Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Sammy Hagar with Vic Johnson - Lite Roast (2014)

3,5
0
geplaatst: 19 juni 2024, 07:34 uur
Koffietijd!
In 2007 verkocht Sammy Hagar 80% van zijn aandeel in zijn eigen tequila Wabo Cabo en verdiende daar $80 miljoen mee, meer dan hij ooit in de muziek verdiende. Hij was al niet onbemiddeld, maar in zijn eigen woorden: "What do you do with $80 million? Anything you want!" Zoals nog meer muziek uitbrengen. Bijvoorbeeld je eigen liedjes in akoestische versies. Hagars zeventiende studioalbum alweer, uitgebracht op de dag na zijn 67e verjaardag.
Hiervoor vroeg hij gitarist Vic Johnson van zijn vaste begeleidingsgroep the Waboritas hem te assisteren, plus tweemaal accordeonist Andre Thierry, leider van zydecogroep Andre Thierry Accordion Soul Music.
Hagar maakte een selectie van zijn muziek sinds 1986. Daarbij tweemaal werk uit zijn periode bij Van Halen (waar hij tijdens optredens steevast een akoestische solospot had), te weten Dreams en Finish What Ya Started. Oudste solowerk is Eagles Fly uit 1987. Maar vooral klinkt een selectie van nummers ná zijn vertrek bij Van Halen.
Voorop gesteld dat ik bij solo-met-gitaar meestal het na drie nummers wel gehoord heb, valt dat hier mee. Hagar beschikt namelijk over drie troeven.
Ten eerste kun je met twee akoestische gitaren veel meer dan met één en bovendien levert Johnson ook achtergrondzang. Het levert een vol geluid op. Ten tweede klinkt de stem van Hagar nog net zo goed als in zijn jonge jaren. Ten slotte heeft hij een sterke selectie uit zijn oeuvre gemaakt.
Nu kan ik klagen dat ik werk uit Hagars dagen vóór VH mis, maar die ontbeert waarschijnlijk de akoestische basis. Alhoewel, juist dat levert wellicht een leuke uitdaging op.
Laat onverlet dat dit gewoon een leuk laatavond- of vroegeochtendplaatje is, zeker met de fraaie vormgeving van de cd met onder meer de hoes waarop het duo gezeten is op stapels zakken met koffiebonen.
In deze video legt de red rocker uit hoe dit album ontstond. Vermeldenswaardig is bovendien dat dit alweer de zevende is met Vic Johnson. Die is weliswaar niet een spetterende Neal Schon, Eddie Van Halen of Joe Satriani, maar snarencapriolen waren ook niet de bedoeling op dit ontspannen Lite Roast.
Kortom, lekker koffieplaatje, al moet ik 'm echt niet meer dan tweemaal achter elkaar horen. Aangenaam voor af en toe. Mijn favorieten: The Love, Dreams en Father Sun. En wie klaar is met akoestische muziek maar nog wel bij koffie wil blijven, kan ik The Girl Is Crying in Her Latte van Sparks uit 2023 aanraden, waarvan minimaal de hoes overeenkomsten vertoont.
In 2007 verkocht Sammy Hagar 80% van zijn aandeel in zijn eigen tequila Wabo Cabo en verdiende daar $80 miljoen mee, meer dan hij ooit in de muziek verdiende. Hij was al niet onbemiddeld, maar in zijn eigen woorden: "What do you do with $80 million? Anything you want!" Zoals nog meer muziek uitbrengen. Bijvoorbeeld je eigen liedjes in akoestische versies. Hagars zeventiende studioalbum alweer, uitgebracht op de dag na zijn 67e verjaardag.
Hiervoor vroeg hij gitarist Vic Johnson van zijn vaste begeleidingsgroep the Waboritas hem te assisteren, plus tweemaal accordeonist Andre Thierry, leider van zydecogroep Andre Thierry Accordion Soul Music.
Hagar maakte een selectie van zijn muziek sinds 1986. Daarbij tweemaal werk uit zijn periode bij Van Halen (waar hij tijdens optredens steevast een akoestische solospot had), te weten Dreams en Finish What Ya Started. Oudste solowerk is Eagles Fly uit 1987. Maar vooral klinkt een selectie van nummers ná zijn vertrek bij Van Halen.
Voorop gesteld dat ik bij solo-met-gitaar meestal het na drie nummers wel gehoord heb, valt dat hier mee. Hagar beschikt namelijk over drie troeven.
Ten eerste kun je met twee akoestische gitaren veel meer dan met één en bovendien levert Johnson ook achtergrondzang. Het levert een vol geluid op. Ten tweede klinkt de stem van Hagar nog net zo goed als in zijn jonge jaren. Ten slotte heeft hij een sterke selectie uit zijn oeuvre gemaakt.
Nu kan ik klagen dat ik werk uit Hagars dagen vóór VH mis, maar die ontbeert waarschijnlijk de akoestische basis. Alhoewel, juist dat levert wellicht een leuke uitdaging op.
Laat onverlet dat dit gewoon een leuk laatavond- of vroegeochtendplaatje is, zeker met de fraaie vormgeving van de cd met onder meer de hoes waarop het duo gezeten is op stapels zakken met koffiebonen.
In deze video legt de red rocker uit hoe dit album ontstond. Vermeldenswaardig is bovendien dat dit alweer de zevende is met Vic Johnson. Die is weliswaar niet een spetterende Neal Schon, Eddie Van Halen of Joe Satriani, maar snarencapriolen waren ook niet de bedoeling op dit ontspannen Lite Roast.
Kortom, lekker koffieplaatje, al moet ik 'm echt niet meer dan tweemaal achter elkaar horen. Aangenaam voor af en toe. Mijn favorieten: The Love, Dreams en Father Sun. En wie klaar is met akoestische muziek maar nog wel bij koffie wil blijven, kan ik The Girl Is Crying in Her Latte van Sparks uit 2023 aanraden, waarvan minimaal de hoes overeenkomsten vertoont.
Savage - Loose 'n Lethal (1983)

4,0
2
geplaatst: 29 augustus 2022, 18:32 uur
Inmiddels weet ik waarom ik dit plaatje in 1983 heb gemist. Inderdaad, metalbladen waren toen schaars en moeilijk verkrijgbaar, Aardschok bijvoorbeeld stond nog in de kinderschoenen. Maar de voornaamste reden is dat hardrock/metalprogramma Stampij van Hilversum 3 was verdwenen. Ik was aangewezen op Wango Tango bij WRTL, The Friday Rock Show bij de BBC en op de woensdagmiddag had een Vlaamse zender (weet niet meer welke) een blokje voor het genre.
De buitenlandse zenders luisterde ik in krakende kwaliteit via de lange en middengolf. Dat viel niet altijd mee, soms was het onverstaanbaar. Tsja, dan kun je wat missen…
Had ik het album toen al gekend, dan had ik het als volgt in de schoolkrant kunnen recenseren:
"Zooooo hé, er zijn er maar weinigen op school die metal kunnen waarderen. Jammer voor hen, want de Engelse groep Savage heeft met Loose and Lethal een bescheiden briljantje afgeleverd waar kakkers heel wat mee missen!
Ik heb nog nooit een metalgroep gehoord die de slaggitaren zo laat hakken. Gitaristen Andy Dawson (geen familie van Steve van Saxon) en Wayne Renshaw zorgen ervoor dat de gitaren zwaarder en heavier zijn dan die van de concurrentie. Zanger/bassist Chris Bradley heeft een buigzame en krachtige stem die aan die van Jon Deverill van Tygers of Pan Tang doet denken, maar dan dieper.
De plaat opent met het snelle Let It Loose, één van de beste metalsongs die ik ooit heb gehoord met bovendien een fantastische gitaarsolo. Daarna hoor je Cry Wolf, iets langzamer maar nog steeds heavy. Eerlijk gezegd gaat Berlin na een paar draaibeurten vervelen (wel weer een flitsende gitaarsolo) maar dan komt het ijzersterke Dirty Money, dat wel het ruige broertje lijkt van Wasted van het debuut van Def Leppard.
Kant 2 opent met akoestisch getokkel, best wel even lekker. Daarna wordt ook Ain’t No Fit Place een harde en heerlijke song. On the Rocks is net iets melodieuzer, waarna The China Run en White Hot de plaat de plaat met grommende gitaren afsluiten.
Is alles dan perfect? Nee, ik noemde al dat sommige nummers wat sneller vervelen, bovendien had drummer Mark Brown van mij wel vaker zijn dubbele bassdrum mogen inzetten, de productie van Darryl Johnston is wat schel en ik mis een bandfoto op de hoes.
En toch word ik iedere keer zo blij van deze plaat! Het is nergens zo snel als bijvoorbeeld Machine Gun van Saxon en toch is dit een heavy plaat. Die gitaren, nooit eerder hoorde ik die zo zwaar en tegelijkertijd swingend. Je gaat er vanzelf van headbangen.
Ik wed dat Savage een hele grote naam gaat worden. Kakkers, bevrijd je van disco en omarm dit bandje!"
De buitenlandse zenders luisterde ik in krakende kwaliteit via de lange en middengolf. Dat viel niet altijd mee, soms was het onverstaanbaar. Tsja, dan kun je wat missen…
Had ik het album toen al gekend, dan had ik het als volgt in de schoolkrant kunnen recenseren:
"Zooooo hé, er zijn er maar weinigen op school die metal kunnen waarderen. Jammer voor hen, want de Engelse groep Savage heeft met Loose and Lethal een bescheiden briljantje afgeleverd waar kakkers heel wat mee missen!
Ik heb nog nooit een metalgroep gehoord die de slaggitaren zo laat hakken. Gitaristen Andy Dawson (geen familie van Steve van Saxon) en Wayne Renshaw zorgen ervoor dat de gitaren zwaarder en heavier zijn dan die van de concurrentie. Zanger/bassist Chris Bradley heeft een buigzame en krachtige stem die aan die van Jon Deverill van Tygers of Pan Tang doet denken, maar dan dieper.
De plaat opent met het snelle Let It Loose, één van de beste metalsongs die ik ooit heb gehoord met bovendien een fantastische gitaarsolo. Daarna hoor je Cry Wolf, iets langzamer maar nog steeds heavy. Eerlijk gezegd gaat Berlin na een paar draaibeurten vervelen (wel weer een flitsende gitaarsolo) maar dan komt het ijzersterke Dirty Money, dat wel het ruige broertje lijkt van Wasted van het debuut van Def Leppard.
Kant 2 opent met akoestisch getokkel, best wel even lekker. Daarna wordt ook Ain’t No Fit Place een harde en heerlijke song. On the Rocks is net iets melodieuzer, waarna The China Run en White Hot de plaat de plaat met grommende gitaren afsluiten.
Is alles dan perfect? Nee, ik noemde al dat sommige nummers wat sneller vervelen, bovendien had drummer Mark Brown van mij wel vaker zijn dubbele bassdrum mogen inzetten, de productie van Darryl Johnston is wat schel en ik mis een bandfoto op de hoes.
En toch word ik iedere keer zo blij van deze plaat! Het is nergens zo snel als bijvoorbeeld Machine Gun van Saxon en toch is dit een heavy plaat. Die gitaren, nooit eerder hoorde ik die zo zwaar en tegelijkertijd swingend. Je gaat er vanzelf van headbangen.
Ik wed dat Savage een hele grote naam gaat worden. Kakkers, bevrijd je van disco en omarm dit bandje!"
Saxon - Battering Ram (2015)

4,0
1
geplaatst: 25 augustus 2025, 14:27 uur
"Pounding the world like a battering ram" zong Rob Halford al in 1980 op Rapid Fire, een nummer dat grote indruk op mij maakte. Die metalen aanpak was toen nieuw, inmiddels standaard met z'n snelle basdrums. Volgens hetzelfde recept is Battering Ram van Saxon, de groep die ook in 1980 indruk op mij maakte met het donderende Motorcycle Man en Machine Gun.
Bij de kleine lettertjes in het boekje valt op dat de hulp van Harvey Goldsmith in 2006 - '07 zijn vruchten heeft afgeworpen. Waar Saxon toen alleen op het Europese continent een grote naam was, zijn ze dat in 2015 eveneens in Engeland/VK. En meer dan dat.
Wat in 1984 met het gepolijste Crusader en de albums daarna niet werd bereikt, is uiteindelijk toch gelukt: de connecties van Goldsmith leidden ertoe dat het internationale agentschap van Steve Strange Saxon onder zijn vleugels nam, waardoor de groep sindsdien regelmatig door de VS en Zuid-Amerika tourt. Goldsmith had het dus goed gezien, toen hij stelde dat Saxon veel meer kon bereiken dan ze in 2006 deden.
De muzikaal harde aanpak en strakke productie die Saxon sinds Unleash the Beast (1997) toepast, is er ook op Battering Ram. Het album kent drie hoogtepunten met het rammende titellied dat traditiegetrouw de plaat aftrapt, de gitaar- en zanglijnen van Top of the World en vooral de voor Saxon muzikale noviteit Kingdom of the Cross: ingetogen en uitwaaierend gitaarspel ondersteunt de gesproken woorden van David Bower. In Engeland bekend onder zijn acteursnaam David Beckford, tevens van de groep Hell zoals Metalhead99 al vermeldde. In combinatie met kalme zang van Biff Byford klinkt het verhaal van de loopgravenoorlog van WO I. Toen ik begin deze maand door West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk reed, had ik dit eigenlijk moeten afspelen.
Verder valt bij de credits op dat de zoon van gitarist Doug Scarratt gastmuzikant is op Moog synth en dat de zoon van Byford achtergrondzang deed.
De rest van het album is aangenaam en energiek, waarbij up- en midtempo werk elkaar afwisselt. Daarbij het snelle The Devil's Footprint, ondanks een nogal onnozele griezeltekst, echter indrukwekkend ingesproken door opnieuw Bower. Al met al een album dat ik véél liever hoor dan klassieker Denim & Leather, toen de groep na twee knallende voorgangers een kalmere aanpak verkoos. De volgende Saxon volgde drie jaar later: Thunderbolt.
Bij de kleine lettertjes in het boekje valt op dat de hulp van Harvey Goldsmith in 2006 - '07 zijn vruchten heeft afgeworpen. Waar Saxon toen alleen op het Europese continent een grote naam was, zijn ze dat in 2015 eveneens in Engeland/VK. En meer dan dat.
Wat in 1984 met het gepolijste Crusader en de albums daarna niet werd bereikt, is uiteindelijk toch gelukt: de connecties van Goldsmith leidden ertoe dat het internationale agentschap van Steve Strange Saxon onder zijn vleugels nam, waardoor de groep sindsdien regelmatig door de VS en Zuid-Amerika tourt. Goldsmith had het dus goed gezien, toen hij stelde dat Saxon veel meer kon bereiken dan ze in 2006 deden.
De muzikaal harde aanpak en strakke productie die Saxon sinds Unleash the Beast (1997) toepast, is er ook op Battering Ram. Het album kent drie hoogtepunten met het rammende titellied dat traditiegetrouw de plaat aftrapt, de gitaar- en zanglijnen van Top of the World en vooral de voor Saxon muzikale noviteit Kingdom of the Cross: ingetogen en uitwaaierend gitaarspel ondersteunt de gesproken woorden van David Bower. In Engeland bekend onder zijn acteursnaam David Beckford, tevens van de groep Hell zoals Metalhead99 al vermeldde. In combinatie met kalme zang van Biff Byford klinkt het verhaal van de loopgravenoorlog van WO I. Toen ik begin deze maand door West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk reed, had ik dit eigenlijk moeten afspelen.
Verder valt bij de credits op dat de zoon van gitarist Doug Scarratt gastmuzikant is op Moog synth en dat de zoon van Byford achtergrondzang deed.
De rest van het album is aangenaam en energiek, waarbij up- en midtempo werk elkaar afwisselt. Daarbij het snelle The Devil's Footprint, ondanks een nogal onnozele griezeltekst, echter indrukwekkend ingesproken door opnieuw Bower. Al met al een album dat ik véél liever hoor dan klassieker Denim & Leather, toen de groep na twee knallende voorgangers een kalmere aanpak verkoos. De volgende Saxon volgde drie jaar later: Thunderbolt.
Saxon - BBC Sessions / Live at Reading Festival '86 (1998)

4,5
1
geplaatst: 26 augustus 2022, 21:06 uur
Mijn eerste aankoop bij de onlinestore van Dik Mannetje was BBC Sessions/Live at Reading Festival '86. Dit was in 1999 en iets via internet kopen vond ik toen erg spannend... 
Maar het ging probleemloos en spoedig genoten (?) vrouw en kleine kinderen van deze heerlijke herrie. Een enkele track verscheen later als bonus bij andere Saxon-cd's geloof ik, maar dit alles op één schijfje is bijzonder fraai!
Superfijn om Pete Gill nog eens te horen drummen op track 1 tot en met 5, waar de band in oerbezetting speelt; de tweede sessie met inmiddels Nigel Glockler op de kruk is net zo fijn en dat Reading 1986 een glorieuze thuiswedstrijd was, is overduidelijk vanaf track 9, waar Paul Johnson de nieuwe bassist is.
Mijn persoonlijke hoogtepunten zijn Stallions of the Highway, Power and the Glory en Waiting for the Night.
Alle drie de sessies zijn opgenomen door dj Tony Wilson, die de stem van zanger Biff Byford in de eerste in een echowolkje zette, net als op de albums in die fase.
Een rauwe dwarsdoorsnede uit het oeuvre van het Saxon tot 1986, waarbij wijselijk geen nummers van de albums Crusader en Innocense is No Excuse zijn opgenomen.
Wat ik ook fijn vind, is dat Wheels of Steel niet nodeloos lang wordt opgerekt en dat in de gitaarsolo aan het slot van Strong Arm of the Law knipogen naar Deep Purple en Black Sabbath zijn te horen.
Dank aan de MuMeheren hierboven, die eerder nuttige zaken over dit album meldden, zoals de info over The Eagle has Landed en 747. Ik besef dan weer beter hoezeer dit een bijzonder document is!

