MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Shooting Star - Shooting Star (1979)

poster
3,5
Eén van de fijne kanten van MusicMeter is dat je snel kunt checken of een plaat okay is. Vorige maand stond ik op een hete vrijdagmiddag in een Utrechtse platenzaak, waar ik bij het tweedehands vinyl dit debuut én de derde van Shooting Star tegenkwam. 'Is dit iets?' vroeg ik me af.
Hierboven kun je de twee reacties zien die ik in de winkel over Shooting Star las. Heldere bijdragen, waarvoor dank: over een stijl die wel/niet op die van de groep Kansas lijkt. Gezien de positiviteit van de twee verhalen besloot ik de platen niet te laten staan, zeker niet omdat ze slechts vijf euro kostten.

Interessante bandbio las ik op Wikipedia, in de trein op weg naar huis. Zo leerde ik dat de producer ene Gus Dudgeon was, bekend van onder meer Elton John (Your Song) en Chris Rea (Fool). Hoe liet zo’n popman een rockgroep als deze klinken?
Meer Wikifeitjes: de groep is afkomstig uit Kansas City in de staat Missouri, dus niet zoals de band Kansas uit Topeka in de staat Kansas. Ja lieve lezertjes, een topografielesje krijgt u er gratis bij… Op dit debuut speelden twee groepsleden gitaar en tevens twee beroerden de toetsen.

De productie is voor een plaat in deze stijl nogal droog. Even wennen, zeker nadat ik de voorbije maanden In for the Count van Balance en de twee eerste albums van Boston frequent had gedraaid. Bij die genregenoten (adult oriented rock) knalt de muziek lekker vet uit de boxen. Toch was na enkele draaibeurten de gewenning daar.
De meeste bands zetten toentertijd hun beste nummers op de A-kant, waarna het op de B-kant nogal eens inzakte. Op Shooting Star is het omgekeerde het geval. De eerste keer dat ik overeind veer is bij Bring it On, het laatste nummer van de A-kant, een pittige uptempo song met een heerlijk meerstemmig gezongen refrein, waarvan de riff mij zowaar aan Kansas doet denken. Dat komt dus niet door de viool van Charles Waltz, die klinkt op de A-zijde zelfs nog niet. Wel klinken op dit nummer een fraaie toetsen- en gitaarsolo.

De B-kant opent met Tonight, dat ingetogen begint maar al spoedig uptempo wordt mét een vioolpartij. Heerlijke song met een sterke riff en opnieuw een heerlijk refrein dat fraai meerstemmig de boxen verlaat.
Na de saaie ballade Rainfall volgen het vlotte Midnight Man en het slepende Stranger. Hierop is de typische sound van Amerikaanse aor te horen, met sterke melodieën en dito zang.
De elpee sluit af met magnum opus Last Chance, waarop men een bruggetje slaat naar symfonische rock. Nergens is de stijl progressiever dan hier. Na een ingetogen begin met piano en viool ontvouwt zich een gecompliceerde song. Hier spreidt zanger Van McLain zijn volle capaciteiten ten toon. Genieten is het tevens van de heerlijke toetsensolo en pittige riffs, met als kers op de taart de knallende drumbreaks van Steve Thomas.
Op cd en streaming krijg je als bonussong de B-kant van single You’ve Got what I Need, op elpee is dit de ietwat slappe opener. Maar Wild in the Streets is een stevige en lekkere rocker, waarin scheurende gitaren de sfeer bepalen, met bovendien felle gitaar-, toetsen- en vioolsolo's.

Deze band is zeker geen slap aftreksel van Kansas, zoals je zou kunnen denken. Wel hoor je dat het tijdgenoten zijn. Echter, op dezelfde wijze kun je vergelijkingen maken met bijvoorbeeld Journey of Styx. Gewoon een goede band met een eigen plek binnen de adult oriented rock. Dankzij de vijf (met bonus: zes) meer dan bovengemiddelde songs geef ik drieëneenhalve ster.

Binnenkort volgt mijn verslag van hun derde plaat.

Sign of 4 - Dancing with St. Peter (2003)

poster
3,0
Project van Phil Mogg, bekend als zanger bij UFO, gitarist Jeff Kollman die op Chocolate Box van Mogg/Way (1999) eveneens de snarenman was en drummer/producer Shane Gaalaas die voordien o.a. bij Yngwie Malmsteen werkte. De drie schreven gedrieën de muziek voor Dancing with St. Peter. Ongeveer gelijktijdig waren zowel UFO's Sharks als het album van The Plot in de maak, het project van UFO's Pete Way en Michael Schenker.

Net als op dat album van Mogg/Way zijn de bluesinvloeden bij $ign of 4 groot. Verder vooral gitaar en nauwelijks toetsen, waarmee de stijl zich onderscheidt van die van het moederschip. Aanbevolen voor liefhebbers van de puurdere blues(hard)rock, waar ik echter minder mee kan. Neemt niet weg dat Kollman een getalenteerde snarenman is.
Het nummer dat mij het best bevalt is akoestisch: Beautiful Friend. Even géén robuuste blues maar een fraaie ballade. Ook leuk is dat Clap Hands van Tom Waits' album Rain Dogs (1985) wordt gecoverd - toch liever het origineel.

In 2008 verscheen een heruitgave met andere hoes, waarop de groepsnaam Mogg & The Sign of 4 is.

Qua stijl passend in de revival van rauwe bluesrock die rond de millenniumwisseling de kop opstak en bovendien anders dan Moggs' vorige werk. Geschikt voor hen die stevige bluesrock een warm hart toedragen, maar niet mijn glas whiskey.

Sign of the Wolf - Sign of the Wolf (2025)

poster
3,5
De Britse journalist Bruce Mee heeft dezelfde muzikale voorkeur voor Ronnie James Dio als ik. Verschil is dat hij erin slaagde om muzikanten die met de legendarische zanger werkten te verzamelen voor project Sign of the Wolf, die gezamenlijk de muziek van de Zweedse gitarist Fredrik Folkare (ik ken hem van Nordic Union) uit te voeren.

Welke musici dan? Wel, onder meer gitarist Doug Aldrich (Dio) drummer Vinny Appice (Black Sabbath, Dio, Heaven and Hell, Dio) en grootste verrassing is toetsenist Tony Carey (Rainbow).
Dat alles wist ik niet toen ik ging luisteren, nieuwsgierig gemaakt door vielips enthousiasme. Het album opent met ijle klavieren die me onmiddellijk deden denken aan Tarot Woman van Rainbow. Wat volgt is een sterk en uptempo nummer genaamd The Last Unicorn. Het vervolg is er met het Dioaanse en nét iets snellere Arbeit Macht Frei. Heb geen tekst kunnen vinden, maar ik mag hopen dat er enig begrip is van de historische schanddaad die achter die titel schuilgaat; al luisterend haal ik het er niet uit. Wel hoor ik dat de riff aan het werk van Vivian Campbell bij Dio doet denken. Zanger Andrew Freeman van Dio-tributegroep Last in Line zingt in die en navolgende nummers vooral op volle kracht.

Still Me is midtempo en bevat een mooie tekst over je unieke ik, met het slepende Silent Killer is daar het vierde sterke nummer op rij en Rainbows End heeft met de gitaarharmonieën meer weg van de Scorpions dan van de groepen waarin Dio zong.
Dat is een prima nummer, maar ik begin variatie te missen. Verschillen in dynamiek, hard-zacht, tempowisselingen in een nummer. Iets waar Ritchie Blackmore en Tony Iommi zo in schitterden. Het wordt me te power metal dat vaak aan hetzelfde euvel lijdt.

Dan mag Carey nog eens flonkeren in het intro van Rage of Angels, waar die power metal vervolgens domineert. Het is nog altijd een stuk beter dan het felle Murder at Midnight, dat bovendien inspiratieloos wordt weggedraaid. Ook Bouncing Betty lijdt aan de weinige afwisseling in composities, met de dikke 7 minuten van Sign of the Wolf wordt echter sterk afgesloten.

En toch raak ik steeds vanaf track nummer 5 steeds meer verzadigd, mede omdat Freeman bijna uitsluitend voor vol gas kiest. Het zit 'm in de composities, niet in zijn stem. Wat meer ruimte voor toetsen had ook gemogen, al is het smullen voor de fans van snel gitaarsoleren.
Misschien komt mijn reserve mede omdat er maar liefst twaalf muzikanten meedoen die allen hun plek behoeven. Het is me te veel van hetzelfde, soms bereik je immers meer met weglaten dan met volstoppen. Een dikke 7 is het resultaat.

Silent Running - Shades of Liberty (1984)

poster
3,5
Na alle doemwave van begin jaren ’80 leek er vanaf circa 1982 een tegenwindje op te steken van posiwave. Ierland had U2, Wales had The Alarm, Schotland had Big Country én Simple Minds en in 1984 kwam daar het Noord-Ierse (Belfast) Silent Running bij. Vermoedelijk had de inkoper van Free Record Shop grote verwachtingen van Shades of Liberty, want in diverse filialen van de winkelketen kwam ik ‘m indertijd veelvuldig tegen. Een radio- of verkoopsucces werd het echter niet, ondanks de sterke muziek. Hoe is dat toch mogelijk?

