MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Steve Morse Band - Coast to Coast (1992)

poster
3,5
De derde voor label MCA en de tweede voor hen als Steve Morse Band, opvolger van Southern Steel. Bij het intro van de stomende opener User Friendly denk ik onmiddelijk aan Rush en The Spirit of Radio. Het komt door de als een loop snel repeterende, überlekkere gitaarlick.
Maar ook de rest van het nummer is bijzonder aangenaam: ik hoor in dit nummer méér qua briljante combinatie melodie met razendknap snarenspel dan op heel Southern Steel bij elkaar. En dát is juist één van de kwaliteiten van Morse. Hij kon het dus nog. Uiteraard.

Op het eveneens stevige en uptempo Collateral Damage tevens knap baswerk van Dave LaRue, waarna het intro van Get It in Writing bijna als renaissancemuziek binnenkomt; muziek die Ritchie Blackmore zou kunnen waarderen, al weet ik uiteraard niet hoe hij het steviger, midtempo vervolg beleeft. Mijn tweede favoriet van het album, waarna Morning Rush Hour ook al zo aangenaam blijkt, met dat gitaargeluid dat doet denken aan die klassieker van Dixie Dregs Take It off the Top uit 1978.
Anders dan op de voorganger dient zich een stilistisch zijweggetje aan: het snelle Runaway Train is uit countryklei getrokken, voor het eerst in deze bezetting van zijn groep. Een aangename onderbreking van de stijl hiervoor, rock met 'n vleugje fusion.

De tweede helft begint met het rustige Long Lost waar het eens niet om snel snarenspel draait, waarna het midtempo en stevige The Oz volgt met, hnzm noteerde het al, een meer dan fraaie gitaarsolo.
Fusionrock in Over Easy veel ruimte voor virtuositeit op de bas, meer in die stijl op Cabin Fever waarna deze Morse ook in diens traditie afsluit, namelijk akoestisch: Flat Baroque.

Al met al pakkender dan de voorganger en dus een 7,5 in plaats van een dikke 6. Wel is de eerste helft beter dan de tweede, waar vaker platgebaande wegen worden betreden, het muzikale vakmanschap ten spijt.
Ook deze van Morse bij MCA staat niet op mijn streamingplatform, zodat ik naar YouTube uitweek, waar ik deze playlist vond met in de beschrijving een incorrecte tracklijst. De juiste staat een eindje daaronder, namelijk hier.
Coast to Coast verscheen in juni 1992. Een maand later verscheen van Dixie Dregs livealbum Bring 'em Back Alive. Anders dan ik me voornam toen ik aan deze odyssee door Morses werk begon, toch maar eens livewerk beluisteren.

Steve Morse Band - Out Standing in Their Field (2009)

poster
3,0
De laatste van de Steve Morse Band tot dusver, schrijf ik zestien jaar na verschijning. Dit in de vaste bezetting met naast gitarist Steve Morse, bassist Dave LaRue en drummer Van Romaine. Het zesde album van de groep in deze bezetting, nadat het trio in 1991 op Southern Steel voor het eerst samenkwam. LaRue en Romaine begeleidden hun baas overigens ook op diens solowerkjes Major Impacts en Major Impacts 2. De heren kennen elkaar dus van haver tot gort.
Uiteraard weer geheel instrumentaal en ten opzichte van vorig werk is Out Standing in Their Field net wat steviger dankzij de nodige scheurende gitaar en de diverse duellen tussen gitaar en bas. Het verscheen vier jaar na Rapture of the Deep, tot dan toe de laatste van Deep Purple, zijn belangrijkste muzikale onderneming. Morse een guitarholic noemen is wellicht een understatement, zo bezig als de man was.

In de stevige, midtempo opener Name Dropping een ingetogen bassolo, in het loom swingende Brink of the Edge de nodige shredding en een snelle basssolo, waarna Here and Now and Then ingetogener is met de melodie voorop. Met Relentless Encroachment keert de groep naar het recept van de eerste twee nummers, in John Deere Letter klinkt vrolijke countryrock met onder meer een duet tussen gitaar en bas. Die laatste titel is weer zo'n woordgrapje: een 'Dear John letter' is een brief waarin de relatie wordt verbroken en een John Deere is een trekker.

De tweede helft van de cd - het album verscheen nog niet op vinyl: More to the Point bevat de nodige shredding en slappende basgitaar, in Time Junction strijden gitaar en bas wederom een fijn duelletje en klinkt een vleugje folk in een gitaarlijn; mijn favoriet van dit album.
Unnamed Sources is ingetogener en draait om lange, zingende gitaarlijnen; Flight of the Osprey begint met Spaanse gitaar, gevolgd door een rockende, swingende riff en weer veel melodie en een gitaar-versus-bas-duel in het slot. Het is mijn tweede favoriet. Het akoestische Baroque 'n Dreams sluit het album verstild af met de polyfonie van barok, mijn derde favo.

Als bonus krijgen we een dikke 9 minuten van Rising Power (live), oorspronkelijk op StressFest. Hier wordt alle souplesse van de groepsleden nog eens herhaald. Morse speelt er ook een ingetogen synthesizerpartij.

Voor degenen die bekend zijn met het werk van Steve Morse klinken hier geen verrassingen of noviteiten. Echter voor de fanatieke liefhebber van (rock)gitaar en -bas en shredding, plús degenen die weinig of onbekend zijn met zijn werk: hier kunt u de oren laten flapperen van vreugde!
In hetzelfde 2009 verscheen de tweede verzamelaar van Morse met bovendien gastklussen bij derden: Prime Cuts Volume 2 .

Steve Morse Band - Southern Steel (1991)

poster
3,0
De eerste van Steve Morse in de jaren '90, opvolger van het relatief kalme soloalbum High Tension Wires. Van tevoren vraag ik me af: is dit vooral een plaat voor gitaristen of kan de "doorsnee luisteraar" ook genieten? Wel, Southern Steel knalt shreddend en metalig uit de startblokken met Cut to the Chase, een gitaarduel van Morse met Jeff Watson van Nightranger. Lekker.
Daarbij blijkt dat deze Steve Morse Band een triobezetting kent met nieuw drummer Van Romaine en bassist Dave LaRue, die in het nummer de derde man is met een solo. Geen gastzangers, dit album is voluit instrumentaal. Morse zat net als met de voorganger bij MCA.

Tweede nummer Simple Simon is iets rustiger en bijna dansend, tegelijkertijd nog wel scheurend; Vista Grande is ingetogener met vleugjes fusion en progrock op een manier dat liefhebbers van Rush hier wellicht ook wat mee kunnen.
Sleaze Factor is steviger maar melodie en groove pakken niet, ondanks het - uiteraard - knappe gitaarwerk. De eerste helft sluit af met het sterkere Battle Lines, waar de melodie wél op orde is.

De tweede helft begint met titellied Southern Steel, waarmee Romaine zijn dubbele basdrum een uptempo nummer laat opdrijven, gevolgd door het ingetogener Wolf Song.
Weekend Overdrive is dan weer pompend op het ritme van de dubbele basdrum met een slappende bassolo en met een titel als Arena Rock krijg je inderdaad een grote riff waarop verder wordt geïmproviseerd met halverwege een sterke melodielijn, zoals Morse voorheen bij Kansas deed en vanaf vijf jaar later ook bij Deep Purple zou gaan neerzetten. Slotnummer Point Counterpoint sluit het album akoestisch af.

Conclusie: vooral een album voor gitaristen - voor mij een te lange zit, hoe knap Southern Steel ook is gespeeld. Wie Morses eerdere werk kent zal geen verrassingen horen, laat staan uitstapjes naar andere genres zoals hij voorheen deed. Liefhebbers van bijvoorbeeld de instrumentale gitaarplaten van het label Shrapnel zullen echter in hun nopjes zijn.
Niet op mijn streamingplatform, wel op JijBuis. Een jaar later bracht hetzelfde trio Coast to Coast uit.

Steve Morse Band - Split Decision (2002)

poster
3,5
Krachtige hoes: snél kiezen, is de boodschap van Split Decision. Album nummer 7 van de Steve Morse Band, en nummer 5 met drummer Val Romain en bassist Dave LaRue, die bovendien meespeelden op Morses soloalbum Major Impacts (2000). Als Band is het de opvolger van het zes jaar eerder verschenen StressFest en de eerste voor label Magna Carta.
Hoes en titel suggereren dat de heren snel hebben toegehapt - sorry Partij voor de Dieren - toen Morse met het bericht kwam toe te zijn aan een volgend album. Sinds StressFest maakte hij als lid van Deep Purple tot dan toe één studioalbum, te weten Purpendicular en de opvolger Bananas (2003) was in de maak.

De vorige albums van (de) Steve Morse (Band) gingen wat mij betreft hier en daar kopje onder: niet altijd even interessant voor een niet-gitarist, met enerzijds knap spel maar anderzijds te grote eenvormigheid: rock met invloeden van fusion en klassiek. De variatie van het eerdere werk bij Dixie Dregs ontbrak. Tegelijkertijd zijn er altijd minimaal twee juweeltjes te vinden, leuk voor een afspeellijst.

Hamvraag is dus: ontkomt men aan voorspelbaarheid? Klinken dingen die niet eerder zijn gedaan en/of zijn er melodieën die om meer vragen?
Het zit 'm in details. Blijkens de tekst in het boekje werd drummer Val Romaine halverwege de jamsessies "painfully injured", wat er wellicht toe leidde dat er op de tweede helft volop ruimte is voor kalm en akoestisch werk.

Heightened Awareness brengt vriendelijke fusionrock, niks nieuws, maar in Busybodies klinkt barock 'n' roll: polyfonie dankzij gitaar en bas, die in de traditie van J.S. Bach en tijdgenoten wiskundige melodielijnen neerzetten.
Met het rockende Marching Orders keert het bekende geluid van Morse terug, waarna fel wordt geshred in Mechanical Frenzy met bovendien een pakkende bassolo.
Een fluit en blazers (toetsen?) in de filmische melodie van Great Mountain Spirits, een tweede noviteit in het oeuvre van Morse, die daar vervolgens een scheurende en later solerende gitaar aan toevoegt. Majorly Up sluit de eerste helft midtempo rockend en swingend af.

Gentle Flower, Hidden Beast bevat stevige, lekkere fusion waarin Morse verderop ouderwets rockend lósgaat en aan het einde een fraaie twingitaarmelodie.
Het wordt gevolgd door ballades. Eerst Moment's Comfort, dan het met subtiele piano opgeluisterde Clear Memories. Iets steviger met cleane elektrische gitaar is Midnight Daydream, Back Porch is akoestisch-virtuoos met mandoline. Natural Flow is het akoestische en dromerige slot in de folkmelodische stijl van Morse.

Is het verrassend? Voor degene die zijn werk kent een enkele keer. Anderzijds kan iedere gitarist die onbekend is met Morses werk een willekeurig album van hem kiezen: zij zullen zeker vrolijk worden. Ook hier. Satriani/vai, ken jij zijn muziek?

