MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Stryper - Reborn (2005)

poster
4,0
Dit album was oorspronkelijk als een soloalbum van zanger/gitarist Michael Sweet bedoeld, maar na de reünietournee van 2003 liep het anders. Voor een soloplaat was veel minder belangstelling dan voor een nieuwe Stryper, en aangezien hij voorheen sowieso al 90% of meer van de composities leverde, werd besloten er een bandalbum van te maken.
Tweede reden waarom dit logisch is: solo maakte hij pop-rock, een stuk lichter dan voordien. Reborn past wat dat betreft beter in de discografie van Stryper met z'n harde aanpak, waarbij het klinkt alsof de groep alle frustraties van de voorbije jaren in muziek omzet.

Ik hoor overeenkomsten met Europe: ook zij profiteerden in de jaren '80 van de populariteit van popmetal, om in 2004 met het snoeiharde Start from the Dark getransformeerd terug te keren.

De (fraaie) hoes van Reborn zoals MuMe die toont, is overduidelijk op filmreeks The Matrix gebaseerd, veel mooier dan andere hoesversies zoals deze. Het is even wennen aan de productie, die snoeihard is met een gecomprimeerd gitaargeluid en knallende snaredrum.
Met het felle Open Your Eyes krijgen we echter de hardste opener tot dan op een album van Stryper. Het slepende Reborn en de tempowisselingen in When Did I See You Cry bewijzen dat de heren er vol voor gingen. Naast Michael zijn dat gitarist Oz Fox, nieuwe bassist Tracy Ferrie (oorspronkelijke bassist Tim Gaines kon zich niet motiveren voor de kleine clubs waarnaar de groep was teruggekeerd) en de in topvorm verkerende drummer Robert Sweet.

Make You Mine is een verkapte ballade, hárd uitgevoerd: de groep maakt in de arrangementen compleet andere keuzes dan voorheen. In Passion akoestische gitaar en koortjes, maar de gitaar in het refrein blaast door mijn haar als een stormwind, Live Again is als een stoempend hardrocknummer uit de jaren '70 met de productie van 2005. Een groeibriljantje.

If I Die is weer midtempo en massief. Swingend-opgewekt is Wait for You met een nananakoortje, het zijn de zware gitaren en Roberts drumspel die het hard houden. Een prachtig refrein in het midtempo Rain, 10.000 Years is met z'n staccatoriff lekker. I.G.W.T. blijkt een compleet geherarrangeerde versie van In God We Trust uit 1988 te zijn. Werkt goed. Over het geheel: minder dan voorheen klinken twingitaren of racende gitaarsolo's. Hoorbaar is dat dit 2005 is en nieuwe technologie laat zijn productionele sporen achter.

Reborn staat niet op mijn streamingplatform, maar wel op JijBuis. Daar komt If I Die echter niet als track 7 maar pas op 9 langs. Het duurde vier jaar voordat opvolger Murder by Pride uitkwam.

Stryper - Second Coming (2013)

poster
4,0
Kronos schreef in 2013:
Maar toch niet meteen een uitgave waar ik de zin van inzie. Het interview in Aardschok geeft meer duidelijkheid. Blijkbaar hebben de jongens de rechten niet op hun eerste albums. Toch wat te veel op God vertrouwd bij het zaken doen?


Twaalf jaar later mijn reactie. Blijkens de biografie van Michael Sweet hadden ze vooral teveel op onze lieve moeder vertrouwd, waarmee ik niet Maria bedoel maar wel Janice Sweet. Haar management was er mede de oorzaak van dat de groep eind jaren '80 in financieel drijfzand belandde. Hij windt er wat dat betreft geen doekjes om en spaart zijn moeder niet, zonder haar af te fakkelen. De intenties waren goed, het zakelijke inzicht ontbrak.
Tweede reden is platenmaatschappij Frontier Records. Die bracht van Stryper al in 2009 Murder by Pride uit, maar in 2012 volgt een nieuw contract "which enabled us to release three records and a DVD within two years". In hetzelfde 2013 verscheen eveneens bij deze Italianen No More Hell to Pay. Wat extra tromgeroffel middels Second Coming bij een groep die dan eindelijk financieel gezond werd.

Ik vind de heropnamen prima. Alhoewel inderdaad werk van In God We Trust wordt gemist (op Reborn uit 2005 staat overigens een snoeiharde remake van het titelnummer), is het wél fijn dat de muziek uit deze jaren nu eens in eensluidende productie klinkt.
Ben deze dagen van een andere groep een soortgelijke remake-cd aan het draaien: The Book of Burning (2002) van Virgin Steele. Dan winnen de heren Stryper het wel degelijk, al is de groep van David DeFeis eveneens goed bezig. Voor beide albums geldt: wie de oude versies kent, moet minimaal altijd weer aan het nieuwe geluid wennen. Dit door de vertrouwdheid met de oude productie die plaatsmaakt voor andere details of meer dan dat, zoals gewijzigde gitaarsolo's.
Second Coming is daarmee zowel een verwijzing naar Christus' terugkeer als naar de comeback van Stryper, die in de beleving van Michael Sweet vanaf dit jaar pas echt goed doorzette met zowel deze remakes als nieuw werk.

Mijn favorieten zijn onveranderd de snellere, zwaardere nummers in het repertoire van de groep. Genieten is het van het drumspel van Robert Sweet, zoals altijd en daarom paradoxaal te weinig door mij vermeld.
Nieuw zijn Bleeding from Inside Out met een stoempend ritme á la Stargazer van Rainbow, alsmede Blackened, waarbij ik eerst dacht dat Metallica werd gecoverd. Nee dus, het is een eigen compositie, uptempo en zeer geschikt om op te kopklutsen.

Stryper - Soldiers Under Command (1985)

poster
4,0
De eerste keer dat ik van Stryper vernam, was omdat ik als studentenforens een gratis nummer van De Telegraaf kon krijgen. Op de pagina Popscore stond een artikel over de PMRC die tegen zedeloosheid binnen de popmuziek streed. Een tweede stukje introduceerde kort Stryper. Ik knipte het uit en plakte het later op de binnenhoes bij de elpee, spoedig na het lezen in Amsterdam bij Boudisque aangeschaft.
"STRYPER EN BIJBELS - Over een heavy-metal elpee zullen de dames van de PMRC niet vallen. Namelijk: het debuutalbum van het Californische STRYPER, die met hardrock het evangelie willen verkondigen. Kennelijk met succes, want van de eerste elpee van de viermans formatie, die de veelzeggende titel Soldiers under command draagt, waren al 100.00 exemplaren op bestelling verkocht. (...) Muziek voor de Muzikale Fruitmand, dus."

Gezien de verschijningsdatum van Soldiers under Command, 23 augustus 1985, zal het medio september zijn geweest dat de groep in de Telegraaf werd genoemd. Hun label Enigma beschikte via Boudisque bovendien over een goede Europese distributie.
Ik kom uit een NCRV-gezin dat in 1985 was overgestapt naar de EO en de boodschap van Stryper was mij dus niet onbekend. Nu gaat het bij Stryper altijd daarover, maar het was de combinatie van sterke riffs, de vétte productie (drums!) van Duitser Michael Wagener en spetterende gitaarsolo's dat dit bepaald geen miskoop bleek.

Daarbij was er de aansprekende hoes én de kleding: met de wespenkleuren stónd iets, een "imagotruc" die rond diezelfde tijd ook door genregenoten Barren Cross werd toegepast.
Door hun uiterlijk werd de groep ten onrechte nogal eens als glammetal beschreven, maar de muziek ligt in het verlengde van Judas Priest en Saxon: harde heavy metal, legde ik mijn schoolmaatjes uit.
Drie van hen luisterden verbaasd toen ik het album draaide tijdens ons maandelijkse klaverjasavondje (waarvan ik het tweede spel altijd beduidend minder scherp speelde door ieeeets mindere concentratie na enkele biertjes). Ze dachten dat het spottend was bedoeld, maar ik legde hen uit dat het viertal voor hun boodschap stónd.

Opener Soldiers under Command knalt binnen door het machtige intro met drumslagen als waren het pauken; de verdienste van drummer Robert Sweet én de producer. Makes Me Wanna Sing is een uptempo meezinger, die me door de koortjes aan jaren '70 glamrockgroep The Sweet deed denken. Vast geen toeval dat de zanger van Stryper Michael Sweet is, de oudere broer van degene op de drumkruk. Opnieuw valt op dat Oz Fox een aardig moppie kan soleren. Toen al. Together Forever heeft warempel doowopinvloeden maar rockt uptempo door.
Dan de ballade First Love. Ook indertijd mijn minst favoriete onderdeel, maar vanmiddag valt toch op hoe goed die in elkaar zit. En dan het harde The Rock that Makes Me Roll.

Kant 2 hanteert dezelfde aanpak: twee stevige, uptempo nummers, gevolgd door een ballade met de titel Together as One. Dan volgt het ijzersterke Surrender met zware, hakkende riffs en een pakkende melodie. De heldere stem van Michael Sweet helemaal op z'n plek. Op midtemponummers is bovendien zijn broertje op z'n best, met onder meer heerlijke basdrumspel en goed getimede slagen op snaredrum en toms. Zoals op deze afsluiter, die een "bonus" krijgt met een traditional in heavy jasje: Battle Hymn of the Republic.

Anders dan De Telegraaf voorspelde was er meteen controverse; in de metalwereld was menigeen verstoord door de christelijke teksten en in de christelijke wereld was sowieso moeite met popmuziek. Beide standpunten vond ik be-la-che-lijk.
Volgend jaar wordt Soldiers under Command veertig jaar. Mijn conclusie, terwijl een volgende regenbui voorkomt dat ik de tuin moet sproeien: het album is fris en fruitig gebleven, veel beter dan ik had verwacht na het jarenlang niet te hebben gedraaid. Een dikke 8 derhalve (die twee ballades halen de vaart eruit), of zou ik toch een 9 moeten geven vanwege het baanbrekende werk van de groep?

Stryper - The Covering (2011)

poster
4,0
Verder lezend in de biografie 'Honestly: My Life and Stryper Revealed' van zanger-gitarist Michael Sweet lees ik bij 2011 over het nieuwe management dat er vooralsnog niet in slaagde om de financiële moeilijkheden te boven te komen. De verkopen van The Covering waren okay "for today's standards" maar de daaropvolgende tournees bleken verliesgevend, ondanks de terugkeer van originele bassist Tim Gaines.

Hierboven louter positieve verhalen over The Covering en ik ga er helemaal in mee. Vooral Europese namen bij de groepen die worden gecoverd, waarvan Set Me Free van Sweet leuk is als knipoog naar de achternamen van twee van de heren Stryper. Verrassend voor een Amerikaanse groep vond ik ook de keuze voor Blackout van Scorpions uit Duitsland; kennelijk was de invloed van dat album/nummer net zo groot als destijds bij mij. Muzikaal buitenbeentje is Kiss' Shout It Out Loud, popachtiger dan de overige nummers.

De productie van Michael is lekker vet en bij de arrangementen en gitaarsolo's (van zowel Oz Fox als Michael) valt op dat ze enerzijds het origineel respecteren en anderzijds hun eigen invulling geven. Zo kent Highway Star plotseling een twingitaarsolo die goed werkt.
Bescheiden toetsenbijdragen zijn er van Charles Foley, die ook met Michael aan diens soloplaten werkte. Ze vallen vooral op in Kansas' Carry on Wayward Son en Deep Purples Highway Star. Met Fox deed Foley bovendien de achtergrondzang.
Eigen nummer God doet bepaald niet onder voor de overige klasbaknummers op dit album, dat uptempo voortdendert; géén ballades, hoera!

