Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Saxon - Unleash the Beast (1997)

4,5
1
geplaatst: 18 augustus 2025, 23:18 uur
Soms kunnen we op MuMe stevig van mening verschillen over een album. Bij het Saxon van de jaren '90 zie ik vooral eensgezindheid over wat matig en wat goed was.
Van de hoes van Unleash the Beast straalt een nieuw elan, geholpen door de toetreding van gitarist Doug Scarratt. Die brengt naast de introductie van een moderne, razendsnel solerende metalstijl ook de nodige energie (terug).
Een vette productie van Kalle Trapp, die bovendien sfeerversterkende geluidsfragmenten toevoegde - zoals meteen bij de instrumentale opener blijkt - én de stem van Biff in een wolkje echo stak. Zó lekker!
Ministry of Fools is mijn favoriet en afgezien van For Absent Friends is dit album energiek en hard. Precies zoals ik Saxon wil horen sinds ik in mei 1980 kennismaakte met Motorcycle Man. Twee jaar later verscheen Metalhead.
Van de hoes van Unleash the Beast straalt een nieuw elan, geholpen door de toetreding van gitarist Doug Scarratt. Die brengt naast de introductie van een moderne, razendsnel solerende metalstijl ook de nodige energie (terug).
Een vette productie van Kalle Trapp, die bovendien sfeerversterkende geluidsfragmenten toevoegde - zoals meteen bij de instrumentale opener blijkt - én de stem van Biff in een wolkje echo stak. Zó lekker!
Ministry of Fools is mijn favoriet en afgezien van For Absent Friends is dit album energiek en hard. Precies zoals ik Saxon wil horen sinds ik in mei 1980 kennismaakte met Motorcycle Man. Twee jaar later verscheen Metalhead.
Saxon - Wheels of Steel (1980)

5,0
4
geplaatst: 4 december 2021, 18:54 uur
In mijn vorige post beschreef ik hoe Heaven and Hell van Black Sabbath vrijwel gelijktijdig met Wheels of Steel van Saxon mijn leven binnen denderde. Bij deze mijn verhaal bij het tweede album.
In de herfst van 1980 voldeed ik aan alle voorwaarden om lid te mogen worden van de platenbieb. Daar snuffelde ik al sinds maanden in de bakken om te bepalen wat ik zou gaan lenen. Ik wist dus dat in die fonotheek een exemplaar van Wheels Of Steel stond. Op de vrijdag dat ik lid werd, was het exemplaar gelukkig niet uitgeleend. Het lenen kostte slechts één gulden en dat voor maar liefst drie weken plezier!
Die avond knalde opnieuw Motorcycle Man door mijn kamer, de volumeknop op 10. Ik wist wat ging komen: drie voorbijrazende motoren, gevolgd door warmdraaiende gitaren; dan een muur van lange gitaarakkoorden, ondersteund door furieuze bas en drums. Vlak voordat de zang klinkt, is daar een drumbreak die me tot op de dag van vandaag naar adem doet happen; Pete Gill, wát een genie! Tenslotte de briljante zanglijn van de man met de herkenbare stem: Biff Byford in een wolkje echo. Verderop in deze albumopener nóg een bijzondere drumbreak; prachtig, met bovendien opwindende dubbele bassdrums in de refreinen!
Wat ook opvalt is dat producer Pete Hinton de liedjes heavy liet klinken. Dit in tegenstelling tot zijn voorganger, die Saxons debuut een armetierig geluid meegaf. Tenminste, dat las ik in die dagen ergens, want dat album hoorde je nooit op de radio. De heren lieten in interviews luid en duidelijk weten hoezeer ze zich voor die productie schaamden.
Mijn pick-up was die avond druk met WoS, de laatste keren zachter, broertje en zusje lagen inmiddels op bed. De volgende ochtend nauwelijks tijd om ‘m te draaien; we gingen op herfstvakantie en Sporthuis Centrum bood in hun bungalows geen platenspeler. Die vakantie was heerlijk, tegelijkertijd smachtte ik naar de thuiskomst.
Oor (Kees Baars?) omschreef Saxon toentertijd treffend als een kruising tussen Motörhead en AC/DC. Het felle Stand Up and Be Counted, waarin Biff mij een hart onder de riem steekt; de drumrolls in het intro van Freeway Mad, vol furie en sirenes; de hakkende riff van See the Light Shining, dat bovendien een verrassend tweede deel kent; het stereo-riffduel in het intro van Street Fighting Gang, met die heerlijk pompende bas van Steve Dawson en de korte solo’s in het slot, inclusief fluiten op de vingers. Her en der klinken sluwe rolls, fills, breaks en bekkenaccentjes: fenomenaal drumwerk.
De plaat sluit af met Machine Gun, dat de boxen van mijn platenspeler beproefde. In de heftigste stukken van deze plaat klinkt een luchtgevecht, via gierende gitarenduels uit de handen van Graham Oliver en Paul Quinn. Hier hoor je het sterkst de invloed van Motörhead, met wie de band inmiddels ook op tournee was geweest.
Drie keer wordt de gashendel van de motor minder ver opengedraaid. 747 met zijn melodieuze gitaarlijnen en melodie, plus het verhaal van een vliegtuig in nood. Zó mooi. Idem voor Suzie Hold On, met zijn triest-romantische verhaal over een ongeneeslijk zieke vriendin.
Slechts de titelsong, afsluiter van kant A, zou mij - toen nog niet! - gaan vervelen. Een midtempo song met een eindeloos herhaalde, AC/DC-achtige riff. Gezien de reacties die ik om me heen zie bij concerten, sta ik daarin alleen. Het zij zo. Dat eindeloze meezingen, brrr…
Na drie weken belandde de plaat op een cassettebandje, want de lp moest terug. Pas 35 jaar later schafte ik het zelf aan, op een cd-box met de eerste zeven albums, verschenen op het Franse label Carrere.
De band maakte meer sterke albums, maar geen haalt het venijn van hun tweede. Ruim éénenveertig jaar later zet ik ‘m weer op. Voor de hoeveelste maal? Wat een monument… Had hij maar nooit de band verlaten: Pete Gill! Pete Gill! Pete Gill!
In de herfst van 1980 voldeed ik aan alle voorwaarden om lid te mogen worden van de platenbieb. Daar snuffelde ik al sinds maanden in de bakken om te bepalen wat ik zou gaan lenen. Ik wist dus dat in die fonotheek een exemplaar van Wheels Of Steel stond. Op de vrijdag dat ik lid werd, was het exemplaar gelukkig niet uitgeleend. Het lenen kostte slechts één gulden en dat voor maar liefst drie weken plezier!
Die avond knalde opnieuw Motorcycle Man door mijn kamer, de volumeknop op 10. Ik wist wat ging komen: drie voorbijrazende motoren, gevolgd door warmdraaiende gitaren; dan een muur van lange gitaarakkoorden, ondersteund door furieuze bas en drums. Vlak voordat de zang klinkt, is daar een drumbreak die me tot op de dag van vandaag naar adem doet happen; Pete Gill, wát een genie! Tenslotte de briljante zanglijn van de man met de herkenbare stem: Biff Byford in een wolkje echo. Verderop in deze albumopener nóg een bijzondere drumbreak; prachtig, met bovendien opwindende dubbele bassdrums in de refreinen!
Wat ook opvalt is dat producer Pete Hinton de liedjes heavy liet klinken. Dit in tegenstelling tot zijn voorganger, die Saxons debuut een armetierig geluid meegaf. Tenminste, dat las ik in die dagen ergens, want dat album hoorde je nooit op de radio. De heren lieten in interviews luid en duidelijk weten hoezeer ze zich voor die productie schaamden.
Mijn pick-up was die avond druk met WoS, de laatste keren zachter, broertje en zusje lagen inmiddels op bed. De volgende ochtend nauwelijks tijd om ‘m te draaien; we gingen op herfstvakantie en Sporthuis Centrum bood in hun bungalows geen platenspeler. Die vakantie was heerlijk, tegelijkertijd smachtte ik naar de thuiskomst.
Oor (Kees Baars?) omschreef Saxon toentertijd treffend als een kruising tussen Motörhead en AC/DC. Het felle Stand Up and Be Counted, waarin Biff mij een hart onder de riem steekt; de drumrolls in het intro van Freeway Mad, vol furie en sirenes; de hakkende riff van See the Light Shining, dat bovendien een verrassend tweede deel kent; het stereo-riffduel in het intro van Street Fighting Gang, met die heerlijk pompende bas van Steve Dawson en de korte solo’s in het slot, inclusief fluiten op de vingers. Her en der klinken sluwe rolls, fills, breaks en bekkenaccentjes: fenomenaal drumwerk.
De plaat sluit af met Machine Gun, dat de boxen van mijn platenspeler beproefde. In de heftigste stukken van deze plaat klinkt een luchtgevecht, via gierende gitarenduels uit de handen van Graham Oliver en Paul Quinn. Hier hoor je het sterkst de invloed van Motörhead, met wie de band inmiddels ook op tournee was geweest.
Drie keer wordt de gashendel van de motor minder ver opengedraaid. 747 met zijn melodieuze gitaarlijnen en melodie, plus het verhaal van een vliegtuig in nood. Zó mooi. Idem voor Suzie Hold On, met zijn triest-romantische verhaal over een ongeneeslijk zieke vriendin.
Slechts de titelsong, afsluiter van kant A, zou mij - toen nog niet! - gaan vervelen. Een midtempo song met een eindeloos herhaalde, AC/DC-achtige riff. Gezien de reacties die ik om me heen zie bij concerten, sta ik daarin alleen. Het zij zo. Dat eindeloze meezingen, brrr…
Na drie weken belandde de plaat op een cassettebandje, want de lp moest terug. Pas 35 jaar later schafte ik het zelf aan, op een cd-box met de eerste zeven albums, verschenen op het Franse label Carrere.
De band maakte meer sterke albums, maar geen haalt het venijn van hun tweede. Ruim éénenveertig jaar later zet ik ‘m weer op. Voor de hoeveelste maal? Wat een monument… Had hij maar nooit de band verlaten: Pete Gill! Pete Gill! Pete Gill!
Scars - Author! Author! (1981)

4,0
3
geplaatst: 19 november 2025, 16:29 uur
Niet te verwarren met die andere groep Scars met gitarist Gary Moore, is dit Schotse gitaarwave uit Edinburgh. frolunda noemde het drie jaar eerder een klassieker. Ik ben er nog niet uit of ik het die waarde moet toekennen, maar positief valt het zeker op, waarbij het verbazingwekkend is dat men met deze kwaliteit niet meer heeft kunnen opnemen. Author! Author! is namelijk meer dan veelbelovend, zoals BBC radio-dj John Peel al vroeg bevroedde.
Die opvallendheid zit 'm in de aanpak van gitarist Paul Research en zanger Robert King. De eerste tovert een gevarieerd palet aan geluiden tevoorschijn, de tweede heeft een aangename, licht-hese stem. Gezamenlijk zorgen ze ervoor dat er - geholpen door de composities en de strakke basis van bassist John Mackie en drummer Steve McLaughlin - een geluid klinkt dat pas later enigszins bij The Smiths zou klinken en meer nog denk ik aan indiegroepen of de huidige postpunkgeneratie. Hun tijd vooruit.
Soms laat Research zijn gitaar huilen als John McGeoch bij Magazine en Siouxsie deed, getuige The Lady In The Car With Glasses On And A Gun! en in Attention Please weent deze traag op een 6/8-maat. Alsof het album niet uit april 1981 maar uit 2025 stamt. We noemen het tegenwoordig postpunk, waarbinnen Scars een unieke plek inneemt.
Vermoedelijk zijn er grote verschillen tussen de liefhebbers over wat de beste nummers zijn. Mijn voorkeur gaat uit naar het uptempo werk: op kant 1 Fear of the Dark en David, de laatste ook omdat McLaughlin daar zo lekker zijn toms laat rollen. Het langzamere Obsessions bevalt mij het beste als het tegen het einde versnelt.
De eerste berichten hier op MuMe bij Author! Author! gaan over de moeilijke verkrijgbaarheid van het album. Het staat weliswaar nog steeds niet op mijn streamingplatform, maar wél op YouTube en sinds 2020 is er de 3cd-uitgave van Cherry Red.
Tijdens mijn reis door new wave bevind ik me momenteel in april 1981, Komende van Public Image Ltd. en Flowers of Romance vervolg ik bij het elpeedebuut van Modern English, Mesh & Lace getiteld.
Die opvallendheid zit 'm in de aanpak van gitarist Paul Research en zanger Robert King. De eerste tovert een gevarieerd palet aan geluiden tevoorschijn, de tweede heeft een aangename, licht-hese stem. Gezamenlijk zorgen ze ervoor dat er - geholpen door de composities en de strakke basis van bassist John Mackie en drummer Steve McLaughlin - een geluid klinkt dat pas later enigszins bij The Smiths zou klinken en meer nog denk ik aan indiegroepen of de huidige postpunkgeneratie. Hun tijd vooruit.
Soms laat Research zijn gitaar huilen als John McGeoch bij Magazine en Siouxsie deed, getuige The Lady In The Car With Glasses On And A Gun! en in Attention Please weent deze traag op een 6/8-maat. Alsof het album niet uit april 1981 maar uit 2025 stamt. We noemen het tegenwoordig postpunk, waarbinnen Scars een unieke plek inneemt.
Vermoedelijk zijn er grote verschillen tussen de liefhebbers over wat de beste nummers zijn. Mijn voorkeur gaat uit naar het uptempo werk: op kant 1 Fear of the Dark en David, de laatste ook omdat McLaughlin daar zo lekker zijn toms laat rollen. Het langzamere Obsessions bevalt mij het beste als het tegen het einde versnelt.
De eerste berichten hier op MuMe bij Author! Author! gaan over de moeilijke verkrijgbaarheid van het album. Het staat weliswaar nog steeds niet op mijn streamingplatform, maar wél op YouTube en sinds 2020 is er de 3cd-uitgave van Cherry Red.
Tijdens mijn reis door new wave bevind ik me momenteel in april 1981, Komende van Public Image Ltd. en Flowers of Romance vervolg ik bij het elpeedebuut van Modern English, Mesh & Lace getiteld.
Scars - Scars (2002)

3,5
0
geplaatst: 20 oktober 2023, 10:47 uur
In 2002 stond ik met de cd in mijn handen in een Free Record Shop, twijfelend of ik 'm zou kopen. Had goede recensies gelezen maar zette hem toch weer terug. 21 jaar later eens horen of dat wijs was.
Terwijl hij bezig is met de opnames en tour van Back to the Blues, komt Gary Moore rond zijn vijftigste verjaardag in een fase waarin hij terugkeert naar de muziek van Jimi Hendrix, wiens muziek hij vaak afspeelt. Dit ontgaat drummer Darrin Mooney niet en als Moore hardop over een rockalbum gaat praten, is het Mooney die de voormalig bassist van Skunk Anansie voorstelt, Richard 'Cass' Lewis.
Als Moore arriveert voor een eerste repetitie, hebben Lewis en Mooney zich al warmgespeeld: in deze bandsfeer voelt de gitarist zich onmiddelijk thuis. Dat Lewis een grote fan van Thin Lizzy is, verhoogt de feestvreugde. Enthousiaste repetities volgen, waarbij het materiaal van Moore door de twee jonge honden van extra energie wordt voorzien.
Dan moet er een groepsnaam komen voor het te maken album. Er wordt gehusseld met de voornamen van de groepsleden, waardoor de naam Scars ontstaat. Nogal ironisch volgens Mooney, want als er iets was wat je níet tegen Moore moest zeggen was het 'scarface', aldus de biografie Gary Moore van Harry Shapiro.
Vervolgens wordt met producer Chris Tsangarides hard gewerkt aan het enige album dat de groep zou maken. Ook hard wat betreft volume: George Michael neemt een verdieping lager op en komt klagen dat de gitaargeluiden doordringen tot zijn microfoon; de zanger schort zijn opnamen op tot Scars is vertrokken.
Hendrix verkende niet alleen de mogelijkheden van gitaar, hij was ook degene die blues transformeerde in rock. Zo'n grote "uitvinding" doen is 35 jaar later niet meer herhaalbaar, maar de drie probeerden wel degelijk nieuwe dingen uit. Moore speelt vooral uitbundige rock, integreert eigentijdse digitale geluiden (Wasn't Born in Chicago) en vaker komt blues voorbij.
Dat laatste is de reden dat Lewis minder enthousiast was over het eindresultaat: hij vond het te conservatief. De groep tourt als special guests in het voorprogramma van ZZ Top (waarvan deze onofficiële 2cd verschijnt) en vreemd genoeg volgt een tournee in de hardrockwereld, juist datgene waarvan Moore zich sinds 1990 distantieert. Dit onder de vlag van de Monsters of Rock Tour met Whitesnake en Y&T, groepen waarmee de gitarist niet meer mee geassocieerd wilde worden.
Hij zet zich zelfs rond de tournee in interviews af tegen dit soort hardrock, maar speelt wel werk uit zijn jaren '80, te weten Wishing Well en Shapes of Things. De logische vraag is waarom hij dan toehapte. Drie redenen: na de subtiliteit van de blues had hij simpelweg zin om luid te rocken, hij moest Scars promoten (de verkopen vielen tegen) en het tourgage was hoog.
Had ik in 2002 Scars gekocht, dan was ik vermoedelijk teleurgesteld geweest, mede omdat ik in die periode met andere genres bezig was én omdat ik niet zo'n fan van Hendrixachtige rock ben. De echo van die legende klinkt vooral op When the Sun Comes Down, World of Confusion en World Keep Turnin' Round en alhoewel goed in elkaar gezet, is het simpelweg niet mijn ding.
Stand Up klinkt als Hendrix in combinatie met electronica en riffs anno 2002, wat ik nog wel aardig vind, maar eigenlijk word ik alleen echt vrolijk van Wasn't Born in Chicago, juist omdat dit het meest vernieuwend is. Ook lekker is de shuffle in bluesrocker My Baby. Ingetogen blues is te horen in Just Can't Let You Go en in het afsluitende Who Knows, met daarin één korte geluidseruptie.
Moore had aanvankelijk een tweede album met Scars willen maken, maar het vuur doofde; met name bij Lewis. De groep nam veel meer nummers op dan op het album belandden; de licht teleurgestelde bassist kreeg kort na ontbinding van de groep de rechten hiervoor van Moore. Deze en Mooney richtten zich vervolgens op een nieuwe bluesplaat, wat Power of the Blues zou worden.
Terwijl hij bezig is met de opnames en tour van Back to the Blues, komt Gary Moore rond zijn vijftigste verjaardag in een fase waarin hij terugkeert naar de muziek van Jimi Hendrix, wiens muziek hij vaak afspeelt. Dit ontgaat drummer Darrin Mooney niet en als Moore hardop over een rockalbum gaat praten, is het Mooney die de voormalig bassist van Skunk Anansie voorstelt, Richard 'Cass' Lewis.
Als Moore arriveert voor een eerste repetitie, hebben Lewis en Mooney zich al warmgespeeld: in deze bandsfeer voelt de gitarist zich onmiddelijk thuis. Dat Lewis een grote fan van Thin Lizzy is, verhoogt de feestvreugde. Enthousiaste repetities volgen, waarbij het materiaal van Moore door de twee jonge honden van extra energie wordt voorzien.
Dan moet er een groepsnaam komen voor het te maken album. Er wordt gehusseld met de voornamen van de groepsleden, waardoor de naam Scars ontstaat. Nogal ironisch volgens Mooney, want als er iets was wat je níet tegen Moore moest zeggen was het 'scarface', aldus de biografie Gary Moore van Harry Shapiro.
Vervolgens wordt met producer Chris Tsangarides hard gewerkt aan het enige album dat de groep zou maken. Ook hard wat betreft volume: George Michael neemt een verdieping lager op en komt klagen dat de gitaargeluiden doordringen tot zijn microfoon; de zanger schort zijn opnamen op tot Scars is vertrokken.
Hendrix verkende niet alleen de mogelijkheden van gitaar, hij was ook degene die blues transformeerde in rock. Zo'n grote "uitvinding" doen is 35 jaar later niet meer herhaalbaar, maar de drie probeerden wel degelijk nieuwe dingen uit. Moore speelt vooral uitbundige rock, integreert eigentijdse digitale geluiden (Wasn't Born in Chicago) en vaker komt blues voorbij.
Dat laatste is de reden dat Lewis minder enthousiast was over het eindresultaat: hij vond het te conservatief. De groep tourt als special guests in het voorprogramma van ZZ Top (waarvan deze onofficiële 2cd verschijnt) en vreemd genoeg volgt een tournee in de hardrockwereld, juist datgene waarvan Moore zich sinds 1990 distantieert. Dit onder de vlag van de Monsters of Rock Tour met Whitesnake en Y&T, groepen waarmee de gitarist niet meer mee geassocieerd wilde worden.
Hij zet zich zelfs rond de tournee in interviews af tegen dit soort hardrock, maar speelt wel werk uit zijn jaren '80, te weten Wishing Well en Shapes of Things. De logische vraag is waarom hij dan toehapte. Drie redenen: na de subtiliteit van de blues had hij simpelweg zin om luid te rocken, hij moest Scars promoten (de verkopen vielen tegen) en het tourgage was hoog.
Had ik in 2002 Scars gekocht, dan was ik vermoedelijk teleurgesteld geweest, mede omdat ik in die periode met andere genres bezig was én omdat ik niet zo'n fan van Hendrixachtige rock ben. De echo van die legende klinkt vooral op When the Sun Comes Down, World of Confusion en World Keep Turnin' Round en alhoewel goed in elkaar gezet, is het simpelweg niet mijn ding.
Stand Up klinkt als Hendrix in combinatie met electronica en riffs anno 2002, wat ik nog wel aardig vind, maar eigenlijk word ik alleen echt vrolijk van Wasn't Born in Chicago, juist omdat dit het meest vernieuwend is. Ook lekker is de shuffle in bluesrocker My Baby. Ingetogen blues is te horen in Just Can't Let You Go en in het afsluitende Who Knows, met daarin één korte geluidseruptie.
Moore had aanvankelijk een tweede album met Scars willen maken, maar het vuur doofde; met name bij Lewis. De groep nam veel meer nummers op dan op het album belandden; de licht teleurgestelde bassist kreeg kort na ontbinding van de groep de rechten hiervoor van Moore. Deze en Mooney richtten zich vervolgens op een nieuwe bluesplaat, wat Power of the Blues zou worden.
Scorpions - Animal Magnetism (1980)

