Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Sparks - Introducing Sparks (1977)

3,0
0
geplaatst: 4 mei 2023, 08:55 uur
Ben bezig aan een ietwat gehaaste reis door het oeuvre van Sparks, waarbij de titel Introducing Sparks suggereert dat een nieuwe start werd gemaakt - mijn eerste indruk was dat dit een verzamelaar was...
De gebroeders Mael keerden terug naar Californië en omarmden de warme westcoastsound inclusief de koortjes van de Beach Boys, waarmee de hypergekte van voorheen verdampte. Je ziet het al aan het aantal nummers op deze elpee: slechts negen, wat betekent dat ze langer duren dan voorheen.
Met een keur aan sessiemuzikanten, onder wie gitarist Lee Ritenour en toetsenist David Paich die het jaar ervoor met Toto was gestart, ontstaat een warm geluid. De laatste jaren heb ik deze stijl herontdekt (Andrew Gold!), maar voor mij is dit een jasje dat Sparks minder goed staat.
Twee nummers komen er op mijn afspeellijst: de afsluiter van de A-kant Forever Young, waarin ik iets van de Britse (glam)rock van vorige albums herken en op kant B wordt geopend met viool in Goofing Off, waarna het lied uptempo vervolgt met een sterke melodie en op sommige plekken een roepend koortje. Plus een lekkere gitaarsolo.
Voor het overige: al zijn de teksten weer vermakelijk en de liedjes genietbaar, nergens hoor ik iets dat ver boven het maaiveld uitsteekt, zoals voorheen wél het geval was. Dan toch liever de Britse jaren (album drie tot en met vijf) met hun stortvloed aan ideeën, stampende glamrock en proto-new wave. Stijlen waar de Amerikaanse westkust nog niet aan toe was.
Gisteren zag ik Baby Metal in de Ziggo Dome, een enthousiaste en uiterst professionele band die kitchmetal speelt, grofweg "Metallica meets K3". Moest onwillekeurig aan de gekte van Sparks denken, zij het bij de Japanners in een heel ander jasje. De overeenkomst: botsende muziekstijlen worden geïntegreerd tot één geheel.
Sparks kon dat op briljante wijze. Op Introducing Sparks wordt echter een veiliger koers gevaren, die me ondanks de leuke melodieën en verzorgde arrangementen meestal niet pakt. Volgens Wikipedia een totaal geflopt album, wat me dan weer verbaast: er moet toch een veel groter publiek zijn geweest voor deze behoudender koers?
De gebroeders Mael keerden terug naar Californië en omarmden de warme westcoastsound inclusief de koortjes van de Beach Boys, waarmee de hypergekte van voorheen verdampte. Je ziet het al aan het aantal nummers op deze elpee: slechts negen, wat betekent dat ze langer duren dan voorheen.
Met een keur aan sessiemuzikanten, onder wie gitarist Lee Ritenour en toetsenist David Paich die het jaar ervoor met Toto was gestart, ontstaat een warm geluid. De laatste jaren heb ik deze stijl herontdekt (Andrew Gold!), maar voor mij is dit een jasje dat Sparks minder goed staat.
Twee nummers komen er op mijn afspeellijst: de afsluiter van de A-kant Forever Young, waarin ik iets van de Britse (glam)rock van vorige albums herken en op kant B wordt geopend met viool in Goofing Off, waarna het lied uptempo vervolgt met een sterke melodie en op sommige plekken een roepend koortje. Plus een lekkere gitaarsolo.
Voor het overige: al zijn de teksten weer vermakelijk en de liedjes genietbaar, nergens hoor ik iets dat ver boven het maaiveld uitsteekt, zoals voorheen wél het geval was. Dan toch liever de Britse jaren (album drie tot en met vijf) met hun stortvloed aan ideeën, stampende glamrock en proto-new wave. Stijlen waar de Amerikaanse westkust nog niet aan toe was.
Gisteren zag ik Baby Metal in de Ziggo Dome, een enthousiaste en uiterst professionele band die kitchmetal speelt, grofweg "Metallica meets K3". Moest onwillekeurig aan de gekte van Sparks denken, zij het bij de Japanners in een heel ander jasje. De overeenkomst: botsende muziekstijlen worden geïntegreerd tot één geheel.
Sparks kon dat op briljante wijze. Op Introducing Sparks wordt echter een veiliger koers gevaren, die me ondanks de leuke melodieën en verzorgde arrangementen meestal niet pakt. Volgens Wikipedia een totaal geflopt album, wat me dan weer verbaast: er moet toch een veel groter publiek zijn geweest voor deze behoudender koers?
Sparks - Kimono My House (1974)

4,0
1
geplaatst: 1 mei 2023, 12:48 uur
Vandaag mag Kimono my House 49 kaarsjes uitblazen. Ik feliciteer Sparks op mijn reis door hun collectie, waarbij ik – indien voldoende tijd en nog kaartjes beschikbaar – in juni naar hun concert in Utrecht wil.
Inlezen brengt nieuwe inzichten. De gebroeders Mael plaatsten na verhuizing naar Engeland een advertentie voor een bassist, volgens Wikipedia deze: “Wanted bass player for Sparks. Must be beard free and exciting". Zo verzamelden ze drie nieuwe muzikanten om zich heen: gitarist Adrian Fisher had enige naam gemaakt in een band met de ex-Free bassist, nog onbekender waren bassist Martin Gordon en drummer Norman Diamond.
Toen ik vanaf ’75, ’76 popmuziek ging ontdekken, was This Town Ain’t Big Enough for the Both of Us al een hit geweest: in Nederland en Vlaanderen in juli 1974 #4. Ik leerde dit door toetsenist Ron Mael geschreven juweeltje dus met terugwerkende kracht kennen en toen ik rond 1982 het bijbehorende album uit de bieb leende, was ik benieuwd of dat net zo manisch-briljant en stevig was als de single. Dat viel me toch tegen. Nergens hoorde ik een liedje dat zo pakkend was als deze. Maar smaak verandert met de jaren.
Anno 2023 vind ik dit zeker geen tegenvallend album. Integendeel, ik kom uit op vier sterren. Hierboven schreven Roxy6 en Chimpz al de nodige zinnige zaken, ik kan het dus kort houden. Op de A-kant is na de aftrap met de hit ook Amateur Hour een favoriet. Op de B-kant springen voor mij Talent is an Asset en Equator eruit.
De overige nummers puilen eveneens uit van de ideeën, soms is het bijna teveel. Verdwenen zijn de zijweggetjes naar kleinkunst / vaudeville, de gekte zit hem nu in teksten en melodieën, die kunnen springen als vlooien op een hondenrug.
Anders dan de vorige twee albums wordt consequent voor stevige rock gekozen, zij het gecompliceerder dan de stampende glamrock die toen in de mode was. Het heeft lichte overeenkomsten met het Roxy Music van die dagen. Absurdisme en eigenzinnigheid zijn de overeenkomsten, passend in het (glam)rockklimaat van het Verenigd Koninkrijk in de eerste helft van de jaren '70.
Een eigen muzikaal universumpje van gecontroleerde gekte, geknipt voor de stem van Russell Mael.
Inlezen brengt nieuwe inzichten. De gebroeders Mael plaatsten na verhuizing naar Engeland een advertentie voor een bassist, volgens Wikipedia deze: “Wanted bass player for Sparks. Must be beard free and exciting". Zo verzamelden ze drie nieuwe muzikanten om zich heen: gitarist Adrian Fisher had enige naam gemaakt in een band met de ex-Free bassist, nog onbekender waren bassist Martin Gordon en drummer Norman Diamond.
Toen ik vanaf ’75, ’76 popmuziek ging ontdekken, was This Town Ain’t Big Enough for the Both of Us al een hit geweest: in Nederland en Vlaanderen in juli 1974 #4. Ik leerde dit door toetsenist Ron Mael geschreven juweeltje dus met terugwerkende kracht kennen en toen ik rond 1982 het bijbehorende album uit de bieb leende, was ik benieuwd of dat net zo manisch-briljant en stevig was als de single. Dat viel me toch tegen. Nergens hoorde ik een liedje dat zo pakkend was als deze. Maar smaak verandert met de jaren.
Anno 2023 vind ik dit zeker geen tegenvallend album. Integendeel, ik kom uit op vier sterren. Hierboven schreven Roxy6 en Chimpz al de nodige zinnige zaken, ik kan het dus kort houden. Op de A-kant is na de aftrap met de hit ook Amateur Hour een favoriet. Op de B-kant springen voor mij Talent is an Asset en Equator eruit.
De overige nummers puilen eveneens uit van de ideeën, soms is het bijna teveel. Verdwenen zijn de zijweggetjes naar kleinkunst / vaudeville, de gekte zit hem nu in teksten en melodieën, die kunnen springen als vlooien op een hondenrug.
Anders dan de vorige twee albums wordt consequent voor stevige rock gekozen, zij het gecompliceerder dan de stampende glamrock die toen in de mode was. Het heeft lichte overeenkomsten met het Roxy Music van die dagen. Absurdisme en eigenzinnigheid zijn de overeenkomsten, passend in het (glam)rockklimaat van het Verenigd Koninkrijk in de eerste helft van de jaren '70.
Een eigen muzikaal universumpje van gecontroleerde gekte, geknipt voor de stem van Russell Mael.
Sparks - Lil' Beethoven (2002)

3,5
1
geplaatst: 10 mei 2023, 22:44 uur
Volgens Wikipedia hadden de gebroeders Mael van Sparks al het materiaal voor de opvolger van Balls geschreven, toen dat album zodanig flopte dat ze besloten een nieuwe muzikale koers te varen; ook om zichzelf te blijven uitdagen. Kijk, dát is de Bowieaanse mentaliteit, de kameleon pur-sang!
Ook lees ik dat de aanzet werd gegeven toen vanuit Duitsland de vraag kwam om een muziekstuk te schrijven over sportcommentator Günther Koch. In 2004 kwam dit nummer beschikbaar voor de gewone fan op de Deluxe edition, te weten de track Wunderbar.
Het resultaat werd Lil’ Beethoven met op de voorzijde een tekening in de stijl van stripverhaal Calvin and Hobbes (bij ons gepubliceerd als Casper en Hobbes). De muziek is een kruising tussen klassieke kamermuziek en eigentijdse kleinkunst. Dit zonder drums, waardoor het vooral een luisterplaat is geworden, een hele verandering na de jaren van dancepop. Een muziekalbum als een hoorspel, wat als de betere (beeld)roman enige tijd nodig heeft om door te dringen.
Tegen het einde is het bijna schrikken in Ugly Boys and Beautiful Girls, waar drumster Tammy Glover fel op de vellen mept. Wat? Échte drums bij Sparks, na al die jaren zonder? Hoera! Met deze dame snap ik bovendien de titel van het nummer.
Bij de bonussen zit ook interessant materiaal, zoals het gesproken The Legend Of Lil' Beethoven, het liedje over de sportjournalist Wunderbar met daarin talrijke opnamen van de man die vooral in de regio Nürnberg een legende schijnt te zijn, en het schone Kakadu Kantata.
Lil’ Beethoven is een enerverend en fantasierijk verhaal over een piepjonge componist, passend in de humoristische traditie van Sparks. Niet de rockgekte van vroeger en evenmin de dance-ironie van de jaren daarna, maar de eigenzinnigheid is volop terug. Een zeveneneenhalf.
Ook lees ik dat de aanzet werd gegeven toen vanuit Duitsland de vraag kwam om een muziekstuk te schrijven over sportcommentator Günther Koch. In 2004 kwam dit nummer beschikbaar voor de gewone fan op de Deluxe edition, te weten de track Wunderbar.
Het resultaat werd Lil’ Beethoven met op de voorzijde een tekening in de stijl van stripverhaal Calvin and Hobbes (bij ons gepubliceerd als Casper en Hobbes). De muziek is een kruising tussen klassieke kamermuziek en eigentijdse kleinkunst. Dit zonder drums, waardoor het vooral een luisterplaat is geworden, een hele verandering na de jaren van dancepop. Een muziekalbum als een hoorspel, wat als de betere (beeld)roman enige tijd nodig heeft om door te dringen.
Tegen het einde is het bijna schrikken in Ugly Boys and Beautiful Girls, waar drumster Tammy Glover fel op de vellen mept. Wat? Échte drums bij Sparks, na al die jaren zonder? Hoera! Met deze dame snap ik bovendien de titel van het nummer.
Bij de bonussen zit ook interessant materiaal, zoals het gesproken The Legend Of Lil' Beethoven, het liedje over de sportjournalist Wunderbar met daarin talrijke opnamen van de man die vooral in de regio Nürnberg een legende schijnt te zijn, en het schone Kakadu Kantata.
Lil’ Beethoven is een enerverend en fantasierijk verhaal over een piepjonge componist, passend in de humoristische traditie van Sparks. Niet de rockgekte van vroeger en evenmin de dance-ironie van de jaren daarna, maar de eigenzinnigheid is volop terug. Een zeveneneenhalf.
Sparks - MAD! (2025)

3,0
0
geplaatst: 28 oktober 2025, 18:54 uur
De muziek op de sterke voorganger The Girl Is Crying in Her Latte deelde ik in vier categorieën in: dancepop, introvertere luisterpop op synthbasis, rock en de nummers met klassieke invloeden.
De tweede categorie is op MAD! het sterkst vertegenwoordigd, het totaal aan pakkende liedjes ligt echter lager. Dat komt mede door de monotonie van openers van kant 1 en 2, Do Things My Own Way en In Daylight, die grotendeels op twee akkoorden zijn gebouwd. Ping pong, gaat het tussen zo'n duo.
De overige nummers op kant 1 groeien echter geleidelijk, vooral Running Up a Tab at the Hotel for the Fab en Don't Dog It zijn wat opwindender. Toch had ik meer van de stevige kant van de groep willen horen, zoals op de voorganger. Het blijft te vaak dicht bij luister-synthesizerpop.
Op het moment dat op kant 2 in I-405 Rules een rijk strijkersarrangement klinkt plus een klassiek-beïnvloede melodie, dient zich een eigentijdse aria aan. Hè hè, eindelijk gaat het los. A Long Red Light ligt in het verlengde hiervan, als het titelnummer van een thriller. Pianopop in het lekkere Drowned in a Sea of Tears, vrolijk en licht scheurend is A Little Bit of Light Banter en het kalme Lord Have Mercy sluit de plaat af.
Écht enthousiast wil ik niet worden, ondanks de ironie in de teksten en het feit dat MAD! de voorbije weken regelmatig zijn rondjes op mijn draaitafel tolde. Te weinig bandgevoel, te kabbelend, te weinig rock. Een dikke 6 is het gevolg en dat valt tegen. Of ik de EP MADDER! eveneens wil aanschaffen, blijft nog even een punt van twijfel.
De tweede categorie is op MAD! het sterkst vertegenwoordigd, het totaal aan pakkende liedjes ligt echter lager. Dat komt mede door de monotonie van openers van kant 1 en 2, Do Things My Own Way en In Daylight, die grotendeels op twee akkoorden zijn gebouwd. Ping pong, gaat het tussen zo'n duo.
De overige nummers op kant 1 groeien echter geleidelijk, vooral Running Up a Tab at the Hotel for the Fab en Don't Dog It zijn wat opwindender. Toch had ik meer van de stevige kant van de groep willen horen, zoals op de voorganger. Het blijft te vaak dicht bij luister-synthesizerpop.
Op het moment dat op kant 2 in I-405 Rules een rijk strijkersarrangement klinkt plus een klassiek-beïnvloede melodie, dient zich een eigentijdse aria aan. Hè hè, eindelijk gaat het los. A Long Red Light ligt in het verlengde hiervan, als het titelnummer van een thriller. Pianopop in het lekkere Drowned in a Sea of Tears, vrolijk en licht scheurend is A Little Bit of Light Banter en het kalme Lord Have Mercy sluit de plaat af.
Écht enthousiast wil ik niet worden, ondanks de ironie in de teksten en het feit dat MAD! de voorbije weken regelmatig zijn rondjes op mijn draaitafel tolde. Te weinig bandgevoel, te kabbelend, te weinig rock. Een dikke 6 is het gevolg en dat valt tegen. Of ik de EP MADDER! eveneens wil aanschaffen, blijft nog even een punt van twijfel.
Sparks - Music That You Can Dance To (1986)