Maar het ging probleemloos en spoedig genoten (?) vrouw en kleine kinderen van deze heerlijke herrie. Een enkele track verscheen later als bonus bij andere Saxon-cd's geloof ik, maar dit alles op één schijfje is bijzonder fraai!
Superfijn om Pete Gill nog eens te horen drummen op track 1 tot en met 5, waar de band in oerbezetting speelt; de tweede sessie met inmiddels Nigel Glockler op de kruk is net zo fijn en dat Reading 1986 een glorieuze thuiswedstrijd was, is overduidelijk vanaf track 9, waar Paul Johnson de nieuwe bassist is.
Mijn persoonlijke hoogtepunten zijn Stallions of the Highway, Power and the Glory en Waiting for the Night.
Alle drie de sessies zijn opgenomen door dj Tony Wilson, die de stem van zanger Biff Byford in de eerste in een echowolkje zette, net als op de albums in die fase.
Een rauwe dwarsdoorsnede uit het oeuvre van het Saxon tot 1986, waarbij wijselijk geen nummers van de albums Crusader en Innocense is No Excuse zijn opgenomen.
Wat ik ook fijn vind, is dat Wheels of Steel niet nodeloos lang wordt opgerekt en dat in de gitaarsolo aan het slot van Strong Arm of the Law knipogen naar Deep Purple en Black Sabbath zijn te horen.
Dank aan de MuMeheren hierboven, die eerder nuttige zaken over dit album meldden, zoals de info over The Eagle has Landed en 747. Ik besef dan weer beter hoezeer dit een bijzonder document is!
Saxon - Call to Arms (2011)

3,5
1
geplaatst: 21 augustus 2025, 13:27 uur
Lord Kitchener kijkt ons streng aan vanaf de hoes: een verwijzing naar de Britons want you!-poster uit de Eerste Wereldoorlog. Saxon benadrukt hun Britse nationaliteit.
Geen sferische synthesizers als opener, zoals inmiddels de traditie was, maar terug naar de basis. Geen power metal, maar back-to-basics met hardrockend metaal. De sterke opener Hammer of the Gods bezingt inderdaad dat de goden op oorlogspad zijn. Zelfgeproduceerd door zanger Biff Byford, deze keer wél geslaagd - herinnert u zich Forever Free? Wellicht door de hand van co-producer Toby Jepson.
Wel valt het qua composities wat tegen. Back to '79 bijvoorbeeld herhaalt wat Denim and Leather in 1981 deed, al is het koor van fans in het refrein een leuke geste.
Toetsenist Don Airey van (inmiddels) Deep Purple doet tweemaal mee, eerst in het vlotte Mists of Avalon. Titel- én lied-van-de-hoes Call to Arms bevat een indringende tekst van een soldaat uit de loopgraaf, zoals Biff zich dat voorstelt. Muzikaal log, is de orkestrale versie die het album afsluit boeiender.
Het met dikke toms startende Afterburner is op hoog tempo, in het midtempo When Doomsday Comes wederom een sausje van Airey; halverwege een versnelling. Het swingende Ballad of the Working Man is Biffs ode aan de arbeidersklasse, twingitaren herinneren aan Thin Lizzy.
Levert deze kleine muzikale koerswijziging winst op? Wat mij betreft niet, slechter dan voorheen is het evenmin. Pas bij de opvolger haakte ik na jarenlange absentie weer écht aan: Sacrifice.
Geen sferische synthesizers als opener, zoals inmiddels de traditie was, maar terug naar de basis. Geen power metal, maar back-to-basics met hardrockend metaal. De sterke opener Hammer of the Gods bezingt inderdaad dat de goden op oorlogspad zijn. Zelfgeproduceerd door zanger Biff Byford, deze keer wél geslaagd - herinnert u zich Forever Free? Wellicht door de hand van co-producer Toby Jepson.
Wel valt het qua composities wat tegen. Back to '79 bijvoorbeeld herhaalt wat Denim and Leather in 1981 deed, al is het koor van fans in het refrein een leuke geste.
Toetsenist Don Airey van (inmiddels) Deep Purple doet tweemaal mee, eerst in het vlotte Mists of Avalon. Titel- én lied-van-de-hoes Call to Arms bevat een indringende tekst van een soldaat uit de loopgraaf, zoals Biff zich dat voorstelt. Muzikaal log, is de orkestrale versie die het album afsluit boeiender.
Het met dikke toms startende Afterburner is op hoog tempo, in het midtempo When Doomsday Comes wederom een sausje van Airey; halverwege een versnelling. Het swingende Ballad of the Working Man is Biffs ode aan de arbeidersklasse, twingitaren herinneren aan Thin Lizzy.
Levert deze kleine muzikale koerswijziging winst op? Wat mij betreft niet, slechter dan voorheen is het evenmin. Pas bij de opvolger haakte ik na jarenlange absentie weer écht aan: Sacrifice.
Saxon - Carpe Diem (2022)

4,0
1
geplaatst: 6 februari 2022, 17:40 uur
Complottheorieën zijn trendy, dus laat ik eens eigentijds lijken en er ook eentje delen. Biff Byford is eigenlijk een buitenaards wezen dat veel weet van de menselijke historie. Doordeweeks doet hij zijn grijze manen af en staat hij in confectiekleding voor de klas als docent geschiedenis. Omdat hij niet van stoppen weet, neemt hij altijd een stapel geschiedenislessen mee die hij injecteert in zijn teksten, waarna hij vervolgens over onze platte aarde tourt.
De hoes toont de eerste geschiedenisles, die van Hadrian’s Wall en daarmee de Romeinse invasie van Britannië. Na enkele filmische klanken barst het titelnummer los, lekkere uptempo track.
Age of Steam is geschiedenisles 2, over de opkomst van staal en stoom, met heerlijke twingitaren in het intro, bijna folky. Lekker vette heavy metal.
The Pilgrimage , fraaie epische song in de letterlijke betekenis van het woord, namelijk ‘verhalend’. Beschouwende tekst over de functie van pelgrimages, midtempo en voorlopig mijn hoogtepunt van de plaat.
Les 4 is weer uptempo. Dambusters is wellicht geïnspireerd op de gelijknamige speelfilm (1955) of serie (2020), of op één van de boeken over het waargebeurde verhaal van een speciale eenheid in WOII. Vliegend in Lancasterbommenwerpers moesten zij Duitse dammen platleggen.
De eerste helft sluit af met Remember the Fallen, ook al een vlotte track, over een virus dat “over de Chinese Zee” reisde en ons aanviel. Actuele historie.
Kant B opent met het snelle Super Nova, ongetwijfeld omdat buitenaardse wezen Biff daarvan afkomstig is. Vierhonderd lichtjaren reizen de lichtdeeltjes voordat wij zien hoe zijn planeet ontplofte, legt hij uit. Dit heeft hij natuurlijk zélf meegemaakt, ik ben niet gek: als kritische complotdenker heb ik hem dóór. Hij heeft het over "celestial war" en "cosmic war", buitenaardse historie dus: logisch dat hij naar planeet aarde is gereisd… Welkom Biff, live long and prosper.
Daarmee zijn de geschiedenislessen voorbij. Lady in Gray is midtempo, gaat over een bovennatuurlijke dame, qua muziek minder interessant.
All for One is snel en roept op om het zwaard op te nemen: "Gone are the warriors, they call from the past. Battalions, battalions of steel marching out to glory and fame."
Black is the Night biedt de grootste muzikale variatie. Aanvankelijk midtempo met enkele fraaie gitaarlijnen, dan halverwege getokkel waarmee een langzame, fraaie gitaarsolo begint. Vervolgens terug naar de zware riff van het begin, de tekst vertelt hoe het is om in het poolgebied te leven.
Het afsluitende Living on the Limit is de snelste track met heerlijke drumpartijen, een oproep om snel te leven.
Fraaie hoes van Paul Raymond Gregory en uiteraard de moddervette productie van Andy Sneap. Door de tempovariatie tussen de songs kun je de plaat makkelijk verschillende malen achter elkaar draaien, zonder verveeld te raken.
Ik heb dit weekend nog eens speciaal gelet op de gitaarsolo’s, om blijmoedig te constateren dat melodie en snelheid daar sterk worden gecombineerd. Zoóóó fijn dat Doug Scarratt indertijd in de gelederen kwam!
Bij de credits komen we nóg twee Byfords tegen: Steph als fotograaf en Seb als technicus en op achtergrond-zang. Leuke details.
Carpe Diem mag dan niet vernieuwend zijn binnen hun discografie, het is wél sterk en evenwichtig; al met al een fijn plaatje, ik noteer vier sterren.
De hoes toont de eerste geschiedenisles, die van Hadrian’s Wall en daarmee de Romeinse invasie van Britannië. Na enkele filmische klanken barst het titelnummer los, lekkere uptempo track.
Age of Steam is geschiedenisles 2, over de opkomst van staal en stoom, met heerlijke twingitaren in het intro, bijna folky. Lekker vette heavy metal.
The Pilgrimage , fraaie epische song in de letterlijke betekenis van het woord, namelijk ‘verhalend’. Beschouwende tekst over de functie van pelgrimages, midtempo en voorlopig mijn hoogtepunt van de plaat.
Les 4 is weer uptempo. Dambusters is wellicht geïnspireerd op de gelijknamige speelfilm (1955) of serie (2020), of op één van de boeken over het waargebeurde verhaal van een speciale eenheid in WOII. Vliegend in Lancasterbommenwerpers moesten zij Duitse dammen platleggen.
De eerste helft sluit af met Remember the Fallen, ook al een vlotte track, over een virus dat “over de Chinese Zee” reisde en ons aanviel. Actuele historie.
Kant B opent met het snelle Super Nova, ongetwijfeld omdat buitenaardse wezen Biff daarvan afkomstig is. Vierhonderd lichtjaren reizen de lichtdeeltjes voordat wij zien hoe zijn planeet ontplofte, legt hij uit. Dit heeft hij natuurlijk zélf meegemaakt, ik ben niet gek: als kritische complotdenker heb ik hem dóór. Hij heeft het over "celestial war" en "cosmic war", buitenaardse historie dus: logisch dat hij naar planeet aarde is gereisd… Welkom Biff, live long and prosper.
Daarmee zijn de geschiedenislessen voorbij. Lady in Gray is midtempo, gaat over een bovennatuurlijke dame, qua muziek minder interessant.
All for One is snel en roept op om het zwaard op te nemen: "Gone are the warriors, they call from the past. Battalions, battalions of steel marching out to glory and fame."
Black is the Night biedt de grootste muzikale variatie. Aanvankelijk midtempo met enkele fraaie gitaarlijnen, dan halverwege getokkel waarmee een langzame, fraaie gitaarsolo begint. Vervolgens terug naar de zware riff van het begin, de tekst vertelt hoe het is om in het poolgebied te leven.
Het afsluitende Living on the Limit is de snelste track met heerlijke drumpartijen, een oproep om snel te leven.
Fraaie hoes van Paul Raymond Gregory en uiteraard de moddervette productie van Andy Sneap. Door de tempovariatie tussen de songs kun je de plaat makkelijk verschillende malen achter elkaar draaien, zonder verveeld te raken.
Ik heb dit weekend nog eens speciaal gelet op de gitaarsolo’s, om blijmoedig te constateren dat melodie en snelheid daar sterk worden gecombineerd. Zoóóó fijn dat Doug Scarratt indertijd in de gelederen kwam!
Bij de credits komen we nóg twee Byfords tegen: Steph als fotograaf en Seb als technicus en op achtergrond-zang. Leuke details.
Carpe Diem mag dan niet vernieuwend zijn binnen hun discografie, het is wél sterk en evenwichtig; al met al een fijn plaatje, ik noteer vier sterren.
Saxon - Crusader (1984)

3,0
2
geplaatst: 8 juni 2023, 22:10 uur
In 1980-1981 was Saxon de populairste groep van het Verenigd Koninkrijk binnen de New wave of British heavy metal. Vanaf 1982 was het echter Iron Maiden, in '83 vergezeld door Def Leppard, die samen hard op weg waren het in de Verenigde Staten te gaan maken. Saxon wilde niet achterblijven, maar willen is iets anders dan kunnen. Inmiddels weten we dat het hen niet is gelukt. Wat deden zij fout, wat die andere twee goed deden?
Vroeger dacht ik dat het dan altijd om de muziek ging, tegenwoordig weet ik dat zakelijke factoren als platenmaatschappij en management cruciaal zijn. Toch ging het ook qua muziek niet goed.
Ik was omver geblazen door hun tweede worp Wheels of Steel, teleurgesteld bij Denim and Leather maar met liveplaat The Eagle has Landed en studioplaat The Power & the Glory behoorden ze weer tot mijn topfavorieten. In de bieb las ik nieuwsgierig wat Oor had te melden over de opvolger. Koert Hoyng bleek allesbehalve positief over Crusader (scrol naar beneden en je ziet ook wat hij van de nieuwe Whitesnake vond).
Wie eveneens negatief was, was bassist Steve Dawson. Wat hij producer Kevin Beamish hoorde doen, beviel snorremans bepaald níet, zo blijkt in de docu 'Heavy Metal Thunder - The movie' (2012). Dit haantje lag al in de clinch met ander alfamannetje Biff Byford en de twee botsten opnieuw in de studio vanwege de gepolijste productie. De prachtige documentaire (eens in de twee jaar bekijk ik 'm onder het genot van een goed speciaalbiertje) is zeer openhartig: beide partijen mogen hun kant van de zaak belichten. We weten wie uiteindelijk het veld moest ruimen.
Als je de hoes het beste van een album vindt, gaat er iets mis. En dat is precies wat ik in '84 van deze klaphoes dacht, toen ik die uit de bieb had geplukt: schitterend! Maar dat Byford nu opeens geblondeerd was, vond ik wel een tegenvaller - subjectieve visie, ik weet het, maar op mij kwam het over als commerciële uitverkoop. En inderdaad, de groep had net als op Denim and Leather zijn geluid gepolijst. Nog veel meer dan toen.
De gitaren zijn zachter en de drums ruimtelijker, net als Tygers of Pan Tang vanaf 1982 met album The Cage had gedaan. Het effect was hetzelfde als met die band: Amerika trapte er niet in en de oude fans mopperden, om na enige tijd af te taaien.
Het is juni 2023. Vandaag op het werk speelde ik dit album af via streaming, bij een klusje waarvoor veel concentratie nodig was. Best lekker. Bij thuiskomst ontdekte ik een fijn stukje van Queebus bij Wheels of Steel : kennelijk hangt Saxon vandaag in de lucht. Dankzij hem ontdek ik dat gitarist Paul Quinn in maart heeft aangegeven niet meer met de band te zullen touren. Inmiddels is bekend dat hij op de planken zal worden vervangen door Brian Tatler van Diamond Head. Vanavond draai ik mijn exemplaar van het album, te vinden op cd 4 van deze box met een hoes van dezelfde kunstenaar als Crusader. Hoe komt dit album 39 jaar later binnen?
De productie is gemoderniseerd met meer ruimte voor drums, waaraan Beamish veel aandacht heeft besteed. Vooral de toms rollen heerlijk en de snare zit in een wolkje echo. Indertijd dacht ik vóór beluistering dat dit een conceptalbum was, wat misschien een beter idee was geweest om het album te promoten. Vervolgens bleek het echter een verzameling losse liedjes over allerlei onderwerpen. Soms sterk maar te vaak hoor ik melodieën als zwetende kaas, die te lang buiten de koelkast ligt.
De ruitergeluiden van Prelude gaan mooi over in het titelnummer, waarin halverwege een rare, veel te harde spreekstem is gemixt. Voor een verhalend nummer is het me niet pakkend genoeg, okay is het wél. Geleidelijk blijkt de hoofdmoot van de plaat te bestaan uit popachtige refreinen in rock 'n' rollertjes, zoals gebeurt bij A Little Bit of what You Fancy. Af en toe klinken sterkere nummers, zo is het uptempo Sailing to America nog altijd heerlijk, zelfs al is het niet hard. En dat laatste was voorheen een kwaliteit van de groep.
In Set Me Free zitten akkoordenlijnen en een deel met dubbele basdrum, lijkend op die van Machine Gun van mijn geliefde Wheels of Steel, maar hier klinkt het alsof het met een Amerikaanse reus als Styx of het Brits-Amerikaanse Foreigner moet concurreren. Dat werkt niet en al helemaal niet als je in de eindtonen een vervormingseffect uit de jaren '70 inzet.
De B-kant: Just Let Me Rock is midtempo waarin de coupletten sterker zijn dan het refrein; een soort Denim and Leather deel 2 en dat meezingertje vond ik al niks. Bad Boys is als titel uitgekauwd en de muziek is dat ook, al is het refrein wel aardig. Do It All for You vind ik zovele jaren later een hele fijne ballade, ik ben misschien romantischer dan ik wil toegeven... Vullertjes Rock City en Run for your Life met daarin een voetbalkoor zijn precies wat de titels zeggen. Gaaphardrock.
In het boekje bij mijn cd-box formuleert Steve Dawson het zo, nadat de video van Just Let Me Rock is genoemd: "I hated every minute of that shit, and it ended in me and Kevin Beamish nog seeing eye to eye (...)". Ik zag op Sky Channel een blonde Byford met boerenzakdoek om de nek en Quinn met plotseling een volle haardos; wat was er gebeurd met mijn pure helden?
Ach, was ik in 1984 dertien geweest, dan had ik het misschien heel fijn gevonden, maar in dat jaar was ik de puberteit voorbij en ging ik voor hardere muziek van ongeblondeerde metalen mannen. Vandaag ben ik milder. Dank u meneer Quinn, voor uw fijne gitaarwerk gedurende al die jaren. Dit album is zeker niet uw beste, maar de hoes is briljant (als ik die in een bak met tweedehands werk tegenkom...) en drie nummers zijn dik in orde. Het ga u goed, geniet van uw oude dag. Welverdiend!
Vroeger dacht ik dat het dan altijd om de muziek ging, tegenwoordig weet ik dat zakelijke factoren als platenmaatschappij en management cruciaal zijn. Toch ging het ook qua muziek niet goed.
Ik was omver geblazen door hun tweede worp Wheels of Steel, teleurgesteld bij Denim and Leather maar met liveplaat The Eagle has Landed en studioplaat The Power & the Glory behoorden ze weer tot mijn topfavorieten. In de bieb las ik nieuwsgierig wat Oor had te melden over de opvolger. Koert Hoyng bleek allesbehalve positief over Crusader (scrol naar beneden en je ziet ook wat hij van de nieuwe Whitesnake vond).
Wie eveneens negatief was, was bassist Steve Dawson. Wat hij producer Kevin Beamish hoorde doen, beviel snorremans bepaald níet, zo blijkt in de docu 'Heavy Metal Thunder - The movie' (2012). Dit haantje lag al in de clinch met ander alfamannetje Biff Byford en de twee botsten opnieuw in de studio vanwege de gepolijste productie. De prachtige documentaire (eens in de twee jaar bekijk ik 'm onder het genot van een goed speciaalbiertje) is zeer openhartig: beide partijen mogen hun kant van de zaak belichten. We weten wie uiteindelijk het veld moest ruimen.
Als je de hoes het beste van een album vindt, gaat er iets mis. En dat is precies wat ik in '84 van deze klaphoes dacht, toen ik die uit de bieb had geplukt: schitterend! Maar dat Byford nu opeens geblondeerd was, vond ik wel een tegenvaller - subjectieve visie, ik weet het, maar op mij kwam het over als commerciële uitverkoop. En inderdaad, de groep had net als op Denim and Leather zijn geluid gepolijst. Nog veel meer dan toen.
De gitaren zijn zachter en de drums ruimtelijker, net als Tygers of Pan Tang vanaf 1982 met album The Cage had gedaan. Het effect was hetzelfde als met die band: Amerika trapte er niet in en de oude fans mopperden, om na enige tijd af te taaien.
Het is juni 2023. Vandaag op het werk speelde ik dit album af via streaming, bij een klusje waarvoor veel concentratie nodig was. Best lekker. Bij thuiskomst ontdekte ik een fijn stukje van Queebus bij Wheels of Steel : kennelijk hangt Saxon vandaag in de lucht. Dankzij hem ontdek ik dat gitarist Paul Quinn in maart heeft aangegeven niet meer met de band te zullen touren. Inmiddels is bekend dat hij op de planken zal worden vervangen door Brian Tatler van Diamond Head. Vanavond draai ik mijn exemplaar van het album, te vinden op cd 4 van deze box met een hoes van dezelfde kunstenaar als Crusader. Hoe komt dit album 39 jaar later binnen?
De productie is gemoderniseerd met meer ruimte voor drums, waaraan Beamish veel aandacht heeft besteed. Vooral de toms rollen heerlijk en de snare zit in een wolkje echo. Indertijd dacht ik vóór beluistering dat dit een conceptalbum was, wat misschien een beter idee was geweest om het album te promoten. Vervolgens bleek het echter een verzameling losse liedjes over allerlei onderwerpen. Soms sterk maar te vaak hoor ik melodieën als zwetende kaas, die te lang buiten de koelkast ligt.
De ruitergeluiden van Prelude gaan mooi over in het titelnummer, waarin halverwege een rare, veel te harde spreekstem is gemixt. Voor een verhalend nummer is het me niet pakkend genoeg, okay is het wél. Geleidelijk blijkt de hoofdmoot van de plaat te bestaan uit popachtige refreinen in rock 'n' rollertjes, zoals gebeurt bij A Little Bit of what You Fancy. Af en toe klinken sterkere nummers, zo is het uptempo Sailing to America nog altijd heerlijk, zelfs al is het niet hard. En dat laatste was voorheen een kwaliteit van de groep.
In Set Me Free zitten akkoordenlijnen en een deel met dubbele basdrum, lijkend op die van Machine Gun van mijn geliefde Wheels of Steel, maar hier klinkt het alsof het met een Amerikaanse reus als Styx of het Brits-Amerikaanse Foreigner moet concurreren. Dat werkt niet en al helemaal niet als je in de eindtonen een vervormingseffect uit de jaren '70 inzet.
De B-kant: Just Let Me Rock is midtempo waarin de coupletten sterker zijn dan het refrein; een soort Denim and Leather deel 2 en dat meezingertje vond ik al niks. Bad Boys is als titel uitgekauwd en de muziek is dat ook, al is het refrein wel aardig. Do It All for You vind ik zovele jaren later een hele fijne ballade, ik ben misschien romantischer dan ik wil toegeven... Vullertjes Rock City en Run for your Life met daarin een voetbalkoor zijn precies wat de titels zeggen. Gaaphardrock.
In het boekje bij mijn cd-box formuleert Steve Dawson het zo, nadat de video van Just Let Me Rock is genoemd: "I hated every minute of that shit, and it ended in me and Kevin Beamish nog seeing eye to eye (...)". Ik zag op Sky Channel een blonde Byford met boerenzakdoek om de nek en Quinn met plotseling een volle haardos; wat was er gebeurd met mijn pure helden?
Ach, was ik in 1984 dertien geweest, dan had ik het misschien heel fijn gevonden, maar in dat jaar was ik de puberteit voorbij en ging ik voor hardere muziek van ongeblondeerde metalen mannen. Vandaag ben ik milder. Dank u meneer Quinn, voor uw fijne gitaarwerk gedurende al die jaren. Dit album is zeker niet uw beste, maar de hoes is briljant (als ik die in een bak met tweedehands werk tegenkom...) en drie nummers zijn dik in orde. Het ga u goed, geniet van uw oude dag. Welverdiend!
Saxon - Denim and Leather (1981)