3,5
2
geplaatst: 15 mei 2022, 23:12 uur
Ook Animal Magnetism stond indertijd in de fonotheek van mijn dorp. Het was begin 1981, ik weet nog hoe koud mijn zolderkamer kon zijn toen het zwarte vinyl op mijn platenspeler belandde.
De hoes was van weer van het eigenzinnige collectief Hipgnosis. Op de cover zag ik onder andere een meneer met een zondagse broek die ik in die dagen altijd van mijn moeder moest dragen als we naar een nette gelegenheid gingen.
Met voorganger Lovedrive was het eerste succes in de Verenigde Staten behaald en met deze plaat werd dat uitgebouwd. Gitarist Matthias Jabs, die vroeger bijles wiskunde had gekregen van bassist Francis Buchholz, had niets meer te duchten van voorganger Michael Schenker, die door allerlei genotsmiddelen moeilijk te handhaven was en de groep definitief had verlaten.
Verschenen in maart 1980, klinkt de plaat met z’n “dunne” snaredrumsound nog als de jaren ’70. Het gemiddelde tempo is niet hoog, wél ervaarde ik indertijd een ietwat melancholieke sfeer. Het zit 'm in de vaak langzamere, slepende composities.
De volgende liedjes belandden op cassettebandje: van kant A Make It Real met zijn lekkere slaggitaaraccenten, het snelle Don’t Make No Promises en de ballade Lady Starlight. Van de B-kant het uptempo Falling in Love, het heavy Only a Man en het slepende The Zoo. Het zijn nog altijd de nummers die me het bekendst in de oren klinken.
Indertijd was mijn selectie streng, cassettebandjes kostten nogal wat geld. Toch constateer ik anno 2022 dat de andere nummers er niet of nauwelijks voor onderdoen, al ontbreken één of meer absolute uitschieters.
Hierboven noemden anderen al bonustrack Hey You en ze hebben gelijk: sterke track! De non-albumsingle verscheen indertijd in Duitsland met The Zoo op de B-kant. Op de site van de Duitse hitlijsten vertelt een fan dat het bij radiozender SDR 3 één van de meest aangevraagde liedjes van de band was tot 1989, toen het eindelijk op een album verscheen, te weten verzamelaar Best of Rockers 'N' Ballads.
De overige bonussongs die ik op streaming tegenkom zijn ook interessant, omdat deze demo’s soms sterk afwijken van de versies op de elpee. Dat deze plaat fris is gebleven, zegt iets over de kwaliteit.
De hoes was van weer van het eigenzinnige collectief Hipgnosis. Op de cover zag ik onder andere een meneer met een zondagse broek die ik in die dagen altijd van mijn moeder moest dragen als we naar een nette gelegenheid gingen.
Met voorganger Lovedrive was het eerste succes in de Verenigde Staten behaald en met deze plaat werd dat uitgebouwd. Gitarist Matthias Jabs, die vroeger bijles wiskunde had gekregen van bassist Francis Buchholz, had niets meer te duchten van voorganger Michael Schenker, die door allerlei genotsmiddelen moeilijk te handhaven was en de groep definitief had verlaten.
Verschenen in maart 1980, klinkt de plaat met z’n “dunne” snaredrumsound nog als de jaren ’70. Het gemiddelde tempo is niet hoog, wél ervaarde ik indertijd een ietwat melancholieke sfeer. Het zit 'm in de vaak langzamere, slepende composities.
De volgende liedjes belandden op cassettebandje: van kant A Make It Real met zijn lekkere slaggitaaraccenten, het snelle Don’t Make No Promises en de ballade Lady Starlight. Van de B-kant het uptempo Falling in Love, het heavy Only a Man en het slepende The Zoo. Het zijn nog altijd de nummers die me het bekendst in de oren klinken.
Indertijd was mijn selectie streng, cassettebandjes kostten nogal wat geld. Toch constateer ik anno 2022 dat de andere nummers er niet of nauwelijks voor onderdoen, al ontbreken één of meer absolute uitschieters.
Hierboven noemden anderen al bonustrack Hey You en ze hebben gelijk: sterke track! De non-albumsingle verscheen indertijd in Duitsland met The Zoo op de B-kant. Op de site van de Duitse hitlijsten vertelt een fan dat het bij radiozender SDR 3 één van de meest aangevraagde liedjes van de band was tot 1989, toen het eindelijk op een album verscheen, te weten verzamelaar Best of Rockers 'N' Ballads.
De overige bonussongs die ik op streaming tegenkom zijn ook interessant, omdat deze demo’s soms sterk afwijken van de versies op de elpee. Dat deze plaat fris is gebleven, zegt iets over de kwaliteit.
Scorpions - Blackout (1982)

4,5
0
geplaatst: 4 november 2022, 10:08 uur
Met de voorverkiezingen in Arizona in aantocht valt de naam van die Amerikaanse staat regelmatig in nieuwsuitzendingen. In mijn muziekhoofd associeer ik dit echter vooral met deze spetterende plaat van de Scorpions en dus werd ik met al die berichten als een magneet ernaartoe getrokken.
Mijn muziekmaatje van school had de plaat in het voorjaar van 1982 gekocht. Slechts twee berichten hierboven noemen de hoes, maar man, wat waren we daarvan onder de indruk! De krammen in de ogen van de snorrenman werden eens goed bestudeerd. Een stuk heftiger dan de absurdistische hoezen van Hipgnosis, wier diensten op de vorige twee albums waren ingehuurd.
De glasscherven op de hoes keerden terug na het slotakkoord van het knallende Blackout, helemaal te gek vonden we dat. Duimen omhoog en blijde gezichten op zijn kamer, waar de muziek voluit kon zonder angst voor buren.
Sowieso het hardste nummer dat de band ooit uitbracht, vermoedden wij. Want onmiddellijk werd duidelijk dat producer Dieter Derks er een schepje bovenop had gedaan: vooral de gitaren zitten veel zwaarder in de mix, maar ook de drums hadden extra volume gekregen.
Als tieners hadden vooral de snelle nummers onze voorkeur. Naast de titelsong zijn dat Now! en al helemaal Dynamite, dat de B-kant opende. Ik kopieerde de gehele plaat en heb die heel wat keren afgespeeld op mijn zolderkamer. Blij werden we ook van de soms knetterende gitaarsolo’s, vooral in Dynamite is het fascinerend om te horen wat Matthias Jabs en Rudolf Schenker daar neerzetten. Daarbij bleek het langzamere werk eveneens meer dan prima, mede dankzij de zwaardere productie. Op de langzamere B-kant bijvoorbeeld Arizona en de ballade When the Smoke is Going Down.
De maanden erna werd duidelijk dat de band bezig was om definitief voet aan de grond te krijgen in de Verenigde Staten, waarmee ze wereldtop werden. Dit dankzij een eersteklas boekingsmanagement en platenmaatschappij, zaken waaraan de band jarenlang zorgvuldig had gebouwd. Ook las ik ergens interessante achtergrondinformatie over de hoes en de kunstenaar, die het plaatje extra interessant maakten.
De plaat vind ik nog altijd fris klinken, al is het (bas)drumwerk van Herman the German Rarebell met de oren van nu wat simpel. Is ook wel weer charmant. Op sommige nummers klinkt metal door in plaats van de hardrock van voorheen, signalen dat de band meegroeide met de tijdgeest.
De voorbije dagen sprong vooral China White eruit. Vond ik indertijd geen topper, nu echter krijg ik bijna de indruk naar een doomband te luisteren. Stap voor stap wordt een zware riff opgebouwd, die bovendien 11/4 blijkt te zijn (4/4/3 tellen).
Afgelopen najaar deden ze hun Noord-Amerikaanse tournee. De staat Arizona werd echter overgeslagen. Kunnen ze zich daar op de politiek richten, die is al pittig genoeg daar.
Mijn muziekmaatje van school had de plaat in het voorjaar van 1982 gekocht. Slechts twee berichten hierboven noemen de hoes, maar man, wat waren we daarvan onder de indruk! De krammen in de ogen van de snorrenman werden eens goed bestudeerd. Een stuk heftiger dan de absurdistische hoezen van Hipgnosis, wier diensten op de vorige twee albums waren ingehuurd.
De glasscherven op de hoes keerden terug na het slotakkoord van het knallende Blackout, helemaal te gek vonden we dat. Duimen omhoog en blijde gezichten op zijn kamer, waar de muziek voluit kon zonder angst voor buren.
Sowieso het hardste nummer dat de band ooit uitbracht, vermoedden wij. Want onmiddellijk werd duidelijk dat producer Dieter Derks er een schepje bovenop had gedaan: vooral de gitaren zitten veel zwaarder in de mix, maar ook de drums hadden extra volume gekregen.
Als tieners hadden vooral de snelle nummers onze voorkeur. Naast de titelsong zijn dat Now! en al helemaal Dynamite, dat de B-kant opende. Ik kopieerde de gehele plaat en heb die heel wat keren afgespeeld op mijn zolderkamer. Blij werden we ook van de soms knetterende gitaarsolo’s, vooral in Dynamite is het fascinerend om te horen wat Matthias Jabs en Rudolf Schenker daar neerzetten. Daarbij bleek het langzamere werk eveneens meer dan prima, mede dankzij de zwaardere productie. Op de langzamere B-kant bijvoorbeeld Arizona en de ballade When the Smoke is Going Down.
De maanden erna werd duidelijk dat de band bezig was om definitief voet aan de grond te krijgen in de Verenigde Staten, waarmee ze wereldtop werden. Dit dankzij een eersteklas boekingsmanagement en platenmaatschappij, zaken waaraan de band jarenlang zorgvuldig had gebouwd. Ook las ik ergens interessante achtergrondinformatie over de hoes en de kunstenaar, die het plaatje extra interessant maakten.
De plaat vind ik nog altijd fris klinken, al is het (bas)drumwerk van Herman the German Rarebell met de oren van nu wat simpel. Is ook wel weer charmant. Op sommige nummers klinkt metal door in plaats van de hardrock van voorheen, signalen dat de band meegroeide met de tijdgeest.
De voorbije dagen sprong vooral China White eruit. Vond ik indertijd geen topper, nu echter krijg ik bijna de indruk naar een doomband te luisteren. Stap voor stap wordt een zware riff opgebouwd, die bovendien 11/4 blijkt te zijn (4/4/3 tellen).
Afgelopen najaar deden ze hun Noord-Amerikaanse tournee. De staat Arizona werd echter overgeslagen. Kunnen ze zich daar op de politiek richten, die is al pittig genoeg daar.
Scorpions - Love at First Sting (1984)

3,5
3
geplaatst: 25 januari 2023, 20:16 uur
Het logische vervolg van de Scorpions op Blackout, vond ik Love at First Sting bij verschijnen. Als ik me goed herinner, verstopte een vriend van me de hoes vanwege zijn moeder. Fraaie fotografie meende ik echter, bovendien sterk in combinatie met de titel die goed bij de groepsnaam past.
De A-zijde (track 1 tot en met 5) bevat stevige hardrock met zo nu en dan heerlijke slaggitaren die je afwisselend links en rechts om de oren vliegen, spannende intro’s en bovendien splijtende, zij het niet al te lange gitaarsolo’s.
Op de B-kant ging het wat snel vervelen. Crossfire heeft een nobele vredesboodschap, maar de muziek was niet om te vaak te horen.
Als altijd was daar weer de sterke ballade, die deze keer de plaat afsloot. Ik vond ‘m wel wat lang vond duren op die toch al langzamere tweede helft van de plaat. Ze hadden mooiere soortgenoten opgenomen.
De plaat haalde in diverse Europese landen hoge verkoopcijfers, maar in Nederland echter wederom niet in de albumlijst te vinden. Toch kende ik diverse vrienden die de plaat kochten.
In 1986 maakte Nederland een heropleving van hardrock mee. De deur werd ingetrapt door Europe met The Final Countdown, waarna Bon Jovi met Livin’ on a Prayer eveneens een grote hit werd. Hairmetal was opeens in de mode, toch wel bijzonder voor Nederland. Dit mogelijk door de enthousiaste promotie bij Veronica, waar presentator/radio-dj Adam Curry met zijn eigen “grote kapsel” deze trend vertegenwoordigde.
Toch was mijn verbazing groot toen Still Loving You, bijna drie jaar na verschijnen, in februari 1987 de vaderlandse hitparades betrad, om in april #5 te halen in de Nationale Hitparade en #4 bij Veronica. Het steviger Rock You Like a Hurricane haalde bovendien in mei zowaar #47 en Tipparade. Enige nadeel vond ik echter dat “mijn” Scorpions, de band onder hardrockfans geliefd, nu plotseling “van iedereen” was. Maar goed, je kon dit dan wel op je verjaardag draaien zonder dat vriendinnen protesteerden…
Nog altijd mijn favorieten: I’m Leaving You, mede omdat ik de tekst over het afscheid van een geliefde zo mooi vond, door de verzekering dat je terug zult komen; Coming Home dat in het begin een ballade lijkt te zijn, maar daarna heerlijk hard én uptempo knalt.
Met Love at First Sting slaagden de Scorpions er dan uiteindelijk in om Nederland door de knieën te laten gaan, nadat Amerika, Engeland en het grootste deel van Europa, tot en met de landen achter het ijzeren gordijn ons al waren voorgegaan. Beter laat dan nooit.
De A-zijde (track 1 tot en met 5) bevat stevige hardrock met zo nu en dan heerlijke slaggitaren die je afwisselend links en rechts om de oren vliegen, spannende intro’s en bovendien splijtende, zij het niet al te lange gitaarsolo’s.
Op de B-kant ging het wat snel vervelen. Crossfire heeft een nobele vredesboodschap, maar de muziek was niet om te vaak te horen.
Als altijd was daar weer de sterke ballade, die deze keer de plaat afsloot. Ik vond ‘m wel wat lang vond duren op die toch al langzamere tweede helft van de plaat. Ze hadden mooiere soortgenoten opgenomen.
De plaat haalde in diverse Europese landen hoge verkoopcijfers, maar in Nederland echter wederom niet in de albumlijst te vinden. Toch kende ik diverse vrienden die de plaat kochten.
In 1986 maakte Nederland een heropleving van hardrock mee. De deur werd ingetrapt door Europe met The Final Countdown, waarna Bon Jovi met Livin’ on a Prayer eveneens een grote hit werd. Hairmetal was opeens in de mode, toch wel bijzonder voor Nederland. Dit mogelijk door de enthousiaste promotie bij Veronica, waar presentator/radio-dj Adam Curry met zijn eigen “grote kapsel” deze trend vertegenwoordigde.
Toch was mijn verbazing groot toen Still Loving You, bijna drie jaar na verschijnen, in februari 1987 de vaderlandse hitparades betrad, om in april #5 te halen in de Nationale Hitparade en #4 bij Veronica. Het steviger Rock You Like a Hurricane haalde bovendien in mei zowaar #47 en Tipparade. Enige nadeel vond ik echter dat “mijn” Scorpions, de band onder hardrockfans geliefd, nu plotseling “van iedereen” was. Maar goed, je kon dit dan wel op je verjaardag draaien zonder dat vriendinnen protesteerden…
Nog altijd mijn favorieten: I’m Leaving You, mede omdat ik de tekst over het afscheid van een geliefde zo mooi vond, door de verzekering dat je terug zult komen; Coming Home dat in het begin een ballade lijkt te zijn, maar daarna heerlijk hard én uptempo knalt.
Met Love at First Sting slaagden de Scorpions er dan uiteindelijk in om Nederland door de knieën te laten gaan, nadat Amerika, Engeland en het grootste deel van Europa, tot en met de landen achter het ijzeren gordijn ons al waren voorgegaan. Beter laat dan nooit.
Scorpions - Lovedrive (1979)