2,0
0
geplaatst: 7 mei 2023, 22:46 uur
Het laatste album dat Ron en Russell Mael opnamen met begeleidingsgroep Bates Motel staat vol van allerlei hippe dansgeluiden uit de wereld van 1986, waarbij ik soms het gevoel heb naar de soundtrack van de jaren ’80-serie ‘Miami Vice’ te luisteren.
Voor hun doen deden ze er lang over: na de flop van voorganger Pulling Rabbits out of a Hat volgde Music That You Can Dance to pas twee jaar later. Bij dit album werd er een electronisch (dans)schepje bovenop gedaan.
Ik kan er weinig mee. De goede ideeën lijken compleet zoek, al maak ik een uitzondering voor het licht-dramatische Rosebud dat midtempo is. Maar verder… Zoals Russells kopstem á la BeeGees of Philip Bailey in Fingertips : voor mij werkt het niet.
Curieus: op het album dat mijn streamingplatform aanbiedt ontbreekt Change, het vierde nummer op de A-zijde. De reden dat dit nummer ontbreekt is dat buiten de Verenigde Staten het nummer Armies of the Night was opgenomen, een midtempo nummer dat er niet uitspringt. Change staat wel op YouTube en blijkt redelijk te zijn, met zowaar pittige gitaarpartijen en curieuze overgangen.
Nog vreemder: in 1995 verscheen het album in Duitstalig Europa op cd met Amerikaanse tracklist onder de titel Best of.
Sparks en uptempo dansmuziek: voorheen werkte het wel, hier niet. Ben benieuwd of Sparksoloog Roxy6 er meer mee kan!
Voor hun doen deden ze er lang over: na de flop van voorganger Pulling Rabbits out of a Hat volgde Music That You Can Dance to pas twee jaar later. Bij dit album werd er een electronisch (dans)schepje bovenop gedaan.
Ik kan er weinig mee. De goede ideeën lijken compleet zoek, al maak ik een uitzondering voor het licht-dramatische Rosebud dat midtempo is. Maar verder… Zoals Russells kopstem á la BeeGees of Philip Bailey in Fingertips : voor mij werkt het niet.
Curieus: op het album dat mijn streamingplatform aanbiedt ontbreekt Change, het vierde nummer op de A-zijde. De reden dat dit nummer ontbreekt is dat buiten de Verenigde Staten het nummer Armies of the Night was opgenomen, een midtempo nummer dat er niet uitspringt. Change staat wel op YouTube en blijkt redelijk te zijn, met zowaar pittige gitaarpartijen en curieuze overgangen.
Nog vreemder: in 1995 verscheen het album in Duitstalig Europa op cd met Amerikaanse tracklist onder de titel Best of.
Sparks en uptempo dansmuziek: voorheen werkte het wel, hier niet. Ben benieuwd of Sparksoloog Roxy6 er meer mee kan!
Sparks - No 1. in Heaven (1979)

3,5
1
geplaatst: 4 mei 2023, 16:04 uur
Wat een aangename verrassing, dit album! Hitsingle Beat the Clock heb ik kennelijk in september 1979 volkomen gemist en toch heeft die toen #16 gehaald bij de Nationale Hitparade.
Nee, ik wist niets omtrent deze samenwerking met Giorgio Moroder, terwijl ik in 1977, dobberend in een rubberboot met daarin een transistorradio, zijn I Feel Love met Donna Summer vaak heb gehoord; wekenlang stond het die eindeloze zomer #1, waarop ik me verbaasde dat hij niet meer singles in deze trant uitbracht, op zijn solohitje From Here to Eternity na.
Maar goed, hier stampt de beat dan wél door zoals bij Summer ook gebeurde. Sparks ligt weer voorop in de ontwikkelingen, in plaats van steeds meer achterop te raken zoals met hun twee Amerikaanse albums daarvoor. Niet te vergelijken met eerder werk en toch wonderwel passend. Dat de plaat slechts zes nummers telt, is ook veelzeggend: gericht op de dansvloer.
Russell Mael zet veel zijn falsetstem in. Verdwenen zijn helaas de gekke intervallen in zijn zanglijnen, maar dit is niet de muziek hiervoor.
Wat ik ook bijzonder vind: met Frank Sinatra's Greatest Hits was dit het album dat de mannen van Joy Division draaiden ten tijde van het schrijven en opnemen van Love Will Tear Us Apart, aldus Wikipedia. Dat nummer moet ik met deze kennis erbij nogmaals beluisteren.
Een 7,5, die ik in 3,5 sterren vertaal.
Nee, ik wist niets omtrent deze samenwerking met Giorgio Moroder, terwijl ik in 1977, dobberend in een rubberboot met daarin een transistorradio, zijn I Feel Love met Donna Summer vaak heb gehoord; wekenlang stond het die eindeloze zomer #1, waarop ik me verbaasde dat hij niet meer singles in deze trant uitbracht, op zijn solohitje From Here to Eternity na.
Maar goed, hier stampt de beat dan wél door zoals bij Summer ook gebeurde. Sparks ligt weer voorop in de ontwikkelingen, in plaats van steeds meer achterop te raken zoals met hun twee Amerikaanse albums daarvoor. Niet te vergelijken met eerder werk en toch wonderwel passend. Dat de plaat slechts zes nummers telt, is ook veelzeggend: gericht op de dansvloer.
Russell Mael zet veel zijn falsetstem in. Verdwenen zijn helaas de gekke intervallen in zijn zanglijnen, maar dit is niet de muziek hiervoor.
Wat ik ook bijzonder vind: met Frank Sinatra's Greatest Hits was dit het album dat de mannen van Joy Division draaiden ten tijde van het schrijven en opnemen van Love Will Tear Us Apart, aldus Wikipedia. Dat nummer moet ik met deze kennis erbij nogmaals beluisteren.
Een 7,5, die ik in 3,5 sterren vertaal.
Sparks - Plagiarism (1997)

3,5
1
geplaatst: 8 mei 2023, 22:35 uur
Je eigen muziek opfrissen is als een schilderij dat na restauratie prachtige kleuren blijkt te bevatten, die door de jaren heen waren vervaagd. Iets dergelijks gebeurt op Plagiarism, waar regelmatig felle kleuren bovenkomen. Vooral waar een liedje in een compleet ander arrangement is gestoken.
Hetzelfde deed Moby in 2021, door bij het vermaarde Deutsche Grammophon Reprise uit te brengen en veertien van zijn nummers in klassiek-symfonische uitvoeringen te (laten) steken. Bij Sparks gebeurde iets dergelijks vierentwintig jaar eerder. De klassieke of anderszins compleet andere versies smaken mij het beste.
Een non-pop/rocklijstje dat dan ontstaat: de twee eerste nummers, te weten de strijkers en koor in Pulling Rabbits out of a Hat en de klassieke versie van This Town Ain’t Big Enough for the Both of Us; Something for the Girl with Everything; het ooit hele korte Propaganda duurt hier geheel acapella tweeënhalve minuut; en het door strijkers en koor verbouwde Never Turn Your Back on Mother Earth.
Andere fraaie zaken: práchtig zijn de meerstemmige vocalen van When Do I Get to Sing ‘My Way’ waarbij ik de drumcomputer had weggelaten; de bijdragen van Faith No More, Erasure en Jimmy Sommerville zijn welkome toevoegingen, maar verfrissen niet zo sterk als de klassieke jasjes doen.
De rest is niet onaardig, maar staat mij te dicht bij de oorspronkelijke versies. Ere wie ere toekomt: vier jaar voor deze Sparks maakte Philip Glass de Low Symphony, op basis van het album Low van David Bowie. Wellicht dat dit de gebroeders Mael van Sparks op het idee bracht iets dergelijks te doen met Tony Visconti?
Bij de cd van Plagiarism zat ook de mogelijkheid om ondergoed van de band te kopen. Die vind je uiteraard niet meer in Sparks’ winkel, maar deze satijnen boxershort, onderboks en bustehouder zijn een teken van zowel de stijl als de absurditeit die de plotseling zéér gespierde broers van Sparks altijd omgeeft.
Hetzelfde deed Moby in 2021, door bij het vermaarde Deutsche Grammophon Reprise uit te brengen en veertien van zijn nummers in klassiek-symfonische uitvoeringen te (laten) steken. Bij Sparks gebeurde iets dergelijks vierentwintig jaar eerder. De klassieke of anderszins compleet andere versies smaken mij het beste.
Een non-pop/rocklijstje dat dan ontstaat: de twee eerste nummers, te weten de strijkers en koor in Pulling Rabbits out of a Hat en de klassieke versie van This Town Ain’t Big Enough for the Both of Us; Something for the Girl with Everything; het ooit hele korte Propaganda duurt hier geheel acapella tweeënhalve minuut; en het door strijkers en koor verbouwde Never Turn Your Back on Mother Earth.
Andere fraaie zaken: práchtig zijn de meerstemmige vocalen van When Do I Get to Sing ‘My Way’ waarbij ik de drumcomputer had weggelaten; de bijdragen van Faith No More, Erasure en Jimmy Sommerville zijn welkome toevoegingen, maar verfrissen niet zo sterk als de klassieke jasjes doen.
De rest is niet onaardig, maar staat mij te dicht bij de oorspronkelijke versies. Ere wie ere toekomt: vier jaar voor deze Sparks maakte Philip Glass de Low Symphony, op basis van het album Low van David Bowie. Wellicht dat dit de gebroeders Mael van Sparks op het idee bracht iets dergelijks te doen met Tony Visconti?
Bij de cd van Plagiarism zat ook de mogelijkheid om ondergoed van de band te kopen. Die vind je uiteraard niet meer in Sparks’ winkel, maar deze satijnen boxershort, onderboks en bustehouder zijn een teken van zowel de stijl als de absurditeit die de plotseling zéér gespierde broers van Sparks altijd omgeeft.
Sparks - Propaganda (1974)

4,0
3
geplaatst: 2 mei 2023, 18:39 uur
Regelmatig mopper ik bij albums dat nummers te lang duren naar mijn zin. Bij Propaganda overkomt me bijna het tegenovergestelde: hoeveel (goede!) ideeën kun je in overwegend korte composities stoppen?
Wat dat betreft snap ik Niek wel: alleen al met de ideeën die Sparks in At Home at Work at Play stopt kan Tom Waits een hele plaat vullen... Ja, ik overdrijf. Maar toch. De blijheid die hij hoort is echter vaak ironisch van aard: achter de glimlach zit de traan van een clown.
Een stortvloed aan dansende melodieën, pittige breaks, tempowisselingen en gekke ideeën. Dit alles dwingt om vaker te luisteren, teneinde een zinnige beoordeling te kunnen geven. Je zou hier van maniakale progpop kunnen spreken, die menig luisteraar gek zal maken.
Mijn afspeellijst van Sparks groeide naast het al genoemde At Home met de volgende nummers: Reinforcements, B.C., Thanks but No Thanks, Don't Leave me Alone without Her en Never Turn Your Back on Mother Earth. Automatisch meebrommen wordt na enige tijd onvermijdelijk.
Daarbij de schijnwerper op drummer Norman Diamond, die het jaar erop bij Premier Drums werd uitgeroepen tot drummer van het jaar. Het is inderdaad knap wat hij doet.
Geen hits in Nederland van deze zwarte schijf en dus haalde het de albumlijst niet. Toch doet Propaganda zeker niet onder voor Kimono My House van eerder dat jaar. Zóveel sterke muziek uitbrengen in 1974? Knap.
Wat dat betreft snap ik Niek wel: alleen al met de ideeën die Sparks in At Home at Work at Play stopt kan Tom Waits een hele plaat vullen... Ja, ik overdrijf. Maar toch. De blijheid die hij hoort is echter vaak ironisch van aard: achter de glimlach zit de traan van een clown.
Een stortvloed aan dansende melodieën, pittige breaks, tempowisselingen en gekke ideeën. Dit alles dwingt om vaker te luisteren, teneinde een zinnige beoordeling te kunnen geven. Je zou hier van maniakale progpop kunnen spreken, die menig luisteraar gek zal maken.
Mijn afspeellijst van Sparks groeide naast het al genoemde At Home met de volgende nummers: Reinforcements, B.C., Thanks but No Thanks, Don't Leave me Alone without Her en Never Turn Your Back on Mother Earth. Automatisch meebrommen wordt na enige tijd onvermijdelijk.
Daarbij de schijnwerper op drummer Norman Diamond, die het jaar erop bij Premier Drums werd uitgeroepen tot drummer van het jaar. Het is inderdaad knap wat hij doet.
Geen hits in Nederland van deze zwarte schijf en dus haalde het de albumlijst niet. Toch doet Propaganda zeker niet onder voor Kimono My House van eerder dat jaar. Zóveel sterke muziek uitbrengen in 1974? Knap.
Sparks - Pulling Rabbits Out of a Hat (1984)