3,0
2
geplaatst: 21 maart 2022, 20:18 uur
April 1981. Ik kwam uit een kleine puberdepressie die een jaar duurde. Blaadjes aan de bomen, vogeltjes zingen, de avonden worden langer en... hoera! De nieuwe Saxon zou verschijnen!
Tja... Op Hilversum 3 mopperde de altijd eerlijke Hanneke Kappen in radioshow Stampij met die prachtige hese stem over Saxons nieuwe plaat. Denim and Leather klonk namelijk nogal braafjes.
Hanneke en ik waren het eens: waar waren de gitaarmuren gebleven, waar die knallende drumsound? Het was bijna alsof ik de nieuwe Golden Earring hoorde: stevig was het zeker, maar denderen? Écht niet! Enige tijd later stond de plaat in de fonotheek, want aan kopen waagde ik me niet. Dat bleek een terechte keuze. Aardige songs in het gunstigste geval, maar écht los komt het nergens. Voor een band die een jaar lang had afgegeven op de brave productie van hun debuut, was dit onbegrijpelijk.
Een jaar of wat geleden kwam ik 'm in de kringloop tegen voor zowat niks. De versie uit 2009, verschenen om 30 jaar Saxon te vieren, mét liner notes en bonustracks. Opnieuw die matte ervaring bij het luisteren. Totdat de bonustracks beginnen. 20,000 Ft. was namelijk de B-kant van single Never Surrender en vooral afkomstig van de vorige plaat; productie: Pete Hinton en Will Reid Dick, die wél wisten hoe het moest. Binnen enkele seconden wordt het manco van Denim and Leather nog eens fijntjes onderstreept. Automatisch zet ik de muziek harder, alsof mijn arm een eigen wil heeft.
Idem voor de livetracks die volgen. Bap-Shoo-Ap is van Donington '80 en stond op de speciale editie-bonussingle bij datzelfde Never Surrender. Op zich een heel matige compositie, een meezinger immers; maar door de gitaarmuren en knallende drumsound dendert ie zo lekker, dat mijn arm de volumeknop nóg eens hoger zet.
Hierna volgt een concert van de Denim and Leather Tour 1981, inmiddels met Nigel Glockler op drums. Het begint met een openingsmuziekje, waarna de bronzen stem van BBC Radio 1-dj Tommy Vance de show opent. Het publiek herkent de stem van de presentator van de Friday Rock Show, die ik op krakende middengolf wekelijks luisterde. De sfeer is meteen daar en de tracks van het bijbehorende album komen live véél beter uit de verf dan in studioversie.
In de liner notes laat de vorig jaar overleden journalist Malcolm Dome zanger Biff Byford uitleggen wat er was gebeurd qua productie. Om waarschijnlijk financiële redenen had platenmaatschappij Carrere besloten dat Pete Hinton en Will Reid Dick passé waren. Welkom Nigel Thomas, afkomstig uit het managementteam met de wens producer te worden. In plaats van hem klein te laten beginnen, deed hij meteen een volwaardig album. Dom dom dom.
Alhoewel... Dome vertelt dat ook de andere single Princess of the Night (pas vijf jaar geleden ontdekte ik dat dit over een posttrein gaat...) het goed deed in de Britse charts. De sound die ik verfoei was wél radiovriendelijker. Twee hitsingles en een hitalbum. En toch. Ik ging twijfelen, net als Hanneke.
Tja... Op Hilversum 3 mopperde de altijd eerlijke Hanneke Kappen in radioshow Stampij met die prachtige hese stem over Saxons nieuwe plaat. Denim and Leather klonk namelijk nogal braafjes.
Hanneke en ik waren het eens: waar waren de gitaarmuren gebleven, waar die knallende drumsound? Het was bijna alsof ik de nieuwe Golden Earring hoorde: stevig was het zeker, maar denderen? Écht niet! Enige tijd later stond de plaat in de fonotheek, want aan kopen waagde ik me niet. Dat bleek een terechte keuze. Aardige songs in het gunstigste geval, maar écht los komt het nergens. Voor een band die een jaar lang had afgegeven op de brave productie van hun debuut, was dit onbegrijpelijk.
Een jaar of wat geleden kwam ik 'm in de kringloop tegen voor zowat niks. De versie uit 2009, verschenen om 30 jaar Saxon te vieren, mét liner notes en bonustracks. Opnieuw die matte ervaring bij het luisteren. Totdat de bonustracks beginnen. 20,000 Ft. was namelijk de B-kant van single Never Surrender en vooral afkomstig van de vorige plaat; productie: Pete Hinton en Will Reid Dick, die wél wisten hoe het moest. Binnen enkele seconden wordt het manco van Denim and Leather nog eens fijntjes onderstreept. Automatisch zet ik de muziek harder, alsof mijn arm een eigen wil heeft.
Idem voor de livetracks die volgen. Bap-Shoo-Ap is van Donington '80 en stond op de speciale editie-bonussingle bij datzelfde Never Surrender. Op zich een heel matige compositie, een meezinger immers; maar door de gitaarmuren en knallende drumsound dendert ie zo lekker, dat mijn arm de volumeknop nóg eens hoger zet.
Hierna volgt een concert van de Denim and Leather Tour 1981, inmiddels met Nigel Glockler op drums. Het begint met een openingsmuziekje, waarna de bronzen stem van BBC Radio 1-dj Tommy Vance de show opent. Het publiek herkent de stem van de presentator van de Friday Rock Show, die ik op krakende middengolf wekelijks luisterde. De sfeer is meteen daar en de tracks van het bijbehorende album komen live véél beter uit de verf dan in studioversie.
In de liner notes laat de vorig jaar overleden journalist Malcolm Dome zanger Biff Byford uitleggen wat er was gebeurd qua productie. Om waarschijnlijk financiële redenen had platenmaatschappij Carrere besloten dat Pete Hinton en Will Reid Dick passé waren. Welkom Nigel Thomas, afkomstig uit het managementteam met de wens producer te worden. In plaats van hem klein te laten beginnen, deed hij meteen een volwaardig album. Dom dom dom.
Alhoewel... Dome vertelt dat ook de andere single Princess of the Night (pas vijf jaar geleden ontdekte ik dat dit over een posttrein gaat...) het goed deed in de Britse charts. De sound die ik verfoei was wél radiovriendelijker. Twee hitsingles en een hitalbum. En toch. Ik ging twijfelen, net als Hanneke.
Saxon - Destiny (1988)

3,5
2
geplaatst: 14 juli 2023, 13:09 uur
Indertijd leende ik Destiny uit de bieb en werd er bepaald niet vrolijk van. Niet één nummer belandde op cassette.
Daar kijk ik anno 2023 anders naar en ik ga mee met degenen die het, inmiddels 35 jaar na verschijnen, eigenlijk wel vinden meevallen.
De productie van Stephan Galfas, die ik kende van zijn werk voor Stryper, is in goede balans (geen badkamerdrums!) en zelfs aan de toetsenpartijen stoor ik me niet meer. Zolang ik dit maar opzet op een moment dat ik geen problemen heb met popinvloeden in hardrock...
Daar komt bij dat het qua soleren beter en beter wordt bij Saxon, vergelijk het maar eens met de solo's op de klassiekers van begin jaren '80: het is hier een stuk beter.
Ride Like the Wind is inderdaad een stuk beter dan het origineel, al is het een malle keuze om daarmee een Saxon te beginnen; het langzame Where the Lightning Strikes had later op de plaat gemoeten maar zou ook dan niet beklijven; I Can't Wait Anymore is prima hardrock met een uitstekende melodie en Calm before the Storm is lekker uptempo met kekke jaren '80-synths. Tja, ik ben in een popstemming na vanochtend Black Sabbath en Believer te hebben gedraaid...
Song for Emma opent kant B met opnieuw aor. Zwakste schakel in zo'n liedje is zanger Biff Byford, wiens stem zich eigenlijk niet hiervoor leent, als compositie is het echter een prima liedje. Op For Whom the Bell Tolls mag nieuwe drummer Nigel Durham eindelijk laten horen dat ook hij overweg kon met dubbele bassdrum en de solo knalt lekker; een nummer passend in de stijl van Saxon in '80-'81.
Dan dient zich zwakste nummer We are Strong aan, wat in mijn popstemming van dit moment een krappe voldoende krijgt door een zwakke toetsenpartij.
Het stevige Jericho Siren begint met huilende sirenes (hoera, sinds ik dit bij Motörhead hoorde vind ik dat zó fijn!) en is als liedje aardig met de beste gitaarsolo tot dan toe in de Saxonhistorie. Dit verraste me bij mijn herontdekking in 2014. Nog steviger is de uptempo afsluiter Red Alert, dat beter de plaat had kunnen openen.
Wat Saxon hier biedt, raakt meestal adult oriented rock. In een liveset van de groep zouden de rustiger nummers misstaan tussen alle (New wave of British) heavy metal, maar als album is het een ruime voldoende met de nodige degelijke composities. De opbouw is discutabel: waren de nummers in een andere volgorde gezet, dan had dat iets van alle kritiek destijds kunnen voorkomen: in '88 was ik na de opener al klaar, wat met een steviger nummer niet was gebeurd.
Het was het enige album met bassist Paul Johnson, die desondanks goed bij Saxon paste. Waarom hij al zo snel vertrok, heb ik niet kunnen vinden. Wel vond ik een interview met de band ten tijde van de tournee voor het vorige album Rock the Nations, waarin ook hij uitgebreid aan het woord komt.
Het was eveneens voor Nigel Durham meteen de laatste studioplaat voor Saxon. Later zou hij nog opduiken bij afsplitsingen Son of a Bitch en Oliver/Dawson Saxon.
De bonussen (in 2010 verschenen) laten horen dat de livecapaciteiten van de groep onverminderd goed waren, ook met de nieuwe ritmesectie. Hij sluit af met twee monitormixen van respectievelijk Ride Like the Wind en For Whom the Bells Toll, die rauwer klinken. Lekker!
Persoonlijk tintje: dit album leende ik indertijd in de zomer en nog altijd heb ik zonnige associaties met deze plaat. Misschien dat Destiny daarom op deze 14e juli, de Franse nationale feestdag, extra lekker binnenkomt. Vanmiddag Tour de France kijken en hem na afloop vast nog een keertje opzetten.
Daar kijk ik anno 2023 anders naar en ik ga mee met degenen die het, inmiddels 35 jaar na verschijnen, eigenlijk wel vinden meevallen.
De productie van Stephan Galfas, die ik kende van zijn werk voor Stryper, is in goede balans (geen badkamerdrums!) en zelfs aan de toetsenpartijen stoor ik me niet meer. Zolang ik dit maar opzet op een moment dat ik geen problemen heb met popinvloeden in hardrock...
Daar komt bij dat het qua soleren beter en beter wordt bij Saxon, vergelijk het maar eens met de solo's op de klassiekers van begin jaren '80: het is hier een stuk beter.
Ride Like the Wind is inderdaad een stuk beter dan het origineel, al is het een malle keuze om daarmee een Saxon te beginnen; het langzame Where the Lightning Strikes had later op de plaat gemoeten maar zou ook dan niet beklijven; I Can't Wait Anymore is prima hardrock met een uitstekende melodie en Calm before the Storm is lekker uptempo met kekke jaren '80-synths. Tja, ik ben in een popstemming na vanochtend Black Sabbath en Believer te hebben gedraaid...
Song for Emma opent kant B met opnieuw aor. Zwakste schakel in zo'n liedje is zanger Biff Byford, wiens stem zich eigenlijk niet hiervoor leent, als compositie is het echter een prima liedje. Op For Whom the Bell Tolls mag nieuwe drummer Nigel Durham eindelijk laten horen dat ook hij overweg kon met dubbele bassdrum en de solo knalt lekker; een nummer passend in de stijl van Saxon in '80-'81.
Dan dient zich zwakste nummer We are Strong aan, wat in mijn popstemming van dit moment een krappe voldoende krijgt door een zwakke toetsenpartij.
Het stevige Jericho Siren begint met huilende sirenes (hoera, sinds ik dit bij Motörhead hoorde vind ik dat zó fijn!) en is als liedje aardig met de beste gitaarsolo tot dan toe in de Saxonhistorie. Dit verraste me bij mijn herontdekking in 2014. Nog steviger is de uptempo afsluiter Red Alert, dat beter de plaat had kunnen openen.
Wat Saxon hier biedt, raakt meestal adult oriented rock. In een liveset van de groep zouden de rustiger nummers misstaan tussen alle (New wave of British) heavy metal, maar als album is het een ruime voldoende met de nodige degelijke composities. De opbouw is discutabel: waren de nummers in een andere volgorde gezet, dan had dat iets van alle kritiek destijds kunnen voorkomen: in '88 was ik na de opener al klaar, wat met een steviger nummer niet was gebeurd.
Het was het enige album met bassist Paul Johnson, die desondanks goed bij Saxon paste. Waarom hij al zo snel vertrok, heb ik niet kunnen vinden. Wel vond ik een interview met de band ten tijde van de tournee voor het vorige album Rock the Nations, waarin ook hij uitgebreid aan het woord komt.
Het was eveneens voor Nigel Durham meteen de laatste studioplaat voor Saxon. Later zou hij nog opduiken bij afsplitsingen Son of a Bitch en Oliver/Dawson Saxon.
De bonussen (in 2010 verschenen) laten horen dat de livecapaciteiten van de groep onverminderd goed waren, ook met de nieuwe ritmesectie. Hij sluit af met twee monitormixen van respectievelijk Ride Like the Wind en For Whom the Bells Toll, die rauwer klinken. Lekker!
Persoonlijk tintje: dit album leende ik indertijd in de zomer en nog altijd heb ik zonnige associaties met deze plaat. Misschien dat Destiny daarom op deze 14e juli, de Franse nationale feestdag, extra lekker binnenkomt. Vanmiddag Tour de France kijken en hem na afloop vast nog een keertje opzetten.
Saxon - Dogs of War (1995)

3,0
1
geplaatst: 18 augustus 2025, 19:19 uur
De jaren '90 waren bepaald niet makkelijk voor een groep als Saxon. In 1980 één van de koplopers van de New wave of British heavy metal, vanaf 1984 tevergeefs pogend de oversteek naar de VS te maken met een gepolijstere variant, om vanaf najaar '91 door grunge in één klap tot passé te worden verklaard. Daar dacht ik als metalfan anders over, al moest ik wél toegeven dat de laatste keer dat Saxon mij echt raakte in 1983 was met Power & the Glory.
Wat ik begin jaren '80 goed vond aan Saxon, was die eigenwijze combinatie van de rockriffs op z'n AC/DC's in combinatie met knallers op z'n Motörheads. Daarmee knutselden ze een eigen geluid.
Soms hoor ik dat terug op Dogs of War, te vaak echter ontbreekt het heilige vuur. Geslaagd zijn het uptempo titellied, het iets snellere Burning Wheels, de bluesrock van Big Twin Rolling klinkt als een opgefokt ZZ Top en er is het deels slepende The Great White Buffalo.
Demolition Alley redt het dankzij het laatste deel met z'n shuffle en gitaarsolo's. Hold On is wat radiovriendelijker en niet onaardig, het afwijkende Walking through Tokyo heeft een leuke riff in de sfeer van Scorpions inclusief lekker getokkel, maar duurt te lang. De rest van de muziek is als op automatische piloot.
Het was de laatste met gitarist Graham Oliver. In de docu Heavy Metal Thunder (hier de trailer) wordt uit de doeken gedaan dat hij in ongenade viel, door buiten medeweten van de groep liveopnamen uit 1980 proberen uit te brengen. Kennelijk zaten er scheurtjes in de onderlinge chemie; veroorzaakten die de wisselvalligheid? Twee jaar later verscheen Unleash the Beast.
Wat ik begin jaren '80 goed vond aan Saxon, was die eigenwijze combinatie van de rockriffs op z'n AC/DC's in combinatie met knallers op z'n Motörheads. Daarmee knutselden ze een eigen geluid.
Soms hoor ik dat terug op Dogs of War, te vaak echter ontbreekt het heilige vuur. Geslaagd zijn het uptempo titellied, het iets snellere Burning Wheels, de bluesrock van Big Twin Rolling klinkt als een opgefokt ZZ Top en er is het deels slepende The Great White Buffalo.
Demolition Alley redt het dankzij het laatste deel met z'n shuffle en gitaarsolo's. Hold On is wat radiovriendelijker en niet onaardig, het afwijkende Walking through Tokyo heeft een leuke riff in de sfeer van Scorpions inclusief lekker getokkel, maar duurt te lang. De rest van de muziek is als op automatische piloot.
Het was de laatste met gitarist Graham Oliver. In de docu Heavy Metal Thunder (hier de trailer) wordt uit de doeken gedaan dat hij in ongenade viel, door buiten medeweten van de groep liveopnamen uit 1980 proberen uit te brengen. Kennelijk zaten er scheurtjes in de onderlinge chemie; veroorzaakten die de wisselvalligheid? Twee jaar later verscheen Unleash the Beast.
Saxon - Forever Free (1992)

