 1979, te vinden bij lastfm.

Op Funland is energieke en stevige rock te horen, melodieus en eigenwijs. Als een versie van Status Quo die nét wat meer new wave was. Vreemde combinatie die voor mij toch werkt.

Bram Tchaikovsky - Strange Man, Changed Man (1979)

poster
3,5
Tegelijk met het losbarsen van punk in Engeland begon ik met fanatiek luisteren naar Neerlands enige popzender op dat moment. We hebben het over oktober 1976 en Hilversum 3. Iedere dag had zijn eigen omroep, waarbij VARA (dinsdag), KRO (woensdag) en VPRO (vrijdagavond) de "betere" popmuziek draaiden, inclusief iéééts van de trends uit Londen.
Al luisterend en lezend (Muziekkrant Oor en Muziek Expres) leerde ik dat er behalve de heftige punk en new wave (punk maar dan zonder scheurende gitaren) een derde stroming was, zij het veel kleiner: pubrock. Die waren al sinds de eerste helft van de jaren '70 actief.
Pubrockers zaten tussen wal en schip: geen hardrock, geen punkrock en al zeker geen symfonische rock. Wél liedjes met kop en staart, melodie en compromisloze energie. Sommige van die groepen waren zelfs overgestapt op punk of new wave, zoals The Stranglers en Ian Dury & The Blockheads.

Er waren pubrockers die ook in Nederland de tip- of zelfs hitparades haalden. Mijn favoriete lijst in 1977: de Nationale Hitparade van de NOS op vrijdagmiddag, de perfecte start van het weekend: schooltas in een hoek smijten en muziek luisteren!.
Zo leerde ik namen kennen als Nick Lowe (Sound of Breaking Glass), Graham Parker & The Rumour (Don't Ask Me Questions), Dr. Feelgood (Milk and Alcohol), The Motors (het iets gepolijstere Airport), en in diezelfde categorie schaarde ik Manfred Mann's Earth Band (Blinded by the Light en Davy's on the Road Again), al hoort daar pophistorisch een ander labeltje op.
Om het nog ongewikkelder te maken: op de radio hoorde ik ook Born to Run (1975) van de Amerikaan Bruce Springsteen, wat zo voor pubrock kon doorgaan, zij het bombastischer geproduceerd. Kortom, al die labeltjes... Ik moest vaak wennen, veel leren en al luisterend onderscheiden waarom die grenzen werden getrokken.

Qua scheurende gitaren deden pubrockers eigenlijk niet onder voor punk. Bovendien waren de liedjes nét wat gevarieerder en melodieuzer. Het verwarrende was dat een groep als The Buzzcocks onder punk werd gerekend, maar eigenlijk net zo melodieus waren als pubrockers, zij het nét wat feller.
Ook met ouderwetse hardrock waren overeenkomsten. De gitaren op dit debuut van Tchaikovsky zijn namelijk net zo stevig als bij een Quo of The Damned, zo leerde ik van de (bijna) hits die deze groepen toentertijd in Nederland scoorden.

In 1979 kon ik onder het labeltje 'pubrock' toevoegen de naam van Bram Tchaikovsky (echte naam Peter Bramall): in de Tipparade van maart, eerst van Veronica maar nu bij de NCRV (!), klonk daar de prachtige melodie met aparte zangpartij en ronkende begeleiding van Sarah Smiles.
Na de eerste coronalockdown van 2020 gingen in juni de kringloopwinkels weer open. Daar kwam ik de maxisingle van Sarah Smiles tegen, het oorstrelertje dat ik sindsdien niet meer had gehoord maar evenmin was vergeten. Uiteraard uit de bak geplukt en thuis opgezet. En ja hoor, de melodie was niet versleten en de band gromde bijna Strangleriaans, na enige tijd vergezeld door een ijle synthesizer.
Zomer '22 kwam ik twee elpees van de groep tegen, dit Strange Man, Changed Man en Funland uit '81, die ik ook heb aangeschaft. Over Strange Man, waarop ook Sarah Smiles is te vinden met een iets ander intro, kan ik vertellen dat dit een heel aangenaam plaatje is. Tweestemmige zang op ieder nummer, consequent voorzien van ronkende gitaartjes. Eerlijke rock 'n' roll, geschikt voor iedere goede pub met welwillende of liever dove buren.
De muziek is consequent uptempo, op Lady from the USA na, dat ik daarom minder vind. Laat de groep maar knallen, met als andere favorieten Girl of My Dream dat kant 1 afsluit en de bijnapunk van slotlied Turn on the Light.