2,0
0
geplaatst: 7 mei 2023, 10:28 uur
‘Najaar 1983 kwam ik in de unieke situatie dat ik bij een overleg tussen de gebroeders Mael van Sparks en hun management mocht zijn.
Zanger Russell opende: “Mijn broer heeft weer het nodige nieuwe materiaal geschreven voor ons dertiende album in veertien jaar. Maar ik ben de routine van repetities – opnamen – tournee met eindeloze hotelkamers eventjes helemaal zat. Nou viel het mij op dat de liedjes een stuk toegankelijker zijn voor het grote publiek en…”
Ron onderbrak hem. “Wat mijn broertje probeert te zeggen is dat hij een jaar rust wil en hij kreeg het idee om de liedjes te verkopen. Aan die nieuwe popact Wham! bijvoorbeeld. Of Bucks Fizz, dat groepje dat drie jaar geleden het songfestival won.”
De wenkbrauwen van de mannen in pak tegenover hen gingen verbaasd omhoog, maar de heren zegden toe hun best te zullen doen.
Voorjaar 1984 vertelde Ron hoe het verder was gegaan: "Alhoewel George Michael gecharmeerd was van 'Love Scenes' en 'Kiss Me Quick', bedankte zijn management voor de eer. De songfestivalacts waren al voorzien van liedjes en hadden zelfs voor 'Progress' en 'All My Might' geen belangstelling.
Ach, ik vond het vanaf het begin al een slecht idee. Onze Franse A&R-manager heeft het nog geprobeerd bij Lio, die jonge zangeres uit Brussel van de hit 'Amoureux Solitaires'. Zij vond 'A Song that Sings Itself' en 'Sisters' heel aardig maar is inmiddels te druk met haar filmcarrière. Hij heeft het ook nog geprobeerd bij de Belgische groep Pas de Deux, die vorig jaar meededen aan het Eurovisie Songfestival met 'Rendez-vous', maar zij moesten alleen maar lachen: dat kunnen we zelf veel beter! Dus hebben we Russell er eindelijk van kunnen overtuigen om mijn liedjes zélf op te nemen,” verzuchtte Ron.’
Tot zover mijn droom van afgelopen nacht. Naast de sterke hoes is alleen de titelsong wel aardig. Op de plaat klinkt te veilige pop en bovendien is de ironie foetsie. Een spaarzame fijne toetsenlijn wordt steeds tenietgedaan door een saaie zanglijn. Ik word alweer verrast door Sparks, zij het nu eens in negatieve zin. Ach, dertien albums in veertien jaar, mag er een misser tussen zitten?
Zanger Russell opende: “Mijn broer heeft weer het nodige nieuwe materiaal geschreven voor ons dertiende album in veertien jaar. Maar ik ben de routine van repetities – opnamen – tournee met eindeloze hotelkamers eventjes helemaal zat. Nou viel het mij op dat de liedjes een stuk toegankelijker zijn voor het grote publiek en…”
Ron onderbrak hem. “Wat mijn broertje probeert te zeggen is dat hij een jaar rust wil en hij kreeg het idee om de liedjes te verkopen. Aan die nieuwe popact Wham! bijvoorbeeld. Of Bucks Fizz, dat groepje dat drie jaar geleden het songfestival won.”
De wenkbrauwen van de mannen in pak tegenover hen gingen verbaasd omhoog, maar de heren zegden toe hun best te zullen doen.
Voorjaar 1984 vertelde Ron hoe het verder was gegaan: "Alhoewel George Michael gecharmeerd was van 'Love Scenes' en 'Kiss Me Quick', bedankte zijn management voor de eer. De songfestivalacts waren al voorzien van liedjes en hadden zelfs voor 'Progress' en 'All My Might' geen belangstelling.
Ach, ik vond het vanaf het begin al een slecht idee. Onze Franse A&R-manager heeft het nog geprobeerd bij Lio, die jonge zangeres uit Brussel van de hit 'Amoureux Solitaires'. Zij vond 'A Song that Sings Itself' en 'Sisters' heel aardig maar is inmiddels te druk met haar filmcarrière. Hij heeft het ook nog geprobeerd bij de Belgische groep Pas de Deux, die vorig jaar meededen aan het Eurovisie Songfestival met 'Rendez-vous', maar zij moesten alleen maar lachen: dat kunnen we zelf veel beter! Dus hebben we Russell er eindelijk van kunnen overtuigen om mijn liedjes zélf op te nemen,” verzuchtte Ron.’
Tot zover mijn droom van afgelopen nacht. Naast de sterke hoes is alleen de titelsong wel aardig. Op de plaat klinkt te veilige pop en bovendien is de ironie foetsie. Een spaarzame fijne toetsenlijn wordt steeds tenietgedaan door een saaie zanglijn. Ik word alweer verrast door Sparks, zij het nu eens in negatieve zin. Ach, dertien albums in veertien jaar, mag er een misser tussen zitten?
Sparks - Terminal Jive (1980)

3,5
0
geplaatst: 4 mei 2023, 21:46 uur
Afgezien van Frankrijk was deze opvolger van No. 1 in Heaven geen succes, lees ik hierboven. Op MusicMeter kom ik consequent hetzelfde verhaal tegen: niet per se slecht, maar Terminal Jive is lang niet zo goed als de voorganger.
De gebroeders Mael weigerden kennelijk dat album te herhalen en dus werd uptempo synthesizerpop vervangen door langzamere discopop, waar conventionele instrumenten worden gecombineerd met synths. Zoals andere namen ook deden. Het is weliswaar dansbaar, maar ik weet me te herinneren dat deze popstijl in dit 1980 heel veel werd gemaakt. Dan moet je van hele goeden huize komen om boven de concurrentie uit te steken.
Componist Ron Mael ís van goeden huize, laat daarover geen twijfel bestaan. Toch zijn de melodieën niet zo meeslepend dat ze blijven hangen. Dat heeft hij wel eens beter gedaan. Opener When I’m with You was met zijn rockdiscopop slechts in Frankrijk een hit; het leidde ertoe dat de broers daar een jaar bleven hangen.
Mijn favorieten staan op de tweede plaatkant: Noisy Boys heeft een lekker refrein, Stereo heeft wel iets weg van Popmuzik van M, die gekke oorwurm en ééndagsvlieg uit 1979 en bovendien moet ik denken aan wat ZZ Top enkele jaren later deed met synthesizers! Met afsluiter The Greatest Show on Earth keert warempel de sound van de vorige plaat terug, dankzij een dansende sequencer.
Van de vroegere onstuimige artrock naar strakke discopop in 1980. Enig kameleongedrag kan Sparks niet worden ontzegd, wat maakt dat afwisseling troef is in deze reis door hun catalogus. Net zoals bij die andere kameleon David Bowie spreekt niet alles mij aan, maar een volgende Sparks blijkt altijd weer verrassend. Een keurige 7 voor Terminal Jive.
De gebroeders Mael weigerden kennelijk dat album te herhalen en dus werd uptempo synthesizerpop vervangen door langzamere discopop, waar conventionele instrumenten worden gecombineerd met synths. Zoals andere namen ook deden. Het is weliswaar dansbaar, maar ik weet me te herinneren dat deze popstijl in dit 1980 heel veel werd gemaakt. Dan moet je van hele goeden huize komen om boven de concurrentie uit te steken.
Componist Ron Mael ís van goeden huize, laat daarover geen twijfel bestaan. Toch zijn de melodieën niet zo meeslepend dat ze blijven hangen. Dat heeft hij wel eens beter gedaan. Opener When I’m with You was met zijn rockdiscopop slechts in Frankrijk een hit; het leidde ertoe dat de broers daar een jaar bleven hangen.
Mijn favorieten staan op de tweede plaatkant: Noisy Boys heeft een lekker refrein, Stereo heeft wel iets weg van Popmuzik van M, die gekke oorwurm en ééndagsvlieg uit 1979 en bovendien moet ik denken aan wat ZZ Top enkele jaren later deed met synthesizers! Met afsluiter The Greatest Show on Earth keert warempel de sound van de vorige plaat terug, dankzij een dansende sequencer.
Van de vroegere onstuimige artrock naar strakke discopop in 1980. Enig kameleongedrag kan Sparks niet worden ontzegd, wat maakt dat afwisseling troef is in deze reis door hun catalogus. Net zoals bij die andere kameleon David Bowie spreekt niet alles mij aan, maar een volgende Sparks blijkt altijd weer verrassend. Een keurige 7 voor Terminal Jive.
Sparks - The Girl Is Crying in Her Latte (2023)

4,5
5
geplaatst: 29 mei 2023, 09:41 uur
“It’s sunny today, it’s sunny today. So what should we do? Let’s get with the crew and then we’ll decide, or just let it ride”.
Dat gold vrijdagochtend 7 uur toen ik dit album voor het eerst opzette en drie dagen later is het nog steeds zonnig. Sindsdien is The Girl is Crying in her Latte de nodige malen langsgekomen, onder meer tijdens autoritten waarbij de muziek weer anders binnenkomt.
Liedschrijver en toetsenist Ron Mael wordt dit jaar 78 en zijn zingende broertje Russell 75. 14 juni staan ze in Vredenburg, Utrecht. Op zich al een prestatie en hun nieuwe (numero 25!) klinkt alweer uiterst vitaal, geïnspireerd en gevarieerd.
In de jaren ’89 – ’94 zat hun carrière in een dip, volgens de amusante docu van vorig jaar ‘The Sparks Brothers’. Een vriendin vertelt daarin dat ze “geen drugs deden, anders waren ze financieel ten onder gegaan.” De albumtitel verwijst echter wel degelijk naar een verslaving: Italiaanse koffie. Gelukkig was er in hun Californië één zaak waar die werd geschonken, welke ook enige aandacht in de docu krijgt. Is het titellied het gevolg van een observatie, daar gedaan?
Qua muziek zijn er vier categorieën te onderscheiden. Allereerst dancepop, te weten het titelnummer en A Love Story, met daarin een verstopt computergeluidje als grappig detail.
Dan is er introvertere luisterpop op synthbasis, die soms wat moeilijker te grijpen is en vooral op de eerste helft klinkt: Veronica Lake, Escalator, The Mona Lisa’s Packing en You Were Meant for Me.
De derde stijlvariant is rock, waarbij de broers worden bijgestaan door gitaristen Evan Weiss en Eli Pearl, bassist Max Whipple en drummer Steve Nistor; te horen op Nothing is as Good as they Say it Is (briljante clip over baby's met spijt dat ze de baarmoeder verlieten), When You Leave met zijn lome shuffle, het melancholische, op een akoestische gitaar gebouwde It Doesn’t have to be that Way en Gee, That was Fun dat de plaat stemmig afsluit.
Maar het mooiste vind ik de categorie waarin klassieke invloeden insluipen, veelal ondersteund door de begeleidingsband: Not that Well-Defined met zijn strijkarrangement, We Go Dancing klinkt als Philip Glass, Take Me for a Ride is licht en symfonisch tegelijk en mijn bovenfavorietje, het ingetogen en prachtig meeslepende It’s Sunny Today.
Hun kunstzinnige kant schemert op dit album door in onderwerpen en bewoordingen. De broers schermen daarbij hun privélevens zorgvuldig af, maar in You Were Meant for Me hoor ik toch echt een devoot liefdesliedje aan Maria, al wordt haar naam vervormd door een synthesizereffect. We Go Dancing trapt kant 2 af bevat een nogal cynische (?) kijk op de danswereld, zeker als soldatenlaarzen gaan marcheren. Afsluiter Gee, That was Fun klinkt als een afscheidslied van de gebroeders Mael aan de luisteraars; eveneens te interpreteren als een prachtige tekst over een mooie vriendschap.
En zo wisselen ironie en knipogen serieuzere, persoonlijke momenten af; die laatste kant hoor je pas op hun laatste albums, alsof de heren nu pas dichterbij durven te komen in hun muziek.
Dadelijk volgt een volgende autorit met It’s Sunny Today als kickstarter én nu al voor de vierde dag het hoogtepunt van mijn soundtrack bij deze Pinksterdagen. The Girl is Crying in her Latte is een heerlijke plaat, met de tweede helft als de beste. De komende dagen eens rustig twijfelen welke editie van het album ik zal gaan kopen, keuze is er volop.
Dat gold vrijdagochtend 7 uur toen ik dit album voor het eerst opzette en drie dagen later is het nog steeds zonnig. Sindsdien is The Girl is Crying in her Latte de nodige malen langsgekomen, onder meer tijdens autoritten waarbij de muziek weer anders binnenkomt.
Liedschrijver en toetsenist Ron Mael wordt dit jaar 78 en zijn zingende broertje Russell 75. 14 juni staan ze in Vredenburg, Utrecht. Op zich al een prestatie en hun nieuwe (numero 25!) klinkt alweer uiterst vitaal, geïnspireerd en gevarieerd.
In de jaren ’89 – ’94 zat hun carrière in een dip, volgens de amusante docu van vorig jaar ‘The Sparks Brothers’. Een vriendin vertelt daarin dat ze “geen drugs deden, anders waren ze financieel ten onder gegaan.” De albumtitel verwijst echter wel degelijk naar een verslaving: Italiaanse koffie. Gelukkig was er in hun Californië één zaak waar die werd geschonken, welke ook enige aandacht in de docu krijgt. Is het titellied het gevolg van een observatie, daar gedaan?
Qua muziek zijn er vier categorieën te onderscheiden. Allereerst dancepop, te weten het titelnummer en A Love Story, met daarin een verstopt computergeluidje als grappig detail.
Dan is er introvertere luisterpop op synthbasis, die soms wat moeilijker te grijpen is en vooral op de eerste helft klinkt: Veronica Lake, Escalator, The Mona Lisa’s Packing en You Were Meant for Me.
De derde stijlvariant is rock, waarbij de broers worden bijgestaan door gitaristen Evan Weiss en Eli Pearl, bassist Max Whipple en drummer Steve Nistor; te horen op Nothing is as Good as they Say it Is (briljante clip over baby's met spijt dat ze de baarmoeder verlieten), When You Leave met zijn lome shuffle, het melancholische, op een akoestische gitaar gebouwde It Doesn’t have to be that Way en Gee, That was Fun dat de plaat stemmig afsluit.
Maar het mooiste vind ik de categorie waarin klassieke invloeden insluipen, veelal ondersteund door de begeleidingsband: Not that Well-Defined met zijn strijkarrangement, We Go Dancing klinkt als Philip Glass, Take Me for a Ride is licht en symfonisch tegelijk en mijn bovenfavorietje, het ingetogen en prachtig meeslepende It’s Sunny Today.
Hun kunstzinnige kant schemert op dit album door in onderwerpen en bewoordingen. De broers schermen daarbij hun privélevens zorgvuldig af, maar in You Were Meant for Me hoor ik toch echt een devoot liefdesliedje aan Maria, al wordt haar naam vervormd door een synthesizereffect. We Go Dancing trapt kant 2 af bevat een nogal cynische (?) kijk op de danswereld, zeker als soldatenlaarzen gaan marcheren. Afsluiter Gee, That was Fun klinkt als een afscheidslied van de gebroeders Mael aan de luisteraars; eveneens te interpreteren als een prachtige tekst over een mooie vriendschap.
En zo wisselen ironie en knipogen serieuzere, persoonlijke momenten af; die laatste kant hoor je pas op hun laatste albums, alsof de heren nu pas dichterbij durven te komen in hun muziek.
Dadelijk volgt een volgende autorit met It’s Sunny Today als kickstarter én nu al voor de vierde dag het hoogtepunt van mijn soundtrack bij deze Pinksterdagen. The Girl is Crying in her Latte is een heerlijke plaat, met de tweede helft als de beste. De komende dagen eens rustig twijfelen welke editie van het album ik zal gaan kopen, keuze is er volop.
Sparks - The Seduction of Ingmar Bergman (2009)

3,0
1
geplaatst: 11 mei 2023, 23:17 uur
Reeds een jaar na Exotic Creatures of the Deep kwam Sparks met een album dat eigenlijk een zijproject is, opgenomen in opdracht van het Zweedse station Sveriges Radio. Het behandelt een fictief bezoek van regisseur Ingmar Bergman aan Hollywood.
Waar sommige albums van Sparks rond één thema draaiden, is dit een 100% conceptalbum. De muziek doet dan ook denken aan eerdere rockopera's, te beginnen met die van The Who. Tegelijkertijd is het helemaal Sparks, inclusief klassieke en vaudeville-invloeden - mét enkele Zweedse namen op zang en gesproken delen. Hierbij actrice Elin Klinga, die daadwerkelijk voor Bergman werkte, in de rol van Greta Garbo.
Dan wordt het dus lastig om favorietjes uit te kiezen, onmogelijk is dat echter niet. 1956 Cannes Film Festival opent pakkend, Mr. Bergman, How Are You? bevat een sterke zanglijn, Why Do You Take That Tone with Me? is een eigentijdse aria.
Verder is dit vooral een album voor de lange winteravonden; boekje erbij en je inleven in enerverende verhaal. Qua timing komt deze sage dus op een verkeerd moment... Maar zelfs in mei toont dit in ieder geval de professionaliteit en veelzijdigheid van de Californische gebroeders Ron en Russell Mael aan.
Waar sommige albums van Sparks rond één thema draaiden, is dit een 100% conceptalbum. De muziek doet dan ook denken aan eerdere rockopera's, te beginnen met die van The Who. Tegelijkertijd is het helemaal Sparks, inclusief klassieke en vaudeville-invloeden - mét enkele Zweedse namen op zang en gesproken delen. Hierbij actrice Elin Klinga, die daadwerkelijk voor Bergman werkte, in de rol van Greta Garbo.
Dan wordt het dus lastig om favorietjes uit te kiezen, onmogelijk is dat echter niet. 1956 Cannes Film Festival opent pakkend, Mr. Bergman, How Are You? bevat een sterke zanglijn, Why Do You Take That Tone with Me? is een eigentijdse aria.
Verder is dit vooral een album voor de lange winteravonden; boekje erbij en je inleven in enerverende verhaal. Qua timing komt deze sage dus op een verkeerd moment... Maar zelfs in mei toont dit in ieder geval de professionaliteit en veelzijdigheid van de Californische gebroeders Ron en Russell Mael aan.
Sparks - The Sparks Brothers (2022)