2,5
1
geplaatst: 18 augustus 2025, 17:57 uur
Over de tweede Saxon van de jaren '90 is hierboven het meeste wel gezegd. Kan ik kort klagen.
Matige eigen productie van zanger Biff en dito nummers inclusief de flauwe cover Just Wanna Make Love to You, al begon het met titelnummer Forever Free nog wel aardig. Bij dit album heb ik hetzelfde gevoel als bij Denim and Leather uit 1981, dat deze fan van NwoBhm wel erg mak vond in vergelijking met de twee voorgangers.
Iron Wheels is met z'n akoestische gitaar en persoonlijke verhaal bij eerste beluistering aardig, maar gaat bij vaker draaien spoedig vervelen. De tweede helft opent wederom aardig met One Step Away ; het snelle Nighthunter lijdt onder de demokwaliteit, net als afsluiter Cloud Nine.
Was het tijdnood, beperkt budget, zelfoverschatting en/of mismanagement dat zowel inspiratie als productie zo tegenvielen? Drie jaar later volgde Dogs of War.
Matige eigen productie van zanger Biff en dito nummers inclusief de flauwe cover Just Wanna Make Love to You, al begon het met titelnummer Forever Free nog wel aardig. Bij dit album heb ik hetzelfde gevoel als bij Denim and Leather uit 1981, dat deze fan van NwoBhm wel erg mak vond in vergelijking met de twee voorgangers.
Iron Wheels is met z'n akoestische gitaar en persoonlijke verhaal bij eerste beluistering aardig, maar gaat bij vaker draaien spoedig vervelen. De tweede helft opent wederom aardig met One Step Away ; het snelle Nighthunter lijdt onder de demokwaliteit, net als afsluiter Cloud Nine.
Was het tijdnood, beperkt budget, zelfoverschatting en/of mismanagement dat zowel inspiratie als productie zo tegenvielen? Drie jaar later volgde Dogs of War.
Saxon - Hell, Fire and Damnation (2024)

3,5
3
geplaatst: 1 februari 2024, 19:10 uur
Op oudjaarsochtend postte vielip een interessante analyse van de muziek van Saxon. Daarover dadelijk meer.
Op alweer het vierde studioalbum van Saxon in de jaren '20 (inclusief twee coverplaten, maar toch) debuteert gitarist Brian Tatler, nadat Paul Quinn in maart '23 met pensioen ging. Dit omdat het touren te zwaar werd, zeker met de groeiende vraag naar concerten van de groep. Daarmee is zanger Biff Byford op het podium het enige originele bandlid. Op de hoesfoto zien we Tatler, officieel tijdelijk vervanger.
Op Hell, Fire and Damnation speelt Quinn gitaar op Fire and Steel en Super Charger, op de overige horen we Tatler. Apart is de aftrap met de diepe stem van de buitenissige acteur Brian Blessed over de strijd tussen goed en kwaad, armageddon en "the nazarene".
Zanger Biff Byford vond in zijn notieblokje allerlei thema's voor de teksten, die meestal een historische achtergrond hebben. Van de Battle of Hastings in 1066 tot radiopiraten in Pirates of the Airwaves.
Maakt de gitaristenwisseling iets uit voor het geluid van Saxon? He-le-maal niks. Het is uitermate degelijk en consistent van niveau, maar voor deze oude fan een herhaling van zetten.
Naar aanleiding van vielips bijdrage heb ik Power & the Glory uit 1983 beluisterd. Dit omdat ik me tijdens het horen van There's Something in Roswell realiseerde dat toentertijd het thema buitenaards leven voor het eerst werd aangesneden in Watching the Sky.
Dat was ook de eerste keer dat Nigel Glockler op een studioalbum van Saxon speelde en bovendien viel me op dat hier voor het eerst een tekst over een nazarene klink, namelijk in Midas Touch. Byford is themavast.
Welke verschillen vallen mij op tussen Saxon-toen en Saxon-nu? Nogal wiedes: zijn stem is hier hoorbaar jonger.
Maar het grote verschil zit 'm in hetgeen vielip noteerde. Klinkt nu massieve metal, rechttoe en rechtaan, in 1983 werd er meer gevarieerd. Dat in dynamiek (harde en zachte delen, zoals in Nightmare en Midas Touch), rockinvloeden via de snelle shuffles in Redline en Nightmare en tempowisselingen door middel van afwijkende riffs in hetzelfde nummer, zoals in het slot van Watching the Sky en The Eagle has Landed.
Daarna keerde ik terug naar Hell, Fire and Damnation. Natuurlijk is de productie veel massiever dan toen, maar het grootste verschil is toch dat binnen een nummer minder wordt gespeeld met tempo-, riff- en sfeerwisselingen. De conclusie van vielip en zijn maten herken ik dus helemaal: de invloed van powermetal is zonneklaar, al waakt de groep ervoor te vervallen in die nogal rechtlijnige manier van liedschrijven.
Voor mij een degelijke maar ook wat saaie 7 voor Saxons nieuwe plaat, met als favorieten het snelle titelnummer, het stampende There's Something in Roswell en 1066 met daarin gelukkig wél een ander middendeel, zij het kort.
Van Hell, Fire and Damnation verscheen ook een speciale uitgave met als bonus een twintig nummers tellend concert uit 2013.
Wie Paul Quinn live aan het werk wil zien, moet zijn hobbybandje The Cards in de gaten houden, die dit voorjaar in enkele kleine Nederlandse zalen speelt om hun tweede album te promoten. Met op drums Koen Herfst van Vandenberg.
Op alweer het vierde studioalbum van Saxon in de jaren '20 (inclusief twee coverplaten, maar toch) debuteert gitarist Brian Tatler, nadat Paul Quinn in maart '23 met pensioen ging. Dit omdat het touren te zwaar werd, zeker met de groeiende vraag naar concerten van de groep. Daarmee is zanger Biff Byford op het podium het enige originele bandlid. Op de hoesfoto zien we Tatler, officieel tijdelijk vervanger.
Op Hell, Fire and Damnation speelt Quinn gitaar op Fire and Steel en Super Charger, op de overige horen we Tatler. Apart is de aftrap met de diepe stem van de buitenissige acteur Brian Blessed over de strijd tussen goed en kwaad, armageddon en "the nazarene".
Zanger Biff Byford vond in zijn notieblokje allerlei thema's voor de teksten, die meestal een historische achtergrond hebben. Van de Battle of Hastings in 1066 tot radiopiraten in Pirates of the Airwaves.
Maakt de gitaristenwisseling iets uit voor het geluid van Saxon? He-le-maal niks. Het is uitermate degelijk en consistent van niveau, maar voor deze oude fan een herhaling van zetten.
Naar aanleiding van vielips bijdrage heb ik Power & the Glory uit 1983 beluisterd. Dit omdat ik me tijdens het horen van There's Something in Roswell realiseerde dat toentertijd het thema buitenaards leven voor het eerst werd aangesneden in Watching the Sky.
Dat was ook de eerste keer dat Nigel Glockler op een studioalbum van Saxon speelde en bovendien viel me op dat hier voor het eerst een tekst over een nazarene klink, namelijk in Midas Touch. Byford is themavast.
Welke verschillen vallen mij op tussen Saxon-toen en Saxon-nu? Nogal wiedes: zijn stem is hier hoorbaar jonger.
Maar het grote verschil zit 'm in hetgeen vielip noteerde. Klinkt nu massieve metal, rechttoe en rechtaan, in 1983 werd er meer gevarieerd. Dat in dynamiek (harde en zachte delen, zoals in Nightmare en Midas Touch), rockinvloeden via de snelle shuffles in Redline en Nightmare en tempowisselingen door middel van afwijkende riffs in hetzelfde nummer, zoals in het slot van Watching the Sky en The Eagle has Landed.
Daarna keerde ik terug naar Hell, Fire and Damnation. Natuurlijk is de productie veel massiever dan toen, maar het grootste verschil is toch dat binnen een nummer minder wordt gespeeld met tempo-, riff- en sfeerwisselingen. De conclusie van vielip en zijn maten herken ik dus helemaal: de invloed van powermetal is zonneklaar, al waakt de groep ervoor te vervallen in die nogal rechtlijnige manier van liedschrijven.
Voor mij een degelijke maar ook wat saaie 7 voor Saxons nieuwe plaat, met als favorieten het snelle titelnummer, het stampende There's Something in Roswell en 1066 met daarin gelukkig wél een ander middendeel, zij het kort.
Van Hell, Fire and Damnation verscheen ook een speciale uitgave met als bonus een twintig nummers tellend concert uit 2013.
Wie Paul Quinn live aan het werk wil zien, moet zijn hobbybandje The Cards in de gaten houden, die dit voorjaar in enkele kleine Nederlandse zalen speelt om hun tweede album te promoten. Met op drums Koen Herfst van Vandenberg.
Saxon - Innocence Is No Excuse (1985)

3,0
0
geplaatst: 13 juni 2023, 18:10 uur
In 1985 was ik afgehaakt bij Saxon. Er kwamen nieuwere bands die wél met de nodige agressie speelden, een ingrediënt dat ik bij mijn voorheen favoriete metalbandje node miste. Pas in 2014 ontdekte ik hun nummer Killing Ground (2001) en volgde groeiende herwaardering van mijn kant. Van dit Innocence Is No Excuse kwamen Back on the Streets en Broken Heroes op een afspeellijst met hoogtepunten uit Saxons discografie, gebaseerd op de tips die ik op MuMe las. Gedurende een volledige, negen uur durende rit van Zuid-Duitsland naar huis knalde hun muziek in mijn auto.
Hierboven kom ik tegengestelde meningen tegen, waarbij vielip onvermoeibaar en enthousiast voor dit album pleit. Meestal ben ik het met hem eens, kan ik opnieuw mee?
Na twee albums in de Verenigde Staten te hebben opgenomen, werd Innocence Is No Excuse in München voor Parlophone, een sublabel van EMI, op tape gezet. Aldus Malcolm Dole in het boekje bij de cd-uitgave uit 2010, die de nodige bonussen bevat.
Hij laat zanger Biff Byford vertellen dat deze veel muziek met bassist Steve Dawson schreef. De twee konden (zo weet ik uit de docu ‘Heavy Metal Thunder’) niet alleen botsen, maar kennelijk nog altijd samenwerken, nota bene tot Dawsons laatste Saxon toe. Volgens de zanger is dit de reden dat het gitaarwerk soms wat minder fel is dan voorheen: had Graham Oliver zich meer met het liedschrijven bemoeit, dan was de muziek waarschijnlijk wat heftiger geweest, vertelt hij aan Dome.
De band wilde eigenlijk Robert ‘Mutt’ Lange als producer en kwam vrij dichtbij, maar uiteindelijk werd het een medewerker van hem, Simon Hanhart. Deze liet de productie hecht klinken, beter dan Kevin Beamish op voorganger Crusader.
Het songmateriaal is net als op die voorganger wederom tammer dan in de jaren 1980 - 1983, zeker op de eerste plaatkant. Waar ik Saxon in 1980 ontdekte als een verbazingwekkend effectieve combinatie van de hoekige riffs van AC/DC en de intensiteit van Motörhead, keert de groep hier enigszins terug naar de hardrock van hun debuut (1979), de stijl van Crusader (1984) herhalend.
Anders dan vielip ben ik op de A-zijde zelden onder de indruk van de composities, al klinken hier en daar aardige fragmenten. Toch kan ik alleen Call of the Wild als ‘sterk’ aanwijzen; Back on the Streets is me negen jaar later gaan vervelen. De kwaliteit van de overige composities in de eerste helft ontgaat me.
Anders is het op de B-zijde. Hier wordt de muziek steeds intenser, beginnend met de sterke semi-ballade Broken Heroes met zijn anti-oorlogstekst en eindigend met snelle dubbele basdrums in Give it Everything You Got met bovendien een lekkere gitaarsolo.
Tekstueel gaat het me te vaak over ‘we gaan rocken, gooi je armen in de lucht, brekken en angaon’ en de lyrieken van het tweetal liedjes over dames zijn ook niet echt geïnspireerd. Dan hoor ik veel liever hetgeen Byford in latere jaren ging neerpennen.
Met de bonussen van de 2010-heruitgave, ook op streaming te vinden, horen we B-kantjes van singles inclusief livemateriaal, gevolgd door voorheen onuitgebracht livewerk. Mijn waardering stijgt verder. De 12"-versie van Back on the Streets is niet onaardig, Live Fast Die Young is uptempo en stevig, waarna Krakatoa klinkt alsof het over was van Power & the Glory en dat is een compliment: lekker!
Bij The Medley krab ik eens over mijn knar: na een fijne, huilende gitaarsolo volgen klassiekers Heavy Metal Thunder, Stand Up and Be Counted, Taking Your Chances, Warrior en terug naar Heavy Metal Thunder; maar… veel langzamer dan oorspronkelijk. Het resulteert in een snel shuffleritme. Verdwenen is de meedogenloze Motörheadaanse intensiteit. Dan mis ik toch echt vuur en energie. Hierna komen liveversies van nummers van dit Innocense voorbij, vooral de composities die me niet pakken.
Een album dat beter is dan ik in 1985 aannam, waarbij de eerste bonussen mijn reserves grotendeels wegnemen. Mijn voorkeur ligt bij de B-kant, met steeds fellere nummers bovendien effectief opgebouwd. Als hardrockband (de A-kant) ontbeert Saxon veelal de pakkende riffs en melodielijnen om de spanning vast te houden: de meeste nummers daar ben ik al na drie minuten zat…
Ik noteer drie sterren voor het oorspronkelijke album, denk er een halfje bij met de bonussen.
Hierboven kom ik tegengestelde meningen tegen, waarbij vielip onvermoeibaar en enthousiast voor dit album pleit. Meestal ben ik het met hem eens, kan ik opnieuw mee?
Na twee albums in de Verenigde Staten te hebben opgenomen, werd Innocence Is No Excuse in München voor Parlophone, een sublabel van EMI, op tape gezet. Aldus Malcolm Dole in het boekje bij de cd-uitgave uit 2010, die de nodige bonussen bevat.
Hij laat zanger Biff Byford vertellen dat deze veel muziek met bassist Steve Dawson schreef. De twee konden (zo weet ik uit de docu ‘Heavy Metal Thunder’) niet alleen botsen, maar kennelijk nog altijd samenwerken, nota bene tot Dawsons laatste Saxon toe. Volgens de zanger is dit de reden dat het gitaarwerk soms wat minder fel is dan voorheen: had Graham Oliver zich meer met het liedschrijven bemoeit, dan was de muziek waarschijnlijk wat heftiger geweest, vertelt hij aan Dome.
De band wilde eigenlijk Robert ‘Mutt’ Lange als producer en kwam vrij dichtbij, maar uiteindelijk werd het een medewerker van hem, Simon Hanhart. Deze liet de productie hecht klinken, beter dan Kevin Beamish op voorganger Crusader.
Het songmateriaal is net als op die voorganger wederom tammer dan in de jaren 1980 - 1983, zeker op de eerste plaatkant. Waar ik Saxon in 1980 ontdekte als een verbazingwekkend effectieve combinatie van de hoekige riffs van AC/DC en de intensiteit van Motörhead, keert de groep hier enigszins terug naar de hardrock van hun debuut (1979), de stijl van Crusader (1984) herhalend.
Anders dan vielip ben ik op de A-zijde zelden onder de indruk van de composities, al klinken hier en daar aardige fragmenten. Toch kan ik alleen Call of the Wild als ‘sterk’ aanwijzen; Back on the Streets is me negen jaar later gaan vervelen. De kwaliteit van de overige composities in de eerste helft ontgaat me.
Anders is het op de B-zijde. Hier wordt de muziek steeds intenser, beginnend met de sterke semi-ballade Broken Heroes met zijn anti-oorlogstekst en eindigend met snelle dubbele basdrums in Give it Everything You Got met bovendien een lekkere gitaarsolo.
Tekstueel gaat het me te vaak over ‘we gaan rocken, gooi je armen in de lucht, brekken en angaon’ en de lyrieken van het tweetal liedjes over dames zijn ook niet echt geïnspireerd. Dan hoor ik veel liever hetgeen Byford in latere jaren ging neerpennen.
Met de bonussen van de 2010-heruitgave, ook op streaming te vinden, horen we B-kantjes van singles inclusief livemateriaal, gevolgd door voorheen onuitgebracht livewerk. Mijn waardering stijgt verder. De 12"-versie van Back on the Streets is niet onaardig, Live Fast Die Young is uptempo en stevig, waarna Krakatoa klinkt alsof het over was van Power & the Glory en dat is een compliment: lekker!
Bij The Medley krab ik eens over mijn knar: na een fijne, huilende gitaarsolo volgen klassiekers Heavy Metal Thunder, Stand Up and Be Counted, Taking Your Chances, Warrior en terug naar Heavy Metal Thunder; maar… veel langzamer dan oorspronkelijk. Het resulteert in een snel shuffleritme. Verdwenen is de meedogenloze Motörheadaanse intensiteit. Dan mis ik toch echt vuur en energie. Hierna komen liveversies van nummers van dit Innocense voorbij, vooral de composities die me niet pakken.
Een album dat beter is dan ik in 1985 aannam, waarbij de eerste bonussen mijn reserves grotendeels wegnemen. Mijn voorkeur ligt bij de B-kant, met steeds fellere nummers bovendien effectief opgebouwd. Als hardrockband (de A-kant) ontbeert Saxon veelal de pakkende riffs en melodielijnen om de spanning vast te houden: de meeste nummers daar ben ik al na drie minuten zat…
Ik noteer drie sterren voor het oorspronkelijke album, denk er een halfje bij met de bonussen.
Saxon - Inspirations (2021)