Voor de één is dit wellicht vlees noch vis, voor de ander best lekker. Op het kruispunt van Status Quo en The Buzzcocks (en qua meerstemmige zang, Crosby, Stills en Nash, noteer ik met enige overdrijving). Ja, die 'ander' ben ik: een 7,5 als schoolcijfer, wat ik uitdruk in 3,5 ster.

Brinsley Schwarz - The New Favourites of Brinsley Schwarz (1974)

poster
3,0
Brinsley Schwarz was de eerste groep die van de Britse pers het label 'pubrock' kreeg opgespeld. Dat bij hun derde album Silver Pistol (1972). Wat daar klinkt zijn echter vooral invloeden van countryrock, niet de rauwere pubrock die een jaar later opdook bij Ducks Deluxe en een bescheiden populariteit verkreeg via Dr. Feelgood en Graham Parker & The Rumour.
Ik vervolg na het DDR-debuut van Nina Hagen mijn reis door de invloeden op de latere punk en new wave. Dit met het zesde en laatste studioalbum van Brinsley Schwarz. Het kreeg de ironische titel The New Favourites of ... Geproduceerd door Dave Edmunds, een andere invloedrijke naam uit deze periode.

Opener (What's So Funny 'Bout) Peace, Love and Understanding? zou vooral bekend worden in 1979 dankzij Elvis Costello & The Attractions op de Amerikaanse editie van Armed Forces. Het werd geschreven door Nick Lowe, die nog vele andere coverversies zou verwelkomen, waarover uitgerekend The Financial Times berichtte.
Verder klinkt vriendelijke en melodieuze kwaliteitspop/rock, veel gepolijster dan de associatie met zweterige pubrock doet vermoeden. Zo is Ever Since You're Gone een zwoel midtempo liefdesliedje met saxofoon en de koortjes in een wolkje westcoastecho, The Look That's in Your Eye Tonight een countryballade, in Now's the Time klinkt jaren '60-beat, in Small Town, Big City jaren '50 rock 'n' roll, Tryin' to Live My Life Without You is een cover van soulzanger Otis Clay en Down in the Dive herinnert aan jaren '50 r&b.
Oftewel, Brinsley Schwarz absorbeerde de (op beat na) Amerikaanse wortels van popmuziek en deed die een Engels jasje aan. Wat dat betreft zou de term 'cottagerock' beter hebben gepast, maar die titel is nog niet uitgevonden. Alhoewel... Zojuist gedaan

De groep tourde hierna behalve onder eigen naam tevens als begeleidingsband van Dave Edmunds, om in maart '75 uit elkaar te vallen. Bob Andrews (zang, altsax en toetsen) en Brinsley Schwarz (zang, gitaar, saxofoon) doken op bij Graham Parker & The Rumour, Billy Rankin (drums) werd vaste drummer in de groep van Edmunds, terwijl zowel Nick Lowe (zang, akoestische gitaar en bas) als Ian Gomm (zang, gitaar) niet onverdienstelijke solocarrières startten. Enkele leden doken vanaf 2007 op in reünieversies van Ducks Deluxe, dat terugkeerde voor liveshows. For old times' sake.

Mijn muzikale reis vervolgt in hetzelfde 1974 met het Engelse G.T. Moore and The Reggae Guitars.

Bruce Dickinson - The Mandrake Project (2024)

poster
4,5
De laatste twee albums van Iron Maiden pakten me niet zo. Iets met de productie, hoge zanglijnen die te vaak knepen én lange nummers die mijn aandacht niet vasthielden. Ik vond ze een lange zit.