4,0
1
geplaatst: 14 mei 2023, 23:16 uur
Gisteravond heb ik deze bandbiografie bekeken. Hiermee kwam een reis van drie weken door het oeuvre van Sparks tot een voorlopig einde. 'Voorlopig', want over twaalf dagen verschijnt hun nieuwe album The Girl is Crying in Her Latte en op 14 juni staan ze in Vredenburg, Utrecht.
Debuterend in 1970 wordt dat volgende week te verschijnen album hun vijfentwintigste, waarbij ze meer dan vijfhonderd liedjes de wereld in brachten. Toetsenist en componist Ron Mael en diens drie jaar jongere broer, zanger Russell Mael, brachten vaak eigenzinnige muziek. Hun carrière ging van artrock via proto-newwave naar dance naar (synthesizer)wave en dancepop met zijstapjes naar hoorspel- en filmmuziek en tegenwoordig weer kwaliteitspop/rock. Vind je een album niet leuk, probeer het vorige of volgende, dikke kans dat die beter bevalt.
Wat leerde ik van deze film? Nieuwsgierig naar de mensen achter de liedjes, zag ik weer dat de gebroeders Mael ontzettend op hun privacy zijn gesteld en van hun privélevens kom je weinig te weten. Wel één en ander over hun Californische jeugd, zoals dat hun vader vrij jong overleed, dat hun moeder hen meenam naar een concert van The Beatles in Las Vegas en dat hun grootste invloeden The Who en The Kinks waren. Als jongemannen studeerden ze aan de UCLA, waar Russell een parodie op de Franse film noir maakte.
Maar daarna? Russell blijkt een hele korte relatie te hebben gehad met één van de dames met wie ze samenwerkten, Ron verzamelt sneeuwbollen (u weet wel, dat speelgoed) en aan drugs deden/doen ze niet maar grote liefhebbers van Italiaanse koffie zijn ze wél. Ook zien we iets van Russells thuisstudio. Maar dan houdt het ook wel op: het mysterie blijft grotendeels intact.
Over hun muziek kwam ik des te meer te weten, net als hun voorliefde voor film. Hierbij betrapte ik mezelf regelmatig op een grote grijns op het gezicht: wat de trailer van de typische humor van Sparks prijsgeeft, is nog lang niet alles.
Verder wist ik niet dat de groep zo'n invloed had op de synthwave die vanaf eind jaren '70 opkwam, waarbij Vince Clarke (Depeche Mode, Yazoo en Erasure) en Andy Bell (Erasure) komen opdraven om daarover te vertellen, net als leden van New Order en Duran Duran en Nick Heyward, ooit van Haircut One Hundred. Uit de jaren '90 komen Beck en Franz Ferdinand hun waardering uitspreken.
De soundtrack volgt uiteraard het verhaal van hoogte- en dieptepunten in de carrière van Sparks en fungeert als een best-of-volgens-Ron-en-Russell-Mael. De afspeellijst die ik de voorbije weken maakte ziet er behoorlijk anders uit (110 nummers, bijna 7 uur), maar dat is het leuke: met zoveel keus kan dat ook makkelijk. Het is en blijft Sparks met hun vaak absurde teksten en innovatieve of ontregelende muziek.
Nieuw op deze soundtrack zijn het speciaal voor de docu geschreven FIlm Fanfare en een liedje uit hun pré-Halfnelson-/Sparksdagen genaamd Computer Girl.
james_cameron, ook op MusicMeter actief, plaatste op MovieMeter deze beoordeling, waarin ik me goed kan vinden. Wilt u de film zien, dan kunt u daar tevens vinden welk streamingplatform daartoe gelegenheid biedt.
Aan deze soundtrack geef ik vier sterren, als documentaire een halfje hoger.
Debuterend in 1970 wordt dat volgende week te verschijnen album hun vijfentwintigste, waarbij ze meer dan vijfhonderd liedjes de wereld in brachten. Toetsenist en componist Ron Mael en diens drie jaar jongere broer, zanger Russell Mael, brachten vaak eigenzinnige muziek. Hun carrière ging van artrock via proto-newwave naar dance naar (synthesizer)wave en dancepop met zijstapjes naar hoorspel- en filmmuziek en tegenwoordig weer kwaliteitspop/rock. Vind je een album niet leuk, probeer het vorige of volgende, dikke kans dat die beter bevalt.
Wat leerde ik van deze film? Nieuwsgierig naar de mensen achter de liedjes, zag ik weer dat de gebroeders Mael ontzettend op hun privacy zijn gesteld en van hun privélevens kom je weinig te weten. Wel één en ander over hun Californische jeugd, zoals dat hun vader vrij jong overleed, dat hun moeder hen meenam naar een concert van The Beatles in Las Vegas en dat hun grootste invloeden The Who en The Kinks waren. Als jongemannen studeerden ze aan de UCLA, waar Russell een parodie op de Franse film noir maakte.
Maar daarna? Russell blijkt een hele korte relatie te hebben gehad met één van de dames met wie ze samenwerkten, Ron verzamelt sneeuwbollen (u weet wel, dat speelgoed) en aan drugs deden/doen ze niet maar grote liefhebbers van Italiaanse koffie zijn ze wél. Ook zien we iets van Russells thuisstudio. Maar dan houdt het ook wel op: het mysterie blijft grotendeels intact.
Over hun muziek kwam ik des te meer te weten, net als hun voorliefde voor film. Hierbij betrapte ik mezelf regelmatig op een grote grijns op het gezicht: wat de trailer van de typische humor van Sparks prijsgeeft, is nog lang niet alles.
Verder wist ik niet dat de groep zo'n invloed had op de synthwave die vanaf eind jaren '70 opkwam, waarbij Vince Clarke (Depeche Mode, Yazoo en Erasure) en Andy Bell (Erasure) komen opdraven om daarover te vertellen, net als leden van New Order en Duran Duran en Nick Heyward, ooit van Haircut One Hundred. Uit de jaren '90 komen Beck en Franz Ferdinand hun waardering uitspreken.
De soundtrack volgt uiteraard het verhaal van hoogte- en dieptepunten in de carrière van Sparks en fungeert als een best-of-volgens-Ron-en-Russell-Mael. De afspeellijst die ik de voorbije weken maakte ziet er behoorlijk anders uit (110 nummers, bijna 7 uur), maar dat is het leuke: met zoveel keus kan dat ook makkelijk. Het is en blijft Sparks met hun vaak absurde teksten en innovatieve of ontregelende muziek.
Nieuw op deze soundtrack zijn het speciaal voor de docu geschreven FIlm Fanfare en een liedje uit hun pré-Halfnelson-/Sparksdagen genaamd Computer Girl.
james_cameron, ook op MusicMeter actief, plaatste op MovieMeter deze beoordeling, waarin ik me goed kan vinden. Wilt u de film zien, dan kunt u daar tevens vinden welk streamingplatform daartoe gelegenheid biedt.
Aan deze soundtrack geef ik vier sterren, als documentaire een halfje hoger.
Sparks - Two Hands One Mouth (2013)
Alternatieve titel: Live in Europe

3,0
0
geplaatst: 12 mei 2023, 09:52 uur
"Gezien de leeftijd van de gebroeders Mael en die van hun fans is het de vraag of er nog wel nieuwe albums of tournees zullen volgen," schreef E-Clect-Eddy in 2013, toen de twee van Sparks al een eind in de 60 waren. Wel, volgende maand hoop ik hen in Utrecht te zien en een nieuw album komt er ook nog eens aan. Het kan verkeren.
Als ik bij dit concert was geweest, was het vast hartstikke fijn geweest om mee te maken, maar thuis en onderweg is een tweepersoonsband-zelfs-zonder-drumcomputer iets anders. Te vergelijken met theatertournees die sommige artiesten doen, hier dan in de sfeer van kleinkunst. Kortom: ook ik mis een begeleidingsgroep.
Voordeel is dat de teksten beter binnenkomen. Een satirische of ironische blik op de wereld kan Sparks niet worden ontzegd, waarbij ik vermoed dat achter alle humor enige scherpe observaties zitten. Wereldverbeteraars zijn ze echter niet, slechts actief in de entertainmentsindustrie en zich welbewust niet de personen te zijn om de problemen op te lossen. Daarom is het nooit zwaar. En toch zetten ze je soms aan het denken, waarna er weer gelachen kan worden.
Opvallendste track is die uit The Seduction of Ingmar Bergman (2009), hun conceptalbum over de regisseur. Bijzonder in deze livecontext.
Popmuziek met vaudevillekenmerken, waardoorheen invloeden uit de klassieke muziek stromen. Heerlijke eigenheimers, die ik desondanks liever met gitaar, bas en drums hoor.
Als ik bij dit concert was geweest, was het vast hartstikke fijn geweest om mee te maken, maar thuis en onderweg is een tweepersoonsband-zelfs-zonder-drumcomputer iets anders. Te vergelijken met theatertournees die sommige artiesten doen, hier dan in de sfeer van kleinkunst. Kortom: ook ik mis een begeleidingsgroep.
Voordeel is dat de teksten beter binnenkomen. Een satirische of ironische blik op de wereld kan Sparks niet worden ontzegd, waarbij ik vermoed dat achter alle humor enige scherpe observaties zitten. Wereldverbeteraars zijn ze echter niet, slechts actief in de entertainmentsindustrie en zich welbewust niet de personen te zijn om de problemen op te lossen. Daarom is het nooit zwaar. En toch zetten ze je soms aan het denken, waarna er weer gelachen kan worden.
Opvallendste track is die uit The Seduction of Ingmar Bergman (2009), hun conceptalbum over de regisseur. Bijzonder in deze livecontext.
Popmuziek met vaudevillekenmerken, waardoorheen invloeden uit de klassieke muziek stromen. Heerlijke eigenheimers, die ik desondanks liever met gitaar, bas en drums hoor.
Sparks - Whomp That Sucker (1981)

3,5
0
geplaatst: 5 mei 2023, 10:01 uur
Zoals hierboven uitgebreid is uitgelegd, keert Sparks op Whomp that Sucker terug naar het groepsgeluid met gitaar-toetsen-bas-drums, waarbij de muziek minder manisch is dan toen. Hun begeleidingsgroep noemde zich Bates Motel en bracht zelfstandig drie albums uit als Gleaming Spires.
Alweer een nieuwe kleur dus bij de kameleongroep Sparks, waarbij een stevige stijl klinkt die soms nabij new wave komt. Daar houd ik van, helemaal fijn! De opnamen vonden wederom plaats in München, maar zonder dat huisproducer Giorgio Moroder zich met de muziek bemoeide.
Opvallend zijn de koortjes die hier en daar opduiken en me terugvoeren naar de jaren ’70 met namen als The Sweet en Queen; bovendien zoals ik in de jaren ’00 bij Muse tegenkwam. Bates Motel speelt degelijk maar bescheiden, zonder extravagante solo's of andere kunstjes. De composities zijn al pittig genoeg...
Gebleven zijn de opvallende teksten. Zo heb ik me nooit ingeleefd in andermans huwelijk zoals zanger Russell Mael doet in I Married a Martian. Andere hoogtepunten zijn opener Tips for Teens en Upstairs. Zwakke nummers of briljante uitschieters kom ik niet tegen, reden dat dit consistente album een dikke 7 verdient.
Toch nog een rariteitje: in 2010 verscheen dit discoalbum van The Glimmers, dat duidelijk copycatwerk is. Waarschijnlijk bedoeld als een ode naar Sparks, muzikaal uit een heel ander vaatje tappend.
Alweer een nieuwe kleur dus bij de kameleongroep Sparks, waarbij een stevige stijl klinkt die soms nabij new wave komt. Daar houd ik van, helemaal fijn! De opnamen vonden wederom plaats in München, maar zonder dat huisproducer Giorgio Moroder zich met de muziek bemoeide.
Opvallend zijn de koortjes die hier en daar opduiken en me terugvoeren naar de jaren ’70 met namen als The Sweet en Queen; bovendien zoals ik in de jaren ’00 bij Muse tegenkwam. Bates Motel speelt degelijk maar bescheiden, zonder extravagante solo's of andere kunstjes. De composities zijn al pittig genoeg...
Gebleven zijn de opvallende teksten. Zo heb ik me nooit ingeleefd in andermans huwelijk zoals zanger Russell Mael doet in I Married a Martian. Andere hoogtepunten zijn opener Tips for Teens en Upstairs. Zwakke nummers of briljante uitschieters kom ik niet tegen, reden dat dit consistente album een dikke 7 verdient.
Toch nog een rariteitje: in 2010 verscheen dit discoalbum van The Glimmers, dat duidelijk copycatwerk is. Waarschijnlijk bedoeld als een ode naar Sparks, muzikaal uit een heel ander vaatje tappend.
Spidergawd - From 8 to ∞ (2025)
Alternatieve titel: From Eight to Infinity

3,5
0
geplaatst: 1 december 2025, 22:37 uur
De hoes is er eentje waar David Coverdale vrolijk van wordt: een fraaie damesbips en een (in dit geval roze) slang kronkelend over de blote rug van deze vrouwe. From Eight to Infinity van Spidergawd. De groep uit Trondheim, Noorwegen maakt ook luide rock, maar dan wel wat moderner dan Whitesnake en tegelijkertijd met de poten stevig in de traditie. Hun achtste album alweer en de eerste die níet Spidergawd (gevolgd door een nummer in Romeinse cijfers) heet.
Het doet vooral door de stem en zangstijl van Per Borten soms aan Foo Fighters denken, getuige opener The Grand Slam, dat na een kalme start-met-sitar stevig doorknalt en het eveneens uptempo 200 Miles High. Maar dit is heftiger, zoals The Hunter dat dankzij tempo en gitaarsolo uitgroeit van pakweg harde aor naar gejaagde metal. Of The Ghost of Eirik Raude, dat met zijn twingitaren de muziek van Thin Lizzy een update geeft.
De gitaarsolo's kunnen snel zijn en altijd met gevoel voor melodie. Hetzelfde gevoel dat Amerikaanse hardrockgroepen uit de jaren '70 konden grijpen. Die in Revolution gaat voor langere noten en ik denk qua riff aan het debuut van Def Leppard. Melancholieke gitaarlijnen over een slepende riff in Winter Song, soms huilen beide zessnaren van Borten en Brynjar Takle Ohr.
Aangename kennismaking, al biedt Bortens zangstijl voor een heel album te weinig variatie in clean versus rauw, ingetogen versus uithalen. Waar ik aanvankelijk voor een dikke 8 ging, wordt het allengs een dikke 7.
Het doet vooral door de stem en zangstijl van Per Borten soms aan Foo Fighters denken, getuige opener The Grand Slam, dat na een kalme start-met-sitar stevig doorknalt en het eveneens uptempo 200 Miles High. Maar dit is heftiger, zoals The Hunter dat dankzij tempo en gitaarsolo uitgroeit van pakweg harde aor naar gejaagde metal. Of The Ghost of Eirik Raude, dat met zijn twingitaren de muziek van Thin Lizzy een update geeft.
De gitaarsolo's kunnen snel zijn en altijd met gevoel voor melodie. Hetzelfde gevoel dat Amerikaanse hardrockgroepen uit de jaren '70 konden grijpen. Die in Revolution gaat voor langere noten en ik denk qua riff aan het debuut van Def Leppard. Melancholieke gitaarlijnen over een slepende riff in Winter Song, soms huilen beide zessnaren van Borten en Brynjar Takle Ohr.
Aangename kennismaking, al biedt Bortens zangstijl voor een heel album te weinig variatie in clean versus rauw, ingetogen versus uithalen. Waar ik aanvankelijk voor een dikke 8 ging, wordt het allengs een dikke 7.
Spidergawd - VII (2023)