Met zijn werk bij twee groepen toch al een bezig baasje, vond Morse bovendien tijd voor een derde groep, te weten Living Loud. Daarin (ex-)leden van respectievelijk Uriah Heep, Rainbow, Cold Chisel, Deep Purple én de oorspronkelijke Blizzard of Oz van Ozzy Osbourne.

Steve Morse Band - Stand Up (1985)

poster
3,5
De tweede van de Steve Morse Band toont de drie groepsleden op de voorkant, maar schijn bedriegt: nooit deden zoveel gastmusici mee op een album van Morse, de zes platen met Dixie Dregs meegerekend. Met vier gezongen nummers is dit bovendien zijn minst instrumentale plaat tot dan. Debuut The Introduction verscheen bij sublabel Elektra Musician, deze gewoon bij Elektra zelf. Morses composities klonken nimmer zo toegankelijk als hier.

Een midtempo rockend begin met Book of Dreams met zang van Van Temple van de groep The Producers. Het resultaat is wat we destijds pomprock of L.A. rock noemden: zeer melodieuze kwaliteitsrock, denk aan bijvoorbeeld Toto. Opvallend is ook de iets ruimtelijkere productie in jaren '80 stijl. Dat blijkt eveneens op het instrumentale English Rancher met de elektronische pads die drummer Rod Morgenstein hier bespeelt. In het nummer komen jazzrock en fusion samen op een wijze die herkenbaar de hand van Morse is.

Rock plus een klein vleugje country in Rockin' Guitars, met op gitaar én zang Albert Lee, de tweede gast op dit album. Op The Introduction speelde hij al gitaar op het nummer General Lee, nu moet ik met zijn stem en melodielijn warempel aan Ian Anderson van Jethro Tull denken. Lee en Morse spelen een fraai gitaarduelletje met contrasterende stijlen.
Derde genodigde is zanger en gitarist Eric Johnson, dankzij wie het vocale Distant Star wederom de hoek van L.A. Rock wordt ingetrokken. Opnieuw een verrassend nummer voor Steve Morse en zijn kompanen.
Kant 1 sluit af met Pick Your Poison, een instrumentaal nummer met hints naar country én op viool voormalig Dregsviolist Mark O'Connor. Countryrock met de nadruk op róck.

Kant 2 start met de hulp van twee gasten: op Stand Up klinkt op gitaar ook Peter Frampton en op zang horen we Alexander Ligertwood van Santana, ook al te gast op de laatste Dregs. Een aangenaam nummer met in het intro warme gitaar.
Hierna enkel nog instrumentaal werk: midtempo is Travels of Marco Polo met soms de kenmerkende zingende gitaarlijnen van Morse, Golden Quest doet iets soortgelijks en op de kalme afsluiter Unity Gain is er een gastrol voor een voormalige toetsenist van Dixie Dregs, T. (Terry) Lavitz. Het nummer werkt langzaam naar een climax.

Met al het vocale werk en de zingende gitaarlijnen is dit Morses meest toegankelijke werk tot dan, inclusief de albums met Dixie Dregs. Hij wordt door fans en collega's op handen gedragen voor zijn veelzijdige werk als gitarist, maar is kennelijk toe aan een nieuwe uitdaging. In 1986 treedt hij toe tot het heropgerichte Kansas, iets wat de andere gitarist in die groep aanvankelijk nerveus maakt. Met hen maakt hij twee studioalbums.
Bassist Jerry Peek keert terug naar de jazzwereld en drummer (hier tevens pianist) Rod Morgenstein speelt op soloalbums van T. Lavitz en Mark O'Connor, om in 1988 te debuteren bij Winger.

Na zijn vertrek uit Kansas keert Morse in 1989 terug met soloalbum High Tension Wires.

Steve Morse Band - Stressfest (1996)

poster
3,0
De zesde van de Steve Morse Band en de vierde met drummer Van Romaine en bassist Dave LaRue, de laatste fungeert inmiddels tevens als co-producer naast Morse. StressFest verscheen twee maanden na Purpendicular, Morses albumdebuut bij Deep Purple. De hoes is enigszins een zoekplaatje: boven de letters met de titel zien we de drie gebeeldhouwde leden van de groep.

Verder is het niet verrassend: instrumentale muziek met de elektrische gitaar in de hoofdrol en soms de bas op gelijkwaardig niveau: ook LaRue is een virtuoos op zijn instrument. Qua genre klinkt melodieuze (hard)rock op speltechnisch hoog niveau. Morse laat hierbij melodie prevaleren boven het etaleren van zijn vingervlugheid, al is die frequent te horen.
Daarbij heb ik niet het idee dat hij zijn beste ideeën aan Purple heeft gegeven. Vermoedelijk is hij een veelschrijver met meer dan voldoende inspiratie, het leidt in ieder geval tot een volwaardig album.

Daarbij springen er twee nummers uit: de stevige opener Stressfest heeft folk in de melodieën, maar dan wel van het stevige en virtuoze soort. De tweede helft opent met het ingetogen 4 Minutes to Live, waarin toetsen klinken in oriëntaalse sfeer; de hoes vermeldt niet wie die bespeelt maar het verrijkt het geluid: even wat anders.
Andere nummers die opvallen: Brave New World begint ingetogen en bevat gaandeweg steeds meer shredspel, Delicate Balance is akoestisch en drumloos en afsluiter Live to Ride bevat stoempende blues. Verder vooral een album voor de gitaristen onder ons met nummers die onderling redelijk inwisselbaar zijn. Anders dan op vorig werk stoeit hij niet met country en zelfs de fusionelementen zijn minder dan voorheen, of ze moeten in het basspel van LaRue zitten.

Terwijl Morse druk was met Deep Purple, verscheen het jaar erop de heruitgave van het debuut van Dixie Dregs, Morses eerste groep waarmee hij albums maakte. Dat verscheen oorspronkelijk in 1975 maar nooit via de reguliere kanalen, wat in 1997 alsnog gebeurde. Op naar The Great Spectacular.

Steve Morse Band - Structural Damage (1995)

poster
3,0
Omdat Steve Morse in 1996 debuteerde bij Deep Purple met Purpendicular, nam ik gemakshalve aan dat hij ten tijde van dit Structural Damage nog vooral aan zijn eigen carrière werkte, wat ik bij zijn vorige album (een nieuwe Dixie Dregs) abusievelijk noteerde.
Door het bericht hierboven van hnzm word ik erop gewezen dat Morse bij verschijning reeds bij de paarse mannen zat. Sterker nog, vanaf 1994 al, zie ik vervolgens! Eerste optreden op 23 november dat jaar. Mogelijk heb ik dat destijds gelezen, maar feitjes als deze vergeet ik makkelijk...

De rest van bovenstaand bericht klopt in mijn opinie ook: ten opzichte van zijn eerdere werk bevat Structural Damage muzikaal gezien geen verrassingen, opnieuw 100% instrumentaal. De Steve Morse Band bestaat dan naast de naamgever nog steeds uit bassist en co-producer Dave LaRue en drummer Van Romaine. Nieuw is de platenbaas: High Street.

Maar stel je voor dat Morse dit album als cv naar Purple stuurde. En dat de heren Gillan, Glover, Lord en Paice een luistersessie hielden. Vier mannen luisteren kritisch, maken aantekeningen en moeten aan het einde een conclusie trekken: is deze gitarist geschikt voor de groep? Past zijn spel bij de stijl van Purple? Kan hij de schoenen van Ritchie Blackmore vullen?
Het album begint midtempo en melodieus met Sacred Ground, gevolgd door het vlotte Good to Go, waarin sneller gitaarwerk én een bassolo; toch blijft melodie belangrijk. Hierna doet Dreamland zijn naam eer aan, Barbary Coast heeft een staccatoriff en zingende gitaarlijnen met suggesties van folk, waarna Morse in het uptempo Smokey Mtn. Drive zijn effecten uitzet en country in hun stevige rock integreert. Slice of Time is het akoestische slot van de eerste helft voor gitaar en (elektrische) bas en doet renaissance aan. "Een nummer voor de nieuwe van Ritchie!" knipoogt Jon Lord.

Native Dance heeft een vierkante riff, onvoldoende voor de 4'40" die het duurt. Just Out of Reach bevat kalme laatavondmuziek, een ballade met de melodie centraal. Dan liever Rally Cry. Nog altijd vrij langzaam en met een elektrische folkriff op z'n Gary Moores, waarna de traditionele fusionelementen worden toegevoegd.
Foreign Exchange is het tweede akoestische nummer maar hier heeft de gitaar vooral een begeleidende rol en is het LaRue die op bas de hoofdrol krijgt. Met slotlied en titelnummer Structural Damage is er dan eindelijk vuurwerk, zowel op gitaar als bas.

De vier leden van Purple knikken na afloop goedkeurend. "Past goed bij ons, hij is veelzijdig," vindt Glover. "Met gevoel voor melodie," vult Gillan aan. Paice heeft nog wel een kritische noot: bij ons moet het pittiger, maar ik ken ouder werk van hem: dat komt wel goed!"
In hetzelfde jaar als de nieuwe Purple verscheen de volgende van de Steve Morse Band. Hij was een bezig baasje.

Steve Morse Band - The Introduction (1984)

poster
3,0
Zes albums bracht Steve Morse vanaf 1977 uit met Dixie Dregs, waar hij de muziek schreef. Het is dan ook niet vreemd dat als hij zijn eigen groep begint, drummer Rod Morgenstein meeneemt en bassist Jerry Peek erbij haalt, het resultaat The Introduction op zijn oude bandje lijkt.
Verschillen? Geen viool meer en Morse speelt nu zelf toetsen, zij het spaarzaam. Maar vooral overeenkomsten, zoals dat het weer helemaal instrumentaal is. Verder is dit vooral een gitaarplaat die opnieuw bewijst hoe veelzijdig Morse is.

Scheurend in Cruise Missile, vleugje countryrock in General Lee. Zowel stevig als dromerig in Introduction, percussie in het intro van V.H.F. (Vertical Hair Factor) met daarin ook enkele invloeden uit klassieke muziek; mijn favoriet van het album.
Kant 2 opent met de fusionrock van On the Pipe, gevolgd door het drumloze The Whistle (Morgenstein speelt synthesizer!) en vrolijke tonen in Mountain Waltz dat inderdaad in een 3/4 (of is het 6/8 met die aparte swing?) staat; ex-Dregstoetsenist T. (Terry) Lavitz krijgt er een uitgebreide pianosolo.
Slotlied Huron River Blues bestaat uit drie delen en duurt een dikke zes minuten. Het begint op een vrij abstracte wijze, bijna alsof het Brian Eno is. Daarna meandert het door de delen, waarbij ook een solo van Peek.