3,5
1
geplaatst: 2 april 2022, 00:15 uur
Scorpions was één van de eerste hardrockbands die dankzij radioshow Betonuur van Alfred Lagarde mijn slaapkamer binnenrolden. Dit dankzij hun liveplaat Tokyo Tapes, die de dj vanaf 1978 enthousiast serveerde.
De eerste studioplaat van ze die ik zou draaien was opvolger Lovedrive. Een knappe mevrouw met veel kauwgom op een verkeerde maar fraai gevormde plek sierde de hoes, een typisch absurdistisch ontwerp van het Londense bureau Hipgnosis. Een plaat die ik vanuit de fonotheek, eind 1980, niet al te zichtbaar op mijn kamer parkeerde; haar aanblik hierop zou onvermijdelijk gezeur met mijn poetsende moeder opleveren.
Dat Michael Schenker voor enkele gastbijdragen vanuit UFO was teruggekeerd naar de band uit Hannover was heel bijzonder, begrepen mijn muziekmaatje en ik. Oor had ook nog eens positief gerecenseerd. De naald landde dus onder hooggespannen verwachtingen in de groef.
Een kleine 40 minuten later constateerde ik dat dit inderdaad een fijne plaat was. Niet zo heftig als de Britse metalgolf die ik inmiddels volgde, maar met enkele sterke songs en melodieën. Te weten (het heerlijke refrein en brug van) Loving You Sunday Morning, de zomerse reggaehardrock (!) op Is There Anybody There? en de prachtige ballad Holiday. Die draaide ik maandenlang voor het slapengaan, totdat ik ontdekte dat ik zonder dat ritueel niet meer in slaap viel en mezelf dwong af te kicken...
En inderdaad, de jongste Schenker excelleert met solo's op de snellere liedjes Another Peace of Meat en Lovedrive. Nieuwe gitarist Matthias Jabs zal minder blij zijn geweest met de terugkeer van Michael op het nest, maar gezien de publiciteit die dit opleverde en het feit dat deze op doorreis was naar zijn eigen band, zal hij spoedig opgelucht adem hebben gehaald.
Veertig jaar later ben ik niet van mening veranderd: een lekker plaatje, achteraf gezien de eerste van vier fijne tot sterke albums in deze bezetting. De nummers die er toen uitsprongen doen dat nog steeds, de andere ervaar ik opnieuw als degelijke middelmaat.
De eerste studioplaat van ze die ik zou draaien was opvolger Lovedrive. Een knappe mevrouw met veel kauwgom op een verkeerde maar fraai gevormde plek sierde de hoes, een typisch absurdistisch ontwerp van het Londense bureau Hipgnosis. Een plaat die ik vanuit de fonotheek, eind 1980, niet al te zichtbaar op mijn kamer parkeerde; haar aanblik hierop zou onvermijdelijk gezeur met mijn poetsende moeder opleveren.
Dat Michael Schenker voor enkele gastbijdragen vanuit UFO was teruggekeerd naar de band uit Hannover was heel bijzonder, begrepen mijn muziekmaatje en ik. Oor had ook nog eens positief gerecenseerd. De naald landde dus onder hooggespannen verwachtingen in de groef.
Een kleine 40 minuten later constateerde ik dat dit inderdaad een fijne plaat was. Niet zo heftig als de Britse metalgolf die ik inmiddels volgde, maar met enkele sterke songs en melodieën. Te weten (het heerlijke refrein en brug van) Loving You Sunday Morning, de zomerse reggaehardrock (!) op Is There Anybody There? en de prachtige ballad Holiday. Die draaide ik maandenlang voor het slapengaan, totdat ik ontdekte dat ik zonder dat ritueel niet meer in slaap viel en mezelf dwong af te kicken...
En inderdaad, de jongste Schenker excelleert met solo's op de snellere liedjes Another Peace of Meat en Lovedrive. Nieuwe gitarist Matthias Jabs zal minder blij zijn geweest met de terugkeer van Michael op het nest, maar gezien de publiciteit die dit opleverde en het feit dat deze op doorreis was naar zijn eigen band, zal hij spoedig opgelucht adem hebben gehaald.
Veertig jaar later ben ik niet van mening veranderd: een lekker plaatje, achteraf gezien de eerste van vier fijne tot sterke albums in deze bezetting. De nummers die er toen uitsprongen doen dat nog steeds, de andere ervaar ik opnieuw als degelijke middelmaat.
Scorpions - Rock Believer (2022)

4,0
6
geplaatst: 9 april 2022, 22:48 uur
Stel dat het 1985 was. Ik was een nog-maar-kort-ex-puber, bruisend en vol verwachting naar zijn toekomst toewerkend. Stel dat Rock Believer de opvolger was geweest van Love at First Sting en nog maar pas verschenen...
Zeker is dat dit album anders zou binnenkomen. Ik verplaats mij in mijn ik van toen. Geen twijfel: ik was absoluut gevallen voor het feit dat Rock Believer een steviger album is dan z’n voorganger. Vanaf opener Gas in the Tank tot de één na laatste song Crossing Borders is het devies ‘hard en vaak uptempo met hier en daar een snijdende gitaarsolo'. Vijftien songs lang is het knallen. Bij dit alles veel variatie in tempo’s, riffs en in Shining of your Soul zelfs een vleugje reggae, net als zes jaar eerder op Is There Anybody There? van Lovedrive.
Daarbij was ik blij geweest met het feit dat dit een (bijna) dubbelelpee is waarvan pas de zestiende en allerlaatste track When You Know een ballad is, een hele fraaie zoals zij dat zo goed kunnen.
Echter… Deel Eén. Het is niet 1985, we leven in april 2022. Ik ben nog steeds een ex-puber, zij het nu al heel lang. Vanaf de tweede helft van de jaren ’80 werden "mijn" Scorpions steeds minder interessant: muzikaal gezien leek inspiratie op te drogen, met saaie songs tot gevolg. Ik miste dat scherpe randje in hun muziek dat ze voorheen zelfs in hun zoete ballads verwerkten.
Ik zag hoe Rudolf Schenker als voorspelbare gimmick op iedere publiciteitsfoto zijn mond wijd opensperde alsof hij bij de tandarts in de stoel lag, hoe vanaf 1990 onnozele tuttenbolmeisjes wegliepen met Winds of Change, hoe de voorheen venijnige gifklieren in de schorpioenenstaart zo goed als uitgedroogd waren. Brave poprock, geschikt voor iedereen zonder échte passie voor muziek.
Uiteraard bleef ik ze volgen, een beetje alsof je je ex van afstand volgt. Bleef toch benieuwd hoe het met dit Hannoverse bandje ging. Ik las de recensies, hoorde de singles.
Ondertussen veranderde mijn leven. Er kwam een gezin met kinderen, wisselvallige banen en de problemen die ik daarin tegenkwam, de dagelijkse zorgen qua onderhoud voor dit alles en helaas ook de tegenslagen. De frisse puber transformeerde naar meneertje doorzonwoning, forensend naar zijn werk. Eigenlijk was ik ook een uitgebluste schorpioen.
Echter… Deel Twee. Toen de band in 2015 op afscheidstour ging, besefte ik dat ze nog wel degelijk een plekje in mijn hart hadden. Tijd om in hun albums te duiken, geholpen door de nieuwe media die via internet en streaming beschikbaar waren gekomen.
Vanaf Eye II Eye (1999) bleken de Scorpions weer interessant, alhoewel die term niet per se hetzelfde is als ‘goed’. Maar hier en daar werd venijnig gerockt, het vuur laaide altijd wel ergens op, ook als de band weinig overtuigend experimenteerde. Geen topalbums, maar ook niet de gifloze prikjes uit de jaren 1988 - 1996, zo gevaarlijk als een botermesje.
Met Rock Believer gaat de band een forse stap verder, ongetwijfeld mede dankzij de komst van drummer Mickey Dee, al kwam ik de gehoopte dubbele basdrumknaller niet tegen. Bekijk ook eens de tong van de dame op de hoes, die bevestigt wat ik hoor: de band is terug met het gif van eind jaren ’70 tot halverwege ’80, de jaren waarin ik ze leerde kennen en enthousiast volgde. Kus deze vrouw en je voelt de adrenaline die haar schorpioen injecteert.
Zestien songs voor een album is veel, maar verrek, ze mogen er zijn, allemaal. Wat me daarbij opvalt is dat de Duitse tongval in het Engels van zanger Klaus Meine kleiner is dan midden jaren ’80, maar de "deadly sting" waarover hij in de opener zingt is inderdaad terug. Sterker nog, dit album kan zich meten met het beste uit die tijd. Waarschijnlijk had ik dit 37 jaar geleden hun beste album tot dusver gevonden.
Zeker is dat dit album anders zou binnenkomen. Ik verplaats mij in mijn ik van toen. Geen twijfel: ik was absoluut gevallen voor het feit dat Rock Believer een steviger album is dan z’n voorganger. Vanaf opener Gas in the Tank tot de één na laatste song Crossing Borders is het devies ‘hard en vaak uptempo met hier en daar een snijdende gitaarsolo'. Vijftien songs lang is het knallen. Bij dit alles veel variatie in tempo’s, riffs en in Shining of your Soul zelfs een vleugje reggae, net als zes jaar eerder op Is There Anybody There? van Lovedrive.
Daarbij was ik blij geweest met het feit dat dit een (bijna) dubbelelpee is waarvan pas de zestiende en allerlaatste track When You Know een ballad is, een hele fraaie zoals zij dat zo goed kunnen.
Echter… Deel Eén. Het is niet 1985, we leven in april 2022. Ik ben nog steeds een ex-puber, zij het nu al heel lang. Vanaf de tweede helft van de jaren ’80 werden "mijn" Scorpions steeds minder interessant: muzikaal gezien leek inspiratie op te drogen, met saaie songs tot gevolg. Ik miste dat scherpe randje in hun muziek dat ze voorheen zelfs in hun zoete ballads verwerkten.
Ik zag hoe Rudolf Schenker als voorspelbare gimmick op iedere publiciteitsfoto zijn mond wijd opensperde alsof hij bij de tandarts in de stoel lag, hoe vanaf 1990 onnozele tuttenbolmeisjes wegliepen met Winds of Change, hoe de voorheen venijnige gifklieren in de schorpioenenstaart zo goed als uitgedroogd waren. Brave poprock, geschikt voor iedereen zonder échte passie voor muziek.
Uiteraard bleef ik ze volgen, een beetje alsof je je ex van afstand volgt. Bleef toch benieuwd hoe het met dit Hannoverse bandje ging. Ik las de recensies, hoorde de singles.
Ondertussen veranderde mijn leven. Er kwam een gezin met kinderen, wisselvallige banen en de problemen die ik daarin tegenkwam, de dagelijkse zorgen qua onderhoud voor dit alles en helaas ook de tegenslagen. De frisse puber transformeerde naar meneertje doorzonwoning, forensend naar zijn werk. Eigenlijk was ik ook een uitgebluste schorpioen.
Echter… Deel Twee. Toen de band in 2015 op afscheidstour ging, besefte ik dat ze nog wel degelijk een plekje in mijn hart hadden. Tijd om in hun albums te duiken, geholpen door de nieuwe media die via internet en streaming beschikbaar waren gekomen.
Vanaf Eye II Eye (1999) bleken de Scorpions weer interessant, alhoewel die term niet per se hetzelfde is als ‘goed’. Maar hier en daar werd venijnig gerockt, het vuur laaide altijd wel ergens op, ook als de band weinig overtuigend experimenteerde. Geen topalbums, maar ook niet de gifloze prikjes uit de jaren 1988 - 1996, zo gevaarlijk als een botermesje.
Met Rock Believer gaat de band een forse stap verder, ongetwijfeld mede dankzij de komst van drummer Mickey Dee, al kwam ik de gehoopte dubbele basdrumknaller niet tegen. Bekijk ook eens de tong van de dame op de hoes, die bevestigt wat ik hoor: de band is terug met het gif van eind jaren ’70 tot halverwege ’80, de jaren waarin ik ze leerde kennen en enthousiast volgde. Kus deze vrouw en je voelt de adrenaline die haar schorpioen injecteert.
Zestien songs voor een album is veel, maar verrek, ze mogen er zijn, allemaal. Wat me daarbij opvalt is dat de Duitse tongval in het Engels van zanger Klaus Meine kleiner is dan midden jaren ’80, maar de "deadly sting" waarover hij in de opener zingt is inderdaad terug. Sterker nog, dit album kan zich meten met het beste uit die tijd. Waarschijnlijk had ik dit 37 jaar geleden hun beste album tot dusver gevonden.
Scorpions - Savage Amusement (1988)

3,0
0
geplaatst: 3 december 2023, 19:48 uur
Toen ik Scorpions in 1978 voor het eerst hoorde, waren ze met Tokyo Tapes wild en gevaarlijk. Met de daarop vier volgende studioalbums bleef dat avontuurlijke gevoel, met Savage Amusement was de koek echter op.
Wel is de plaat allememachies lekker geproduceerd en zijn de liedjes op zich okay. Maar inmiddels vond ik het te veilig, te braaf: in 1988 zat ik er anders in dan acht jaar eerder.
Don't Stop at the Top is niet de gedroomde albumopener maar wel een prima nummer en verder sprongen We Let it Rock en Love on the Run boven het veilige midden uit met hun puntige riffs.
Bij de extra's zit het instrumentale Fast and Furious, dat indertijd niet de plaat haalde: ze rockten dus echt nog wel!
De groep uit Hannover was inmiddels salonfähig voor een veel breder poppubliek, zo was overduidelijk. Ik gunde het hen wel, maar om nou met de meute mee te juichen?
Wel is de plaat allememachies lekker geproduceerd en zijn de liedjes op zich okay. Maar inmiddels vond ik het te veilig, te braaf: in 1988 zat ik er anders in dan acht jaar eerder.
Don't Stop at the Top is niet de gedroomde albumopener maar wel een prima nummer en verder sprongen We Let it Rock en Love on the Run boven het veilige midden uit met hun puntige riffs.
Bij de extra's zit het instrumentale Fast and Furious, dat indertijd niet de plaat haalde: ze rockten dus echt nog wel!
De groep uit Hannover was inmiddels salonfähig voor een veel breder poppubliek, zo was overduidelijk. Ik gunde het hen wel, maar om nou met de meute mee te juichen?
Scorpions - Tokyo Tapes (1978)

4,0
2
geplaatst: 5 maart 2022, 11:34 uur
Vanaf najaar 1975 en de eerste maanden van 1976 ontdekte ik bij een schoolvriend thuis geleidelijk popmuziek, vanaf de zomer stond een oud transistorradiootje naast mijn bed, geleend van mijn ouders. Aanvankelijke favoriet radioprogramma was de TROS Europarade op donderdagmiddag met super-dj Ferry Maat, welke nogmaals werd uitgezonden op zaterdagmiddag met Ad Roland. Maar ook de Nationale Hitparade met Felix Meurders op vrijdagmiddag had mijn volle aandacht.
Veel keus was er overigens niet: enige popzender Hilversum 3 was een lappendeken aan stijlen en programma’s. Dat had wél een voordeel. Je werd namelijk gedwongen om naar muziek te luisteren die je niet meteen leuk vond, tenzij je je radio wilde uitzetten.
Op dinsdagen, de VARA-dag, was er om 17 uur het Betonuur met Alfred Lagarde. Aanvankelijk vond ik daar niks aan, maar geleidelijk wende het. Zo komt het dat Scorpions bij mijn allereerste hardrockende herinneringen horen. Hij draaide in zijn uitzendingen Speedy's Coming en He's a Woman, She's a Man, liedjes die ik geleidelijk steeds beter vond en favorietjes werden.
Vier jaar belandde de dubbelaar op mijn platenspeler. Fan-tas-tische klaphoes, de coverfoto alleen al! Naast de twee genoemde nummers sprongen de balladsongs eruit, zoals In Trance en We'll Burn the Sky, plus het stevige All Night Long, Steamrock Fever en Robot Man.
De drumsolo vond ik ook fantastisch en dankzij Kojo No Tsuki schep ik sindsdien op dat ik Japans spreek. Ik heb door dat laatste weinig vrienden over, dat zult u begrijpen.
Via streaming heb ik de plaat zo'n vier jaar terug weer eens beluisterd. Het drummen vind ik met de oren van nu beperkt, vooral qua bassdrum ('Maar ja Ronald, het was ook 1978,' mompel ik erbij) en dat geldt helemaal voor de drumsolo. De medley met rock 'n' rollklassiekers past helemaal bij de jaren '70 maar is met de oren van nu overbodig.
Op de minicursus Japans na is met de rest niks mis en de genoemde liedjes zijn zelfs erg sterk. Dat had die Lagarde, die razendenthousiast over de band sprak, goed gehoord.
Veel keus was er overigens niet: enige popzender Hilversum 3 was een lappendeken aan stijlen en programma’s. Dat had wél een voordeel. Je werd namelijk gedwongen om naar muziek te luisteren die je niet meteen leuk vond, tenzij je je radio wilde uitzetten.
Op dinsdagen, de VARA-dag, was er om 17 uur het Betonuur met Alfred Lagarde. Aanvankelijk vond ik daar niks aan, maar geleidelijk wende het. Zo komt het dat Scorpions bij mijn allereerste hardrockende herinneringen horen. Hij draaide in zijn uitzendingen Speedy's Coming en He's a Woman, She's a Man, liedjes die ik geleidelijk steeds beter vond en favorietjes werden.
Vier jaar belandde de dubbelaar op mijn platenspeler. Fan-tas-tische klaphoes, de coverfoto alleen al! Naast de twee genoemde nummers sprongen de balladsongs eruit, zoals In Trance en We'll Burn the Sky, plus het stevige All Night Long, Steamrock Fever en Robot Man.
De drumsolo vond ik ook fantastisch en dankzij Kojo No Tsuki schep ik sindsdien op dat ik Japans spreek. Ik heb door dat laatste weinig vrienden over, dat zult u begrijpen.
Via streaming heb ik de plaat zo'n vier jaar terug weer eens beluisterd. Het drummen vind ik met de oren van nu beperkt, vooral qua bassdrum ('Maar ja Ronald, het was ook 1978,' mompel ik erbij) en dat geldt helemaal voor de drumsolo. De medley met rock 'n' rollklassiekers past helemaal bij de jaren '70 maar is met de oren van nu overbodig.
Op de minicursus Japans na is met de rest niks mis en de genoemde liedjes zijn zelfs erg sterk. Dat had die Lagarde, die razendenthousiast over de band sprak, goed gehoord.
Scorpions - World Wide Live (1985)