3,5
1
geplaatst: 11 december 2021, 20:02 uur
Als je jeugdhelden de lockdown gebruiken om hun inspiratiebronnen te coveren en ze doen dat verdienstelijk, dan hoor je mij niet zeuren. Gewoon een lekker pretplaatje, niet meer of minder.
Favorieten: Evil Woman, Problem Child, evenals de verrassingen van het schijfje Paperback Writer en Hold The Line; ben verrast dat ze dat laatste liedje tot hun favo's rekenen. De beste cover voor mij is Lizzy's The Rocker.
Favorieten: Evil Woman, Problem Child, evenals de verrassingen van het schijfje Paperback Writer en Hold The Line; ben verrast dat ze dat laatste liedje tot hun favo's rekenen. De beste cover voor mij is Lizzy's The Rocker.
Saxon - Into the Labyrinth (2009)

3,5
0
geplaatst: 21 augustus 2025, 09:16 uur
In 2008 had Saxon zichzelf met een indrukwekkend optreden op het Engelse Download Festival weer op de nationale kaart gezet, nadat tv-programma Get Your Act Together het land daarvoor in 2007 had opgewarmd. Alhoewel Into the Labyrinth geen klapper is, bleef de populariteit groeien.
Traditiegetrouw wordt sterk geopend met synths en vervolgens rollende metal, hier middels het midtempo Battalions of Steel. In het radiovriendelijke Live to Rock klinkt voor het eerst in jaren een sequencer; minder spannend.
Het snelle Demon Sweeney Todd bezingt de fictieve moordenaar. Avontuurlijker is het akoestische The Letter dat met Valley of the Kings een verhaal uit de Egyptische oudheid vertelt.
Daarna volgt werk in de categorie 'de vonk ontbreekt', maar met de laatste drie nummers leeft de boel weer op: beuker Hellcat schopt kont, het refrein van Come Rock of Ages (The Circle Is Complete) mag er zijn en de akoestische blues van Coming Home (oorspronkelijk elektrisch op album Killing Ground) is ronduit verrassend.
Into the Labyrinth was de laatste van Saxon voor SPV/Steamhamme en ook het afscheid van producer Charlie Bauerfeind. Door dat laatste werd de Duitse connectie minder en wellicht was dat nodig. Is dat te merken op opvolger Call to Arms?
Traditiegetrouw wordt sterk geopend met synths en vervolgens rollende metal, hier middels het midtempo Battalions of Steel. In het radiovriendelijke Live to Rock klinkt voor het eerst in jaren een sequencer; minder spannend.
Het snelle Demon Sweeney Todd bezingt de fictieve moordenaar. Avontuurlijker is het akoestische The Letter dat met Valley of the Kings een verhaal uit de Egyptische oudheid vertelt.
Daarna volgt werk in de categorie 'de vonk ontbreekt', maar met de laatste drie nummers leeft de boel weer op: beuker Hellcat schopt kont, het refrein van Come Rock of Ages (The Circle Is Complete) mag er zijn en de akoestische blues van Coming Home (oorspronkelijk elektrisch op album Killing Ground) is ronduit verrassend.
Into the Labyrinth was de laatste van Saxon voor SPV/Steamhamme en ook het afscheid van producer Charlie Bauerfeind. Door dat laatste werd de Duitse connectie minder en wellicht was dat nodig. Is dat te merken op opvolger Call to Arms?
Saxon - Killing Ground (2001)

4,0
1
geplaatst: 19 augustus 2025, 08:38 uur
Saxon in de jaren tweeduizend-nul. Qua populariteit had de groep het aanvankelijk nog zwaar, wat dankzij een reeks kwalitatieve albums, media-aandacht, trouwe fans en Duitse professionals stapsgewijs zou worden omgebogen.
Derde kwaliteitsalbum op rij is Killing Ground. Het titelnummer ontdekte ik via YouTube in liveversie en ik werd omvergeblazen. Een thrashachtige riff, een sterke melodie en dat op hoog tempo? En die krijs van zanger Biff aan het einde, wist niet dat hij dat in zich had... Ja, ze konden het nog: beuken! Met die ontdekking was ik veelzeggend laat: de beelden stammen uit 2001, maar belandden pas zomer 2008 op JijBuis.
Het album start overrompelend goed met weer zo'n instrumentaal intro, dan het spectaculaire titellied gevolgd door een prachtige cover van Court of the Crimson King. Robert Fripp van King Crimson zal tevreden hebben geglimlacht om de invulling van gitaristen Paul Quinn en Doug Scarrett.
Op de volgende twee nummers kakt het in, met Dragons Lair word ik wakker geschud. Wat volgt is degelijk tot lekker. Spectaculair noch ondermaats en zeker geschikt voor optredens. Meer historie op opvolger Lionheart.
Derde kwaliteitsalbum op rij is Killing Ground. Het titelnummer ontdekte ik via YouTube in liveversie en ik werd omvergeblazen. Een thrashachtige riff, een sterke melodie en dat op hoog tempo? En die krijs van zanger Biff aan het einde, wist niet dat hij dat in zich had... Ja, ze konden het nog: beuken! Met die ontdekking was ik veelzeggend laat: de beelden stammen uit 2001, maar belandden pas zomer 2008 op JijBuis.
Het album start overrompelend goed met weer zo'n instrumentaal intro, dan het spectaculaire titellied gevolgd door een prachtige cover van Court of the Crimson King. Robert Fripp van King Crimson zal tevreden hebben geglimlacht om de invulling van gitaristen Paul Quinn en Doug Scarrett.
Op de volgende twee nummers kakt het in, met Dragons Lair word ik wakker geschud. Wat volgt is degelijk tot lekker. Spectaculair noch ondermaats en zeker geschikt voor optredens. Meer historie op opvolger Lionheart.
Saxon - Lionheart (2004)

4,0
1
geplaatst: 20 augustus 2025, 11:04 uur
Met Jörg Michael zat er een nieuwe Duitser op de Britse drumkruk van Saxon. Wie beseft dat er in Duitsland maar liefst drie deelstaten zijn met 'Sachsen' in de naam, zal weten dat de verwantschap tussen dat land en Engeland groot is. Zelfs Saxons boekingskantoor is dan Duits: Thomas Kreidner in Dörpstedt. Het album werd opgenomen in het Engelse Boston met wederom der producer Herr Charlie Bauerfeind.
Op de hoes zien we Biff in korte broek en bassist Nibbs Carter op blote voeten. Dagje strand beleefd? Ziet er ontspannen uit.
Rond 2015 maakte ik op cd een mp3-afspeellijst met de hoogtepunten uit Saxons werk. Voor op vakantie naar en van het Zwarte Woud. Daarop véél werk van dit Lionheart, waarvoor zanger Biff voor zijn teksten rijkelijk putte uit de Engelse historie.
Bijna hardcorepunk is de hoofdriff van opener Witchfinder General, het synthintro van The Return vormt een fraaie overgang naar Lionheart, in To Live by the Sword hoor je thrashinvloeden, Jack Tars is een prachtig miniatuur in renaissancestijl dat goed werkt als opmaat naar English Man 'o' war.
Met dit Lionheart valt pas goed op hoe goed het vertrek van gitarist Graham Oliver in 1995 heeft gewerkt. Daarmee verdwenen grotendeels de stijl in de voetsporen van Jimi Hendrix en teksten in feestmodus. Steeds sterker werden de fellere, modernere aanpak van Doug Scarratt en de historisch geïnspireerde lyrieken van Biff Byford.
Thrash- en shredinvloeden passen goed bij dit Saxon. Veel energie, zoals het Saxon van 1980 die ook had: vooral op album Wheels of Steel klinkt de energie van punk door, al was het natuurlijk hártstikke metal.
Volgende album werd The Inner Sanctum en wat er toen achter de schermen bij Saxon gebeurde, is heel interessant.
Op de hoes zien we Biff in korte broek en bassist Nibbs Carter op blote voeten. Dagje strand beleefd? Ziet er ontspannen uit.
Rond 2015 maakte ik op cd een mp3-afspeellijst met de hoogtepunten uit Saxons werk. Voor op vakantie naar en van het Zwarte Woud. Daarop véél werk van dit Lionheart, waarvoor zanger Biff voor zijn teksten rijkelijk putte uit de Engelse historie.
Bijna hardcorepunk is de hoofdriff van opener Witchfinder General, het synthintro van The Return vormt een fraaie overgang naar Lionheart, in To Live by the Sword hoor je thrashinvloeden, Jack Tars is een prachtig miniatuur in renaissancestijl dat goed werkt als opmaat naar English Man 'o' war.
Met dit Lionheart valt pas goed op hoe goed het vertrek van gitarist Graham Oliver in 1995 heeft gewerkt. Daarmee verdwenen grotendeels de stijl in de voetsporen van Jimi Hendrix en teksten in feestmodus. Steeds sterker werden de fellere, modernere aanpak van Doug Scarratt en de historisch geïnspireerde lyrieken van Biff Byford.
Thrash- en shredinvloeden passen goed bij dit Saxon. Veel energie, zoals het Saxon van 1980 die ook had: vooral op album Wheels of Steel klinkt de energie van punk door, al was het natuurlijk hártstikke metal.
Volgende album werd The Inner Sanctum en wat er toen achter de schermen bij Saxon gebeurde, is heel interessant.
Saxon - Metalhead (1999)

3,5
2
geplaatst: 19 augustus 2025, 07:39 uur
De eerste van Saxon bij label SPV/Steamhammer, de laatste van de jaren '90. Anders dan bij de overige albums van dat decennium verschillen wij (MuMe-)fans wat meer van mening over de kwaliteit.
Gedwongen door een nekblessure was drummer Nigel Glockler vervangen door Duitser Fritz Randow. Diens nationaliteit lijkt verrassend, maar met label, studio, producers en fanbasis had Saxon in Duitsland al jarenlang een solide tweede fundament.
Producer Charly Bauerfeind (boervijand?) brengt een geluid dat iets directer is dan op voorganger Unleash the Beast. Echter even massief, qua tempo's logger en qua melodieën en riffs vaker monotoon: titel Metalhead doet zijn naam eer aan.
Met zanger Biffs (en mijn) voorliefde voor historie is Conquistador het hoogtepunt, ook al omdat melodie en snelheid zo goed bevallen en omdat er zo'n prachtige contrast met de akoestische gitaar in zit, dankzij gitarist Doug Scarratt.
Song of Evil is Biffs felle aanklacht tegen het geweld in de wereld, de midtempo afsluiter Sea of Life is met zijn dikke 8 minuten durende groove, gitaarsolo en subtiele toetsen mijn tweede favo.
Als geheel is het album me iets te monotoon, met Piss off als gaapmoment. 3,5 of 4 sterren? En dan op naar waar ik Saxon herontdekte: Killing Ground.
Gedwongen door een nekblessure was drummer Nigel Glockler vervangen door Duitser Fritz Randow. Diens nationaliteit lijkt verrassend, maar met label, studio, producers en fanbasis had Saxon in Duitsland al jarenlang een solide tweede fundament.
Producer Charly Bauerfeind (boervijand?) brengt een geluid dat iets directer is dan op voorganger Unleash the Beast. Echter even massief, qua tempo's logger en qua melodieën en riffs vaker monotoon: titel Metalhead doet zijn naam eer aan.
Met zanger Biffs (en mijn) voorliefde voor historie is Conquistador het hoogtepunt, ook al omdat melodie en snelheid zo goed bevallen en omdat er zo'n prachtige contrast met de akoestische gitaar in zit, dankzij gitarist Doug Scarratt.
Song of Evil is Biffs felle aanklacht tegen het geweld in de wereld, de midtempo afsluiter Sea of Life is met zijn dikke 8 minuten durende groove, gitaarsolo en subtiele toetsen mijn tweede favo.
Als geheel is het album me iets te monotoon, met Piss off als gaapmoment. 3,5 of 4 sterren? En dan op naar waar ik Saxon herontdekte: Killing Ground.
Saxon - More Inspirations (2023)

3,5
0
geplaatst: 1 april 2023, 23:44 uur
Jeu, een tweede coveralbum van Saxon en dat al twee jaar na de vorige coverplaat Inspirations en slechts één jaar na regulier album Carpe Diem! Toch wel verrassend, want More Inspirations is niet tijdens een lockdown ontstaan. Kennelijk hebben de vijf er eenvoudigweg veel plezier in en dat hoor je terug.
De heren zijn wat ouder dan hun meeste fans, wat blijkt in de keuze voor de muziek die is gecoverd, vaak afkomstig uit de eerste helft van de jaren ’70 of zelfs het decennium ervoor. Enerzijds horen we bekende nummers als Rainbows Man on the Silver Mountain (1975), Kiss’ Detroit Rock City (1976) en Uriah Heeps Gypsy (1970), maar ook onbekend(er) werk als Chevrolet (1972) van ZZ Top,The Faith Healer (1973) van The Sensational Alex Harvey Band, Tales of Brave Ulysses van Cream (1967, mij vooral bekend in de versie van doommetalband Trouble) en We’ve Gotta Get Out of this Place (1965) van The Animals. Dit alles en meer is consequent in een metaljasje gestoken, laat dat maar aan Saxon over.
More Inspirations is er dus verrassend snel, qua inhoud is het surprise-effect minder. Vrolijkmakend is het wél. Grootste verrassing is misschien de hese stem van Biff in de eerste klanken van de opener: die hoorde ik zo niet eerder. Op de website van de groep kun je het album bestellen in een pakket met sokken en thermomok
.
De heren zijn wat ouder dan hun meeste fans, wat blijkt in de keuze voor de muziek die is gecoverd, vaak afkomstig uit de eerste helft van de jaren ’70 of zelfs het decennium ervoor. Enerzijds horen we bekende nummers als Rainbows Man on the Silver Mountain (1975), Kiss’ Detroit Rock City (1976) en Uriah Heeps Gypsy (1970), maar ook onbekend(er) werk als Chevrolet (1972) van ZZ Top,The Faith Healer (1973) van The Sensational Alex Harvey Band, Tales of Brave Ulysses van Cream (1967, mij vooral bekend in de versie van doommetalband Trouble) en We’ve Gotta Get Out of this Place (1965) van The Animals. Dit alles en meer is consequent in een metaljasje gestoken, laat dat maar aan Saxon over.
More Inspirations is er dus verrassend snel, qua inhoud is het surprise-effect minder. Vrolijkmakend is het wél. Grootste verrassing is misschien de hese stem van Biff in de eerste klanken van de opener: die hoorde ik zo niet eerder. Op de website van de groep kun je het album bestellen in een pakket met sokken en thermomok
.Saxon - Power & the Glory (1983)

4,5
3
geplaatst: 8 januari 2023, 22:26 uur
Eén van de sterke metalalbums die in mijn examenjaar verschenen. Deze in maart, dus kort voor de twee weken in de gymzaal, waar ik zittend aan een tafeltje de finale van de middelbare school speelde. De titelsong hoorde ik op de radio (Friday Rock Show), in Oor was recensent Hans van den Heuvel uiterst positief (even scrollen) en de bieb had ‘m niet lang na de examens in de bakken staan. Zomervakantie en een nieuwe Saxon, het leven was mooi!
Het vorige studioalbum Denim and Leather vond ik slapjes in vergelijking met de twee voorgangers, maar qua zwaarte revancheerde Saxon zich met liveplaat The Eagle has Landed. De titelsong daarvan volgde echter pas op dit Power & The Glory. Voor de productie hoefde ik niet te vrezen, die was lekker heavy en toch anders dan bij andere bands; voor die tijd een heel modern geluid.
Met het snelle titelnummer is de start ijzersterk, mede dankzij de heerlijke melodie. Indrukwekkend hoe zanger Biff zich inleeft in een soldaat die zichzelf moed inpraat voordat hij de strijd ingaat. Zijn teksten gaan vaak over boeiende geschiedenis. Redline vind ik nog altijd de minste van het album vanwege de riff, waarna het er bij basdrumpomper Warrior op leek dat de gitaarsolo’s bij Saxon wat vingervlugger begonnen te worden. Nightmare is wat langzamer maar alweer met een sterke melodie, opbouw en groove, plus soms een gitaargeluid dat als new wave klinkt. Fris en fruitig.
De B-zijde start met het furieuze drumintro van This Town Rocks, dat met z’n tempowisselingen zo op Wheels of Steel van drie jaar eerder had kunnen staan. De volgende sterke melodie klinkt in Watching the Sky, waarin Biff zijn fascinatie voor UFO’s en buitenaards leven bezingt, zoals hij in die dagen in Oor uitlegde. Met in het slot een hele lekkere vertraging, zo fijn! In Midas Touch wordt heen en weer geschakeld tussen uptempo (refreinen) en langzamer (de coupletten) met bij dat laatste heerlijk gitaargetokkel.
De plaat sluit af met het vrij lange en langzame The Eagle has Landed, met naar ik meende in de eerste klanken hetzelfde geluid als bij de Veronicajingle “En dit is de nieuwe Alarmschijf”. Niet helemaal hetzelfde hoor ik hier, maar de associatie heb ik nog altijd bij dit verhaal over de maanlanding van 1969. Fraai opgebouwd als het is, dwong het mij om goed te luisteren naar de tekst.
De bonussen die in 2009 op cd verschenen en ook op streaming zijn te vinden, bevatten vooral de demo’s die in aanloop naar het album werden gemaakt, inclusief de afvallers. Nergens zo goed als de nummers van het officiële album, maar toch moet iedere fan van Saxon minimaal eens Turn up the Lights, Stand up and Rock en Saturday Night hebben gehoord. Ze klinken alsof ze van het debuut komen: puur en hongerig.
Wat te denken van de demo van een vernieuwd Suzie Hold On, oorspronkelijk op Wheels of Steel? Ik mis hier de hogere zanglijnen plus het wolkje echo rond Biffs stem: hij zingt daarbij nonchalant. Duidelijk niet bedoeld om uit te brengen, gezien de aanwijzingen die hij aan het einde geeft. Met plotseling een happy end in het verhaal over een zieke vriendin. Leuk om te horen, al is het maar om het oorspronkelijke drumwerk van Pete Gill te vergelijken met wat Nigel Glockler hier doet.
Sterke plaat, die ik associeer met een heerlijke zomer vol sterke nieuwe muziek, toen Dio’s Holy Diver en Thin Lizzy’s Thunder and Lightning mijn zolderkamer domineerden met Power & the Glory als goede derde. Volgens Wikipedia werden er anderhalf miljoen van verkocht. Voor Saxon een dikke 9 oftewel 4,5 ster; die andere twee geef ik ook 4,5 ster maar schat ik net wat hoger in.
Het vorige studioalbum Denim and Leather vond ik slapjes in vergelijking met de twee voorgangers, maar qua zwaarte revancheerde Saxon zich met liveplaat The Eagle has Landed. De titelsong daarvan volgde echter pas op dit Power & The Glory. Voor de productie hoefde ik niet te vrezen, die was lekker heavy en toch anders dan bij andere bands; voor die tijd een heel modern geluid.
Met het snelle titelnummer is de start ijzersterk, mede dankzij de heerlijke melodie. Indrukwekkend hoe zanger Biff zich inleeft in een soldaat die zichzelf moed inpraat voordat hij de strijd ingaat. Zijn teksten gaan vaak over boeiende geschiedenis. Redline vind ik nog altijd de minste van het album vanwege de riff, waarna het er bij basdrumpomper Warrior op leek dat de gitaarsolo’s bij Saxon wat vingervlugger begonnen te worden. Nightmare is wat langzamer maar alweer met een sterke melodie, opbouw en groove, plus soms een gitaargeluid dat als new wave klinkt. Fris en fruitig.
De B-zijde start met het furieuze drumintro van This Town Rocks, dat met z’n tempowisselingen zo op Wheels of Steel van drie jaar eerder had kunnen staan. De volgende sterke melodie klinkt in Watching the Sky, waarin Biff zijn fascinatie voor UFO’s en buitenaards leven bezingt, zoals hij in die dagen in Oor uitlegde. Met in het slot een hele lekkere vertraging, zo fijn! In Midas Touch wordt heen en weer geschakeld tussen uptempo (refreinen) en langzamer (de coupletten) met bij dat laatste heerlijk gitaargetokkel.
De plaat sluit af met het vrij lange en langzame The Eagle has Landed, met naar ik meende in de eerste klanken hetzelfde geluid als bij de Veronicajingle “En dit is de nieuwe Alarmschijf”. Niet helemaal hetzelfde hoor ik hier, maar de associatie heb ik nog altijd bij dit verhaal over de maanlanding van 1969. Fraai opgebouwd als het is, dwong het mij om goed te luisteren naar de tekst.
De bonussen die in 2009 op cd verschenen en ook op streaming zijn te vinden, bevatten vooral de demo’s die in aanloop naar het album werden gemaakt, inclusief de afvallers. Nergens zo goed als de nummers van het officiële album, maar toch moet iedere fan van Saxon minimaal eens Turn up the Lights, Stand up and Rock en Saturday Night hebben gehoord. Ze klinken alsof ze van het debuut komen: puur en hongerig.
Wat te denken van de demo van een vernieuwd Suzie Hold On, oorspronkelijk op Wheels of Steel? Ik mis hier de hogere zanglijnen plus het wolkje echo rond Biffs stem: hij zingt daarbij nonchalant. Duidelijk niet bedoeld om uit te brengen, gezien de aanwijzingen die hij aan het einde geeft. Met plotseling een happy end in het verhaal over een zieke vriendin. Leuk om te horen, al is het maar om het oorspronkelijke drumwerk van Pete Gill te vergelijken met wat Nigel Glockler hier doet.
Sterke plaat, die ik associeer met een heerlijke zomer vol sterke nieuwe muziek, toen Dio’s Holy Diver en Thin Lizzy’s Thunder and Lightning mijn zolderkamer domineerden met Power & the Glory als goede derde. Volgens Wikipedia werden er anderhalf miljoen van verkocht. Voor Saxon een dikke 9 oftewel 4,5 ster; die andere twee geef ik ook 4,5 ster maar schat ik net wat hoger in.
Saxon - Rock the Nations (1986)