Afgelopen voorjaar heb ik de elpee dan eindelijk gekocht. Voorheen was ik in de veronderstelling dat ie in de Angelsaksische landen goed had verkocht, maar Wikipedia leert mij dat dit niet het geval was. Vreemd voor een band met de toegankelijke stadionsound die ik hier hoor.
De toetsenpartijen vanaf Alex White waaieren vanaf de eerste seconde breed uit, kort daarop gevolgd door de gitaarpartijen van Tony Scott. Zanger Peter Gamble galmt dat het een lust is. Alles klinkt vol en krachtig.
Tegelijkertijd is dat misschien het probleem. De liedjes lijken namelijk wel erg veel op elkaar, climax- of tempoverschillen kent de plaat nauwelijks. Alleen het intro van de opener van B-kant, titelsong Shades of Liberty, begint enigszins ingetogen. Toch vind ik daar bovenop nog twee liedjes die er bovenuit steken met hun sterke melodieën: Home is where the Heart is en Young Hearts.

Ligt het aan mij dat de plaat als geheel mij niet wil grijpen? Oordeel zelf: luisteren kan sinds kort via streaming. Eind 2020 trof ik daar slechts een vrij recent concert (2019) van hen aan, dat bovendien van matige audio was. Dat album is verdwenen. In plaats daarvan staan er nu de vier officiële studioalbums, waarbij ik zowaar ontdek dat dit jaar hun comebackplaat verscheen.

Deze plaat kent geen slechte nummers, dus zijn er ongetwijfeld MuMensen die er meer mee kunnen dan ik; ik houd het bij een brave drieëneenhalve ster. Degenen die de vergelijkingen die ik aan het begin maakte appreciëren, vinden bij Silent Running ongetwijfeld muziek waar ze vrolijk van worden. De groep verdient namelijk meer dan de vergetelheid.

Daarbij ben ik benieuwd of pjh1967 inmiddels zijn platenspeler heeft laten repareren en zo ja, wat hij van Shades of Liberty vindt!

Silly - Silly (1980)

poster
3,5
In mijn tocht door new wave was mijn vorige halte in het Engelse Sheffield bij de avant-gardegroep Cabaret Voltaire. Tijdens de reis kwam ik éénmaal eerder de naam van een DDR-artiest tegen: Nina Hagen en haar eerste opnamen, in 2020 verschenen verzameld op Was Denn...? Hier een groep die niet naar het westen vertrok.

Nu dus de volgende. Opgericht in 1978 in Oost-Berlijn in de wijk Prenzlauer Berg. In die tijd nog gelegen in de DDR was een eigentijdse popgroep als Silly bij voorbaat verdacht bij de communistische autoriteiten en dat gold ook voor de Angelsaksische naam. De groepsnaam werd gewijzigd naar Familie Silly en een kat werd aangewezen als mascotte met de naam Silly, als verhaal om onder de overheidsbemoeienis uit te komen. Het enige platenlabel van het land, Amiga, staat uiteraard ook onder controle van de communistische partij en ziet een contract niet zitten.
De groep bestaat dan echter uit vier goede muzikanten met als blikvangster zangeres Tamara Danz. Zij en een ander groepslid spreken Roemeens en hun contacten daar leiden ertoe dat de groep in Roemenië kan optreden. Bij één van die concerten is een westerse platenbaas aanwezig; het leidt ertoe dat de groep bij het West-Berlijnse label Rocktopus (sublabel van het grote Hansa) haar debuut kan uitbrengen. De directie van Amiga zal dit nieuws met gefronste wenkbrauwen hebben vernomen. De groep krijgt geen toestemming om de muziek in West-Berlijn te maken en dus gaat men in de studio van Amiga aan de slag.

Qua new wave is Silly muzikaal gezien een buitenbeentje. Eigenlijk klinkt hier meestal mainstreampop en qua uiterlijke verschijning lijkt met de lange haren van de leden, één van hen bovendien met lange baard, in niets op hun westerse collega's binnen dat genre. Toch heb ik de groep in mijn afspeellijsten met wave gezet: subtiel klinkt protest tegen de overheid en is dat niet één van de motivaties van de prille punk, new wave en post-punk. De cultuur in de DDR is anders; verpakt in vaak mainstream rock klinkt bij Silly wel degelijk anti-establishment.
Nu kreeg new wave ook in het westen vanaf 1980 mainstream elementen: denk aan de mode van de new romantics en groepen als Duran Duran en Spandau Ballet. Wat dat betreft is het alsof Silly hen vóór was.

Veel inleiding, hoe zit het echter met de muziek? Met de hoes valt meteen op dat de groep zich weer gewoon Silly noemde. Opener Tanzt keiner Boogie is op funk geschoeid en Danz vraagt zich af "Wer tanzt mit mir, kein Mesch tanzt hier, Sie sitzen rum bei ihrem Bier". Je kunt er, goed gecamoufleerd, een politieke boodschap in lezen: "Tanzt keiner Boogie von diesen hochverehrten Herrn?". De krachtige stem van Danz heeft een rauw randje en overtuigt onmiddellijk.
Angst in der Nacht begint met elektrische piano, intro van een vlot rocknummer dat een nachtmerrie beschrijft; opnieuw kun je er ook kritiek op het leven in een dictatuur in horen. Het volgende nummer Mitternacht dan echter een heel brave liefdesballade, waarna Blue Jeans opnieuw pittige rock bevat met een tekst die duidelijk een voorkeur voor de westerse spijkerbroek verraadt, als kleine verzetsdaad tegen de op Moskou georiënteerde (mode)opvattingen van de DDR-leiders.

Kant 2 start met Pack deine Sachen met muziek die je wel met die van Het Goede Doel zou kunnen vergelijken: poprock die bovendien dansbaar is. Reggae in het pakkende Danach kräht kein Hahn mehr, vlotte rock in Ich Reiß Ihn Aus en een kalm slot middels Gut´Nacht Amigo.

Wat ik niet heb kunnen vinden is de verschijningsdatum, die vermoedelijk in de tweede helft van 1980 ligt. Dat blijkt uit het feit dat in Oost-Berlijn de heren van Amiga plotseling wél wat in dit album zien en het in 1981 alsnog uitbrengen onder de titel van het openingsnummer. Bij Tanzt Keiner Boogie? vervolgt dan ook mijn verhaal.

Met eerst een PS'je: vorige week zag ik de indrukwekkende ZDF-documentaire 75 Jahre Deutschland – Wir Grenzgänger over het leven in de DDR, over vrijheid en staatscontrole. Daarin enkele bijzondere verhalen, die me soms bijna naar adem deden happen. Helpt om te begrijpen in welke context Silly haar muziek maakte. Knap dat men dan met dit album wist te komen, dat bovendien goed geproduceerd is.

Silly - Tanzt Keiner Boogie? (1981)

poster
3,0
Dit album van het Oost-Berlijnse Silly is grotendeels dezelfde als het album Silly, dat ik zojuist beschreef.

Het was 1980, de Koude Oorlog bevroor de wereld en zowel het democratische westen en communistische oosten hadden raketten met kernkoppen op elkaar gericht. Silly weet evenwel hun debuut in West-Berlijn uit te brengen bij het label Rocktopus, een dochter van het grote Hansa. De leden mochten daarvoor echter niet naar West-Duitsland (ze konden eens besluiten daar te blijven) en de enige platenmaatschappij van de DDR Amiga biedt alsnog zijn studio aan.

Iets later, in 1981, verschijnt de plaat alsnog in de DDR, nu met andere hoes, de titel Tanzt Keiner Boogie? én een gewijzigde tracklist.
Van de westerse versie sneuvelen Mitternacht en Ich Reiß Ihn Aus. Daarvoor in de plaats komt uptempo poprock in Irgendwann Stinkt Jeden Mal Was An, het stampende kroeglied Der letzte Kunde met enkele leden van DDR-groep City, plus het ingetogen en diep-melancholische Menschenland, waarbij de overige nummers in andere volgorde in de groef worden geperst.

Qua tracklist hoor ik dan toch liever de westerse editie, al is Menschenland meer dan fraai gezongen door Tamara Danz. Opvallend voor een geïsoleerd land als de DDR is dat de productie dik in orde is; het moest zich kunnen meten met de westerse muziek, zoals zelfs de West- en Oost-Berlijnse dierentuinen met elkaar concurreerden... In 1983 verscheen de opvolger Mont Klamott, die ik bij dat jaar hoop te bespreken. In 2006 verscheen deze Silly's als onderdeel van de 7cd-box Die 7 Original Alben.

Mijn reis door new wave gaat terug naar 1978 omdat ik een Londense groep heb overgeslagen: Penetration en elpee Moving Targets.

Silver Mountain - Roses & Champagne (1988)

poster
2,5
De derde van het Zweedse Silver Mountain verscheen drie jaar na Universe. Hun debuut bevatte onstuimige neoklassieke metalfurie, de tweede was bedachtzamer en de derde… vlees noch vis.
Groepsleider Jonas Hansson is een meester op de zes snaren. Toetsenist Erik Björn Nielsen is van gastmuzikant tot vast groepslid gepromoveerd, nieuw zijn drummer Kjell Andersson en zanger Johan Dahlström. Qua composities kregen ze voor Roses & Champagne van Hansson materiaal waarvan de melodieën meestal flauw zijn. Qua teksten wordt nogal eens op een romantische inslag gemikt, anders dan voorheen.

De vrij vlakke stem van Dahlström is niet zo pakkend en soms moet hij zó de hoogte in dat hij gaat knijpen, zoals in Where Are You. Nee, dit album moet het van de gitaarbijdragen hebben, die Hansson was zijn capriolen immers niet verleerd.
Op MuMe mag je voor een album van tien nummers twee favorieten aanwijzen. Soms is dat veel te weinig, hier is het zoeken met een zaklampje naar hoogtepuntjes. Ik kom uit bij opener annex titelnummer Romeo & Juliet en Forest of Cries.
Het gebeurde voorheen met Britse groepen die opkwamen met de New wave of British heavy metal. Velen van hen bleken ongeschikt voor de pop- en glammetal die in de tweede helft van de jaren ’80 populair was. Ook Silver Mountain slaagde er niet in die overstap te maken.