Toch weet het album minder goed mijn aandacht te pakken dan bijvoorbeeld de vorige van de Dregs. Een zeker "ja, dit ken ik nu wel" sluipt er wel in met de grotere nadruk op gitaar ten koste van viool en toetsen. Maar goed, logisch voor de groep van een gitarist. Vooral muziek voor muzikanten, vrees ik.

Steve Morse Band - Triangulation (2025)

poster
3,5
Steve Morse verliet Deep Purple om zich te wijden aan zijn vrouw, die ziek was geworden. Ze is inmiddels helaas overleden en het laat zich raden wat deze weduwnaar dan doet: naar zijn gitaar grijpen en nieuwe muziek schrijven. Het resultaat werd Triangulation.

Hij haalde daarvoor de Steve Morse Band van stal, oftewel bassist Dave LaRue en drummer Van Romaine, die ook op diens werk speelden dat niet met 'Band' staat genoteerd. De drie kennen elkaar dus van haver tot gort, met als nadeel dat het resultaat weliswaar knap maar niet verrassend is. Fans van de gitarist zijn desondanks verzekerd van speltechnisch hoogwaardige, instrumentale muziek, waar tussen rock en fusion wordt gelaveerd. LaRue krijgt hier en daar gelegenheid om te laten horen dat ook hij kan soleren, waarbij het de kant van fusion opvalt.

De routiniers zorgen ervoor dat variatie is verzekerd, mede door de gastbijdragen van collega-gitaristen Eric Johnson op TexUS (ja, Morse blijft van de woordspelingen), John Petrucci van Dream Theater op het titellied en bassist Scott Sim op March of the Nomads.
Mijn favorieten zijn The Unexpected door zijn zwevende groove en het ingetogen slotlied; Taken by an Angel werd opgenomen met zoon Kevin en is opgedragen aan hun echtgenote en moeder.

Te vinden op onder meer Bandcamp. Op YouTube vond ik bij Boomerocity een interview met Morse van ruim een half uur. Aanbevolen, de man is open en persoonlijk over hetgeen hem overkwam en hoe hij daarmee omging. Ook praktische zaken als de hoge kosten van touren, concertkaarten en meer komen langs én de gevolgen van artritis, waardoor hij zijn techniek noodgedwongen moet veranderen. Met een boodschap van de interviewer over Triangulation: 'Buy it, don't stream it!'

Steve Walsh - Black Butterfly (2017)

poster
4,5
Drie jaar na zijn "pensionering" kwam Steve Walsh plotseling met een nieuw soloalbum. Ik las over Black Butterfly terwijl ik op vakantie was en bestelde het bij thuiskomst. Opener Born in Fire, een duet met zanger Jerome Mazza, blies me meteen omver.
Laatstgenoemde krijgt zelfs soloruimte, best apart voor een Walsh-solo. Het blijkt dat de plaat in twee delen uiteenvalt: negen nummers werden door Walsh geschreven met de Zweedse gitarist en toetsenist Tommy Denander, het grote brein achter dit album. De andere drie schreef Denander met zanger Steve Overlander van FM en enkele soloplaten en worden door Mazza gezongen.
Ik bleek hem jaren eerder te hebben gehoord en wel op het tweede album van de melodieuze hardrockgroep Angelica. Vergeleken met 1990 is zijn stem meer gerijpt, wat mij beter bevalt.

Walsh heeft een lange weg afgelegd. Blut na de twee albums met Streets, ondanks hun briljante Crimes in Mind, zo herinnert gitarist Rich Williams zich, liggend op zijn bed bij vlog Rock History Music. Terug bij Kansas nam hij zijn favoriete album met hen op, In the Spirit of Things, maar "drinking and drugging" deden hem geen goed, vertelt hij op de site VKontakte met daarop diverse persoonlijke terugblikken op zijn carrière. Eenmaal sober had hij veel tijd over en 2000 bracht zowel soloplaat Glossolalia als Kansas' Somewhere to Elsewhere, mede inspiratie puttend uit de geboorte van dochter OIivia.
Jammer genoeg had hij geen interesse meer in het schrijven en opnemen van nieuw materiaal, maar kennelijk gaf het vertrek uit Kansas in 2014 nieuwe inspiratie, zoals ook Kansas sterk terugkeerde met The Prelude Implicit.

Al met al klinkt Black Butterfly als het beste werk van Streets, waarbij de productie eigentijds is met de gitaren hoger in de mix dan toen en de gitaarsolo's als wervelende dansers. Af en toe jaagt een sequencer de muziek extra op. De nummers die Mazza zingt zijn wat ingetogener dan de veelal uptempo rockers die Walsh vertolkt.
Favorieten kiezen is moeilijk, al neig ik naar de nummers waar Walsh bij de microfoon staat. In Nothing but Nothing bezingt hij zijn twee kinderen, waarbij dochter Olivia, inmiddels bijna volwassen, in het slot een engelenkoor neerzet.
Andere favorieten: de beschrijving van een vrouw in Warsaw en het snelle Billy Carborne Is Dead met zijn aparte tekst. Favoriete nummer met Mazza is het midtempo Mercy on Me, dat een sterke melodie heeft. Je zou je hier zelfs kunnen afvragen hoe Kansas zou klinken met hem als zanger...

Walsh mag in het verleden bij Kansas soms hebben gebotst met Kerry Livgren, de twee blijken het zovele jaren later goed te kunnen vinden: in 2021 was hij één van de gasten op Livgrens The Resurrection of Lazarus. En nu is het hopen op nóg zo'n soloplaat van de zanger met het uitzonderlijke talent...

Steve Walsh - Glossolalia (2000)

poster
3,5
Terwijl hij met Kansas een nieuw album opnam, werkte zanger Steve Walsh tegelijkertijd thuis aan zijn tweede soloalbum. Onvergelijkbaar met zijn solodebuut Schemer-Dreamer uit 1980. Bovendien heel anders dan de twee albums die hij in 1983 en '85 met Streets maakte, ondanks de aanwezigheid van twee musici uit die dagen, te weten gitarist Mike Slamer en bassist Billy Greer.
Glossolalia is namelijk veel intenser, heftiger en zwaarder dan wat hij tot dan toe had gemaakt. Zeer virtuoze progrock die de nodige luisterbeurten vraagt om alle details te doorgronden. Hieruit blijkt de invloed van multi-instrumentalist Trent Gardner met wie Walsh het meeste materiaal schreef en die op alle nummers één van de uitvoerenden was. Laat ik ook niet de Australische drummer Virgil Donati vergeten, die de boel nadrukkelijk heavy houdt.

De argeloze Kansasfan wordt bij de opener Glossolalia ruw verrast met alle indrukken, waarbij Walsh de grenzen van zijn stem opzoekt; net als op Freaks of Nature (1995) van Kansas wordt namelijk niet zo melodieus gestart, waarbij een orkaan aan indrukken over de luisteraar wordt uitgestort. Gepeperde elementen van digitale sequencers, metalgitaren en progrockstructuren vechten om het hardst om de aandacht, waarbij na een relatief rustig begin stapsgewijs een muur van geluid verrijst, waarbij veel muzikale thema's langskomen. Heel anders dan de couplet-refreinstructuren van voorheen.

Vervolgens begint het tweede nummer Serious Wreckage verrassend klein als een pianoballade. Walsh schittert in een verhalend en ernstig nummer, gevolgd door digitale strijkers, akoestische gitaar, kooreffecten en een tekst over een overleden kind.
In Heart Attack klinkt de invloed van funkmetal, maar dan wel via het filter van de progrock van Walsh en Gardner. Heel veel ideeën komen voorbij in het vierde nummer Kansas, dat met zijn grimmige slot verhaalt over een reis naar Santa Fé in New Mexico, alsof het de monumentale serie Breaking Bad voorzag. Een enkele keer klinkt een pakkende synthriff, zoals in That What Love's All About, maar ook die compositie is ronduit stevig.
Met al dit virtuoze geweld zou je niet verwachten wat in Nothing valt te horen, namelijk een lapsteelgitaar zodat bijna een countrysfeer ontstaat. In rockjasje.

Na dit kleinood start Haunted Man met zijn akoestische gitaar eveneens klein, bij het refrein is de gitaarmuur terug en let eens op wat Walsh hier met zijn stem doet. Smackin' the Clowns begint met enkele geluidseffecten (filmfragmenten?), gevolgd door een zware en gecompliceerde gitaarriff.
Wat de boel extra intens maakt zijn de nodige "special effects" die uit de digitale trukendoos van Gardner komen, zoals de orkestrale accenten in Mascara Tears.

Het slepende Rebecca rondt dit sterke album relatief ontspannen af en plotseling realiseer ik me af dat ik bij dit album nooit meer het verhaal las dat "Steve Walsh niet meer kan zingen", wat enkele jaren eerder werd beweerd. Jazeker, hij is hoorbaar ouder en zijn stem is lager; maar de rauwe rafels in zijn stem bieden de nodige extra emotie.
Ook opvallend is dat Slamer een compleet andere gitaarstijl neerzet dan indertijd met Streets. Toen hoorde ik nogal eens de invloed van Eddie van Halen, hier klinkt een veel steviger geluid; progmetal anno 2000.

Walsh wilde hoorbaar vermijden dat dit als een bleek kopie van Kansas' eveneens sterke Somewhere to Elsewhere zou klinken, dat twee maanden eerder verscheen (juli 2000, Glossolalia dus in september, beiden bij het label Magna Carta). Trent Gardner maakte het mede mogelijk, met fantastische muzikanten als extra troeven.

Steve Walsh - Schemer-Dreamer (1980)

poster
4,5
Nadat Kansas in mei 1979 Monolith uitbracht, volgde in januari 1980 Schemer-Dreamer, de eerste soloplaat van een bandlid. Op mijn exemplaar zit een sticker met de tekst ‘The first solo album by the lead singer of Kansas.’ Ik kwam ‘m voorjaar 2022 tegen in Aarle-Rixtel, bij die fijne platenzaak die tevens speciaalbiertjes verkoopt.
De uitdaging voor Walsh was uiteraard om niet te sterk als Kansas te klinken. Hij deed dat door minder gecompliceerde muziek te maken, al deed hij dat al eerder in die band. In dat opzicht is de plaat dan weer niet verrassend.

Vanaf 1987 had ik een baan waarbij ik op vrijdagochtenden in een klein magazijn moest werken. Daar stond een platenspeler met in de kasten diverse elpees die nog niet op cd verkrijgbaar waren; muziek die met de teloorgang van vinyl zeldzamer werd. Daarbij stond ook dit solodebuut en gedurende de drie jaar dat ik er werkte, draaide ik deze het meest.
Vijfendertig jaar later is Schemer-Dreamer dus weer terug in mijn muziekbubbel en ik vind ‘m nog iets beter dan toen. Arjan Hut opperde bij Kansas’ Monolith dat die plaat wellicht enigszins leed onder de naderende soloplaten van de twee hoofdcomponisten. Hij zou best wel eens gelijk kunnen hebben, want Schemer-Dreamer is voor het grootste deel een sterke plaat, die zich grotendeels het labeltje ‘adult oriented rock’ laat opplakken. Op de hoes herken ik enkele (live)foto’s, die door een kunstschilder zijn “vertaald” naar het imago van de gebruinde man in korte broek, zoals Walsh in die tijd ook op de podia was te zien.