Minder een jaar nadat men in zee ging met een nieuw management, scheidden de wegen alweer. Stryper vindt een nieuwe manager in Michaels nieuwe echtgenote Lisa, die erin slaagt om sterk te bezuinigen op kantoorkosten door vanuit huis te werken. Ze voert met succes meer zakelijke wijzigingen in, waarna men afkoerst op een volgend album met heropnames, nu van eigen werk: Second Coming.

Stryper - The Final Battle (2022)

poster
4,0
Het is net als vroeger in de les: lette je even niet op, dan miste je wat belangrijks. Zo ook met nieuwe releases: deze maand appte een vriend dat er een nieuwe Stryper was verschenen. Sinds oktober al uit, zag ik. Volkomen gemist en dat terwijl ik de band toch al sinds 1985 volg en de diverse online magazines en uiteraard MuMe aardig bijhoud.
Kennelijk ben ik niet scherp geweest, want de band brengt sinds ze weer samenkwamen een constante stroom albums uit met vanaf 2009 iedere twee á drie jaar nieuw werk, dat bovendien altijd van kwaliteit is. The Final Battle is alweer hun veertiende studioschijf.

Geproduceerd door zanger/gitarist Michael Sweet met ondersteuning van twee engineers klinkt het album lekker vet. Alsof Andy Sneap achter de knoppen zat, zoals ik eerst dacht te horen.
Elders las en hoorde ik vergelijkingen met Judas Priest en dat is niet ten onrechte. Fans van harde maar melodieuze metal zijn wederom aan het goede adres bij de Californiërs. Verrassingen hoef je niet te verwachten, tegelijkertijd ligt het niveau hoog.
Oz Fox is een meester in het neerzetten van vlammende gitaarsolo’s, waarin melodie, variatie en snelheid om voorrang strijden. Drummer Robert Sweet speelt strak en stuwend, vaak op z’n best als een nummer midtempo is. Van de kristalheldere stem van Michael Sweet moet je houden; zo’n vijftien jaar geleden kon ik er plotseling minder goed tegen, inmiddels is die weerzin weer verdwenen. Een compliment voor zijn bijdragen, waar zelfs geen sleet op de stembanden is te horen.
Vanzelfsprekend zijn de loepzuivere koortjes gebleven, ze maken echter de muziek nooit te glad. Daarvoor zijn de dubbele gitaren (de zanger is bovendien een verdienstelijk gitarist) onverminderd prominent in de mix. Hierdoor hoor je een massief geluid dat tegelijkertijd helder is, met héél af en toe een vleugje toetsen.

Opvallend is dat platenlabel Frontiers het album ook op dubbelelpee-met-klaphoes heeft uitgebracht op zwart, geel en rood vinyl. Dat is een prijzig dingetje, maar fraai vormgegeven. Eigenlijk zou je beter van een dubbel-EP of dubbel-minialbum kunnen spreken: de platen bevatten maximaal drie nummers per zijde. Dat betekent dat de audiokwaliteit goed moet zijn, de lage tonen van bas en drums krijgen hierbij immers veel ruimte in de groef.

Mijn favoriete nummers eerst, waarbij ik doe alsof The Final Battle hier op vinyl ligt. Te beginnen met de A-kant: heel sterk zijn het knallende Transgressor en Same Old Story waarin het beurtelings mid- en uptempo is. Op de B-zijde doet Heart & Soul hetzelfde, waarna gas wordt terug genomen met Near dat akoestisch begint om steviger te vervolgen.
Naar de tweede plaat: Rise to the Call is één van de beste nummers van het album, snel met heerlijk gitaarwerk. Op de D-zijde staat afsluiter Ashes To Ashes, waarin de nodige tempowisselingen zitten.

Daarmee tel ik zes favoriete nummers, waarmee er vijf resteren die me minder doen. Mijn kleine kritiekpuntje is namelijk dat het album iets teveel midtempo werk bevat, tracks die mogelijk beter waren uitgekomen als het album twee of drie tracks minder had geteld. Dat is niet iedereen met mij eens: vlogs Sea of Tranquility en Nightmare Cabin bijvoorbeeld prijzen de riffs, ook in het langzamere werk.
Eigenlijk doe ik aan luxegezeur, want de band klinkt alsof hier frisse en fruitige twintigers staan, die overtuigend sterke gitaarriffs, creatieve muziek en energie op je afvuren. Knallende metal met een hart voor melodie. Een dikke 8 derhalve.

Stryper - The Yellow and Black Attack (1984)

poster
4,0
Na mijn kennismaking met Stryper via Soldiers Under Command volgde via import het debuut van de groep, dat ik nooit eerder in Nederland had gezien. Ook niet bij Boudisque, tot dan dé importwinkel in mijn bereik. Alleen op vinyl verkrijgbaar.
Dat debuut is de 6-song EP The Yellow 'n' Black Attack. Maatje Jeko kocht 'm en ik leende 'm van hem. Krappe beurzen, we spreidden onze aankopen: koop jij dit dan koop ik dat.

De nummers werden geproduceerd door Enigma huisproducer Ron Goudie. Dit iets minder vol dan de opvolger, maar wel lekkere felle nummers. Pluspunt van de EP: géén mierzoete ballads. Wel semiballade You Won't Be Lonely Tonight, maar dat wordt na een kalm intro midtempo en scheurend.

Na het succes van Soldiers volgde prompt een rerelease van The Yellow. Nu als full-length album op zowel vinyl als cd met twee extra nummers en een iets andere hoes. Geef mij de originele maar, zoals MuMe 'm afbeeldt.
Aan de productie is te horen dat twee nummers later werden toegevoegd, die klinken namelijk wat gepolijster. Het zijn Reason for the Season, dat ik kende van deze 2-song EP, eveneens slechts op vinyl verschenen; My Love I'll Always Show was geheel nieuw en helaas voor mij zo'n zoet ding.

Kortom, met de full-lengthversie heb ik minder dan met de oer-EP. Los daarvan: waar Soldiers voor mijn generatie de eerste kennismaking met de groep was, bleek het debuut een pittiger variant daarvan. Ondanks de wat aardsere productie een krachtige toevoeging. Sterke composities, goed gespeeld en qua imago/kleding en boodschap goed voor de nodige controverse.
Mijn favorieten zijn Loud 'n' Clear en You Know What to Do. C'mon Rock was een lekkere knaller met dubbele basdrum, in 1987 op Dynamo Open Air een effectieve meezinger, zo hoorde ik bij VARA's Vuurwerk. 40 jaar later - waar blijft de tijd! - nog altijd fris.

Stryper - To Hell with the Amps (2024)

Alternatieve titel: Acousticyzed

poster
3,5
Bij hun eigen Stryper Recording uitgebracht akoestisch plaatje, zoals de titel To Hell with the Amps aangeeft. Werkt dat?
Het heeft voordelen. Ook op akoestische gitaar hoor je gitaristische hoogtepunten, inclusief solo's. Oz Fox is weer spetterend. Grootste voordeel is dat nu veel beter is te horen wat Robert Sweet op een (voor de gelegenheid kleine?) drumkit doet; genieten van talrijke details middels breaks, fills en andere pareltjes in zijn spel.

De eerste helft is voor de steviger nummers, meestal uptempo. Daar bevinden zich mijn favorieten: You Know What to Do, Soldiers under Command, No More Hell to Pay, Loud & Clear en helemaal aan het slot All for One.
In de tweede helft ingetogener werk, waarbij opvalt dat Honestly naar mineur is getransponeerd met aangepaste melodie, wat het nummer aangenaam van zijn zoetheid verlost. Ook vinden we kerktraditional Amazing Grace, voor de gelegenheid in een bluesjasje gestoken.

Afgelopen juli verschenen, eveneens passend bij lange winteravonden, vooral bedoeld voor de vaste fanschare.

Stryper - To Hell with the Devil (1986)

poster
3,5
Kort na verschijnen, op een grauwe najaarsdag van 1986, kocht ik deze plaat. De klaphoes met heftige voorzijde en fraaie foto's van de groepsleden was meteen helemaal prima. Na de ouverture met synthesizer volgde het titelnummer. Dat had ik deels op de radio gehoord (bij VARA's Vuurwerk?) en was sterk, al was me opgevallen dat de productie door de groep met Stephan Galfas een iets ronder geluid opleverde. Frontman Michael Sweet zingt de longen uit zijn lijf op dit vlotte, maar niet snelle nummer. Via mijn geluidsinstallatie kwamen minder hoge drums- en gitaarmuren de zolderkamer binnen dan op de voorgangers, EP The Yellow and Black Attack en Soldiers under Command. Het knalde minder.
Dan volgen twee nummers in vrijwel hetzelfde tempo: het lieve Calling on You en het wat steviger Free. Een écht uptemponummer blijft uit en 'help-nee-toch?-jawel...', daar volgde zo'n mierzoete ballad zoals die op de voorganger stonden. Honestly zou in de Billboard 100 #23 halen. Kant 1 wordt gered door het eerste snellere nummer van de plaat, The Way, waarin gitarist Oz Fox dan eindelijk los kan gaan. Het werd door hem geschreven.

Kant 2 opent met het door een vette synthbas gedragen Sing-Along-Song, waarna met Holding On een nummer á la Calling on You volgt: uptempo, melodieus en koortjes gelijk glamrockgroep Sweet die in de jaren '70 zong. Rockin' the World heeft weliswaar geen originele titel, maar het snellere nummer is met z'n hakkende slaggitaren mijn derde hoogtepunt van de plaat.
Jammer dat het wordt gevolgd door de marsepein van All of Me (brrr, die toetsen; mijn zusje was echter positiever), waarna de plaat snel en heavy eindigt met de heerlijke gitaartwinpartijen en solo's van More than a Man. Daarvan had ik er wel meer gewild.

In de VS kreeg de groep het in toenemende mate aan de stok met evangelicals met hysterische, ongefundeerde kritiek, lijnrecht in tegenspraak met hun eigen uitgangspunten. Zo kon de hoes met vier engelen (de heren Stryper, naar ik aannam) die de duivel in een poel des vuurs gooien, niet in elke winkel in de bakken, zodat een versie met zwarte voorkant volgde.
De verbazing en hoon in de rest van de markt waren weliswaar daar, het weerhield de groep er niet van om redelijke verkopen te halen. In mijn eigen land volgde in 1987 een optreden op de eerste editie Dynamo Open Air met andere opkomende namen zoals Testament, Agent Steel en Destruction en Neerlands trots Vengeance. Van dit alles klonken later opnamen bij VARA's Vuurwerk.
Aardschok schreef positief over Stryper, waarvan opvallend was dat drummer Robert Sweet dwars op het podium zat. Duidelijk was dat deze jongens konden spelen en live was het een stuk steviger dan je op grond van To Hell with the Devil zou vermoeden. Het tijdschrift plaatste enkele foto's van Strypers Amerikaanse clubtour met daarbij de tekst "De kruistocht van Stryper vindt in kleinere zalen plaats. Maar het enthousiasme kent geen grenzen, als de jongens hun vrome boodschap verkondigen."

Neemt niet weg dat ik dit album té veel op pop vond mikken, ten koste van metal. De vier echt stevige, snelle nummers waren me te weinig, al zitten die andere nummers goed in elkaar - ook de ballades. Een ruime 7 is het gevolg.