3,5
0
geplaatst: 12 juli 2023, 14:19 uur
Afgelopen zaterdag sloot Elton John zijn afscheidstournee af in Stockholm. Toen ik dat las, dwaalde mijn brein af naar deze Saxon, waarop de pianist een gastrol kreeg. Hoe is hij toch bij hen terecht gekomen?
Een al jaren durende wrijving tussen bassist Steve Dawson en zanger Biff Byford was uitgedraaid in het nadeel van de eerste. De zanger speelde de baspartijen van dit in "ons eigen" Hilversumse Wisseloord opgenomen Rock the Nations.
Hierop keert de groep terug naar het geluid van de New wave of British heavy metal, rechttoe rechtaan metal zonder flirts naar de Amerikaanse markt. De band werd ondertussen links en rechts ingehaald door zowel gladde hardrockgroepen als agressieve thrash-/speedmetalbands, waarbij opvallend genoeg in beide kampen Saxon als inspiratiebron werd genoemd. Tja, dan kun je het beste doen waar je goed in bent, zoals de groep hier doet.
De productie klinkt daarbij wat ronder, zoals op Denim and Leather (1981) het geval was. Alsof band en producer Gary Lyons hoopten op deze manier toch de Amerikaanse markt te kunnen interesseren. Omvergeblazen word ik niet, maar de groep blijft in ieder geval dicht bij zichzelf, wat resulteert in stap vooruit ten opzichte van voorganger Innocense Is No Excuse.
Het album kent geen opvullertjes, al vind ik You Ain't No Angel wel het minste. Met titelnummer Rock the Nations als midtempo opener en de gitaren in de allereerste geluiden wordt de hoes nog eens verduidelijkt, als een krachtig statement; blij verrast was ik met de dubbele basdrums van het knallende Battle Cry, single Waiting for the Night is een niet onaardige meezinger; het in- en uittro van We Came Here to Rock doen denken aan The Ides of March van Iron Maiden, verder klinkt een vrij standaard rockertje.
De B-kant opent slapjes met het nummer dat ik al noemde, Running Hot is weer vrij standaard met een lekker riff in de bruggen. Helemaal leuk dat Elton John meejamt op Party Til You Puke, een geinig tussendoortje; Empty Promises is een middelmatig nummer over een voorbije liefde; met Northern Lady sluit de plaat af, een powerballade die ik heel fraai vind. Sterker nog, Saxons beste in dit genre!
Bij de extra's, in 2010 verschenen, valt vooral het snelle en instrumentale Chase the Fade op, waar gitaristen Graham Oliver en Paul Quinn heerlijk soleren. Het benadrukt wat op de reguliere elpee ook al opviel: die twee werden steeds betere snarenracers. Bij de livetracks valt op dat Saxon op het podium onverwoestbaar was, wat zelfs in de huiskamer opvalt.
Na afloop trad bassist Paul Johnson toe tot de groep, een echte metalhead die desondanks niet lang is gebleven. Aardig van Saxon dat hij toch uitvoeringscredits voor dit album kreeg. Aan de liveopnamen is te horen hoe goed hij bij de band paste.
Vooral degelijke metal, niet onaardig maar ook niet spectaculair; twee echte uitschieters en één vuller. Muziek die uit het hart komt, waar ik bij enkele voorgangers wel eens mijn twijfels had. Ik geef 3,5 ster, daarmee het schoolcijfer 7,5 bedoelend.
Een al jaren durende wrijving tussen bassist Steve Dawson en zanger Biff Byford was uitgedraaid in het nadeel van de eerste. De zanger speelde de baspartijen van dit in "ons eigen" Hilversumse Wisseloord opgenomen Rock the Nations.
Hierop keert de groep terug naar het geluid van de New wave of British heavy metal, rechttoe rechtaan metal zonder flirts naar de Amerikaanse markt. De band werd ondertussen links en rechts ingehaald door zowel gladde hardrockgroepen als agressieve thrash-/speedmetalbands, waarbij opvallend genoeg in beide kampen Saxon als inspiratiebron werd genoemd. Tja, dan kun je het beste doen waar je goed in bent, zoals de groep hier doet.
De productie klinkt daarbij wat ronder, zoals op Denim and Leather (1981) het geval was. Alsof band en producer Gary Lyons hoopten op deze manier toch de Amerikaanse markt te kunnen interesseren. Omvergeblazen word ik niet, maar de groep blijft in ieder geval dicht bij zichzelf, wat resulteert in stap vooruit ten opzichte van voorganger Innocense Is No Excuse.
Het album kent geen opvullertjes, al vind ik You Ain't No Angel wel het minste. Met titelnummer Rock the Nations als midtempo opener en de gitaren in de allereerste geluiden wordt de hoes nog eens verduidelijkt, als een krachtig statement; blij verrast was ik met de dubbele basdrums van het knallende Battle Cry, single Waiting for the Night is een niet onaardige meezinger; het in- en uittro van We Came Here to Rock doen denken aan The Ides of March van Iron Maiden, verder klinkt een vrij standaard rockertje.
De B-kant opent slapjes met het nummer dat ik al noemde, Running Hot is weer vrij standaard met een lekker riff in de bruggen. Helemaal leuk dat Elton John meejamt op Party Til You Puke, een geinig tussendoortje; Empty Promises is een middelmatig nummer over een voorbije liefde; met Northern Lady sluit de plaat af, een powerballade die ik heel fraai vind. Sterker nog, Saxons beste in dit genre!
Bij de extra's, in 2010 verschenen, valt vooral het snelle en instrumentale Chase the Fade op, waar gitaristen Graham Oliver en Paul Quinn heerlijk soleren. Het benadrukt wat op de reguliere elpee ook al opviel: die twee werden steeds betere snarenracers. Bij de livetracks valt op dat Saxon op het podium onverwoestbaar was, wat zelfs in de huiskamer opvalt.
Na afloop trad bassist Paul Johnson toe tot de groep, een echte metalhead die desondanks niet lang is gebleven. Aardig van Saxon dat hij toch uitvoeringscredits voor dit album kreeg. Aan de liveopnamen is te horen hoe goed hij bij de band paste.
Vooral degelijke metal, niet onaardig maar ook niet spectaculair; twee echte uitschieters en één vuller. Muziek die uit het hart komt, waar ik bij enkele voorgangers wel eens mijn twijfels had. Ik geef 3,5 ster, daarmee het schoolcijfer 7,5 bedoelend.
Saxon - Sacrifice (2013)

3,5
1
geplaatst: 21 augustus 2025, 14:52 uur
Vanaf 2010 kreeg ik na jarenlange metaalmoeheid warempel meer zin in het genre, waarbij ik dankzij een live-videoclip van Killing Ground eindelijk had ontdekt dat Saxons magere jaren voorbij waren. Beter laat dan nooit. In 2013 volgde ik inmiddels het releasenieuws actief en zo was ik ook op de hoogte van de komst van Sacrifice.
Wat ik nu bovendien weet, is dat dit hun tweede voor label UDR was en dat de groep niet alleen in eigen land hun populariteit had opgevijzeld met een reeks consistente albums, maar bovendien regelmatig door de VS en Zuid-Amerika tourde. De aanhouder wint en dat gun ik deze groep gráág.
Wat dat betreft heeft de documentaire Heavy Metal Thunder - The Movie (2010) hun carrière nog eens extra opwaarts gestuwd. De dvd staat hier in de kast en eens in de twee, drie jaar bekijk ik 'm. Altijd weer genieten!
Niet dat Sacrifice het beste album in hun catalogus is, al vond ik het titelnummer dat mij als eerste bereikte helemaal lekker. Dat zit 'm deels in de messcherpe productie van Andy Sneap.
Hetzelfde gold voor het tweede nummer dat ik via YouTube hoorde, Made in Belfast met als noviteit een mandoline. Het levert een pakkend intro op, waarbij het qua riffs enigszins afwijkend vervolgt van wat de groep normaliter doet, bij een tekst over de scheepsdokken van die stad.
Lekkere gitaarlijnen in Guardians of the Tomb, groove en hakkende riffs van Stand up and Fight mogen er zijn. Al gaan de overige nummers nergens kopje onder, toch werd - en word - ik daarna niet meegesleept.
Destijds dacht ik dat dit kwam omdat ik te gehecht was aan het oude werk; vooral Wheels of Steel, Strong Arm of the Law en Power & the Glory waren mij dierbaar. Nadien beluisterde ik echter de gemiste albums en dan blijkt dat Saxons albums vanaf 1997 mij meestal een 7,5 waard zijn. Zo ook Sacrifice.
Saxon verzinkt niet meer in te radiovriendelijke rock, zoals in de jaren '84 - '95 nogal eens gebeurde - al ben ik over die albums tegenwoordig iets positiever. Tegelijkertijd is het aantal verrassingen schaars. Maar goed, hoe verras je iemand binnen de vrij enge grenzen van metal, zeker met zoveel muziek op je cv? Dit is niet iets wat ik ze kwalijk kan nemen en bovendien is het bewonderenswaardig dat Saxon zo trouw met nieuw werk aan komt zetten.
Over cd2 met de heropnames schreef B.Robertson in april 2013 een rake beschrijving. Daarom verkas ik naar de eerste Saxon die ik in jaren daadwerkelijk aanschafte: Battering Ram.
Wat ik nu bovendien weet, is dat dit hun tweede voor label UDR was en dat de groep niet alleen in eigen land hun populariteit had opgevijzeld met een reeks consistente albums, maar bovendien regelmatig door de VS en Zuid-Amerika tourde. De aanhouder wint en dat gun ik deze groep gráág.
Wat dat betreft heeft de documentaire Heavy Metal Thunder - The Movie (2010) hun carrière nog eens extra opwaarts gestuwd. De dvd staat hier in de kast en eens in de twee, drie jaar bekijk ik 'm. Altijd weer genieten!
Niet dat Sacrifice het beste album in hun catalogus is, al vond ik het titelnummer dat mij als eerste bereikte helemaal lekker. Dat zit 'm deels in de messcherpe productie van Andy Sneap.
Hetzelfde gold voor het tweede nummer dat ik via YouTube hoorde, Made in Belfast met als noviteit een mandoline. Het levert een pakkend intro op, waarbij het qua riffs enigszins afwijkend vervolgt van wat de groep normaliter doet, bij een tekst over de scheepsdokken van die stad.
Lekkere gitaarlijnen in Guardians of the Tomb, groove en hakkende riffs van Stand up and Fight mogen er zijn. Al gaan de overige nummers nergens kopje onder, toch werd - en word - ik daarna niet meegesleept.
Destijds dacht ik dat dit kwam omdat ik te gehecht was aan het oude werk; vooral Wheels of Steel, Strong Arm of the Law en Power & the Glory waren mij dierbaar. Nadien beluisterde ik echter de gemiste albums en dan blijkt dat Saxons albums vanaf 1997 mij meestal een 7,5 waard zijn. Zo ook Sacrifice.
Saxon verzinkt niet meer in te radiovriendelijke rock, zoals in de jaren '84 - '95 nogal eens gebeurde - al ben ik over die albums tegenwoordig iets positiever. Tegelijkertijd is het aantal verrassingen schaars. Maar goed, hoe verras je iemand binnen de vrij enge grenzen van metal, zeker met zoveel muziek op je cv? Dit is niet iets wat ik ze kwalijk kan nemen en bovendien is het bewonderenswaardig dat Saxon zo trouw met nieuw werk aan komt zetten.
Over cd2 met de heropnames schreef B.Robertson in april 2013 een rake beschrijving. Daarom verkas ik naar de eerste Saxon die ik in jaren daadwerkelijk aanschafte: Battering Ram.
Saxon - Saxon (1979)