Hansson ontbond hierop de groep en de gitarist probeerde tevergeefs in Los Angeles een doorstart te maken. Vervolgens begint hij een carrière als studiotechnicus. Zo ontmoet hij daar landgenoot Marten Andersson. Korte tijd maakt Hansson deel uit van diens groep Legacy, met wie in 1998 een titelloos album wordt gemaakt.
Het jaar erop brengt Hansson het instrumentale soloalbum Classica uit, in 2006 jaar gevolgd door Vallhalarama. Beide albums zijn op streaming te vinden.

Tussendoor is in 2001 een kortstondige reünie van het oorspronkelijke Silver Mountain getiteld Breakin' Chains, waarop men terugkeert naar de energie van het debuut.

Silver Mountain - Shakin' Brains (1983)

poster
4,0
In Nederland vrij onbekend gebleven is het Zweedse Silver Mountain. Ik hoorde hen voor het eerst in 1982 met een demo bij KRO-programma Stampij (hoor hier vanaf 30'26"). Silver Mountain vond onderdak bij het Nederlandse label Roadrunner; kwam dat mede door die uitzending?
Van dezelfde generatie muzikanten als die van Europe, speelt deze groep op hoog tempo neoklassieke metal, waarin de invloed van de New wave of British heavy metal echoot. Het is op Shakin' Brains dus steviger dan bij hun bekendere landgenoten, waarbij de gitaarsolo's van Jonas Hansson je om de oren vliegen en in iets mindere mate geldt hetzelfde voor de toetsensolo's van Jens Johansson.

Jonas Hansson schreef tevens muziek, teksten én deed de zang. Dat laatste krachtig en verdienstelijk, maar met het hoge spelniveau van de muzikanten is dit lichtelijk de achilleshiel van de groep; zeker bij een heel album lang wordt zijn stijl wat eentonig.
Neemt niet weg dat liefhebbers van snelle gitaarsolo's hier véél kunnen genieten. Luister in het bijzonder naar Looking for You, waar Hansson in het slot helemaal lósgaat en zijn eigen Eruption creëert, maar dan in Europese, neoklassieke stijl.

Indertijd vernieuwend. Alsof Rainbow de energie van de nieuwe golf Britse metal had geabsorbeerd. Aanbevolen voor fans van de NwoBhm, Ritchie Blackmore, Randy Rhoads, Europe, de eerste albums van Virgin Steele (gitarist Jack Starr) en het werk van Yngwie Malmsteen.
Toetsenist Jens Johansson verruilde enige tijd later Zweden voor de Verenigde Staten om dienstplicht te ontlopen. Hij voegde zich bij de groep van Malmsteen en was op tijd voor diens solodebuut. Silver Mountain vond spoedig een vervanger en ging door.

Silver Mountain - Universe (1984)

poster
3,5
De eerste Silver Mountain, Shakin' Brains uit 1983, bevatte een onstuimige fusie tussen de New wave of British heavy metal en neoklassieke gitaren. Opvolger Universe is kalmer.
Nieuw is zanger Christer Mentzer, waardoor meestergitarist Jonas Hansson zich op zijn partijen kon concentreren. Verdwenen zijn de gebroeders Johansson: zowel toetsenist Jens als drummer Anders speelden inmiddels in de groep van Yngwie Malmsteen. Vervangende stokkenman is Mårten Hedener en voor de klavieren schoof een studiomuzikant aan. Bassist Per Stadin bleef aan boord.

Mentzer is een prima vocalist, wiens timbre iets wegheeft van Graham Bonnet, de stem van de Zweed minder rauw. De groep speelt melodieuzer en op lagere tempo's, in lijn met de hardrockende tijdgeest (MuMe geeft 1984 als verschijningsjaar, Discogs houdt het bij 1985). Liever hoor ik echter de onstuimigheid van het debuut en ook de talrijke gitaar-toetsenduels worden gemist.
Desondanks is het genieten van Hanssons gitaarwerk, telkens weer hoogtepuntjes. Ze bevatten smeuïge invloeden uit de klassieke muziek. Waar ik op het debuut vooral de invloed van Ritchie Blackmore hoorde, klinkt hier mede het geluid van gitarist Ulli Roth in diens tijd bij de Scorpions.
In de stevige opener Shakin’ Brains zou je bijna denken dat Yngwie Malmsteen hier speelt; waarom die wél doorbrak en deze Jonas Hansson niet, is me een raadsel. Call of the Lords is een sneller en intenser nummer, qua muziek lijkend op het debuut.
In mijn beleving is kant 2 de beste. Zo klinkt in opener Why heerlijk neoklassieke metal en op Help Me dankzij Erik Björn Nielsen een (te) korte toetsensolo. Deze wordt uiteraard gevolgd door smakelijke snarenracerij. Ander hoogtepunt is het uptempo Too Late waar zanglijn en gitaarwerk excelleren. Het afsluitende instrumentale Niagara is kort maar krachtig.

Het album staat niet op mijn streamingkanaal, wél op YouTube. Een interview met Hansson uit 2022 is te vinden bij Musikholics.

Simple Minds - Empires and Dance (1980)

poster
3,5
Empires and Dance. Eén van de Simple Minds waar ik wel over las en in de platenzaak tegenkwam, maar nooit hoorde. Wat valt dan op?

Ten eerste dat ik nu Jim Kerr herken als Jim Kerr. Dat klinkt wellicht vreemd, maar hier (september 1980) herken ik zijn stem als dezelfde van de latere doorbraakhits. Op de eerste twee platen vroeg ik me namelijk dankzij productie (?) en de zoektocht van de groep naar een eigen stijl - en Kerr dus naar een eigen zangstijl - of dit werkelijk dezelfde Jim Kerr was.
Het tweede wat opvalt is dat de Simple Minds hier een eigen geluid hebben, minder divers en van-de-hak-op-de-tak dan op de voorgangers. Die vond ik juist daarom wél erg leuk.
Ten derde klinken de echo's van Europa hier door, zoals de Franse en Duitse taal in teksten en liedtitel Kant-Kino. De groep was op tournee geweest en had het continent opgesnoven.

Mogelijk wijk ik af van de standaardopinie, maar niet alles pakt me hier. Opener I Travel is lekker, verderop zijn de muzikale thema's soms eenvoudig en repetitief: waar anderen heel blij worden van This Fear of Gods, vind ik de zeven minuten daarvan wel érg lang.
Aangenaam is dat het soms indirect een injectie van de synths Giorgio Moroder heeft gekregen, vergelijkbaar met wat deze in 1979 bij Sparks (No. 1 in Heaven) en Japan (te vinden op hun verzamelaar Assemblage uit '81) knutselde. In een nummer als Celebrate hoor ik tegelijkertijd overeenkomsten met Depeche Mode en Thirty Frames a Second brengt dankzij het gitaarwerk de associatie met Ultravox.
Het experiment van Twist/Run/Repulsion en de korte afsluiters Kant-Kino en Room gaan dan weer andere kanten op. Een eigen geluid is te midden van deze variatie hoorbaar in de maak.

Ik ben op reis door new wave en nadat mijn vorige halte 1981-album Talk Talk Talk van The Psychedelic Furs was, keer ik terug naar mei 1981 en de dubbele opvolger van Empires and Dance: eerst Sons and Fascination, dan Sister Feelings Call. De Simple Minds waren uiterst productief in deze jaren, ondanks dat dit album en de singles ervan flopten, waarna Arista/Zoom de groep liet vallen.

Simple Minds - Life in a Day (1979)

poster
4,0
Mei 1979 verscheen deze debuutelpee van Simple Minds. Ik leerde de groep in 1982 kennen via de hit Promised You a Miracle, dan klinkt Life in a Day wel even anders... Maar heel lekker!
Grootste verschil is de stem van Jim Kerr, die zijn stembanden hier heel anders gebruikt. Nauwelijks herkenbaar van het geluid waarmee ik hem vanaf '82 ken, hoger en drukker zingend... Maar heel lekker!

Graaiend uit allerlei muzikale snoepbakken klinken de Simple Minds onstuimig, als de eerste drie albums van Ultravox! dat eveneens vrolijk stuiterend musiceerde en waar gitaar- en synthesizer een vol geluid brachten, terwijl bas en drums de boel opstuwden. Dat is wat ik dit album zo charmant vind maken: de energie, het er volle bak inknallen.

Ik herken de vergelijkingen eerder op MuMe gedaan, zoals het geluid van artrock van Roxy Music (de barokke aanpak in opener Someone, de blazers (niet op de hoes vermeld) in slotlied Murder Story). En inderdaad, de springerige invloed van Sparks klinkt in de toetsen- en zanglijn van No Cure.
Andere associaties: door de orkestrale toevoegingen (cello's in het slot van Pleasantly Disturbed), denk ik aan E.L.O., wier Out of the Blue gelijktijdig, inmiddels voor de 79e week in de Britse albumlijst stond. En het orgeltje, de opbouw plus zanglijn van Destiny ? The Stranglers, toch?
Maar vooral een eigen onstuimigheid, waarin de nodige variatie langskomt. Soms dansbaar met viool in Pleasantly Disturbed, of anders-swingend in Chelsea Girl of het op een scheurende gitaar leunende Wasteland met even later een prominente synthesizer.

Bescheiden succes in het Verenigd Koninkrijk met single Life in a Day : het haalt in mei 1979 #62. Als album echter succesvoller met als hoogste notering #30 in diezelfde maand.