Stryper - When We Were Kings (2024)

poster
4,0
Controversieel in de jaren '80, gevloerd in de jaren '90 maar vanaf hun comeback met Reborn (2005) tot een vaste waarde in de melodieuze metal uitgegroeid. Stryper, dat inmiddels veertig jaar geleden debuteerde en vertrouwd is met tegenwind en desondanks creatief zijn weg vervolgt.
In al die jaren één bezettingswisseling: sinds 2017 is Perry Richardson bassist, nu alweer voor het vierde album. In het titelnummer van When We Were Kings, met een videoclip over hun historie waarin diverse foto's uit de pre-Stryperdagen als Roxx Regime zijn te zien, zingt frontman Michael Sweet: "But seasons change and so did we". Helemaal waar, tegelijkertijd is de groep op hun vijftiende album (de debuut-EP meegerekend) zeer herkenbaar.

Hij is vandaag precies een maand uit en draait iets korter rondjes in mijn auto en huiskamer. Op When We Were Kings geen grote verrassingen, wél speelt de groep weer geïnspireerd hun sterke en afwisselende melometal, met de herkenbare zang van Michael Sweet - het lijkt erop dat er geen sleet op zijn stem zit - en de rappe gitaarsolo's van Oz Fox als onverwoestbare troeven. De frontman schreef alle nummers in zijn eentje door zich gewoontegetrouw twee weken op te sluiten. Geen kleinigheid gezien de kwaliteit van de muziek. Voor wie de groep alleen uit de jaren '80 kent: het huidige Stryper speelt veel zwaarder en intenser dan toen, waarbij de christelijke teksten zijn gebleven.

Naast de pure metal komen er twee zijstapjes langs: Betrayed by Love is zwaar en slepend en tegelijkertijd licht met zijn akoestische basis en bescheiden toetsen; het werkt verrassend goed. Op de tweede helft is het Grateful dat akoestisch en uptempo in optimistische sfeer is. Ze brengen extra afwisseling op een toch al gevarieerd album, waarbij mijn favorieten de robuuste opener End of Days en de fraaie melodie in Loves Symphony zijn.
Genieten is het als altijd van het drumspel van Robert Sweet, die bedreven is in de diverse grooves die langskomen, van kalm tot snel met dubbele basdrums. Een dikke acht voor dit album.

Wie meer wil weten: een lange Nederlandstalige recensie vond ik hier en op YouTube zijn de nodige interviews met Michael Sweet te vinden.

Styx - Big Bang Theory (2005)

poster
3,5
Tijdens de coronalockdowns waren coverschijfjes eventjes een soort van trendy, soms met werk van anderen maar ook eigen muziek werd in nieuwe jasjes gestoken.
In 2005 was dat nog toekomstmuziek en hierboven lees ik dan ook wat verbaasde reacties over de noodzaak van Styx' Big Bang Theory. Zoals vigil al in 2008 meldde, omdat de liveversie van I Am the Walrus een succesje was in de Verenigde Staten en bovendien omdat het voor een keertje best leuk is om te coveren. Ook voor een gerenommeerde groep als Styx. Lekker je oude favorietjes spelen!
Tevens het debuut bij de groep voor bassist Ricky Phillips, die ik ken van de laatste twee elpees van The Babys en de twee van Bad English.

Een origineel naar je toetrekken is best lastig: ofwel je kopieert het perfect, ofwel je geeft er een eigen draai aan. Lukt dat niet, dan zak je naar het niveau van een bruiloften-en-partijengroep. Coveren is een onderschat ambacht.
Op Big Bang Theory klinkt in alle covers het typische Styxgeluid, oftewel een succesvolle keuze voor optie 2.

Mijn favoriete nummers zijn de covers van The Who (I Can See for Miles), Procol Harum (A Salty Dog) en Jethro Tull (Locomotive Breath), wat vooral iets zegt over mijn smaak en niet over de kwaliteit.
Dat geldt ook voor I Am the Walrus, maar dan in omgekeerde zin: met de meeste muziek van The Beatles heb ik niets en daar verandert Styx geen mallemoer aan, zelfs niet als originele en parttime bassist Chuck Panozzo in de videoclip is te zien als eggman.
Afsluiter Blue Collar Man is een cover uit het eigen repertoire, oorspronkelijk van Pieces of Eight uit 1978. Het is verrassend in een langzamer bluesjasje gestoken, wat goed werkt, al heb ik liever hun origineel.
Ik waardeer dit soort plaatjes vaak met een 7, zo ook hier: nergens is het ondermaats en evenmin word ik omver geblazen.

Volgende tussenstop: het met orkest opgenomen livealbum One with Everything.

Styx - Brave New World (1999)

poster
3,5
Nou Neal Peart, sla je werkelijk zonder te luisteren de periode 1979 - 2021 (album Crash of the Crown) over? 42 jaar? Als je niets probeert, dan mis je hier en daar wel wat! Het afgelopen jaar ben ik op de albums ná 1978 toch wel het nodige aan fijne liedjes tegengekomen bij Styx... Dan vind ik The Mission (2017) zelfs beter dan klassieker Pieces of Eight. Mijn inhaalreis door hun discografie is inmiddels aanbeland bij studioalbum #13.

Wat ik de voorbije maanden op de voorgaande twaalf studioalbums ondervond: ik heb net als eind jaren '70 nog steeds een hekel Styx' ballades. Wel heb ik een zwak voor hun stevige aor-kant. Als er een enkele keer progrockachtige bombast klinkt, ben ik helemaal blij.
Brave New World verscheen kort voor het nieuwe millennium, twee jaar na de livecomebackplaat Return to Paradise. Het is dus de eerste studioplaat sinds het (mijns inziens mislukte) Edge of the Century uit 1990. Tommy Shaw was terug op het nest en hierboven hebben diverse MuMensen al de meerwaarde daarvan benoemd.

De klasse van Pieces of Eight is nog niet terug op Brave New World. Ik heb betere albums gehoord van liedschrijvers Dennis DeYoung, Tommy Shaw en James Young, maar de opgaande lijn is er.
Met de ballades heb ik dus weinig, gelukkig is de sterke en uptempo aor terug. Die hoor ik voor het eerst op track 2, het titelnummer. Dat begint met mysterieuze thrillermuziek als een film die zich in het Verre Oosten afspeelt en wordt geleidelijk stevig met een sterk refrein waarin die o zo lekkere koortjes klinken. Herkenbaar Styx, heerlijk!
Meer stevige aor met koortjes en sterke melodieën in Best New Face, het met de viool van gastmuzikant Jerry Goodman voorziene What Have They Done to You, de midtempo retropoprock van Fallen Angel.

Soms hoor ik aangename echo's. Het stevig rockende Everything is Cool klinkt met zijn riff als een opgefokte versie van Locomotive Breath van Jethro Tull. Verrassend is de reggaepop in Great Expectations, alsof ik naar 10CC's Dreadlock Holiday luister; het werkt ook nog! Deze zoete popklanken worden uiteraard gevolgd door stevige aor, in dit geval Heavy Water genaamd.

Tegen het einde zakt de muziek in. High Crimes & Misdemeanors (Hip Hop-Crazy) is uptempo pop die me niet pakt, de rock 'n'roll van Just Fell In is me te makkelijk wat ook de blazers niet kunnen verhelpen en Goodbye Roseland is een ballade.
De reprise van titelnummer Brave New World duurt drieëneenhalve minuut, het prijsnummer van dit album. Nieuwe drummer Todd Sucherman is hier op zijn uitbundigst.

Zes sterke nummers op deze comeback en de reis naar The Mission kan weer verder.

Styx - Caught in the Act (1984)

Alternatieve titel: Live

poster
3,5
Met deze plaat sluit ik voorlopig mijn ontdekkingstocht door het oeuvre van Styx af. Ga ik later weer vervolgen, maar de reis die begon met het fenomenale The Mission (2017) en mij toen terugvoerde naar hun titelloze debuut (1972), brengt mij via de tien opvolgende studioalbums bij de twaalf jaar later verschenen live-2LP Caught in the Act als tussenstop.
Opnieuw een mooie hoes, waarbij ik me alleen afvraag waarom DeYoung/Young/Shaw wel groot op de binnenhoes zijn te zien en dat niet geldt voor de ritmesectie met beide gebroeders Panozzo. Die zaten er immers vanaf het begin bij, net als DeYoung en Young.

Omvergeblazen werd ik niet, al klinkt een sterke setlist, afkomstig van hun Kilroy Was Here Tour. Zoals Queebus noemt is de studio-opname waarmee de plaat opent niet sterk, maar dat komt dus goed met de nummers erna. Geen uitgesponnen solo's en dergelijke maar dicht bij de studioversies blijvend, laat de groep horen dat ze live waarmaakten wat ze in de studio konden.
Al weet ik dat eigenlijk helemaal niet zeker, want deze fan van Thin Lizzy is zich dankzij hun Live and Dangerous ervan bewust dat livealbums nogal eens achteraf gerepareerde en toegevoegde elementen bevatten. Hierboven wordt gesuggereerd dat de toetsen achteraf zijn toegevoegd en wie ben ik om dat tegen te spreken? Alles is mogelijk op dit vlak.
Belangrijk is dat de scheurende gitaren beduidend dominanter klinken dan op de voorgaande studioplaten en daardoor klinkt Styx ouderwets stevig én driestemmig-melodieus. Het effect is adult oriented rock op een degelijke best-of-live.

Hierna verliet gitarist Tommy Shaw de groep en de overigen hadden er ook genoeg van. Styx stopte. Pas in 1990 verscheen er een nieuw werk van Styx. Naar ik inmiddels begreep, hebben de soloalbums nooit het niveau van de groep bereikt, maar roep vooral als u dat anders ziet!
Op gelegen moment vervolg ik mijn reis, ben namelijk benieuwd wat de wederopstanding van Styx voor muziek opleverde. Want The Mission is voor mij nog steeds het beste wat ik van deze band uit Chicago ken.

Styx - Circling from Above (2025)

poster
4,0
Circling from Above scheurt minder dan de voorganger; cleanere gitaren brengen een toegankelijke vorm van progrock. Geen moeilijkdoenerij daarin en tegelijkertijd zitten de nummers vernuftig in elkaar.
Soms denk ik aan Pink Floyd (opener Circling from Above met dat kalme begin), soms zijn er vleugjes Queen (King of Love) of Beatles (Forgive) en hoewel dat bepaald geen groepen zijn die tot mijn favorieten behoren, vind ik het in Styxjasje wél lekker. In The Things that You Said klinkt charmant iets van ELO.

Bovendien staat deze Styx inmiddels symbool voor een nieuwe start: het eerste album dat ik na verhuizing aanschafte. Een nieuwe plek, nieuwe liedjes...
Buitencategorie genieten is het met de klavecimbel van It's Clear, de folkrock met mandoline en fiddle van Blue Eyed Raven en de echo van The Who in We Lost the Wheel Again. Met dertien nummers in 41 minuten is bovendien de variatie groot, zonder één zwak moment.

Dé zomerplaat van 2025 voor mij, laat de herfst maar komen.

Styx - Cornerstone (1979)

poster
2,0
‘Kan ik mee naar Kmart?’ vraagt de veertienjarige Ronald James eind oktober 1979 aan zijn ouders. Hij heeft een krantenwijk, waarvoor hij iedere ochtend door de wijk fietst, de krant op de groene gazons van de abonnees gooiend. Het leven in de lommerrijke suburb van deze grote Amerikaanse stad is groen en onbezorgd, de mensen vriendelijk. Zijn moeder knikt blij verrast haar zoon toe. Gezellig, dat wil hij anders nooit! Zoonlief laat sinds een jaar zijn haar lang groeien, iets waarvoor ze het voor hem opneemt als haar man daarover moppert. 'Kijk eens hoe mooi zijn haar golft!' zegt ze dan en als ze haar napruttelende man koket op de mond kust, keert de rust weer.
Het zijn lieve mensen met enig overgewicht en een energieslorpende chevrolet, een grote kleuren-tv en een groot, vrijstaand huis met veranda, garage en grote kelder als trotse symbolen van hun status, waarvoor hard is gewerkt.
Ma weet niet dat vorige week de nieuwe Styx is uitgekomen en aangezien winkels niet dichtbij zijn, leek het Ronald het beste om die met zijn zojuist ontvangen maandloon bij Kmart te gaan kopen. Twee maanden geleden kocht hij In the Heat of the Night, het debuut van Pat Benatar en vorige maand Street Machine van Sammy Hagar, allebei heerlijke melodieus-rockende albums.
Ondertussen was Babe van Styx een hit geworden. Dat vindt Ronald een klef liedje, maar hij gunt zijn helden hun commerciële hit. Voorgangers Crystal Ball en The Grand Illusion kocht hij zelf en Pieces of Eight kreeg hij voor zijn verjaardag. Prachtige muziek vindt hij dat, met deze groep is het altijd genieten!

