Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Slade - Till Deaf Do Us Part (1981)

4,0
2
geplaatst: 23 april 2024, 08:06 uur
Leuk om de berichten hierboven te lezen. De historische context die nlkink beschrijft is helemaal correct; een aanvulling van mijn kant. Waar RuudC en lennert verticaal door de discografie van menig artiest reisden, daarbij steevast interessante observaties ponerend, is het goed om ook horizontaal te luisteren, in connectie met de tijd(genoten).
In 1980 brack de New wave of British heavy metal door en waren onstuimige gitaren terug van weggeweest, versterkt door de doorbraken van het melodieuze Boston en het luchtiger maar spectaculaire Van Halen in de jaren ervoor.
Slade was in 1981 voor deze tiener een groep uit een grijs verleden met leuke nummers, rare glitterkleding en dat maffe kapsel van gitarist Dave Hill. Maar als het spectaculaire optreden van de groep op Lochem Pop 1981 in juni door de VARA op Hilversum 3 wordt uitgezonden, ben ik zo slim dit op te nemen. De verwachtingen waren laag, maar de berichten van Reading 1980 waren vooruitgegaan en dus drukte ik de opnameknop in.
De uitzending was verbluffend goed, het cassettebandje heb ik menigmaal gedraaid. De oude krakers die ik kende van Arbeidsvitaminen werden met volle energie gespeeld en kregen een tweede leven, nieuw werk werd naadloos ingepast. Op YouTube naast audio ook beelden van dat befaamde concert. Working class hardrock, de glitters voorbij. Vergelijkbaar met wat het AC/DC van Bon Scott en Rose Tattoo deden, of Status Quo in de eerste helft van de jaren '70: vuige rock 'n' roll zonder kapsones.
In de dorpsfonotheek ontbrak comebackplaat We'll Bring the House Down uit 1980, maar Till Deaf Do Us Part landde daar wel. De hoes vond ik prachtig en pijnlijk tegelijk. Hij deed me denken aan een uitspraak van Lemmy van Motörhead: ‘Als je bij een concert van ons doof wordt, is Motörhead het laatste wat je hebt gehoord!’ Zijn grijns bedacht ik vanzelf daarbij.
Met orgelklanken en een geschreeuwd intro van Noddy Holder is Rock and Roll Preacher (Hallelujah I'm on Fire) de perfecte aftrap, verpakt als een kerkdienst. Lock up Your Daughters bevat een riff zoals ik die van AC/DC kende, waarna het titelnummer met een spannend intro een uptempo rocker blijkt, Ruby Red een melodieus maar stevig vervolg en She Brings out the Devil in Me de eerste plaatkant nog eens stevig afsluit.
Kant 2 begint met meer orgel, bespeeld door bassist Jim Lea. Alwéér uptempo rockend is A Night to Remember, waarna met M'Hat M'Coat voor het eerst gas wordt teruggenomen. Dankzij de toetsen klinkt de groep hier eigentijds, de jaren '70 voorbij en een fraaie gitaarmelodie verrast me. Het blijkt de opmaat naar meer stevig werk, dat meestal uptempo is. Deze veteranen klonken alsof ze twintig waren, luid en energiek en bovendien goede muzikanten, bekwaam op hun instrumenten met de onvermoeibare Holder als stormram.
Nederlands hitsucces volgde: Lock up Your Daughters werd in november 1981 #19 in de Nationale Hitparade. Verbaasd las ik in 1984 dat de groep alsnog in de Verenigde Staten was doorgebroken met Keep Your Hands off My Power Supply, geholpen door de cover van Quiet Riot van hun Cum’ on Feel the Noize. Beter laat dan nooit.
Op mijn zolderkamer draaide ik mijn Live at Lochem-cassettebandje weer eens. Till Deaf Do Us Part ontbeert de tomeloze livesfeer daarvan, maar is een dikke acht waard.
In 1980 brack de New wave of British heavy metal door en waren onstuimige gitaren terug van weggeweest, versterkt door de doorbraken van het melodieuze Boston en het luchtiger maar spectaculaire Van Halen in de jaren ervoor.
Slade was in 1981 voor deze tiener een groep uit een grijs verleden met leuke nummers, rare glitterkleding en dat maffe kapsel van gitarist Dave Hill. Maar als het spectaculaire optreden van de groep op Lochem Pop 1981 in juni door de VARA op Hilversum 3 wordt uitgezonden, ben ik zo slim dit op te nemen. De verwachtingen waren laag, maar de berichten van Reading 1980 waren vooruitgegaan en dus drukte ik de opnameknop in.
De uitzending was verbluffend goed, het cassettebandje heb ik menigmaal gedraaid. De oude krakers die ik kende van Arbeidsvitaminen werden met volle energie gespeeld en kregen een tweede leven, nieuw werk werd naadloos ingepast. Op YouTube naast audio ook beelden van dat befaamde concert. Working class hardrock, de glitters voorbij. Vergelijkbaar met wat het AC/DC van Bon Scott en Rose Tattoo deden, of Status Quo in de eerste helft van de jaren '70: vuige rock 'n' roll zonder kapsones.
In de dorpsfonotheek ontbrak comebackplaat We'll Bring the House Down uit 1980, maar Till Deaf Do Us Part landde daar wel. De hoes vond ik prachtig en pijnlijk tegelijk. Hij deed me denken aan een uitspraak van Lemmy van Motörhead: ‘Als je bij een concert van ons doof wordt, is Motörhead het laatste wat je hebt gehoord!’ Zijn grijns bedacht ik vanzelf daarbij.
Met orgelklanken en een geschreeuwd intro van Noddy Holder is Rock and Roll Preacher (Hallelujah I'm on Fire) de perfecte aftrap, verpakt als een kerkdienst. Lock up Your Daughters bevat een riff zoals ik die van AC/DC kende, waarna het titelnummer met een spannend intro een uptempo rocker blijkt, Ruby Red een melodieus maar stevig vervolg en She Brings out the Devil in Me de eerste plaatkant nog eens stevig afsluit.
Kant 2 begint met meer orgel, bespeeld door bassist Jim Lea. Alwéér uptempo rockend is A Night to Remember, waarna met M'Hat M'Coat voor het eerst gas wordt teruggenomen. Dankzij de toetsen klinkt de groep hier eigentijds, de jaren '70 voorbij en een fraaie gitaarmelodie verrast me. Het blijkt de opmaat naar meer stevig werk, dat meestal uptempo is. Deze veteranen klonken alsof ze twintig waren, luid en energiek en bovendien goede muzikanten, bekwaam op hun instrumenten met de onvermoeibare Holder als stormram.
Nederlands hitsucces volgde: Lock up Your Daughters werd in november 1981 #19 in de Nationale Hitparade. Verbaasd las ik in 1984 dat de groep alsnog in de Verenigde Staten was doorgebroken met Keep Your Hands off My Power Supply, geholpen door de cover van Quiet Riot van hun Cum’ on Feel the Noize. Beter laat dan nooit.
Op mijn zolderkamer draaide ik mijn Live at Lochem-cassettebandje weer eens. Till Deaf Do Us Part ontbeert de tomeloze livesfeer daarvan, maar is een dikke acht waard.
Slechtvalk - A Forlorn Throne (2010)

4,5
0
geplaatst: 1 november 2024, 20:15 uur
Vijf jaar na voorganger At the Dawn of War (compilatie An Era of Bloodshed verscheen tussendoor) keerde Slechtvalk terug met A Forlorn Throne. Ondertussen was de bezetting gewijzigd. Daarbij was de sopraan vertrokken en niet vervangen, waarmee de muziek niet meer zoals voorheen weleens tegen symphonic metal aan schurkt.
Gebleven zijn drummer Grimbold en Ohtar, die is overgestapt van gitaar naar bas en veel meeschreef in dit voormalige soloproject van frontman Shamgar.
Nieuw zijn gitarist Seraph en toetsenist Premnath, welke in vergelijking met zijn voorgangers meer op de achtergrond speelt. Want A Forlorn Throne is voluit een bruut gitaaralbum. Ook nieuw zijn het platenlabel én het bandlogo met de valk. Het album staat hier met prachtig artwork in een fraaie digipack.
Voor het eerst werd in Zweden opgenomen en wel met producer Johan Örnborg. Erik Grawsiö van de groep Månegarm schoof aan voor extra vocalen, inclusief diepe deathgrunts. Opvallend is dat de productie vetter is dan ooit, hoor de floortoms eens donderen in de opener! Soms is cleane zang te horen of een akoestische gitaar. Maar al met al een heavy, snelle plaat.
Slechtvalk en Seraph in het bijzonder, schreven meer mee aan de muziek dan op de voorganger, waar al een toenemende invloed van andere groepsleden klonk. Toch componeerde Shamgar nog altijd het meeste werk, inclusief teksten.
De reden dat ik van Slechtvalk houd, is mede omdat de teksten lezen als een miniroman die je in dit geval in een uur uit hebt. Het lezen van de romanreeks The Last Kingdom duurde een stuk langer en daarin trof ik dezelfde sfeer aan als bij Slechtvalk (overigens is de serie op streaming een slap aftreksel van de boekenreeks, op seizoen 1 na - dat terzijde).
De thema's zijn als vanouds de natuur, bossen in het bijzonder, oorlog en wraak. 'War metal' noemde de groep hun genre enkele jaren eerder terecht.
Het verhaal zoals ik het begrijp: in Tamers of the Seas trekt een leger overzees om een andere koning aan te vallen en doet dat succesvol. In Forsaken wisselt het perspectief naar de tegenpartij. Een koningszoon beseft zeer wel dat hij met deze nederlaag zijn vader diep teleurstelt. Een nummer met een prachtig akoestisch slot, dat van mij wel langer had mogen duren.
In Desolate vecht hij met zijn demonen van depressie, maar hervindt de kracht om door te gaan.
Divided by Malice heeft een kalm intro met toetsen, akoestische gitaar en ingetogen zang. Het vervolgt luid in 6/8 maat en verhaalt hoe zijn vrouw is afgenomen door de leider van het leger dat overzees reisde. Met de opener mijn favoriet van dit album.
Hij vindt de man en slaat hem de duimen af, waarna hij in Allegiance terugkeert naar zijn vader, de koning. Enthroned is geschreven door Othar en verhaalt over een visioen (?) dat de koningszoon in het bos ziet van een 'king of old' en diens onderdanen.
In Bewailed wordt verhaald hoe de vrouw uit Divided by Malice werd ontvoerd en een (slecht)valk ziet als teken dat haar rechtmatige man haar zal bevrijden. Tenslotte komt het in Towards the Dawn en Vengeance of a Scorned King tot een beslissende eindslag.
Een verhaal dat iets moeilijker te volgen is dan die van de vorige albums, met brutere muziek. Ik noteer 4,5 ster voor A Forlorn Throne. Het duurde zes jaar tot opvolger Where Wandering Shadows and Mists Collide verscheen.
Gebleven zijn drummer Grimbold en Ohtar, die is overgestapt van gitaar naar bas en veel meeschreef in dit voormalige soloproject van frontman Shamgar.
Nieuw zijn gitarist Seraph en toetsenist Premnath, welke in vergelijking met zijn voorgangers meer op de achtergrond speelt. Want A Forlorn Throne is voluit een bruut gitaaralbum. Ook nieuw zijn het platenlabel én het bandlogo met de valk. Het album staat hier met prachtig artwork in een fraaie digipack.
Voor het eerst werd in Zweden opgenomen en wel met producer Johan Örnborg. Erik Grawsiö van de groep Månegarm schoof aan voor extra vocalen, inclusief diepe deathgrunts. Opvallend is dat de productie vetter is dan ooit, hoor de floortoms eens donderen in de opener! Soms is cleane zang te horen of een akoestische gitaar. Maar al met al een heavy, snelle plaat.
Slechtvalk en Seraph in het bijzonder, schreven meer mee aan de muziek dan op de voorganger, waar al een toenemende invloed van andere groepsleden klonk. Toch componeerde Shamgar nog altijd het meeste werk, inclusief teksten.
De reden dat ik van Slechtvalk houd, is mede omdat de teksten lezen als een miniroman die je in dit geval in een uur uit hebt. Het lezen van de romanreeks The Last Kingdom duurde een stuk langer en daarin trof ik dezelfde sfeer aan als bij Slechtvalk (overigens is de serie op streaming een slap aftreksel van de boekenreeks, op seizoen 1 na - dat terzijde).
De thema's zijn als vanouds de natuur, bossen in het bijzonder, oorlog en wraak. 'War metal' noemde de groep hun genre enkele jaren eerder terecht.
Het verhaal zoals ik het begrijp: in Tamers of the Seas trekt een leger overzees om een andere koning aan te vallen en doet dat succesvol. In Forsaken wisselt het perspectief naar de tegenpartij. Een koningszoon beseft zeer wel dat hij met deze nederlaag zijn vader diep teleurstelt. Een nummer met een prachtig akoestisch slot, dat van mij wel langer had mogen duren.
In Desolate vecht hij met zijn demonen van depressie, maar hervindt de kracht om door te gaan.
Divided by Malice heeft een kalm intro met toetsen, akoestische gitaar en ingetogen zang. Het vervolgt luid in 6/8 maat en verhaalt hoe zijn vrouw is afgenomen door de leider van het leger dat overzees reisde. Met de opener mijn favoriet van dit album.
Hij vindt de man en slaat hem de duimen af, waarna hij in Allegiance terugkeert naar zijn vader, de koning. Enthroned is geschreven door Othar en verhaalt over een visioen (?) dat de koningszoon in het bos ziet van een 'king of old' en diens onderdanen.
In Bewailed wordt verhaald hoe de vrouw uit Divided by Malice werd ontvoerd en een (slecht)valk ziet als teken dat haar rechtmatige man haar zal bevrijden. Tenslotte komt het in Towards the Dawn en Vengeance of a Scorned King tot een beslissende eindslag.
Een verhaal dat iets moeilijker te volgen is dan die van de vorige albums, met brutere muziek. Ik noteer 4,5 ster voor A Forlorn Throne. Het duurde zes jaar tot opvolger Where Wandering Shadows and Mists Collide verscheen.
Slechtvalk - At Death's Gate (2024)

4,5
1
geplaatst: 11 november 2024, 19:36 uur
De afgelopen twee weken ben ik het werk van Slechtvalk doorgegaan en met het tien dagen geleden verschenen At Death's Gate is daar de zesde van de groep. In 2005 omschreef toenmalig gitarist Ohtar hun muziek als "war metal of dark metal". Inmiddels houdt de groep het op blackened death metal, een omschrijving die de lading dekt. Ook omdat het deze keer eens níet over oorlog gaat. Alhoewel...
Voorganger Where Wandering Shadows and Mists Collide is alweer acht jaar oud, onder andere door bezettingswijzigingen, de coronacrisis, het zoeken naar een platenmaatschappij én de releaseplanning van die laatste, in dit geval MDD.
Nieuw zijn bassist Tomrair en drummer Hamar. De laatste mept net een paar kilometer per minuut sneller dan zijn voorganger, waarop hoofdcomponist en oerlid Shamgar (gitaar, screams en andere zang) en medecomponist Seraph (gitaar en zang) werk schreven dat daarin meegaat.
Dat wordt duidelijk vanaf seconde één via Paralysed by Fear, dat ziedend uit de speakers komt vliegen, spoedig vergezeld door screams en later grunts plus meerstemmige cleane zang. Hierbij is het genieten van de drumaccenten en daarmee hebben we de dominante ingrediënten van At Death's Gate te pakken. Opgenomen in de studio van producer Lasse Lammert nabij Hamburg, is een volvette productie verzekerd.
Waar ik net als voorheen een strijdverhaal uit middeleeuwse tijden verwachtte, klinkt een tekst over mentale pijn, die de rode draad van At Death's Gate blijkt te vormen. De titel staat symbool voor de zuiging van zelfmoord. Daarmee gaat het ook weer over strijd, maar nu in het hoofd. De teksten zijn intens en uit een interview met Shamgar blijkt hij te weten waar hij het over heeft. Knap verwoorde beschrijvingen zijn het gevolg.
De muziek is dus weer extremer dan voorheen, waarbij stiekem ook pakkende melodieën klinken, zoals het koor in het titelnummer. De strijd in het brein weerklinkt in zinnen als "What a fool I was to believe that there was nothing left for me, than to drown in my own misery."
In Fight Till the End klinkt vooral deathmetal dankzij de riffs en gastgrunter Claudio Enzler, waarna het met Death juist meer de kant van black metal opgaat.
Rustpuntje op het album is het eerste deel van Enshrouded via cello en viool van de hand van Almut Storch en de woorden "All my life I have tried so hard to fix the problems I caused over and over again". Het groeit geleidelijk in intensiteit naar blastbeats, om dan toch kalmer te eindigen. In dit nummer klinken de toetsen van Premnath het duidelijkst, elders is hij vooral degene die bijna onhoorbaar een basis legt; zou hij die echter nalaten, dan zou het meteen opvallen.
In The Destroyer kijken we de vijand recht in de ogen: "You seek mercy, but I am the executioner". Evenveel muzikaal geweld met slotlied Heritage, waar verrassend een piano opduikt. Qua tekst een oproep en tevens een open einde, te indringend om hier weg te geven.
Een opvolger moet korter op zich laten wachten: dit is qua muziek té lekker en de teksten zijn té interessant voor nog eens acht jaar. Komende zaterdag spelen ze in hun thuishonk in Utrecht een releaseconcert, nadat ze afgelopen zaterdag in Heilbronn hun eerste concert gaven na verschijning van At Death's Gate. Een heerlijk album met teksten die diep gaan.
Voorganger Where Wandering Shadows and Mists Collide is alweer acht jaar oud, onder andere door bezettingswijzigingen, de coronacrisis, het zoeken naar een platenmaatschappij én de releaseplanning van die laatste, in dit geval MDD.
Nieuw zijn bassist Tomrair en drummer Hamar. De laatste mept net een paar kilometer per minuut sneller dan zijn voorganger, waarop hoofdcomponist en oerlid Shamgar (gitaar, screams en andere zang) en medecomponist Seraph (gitaar en zang) werk schreven dat daarin meegaat.
Dat wordt duidelijk vanaf seconde één via Paralysed by Fear, dat ziedend uit de speakers komt vliegen, spoedig vergezeld door screams en later grunts plus meerstemmige cleane zang. Hierbij is het genieten van de drumaccenten en daarmee hebben we de dominante ingrediënten van At Death's Gate te pakken. Opgenomen in de studio van producer Lasse Lammert nabij Hamburg, is een volvette productie verzekerd.
Waar ik net als voorheen een strijdverhaal uit middeleeuwse tijden verwachtte, klinkt een tekst over mentale pijn, die de rode draad van At Death's Gate blijkt te vormen. De titel staat symbool voor de zuiging van zelfmoord. Daarmee gaat het ook weer over strijd, maar nu in het hoofd. De teksten zijn intens en uit een interview met Shamgar blijkt hij te weten waar hij het over heeft. Knap verwoorde beschrijvingen zijn het gevolg.
De muziek is dus weer extremer dan voorheen, waarbij stiekem ook pakkende melodieën klinken, zoals het koor in het titelnummer. De strijd in het brein weerklinkt in zinnen als "What a fool I was to believe that there was nothing left for me, than to drown in my own misery."
In Fight Till the End klinkt vooral deathmetal dankzij de riffs en gastgrunter Claudio Enzler, waarna het met Death juist meer de kant van black metal opgaat.
Rustpuntje op het album is het eerste deel van Enshrouded via cello en viool van de hand van Almut Storch en de woorden "All my life I have tried so hard to fix the problems I caused over and over again". Het groeit geleidelijk in intensiteit naar blastbeats, om dan toch kalmer te eindigen. In dit nummer klinken de toetsen van Premnath het duidelijkst, elders is hij vooral degene die bijna onhoorbaar een basis legt; zou hij die echter nalaten, dan zou het meteen opvallen.
In The Destroyer kijken we de vijand recht in de ogen: "You seek mercy, but I am the executioner". Evenveel muzikaal geweld met slotlied Heritage, waar verrassend een piano opduikt. Qua tekst een oproep en tevens een open einde, te indringend om hier weg te geven.
Een opvolger moet korter op zich laten wachten: dit is qua muziek té lekker en de teksten zijn té interessant voor nog eens acht jaar. Komende zaterdag spelen ze in hun thuishonk in Utrecht een releaseconcert, nadat ze afgelopen zaterdag in Heilbronn hun eerste concert gaven na verschijning van At Death's Gate. Een heerlijk album met teksten die diep gaan.
Slechtvalk - At the Dawn of War (2005)