4,0
0
geplaatst: 19 december 2023, 09:44 uur
Op mijn streaming platform maakte ik mijn lijstje met favoriete tracks qua scheurende gitaren 2023, toen het Alwetende Algoritme met VII van Spidergawd kwam aanzetten. Normaal gesproken laat ik AA links liggen, maar de hoes van het album verleidde me eens te kijken of MuMe iets had te melden.
AOVV vertelt in weinig woorden veel. Voor mij is dit een nieuwe groep. Noors weet ik inmiddels en er is verwantschap met Motorpsycho, waarvan ik bijna niets ken. Kortom, ik ging blanco luisteren.
Ik werd heel aangenaam verrast. In eerste instantie hoor ik een soort kruisbestuiving tussen Thin Lizzy / Black Star Riders qua gitaarwerk en Baroness qua zangstijl. Bij vaker afspelen moet ik bovendien denken aan de stevigste nummers van Foo Fighters en de gitaarmuren van Motörhead.
Massief en melodieus met spetterend gitaarwerk en een heerlijk hyperactieve drummer. Dat er wel iets meer bekkens in de mix hadden gemogen, is mijn enige kritiekpuntje. Vier sterren voor een plaatje dat groeit bij herhaald draaien. Dank AOVV!
AOVV vertelt in weinig woorden veel. Voor mij is dit een nieuwe groep. Noors weet ik inmiddels en er is verwantschap met Motorpsycho, waarvan ik bijna niets ken. Kortom, ik ging blanco luisteren.
Ik werd heel aangenaam verrast. In eerste instantie hoor ik een soort kruisbestuiving tussen Thin Lizzy / Black Star Riders qua gitaarwerk en Baroness qua zangstijl. Bij vaker afspelen moet ik bovendien denken aan de stevigste nummers van Foo Fighters en de gitaarmuren van Motörhead.
Massief en melodieus met spetterend gitaarwerk en een heerlijk hyperactieve drummer. Dat er wel iets meer bekkens in de mix hadden gemogen, is mijn enige kritiekpuntje. Vier sterren voor een plaatje dat groeit bij herhaald draaien. Dank AOVV!
Spillage - Blood of Angels (2019)

4,5
0
geplaatst: 17 augustus 2024, 07:23 uur
Beide berichten hierboven slaan de spijker op de kop. Op Blood of Angels klinkt doommetal in de stijl van de Sabs en het eveneens ter ziele gegane Trouble. Niet vreemd, want Spillage komt net als die laatste groep uit Chicago en de heren zijn bevriend met hun gitarist Bruce Franklin, die zowel het debuut als deze tweede produceerde.
Ik kende deze groep niet, maar tevens verschenen bij het Nederlandse No Dust Records, werd dit album me onlangs in de winkel in Wezep aangeraden.
Opgericht door gitarist Tony Spillman, vandaar de groepsnaam. Op de hoes is Spillage nog een kwintet (zanger, twee gitaristen, bassist, drummer), al is toetsenist Paul Rau wel in het boekje afgebeeld en inmiddels al jaren officieel groepslid. Dit is hun eerste album met zanger Elvin Rodriguez.
Eigenlijk is het labeltje doom te kort door de bocht: lang niet alles is langzaam, de nodige tempowisselingen komen voorbij en zware delen worden afgewisseld met akoestische gitaren en bescheiden klavieren, het titelnummer bijvoorbeeld. Ergens halverwege het Judas Priest en Black Sabbath van de jaren '70 met prach-ti-ge twingitaarpartijen, in moddervette productie vastgelegd.
Franklin speelde ook een enkele keer gitaar en waagt zich zelfs een tweetal korte beurten bij de microfoon, hetgeen hij er goed afbrengt. Van tevoren had ik niet de tracklist gecheckt, dus wie schetst mijn verbazing toen tijdens de rit naar huis plotseling een bekende akkoordenreeks voorbijkwam?! Het bleek Sabbaths Dirty Women te zijn, oorspronkelijk uit 1976. Hier net zo zwaar als toen met in de brug dat fusiondeel en vooral dankzij Rodriguez' stem anders dan het origineel.
Hierna verschenen nog twee studioalbums plus eentje live, de laatste vorig jaar nog. Die ontbreken tot dusver op MuMe. Dat moet te regelen zijn. Ook ben ik inmiddels nieuwsgierig naar het debuut. Wordt vervolgd, dit Blood of Angels smaakt naar meer: een groeiplaat.
Ik kende deze groep niet, maar tevens verschenen bij het Nederlandse No Dust Records, werd dit album me onlangs in de winkel in Wezep aangeraden.
Opgericht door gitarist Tony Spillman, vandaar de groepsnaam. Op de hoes is Spillage nog een kwintet (zanger, twee gitaristen, bassist, drummer), al is toetsenist Paul Rau wel in het boekje afgebeeld en inmiddels al jaren officieel groepslid. Dit is hun eerste album met zanger Elvin Rodriguez.
Eigenlijk is het labeltje doom te kort door de bocht: lang niet alles is langzaam, de nodige tempowisselingen komen voorbij en zware delen worden afgewisseld met akoestische gitaren en bescheiden klavieren, het titelnummer bijvoorbeeld. Ergens halverwege het Judas Priest en Black Sabbath van de jaren '70 met prach-ti-ge twingitaarpartijen, in moddervette productie vastgelegd.
Franklin speelde ook een enkele keer gitaar en waagt zich zelfs een tweetal korte beurten bij de microfoon, hetgeen hij er goed afbrengt. Van tevoren had ik niet de tracklist gecheckt, dus wie schetst mijn verbazing toen tijdens de rit naar huis plotseling een bekende akkoordenreeks voorbijkwam?! Het bleek Sabbaths Dirty Women te zijn, oorspronkelijk uit 1976. Hier net zo zwaar als toen met in de brug dat fusiondeel en vooral dankzij Rodriguez' stem anders dan het origineel.
Hierna verschenen nog twee studioalbums plus eentje live, de laatste vorig jaar nog. Die ontbreken tot dusver op MuMe. Dat moet te regelen zijn. Ook ben ik inmiddels nieuwsgierig naar het debuut. Wordt vervolgd, dit Blood of Angels smaakt naar meer: een groeiplaat.
Spillage - Electric Exorcist (2021)

5,0
0
geplaatst: 20 oktober 2024, 11:07 uur
Bij het Nederlandse No Dust Records uit Wezep verschenen, waar ik 'm in de fysieke winkel kocht. Dit na mijn onverwachte kennismaking met tweede album Blood of Angels. Die Spillage beviel zó goed (4,5 ster) dat ik de opvolger bij een volgend bezoek aanschafte (het debuut met een andere zanger werd me door kenner & eigenaar Henk afgeraden, die sla ik dus over).
De Amerikanen kwalificeren zichzelf terecht als 'Pure Chicago Doom'. Electric Exorcist (2021) bevalt nog beter, een waardering van de volle 5-sterren is dus onvermijdelijk.
Spillage brengt alles wat metal voor mij aantrekkelijk maakt: zware riffs, talrijke tempowisselingen plus snel dan wel huilend gitaarwerk. Toetsenist Paul Rau is inmiddels vast groepslid, wat leidt tot een snoeiharde combinatie van enerzijds de gitaarmuren van een Black Sabbath en anderzijds de metalen twinriffs op z'n Judas Priests/Troubles, plus... Dankzij het hammondorgel als derde stijlinvloed Uriah Heep: de bijdragen van Rau doen denken aan de stijl van Ken Hensley.
Als voorbeeld van alle variatie de opbouw van opener Electric Exorcist. Eerst dreigende gitaren van Nick Bozidarevic en Tony Spillman, waarna bas en drums invallen. Dubbele basdrums ondersteunen een uptempo riff, die door een loodzware midtempo riff worden gevolgd. De zang van Elvin Rodriguez is rauw en helder. Net als soms bij stadsgenoten Trouble, waarvan Spillage duidelijk een muzikaal kind is, klinkt in dit nummer een verhaal van de strijd tussen goed en kwaad, inclusief het 'Prayer of Saint Michael'. Dan volgt een iets sneller deel met weer dubbele basdrums. De gitaarmuren huizenhoog, de riffs log en zwaar of juist snel en hakkend. De muren van mijn huis trillen, wandelaars kijken nieuwsgierig naar binnen.
Van sterk nummer naar sterk nummer, van pakkende riff na pakkende riff. In Heaven on Earth wordt een uptempo deel gevolgd door een weer iets sneller: metal mét tempowisselingen is zoveel rijker... Zeker als ze zo talrijk zijn als hier! Geen zwak moment te vinden op dit album, mede dankzij prachtige melodieën in menig gitaarlijn.
Real is een zeer aangenaam en dromerig buitenbeentje, waarbij ik steeds de associatie met Catch the Rainbow van Rainbow heb, mede dankzij Rau die het geluid van een moogsynthesizer brengt. Net als de vorige plaat sluit Electric Exorcist af met een cover; in dit geval Look at Yourself van Uriah Heep in een metalen harnas gehesen. Vét!
Eén dezer dagen schaf ik de opvolger aan, die nog op MuMe ontbreekt. Wordt vervolgd!
De Amerikanen kwalificeren zichzelf terecht als 'Pure Chicago Doom'. Electric Exorcist (2021) bevalt nog beter, een waardering van de volle 5-sterren is dus onvermijdelijk.
Spillage brengt alles wat metal voor mij aantrekkelijk maakt: zware riffs, talrijke tempowisselingen plus snel dan wel huilend gitaarwerk. Toetsenist Paul Rau is inmiddels vast groepslid, wat leidt tot een snoeiharde combinatie van enerzijds de gitaarmuren van een Black Sabbath en anderzijds de metalen twinriffs op z'n Judas Priests/Troubles, plus... Dankzij het hammondorgel als derde stijlinvloed Uriah Heep: de bijdragen van Rau doen denken aan de stijl van Ken Hensley.
Als voorbeeld van alle variatie de opbouw van opener Electric Exorcist. Eerst dreigende gitaren van Nick Bozidarevic en Tony Spillman, waarna bas en drums invallen. Dubbele basdrums ondersteunen een uptempo riff, die door een loodzware midtempo riff worden gevolgd. De zang van Elvin Rodriguez is rauw en helder. Net als soms bij stadsgenoten Trouble, waarvan Spillage duidelijk een muzikaal kind is, klinkt in dit nummer een verhaal van de strijd tussen goed en kwaad, inclusief het 'Prayer of Saint Michael'. Dan volgt een iets sneller deel met weer dubbele basdrums. De gitaarmuren huizenhoog, de riffs log en zwaar of juist snel en hakkend. De muren van mijn huis trillen, wandelaars kijken nieuwsgierig naar binnen.
Van sterk nummer naar sterk nummer, van pakkende riff na pakkende riff. In Heaven on Earth wordt een uptempo deel gevolgd door een weer iets sneller: metal mét tempowisselingen is zoveel rijker... Zeker als ze zo talrijk zijn als hier! Geen zwak moment te vinden op dit album, mede dankzij prachtige melodieën in menig gitaarlijn.
Real is een zeer aangenaam en dromerig buitenbeentje, waarbij ik steeds de associatie met Catch the Rainbow van Rainbow heb, mede dankzij Rau die het geluid van een moogsynthesizer brengt. Net als de vorige plaat sluit Electric Exorcist af met een cover; in dit geval Look at Yourself van Uriah Heep in een metalen harnas gehesen. Vét!
Eén dezer dagen schaf ik de opvolger aan, die nog op MuMe ontbreekt. Wordt vervolgd!
Spillage - Phase Four (2023)

4,0
1
geplaatst: 1 december 2024, 18:59 uur
In september 2023 verscheen bij het Nederlandse label No Dust het vierde album van Spillage uit Chicago. Het is de derde met zanger Elvin Rodriguez die met zijn hees-rauwe stem een eigen geluid heeft.
Spillage baseert zich net als stadsgenoten Trouble vóór hen op een geluid van - ruwweg - het Black Sabbath ten tijde van Master of Reality (1971) en Vol. 4 ('72). Dat oprichter en slaggitarist Tony Spillman voorheen gitaarroadie bij Trouble was, is onmiddelijk te horen aan het gitaargeluid. Moddervet en heavy.
Phase Four is een themaplaat over een toekomstige dictatuur, zoals de fraaie hoes weergeeft. Een boeiend geheel over dwang versus vrijheid. Toetsenist Paul Rau gebruikt minder zijn Hammond en in plaats daarvan meer moderne toetsgeluiden, passend bij het toekomstverhaal. Leadgitarist Nick Bozidarevic brengt extra lagen in het massieve gitaargeluid, waardoor het vooral de eerste helft zwaar genieten is met gevarieerde nummers, verpakt in heerlijke riffs. Grootste favoriet is hier Demon, I vanwege de versnelling die na een alweer loodzware riff volgt.
Iets minder enthousiast ben ik over de tweede helft, omdat Spillage daar in tegenstelling tot de twee voorgangers tempowisselingen nalaat. Het logge Rise of Machines duurt daarom met z'n bijna zes minuten wat lang en als Nothing to See bijna zeven minuten hetzelfde doet... Materiaal voor de fanatiekere liefhebber van doom, ik echter prefereer afwisseling.
Met The Eleventh Hour wordt echter weer uptempo gespeeld, waar Rau zowaar een pianopartij aan toevoegt. Slotnummer Again is midtempo en bevat een pakkende riff met toetsen als trompetten (!), lekker genoeg om menigmaal het album opnieuw af te spelen. Bij het openingsnummer verscheen deze videoclip met Rau als mad scientist.
Iets minder sterk dan de twee voorgangers, maar met de eerste vier en laatste twee nummers als smeuïge, vetgebakken metal nog altijd goed voor vier sterren.
Spillage baseert zich net als stadsgenoten Trouble vóór hen op een geluid van - ruwweg - het Black Sabbath ten tijde van Master of Reality (1971) en Vol. 4 ('72). Dat oprichter en slaggitarist Tony Spillman voorheen gitaarroadie bij Trouble was, is onmiddelijk te horen aan het gitaargeluid. Moddervet en heavy.
Phase Four is een themaplaat over een toekomstige dictatuur, zoals de fraaie hoes weergeeft. Een boeiend geheel over dwang versus vrijheid. Toetsenist Paul Rau gebruikt minder zijn Hammond en in plaats daarvan meer moderne toetsgeluiden, passend bij het toekomstverhaal. Leadgitarist Nick Bozidarevic brengt extra lagen in het massieve gitaargeluid, waardoor het vooral de eerste helft zwaar genieten is met gevarieerde nummers, verpakt in heerlijke riffs. Grootste favoriet is hier Demon, I vanwege de versnelling die na een alweer loodzware riff volgt.
Iets minder enthousiast ben ik over de tweede helft, omdat Spillage daar in tegenstelling tot de twee voorgangers tempowisselingen nalaat. Het logge Rise of Machines duurt daarom met z'n bijna zes minuten wat lang en als Nothing to See bijna zeven minuten hetzelfde doet... Materiaal voor de fanatiekere liefhebber van doom, ik echter prefereer afwisseling.
Met The Eleventh Hour wordt echter weer uptempo gespeeld, waar Rau zowaar een pianopartij aan toevoegt. Slotnummer Again is midtempo en bevat een pakkende riff met toetsen als trompetten (!), lekker genoeg om menigmaal het album opnieuw af te spelen. Bij het openingsnummer verscheen deze videoclip met Rau als mad scientist.
Iets minder sterk dan de twee voorgangers, maar met de eerste vier en laatste twee nummers als smeuïge, vetgebakken metal nog altijd goed voor vier sterren.
Spillage - Spillage (2015)