Meteen wordt duidelijk dat hij prima op eigen benen kon staan. Sterke en gevarieerde composities met de fenomenale stem van Walsh: je hebt mij bij de lurven. Hij schreef alle songs zelf op twee uitzonderingen na. Het tweede deel van de titelsong bevat het refrein van That’s All Right van Elvis Presley, zo nam ik ten onrechte aan. Had ik indertijd de binnenhoes beter bekeken, dan had ik kunnen zien dat het origineel uit 1947 stamt en Wikipedia vertelt me dat het nummer van Arthur Crudup geënt is op blues van dertig jaar eerder. Het past echter wonderwel bij het denderende Schemer-Dreamer, waarop Kansasgitarist Rich Williams gitaar speelt.
Ook Get Too Far is sterk met onder meer een fluitsolo (Jeff Lux), waardoor onmiddellijk de associatie met Jethro Tull ontstaat. Het ingetogen So Many Nights is een fraaie liefdesballade, het is Walsh zelf die hier de drumstokken vasthoudt.
De kant eindigt met het vlotte You Think You Got it Made, geschreven met echtgenote Marie Walsh die ook de fotootjes op de binnenhoes maakte. Het lied is niet onaardig, al pakt het me minder dan de vorige drie, ondanks dat Kerry Livgren van Kansas hier gitaar speelt.

Op de B-zijde staan slechts drie nummers. Every Step of the Way is een midtempo shuffle, die mij met zijn dikke acht minuten te lang duurt. Wel heb ik de indruk dat we met de tekst een beeld krijgen van de mens Walsh en zijn historie; ook leuk om hem iets lager te horen zingen, hetgeen in het eerste deel het geval is. Daarbij zet Skip Lane een knallende saxsolo neer, terwijl ik eigenlijk binnen dit genre niet van dat instrument houd.
Just How it Feels is een schitterende ballade met een eveneens prachtige tekst, één van de (vele) uitmuntende composities van Walsh gedurende diens carrière.
Pas op het afsluitende Wait until Tomorrow is daar volop de progressieve, gecompliceerde Kansasstijl, echter zonder de viool van Robbie Steinhardt, die niet op dit album is te horen; wel klinkt hier Kansasdrummer Phil Ehart. Het lied opent met gedragen pianospel, waarbij Walsh de hese registers van zijn stem vindt. Hierna wordt het uptempo en komen diverse thema’s voorbij, waarbij de gitaar van de latere Kansas- en Deep Purplegitarist Steve Morse een hoofdrol vervult.

Tenslotte nog een eervolle vermelding voor drummer Tim Gehrt, die ik in 1987 inmiddels kende van Walsh' latere band Streets. Hij speelt op vijf nummers. Zijn stijl valt misschien niet op, maar wat hij doet is klasse, altijd in dienst van het lied.

Het album is makkelijk op streaming vinden, fijn dat ie zo voor een breder publiek beschikbaar is. Bonustracks zijn in latere jaren nooit verschenen. Aanbevolen voor progrockfans én degenen die houden van melodieuze (hard)rock, specifieker de liefhebbers van adult oriented rock. Walsh bewees opnieuw wat hij als zanger, toetsenist en componist waard was.

Steve Walsh - Shadowman (2005)

poster
4,0
Ruim elf jaar geleden vroeg divart zich af wat voor album dit is. Een mooi uitgangspunt bij het herbeluisteren van dit album dat nu enkele jaren in mijn kast staat.
Wel, waar Kansasbassist Billy Greer het op zijn soloproject Seventh Key in toegankelijker rock zocht dan bij zijn werkgever, richtte zanger Steve Walsh zich juist op een steviger variant. Ook op Shadowman klinkt een vorm van progmetal. Desondanks is de muziek niet rusteloos als de voorganger van vijf jaar eerder, Glossolalia.
Het komt de melodieën ten goede, iets wat ik pas bij het beluisteren van de opvolger besef. Gisteren heb ik daarom mijn waardering van Glossolalia met een halfje verlaagd, omdat de stem van Walsh eenvoudigweg beter gedijt bij toegankelijker werk. Zoals vigil treffend schreef: "Het is geen typische prog en ook geen typische metal. Dan denk je dus progmetal maar dat is ook zeker niet zo want er zitten geen overbodige tierelantijntjes aan."
Kronos noteerde even terecht dat dit album groeit bij vaker draaien. Details komen geleidelijk bovendrijven en bovendien winnen de melodieën aan kracht, meer dan Walsh in 2000 lukte. Vergeet de verhalen dat Walsh zijn stem was verloren: dit is het zoveelste voorbeeld sinds 2000 waarin hij excelleert. Hoorbaar ouder en rijper, nog altijd met dat enorme bereik en dat hese randje voor extra emotie.
Gitaar en bas werden door Joel Kosche gedaan, Walsh speelde toetsen en drummer is Joe Franco. Gastmuzikant is onder meer Michael Romeo voor "giga symphony", waarmee waarschijnlijk de orkestrale toetsenpartijen worden bedoeld die her en der opduiken

Wie sceptisch is wat betreft de stemkwaliteiten van de oudere Walsh (bij het verschijnen van Shadowman inmiddels 54 jaar), moet het rustigste nummer eens proberen: op Pages of Old bezingt Walsh, begeleid door toetsen en een akoestische bluesgitaar een (zijn?) vader: "Dead father, your shadow is long." Het zindert van gevoel en verderop gaat hij op fascinerende wijze de hoogte in.

Zwakke nummers kwam ik niet tegen, ook bij herhaaldelijk draaien blijft dit krachtig. Tot mijn grootste favorieten behoren naast deze progblues de opener Rise waarin thrashmetalachtige delen klinken, het slepende titelnummer met zijn sterke melodie, Hell Is Full of Heroes dat opnieuw een scheut blues bevat maar dan naar metal evolueert met bovendien een bombastische toetsenpartij; het tien minuten durende After begint symfonisch, waarna de gitaar dominant wordt en een afwisselend en een stevig nummer openbloeit. Gastviolist op deze minisymfonie is David Ragsdale, op dat moment ex-Kansas en in 2006 weer terug bij die groep.

In juli 2007 verscheen een download-EP met daarop twee nummers. Het jaar erop kwamen ze op de heruitgave van Shadowman bij Progrock Records / SPV, zodat Faule Dr. Roane en Dark Day bonusnummers werden. Beiden met de bezetting van het album plus Ragsdale op viool. Heerlijk en stevig. Een dikke 8 voor dit album.

Stiff Little Fingers - Go for It (1981)

poster
3,5
1981. De derde elpee van Stiff Little Fingers uit Belfast leverde twee singlehits op: Just Fade Away haalde vanaf eind maart twee weken #47 en Silver Lining in juni #68. Anders dan menig andere punkgroep was hun hitgevoeligheid daarmee nog niet opgedroogd. Album Go For It haalde eind april #14.

De Noord-Ieren mengen nogal eens reggae door hun punk, The Only One bijvoorbeeld. De traditionele cover ontbreekt evenmin en ook die komt uit die muzikale hoek: Roots, Radicals, Rockers and Reggae is oorspronkelijk van Jamaicaan Bunny O'Riley / Wailer. Oorspronkelijk Roots, Radics, Rockers & Reggae genaamd herkende hij het wellicht niet in het jasje van Stiff Little Fingers.
Opvallend is het instrumentale titellied, dat klinkt als een soundtrack bij de fraai vormgegeven hoes en al als derde track opduikt. In 2004 verscheen het album in cd-editie met bonussen, waarbij ook een interview met zanger/gitarist Jake Burns, die over dit nummer vertelt dat het eerst als een 'filler' aanvoelde. Jaren later werd dit Go For It echter steeds meer gebruikt op tv, zoals bij Sky Sports. Het groeide daarmee alsnog uit tot een volwaardig nummer. Terecht, de gitaren zingen als later bij Big Country.

Ook tweede single Silver Lining valt op: het is lichter met blazers en een piano. Voor het overige oprecht scheurende punk, stevig en melodieus, plus soms dat vleugje reggae - Mr. Coal Man is een ander voorbeeld daarvan.
Het stevige Piccadilly Circus gaat over een bekende van Burns. De man vertrok van het onveilige Belfast, waar de troubles nog altijd voortwoedden met (bom)aanslagen en vuurwapengeweld, voor zaken naar Londen. Uitgerekend daar werd hij ook hij slachtoffer van geweld, toen hij op het bekende plein zomaar in de rug werd gestoken.

Enfin, Burns heeft weer het nodige interessants te vertellen, waarmee de muziek van Go For It extra goed landt. Het is nergens spectaculair, wél aangenaam. Soms moet ik denken aan een stevige versie van The Alarm, de groep uit Wales die twee jaar later indruk op mij zou maken.

Mijn reis door new wave vervolgt. Ik kwam van een non-albumsingle van U.K. Subs en omdat ik de hit The Magnificent Seven van Sandinista! van The Clash al besprak, zit ik opeens in heel andere sferen: de popwave van Kim Wilde.

Stiff Little Fingers - Hanx! (1980)

poster
3,5
Ik heb best een pittig jaar achter de rug met enkele grote veranderingen in de privésfeer. Toch kan ik me nog steeds boos maken om onbenulligheden. Zoals over iets wat ik las in het platenwinkelblad Mania, het novembernummer (#422) van dit jaar bij een stukje over 154 van Wire. Alinea 2 begint met de woorden: "Tussen 1977 en 1979, het jaar waarin punk overleed..."
'Punk overleed'? Ik ben geen punk (geweest) maar kan in 1979 diverse albums aanwijzen van (vaak nieuwe) punkgroepen die met fris elan musiceerden: het Noord-Ierse Stiff Little Fingers met muziek uit de oorlogszone aldaar (album Inflammable Material), The Members (At the Chelsea Night Club), arbeiderspunk van Sham 69 (het malle The Adventures of the Hersham Boys), The Ruts die punk met reggae combineerden (The Crack) en natuurlijk was daar het titelloze debuut van The Undertones, ook uit Ulster.

Hanx! (oftewel 'thanks') was in 1980 het liveresultaat van de eerste twee albums van Stiff Little Fingers, mede bedoeld om de groep in de VS te introduceren, zo vertelt zanger Jake Burns in het interview op de bonusversie-cd. Wat we horen is - met de oren van nu - weliswaar muzikaal niet vernieuwende punk, maar wie in de achtergronden van de groep duikt en van Burns' inzet weet om reggae te integreren in deze rechttoe-rechtaan rauwe rock, proeft dat er méér is dan het eerste gehoor doet vermoeden. Met als persoonlijke favoriet Alternative Ulster.
Het verpunkte White Christmas (een bonustrack op de cd-editie van 2001) mag met de oren van nu cliché lijken, ook bij mij; toen echter was het oppunken van traditionals hartstikke fris; vergelijk dit met Sid Vicious' My Way.