Mijn reis door new wave kwam van OMD's debuut. Omdat ik Elvis Costello's Armed Forces en XTC's Drums and Wires al eerder beschreef, vervolg ik in mei '79 bij de enige hit die The Rumour zelfstandig in Nederland scoorde, te vinden op Frogs Sprouts Clogs and Krauts van het jaar ervoor.

Simple Minds - Real to Real Cacophony (1979)

poster
4,0
Verschenen in november 1979, was Real to Real Cacaphony er zes maanden na het debuut. Anders dan toen werd het meeste werk in de studio geschreven.
Opnieuw klinken overeenkomsten met de prille synthpop, zoals opener Real to Real iets wegheeft van Gary Numan. Tweede nummer Naked Eye zou je als postpunk kunnen kwalificeren met lekkere drumeffecten in het spel van Brian McGhee, dankzij de productie van John Leckie. Die hoor je ook in het melodieuzere Citizen (Dance of Youth).
Carnival (Shelter in a Suitcase) springt bijna als ska - maar dan bruisende wave met gitaar (Charles Burchill) en toetsen (Michael MacNeil) om voorrang strijdend, terwijl Factory aangename monotonie bevat met aangenaam klagerige zang van Jim Kerr. Die wijzigt sowieso zijn stijl per nummer mee met de muziekstijl.
Die diversiteit aan stijlen bereikt een hoogtepunt aan het einde van kant 1 met twee instrumentale nummers: eerst het korte Cacaphony en dan 3'33" vervreemdende klanken in Veldt.

Kant 2 opent dan verrassend toegankelijk en dansbaar via repetitieve baslijn (Derek Forbes) in Premonition, op Changeling domineert weer synthpop, derde instrumentaal Film Theme doet z'n naam eer aan in de geest van Bowies Berlijntrilogie. Meer synthwave met stevige gitaar in Calling Your Name en slotlied Scar.

Een album vol creativiteit. Niet alles is even spannend, maar door alle afwisseling en de soms donkere sferen, passend bij het Schotland van die dagen. Ook daar regeerde Margaret Thatcher, druk doende de verouderde economie te vernieuwen door keiharde saneringen, leidend tot hoge werkloosheid. Voeg daar de atoomdreiging bij en je hebt de sfeer rond Real to Real Cacaphony.
Dat lijkt negatief, maar juist daarin bruiste het talent van dit vijftal. Anders dan bij de voorganger haalden de Schotten er echter niet de Britse album- of hitsinglelijst mee...

Dit is echter spannender dan mijn vorige halte in de reis door new wave van (momenteel november) '79, Let It Roll van Dr. Feelgood. Dan ben ik toe aan twee punkpioniers. Eerst The Boys, die aan het einde van die maand hun vaak vrolijke derde album uitbrachten.

Simple Minds - Sister Feelings Call (1981)

poster
4,5
Mijn afspeellijsten met new wave staan op chronologische volgorde. De albums achter die afzonderlijke tracks ben ik aan het beluisteren, momenteel in mei 1981 als vorige station The Human League zijn eerste grote hit scoort en Simple Minds het met de veel bescheidener notering van The American moeten doen. Het haalde aan het einde van die maand slechts #57.

Desalniettemin een erg lekker liedje, dat in september het tweede nummer op Sister Feelings Call bleek te zijn, na de ijzersterke instrumentale opener Theme for Great Cities. Alsof de Franse synthesizerpionier Jean-Michel Jarre de samenwerking met een rockband zocht, klinken panoramische klanken.
De elpee verscheen in bescheiden oplage als een twee-eiïge tweeling in combinatie met Sons and Fascination, waarna de twee los verkrijgbaar werden. Dat verhaal ontdekte ik pas deze week, ik kende de twee slechts "gewoon los". Recensent Bert van de Kamp had er wél van vernomen, maar ontving slechts het andere tweelingzusje, getuige zijn recensie in Oor (even scrollen).
20th Century Promised Land klinkt in het intro bijna als muziek bij een Amerikaanse tv-serie met enkele funkinvloeden, maar zodra de stem van Jim Kerr bijvalt is het helemaal Simple Minds.

Slechts drie nummers op kant 1, waarna kant 2 sterk opent met het felle Wonderful in Young Life, waarin postpunk wordt gecombineerd met de funklijnen van bassist Derek Forbes en Kerrs galmende zang.
In League of Nations de groove van een bescheiden drumcomputer en donkere baslijn, een Hammond valt bij; toen een ouderwets geluid, hier werkt het dankzij enkele malle fratsen wonderwel.
Opnieuw een nummer dat ik pakkender vind dan hetgeen ik bij de tweelingzus hoorde. Qua groove moet ik deze keer aan Talking Heads denken, een bewijs van de veelzijdigheid en expressiviteit van Simple Minds, die vele gezichten aannam.
Careful in Career leunt op een intens drumpatroon dat ik ken van groepen als Joy Division en A Certain Ratio, waarover de toetsen van Mick MacNeil wijduit waaieren. In het instrumentale slotlied Sound in 70 Cities opnieuw veel ruimte voor MacNeil, waarmee de rol van gitarist Charlie Burchill op dit album vooral ondersteunend blijft.

Volgende halte op de route door waveland is single Grey Day van Madness, te vinden op 7.

Simple Minds - Sons and Fascination (1981)

poster
3,5
Op reis door new wave kom ik na de vorige Simple Minds Empires and Dance bij hun vierde album Sons and Fascination. Het verscheen gelijktijdig met Sister Feelings Call.

Twee albums tegelijkertijd uitbrengen? Heel bijzonder en de albums daarvoor volgden elkaar ook al in hoog tempo op. Deze Simpele Zielen bleken creatieve én productieve Schotten die bovendien volop in ontwikkeling waren wat betreft hun geluid.
Sons and Fascination had ik eigenlijk beter ná tweelingzus Sisters Feelings Call kunnen bespreken, want die laatste leverde hun tweede Britse hit op, te weten The American in mei '81. Van Sons and Fascination werd Love Song in augustus dat jaar een hit. Maar goed, ik houd me maar even aan de planning...

Mijn kennis van de Simple Minds beperkte zich tot enkele hitsingles, mede daarom het foutje dat ik zojuist benoemde. Toch ben ik verbaasd dat menigeen deze Simple Minds zo superieur acht ten opzichte van de latere jaren. Ik ben namelijk over Sons and Fascination niet zo wild enthousiast, waarover dadelijk meer.

De eerste twee albums vond ik zeer prettig met alle zijsporen, via Empires and Dance werd voorzichtig het begin van een eigen geluid gerealiseerd. Op Sons and Fascination hoor ik wel degelijk voorbodes van wat door sommigen neerbuigend als stadionrock wordt omschreven.
De nummers in vogelvlucht: als een milde Joy Division klinkt lichte postpunk in de 6/4-maat van In Trance as Mission, de riff van Sweat in Bullet klinkt als een voorbode van wat U2 en INXS later zouden doen (stadion!), wat in november '81 een bescheiden #52 opleverde. Ietwat monotoner is 70 Cities as Love Brings the Fall, maar dat heeft wél een uitbundig refrein (stadion!). Kant 1 sluit af met een drumgroove die me aan XTC's Makin' Plans for Nigel doet denken, dit in het lekkere Boys from Brazil.

Love Song opent niet alleen kant 2, het haalde als single in augustus 1981 #47 in het Verenigd Koninkrijk. Voor het eerst hoor ik daar de synths van het vorige album, waar de invloed van Giorgio Moroder zo doorklonk. Ingetogener synths in This Earth That You Walk Upon en ook in titellied Sons and Fascination, alsof ik iets van Depeche Mode of Yazoo hoor. Funkbas en synthesizers in slotnummer Seeing Out the Angel.

Daarbij zijn de composities langer dan voorheen met ruimte voor uitbouwen en herhalen: slechts acht nummers, de kortste 4'30". Op kant 1 meer ruimte voor gitarist Charlie Burchill, op kant 2 is het toetsenist Mick MacNeil die dominanter is. Derek Forbes en Brian McGhee vormen daarbij een lenige ritmesectie die van postpunk naar funk en terug kan laveren en Jim Kerr heeft zijn diepe stem gevonden die aardig kan galmen (stadion!).

Hierboven las ik enthousiaste, vaak mooie verhalen van liefhebbers van dit album. Ik vind de composities echter niet spannend genoeg in verhouding tot de lengte ervan en kom uit op een wat saaie 7 als schoolcijfer. In Oor dacht Bert van de Kamp er het zijne van (even scrollen).
Tezamen met Sister Feelings Call werd in september 1981 #14 gehaald, hun hoogstgenoteerde elpee tot dan toe.

Spoedig kom ik uit bij The American, de eerste hitsingle van dit dubbele album. Tussendoor ga ik kort naar een andere hit uit mei '81: The Sound of the Crowd van The Human League, te vinden op Dare.

Sinéad O'Connor - Am I Not Your Girl? (1992)

poster
3,5
Als cddrive de docu Nothing Compares bedoelt: die heb ik in januari gezien bij de NPO, Het uur van de wolf. Enerzijds sterk met het verhaal van haar jeugd, maar jammer is dat het verhaal al na twee of drie albums stopt bij 1993. Daarmee blijft er veel onbesproken, alsof de jaren nadien er niet toe doen. Met haar plotselinge dood moest ik er uiteraard aan terugdenken, een indrukwekkend verhaal met de nodige weerslag op haar persoon en teksten.