4,5
2
geplaatst: 29 januari 2023, 13:29 uur
Een veelzeggend detail: op de tweede binnenhoes vind je linksonder in de collage een foto van band en crew met hun vijf trucks, twee bussen en twee personenauto's. Op de binnenzijde van de hoes staat de lange lijst met tourdata. Deze liveplaat is het resultaat van een sterke organisatie, die veel meer betrof dan slechts de vijf muzikanten. Goed dat de hoes ook de crewleden vermeldt!
Touren is uitputtend en echt niet romantisch, al ziet het er op het podium wel zo uit. Toen deze dubbelaar verscheen was de band al twintig jaar bezig, stap voor stap omhoog klimmend. Getuige World Wide Live werd de top in 1984 bij de Love at First Sting Tour daadwerkelijk bereikt, waarbij de band bovendien vaak headliner van grote festivals was. Dat lukt alleen met jarenlang gedisciplineerd werken.
Je krijgt op deze dubbelaar een samenvatting van de vier studioalbums met leadgitarist Mathias Jabs, waarmee men de jaren vóór 1979 liet voor wat ze waren. In hoog tempo knallen de composities je om de oren, waarbij een drumsolo ontbreekt. Gelukkig maar, die show-off was op hun vorige livealbum Tokyo Tapes bepaald géén hoogtepunt. De vijf blijven dus dicht bij de studioversies, pas op kant 4 wordt The Zoo uitgerekt en gitaarsolo Six String Sting is nieuw.
Een compliment ook naar producer Dieter Derks, die het goed geproduceerde album laat klinken alsof het één set is, in plaats een compilatie van tenminste vijf optredens. Ik vermoed dat de band achteraf een enkele keer iets heeft moeten “repareren”, maar noem mij een liveplaat die 100% puur live is. Het enige wat ik soms irritant vind is de publieksruis op de achtergrond, die té constant is. Op kant 4 namelijk, bij de geïmproviseerde delen, klinken de publieksreacties veel natuurlijker.
Het was het tweede album van Scorpions dat in Nederland de albumlijst haalde, in juli 1985 een schamele #47. De doorbraak in het kikkerlandje moest nog komen.
Als individu zijn de vijf misschien niet de beste musici, maar als collectief zijn ze hier onverslaanbaar. Daarbij wél de notitie dat Jabs erg goed soleert, zij het steevast kort.
Tegenwoordig is het trendy om dure speciale edities van albums uit te brengen, zoals bij UFO en Thin Lizzy gebeurde. Misschien wordt in Keulen wel nagedacht over een box van World Wide Live, met daarop alle originele shows. Geïnteresseerden kunnen zich hieronder aanmelden.
Touren is uitputtend en echt niet romantisch, al ziet het er op het podium wel zo uit. Toen deze dubbelaar verscheen was de band al twintig jaar bezig, stap voor stap omhoog klimmend. Getuige World Wide Live werd de top in 1984 bij de Love at First Sting Tour daadwerkelijk bereikt, waarbij de band bovendien vaak headliner van grote festivals was. Dat lukt alleen met jarenlang gedisciplineerd werken.
Je krijgt op deze dubbelaar een samenvatting van de vier studioalbums met leadgitarist Mathias Jabs, waarmee men de jaren vóór 1979 liet voor wat ze waren. In hoog tempo knallen de composities je om de oren, waarbij een drumsolo ontbreekt. Gelukkig maar, die show-off was op hun vorige livealbum Tokyo Tapes bepaald géén hoogtepunt. De vijf blijven dus dicht bij de studioversies, pas op kant 4 wordt The Zoo uitgerekt en gitaarsolo Six String Sting is nieuw.
Een compliment ook naar producer Dieter Derks, die het goed geproduceerde album laat klinken alsof het één set is, in plaats een compilatie van tenminste vijf optredens. Ik vermoed dat de band achteraf een enkele keer iets heeft moeten “repareren”, maar noem mij een liveplaat die 100% puur live is. Het enige wat ik soms irritant vind is de publieksruis op de achtergrond, die té constant is. Op kant 4 namelijk, bij de geïmproviseerde delen, klinken de publieksreacties veel natuurlijker.
Het was het tweede album van Scorpions dat in Nederland de albumlijst haalde, in juli 1985 een schamele #47. De doorbraak in het kikkerlandje moest nog komen.
Als individu zijn de vijf misschien niet de beste musici, maar als collectief zijn ze hier onverslaanbaar. Daarbij wél de notitie dat Jabs erg goed soleert, zij het steevast kort.
Tegenwoordig is het trendy om dure speciale edities van albums uit te brengen, zoals bij UFO en Thin Lizzy gebeurde. Misschien wordt in Keulen wel nagedacht over een box van World Wide Live, met daarop alle originele shows. Geïnteresseerden kunnen zich hieronder aanmelden.

Seventh Key - I Will Survive (2013)

4,5
0
geplaatst: 25 november 2023, 02:48 uur
I Will Survive is tien jaar na verschijnen nog altijd het laatste wapenfeit van Seventh Key, het zijproject van Kansasbassist Billy Greer met diens maatje Mike Slamer op gitaar en toetsen. Drummer is Chet Wynd en bovendien zijn bijdragen van anderen te horen met als meest opvallende die van violist David Ragsdale, eveneens van Kansas.
Hierboven werd al opgemerkt dat toetsen een prominentere rol krijgen ten opzichte van voorganger The Raging Fire van negen jaar eerder, hetgeen de symfonische invloed vergroot. Bovendien zijn de composities onverminderd sterk, met als enige nadeel de soms te vlakke stem van Greer.
Slamer echter soleert weer heerlijk en zijn spel profiteert van het contrast met de klavieren.
In het openings- en slotnummer zijn de progrockinvloeden het sterkst, maar met bijvoorbeeld When Love Sets You Free, het stevige en ietwat VanHaleniaanse Down en het vrolijke The Only One waarin Greers stem juist perfect past, klinkt hardrock van melodische topkwaliteit. Ook de akoestische ballade Sea of Dreams smaakt goed: al had de zang wat pittiger gemogen, Ragsdale viool danst fraai daaromheen.
Het jaar erop werkten Slamer en Greer mee aan het sterke Epic van Overland (dank gigage voor de tip!), dat zich in dezelfde muzikale hoek bevindt. En toch net iets liever dit I Will Survive.
Hierboven werd al opgemerkt dat toetsen een prominentere rol krijgen ten opzichte van voorganger The Raging Fire van negen jaar eerder, hetgeen de symfonische invloed vergroot. Bovendien zijn de composities onverminderd sterk, met als enige nadeel de soms te vlakke stem van Greer.
Slamer echter soleert weer heerlijk en zijn spel profiteert van het contrast met de klavieren.
In het openings- en slotnummer zijn de progrockinvloeden het sterkst, maar met bijvoorbeeld When Love Sets You Free, het stevige en ietwat VanHaleniaanse Down en het vrolijke The Only One waarin Greers stem juist perfect past, klinkt hardrock van melodische topkwaliteit. Ook de akoestische ballade Sea of Dreams smaakt goed: al had de zang wat pittiger gemogen, Ragsdale viool danst fraai daaromheen.
Het jaar erop werkten Slamer en Greer mee aan het sterke Epic van Overland (dank gigage voor de tip!), dat zich in dezelfde muzikale hoek bevindt. En toch net iets liever dit I Will Survive.
Seventh Key - Live in Atlanta (2005)

3,5
0
geplaatst: 13 november 2023, 19:25 uur
Een album van Billy Greer, bassist en tweede zanger van Kansas, die dit soloproject erbij deed. Na twee studioalbums waagde hij zich aan een livealbum, opgenomen in een kleine zaal in zijn thuisstad. De publieksgeluiden werden bescheiden gehouden door tussen de nummers de zaalgeluiden weg te draaien. Verschenen in november 2005.
In Seventh Key spelen naast Greer drummer Pat McDonald, toetsenist David Manion, slaggitarist en tweede zanger Terry Brock en als troef gitaarvirtuoos Mike Slamer, die zich echter altijd in dienst van de liedjes stelt.
Op de setlist vier nummers van het titelloze debuut waarbij de twee ballades van dat album en zeven van de nog sterkere opvolger The Raging Fire. Ook wordt Cold Hearted Woman gespeeld, te vinden op het debuut van Greers vorige band Streets maar eigenlijk van de groep QB1, waarin Greer voordien speelde.
Na drie knallende nummers, waarin Slamer toont dat hij qua zowel slag- als soleerwerk in theorie Eddie Van Halen had kunnen te vervangen in diens band, volgen er drie die me minder pakken. Daarbij ballade Forsaken met als gasten violist Robby Steinhardt van Kansas en broer Johnny Greer op mandoline. Op zich leuk, maar ik ben niet zo van ballades... Daar komt bij dat Greer een prima zanger is, maar zijn stem heeft het niet in zich om de muziek naar een hoger plan te trekken. Reden dat ik van track 4 tot en met 7 figuurlijk aan de bar sta.
Met het uptempo The Kid Could Play sta ik weer vooraan, mede door het heerlijke gitaar- en toetsenwerk. Her en der moet ik denken aan de stijl van Foreigner. Net als bij die groep versmelten melodie en scheurende gitaren soms tot topniveau, hier bij Seventh Key met een betere sologitarist en iets mindere zang - maar Lou Gramm overtreffen is dan ook erg moeilijk.
Mijn cd sluit af met drie nieuwe studionummers. Eerst het stampende The Storm Rages on met heerlijk Van Haleniaans gitaarwerk. Dan het uptempo Remember You Well met schitterend pianospel in de coupletten en een poprockgevoel als in de jaren '80. Het werd geschreven door Kerry Livgren; klinkend als in diens dagen bij AD, vermoed ik dat hij degene is die hier gitaar speelt. Het slot met het midtempo Love Train is wat saaitjes, al scheurt Slamer ook hier weer heerlijk.
Een 7,5 voor dit album, in 3,5 sterren vertaald.
In Seventh Key spelen naast Greer drummer Pat McDonald, toetsenist David Manion, slaggitarist en tweede zanger Terry Brock en als troef gitaarvirtuoos Mike Slamer, die zich echter altijd in dienst van de liedjes stelt.
Op de setlist vier nummers van het titelloze debuut waarbij de twee ballades van dat album en zeven van de nog sterkere opvolger The Raging Fire. Ook wordt Cold Hearted Woman gespeeld, te vinden op het debuut van Greers vorige band Streets maar eigenlijk van de groep QB1, waarin Greer voordien speelde.
Na drie knallende nummers, waarin Slamer toont dat hij qua zowel slag- als soleerwerk in theorie Eddie Van Halen had kunnen te vervangen in diens band, volgen er drie die me minder pakken. Daarbij ballade Forsaken met als gasten violist Robby Steinhardt van Kansas en broer Johnny Greer op mandoline. Op zich leuk, maar ik ben niet zo van ballades... Daar komt bij dat Greer een prima zanger is, maar zijn stem heeft het niet in zich om de muziek naar een hoger plan te trekken. Reden dat ik van track 4 tot en met 7 figuurlijk aan de bar sta.
Met het uptempo The Kid Could Play sta ik weer vooraan, mede door het heerlijke gitaar- en toetsenwerk. Her en der moet ik denken aan de stijl van Foreigner. Net als bij die groep versmelten melodie en scheurende gitaren soms tot topniveau, hier bij Seventh Key met een betere sologitarist en iets mindere zang - maar Lou Gramm overtreffen is dan ook erg moeilijk.
Mijn cd sluit af met drie nieuwe studionummers. Eerst het stampende The Storm Rages on met heerlijk Van Haleniaans gitaarwerk. Dan het uptempo Remember You Well met schitterend pianospel in de coupletten en een poprockgevoel als in de jaren '80. Het werd geschreven door Kerry Livgren; klinkend als in diens dagen bij AD, vermoed ik dat hij degene is die hier gitaar speelt. Het slot met het midtempo Love Train is wat saaitjes, al scheurt Slamer ook hier weer heerlijk.
Een 7,5 voor dit album, in 3,5 sterren vertaald.
Seventh Key - Seventh Key (2001)

3,5
1
geplaatst: 16 oktober 2023, 18:37 uur
Ben bezig de discografie van Kansas plus die van hun zijprojecten (zie Rate Your Music) door te werken. Het waren echter gaucho en vielip die mij bij de tweede van Streets de naam van Seventh Key tipten. Inmiddels heb ik hun eerste twee albums op cd.
Voordat Billy Greer toetrad tot Streets, was hij zanger en bassist in de groep QB1. Op dit album doet hij net als toen de leadzang en combineert dit met bas en akoestische gitaar.
Het resultaat kent bovendien de nodige overeenkomsten met Streets en ook met de twee albums die Kansas hierna opnam, te weten Power en In the Spirit of Things. Sterke melodieuze hardrock, op de grens met adult oriented rock.
Gitarist Mike Slamer, indertijd ook bij Streets, vormt met Greer de kern van Seventh Key. Toetsenist is David Manion, Chet Wynd zit op de drumkruk; blijkens Discogs is dit Mike Slamer. Gastrollen zijn er voor gitaristen Rich Williams en Steve Morse die Greer van Kansas kent, evenals voor drummer Phil Ehart uit diezelfde groep. Bovendien is Walsh van de partij, zich beperkend tot toetsen.
Slamer en Greer schreven samen zes nummers, de meeste andere bijdragen kwamen van (ex-)Kansasleden. No Man's Land werd namelijk geschreven door Walsh, Morse en Williams, Every Time it Rains schreef Greer met Morse en Forsaken is van Walsh. Deze nummers doen herinneren aan het Kansas van de tweede helft van de jaren '80. De tekst van Home werd blijkens de bedankjes door Greers echtgenote neergepend.
Mijn cd bevat elf sterke nummers en op streaming ontdek ik dat in 2010 twee bonusnummers werden toegevoegd. Slamer strooit als vanouds met snelle solo's waarbij ik net als indertijd bij Streets invloeden van Eddie Van Halen hoor, zij het minder dan toen.
De felle opener The Kid Could Play bezingt een overleden vriend van Greer. Het zet meteen het visitekaartje neer, inclusief de sterke productie van Slamer. Vervolgens komt een sterke tracklist voorbij, waarin Greers stem prima gedijt, zij het niet zo spetterend als die van Walsh. Maar hij heeft een groot bereik en een aangename stem, zoals ook blijkt in het iets langzamere Only the Brave.
Bij Surrender wordt orenschijnlijk een persoonlijke ervaring van Greer gedeeld, When Love is Dying begint met akoestische gitaar en groeit uit tot een prima powerballade. Toch mis ik tempo, maar Slamers gitaarwerk maakt veel goed.
De vaart komt er weer in op de tweede helft, die begint met het vlotte No Man's Land en ook in Every Time it Rains zit de vaart erin. Net als op de eerste helft gaat het tempo dan omlaag met Prisoner of Love als uitzondering. Forsaken klinkt alsof het in 1985 werd geschreven door de heren van Bad English en dat bedoel ik als een compliment.
Bonustracks The Storm Rages On en Remember You Well zijn lekker uptempo en hadden een plek op de eerste editie van dit album verdiend.
Lekker? Zeker. Briljant. Nee. Ik mis het spetterende van de drie albums van Streets en Kansas die ik in het begin noemde, al trekken de twee uptempo bonussen mijn waardering omhoog. De opvolger schijnt evenwel nog iets beter te zijn, dat hoop ik spoedig mee te maken! Bovendien heb ik de cd van Native Window staan, ook al zo'n interessant zijproject. Voor het debuut van Seventh Key een 7,5 als schoolcijfer, wat ik in 3,5 ster vertaal.
Voordat Billy Greer toetrad tot Streets, was hij zanger en bassist in de groep QB1. Op dit album doet hij net als toen de leadzang en combineert dit met bas en akoestische gitaar.
Het resultaat kent bovendien de nodige overeenkomsten met Streets en ook met de twee albums die Kansas hierna opnam, te weten Power en In the Spirit of Things. Sterke melodieuze hardrock, op de grens met adult oriented rock.
Gitarist Mike Slamer, indertijd ook bij Streets, vormt met Greer de kern van Seventh Key. Toetsenist is David Manion, Chet Wynd zit op de drumkruk; blijkens Discogs is dit Mike Slamer. Gastrollen zijn er voor gitaristen Rich Williams en Steve Morse die Greer van Kansas kent, evenals voor drummer Phil Ehart uit diezelfde groep. Bovendien is Walsh van de partij, zich beperkend tot toetsen.
Slamer en Greer schreven samen zes nummers, de meeste andere bijdragen kwamen van (ex-)Kansasleden. No Man's Land werd namelijk geschreven door Walsh, Morse en Williams, Every Time it Rains schreef Greer met Morse en Forsaken is van Walsh. Deze nummers doen herinneren aan het Kansas van de tweede helft van de jaren '80. De tekst van Home werd blijkens de bedankjes door Greers echtgenote neergepend.
Mijn cd bevat elf sterke nummers en op streaming ontdek ik dat in 2010 twee bonusnummers werden toegevoegd. Slamer strooit als vanouds met snelle solo's waarbij ik net als indertijd bij Streets invloeden van Eddie Van Halen hoor, zij het minder dan toen.
De felle opener The Kid Could Play bezingt een overleden vriend van Greer. Het zet meteen het visitekaartje neer, inclusief de sterke productie van Slamer. Vervolgens komt een sterke tracklist voorbij, waarin Greers stem prima gedijt, zij het niet zo spetterend als die van Walsh. Maar hij heeft een groot bereik en een aangename stem, zoals ook blijkt in het iets langzamere Only the Brave.
Bij Surrender wordt orenschijnlijk een persoonlijke ervaring van Greer gedeeld, When Love is Dying begint met akoestische gitaar en groeit uit tot een prima powerballade. Toch mis ik tempo, maar Slamers gitaarwerk maakt veel goed.
De vaart komt er weer in op de tweede helft, die begint met het vlotte No Man's Land en ook in Every Time it Rains zit de vaart erin. Net als op de eerste helft gaat het tempo dan omlaag met Prisoner of Love als uitzondering. Forsaken klinkt alsof het in 1985 werd geschreven door de heren van Bad English en dat bedoel ik als een compliment.
Bonustracks The Storm Rages On en Remember You Well zijn lekker uptempo en hadden een plek op de eerste editie van dit album verdiend.
Lekker? Zeker. Briljant. Nee. Ik mis het spetterende van de drie albums van Streets en Kansas die ik in het begin noemde, al trekken de twee uptempo bonussen mijn waardering omhoog. De opvolger schijnt evenwel nog iets beter te zijn, dat hoop ik spoedig mee te maken! Bovendien heb ik de cd van Native Window staan, ook al zo'n interessant zijproject. Voor het debuut van Seventh Key een 7,5 als schoolcijfer, wat ik in 3,5 ster vertaal.
Seventh Key - The Raging Fire (2004)