Zijn moeder had verbaasd gekeken toen hij na afloop plotseling met een elpee in handen in de auto stapte, zijn vader had begrijpend geglimlacht. Boys will be boys! Op zijn kamer haalt hij de elpee voorzichtig uit het folie en kijkt verbaasd: wat een aparte hoes! De voorzijde mysterieus en donker, moet de achterkant worden opengevouwen als een servet. De binnenhoes lijkt wel van staal en toont hetzelfde geheimzinnige symbool als dat op de voorzijde, waarschijnlijk de Cornerstone waar de titel naar verwijst.
De slijmballade komt niet meteen, die staat pas als derde nummer op de A-kant. Eerst zal het stevig rocken worden met Styx’ driestemmige koortjes en ingewikkelde muzikale passages.

En dan gaat het mis. Lights komt niet van de grond en Why Me ook niet. Erger nog: er zitten blazers in die twee nummers! Ronald fronst de wenkbrauwen. Dan de verfoeide ballade, waarna Never Say Never voor het eerste lichtpuntje zorgt: mooi hoe elektrische en akoestische gitaar samengaan, al merkt hij op dat Boston dat op hun twee elpees net wat mooier liet klinken. Hij kijkt eens naar de kleine lettertjes: aha, opnieuw geproduceerd door de groep zelf, maar met andere technici achter de knoppen. Zou het daardoor zijn dat de productie minder vol is?
Op Boat on the River klinkt een mandoline, wat op zich leuk is, maar het is al het zoveelste rustige nummer. Eeeeh, hoort hij een accordeon bijvallen? Wat gebeurt hier toch?

Hij zet de B-kant op, hopend op stevig herstel. Het intro van Borrowed Time is veelbelovend en daarna ontvouwt zich een prima rockertje, maar First Time met zijn elektrische piano is de tweede slijmballade, waar zelfs het aardige refrein, sterke koortjes en strijkers niets aan kunnen doen.
Dan eindelijk een nummer van ruige rocker James Young: Eddie is stevig maar voorheen was het steviger bij deze gitarist en bovendien heeft hij betere nummers geschreven: Blue Collar Man van de voorganger bijvoorbeeld. Love in the Midnight tenslotte heeft een mooi akoestisch intro, al vraagt Ronald zich angstvallig af of dit de derde ballade zal blijken of het fraaie intro van een nummer met de stevige symfonische rock van voorheen. Het blijkt midtempo te zijn, niet onaardig maar te weinig om het album nog echt glans te geven.
Ondanks de nodige draaibeurten, hopend dat zijn duurgekochte plaat langzamerhand zal groeien, komt het niet meer goed. Enkele maanden later zal hij Cornerstone ruilen voor Freedom at Point Zero van Jefferson Starship van een klasgenoot, die dat veel te stevig vindt.

Dit verhaal speelde zich af in een parallel universum. De Ronald in dit universum maakte het jaar ervoor in Nederland iets soortgelijks mee toen Status Quo If You Can’t Stand the Heat uitbracht, waarmee de Britse rockers voor pop gingen. Dat komt binnen op die leeftijd, als je muzikale helden je zo tegenvallen.

Babe haalde in februari 1980 in Nederland #11 en Boat on the River werd hun laatste hit hier, #29 in april dat jaar. Nummers die mij niets deden.
Als popalbum heeft Cornerstone zijn momenten, maar met de oren van nu wordt er teveel op twee gedachten gehinkt. Daarvoor ben ik niet in Styx’ discografie gedoken. Vier nummers voor mijn afspeellijst: de steviger composities Never Say Never, Borrowed Time en Love in the Midnight en Boat on the River is een kleinood dat ik inmiddels wél kan waarderen. Omdat echte topnummers ontbreken en de mindere nummers diep onvoldoende zijn, vormen twee sterren een reële score. Ook voor iemand die allang niet meer veertien is.

Styx - Crash of the Crown (2021)

poster
4,5
Vorig jaar december ontdekte ik bijna per toeval The Mission van Styx, dat ik met 6 sterren waardeerde, zo dat had gekund. In de maanden daarna heb ik al hun albums ontdekt en het gros ervan aangeschaft: de gloriejaren op elpee en die daarna op cd. Mijn verslagen zijn te vinden bij de respectievelijke titels.
De voorbije vijf weken heb ik Crash of the Crown vele malen beluisterd. Het einde van een jaar lang Styx ontdekken. Op hun tot dusver laatste studioalbum klinkt retrogressive rock in optima forma.

Alhoewel niet zo overrompelend als The Mission, kom ik toch uit op een dikke 9 als schoolcijfer. Crash of the Crown is geen conceptalbum zoals de voorganger (de sterke EP The Same Stardust niet meegerekend). Wél is het een themaplaat over politieke of sociale verandering. Bandbiograaf Mike Mettler noemt in het cd-boekje de jaren die in de composities worden bezongen, zonder dat dit in de liedteksten concreet wordt aangegeven: 1066, 1455, 1775, 1861, 1941 en 2001. Ik weet uit het hoofd slechts 1066 - Battle of Hastings en de twee fragmenten uit Churchills beroemde speech uit 1940, waarvan één eerder werd gebruikt door Iron Maiden in Aces High.

Ik hoor een band die de neiging om een hitsingle te willen scoren achter zich heeft gelaten. Her en der klinken Beatle-achtige melodieën en waar ik met die groep weinig heb, blijkt het hier keer op keer pakkend, juist door de stevige gitaren van James Young en Tommy Shaw erbij: ze vormen een sterk contrast. Een voorbeeld hiervan is Wonderful Lives met akoestische gitaar in het intro en later geen gitaar- of toetsen- maar een trompetsolo; over levensmoed in donkere tijden, een helaas actueel thema.

De eerste opnamen vonden plaats in het najaar van 2019 in de thuisstudio van Shaw, waarna de coronalockdowns tot vertraging leidden, schrijft Mettler. Ik vermoed echter dat de muziek hierdoor heeft kunnen rijpen: nergens wordt het flauw. En al is het aantal briljante invallen iets lager dan op The Mission, toch zijn er maar liefst tien uitschieters.
Openingsnummer The Fight of Our Lives zet meteen de toon met gitaarwerk dat aan het stevige werk van Brian May doet denken, waarna het midtempo A Monster swingend en symfonisch rockend sterk vervolgt.

Vervolgens akoestische gitaren en synthesizer in Reveries, dat uptempo en stevig wordt. Meelezend met de teksten probeer ik het thema te pakken: dat is niet altijd makkelijk, maar dat Styx een verhaal vertelt over vrijheid en verzet is duidelijk.
Hold Back the Darkness is langzaam en heeft iets weg van Shine on You Crazy Diamond van Pink Floyd, maar dan in een compact en spoedig stevig jasje. Wat is de melodie weer mooi! Al het vierde topnummer op rij, het wordt gevolgd door Churchills stem in Save Us from Ourselves.

Het titellied begint met de diepe stem van Young, waarna de andere twee leadzangers, Shaw en toetsenist Lawrence Gowan, het na elkaar overnemen.
Common Ground begint symfonisch stevig en laat vervolgens met akoestische gitaar, keyboardlijnen en meerstemmige zang een Styx in topvorm horen; de melodie in de brug bijvoorbeeld is om in te lijsten, zeker met het felle drumwerk van Todd Sucherman.
Heerlijk uptempo, bijna als jaren '80-new wave klinken de coupletten van Long Live the King met opnieuw zo'n verslavend refrein. Lost at Sea met zijn mysterieuze tekst duurt 38 seconden en gaat over in het midtempo Coming Out the Other Side, wat minder interessant is.
Op To Those hoor ik echo's van The Who (ten tijde van Tommy) en drummer Keith Moon in het bijzonder, rockend met Styxkoortjes. In afsluiter Stream denk ik terug aan Wintersong van Angel met zijn engelachtige koor en zwevende melodie.

Styx is de enige (?) groep met twee bassisten: Ricky Phillips (sinds 2003 bij de groep) is het meest te horen, maar de nu al twee decennia met een broze gezondheid levende Chuck Panozzo bleef bij de groep. Hij speelde Our Wonderful Lives en Lost at Sea in.
Het cd-boekje bevat op p. 20 - 21 morsetekens, die ik op een ander moment eens ga proberen te ontcijferen. Sterk geproduceerd door Will Evankovich, die ook meeschreef aan enkele nummers, is Crash of the Crown een spannend album op het snijvlak van adult oriented en progrock, waarop Styx het beste uit zijn historie vertaalt in een modern geluid en liedjes die blijven boeien. Hoe vaak heb ik het niet gedraaid, de afgelopen vijf weken? Iedere keer weer was het genieten.

Styx - Crystal Ball (1976)

poster
3,5
Bezig aan een inhaalreis door het oeuvre van Styx, lees ik dat dit de eerste met gitarist / co-zanger Tommy Shaw was. Waarom dat zo bijzonder is geweest, moet ik nog gaan ontdekken want eigenlijk verschilt Crystal Ball nauwelijks van voorganger Equinox: stevige hardrock in de richting van adult oriented rock en (toch nog een verschil) met minder progrock dan op de vorige, terwijl er slechts tien maanden tussen zitten.
Sterke melodieën worden meerstemmig gezongen en dat levert enkele fraaie nummers op, terwijl klaterende toetsenpartijen en scheurende gitaren hun gang gaan. Mademoiselle werd negen maanden na Lorelei de eerste hit van het nieuwe album en piekte met Kerst en Nieuwjaar ’76 – ’77 op #36 in de Billboard Hot 100.
Voor het tijdsbeeld is het interessant om te zien welke hardrockers nog meer in die editie van de hitlijst stonden. Ik kom van laag naar hoog de namen tegen van nieuwkomelingen Starz (op #98) en Kansas (#87). Vervolgens Heart, Jefferson Starship, Kiss (tweemaal), Aerosmith en Alice Cooper. Op #5 Boston met More Than a Feeling, de nieuwe groep die de wereld plotsklaps een nieuwe audiowereld schonk met dat bizar volwarme gitaargeluid. Dan al wekenlang op #1 romantische rock van Rod Stewart met Tonight’s the Night.

Tussen die namen paste Styx prima. Tegelijkertijd bezit het een eigen, attractief geluid. In opener Put me On is het alsof ik naar latere albums van The Sweet luister, toen die groep hun Britse glitterrock in deze zelfde jaren ging verbreden naar licht complexere hardrock; prachtige vocalen en een pakkende melodie.
Jennifer lijkt wel enigszins op de hitsingle met opnieuw een melodie die je onmiddellijk oppikt. Shaw mocht als nieuweling meteen het titelnummer aanleveren en doet dat met fraai akoestisch getokkel, dat vervolgens midtempo stevig rockt.