Nee, punk stierf niet in 1979. De eerste golf was weliswaar (soms tijdelijk) uitgeblust of overgestapt naar andersoortige muziek, een tweede golf nam echter het stokje over. Die haalde inderdaad niet meer de megasuccessen van hun voorgangers (alhoewel: Hanx! kwam in het VK in september '80 tot #9), buiten de hitlijsten bleef de lava wel degelijk bubbelen.

Mijn reis door new wave kwam van de powerpop van The Atlantics en vervolgt bij een opnieuw door mij gemist album: het Nederlandse Panic en hun enige album 13; punk uit 1978.

Stiff Little Fingers - Inflammable Material (1979)

poster
4,0
8Het contrast met mijn vorige halte op de reis door new wave is groot. Nooit klonken de punks van Generation X namelijk zo boos en oprecht als Stiff Little Fingers uit Belfast op debuut Inflammable Material. De Noord-Ieren begonnen als prille tieners en ontleenden de groepsnaam aan een nummer van het debuut Pure Mania van The Vibrators.

Troeven: de schuurpapieren stem van Jake Burns; de even rauw scheurende gitaren van hem en Henry Cluney, véél meer vergruizend dan die van de meeste tijdgenoten; de knallende riffs; de soms kekke licks zoals in het intro van State of Emergency; en de hecht spelende sectie van bassist Ali McMordie en drummer Brian Faloon. Het zal wel vloeken in de punkkerk zijn, maar het gitaartandem doet me soms aan de gebroeders Young bij AC/DC denken in de wijze waarop ze elkaar aanvullen en versterken.

Dat is bepaald nog niet alles: de teksten en voordracht mogen er ook zijn. Het waren de jaren van de Troubles toen Ulster een heel onveilige plek was met bomaanslagen en tegengeweld van het Britse leger, en dat is te horen!
Wie de sfeer daarvan wil proeven, kan de indrukwekkende docuserie Once Upon a Time in Northern Ireland bekijken, uitgezonden bij de NPO. Of lees dit interview met Burns uit 2019, toen het album veertig jaar werd.
Of let meteen op de teksten: de onderwerpen gaan van kleine naar grote problemen. Soms tegelijk, zoals een verboden liefde in het door religieus geweld verdeelde Belfast, getuige Barbed Wire Love: "I met you in a no man's land - Across the wire we were holding hands".. Met daarin een onverwacht stukje doo-wop, alsof de frustratie even verlichting krijgt.

Acht nummers op kant 1, vijf op 2; onderwerpen en muzikale pareltjes te over. 'Kies maar eens favorieten,' vraagt MuMe. Tsja, keuzestress... Naast de genoemde nummers Wasted Life en Breakout plus Rough Trade, meer dan kritisch over de eigen platenbaas. Of toch het gevoelige Johnny Was of de reggaerock van Closed Groove, dat wel wegheeft van Ian Dury? Een ander geluid dan de popachtige punk van The Undertones, eveneens uit Noord-Ierland. Niet slechter of beter; ánders. Wél een stuk luider!

Verrassend is wellicht dat het album ondanks de stevigheid goed verkocht: februari 1979 in de eerste week meteen #14 in de Britse lijst.
In 2004 verscheen een cd met bonussen, waarbij een dik kwartier interview met Burns. Hij vertelt onder meer over zijn eerste muziekstappen na het horen van Taste met daarin Rory Gallagher, hoe de groep begon als Highway Star naar het nummer van Deep Purple en hoe vooral The Damned en The Clash hen op het punkspoor zetten. Het is deze cd die ook op streaming is te vinden.

Mijn reis door new wave vervolgt bij kalmere muziek: Even Serpents Shine van The Only Ones.

Stiff Little Fingers - Nobody's Heroes (1980)

poster
3,0
Heb indertijd de tweede plaat van het Noord-Ierse Stiff Little Fingers menigmaal in de bakken zien staan, maar de streepjescodehoes trok me totaal niet aan, ondanks de knipoog van het ontwerp van Nobody's Heroes. Verschenen bij Chrysalis, een grote speler in Europa, nadat het debuut bij Rough Trade was verschenen.

Afgelopen augustus beschreef ik dat album, dat me goed beviel. Om de één of andere reden willen de liedjes van deze opvolger niet landen, terwijl de groep nog even oprecht en gedreven klinkt. Ik krijg de vinger niet achter het waarom hiervan en ontdek dat de singles het in het Verenigd Koninkrijk best goed deden. In maart haalde At the Edge er #15 en in mei-juni single-met-dubbele-A-kant Nobody's Heroes/Tin Soldiers twee weken #36. Dat is best veel voor compromisloze, gepassioneerde punk, melodieus en rauw gezongen.

Op kant 2 staan het instrumentale Bloody Dub en cover Doesn't Make It Allright, oorspronkelijk van The Specials die zich gelijkertijd regelmatig in de schijnwerpers speelden. In beide nummers worden reggae en punk naadloos aaneen gesmeed. Sympathiek is Nobody's Heroes zeker, in mijn geval desondanks niet beklijvend.
In 2001 verscheen een uitgebreidere cd-editie met vier bonustracks, die niet onderdoen voor de rest. Plus een interview met frontman Jake Burns met daarin enkele hilarische anekdotes, vervolg van het interview dat op de bonusversie van Inflammable Material staat - grinniken hoe de groep onderhandelde met het label Virgin en hun baas Richard Branson! Burns is een goede verteller. Die versie-met-bonussen staat ook op streaming.

Mijn reis door new wave en aanverwanten kwam van de tweede van powerpopgroep The Knack en gaat terug naar de VS: het debuut van The Feelies.

Stingray - Stingray (1979)

poster
4,5
Nee, van Stingray had ik nog nooit van gehoord, dus dank aan vielip voor de tip! Ik moet zeggen dat het enkele draaibeurten duurde voordat ik echt aansloeg (maar zat dan ook even in hele andere muzikale contreien), inmiddels kom ik op een dikke acht uit als schoolcijfer.
Fijn dat dit op streaming staat en als ik dit Stingray fysiek tegenkom, schaf ik 'm aan. Ook vanwege de fraaie hoes, waarin logischerwijs een pijlstaartrog de hoofdrol heeft, zij het daar als straaljager.

Opgericht in 1978 in mijnwerkersstad Johannesburg in Zuid-Afrika, verscheen hun debuut al het jaar erop. In Afrika bij Nitty Gritty en elders in de wereld (V.S, Canada, Frankrijk, Duitsland en meer) bij Carrere. De muziek klinkt alsof Boston en vooral Styx een kind kregen en dat betekent heel melodieuze hardrock, of is het adult oriented rock? Beschaafd scheurende gitaren (minder hoge muren dan bij Boston), toetsen, koortjes en de sterke stem van frontman Dennis East. Plus ijzersterke composities.
Een favoriet uitkiezen is lastig. Erg lastig. Ik heb er namelijk tien... Zoals single Better the Devil You Know , dat met elke draaibeurt beter werd. Toch ga ik voor Love Saver en How Much? omdat ze qua zanglijn en stem nabij Boston komen, maar morgen kunnen er zomaar weer andere nummers zijn die favoriet zijn.

Heb vanavond hun tweede album Operation Stingray ingediend bij MuMe, hopelijk komt dat er vlot door; een hoesfoto vinden die aan de minimum pixeleisen voldoet was lastig. Maar geen haast, deze is heerlijk.
En heb beide albums bijgeschreven op mijn lijstje van albums die ik wil aanschaffen als ik ze tegenkom. Alleen al omdat dit debuut een pareltje is, dat mogelijk verder groeit in mijn waardering.

Stinky Toys - Stinky Toys (1977)

Alternatieve titel: Plastic Faces

poster
3,5
Had nog nooit van deze Franse groep uit Rennes, Bretagne gehoord, tot ik de groep vorige week bij Lio tegenkwam (uitleg verderop). Waar de doorsnee Fransman in 1977 de Engelse taal matig tot slecht beheerste, bracht Stinky Toys twee Engelstalige albums uit, waarvan dit de eerste is. Ik vermoed omdat Bretagne net als Normandië meer op de Angelsaksische cultuur is georiënteerd dan de overige regio's van Frankrijk.

Dibbel slaat hierboven alleen maar spijkers op koppen, zodat ik het kort kan houden. Tien nummers lang vinnige gitaarpop, scheurende gitaren, en felle, pakkende zang van de Uruguayaanse-Franse zangeres Elli Medeiros die met slaggitarist Denis Jacno de meeste nummers schreef. Punk op z'n charmantst.
Lonely Lovers kreeg een tweede leven in 1980 toen het werd gecoverd door de Belgisch-Portugese Lio als Amoureux Solitaires. Het origineel van Stinky Toys is mede door de melodielijn geheel anders dan die hit, met Jack the Ripper één van mijn favorieten van dit album. Overigens mag het ingetogener Sun Sick er ook zijn.
Hier staan playbackbeelden van de groep op de Franse tv, met een korte introductie van de groep door de presentator.

Het album staat niet op mijn streamingdienst, wél op YouTube: tadaa! Twee jaar later volgde hun tweede album dat eveneens titelloos was.

Stinky Toys - Stinky Toys (1979)

Alternatieve titel: Yellow Cover

poster
3,5
Alhoewel de wortels van de groep in het Bretonse Rennes liggen, opereerde Frankrijks eerste punkgroep Stinky Toys vanuit Parijs. Dit is hun tweede album, dat net als het debuut uit 1977 titelloos is en daarom de bijnaam 'Yellow Cover' kreeg. Al in 1976 maakte de groep enige furore in de punkwereld van Londen, waar ze in september optraden op het 100 Club Punk Festival.

In vergelijking met twee jaar eerder werkt Stinky Toys minder met scheurende gitaren, waarbij Elli Medeiros iets melodieuzer zingt. Het geluid wordt verbreed: de riff van Birthday Party heeft iets van I'm Free van The Who, in Hullabaloo en B-05 klinkt een saxofoon. Verrassend is Beauty and Pride, alsof Keith Richards van de Rolling Stones meespeelt. Niet meer punk, wel gedreven gitaarwave.

Kant 2 begint druk en enigszins avant-gardistisch met Black Mask, waar Medeiros excelleert. In Free from Love verklaart ze haar onafhankelijkheid en haar Uruguyaanse wortels zijn hoorbaar in het Spaanstalige No Me Dejes, meer sax in het boos-klinkende (?) He Loves Me en na het akoestische (!) Uruguyan Dream volgt een tumultueus slot via Boozy Creed, dat nog geen minuut duurt.
Niet een groep voor makkelijke melodieën en meezingbaarheid. Medeiros is expressief, mede omdat de creativiteit van de muziek dat in alle afwisseling toelaat.