3,5
0
geplaatst: 3 december 2024, 23:27 uur
Het debuut van Spillage, de groep rond Tony Spillman, voormalig gitaarroadie bij Trouble. In tegenstelling tot de drie navolgende studioalbums kwam ik deze niet fysiek tegen maar gelukkig is er streaming.
Zanger is hier nog Lothar Keller, die een cleane stem heeft; anders dan die van opvolger Elvin Rodriguez die vanaf de tweede Spillage Blood of Angels is te horen. De stem van laatstgenoemde is pakkender dan Keller hier doet; op zijn beurt is de stem van Keller wél (zeer!) geschikt voor diens andere groepen, te weten Divinity Compromised (progmetal) en Sacred Dawn (U.S. metal).
Hij is in die periode tevens gitarist in The Skull, de groep van ex-Troublezanger Eric Wagner, maar als vocalist minder passend bij het doomgenre.
Daar komt bij dat de productie (van Troublegitarist Bruce Franklin) wat vetter had gemogen, met name het drumgeluid op Spillage klinkt droogjes in vergelijking met de drie studioplaten erna. De band moest nog groeien, wat niet wegneemt dat er veel valt te genieten.
Qua gitaren klinkt Spillage namelijk als Trouble, dat op hun beurt inspiratie haalde bij Black Sabbath en Tony Iommi. Wie houdt van doommetal en tempowisselingen zit hier goed. The Road is een goed voorbeeld, doordat de sterkste elementen samenkomen. Gitaartandem Spillman (slag) en Nick Bozidarevic (lead) brengt steevast ijzersterke gitaarlijnen in de beste Troubleaanse traditie.
Buitenbeentje is Devil Woman, dat licht start en gaandeweg enkele referenties naar Uriah Heep krijgt, vooral halverwege dankzij de koortjes. Het album bevat overigens ook vrij spaarzame toetsenbijdragen, de cd opent er zelfs mee. Ze zijn van Paul Rau, op dat moment nog niet vast groepslid bij Spillage, wat kort na het tweede album zou veranderen.
Een aardig debuut, dat eigenlijk wel een remix verdient met zwaardere productie en de huidige zanger bij de microfoon.
Zanger is hier nog Lothar Keller, die een cleane stem heeft; anders dan die van opvolger Elvin Rodriguez die vanaf de tweede Spillage Blood of Angels is te horen. De stem van laatstgenoemde is pakkender dan Keller hier doet; op zijn beurt is de stem van Keller wél (zeer!) geschikt voor diens andere groepen, te weten Divinity Compromised (progmetal) en Sacred Dawn (U.S. metal).
Hij is in die periode tevens gitarist in The Skull, de groep van ex-Troublezanger Eric Wagner, maar als vocalist minder passend bij het doomgenre.
Daar komt bij dat de productie (van Troublegitarist Bruce Franklin) wat vetter had gemogen, met name het drumgeluid op Spillage klinkt droogjes in vergelijking met de drie studioplaten erna. De band moest nog groeien, wat niet wegneemt dat er veel valt te genieten.
Qua gitaren klinkt Spillage namelijk als Trouble, dat op hun beurt inspiratie haalde bij Black Sabbath en Tony Iommi. Wie houdt van doommetal en tempowisselingen zit hier goed. The Road is een goed voorbeeld, doordat de sterkste elementen samenkomen. Gitaartandem Spillman (slag) en Nick Bozidarevic (lead) brengt steevast ijzersterke gitaarlijnen in de beste Troubleaanse traditie.
Buitenbeentje is Devil Woman, dat licht start en gaandeweg enkele referenties naar Uriah Heep krijgt, vooral halverwege dankzij de koortjes. Het album bevat overigens ook vrij spaarzame toetsenbijdragen, de cd opent er zelfs mee. Ze zijn van Paul Rau, op dat moment nog niet vast groepslid bij Spillage, wat kort na het tweede album zou veranderen.
Een aardig debuut, dat eigenlijk wel een remix verdient met zwaardere productie en de huidige zanger bij de microfoon.
Spizzenergi - Spizzhistory (1982)

3,5
0
geplaatst: 16 september 2025, 22:42 uur
In de wereld van popmuziek zijn mensen actief die vooral graag bekend willen worden. Er zijn er ook die het een lollig tijdsverdrijf vinden of in ieder geval niet beroemdheid nastreven. Volgens mij was bij Spizzenergi het laatste het geval. Toch maakten ze vrij toegankelijke muziek, mits de luisteraar tegen scheurende gitaartjes kan.
In 1977 begonnen Kenneth "Spizz" Spiers en Pete Petrol in de Engelse West Midlands nabij Birmingham de groep Spizzoil. Onder de naam Spizzenergi waren ze in 1980 de eerste groep op #1 in de kersverse UK Indie Chart. Onder de vlag van Athletico Spizz 80 verscheen in juli datzelfde jaar Do a Runner. In 1981 volgde een elpee als The Spizzles. Vier groepsnamen in vier jaar, kort na een indiehit je groepsnaam wijzigen: dat doe je niet als je voor commercie gaat.
Aangezien ik op reis ben door de new wave van 1980, beperk ik me tot single Where's Captain Kirk? die in januari dat jaar de zojuist genoemde nummer één was. Het was hun vierde single en de vrolijke pretpunk die je tegemoet knalt, doet de mondhoeken omhoog krullen.
Het liedje verscheen in 1982 wel op de verzamelaar Spizzhistory waar ik me nu bevind en in latere jaren op respectievelijk Unhinged (1994), Spizz Not Dead Shock! 1978 - 1988, a Decade of Spizz History (1996) en Where's Captain Kirk? The Very Best of (2002). Wat op deze verzamelaars klinkt, wordt in de diverse bronnen aangeduid als (post) punk en new wave. Ik noem het pretpunk of new wave met dikke knipoog. Spizzenergi heeft nog altijd een site in de lucht: zie hier.
De reis door new wave kwam van het West-Duitse Wirtschaftswunder en vervolgt bij meer vrolijkheid. In dit geval dankzij de ska van Bad Manners op Loonee Tunes!
In 1977 begonnen Kenneth "Spizz" Spiers en Pete Petrol in de Engelse West Midlands nabij Birmingham de groep Spizzoil. Onder de naam Spizzenergi waren ze in 1980 de eerste groep op #1 in de kersverse UK Indie Chart. Onder de vlag van Athletico Spizz 80 verscheen in juli datzelfde jaar Do a Runner. In 1981 volgde een elpee als The Spizzles. Vier groepsnamen in vier jaar, kort na een indiehit je groepsnaam wijzigen: dat doe je niet als je voor commercie gaat.
Aangezien ik op reis ben door de new wave van 1980, beperk ik me tot single Where's Captain Kirk? die in januari dat jaar de zojuist genoemde nummer één was. Het was hun vierde single en de vrolijke pretpunk die je tegemoet knalt, doet de mondhoeken omhoog krullen.
Het liedje verscheen in 1982 wel op de verzamelaar Spizzhistory waar ik me nu bevind en in latere jaren op respectievelijk Unhinged (1994), Spizz Not Dead Shock! 1978 - 1988, a Decade of Spizz History (1996) en Where's Captain Kirk? The Very Best of (2002). Wat op deze verzamelaars klinkt, wordt in de diverse bronnen aangeduid als (post) punk en new wave. Ik noem het pretpunk of new wave met dikke knipoog. Spizzenergi heeft nog altijd een site in de lucht: zie hier.
De reis door new wave kwam van het West-Duitse Wirtschaftswunder en vervolgt bij meer vrolijkheid. In dit geval dankzij de ska van Bad Manners op Loonee Tunes!
Spliff - Spliff Radio Show (1980)

3,5
1
geplaatst: 2 november 2025, 21:56 uur
Vanaf 1972 wint de West-Berlijnse groep Lokomotiv Kreuzberg steeds meer aan populariteit met hun Politrock, waar via vier albums geëngageerde teksten klinken. Nieuw is dat ze in het Duits zingen. In 1977 besluiten ze te stoppen en gedurende een week spelen ze afscheidsconcerten, waar zo'n 10.000 mensen op af komen.
Als in de herfst van 1977 voormalig DDR'er Nina Hagen terugkeert uit Londen, vormt de zangeres met enkele voormalige leden van die groep, te weten gitarist Bernhard Potschka, toetsenist Reinhold Heil, bassist Manfred Praeker en drummer Herwig Mitteregger de Nina Hagen Band.
Die samenwerking stopt na twee jaar en evenveel succesvolle elpees. De mannen zitten niet bij de pakken neer. Een doorstart als Spliff volgt en de daarop volgende veertien maanden wordt gewerkt aan het concept Spliff Radio Show. Die wordt in mei 1980 voor het eerst live uitgevoerd met gastbijdragen van twee buitenlandse vocalisten, te weten de Nederlandse Lisa Biallek (ex-Gruppo Sportivo) en Australiër Alf Klimek. Als verteller/radio-dj fungeert Rik DeLisle van American Forces Network Radio. Men werkt inmiddels Engelstalig.
Eind oktober 1980 verschijnt Spliff Radio Show op elpee, waarna een West-Duitse zomertour in 1981 flopt. Wél volgt in december '81 een succesvol optreden voor het nieuwe tv-programma Rockpop in Concert.
Het album is een samenvatting van de twee uur durende live-radioshow met daarin jingles (in de eerste een Nederlandse nieuwslezer) en diverse stijlen muziek zoals die in 1980 klonken. Van rock naar reggae. Duidelijk is hoe geolied Spliff als band is: als een kameleon werken ze zich door de muziekstijlen heen.
Soms moet ik denken aan hetgeen Herman Brood & His Wild Romance deden, die ook op de grens van rock en new wave balanceerden. Deep in the City heeft weg van de poprock van de Amerikaanse Pat Benatar en op de ironische tekst van Producers klinkt reggae, alsof 10 CC's Dreadlock Holiday een parodie krijgt.
Mijn reis door new wave kwam vanaf het debuut van Spandau Ballet en vervolgt bij donkere synthpop van het Engelse The Passage.
Als in de herfst van 1977 voormalig DDR'er Nina Hagen terugkeert uit Londen, vormt de zangeres met enkele voormalige leden van die groep, te weten gitarist Bernhard Potschka, toetsenist Reinhold Heil, bassist Manfred Praeker en drummer Herwig Mitteregger de Nina Hagen Band.
Die samenwerking stopt na twee jaar en evenveel succesvolle elpees. De mannen zitten niet bij de pakken neer. Een doorstart als Spliff volgt en de daarop volgende veertien maanden wordt gewerkt aan het concept Spliff Radio Show. Die wordt in mei 1980 voor het eerst live uitgevoerd met gastbijdragen van twee buitenlandse vocalisten, te weten de Nederlandse Lisa Biallek (ex-Gruppo Sportivo) en Australiër Alf Klimek. Als verteller/radio-dj fungeert Rik DeLisle van American Forces Network Radio. Men werkt inmiddels Engelstalig.
Eind oktober 1980 verschijnt Spliff Radio Show op elpee, waarna een West-Duitse zomertour in 1981 flopt. Wél volgt in december '81 een succesvol optreden voor het nieuwe tv-programma Rockpop in Concert.
Het album is een samenvatting van de twee uur durende live-radioshow met daarin jingles (in de eerste een Nederlandse nieuwslezer) en diverse stijlen muziek zoals die in 1980 klonken. Van rock naar reggae. Duidelijk is hoe geolied Spliff als band is: als een kameleon werken ze zich door de muziekstijlen heen.
Soms moet ik denken aan hetgeen Herman Brood & His Wild Romance deden, die ook op de grens van rock en new wave balanceerden. Deep in the City heeft weg van de poprock van de Amerikaanse Pat Benatar en op de ironische tekst van Producers klinkt reggae, alsof 10 CC's Dreadlock Holiday een parodie krijgt.
Mijn reis door new wave kwam vanaf het debuut van Spandau Ballet en vervolgt bij donkere synthpop van het Engelse The Passage.
Split Enz - True Colours (1980)