2,5
1
geplaatst: 10 februari 2022, 19:38 uur
De eerste keer dat ik over de debuutplaat van Saxon las, was in 1980 na het verschijnen van opvolger Wheels of Steel. Verontwaardigd liet de band zich uit over producer John Verity: “Hij wilde ons laten klinken als Queen!” las ik in diverse interviews. Daarmee zetten ze zich tegen hun eigen debuut af, om te benadrukken hoe heavy ze nu waren en hoe blij met nieuwe producer Pete Hinton.
Zo’n veertig jaar later is bij Biff die kritiek verstomd. Hij heeft het nu over de plaat waarmee de NwoBhm begon en het metalgenre een nieuwe fase inging. Welke Biff heeft gelijk?
In de documentaire Heavy Metal Thunder – The Movie (2013) is te zien hoe de drie van Motörhead reageerden toen ze in 1980 hoorden dat ze op tournee zouden gaan met Saxon. “De band met die rare Viking op de cover? Hahaha!” Een belachelijke hoes, vonden ze. Tsja, veertig jaar later zijn dit soort beelden en thematiek te vinden op talloze metalalbums. Ook mooi aan de hoes is dat hier meteen trots het iconische logo met de twee bijlen prijkt.
In Nederland zal hun debuut nauwelijks zijn verkocht. In ’79 sprong hij er niet uit, in tegenstelling tot de debuten van Def Leppard en Iron Maiden die het jaar erop verschenen. De negatieve verhalen van de mannen van Saxon het jaar erop, zullen niet hebben geholpen de verkoopcijfers op te krikken. Ik kende in ieder geval niemand die 'm had.
Wél draaide Hanneke Kappen in 1980 in haar KRO-radioshow Stampij twee tracks van dit album in een liveversie: Judgement Day verscheen als B-kant van single Suzie Hold On van de volgende plaat. Die liveversie knalt wel degelijk en is geproduceerd door… Pete Hinton. Zelfs het wolkje echo waarin Biffs zang op Saxons tweede plaat is gedoopt, is hier aanwezig.
De uitzending erop (of juist die ervoor) draaide ze Stallions of the Highway. Deze liveversie was de B-kant van single 747 (Strangers in the Night), eveneens van Wheels of Steel en ook geproduceerd door Pete Hinton.
Deze twee liveversies behoren tot het beste wat ooit van Saxon verschenen. Vind ik nog steeds. Indertijd nam ik ze op van de radio, bandjes die werden stukgedraaid. Letterlijk.
Rond 2015 draaide ik debuutplaat Saxon voor het eerst, als onderdeel van de cd-box The Carrere Years 1979-1984. De productie is die van een gemiddelde (hard)rockplaat in de late jaren ’70. Wel degelijk een verzorgd geluid, laat daar geen misverstand over bestaan; maar de gitaarmuren en de knallende drumsound van de opvolger ontbreken.
De kritiek van het vijftal op de “Queensound” zal wel te maken hebben met Frozen Rainbow en vooral Big Teaser, waar inderdaad koortjes klinken. Die doen mij overigens meer aan Uriah Heep denken, maar dat terzijde.
De twee songs die in liveversies op single-B-kanten verschenen, zijn ook op dit album de beste, maar door de brave productie komen ze niet echt over. En zo hoor ik meer goede ideeën, die nergens echt uit de boxen knallen. Wél lekker vind ik overigens het geluid van de sologitaren.
Sommige tracks verschenen later in andere, zwaardere jasjes. Behalve de twee genoemde nummers geldt dat voor Backs To The Wall, Still Fit to Boogie en Stallions, in februari 1980 uitgezonden vanuit een BBC-radiostudio en in 1998 op cd verschenen in de Archive Series van de omroep. Op Unplugged and Strung Up (2013) vinden we heropnames van Frozen Rainbow, Militia Guard en alweer Stallions.
De eerste Biff had meer gelijk dan de tweede Biff. Ja, het was de eerste NwoBhm-plaat, maar zo klonk ie nog niet. Die eer komt toe aan de platen die het jaar erop verschenen, zowel van hen als van genregenoten. Dat neemt niet weg dat je hoort hoe de band, met daarin leden al sinds begin jaren ’70 serieus bezig, hier op de drempel van hardrock naar metal staat.
Daarmee vind ik de plaat niet goed maar wél interessant. Zo waardeloos als ik in 1980 las, is ie in ieder geval niet en daarmee wint de tweede Biff het weer: ja, hiermee begon de Grote Stroomversnelling in het Land der Scheurende Gitaren. Waarschijnlijk hebben beiden gelijk, ieder benadrukt één kant van dezelfde munt.
Zo’n veertig jaar later is bij Biff die kritiek verstomd. Hij heeft het nu over de plaat waarmee de NwoBhm begon en het metalgenre een nieuwe fase inging. Welke Biff heeft gelijk?
In de documentaire Heavy Metal Thunder – The Movie (2013) is te zien hoe de drie van Motörhead reageerden toen ze in 1980 hoorden dat ze op tournee zouden gaan met Saxon. “De band met die rare Viking op de cover? Hahaha!” Een belachelijke hoes, vonden ze. Tsja, veertig jaar later zijn dit soort beelden en thematiek te vinden op talloze metalalbums. Ook mooi aan de hoes is dat hier meteen trots het iconische logo met de twee bijlen prijkt.
In Nederland zal hun debuut nauwelijks zijn verkocht. In ’79 sprong hij er niet uit, in tegenstelling tot de debuten van Def Leppard en Iron Maiden die het jaar erop verschenen. De negatieve verhalen van de mannen van Saxon het jaar erop, zullen niet hebben geholpen de verkoopcijfers op te krikken. Ik kende in ieder geval niemand die 'm had.
Wél draaide Hanneke Kappen in 1980 in haar KRO-radioshow Stampij twee tracks van dit album in een liveversie: Judgement Day verscheen als B-kant van single Suzie Hold On van de volgende plaat. Die liveversie knalt wel degelijk en is geproduceerd door… Pete Hinton. Zelfs het wolkje echo waarin Biffs zang op Saxons tweede plaat is gedoopt, is hier aanwezig.
De uitzending erop (of juist die ervoor) draaide ze Stallions of the Highway. Deze liveversie was de B-kant van single 747 (Strangers in the Night), eveneens van Wheels of Steel en ook geproduceerd door Pete Hinton.
Deze twee liveversies behoren tot het beste wat ooit van Saxon verschenen. Vind ik nog steeds. Indertijd nam ik ze op van de radio, bandjes die werden stukgedraaid. Letterlijk.
Rond 2015 draaide ik debuutplaat Saxon voor het eerst, als onderdeel van de cd-box The Carrere Years 1979-1984. De productie is die van een gemiddelde (hard)rockplaat in de late jaren ’70. Wel degelijk een verzorgd geluid, laat daar geen misverstand over bestaan; maar de gitaarmuren en de knallende drumsound van de opvolger ontbreken.
De kritiek van het vijftal op de “Queensound” zal wel te maken hebben met Frozen Rainbow en vooral Big Teaser, waar inderdaad koortjes klinken. Die doen mij overigens meer aan Uriah Heep denken, maar dat terzijde.
De twee songs die in liveversies op single-B-kanten verschenen, zijn ook op dit album de beste, maar door de brave productie komen ze niet echt over. En zo hoor ik meer goede ideeën, die nergens echt uit de boxen knallen. Wél lekker vind ik overigens het geluid van de sologitaren.
Sommige tracks verschenen later in andere, zwaardere jasjes. Behalve de twee genoemde nummers geldt dat voor Backs To The Wall, Still Fit to Boogie en Stallions, in februari 1980 uitgezonden vanuit een BBC-radiostudio en in 1998 op cd verschenen in de Archive Series van de omroep. Op Unplugged and Strung Up (2013) vinden we heropnames van Frozen Rainbow, Militia Guard en alweer Stallions.
De eerste Biff had meer gelijk dan de tweede Biff. Ja, het was de eerste NwoBhm-plaat, maar zo klonk ie nog niet. Die eer komt toe aan de platen die het jaar erop verschenen, zowel van hen als van genregenoten. Dat neemt niet weg dat je hoort hoe de band, met daarin leden al sinds begin jaren ’70 serieus bezig, hier op de drempel van hardrock naar metal staat.
Daarmee vind ik de plaat niet goed maar wél interessant. Zo waardeloos als ik in 1980 las, is ie in ieder geval niet en daarmee wint de tweede Biff het weer: ja, hiermee begon de Grote Stroomversnelling in het Land der Scheurende Gitaren. Waarschijnlijk hebben beiden gelijk, ieder benadrukt één kant van dezelfde munt.
Saxon - Solid Ball of Rock (1991)

4,0
1
geplaatst: 18 augustus 2025, 14:33 uur
Gisteren las ik het bericht dat zanger Biff Byford aan de chemo is, na een operatie vanwege prostaatkanker. Reden voor mij om na twee jaar de draad van hun discografie weer op te pakken, waarbij ik bij Solid Ball of Rock was gebleven.
Ik ben het eens met de berichten hierboven dat dit hun comeback was, al was de wisselvalligheid nog niet voorbij. Maar in 1991 was het weer hoorbaar dat de groep afkomstig was uit de New wave of British heavy metal. Dit met een Duitse producer (Kalle Trapp) in een Duitse studio met een stevige productie. De komst van bassist Nibbs Carter zorgde voor nieuwe energie waardoor dit album meteen landt, in tegenstelling tot de vier voorgangers.
Opvallend is dat het midtempo titellied, tevens opener, mede door Bram Tchaikovsky werd geschreven. Die ken ik uit de pubrock en new wave. Met de dubbelebasstamper Altar of the Gods en het wat weemoedige Requiem is het wederom raak. Tot en met instant klassieker Baptism of Fire bevalt het album me goed tot zeer goed.
De tweede helft is iets minder, afgezien van powerballade Overture in B/Minor Refugee en slotlied Crash Dive. Bassolo Bavarian Beaver is aardig voor een keertje en benadrukt het belang van Carter voor deze heropleving. Een krappe vier sterren, op naar Forever Free.
Ik ben het eens met de berichten hierboven dat dit hun comeback was, al was de wisselvalligheid nog niet voorbij. Maar in 1991 was het weer hoorbaar dat de groep afkomstig was uit de New wave of British heavy metal. Dit met een Duitse producer (Kalle Trapp) in een Duitse studio met een stevige productie. De komst van bassist Nibbs Carter zorgde voor nieuwe energie waardoor dit album meteen landt, in tegenstelling tot de vier voorgangers.
Opvallend is dat het midtempo titellied, tevens opener, mede door Bram Tchaikovsky werd geschreven. Die ken ik uit de pubrock en new wave. Met de dubbelebasstamper Altar of the Gods en het wat weemoedige Requiem is het wederom raak. Tot en met instant klassieker Baptism of Fire bevalt het album me goed tot zeer goed.
De tweede helft is iets minder, afgezien van powerballade Overture in B/Minor Refugee en slotlied Crash Dive. Bassolo Bavarian Beaver is aardig voor een keertje en benadrukt het belang van Carter voor deze heropleving. Een krappe vier sterren, op naar Forever Free.
Saxon - Strong Arm of the Law (1980)

4,5
6
geplaatst: 2 januari 2022, 15:52 uur
Vanaf de tijd dat het rockalbum belangrijk werd i.p.v. de popsingle, eind jaren ’60, werd het derde album van een groep belangrijk. De eerste twee bevatten namelijk werk dat meestal ouder was en live werd gespeeld, met album drie moesten er nieuwe liedjes komen: spannend was dan of ze het konden waarmaken. Een band kreeg zo’n drie albums de tijd om door te breken, daarna haalde de platenmaatschappij vaak de stekker eruit.
Na een debuut dat nauwelijks iets deed en de ijzersterke, uiterst succesvolle opvolger uit voorjaar 1980 kwam het er dus al in het najaar van datzelfde jaar op aan bij Saxon. Het werd ook de derde lp in mijn platencollectie, na Quo en Sabbath.
Op de radio draaide Hanneke Kappen in Stampij de titelsong, die me extra benieuwd naar de rest maakte. Ik wilde niet wachten tot de bieb ‘m eventueel zou aanschaffen, dus gingen mijn zak- en krantenwijkgeld rond Sinterklaas naar deze plaat, een winkeltje naast de fietsenmaker.
Plaat eruit en op de pick-up, jammer genoeg geen tekstvel. De klaphoes bevat de nodige foto’s van de bandleden en producer Pete Hinton: op het podium, in de studio, maar ook op het strand of met een Engelse bobby. Ik vond het práchtig!
Ondertussen had de donder geklonken en was Heavy Metal Thunder begonnen, een heerlijk snelle ode aan ons, de fans. Daarna To Hell and Back Again, dat ook al het dakraam van mijn zolderkamer deed trillen. Opvallend is de gitaarsolo, waarin het alleen drummer Pete Gill is die de zes snaren ondersteunt en er meteen een eigen solo van maakt. Heul apart en lekker!
Dan de titelsong die ik van de radio kende. Hier hoorde ik Biff als verhalenverteller, net als op de vorige plaat met 747 (Strangers in the Night). Nu over een nachtelijke politiecontrole, na afloop van een optreden. Een boeiend verhaal, al duurde het liedje me iets te lang.
Het laatste nummer van kant A is Taking Your Chances, uptempo met in de brug een gitaargeluid dat ik meteen zó lekker vond! Ook het gitaarduel is heel fijn, al viel me bij de eindeloze herbeluisteringen op dat Paul Quinn en Graham Oliver niet de allersnelste snarenracers waren.
Kant B opent met het snelste nummer van de plaat, 20,000 Ft, waarop Pete Gill zijn dubbele bassdrum volop laat werken. In het uitro het geluid van een vliegtuig hoog in de lucht, gitaargetokkel, langzaam doemt het slepende Hungry Years op. Let hier eens op de fills en breaks van Gill, weinigen beseffen hoe goed dit is. Opnieuw een gitaarduel, relatief langzaam maar wél lekker.
Sixth Form Girls heeft een briljante riff, meteen in het intro en de coupletten. De tekst ademt de sfeer van een stad, de scholen, de meisjes. Het refrein is ook al zo sterk, bovendien is het alweer Gill die excelleert. De gitaarsolo aan het einde is prachtig, had van mij nog wel even mogen doorgaan, wordt helaas weggedraaid.
Ten slotte het grote verhaal van deze plaat, waarschijnlijk de bekendste song: Dallas 1 PM. De aanslag op Kennedy was ver voor mijn tijd, maar Biff bezingt het verhaal zó dat het leek alsof ik erbij was en heel verdrietig. De geluiden die producer Pete Hinton er halverwege in heeft gemixt, zorgen voor de perfecte inleving. Mooi intro ook, met de pompende bas van Steve Dawson, waarna drie gitaren één voor één instappen.
Een heerlijke plaat, die ik desondanks nét niet zo goed vond als de voorganger: die bevatte negen nummers, deze “maar” acht, die logischerwijs wat langer duurden. Daarmee was de variatie iets minder groot, waar weer tegenover stond dat er geen langdradige track als Wheels of Steel op stond; Strong Arm of the Law was korter en had een interessant verhaal.
Al miste ik een überbeuker als Machine Gun, snelle tracks stonden er voldoende op, plus de twee onverwachte groeidiamantjes Taking Your Chances en Sixth Form Girls, tegenwoordig mijn favorieten.
Over het nu: op streaming volgen tracks die ik ken van de BBC Sessions en die ik daar zal bespreken.
Tijdens de kerstvakantie van 1980-1981 was ik urenlang bezig met het natekenen van het logo, om mijn kunstwerk trots op mijn agenda te plakken. Dat jaar zou ik blijven zitten, de focus lag buiten school. Heavy Metal Thunder!
Na een debuut dat nauwelijks iets deed en de ijzersterke, uiterst succesvolle opvolger uit voorjaar 1980 kwam het er dus al in het najaar van datzelfde jaar op aan bij Saxon. Het werd ook de derde lp in mijn platencollectie, na Quo en Sabbath.
Op de radio draaide Hanneke Kappen in Stampij de titelsong, die me extra benieuwd naar de rest maakte. Ik wilde niet wachten tot de bieb ‘m eventueel zou aanschaffen, dus gingen mijn zak- en krantenwijkgeld rond Sinterklaas naar deze plaat, een winkeltje naast de fietsenmaker.
Plaat eruit en op de pick-up, jammer genoeg geen tekstvel. De klaphoes bevat de nodige foto’s van de bandleden en producer Pete Hinton: op het podium, in de studio, maar ook op het strand of met een Engelse bobby. Ik vond het práchtig!
Ondertussen had de donder geklonken en was Heavy Metal Thunder begonnen, een heerlijk snelle ode aan ons, de fans. Daarna To Hell and Back Again, dat ook al het dakraam van mijn zolderkamer deed trillen. Opvallend is de gitaarsolo, waarin het alleen drummer Pete Gill is die de zes snaren ondersteunt en er meteen een eigen solo van maakt. Heul apart en lekker!
Dan de titelsong die ik van de radio kende. Hier hoorde ik Biff als verhalenverteller, net als op de vorige plaat met 747 (Strangers in the Night). Nu over een nachtelijke politiecontrole, na afloop van een optreden. Een boeiend verhaal, al duurde het liedje me iets te lang.
Het laatste nummer van kant A is Taking Your Chances, uptempo met in de brug een gitaargeluid dat ik meteen zó lekker vond! Ook het gitaarduel is heel fijn, al viel me bij de eindeloze herbeluisteringen op dat Paul Quinn en Graham Oliver niet de allersnelste snarenracers waren.
Kant B opent met het snelste nummer van de plaat, 20,000 Ft, waarop Pete Gill zijn dubbele bassdrum volop laat werken. In het uitro het geluid van een vliegtuig hoog in de lucht, gitaargetokkel, langzaam doemt het slepende Hungry Years op. Let hier eens op de fills en breaks van Gill, weinigen beseffen hoe goed dit is. Opnieuw een gitaarduel, relatief langzaam maar wél lekker.
Sixth Form Girls heeft een briljante riff, meteen in het intro en de coupletten. De tekst ademt de sfeer van een stad, de scholen, de meisjes. Het refrein is ook al zo sterk, bovendien is het alweer Gill die excelleert. De gitaarsolo aan het einde is prachtig, had van mij nog wel even mogen doorgaan, wordt helaas weggedraaid.
Ten slotte het grote verhaal van deze plaat, waarschijnlijk de bekendste song: Dallas 1 PM. De aanslag op Kennedy was ver voor mijn tijd, maar Biff bezingt het verhaal zó dat het leek alsof ik erbij was en heel verdrietig. De geluiden die producer Pete Hinton er halverwege in heeft gemixt, zorgen voor de perfecte inleving. Mooi intro ook, met de pompende bas van Steve Dawson, waarna drie gitaren één voor één instappen.
Een heerlijke plaat, die ik desondanks nét niet zo goed vond als de voorganger: die bevatte negen nummers, deze “maar” acht, die logischerwijs wat langer duurden. Daarmee was de variatie iets minder groot, waar weer tegenover stond dat er geen langdradige track als Wheels of Steel op stond; Strong Arm of the Law was korter en had een interessant verhaal.
Al miste ik een überbeuker als Machine Gun, snelle tracks stonden er voldoende op, plus de twee onverwachte groeidiamantjes Taking Your Chances en Sixth Form Girls, tegenwoordig mijn favorieten.
Over het nu: op streaming volgen tracks die ik ken van de BBC Sessions en die ik daar zal bespreken.
Tijdens de kerstvakantie van 1980-1981 was ik urenlang bezig met het natekenen van het logo, om mijn kunstwerk trots op mijn agenda te plakken. Dat jaar zou ik blijven zitten, de focus lag buiten school. Heavy Metal Thunder!
Saxon - The Eagle Has Landed (1982)

4,0
0
geplaatst: 9 september 2022, 18:17 uur
Nadat Denim and Leather met zijn matte productie tegenviel, was ik het in mei 1982 wederom met radio-dj Hanneke Kappen eens: Saxon revancheerde zich met The Eagle has Landed. Zo wilden wij deze band horen! Rauw, hard en direct.
Het gouden tijdperk van de liveplaat was misschien al zo’n beetje voorbij, tegelijkertijd kun je zeggen dat er in (de eerste helft van) de jaren ’80 enkele lekkere liveknallers verschenen. Gelukkig voor mij schafte de fonotheek ook deze Saxon aan; kennelijk werkte daar iemand die jonge, puisterige headbangers als ik een warm hart toedroeg.
Opgenomen tijdens de tour bij dat laatste studioalbum vormt de plaat een goede samenvatting van hun tweede tot en met vierde album. Daarin zit ‘m tegelijkertijd het manco: ik hoopte dat die twee kanjers van hun debuut, Stallions of the Highway en Judgeman’s Day er ook op zouden staan. Twee hele vroege pareltjes uit de eerste golf van de New wave of British heavy metal. Deze twee kneiters verdienden een denderende albumversie. Helaas, een gemiste kans.
Biff Byford zingt wat monotoner dan op de studioplaten doordat hij wat hoog kwijt is, maar de band laat horen dat de messen waren geslepen. Dit dankzij hun jarenlange ervaring, waarbij een tour met Motörhead. Nieuwe drummer Nigel Glockler, voorheen op de kruk bij newwavezangeres Toyah, vult moeiteloos de plek van Pete Gill; voorwaar geen kleinigheid.
Geluidseffecten van de studioplaten (motoren, een Boeing en een ontploffing) vonden ook hun weg naar het podium, wat de sfeer nog eens verhoogt. Verder een degelijke set, waarbij ik was verrast door de wijze waarop Fire in the Sky overging in Machine Gun. Het concert eindigt met de luchtsirenes, dezelfde die Motörhead live gebruikte. Ik vond het prachtig. Bij dit alles heb ik niet het idee dat er gruwelijk veel aan de opnamen is gesleuteld en verbeterd. Wat je hoort is eerlijk.
Op streaming vind ik de bonusversie (2006), waarop wél een nummer van het debuut. Helaas is dit “slechts” Frozen Rainbow.
Met de oren van nu is de productie niet meer zo vet als ik het toen beleefde. Gitaren en basgitaar hadden wel wat hoger in de mix gemogen. Dit euvel is echter rijkelijk vergoed op volgende livealbums. Daarom een lekker tijdsdocument en een goede samenvatting van Saxons eerste jaren, een hongerige band in topvorm.
Het gouden tijdperk van de liveplaat was misschien al zo’n beetje voorbij, tegelijkertijd kun je zeggen dat er in (de eerste helft van) de jaren ’80 enkele lekkere liveknallers verschenen. Gelukkig voor mij schafte de fonotheek ook deze Saxon aan; kennelijk werkte daar iemand die jonge, puisterige headbangers als ik een warm hart toedroeg.
Opgenomen tijdens de tour bij dat laatste studioalbum vormt de plaat een goede samenvatting van hun tweede tot en met vierde album. Daarin zit ‘m tegelijkertijd het manco: ik hoopte dat die twee kanjers van hun debuut, Stallions of the Highway en Judgeman’s Day er ook op zouden staan. Twee hele vroege pareltjes uit de eerste golf van de New wave of British heavy metal. Deze twee kneiters verdienden een denderende albumversie. Helaas, een gemiste kans.
Biff Byford zingt wat monotoner dan op de studioplaten doordat hij wat hoog kwijt is, maar de band laat horen dat de messen waren geslepen. Dit dankzij hun jarenlange ervaring, waarbij een tour met Motörhead. Nieuwe drummer Nigel Glockler, voorheen op de kruk bij newwavezangeres Toyah, vult moeiteloos de plek van Pete Gill; voorwaar geen kleinigheid.
Geluidseffecten van de studioplaten (motoren, een Boeing en een ontploffing) vonden ook hun weg naar het podium, wat de sfeer nog eens verhoogt. Verder een degelijke set, waarbij ik was verrast door de wijze waarop Fire in the Sky overging in Machine Gun. Het concert eindigt met de luchtsirenes, dezelfde die Motörhead live gebruikte. Ik vond het prachtig. Bij dit alles heb ik niet het idee dat er gruwelijk veel aan de opnamen is gesleuteld en verbeterd. Wat je hoort is eerlijk.
Op streaming vind ik de bonusversie (2006), waarop wél een nummer van het debuut. Helaas is dit “slechts” Frozen Rainbow.
Met de oren van nu is de productie niet meer zo vet als ik het toen beleefde. Gitaren en basgitaar hadden wel wat hoger in de mix gemogen. Dit euvel is echter rijkelijk vergoed op volgende livealbums. Daarom een lekker tijdsdocument en een goede samenvatting van Saxons eerste jaren, een hongerige band in topvorm.
Saxon - The Eagle Has Landed 40 (2019)
Alternatieve titel: Live