4,5
2
geplaatst: 24 oktober 2023, 08:06 uur
Geen gastmusici op Seventh Keys tweede album en toch is The Raging Fire simpelweg een stuk beter dan het toch al goede debuut. Omdat bandleider, zanger en bassist Billy Greer met Mike Slamer sterke composities schreef. Melodieuze hardrock met de nodige variatie tussen de nummers.
In het gitaarspel van de laatste is wederom soms de invloed van Eddie van Halen te horen, zoals de slaggitaar in Sin City. Toch heeft hij wel degelijk een eigen stijl en groot gevoel voor melodie, waarbij zijn vingervlugge solo's steevast liedjes in een liedje vormen. Zijn rol kan trouwens moeilijk onderschat worden: Slamer speelde ook toetsen, een beetje basgitaar én deed de kristalheldere productie, waarbij hij ervoor waakte de boel dicht te smeren.
Jamie Thompson was drummer en Terry Brock houdt het wederom bij slechts achtergrondzang, maar is belangrijk voor de koortjes; live speelt hij ook slaggitaar.
De bedankjes willen soms wat nuttige extra informatie geven: Slamer en zijn vrouw kwamen uit een periode van een "major health crisis", waarvan mogelijk wat doorklinkt in It Should Have Been You.
Het uptempo The Sun Will Rise is een knallend fijne opener met bovendien aangename toetsen. Straight from the Heart heeft een jaren '80-gevoel in de lijn van een Bad English, hier met een eigentijdse productie. En zo wisselen gevarieerde nummers elkaar af, al had ik liever nét iets meer uptempo werk gehoord.
Ook leuk zijn de Arabische invloedjes in Pyramid Princess en de blues in het in- en uittro van het verder robuust rockende Winds of War, waarvan de tekst helaas weer akelig actueel is.
Op mijn cd ontbreekt bonus Love Train, met opnieuw kleine bluestonen in een stevig nummer.
Anders dan Mssr Renard hierboven vind ik dit niet op Kansas lijken, tenzij hij hun aor-periode in de jaren '80 bedoelt. Nee, Seventh Key vaart een eigen koers, waarop Billy Greer een grotere rol kan spelen dan bij zijn hoofdgroep Kansas. Geen prog maar rechttoe hardrock. Een rol die hij in een ijzersterk album vertaalde, met die briljante Mike Slamer aan zijn zijde.
In het gitaarspel van de laatste is wederom soms de invloed van Eddie van Halen te horen, zoals de slaggitaar in Sin City. Toch heeft hij wel degelijk een eigen stijl en groot gevoel voor melodie, waarbij zijn vingervlugge solo's steevast liedjes in een liedje vormen. Zijn rol kan trouwens moeilijk onderschat worden: Slamer speelde ook toetsen, een beetje basgitaar én deed de kristalheldere productie, waarbij hij ervoor waakte de boel dicht te smeren.
Jamie Thompson was drummer en Terry Brock houdt het wederom bij slechts achtergrondzang, maar is belangrijk voor de koortjes; live speelt hij ook slaggitaar.
De bedankjes willen soms wat nuttige extra informatie geven: Slamer en zijn vrouw kwamen uit een periode van een "major health crisis", waarvan mogelijk wat doorklinkt in It Should Have Been You.
Het uptempo The Sun Will Rise is een knallend fijne opener met bovendien aangename toetsen. Straight from the Heart heeft een jaren '80-gevoel in de lijn van een Bad English, hier met een eigentijdse productie. En zo wisselen gevarieerde nummers elkaar af, al had ik liever nét iets meer uptempo werk gehoord.
Ook leuk zijn de Arabische invloedjes in Pyramid Princess en de blues in het in- en uittro van het verder robuust rockende Winds of War, waarvan de tekst helaas weer akelig actueel is.
Op mijn cd ontbreekt bonus Love Train, met opnieuw kleine bluestonen in een stevig nummer.
Anders dan Mssr Renard hierboven vind ik dit niet op Kansas lijken, tenzij hij hun aor-periode in de jaren '80 bedoelt. Nee, Seventh Key vaart een eigen koers, waarop Billy Greer een grotere rol kan spelen dan bij zijn hoofdgroep Kansas. Geen prog maar rechttoe hardrock. Een rol die hij in een ijzersterk album vertaalde, met die briljante Mike Slamer aan zijn zijde.
Sex Pistols - Never Mind the Bollocks Here's the Sex Pistols (1977)
Alternatieve titel: Never Mind the Bollocks

4,0
2
geplaatst: 21 maart 2024, 23:24 uur
Waar de eerder verschenen punkalbums in uiterst beperkte tijd waren opgenomen én gemixt, werd voor Never Mind the Bollocks Here's the Sex Pistols tien maanden genomen om alles vast te leggen. Dit door de onderhandelingen van manager Malcolm McLaren met platenmaatschappijen (tot tweemaal toe werden de Sex Pistols gedropt) en de interne strubbelingen waardoor bassist Glen Matlock halverwege de groep verliet, nog altijd invloedrijk als co-schrijver van de meeste nummers.
Toch is hoorbaar dat de heren er plezier in hadden. Gitarist Steve Jones en drummer Paul Cook leveren gedegen werk af, met zanger Johnny Rotten als kers op de taart dankzij diens eigenwijze zanglijnen en frasering. Oudste opname is Anarchy in the UK (als single in november '76 verschenen), de laatste is Bodies, in augustus 1977 opgenomen met inmiddels Sid Vicious als bassist.
De waarde van dit album overstijgt de muziek, ondanks dat The Ramones reeds anderhalf jaar eerder de eerste punkplaat op de wereld zetten, The Damned en The Saints acht maanden voor de Pistols hun langspeler afleverden en The Stranglers twee maanden daarna, in april.
Het zit 'm in hun geruchtmakende optredens die vanaf november 1975 plaatsvonden, de connectie aan kledingwinkel Sex én die rooie, ratterige frontman die ook nog eens ad rem bleek, altijd geschikt voor een volgend nieuwsbericht of geruchtmakend interview. Met de slimme manager als spindoctor hadden ze wat dat betreft geen vinyl nodig om hét gezicht van punk te zijn.
Vermakelijk zijn de twee anekdotes verbonden aan Queen: hoe Rotten op handen en voeten hun studio binnenliep én op dezelfde wijze vertrok; en dat Vicious betrad om Freddy Mercury te zeggen wat hij van hem vond, waarop de zanger hem kwiek eruit zette.
O ja, de muziek. Hoorbaar is dat Anarchy (in het Verenigd Koninkrijk drie weken #38 in december '76-januari '77) ouder is dan tweede single God Save the Queen (mei '77 #2), Pretty Vacant (juli #6) en Holidays in the Sun (oktober #8, samenvallend met de verschijning van de elpee). Het gitaargeluid op het singledebuut is anders en de band is nadien hoorbaar beter gaan spelen, al mept Cook al bekwaam op zijn potten en pannen.
Ook opvallend is Bodies, met een tekst vanuit een zojuist geaborteerd kind geschreven. Daarbij pakt de eerste plaatkant mij beter dan de tweede, al leiden de sneren in/naar EMI, dat de groep na één single liet vallen, tot een vermakelijke tekst.
Een voorbeeld gevolgd door A&M door wie single God Save the Queen al was geperst, een oplage die vervolgens werd vernietigd. McLaren hoopte lange tijd op een betere deal dan Virgin aanbood, maar had uiteindelijk slechts die maatschappij als optie over.
Never Mind the Bollocks piekte Oudjaarsdag 1977 op #16 in Nederland, in het Verenigd Koninkrijk was meer succes: in november twee weken #1.
Ik reis door punk, new wave en aanverwanten en dat momenteel vooral in Londen. Het vorige station was Stupidity van Dr. Feelgood; nu op naar de single Amsterdam Dog van pubrocker Sean Tyla, met de B-kant ervan te vinden op deze verzamelaar van zijn vorige groep Ducks Deluxe.
Toch is hoorbaar dat de heren er plezier in hadden. Gitarist Steve Jones en drummer Paul Cook leveren gedegen werk af, met zanger Johnny Rotten als kers op de taart dankzij diens eigenwijze zanglijnen en frasering. Oudste opname is Anarchy in the UK (als single in november '76 verschenen), de laatste is Bodies, in augustus 1977 opgenomen met inmiddels Sid Vicious als bassist.
De waarde van dit album overstijgt de muziek, ondanks dat The Ramones reeds anderhalf jaar eerder de eerste punkplaat op de wereld zetten, The Damned en The Saints acht maanden voor de Pistols hun langspeler afleverden en The Stranglers twee maanden daarna, in april.
Het zit 'm in hun geruchtmakende optredens die vanaf november 1975 plaatsvonden, de connectie aan kledingwinkel Sex én die rooie, ratterige frontman die ook nog eens ad rem bleek, altijd geschikt voor een volgend nieuwsbericht of geruchtmakend interview. Met de slimme manager als spindoctor hadden ze wat dat betreft geen vinyl nodig om hét gezicht van punk te zijn.
Vermakelijk zijn de twee anekdotes verbonden aan Queen: hoe Rotten op handen en voeten hun studio binnenliep én op dezelfde wijze vertrok; en dat Vicious betrad om Freddy Mercury te zeggen wat hij van hem vond, waarop de zanger hem kwiek eruit zette.
O ja, de muziek. Hoorbaar is dat Anarchy (in het Verenigd Koninkrijk drie weken #38 in december '76-januari '77) ouder is dan tweede single God Save the Queen (mei '77 #2), Pretty Vacant (juli #6) en Holidays in the Sun (oktober #8, samenvallend met de verschijning van de elpee). Het gitaargeluid op het singledebuut is anders en de band is nadien hoorbaar beter gaan spelen, al mept Cook al bekwaam op zijn potten en pannen.
Ook opvallend is Bodies, met een tekst vanuit een zojuist geaborteerd kind geschreven. Daarbij pakt de eerste plaatkant mij beter dan de tweede, al leiden de sneren in/naar EMI, dat de groep na één single liet vallen, tot een vermakelijke tekst.
Een voorbeeld gevolgd door A&M door wie single God Save the Queen al was geperst, een oplage die vervolgens werd vernietigd. McLaren hoopte lange tijd op een betere deal dan Virgin aanbood, maar had uiteindelijk slechts die maatschappij als optie over.
Never Mind the Bollocks piekte Oudjaarsdag 1977 op #16 in Nederland, in het Verenigd Koninkrijk was meer succes: in november twee weken #1.
Ik reis door punk, new wave en aanverwanten en dat momenteel vooral in Londen. Het vorige station was Stupidity van Dr. Feelgood; nu op naar de single Amsterdam Dog van pubrocker Sean Tyla, met de B-kant ervan te vinden op deze verzamelaar van zijn vorige groep Ducks Deluxe.
Sex Pistols - The Great Rock 'n' Roll Swindle (1979)

4,0
1
geplaatst: 27 mei 2024, 12:00 uur
Zowel zanger Johnny Rotten als bassist Sid Vicious hadden de Sex Pistols verlaten, maar manager Malcolm McLaren wilde een film produceren om uit te leggen hoe de groep door zijn toedoen bij elkaar kwam en groot waren geworden. Een "fraai" stukje zelfverheerlijking én geschiedsvervalsing: de groep bestond al toen hij ze ontdekte.
Neemt niet weg dat zijn invloed groot was. Waarom deed de groep een jaar over hun debuut, waarbij ze bovendien twee bassisten versleten? Het antwoord is volgens de bronnen McLaren. Hij was namelijk druk bezig met onderhandelingen met grote platenmaatschappijen. Niks 'Do It Yourself' zoals de punkfilosofie luidde: dit was zuiver gericht op geld verdienen via een multinational. Neemt niet weg dat de groep dé katalysator was van punk en daarmee ook new wave.
McLarens volgende project was een film met soundtrack over de groep, waarbij oerleden Steve Jones (gitaar) en Paul Cook (drums) nog aan boord waren. Door te sleutelen aan tapes uit de oefenruimte, gemaakt vóór Rottens vertrek, kwam er alsnog een tweede album van Sex Pistols, aangevuld met bijdragen van anderen.
Eerste voorbode van het album was single No One Is Innocent / My Way, die in juli 1978 tot #7 reikte in de Britse hitlijst.
Met op de A-kant zang van de al jarenlang voortvluchtige treinrover Ronnie Biggs en op de B-kant de dan alweer zes maanden ex-Pistol Vicious, die in zijn versie van het lied, bekend van Frank Sinatra, wordt begeleid door enkele Franse studiomusici. Meer over die curieuze single bij Wikipedia.
Meer hitsingles van de film en soundtrack volgden: Something Else/Friggin' in the Riggin' in maart '79 #3, Silly Thing/Who Killed Bambi in april #6, C'mon Everybody in juli #3, The Great Rock 'n' Roll Swindle / Rock Around the Clock in oktober #21 en in juli 1980 (I'm Not Your) Stepping Stone nog eens #21.
Als soundtrack een bont allegaartje van eigen werk, menig jaren '50 rock 'n' rollklassieker en orkestrale muziek. Met als overige zangers Pistols Steve Jones en Paul Cook, Edward Tenpole van Tenpole Tudor (bekend van Wunderbar), Jerzimy zingt L'Anarchie pour le UK met viool en accordeon. Niet verwonderlijk vond McLaren zelf ook de weg naar de microfoon.
Vermakelijk zijn ook met de oefenruimtesfeer met een mopperende Rotten in Johnny B Goode en vervolgens de tekst kwijt in Roadrunner én de discobeat van de Black Arabs in medley van Pistolswerk Black Arabs. Hetzelfde geldt voor punk in viooljasje: nét even anders.
Vicious overleed in februari 1979 in New York aan een overdosis. In december dat jaar verscheen Sid Sings, dat rond Kerstmis twee weken #30 haalde in het Verenigd Koninkrijk. Hierop is wederom My Way te vinden en laat ik de clip niet vergeten die indruk op mij maakte, al zag ik 'm pas jaren later.
In 2021 verscheen het als single op blauw vinyl met productie van Rat Scabies van The Damned, juli 2023 (!) haalde het in het VK als single nog eens #10.
In 2012 verscheen The Great Rock & Roll Swindle in een opgefriste versie. Mijn reis door new wave en aanverwanten kwam vanaf het debuut van Magazine, ik vervolg in juni 1978 bij de tweede van Talking Heads.
Neemt niet weg dat zijn invloed groot was. Waarom deed de groep een jaar over hun debuut, waarbij ze bovendien twee bassisten versleten? Het antwoord is volgens de bronnen McLaren. Hij was namelijk druk bezig met onderhandelingen met grote platenmaatschappijen. Niks 'Do It Yourself' zoals de punkfilosofie luidde: dit was zuiver gericht op geld verdienen via een multinational. Neemt niet weg dat de groep dé katalysator was van punk en daarmee ook new wave.
McLarens volgende project was een film met soundtrack over de groep, waarbij oerleden Steve Jones (gitaar) en Paul Cook (drums) nog aan boord waren. Door te sleutelen aan tapes uit de oefenruimte, gemaakt vóór Rottens vertrek, kwam er alsnog een tweede album van Sex Pistols, aangevuld met bijdragen van anderen.
Eerste voorbode van het album was single No One Is Innocent / My Way, die in juli 1978 tot #7 reikte in de Britse hitlijst.
Met op de A-kant zang van de al jarenlang voortvluchtige treinrover Ronnie Biggs en op de B-kant de dan alweer zes maanden ex-Pistol Vicious, die in zijn versie van het lied, bekend van Frank Sinatra, wordt begeleid door enkele Franse studiomusici. Meer over die curieuze single bij Wikipedia.
Meer hitsingles van de film en soundtrack volgden: Something Else/Friggin' in the Riggin' in maart '79 #3, Silly Thing/Who Killed Bambi in april #6, C'mon Everybody in juli #3, The Great Rock 'n' Roll Swindle / Rock Around the Clock in oktober #21 en in juli 1980 (I'm Not Your) Stepping Stone nog eens #21.
Als soundtrack een bont allegaartje van eigen werk, menig jaren '50 rock 'n' rollklassieker en orkestrale muziek. Met als overige zangers Pistols Steve Jones en Paul Cook, Edward Tenpole van Tenpole Tudor (bekend van Wunderbar), Jerzimy zingt L'Anarchie pour le UK met viool en accordeon. Niet verwonderlijk vond McLaren zelf ook de weg naar de microfoon.
Vermakelijk zijn ook met de oefenruimtesfeer met een mopperende Rotten in Johnny B Goode en vervolgens de tekst kwijt in Roadrunner én de discobeat van de Black Arabs in medley van Pistolswerk Black Arabs. Hetzelfde geldt voor punk in viooljasje: nét even anders.
Vicious overleed in februari 1979 in New York aan een overdosis. In december dat jaar verscheen Sid Sings, dat rond Kerstmis twee weken #30 haalde in het Verenigd Koninkrijk. Hierop is wederom My Way te vinden en laat ik de clip niet vergeten die indruk op mij maakte, al zag ik 'm pas jaren later.
In 2021 verscheen het als single op blauw vinyl met productie van Rat Scabies van The Damned, juli 2023 (!) haalde het in het VK als single nog eens #10.
In 2012 verscheen The Great Rock & Roll Swindle in een opgefriste versie. Mijn reis door new wave en aanverwanten kwam vanaf het debuut van Magazine, ik vervolg in juni 1978 bij de tweede van Talking Heads.
Shadow King - Shadow King (1991)