4,0
1
geplaatst: 12 mei 2025, 18:27 uur
Half augustus 1980. True Colours is al een half jaar oud als single I Got You de Britse hitlijst betreedt. In Nederland bleef het nog stil rond de groep, al was de recensie in Oor lovend (even scrollen). Split Enz kende ik slechts van een foto met gekke schmink en kapsels, waarschijnlijk in de Hitkrant ergens in '77 of '78.
Met True Colours is daar hun vijfde album, de eerste waar ze volop new wave maken en ook de eerste die enig verkoopsucces in Nederland genereert. Na de foto was er dan ook geluid, waarna bleek dat ze de schmink en maffe kapsels in de prullenbak hadden gedeponeerd.
Split Enz heeft een lange weg afgelegd, zoals bikkel2 in zijn heldere stuk bij voorganger Frenzy van het jaar ervoor uiteenzet. Daarin de zin "Hier en daar flirts met disco/funk beats, de bekende arty eigenzinnigheid, en de eerste treden naar de New- Wave." Dat laatste begrip domineert op True Colours, resulterend in een verzameling frisse liedjes én de introductie van de groep in mijn afspeellijsten genaamd 'New wave & co'.
De veelgemaakte vergelijking van het schrijversduo Tim en Neil Finn met de Beatles is logisch, maar wordt te makkelijk gemaakt. Ik hoor eenvoudigweg liedjes met goede hooks, kop & staart en sterke arrangementen. Wie hen met de Lennon/McCartney vergelijkt zou bijvoorbeeld ook The Hollies kunnen noemen. In Missing Person dankzij het koortje wél duidelijke invloed van The Beach Boys.
De nummervolgorde op MuMe wijkt af van de oorspronkelijke Europese/Nederlandse persing, zie hier. Die laatste houd ik aan.
True Colours is gevarieerd. Eerst kant 1: In I Got You (als single in oktober 1980 #12 in het Verenigd Koninkrijk) melancholische coupletten en een vrolijk refrein in fraai contrast, Shark Attack is rockend en vlot, in het hupsende What's the Matter with You de invloed van jaren '60 beat.
Het instrumentale Double Happy slaagt erin om Amerikaanse r&b te combineren met een dansende sequencer á la Giorgio Moroder; van de hand van toetsenist Eddie Rayner. I Wouldn't Dream of It heeft wel iets van Buddy Holly in het jasje van 1980; omgekeerd aan de opener zijn nu de coupletten vrolijk en is het refrein melancholiek.
Veel verdriet en frustratie in I Hope I Never, dat in Nederland zowaar in februari 1981 #30 haalde. Een rustig poplied, qua stijl anders dan de rest van deze plaat en nog altijd niet mijn ding; ik verwarde hen met The Korgis, die van Everybody's Got to Learn Sometimes dat vanaf juni '80 een hit was en weer later, december '81, gebeurde hetzelfde met Ph. D.'s I Won't Let You Down.
Kant 2 begint met de volgende aangename oorwurm: Nobody Takes Me Seriously is uptempo, pop in Missing Person met alweer zo'n sterk refrein. Interplanetaire liefde in Poor Boy met een fraaie toetsenpartij, een lekker orgeltje in How Can I Resist Her en een sterk instrumentaal slot dankzij The Choral Sea, dat leunt op een discobeat en als geluidseffect zo'n slurf die bij ronddraaien geluid maakt - ik had er als kind één, heb ik vele rondjes mee gedraaid... Als spannende muziek bij een tv-serie, mijn favoriet van de plaat.
In 2020 kreeg het album een Australische 40th Anniversary Remix Edition met bovendien livebonussen: zie daar.
Je zou het popwave kunnen noemen: lekkere liedjes verpakt in frisse geluiden, herkenbaar anders dan die van tijd- en genregenoten. Oftewel, de reis door wave biedt afwisseling.
Mijn vorige album was van de Schotse Skids. Op mijn afspeellijst volgen singles van The Beat (Best Friend), The Cure (A Forest) en The Selecter (The Whisper), afkomstig van albums die ik al besprak. Nog altijd uit augustus 1980 is de volgende halte, album Laughter van Ian Dury & The Blockheads.
Met True Colours is daar hun vijfde album, de eerste waar ze volop new wave maken en ook de eerste die enig verkoopsucces in Nederland genereert. Na de foto was er dan ook geluid, waarna bleek dat ze de schmink en maffe kapsels in de prullenbak hadden gedeponeerd.
Split Enz heeft een lange weg afgelegd, zoals bikkel2 in zijn heldere stuk bij voorganger Frenzy van het jaar ervoor uiteenzet. Daarin de zin "Hier en daar flirts met disco/funk beats, de bekende arty eigenzinnigheid, en de eerste treden naar de New- Wave." Dat laatste begrip domineert op True Colours, resulterend in een verzameling frisse liedjes én de introductie van de groep in mijn afspeellijsten genaamd 'New wave & co'.
De veelgemaakte vergelijking van het schrijversduo Tim en Neil Finn met de Beatles is logisch, maar wordt te makkelijk gemaakt. Ik hoor eenvoudigweg liedjes met goede hooks, kop & staart en sterke arrangementen. Wie hen met de Lennon/McCartney vergelijkt zou bijvoorbeeld ook The Hollies kunnen noemen. In Missing Person dankzij het koortje wél duidelijke invloed van The Beach Boys.
De nummervolgorde op MuMe wijkt af van de oorspronkelijke Europese/Nederlandse persing, zie hier. Die laatste houd ik aan.
True Colours is gevarieerd. Eerst kant 1: In I Got You (als single in oktober 1980 #12 in het Verenigd Koninkrijk) melancholische coupletten en een vrolijk refrein in fraai contrast, Shark Attack is rockend en vlot, in het hupsende What's the Matter with You de invloed van jaren '60 beat.
Het instrumentale Double Happy slaagt erin om Amerikaanse r&b te combineren met een dansende sequencer á la Giorgio Moroder; van de hand van toetsenist Eddie Rayner. I Wouldn't Dream of It heeft wel iets van Buddy Holly in het jasje van 1980; omgekeerd aan de opener zijn nu de coupletten vrolijk en is het refrein melancholiek.
Veel verdriet en frustratie in I Hope I Never, dat in Nederland zowaar in februari 1981 #30 haalde. Een rustig poplied, qua stijl anders dan de rest van deze plaat en nog altijd niet mijn ding; ik verwarde hen met The Korgis, die van Everybody's Got to Learn Sometimes dat vanaf juni '80 een hit was en weer later, december '81, gebeurde hetzelfde met Ph. D.'s I Won't Let You Down.
Kant 2 begint met de volgende aangename oorwurm: Nobody Takes Me Seriously is uptempo, pop in Missing Person met alweer zo'n sterk refrein. Interplanetaire liefde in Poor Boy met een fraaie toetsenpartij, een lekker orgeltje in How Can I Resist Her en een sterk instrumentaal slot dankzij The Choral Sea, dat leunt op een discobeat en als geluidseffect zo'n slurf die bij ronddraaien geluid maakt - ik had er als kind één, heb ik vele rondjes mee gedraaid... Als spannende muziek bij een tv-serie, mijn favoriet van de plaat.
In 2020 kreeg het album een Australische 40th Anniversary Remix Edition met bovendien livebonussen: zie daar.
Je zou het popwave kunnen noemen: lekkere liedjes verpakt in frisse geluiden, herkenbaar anders dan die van tijd- en genregenoten. Oftewel, de reis door wave biedt afwisseling.
Mijn vorige album was van de Schotse Skids. Op mijn afspeellijst volgen singles van The Beat (Best Friend), The Cure (A Forest) en The Selecter (The Whisper), afkomstig van albums die ik al besprak. Nog altijd uit augustus 1980 is de volgende halte, album Laughter van Ian Dury & The Blockheads.
SPRINTS - All That Is Over (2025)

4,0
2
geplaatst: 28 september 2025, 21:55 uur
Vorig jaar maakte ik kennis met Sprints dankzij Letter to Self. Intense teksten van gitariste en zangeres Karla Chubb en veelal een aangename opbouw van zacht naar hard.
Anderhalf jaar verder is gitarist Colm O'Reilly vervangen door Zac Stephenson; ik herinner me de gitaristenwissel bij Editors, die destijds niet goed uitviel. Ik miste daar onstuimigheid en schurende randjes op de navolgende albums, al dacht het grote publiek daar anders over. Zou het hier wél goed gaan?
De eerste verrassing is dat All that Is Over stemmig begint met Abandon, in de sfeer van 1980 toen Thatcher regeerde; dan een akoestisch vervolg met To the Bone. Twee aangename nummers, maar met Descartes barst het alsnog los en de gitaarpartijen in Need huilen heul aangenaam.
In Beg ingetogen en heavy delen, Rage doet me minder, met Something's Gonna Happen is het weer raak en in Pieces strijden kracht en wanhoop om voorrang in zowel tekst als muziek.
Met Better dient melancholie zich aan en in de zang van Coming Alive klinkt veel, veel emotie in combinatie met de riff, intense drums en opnieuw wenende gitaar. Allemaal vrij korte nummers, totdat slotlied Desire tweemaal zo lang blijkt als de overige nummers, met bijna surfgitaren in het eerste deel. Uiteraard én gelukkig groeit dit uit tot een geluidsexplosie van het aangename soort met de passionele tekst "I wanna eat you alive", waarna een akoestisch slot de plaat afrondt.
Die teksten zijn hier en daar opmerkelijk. Hoeveel liedjes kennen we die zijn geïnspireerd door filosoof René Descartes (1596-1650)? "Vanity is the curse of culture, a cyanide for the soul". Ik denk aan menig persoon, al dan niet politicus, in de (sociale) media. Het dienen van zichzelf in plaats van de ander. Mevrouw Chubb heeft gelijk en over de hele linie blijft de muziek onverminderd fel, waarbij het "trucje" van ingetogen naar luid minder prominent aanwezig is.
Hierna keer ik terug naar March, een groep waarmee Sprints prima op één concertavond zou passen. Daar klinkt punk met de nodige andere rockinvloeden, bij Sprints wat postpunk wordt genoemd. Anders in aanpak, maar dankzij de frontvrouwen en het gevarieerde gitaarwerk zijn er de nodige overeenkomsten.
Anderhalf jaar verder is gitarist Colm O'Reilly vervangen door Zac Stephenson; ik herinner me de gitaristenwissel bij Editors, die destijds niet goed uitviel. Ik miste daar onstuimigheid en schurende randjes op de navolgende albums, al dacht het grote publiek daar anders over. Zou het hier wél goed gaan?
De eerste verrassing is dat All that Is Over stemmig begint met Abandon, in de sfeer van 1980 toen Thatcher regeerde; dan een akoestisch vervolg met To the Bone. Twee aangename nummers, maar met Descartes barst het alsnog los en de gitaarpartijen in Need huilen heul aangenaam.
In Beg ingetogen en heavy delen, Rage doet me minder, met Something's Gonna Happen is het weer raak en in Pieces strijden kracht en wanhoop om voorrang in zowel tekst als muziek.
Met Better dient melancholie zich aan en in de zang van Coming Alive klinkt veel, veel emotie in combinatie met de riff, intense drums en opnieuw wenende gitaar. Allemaal vrij korte nummers, totdat slotlied Desire tweemaal zo lang blijkt als de overige nummers, met bijna surfgitaren in het eerste deel. Uiteraard én gelukkig groeit dit uit tot een geluidsexplosie van het aangename soort met de passionele tekst "I wanna eat you alive", waarna een akoestisch slot de plaat afrondt.
Die teksten zijn hier en daar opmerkelijk. Hoeveel liedjes kennen we die zijn geïnspireerd door filosoof René Descartes (1596-1650)? "Vanity is the curse of culture, a cyanide for the soul". Ik denk aan menig persoon, al dan niet politicus, in de (sociale) media. Het dienen van zichzelf in plaats van de ander. Mevrouw Chubb heeft gelijk en over de hele linie blijft de muziek onverminderd fel, waarbij het "trucje" van ingetogen naar luid minder prominent aanwezig is.
Hierna keer ik terug naar March, een groep waarmee Sprints prima op één concertavond zou passen. Daar klinkt punk met de nodige andere rockinvloeden, bij Sprints wat postpunk wordt genoemd. Anders in aanpak, maar dankzij de frontvrouwen en het gevarieerde gitaarwerk zijn er de nodige overeenkomsten.
SPRINTS - Letter to Self (2024)

4,0
2
geplaatst: 27 januari 2024, 12:02 uur
In mijn beleving was het vroeger aan het begin van een nieuw jaar stil, tot eind januari een nieuwe album- en singlegolf kwam. Dat is niet meer zo. Wie niet alert is, mist onmiddellijk iets. In de hoek van indie/alternative zijn daar bijvoorbeeld opvallende albums van The Smile, Ty Segall en Sprints.
Vooraf een mea culpa: ik weet dat ik de groepsnaam eigenlijk met hoofdletters moet schrijven, maar vind dat zo lelijk. Ook BROODTROMMEL is niet meer dan broodtrommel. Sorry lieve mensen van Sprints, maar weet dat ik jullie Letter to Self wél lekker vind.
Hierboven terecht geconstateerd: "Het jaar is goed begonnen" (AreYouThere) en "betrap ik de band er op dat ze vaak op dezelfde manier richting een ontstuimig refrein gaan" (4addcd).
Het resultaat is niet vernieuwend (moet dat dan altijd?) maar wél smakelijk. Die opbouw naar een climax lukt wat mij betreft het best in Cathedral en een speciale vermelding wegens smakelijkheid voor de akoestische gitaren in Can't Get Enough of It. Shaking Their Hands groeit bij vaker draaien. Nog een favoriet: Literary Mind gaat niet klein van start maar is meteen stevig en bevat een prachtige melodie.
Zangeres-gitariste Karla Chubb heeft een krachtige en eigenwijze stem die alle decibellen prima kan bijhouden. De korte gitaarsolo's (Colm O'Reilly?) pakken ook, zoals in A Wreck (A Mess): zingend als een ulleann pipe.
De teksten gaan nogal eens over de donkerheid in het leven; poëtisch zonder al te concreet te worden, zodat je er je eigen verhaal in kunt zien. Zoals de hoes meldt: "This is an album for anyone who needs it." In (liefdesliedje?) Literary Mind zit bovendien een leuk woordenspel tussen 'literary' en 'literally' verscholen.
De band omschrijft zichzelf als 'garage punk', waarbij je er andere genrestickertjes bij kan plakken. Maakt ook niet uit. Stevig en emotioneel. Aangenaam.
Vooraf een mea culpa: ik weet dat ik de groepsnaam eigenlijk met hoofdletters moet schrijven, maar vind dat zo lelijk. Ook BROODTROMMEL is niet meer dan broodtrommel. Sorry lieve mensen van Sprints, maar weet dat ik jullie Letter to Self wél lekker vind.
Hierboven terecht geconstateerd: "Het jaar is goed begonnen" (AreYouThere) en "betrap ik de band er op dat ze vaak op dezelfde manier richting een ontstuimig refrein gaan" (4addcd).
Het resultaat is niet vernieuwend (moet dat dan altijd?) maar wél smakelijk. Die opbouw naar een climax lukt wat mij betreft het best in Cathedral en een speciale vermelding wegens smakelijkheid voor de akoestische gitaren in Can't Get Enough of It. Shaking Their Hands groeit bij vaker draaien. Nog een favoriet: Literary Mind gaat niet klein van start maar is meteen stevig en bevat een prachtige melodie.
Zangeres-gitariste Karla Chubb heeft een krachtige en eigenwijze stem die alle decibellen prima kan bijhouden. De korte gitaarsolo's (Colm O'Reilly?) pakken ook, zoals in A Wreck (A Mess): zingend als een ulleann pipe.
De teksten gaan nogal eens over de donkerheid in het leven; poëtisch zonder al te concreet te worden, zodat je er je eigen verhaal in kunt zien. Zoals de hoes meldt: "This is an album for anyone who needs it." In (liefdesliedje?) Literary Mind zit bovendien een leuk woordenspel tussen 'literary' en 'literally' verscholen.
De band omschrijft zichzelf als 'garage punk', waarbij je er andere genrestickertjes bij kan plakken. Maakt ook niet uit. Stevig en emotioneel. Aangenaam.
Squeeze - Argybargy (1980)