De B-kant: Over Shooz wordt hierboven gemopperd: ik hoor vrolijke blues(hard)rock met slidegitaar, enigszins aan ZZ Top denkend. Ietwat afwijkend van wat Styx normaliter deed, maar als stevige opener van de tweede helft een aangenaam zijweggetje. This Old Man heeft iets weg van het titelnummer en het magnum opus is Clair de Lune / Ballerina, waarin net als in de openingsklanken van dit album de invloed van klassieke muziek klinkt, ditmaal met een muzikaal citaat van Parijzenaar Claude Debussy. Toch prefereer ik het titelnummer, dit omdat gitaargetokkel en melodie daar zo sterk zijn; ontwaar ik al iets van de klasse van Shaw?

Een album dat het wat minder goed deed dan de voorganger, maar daar niet voor onderdoet. Wellicht dat de hoesbeelden van een ballerina iets te braaf waren voor de toenmalige hardrockers? Op de binnenhoes vind ik een uitgebreide biografie van ieder afzonderlijk groepslid, tot en met de vermelding van de wijk in Chicago waarvandaan het groepslid afkomstig is – op Shaw na, die uit “the deepest Alabama” komt. Alsof band en/of platenmaatschappij de groep wilden herintroduceren.
Maar een hoes kan bedrieglijk zijn. Styx bracht namelijk géén stijlverandering en deed dat zonder kwaliteitsverlies. Dieptepunten ontbreken, evenmin word ik hier compleet van de sokken geblazen. Een album van stabiele kwaliteit dus, in een 7,5 oftewel 3,5 sterren uitgedrukt. Solide, goed geproduceerde Amerikaanse, melodieuze hard- / adult oriented rock uit de hoogtijdagen van dit genre.

Styx - Cyclorama (2003)

poster
3,5
Cyclorama is mijn volgende tussenstop in de discografie van Styx. Bij de hoes moet ook ik aan het collectief Hipgnosis denken waarover ik in februari een tentoonstelling in het Groninger Museum bezocht. Het blijkt te kloppen: de absurdistische hoes is ontworpen door Storm Thorgerson die in de jaren '70 en '80 deel uitmaakte van het Londense collectief.
Na de nodige luisterbeurten heb ik me bijgelezen op de Engelstalige Wikipedia. Zo kom ik te weten over de breuk met Dennis DeYoung die tijdens zijn ziekte permanent werd vervangen door de Schotse Canadees Lawrence Gowan, een bekende naam in zijn land. Het komt niet chic over, maar de achtergronden van de breuk ken ik niet.
Voor mij is verrassend de terugkeer van Glen Burtnik, wiens composities ik op zijn vorige album met de groep (Edge of the Century, 1990) zo zwak vond. Dit Cyclorama bevalt stukken beter. Dat komt vast niet omdat Burtnik bij zijn terugkeer niet gitaar maar bas speelde, als vervanger van inmiddels parttimer Chuck Panozzo, die slechts op het melige Bourgeois Pig speelt. Dat Panozzo het kalmer aan deed, heeft zijn medische redenen, is in zijn biografie 'The Grand Illusion: Love, Lies, and My Life with Styx' uit 2007 te lezen.

Nadat ik voorganger Brave New World van vier jaar eerder met 3,5 waardeerde, is het geluid op dit Cyclorama iets veranderd: soms heb ik het idee te luisteren naar aangename jaren '80-aor, ergens tussen Foreigner en Bad English in. Ik bedoel opener Do Things My Way (zou goed hebben gepast bij de stemmen van zowel Lou Gramm als John Waite) met in het refrein een herkenbaar Styxkoortje; het midtempo Waiting for Our Time heeft lekker akoestisch gitaarspel en opnieuw zo'n sterk refrein in de groepstraditie; Killing the Thing that You Love is een powerballade met progachtige delen.

Verdwenen zijn de mierzoete ballades, die ik in tegenstelling tot de trouwe Styxfans juist niks vind; alleen daarom al ben ik niet rouwig om het vertrek van DeYoung. Toch is Cyclorama niet balladeloos: Yes I Can is er opnieuw eentje in de categorie "niet mijn ding", Together is weliswaar steviger maar toch en Fooling Yourself biedt 39 seconden acapella zang.
Hierboven werden terecht Beatlesinvloeden genoemd: in Fields of the Brave en More Love for the Money te horen.
Meligheid noemde ik al bij het korte Bourgeois Pig; hierop volgt powerpop in Kiss Your Ass Goodbye. Qua akkoorden en drumwerk heeft het in het refrein weg van Denis in de versie van Blondie. Het klavecimbel in de brug en de koortjes zijn dan weer typisch Styx.

De bombast van Styx van weleer hoor ik voor het eerst volop in These Are the Times en later in Captain America en de toegankelijke progrock met fraai toetsenspel in One with Everything.
Het album eindigt minder: met een dominante drumcomputer (!) in Genki Desu Ka, na een korte stilte gevolgd door een geinig audiohoorspel met acteur/muzikant Jack Black van Tenacious D en een overbodige reprise van Kiss Your Ass Goodbye en na nogmaals stilte wederom acapella zang.

Het liefst hoor ik Styx in zijn volle bombast, de aor-kant van de groep bevalt me ook goed. De ballades, Beatlesinvloeden, acapella nummers en meligheid sla ik liever over. Zes prima of sterke nummers: net als bij de voorganger kom ik uit op 3,5 ster.

Styx - Edge of the Century (1990)

poster
1,5
Mijn kennismaking met Styx vond eind jaren '70 plaats met wat ik slappe hitsingles vond. Reden om de groep links te laten liggen, totdat ik in 2017 single Radio Silence hoorde, getipt door magazine Classic Rock. Pas eind 2022 kocht ik het bijbehorende album The Mission. Dat kreeg zes (ja, 6) sterren van mij.
Van eind februari tot begin juli dit jaar ging ik hun discografie door, vanaf het debuut uit 1972 tot live-afscheidsalbum Caught in the Act uit 1984. Vanaf album nummer 5 Equinox kocht ik ze op vinyl. Steeds weer goede albums, zij het nooit het niveau van The Mission halend. Voor trouwe fans van Styx wellicht een rare constatering? Het zij zo. Deze week kreeg ik zin om het vervolg te horen, om te beginnen met hun comebackalbum Edge of the Century uit 1990.

Het waren de jaren van hairmetal en MTV was net als bij Styx' afzwaaien in '83/'83 heel invloedrijk. Hardrock/metal was heel populair geworden in de Verenigde Staten, zelfs mainstream op tv en radio, in 1989 goed voor 40% van de plaatverkopen in populaire muziek (zo leerde ik uit een biografie van Gary Moore door Harry Shapiro).
Op Wikipedia lees ik dat gitarist Glen Burtnik de vervanger van Tommy Shaw was. Dat suggereert dat de groep de draad oppikt waar ze was gebleven. Foute gedachtegang.
Bij opener Love is the Ritual lijkt het wel alsof ik Bon Jovi hoor. Had Jon Bongiovi een liedje voor Styx geschreven? Show Me the Way is een saaie ballade met in het intro keyboards, zoet als marsepein. Daarna weer een rockertje: het titelnummer klinkt wederom als Bon Jovi en met Love at First Sight is daar alweer de tweede ballade. All in a Day's Work is akoestisch met toetsen en de typische Styxkoortjes, het derde nummer in pop-/balladestijl. Iemand die een jaar later To Be with You van Mr. Big goed vond, kan dit vast waarderen. Ik verveel me echter.

De tweede helft. Not Dead Yet is pas het derde steviger nummer, niet eentje die me pakt. Akoestisch en toch stevig is World Tonite, maar het o-ho-ho-koortje in het refrein is plat en de mondharmonica kan de slappe compositie niet redden. Met Carrie Ann, de volgende meisjesnaam in het oeuvre van Styx, is daar ballade nummertje vier. Gaap.
Pas met het één na laatste nummer hoor ik iets waarin ik het niveau en de stijl van voorheen en nadien herken: Homewrecker is stevige adult oriented rock die verre van vernieuwend is, maar wel een dikke voldoende.
Slotnummer Back to Chicago bevat blazers, iets wat de band sinds Cornerstone (1979) ook een enkele maal deed. Op zich een aardig nummer met zijn stevige poprock en bovendien sterke zang, maar de klarinetsolo pakt me niet.

Ik bekijk de credits eens. Aha, alles wat ik niks vond is afkomstig van Burtnik! En Homewrecker, het enige nummer dat ik wel goed vond, is geschreven door oudgedienden Young en DeYoung.
Eerder vandaag noteerde ik twee sterren; ik haal er een halfje vanaf in de wetenschap dat het ergens weer goed zou komen met Styx. Benieuwd hoe het hen verging toen grunge een jaar later de complete hairmetal omver schopte, daarbij de betere hardrocknamen niet sparend.

Styx - Equinox (1975)

poster
3,5
De vijfde van Styx stamt uit december 1975 en was de eerste waarmee de groep enige grond aan de voet kreeg in Nederland. Tenminste, dat neem ik aan, want Equinox kun je in tegenstelling tot de vier voorgangers wél tegenkomen als je door de bakken met tweedehands vinyl struint. De overstap naar A&M Records zorgde ervoor dat Styx ook doordrong tot de Lage Landen. Na twee maanden vervolg ik mijn reis door de discografie van de groep, deze keer luisterend naar het vinyl dat ik sinds vorige zomer van de groep verzamelde.

Alhoewel ik in de late zomer van 1977 viel voor scheurende gitaren, was Styx nooit tot mijn favorieten gaan behoren. Totdat ik eind 2022 hun album The Mission (2017) ontdekte en aan een inhaalslag begon. Ik ben veel te streng geweest.
Natuurlijk hoorde ik indertijd hun twee Nederlandse hits Sing for the Day (1978) en Babe (1980), maar dat vond ik slappe hap. Ik was van AC/DC en Quo en The Godz en Ram Jam moet u weten, met spoedig daarna namen als Saxon en Iron Maiden.

Het is hierboven al genoemd: Equinox is de laatste met gitarist John Curulewski. Deze liet net als op voorganger Man of Miracles zijn vreemde-eenden-in-de-bijt-composities achterwege en is meegegroeid naar een mengsel van melodieuze hardrock, waaroverheen meerstemmige zang wordt gegoten. De muziek betreedt af en toe het land van progrock, maar is meestal toegankelijker dan dat. Bij het debuut had ik zelfs de indruk naar de eerste adult oriented rock in de muziekgeschiedenis te luisteren, een stijl die op de navolgende albums terugkeerde.

Ook hier klinkt die toegankelijke vorm van hardrock. De heldere stemmen van Dennis De Young en James Young domineren het geluid. Mijn favorieten zijn opener Light Up, welke wordt gevolgd door hun tweede Amerikaanse hit Lorelei, die in april 1976 #27 haalde in de Billboard Hot 100.
Dan volgt werk in de categorie 'best aardig', waarbij memorabele gitaarsolo's van Curulewski in Midnight Ride en Born for Adventure. Toch sluit ik me aan bij de rest van de liefhebbers: met het instrumentale Prelude 12, gevolgd door het spannende (door Led Zep-gitarist Jimmy Page beïnvloede?) Suite Madame Blue, bereikt de plaat zijn climax. Als er 'Americaaaaa' wordt gezongen is daar onvermijdelijk mijn associatie met Kansas' Song for America.
Op de momenten dat Styx de wereld van prog-/symfonische rock betreedt, is de associatie met Kansas namelijk onvermijdelijk. Groot verschil is echter dat die band toch beduidend ingewikkelder musiceerde en zich niet liet verleiden tot nogal simplistische teksten zoals in Midnight Ride, waar James Young beschrijft welke plannen hij met een zekere deerne heeft.