3,0
2
geplaatst: 12 februari 2024, 19:34 uur
De natuur loopt zo'n maand voor en dus moest ik afgelopen zaterdag hard aan de slag met het lente-klaarmaken van de tuin. Daarbij heb ik dit titelloze album van Shadow King diverse malen gedraaid om te bepalen waarom het rendement van zanger Lou Gramm plus gitarist Vivian Campbell tegenvalt. Slecht is het niet, pakkend evenmin. Wat is er mis?
Kortweg: teveel nummers in ongeveer hetzelfde tempo (kalmpjes uptempo, nooit écht vlot) waardoor het als album teveel als eenheidsworst binnenkomt én het bijna geheel ontbreken van Grote Refreinen, voor aor zo nodig. Dat maakt ook Campbells gitaarspel niet goed.
Daarbij had een toetsenist erbij meer variatie kunnen bieden. De spaarzame toetsen die nu klinken, bespeeld door multi-instrumentalist Bruce Turgon, hier vooral bassist, zitten nu vooral in de intro's. Gramm en Turgon schreven samen alle nummers, de twee werkten al intensief samen op Gramms twee soloplaten.
What Would it Take is de terechte opener, want wél gezegend met een sterk refrein. Dan rockt het gedurende twee nummers vrij standaard, gevolgd door de niet te vermijden ballade, volgens het standaardboekje track 4. Daarna sluit Boy uiteraard uptempo de A-kant af, een tweede sterk nummer. Hierop staat de enige pakkende gitaarsolo van Shadow King, die laat horen waarom Campbell mij voordien zo goed beviel bij Dio.
Kant B begint met wederom uptempo maar niet pakkend werk, waarna This Heart of Stone in het intro prettig verrast. Zoals door De buurman genoemd, lijkt het op Bad English, ik denk echter dat Straight to Your Heart wordt bedoeld. En dan prefereer ik Bad English boven Shadow King: daar wordt pakkender gespeeld en gezongen. Desalniettemin het derde hoogtepuntje bij Gramm & co.
Na opnieuw een standaard nummer volgt No Man's Land, dat me opvalt vanwege de tekst: "There's a corner of my heart, that no one ever sees. In no man's land, no one touches me". Gezien de totstandkoming van dit album waar MetalMike kort over vertelde, vraag ik me af of Gramm ons hier een kijkje in zijn ziel biedt. Het bandlid dat volgens Mike alles naar zich toetrok moet Turgon zijn geweest, die ook op Gramms solowerk veel voor zijn rekening nam, zoals Mick Jones dat bij Foreigner deed.
Met het ingetogen en deels akoestische Russia komt Shadow King tot een mooi einde, muzikaal het vierde hoogtepuntje.
Wikipedia vertelt dat een elfde nummer genaamd One Dream, onder de vlag van The Lou Gramm Band op de soundtrack van Highlander II verschenen, eigenlijk van Shadow King is. Het is weer zo'n standaard nummer, maar Campbells twee gitaarsolo's zijn aangenaam.
Gramm keerde zoals bekend terug naar Foreigner en nam Turgon mee. Campbell belandde bij Def Leppard. De degelijk maar niet opvallend spelende drummer Kevin Valentine (alhoewel, zijn slot van Boy is apart) keerde terug naar sessiewerk voor Kiss.
Kortweg: teveel nummers in ongeveer hetzelfde tempo (kalmpjes uptempo, nooit écht vlot) waardoor het als album teveel als eenheidsworst binnenkomt én het bijna geheel ontbreken van Grote Refreinen, voor aor zo nodig. Dat maakt ook Campbells gitaarspel niet goed.
Daarbij had een toetsenist erbij meer variatie kunnen bieden. De spaarzame toetsen die nu klinken, bespeeld door multi-instrumentalist Bruce Turgon, hier vooral bassist, zitten nu vooral in de intro's. Gramm en Turgon schreven samen alle nummers, de twee werkten al intensief samen op Gramms twee soloplaten.
What Would it Take is de terechte opener, want wél gezegend met een sterk refrein. Dan rockt het gedurende twee nummers vrij standaard, gevolgd door de niet te vermijden ballade, volgens het standaardboekje track 4. Daarna sluit Boy uiteraard uptempo de A-kant af, een tweede sterk nummer. Hierop staat de enige pakkende gitaarsolo van Shadow King, die laat horen waarom Campbell mij voordien zo goed beviel bij Dio.
Kant B begint met wederom uptempo maar niet pakkend werk, waarna This Heart of Stone in het intro prettig verrast. Zoals door De buurman genoemd, lijkt het op Bad English, ik denk echter dat Straight to Your Heart wordt bedoeld. En dan prefereer ik Bad English boven Shadow King: daar wordt pakkender gespeeld en gezongen. Desalniettemin het derde hoogtepuntje bij Gramm & co.
Na opnieuw een standaard nummer volgt No Man's Land, dat me opvalt vanwege de tekst: "There's a corner of my heart, that no one ever sees. In no man's land, no one touches me". Gezien de totstandkoming van dit album waar MetalMike kort over vertelde, vraag ik me af of Gramm ons hier een kijkje in zijn ziel biedt. Het bandlid dat volgens Mike alles naar zich toetrok moet Turgon zijn geweest, die ook op Gramms solowerk veel voor zijn rekening nam, zoals Mick Jones dat bij Foreigner deed.
Met het ingetogen en deels akoestische Russia komt Shadow King tot een mooi einde, muzikaal het vierde hoogtepuntje.
Wikipedia vertelt dat een elfde nummer genaamd One Dream, onder de vlag van The Lou Gramm Band op de soundtrack van Highlander II verschenen, eigenlijk van Shadow King is. Het is weer zo'n standaard nummer, maar Campbells twee gitaarsolo's zijn aangenaam.
Gramm keerde zoals bekend terug naar Foreigner en nam Turgon mee. Campbell belandde bij Def Leppard. De degelijk maar niet opvallend spelende drummer Kevin Valentine (alhoewel, zijn slot van Boy is apart) keerde terug naar sessiewerk voor Kiss.
Sham 69 - Tell Us the Truth (1978)

3,0
0
geplaatst: 24 juli 2024, 10:13 uur
Sham 69 behoorde tot de eerste Britse punkgolf en blijkens livekant 1 van Tell Us the Truth had de groep een vaste aanhang weten te vergaren: het publiek brult de teksten woord voor woord mee.
Wat klinkt is rudimentaire punk met gitaar-bas-drums, energiek en overtuigend gebracht. De groep kwam uit Hersham in Surrey, in de periferie van zuid-west-Londen. De groepsnaam verwijst naar graffiti in deze suburb, waarin aan het voetbalkampioenschap van Walton and Hersham F.C. in 1969 werd herinnerd. Niet gek is dan ook dat ook voetbalfans zich aangetrokken voelden tot Sham 69, waarbij automatisch ook skinheads.
De livekant is opgenomen in The Marquee en The Vortex; beide zalen programmeerden veel punk. De teksten zijn apolitiek en zoals in het bericht hierboven genoemd, gemaakt om luid mee te brullen. Luister eens hoe het publiek het na Borstal Breakout al zingend van de groep overneemt: je waant je op een voetbaltribune. Alleen hieruit al blijkt waarom Sham 69 dé grondleggers van oi punk waren.
Kant 2 is studio. Of vooral: huiselijk. In opener Family Life is er meteen een aanvaring met de moeder des huizes, zoonlief dreigt een pak voor de billen te krijgen als hij niet thuis blijft tot vader arriveert. In het intro van Hey Little Rich Boy klinkt iets terug van Apache van The Shadows, één van de onvermijdelijke liedjes die iedere beginnend gitarist kreeg te oefenen, wat kennelijk ook Dave Parsons was gebeurd. Met Whose Generation! wordt geknipoogd naar The Who's My Generation.
Ook deze plaatzijde komt stevig de boxen uit: geproduceerd door zanger Jimmy Pursey met producer Peter Wilson die door zijn werk met Sham 69 een goede reputatie opbouwde. Al met al een aardig debuut, waarbij de zanglijnen nogal eens samenvallen met de gitaarschema's.
Tell Us the Truth is op YouTube te vinden. Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten kwam vanaf de tweede van The Jam en vervolgt na deze oerpunk bij een heel anders klinkend debuut: dat van Japan.
Wat klinkt is rudimentaire punk met gitaar-bas-drums, energiek en overtuigend gebracht. De groep kwam uit Hersham in Surrey, in de periferie van zuid-west-Londen. De groepsnaam verwijst naar graffiti in deze suburb, waarin aan het voetbalkampioenschap van Walton and Hersham F.C. in 1969 werd herinnerd. Niet gek is dan ook dat ook voetbalfans zich aangetrokken voelden tot Sham 69, waarbij automatisch ook skinheads.
De livekant is opgenomen in The Marquee en The Vortex; beide zalen programmeerden veel punk. De teksten zijn apolitiek en zoals in het bericht hierboven genoemd, gemaakt om luid mee te brullen. Luister eens hoe het publiek het na Borstal Breakout al zingend van de groep overneemt: je waant je op een voetbaltribune. Alleen hieruit al blijkt waarom Sham 69 dé grondleggers van oi punk waren.
Kant 2 is studio. Of vooral: huiselijk. In opener Family Life is er meteen een aanvaring met de moeder des huizes, zoonlief dreigt een pak voor de billen te krijgen als hij niet thuis blijft tot vader arriveert. In het intro van Hey Little Rich Boy klinkt iets terug van Apache van The Shadows, één van de onvermijdelijke liedjes die iedere beginnend gitarist kreeg te oefenen, wat kennelijk ook Dave Parsons was gebeurd. Met Whose Generation! wordt geknipoogd naar The Who's My Generation.
Ook deze plaatzijde komt stevig de boxen uit: geproduceerd door zanger Jimmy Pursey met producer Peter Wilson die door zijn werk met Sham 69 een goede reputatie opbouwde. Al met al een aardig debuut, waarbij de zanglijnen nogal eens samenvallen met de gitaarschema's.
Tell Us the Truth is op YouTube te vinden. Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten kwam vanaf de tweede van The Jam en vervolgt na deze oerpunk bij een heel anders klinkend debuut: dat van Japan.
Sham 69 - That's Life (1978)

3,5
0
geplaatst: 25 juli 2024, 09:42 uur
Na het debuut, half live en half studio, besloot het viertal uit Hersham tot een conceptplaat op soortgelijke wijze als de tweede plaatkant van Tell Us the Truth al deed. We volgen zoonlief (stem van niet-bandlid Grant Fleming) vanaf het moment dat hij wordt gewekt door een luid mopperende moeder: "He's out in the pub all night, just like you", krijgt ook vader een veeg uit de pan. Had ik dit indertijd ontdekt, dan was ik ter plekke gevallen voor het herkenbare verhaal van de tienerzoon.
Bij aanvang van het akoestische (!) Everybody's Right, Everybody's Wrong komt hij opnieuw te laat op het werk en wordt ontslagen. Ook opvallend is dat regelmatig toetsen klinken. De scheurende punk van het debuut wordt verbreed.
En daarmee is het een stuk afwisselender, grappiger en qua teksten herkenbaarder dan de tweede van The Clash die de maand erop verscheen. Geen politiek maar het dagelijks leven van een arbeiderszoon. Hij probeert de gederfde inkomsten goed te maken in een wedkantoor door in te zetten op hondenrennen, brengt de dag door met vrienden, flirt in de kroeg met een meisje en krijgt ruzie met een rivaal en zo rolt deze dag door.
Twee hitsingles werden er van deze elpee gescoord: Angels with Dirty Faces haalde in juni #19 en in de onweerstaanbare meezinger Hurry up Harry gaan we naar de pub, het haalde in november #10.
De muziek werd geschreven door gitarist Dave Parsons en zanger Jimmy Pursey, de laatste produceerde de plaat net als het debuut met producer Peter Wilson. Arbeiderspunk, de kiemen voor oi-punk worden hier nog eens gelegd.
Vanaf 2001 via Castle verkrijgbaar op cd met twee bonustracks, sinds 2005 bij Captain Oi! tevens met derde bonus If the Kids Are United. Leukste bonus is No Entry, met daarin het Amerikaanse volkslied verwerkt.
Mijn reis door new wave van 1978 kwam van de tweede Wire en vervolgt bij de derde van The Jam.
Bij aanvang van het akoestische (!) Everybody's Right, Everybody's Wrong komt hij opnieuw te laat op het werk en wordt ontslagen. Ook opvallend is dat regelmatig toetsen klinken. De scheurende punk van het debuut wordt verbreed.
En daarmee is het een stuk afwisselender, grappiger en qua teksten herkenbaarder dan de tweede van The Clash die de maand erop verscheen. Geen politiek maar het dagelijks leven van een arbeiderszoon. Hij probeert de gederfde inkomsten goed te maken in een wedkantoor door in te zetten op hondenrennen, brengt de dag door met vrienden, flirt in de kroeg met een meisje en krijgt ruzie met een rivaal en zo rolt deze dag door.
Twee hitsingles werden er van deze elpee gescoord: Angels with Dirty Faces haalde in juni #19 en in de onweerstaanbare meezinger Hurry up Harry gaan we naar de pub, het haalde in november #10.
De muziek werd geschreven door gitarist Dave Parsons en zanger Jimmy Pursey, de laatste produceerde de plaat net als het debuut met producer Peter Wilson. Arbeiderspunk, de kiemen voor oi-punk worden hier nog eens gelegd.
Vanaf 2001 via Castle verkrijgbaar op cd met twee bonustracks, sinds 2005 bij Captain Oi! tevens met derde bonus If the Kids Are United. Leukste bonus is No Entry, met daarin het Amerikaanse volkslied verwerkt.
Mijn reis door new wave van 1978 kwam van de tweede Wire en vervolgt bij de derde van The Jam.
Sham 69 - The Adventures of the Hersham Boys (1979)

3,5
0
geplaatst: 10 augustus 2024, 15:30 uur
Na het luide debuut dat half live was en de opvolger die 'een dag uit het leven van' vertelde en het muzikale palet verbreedde, verscheen in september 1979 de derde van punkpioniers Sham 69. The Adventures of the Hersham Boys opent ruw met Money, gevolgd door het melodieuze Fly Dark Angel met een orgeltje en pianosolo. Dan het vlot stampende Joey's on the Street Again (een ander nummer dat het gelijknamige van The Boomtown Rats) en we weten wat de "formule" is.
Enerzijds punk, anderzijds pop en melodie. Rauw in de vol Cockneytrots gevulde meebruller Hersham Boys met z'n gekke polka halverwege en in Lost on Highway 46 met een halverwege een "rare" klavecimbel: hoe komt die daar verzeild? Ik word vrolijk van die mallotigheden! Questions and Answers heeft zowel een Slade-, Mudachtige glamrockriff als het punkgevoel. Het stevige What Have We Got? sluit live af.
Dibbel schreef: "Het wordt natuurlijk verpest door de punk'zang' van Jimmy Pursey. Vroeger vonden we dat leuk, nu niet meer." Tja, ik weet niet wie 'we' zijn, maar hier vinden "we" Purseys zang wél leuk! Juist die rauwe vertolkingen vind ik lekker bij de muzikaal minder scheurende muziek, het levert namelijk een lekker contrast op.
Maar zoals hij tevens noteerde, "Fly Dark Angel, Joey's On The Streets, You're A Better Man Than I en vooral Hersham Boys zijn eigenlijk perfecte popsongs,". Inderdaad, met een "beschaafde" vertolking had dit hitmateriaal kunnen zijn. Laat ze kletsen, hoor ik Sham 69 in Londen denken: Questions and Answers haalde in het Verenigd Koninkrijk in april '79 #18 en Hersham Boys in augustus #6.
In 2005 verscheen een cd-versie met de nodige bonussen, zoals de 12" die indertijd in beperkte oplage bij de elpee verscheen. Ik kom deze ook op streaming tegen.
Mijn reis door new wave kwam vanaf de derde Eddie & The Hot Rods. Voor het volgende station terug in de tijd: november 1978 scoorde het eveneens Engelse 999 zijn grootste hit, afkomstig van hun tweede album.
Enerzijds punk, anderzijds pop en melodie. Rauw in de vol Cockneytrots gevulde meebruller Hersham Boys met z'n gekke polka halverwege en in Lost on Highway 46 met een halverwege een "rare" klavecimbel: hoe komt die daar verzeild? Ik word vrolijk van die mallotigheden! Questions and Answers heeft zowel een Slade-, Mudachtige glamrockriff als het punkgevoel. Het stevige What Have We Got? sluit live af.
Dibbel schreef: "Het wordt natuurlijk verpest door de punk'zang' van Jimmy Pursey. Vroeger vonden we dat leuk, nu niet meer." Tja, ik weet niet wie 'we' zijn, maar hier vinden "we" Purseys zang wél leuk! Juist die rauwe vertolkingen vind ik lekker bij de muzikaal minder scheurende muziek, het levert namelijk een lekker contrast op.
Maar zoals hij tevens noteerde, "Fly Dark Angel, Joey's On The Streets, You're A Better Man Than I en vooral Hersham Boys zijn eigenlijk perfecte popsongs,". Inderdaad, met een "beschaafde" vertolking had dit hitmateriaal kunnen zijn. Laat ze kletsen, hoor ik Sham 69 in Londen denken: Questions and Answers haalde in het Verenigd Koninkrijk in april '79 #18 en Hersham Boys in augustus #6.
In 2005 verscheen een cd-versie met de nodige bonussen, zoals de 12" die indertijd in beperkte oplage bij de elpee verscheen. Ik kom deze ook op streaming tegen.
Mijn reis door new wave kwam vanaf de derde Eddie & The Hot Rods. Voor het volgende station terug in de tijd: november 1978 scoorde het eveneens Engelse 999 zijn grootste hit, afkomstig van hun tweede album.
Sham 69 - The Game (1980)