3,0
1
geplaatst: 8 maart 2025, 08:48 uur
Op reis door de new wave van mei 1980 kom ik bij een randgeval: de derde langspeler van Squeeze. Op hun eerste (1978) werden ze door producer John Cale gedwongen zich een punkachtig geluid aan te meten, niet passend voor de groep. Met opvolger Cool for Cats uit het jaar erna hoefde dat niet meer, zodat de groep zijn vorm vond. Met als tekstschrijver slaggitarist - zanger Chris Difford en muziekschrijver leadgitarist - zanger Glenn Tilbrook werd een aangename verzameling liedjes neergezet op de grens van onderkoelde new wave en warme pop, die de groep deed doorbreken.
Op ArgyBargy (de titel een Britse uitdrukking voor het op elkaars lippen leven, één van de nadelen van het tourleven) is het minder wave en meer pop of (pub)rock. Op de eerste twee nummers en Here Comes that Feeling klinkt de koele wave en het felle Misadventure heeft zelfs een punksausje.
Voor het overige melodieuze pop zoals Separate Beds en I Think I'm Go Go en het door pianist Jools Holland gezongen Wrong Side of the Moon is een pianorockertje dat zomaar van Elton John had kunnen zijn.
Glimlachen bij de tekst van Separate Beds, mogelijk autobiografisch van de pasgetrouwde Difford: "Her mother didn't like me, she thought that I was on drugs," maar "Her father seemed to like me, I helped him fix his car".
Hierboven wordt opvolger East Side Story aangeprezen. Dat album is inderdaad geschikt voor de liefhebber van edelpop, maar niet meer relevant voor new wave, waarmee dit de laatste van Squeeze is die ik zal bespreken.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten van new wave keert een maand terug naar april 1980. Dit omdat ik The Game van Sham 69 had overgeslagen.
Op ArgyBargy (de titel een Britse uitdrukking voor het op elkaars lippen leven, één van de nadelen van het tourleven) is het minder wave en meer pop of (pub)rock. Op de eerste twee nummers en Here Comes that Feeling klinkt de koele wave en het felle Misadventure heeft zelfs een punksausje.
Voor het overige melodieuze pop zoals Separate Beds en I Think I'm Go Go en het door pianist Jools Holland gezongen Wrong Side of the Moon is een pianorockertje dat zomaar van Elton John had kunnen zijn.
Glimlachen bij de tekst van Separate Beds, mogelijk autobiografisch van de pasgetrouwde Difford: "Her mother didn't like me, she thought that I was on drugs," maar "Her father seemed to like me, I helped him fix his car".
Hierboven wordt opvolger East Side Story aangeprezen. Dat album is inderdaad geschikt voor de liefhebber van edelpop, maar niet meer relevant voor new wave, waarmee dit de laatste van Squeeze is die ik zal bespreken.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten van new wave keert een maand terug naar april 1980. Dit omdat ik The Game van Sham 69 had overgeslagen.
Squeeze - Cool for Cats (1979)

3,5
2
geplaatst: 26 augustus 2024, 07:04 uur
Met hun titelloze debuut was Squeeze door producer John Cale naar de luide gitaren geduwd. Punk was nog in de mode en vermoedelijk vond de Amerikaan dat de groep daarop moest inhaken. In mijn oren klonk het resultaat geforceerd, iets wat totaal niet het geval is met deze in mei 1979 verschenen opvolger Cool for Cats.
Meteen met de eerste geluiden lijkt dit een album te worden waar de toetsen en niet de gitaren domineren en dat blijkt te kloppen. Daar profiteren de zanglijnen van, waarbij de melodieën een veel prominentere plek innemen. Opnieuw werden alle nummers geschreven door zanger, leadgitarist en soms toetsenist Glenn Tilbrook en slaggitarist en zanger Chris Difford, op Hop, Skip & Jump na, dat door Difford met toetsenist Jools Holland werd neergepend.
Een enkele keer zet Tilbrook een pittige gitaarsolo neer zoals in Touching Me, Touching You, maar de slaggitaren staan veel zachter in de mix dan de toetsen. Daarmee voelt dit aan als pop met een laagje new wave.
Zes nummers op iedere kant. Kant 1 is de sterkste met de ene na de andere sterke compositie. Kant 2 zakt na de zojuist genoemde opener in, om met (tevens single) Cool for Cats sterk te eindigen.
Die werd in april ’79 in hun eigen Verenigd Koninkrijk in maart #2, in de Nederlandse Nationale Hitparade
#33.
In het VK werden nog twee hitsingles van dit album getrokken: Up the Junction haalde er in juli eveneens #2 en Slap & Tickle in oktober #24.
Als album was Cool for Cats minder succesvol: in het VK in juli en augustus #45, in Nederland geen notering.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van XTC en vervolgt in juni 1979 met Belgische new wave van zangeres Lio, welke op haar debuutsingle over dessert Le Banana Split zong.
Meteen met de eerste geluiden lijkt dit een album te worden waar de toetsen en niet de gitaren domineren en dat blijkt te kloppen. Daar profiteren de zanglijnen van, waarbij de melodieën een veel prominentere plek innemen. Opnieuw werden alle nummers geschreven door zanger, leadgitarist en soms toetsenist Glenn Tilbrook en slaggitarist en zanger Chris Difford, op Hop, Skip & Jump na, dat door Difford met toetsenist Jools Holland werd neergepend.
Een enkele keer zet Tilbrook een pittige gitaarsolo neer zoals in Touching Me, Touching You, maar de slaggitaren staan veel zachter in de mix dan de toetsen. Daarmee voelt dit aan als pop met een laagje new wave.
Zes nummers op iedere kant. Kant 1 is de sterkste met de ene na de andere sterke compositie. Kant 2 zakt na de zojuist genoemde opener in, om met (tevens single) Cool for Cats sterk te eindigen.
Die werd in april ’79 in hun eigen Verenigd Koninkrijk in maart #2, in de Nederlandse Nationale Hitparade
#33.
In het VK werden nog twee hitsingles van dit album getrokken: Up the Junction haalde er in juli eveneens #2 en Slap & Tickle in oktober #24.
Als album was Cool for Cats minder succesvol: in het VK in juli en augustus #45, in Nederland geen notering.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van XTC en vervolgt in juni 1979 met Belgische new wave van zangeres Lio, welke op haar debuutsingle over dessert Le Banana Split zong.
Squeeze - Squeeze (1978)
Alternatieve titel: U.K. Squeeze

2,5
0
geplaatst: 21 augustus 2024, 07:02 uur
Op reis door new wave was mijn vorige halte de tweede van The Rumour. Nu hun Londense stadsgenoten Squeeze. Ik ken deze groep als vrij popgericht met een alternatief randje, maar dit debuut zit muzikaal op een veel steviger muziekspoor, vaak op de grens tussen pop en punk.
Op site Gigs in Scotland lees ik een korte bio. Opgericht begin 1974, voegt onder meer toetsenist Jools Holland zich dat voorjaar bij hen. Na het uitbrengen van de EP Package of Three in de zomer van 1977 wordt de groep getekend door A&M. Dat regelt John Cale, ex-Velvet Underground, als producer. Het lijkt de perfecte match, want laat Squeeze nou naar het album van die groep uit 1973 zijn vernoemd!
Eerder kwam ik Cale in de rol van producer tegen bij Horses van Patti Smith. Zij had de grootste moeite met hem, maar zag later in dat hij haar muziek beter maakte. Cale gaat er ook bij Squeeze met gestrekt been in. Hij vindt de nummers die ze voor de langspeler hebben liggen slap en gebiedt hen om met pittiger werk te komen. Kon dat zomaar? Kennelijk wel.
Oprichters, liedschrijvers en zangers/gitaristen Chris Difford en Glenn Tillbrook doen het ook nog, met als resultaat Squeeze, waarop geen composities staan die ze voordien schreven en uitvoerden. Compleet nieuw werk dus, conform Cales wens beduidend steviger.
Het album verschijnt in maart 1978. Op buitenlandse markten noemt men zich Squeeze UK, om verwarring met gelijknamige groepen te voorkomen.
Het is stevig, passend bij de punktrend van die dagen. Opener Sex Master knalt lekker met een tekst die speciaal voor de BBC werd gekuist. Maar blijven de liedjes op kant 1 hangen? Meestal niet, met als saai dieptepunt het instrumentale Wild Sewerage Tickles Brazil. De eerste plaatkant sluit echter aangenaam af met een sterke combinatie van synthesizers en gitaar in Take Me I’m Yours.
Op kant 2 zijn de tweestemmige zang en de rommelgitaarsolo in The Call lekker, al gaat de melodie snel vervelen. In Model zou je de glamrock van enkele jaren daarvoor kunnen herkennen, opnieuw schiet de melodie te kort. Wel geslaagd is Remember What dankzij powerpop en koortjes.
Ach, dat meninkje van mij… In zijn standaardwerk ‘Record Guide: Rock Albums of the ‘70s’ (1981) was muziekjournalist Robert Christgau positiever; wél moppert hij amusant over de teksten. Zie de bijbehorende website met daarop de recensie.
De plaat zette Squeeze wél op de kaart: de elpee miste weliswaar de Britse albumlijst, maar single Take Me I’m Yours werd in het Verenigd Koninkrijk eind april 1978 #19 en Bang Bang in juni #49.
Op de opvolger van het jaar erop bepaalde de groep zelf hun geluid. Die beschrijving volgt spoedig, eerst twee andere albums uit mei 1979, om te beginnen Do It Yourself van Ian Dury & The Blockheads.
Op site Gigs in Scotland lees ik een korte bio. Opgericht begin 1974, voegt onder meer toetsenist Jools Holland zich dat voorjaar bij hen. Na het uitbrengen van de EP Package of Three in de zomer van 1977 wordt de groep getekend door A&M. Dat regelt John Cale, ex-Velvet Underground, als producer. Het lijkt de perfecte match, want laat Squeeze nou naar het album van die groep uit 1973 zijn vernoemd!
Eerder kwam ik Cale in de rol van producer tegen bij Horses van Patti Smith. Zij had de grootste moeite met hem, maar zag later in dat hij haar muziek beter maakte. Cale gaat er ook bij Squeeze met gestrekt been in. Hij vindt de nummers die ze voor de langspeler hebben liggen slap en gebiedt hen om met pittiger werk te komen. Kon dat zomaar? Kennelijk wel.
Oprichters, liedschrijvers en zangers/gitaristen Chris Difford en Glenn Tillbrook doen het ook nog, met als resultaat Squeeze, waarop geen composities staan die ze voordien schreven en uitvoerden. Compleet nieuw werk dus, conform Cales wens beduidend steviger.
Het album verschijnt in maart 1978. Op buitenlandse markten noemt men zich Squeeze UK, om verwarring met gelijknamige groepen te voorkomen.
Het is stevig, passend bij de punktrend van die dagen. Opener Sex Master knalt lekker met een tekst die speciaal voor de BBC werd gekuist. Maar blijven de liedjes op kant 1 hangen? Meestal niet, met als saai dieptepunt het instrumentale Wild Sewerage Tickles Brazil. De eerste plaatkant sluit echter aangenaam af met een sterke combinatie van synthesizers en gitaar in Take Me I’m Yours.
Op kant 2 zijn de tweestemmige zang en de rommelgitaarsolo in The Call lekker, al gaat de melodie snel vervelen. In Model zou je de glamrock van enkele jaren daarvoor kunnen herkennen, opnieuw schiet de melodie te kort. Wel geslaagd is Remember What dankzij powerpop en koortjes.
Ach, dat meninkje van mij… In zijn standaardwerk ‘Record Guide: Rock Albums of the ‘70s’ (1981) was muziekjournalist Robert Christgau positiever; wél moppert hij amusant over de teksten. Zie de bijbehorende website met daarop de recensie.
De plaat zette Squeeze wél op de kaart: de elpee miste weliswaar de Britse albumlijst, maar single Take Me I’m Yours werd in het Verenigd Koninkrijk eind april 1978 #19 en Bang Bang in juni #49.
Op de opvolger van het jaar erop bepaalde de groep zelf hun geluid. Die beschrijving volgt spoedig, eerst twee andere albums uit mei 1979, om te beginnen Do It Yourself van Ian Dury & The Blockheads.
St. Elmo's Fire (1985)

3,5
0
geplaatst: 23 juli 2023, 22:17 uur
Toen in 1984 Kansas uit elkaar viel, volgde ik geïnteresseerd wat de afzonderlijke leden gingen doen. In 1987 ontdekte ik in de fonotheek dat op de soundtrack van St. Elmo's Fire een nummer stond van Elefante. Zou dat zanger John Elefante zijn? Het bleek raak.
In Nederland was het succes van de hitsingle St. Elmo's Fire (Man in Motion) van Engelsman John Parr relatief mager in vergelijking met het buitenland. Bij ons slechts #22 in oktober 1985, in de Verenigde Staten echter twee weken #1 en in andere Europese landen haalde het nummer de top 10, in Vlaanderen #12. De film schijnt in de Verenigde Staten een groot succes te zijn geweest, maar ik sloeg en sla beleefd over: niet mijn soort feelgoodfilm.
De rest van het album bevat eveneens de typische pomprock van midden jaren '80 met dikke synthesizers en beschaafd scheurende gitaren. Adult oriented rock voor een groot publiek. Geen wonder als je bij de sessiemuzikanten namen ziet die je kent van Toto, Mr. Mister en REO Speedwagon. Bovendien komen we muziek tegen van filmcomponist David Foster, waar je van moet houden; mij is het te klef. Dan liever de muziek van de hitsingle, het nummer van Jon Anderson This Time It Was Really Right en dat van Elefante.
En dan zijn er vast mensen die meer kunnen dan ik met de poprock van Fee Waybill in Saved My Life, de ballade van Vikki Moss If I Turn You Away en de funkrock van Airplay met op zang Peter Beckett in Stressed Out (Close to the Edge).
Zanger John Elefante zat niet bij de pakken neer toen Kansas niet meer te redden bleek. Hij nam een solodemo op, waarvan Young and Innocent kennelijk bij de producers van deze film terecht kwam. De powerballad is niet zijn sterkste solonummer, maar tussen de uptempo poprock van deze soundtrack is het simpelweg één van de sterkste nummers. Sterk opgebouwd, gepassioneerd gezongen en vergelijkbaar met wat hij bij Kansas deed.
Hierna werd zijn artiestennaam Mastedon, dat na twee nummers op verzamelaars uiteindelijk in 1989 op album debuteerde.
Opvallend hoe populair deze soundtrack kennelijk nog altijd is: bijna veertig jaar na verschijnen volledig op streaming te vinden.
In Nederland was het succes van de hitsingle St. Elmo's Fire (Man in Motion) van Engelsman John Parr relatief mager in vergelijking met het buitenland. Bij ons slechts #22 in oktober 1985, in de Verenigde Staten echter twee weken #1 en in andere Europese landen haalde het nummer de top 10, in Vlaanderen #12. De film schijnt in de Verenigde Staten een groot succes te zijn geweest, maar ik sloeg en sla beleefd over: niet mijn soort feelgoodfilm.
De rest van het album bevat eveneens de typische pomprock van midden jaren '80 met dikke synthesizers en beschaafd scheurende gitaren. Adult oriented rock voor een groot publiek. Geen wonder als je bij de sessiemuzikanten namen ziet die je kent van Toto, Mr. Mister en REO Speedwagon. Bovendien komen we muziek tegen van filmcomponist David Foster, waar je van moet houden; mij is het te klef. Dan liever de muziek van de hitsingle, het nummer van Jon Anderson This Time It Was Really Right en dat van Elefante.
En dan zijn er vast mensen die meer kunnen dan ik met de poprock van Fee Waybill in Saved My Life, de ballade van Vikki Moss If I Turn You Away en de funkrock van Airplay met op zang Peter Beckett in Stressed Out (Close to the Edge).
Zanger John Elefante zat niet bij de pakken neer toen Kansas niet meer te redden bleek. Hij nam een solodemo op, waarvan Young and Innocent kennelijk bij de producers van deze film terecht kwam. De powerballad is niet zijn sterkste solonummer, maar tussen de uptempo poprock van deze soundtrack is het simpelweg één van de sterkste nummers. Sterk opgebouwd, gepassioneerd gezongen en vergelijkbaar met wat hij bij Kansas deed.
Hierna werd zijn artiestennaam Mastedon, dat na twee nummers op verzamelaars uiteindelijk in 1989 op album debuteerde.
Opvallend hoe populair deze soundtrack kennelijk nog altijd is: bijna veertig jaar na verschijnen volledig op streaming te vinden.