Met de loftuitingen op Bruce Dickinsons The Mandrake Project kan ik wél mee. Een krap uur durend vliegt de tijd voorbij met warme productie plus verrassend sterk songmateriaal waarin zelfs bongo's effectief blijken. En hoera, de man zingt vaker in zijn middenregister!

Het resultaat komt ontspannener, natuurlijker over én komt ongeforceerd krachtig binnen. Daarbij is het gitaarwerk heerlijk: alle lof voor Roy Z. wiens composities bovendien enorm passen bij een iets bedachtzamere Dickinson, die desondanks heavy blijft.

Bryan Adams - So Happy It Hurts (2022)

poster
3,5
Als hardrockertje in de jaren '80 vond ik een enkel nummer van Bryan Adams wel lekker, maar nooit zo dat ik zelfs maar een lp / cd van de man uit de bieb leende. De grote hits die in de jaren '90 volgden waren niet aan mij besteed en al gunde ik het de sympathieke Canadees zeker, hij bleef iemand in de marge van mijn muziekconsumptie, iemand slechts van de radio.
Tot ik 4 oktober door een zwager op sleeptouw werd genomen naar het concert van Adams in Ahoy - gratis en voor niets, en nog opgehaald en thuisgebracht ook. Een ander publiek dan ik normaliter bij de concerten van mijn keuze tegenkom met een zwarte zee van t-shirts: op Adams komt een "braver" publiek af met veel overhemden en lopende het concert steeds meer die daarover het t-shirt van de So Happy It Hurts Tour droegen.
Wat ook opviel: kennelijk is de muziek van menig ouder overgedragen op de kinders, want ik zag de nodige twintigers, inclusief de dochter van de zwager. Sterker nog, het concertbezoek was op haar initiatief.

De vrij sobere show van de strak spelende groep duurde een dikke twee uur. De zanger had er zin in en speelde bovendien enkele nummers bas; in de andere nummers klonk een bassist in de coulissen. Verrassinkjes in de setlist waren het fragment Radar Love van Golden Earring, nu als onderdeel van Kids Wanna Rock, de ode aan Tina Turner via It's Only Love met daarin meer muzikale citaten en de cover van Kiss' Rock and Roll Hell.
Uiteraard kwamen de grote hits langs - gunst, heeft hij er zóveel op zijn naam staan, wat moet ik hem vaak op de radio hebben gehoord?! - maar ook werk van dit So Happy It Hurts. Met een glimlach verliet ik de zaal en in de week erna zag ik de recensie in Oor, waarin ik me kon vinden.

Zo komt het dat ik dit album eens ben gaan ontdekken. Mijn verwachting van 'rock light' komt uit. Ik herken het geluid van het optreden en als het gesproken intro van Kick Ass klinkt, ben ik helemaal terug in Rotjeknor. Het nummer opende de show en dan zit je er meteen in: ongecompliceerde rock, waarbij Adams graag knipoogt naar de jaren '50.
Of het nu oud of nieuw werk is: uptempo vind zijn muziek het aangenaamst en er staan meer nummers van dit kaliber op het album: So Happy It Hurts, I've Been Looking for You met zijn knipoog naar de jaren '50, On the Road is een sterk gitaarliedje, Ain't Worth Shit without You een stoempende liefdesverklaring, een vleugje countryrock in Just Like Me, Just Like You en het swingende Just About Gone. Op de overige nummers rockt het wat kalmer met soms popinvloeden, zoals afsluiter These Are the Moments that Make up My Life met een persoonlijke tekst.
Vorige maand werd hij 65, maar ik vermoed dat Bryan Adams doorgaat met optreden tot hij fysiek op is. In mijn oren is So Happy It Hurts een integere plaat, gemaakt omdat Bryan Adams drie dingen graag doet: liedjes schrijven, liedjes opnemen en liedjes live spelen. Dat hoor je, dat zie je.

Buggles - The Age of Plastic (1980)

poster
3,5
Op reis door de new wave van 1979 kom ik bij Buggles en Video Killed the Radio Star. Mijn vorige halte op deze tocht was het titelloze debuut van The Raincoats, een groep uit de Londense kraakwereld.
Daar sloeg ik een bruggetje naar dit The Age of Plastic met de woorden "Een randgevalletje, want vinden we daar wel new wave?" Het korte antwoord op die vraag: NEE. En toch.