4,5
0
geplaatst: 1 november 2024, 08:32 uur
At the Dawn of War is het derde album van Slechtvalk, al was er ook nog een splitalbum met het Indonesische Kekal, getiteld Chaos & Warfare (2002).
We worden weer meegenomen naar Middeleeuwse tijden. Oorlogen en geruchten van oorlogen. Waar ken ik dat nog meer van? Juist, het nieuws van 2024, nu er al twee-en-driekwart jaar een oorlog woedt op Europese bodem met groeiende invloed op de Nederlandse maatschappij. Met dat in het achterhoofd is dit niet slechts een album met een fictief verhaal over vroeger. Nee, dit lijkt op het nu.
Nieuw bij de groep is toetsenist Hydrith, die naadloos vervolgt waar zijn voorganger eindigde. De eerste helft van dit album is een conceptverhaal, genaamd Rise of a Legend. Inclusief de instrumentale opener in folkstijl (fraai!) wordt gedurende vijf nummers het verhaal verteld van een vijand die de zuidelijke bondgenoten heeft ingesloten. "We" van het noorden gaan op weg om ze te ontzetten. Je voelt de spanning en doodsangst op weg naar de veldslag.
De vijf nummers na dit verhaal hebben indirect met dit concept te maken, als verhalen die zich aan de flanken van het hoofdverhaal afspelen. Ze behandelen thema's als verraad en vrijheid. Bijzonder is het brute kleinood Black Raven Dead dat halverwege fraai wordt stilgelegd; hoe een slechtvalk een raaf vangt. De natuur dient ook op dit album als inspiratiebron.
De teksten zijn in proza, dus geen coupletten of refreinen, al wordt in The Spoils of Treason een deel van de tekst herhaald. De zang bestaat uit screams (Shamgar), sopraan (Fionnghuala) en cleane, zware mannenstemmen zoals bijvoorbeeld Heidevolk ook doet (de overige leden: gitarist Ohtar en drummer Grimbold).
Bij dit alles valt op dat het geluid is verbreed. Zo is de productie net wat dieper dan op voorganger The War That Plagues the Lands, de drums klinken iets voller en in Call to Arms zijn naast een akoestische gitaar swingende, bijna jazzdrumfills te horen.
Verder de nodige blastbeats, hamerende dubbele bassdrums en de kenmerkende razendsnelle slaggitaren, afgewisseld met langzame delen en composities zoals The Spoils of Treason, dat qua rifflijnen iets wegheeft van Paradise Lost. Variatie genoeg.
De meeste nummers werden geschreven door Shamgar, maar de overige groepsleden hebben na enkele jaren bij de band meer inbreng. Zo werd Mortal Serenity geschreven door bassist Nath die een net wat andere aanpak heeft, wat enorm goed uitpakt.
Nu ik alle albums eens op een rijtje beluister, valt de ontwikkeling van de groep op. In dit geval worden stijl en geluid verder verbreed en de productie (wederom van Martijn Groeneveld) verfijnd, zonder aan energie in te boeten.
De groep omschrijft de muziek als 'war metal'. Helaas passend bij de loopgraven van Oekraïne, waarmee het verhaal veel urgenter binnenkomt. Vijf jaar later verscheen opvolger A Forlorn Throne.
We worden weer meegenomen naar Middeleeuwse tijden. Oorlogen en geruchten van oorlogen. Waar ken ik dat nog meer van? Juist, het nieuws van 2024, nu er al twee-en-driekwart jaar een oorlog woedt op Europese bodem met groeiende invloed op de Nederlandse maatschappij. Met dat in het achterhoofd is dit niet slechts een album met een fictief verhaal over vroeger. Nee, dit lijkt op het nu.
Nieuw bij de groep is toetsenist Hydrith, die naadloos vervolgt waar zijn voorganger eindigde. De eerste helft van dit album is een conceptverhaal, genaamd Rise of a Legend. Inclusief de instrumentale opener in folkstijl (fraai!) wordt gedurende vijf nummers het verhaal verteld van een vijand die de zuidelijke bondgenoten heeft ingesloten. "We" van het noorden gaan op weg om ze te ontzetten. Je voelt de spanning en doodsangst op weg naar de veldslag.
De vijf nummers na dit verhaal hebben indirect met dit concept te maken, als verhalen die zich aan de flanken van het hoofdverhaal afspelen. Ze behandelen thema's als verraad en vrijheid. Bijzonder is het brute kleinood Black Raven Dead dat halverwege fraai wordt stilgelegd; hoe een slechtvalk een raaf vangt. De natuur dient ook op dit album als inspiratiebron.
De teksten zijn in proza, dus geen coupletten of refreinen, al wordt in The Spoils of Treason een deel van de tekst herhaald. De zang bestaat uit screams (Shamgar), sopraan (Fionnghuala) en cleane, zware mannenstemmen zoals bijvoorbeeld Heidevolk ook doet (de overige leden: gitarist Ohtar en drummer Grimbold).
Bij dit alles valt op dat het geluid is verbreed. Zo is de productie net wat dieper dan op voorganger The War That Plagues the Lands, de drums klinken iets voller en in Call to Arms zijn naast een akoestische gitaar swingende, bijna jazzdrumfills te horen.
Verder de nodige blastbeats, hamerende dubbele bassdrums en de kenmerkende razendsnelle slaggitaren, afgewisseld met langzame delen en composities zoals The Spoils of Treason, dat qua rifflijnen iets wegheeft van Paradise Lost. Variatie genoeg.
De meeste nummers werden geschreven door Shamgar, maar de overige groepsleden hebben na enkele jaren bij de band meer inbreng. Zo werd Mortal Serenity geschreven door bassist Nath die een net wat andere aanpak heeft, wat enorm goed uitpakt.
Nu ik alle albums eens op een rijtje beluister, valt de ontwikkeling van de groep op. In dit geval worden stijl en geluid verder verbreed en de productie (wederom van Martijn Groeneveld) verfijnd, zonder aan energie in te boeten.
De groep omschrijft de muziek als 'war metal'. Helaas passend bij de loopgraven van Oekraïne, waarmee het verhaal veel urgenter binnenkomt. Vijf jaar later verscheen opvolger A Forlorn Throne.
Slechtvalk - Falconry (2000)

3,5
0
geplaatst: 31 oktober 2024, 10:34 uur
Na jaren stilte verschijnt morgen de nieuwe Slechtvalk. Een goede reden om hun albums uit de kast te plukken. De muziek via fysieke geluidsdrager beluisteren is nodig om het epische concept achter de muziek te begrijpen. Dat gaat me met Falconry niet lukken, want die heb ik nog niet staan. Ik blijf daarom bij de muziek die ik vanaf streaming beluister.
Slechtvalk is hier nog het eenmansproject van Shamgar, die de studio indook met, voor productie en mastering, Martijn Groeneveld en Raffi Trapman. Shamgar is behalve multi-instrumentalist ook een verhalenverteller, zoveel wordt bij dit debuut al duidelijk dankzij deze pagina uit het cd-boekje.
Hij omschrijft daar zichzelf als iemand die met een slechtvalk op de hand door een woud wandelt, waarmee het verhaal begint. Natuur en verhalende muziek: vanaf het begin de kern van Slechtvalks discografie, waarbij hij zijn christelijke achtergrond in de verhaallijnen weeft.
Muzikaal is dit black metal en dus klinken vaak blastbeats, overgoten met de nodige gotische toetsenpartijen: breed uitwaaierende synthesizers én elektrische piano. Shamgars screams volgen direct na het rustige toetsen- en gitaarintro van Cries of the Haunted, dat snel vervolgt. Gotische sferen in T.M.B.W.G.M.N.L met naast screams ook lage, cleane zang. In To Praised the Unpraised en My Eternal Beloved klinken bovendien grunts uit de keel van Jochem Vlaardingerbroek.
Gedurende het verhaal komen diverse sferen en tempo's voorbij, waarmee de drie kwartier snel voorbijgaan. Slotnummer De Verdrongen Tekenen is in onze moerstaal en op streaming staat als bonus Whispers in the Dark.
In fysieke vorm is Falconry moeilijk verkrijgbaar, momenteel zelfs via Discogs niet te koop. Daarmee mis ik helaas een laag bij beluistering van dit prima debuut. Gelukkig staan de opvolgers hier wel op de plank, reeds het jaar erop verscheen The War That Plagues the Lands.
Slechtvalk is hier nog het eenmansproject van Shamgar, die de studio indook met, voor productie en mastering, Martijn Groeneveld en Raffi Trapman. Shamgar is behalve multi-instrumentalist ook een verhalenverteller, zoveel wordt bij dit debuut al duidelijk dankzij deze pagina uit het cd-boekje.
Hij omschrijft daar zichzelf als iemand die met een slechtvalk op de hand door een woud wandelt, waarmee het verhaal begint. Natuur en verhalende muziek: vanaf het begin de kern van Slechtvalks discografie, waarbij hij zijn christelijke achtergrond in de verhaallijnen weeft.
Muzikaal is dit black metal en dus klinken vaak blastbeats, overgoten met de nodige gotische toetsenpartijen: breed uitwaaierende synthesizers én elektrische piano. Shamgars screams volgen direct na het rustige toetsen- en gitaarintro van Cries of the Haunted, dat snel vervolgt. Gotische sferen in T.M.B.W.G.M.N.L met naast screams ook lage, cleane zang. In To Praised the Unpraised en My Eternal Beloved klinken bovendien grunts uit de keel van Jochem Vlaardingerbroek.
Gedurende het verhaal komen diverse sferen en tempo's voorbij, waarmee de drie kwartier snel voorbijgaan. Slotnummer De Verdrongen Tekenen is in onze moerstaal en op streaming staat als bonus Whispers in the Dark.
In fysieke vorm is Falconry moeilijk verkrijgbaar, momenteel zelfs via Discogs niet te koop. Daarmee mis ik helaas een laag bij beluistering van dit prima debuut. Gelukkig staan de opvolgers hier wel op de plank, reeds het jaar erop verscheen The War That Plagues the Lands.
Slechtvalk - The War That Plagues the Lands (2001)

4,0
0
geplaatst: 31 oktober 2024, 23:36 uur
Morgen verschijnt de nieuwe Slechtvalk genaamd At Death's Gate en Post.nl meldde dat ie onderweg is. In de aanloop beluister ik hun discografie.
Ben er vanavond voor gaan zitten mét het cd-boekje erbij. Tweede album The War that Plagues the Land gaat precies over wat de titel aanduidt.
Het verhaal is - als ik het goed begrijp - in drieën opgebouwd. Eerst een ik-persoon die als wachter heeft gefaald door in te slaap te vallen, waardoor zijn kameraden zijn gedood. Bij de koning zoekt en vindt hij genade, maar later sneuvelt hij door vijandelijke pijlen.
Daar wordt hij gevonden door een tweede ik-persoon, die hem meeneemt naar een kerkje, dat echter in brand wordt gestoken door soldaten van de draak. Hij begraaft de doden en ontdekt dat de vijanden zijn gedood door wilde dieren.
Die laatste gedode soldaten vragen zich vervolgens af "Why have we fallen for the lies of the dragon, and condemned our souls into this void?"
Het plechtige slotlied In Paradisum heeft een gesproken tekst in het Latijn, beginnend met "In Paradisum deducant te Angeli." Een nummer dat ze wel op mijn begrafenis mogen afspelen, mede omdat ik de gezichten halverwege het nummer wel zou willen zien. O nee, dat wordt lastig...
Een heel verhaal, dat niet als poëzie maar als proza is geschreven. Geen eindrijm dus, wat het effect van een audioserie versterkt. Snelle nummers worden afgewisseld met midtempo of langzame composities. Een conceptalbum pur sang. In deze gotische black metal vormen brute beuknummers een contrast met de soms zijdezachten toetsen én de sopraanzang. Als episch geheel beleef ik dit als het zien van een sterke serie of het lezen van een meeslepend boek.
Was de voorganger nog het werk van een éénmansgroep, slechts één jaar verder hebben de volgende mensen zich bij Shamgar (screams en andere zang, gitaar) gevoegd om The War that Plagues the Land te maken: sopraan Fionnghuala, gitarist Ohtar, toetsenist Sorgier, bassist Nath en drummer Grimbold.
Een volgend bericht van Post.nl meldt dat de nieuwe Slechtvalk ergens tussen de vroege ochtend en de latere avond kan worden bezorgd. We gaan het meemaken. Bij mooi weer wil ik ook nog naar de stad fietsen voor de nieuwe van The Cure. Ondertussen heb ik tijd voor opvolger At the Dawn of War.
Ben er vanavond voor gaan zitten mét het cd-boekje erbij. Tweede album The War that Plagues the Land gaat precies over wat de titel aanduidt.
Het verhaal is - als ik het goed begrijp - in drieën opgebouwd. Eerst een ik-persoon die als wachter heeft gefaald door in te slaap te vallen, waardoor zijn kameraden zijn gedood. Bij de koning zoekt en vindt hij genade, maar later sneuvelt hij door vijandelijke pijlen.
Daar wordt hij gevonden door een tweede ik-persoon, die hem meeneemt naar een kerkje, dat echter in brand wordt gestoken door soldaten van de draak. Hij begraaft de doden en ontdekt dat de vijanden zijn gedood door wilde dieren.
Die laatste gedode soldaten vragen zich vervolgens af "Why have we fallen for the lies of the dragon, and condemned our souls into this void?"
Het plechtige slotlied In Paradisum heeft een gesproken tekst in het Latijn, beginnend met "In Paradisum deducant te Angeli." Een nummer dat ze wel op mijn begrafenis mogen afspelen, mede omdat ik de gezichten halverwege het nummer wel zou willen zien. O nee, dat wordt lastig...
Een heel verhaal, dat niet als poëzie maar als proza is geschreven. Geen eindrijm dus, wat het effect van een audioserie versterkt. Snelle nummers worden afgewisseld met midtempo of langzame composities. Een conceptalbum pur sang. In deze gotische black metal vormen brute beuknummers een contrast met de soms zijdezachten toetsen én de sopraanzang. Als episch geheel beleef ik dit als het zien van een sterke serie of het lezen van een meeslepend boek.
Was de voorganger nog het werk van een éénmansgroep, slechts één jaar verder hebben de volgende mensen zich bij Shamgar (screams en andere zang, gitaar) gevoegd om The War that Plagues the Land te maken: sopraan Fionnghuala, gitarist Ohtar, toetsenist Sorgier, bassist Nath en drummer Grimbold.
Een volgend bericht van Post.nl meldt dat de nieuwe Slechtvalk ergens tussen de vroege ochtend en de latere avond kan worden bezorgd. We gaan het meemaken. Bij mooi weer wil ik ook nog naar de stad fietsen voor de nieuwe van The Cure. Ondertussen heb ik tijd voor opvolger At the Dawn of War.
Slechtvalk - Where Wandering Shadows and Mists Collide (2016)