Nog in hetzelfde 1979 valt de groep uit elkaar. Medeiros en gitarist / voornaamste componist Denis Jacno vormen het duo Elli & Jacno, waarin ze electropop maken. Al in 1980 verschijnt album Tout Va Sauter, muzikaal op de popwave van Lio lijkend. Vast niet toevallig: die naam kwam ik tegen bij Stinky Toys' debuut...

Mijn reis door new wave bevindt zich in 1979. Ik kwam van de Amerikanen van The Cars en vervolg bij de Engelsen van The Monochrome Set.

Streets - 1st (1983)

poster
4,0
Gitarist Mike Slamer maakte in de Birminghamse groep City Boy kwaliteitspoprock, soms lijkend op 10CC en Supertramp. De groep bracht in de periode 1976 – 1981 zeven albums uit, geproduceerd door Mutt Lange, later van AC/DC- en Def Leppardfaam. Ze haalden driemaal de U.K. Charts, waarbij éénmaal de top 10. Dit in 1978 met 5-7-0-5.
Geleidelijk veranderde hun geluid van pop met tweestemmige zang naar een licht-pittiger variant, waarbij Slamer iets vaker zijn gitaar liet scheuren. Het gewenste succes bleef echter uit en hij vertrok naar de Verenigde Staten om daar zijn geluk te beproeven.
Ondertussen besloot frontman Steve Walsh, die korte tijd had meegedaan aan de voorbereidingen van het achtste studioalbum Vinyl Confessions van zijn groep Kansas, de groep te verlaten. Dit naar verluidt vanwege sommige teksten van Kerry Livgren. Deze was namelijk na een jarenlange zoektocht naar zingeving christen geworden en schreef lyrieken die Walsh te expliciet vond.

Slamer en Walsh brengen met bassist Billy Greer en drummer Tim Gehrt op 1st onvervalste aor, veel gelikter dan Kansas op de twee albums zonder Walsh zou vastleggen. Herkenbare coupletten, pakkende refreinen en dito keyboardlijntjes. Degenen die zweerden bij de progressieve klanken van voorheen zullen teleurgesteld zijn afgehaakt. Alleen in One Way Street klinkt kort iets symfonisch. Daarbij gaan de teksten onveranderd over boy-meets-girl.
Slamers stijl is anders dat bij City Boy: hij krijgt nu alle ruimte en benut die virtuoos. Zijn frivole spel lijkt regelmatig op dat van Eddie van Halen, zoals in het zojuist genoemde nummer en in Blue Town.
Andere verrassing is Walsh: die zingt hier nog beter dan voorheen bij Kansas, dankzij een hees randje dat inmiddels aan zijn stem is blijven haken. Het brengt extra emotie.
Opener If Love Should Go werd op single uitgebracht en haalde in december 1983 #87 in de Billboard Hot 100. Leuk om te zien wie die week nog meer hitsingles scoorden in gelijksoortige muzikale sferen. Zo ontwaar ik Rainbow met Street of Dreams op #60 en Yes met Owner of a Lonely Heart op #7; veteranen die net als Walsh kozen voor een toegankelijker geluid dan voorheen. 1st werd #166.

De liner notes bij de cd geven meer informatie. De leden van Kansas waren enkele jaren eerder verhuisd van Topeka, Kansas naar Atlanta, Georgia. Het was daar dat Walsh een nieuwe band om zich heen verzamelde. Allereerst was er drummer Tim Gehrt, een bekende van Walsh uit de tijd dat de twee nog in St. Louis woonden. Gehrt had de meeste nummers op Walsh’ solodebuut Schemer Dreamer ingespeeld en dat was beiden kennelijk goed bevallen.
Producer Jef Glixman, voorheen geluidsman en later producer van Kansas, raadde gitarist Mike Slamer aan.
Het was lang zoeken naar een bassist die tevens achtergrondzang kon doen. Uiteindelijk werd Billy Greer gevonden, tot dan actief als zanger/bassist bij de groep QB1 en als zodanig te horen op deze verzamelaar van een radiostation in Atlanta. Dit met de lokale hit Cold Hearted Woman, dat op deze Streets wordt gecoverd.

Walsh’ bekendheid hielp enigszins: hun livedebuut was bij de Annual Jam van countryrocker Charlie Daniels in januari 1983. Toch was het hard werken om een platencontract te krijgen. De band organiseerde eigenhandig showcases in hun oefenzaal, een voormalig fitnesscentrum. Het publiek kreeg gratis bier en daarbij werden tevens talentzoekers van platenmaatschappijen uitgenodigd. Net als Walsh voordien met Kansas had gedaan. Wederom succes: Atlantic hapte toe.
Als producer werd de Brit Neil Kernon gevraagd, die kort daarvoor Kansas’ Drastic Measures had gedaan en was aanbevolen door hun drummer Phil Ehart. De opnames vonden plaats in de Electric Lady Studios in New York. Als Kernon gedurende de opnamen frequent wordt geplaagd door migraine, neemt Slamer diens werk over: hij had het vak in Engeland van Mutt Lange afgekeken.

1st is een album dat, toen ik het voor het eerst hoorde, opvallend genoeg pas met het afsluitende Fire volop knalt. Dit dankzij een pakkend toetsenintro, swingende groove en fan-tas-tische zang. De overige nummers hadden meer tijd nodig om te landen, zoals Everything is Changing, dat op de oorspronkelijke elpee de B-kant opent. Het kent een simplistisch keyboardintrootje, maar komt snel tot bloei met bovendien een pakkend refrein. Typerend voor dit debuut: je onderschat de kwaliteit. Vaker draaien loont zich, fraaie details duiken dan op.
Indertijd kwam ik de elpee niet vaak (zelden?) in platenzaken tegen, al werd hij hier wel uitgebracht. Dat zou met de opvolger beter voor elkaar zijn en bovendien is die nog beter.

Streets - Crimes in Mind (1985)

poster
5,0
Indertijd kort na verschijnen gekocht, want in 1985 was ik dankzij het werk van Kansas een enorme fan van Steve Walsh geworden. Of het door een recensie in Oor was of dat ik de elpee in de alternatieve platenwinkel van de Grote Stad tegenkwam, weet ik niet meer. Wel herinner ik me een mooie voorjaarsavond, april of mei. De speakers luid, knalde de muziek in mijn zolderkamer, een grote grijns op mijn gezicht brengend. Het was tevens mijn eerste kennismaking met Streets, waarbij ik bovendien een hoes zag waarvan ik onder de indruk was. En ben. Prachtige tekening van een onbekende kunstenaar. Een kogel in het licht en een sigaret in de schaduw. Mijn hoge verwachtingen werden nergens teniet gedaan.

De slotnoten die Walsh in opener Don't Look Back zingt bijvoorbeeld, dat fantastische rauwe randje in diens stem... Kippenvel van schoonheid. En zo gaat het door, het ene na het andere nummer. Variatie is troef tussen uptempo en midtempo nummers, maar altijd blijft er tempo: de "verplichte" ballade ontbreekt. Hoezee! Jaaa, Broken Glass mag langzaam zijn, het klinkt anders dan wat ik doorgaans als ballade beleef: intenser, spannender en die stém met dat gitáárwerk... Huiveren van schoonheid. Dan het heerlijke gitaarintro van Hit 'n Run dat uptempo en melodieus uit de boxen komt gestormd, alweer een heerlijk nummer met wederom een fraaie solo, gevolgd door het midtempo titellied.
Ook op de tweede plaatkant (vanaf I Can't Wait) blijft dit hoge niveau met dat stoempende ritme. Maar ook een eenvoudiger compositie als Desiree met de bijna huilende vocalen mag er zijn. Mijn absolute favoriet is Rat Race, met zijn sterke opbouw en een tekst die mij tot de dag van vandaag doet nadenken als het in werk of privé idioot druk wordt: "Do you wanna join the rat race?". Of het gekke intro van Turn My Head, het emotierijke nummer dat swingend de plaat afsluit?

Wat verder opvalt is dat Walsh en de Britse gitarist Mike Slamer bijna alle nummers gezamenlijk schreven, vaak samen met liedschrijver Randy Goodrum. De solo's en licks van Slamer zijn nergens lang, het liedje staat centraal. Maar hij maakt ze steevast uiterst krachtig, in een stijl die enigszins aan die van Eddie Van Halen doet denken: vernuftig, frivool en uiterst effectief.

Ozric Spacefolk en Mssr Renard zijn het hierboven oneens over de productie, maar ik ben elders op MuMe tegengekomen dat dit één en dezelfde persoon zou zijn... Belangrijker is dat Beau Hill deze aor héérlijk laat dansen, scheuren, zweten, ontroeren en het geluid transparant maakte. Heel anders dan de massieve productie die tegenwoordig modieus is (denk bijvoorbeeld aan de laatste Ozzy Osbourne). Toetsen en gitaren werken heel goed samen, nergens wordt het vierkant of gezapig; veel energie, toegankelijke hardrock, ijzersterke composities. Opgenomen in thuisstad Atlanta, Georgia, had Hill een uitgelezen kwartet muzikanten voor zich; enkele overdubs volgden in New York.

Veel gelikter dan Kansas, waarover ik weleens gemopper lees als we bij hun werk vanaf 1978 komen, toen het volgens sommigen te glad werd. Waarom ben ik dan al bijna veertig jaar enthousiast?
Ik noem nogmaals en met opzet de sterke, emotioneel geladen zang (diens dagen in Kansas overtreffend!) en herhaal dat een heerlijke gitarist de boel niet dichtsmeert maar wel frequent op zijn zes snaren danst. En ook zo lekker: de elektronische toms van Tim Gehrt, die met de immer betrouwbare bassist Billy Greer solide in dienst van de liedjes speelt. Tien sterke composities, adult oriented rock op eenzame hoogte.

Streets - King Biscuit Flower Hour Presents Streets (1997)

Alternatieve titel: Shakedown

poster
4,0
In 1997 verscheen "postuum" (de band bestond slechts van 1982 - 1985) dit livealbum, opgenomen op 28 oktober 1983 in Entertainment City in Pittsburgh, Pensylvania. Het concert werd opgenomen voor de populaire radioshow King Biscuit Flower Hour. Streets was vooral de band van Steve Walsh, voormalig zanger van Kansas. Maar dit is niet een slap solovehikel, getuige de bijdragen van gitarist Mike Slamer, bassist Billy Greer en drummer Tim Gehrt.

Wat je hier hoort is een Walsh die er zin in had. Ongetwijfeld omdat zijn groepsgenoten zeer getalenteerd waren en hij in deze situatie veel meer artistieke vrijheid genoot dan bij Kansas. Dat hij met zijn nieuwe bandje de stadions had moeten inruilen voor kleinere zalen, heeft hij hoorbaar met enthousiasme omarmt.
De adult oriented rock die we horen is van aanzienlijk eenvoudiger structuren dan voorheen bij Kansas het geval was. Je hoort niets van de complexiteit van vroegere dagen, maar de standaardstructuur couplet-refrein-couplet-refrein-brug-solo en dan wat herhaling. Geen progrock te bekennen.
Wel horen we een hitsingle: Everything's Changing, een kleine hit in de Billboard Hot 100, opent de show. Naast Walsh steelt Slamer de show. Een gitarist van grote klasse, die al naar het album vordert steeds meer ruimte krijgt voor zijn capriolen, waarbij ik menigmaal aan Eddie van Halen moet denken.