Begin november 1979 zat ik gekluisterd aan de radio en hoorde hoe Video Killed the Radio Star de Nationale Hitparade betrad, halverwege die maand op #16 piekend. In oktober was het liedje in het VK #1 geworden. In diezelfde maanden had ik synthpop gehoord van Orchestral Manoeuvres in the Dark (Electricity, mei), Tubeway Army (Are 'Friends' Electric?, juli) en Gary Numan (Cars, september), al in 1977 al voorgegaan door de synthesizers van Giorgio Moroder (bij Donna Summers I Feel Love) en Jean-Michel Jarre.

Bij OMD en Tubeway Army/Gary Numan was het alternatiever dan bij de namen uit '77 en diezelfde aanpak klonk bij de Buggles. En dus was het new wave, vond ik. Ik weet niet meer of ik de videoclip heb gezien, maar die straalt dezelfde nieuwe aanpak uit.
Album The Age of Plastic doet conservatiever aan. Soms lieflijk als Alan Parson's Project: I Love You (Miss Robot), Elstree en Astroboy. Het semi-instrumentale Island doet aan 10CC denken.
Vaker is het pittiger. Behalve de hitsingle geldt dat voor opener The Plastic Age, Kid Dynamo, Clean, Clean en het fraaie Johnny on the Monorail. Bij de bonussen die in 2000 op cd verschenen staat het pakkende Technopop, met een saxofoon als horen we hier Spandau Ballet. Maar die moesten nog doorbreken.
Bovendien is The Age of Plastic in teksten vooruitziend. Leg bijvoorbeeld de ontwikkelingen van 2024 rond kunstmatige intelligentie eens naast de tekst in het eerste couplet van Video Killed the Radio Star: "They took the credit for your second symphony - Rewritten by machine on new technology".

In 1980 werd de kern van Buggles, Trevor Horn en Geoff Downes, onderdeel van Yes (!) bij het album Drama. Begin 1981 viel die groep uit elkaar en reeds datzelfde jaar verscheen de tweede Buggles, Adventures in Modern Recording genaamd.
Video Killed was in 1981 de eerste videoclip bij MTV, zoals deze minidocu vertelt. Trevor Horn kwam ik vervolgens tegen als producer van Yes' hitalbum 90125, Geoff Downes bij symfosupergroep Asia.

Als naam binnen de new wave is Buggles een over-de-randgeval. Maar wél één die bewees dat popliedjes en new wave zeer wel samengingen, al dan niet met synthesizers. Zie maar wat er in 1980 opdook aan namen zoals het debuut van Duran Duran of Ultravox' Vienna. Of de successen die The Stranglers zouden gaan behalen (Golden Brown!). Daarmee is Buggles wel degelijk relevant voor deze stroming, waarbij de term sowieso een containerbegrip is.

Laat ik nóg een randgeval in new wave aandoen: dat van Marianne Faithfull, een naam die al in 1964 opdook in de hitlijsten. Eveneens in november 1979 bracht zij Broken English uit, synthesizers omarmend.

Buzzcocks - A Different Kind of Tension (1979)

poster
4,5
Maar liefst twee langspelers verschenen er van Buzzcocks in september 1979. Dit A Different Kind of Tension bij United Artists én de bekender geworden compilatie Singles Going Steady bij I.R.S. Qua marketing niet zo slim.
Dankzij de Oor post-punk top 100 die in het nummer van oktober 2024 staat, krijgt het in oktober 1979 verschenen 154 van Wire momenteel in Nederland de nodige aandacht. Terecht. Maar ook deze punk tweepuntnul verdient herwaardering. Immers, zowel op Buzzcocks’ Love Bites (1978) als op dit A Different Kind of Tension werd voorbij punk gemusiceerd.
Op hun derde reguliere album staan de nodige juweeltjes. Het is het hier wederom heel melodieus én very British met zijn teksten en beschouwende, wat sombere sfeer. Dit alles wederom in puntige liedjes verpakt, vól energie en boeiende teksten. Het balt zich in één gezongen regel samen, dankzij het huppeltje in opener Paradise: “Why are you wasting my ti-hi-hime?”