4,5
0
geplaatst: 2 november 2024, 09:29 uur
Mijn instapalbum van Slechtvalk, nadat ik ze enkele jaren daarvoor leerde kennen via In Paradisum van The War That Plagues the Lands van vijftien jaar eerder.
Personele wijzigingen sinds voorganger A Forlorn Throne : Ohtar is vertrokken, maar nog wel met ondersteunende vocalen op negen van de tien nummers te horen. Nieuwe bassist is Dagor.
Dan zijn er twee gastvocalisten/-grunters plús een gastgitarist op drie nummers: producer Lasse Lammert, in wiens studio nabij Hamburg Where Wandering Shadows and Mists Collide werd opgenomen.
Gitaarsolo's zijn een primeur op deze vijfde Slechtvalk, de toetsen van Premnath hebben opnieuw vooral een ondersteunende functie.
Het plot is weer boeiend. Deze keer geen woud als decor van het verhaal maar het fictieve koninkrijk Asternas, aan de hoestekeningen te zien in woestijnachtige, Arabische streken. Grootste verandering is echter de tekstvorm: geen verhaal in puur proza maar daarnaast rijm en coupletten!
Dat gebeurt meteen in opener We Are. Hier klinken de aanklachten van slachtoffers: "We are the bloodstains on your hands, We are the wounds time cannot mend. We are the people you have enslaved, We are the ones you could have saved." Zo klinkt het in indringende screams van frontman Shamgar, die anders dan op de vorige twee albums het leeuwendeel van muziek en teksten schreef; "'Til you discover on your final day when Justice comes riding in his shining armour - We are the voice that shall be heard." Een beest van een opener met een tekst die helaas nog altijd urgent is.
Asternas blijkt een vervallen koninkrijk te zijn: "We deserve our own suffering, a ruined nation without a king." en "Our arrogance had wrought our own downfall and an empty throne in a ruined hall."
Dit verval heeft geleid tot onderlinge verwijdering (Betrayed), waarbij in March to Ruin de vijand nadert om te vernietigen wat nog rest van Asternas: "They march to ruin, their drums announce our doom". De vijand in Nemesis heeft nog invloed op de psyche van de ik-persoon: "You're no longer controlling me and one day I'll forget you." Heerlijk hoe drummer Grimbold hier en elders beukt, waarbij toms lekker vet in de mix zitten.
De tweede helft begint met Rise or Fall met muziek van gitarist Seraph, waarin de ik-persoon oproept om niet bij de pakken neer te zitten of fouten te ontkennen, maar om op te staan en te strijden. Blastbeats vliegen als horzels om de oren. The Shrouded Grief verhaalt over een overleden geliefde en zit vol spijt over wat de ik-persoon verzuimde te doen. Basdrums als drilboren en ijle toetsen ondersteunen de wroeging met gastzangeres Marie Lorey.
Dat machtsmisbruik en corruptie de redenen zijn voor de ondergang van Asternas blijkt in Malach Defiled met halverwege een heerlijk vinnig riffje: "It was all in vain when you bent the rules in your favour." Een verhaal van alle tijden, zoals ik bijna dagelijks in het nieuws tegenkom...
Overleeft koninkrijk-in-verval Asternas de strijd om zijn voortbestaan? In Wandering Shadows en Homebound het antwoord. Wandering Shadows begint met diepe, cleane zang, gevolgd door de gastgrunts van de Amerikaan Jason Saylor en vervolgens de screams van Shamgar. Met een pakkende, slepende groove is het toch uptempo: wat mept die Grimbold toch raak! In het middendeel een cello (niet op hoes vermeld) en akoestische gitaar. Met de opener mijn favoriet van dit album, mede dankzij de melancholische rifflijnen.
Homebound bevat in beste Slechtvalktraditie de verwijzing naar deze vogel en eindigt met een zeilreis naar "the distant shores of the lands to the north".
Ten opzichte van de voorganger bevat Where Wandering Shadows and Mists Collide enkele ontwikkelingen; bruut en snel bleef het. Zo ziet dat er live uit op amateurbeelden.
Gisteren verscheen het nieuwe album At Death's Gate, dat die ochtend al vroeg in mijn brievenbus landde. Daar ga ik de komende weken de tijd voor nemen, afgewisseld met de nieuwe albums van The Cure en Moggs Hotel. Variatie verzekerd.
Personele wijzigingen sinds voorganger A Forlorn Throne : Ohtar is vertrokken, maar nog wel met ondersteunende vocalen op negen van de tien nummers te horen. Nieuwe bassist is Dagor.
Dan zijn er twee gastvocalisten/-grunters plús een gastgitarist op drie nummers: producer Lasse Lammert, in wiens studio nabij Hamburg Where Wandering Shadows and Mists Collide werd opgenomen.
Gitaarsolo's zijn een primeur op deze vijfde Slechtvalk, de toetsen van Premnath hebben opnieuw vooral een ondersteunende functie.
Het plot is weer boeiend. Deze keer geen woud als decor van het verhaal maar het fictieve koninkrijk Asternas, aan de hoestekeningen te zien in woestijnachtige, Arabische streken. Grootste verandering is echter de tekstvorm: geen verhaal in puur proza maar daarnaast rijm en coupletten!
Dat gebeurt meteen in opener We Are. Hier klinken de aanklachten van slachtoffers: "We are the bloodstains on your hands, We are the wounds time cannot mend. We are the people you have enslaved, We are the ones you could have saved." Zo klinkt het in indringende screams van frontman Shamgar, die anders dan op de vorige twee albums het leeuwendeel van muziek en teksten schreef; "'Til you discover on your final day when Justice comes riding in his shining armour - We are the voice that shall be heard." Een beest van een opener met een tekst die helaas nog altijd urgent is.
Asternas blijkt een vervallen koninkrijk te zijn: "We deserve our own suffering, a ruined nation without a king." en "Our arrogance had wrought our own downfall and an empty throne in a ruined hall."
Dit verval heeft geleid tot onderlinge verwijdering (Betrayed), waarbij in March to Ruin de vijand nadert om te vernietigen wat nog rest van Asternas: "They march to ruin, their drums announce our doom". De vijand in Nemesis heeft nog invloed op de psyche van de ik-persoon: "You're no longer controlling me and one day I'll forget you." Heerlijk hoe drummer Grimbold hier en elders beukt, waarbij toms lekker vet in de mix zitten.
De tweede helft begint met Rise or Fall met muziek van gitarist Seraph, waarin de ik-persoon oproept om niet bij de pakken neer te zitten of fouten te ontkennen, maar om op te staan en te strijden. Blastbeats vliegen als horzels om de oren. The Shrouded Grief verhaalt over een overleden geliefde en zit vol spijt over wat de ik-persoon verzuimde te doen. Basdrums als drilboren en ijle toetsen ondersteunen de wroeging met gastzangeres Marie Lorey.
Dat machtsmisbruik en corruptie de redenen zijn voor de ondergang van Asternas blijkt in Malach Defiled met halverwege een heerlijk vinnig riffje: "It was all in vain when you bent the rules in your favour." Een verhaal van alle tijden, zoals ik bijna dagelijks in het nieuws tegenkom...
Overleeft koninkrijk-in-verval Asternas de strijd om zijn voortbestaan? In Wandering Shadows en Homebound het antwoord. Wandering Shadows begint met diepe, cleane zang, gevolgd door de gastgrunts van de Amerikaan Jason Saylor en vervolgens de screams van Shamgar. Met een pakkende, slepende groove is het toch uptempo: wat mept die Grimbold toch raak! In het middendeel een cello (niet op hoes vermeld) en akoestische gitaar. Met de opener mijn favoriet van dit album, mede dankzij de melancholische rifflijnen.
Homebound bevat in beste Slechtvalktraditie de verwijzing naar deze vogel en eindigt met een zeilreis naar "the distant shores of the lands to the north".
Ten opzichte van de voorganger bevat Where Wandering Shadows and Mists Collide enkele ontwikkelingen; bruut en snel bleef het. Zo ziet dat er live uit op amateurbeelden.
Gisteren verscheen het nieuwe album At Death's Gate, dat die ochtend al vroeg in mijn brievenbus landde. Daar ga ik de komende weken de tijd voor nemen, afgewisseld met de nieuwe albums van The Cure en Moggs Hotel. Variatie verzekerd.
Slik - Slik (1976)

2,5
0
geplaatst: 14 mei 2024, 19:52 uur
Op reis door de new wave van 1977 stuitte ik op de “vergeten” eerste muziekstappen van Midge Ure, vooral bekend van newwavegroepen Visage en Ultravox en wellicht ook bij liefhebbers van Thin Lizzy. De Schot had echter zijn eerste succes met Slik.
Opgericht in 1970 in Glasgow als Salvation, treedt Jim “Midge” Ure twee jaar later toe. In 1974 wordt de groepsnaam in Slik gewijzigd en begint samenwerking met een liedschrijverduo dat voor de eveneens Schotse boyband Bay City Rollers enkele hits fabriceerde. De groep verhuist naar Londen.
In 1976 is er plotseling groot succes met single Forever and Ever, dat in het Verenigd Koninkrijk op 8 februari de #1-positie haalt, eind die maand en begin maart twee weken #2 in Ierland, in Nederland in maart #3 (Nationale Hitparade) en twee weken #2 (Top 40), in Vlaanderen in april #3, in Wallonië diezelfde maand #35 en in Duitsland #6.
De volgende single heeft alleen in het VK succes: Ure krijgt een auto-ongeval en alhoewel het gelukkig geen Requiem voor hem wordt, is promotie ondoenlijk. Het nummer strandt in mei op #24, het titelloze album van de groep haalt er in juni slechts één week #58.
Op deze elpee vlotte popliedjes, hier en daar ingeleid door klassieke orgelmuziek (!), zoals in Forever and Ever met een stukje Stravinsky. Vrolijke danwel romantische pop voor de tiener.
Begin ’77 gaat Slik, beïnvloed door new wave, korte tijd door als PVC2. EP Put You in the Picture is het resultaat.
Al spoedig stapt Ure over naar Rich Kids, de groep van ex-Sex Pistolsbassist Glen Matlock. De achtergebleven leden gaan door als Zones.
In 1999 verschijnt van Slik The Best Of met daarop ook de diverse non-albumsingles. Verzameld werk is bovendien op streaming te vinden. Voor de liefhebbers van licht verteerbare pop. Van PVC2 belandt in 2006 één nummer op de Schotse verzamelaar Kilt by Death.
Opgericht in 1970 in Glasgow als Salvation, treedt Jim “Midge” Ure twee jaar later toe. In 1974 wordt de groepsnaam in Slik gewijzigd en begint samenwerking met een liedschrijverduo dat voor de eveneens Schotse boyband Bay City Rollers enkele hits fabriceerde. De groep verhuist naar Londen.
In 1976 is er plotseling groot succes met single Forever and Ever, dat in het Verenigd Koninkrijk op 8 februari de #1-positie haalt, eind die maand en begin maart twee weken #2 in Ierland, in Nederland in maart #3 (Nationale Hitparade) en twee weken #2 (Top 40), in Vlaanderen in april #3, in Wallonië diezelfde maand #35 en in Duitsland #6.
De volgende single heeft alleen in het VK succes: Ure krijgt een auto-ongeval en alhoewel het gelukkig geen Requiem voor hem wordt, is promotie ondoenlijk. Het nummer strandt in mei op #24, het titelloze album van de groep haalt er in juni slechts één week #58.
Op deze elpee vlotte popliedjes, hier en daar ingeleid door klassieke orgelmuziek (!), zoals in Forever and Ever met een stukje Stravinsky. Vrolijke danwel romantische pop voor de tiener.
Begin ’77 gaat Slik, beïnvloed door new wave, korte tijd door als PVC2. EP Put You in the Picture is het resultaat.
Al spoedig stapt Ure over naar Rich Kids, de groep van ex-Sex Pistolsbassist Glen Matlock. De achtergebleven leden gaan door als Zones.
In 1999 verschijnt van Slik The Best Of met daarop ook de diverse non-albumsingles. Verzameld werk is bovendien op streaming te vinden. Voor de liefhebbers van licht verteerbare pop. Van PVC2 belandt in 2006 één nummer op de Schotse verzamelaar Kilt by Death.
Snakecharmer - Anthology (2022)

4,0
0
geplaatst: 31 januari 2024, 16:06 uur
Een 4-cd-box met daarop de twee studioalbums plus twee niet eerder verschenen concerten van Snakecharmer, de groep met ex-Whitesnakeleden Neil Murray en Micky Moody. De laatste maakte op het tweede album plaats voor Simon McBride, tegenwoordig bij Deep Purple op de loonlijst.
De studioalbums (2013 en '17) bevatten ten opzichte van de originele albums een extra bonus, de concerten stammen uit 2014 en '15 met Moody in de bezetting. Bij dit alles wordt af en toe teruggegrepen op de dagen met Whitesnake, materiaal dat zanger Chris Ousey prima aankan, al is diens stem anders dan die van David Coverdale.
Genieten is het van het dubbele gitaarwerk met Laurie Wisefield, zeker ook live. Dat toetsenist Adam Wakeman op het podium iets meer ruimte kreeg dan in de studio is eveneens niet verkeerd. De audiokwaliteit van die concerten had echter iets dynamischer gemogen.
Uitgegeven bij Cherry Red, dat van Anthology logischerwijs een leuk hebbedingetje maakte met veel meer inhoud dan streaming kan bevatten.
De studioalbums (2013 en '17) bevatten ten opzichte van de originele albums een extra bonus, de concerten stammen uit 2014 en '15 met Moody in de bezetting. Bij dit alles wordt af en toe teruggegrepen op de dagen met Whitesnake, materiaal dat zanger Chris Ousey prima aankan, al is diens stem anders dan die van David Coverdale.
Genieten is het van het dubbele gitaarwerk met Laurie Wisefield, zeker ook live. Dat toetsenist Adam Wakeman op het podium iets meer ruimte kreeg dan in de studio is eveneens niet verkeerd. De audiokwaliteit van die concerten had echter iets dynamischer gemogen.
Uitgegeven bij Cherry Red, dat van Anthology logischerwijs een leuk hebbedingetje maakte met veel meer inhoud dan streaming kan bevatten.
Snakecharmer - Second Skin (2017)

4,0
0
geplaatst: 30 januari 2024, 18:19 uur
Vier jaar na het debuut was er Second Skin. In Snakecharmer, verwijzend naar de wortels die de groep heeft in Whitesnake, heeft oprichter Micky Moody dan plaatsgemaakt voor Simon McBride, de huidige gitarist van Deep Purple.
Qua muziekstijl een logische opvolger, zij het zonder de slidegitaren van Moody. Wat klinkt is lekkere hardrock met (hoera!) meer vleugjes blues dan op de voorganger.
Opener Sounds Like a Plan ademt de blues, waarna uptempo en toch relaxt That Kind of Love volgt. De ingetogen afsluiter Where Do We Go from Here is heel lekker. Dan het midtempo en stevige Are You Ready to Fly, waarin ik een grotere rol voor het Hammond van Wakeman had gewild en toch is het een topper.
Vervolgens wordt er vooral stevig gerockt met tussendoor de ballades I'll Take You as You Are dat deels akoestisch is en Fade Away. Die laatste klinkt warempel alsof het oorspronkelijk van Whitesnake is. Meer akoestische gitaar in Punching above My Weight. Bonus On My Way is aangenaam én akoestisch en had als extra afwisseling op het oorspronkelijke album gemogen ten koste van één van de rockertjes.
Een sterk, gelijkmatig album, waarbij het soms dansende basspel van Neil Murray aandacht vraagt en Chris Ousey met zijn licht-rauwe stem weer een prima prestatie neerzet. In 2022 verscheen onder de titel Anthology een 4cd-box van de groep met deze daarin.
Qua muziekstijl een logische opvolger, zij het zonder de slidegitaren van Moody. Wat klinkt is lekkere hardrock met (hoera!) meer vleugjes blues dan op de voorganger.
Opener Sounds Like a Plan ademt de blues, waarna uptempo en toch relaxt That Kind of Love volgt. De ingetogen afsluiter Where Do We Go from Here is heel lekker. Dan het midtempo en stevige Are You Ready to Fly, waarin ik een grotere rol voor het Hammond van Wakeman had gewild en toch is het een topper.
Vervolgens wordt er vooral stevig gerockt met tussendoor de ballades I'll Take You as You Are dat deels akoestisch is en Fade Away. Die laatste klinkt warempel alsof het oorspronkelijk van Whitesnake is. Meer akoestische gitaar in Punching above My Weight. Bonus On My Way is aangenaam én akoestisch en had als extra afwisseling op het oorspronkelijke album gemogen ten koste van één van de rockertjes.
Een sterk, gelijkmatig album, waarbij het soms dansende basspel van Neil Murray aandacht vraagt en Chris Ousey met zijn licht-rauwe stem weer een prima prestatie neerzet. In 2022 verscheen onder de titel Anthology een 4cd-box van de groep met deze daarin.
Snakecharmer - Snakecharmer (2013)