De nummers die bij dit concert werden gespeeld zijn hoofdzakelijk afkomstig van Streets' debuut. Drie nummers haalden die plaat niet, meer klinken hier wel: Shake Down, Streets of Desire (het liedje waaraan de band zich vernoemde) en I'm Not Alone Anymore, niet te verwarren met het bijna gelijknamige nummer op Kansas' Power. Die drie mogen er zijn, sterker nog, vreemd dat ze niet op het debuut stonden!
Opvallend is dat Streets niet één nummer van Kansas covert, wat voor iemand met Walsh' reputatie wel voor de hand zou liggen. Kennelijk was zijn behoefte aan een kersverse start heel groot en wilde hij duidelijk maken dat dit iets heel anders was: "We are Streets from Atlanta, Georgia" zijn de woorden waarmee hij de zaal begroet.
Sterkste nummer op Streets' debuutalbum 1st was Fire. Op dit album duurt deze ruim 11 minuten, dankzij spetterende drum- en gitaarsolo's. Toen ik het album enkele malen in de auto afspeelde, verveelde ik me zelfs niet bij de drumsolo. Had niet gedacht dat Gehrt dat ook kon, hij speelt verder namelijk sober, in dienst van de liedjes. Nu ik thuis zit, knallen de vellen extra luid mijn oren in, heerlijk!
Laat ik ook de achtergrondvocalen van Greer prijzen: net als bij Van Halen voegt dit onderdeel wezenlijk iets toe. Als je dan ook constateert dat de productie dik in orde is, is het feest compleet.

Ik heb overigens niet de 1997-versie die MuMe toont, maar de 2002-editie van het Nederlandse Disky, Shakedown genaamd. Verwacht van zo'n cd-boer geen hoes met uitputtende liner notes, zelfs de datum en plaats van het concert ontbreken in het boekje. Voor een album als dit stoort me dat nauwelijks. Deze Nederlandse editie houdt overigens een andere trackvolgorde aan.

Ik houd het bij een bescheiden vier sterren, liefhebbers van aor zullen hier zeker van genieten. Dit dankzij de uitmuntende zang, het virtuoos-flitsende gitaarspel en de goed ingespeelde band, dat alles ook nog eens solide vastgelegd voor een enthousiast publiek.

Strummin' with the Devil: The Southern Side of van Halen (2006)

poster
4,0
In Nederland denkt de lente dat het herfst is. Tijd voor een goed glas whisky of houd het gewoon bij een kruidige thee en zet dit Strummin' with the Devil op, te vinden op streaming. Als we dat allemaal doen, lukt het de zon misschien om de wolken te verdrijven. Vrolijk dansende bluegrass en country met veel banjo en fiddle. Zeven groepen, zeven solisten (waarvan vier op Feel Your Love Tonight) én een originele zanger doen in ieder geval hun best.

Muziek van het hardrockende Van Halen, vooral uit de periode David Lee Roth. Maar ook I'll Wait uit de jaren Van Hagar is fraai geworden. Dat ome Dave ook twee- á driemaal meedoet - Jamie's Crying keert aan het einde terug in de radioversie - verheugt de vreugde alleen maar.
Andere opvallende zaken: Hot for Teacher is instrumentaal, sommige melodieën of gitaarlijnen komen heel fris uit de verf, mijn favoriet Unchained doet het ook goed zonder de oorspronkelijke riff en de banjoversie van het instrumentale Eruption waarop Eddie Van Halen destijds de techniek van op-snaren-hameren uitwerkte, mag er ook zijn.

Nou ben ik benieuwd wat een kenner van het genre hiervan vindt. potjandosie, kun je hier een keer je licht over laten schijnen?

Ik dacht trouwens dat ik door het oeuvre van David Lee Roth heen was, maar ontdek net dat deze er ook nog is. Leuk, wordt vervolgd.

Stryper - 7 (2003)

Alternatieve titel: The Best Of

poster
3,5
Stryper ging vanaf 1991 uit als een kaarsje met de verzamelaar Can't Stop the Rock, om in 2003 als een waakvlammetje terug te keren.

Oorspronkelijk uit Californië, woonde Michael Sweet alweer jaren in Cape Cod aan de oostkust nabij Boston. In zijn biografie 'Honestly: My Life and Stryper Revealed (2014/'21) vertelt hij dat hij in 2002 zijn solocarrière nieuw leven wilde inblazen, na jarenlang in het bedrijf van zijn schoonfamilie te hebben gewerkt.
Zijn nieuwe zakelijke contacten kwamen echter tot de conclusie dat die alleen levensvatbaar kon zijn als Stryper weer bij elkaar kwam: "...it seemed the only way I could do it would be to get back in the spotlight with Stryper again" (p. 205).

Dan beschrijft hij hoe ze het als ex-geliefden na een relatiebreuk weer met elkaar probeerden. Er waren wonden geslagen en wantrouwen was gezaaid. Het helen hiervan kostte enkele praat- en gebedssessies. Stryper was en is immers een groep met een christelijke boodschap.
In de woorden van de zanger-gitarist: "Rather than putting the past behind us, I felt we should confront the past. If we put it behind us, it would only show up at our doorstep again. But if we faced the past, dealt with it, and healed from it, perhaps God could work through us again."

Dat lukte en een reünietour was het gevolg. Om die te promoten verscheen de tweede verzamelaar van de groep, die de titel 7; The Best of Stryper kreeg. B.Robertson vertelde al dat er twee nieuwe nummers op staan: Something is slepend in de coupletten en versnelt in de refreinen, een heavy nummer met een kenmerkend sterk en meerstemmig refrein plus de kenmerkende twingitaren in het solodeel. For You is eveneens slepend en heavy, met een subtiele synthlijn onder de gitaren.

Daarna nummers van de reguliere albums, inclusief Believe van Can't Stop the Rock. Een prima dwarsdoorsnede van hun werk. De tournee was financieel een succes, "our first profitable tour since Soldiers Under Command" (p. 210). Qua onderlinge verstandhoudingen bleek dat "some of the old ways [were] creeping back in slowly." Sweet is regelmatig schrijnend eerlijk over wat er gebeurde, al benadrukt hij in het begin dat dit zijn visie is, die kan/zal verschillen van de anderen.

Het album vond ik op YouTube. De groep bracht vervolgens hun eerste livealbum uit, 7 Weeks: Live in America, 2003, die wél gewoon op mijn streamingplatform staat.

Stryper - 7 Weeks: Live in America, 2003 (2004)

poster
3,5
Strypers eerste liveplaat ooit verscheen na hun reünietour, die werd ondersteund door compilatiealbum 7: The Best of Stryper.

Ik denk terug aan dat cassettebandje waarop ik VARA's Vuurwerk opnam. Stryper live op Dynamo Open Air 1987. Is dit concert vergelijkbaar? Ja, dat is het, al liet de groep het in Eindhoven na om ballades te spelen. In hun eigen VS kon de groep natuurlijk niet om Honestly heen, hun grootste verkoopsucces blijkens de introductie.
Een goed ingespeeld collectief speelt voor de rest een aanzienlijk steviger set, die weliswaar kalmpjes begint met Sing-Along Song, maar daarna volgt energie vergelijkbaar met het optreden van zestien jaar daarvoor.

Blijkens setlist fm begonnen de toegiften met To Hell with the Devil. Laatste nummer is de cover Winter Wonderland, oorspronkelijk op EP verschenen. Een kerstliedje met dubbele basdrum voor de liefhebbers, waarna frontman Michael Sweet het woord tot het publiek richt en met hen bidt. Dat kom je niet altijd op livealbums tegen...

Toch nog onverwacht verscheen twee jaar later een volledig nieuw album van Stryper, waarop de groep harder klonk dan voorheen: Reborn. De reünie die als een waakvlammetje begon, werd een groter vuur.

Stryper - Against the Law (1990)

poster
3,5
Twee berichten hierboven lees ik zinnen die op de dag van publicatie al verouderd waren:
De mannen zijn zoals vele eens succesvolle groepen weer bij elkaar maar het heilige vuur hebben ze nooit meer teruggevonden. Het viertal schrijft tegenwoordig liever hitparademateriaal en laat het daarbij na om gebruik te maken van de muzikale kwaliteiten die ze ooit machtig waren.


Augustus 1990, ik zag hoe fans zich verbaasd in de ogen wreven: is dit Stryper? Het bandlogo is weg (op de binnenhoes nog wel de driehoek met bijbeltekst), achterop blijken de geel-zwarte pakken vervangen door gevangeniskleding en er is enige baardgroei. Ik grijnsde: de vorige twee albums waren me te glad, hopelijk was dit een signaal dat Against the Law steviger was.

Ben momenteel bezig aan de biografie van zanger/gitarist Michael Sweet, genaamd 'Honestly: My Life and Stryper Revealed'. Op de albums hiervoor schreef hij al 90% van het materiaal en blijkens de bio is naast de cover Shining Star alleen het door Oz Fox geschreven Not That Kind of Guy niet van zijn hand. Over zijn composities op Against the Law: "What came out as I was writing surprised me" (p. 150). Zonder vooropgezet doel is er inderdaad sprake van een stijlverschuiving.
Fans moesten na twee albums met een gepolijstere aanpak wennen: het is rauwer en de teksten zijn niet expliciet christelijk. Wél gaan ze vaak over het maken van de juiste keuzes, waarover Sweet in de bio openhartig schrijft dat dat juist in deze periode nogal eens niet lukte.
In het boek beschrijft hij de moeizame relatie met aanhangers van tv-dominee Jimmy Swaggart die hen bij de ingangen van concertzalen en in de media neerzetten als dienaren van de duivel. Plus de zakelijke jungle, die in toenemende mate een negatief effect op de groepsfinanciën had. De jaren van bikkelen hadden hen murw en boos gemaakt, waarbij het oorspronkelijke heilige vuur was getemperd. De muziek echter is van hoge kwaliteit.

We zijn nu 35 jaar verder en dan valt me op dat Sweets muzikale invloeden duidelijker doorsijpelen in de schrijfstijl, waarin meer rock/blues zit. Zoals in de swingende maar stevige opener Against the Law, het uptempo vervolg Two Time Woman en het midtempo Rock the People. Daarbij klinken de kenmerkende koortjes minder prominent dan op de vorige albums: producer Tom Werman koos voor gitaren, met als volgend detail dat twingitaarlijnen slechts sporadisch worden gespeeld.
Via Two Bodies hoor je enkele muzikale wortels van Sweet, te weten Boston en Styx, met een briljant gezongen refrein. Op Not That Kind of Guy horen we Van Stryper, als een deel 2 van Hot for Teacher; geschreven door gitarist Oz Fox met als oorspronkelijke titel Not Yo Huggy Guy, zo vertelt de bio. Die vermeldt ook dat Sweet bang was om door Van Halen te worden vervolgd, "for it was too close for comfort to being a replica of their hit song".