Wat dit album betreft: ik houd op z'n tijd wel van een blokje big band. Lekker voor een paar nummers, daarna ben ik verzadigd. Bovendien prefereer ik de originelen, voor zover ik die eerder kende dan de versies op Am I Not Your Girl?. Tegelijkertijd zegt dat iets mijn persoonlijke voorkeur, want de muziek is ijzersterk gearrangeerd, vastgelegd en gezongen.
Een andere reden dat ik een zekere moeite heb met dit album, is dat ik een sfeer van verlatenheid meen te proeven, wat me bij langer luisteren beklemt, of ik nu vooraan het album begin of halverwege. Met de kennis van nu zou het best kunnen dat die emotie er sterk in zit. Die stém!

Maar niet alles is donker, integendeel. Bij het tappen van zwarte koffie bijvoorbeeld neurie ik regelmatig opgewekt track 4 en dat nu al zo'n 30 jaar lang. Een aangenaam oorwurmpje. Sinéad O'Connor was een fenomeen, zelfs al had ik niet zoveel met haar muziek. Want: die STÉM!

Siouxsie & The Banshees - Once Upon a Time (1981)

Alternatieve titel: The Singles

poster
5,0
De dorpsfonotheek was een toegangsdeur tot de namen die ik op de radio hoorde en in Oor las. Zoals bij deze verzamelaar Once upon a Time / The singles, een kennismaking met de vroege jaren van Siouxsie and the Banshees die ik niet lang na verschijnen deed. Alle nummers zette ik op cassette. Het bood deze tiener een boeiend overzicht van de eerste singles van de groep, de periode 1978 - 1981.

Nadrukkelijker dan bij andere frontvrouwen in de new wave die ik kende (Deborah Harry, Lene Lovich) klinken hier veel punkwortels. Of anders gezegd, dit is een zeer energiek plaatje met de nodige scheurende gitaren - al staat dat gescheur niet stijf van distortion.
Met name de A-kant met daarop de eerste singles laat Londense punk van de eerste golf horen. Van Love in a Void bijvoorbeeld was ik meteen gecharmeerd. Tegelijkertijd hoorde ik veel eigenzinnigheid, zoals in hun eerste single Hong Kong Garden, waarin prominent een xylofoon is te horen. Of de tweestemmige zang in Mirage, de zes achtste maat in The Staircase (Mystery) met bovendien de twee gitaarpartijen die vanuit beide boxen met elkaar converseren.

Als op de B-kant minder scheurende gitaren klinken, blijft de muziek energiek. Christine met zijn akoestische gitaarakkoord in het intro intrigeert. Op Israel klinkt dreigende wave, de non-album single bevat zelfs een zangkoor en Spellbound is als akoestische punk, gedreven en krachtig. Op Arabian Knights klinkt een indringende vraag in de eerste zinnen: ‘I heard a rumour, what have you done to her?’

Misschien is het vreemd om een compilatiealbum vijf sterren te geven. Ik doe het toch. Onverminderd wervelend, creatief en gevarieerd. Een ijzersterke samenvatting van de eerste jaren van de groep.

Siouxsie & The Banshees - Through the Looking Glass (1987)

poster
3,5
Kwam Through the Looking Glass afgelopen zomer in een platenbak tegen en heb geen spijt van de aanschaf. Ondanks het feit dat ik me niet eens bewust was dat dit "slechts" een coveralbum is, blijkt dat de Siouxsie en haar groep erin slaagden om de liedjes in nieuwe jasjes te gieten.

Als je gewend bent aan het origineel, is het vaak even wennen. This Town Ain't Big Enough for the Both of Us bijvoorbeeld, oorspronkelijk van Sparks, de band wier discografie ik afgelopen lente doorploegde. Het nummer past prima bij haar stem en The Banshees staken het in een ander jasje. Een jasje dat werkt.
De groep coverde liedjes uit de jaren vóórdat ik popmuziek ging luisteren en daarbij zoeken ze niet meteen de bekendste nummers van die artiesten op. Het leidt ertoe dat ik de rest van de muziek niet kende, op The Passenger na, dat ook al in een goed zittend nieuw jasje zit met die blazers. En dan is er een bizarre cover van een filmliedje, waarover zometeen meer.

Wat extra interessant is aan de muziekkeuze is dat toen punk en new wave doorbraken vanaf het najaar van 1976, inclusief Siouxsie, men deed alsof deze muziek een compleet nieuwe start betekende van popmuziek. Alsof de jaartelling terugging naar het begin van rock 'n' roll, midden jaren '50. Grote onzin natuurlijk. Met Through the Looking Glass hoor je wat/wie de favoriete muziek/artiesten was/waren uit de tijd dat deze muzikanten opgroeiden. Zo zijn daar Roxy Music, Dylan, Doors en... slang Kaa? Jazeker, Trust in Me ken ik van de videoband van Jungle Book, een film die ik vele malen zag toen mijn kinderen klein waren. Het meest onaardige, dreigende type uit de film zong daar een griezelig nummer. Dat ik dát liedje tegenkom bij Siouxsie... Hilarisch!

De koningin van new wave (of is dat Debbie Harry?) heeft met haar Banshees gewoon een fijn plaatje gemaakt. Niet haar/hun beste, maar mede dankzij de prachtige hoes (het gat in het midden biedt een doorkijkje naar de binnenhoes) en de symboliek (zie de info op Wiki) paste het vanavond goed als zomeravondmuziek. Dit alles in een aangenaam jaren '80 wavejasje. En dan hoor ik dat de weermannen de komende dagen zomerse temperaturen verwachten: lekker om deze nog een paar keer te draaien!

PS Afgelopen juli stond de groep voor het eerst in een decennium weer eens op een podium, een dikke 42 minuten daarvan staan op YouTube. In december treden ze weer op.

Siouxsie and the Banshees - Join Hands (1979)

poster
2,5
Het tweede bericht bij dit album in twaalf jaar, het eerste in een kleine vier jaar. Dat is net iets minder dan het sterkere debuut The Scream. Is Siouxsie een beetje vergeten?
Soms valt de tweede van een artiest/groep nogal tegen, omdat restmateriaal dat het debuut niet haalde daarop belandt. Nu weet ik niet of dat hier ook het geval is, maar het debuut smaakt mij stukken beter. frolunda noemde Join Hands twaalf jaar geleden terecht "Duister, kil, claustrofobisch, koud en naargeestig", maar in mijn oren is verzuimd dat om te zetten in goede liedjes.

Veel monotone drumpartijen. Dat kan heerlijk zijn, desondanks kan een galmende Siouxsie niet verhullen dat ik dit beleef als een gebrek aan pakkende zanglijnen.
De start is prima met de kerkklokken en vervolgens het korte Poppy Day, dat in de tekst verwijst naar het beroemde gedicht 'In Flanders' Fields' over de Eerste Wereldoorlog, zoals kan worden geconstateerd in dat indrukwekkende museum in Ieper. Na twee minuten gaat het over in Regal Zone en ook het navolgende Placebo Effect wordt bij vaker draaien steeds beter.

Dan echter pakt het me niet meer, uitgezonderd de Britse hitsingle van Join Hands: in juli 1978 werd Playground Twist #28. Daarna de pastiche (?) Mother met daarbij een muziekdoosje dat steeds langzamer schlagerklassieker O Mein Papa speelt.
Afsluiter The Lord's Player was het enige nummer dat de groep uitvoerde op hun allereerste optreden. Die versie duurde 20 minuten, hier wordt al na 14 minuten gestopt. Een geïmproviseerd samenraapsel van citaten en andere invallen, te beginnen met het gebed Onze Vader, verderop enig gejodel en vanaf 8'16" korte tijd het Franse Au Clair de la Lune.
In 2006 verscheen een cd-editie met twee bonussen, waaronder de sterke punk van single-B-kant Love in a Void.

Sommigen zullen kicken op de monotonie die klinkt op Join Hands. Ik dus niet... Mijn reis door de new wave van 1979 kwam van het titelloze debuut van The B-52's. Volgende station is het debuut van The Ruts.

Siouxsie and The Banshees - Juju (1981)

poster
4,5
Ik reageer erg, erg laat. Wellicht is mijn reactie daarmee mosterd lang na de maaltijd. Meer dan tien jaar geleden schreef deric raven zijn bijdrage over dit album. Het lijkt geschreven uit het perspectief van The Cure, dat van invloed zou zijn geweest op Siouxsie and the Banshees. Meestal ben ik het met je eens, nu een keertje niet.
In die dagen was namelijk niet The Cure de grootste van de twee, maar Siouxsie. Meteen al betrokken bij de eerste punkgolf, maakte ze vervolgens met haar eigen groep een stijl die ik als één van de sterkste namen in de new wave beleefde, te beginnen met The Scream in 1978. In Engeland ook wel postpunk genoemd en bovendien is Siouxsie één van de grondleggers van gothic gebleken.
Het was Robert Smith die onder de indruk was Siouxsie Sioux, hij trad in dienst bij The Banshees als het binnen The Cure niet lekker liep (in 1979 en van '82-'84 was hij een Banshee-gitarist/toetsenist) en het was aanvankelijk zelfs haar lippenstift die hij opdeed.

Drie kwaliteiten heeft dit album. Ten eerste gitarist John McGeoch, hiervoor bij Magazine en Visage en ook in topvorm op Kaleidoscope, het vorige album van The Banshees. Zijn fladderende stijl komt hier helemaal tot bloei. Een origineel talent, over wie ik onder meer deze podcast tegenkwam.
Zijn spel maakt dat de tweede kwaliteit ontstaat. Hij creëert namelijk de perfecte atmosfeer voor de bezwerende zang van Siouxsie Sioux, de ronde bas van Steven Severin en de vaak denderende drumpartijen van Budgie. De drie kunnen helemaal losgaan. Soms snel, soms langzamer, ik vind het bijna altijd pakkend. Alleen met het lange slotlied Voodoo Dolly kan ik weinig.
Ten slotte is er de productie van Nigel Gray, welke aan die van Steve Lillywhite doet denken in de wijze waarop gitaren en drums heerlijk vol in de mix zitten.