4,0
0
geplaatst: 29 januari 2024, 15:55 uur
Bijna elf jaar stilte rond dit album op MuMe, maar omdat ik Bernie Marsdens biografie las belandde ik ook bij dit project van gitarist Micky Moody en bassist Neil Murray, die nogmaals de hardbluesrock in de traditie van Whitesnake oprakelden.
Snakecharmer is min of meer een voortzetting van de groepen M3, The Snakes en The Company of Snakes, waarbij Marsdens plek werd ingenomen door Laurie Wisefield, ex-Wishbone Ash. Hierboven valt te lezen over de achtergrond van zanger Chris Ousey, drummer Harry (eigenlijk Gary) James maakte naam bij Thunder en Magnum. Toetsenist Adam Wakeman speelde al eerder in projecten van de familie Snake, maar is bekender van zijn werk bij Ozzy Osbourne.
De albums Once Bitten... en Burst the Bubble klinken alsof David Coverdale uit Whitesnake stapte en de groep voortging met vervangers. Nu is er slechts één Coverdale (alhoewel Jørn Lande akelig dichtbij kan komen...) en bovendien is de stem van Ousey minder diep dan die van zijn illustere collega. Maar hij is een prima vocalist, die passioneel zingt op dit titelloze debuut. Van de kritiek die ik hierboven lees, snap ik niets!
Wel heb ik moeite met de verminderde variatie, waarbij blues terrein verloor aan “gewone” hardrock. Er staat geen slecht nummer op, maar één of twee snelle nummers erbij en hetzelfde aantal met invloeden uit akoestische blues hadden geholpen; in dat laatste is Moody immers zo goed. Ik had meer daarvan willen horen.
Snakecharmer opent bluesrijk met het akoestische intro van My Angel dat spoedig uptempo rockt, gevolgd door het eveneens vlotte Accident Prone dat extra smeuïg klinkt met een dameskoortje. Vervolgens mis ik echte uitschieters, ondanks de lome shuffle van To the Rescue en vervolgens Falling Leaves, een ballade in de stijl van Scorpions.
Tweede verrassende associatie is die met de gepolijste hardrock van Foreigner op Stand Up. De shuffle van Nothing to Lose is aangenaam, pas in White Boy Blues klinkt Moody’s slidegitaar weer prominent.
In oktober 2022 verscheen bij Cherry Red een boxset van 4 cd's met daarop naast dit album de opvolger plus twee liveschijven. De audioversie daarvan is op streaming te vinden. Snakecharmer kreeg de akoestische bonustrack A Breath Away erbij met de door mij gewenste variatie.
Micky Moody publiceerde in 2016 zijn autobiografie, maar ik sla (voorlopig?) over. Na Marsdens boek ben ik even klaar met alle feitjes rond de familie Witte Slang.
Laat onverlet dat Snakecharmer een prima album is, ondanks/dankzij (streep door wat niet gewenst is) dat het minder als Whitesnake klinkt dan je met de groepsnaam zou verwachten. Was dit in de jaren '80 verschenen, dan had dit een grote naam kunnen worden. Ik mis weliswaar uitschieters en variatie, maar composities, uitvoering en productie stáán. In 2013 op cd en als 2LP verschenen.
Nu de inmiddels grijze Coverdale het met zijn vergruisde stem rustiger aandoet (alhoewel?), verdient Snakecharmer herwaardering.
Snakecharmer is min of meer een voortzetting van de groepen M3, The Snakes en The Company of Snakes, waarbij Marsdens plek werd ingenomen door Laurie Wisefield, ex-Wishbone Ash. Hierboven valt te lezen over de achtergrond van zanger Chris Ousey, drummer Harry (eigenlijk Gary) James maakte naam bij Thunder en Magnum. Toetsenist Adam Wakeman speelde al eerder in projecten van de familie Snake, maar is bekender van zijn werk bij Ozzy Osbourne.
De albums Once Bitten... en Burst the Bubble klinken alsof David Coverdale uit Whitesnake stapte en de groep voortging met vervangers. Nu is er slechts één Coverdale (alhoewel Jørn Lande akelig dichtbij kan komen...) en bovendien is de stem van Ousey minder diep dan die van zijn illustere collega. Maar hij is een prima vocalist, die passioneel zingt op dit titelloze debuut. Van de kritiek die ik hierboven lees, snap ik niets!
Wel heb ik moeite met de verminderde variatie, waarbij blues terrein verloor aan “gewone” hardrock. Er staat geen slecht nummer op, maar één of twee snelle nummers erbij en hetzelfde aantal met invloeden uit akoestische blues hadden geholpen; in dat laatste is Moody immers zo goed. Ik had meer daarvan willen horen.
Snakecharmer opent bluesrijk met het akoestische intro van My Angel dat spoedig uptempo rockt, gevolgd door het eveneens vlotte Accident Prone dat extra smeuïg klinkt met een dameskoortje. Vervolgens mis ik echte uitschieters, ondanks de lome shuffle van To the Rescue en vervolgens Falling Leaves, een ballade in de stijl van Scorpions.
Tweede verrassende associatie is die met de gepolijste hardrock van Foreigner op Stand Up. De shuffle van Nothing to Lose is aangenaam, pas in White Boy Blues klinkt Moody’s slidegitaar weer prominent.
In oktober 2022 verscheen bij Cherry Red een boxset van 4 cd's met daarop naast dit album de opvolger plus twee liveschijven. De audioversie daarvan is op streaming te vinden. Snakecharmer kreeg de akoestische bonustrack A Breath Away erbij met de door mij gewenste variatie.
Micky Moody publiceerde in 2016 zijn autobiografie, maar ik sla (voorlopig?) over. Na Marsdens boek ben ik even klaar met alle feitjes rond de familie Witte Slang.
Laat onverlet dat Snakecharmer een prima album is, ondanks/dankzij (streep door wat niet gewenst is) dat het minder als Whitesnake klinkt dan je met de groepsnaam zou verwachten. Was dit in de jaren '80 verschenen, dan had dit een grote naam kunnen worden. Ik mis weliswaar uitschieters en variatie, maar composities, uitvoering en productie stáán. In 2013 op cd en als 2LP verschenen.
Nu de inmiddels grijze Coverdale het met zijn vergruisde stem rustiger aandoet (alhoewel?), verdient Snakecharmer herwaardering.
Soft Cell - Non Stop Ecstatic Dancing (1982)

3,0
0
geplaatst: 11 mei 2023, 07:36 uur
Zoals Moby tegenwoordig standaard doet, deed Soft Cell dat in 1982: een danceversie van een album uitbrengen met uitgerekte versies. Dit Non Stop Ecstatic Dancing vulde indertijd het jaar tussen de reguliere albums Non Stop Erotic Cabaret en The Art of Falling Apart. Hun bestverkopende album in Nederland: het debuut haalde hier de albumlijst niet, deze stond drie weken in de verkooplijst, in juli '82 piekend op #42. Het ging indertijd aan mij voorbij, maar heb het alsnog via streaming beluisterd, als onderdeel van de Deluxe versie van hun albumdebuut.
Waar ik bij Moby die remixversies vooral erg saai vind, valt dat hier alleszins mee. Het uitrekken van de nummers gebeurt niet eindeloos, zodat het ook in een huiskamer is te doen in plaats van op de dansvloer. Beste nummer is Memorabilia dat met blazers enigszins doet denken aan Papa's Got a Brand New Pig Bag (1983) van Pig Bag; de vrouwenstem met dik Engelse tongval maakt het nog eens beter en dan is die 5'19" gewoon genieten.
Met het instrumentale A Man Could Get Lost dat nog geen vier minuten duurt, gaat het sterk de kant op van Vince Clarke, zoals die met het debuut van Depeche Mode, de twee albums van Yazoo en later Erasure deed: vrolijke digitale dans.
De overige nummers vind ik minder spannend, maar dit is dan ook niet helemaal mijn kopje thee. Zoals met de dikke acht minuten van Torch. Alhoewel voor een keertje best geinig met met langere trompetsolo's en zelfs een korte dialoog, hoor ik toch liever de singleversie.
Hoe goed je muziek vind, hangt vaak af van je verwachtingen. Hier waren de mijne laag (want: remixes) en dan word je toch blij verrast. Een dikke zes voor mij.
Waar ik bij Moby die remixversies vooral erg saai vind, valt dat hier alleszins mee. Het uitrekken van de nummers gebeurt niet eindeloos, zodat het ook in een huiskamer is te doen in plaats van op de dansvloer. Beste nummer is Memorabilia dat met blazers enigszins doet denken aan Papa's Got a Brand New Pig Bag (1983) van Pig Bag; de vrouwenstem met dik Engelse tongval maakt het nog eens beter en dan is die 5'19" gewoon genieten.
Met het instrumentale A Man Could Get Lost dat nog geen vier minuten duurt, gaat het sterk de kant op van Vince Clarke, zoals die met het debuut van Depeche Mode, de twee albums van Yazoo en later Erasure deed: vrolijke digitale dans.
De overige nummers vind ik minder spannend, maar dit is dan ook niet helemaal mijn kopje thee. Zoals met de dikke acht minuten van Torch. Alhoewel voor een keertje best geinig met met langere trompetsolo's en zelfs een korte dialoog, hoor ik toch liever de singleversie.
Hoe goed je muziek vind, hangt vaak af van je verwachtingen. Hier waren de mijne laag (want: remixes) en dan word je toch blij verrast. Een dikke zes voor mij.
Soft Cell - Non-Stop Erotic Cabaret (1981)

3,5
1
geplaatst: 10 mei 2023, 23:18 uur
Het albumdebuut van Soft Cell met een nietsverhullende titel over zowel de fysieke als kolderieke kant van het (uitgaans)leven. Speerpunten zijn de stem van Marc Almond (lenig, warm) en de productie. Dat laatste is helemaal knap als je weet dat dit met een uiterst bescheiden budget werd gedaan. Chapeau aan het onbekende lid van het duo, David Ball.
Zoals de meesten leerde ik het duo kennen via hun hit Tainted Love, #7 in november 1981 in de Nationale hitparde. Dat dit een cover van Gloria Jones uit 1961 was, ontdekte ik pas vele, vele jaren later. Voor mij is deze van Soft Cell het origineel. Emotionele zang, zowel passend binnen new wave als geschikt voor een hitlijstenpubliek. Waarbij ik.
Op Non-Stop Erotic Cabaret klinkt vooral uptempo synthwave, enigszins vergelijkbaar met het debuut van Depeche Mode, de bezetting met Vince Clarke die daarna met Yazoo continueerde. Veel creativiteit in de synthgeluiden, veel energie, veel danslust.
Een dikke veertig jaren later vind ik de composities echter iets minder indrukwekkend, ondanks het hoge energiepeil. Naast de hit zijn vooral Frustration met zijn leuk-gekke beginklanken, Entertain Me en Bedsitter sterke liedjes. Say Goodbye heeft dat niveau net niet, maar wat zingt Almond daar goed!
Hierboven al genoemd: bij de bonustracks staat non-albumsingle Torch, in juli 1982 #12. Een juweeltje, mede dankzij de trompet van John Gatchell en aan het einde de stem van kersverse clubvriendin Cindy Ecstasy (van wie ik vermoed dat in haar paspoort een andere naam staat).
1981 was een goed jaar voor het genre, met eveneens sterke albums van "pure" synthbands als Orchestral Manoeuvres In The Dark, Depeche Mode en The Human League. Deze Soft Cell is niet zo goed als die van deze groepen, veel scheelt het echter niet.
Zoals de meesten leerde ik het duo kennen via hun hit Tainted Love, #7 in november 1981 in de Nationale hitparde. Dat dit een cover van Gloria Jones uit 1961 was, ontdekte ik pas vele, vele jaren later. Voor mij is deze van Soft Cell het origineel. Emotionele zang, zowel passend binnen new wave als geschikt voor een hitlijstenpubliek. Waarbij ik.
Op Non-Stop Erotic Cabaret klinkt vooral uptempo synthwave, enigszins vergelijkbaar met het debuut van Depeche Mode, de bezetting met Vince Clarke die daarna met Yazoo continueerde. Veel creativiteit in de synthgeluiden, veel energie, veel danslust.
Een dikke veertig jaren later vind ik de composities echter iets minder indrukwekkend, ondanks het hoge energiepeil. Naast de hit zijn vooral Frustration met zijn leuk-gekke beginklanken, Entertain Me en Bedsitter sterke liedjes. Say Goodbye heeft dat niveau net niet, maar wat zingt Almond daar goed!
Hierboven al genoemd: bij de bonustracks staat non-albumsingle Torch, in juli 1982 #12. Een juweeltje, mede dankzij de trompet van John Gatchell en aan het einde de stem van kersverse clubvriendin Cindy Ecstasy (van wie ik vermoed dat in haar paspoort een andere naam staat).
1981 was een goed jaar voor het genre, met eveneens sterke albums van "pure" synthbands als Orchestral Manoeuvres In The Dark, Depeche Mode en The Human League. Deze Soft Cell is niet zo goed als die van deze groepen, veel scheelt het echter niet.
Soft Cell - The Art of Falling Apart (1983)

3,5
0
geplaatst: 11 mei 2023, 18:03 uur
Na de kennismaking met Soft Cell in 1981, werden in Nederland het jaar daarna twee non-albumsingles tot hit: Say Hello, Wave Goodbye haalde in maart #30 en is bijna vergeten. Torch werd in juli veel groter. Beide liedjes verschenen op de Deluxe versie van het albumdebuut. In diezelfde julimaand werd hun album met remixen hun bestverkopende album wat betreft de albumlijst, en MuMe vermeldt bovendien dit album met 12"-versies uit hetzelfde jaar.
Genoeg bedrijvigheid dus, waarna in mei ’83 The Art of Falling Apart verscheen. De hoofden van de heren Marc Almond en David Ball desintegreren op de hoesfoto. Volgens ingewijden waren titel en hoes tevens een verwijzing naar de vervreemding tussen Ball en Almond, versterkt door drugsgebruik. De derde van Soft Cell was de laatste die de Nederlandse albumlijst haalde: één week notering in mei 1983 en dat op #46.
Hits werden er van dit album niet gescoord en na herhaald luisteren snap ik dat enigszins. De geluiden van Ball zijn weliswaar dik in orde, maar de composities zijn zwakker, ondanks de pittige start met blazers van Forever the Same. Mijn eerste indrukken waren dat het album vooral kabbelt, zij het zonder dat het ergens beneden peil zakt. Alhoewel, Baby Doll heeft ’t niet…
Tegelijkertijd groeit bij vaker draaien mijn waardering voor Ball, die een rijke wereld aan geluiden heeft gevonden. Sterker nog, Heat had een hit moeten zijn en bij diverse overige composities hoor ik een overeenkomst met de tweede Depeche Mode A Broken Frame, waar de dansgerichte synthwave van het debuut had plaatsgemaakt voor meer sferen. Zo is Kitchen Sink Drama ver voorbij dancepop. Bovendien sluit het album af met het titelnummer, dat met stranglersiaanse toetsen losgaat; zozeer dat de stem van Almond op het randje balanceert om het bij te houden.
Waar ik The Art of Falling Apart tijdens mijn eerste draaibeurten als matigjes ervaarde, veranderde dat dus naar een positievere beleving.
Voor vlugge kopers verscheen de elpee met een 12”, welke in 1998 als bonusnummers op de cd-versie verscheen én tegenwoordig op streaming is te vinden. Ik kan niet veel met die vier extra's: deze jongen beleeft de 12” met z'n remixen meestal als een onnodig uitgerekte versie. Laat dat echter een aanbeveling zijn voor liefhebbers hiervan, al vermoed ik dat ook zij moeite hebben met de dikke tien minuten medley van Hendrixcovers; de eerste helft daarvan bevalt mij echter goed.
Als geheel een krappe 7, wie van langere dancetracks in jaren '80-sferen houdt, kan er waarschijnlijk meer mee.
Genoeg bedrijvigheid dus, waarna in mei ’83 The Art of Falling Apart verscheen. De hoofden van de heren Marc Almond en David Ball desintegreren op de hoesfoto. Volgens ingewijden waren titel en hoes tevens een verwijzing naar de vervreemding tussen Ball en Almond, versterkt door drugsgebruik. De derde van Soft Cell was de laatste die de Nederlandse albumlijst haalde: één week notering in mei 1983 en dat op #46.
Hits werden er van dit album niet gescoord en na herhaald luisteren snap ik dat enigszins. De geluiden van Ball zijn weliswaar dik in orde, maar de composities zijn zwakker, ondanks de pittige start met blazers van Forever the Same. Mijn eerste indrukken waren dat het album vooral kabbelt, zij het zonder dat het ergens beneden peil zakt. Alhoewel, Baby Doll heeft ’t niet…
Tegelijkertijd groeit bij vaker draaien mijn waardering voor Ball, die een rijke wereld aan geluiden heeft gevonden. Sterker nog, Heat had een hit moeten zijn en bij diverse overige composities hoor ik een overeenkomst met de tweede Depeche Mode A Broken Frame, waar de dansgerichte synthwave van het debuut had plaatsgemaakt voor meer sferen. Zo is Kitchen Sink Drama ver voorbij dancepop. Bovendien sluit het album af met het titelnummer, dat met stranglersiaanse toetsen losgaat; zozeer dat de stem van Almond op het randje balanceert om het bij te houden.
Waar ik The Art of Falling Apart tijdens mijn eerste draaibeurten als matigjes ervaarde, veranderde dat dus naar een positievere beleving.
Voor vlugge kopers verscheen de elpee met een 12”, welke in 1998 als bonusnummers op de cd-versie verscheen én tegenwoordig op streaming is te vinden. Ik kan niet veel met die vier extra's: deze jongen beleeft de 12” met z'n remixen meestal als een onnodig uitgerekte versie. Laat dat echter een aanbeveling zijn voor liefhebbers hiervan, al vermoed ik dat ook zij moeite hebben met de dikke tien minuten medley van Hendrixcovers; de eerste helft daarvan bevalt mij echter goed.
Als geheel een krappe 7, wie van langere dancetracks in jaren '80-sferen houdt, kan er waarschijnlijk meer mee.
Son of a Bitch - Victim You (1996)