Kant 1 heet The Rose On The Chocolate Box, 2 The Thorn Beneath The Rose. Hierbij heb ik een lichte voorkeur voor de nummers met gitarist (linkerkanaal) Pete Shelley op zang, vanwege diens wat eigenaardige stem. Andere gitarist (rechterkanaal) Steve Diggle zingt overigens ook pakkend. Zijn stem is rauwer maar daarmee ook meer lijkend op die van andere punkgroepen. Tegelijkertijd levert dit ruwweg om-en-om een nummer zingen veel variatie op. Om het af te maken gromt de bas van Steve Garvey aangenaam, drumt John Maher stuwend met fraaie details en legde producer Martin Rushent die messcherp vast.

Favorieten naast het al genoemde Paradise ? de fraaie treurnis van You Say You Don’t Love Me, in Mad, Mad Judy gaan punk en postpunk samen – ja, dat kan volgens mij, luister maar naar de gitaarpartijen, in Hollow Inside opnieuw dat postpunkachtige, het stampende titelnummer is intens en fraai én de dikke zeven minuten van I Believe. Dat heeft een ontboezemende tekst, lekkere baslijnen en heerlijke zanglijnen. Pakkend als duurde het drie minuten. Op die laatste lengte verscheen het overigens in maart 1980 wel op single.
De groep scoorde echter hiermee geen hitsingles in het eigen Brittannië, het album kwam in oktober '79 slechts tot #26. In 1981 strandde de groep terwijl men aan een vierde album werkte. De vier gingen huns weegs totdat er aan het einde van het decennium weer leven in de groep kwam.

Laat ik duidelijk zijn: A Different Kind of Tension verdient herwaardering. En geen klein beetje.

Ik reis door new wave, momenteel die van 1979. Het vorige station was Ian Dury met een verzamelaar waarop non-albumsingle Reasons to Be Cheerful, Part 3 is te vinden; omdat ik TRB Two van de Tom Robinson Band uit maart dat jaar was vergeten, ga ik zes maanden terug in de tijd.

Buzzcocks - Another Music in a Different Kitchen (1978)

poster
4,0
Na het sterke debuut in januari 1977 met de EP Spiral Scratch verliest de groep toptalent Howard Devoto, Maar een wondertje geschiedt: Pete Shelley komt bij de microfoon te staan en diens stem is héérlijk. In oktober 1977 verschijnt non-albumsingle Orgasm Addict die later op Singles Going Steady zou belanden.

In maart 1978 is er de eerste langspeler, die de titel Another Music in a Different Kitchen meekrijgt. Net als de vorige releases horen we melodieuze punk, een genre dat in de jaren '90 het label punkpop zou krijgen. Maar in '78 deden we niet moeilijk en van wat ik las was dit punk.
Drie nummers stammen nog uit de periode Devoto, overigens alledrie met Shelley geschreven. De laatste is bovendien verantwoordelijk voor de overige composities, al dan niet als co-schrijver, uitgezonderd Autonomy, geschreven door slaggitarist Steve Diggle. Een pareltje dat niet voor de andere pareltjes op de plaat onderdoet. In zijn biografie Harmony In My Head (2002) schrijft Diggle overigens dat hij het grootste deel van opener Fast Cars schreef, maar iets ging fout bij het verwerken van de credits.

Elf keer véél melodie, véél energie en dat eigenaardige, charmante, lichte stemmetje van Shelley. Vergeef me het verkleinwoord, want ondertussen is de muziek wel degelijk krachtig. En o ja: lekker geproduceerd... Het drumgeluid bijvoorbeeld, beluister maar eens de toms in slotlied Moving Away from the Pulsebeat. Productie van Martin Rushent.

Ik kwam hier op mijn reis door new wave vanaf de eerste langspeler van XTC en vervolg bij Kraftwerk en Die Mensch·Maschine.