4,5
2
geplaatst: 4 oktober 2025, 10:27 uur
Het laatste livealbum dat ik tot dusver van Saxon kocht. Verder staan hier in de kast The Eagle Has Landed (1982) en The Eagle Has Landed III (2006). Met deze 3cd The Eagle Has Landed 40 erbij een sterke samenvatting van hun werk waarbij onvermijdelijk enkele nummers dubbel.
Daarmee is bijvoorbeeld hun pasgeleden verschenen livealbum Eagles Over Hellfest voor mij een overbodige aanvulling. Een soortgelijke constatering kwam ik eveneens tegen in het eerste nummer van de NL-editie van Classic Rock.
Op cd 1 opnamen uit de jaren 2007-2011, op 2 2013-2014 en op 3 2015-2018. Ook geografisch een brede aanpak: de concerten vonden plaats op diverse locaties in Europa en de VS, waarbij Eye of the Storm vanuit onze eigen Boerderij.
De routiniers knallen als een Battering Ram, niet geheel toevallig het slotlied van het album. Fijn dat Machine Gun erop staat, op cd 2 brengen de strijkers op de Wackennummers (track 5-11, op MuMe 21-27) extra's bij (over)bekende klassiekers.
Op cd 3 drie gasten: eerst Motörheads Phil Campbell op 747 (Strangers in the Night) en later Fast Eddie Clarke op hun eigen Ace of Spades. Producer en gitarist Andy Sneap komt assisteren bij 20,000 Ft. Bovendien horen we Johan Hegg grunten op Predator, vermoedelijk vanaf meelopende audio.
Het vet klinkende album werd door Jacky Lehmann in Berlijn gemixt en gemasterd.
In het boekje ook de nodige foto's van de oerbezetting met Graham Oliver, Steve Dawson (die momenteel een gevangenisstraf uitzit) en Pete Gill, die dus niet op deze 40-jarige editie zijn te horen. Desalniettemin sympathiek.
Nog één album in het oeuvre van Saxon resteert mij: de soloplaat van zanger Biff. Op naar School of Hard Knocks.
Daarmee is bijvoorbeeld hun pasgeleden verschenen livealbum Eagles Over Hellfest voor mij een overbodige aanvulling. Een soortgelijke constatering kwam ik eveneens tegen in het eerste nummer van de NL-editie van Classic Rock.
Op cd 1 opnamen uit de jaren 2007-2011, op 2 2013-2014 en op 3 2015-2018. Ook geografisch een brede aanpak: de concerten vonden plaats op diverse locaties in Europa en de VS, waarbij Eye of the Storm vanuit onze eigen Boerderij.
De routiniers knallen als een Battering Ram, niet geheel toevallig het slotlied van het album. Fijn dat Machine Gun erop staat, op cd 2 brengen de strijkers op de Wackennummers (track 5-11, op MuMe 21-27) extra's bij (over)bekende klassiekers.
Op cd 3 drie gasten: eerst Motörheads Phil Campbell op 747 (Strangers in the Night) en later Fast Eddie Clarke op hun eigen Ace of Spades. Producer en gitarist Andy Sneap komt assisteren bij 20,000 Ft. Bovendien horen we Johan Hegg grunten op Predator, vermoedelijk vanaf meelopende audio.
Het vet klinkende album werd door Jacky Lehmann in Berlijn gemixt en gemasterd.
In het boekje ook de nodige foto's van de oerbezetting met Graham Oliver, Steve Dawson (die momenteel een gevangenisstraf uitzit) en Pete Gill, die dus niet op deze 40-jarige editie zijn te horen. Desalniettemin sympathiek.
Nog één album in het oeuvre van Saxon resteert mij: de soloplaat van zanger Biff. Op naar School of Hard Knocks.
Saxon - The Eagle Has Landed III (2006)

4,0
1
geplaatst: 27 augustus 2025, 21:31 uur
Hierboven hebben Sinner (wat is er toch dat hij al bijna 10 jaar niet meer actief is, ik lees zijn bijdragen altijd graag!) en B.Robertson eigenlijk alles al gezegd. Wat is alles?
In een notendop: op cd 1 oud werk van de jaren 1979 - '84 en op 2 werk vanaf 1997. Dan prefereer ik toch de eerste, waarop eigenlijk alleen de zoveelste versie van Wheels of Steel overbodig is, zeker in een versie van zowat 9 minuten. Een nummer dat ik node mis, komt van het debuut: Judgement Day. En Machine Gun had ook wel gemogen.
En verder: verschijningsjaar is 2006 via SPV/Steamhammer, de jaren dat Saxon het hoofd boven water hield dankzij de Duitse connectie. Van de tweeëndertig tracks zijn er slechts zes in Engeland opgenomen, één in Zweden, één in Frankrijk en de overige vierentwintig dus im Heimat. Het klinkt echter alsof het één lang optreden betreft.
Met de geluidskwaliteit heb ik, anders dan anderen, geen problemen. Saxon is een liveband pur sang en Suzie Hold On is in deze context opeens weer zó charmant!
De volgende Saxon op deze queeste is voorlopig de laatste en tevens live: The Eagle Has Landed 40 (2019).
In een notendop: op cd 1 oud werk van de jaren 1979 - '84 en op 2 werk vanaf 1997. Dan prefereer ik toch de eerste, waarop eigenlijk alleen de zoveelste versie van Wheels of Steel overbodig is, zeker in een versie van zowat 9 minuten. Een nummer dat ik node mis, komt van het debuut: Judgement Day. En Machine Gun had ook wel gemogen.
En verder: verschijningsjaar is 2006 via SPV/Steamhammer, de jaren dat Saxon het hoofd boven water hield dankzij de Duitse connectie. Van de tweeëndertig tracks zijn er slechts zes in Engeland opgenomen, één in Zweden, één in Frankrijk en de overige vierentwintig dus im Heimat. Het klinkt echter alsof het één lang optreden betreft.
Met de geluidskwaliteit heb ik, anders dan anderen, geen problemen. Saxon is een liveband pur sang en Suzie Hold On is in deze context opeens weer zó charmant!
De volgende Saxon op deze queeste is voorlopig de laatste en tevens live: The Eagle Has Landed 40 (2019).
Saxon - The Inner Sanctum (2007)

4,5
0
geplaatst: 21 augustus 2025, 08:29 uur
Voor het tv-programma Get Your Act Together nam de Engelse concertpromotor/muziekmanager Harvey Goldsmith eind 2006 de uitdaging aan om Saxon in Engeland terug te brengen naar de top. De groep uit Barnsley bij Sheffield was in eigen land na de hoogtijdagen van begin jaren '80 geleidelijk afgezakt naar kleine zaaltjes. Op het Europese continent was dat anders, vandaar dat de groep al jarenlang vanuit Duitsland werkte qua management, boekingskantoor, producer en platenmaatschappij.
Zou het de ervaren Goldsmith (o.a. Live Aid, Prince's Trust, Pavarotti, Wham!) lukken? Het resultaat is terug te vinden op YouTube, zie hier (eerste helft), daar (tweede helft) en de nabespreking.
Onbetwist bandleider Peter 'Biff' Byford is aanvankelijk niet blij met deze bemoeial. De enige reden dat Saxon meedoet aan het programma is omdat ook hij terug wil keren aan de nationale (metal)top. Maar zeg niet dat Saxons nieuwe single "pedestrian" (saai) is! "I don't wanna hear that [bieeep] word again!" roept hij boos. Tegelijkertijd kan hij niet verklaren waarom Iron Maiden wél aan de top is gebleven; de verkoop- en chartcijfers vertellen de feiten. Dat steekt. Wat doet die groep beter?
De kijker krijgt te zien hoe Goldsmith gaandeweg het vertrouwen wint én resultaat boekt. Zo wordt een nieuwe versie van If I Was You opgenomen, de promotie krijgt een oppepper met een perspresentatie van de single welke het tot hun succesvolste in jaren maakt, plus dat de groep voor het eerst de Classic Rock Awards bezoekt. Het imago wordt licht gewijzigd: andere kleding voor iedereen, voor de teruggekeerde drummer Nigel Glockler een kort kapsel en uiteraard nieuwe bandfoto's.
In Sheffield wordt een comebackshow georganiseerd, een zaal die na de hoogtijdagen onbereikbaar groot was geworden. Die wordt redelijk gevuld, het tv-programma brengt vervolgens meer reuring. Zozeer zelfs dat Saxon in 2008 grote indruk maakt op het Download Festival, waardoor populariteit en reputatie in Engeland verder herstellen en ook in de VS en Zuid-Amerika groeit de belangstelling.
The Inner Sanctum profiteert van de schop onder de kont van Goldsmith en tegelijkertijd blijft Saxon trouw aan zichzelf. Met State of Grace gaat een Gregoriaans intro over in knallende metal met rollende basdrums, Need for Speed doet op de wijze van gitarist Doug Scarratt wat het belooft, net als Let Me Feel Your Power. In het slepende Red Star Falling bezingt Biff, die heser en tegelijkertijd krachtiger dan ooit klinkt, de val van het communisme.
Verrassend is dat net als in de oerdagen iets van de invloed van AC/DC terugkeert: I've Got to Rock (to Stay Alive) rifft en groovet machtig als ooit Wheels of Steel. Het was de tweede single en kreeg steun van Lemmy van Motörhead, Angry Anderson van Rose Tattoo en Andi Deris van Helloween; zij zijn niet te horen op het reguliere album, wel in de clip.
Single If I Was You (hier in de mix van producer Charlie Bauerfeind) heeft een afwijkende maar pakkende riff en in Going Nowhere Fast opnieuw een vleugje AC/DC.
Pas met Ashes to Ashes is daar een minder nummer (dat is weleens anders geweest), maar na het instrumentale Empire Rising volgt de geschiedenisles van het knallende Atilla the Hun. Saxon evenaart hiermee Unleash the Beast, meer fraai werk zou volgen. Eerstvolgende studioalbum werd Into the Labyrinth.
Wat ik ook ontdekte: in 2001 brachten Scarratt en Glockler gezamenlijk Mad Men and English Dogs uit, dat op MuMe geen enkele stem krijgt. Iemand die meer weet?
Zou het de ervaren Goldsmith (o.a. Live Aid, Prince's Trust, Pavarotti, Wham!) lukken? Het resultaat is terug te vinden op YouTube, zie hier (eerste helft), daar (tweede helft) en de nabespreking.
Onbetwist bandleider Peter 'Biff' Byford is aanvankelijk niet blij met deze bemoeial. De enige reden dat Saxon meedoet aan het programma is omdat ook hij terug wil keren aan de nationale (metal)top. Maar zeg niet dat Saxons nieuwe single "pedestrian" (saai) is! "I don't wanna hear that [bieeep] word again!" roept hij boos. Tegelijkertijd kan hij niet verklaren waarom Iron Maiden wél aan de top is gebleven; de verkoop- en chartcijfers vertellen de feiten. Dat steekt. Wat doet die groep beter?
De kijker krijgt te zien hoe Goldsmith gaandeweg het vertrouwen wint én resultaat boekt. Zo wordt een nieuwe versie van If I Was You opgenomen, de promotie krijgt een oppepper met een perspresentatie van de single welke het tot hun succesvolste in jaren maakt, plus dat de groep voor het eerst de Classic Rock Awards bezoekt. Het imago wordt licht gewijzigd: andere kleding voor iedereen, voor de teruggekeerde drummer Nigel Glockler een kort kapsel en uiteraard nieuwe bandfoto's.
In Sheffield wordt een comebackshow georganiseerd, een zaal die na de hoogtijdagen onbereikbaar groot was geworden. Die wordt redelijk gevuld, het tv-programma brengt vervolgens meer reuring. Zozeer zelfs dat Saxon in 2008 grote indruk maakt op het Download Festival, waardoor populariteit en reputatie in Engeland verder herstellen en ook in de VS en Zuid-Amerika groeit de belangstelling.
The Inner Sanctum profiteert van de schop onder de kont van Goldsmith en tegelijkertijd blijft Saxon trouw aan zichzelf. Met State of Grace gaat een Gregoriaans intro over in knallende metal met rollende basdrums, Need for Speed doet op de wijze van gitarist Doug Scarratt wat het belooft, net als Let Me Feel Your Power. In het slepende Red Star Falling bezingt Biff, die heser en tegelijkertijd krachtiger dan ooit klinkt, de val van het communisme.
Verrassend is dat net als in de oerdagen iets van de invloed van AC/DC terugkeert: I've Got to Rock (to Stay Alive) rifft en groovet machtig als ooit Wheels of Steel. Het was de tweede single en kreeg steun van Lemmy van Motörhead, Angry Anderson van Rose Tattoo en Andi Deris van Helloween; zij zijn niet te horen op het reguliere album, wel in de clip.
Single If I Was You (hier in de mix van producer Charlie Bauerfeind) heeft een afwijkende maar pakkende riff en in Going Nowhere Fast opnieuw een vleugje AC/DC.
Pas met Ashes to Ashes is daar een minder nummer (dat is weleens anders geweest), maar na het instrumentale Empire Rising volgt de geschiedenisles van het knallende Atilla the Hun. Saxon evenaart hiermee Unleash the Beast, meer fraai werk zou volgen. Eerstvolgende studioalbum werd Into the Labyrinth.
Wat ik ook ontdekte: in 2001 brachten Scarratt en Glockler gezamenlijk Mad Men and English Dogs uit, dat op MuMe geen enkele stem krijgt. Iemand die meer weet?
Saxon - Thunderbolt (2018)

4,0
1
geplaatst: 26 augustus 2025, 12:04 uur
Je hebt muzikanten die muziek zien als een kunstvorm, een uiting van persoonlijke expressie. Je hebt er ook die ambachtelijk werken en muziek uit het hart vóór de fans willen maken. Zoals de warme bakker zijn kwaliteitsbrood maakt. In die laatste categorie valt Saxon.
En dus krijgen we op Thunderbolt de bekende mix van snelle sprinters en massieve midtempo stoempers, die slim worden afgewisseld. En dus opent een vlot titelnummer het album (al hebben we ze wel eens sneller meegemaakt), hakken, wervelen en racen de gitaren van Doug Scarratt en Paul Quinn, klinkt de herkenbare stem van Biff Byford onverminderd hees-krachtig en houden bassist Nibbs Carter en drummer Nigel Glocker dit alles strak op de rails, het geheel volgens de modernste technieken geproduceerd door Andy Sneap.
Geef de fan wat ie wil, waarbij Saxon inmiddels een vollere agenda had dan ooit tevoren met fans van Chili tot Spitsbergen. Om maar wat te noemen. Daarbij loop je wél het gevaar van voorspelbaarheid, waarover soms wordt gemopperd.
Dat weet bandbaas Biff ook, daarom soms een snufje power metal (Nosferatu, voor mij de zwakste track), komt Johan Hegg van Amon Amarth een potje grunten op Predator en klinkt fraai een sample van Lemmy in They Played Rock 'n' Roll. Die laatste knalt opzettelijk in Motörheadstijl, het werd immers geschreven naar aanleiding van diens overlijden in december 2015. Toen het nummer verscheen, werd het opgedragen aan de kort daarvoor overleden Fast Eddy Clarke.
Behalve dat geschiedenisverhaal bezingt Biff meer historie (zoals Vikingen in Sons of Odin), bewierrookt hij de motorfiets (Speed Merchants) en bedankt hij het personeel (Roadies' Song). Bekende ingrediënten in het kwaliteitsbrood van Bakkerij Saxon.
De studioalbums die Saxon hierna uitbracht besprak ik eerder. Hier in huis staat echter tweemaal Saxon-live op cd, nog niet door mij beschreven. Om te beginnen The Eagle Has Landed III (2006).
En dus krijgen we op Thunderbolt de bekende mix van snelle sprinters en massieve midtempo stoempers, die slim worden afgewisseld. En dus opent een vlot titelnummer het album (al hebben we ze wel eens sneller meegemaakt), hakken, wervelen en racen de gitaren van Doug Scarratt en Paul Quinn, klinkt de herkenbare stem van Biff Byford onverminderd hees-krachtig en houden bassist Nibbs Carter en drummer Nigel Glocker dit alles strak op de rails, het geheel volgens de modernste technieken geproduceerd door Andy Sneap.
Geef de fan wat ie wil, waarbij Saxon inmiddels een vollere agenda had dan ooit tevoren met fans van Chili tot Spitsbergen. Om maar wat te noemen. Daarbij loop je wél het gevaar van voorspelbaarheid, waarover soms wordt gemopperd.
Dat weet bandbaas Biff ook, daarom soms een snufje power metal (Nosferatu, voor mij de zwakste track), komt Johan Hegg van Amon Amarth een potje grunten op Predator en klinkt fraai een sample van Lemmy in They Played Rock 'n' Roll. Die laatste knalt opzettelijk in Motörheadstijl, het werd immers geschreven naar aanleiding van diens overlijden in december 2015. Toen het nummer verscheen, werd het opgedragen aan de kort daarvoor overleden Fast Eddy Clarke.
Behalve dat geschiedenisverhaal bezingt Biff meer historie (zoals Vikingen in Sons of Odin), bewierrookt hij de motorfiets (Speed Merchants) en bedankt hij het personeel (Roadies' Song). Bekende ingrediënten in het kwaliteitsbrood van Bakkerij Saxon.
De studioalbums die Saxon hierna uitbracht besprak ik eerder. Hier in huis staat echter tweemaal Saxon-live op cd, nog niet door mij beschreven. Om te beginnen The Eagle Has Landed III (2006).