2,0
1
geplaatst: 30 januari 2022, 21:04 uur
Interessant cd'tje voor fans van Saxon, omdat hier drie oerleden van die band spelen. Heavy metal volgens het boekje, degelijk maar weinig opzienbarend; van de stem van Ted Bullet moet je houden (wat mij niet lukt).
Drummer Pete Gill had indertijd Saxon tijdelijk verlaten wegens een blessure; vervanger Nigel Glockler beviel zo goed, dat hij niet meer terug hoefde te keren. Bassist Steve Dawson verliet Saxon uit onvrede met de commerciële koers die midden jaren '80 werd ingezet, plus omdat hij (haantje) botste met Byford (ook een haantje); Gitarist Graham Oliver was uit Saxon gezet omdat hij buiten medeweten van band en management had geprobeerd liveopnamen te verkopen.
Dit soort feitjes zijn te zien in de prima 2dvd Heavy Metal Thunder - The Movie (2010), die ik laatst weer eens heb bekeken. Dawson en Oliver krijgen daarin alle ruimte om hun kant van het verhaal te vertellen, Gill wilde kennelijk niet meewerken.
Beste nummers op Victim You: Past the Point en More for Me, met een lekker drumintrootje. Het gitaarwerk is genieten, aanbevolen voor de liefhebbers van uiteraard Saxon en genregenoten.
Het jaar nadat deze cd verscheen gingen Dawson en Oliver ook als Saxon werken, maar in de rechtszaal werden ze gedwongen onder de vlag van Oliver/Dawson Saxon te varen. Onder die naam werd van 2000 - 2014 vooral livewerk uitgebracht, plus deze studioplaat. Gill en de andere twee mannen op het schijfje dat hier wordt besproken waren toen alweer vertrokken.
Drummer Pete Gill had indertijd Saxon tijdelijk verlaten wegens een blessure; vervanger Nigel Glockler beviel zo goed, dat hij niet meer terug hoefde te keren. Bassist Steve Dawson verliet Saxon uit onvrede met de commerciële koers die midden jaren '80 werd ingezet, plus omdat hij (haantje) botste met Byford (ook een haantje); Gitarist Graham Oliver was uit Saxon gezet omdat hij buiten medeweten van band en management had geprobeerd liveopnamen te verkopen.
Dit soort feitjes zijn te zien in de prima 2dvd Heavy Metal Thunder - The Movie (2010), die ik laatst weer eens heb bekeken. Dawson en Oliver krijgen daarin alle ruimte om hun kant van het verhaal te vertellen, Gill wilde kennelijk niet meewerken.
Beste nummers op Victim You: Past the Point en More for Me, met een lekker drumintrootje. Het gitaarwerk is genieten, aanbevolen voor de liefhebbers van uiteraard Saxon en genregenoten.
Het jaar nadat deze cd verscheen gingen Dawson en Oliver ook als Saxon werken, maar in de rechtszaal werden ze gedwongen onder de vlag van Oliver/Dawson Saxon te varen. Onder die naam werd van 2000 - 2014 vooral livewerk uitgebracht, plus deze studioplaat. Gill en de andere twee mannen op het schijfje dat hier wordt besproken waren toen alweer vertrokken.
Spandau Ballet - Journeys to Glory (1981)

3,5
2
geplaatst: 29 oktober 2025, 17:10 uur
Op reis door new wave was ik gebleven bij The Spiderz en hun derde album Pressure. Inmiddels heb ik 1980 afgerond - alhoewel, ik liet daar wat liggen, dadelijk meer daarover - en sta ik op de drempel van 1981.
Een verhelderende BBC-documentaire over de New Romantics staat op YouTube. Hoe deze modebewuste, extravagante en kleurige stroming zich afzette tegen de grauwe sfeer van de Britse steden, waar veel werkeloosheid was. En daarmee ook tegen punk. Het was een middel tot ontsnappen en centrum hiervan werd de Londense club The Blitz. In de docu uiteraard veel betrokkenen, waaronder Mike Kemp van Spandau Ballet, de huisband daar.
Hun eerste single To Cut a Long Story Short reikte op 30 november 1980 tot #5 in de Britse hitlijst, The Freeze in februari '80 #17 en Muscle Bound/Glow kwam in mei '80 op #10.
De betrokkenen duiden Spandau Ballet als een kruising tussen disco en rock. Het was geen van beiden, die combinatie was nieuw. Dat herken ik. Weliswaar een vriendelijk scheurende gitaar, maar de beat? Een basdrum die twee en vaker viermaal per maat slaat: four to the floor disco, op elke tel de basdrum. Dankzij de meestal dominante synthesizer moet ik ook denken aan Yazoo. Sterker nog, de zangstijl van Tony Hadley doet denken aan die van Alison Moyet.
Spandau Ballet sloeg dus spoedig bij een groter publiek aan dan slechts de bezoekers van The Blitz. Het album haalde in maart 1980 #5. Al met al is het een aardig album, al is het soms wel wat monotoon, mede door de overstrakke drumpartijen van John Keeble. Een ander Spandau Ballet dan dat van de latere succcessen, desalniettemin wel degelijk succesvol in eigen land. Nog geen succes in Nederland of Vlaanderen.
Volgende halte in mijn reis door new wave is Spliff Radio Show van Spliff, de voormalige begeleidingsgroep van Nina Hagen. MuMe dateert dit op 1981, maar hij schijnt al in 1980 te zijn verschenen. Hoe dat zit, ga ik uitzoeken.
Een verhelderende BBC-documentaire over de New Romantics staat op YouTube. Hoe deze modebewuste, extravagante en kleurige stroming zich afzette tegen de grauwe sfeer van de Britse steden, waar veel werkeloosheid was. En daarmee ook tegen punk. Het was een middel tot ontsnappen en centrum hiervan werd de Londense club The Blitz. In de docu uiteraard veel betrokkenen, waaronder Mike Kemp van Spandau Ballet, de huisband daar.
Hun eerste single To Cut a Long Story Short reikte op 30 november 1980 tot #5 in de Britse hitlijst, The Freeze in februari '80 #17 en Muscle Bound/Glow kwam in mei '80 op #10.
De betrokkenen duiden Spandau Ballet als een kruising tussen disco en rock. Het was geen van beiden, die combinatie was nieuw. Dat herken ik. Weliswaar een vriendelijk scheurende gitaar, maar de beat? Een basdrum die twee en vaker viermaal per maat slaat: four to the floor disco, op elke tel de basdrum. Dankzij de meestal dominante synthesizer moet ik ook denken aan Yazoo. Sterker nog, de zangstijl van Tony Hadley doet denken aan die van Alison Moyet.
Spandau Ballet sloeg dus spoedig bij een groter publiek aan dan slechts de bezoekers van The Blitz. Het album haalde in maart 1980 #5. Al met al is het een aardig album, al is het soms wel wat monotoon, mede door de overstrakke drumpartijen van John Keeble. Een ander Spandau Ballet dan dat van de latere succcessen, desalniettemin wel degelijk succesvol in eigen land. Nog geen succes in Nederland of Vlaanderen.
Volgende halte in mijn reis door new wave is Spliff Radio Show van Spliff, de voormalige begeleidingsgroep van Nina Hagen. MuMe dateert dit op 1981, maar hij schijnt al in 1980 te zijn verschenen. Hoe dat zit, ga ik uitzoeken.
Sparks - A Steady Drip, Drip, Drip (2020)

3,5
1
geplaatst: 13 mei 2023, 17:50 uur
Het tweede opeenvolgende album van Sparks als volledige band, nadat de band in 2017 naar dat concept terugkeerde. Gebleven is drummer Steven Nistor, nieuw op A Steady Drip, Drip, Drip zijn gitaristen Evan Weiss en Eli Pearl en bassist Patrick Kelly. De voorbereidingen en opnamen vielen samen met die voor filmsoundtrack Annette, die we op MusicMeter in de variaties Cannes en Unlimited aantreffen.
Hoe fris kan Sparks blijven als zeventigplussers? Héél fris! Hier klinkt fruitige, intelligente en levendige kwaliteitspoprock, waarbij de stijl wat minder stevig is dan op voorganger Hippopotamus. Ron Mael zingt nog altijd als een nachtegaaltje en Russell was weer eens onstopbaar creatief.
Ik voeg vier nummers aan mijn afspeellijst toe: in All That lijken ze terug te blikken op hun leven en carrière, een ongewoon serieuze tekst voor de gebroeders Mael; bij herhaald draaien komt Pacific Standard Time bovendrijven, sfeervolle muziek als bij een zonsondergang; Self-Effacing klinkt bijna als new wave uit 1980; op Please Don't Fuck up my World doet een jeugdkoor mee en klinken de gebroeders Mael wederom ongewoon serieus.
De muziek valt als altijd het eerste op, bij sommige nummers is het "slechts" de tekst die eruitspringt. Lawnmower verheerlijkt het favoriete tijdverdrief van diverse van mijn buren; de artistieke wereld wordt weer eens kritisch beschouwd, ditmaal op Stravinsky’s Only Hit; in iPhone krijgt Adam in het paradijs ruzie met Eva, geobsedeerd door haar toestel.
De verkoopcijfers waren weer dik in orde: in Engeland net als de voorganger #7, in Schotland zelfs #2, in de Verenigde Staten #75 en in Nederland #88.
Single Your Fandango met Todd Rundgren die in het bericht hierboven wordt genoemd, is te vinden op Rundgrens album Space Force (2022) en ligt helemaal in de lijn van dit sterke A Steady Drip, Drip, Drip. Daarbij beklijft deze Sparks nét wat minder dan de voorganger; misschien omdat deze wat ingetogener is? Een ster minder dan de vorige in mijn geval, in schoolcijfer een zeveneneenhalf.
Hoe fris kan Sparks blijven als zeventigplussers? Héél fris! Hier klinkt fruitige, intelligente en levendige kwaliteitspoprock, waarbij de stijl wat minder stevig is dan op voorganger Hippopotamus. Ron Mael zingt nog altijd als een nachtegaaltje en Russell was weer eens onstopbaar creatief.
Ik voeg vier nummers aan mijn afspeellijst toe: in All That lijken ze terug te blikken op hun leven en carrière, een ongewoon serieuze tekst voor de gebroeders Mael; bij herhaald draaien komt Pacific Standard Time bovendrijven, sfeervolle muziek als bij een zonsondergang; Self-Effacing klinkt bijna als new wave uit 1980; op Please Don't Fuck up my World doet een jeugdkoor mee en klinken de gebroeders Mael wederom ongewoon serieus.
De muziek valt als altijd het eerste op, bij sommige nummers is het "slechts" de tekst die eruitspringt. Lawnmower verheerlijkt het favoriete tijdverdrief van diverse van mijn buren; de artistieke wereld wordt weer eens kritisch beschouwd, ditmaal op Stravinsky’s Only Hit; in iPhone krijgt Adam in het paradijs ruzie met Eva, geobsedeerd door haar toestel.
De verkoopcijfers waren weer dik in orde: in Engeland net als de voorganger #7, in Schotland zelfs #2, in de Verenigde Staten #75 en in Nederland #88.
Single Your Fandango met Todd Rundgren die in het bericht hierboven wordt genoemd, is te vinden op Rundgrens album Space Force (2022) en ligt helemaal in de lijn van dit sterke A Steady Drip, Drip, Drip. Daarbij beklijft deze Sparks nét wat minder dan de voorganger; misschien omdat deze wat ingetogener is? Een ster minder dan de vorige in mijn geval, in schoolcijfer een zeveneneenhalf.
Sparks - A Woofer in Tweeter's Clothing (1973)

2,5
0
geplaatst: 29 april 2023, 18:04 uur
Met als aanleiding het concert van Sparks in Utrecht op 14 juni, reis ik door de discografie van de groep.
Na in 1971 hun debuut te hebben uitgebracht onder de naam Halfnelson, verscheen dat debuut het jaar erop onder de naam Sparks en wederom een jaar verder verscheen deze opvolger met de prachtige titel A Woofer in Tweeter’s Clothing.
De muziek van het vijftal uit Californië klinkt net als hiervoor als Britse artrock; gezien de interesses en studies van de gebroeders Mael niet vreemd. Het spel van gitarist Earle Mankey versterkt dit effect: regelmatig laat hij zijn instrument scheuren, waardoor gelijkenissen met de glamrock van die dagen soms sterk zijn.
Opener Girl van Germany klinkt als proto-new wave, of als de glamrockers van T-Rex en springt er daarmee uit. Here Comes Bob bevat een strijkkwartet en het ongewone arrangement valt op, bovendien voorzien van een cabaretske melodie.
Ook opvallend is hun pastiche van Do-re-mi uit The Sound of Music, maar dan niet eentje waar ik vrolijk van word. The Louvre is Franstalig en een wat saaie ballade. Batteries Not Included duurt vierenveertig seconden en bezingt de teleurstelling van speelgoed dat niet werkt; een liedje als in oude vaudeville. Ik ben echter meer van de proto-new wave van Whippings and Apologies, dat qua gitaar fraai ronkt.
Een optreden bij BBC’s Old Grey Whistle Test legde de basis van een Britse fanschare, meldt Wikipedia. Hits kwamen er echter nog niet uit voort.
Interessant album voor liefhebbers van glamrock, in het bijzonder zij die David Bowie en Roxy Music in diezelfde periode kunnen waarderen. Je moet dan wel tegen kleinkunstige uitstapjes kunnen. Sparks, Amerikanen met een Brits hart. Een opvolger die wat evenwichtiger is dan het debuut.
Na dit album verlieten drie leden de groep. Drummer Harley Feinstein begon een rechtenstudie en werd een succesvol advocaat in San Diego, gezien zijn website die ik vanmiddag ontwaarde. Het is nog net geen Better Call Saul
. Bassist James Mankey stapte over op gitaar en brak veertien jaar later door met de alternatieve gitaargroep Concrete Blonde. Zijn broer Earle werd muziekproducer in Thousand Oaks, Californië.
De gebroeders Mael, definitief de gezichten van Sparks, verkasten naar Engeland waarvandaan die ene grote hit het nodige zou doen veranderen. Op naar de opvolger!
Na in 1971 hun debuut te hebben uitgebracht onder de naam Halfnelson, verscheen dat debuut het jaar erop onder de naam Sparks en wederom een jaar verder verscheen deze opvolger met de prachtige titel A Woofer in Tweeter’s Clothing.
De muziek van het vijftal uit Californië klinkt net als hiervoor als Britse artrock; gezien de interesses en studies van de gebroeders Mael niet vreemd. Het spel van gitarist Earle Mankey versterkt dit effect: regelmatig laat hij zijn instrument scheuren, waardoor gelijkenissen met de glamrock van die dagen soms sterk zijn.
Opener Girl van Germany klinkt als proto-new wave, of als de glamrockers van T-Rex en springt er daarmee uit. Here Comes Bob bevat een strijkkwartet en het ongewone arrangement valt op, bovendien voorzien van een cabaretske melodie.
Ook opvallend is hun pastiche van Do-re-mi uit The Sound of Music, maar dan niet eentje waar ik vrolijk van word. The Louvre is Franstalig en een wat saaie ballade. Batteries Not Included duurt vierenveertig seconden en bezingt de teleurstelling van speelgoed dat niet werkt; een liedje als in oude vaudeville. Ik ben echter meer van de proto-new wave van Whippings and Apologies, dat qua gitaar fraai ronkt.
Een optreden bij BBC’s Old Grey Whistle Test legde de basis van een Britse fanschare, meldt Wikipedia. Hits kwamen er echter nog niet uit voort.
Interessant album voor liefhebbers van glamrock, in het bijzonder zij die David Bowie en Roxy Music in diezelfde periode kunnen waarderen. Je moet dan wel tegen kleinkunstige uitstapjes kunnen. Sparks, Amerikanen met een Brits hart. Een opvolger die wat evenwichtiger is dan het debuut.
Na dit album verlieten drie leden de groep. Drummer Harley Feinstein begon een rechtenstudie en werd een succesvol advocaat in San Diego, gezien zijn website die ik vanmiddag ontwaarde. Het is nog net geen Better Call Saul
. Bassist James Mankey stapte over op gitaar en brak veertien jaar later door met de alternatieve gitaargroep Concrete Blonde. Zijn broer Earle werd muziekproducer in Thousand Oaks, Californië. De gebroeders Mael, definitief de gezichten van Sparks, verkasten naar Engeland waarvandaan die ene grote hit het nodige zou doen veranderen. Op naar de opvolger!
Sparks - Angst in My Pants (1982)