Het werd hun hoogstgenoteerde album tot dan: #58 in de Billboard 200. Voormalig timmerman Curulewski verliet de groep om een regelmatiger leven te leiden, werd gitaarleraar en overleed reeds een kleine dertien jaar later, nog maar 37 jaar jong. Styx groeide verder, al was de opvolger qua verkoop de mindere van deze Equinox. Ik vervolg mijn Styxstudie, op naar Crystal Ball...

Styx - Kilroy Was Here (1983)

poster
3,5
Wat een bijzonder album bleek Kilroy Was Here ! De wederom prachtige hoes van alweer hun elfde elpee wijkt met de twee robotkoppen af van de vorige. Al met het openen van de klaphoes wordt duidelijk dat hier wederom sprake is van een conceptalbum.
Tot mijn blijde verrassing klinken in opener Mr. Roboto de invloeden van new wave, waarvan ik hoopte dat die vroeg of laat zouden opduiken. Qua synthesizergeluiden én arrangement betreedt Styx nieuwe muzikale grond. Denk bijvoorbeeld eens aan een nummer als Echo Beach van Martha & The Muffins, of We Got the Beat van The Go-Go’s. Amerikaanse wave, luchtiger dan bij de Britse collega’s het geval was en zeer meezingbaar.
Nu was Styx altijd al een groep die in de oren van Amerikanen nogal Brits klonk (al is in mijn Europese oren het omgekeerde het geval) en deze stijl past hen wel. Diezelfde lichte wave klinkt in het tweede nummer Cold War, waarna adult oriented rock met popinvloeden de rest van de plaat domineren.

Vanavond heb ik eerst met mijn beamer de introfilm van de bijbehorende tournee bekeken, waarover gaucho in 2019 dit bericht plaatste. Met de ogen van nu een flinterdun, slecht geacteerd verhaaltje over een dictatuur waarin rockmuziek is verboden. Maar ik moest denken aan de science-fictionserie Battlestar Galactica van eind jaren ’70 en de twee jonge rockfans in de Styxfilm komen heel dichtbij de videoclip van Dio's Rock ‘n’ Roll Children van twee jaar later. Prettige associaties dus.
Na de tien minuten van de introfilm startte ik de plaat en ik kan u verzekeren: het werkt! Een goede manier om je het verhaal in te trekken.

Op de binnen- en buitenhoes herken ik plotseling foto’s uit de minifilm, net als de afbeelding in het midden van het vinyl. Een verhaal over censuur met overeenkomsten naar nazi-Duitsland en vooral de antirockcampagne die de PMRC in die dagen in de Verenigde Staten hield.
En de rest van de muziek? Vanaf de semiballade Don’t Let it End zijn de invloeden van new wave dus verdwenen, in High Time klinkt zelfs een gitaar-trompetduel. Desondanks nummers die prima in elkaar zitten.
De B-kant begint met het stevige Heavy Metal Poisining (al zette de groep op eerdere albums steviger composities). De omkeerteksten (nog zo’n aandachtspunt van de PMRC en hun bondgenoten) in het intro en na het tweede refrein blijken motto’s uit het ‘Great Seal of the United States’: "Annuit cœptis, novus ordo seclorum”. Zelfs de serieuze New York Times berichtte er indertijd over.
De resterende drie nummers bevatten meer adult oriented rock, stevig met de kenmerkende driestemmige koortjes en soms popsferen, waarna een reprise van Don’t Let It End als afsluiting dient.
De composities werden zoals meestal gelijkelijk verdeeld tussen zanger/toetsenist Dennis DeYoung (3x), en de zangers/gitaristen Tommy Shaw (3x) en James Young (2x).

Gedurfd van de groep om opnieuw met een thema-album te komen. Het betekende kennelijk een daling van de populariteit, maar vanuit 2023 bezien vind ik dit album fris met een boodschap die ergens over gaat. Niks mee mis. Dan ben ik dus positiever dan DeYoung in zijn reactie onderaan het artikel in Ultimate Classic Rock, waarnaar eveneens een koppeling is te vinden in gaucho’s bericht. “Keep rock ‘n’ roll alive”, houdt de groep ons in de slottonen voor. Goed plan.

Styx - Man of Miracles (1974)

poster
3,0
Wel eens in een restaurant gegeten dat met de formule ‘Eat all you can eat’ werkt? Je betaalt per uur en kunt dan zoveel eten als je wilt. In zo’n eettuin vind je diverse culinaire eilanden, zoals Italiaans, Indisch en sushi. Je loopt rond en pakt hap-snap wat je bevalt.
Datzelfde gevoel bekroop me bij de eerste drie albums van Styx, waar muziek met uiteenlopende smaken wordt opgediend. Rode draad in hun muzikale restaurant is de combinatie van scheurende hardrock en harmonieuze samenzang. Zouden ze blijven hapsnappen nadat ze met single Lady in maart 1974 de Amerikaanse top 10 hadden gehaald?

Het antwoord is een duidelijk ‘nee’. De stijl op Man of Miracles is veel homogener, zonder de muzikale uitstapjes van voorheen. Oftewel minder ruimte voor de experimenten van gitarist John Curulewski, terwijl de invloed van toetsenist Dennis DeYoung en gitarist James Young juist is gegroeid. Nog niet zo zoet-geraffineerd-stevig als later het geval zou zijn, maar toch.

Vooral op de A-kant klinkt de invloed van ouderwetse rock ‘n’ roll door, te weten op Rock & Roll Feeling, Havin’ a Ball met in het intro een riff á la Keith Richards en A Man like Me waar een dameskoortje en blazers klinken. Beide elementen zijn verrassend én lekker, bovendien laat drummer John Panozzo zich hier van zijn virtuoze kant horen.
Sterkste nummer in de eerste helft vind ik de van een cello voorziene ballade Golden Lark, waarna een onweersbui de overgang vormt naar het symfonische A Song for Suzanne, dat bij herhaald draaien wat eentonig blijkt.

Op de B-kant (vanaf track 6) wordt de muziek progressiever. Daar lijkt het bij het uptempo Lies nog niet op, oorspronkelijk uit 1965 van de mij onbekende Amerikaanse beatgroep Knickerbockers.
Progrock is er met het ingetogen Evil Eyes en twee nummers later bij het epische Christopher, Mr. Christopher en het bombastische titellied. Het intro van die laatste klinkt als filmmuziek van Ennio Morricone.
Bij Southern Woman vroeg ik me sterk af of dit geen cover van Uriah Heep was, maar het is toch werkelijk een liedje van Young met niet-bandlid Ray Brandle, met bovendien een heerlijke gitaarsolo.

Internet levert zoals zo vaak leuke feitjes. De hoes toont een man van het type Gandalf met in zijn baardharen de initialen van tekenaar Leon J. Rosenblatt. In 1980 verscheen het album onder de titel Miracles in een nieuw jasje, waarbij Lies plaatsmaakte voor de met mellotron overgoten ballade Unfinished Song . Een slechte ruil.
Ook lees ik dat er in ’74-’75 onenigheid met de platenmaatschappij ontstond over de vermeend gebrekkige promotie, waarmee dit hun laatste plaat voor Wooden Nickel was.

De overeenkomsten met Uriah Heep vind ik verrassend groot, zij het dat bij Styx het geluid wat “ronder” klinkt en het gaspedaal vaker wordt ingedrukt. Heb nog eens opgezocht of de bands in de jaren 1970 – 1974 wel eens samen hebben opgetreden, maar volgens de giglist van Heep is dat niet het geval. Ook ken ik geen biografie die antwoord zou kunnen geven op mijn vraag of de groep uit Chicago door de Londenaren was beïnvloed; heeft musician in 2011 de bio die hij noemt aangeschaft en weet hij meer? Of biedt de bio die Lonesome Crow hierboven noemt antwoorden?

Een album dat veel meer een eenheid vormt dan zijn voorgangers, maar het tegelijkertijd zonder grootse nummers moet doen. Mijn 6,5 zet ik om in drie sterren. Daarbij zullen Golden Lark, A Man like Me en Man of Miracles op mijn afspeellijst van de groep komen.

Styx - Paradise Theatre (1980)

poster
4,0
‘Wat een vetvlekken op het vinyl!’ was het eerste wat ik dacht toen ik Paradise Theatre uit de wederom fraaie hoes haalde. Toen ontwaarde ik een deel van de groepsnaam en tijdens het draaien heb ik hierboven gelezen wat hier aan de hand is: ik wist niet eens dat de techniek van laserbranden in vinyl bestond! Wel een statusdingetje, het gevolg van drie voorafgaande platinum albums en dit zou de vierde worden. Wederom in een prachtige klaphoes met de teksten aan de binnenzijde. Opvallend detail is dat het ‘Theatre’ op de achterzijde als ‘Theater’ wordt vermeld.

Tijdens het luisteren knikte ik meestal goedkeurend. Lichte symfonische hardrock of vooral adult oriented rock, want de moeilijker muzikale delen van voorheen zijn zo goed als absent. Dit in lijn met de tijdgeest en de wensen van platenmaatschappij en (een deel van) het publiek. Gebleven zijn melodie en driestemmige koortjes en terug zijn de scheurende gitaren, al klinkt daarnaast pop en zelfs funk, het verhaal vertellend van een fictief theater in Chicago in de jaren 1928 – 1958.

Bij opener A.D. 1928 hield ik mijn hart vast: een pianoballade? Maar de tekst in de klaphoes laat zien dat dit dat dit slechts een introlied is. Het gaat spoedig over in het aangenaam stevige Rockin’ the Paradise, dat niet gecompliceerd is maar wel pakkend; het refrein is ouderwets goed. Op Too Much Time on My Hands klinkt voor het eerst bij deze groep een sequencer.
Nothing Ever Goes as Planned bevat naast een reggae-achtig ritme een blaaspartij in funkstijl, vergelijkbaar met Earth, Wind & Fire; de saxsolo in het einde is ook aangenaam. Hierboven werd een terechte vergelijking met 10CC gemaakt, dit is een muzikaal zijstapje dat goed in elkaar zit. Ballade The Best of Times verzoetigt gelukkig niet zoals Babe van het jaar ervoor in roze marsepein die je vullingen uit de kiezen doen kruipen, maar wordt stevig met prima gitaarwerk.

De B-kant begint met regen en onweer. Geen Black Sabbath en ook niet Heavy Metal Thunder van Saxon, associaties die ik meteen krijg. Als in Lonely People al rap een burenruzie klinkt gevolgd door blazers, ben ik meteen bij de les. Had ik dit nummer in 1980 gehoord, dan had ik die invulling niets gevonden, inmiddels denk ik daar anders over. Bovendien wordt het nummer steviger en bevat het een aparte gitaarsolo. She Cares is een uptempo popliedje met een aangename melodie; opnieuw ben ik positief, terwijl het niet eens stevig is.
Op Snowblind is de groep op z’n best, stevig en bluesachtig slepend met sterke melodie en zangharmonieën in het refrein. Idem voor Half-Penny, Two-Penny over de zoon uit de stinkend rijke familie Cleaver. Sterk nummer, al had gastmuzikant Steve Eisen zijn saxofoon bij het slot wel in de koffer mogen laten.
Met het korte A.D. 1958 lijkt de plaat af te sluiten, maar die eer gaat naar het nog kortere theaterpianootje van State Street Sadie, dat nog geen halve minuut duurt.

Eldridge Cleaver blijkt echt te hebben bestaan, zo wordt meteen in het begin van podcast ‘In the studio with Readbeard’ onthuld. Daarin zijn huidige leden én ex-lid Dennis DeYoung aan het woord. Het verval van het theater blijkt te staan voor het verval van de Verenigde Staten, zoals dat in 1979 zichtbaar werd. Thematiek afkomstig van DeYoung, die in een galerie het schilderij zag dat aan de basis van de hoes stond.
Wat ik niet meer wist is dat de groep vanwege antidrugslied Snowblind werd beschuldigd van satanisme door de PMRC van Tipper Gore. Zucht, daar keken we indertijd met verbazing naar. Interessant wat de heren in deze podcast daarover hebben te zeggen.