3,0
0
geplaatst: 8 maart 2025, 10:04 uur
De vierde van Sham 69 werd opgenomen in Frankrijk. Waar op de vorige albums met live- of akoestische nummers, piano en een verhalend concept de nodige (humoristische) variatie werd aangebracht, gebeurt dat minder op The Game. Gevolg is dat traditionele, uptempo punk klinkt, volgens het standaardboekje. De melodieën, riffs en/of andere ideeën missen de vonk - althans voor mij.
Hier en daar toch wat afwijkends: in Lord of the Flies een hoog (dames?)koortje in het refrein, in het felle Give a Dog a Bone een grommende hond in het uitro, blazers in Tell the Truth (als single in april '80 tot #45 reikend), Simon is akoestisch met slidegitaar waarbij ik opeens aan Rose Tattoo denk en Poor Cow drijft zozeer op elektrische piano (!) en akoestische gitaar dat het een knipoog-buitenbeentje is.
Voor mij al met al te weinig om The Game van deze uitvinders van oi!-punk innig te omarmen. Sympathiek is het zeker, maar de fut lijkt eruit. Dat kan kloppen: het album haalde de Britse verkooplijst niet en nog in datzelfde 1980 viel Sham 69 uit elkaar.
In 1989 noemde zanger Jimmy Pursey het zelfs a pile of shit, waarmee hij te streng is voor zichzelf en zijn kompanen. In 1988 was de groep teruggekeerd met Volunteer.
Bij dat jaar ben ik nog lang niet. Ben op reis door de new wave van 1980 en kom van Argybargy van Squeeze. Omdat ik het volgende album op mijn afspeellijst al besprak, namelijk de tweede van The Human League, vervolg ik bij geestverwanten van Sham 69: oi!-punk van Cockney Rejects en hun non-albumsingle annex voetballied I'm Forever Blowing Bubbles, voor het eerst op een langspeler op de groep te vinden middels We Are the Firm.
Hier en daar toch wat afwijkends: in Lord of the Flies een hoog (dames?)koortje in het refrein, in het felle Give a Dog a Bone een grommende hond in het uitro, blazers in Tell the Truth (als single in april '80 tot #45 reikend), Simon is akoestisch met slidegitaar waarbij ik opeens aan Rose Tattoo denk en Poor Cow drijft zozeer op elektrische piano (!) en akoestische gitaar dat het een knipoog-buitenbeentje is.
Voor mij al met al te weinig om The Game van deze uitvinders van oi!-punk innig te omarmen. Sympathiek is het zeker, maar de fut lijkt eruit. Dat kan kloppen: het album haalde de Britse verkooplijst niet en nog in datzelfde 1980 viel Sham 69 uit elkaar.
In 1989 noemde zanger Jimmy Pursey het zelfs a pile of shit, waarmee hij te streng is voor zichzelf en zijn kompanen. In 1988 was de groep teruggekeerd met Volunteer.
Bij dat jaar ben ik nog lang niet. Ben op reis door de new wave van 1980 en kom van Argybargy van Squeeze. Omdat ik het volgende album op mijn afspeellijst al besprak, namelijk de tweede van The Human League, vervolg ik bij geestverwanten van Sham 69: oi!-punk van Cockney Rejects en hun non-albumsingle annex voetballied I'm Forever Blowing Bubbles, voor het eerst op een langspeler op de groep te vinden middels We Are the Firm.
Shane MacGowan and the Popes - The Crock of Gold (1997)

5,0
3
geplaatst: 30 november 2023, 20:26 uur
Midden jaren '90 werd ik moe van metal, nadat mijn geliefde new wave allang kopje onder was. Ik ging andere muzikale werelden verkennen. Keltische folk was één van mijn zij-interesses geweest, ooit op het spoor gezet door het nummer Black Rose (1979) van Thin Lizzy; in '97 was het tijd om die verder te verkennen.
Ik las berichten over de vandaag overleden Shane MacGowan en kocht The Crock of Gold. Heb 'm grijs gedraaid - voor zover een cd dat van zichzelf al niet is - mijn kinderen dansten op de muziek...
In datzelfde 1997 zag ik de BBC-documentaire The Great Hunger. Door dit portret van de zanger groeide mijn fascinatie. Tot mijn vreugde ontdekte ik vanmiddag dat deze op JijBuis is te vinden, zie hier met daarin prachtige vertolkingen van zijn werk door Christy Moore, Sinéad O'Connor, Nick Cave en Ronnie Drew. Door het zien ervan vermoedde ik indertijd dat iedere maand zijn overlijdensbericht kon binnenkomen. Wat dat betreft heeft hij het nog lang volgehouden.
De eerste drie nummers hebben 'Paddy' in de titel en de trotse Ier MacGowan had dat eigenlijk in ieder nummer willen doen, las ik in die dagen. Daarmee hebben we de meeste boosheid gehad maar de humor en levenslust blijven. Veel snelle nummers afgewisseld door langzamer werk, soms een snufje country (yippy I o, yippy I ay in Céilídh Cowboy) of zelfs reggae (B&I Ferry), dub (St John of Gods) en nationalistische kinderliedjes (Skipping Rhymes).
The Popes, zes man sterk, spelen geïnspireerd en passen zich lenig aan aan de sfeer van de diverse nummers. Banjo, fluit, accordeon en viool vormen het melodieuze contrast met MacGowans vrij monotone maar pakkende voordracht, met soms gastmuzikant Ed Deane op lapsteel en Spaanse gitaar. Eenmaal is het instrumentaal en wel met banjominiatuur Maclennan.
Pas hierna ben ik The Pogues gaan ontdekken. Desondanks blijft dit mijn favoriete album met MacGowan. De 5 sterren die ik geef zijn dan ook oprecht voor de muziek en niet mede gestimuleerd door zijn overlijden.
Favoriete nummers noemen? Ik vind ze allemáál heerlijk, juist door de mengeling van stijlen en tempo's. Wel speciale aandacht voor het verhaal in Paddy Public Enemy No. 1 over Dominic McGlinchey, voormalig lid van de Provisional IRA en de Irish National Liberation Army, die spijt kreeg en in 1994 zelf werd vermoord.
Het cd-boekje bevat niet alleen de teksten, maar ook enkele fraaie kunstwerkjes en foto's, waarbij één van zijn moeder als jonge vrouw. In 2020 verscheen een volgende docu over de man, vernoemd naar dit album. Hier de trailer.
"Do you know where hell is? Hell is in hello," liet MacGowan roadie Charlie MacLennan zingen op slotlied Wanderin' Star met een diepe stem waar zelfs Johnny Cash jaloers op zou zijn geweest. A farewell to you dan maar, meneer Shane. Dank voor de mooie muziek; f yez all.
Ik las berichten over de vandaag overleden Shane MacGowan en kocht The Crock of Gold. Heb 'm grijs gedraaid - voor zover een cd dat van zichzelf al niet is - mijn kinderen dansten op de muziek...
In datzelfde 1997 zag ik de BBC-documentaire The Great Hunger. Door dit portret van de zanger groeide mijn fascinatie. Tot mijn vreugde ontdekte ik vanmiddag dat deze op JijBuis is te vinden, zie hier met daarin prachtige vertolkingen van zijn werk door Christy Moore, Sinéad O'Connor, Nick Cave en Ronnie Drew. Door het zien ervan vermoedde ik indertijd dat iedere maand zijn overlijdensbericht kon binnenkomen. Wat dat betreft heeft hij het nog lang volgehouden.
De eerste drie nummers hebben 'Paddy' in de titel en de trotse Ier MacGowan had dat eigenlijk in ieder nummer willen doen, las ik in die dagen. Daarmee hebben we de meeste boosheid gehad maar de humor en levenslust blijven. Veel snelle nummers afgewisseld door langzamer werk, soms een snufje country (yippy I o, yippy I ay in Céilídh Cowboy) of zelfs reggae (B&I Ferry), dub (St John of Gods) en nationalistische kinderliedjes (Skipping Rhymes).
The Popes, zes man sterk, spelen geïnspireerd en passen zich lenig aan aan de sfeer van de diverse nummers. Banjo, fluit, accordeon en viool vormen het melodieuze contrast met MacGowans vrij monotone maar pakkende voordracht, met soms gastmuzikant Ed Deane op lapsteel en Spaanse gitaar. Eenmaal is het instrumentaal en wel met banjominiatuur Maclennan.
Pas hierna ben ik The Pogues gaan ontdekken. Desondanks blijft dit mijn favoriete album met MacGowan. De 5 sterren die ik geef zijn dan ook oprecht voor de muziek en niet mede gestimuleerd door zijn overlijden.
Favoriete nummers noemen? Ik vind ze allemáál heerlijk, juist door de mengeling van stijlen en tempo's. Wel speciale aandacht voor het verhaal in Paddy Public Enemy No. 1 over Dominic McGlinchey, voormalig lid van de Provisional IRA en de Irish National Liberation Army, die spijt kreeg en in 1994 zelf werd vermoord.
Het cd-boekje bevat niet alleen de teksten, maar ook enkele fraaie kunstwerkjes en foto's, waarbij één van zijn moeder als jonge vrouw. In 2020 verscheen een volgende docu over de man, vernoemd naar dit album. Hier de trailer.
"Do you know where hell is? Hell is in hello," liet MacGowan roadie Charlie MacLennan zingen op slotlied Wanderin' Star met een diepe stem waar zelfs Johnny Cash jaloers op zou zijn geweest. A farewell to you dan maar, meneer Shane. Dank voor de mooie muziek; f yez all.
Shane Smith & the Saints - Norther (2024)

4,5
1
geplaatst: 10 april 2024, 21:07 uur
Eén van mijn collega's is een begenadigd sologitarist, ooit in zware metal actief maar hélemaal klaar met dat genre. Uitgerekend hij attendeerde mij op Shane Smith and the Saints, een voor mij onbekend bandje. Hij is niet een beetje enthousiast: zo kijkt hij ontzettend uit naar het concert van de groep dat op 16 mei in Utrecht staat gepland.
In de jaren '80 had je Jason & The Scorchers die country van een fikse scheut scheurende rock 'n' roll voorzagen. Bij Shane Smith en zijn heiligen is het wat dat betreft kalmer, maar niet minder indringend. Mijn associatie is soms met het akoestische werk van David Eugene Edwards in diens groepen Sixteen Horsepower en Wovenhand. Hier is het kalmer, melodieuzer en tegelijkertijd wél indringend en melancholiek zoals Edwards ook zo goed kan. Fire in the Sky bijvoorbeeld heeft bij vlagen datzelfde dreigende gevoel.
Norther heeft enkele draaibeurten nodig voordat het zich helemaal aan je openbaart. Wie het dat gunt, ontdekt nieuwe laagjes en fraaie details met bovenop de diepe stem van Smith. Dat de groep uit Texas komt (en daar inmiddels een grote naam is, anders word je niet gevraagd te spelen bij de inauguratie van een nieuwe gouverneur) is gezien hun stijl niet verrassend, waarbij Smith op een countrybasis fraaie composities schrijft die het genre ontstijgen. Melancholie zit in zijn aderen en violist Bennett Brown zorgt voor melodieus tegenwicht.
De tweede helft is iets lichter qua sfeer en arrangementen, te beginnen met Wheels. De vocalen van Smith worden er wat heser door, een register dat eveneens goed binnenkomt. Pianoballade All the Way profiteert daar nog meer van. Kalm en indringend.
Ik kan er helaas niet bij zijn de 16e mei, maar voor de tweede keer in korte tijd: potjandosie, wellicht is dit album iets voor jou? Ik heb met Norther in ieder geval een favoriet voor het beste album van 2024.
In de jaren '80 had je Jason & The Scorchers die country van een fikse scheut scheurende rock 'n' roll voorzagen. Bij Shane Smith en zijn heiligen is het wat dat betreft kalmer, maar niet minder indringend. Mijn associatie is soms met het akoestische werk van David Eugene Edwards in diens groepen Sixteen Horsepower en Wovenhand. Hier is het kalmer, melodieuzer en tegelijkertijd wél indringend en melancholiek zoals Edwards ook zo goed kan. Fire in the Sky bijvoorbeeld heeft bij vlagen datzelfde dreigende gevoel.
Norther heeft enkele draaibeurten nodig voordat het zich helemaal aan je openbaart. Wie het dat gunt, ontdekt nieuwe laagjes en fraaie details met bovenop de diepe stem van Smith. Dat de groep uit Texas komt (en daar inmiddels een grote naam is, anders word je niet gevraagd te spelen bij de inauguratie van een nieuwe gouverneur) is gezien hun stijl niet verrassend, waarbij Smith op een countrybasis fraaie composities schrijft die het genre ontstijgen. Melancholie zit in zijn aderen en violist Bennett Brown zorgt voor melodieus tegenwicht.
De tweede helft is iets lichter qua sfeer en arrangementen, te beginnen met Wheels. De vocalen van Smith worden er wat heser door, een register dat eveneens goed binnenkomt. Pianoballade All the Way profiteert daar nog meer van. Kalm en indringend.
Ik kan er helaas niet bij zijn de 16e mei, maar voor de tweede keer in korte tijd: potjandosie, wellicht is dit album iets voor jou? Ik heb met Norther in ieder geval een favoriet voor het beste album van 2024.
Shapeshifted - Gimme Rock'N'Roll (2023)

3,5
1
geplaatst: 9 november 2023, 13:42 uur
Ook ik was blij met deze tip van henrie9, die mij middels een pm op dit album attendeerde. Ik kon gek genoeg niet veel over dit album vinden, zelfs (?) Discogs vermeldt niets. Nu heeft dat platform momenteel enkele softwareproblemen die de zoekfunctie belemmeren, vandaar wellicht deze omissie.
Was Shapeshifted in het verleden vierkoppig (zo vond ik daar en elders), vanwege de hoes van Gimme Rock'n'Roll en hetgeen ik hoor, ga ik ervan uit dat nu sprake is van een trio: drums, bas, gitaar.
Hierboven is één en ander reeds opgemerkt, maar dat had ik nog niet gelezen toen ik eerder deze week met luisteren begon: de ideale band in het voorprogramma van de Rolling Stones of Iggy Pop en ook AC/DC zou vrolijk worden van Shapeshifted, want opgewarmd wordt de luisteraar zeker. Vuige rock 'n' roll zoals die in menig Australische / Britse / Amerikaanse kroeg werd (wordt?) gespeeld. Geen kapsones maar riffs en bovendien lekker geproduceerd.
De originaliteit is niet hoog, hoeft ook niet. Wél mis ik een tweede gitaar, die net wat meer slagaccentjes zou kunnen geven. Laat onverlet dat er héérlijk wordt gerifft en gesoleerd met een maximum aan afwisseling binnen het land van good ole rock 'n'roll.
De zang houdt dan weer het midden tussen Jagger en Osterberg, al wordt het soms wat eentonig. Dat zit 'm eerder in de continue stevigheid met dito zang dan in de zangkwaliteiten.
Geen wereldtop maar wél heul lekker. Vermoedelijk in concert nog véél lekkerdererererer!
Was Shapeshifted in het verleden vierkoppig (zo vond ik daar en elders), vanwege de hoes van Gimme Rock'n'Roll en hetgeen ik hoor, ga ik ervan uit dat nu sprake is van een trio: drums, bas, gitaar.
Hierboven is één en ander reeds opgemerkt, maar dat had ik nog niet gelezen toen ik eerder deze week met luisteren begon: de ideale band in het voorprogramma van de Rolling Stones of Iggy Pop en ook AC/DC zou vrolijk worden van Shapeshifted, want opgewarmd wordt de luisteraar zeker. Vuige rock 'n' roll zoals die in menig Australische / Britse / Amerikaanse kroeg werd (wordt?) gespeeld. Geen kapsones maar riffs en bovendien lekker geproduceerd.
De originaliteit is niet hoog, hoeft ook niet. Wél mis ik een tweede gitaar, die net wat meer slagaccentjes zou kunnen geven. Laat onverlet dat er héérlijk wordt gerifft en gesoleerd met een maximum aan afwisseling binnen het land van good ole rock 'n'roll.
De zang houdt dan weer het midden tussen Jagger en Osterberg, al wordt het soms wat eentonig. Dat zit 'm eerder in de continue stevigheid met dito zang dan in de zangkwaliteiten.
Geen wereldtop maar wél heul lekker. Vermoedelijk in concert nog véél lekkerdererererer!
Shoes - Black Vinyl Shoes (1977)