4,0
2
geplaatst: 5 mei 2023, 14:04 uur
Dichter bij new wave dan Angst in my Pants was Sparks voorheen niet gekomen. Een genre voor een nieuwe generatie, waarop het veteranenduo Ron en Russell Mael enige invloed had en waar ze via de sequencers van Giorgio Moroder in '79 en '80 in 1982 alsnog bij uitkwamen. Het was het jaar dat ze respectievelijk 35 en 32 jaar werden, waarbij dit alweer hun elfde album was.
Ze klinken zo fris als een hoentje. Gegroeid ten opzichte van de voorganger, minder manisch dan in de jaren ’70, gedragen door hun Amerikaanse begeleidingsband Bates Motel. Die groep weet inmiddels beter hoe de hersenspinsels van de Maeltjes in spel om te zetten; of was het hun inbreng die de gebroeders Mael tot sterkere liedjes inspireerde?
Hoe dan ook, intelligente pretrock voor de liefhebber, hier dus in de sfeer van new wave. Elf nummers die logischerwijs niet al te lang duren. Ik voeg daarvan vijf liedjes toe aan mijn afspeellijst, die nu al 36 nummers telt en waaruit ik over anderhalve week een top 10 moet destilleren; de huidige opdracht met een muziekvriend. Dát wordt lastig…
Van de A-zijde zijn dit het vlotte titelnummer met pakkende synthesizerklanken en een dansende melodie met ruimte voor de falset van Russell; daarna het bijtende en stevige Sextown USA waarbij ik me opeens afvraag of Jello Biafra van Dead Kennedys hier zanginspiratie uit putte; Nicotina over de gebroken relatie met de sigaret, waarin fraaie gitaarlicks van Bob Haag; en meer stevige satire in Mickey Mouse, waarvan het een wonder is dat Disney de groep nooit hiervoor heeft aangeklaagd.
Van de B-kant is het slechts Moustache dat op mijn lijst belandt. Het klinkt als één van de beste liedjes van Blondie op Plastic Letters en Parallel Lines. In mijn hoofd hoor ik bijna Debbie Harry zingen en oeeeh, wát een lekkere gitaarsolo: herhalend maar effectief.
Ging ik bij de vorige platen voor de al dan niet dikke 7 oftewel 3,5 ster, dit zijn er een krappe vier ****. De vijf favorietjes zijn namelijk heel sterk en de overige zes nergens onvoldoende.
Ze klinken zo fris als een hoentje. Gegroeid ten opzichte van de voorganger, minder manisch dan in de jaren ’70, gedragen door hun Amerikaanse begeleidingsband Bates Motel. Die groep weet inmiddels beter hoe de hersenspinsels van de Maeltjes in spel om te zetten; of was het hun inbreng die de gebroeders Mael tot sterkere liedjes inspireerde?
Hoe dan ook, intelligente pretrock voor de liefhebber, hier dus in de sfeer van new wave. Elf nummers die logischerwijs niet al te lang duren. Ik voeg daarvan vijf liedjes toe aan mijn afspeellijst, die nu al 36 nummers telt en waaruit ik over anderhalve week een top 10 moet destilleren; de huidige opdracht met een muziekvriend. Dát wordt lastig…
Van de A-zijde zijn dit het vlotte titelnummer met pakkende synthesizerklanken en een dansende melodie met ruimte voor de falset van Russell; daarna het bijtende en stevige Sextown USA waarbij ik me opeens afvraag of Jello Biafra van Dead Kennedys hier zanginspiratie uit putte; Nicotina over de gebroken relatie met de sigaret, waarin fraaie gitaarlicks van Bob Haag; en meer stevige satire in Mickey Mouse, waarvan het een wonder is dat Disney de groep nooit hiervoor heeft aangeklaagd.
Van de B-kant is het slechts Moustache dat op mijn lijst belandt. Het klinkt als één van de beste liedjes van Blondie op Plastic Letters en Parallel Lines. In mijn hoofd hoor ik bijna Debbie Harry zingen en oeeeh, wát een lekkere gitaarsolo: herhalend maar effectief.
Ging ik bij de vorige platen voor de al dan niet dikke 7 oftewel 3,5 ster, dit zijn er een krappe vier ****. De vijf favorietjes zijn namelijk heel sterk en de overige zes nergens onvoldoende.
Sparks - Annette [Cannes Edition] (2021)

1
geplaatst: 14 mei 2023, 00:32 uur
'Wie heeft wel eens een boek van mij gelezen?' vroeg schrijver Ronald Giphart ooit tijdens een lezing aan middelbare scholieren. Een enkele hand ging omhoog.
'En wie heeft wel eens een uittreksel van één van mijn boeken gelezen?' De meeste handen gingen de lucht in, aldus de schrijver in een interview.
Sparks' werk kun je grofweg in drie categorieën indelen: (art)rock, dance en filmmuziek; in 2021 verscheen deze soundtrack. Deze Cannes is de samenvatting van de Unlimited Edition en is vast (iets) lichter te behappen dan de lange versie.
Filmmuziek spreekt zonder de bewegende beelden vaak minder aan en dat geldt ook voor Annette.
Toch zijn er drie nummers waarvan ik oprecht geniet: So May We Start klinkt dankzij eigen zanger Russell Mael logischerwijs als Sparks, in Aria (The Forest) is het sopraan Catherine Trottmann die de sterren van de hemel zingt en in All the Girls is het de diepe stem van Adam Driver (de acteur is afgebeeld op de hoes) die me pakt. Je hoort hierin de stijl van Sparks' componist Ron Mael, tegelijkertijd zijn de laatste twee nummers sterk afwijkend van wat Sparks normaliter doet.
Drie nummers gingen naar mijn afspeellijst. Tot zover de samenvatting, op naar het album met de volledige tracklist.
'En wie heeft wel eens een uittreksel van één van mijn boeken gelezen?' De meeste handen gingen de lucht in, aldus de schrijver in een interview.
Sparks' werk kun je grofweg in drie categorieën indelen: (art)rock, dance en filmmuziek; in 2021 verscheen deze soundtrack. Deze Cannes is de samenvatting van de Unlimited Edition en is vast (iets) lichter te behappen dan de lange versie.
Filmmuziek spreekt zonder de bewegende beelden vaak minder aan en dat geldt ook voor Annette.
Toch zijn er drie nummers waarvan ik oprecht geniet: So May We Start klinkt dankzij eigen zanger Russell Mael logischerwijs als Sparks, in Aria (The Forest) is het sopraan Catherine Trottmann die de sterren van de hemel zingt en in All the Girls is het de diepe stem van Adam Driver (de acteur is afgebeeld op de hoes) die me pakt. Je hoort hierin de stijl van Sparks' componist Ron Mael, tegelijkertijd zijn de laatste twee nummers sterk afwijkend van wat Sparks normaliter doet.
Drie nummers gingen naar mijn afspeellijst. Tot zover de samenvatting, op naar het album met de volledige tracklist.
Sparks - Annette [Unlimited Edition] (2021)

3,0
1
geplaatst: 14 mei 2023, 22:20 uur
Dit is de volledige soundtrack van de film Annette, die ook in de ingekorte versie Cannes verscheen. De (pop)musicalfilm over een showbizzechtpaar dat een dochter krijgt waarna er van alles met en rondom hen gebeurt, wordt op MovieMeter besproken door Film Pegasus, ook op MusicMeter actief.
De muziek is van de eigenzinnige rockgroep Sparks. Hoofdcomponist hiervan is toetsenist Ron Mael, die voor Annette zijn meest gevarieerde muziek ooit schreef. Op deze lange editie (63 tracks die bij elkaar iets meer dan twee uur duren) zijn zelfs demoversies van enkele nummers te horen.
Hoe goed bevalt deze muziek als losse nummers? Naast de drie sterke tracks op het ingekorte Cannes trof ik er op deze Unlimited Edition nog eens vier aan die wel degelijk de moeite waard zijn.
She's Out of This World klinkt als filmmuziek met violen en de zang van acteur Adam Driver, die ik hierdoor niet meer alleen maar als één van de karakters uit de saga Star Wars zal onthouden: zijn stem komt binnen!
Op Lullaby for Annette zingt sopraan Catherine Trottmann vrij ingetogen; het doet me denken aan Don't Cry for Me Argentina van Julie Covington uit de musicalfilm Evita (1976): mooi en breekbaar, met dankzij Ron Mael soms een vervreemdende melodielijn.
In We Love Annette! staat weer de zware stem van Driver centraal, terwijl strijkers en pauken spanning opwekken, waarna de ijle stem van Hebe Griffiths de stem doet omslaan en ik Russell Maels stem herken in het refrein "Bon Voyage"; daarna gaat de variatie kort door: fijn.
Stepping Back in Time is weer Driver, waarin hij plotseling ook hoger blijkt te kunnen zingen; de man is een zangtalent en heeft een stem die me raakt.
Sparks in een ander jasje. Niet de artrockgroep of het danceduo maar de filmmuziekmakers. Dat is een hele andere tak van sport, maar ook dit kunnen ze. Russell Mael is misschien wel een soort van genie.
Dat laat onverlet dat ruim twee uur luisteren zonder de film te kennen een hele zit is: niet alles is even pakkend. Van MusicMeter mag ik twaalf nummers als favoriet aanwijzen, mijn teller stopt echter bij een achttal.
De muziek is van de eigenzinnige rockgroep Sparks. Hoofdcomponist hiervan is toetsenist Ron Mael, die voor Annette zijn meest gevarieerde muziek ooit schreef. Op deze lange editie (63 tracks die bij elkaar iets meer dan twee uur duren) zijn zelfs demoversies van enkele nummers te horen.
Hoe goed bevalt deze muziek als losse nummers? Naast de drie sterke tracks op het ingekorte Cannes trof ik er op deze Unlimited Edition nog eens vier aan die wel degelijk de moeite waard zijn.
She's Out of This World klinkt als filmmuziek met violen en de zang van acteur Adam Driver, die ik hierdoor niet meer alleen maar als één van de karakters uit de saga Star Wars zal onthouden: zijn stem komt binnen!
Op Lullaby for Annette zingt sopraan Catherine Trottmann vrij ingetogen; het doet me denken aan Don't Cry for Me Argentina van Julie Covington uit de musicalfilm Evita (1976): mooi en breekbaar, met dankzij Ron Mael soms een vervreemdende melodielijn.
In We Love Annette! staat weer de zware stem van Driver centraal, terwijl strijkers en pauken spanning opwekken, waarna de ijle stem van Hebe Griffiths de stem doet omslaan en ik Russell Maels stem herken in het refrein "Bon Voyage"; daarna gaat de variatie kort door: fijn.
Stepping Back in Time is weer Driver, waarin hij plotseling ook hoger blijkt te kunnen zingen; de man is een zangtalent en heeft een stem die me raakt.
Sparks in een ander jasje. Niet de artrockgroep of het danceduo maar de filmmuziekmakers. Dat is een hele andere tak van sport, maar ook dit kunnen ze. Russell Mael is misschien wel een soort van genie.
Dat laat onverlet dat ruim twee uur luisteren zonder de film te kennen een hele zit is: niet alles is even pakkend. Van MusicMeter mag ik twaalf nummers als favoriet aanwijzen, mijn teller stopt echter bij een achttal.
Sparks - Balls (2000)

3,5
1
geplaatst: 10 mei 2023, 20:14 uur
Van artrock naar dancepop. Dat is kortweg de verandering die Sparks vanaf 1979 doormaakte. Niet geleidelijk, maar met sprongen heen en terug. Als Balls in 2000 verschijnt is dit echter al het achtste dancegerichte album op een rij, al stonden op voorganger Plagiarism enkele klassiek-beïnvloede bewerkingen van eigen nummers.
Er bekruipt mij een vervelend gevoel: Sparks is toch méér dan (weliswaar intelligente) dance? Ze zijn toch vooral een groep van eigenzinnige pop? Deze laatste categorie is gelukkig steeds op die albums terug te vinden, zij het soms zeer verstopt. Dat dance-effect werd nog eens versterkt doordat Sparks niet meer werkte met een begeleidingsgroep maar met digitale geluiden.
Op Balls klinkt in de dance een enkele invloed van big beat, zoals sinds het jaar ervoor de nieuwe trend was met namen als The Chemical Brothers en The Prodigy: bombastische digitale drumslagen die door Sparks naadloos worden ingepast.
We horen ze op Bullet Train en bonustrack Calm before the Opera, dat ik dadelijk nogmaals zal aanhalen. Eveneens kom ik het prachtige en ingetogen Scherazade tegen; het heeft een hiphopbeat. Ook rustig is It’s a Knockoff, uit de film ‘Knock Off’ (1998) met Jean-Claude van Damme en regisseur Tsui Hark, over wie Sparks op Gratuitous Sax & Senseless Violins (1994) een liedje maakte. Het type actiefilm dat ik oversla, maar dit is geen MovieMeter.
Op Irreplaceable moet ik net als op vorige albums van Sparks denken aan Pet Shop Boys en in, daarissieweer, Calm before the Opera zingt Russell Mael acapella met andere Russel Maels. Of zou broer Ron ook bij een microfoon hebben gestaan?
Aeroflot is dankzij de gesproken delen van ene Aksinja Berger even aardig. In het intro klinkt eveneens een scheurend gitaartje én big beat, maar het refrein is dan wel erg flauw en verveelt spoedig. De eerder genoemde liedjes hoor ik echter graag.
En toch overvalt mij, nu ik de discografie van Sparks doorreis, een zekere matheid: ik mis de zijde met rock, gitaren, gekte en bizarre zanglijnen. Maar er is hoop, leert Wikipedia mij: het album flopte genadeloos, wellicht niet alleen omdat fans klaar waren met hun dancegerichte pop, maar ook omdat een gekke hoes ontbrak. Die bal is wel sáái; zelfs als je de hoes in diverse kleuren uitbrengt… De tegenvallende verkopen deden de gebroeders Mael besluiten bij de opvolger het roer om te gooien. Desondanks een dikke 7 voor Balls.
Er bekruipt mij een vervelend gevoel: Sparks is toch méér dan (weliswaar intelligente) dance? Ze zijn toch vooral een groep van eigenzinnige pop? Deze laatste categorie is gelukkig steeds op die albums terug te vinden, zij het soms zeer verstopt. Dat dance-effect werd nog eens versterkt doordat Sparks niet meer werkte met een begeleidingsgroep maar met digitale geluiden.
Op Balls klinkt in de dance een enkele invloed van big beat, zoals sinds het jaar ervoor de nieuwe trend was met namen als The Chemical Brothers en The Prodigy: bombastische digitale drumslagen die door Sparks naadloos worden ingepast.
We horen ze op Bullet Train en bonustrack Calm before the Opera, dat ik dadelijk nogmaals zal aanhalen. Eveneens kom ik het prachtige en ingetogen Scherazade tegen; het heeft een hiphopbeat. Ook rustig is It’s a Knockoff, uit de film ‘Knock Off’ (1998) met Jean-Claude van Damme en regisseur Tsui Hark, over wie Sparks op Gratuitous Sax & Senseless Violins (1994) een liedje maakte. Het type actiefilm dat ik oversla, maar dit is geen MovieMeter.
Op Irreplaceable moet ik net als op vorige albums van Sparks denken aan Pet Shop Boys en in, daarissieweer, Calm before the Opera zingt Russell Mael acapella met andere Russel Maels. Of zou broer Ron ook bij een microfoon hebben gestaan?
Aeroflot is dankzij de gesproken delen van ene Aksinja Berger even aardig. In het intro klinkt eveneens een scheurend gitaartje én big beat, maar het refrein is dan wel erg flauw en verveelt spoedig. De eerder genoemde liedjes hoor ik echter graag.
En toch overvalt mij, nu ik de discografie van Sparks doorreis, een zekere matheid: ik mis de zijde met rock, gitaren, gekte en bizarre zanglijnen. Maar er is hoop, leert Wikipedia mij: het album flopte genadeloos, wellicht niet alleen omdat fans klaar waren met hun dancegerichte pop, maar ook omdat een gekke hoes ontbrak. Die bal is wel sáái; zelfs als je de hoes in diverse kleuren uitbrengt… De tegenvallende verkopen deden de gebroeders Mael besluiten bij de opvolger het roer om te gooien. Desondanks een dikke 7 voor Balls.
Sparks - Big Beat (1976)

3,0
0
geplaatst: 3 mei 2023, 13:47 uur
Ron en Russell Mael waren geremigreerd naar de Verenigde Staten, daarmee hun Britse bandleden achterlatend en Sparks als duo presenterend. Waren ze gebleven, dan was het interessant geweest hoe ze in de herfst van 1976 door de punkbeweging waren behandeld, aangezien menig punk- en newwavemuzikant een zwak had voor de eigenwijze, absurdistische en hypernerveuze muziek van de groep. Zo is Siouxsie Sioux een verklaard liefhebster.
Hun zesde album Big Beat werd met studiomuzikanten opgenomen en verscheen in augustus '76. In Nederland deed het album niets en toen ik vanaf oktober 1976 als pre-puber intensief naar Hilversum 3 ging luisteren, kwam dit niet voorbij.
Ik heb/neem niet de tijd die Roxy6 had, mijn indruk is dus vluchtiger. Wat ik hoor is een ingetogener vorm van Sparks en dat pakt me simpelweg niet. Niet dat hier slecht wordt gemusiceerd: de gitaren scheuren daarbij vaak stevig, de productie van Rupert Holmes is prima en soms lijk ik proto-new wave te horen, zoals in Nothing to Do en I Bought the Mississippi River. Zonder de manische basis wordt het echter een vorm van standaard classic (glam)rock, zelfs terwijl de teksten vol venijn zitten zoals Chimpz treffend beschrijft.
Via streaming kwamen slechts twee nummers bovendrijven: Throw Her Away (and Get a New One) in glamrockjasje en het eveneens stampende I Like Girls. Bij de bonussen hoor ik bovendien een zeer geslaagde cover, de non-albumsingle I Want to Hold your Hand : in dit zwoele bigbandarrangement veel leuker dan het Beatlesorigineel.
Hun zesde album Big Beat werd met studiomuzikanten opgenomen en verscheen in augustus '76. In Nederland deed het album niets en toen ik vanaf oktober 1976 als pre-puber intensief naar Hilversum 3 ging luisteren, kwam dit niet voorbij.
Ik heb/neem niet de tijd die Roxy6 had, mijn indruk is dus vluchtiger. Wat ik hoor is een ingetogener vorm van Sparks en dat pakt me simpelweg niet. Niet dat hier slecht wordt gemusiceerd: de gitaren scheuren daarbij vaak stevig, de productie van Rupert Holmes is prima en soms lijk ik proto-new wave te horen, zoals in Nothing to Do en I Bought the Mississippi River. Zonder de manische basis wordt het echter een vorm van standaard classic (glam)rock, zelfs terwijl de teksten vol venijn zitten zoals Chimpz treffend beschrijft.
Via streaming kwamen slechts twee nummers bovendrijven: Throw Her Away (and Get a New One) in glamrockjasje en het eveneens stampende I Like Girls. Bij de bonussen hoor ik bovendien een zeer geslaagde cover, de non-albumsingle I Want to Hold your Hand : in dit zwoele bigbandarrangement veel leuker dan het Beatlesorigineel.
Sparks - Exotic Creatures of the Deep (2008)