In Oor was Kees Baars positief, ook over de productie, die inderdaad voller klinkt dan op die vermaledijde voorganger. Het dubbele aantal sterren als ik die plaat gaf, gaat naar Paradise Theatre.
Mijn late ontdekking van het oeuvre van Styx blijft boeiend, zoveel is zeker. Met dit album was de groep weer in vorm. Ik weet inmiddels dat het hierna minder zou zijn geworden, maar misschien beleef ik dat wel anders? De reis door Styx' discografie gaat verder...

Styx - Pieces of Eight (1978)

poster
4,5
Als puber ging ik af op radio, vooral de hitsingles. In 1977 vond ik Dust in the Wind van Kansas heel mooi, wat de toegang werd tot hun moeilijker te begrijpen werk. Diezelfde puber vond Sing for the Day en Babe van min of meer genregenoot Styx veel te glad en dus liet hij die groep links liggen.
Totdat hij vorig jaar hun The Mission (2017)van deze groep ontdekte en omver werd geblazen. Hij begon hun materiaal te verzamelen op vooral tweedehands vinyl, waarmee hij hun albums van 1975 tot en met 1983 toevoegde aan zijn collectie.

Vanaf februari ben ik gaan luisteren. Zo kom ik jaar na jaar, album na album verder. Alhoewel ik de verhalen over Styx' albums op MuMe lees, beluister ik eerst een album en lees dan pas wat MuMensen hadden te melden, de verhalen bij navolgende albums vermijdend. Geen spoilers, al kwam ik natuurlijk wel verhalen over de groep tegen. En toch: met frisse oren luisteren staat voorop, niet wat "men" vindt.

Met Pieces of Eight ben ik toe aan hun achtste. Met excuses aan de ervaren fans van Styx kan ik hier duidelijk zijn: Pieces of Eight is voor mij hun één na beste album, het beste wat ze tot dan toe afleverden. Alleen over The Mission ben ik (tot dusver, ben pas halverwege!) meer enthousiast. Het album bevat de welhaast perfecte combinatie van scheurende gitaren, pakkende koortjes, symfonische toetsenpartijen, sterke composities en als aardbei in de cocktail het kerkorgel dat in I'm OK meedendert.
Alleen Renegade op de B-kant houdt mijn aandacht minder vast, zelfs als ik met die zijde begin in plaats van met de A-zijde. Het afsluitende instrumentaaltje Aku Aku is heerlijk ontspannen en doet me qua sfeer denken aan Laguna Sunrise (1972) en Fluff (1973) van Black Sabbath, dat net als Styx hiermee buiten zijn comfortzone trad.
In tegenstelling tot wat sommigen beweerden, is dit géén conceptalbum: hier zit geen lopend verhaal in. Wél kom ik eenzelfde thema tegen, over echtheid versus buitenkant en de leegheid van imago en geld. Spreekt mij aan.

In vergelijking met Kansas is de muziek iets makkelijker te doorgronden, maar in deze zelfde jaren schoof die groep voorzichtig op in de richting van dezelfde adult oriented rock-met-vleugjes-progrock als Styx al langer maakte.
Inmiddels heb ik me bijgelezen tot dit 1978. Hun Engelse manager Derek Sutton zorgde waarschijnlijk voor het contact met het Britse ontwerperscollectief Hipgnosis, wat de prachtige hoes opleverde die een zeker MuMens er twaalf jaar geleden toe zette een beschuitje met de dame te willen gaan eten. In de Amerikaanse pers werd het album neergesabeld, wat Sutton deed besluiten geen interviewverzoeken meer in te willigen (domme actie achteraf) en in Londen ontdekte de groep de gevolgen van de anti-symfostemming, ontstaan door de opkomst van punk en new wave.

Ik hoorde datzelfde jaar hoe Sing for the Day in november tot #18 reikte in de Nationale Hitparade en schoof het achteloos terzijde. Liever The Shirts met Tell Me Your Plans, Donna Summer met McArthur Parc, Status Quo met Again and Again en AC/DC met Rock 'n' Roll Damnation uit diezelfde week. Dat Styx met het stevige Blue Collar Man in februari '79 #47 haalde, ontging deze puber. Dommerikje...

Styx - Regeneration: Volume I & II (2011)

poster
4,5
In 2010 verkocht Styx bij hun concerten en via de website een EP met zeven nummers, in 2011 uitgebreid met een tweede schijf met daarop negen nummers: Regeneration: Volume I & II. Als je zoals ik hun discografie met terugwerkende kracht hebt verkend vanaf The Mission (2017), is dit een meer dan aangename dubbelaar. De afgelopen maanden heb ik vervolgens Styx' discografie vanaf hun debuut (1972) beluisterd. Op Regeneration klinken de klassiekers van de groep in een eigentijdse, volle productie.

Opvallend in de kleine lettertjes: de muziek op beide EP's werd door de muzikanten afzonderlijk opgenomen, ieder in zijn eigen studio. Zo komen we de plaatsnamen tegen van oorspronkelijke thuisbasis Chicago, Illinois (oerleden bassist Chuck Panozzo en gitarist-zanger James Young), Austin, Texas (bassist en akoestische gitarist Ricky Phillips) en het Canadese Toronto (zanger-toetsenist Lawrence Gowan).
Eveneens opvallend is dat er deze keer wél (co-)composities werden opgenomen van de vervreemde frontman Dennis DeYoung. Ik kom zijn naam bij vijf nummers tegen, zij het niet op de hoes.

Difference in the World sluit de eerste schijf af, een nieuw midtempo nummer van de hand van zanger-gitarist Tommy Shaw.
Vreemde eenden in de bijt zijn de nummers die de tweede EP afsluiten. Oorspronkelijk van Damn Yankees, de groep waarin Shaw actief was. De Amerikaanse hits High Enough en Coming of Age, beiden uit 1990, werden door hem geschreven met Jack Blades van Night Ranger en Ted Nugent.

Het was de laatste maal dat producer Gary Loizzo met Styx opnam. Sinds 2000 bij de groep betrokken overleed hij in januari 2016.
Wat me nu pas opvalt is dat de groep sinds coveralbum Big Bang Theory (2005) hun oorspronkelijke logo weer gebruikt. Symbool van de combinatie van jaren '70 hardrock met 21-eeuwse geluidskwaliteit, zoals ik Styx het liefst hoor. Heerlijke retrogressive aor/hardrock vol bombasme (het hammondgeluid bijvoorbeeld!), opmaat naar The Mission.

Styx - Return to Paradise (1997)

poster
4,0
Onnozel reis ik door de discografie van Styx, waarbij ik niet op Wikipedia vooruit lees hoe het de groep verging.

Daardoor vroeg ik me bij voorganger Edge of the Century (1990) af hoe de groep standhield in de grungegolf die een jaar later over de rockwereld spoelde. Het antwoord is dat ze in het najaar van '91 voor de tweede maal de handdoek in de ring gooiden, nadat hun label hen had laten vallen.

Dat is toch vreemd, gezien het mij onbekende tweede feit: Show me the Way vond ik van dat zwaar tegenvallende comebackalbum een vervelende ballade, maar het was een grote hit geworden, uitgegroeid tot een steunlied voor de soldaten tijdens de Golfoorlog. Vanaf augustus 1990 in de de Billboard Hot 100, #3 in maart 1991, 23 weken in de top 40 van die lijst. Rare jongens bij die platenmaatschappij, dat ze Styx na zo'n grote hit loslieten.
Dat drummer John Panozzo inmiddels was overleden was me bekend, maar niet dat hij ten tijde van de tweede comeback te ziek was om mee te doen en in 1996 zou overlijden. Tragisch.
Zijn (toen nog tijdelijke) vervanger op de heropname van Lady op Styx Greatest Hits (1995) is Todd Sucherman. Deze werd in '96 Panozzo's definitieve vervanger en is te horen op het grotendeels live opgenomen Return to Paradise, dat in 1997 verscheen en in de Verenigde Staten goud haalde.

Zijn er grote verschillen tussen het dertien jaar eerder verschenen Caught in the Act - Live en deze nieuwe liveplaat? Qua productie zijn die er inderdaad en dan prefereer ik RtP. De techniek was immers gegroeid.
Tommy Shaw is terug en daarmee is Glen Burtnik, verantwoordelijk voor diverse mindere nummers op Edge of the Century, gelukkig weg.
Qua setlists van beide albums staan op RtP enkele nummers die op de eerste liveplaat ontbraken: Lady, Grand Illusion, Lorelei, Renegade en vanzelfsprekend het nieuwe Show Me the Way. Boat on the River stond indertijd al wel op de Nederlandse editie van CitA-L, maar niet op de Amerikaanse en is op RtP wel te vinden.
En tenslotte: waar CitA-L al met een nieuw studionummer begon, staan er op RtP maar liefst drie. Hiervan twee ballades, te weten Paradise en Dear John en ook met deze Styxballades heb ik wederom weinig. Opener On My Way vind ik echter lekker.

Een leuke terugkeer voor Styx, al ben ik vooral benieuwd hoe hun volgende studioplaat werd. Hopelijk niet zoveel ballades als op Edge of the Century... Een krappe 8 voor Return to Paradise.

Styx - Styx (1972)

poster
3,5
Onder het motto 'Beter laat dan nooit' ben ik aan een ontdekkingsreis door Styx' discografie begonnen, nadat The Mission (2017) mij onlangs zo goed beviel.

Sommige bands beginnen met een briljant debuut dat nooit wordt geëvenaard, andere doen er langer over voordat de topvorm wordt bereikt. Styx zit in de tweede categorie, al is dit debuut een dikke voldoende.

Van Wikipedia leer ik dat de groep vooral covers diende op te nemen van hun platenbaas, zij het dat ze de originelen voordien niet kenden. Daarbij gingen deze nummers door het muzikale filter van Styx, waarmee meteen een eigen geluid klinkt.
Mijn favorieten zijn eigen compositie Best Thing en After You Leave me, oorspronkelijk van funkman George Clinton.
Maar ook de opener mag er zijn: bij progrocker Moment for the Common Man, moet ik net als hierboven Raymond S, denken aan stevige symfonische rockbands als Yes en Uriah Heep. Met zijn diverse delen, waarin uit het werk van de moderne klassieke componist Aaron Copland wordt geciteerd, is dit een boeiende compositie.
Pakkend is eveneens het drukke, progachtige intro van What Has Come Between Us, dat verderop in de refreinen al dat krachtige meerstemmige geluid meekreeg, zo typisch voor de sound van Styx.

Dan vraag ik mij af: zou het kunnen dat we op dit debuut tevens het begin horen van adult oriented rock?
Onder hetgeen ik onder die term versta, zou dat best kunnen: stevige, meezingbare hardrock met elementen uit de popmuziek. Of: vereenvoudigde, toegankelijke en herkenbare prog(hard)rock.

Dit wordt een boeiende inhaalslag, vermoed ik.

Styx - Styx II (1973)

poster
3,0
Deel 2 in mijn ontdekkingsreis door Styx’ discografie brengt me naar het jaar dat de groep maar liefst twee albums uitbracht. Leek de groep op het debuut te twijfelen tussen progrock en (tegenwoordig benoemd als) adult oriented rock, op opvolger II wordt gelaveerd tussen die vorm van radiovriendelijke hardrock en de vormen van rock die in 1973 gangbaar waren. In tegenstelling tot de voorganger klinken hier vooral eigen composities, op een verkorte fuga van J.S. Bach na.