3,0
1
geplaatst: 21 september 2025, 21:25 uur
Op reis door new wave van 1980 werd ik bij de powerpop van The A's door potjandosie geattendeerd op de Amerikaanse Shoes. Die brachten in medio augustus 1977 in eigen beheer dit Black Vinyl Shoes uit. Mij volslagen onbekend en dus leuk als je het desondanks gewoon op je streamingplatform aantreft! Wellicht overbodig maar toch: deze Shoes hebben niets te maken met The Shoes uit Nederland.
Tijdens de beluisteringen ontdekte ik dat de groep afkomstig was uit Zion, Illinois en hun albums in een eigen studio opnam. Dit album werd zelfs in de huiskamer op een viersporenapparaat opgenomen en klinkt dan eigenlijk best goed.
Gevolg is een lo-fi productie die me niet stoort, behalve het geluid van de drums; al komt dat vooral omdat drummer Skip Meyer nogal simplistisch op de pannen slaat. Tegelijkertijd weet ik dat maatje JeKo dat juist een pré vindt: laat het maar schuren!
De zang wordt afwisselend gedaan door de broers John (bas) en Jeff (gitaar) Murphy plus Jerry Klebe (eveneens gitaar). Alle drie zingen ze in de hoge regionen, soms bijna zoals je een baby lieflijk met hogere stem toezingt. Dit bij gitaarliedjes waarvan er vijf uitspringen: Do You Wanna Get Lucky?, Not Me, het relatief stevige Capital Gain, Okay en It Really Hurts. De gitaarliedjes hebben een akoestische basis en worden een heel enkele keer iets steviger. Toch overheerst vooral zwoele powerpop met melodieuze gitaarlijnen, die gegeven de opnamesituatie en het ontbreken van een producer helemaal prima klinkt.
Aanbevolen voor hen die houden van een garagesound met vriendelijke gitaarliedjes. In mijn afspeellijst met new wave volgt hierna het bekendere Whole Wide World van pubrocker Wreckless Eric. Dan pas valt me op hoeveel de Shoes met zijn geluid gemeen hebben: sympathieke, naïeve gitaarliedjes in jaren '60-sferen.
Hierna werden de Shoes getekend door Elektra en opvolger Present Tense verscheen dus in een professionele context, een basis die ze kennelijk met Black Vinyl Shoes hadden afgedwongen. Een 6,5 als schoolcijfer druk ik uit in drie sterren. Aan de andere negen stemmen is te zien dat ik wat strenger ben: het huidige stemgemiddelde is een 3,61.
Mijn reis door wave kwam van december 1980, single Is Vic There? van Department S. Voordat ik de tweede van Shoes ga beluisteren is daar eerst het eveneens in '79 verschenen titelloze debuut van The Reds, alweer uit de VS.
Tijdens de beluisteringen ontdekte ik dat de groep afkomstig was uit Zion, Illinois en hun albums in een eigen studio opnam. Dit album werd zelfs in de huiskamer op een viersporenapparaat opgenomen en klinkt dan eigenlijk best goed.
Gevolg is een lo-fi productie die me niet stoort, behalve het geluid van de drums; al komt dat vooral omdat drummer Skip Meyer nogal simplistisch op de pannen slaat. Tegelijkertijd weet ik dat maatje JeKo dat juist een pré vindt: laat het maar schuren!
De zang wordt afwisselend gedaan door de broers John (bas) en Jeff (gitaar) Murphy plus Jerry Klebe (eveneens gitaar). Alle drie zingen ze in de hoge regionen, soms bijna zoals je een baby lieflijk met hogere stem toezingt. Dit bij gitaarliedjes waarvan er vijf uitspringen: Do You Wanna Get Lucky?, Not Me, het relatief stevige Capital Gain, Okay en It Really Hurts. De gitaarliedjes hebben een akoestische basis en worden een heel enkele keer iets steviger. Toch overheerst vooral zwoele powerpop met melodieuze gitaarlijnen, die gegeven de opnamesituatie en het ontbreken van een producer helemaal prima klinkt.
Aanbevolen voor hen die houden van een garagesound met vriendelijke gitaarliedjes. In mijn afspeellijst met new wave volgt hierna het bekendere Whole Wide World van pubrocker Wreckless Eric. Dan pas valt me op hoeveel de Shoes met zijn geluid gemeen hebben: sympathieke, naïeve gitaarliedjes in jaren '60-sferen.
Hierna werden de Shoes getekend door Elektra en opvolger Present Tense verscheen dus in een professionele context, een basis die ze kennelijk met Black Vinyl Shoes hadden afgedwongen. Een 6,5 als schoolcijfer druk ik uit in drie sterren. Aan de andere negen stemmen is te zien dat ik wat strenger ben: het huidige stemgemiddelde is een 3,61.
Mijn reis door wave kwam van december 1980, single Is Vic There? van Department S. Voordat ik de tweede van Shoes ga beluisteren is daar eerst het eveneens in '79 verschenen titelloze debuut van The Reds, alweer uit de VS.
Shoes - Present Tense (1979)

4,0
1
geplaatst: 23 september 2025, 23:03 uur
Op weg door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave, had ik 1980 afgerond. Daarop ben ik dankzij enkele tips teruggegaan in de tijd. Mijn vorige inhaalslag was bij het debuut van The Reds en ik vervolg bij de tweede van een groep uit Illinois in de VS. Die groep heet Shoes en grossiert in powerpop.
Deze keer geen thuisopnames: het in september 1979 verschenen Present Tense werd opgenomen voor het label Elektra in een echte studio. Het kwaliteitsverschil met het debuut is daarom groot. Drums en koortjes (veel zoete oeeeee's en aaaaaaa's) profiteren ervan en de composities en invloeden komen veel beter uit de verf.
Hoogtepunt is opener Tomorrow Night mede dankzij de gitaarpartijen. Hierna volgt aardig werk, waarbij het door akoestische gitaar gedragen Your Very Eyes. De lieflijke (lead)zang vertelt verhalen over gemene meisjes, want o, deze mannen zijn menigmaal gekwetst in de liefde... Een titel als Somebody Has What I Had is veelzeggend. In dit nummer klinkt Shoes venijniger dan voorheen, mede dankzij een boze melodielijn met passend gitaarwerk in het refrein.
Now and Then opent kant 2 stevig, bijna alsof Malcolm Young van AC/DC een riff cadeau deed. Daarna blijkt Every Girl juist extra gevoelig. In I Don't Miss You klinken echo's van de glamrock van Marc Bolan en T-Rex en in Cruel You hoor je enige invloed van de Ramones. Met het uit drie delen opgebouwde Three Times moet ik echter denken aan jaren '70 folkpop uit Engeland, waarna men met slotlied I Don't Wanna Hear It weer pittig klinkt.
Uiteenlopende invloeden die dankzij de productie van Mike Stone nu wél goed uit de verf komen en onmiskenbaar een Shoesgeluid hebben; bovendien heeft drummer Skip Meyer hoorbaar het nodige bijgeleerd sinds de vorige plaat.
Twee maanden later verscheen de volgende halte op mijn reis door new wave: het titelloze debuut van The Toms, het eenmansproject van Amerikaan Tom Marolda.
Deze keer geen thuisopnames: het in september 1979 verschenen Present Tense werd opgenomen voor het label Elektra in een echte studio. Het kwaliteitsverschil met het debuut is daarom groot. Drums en koortjes (veel zoete oeeeee's en aaaaaaa's) profiteren ervan en de composities en invloeden komen veel beter uit de verf.
Hoogtepunt is opener Tomorrow Night mede dankzij de gitaarpartijen. Hierna volgt aardig werk, waarbij het door akoestische gitaar gedragen Your Very Eyes. De lieflijke (lead)zang vertelt verhalen over gemene meisjes, want o, deze mannen zijn menigmaal gekwetst in de liefde... Een titel als Somebody Has What I Had is veelzeggend. In dit nummer klinkt Shoes venijniger dan voorheen, mede dankzij een boze melodielijn met passend gitaarwerk in het refrein.
Now and Then opent kant 2 stevig, bijna alsof Malcolm Young van AC/DC een riff cadeau deed. Daarna blijkt Every Girl juist extra gevoelig. In I Don't Miss You klinken echo's van de glamrock van Marc Bolan en T-Rex en in Cruel You hoor je enige invloed van de Ramones. Met het uit drie delen opgebouwde Three Times moet ik echter denken aan jaren '70 folkpop uit Engeland, waarna men met slotlied I Don't Wanna Hear It weer pittig klinkt.
Uiteenlopende invloeden die dankzij de productie van Mike Stone nu wél goed uit de verf komen en onmiskenbaar een Shoesgeluid hebben; bovendien heeft drummer Skip Meyer hoorbaar het nodige bijgeleerd sinds de vorige plaat.
Twee maanden later verscheen de volgende halte op mijn reis door new wave: het titelloze debuut van The Toms, het eenmansproject van Amerikaan Tom Marolda.
Shooting Star - Hang On for Your Life (1981)

4,0
0
geplaatst: 4 oktober 2022, 17:46 uur
‘Dat is een mooie hoes!’ merkte mijn oudste zoon op, toen ik hem liet zien welke plaat ik zojuist uit de tweedehandsplatenbak had gevist. Misschien wel de enige platenhoes ter wereld waarvan de hoes vermeldt ‘Stunt work provided by…’ Het slaat op de inderdaad fraaie cover.
Kort nadat ik elders de eerste en derde van Shooting Star had gekocht, kwam ik deze tegen. Op Hang on four your Life, hun tweede, is de band nog een sextet. Mijn Duitse exemplaar heeft geen bedrukte binnenhoes, op Discogs ontdek ik dat de Amerikaanse persing die wél had. Daarop zie ik slechts vijf man poseren; mogelijk was toetsenist Bill Guffey al verdwenen voordat de foto werd gemaakt.
Waar veel jonge bands hun restmateriaal voor het tweede album bewaarden, is deze opvolger juist qua composities een stapje vooruit. Bovendien is de productie van Dennis McKay steviger dan zijn voorganger op het debuut deed. Opgenomen in de studio van Randy Bachman van The Guess Who, Bachman-Turner Overdrive en Ironhorse, waar kennelijk een creatieve sfeer hing, nodig voor de soms symfonische en altijd radiovriendelijke rock van deze band.
Vijf nummers op iedere plaatkant. Die op de A-zijde zijn allemaal uptempo, op nummer 5 na. Flesh and Blood en Teaser (beiden met viool) bevatten adult oriented rock met heerlijk progressieve trekjes, op het tussenliggende Hang on for your Life en Are you on my Side wordt stevig gerockt, inclusief heerlijk gitaarwerk. Hollywood vormt het einde van de eerste helft: een ballad, beginnend met prachtig pianospel en geleidelijk steviger wordend.
Op de B-zijde liggen de tempo’s op de eerste drie nummers wat lager dan op de eerste plaatkant. Het zijn stevige midtempo songs, aangenaam maar ze blijven bij mij niet hangen. You’ve Got Love verrast daarop, met een stampend jaren ’50 rock ‘n’ roll ritme á la Bo Didley, om halverwege over te schakelen naar een symfonisch deel met viool, waarna weer stampend wordt afgesloten. Een song die groeit bij vaker draaien. Sweet Elatia tenslotte is in mineur, langzaam en slepend, een fraaie ballade in progressieve rocksfeer.
Shooting Star is een bandje waar ik steevast vrolijk van word. Van de eerste drie platen die ze maakten, vind ik dit nipt de beste. De eerste bevat weliswaar het beste nummer dat ik van ze ken, maar op de tweede is het niveau constanter. Daarom een halve ster meer voor deze. Kom ik ooit andere albums van ze tegen in de platenbakken, dan houd ik mij aanbevolen.
Kort nadat ik elders de eerste en derde van Shooting Star had gekocht, kwam ik deze tegen. Op Hang on four your Life, hun tweede, is de band nog een sextet. Mijn Duitse exemplaar heeft geen bedrukte binnenhoes, op Discogs ontdek ik dat de Amerikaanse persing die wél had. Daarop zie ik slechts vijf man poseren; mogelijk was toetsenist Bill Guffey al verdwenen voordat de foto werd gemaakt.
Waar veel jonge bands hun restmateriaal voor het tweede album bewaarden, is deze opvolger juist qua composities een stapje vooruit. Bovendien is de productie van Dennis McKay steviger dan zijn voorganger op het debuut deed. Opgenomen in de studio van Randy Bachman van The Guess Who, Bachman-Turner Overdrive en Ironhorse, waar kennelijk een creatieve sfeer hing, nodig voor de soms symfonische en altijd radiovriendelijke rock van deze band.
Vijf nummers op iedere plaatkant. Die op de A-zijde zijn allemaal uptempo, op nummer 5 na. Flesh and Blood en Teaser (beiden met viool) bevatten adult oriented rock met heerlijk progressieve trekjes, op het tussenliggende Hang on for your Life en Are you on my Side wordt stevig gerockt, inclusief heerlijk gitaarwerk. Hollywood vormt het einde van de eerste helft: een ballad, beginnend met prachtig pianospel en geleidelijk steviger wordend.
Op de B-zijde liggen de tempo’s op de eerste drie nummers wat lager dan op de eerste plaatkant. Het zijn stevige midtempo songs, aangenaam maar ze blijven bij mij niet hangen. You’ve Got Love verrast daarop, met een stampend jaren ’50 rock ‘n’ roll ritme á la Bo Didley, om halverwege over te schakelen naar een symfonisch deel met viool, waarna weer stampend wordt afgesloten. Een song die groeit bij vaker draaien. Sweet Elatia tenslotte is in mineur, langzaam en slepend, een fraaie ballade in progressieve rocksfeer.
Shooting Star is een bandje waar ik steevast vrolijk van word. Van de eerste drie platen die ze maakten, vind ik dit nipt de beste. De eerste bevat weliswaar het beste nummer dat ik van ze ken, maar op de tweede is het niveau constanter. Daarom een halve ster meer voor deze. Kom ik ooit andere albums van ze tegen in de platenbakken, dan houd ik mij aanbevolen.
Shooting Star - III Wishes (1982)

3,5
0
geplaatst: 28 augustus 2022, 13:00 uur
Nadat ik toevallig tegen twee platen van het Amerikaanse Shooting Star was aangelopen, beviel het debuut mij goed. Tijd voor die andere.
III Wishes is de derde van deze aor-band. Het haalde in de Billboard albumlijst #82, hun hoogst genoteerde, zij het met negen weken notering een stuk korter dan de voorganger. De band was uitgedund tot een kwintet, één van de drie (!) toetsenisten had de band verlaten.
Op streaming staat dat de plaat uit 1980 stamt, maar mijn vinyl noemt 1982. Wikipedia meldt dat het in juli 1982 is verschenen. Maakt dat uit? Jazeker: op twee nummers hoor ik invloeden van AC/DC, dat in de tussentijd in de Verenigde Staten was doorgebroken. Kennelijk waren dat soort hoekige riffs plotseling invloedrijk in cowboyland.
Wat ook opvalt: de droge sound van het debuut is drie jaar later vervangen voor een vollere, beter passend bij de muziek; geproduceerd door Kevin Elson.
Opener Are You Ready is zoals de titel zegt geschreven om concerten mee af te trappen. Energiek en aangenaam, met solo’s op zowel gitaar als viool. Dat laatste instrument komen we op slechts één ander nummer tegen.
In de nummers die volgen, blijken de melodieën blijken aardig tot fraai, net als de arrangementen waarin bovendien afwisseling wordt geboden. Al op het vierde nummer Where You Gonna Run klinkt voor het laatst de viool.
Dan tweemaal zo’n gitaar in de geest van Wisselstroom/Gelijkstroom. De A-kant sluit af met Do You Feel Alright, gebouwd rond een scherpe riff. Hier zingt volgens mij tweede leadzanger Gary West, die met zijn rauwere stem de zwaardere composities waarneemt. Wederom blijkt dat de gitaarsolo’s op het album dik in orde zijn.
Turn it On opent kant B. Vierkante riffs als deze passen niet goed bij deze band, maar net als in het vorige nummer trekken de vijf spoedig het lied naar zich toe met meerstemmige zang.
Toch hoor ik liever de melodische muziek van Weary Eyes met zijn fraaie gitaar- en toetsenpartijen. Na de degelijke ballade Couldn’t Get Enough volgt met Let it Out het laatste uptempo nummer, bewijzend dat de band geen Australische invloeden nodig had om het tempo omhoog te gooien.
Afsluiter Whole World’s Watching is helaas een nachtkaarsje met zijn eenvoudige pianobasis, ondersteund door synthesizers en percussieaccenten. Hier had een vioolpartij voor een extra laag moeten zorgen.
Duidelijk is dat de band radiovriendelijk dacht, gericht op de Amerikaanse stations die dit format draaiden. Het levert een aangenaam album op, dat net te weinig spettert. Ik waarder het met een 3,5 oftewel een 7, waar een 7,5 passender was geweest; een naar boven afgeronde viersterrenscore zou echter teveel zijn.
Laat ik nou gisteren hun tweede album in een bak met tweedehands vinyl tegenkomen. Wordt vervolgd, joechei!
III Wishes is de derde van deze aor-band. Het haalde in de Billboard albumlijst #82, hun hoogst genoteerde, zij het met negen weken notering een stuk korter dan de voorganger. De band was uitgedund tot een kwintet, één van de drie (!) toetsenisten had de band verlaten.
Op streaming staat dat de plaat uit 1980 stamt, maar mijn vinyl noemt 1982. Wikipedia meldt dat het in juli 1982 is verschenen. Maakt dat uit? Jazeker: op twee nummers hoor ik invloeden van AC/DC, dat in de tussentijd in de Verenigde Staten was doorgebroken. Kennelijk waren dat soort hoekige riffs plotseling invloedrijk in cowboyland.
Wat ook opvalt: de droge sound van het debuut is drie jaar later vervangen voor een vollere, beter passend bij de muziek; geproduceerd door Kevin Elson.
Opener Are You Ready is zoals de titel zegt geschreven om concerten mee af te trappen. Energiek en aangenaam, met solo’s op zowel gitaar als viool. Dat laatste instrument komen we op slechts één ander nummer tegen.
In de nummers die volgen, blijken de melodieën blijken aardig tot fraai, net als de arrangementen waarin bovendien afwisseling wordt geboden. Al op het vierde nummer Where You Gonna Run klinkt voor het laatst de viool.
Dan tweemaal zo’n gitaar in de geest van Wisselstroom/Gelijkstroom. De A-kant sluit af met Do You Feel Alright, gebouwd rond een scherpe riff. Hier zingt volgens mij tweede leadzanger Gary West, die met zijn rauwere stem de zwaardere composities waarneemt. Wederom blijkt dat de gitaarsolo’s op het album dik in orde zijn.
Turn it On opent kant B. Vierkante riffs als deze passen niet goed bij deze band, maar net als in het vorige nummer trekken de vijf spoedig het lied naar zich toe met meerstemmige zang.
Toch hoor ik liever de melodische muziek van Weary Eyes met zijn fraaie gitaar- en toetsenpartijen. Na de degelijke ballade Couldn’t Get Enough volgt met Let it Out het laatste uptempo nummer, bewijzend dat de band geen Australische invloeden nodig had om het tempo omhoog te gooien.
Afsluiter Whole World’s Watching is helaas een nachtkaarsje met zijn eenvoudige pianobasis, ondersteund door synthesizers en percussieaccenten. Hier had een vioolpartij voor een extra laag moeten zorgen.
Duidelijk is dat de band radiovriendelijk dacht, gericht op de Amerikaanse stations die dit format draaiden. Het levert een aangenaam album op, dat net te weinig spettert. Ik waarder het met een 3,5 oftewel een 7, waar een 7,5 passender was geweest; een naar boven afgeronde viersterrenscore zou echter teveel zijn.
Laat ik nou gisteren hun tweede album in een bak met tweedehands vinyl tegenkomen. Wordt vervolgd, joechei!