4,0
1
geplaatst: 11 mei 2023, 22:49 uur
Na twee albums met veel "praatzang" rond een concept, waarbij sterke klassieke invloeden klonken en voorzichtig rock werd geherintroduceerd, is Exotic Creatures of the Deep een stapje verder: hier zingt Russell vooral, hoep hoep hiezee! Bovendien wordt de begeleidingsgroep met wederom gitarist Dean Menta en drumster Tammy Glover maar digitale bas, veel vaker ingezet dan op de twee voorgangers. Dertien nummers die tezamen 50 minuten duren; nergens duurt een nummer te lang, al doet het album als geheel dat wel. Ik beperk me tot het noemen de sterkste nummers.
Meer melodie dan op de twee voorgangers en net als toen een klassieke inslag. Soms werkt dat bijzonder goed, zoals Good Morning, dat er na het spanningsopwekkende Intro heerlijk inknalt en een verrassend slot heeft. In het (glam?)rockende I Can't Believe That You Would Fall for All the Crap in This Song klinkt droogkloterige kritiek op een stoempend ritme, niet zozeer klassiek. De oude componisten van voorheen kunnen echter weer iets van hun invloed ontdekken op Let the Monkey Drive.
Fans van Queen zouden voor de gein eens naar I've Never Been High kunnen luisteren, waarop de groep als het gekke broertje van die groep klinkt - zonder dat zanger Russell Mael probeert Freddie Mercury of één van zijn opvolgers te imiteren; een parodie is het zeker niet.
(She Got Me) Pregnant heeft ook zoiets, maar de digitale toetsen maken het ietwat plat; de tekst is leuker dan de compositie en de uitvoering; als een rockopera, zo vol is het gestopt; maar wel met een knappe, snelle zanglijn.
Na deze twee aardige liedjes volgt eentje die ik een ster beter vind en die kennelijk over de voormalige zanger van The Smiths gaat. In Lighten Up, Morrissey wordt iemand bezongen die wanhopig probeert net zo gevat te zijn als de grote naam, maar daar niet in slaagt; gegoten in stevige, alternatieve rock.
This Is the Renaissance gaat over alle voordelen van deze periode ten opzichte van de Middeleeuwen daarvoor, met een heerlijk absurdistische tekst en aria-achtige zanglijnen, terwijl gitaar en pauken frequent bijspringen.
Photoshop en Likeable bevatten meer van deze muziek, nu de voor- en nadelen van het computerprogramma en de eigen sympathiekheid bezingend. Absurdistische teksten voeren wederom de boventoon, maar qua albumlengte hadden de laatste twee mogen ontbreken. Wat hier gebeurt, voegt eigenlijk niet meer iets wezenlijks toe.
Wikipedia rept over stijgende belangstelling en dito verkopen in het Verenigd Koninkrijk. Daar lette men beter op dan in het lage landje aan de Noordzee... Sparks had voor het derde achtereenvolgende album de stijgende lijn te pakken. Meer rock, meer gitaren en drums en altijd weer die rare humor met goede muzikale ideeën, sterke arrangementen en sterke zang. Vier hele sterke nummers en zo'n vijf die heel aardig zijn.
Meer melodie dan op de twee voorgangers en net als toen een klassieke inslag. Soms werkt dat bijzonder goed, zoals Good Morning, dat er na het spanningsopwekkende Intro heerlijk inknalt en een verrassend slot heeft. In het (glam?)rockende I Can't Believe That You Would Fall for All the Crap in This Song klinkt droogkloterige kritiek op een stoempend ritme, niet zozeer klassiek. De oude componisten van voorheen kunnen echter weer iets van hun invloed ontdekken op Let the Monkey Drive.
Fans van Queen zouden voor de gein eens naar I've Never Been High kunnen luisteren, waarop de groep als het gekke broertje van die groep klinkt - zonder dat zanger Russell Mael probeert Freddie Mercury of één van zijn opvolgers te imiteren; een parodie is het zeker niet.
(She Got Me) Pregnant heeft ook zoiets, maar de digitale toetsen maken het ietwat plat; de tekst is leuker dan de compositie en de uitvoering; als een rockopera, zo vol is het gestopt; maar wel met een knappe, snelle zanglijn.
Na deze twee aardige liedjes volgt eentje die ik een ster beter vind en die kennelijk over de voormalige zanger van The Smiths gaat. In Lighten Up, Morrissey wordt iemand bezongen die wanhopig probeert net zo gevat te zijn als de grote naam, maar daar niet in slaagt; gegoten in stevige, alternatieve rock.
This Is the Renaissance gaat over alle voordelen van deze periode ten opzichte van de Middeleeuwen daarvoor, met een heerlijk absurdistische tekst en aria-achtige zanglijnen, terwijl gitaar en pauken frequent bijspringen.
Photoshop en Likeable bevatten meer van deze muziek, nu de voor- en nadelen van het computerprogramma en de eigen sympathiekheid bezingend. Absurdistische teksten voeren wederom de boventoon, maar qua albumlengte hadden de laatste twee mogen ontbreken. Wat hier gebeurt, voegt eigenlijk niet meer iets wezenlijks toe.
Wikipedia rept over stijgende belangstelling en dito verkopen in het Verenigd Koninkrijk. Daar lette men beter op dan in het lage landje aan de Noordzee... Sparks had voor het derde achtereenvolgende album de stijgende lijn te pakken. Meer rock, meer gitaren en drums en altijd weer die rare humor met goede muzikale ideeën, sterke arrangementen en sterke zang. Vier hele sterke nummers en zo'n vijf die heel aardig zijn.
Sparks - Gratuitous Sax & Senseless Violins (1994)

4,0
2
geplaatst: 8 mei 2023, 21:18 uur
In 1989 keerde Sparks terug naar de Verenigde Staten. De eigen muziek lieten ze grotendeels voor wat het was. In plaats daarvan werd enkele jaren tevergeefs een mangafilm voorbereid met o.a. actrice Christi Haydon. Die dame ken ik van Star Trek, waar ze met een kopstuk als captain Jean-Luc Picard op de brug werkte, zij het als één van de zwijgende crewleden. Ja, ik ben een fan van die serie en de link met Sparks is voor mij dus extra leuk. Haydon streefde ook een zangcarrière na, waarbij de gebroeders Mael haar ondersteunden.
Vervolgens keerde Sparks terug uit de luwte. De broers tekenden in 1993 in Duitsland bij BMG. Fijn dat ze weer mochten, zeker voor dit onhippe duo: toetsenist Ron werd dat jaar alweer 49 en zanger Russell 46. Goed, Ron had sowieso nooit zijn best gedaan om het coolste jongetje van de klas te zijn en schreef ondertussen het ene na het andere liedje, dankzij deze comeback resulterend in hun zestiende album.
De artrock van de jaren ’70 maakte al in 1979 plaats voor dance, een genre dat een steeds dominantere rol in de muziek van de gebroeders ging spelen, waarbij de rockbasis geleidelijk steeds meer pop was geworden. Sparks behield zijn absurdistische karakter, vooral te proeven in teksten, hoezen en imago.
In 1993 verscheen non-albumsingle National Crime Awareness Week (geen hit), in 1994 gevolgd door album Gratuitous Sax & Senseless Violins. Hierop klinkt eurohouse die het verrassend goed deed met hits in Duitsland en Engeland: When Do I Get to Sing 'My Way’, When I Kiss You (I Hear Charlie Parker Playing) en Now That I Own the BBC. Als liefhebber van hardrock en metal vond ik in de jaren ’90 de muziek van Sash! en Moby bij vlagen verrassend lekker. Hoe is dat dertig jaar later bij deze Sparks?
Die klinkt inderdaad typisch jaren ’90, waarbij de heren het schrijven van (soms rare) liedjes niet hebben verleerd. Dit zonder begeleidingsgroep, maar met synthesizers en drumcomputers.
Opener Gratuitous Sax is verrassend kort en acapella, waarna twee singles volgen. When Do I Get to Sing is pure eurohouse met een bijna zwoel zingende Russell en een sterk refrein, aan Pet Shop Boys herinnerend. Hetzelfde geldt voor het iets snellere When I Kiss You, met een gortdroge rap die alweer aan de DierenWinkelJongens doet denken. Vervolgens klinkt Frankly, Scarlett, I Don't Give a Damn verrassend ingetogen met een verleidelijk keyboardlijntje. Kortom, afwisseling is er volop en dat blijft zo.
Meer uptempo eurohouse in I Thought I Told You to Wait in the Car en Now that I Own the BBC. Een vullertje vind ik Tsui Hark, over een regisseur uit Hong Kong, met dankzij gastbijdragen ongetwijfeld intelligente Chinese / Vietnamese (?) teksten; Let’s Go Surfing doet me evenmin iets.
Rustiger is het in Hear no Evil, See no Evil, Speak no Evil waarin Russell zijn fraaie falset effectief inzet, The Ghost of Liberace is een apart en fraai popliedje, het nog opvallender Sensless Violins sluit de plaat af; het duurt nog geen vijftig tellen en is het muzikale neefje van Moby's Love of Strings,
In 2019 uitgebreid met vele nummers, zoals boven door MuMensen beschreven. Smakelijke kersen op deze taart: de remix van When Do I Get door Vince Clarke (van o.a. Yazoo en Erasure), rariteitje She’s an Anchorman, kerstlied (!) Little Drummer Boy, ballade She’s so Beautiful (So What) en het huppelende Mid-Atlantic.
Hierbij ook vijf nummers die Sparks met Christie Haydon opnam. De dame heeft een onderkoelde stem, passend bij deze gevarieerde synthpop, wat vooral in Boris the Spider goed werkt.
Dit is een groeiplaatje, waarvoor je eigenlijk meer tijd moet nemen dan ik nu doe. Verborgen juweeltjes komen dan bovendrijven. Hun eurohouse is leuk, de popliedjes smaken mij echter beter. De vier á zes jaar afstand die Maeltjes van de muziekwereld namen, had hen hoorbaar goed gedaan. 'Make it so,' in de woorden van captain Jean-Luc Picard: 'Engage!'
Vervolgens keerde Sparks terug uit de luwte. De broers tekenden in 1993 in Duitsland bij BMG. Fijn dat ze weer mochten, zeker voor dit onhippe duo: toetsenist Ron werd dat jaar alweer 49 en zanger Russell 46. Goed, Ron had sowieso nooit zijn best gedaan om het coolste jongetje van de klas te zijn en schreef ondertussen het ene na het andere liedje, dankzij deze comeback resulterend in hun zestiende album.
De artrock van de jaren ’70 maakte al in 1979 plaats voor dance, een genre dat een steeds dominantere rol in de muziek van de gebroeders ging spelen, waarbij de rockbasis geleidelijk steeds meer pop was geworden. Sparks behield zijn absurdistische karakter, vooral te proeven in teksten, hoezen en imago.
In 1993 verscheen non-albumsingle National Crime Awareness Week (geen hit), in 1994 gevolgd door album Gratuitous Sax & Senseless Violins. Hierop klinkt eurohouse die het verrassend goed deed met hits in Duitsland en Engeland: When Do I Get to Sing 'My Way’, When I Kiss You (I Hear Charlie Parker Playing) en Now That I Own the BBC. Als liefhebber van hardrock en metal vond ik in de jaren ’90 de muziek van Sash! en Moby bij vlagen verrassend lekker. Hoe is dat dertig jaar later bij deze Sparks?
Die klinkt inderdaad typisch jaren ’90, waarbij de heren het schrijven van (soms rare) liedjes niet hebben verleerd. Dit zonder begeleidingsgroep, maar met synthesizers en drumcomputers.
Opener Gratuitous Sax is verrassend kort en acapella, waarna twee singles volgen. When Do I Get to Sing is pure eurohouse met een bijna zwoel zingende Russell en een sterk refrein, aan Pet Shop Boys herinnerend. Hetzelfde geldt voor het iets snellere When I Kiss You, met een gortdroge rap die alweer aan de DierenWinkelJongens doet denken. Vervolgens klinkt Frankly, Scarlett, I Don't Give a Damn verrassend ingetogen met een verleidelijk keyboardlijntje. Kortom, afwisseling is er volop en dat blijft zo.
Meer uptempo eurohouse in I Thought I Told You to Wait in the Car en Now that I Own the BBC. Een vullertje vind ik Tsui Hark, over een regisseur uit Hong Kong, met dankzij gastbijdragen ongetwijfeld intelligente Chinese / Vietnamese (?) teksten; Let’s Go Surfing doet me evenmin iets.
Rustiger is het in Hear no Evil, See no Evil, Speak no Evil waarin Russell zijn fraaie falset effectief inzet, The Ghost of Liberace is een apart en fraai popliedje, het nog opvallender Sensless Violins sluit de plaat af; het duurt nog geen vijftig tellen en is het muzikale neefje van Moby's Love of Strings,
In 2019 uitgebreid met vele nummers, zoals boven door MuMensen beschreven. Smakelijke kersen op deze taart: de remix van When Do I Get door Vince Clarke (van o.a. Yazoo en Erasure), rariteitje She’s an Anchorman, kerstlied (!) Little Drummer Boy, ballade She’s so Beautiful (So What) en het huppelende Mid-Atlantic.
Hierbij ook vijf nummers die Sparks met Christie Haydon opnam. De dame heeft een onderkoelde stem, passend bij deze gevarieerde synthpop, wat vooral in Boris the Spider goed werkt.
Dit is een groeiplaatje, waarvoor je eigenlijk meer tijd moet nemen dan ik nu doe. Verborgen juweeltjes komen dan bovendrijven. Hun eurohouse is leuk, de popliedjes smaken mij echter beter. De vier á zes jaar afstand die Maeltjes van de muziekwereld namen, had hen hoorbaar goed gedaan. 'Make it so,' in de woorden van captain Jean-Luc Picard: 'Engage!'
Sparks - Hello Young Lovers (2006)

3,5
1
geplaatst: 11 mei 2023, 18:59 uur
Net als voorganger Lil' Beethoven is Hello Young Lovers een concept(achtig) album. Blijkens de hoes heeft Sparks sinds Pulling Rabbits out of a Hat (1984) héél veel konijntjes uit die hoed gegoocheld. Ofwel de diertjes hebben zichzelf vermenigvuldigd, een romantisch thema dat op dit album langskomt.
Het is als een hoorspel 2.0, zeker met de veelvuldige spreekzang (neen, geen raps!) van Russell Mael. Daarmee mis ik melodieën en de man heeft juist zo'n goede stem. Daar staat tegenover dat de toetsenpartijen van Ron Mael vaak klassieke thema's bevatten en dat de begeleidingsgroep (hier bestaande uit ex-Faith No Moregitarist Dean Menta, bassist Steven McDonald en drumster Tammy Glover) vaker uit de coulissen wordt gehaald.
Soms is het bombasme heerlijk, zoals in Dick Around. Nog enthousiaster word ik van het sterke Metaphor (met daarin leuke versiertips) en Waterproof waar wederom klassieke muziek botst/samengaat met stevige rock.
There's No Such Thing as Aliens is fijn met alle (digitale) strijkers, en het (eveneens digitale) kerkorgel in afsluiter As I Sit Down to Play The Organ at the Notre Dame Cathedral zorgt voor meer jolijt.
Daarnaast is veel wel geinig en één keer haak ik af. Ik ben een grote kattenliefhebber maar Here Kitty werkt met het te vaak herhaalde "me-ouw" op mijn irritatiezone.
Uiteindelijk kom ik op 3,5 ster: met alle spreekzang mis ik melodie. De twee uitschieters zijn dan echter heel goed, beter dan enig ander nummer op de voorganger. En ik mopper niet. Als je bij Sparks iets niet bevalt: op naar de opvolger, je weet nooit waar ze nu weer mee komen!
Het is als een hoorspel 2.0, zeker met de veelvuldige spreekzang (neen, geen raps!) van Russell Mael. Daarmee mis ik melodieën en de man heeft juist zo'n goede stem. Daar staat tegenover dat de toetsenpartijen van Ron Mael vaak klassieke thema's bevatten en dat de begeleidingsgroep (hier bestaande uit ex-Faith No Moregitarist Dean Menta, bassist Steven McDonald en drumster Tammy Glover) vaker uit de coulissen wordt gehaald.
Soms is het bombasme heerlijk, zoals in Dick Around. Nog enthousiaster word ik van het sterke Metaphor (met daarin leuke versiertips) en Waterproof waar wederom klassieke muziek botst/samengaat met stevige rock.
There's No Such Thing as Aliens is fijn met alle (digitale) strijkers, en het (eveneens digitale) kerkorgel in afsluiter As I Sit Down to Play The Organ at the Notre Dame Cathedral zorgt voor meer jolijt.
Daarnaast is veel wel geinig en één keer haak ik af. Ik ben een grote kattenliefhebber maar Here Kitty werkt met het te vaak herhaalde "me-ouw" op mijn irritatiezone.
Uiteindelijk kom ik op 3,5 ster: met alle spreekzang mis ik melodie. De twee uitschieters zijn dan echter heel goed, beter dan enig ander nummer op de voorganger. En ik mopper niet. Als je bij Sparks iets niet bevalt: op naar de opvolger, je weet nooit waar ze nu weer mee komen!
Sparks - Hippopotamus (2017)