De aftrap is pompeus met You Need Love, waarna de scheurende ballade Lady volgt, compleet met ronkende gitaren en knallende koortjes in het refrein. Qua arrangement doet het aan Uriah Heep denken, maar met zijn nog geen drie minuten is dit op popsinglelengte, veel korter dan de progrock die toen maatgevend was. Zanger en toetsenist Dennis DeYoung hield er kennelijk een eigen visie op na en mikte met dit liedje mede op een hitsingle. Alhoewel dit aanvankelijk mislukte, is interessant hoe het bijna anderhalf jaar later alsnog in de hitlijsten landde: Lady kwam half december 1974 de Billboard Hot 100 binnen, om in maart '75 #6 te halen.
Dan volgen twee nummers van gitarist en hier ook zanger John Curulewski. Het uitgesponnen A Day bevat westcoastrock met verderop een jazzachtig deel; het had zomaar op een plaat van The Doors kunnen staan. You Better Ask doet vervolgens aan gitaarrock á la Steve Miller denken, alsof die dit nummer als inspiratiebron voor Abracadabra (1982) heeft gebruikt.
Qua compositie zijn beide nummers van Curulewski dik in orde, maar ze dissoneren bij de meer compact hardrockende koers die Styx in latere jaren zou varen. Ook hier vallen ze enigszins uit de toon, maar storend vind ik dat niet.

De B-kant start met symforock als Fuga in ‘G’ van J.S. Bach wordt geleend, dat spoedig overgaat in Father O.S.A., waarin rustiger delen met piano of akoestische gitaar worden afgewisseld met scheurende gitaren. Ook hier moet ik aan Heep denken.
Idem voor Earl of Roseland, waar drummer John Panozzo heerlijk druk speelt, in de virtuoze stijl zoals die eind jaren ’60 modieus werd; je hoort hier de invloeden van Keith Moon en Ginger Baker. Koortjes klinken opnieuw, maar niet zo massief als in de eerste twee nummers van het album. Hetzelfde drukke drumspel hoor ik in het afsluitende I'm Gonna Make You Feel It, waarbij de nadruk op koortjes groter is.

Daarmee zijn You Need Love met Lady mijn favorieten, met de dubbelslag van de B-kant Fuga in ‘G’ / Father O.S.A. als goede derde. Styx als een mix van late jaren ’60 (psychedelische/progressieve) rock met geliktere jaren ’70 hardrock. Dat de heren konden musiceren is duidelijk. Een eigen stijl is nog in ontwikkeling, waardoor echter wél extra variatie klinkt.
Gaf ik het debuut een 7 oftewel 3,5 ster, hier past een 6,5 als tentamencijfer, uitgedrukt in drie MuMesterren.

Styx - The Grand Illusion (1977)

poster
4,0
De voorbije maanden heb ik uit diverse bakken met tweedehands vinyl het nodige van Styx gevist. Maar dit album kocht ik nieuw, op eigentijds groen vinyl zelfs. Kennelijk hoopt de platenmaatschappij daarmee een nieuwe generatie vinylliefhebbers te winnen, of wellicht vermoeden ze dat oude fans hun grijsgedraaide exemplaren willen vervangen. Zelfs de poster ontbreekt niet (leuke conversatie daarover las ik hierboven) en eveneens leerde ik daar dat de hoes is geïnspireerd door dit schilderij (1965) van de Belgische schilder René Magritte.
Styx' zevende album in hun zevende jaar als kwintet, al maakte de kern van de groep (de ritmesectie van de gebroeders Panozzo en toen accordeonist Dennis DeYoung) al vanaf 1961 samen muziek. Over meer 'zevens' rond dit album vond ik hierboven enkele berichten; leuke weetjes!

Afgaande op wat de kenners op MuMe schrijven, ben ik definitief bij de gouden jaren van de groep beland; met The Grand Illusion uit juli 1977 haalde Styx bovendien in Nederland voor het eerst de albumlijst, zij het uiterst bescheiden en pas twaalf maanden later: één week #49. Hé, dat is zeven keer zeven! Ik had toen net hardrock en aanverwante genres ontdekt, waarbij ik Styx volkomen heb gemist. Vandaar deze inhaalreis door hun oeuvre.

Toetsen en gitaren strijden om voorrang, de typische koortjes klinken frequent en melodie is samen met afwisseling de grote winnaar. Voor mij is het hardrock die ik sterk associeer met de Verenigde Staten van de jaren '70. Ik zie een grote auto over de snelweg zoeven, dwars door de woestijn en uit de radio klinkt harmonieuze hardrock. In die auto zit een stelletje, beiden zingen luid mee.
Al bij de eerste tonen herken je het typische Styxgeluid. Soms is het klassiek en symfonisch, zoals de pseudo-ouverture in het titelnummer, een deel dat later in het nummer terugkeert. Invloeden van hardrock en melodieuze pop vullen titelnummer The Grand Illusion met een prachtig refrein én een boodschap die kritisch is op materialisme en competitie, in tegenspraak met mijn associatie: "So if you think your life is complete confusion, (...) just remember that it's a grand illusion".
De B-kant begint met het stevigste nummer van de plaat, uiteraard van de hand van James Young, die een kort en ingetogen toetsenintro liet voorafgaan. Hierboven lees ik dat Alfred Lagarde indertijd Miss America in zijn Betonuur draaide, wat me niets verbaast; zo hoorde hij het graag. Nergens zijn de gitaren zo prominent als hier.

De binnenhoes vermeldt wie welk nummer zingt: voor het eerst kan ik dat onderscheid duidelijk maken; Tommy Shaw en Dennis Young verdeelden de boel eerlijk en James Young staat bij de microfoon bij zijn eigen ode aan mevrouw Amerika. Hetzelfde geldt voor de gitaarsolo's, eveneens leuk om met die binnenhoes de muziek te volgen.

Lekker album, al vind ik het moeilijk om naast het titelnummer nog een favoriet aan te wijzen. Come Sail Away wellicht. Daarbij word ik niet omver geblazen zoals me vorig jaar met The Mission gebeurde; maar die verscheen dan ook veertig jaar later, een andere tijd met een andere aanpak van de groep. Tegelijkertijd is dit een plaat die vaker op de draaitafel moet belanden; waarschijnlijk is dit een groeibriljantje, dat rijpt door de tijd. Zoals bij menig MuMens hierboven.

Styx - The Mission (2017)

poster
5,0
Het beste album wat ik in 2022 ontdekte was The Mission van Styx, dan alweer vijf jaar oud. Ik kende de groep van hun hits van 1978-1980, die ik destijds slappe hap vond. Zodoende liet ik de band links liggen.
In 2017 kwam ik bij tijdschrift Classic Rock single Radio Silence tegen, die op een playlist van me belandde en zeer goed beviel. Zo goed, dat hij in de jaren erna steevast eruitsprong. Toen ik het album afgelopen december, kort voor Sinterklaas bij het inmiddels gesloten Velvet in Ede tegenkwam, besloot ik ‘m te kopen.

Zoals gezegd, het werd mijn favoriete ontdekking van vorig jaar! De afgelopen weken heb ik ‘m bijna dagelijks gedraaid. Eerst in de auto, later thuis. Ook zonder tekstboekje begreep deze luisteraar bij de eerste rit met Styx dat hier het verhaal wordt verteld van de bemanningsleden van een ruimteschip naar Mars. Het blijkt een boeiend verhaal, als een hoorspel.
De muziek blies me omver, laverend op de grens van progrock en aor. Soms is de muziek gecompliceerd, maar vaker dwingend tot meezingen, zó pakkend zijn de melodieën. Bij dit alles wordt op hoog niveau gemusiceerd. Speciale vermelding voor drummer Todd Sucherman: ben diens naam nooit eerder tegengekomen, maar mán, wat speelt ie goed!

Even briljant zijn de composities: hierin veel variatie. Soms is het ingetogen, soms stevig. Altijd zijn de melodieën sterk. Enkele voorbeelden: Overture is een korte maar krachtige opener die overgaat in het verslavend mooie Gone Gone Gone, Hundred Millions Miles from Home met zijn meer-dan-pakkende refrein, in Trouble at the Big Show wordt een bluesachtige shuffle gekoppeld aan de rode draad op dit album, namelijk de ijzersterke koortjes; Locomotive is dan weer ingetogen en akoestisch, perfect de eenzaamheid van een crewlid pakkend.
De meer-dan-aangename-verrassingen worden nog groter op de tweede helft. Hoe goed kan een refrein zijn zoals The Greater Good laat horen? Red Storm bevat fan-tas-tisch akoestisch gitaarwerk, het instrumentale Khedive met Lawrence Gowans ultrasnelle klassieke pianospel maakte dat ik verbijsterd over de snelweg reed; daarna The Outpost met het geluid van een 1979-drumcomputer in het intro, om vervolgens in prachtige bombast los te barsten…
Enige minpuntje is wellicht het einde van het album: waar je een bombastisch slot verwacht, eindigt The Mission met een “gewoon goed” nummer. Daar had de ouverture terug moeten keren.

Het cd-boekje is op chique dun karton gedrukt. Een verhaal vooraf en extra toelichtingen bij de liedteksten vertellen meer over de ruimtereis, zodat ik na de nodige beluisteringen in de auto meer details te weten kwam over het ruimteschip Khedive en diens bemanning, op weg naar Mars in november 2033.

Inmiddels heb ik me bijgelezen over de historie van Styx en drie oudjes van de groep op vinyl aangeschaft; opvolger Crash of the Crown (2021) wil ik op cd hebben en om mezelf te verrassen ga ik die níet van tevoren elders beluisteren. Hopelijk word ik wederom van mijn sokken geblazen, want The Mission is het beste “nieuwe” album wat ik in jaren heb gehoord.
Hierboven schrijft Grommetje over een "sterke terugkeer" en "ouderwetse kwaliteit". Ik vind zelfs die benamingen nog grote understatements... Als ik zes sterren had kunnen geven, had ik dat gedaan.

Styx - The Same Stardust EP (2021)

poster
4,0
De voorbije maanden heb ik het oude werk van Styx gehoord, daarom is het des te interessanter om recent werk te horen. Hier de EP The Same Stardust, verschenen in juni '21. Zoals Lonesome Crow al meldde staat het verse spul op kant 1 en die twee duren (te) kort. Het titelnummer trapt stevig af met een opvallende melodie in jaren '60-beatstijl, waardoor ik onmiddellijk aan Cheap Trick denk. Heerlijk nummer.
Het tweede en laatste nummer van die kant (die op blauw vinyl van 33 toeren draait) begint met elektrisch getokkel en een massief Styxkoortje, waarna zich een stevig midtempo nummer ontvouwt. Na een dikke 5 minuten is kant 1 dan alweer voorbij.

Kant 2 duurt een dikke 26 minuten en kent vijf livenummers. Er word geopend met Mr. Roboto van voormalig groepslid Dennis DeYoung, dat invloeden van vroege jaren '80 new wave bevat. Radio Silence was de sterke single van The Mission waardoor ik na 44 jaar alsnog Styx een kans gaf, nadat ik als tiener in '78 en '80 de hitsingles helemaal niks vond.
Man in the Wilderness, oorspronkelijk van The Grand Illusion, is als stevige aor-ballade een verrassende keuze; Miss America en Renegade zijn dat niet gezien de tracklijsten van eerdere livealbums. Daarmee is de tweede plaatkant prima maar trekken de nieuwe nummers van kant 1 mijn sterrenoordeel omhoog: 5 sterren voor de eerste helft.

Slechts zes dagen later verscheen Crash of the Crown, het enige album van de groep dat ik nog moet ontdekken.