Het leverde niet per se grote hits op in het Verenigd Koninkrijk. Spellbound kwam in juni '81 slechts tot #22 en Arabian Nights was in augustus niet meer dan een #32. Dat liet onverlet dat Juju in de week van binnenkomst in juni meteen #7 werd, wat duidt op een fanatieke achterban.

Mijn reis door new wave kwam van Madness' 7. Volgende halte is album Playing with a Different Sex, het debuut van de Au Pairs dat op de laatste dag van mei 1981 de Britse albumlijst betreedt.

Siouxsie and the Banshees - Kaleidoscope (1980)

poster
3,5
De dorpsfonotheek bezat twee platen van Siouxsie and the Banshees: deze verzamelaar (daarover snel meer) en Kaleidoscope van het jaar ervoor. Hiermee leerde ik de groep kennen.
Ik wist dat de dame aanwezig was bij de start van punk in het najaar van 1976 in Londen, al spoedig zelf muziek was gaan maken met haar Banshees en dat dit hun derde album was, verschenen in de zomer van 1980. Ook werd de naam van Robert Smith nogal eens in één adem met die van haar genoemd.
Swie Tio vond in Oor (even scrollen) dat de band na een mindere voorganger zijn kleurenpalet uitbreidde met dit plaatje. Ik kende de voorgangers niet, maar was heel nieuwsgierig. Wat me opviel was dat de plaat verscheen bij het keurige Polydor, net als de muziek van bijvoorbeeld Abba.

Bassist en kernlid Steven Severin gebruikt veel flanger (of is het chorus?) bij zijn vier snaren, waar nadrukkelijk new wave klinkt en Siouxsie Sioux nogal eens monotoon zingt. Het zorgt voor een bezweerderige sfeer; althans in mijn puberbrein, een associatie die is blijven hangen.
Voorbeelden hiervan zijn op de A-zijde Tenant, het met een saxofoon gelardeerde Trophy en het langzame Hybrid, dat langzaam wordt uitgebouwd. Dit met het tegendraadse gitaarwerk van John McGeoch, die ook verantwoordelijk is voor enkele toetsen- en saxofoonpartijen, waarmee zijn invloed op dit album groot is. Het nummer lijkt met zijn vijfeneenhalve minuut wel één grote inleiding op het korte Clockface (nog geen twee minuten), dat een heerlijke opwarmer zou kunnen zijn van om het even welk evenement. Mijn grootste favoriet van deze schijf!
Op het wat dromerige Lunar Camel klinkt een drumcomputer, zodat drummer Budgie na het programmeren een kop thee kon gaan drinken. Ik vergeet bijna de single die de A-kant aftrapte: op Happy House moet hij juist hard aan de slag met repetitieve partijen in een melodieus nummer. Siouxsie heeft een vrij zware stem maar kan ook ijl zingen; het is altijd weer afwachten wat ze doet, wat veel variatie brengt.

Hetzelfde geldt voor het beste nummer van de plaat dat de B-kant aftrapt: Christine met zijn heerlijke akoestische gitaar; ik moest indertijd aan The Cure denken. Dan krijgen we weer droomwave met Desert Kisses, één van de betere nummers in die richting op Kaleidoscope. In Red Light klinkt weer een eenvoudige drumcomputer, slim geflankeerd door de geluiden van een fotocamera; het past bij de tekst over een fotomodel. Met het sterkere Paradise Flat wordt afgesloten, Siouxsie zingt en ladadadumt in haar unieke stijl.
Op streaming vind ik geinige demo’s als bonus, leuk om deze ruwe versies te horen; afkomstig van de 2006-editie.

Voor mij is dit een 7,5 wat ik in drie sterren vertaal. Aanbevolen voor iedereen die interesse heeft in een eigenzinnig bandje dat laat horen hoe lekker new wave kan zijn. Wat verscheen er toch veel goede muziek in dat jaar! En dat ervoor. En dat erna. En en en... Leve new wave!

Siouxsie and the Banshees - The Scream (1978)

poster
4,0
Het credo ‘Do It Yourself’ had ook zijn weerslag op de vrouwen in de eerste punkgolf. De eersten die de aandacht trokken waren de Amerikaansen Patti Smith in 1975 en Deborah Harry in 1976. Er waren meer dames, zij het minder zichtbaar voor een piepjonge Nederlandse tiener als ik. In het Engeland van 1976 bassiste Gaye Advert van The Adverts, Poly Styrene van X-Ray Spex en vrouwenband The Slits; dit laatste trio zou pas in 1979 debuteren. Wel zichtbaar was dat vanuit Oost-Duitsland Nina Hagen aanwaaide.

En dan is daar Siouxsie Sioux. Ze kende een tumultueuze jeugd, waarover een film valt te maken. In 1976 treedt ze met Steven Severin toe tot de ‘Bromley Contingent’, een vriendengroep die de Sex Pistols op de voet volgt. Als ze in december dat jaar, 19 lentes jong, als lid van hun entourage tijdens een tv-show in aanvaring komt met de presentator (hier de beelden, daar de context) en de Daily Mail haar op de voorpagina zet, trekt ze zich terug en besluit zelf een band te beginnen met Severin. Ze blijkt een enorme podiumverschijning en hun livereputatie snelt hen vooruit.

In augustus 1978 verschijnt non-albumsingle Hong Kong Garden, geïnspireerd door frequent intimiderend bezoek van neonazi’s aan een gelijknamige Chinese take-away. De ode aan het eethuisje haalt in het VK in september #7 en zet de groep meteen bij een breder publiek op de kaart, zoals op tv bij het programma Revolver. Het is tevens de eerste hitsingle voor producer Steve Lillywhite, vertelde hij onlangs aan Oor.

Eind november komt debuutelpee The Scream uit, vervolgens haalt non-albumsingle The Staircase (Mystery) in april ’79 #24. In september haalt een heropname van Mittageisen #47.
John McKay is gitarist en saxofonist, Steven Severin bassist en Kenny Morris slagwerker. Duidelijk is dat de vier meer nummers op de setlist hadden dan er op The Scream staan. Overigens verschenen in de Verenigde Staten en Spanje prompt wél versies van het album met Hong Kong Garden erop, maar pas met de cd-uitgave van 2006 is dat standaard.

Opener Pure blijkt een verstilde prelude naar het dreunende Jigsaw Feeling. Repetitieve drumpatronen, dansende gitaren, hoge baslijnen en bezwerende zang worden gevolgd door het lichtere Overground. Het punkachtige Carcass met zijn typische Siouxsiezanglijnen en een eigenwijze cover van The Beatles’ Helter Skelter maken de eerste plaatkant af.
Kant 2 start ijzersterk met Siouxsies tweestemmige zang in Mirage, waarna Metal Postcard (Mittageisen) komt, geïnspireerd door fotografiekunstenaar Helmut Herzfeld. Deze werd bekend als John Heartfield met onder andere antinazikunst.
Het uptempo Nicotine Stain klinkt dan weer als (post)punk, waarna de kalmere nummers Suburban Relapse en Switch de plaat ietwat laten doodbloeden, al kan ik me voorstellen dat menigeen de sferige nummers beter smaakt.
Al met al een heel sterk debuut met een eigen, herkenbaar geluid. Het piekt in het Verenigd Koninkrijk in de debuutweek meteen op #12. Een eigen geluid met composities van alle vier de bandleden en teksten van Severin en Sioux. De pers noemde het postpunk of new wave, termen die door elkaar werden gebruikt. Ze dekken hoorbaar de lading: soms scheurende gitaren en felle drumpartijen, andere keren sferisch en mystiek.

Op reis door de albums achter mijn muziek met new wave kwam hier vanaf de tweede elpee van eveneens Londenaren The Vibrators. Nu terug naar 1977 naar een andere groep met connecties met de Bromley Contigent: Generation X.

Sixteen Horsepower - Coal Black Horses (1997)

poster
4,0
Enige tijd nadat Sixteen Horsepower (ook geschreven als 16 Horsepower, de groep gebruikte beide schrijfwijzen) Low Estate uitbracht, kwam ik in de platenwinkel deze EP tegen. Ik was met mijn krappe beurs voldoende onder de indruk van hun werk om deze uitbreiding aan te schaffen.

Coal Black Horses is ook op de Europese editie van Low Estate te vinden, maar ontbreekt vreemd genoeg op de Amerikaanse. De overige drie tracks werden live opgenomen in de Effenaar in Eindhoven voor VPRO Radio. Even rondkoeklen en ik kom eveneens de promotie-EP Live tegen met deels andere opnamen van datzelfde concert; nooit in de winkel gezien.
In Cursor, het blad van de TU Eindhoven, werd voor 16 juli 1996 al een eerste concert in de Effenaar aangekondigd, ze waren er kennelijk graag geziene artiesten in die tijd. Zie p. 15.

Voegden de liveopnamen wat toe ten opzichte van de albumversies? Jazeker, behalve dat je de sfeer proeft, hoor je extra goed hoe Sixteen Horsepower met dynamiek speelt. En wat rónkt de bas hier heerlijk! Nieuwe snaren, goed te onderscheiden in de mix. Het maakt dat de kruisbestuiving tussen country en folk enerzijds en punk en new wave anderzijds tot zijn volle recht komt.

Het jaar erop plukte ik nóg een EP van de groep uit uit de bak: The Partisan.