Kant 2. Shining Star met gastbassist Randy Jackson is een opgerockte versie van het funklied van Earth, Wind & Fire. Moest er destijds aan wennen, nu valt op hoezeer de groep het naar zich toetrok. Ook smakelijk is het soleerwerk van Fox én Michael Sweet. In de riff van Ordinary Man klinkt de invloed van Joe Perry/Aerosmith, Lady is de ballade zoals Stryper die in deze periode steevast afleverde; gelukkig niet op basis van piano maar met akoestische gitaar.
Caught in the Middle is snel met spetterend gitaarwerk, waarbij drummer (en halfbroer) Robert Sweet in zijn element is, net als op het midtempo All for One met fraaie akoestische gitaar á la Boston. Rock the Hell Out of You is het dubbelebasdrumslot waarin de missie van de groep wordt uitgelegd en Sweet de grenzen van zijn stembanden teistert.

Het was voorlopig het laatste volledige album met nieuw werk van de groep. Terwijl het verval doorzette, verscheen in 1991 verzamelaar-met-twee-nieuwe-nummers Can't Stop the Rock, waarna de groep als trio - zonder Michael - voortging, om in 1993 het bijltje erbij neer te gooien.
Vanaf 2000 zoeken de vier elkaar af en toe op (Michael woont inmiddels aan de oostkust), in 2003 leidend tot 7, de volgende verzamelaar-met-twee-nieuwe-nummers. In 2005 is daar comeback-cd Reborn, waarmee de groep hun hardste album tot dan uitbrengt.

Daarom mijn wrevel over het bericht uit 2011, dat gezien de link stamt uit 2008. Toen had het inmiddels veel hardere Stryper alweer één (2008) resp. drie (2011) nieuwe albums uitgebracht, zónder "hitparademateriaal". Fouten maken is menselijk, maar als je een stukje schrijft, doe dan eerst je huiswerk en beluister de muziek alvorens te oordelen.

Stryper - Can't Stop the Rock (1991)

Alternatieve titel: The Stryper Collection 1984-1991

poster
3,5
Af en toe kom ik 'm tegen in cd-bak dan wel online advertentie, deze verzamelaar Can't Stop the Rock. Verschenen toen zanger Michael Sweet zo'n beetje klaar was met Stryper, zo schrijft hij in zijn boek 'Honestly: My Life and Stryper Revealed'.
Ondertussen was platenbaas Wesley Hein vertrokken bij Enigma en overgestapt naar Hollywood Records, waar Stryper deze compilatie kon uitbrengen. Een prima verzamelaar, waarbij de groep het bekende logo herintroduceerde, nadat dit op voorganger Against the Law van de buitenhoes was verdwenen.

Zoals hierboven genoemd staan er twee nieuwe nummers op: Believe is een midtempo rocker in de bekende stijl met massieve koortjes; terug naar het bekende geluid, anders dan de voorganger. Alle gitaren in het nummer werden gespeeld door de zanger. Op tweede nummer Can't Stop the Rock werden de gitaarpartijen volledig door Oz Fox ingespeeld, het is uptempo en mijn favoriet van de twee.

Gelukkig niet teveel ballades op dit album, maar de liefhebbers ervan kunnen met Lady, Honestly en Together As One hun hart ophalen. Mijn voorkeur ligt bij de steviger nummers, al is de eerste van die drie goed te doen. Maar ik zeur: als grootste hit mag Honestly hier inderdaad niet ontbreken: mei '88 #23 in de Billboard Hot 100.

In 1992 verlaat Michael Sweet na lang aarzelen de groep, de achtergebleven leden gaan gedrieën door tot ook zij het jaar erop de handdoek in de ring gooien. Michael probeert het nog even solo (poprock op Michael Sweet), maar mismanagement uit de jaren '80 brengt nog altijd zoveel financiële zorgen dat hij het roer omgooit en met zijn gezin naar de oostkust verhuist.

Op het schiereiland Cape Cod heeft de familie van zijn vrouw een camping en een cranberrykwekerij. Hoe zijn leven er daar uitzag, vertelt hij in zijn bio. Daarin meldt hij dat hij tv was te zien in Where Are They Now. Laat die aflevering op YouTube staan: zie hier hoe hij op het terrein bekend stond als 'Ranger Mike'.
In die rol maakt hij mee hoe hij 's avonds laat, als campinggasten luid To Hell with the Devil afspelen, op hen afstapt met de vraag of de muziek uit kan. Sweet wordt herkend en blijft nog een uurtje met de kampeerders rond hun kampvuur zitten. 'From riches to rags' is de teneur, desondanks is dit een goede periode voor hem en zijn gezin.
Terwijl andere ex-leden van Stryper hun carrière vervolgen met onder meer Sin Dizzy en solowerk (Robert Sweet), blijft Michael Sweet incidenteel soloalbums uitbrengen. Langzamerhand herleeft het contact met zijn oude bandmaatjes, in 2003 resulterend in een volgende verzamelaar genaamd 7, dat het vuurtje weer zou aansteken, tot meer leidend.

Stryper - Even the Devil Believes (2020)

poster
4,0
Voorganger God Damn Evil was me te kalm, als Strypers werk in de tweede helft van de jaren '80. Even the Devil Believes is gelukkig weer explosiever.
Misschien is dat door de toetreding van bassist Perry Richardson, die voor het eerst een album inspeelde. Niet dat hij muziek schreef, maar diens energie is wellicht doorgesijpeld naar Michael Sweet, verantwoordelijk voor de composities. De laatste zou bovendien zijn brood kunnen verdienen met produceren; dat deed hij ook hier en wederom klinkt alles als een klok.

In dit interview vertelde de frontman dat ze een nooit afgemaakt nummer uit 1989 uit de kast hadden gehaald: Invitation Only werd oorspronkelijk geschreven voor Against the Law.
Even the Devil Believes verscheen in september 2020, kort na de eerste coronapandemie en bijbehorende lockdown. Touren was onmogelijk, anno 2025 alweer bijna onbegrijpelijk.

De plaat gaat knallend uit de startblokken met Blood from Above, waarna Make Love Great Again (de titel kennelijk een correctie op de maga-retoriek van Donald Trump) midtempo en zwaar vervolgt. In interviews noemt Sweet nogal eens Judas Priest als invloed: dit klinkt hier terug, maar dan met zijn heldere stem plus de koortjes in de stijl van Stryper.
Uptempo is Let Him In, waarin het vette snaredrumgeluid van Robert Sweet extra opvalt. Do unto Others doet hetzelfde maar dan midtempo, waarna het titellied met een stoempende en aparte riff doordendert. Met overal lekkere gitaarsolo's waarbij de gitaren dik in de mix zitten.

Iets kalmer is How to Fly met een sterk refrein, een apart syntheffect zit in het refrein van de rockende single Divider. Omdat ik niet zo van ballades ben, heb ik minder met This I Pray.
Twinleadgitaren in het intro van Invitation Only uit 1989, waar een eenvoudig toetsenlijntje in het refrein verrassend goed werkt en de koortjes welig tieren. Een groeier. In het rockende For God & Rock 'n' Roll legt de groep hun missie nog eens uit. Inderdaad Kronos, juist vanuit christelijke hoek kreeg Stryper in de jaren '80 zware kritiek, met name uit de kringen rond tv-dominee Jimmy Swaggart.
Laat onverlet dat menig gelovige juist met het grommende Middle Finger Messiah problemen zal hebben. Het besluit het album in vliegende vaart en bevat een tekst waarin het beeld van Jezus als goedbedoelende hippie een andere invulling krijgt. Dit zal niet snel als kerklied worden gebruikt. Alhoewel, je weet maar nooit... Wat het nummer voor de liefhebbers van metal extra aantrekkelijk maakt, is de heerlijke gitaarsolo; jammer genoeg vermeldt de hoes niet of Michael Sweet of Oz Fox deze speelt.

Een sterk album, vaker uptempo dan de voorganger en dus met meer energie. Extra knap als je beseft dat Stryper sinds 2009 elke twee, drie jaar een album uitbrengt. Dat Michael Sweet daarnaast ook solo actief is (sinds 2014 vier albums), plus albums maakte met Sunbomb (tweemaal), George Lynch (driemaal), plús bij nog eens twee projecten, maakt het alleen maar knapper.

PS Op 10 mei schreef ik dat Doug Aldrich in het prille begin lid was van de groep, toen nog Roxx Regime geheten. Dankzij Michael Sweets biografie weet ik nu dat dat incorrect is. Aldrich deed wel auditie, maar de wederzijdse klik ontbrak. Hij speelde in 2014 wél op Michael Sweets soloalbum I'm Not Your Suicide .

Stryper - Fallen (2015)

poster
4,0
Stryper en Fallen, kunnen ze nog verrassen? Jazeker.

Met opener Yahweh zet Stryper één van zijn beste nummers ooit neer. Meteen een massief a capella intro, dan een heerlijk stoempende riff, gevolgd door een snel deel en dan juist een log thema, pakkend gitaarduel en de terugkeer van de beginriff. Instant klassieker.
Dan volgen het eveneens sterke titellied Fallen en Pride is eveneens massief, gevolgd door het iets kalmere Big Screen Lies.

Met de drie volgende nummers zijn ze me even kwijt. Het stevige Heaven en Love You Like I Do vind ik mindere composities en ballade All Over Again is me te klef.
Daarna echter laait het vuur fel op. Eerst de cover van Black Sabbaths After Forever (hier zou eens een doedelzakversie van moeten worden gemaakt, die gitaarlijn blijft me toch mooi!), Till I Get What I Need is heerlijk uptempo, Let There Be Light begint slepend maar komt spoedig op gang, met The Calling meer aangenaam uptempo werk en King of Kings houdt het onwaarschijnlijke midden tussen vette metal en een aflevering van BBC Songs of Praise en doet dat nog pakkend ook.

Zanger-gitarist-producer Michael Sweet schreef op de cover na alle nummers, waarvan twee met gitarist Oz Fox. Zijn productie staat als een huis; heavy en toch transparant, dus niet dichtgesmeerd. Sterk album, op dat blokje van drie na.

Nog een opmerking op die van Schnee (niet meer op MuMe) uit 2015:
"en waarom je over satanisme niks hoort? nou ja, die gasten weten tenminste nog dat ze grappen maken en denken oude dametjes te kunnen provoceren"
Ik had collega's van zo'n 25 jaar jonger die fanatiek en getalenteerd musiceerden in diverse metalgroepen. Van hen begreep ik dat ze in blackmetalkringen nogal wat racisme waren tegengekomen. Eén van de redenen dat ze op een gegeven moment helemaal klaar waren met het wereldje.