4,5
1
geplaatst: 13 mei 2023, 16:35 uur
Terwijl ik Hippopotamus beluisterde, zag ik dit nieuwbericht over “"buitensporig" waterverbruik door beroemdheden in klein Frans dorpje”. 'Zou Sparks daar ook een villa bezitten?', vroeg ik me af, een blik werpend op de hoesfoto.
De samenwerking met Franz Ferdinand op FFS bracht Sparks ertoe de cirkel rond te maken: zanger Russell Mael en toetsenis/hoofdcomponist Ron Mael vormden weer een heuse band, zoals ze vanaf het debuut uit 1970 tot Music You Can Dance to uit 1986 hadden gedaan. Deze bestond op Hippopotamus uit gitarist en hier tevens bassist Dean Menta, al sinds 2006 als studiomuzikant bij Sparks betrokken, en drummer Steven Nistor.
Hun eerste in jaren voor een grote platenmaatschappij en bovendien in menig land de albumlijsten halend, in Engeland en Schotland zelfs #7 en in Nederland #38.
Korte composities en daarmee maar liefst vijftien nummers, afwisselend stevig of juist meer poprock en altijd de absurdistische teksten. Wat me nu pas opvalt is dat de Maels iets van chroniqueurs hebben: de wereld beschouwen maar die vervolgens ironisch op de hak nemen, met daarin verborgen kritiek op allerlei maatschappelijke thema’s. Je krijgt een spiegel van de tijd voorgehouden, een visie op het tijdsgewricht. En dat hier al bijna 50 jaar lang.
De volgende nummers zette ik op een afspeellijst: het pittige Missionary Position lijkt een protestsong tegen kama sutra met z’n standjes - 'Alles draait om de eenvoud'; Edith Piaf (Said it Better than Me) heeft een prachtige, ietwat weemoedige melodie en is opnieuw uptempo; klassieke invloeden hoor ik in het titelnummer over een bijzonder probleem – is er een hele grote poster van de albumhoes verkrijgbaar? Zo ja, dan wil ik die graag in mijn werkruimte hangen!
Een bericht uit 2017 vermeldt enkele rake opmerkingen over I Wish You Were Fun, waarna in So Tell Me Mrs. Lincoln Aside from That How Was the Play? vanuit de ogen van de moordenaar wordt teruggeblikt op zijn aanslag op president Lincoln; ondertussen gromt de basgitaar in de beste traditie van Jean-Jacques Burnel van The Stranglers.
Het is of ik de invloed van neo-klassieke componist Yann Tiersen hoor in When You’re a French Director, heerlijk driekwartsmaatje met accordeon; en tenslotte heerlijke gestapelde zang in A Little Bit Like Fun.
Dit zijn mijn favorieten na enkele malen draaien, maar de rest is altijd een ruime voldoende, waarbij ik vermoed dat als ik meer tijd zou nemen, de waardering nog wel eens hoger zou kunnen uitvallen. Al was het alleen maar om de teksten. Ik houd van bandjes met gitaren, bas en drums en mede daarom, zoals hierboven door zovele anderen al geconstateerd: de beste Sparks in jaren.
De samenwerking met Franz Ferdinand op FFS bracht Sparks ertoe de cirkel rond te maken: zanger Russell Mael en toetsenis/hoofdcomponist Ron Mael vormden weer een heuse band, zoals ze vanaf het debuut uit 1970 tot Music You Can Dance to uit 1986 hadden gedaan. Deze bestond op Hippopotamus uit gitarist en hier tevens bassist Dean Menta, al sinds 2006 als studiomuzikant bij Sparks betrokken, en drummer Steven Nistor.
Hun eerste in jaren voor een grote platenmaatschappij en bovendien in menig land de albumlijsten halend, in Engeland en Schotland zelfs #7 en in Nederland #38.
Korte composities en daarmee maar liefst vijftien nummers, afwisselend stevig of juist meer poprock en altijd de absurdistische teksten. Wat me nu pas opvalt is dat de Maels iets van chroniqueurs hebben: de wereld beschouwen maar die vervolgens ironisch op de hak nemen, met daarin verborgen kritiek op allerlei maatschappelijke thema’s. Je krijgt een spiegel van de tijd voorgehouden, een visie op het tijdsgewricht. En dat hier al bijna 50 jaar lang.
De volgende nummers zette ik op een afspeellijst: het pittige Missionary Position lijkt een protestsong tegen kama sutra met z’n standjes - 'Alles draait om de eenvoud'; Edith Piaf (Said it Better than Me) heeft een prachtige, ietwat weemoedige melodie en is opnieuw uptempo; klassieke invloeden hoor ik in het titelnummer over een bijzonder probleem – is er een hele grote poster van de albumhoes verkrijgbaar? Zo ja, dan wil ik die graag in mijn werkruimte hangen!
Een bericht uit 2017 vermeldt enkele rake opmerkingen over I Wish You Were Fun, waarna in So Tell Me Mrs. Lincoln Aside from That How Was the Play? vanuit de ogen van de moordenaar wordt teruggeblikt op zijn aanslag op president Lincoln; ondertussen gromt de basgitaar in de beste traditie van Jean-Jacques Burnel van The Stranglers.
Het is of ik de invloed van neo-klassieke componist Yann Tiersen hoor in When You’re a French Director, heerlijk driekwartsmaatje met accordeon; en tenslotte heerlijke gestapelde zang in A Little Bit Like Fun.
Dit zijn mijn favorieten na enkele malen draaien, maar de rest is altijd een ruime voldoende, waarbij ik vermoed dat als ik meer tijd zou nemen, de waardering nog wel eens hoger zou kunnen uitvallen. Al was het alleen maar om de teksten. Ik houd van bandjes met gitaren, bas en drums en mede daarom, zoals hierboven door zovele anderen al geconstateerd: de beste Sparks in jaren.
Sparks - In Outer Space (1983)

3,5
0
geplaatst: 6 mei 2023, 22:52 uur
In Outer Space is net als de vorige twee albums sterk en gevarieerd, waarbij de gebroeders Mael voor de derde maal worden begeleid door de groep Bates Motel. Soms klinkt gitaarrock, vaker synthesizer-new wave. Een succes in de Verenigde Staten (#88). In Frankrijk voorzien van een extra nummer, Modesty Plays, dat daar als single flopte, ondanks de plezante videoclip met daarin bovendien onze eigen Dave.
Mijn favoriete nummers hebben allemaal de geur van synthwave: het duet met Jane Wiedlin van The Go-Go’s Cool Places dat in de Billboard Hot 100 #49 haalde, het even vlotte Popularity, het van een sluw intro voorziene All You Ever Think About Is Sex en het liedje over mijn persoon I Wish I Looked a Little Better. Soms moet ik denken aan een groep als het Belgische Vive le Fête, waar eveneens ironie en dansbare synthesizerpop samengaan. Misschien ook wel omdat de gebroeders Mael op de binnenhoes voor het Atomium in Brussel poseren.
Geen spoor van de gecompliceerde nummers die de klassieke invloeden van Ron Mael weerspiegelen. Ze hebben plaats heeft gemaakt voor kwaliteitspop/rock, waarbij de stem van Russell Mael lenig is als in het decennium ervoor.
Waar vorige albums geen zwakke nummers kenden, kom ik die hier echter wel tegen: het in vierkante rock gegoten Prayin’ for a Party en Dance Godammit, nummers die gaapopwekkend zijn. De overige nummers zijn wél voldoende, waarbij een tweede duet met Wiedlin, Lucky Me, Lucky You. Een goed album met hoge pieken, maar als geheel niet briljant. En toch blijft elk album van Sparks een verrassing en alleen daarom al is deze reis door hun catalogus een waar plezier!
Mijn favoriete nummers hebben allemaal de geur van synthwave: het duet met Jane Wiedlin van The Go-Go’s Cool Places dat in de Billboard Hot 100 #49 haalde, het even vlotte Popularity, het van een sluw intro voorziene All You Ever Think About Is Sex en het liedje over mijn persoon I Wish I Looked a Little Better. Soms moet ik denken aan een groep als het Belgische Vive le Fête, waar eveneens ironie en dansbare synthesizerpop samengaan. Misschien ook wel omdat de gebroeders Mael op de binnenhoes voor het Atomium in Brussel poseren.
Geen spoor van de gecompliceerde nummers die de klassieke invloeden van Ron Mael weerspiegelen. Ze hebben plaats heeft gemaakt voor kwaliteitspop/rock, waarbij de stem van Russell Mael lenig is als in het decennium ervoor.
Waar vorige albums geen zwakke nummers kenden, kom ik die hier echter wel tegen: het in vierkante rock gegoten Prayin’ for a Party en Dance Godammit, nummers die gaapopwekkend zijn. De overige nummers zijn wél voldoende, waarbij een tweede duet met Wiedlin, Lucky Me, Lucky You. Een goed album met hoge pieken, maar als geheel niet briljant. En toch blijft elk album van Sparks een verrassing en alleen daarom al is deze reis door hun catalogus een waar plezier!
Sparks - Indiscreet (1975)

4,0
0
geplaatst: 3 mei 2023, 11:07 uur
Een sterke, zij het iets ingetogener Sparks, dat na twee rockende albums terugkeert met enkele cabaretske absurditeiten, zoals ze dat op hun eerste twee platen ook deden. Daarin klinken invloeden van klassieke muziek, Keltische folk en fanfare. Het gaat dus wederom van de hak op de tak, maar altijd zijn daar de lenige stem van Russell Mael en de muzikale ideeënstorm van broer Ron.
Deze toetsenist en hoofdcomponist gebruikt hier voor het eerst een nieuwe generatie keyboards, te horen in Tits (over een echtgenoot die jaloers constateert dat de boezem van zijn vrouw nu geheel toebehoort aan hun pasgeboren zoon) en The Lady is Lingering. Het maakt dat ik de eerste glimp van de jaren '80 en de synthesizerrevolte hoor.
Bij de bonussen op streaming het sterke en uptempo rockende Profile en een bizarre telefonische huwelijkssluiting in The Wedding of Jacqueline Kennedy to Russell Mael. Sterk geproduceerd bovendien: Tony Visconti, dat zit dus goed. Een dikke 7 voor deze plaat, waarvan ik op Discogs zie dat ie in klaphoes verscheen.
Ik kan me niet herinneren dit album ooit te zijn tegengekomen in de platenbakken en dat struinen doe ik toch al dik veertig jaar. Waarschijnlijk een blinde vlek, maar het geeft me de indruk dat deze plaat in Nederland totaal flopte. Misschien dat er MuMensen zijn die hier meer van weten?
Deze toetsenist en hoofdcomponist gebruikt hier voor het eerst een nieuwe generatie keyboards, te horen in Tits (over een echtgenoot die jaloers constateert dat de boezem van zijn vrouw nu geheel toebehoort aan hun pasgeboren zoon) en The Lady is Lingering. Het maakt dat ik de eerste glimp van de jaren '80 en de synthesizerrevolte hoor.
Bij de bonussen op streaming het sterke en uptempo rockende Profile en een bizarre telefonische huwelijkssluiting in The Wedding of Jacqueline Kennedy to Russell Mael. Sterk geproduceerd bovendien: Tony Visconti, dat zit dus goed. Een dikke 7 voor deze plaat, waarvan ik op Discogs zie dat ie in klaphoes verscheen.
Ik kan me niet herinneren dit album ooit te zijn tegengekomen in de platenbakken en dat struinen doe ik toch al dik veertig jaar. Waarschijnlijk een blinde vlek, maar het geeft me de indruk dat deze plaat in Nederland totaal flopte. Misschien dat er MuMensen zijn die hier meer van weten?
Sparks - Interior Design (1988)
Alternatieve titel: Just Got Back from Heaven

3,0
1
geplaatst: 8 mei 2023, 17:59 uur
Interior Design was de laatste Sparks van de jaren ’80 met een hoes alsof het 1972 was. De dame links lijkt wel op de vrouwelijke helft van de Carpenters. Een hoes waarop de gebroeders Mael nergens staan afgebeeld, zelfs niet op de binnenhoes. Bovendien hun eerste plaat waarop de band zonder drummer werkt: alle slaggeluiden zijn van een drumcomputer. Daarbij klinkt ten opzichte van de voorgangers minder dance maar vooral synthpop.
De verkopen van vorige albums waren niet best, al haalde men net als voorheen Amerikaanse dancelijsten, nu met het aardige poplied So Important en het tweede nummer van dit album, het iets mindere Just Got Back from Heaven.
Het andere nummer dat mij goed bevalt is Lets Make Love, dat een sterke melodie heeft en een oprecht, intiem liedje blijkt te zijn. Soms doet de muziek me aan Pet Shop Boys denken, zoals op dit nummer.
Opmerkelijk genoeg lijkt de groep in deze fase nauwelijks controle te hebben gehad over hun eigen werk. De licentierechten lijken veel te ruim te zijn geweest, zoals het volgende suggereert.
Reeds in datzelfde 1988 verscheen het in Europa bovendien op cd als Just Got Back from Heaven; in 1992 verscheen een Nederlandse cd-editie genaamd The World of Sparks / Madonna; in 1994 in Oostenrijk en 1995 in Duitsland als So Important; in 1995 opnieuw in Nederland als Gold; eveneens in 1995 in Europa als Heaven and Beyond; in 2000 in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk weer eens als Just Got Back from Heaven; tenslotte in Europa vanuit Nederland ergens in de jaren ’90 als The Magic Collection.
Bent u er nog? Wat ik duidelijk wil maken is dat een regulier album eveneens werd verpakt als een verzamelaar/best of album, op goedkope cd verkrijgbaar met soms een hoes waarop de bezetting uit succesjaar 1974 was te zien!
In 2008 keerde het album terug waar het hoorde. Interior Design kwam uit op Sparks’ eigen label Lil’ Beethoven met als bonussen onberispelijk Frans-, Duits- en Spaanstalige versies van Madonna. Zanger Russell is een talentalentje. Misschien verklaart dat wel alle afwijkende cd-versies, wellicht dat daarop qua taal afwijkende tracks staan? Alleen de fanatieke verzamelaar kan het weten.
Terug naar waar het om gaat, de muziek: digitaler dan ooit, meer pop dan op de vorige albums en een verzameling aardige liedjes met twee uitschieters.
In 1989 scoorde Sparks nog een onverwacht hitje in Frankrijk, waar het met Les Rita Mitsoukou uitgebrachte Singing in the Shower in mei-juni #37 haalde. Tevens te vinden op het album Marc & Robert van het Franse gezelschap. Wellicht zette dit Sparks op het spoor van de latere eurohouse, zoals hun volgende album in 1994 zou klinken.
De verkopen van vorige albums waren niet best, al haalde men net als voorheen Amerikaanse dancelijsten, nu met het aardige poplied So Important en het tweede nummer van dit album, het iets mindere Just Got Back from Heaven.
Het andere nummer dat mij goed bevalt is Lets Make Love, dat een sterke melodie heeft en een oprecht, intiem liedje blijkt te zijn. Soms doet de muziek me aan Pet Shop Boys denken, zoals op dit nummer.
Opmerkelijk genoeg lijkt de groep in deze fase nauwelijks controle te hebben gehad over hun eigen werk. De licentierechten lijken veel te ruim te zijn geweest, zoals het volgende suggereert.
Reeds in datzelfde 1988 verscheen het in Europa bovendien op cd als Just Got Back from Heaven; in 1992 verscheen een Nederlandse cd-editie genaamd The World of Sparks / Madonna; in 1994 in Oostenrijk en 1995 in Duitsland als So Important; in 1995 opnieuw in Nederland als Gold; eveneens in 1995 in Europa als Heaven and Beyond; in 2000 in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk weer eens als Just Got Back from Heaven; tenslotte in Europa vanuit Nederland ergens in de jaren ’90 als The Magic Collection.
Bent u er nog? Wat ik duidelijk wil maken is dat een regulier album eveneens werd verpakt als een verzamelaar/best of album, op goedkope cd verkrijgbaar met soms een hoes waarop de bezetting uit succesjaar 1974 was te zien!
In 2008 keerde het album terug waar het hoorde. Interior Design kwam uit op Sparks’ eigen label Lil’ Beethoven met als bonussen onberispelijk Frans-, Duits- en Spaanstalige versies van Madonna. Zanger Russell is een talentalentje. Misschien verklaart dat wel alle afwijkende cd-versies, wellicht dat daarop qua taal afwijkende tracks staan? Alleen de fanatieke verzamelaar kan het weten.
Terug naar waar het om gaat, de muziek: digitaler dan ooit, meer pop dan op de vorige albums en een verzameling aardige liedjes met twee uitschieters.
In 1989 scoorde Sparks nog een onverwacht hitje in Frankrijk, waar het met Les Rita Mitsoukou uitgebrachte Singing in the Shower in mei-juni #37 haalde. Tevens te vinden op het album Marc & Robert van het Franse gezelschap. Wellicht zette dit Sparks op het spoor van de latere eurohouse, zoals hun volgende album in 1994 zou klinken.