Sixteen Horsepower - Folklore (2002)

poster
4,0
Najaar 2002. Het weer is grauw en de bible black-hoes van Folklore landt op de deurmat. De drie EP’s en drie langspelers van Sixteen Horsepower die al in mijn cd-rek stonden, hadden grote indruk gemaakt. Met deze vierde langspeler zou dat iets minder het geval zijn. Het album komt langzaam op gang en uptempo banjospel is schaarser dan voorheen. Folklore is bedachtzamer.

En toch. Met track 3 Blessed Persistence is het voor het eerst goed raak, tot op de dag van vandaag. Dankzij de cover van Alone and Forsaken ontdekte ik het werk van Hank Williams; het nummer was een draaideur naar country, een genre dat ik tot dan toe links had laten liggen. Idem voor het opgeruimde Single Girl, dat de toegang werd tot het werk van The Carter Family, die tevens zijn band heeft met Johnny Cash, van wie de reeks American Recordings in mei dat jaar dan eindelijk was doorgedrongen tot mijn oren en hart. Dit door het verschijnen van American IV: The Man Comes Around.

Omvergeblazen werd ik door de oude spiritual Sinnerman, vol bijbelse spot naar de mens vervuld van kwaad: ”Run to your grave, your grave will not hold you”. De voorbije weken draaide ik de cd weer regelmatig, denkend aan het actuele nieuws dat mij soms bereikt. Dan weet ik weer dat er meer is dan het ziedende kwaad in journaals.

En dan is er de malle uitsmijter La Robe à Parasol, mede gezongen met drummer Jean-Yves Tola. Een nummer van The Carriere Brothers, in 1977 verschenen op La La: Louisiana Black French Music kent een cajunoorsprong. Vanwege de Franse taal alleen al een buitenbeentje, tevens omdat het zo vrolijk is.

Live werd Sixteen Horsepower steeds harder. De combinatie van country met postpunk viel qua balans steeds meer in het laatste genre uit. Ik zag ze in die jaren in Tivoli, Utrecht en Paradiso, Amsterdam. Fascinerend: op naar Hoarse. Op Folklore is het vooral akoestisch en met z'n covers anders dan de voorgangers. En toch.

Sixteen Horsepower - Sackcloth 'n' Ashes (1996)

poster
5,0
Sackcloth 'n' Ashes kreeg in 1996 de nodige aandacht in Oor en ik zal het toentertijd ook wel op de radio (Kink, VPRO?) hebben gehoord. Hij kreeg zelfs een stripverhaal in Oor - van Peter Pontiac?
Hoe dan ook, ik was klaar met mijn geliefde hardrock / metal en toe aan iets nieuws. 16 Horsepower vulde dat gat. Vaak akoestisch met de instrumenten uit country en folk en tegelijkertijd de bezwerende sfeer van Joy Division. Zo omschreef ik het aan vrienden en al had ik dat waarschijnlijk niet zelf verzonnen, het beschreef perfect waarom de muziek mij zo raakte. Een vreemde combinatie die wonderwel werkte.

De zwaarte van de composities paste wonderwel goed bij de akoestische transparantie van de muziek. Mijn belangstelling voor (pure) country ontwaakte en deed mijn voorliefde voor new wave herleven, een genre dat ik had verwaarloosd.
Zwakke nummers kwam ik niet tegen, maar ten diepste dit ging over méér dan een cd met goede liedjes. In beschrijvingen las ik dat het was alsof de duivel zanger-en-veel-meer David Eugene Edwards op de hielen zat. In de teksten (tekstboekje bij de cd vergemakkelijkte dit) wordt echter duidelijk dat hij worstelde met de menselijke natuur in zowel zichzelf als bij anderen. "I am an honest man - when I'm not lying". klinkt het in Harm's Way. Nee, een vrolijke lachebek hoor je hier niet. Wel iemand met een verlangen naar hemelse puurheid.

Het cd-boekje mocht er ook zijn met onder meer die fraaie foto van zijn opa met zijn prijshaan, op mijn versie niet de voorzijde van de hoes. Het gezicht van de man deed me denken aan mijn ene opa en bracht warme gevoelens.
En zo zat het schijfje onafgebroken in mijn cd-speler. Instrumenten als banjo en accordeon deden me beseffen dat ze ook met maximaal effect in eigentijdse muziek kunnen worden gebruikt en niet per se in traditionele country of Frans chanson. In contrast met de elektrische gitaar die soms verschijnt werden die geluiden alleen nog maar mooier. Zelfs de blues klinkt niet als blues; melodieuze tegenhangers op Edwards' monotone zang, zeker met alle afwisselende composities.

Toen ik de muziek enige tijd geleden aan mijn oudste zoon liet horen, herkende hij dit warempel; hij is er op vier-, vijfjarige leeftijd vaak aan blootgesteld.
Na Sackcloth 'n' Ashes jarenlang niet te hebben gedraaid, komt ie tegenwoordig zo af en toe weer uit de kast. En vandaag besef ik dat dit album - met de Franse drummer Jean-Yves Tola en bassist-cellist Keven Soll - bij de soundtrack van mijn leven hoort.
Favorieten aanwijzen? Eigenlijk alle veertien! Heb 'm alsnog toegevoegd aan mijn Top 10 albums op MuMe, waarmee de liveklassieker van UFO eruit werd geknikkerd. Dit genre en deze sfeer horen daar nu eenmaal thuis.

Sixteen Horsepower - The Partisan (1998)

poster
4,5
In 1997 verscheen het album Low Estate van Sixteen Horsepower, het jaar erna verscheen een Franse editie met interessante bonussen. Dat wist ik niet, maar wél kwam ik in '98 deze EP The Partisan tegen met daarop precies die extra's.

Het waren toentertijd nieuwe nummers, anders dan de vorige EP Coal Black Horses. Allereerst het ingetogen en met dronegeluiden van dreigende sfeer voorziene The Partisan. Hierop naast de stem van David Eugene Edwards gastzang van Bertrand Cantat (niet op de hoes vermeld) van de groep Noir Désir. Oorspronkelijk een Frans verzetslied uit 1943 genaamd La Complainte du partisan, kreeg het in 1969 grotere bekendheid dankzij Leonard Cohen.

Daarna een punkachtiger Sixteen Horsepower dan ik tot dan toe kende in Fire Spirit, oorspronkelijk van Jeffrey Lee Pierce van The Gun Club. Het is opnieuw Cantat die een moppie meezingt.
Ten slotte Ditch Digger, waarvan ik inmiddels weet dat dit op de US-versie van Low Estate track 7 was, waar in de Europese editie Coal Black Horses was opgenomen. Voor het eerst op deze EP klinkt de herkenbare banjo in het geluid van de groep.

Achteraf gezien waren dit voorafschaduwingen van hetgeen Sixteen Horsepower op zijn derde langspeler zou bieden, maar Secret South lag toen nog twee jaar in de toekomst. Heerlijk cd-epeetje!

Skid Row - 34 Hours (1971)

poster
2,5
Na een redelijk succesvolle debuutelpee verbleef Skid Row enkele maanden later 34 uur lang in de studio voor de opvolger. Vandaar de titel 34 Hours.
'Zullen we opnieuw laten zien hoe goed wij kunnen spelen en de muzikale grenzen verleggen?'
'Goed plan, de vorige keer haalden we er immers de albumlijst mee!'

De plaat verscheen begin 1971 en flopte, net als de bijbehorende single. Wederom moesten gevoel voor melodie en goede compositie het afleggen tegen muzikale spierballerij. Spelen konden de mannen zeker, voor mij is dat niet genoeg. Zelfs niet als Gary Moore wederom de sterren van de hemel soleert. De stem van zanger Brush Shiels is bovendien niet helemaal geschikt voor mijn oren, ook al houdt hij zich ten opzichte van de voorganger meer in qua irritant-hoge uithalen.

Wel lekker is Go, I'm Never Gonna Let You waar meteen al een heerlijke gitaarriff klinkt, om in het laatste deel op een shuffle over te schakelen; de gitaarsolo's in het lied zijn uiteraard weer van buitencategorie.
Buitenbeentjes zijn Mar, waarop (bijna) southern rock klinkt en al helemaal Lonesome Still met zijn countryrock. Hierop speelt Moore zodanig dat je bijna denkt naar een pedalsteelgitaar te luisteren. De enige twee nummers op de oorspronkelijke plaat waarin melodie voorrang krijgt.

Op Wikipedia lees ik dat de band vervolgens door Europa en Amerika tourde, waar Led Zeppelindrummer John Bonham hen in Los Angeles op het podium vergezelde.
Kort voordat de band in december 1971 opnieuw naar Amerika zou vertrekken, verliet Moore de band. Hij werd korte tijd vervangen door Eric Bell, die kennelijk tijd vrij had van Thin Lizzy. Vervolgens werd Paul Chapman de definitieve opvolger, maar in juli 1972 valt de band uit elkaar. De opnamen van een derde album werden in de archieven opgeborgen. We zouden Chapman later tegenkomen bij UFO; eerst tijdelijk, vanaf eind 1978 als vaste gitarist.

In 2015 verscheen een heruitgave van 34 Hours met twee bonustracks, waarop meer ruimte voor melodie is: de singleversie van de albumopener Night of the Warm Witch en de B-kant van die single, bluesshuffle Mr. De Luxe.
Interessante muziek voor een (kleine) groep zoals (conservatorium?)muzikanten en gitaarliefhebbers. Alle virtuositeit is mij meestal teveel.

Skid Row - Skid (1970)

poster
2,0
De Ierse band Skid Row (niet de Amerikaanse hardrockers die in de jaren '80 actief werden) zal wel altijd worden herinnerd als de groep waarbij gitarist Gary Moore internationaal debuteerde. Lang leve streaming, eindelijk kan ik de plaat eens in z'n geheel beluisteren.

Het is deze band waar zanger Phil Lynott in juni 1969 uit werd gezet door bandleider Brush Shiels, die als goedmaker basgitaarlessen aan het ex-lid ging geven. Niet leuk voor de eerste, maar het bleek een zegen in vermomming: Lynott haalde later met Thin Lizzy internationale roem en werd invloedrijk, terwijl Shiels alleen in Ierland wereldberoemd is.

Aanvankelijk liep Skid Row de band van Lynott telkens iets voor. Ze emigreerden enkele maanden eerder naar Londen en dit debuut uit oktober 1970 verscheen een half jaar vóór het debuut van Thin Lizzy.
In de muziek klinkt een amalgaam aan rockstijlen. Ik hoor invloeden uit countryblues (Mad Dog Woman, Heading Home Again), psychedelische en hardrock (The Man Who Never Was), terwijl bluesrock in Unco-Up Showband Blues domineert.
De mannen konden spelen, maar goede liedjes maken is ook een vak. Ik ben niet zo van dit geëxperimenteer met virtuositeit, typisch voor de Hendrixiaanse rock van die dagen. Waar ik vooral niet tegen kan, zijn de hoge uithalen van zanger/bassist Shiels, ook al typerend voor de expressiviteit die toen modieus was. Dat neemt niet weg dat Moore al kon soleren als de beste, getuige bijvoorbeeld Morning Star Avenue. De man was nog maar achttien!

Als bonus vinden we New Faces Old Places, in 1969 op single met Lynott op zang verschenen maar hier uiteraard met Shiels achter de microfoon. Verrassend popgericht, een piano en meerstemmige zang klinken. Voor het eerst staat de melodie centraal in plaats van het adagium 'Kijk Eens Hoe Goed Ik Kan Spelen'. Een compositie van Shiels, waarin zelfs een gitaarsolo ontbreekt.

Fijn plaatje voor wie van gefreak houdt. In het Verenigd Koninkrijk haalde het zowaar #30 in de albumlijst, lees ik op Wikipedia. Dat was beter dan Lizzy's debuut, dat die lijst miste. Dit soort virtuositeit deed het dus best aardig. Gary Moore vestigde in ieder geval meteen zijn naam als nieuwe gitaarheld.

Overigens verschilt de tracklist op streaming van die op MusicMeter. Heeft vast te maken met het feit dat het debuut als Skid Row in mei 1970 en als Skid in oktober '70 verscheen en latere cd-heruitgaven en inmiddels streaming vergroten de brij aan afwijkende releases.

Skids - Days in Europa (1979)

poster
3,5
Uit september 1979, nadat de Skids in maart dat jaar debuteerden. Vaak is zo'n snelle opvolger wat minder omdat nummers die het debuut niet haalden, daarop verschijnen.
Nu houd ik wel van pittige gitaarwave, maar vooral de eerste helft van Days in Europa (suggestieve titel én hoes) is te mager. Eigenlijk is alleen Charade een lekker nummer. Kant 2 sprint evenwel sterk uit de blokken, als er vaker lekkere melodieën en dito grooves zijn te horen: Working for the Yankee Dollar, The Olympian én het stevigste nummer Thanatos zijn aangenaam, waarna met twee mindere nummers wordt afgesloten.
De consequent omgekeerd afgespeelde drums in slotnummer Peaceful Times verknoeien een op zich aardig nummer, zeker met de dikke vijf minuten die het duurt - al is het nummer geinig in elkaar geknutseld.

In oktober '79 haalde Charade als single in de Britse hitlijst #31, gevolgd door Working for the Yankee Dollar dat langer in de hitparade stond en hoger piekte: in januari '80 op #20. De elpee haalde in het laatste weekend van oktober meteen bij binnenkomst zijn hoogste positie, te weten #32.
Dank aan Mjuman voor zijn bericht uit 2008. De gekuiste hoes waarover hij schrijft is op Discogs te zien. Gaf ik het debuut een 8, hier past een magere 7.

Mijn reis langs de albums van mijn streaming afspeellijsten met new wave kwam van U2's debuut Three, eveneens uit september 1979. Volgende station: de Californische powerpop van 20/20, verschenen op 1 oktober dat jaar.

Skids - Scared to Dance (1979)

poster
4,0
Op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kom ik vanaf randgeval Japan, dat qua genre artrock in de voetsporen van David Bowie en Roxy Music maakte.

Die twijfel is er niet bij deze uit het Schotse Dunfermline afkomstige groep: op Scared to Dance klinkt muziek op de grens van punk en wave. Vooral het laatste genre klinkt. In maart 1978 was nonalbumsingle Sweet Suburbia bescheiden #70, later op de bonus-cd-versie van dit album verschenen.
Soms is het lekker meebrullen, zoals in opener Into the Valley, dat als single in maart 1979 #10 haalde in de Britse hitlijst. De muziek op de plaat werd geschreven door gitarist Stuart Adamson, de teksten door zanger-gitarist Richard Jobson.
Of One Skin klinkt als een vergeten nummer van U2, maar de waarheid is dat de Schotten gewoon eerder waren met het spelen van een stijl met krachtige gitaarriffs. Ander hoogtepunt van de eerste plaatkant is het uptempo en van een oh-oh-koortje voorziene Melancholy Soldiers.

Op kant 2 is daar dat ene bekende nummer. The Saints Are Coming werd evenwel pas bij ons bekend dankzij de coverversie door datzelfde U2 met punkgroep Green Day in 2006. Hier klinkt het origineel, dat verbazingwekkend als single in november '78 slechts tot #48 kwam in de Britse lijst. In Nederland niet eens tipparade of zelfs maar een radiohitje... In Six Times weer dat stuwende gitaarwerk, in sommige delen donker als post-punk.
Voor het overige klinkt optimistische, uptempo gitaarwave met het sturm-und-drang-gevoel van 'Wij gaan de wereld veroveren!' Zoals in slotlied Scale.

Als elpee piekte het in maart 1979 in de week van verschijnen meteen op #19 in de British Album Chart, waarmee er met Midge Ure een volgende Schotse naam succesvol was in de new wave, nadat deze in 1976 met Slik, vervolgens PVC2 en in '78 bij Rich Kids in de schijnwerpers kwam. Mijn reis vervolgt in Ierland: op naar Radiators, een voormalige punkgroep die dat genre geleidelijk ontgroeide.

Skids - The Absolute Game (1980)

poster
4,0
Op reis door new wave van 1980 blijf ik in augustus, als de eerste single van de nieuwe Skids de Britse hitlijst haalt, afkomstig van het nog te verschijnen The Absolute Game. Verschijnt ongeveer gelijktijdig met mijn vorige station, Panorama van The Cars, de eveneens derde langspeler van die groep.
Op The Absolute Game beperkt zanger Richard Jobson zich niet meer tot alleen zang, hij speelt ook gitaar. Daarmee ondersteunt hij leadgitarist Stuart Adamson, die bovendien achtergrondzang, enige percussie en toetsen/synths doet. Dat laatste voorziet sommige nummers van een extra uptempo laagje, zoals de vinnige opener Circus Games dat bovendien een kinderkoor in het refrein heeft.

Waar ik echter vooral door word verrast, is dat de tweestemmige gitaarlicks regelmatig overeenkomsten vertonen met het werk van... Thin Lizzy. Was de Schotse ex-Lizzygitarist Brian Robertson van invloed op deze eveneens Schotse gitaarwavegroep? Ik vond het een vreemde combinatie voor een groep in dit genre, toch zitten zulke twinlijnen niet alleen in de opener maar ook in bijvoorbeeld licks en solo in Out of Town en de Lizzyaanse riff in de coupletten van Happy to Be with You.
Lekker is ook het springerige One Decree en slotlied Arena, dat bijna vooruitloopt op wat The Clash zou gaan doen, met in de refreinen zo'n typisch machtig Skidskoortje. En alweer hoor ik Thin Lizzy terug.

Goodbye Civilian heeft met z'n dansende synths dan weer weg van het vroege werk van Ultravox! en dankzij The Children Saw the Same hoor ik voor het eerst bij de groep iets van Big Country, de volgende groep van Adamson. In Hurry on Boys wordt een blik Tibetaanse monniken opengetrokken, vast een vondst van producer Mick Glossop die het wonderwel laat samensmelten met de folkachtige melodie.

Je kon The Absolute Game bij verschijnen zowel als enkel- als met bonuselpee kopen; geen 12" maar 33 toeren met nog eens acht nummers. Die bonus heet Strength Through Joy. De nummers hiervan zijn experimenteler, trager en wat somberder, of zo je wilt: postpunk. Vanaf Filming in Africa hoor ik zelfs de invloed van Kraftwerk. Alweer verrassend.
Op streaming te horen vanaf track 14, terwijl bonustracks 11 tot en met 13 afkomstig zijn van de 2008-cd, uitgegeven bij Captain Oi!, gespecialiseerd in de heruitgave van punk en wave.

De plaat werd hun grootste succes: #9 in september. Qua singles was er bescheidener succes: Circus Games reikte in de Britse hitlijst half september tot #32, Goodbye Civilian eind oktober 1980 tot #52 en Woman in Winter haalde eind november-begin december #49.
Het zou hun laatste hit blijken te zijn, al volgde in 1981 met Joy nog een vierde album. Ik blijf echter in augustus 1980, als een Nieuw-Zeelandse groep artrock ontgroeit en new wave omarmt: Split Enz en hun vijfde album True Colours.