MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Dead Boys - Still Snotty: Young Loud and Snotty at 40 (2017)

poster
3,5
Heropname van het debuut van deze Amerikaanse punkpioniers uit 1977, vandaar de titel Still Snotty: Young Loud and Snotty at 40.
Waarom nam de groep hun eigen album opnieuw op? Wel, afkomstig uit Cleveland, Ohio, waren ze één van de namen van de beroemde en invloedrijke zaal CBGB in New York. In 1980 was de groep na enkele tumultueuze jaren gestopt, om in 2004-2005 een reünie te houden, die echter niet tot nieuw werk leidde. Omdat ze het veertig jaar na het debuut tijd vonden voor een feestje én ze nooit tevreden waren geweest met de oorspronkelijke productie, verscheen deze cd, die ook op streaming is te vinden.

Grote verschillen met 1977; natuurlijk dat de instrumenten nu véél dikker in de mix zitten en de woeste punk nu werkelijk je speakers uit komt knallen. Dat was immers de bedoeling en vooral gitaren en bas winnen daarbij.
Het tweede grote verschil zit 'm in een andere zanger. Stiv Bators was in 1990 om het leven gekomen na een motorongeluk, zijn vervanger is Jake Hout. Die klinkt weliswaar anders maar doet het meer dan prima.
Derde en vierde verschil zijn twee nieuwe groepsleden. Eveneens uit de band vertrokken waren slaggitarist Jimmy Zero en bassist Jeff Magnum, wier plaatsen zijn ingenomen door respectievelijk Jason "Ginchy" Kottwitz en Ricky Rat.

Oftewel, twee leden van de oorspronkelijke Dead Boys zijn op deze reünie te horen: leadgitarist Cheetah Chrome (Eugene O'Connor, in het midden op de hoesfoto) en drummer Johnny Blitz (John Madanski, tweede van rechts op de hoes).
Oude fans zweren wellicht bij de nostalgische klanken van het pioniersdebuut, anderen zullen gaan voor de verbeterde productie van 2017. Ik vind voor allebei wat te zeggen en waardeer de twee even hoog met een dikke 7 als schoolcijfer. Dat lijkt wellicht laag; het zit 'm in mijn voorliefde voor snel werk en zo'n punkgroep was/is Dead Boys ondanks hun woestheid meestal niet.

Meer over de tumultueuze eerste periode van de band is te vinden op website punk77.co.uk. Dead Boys is nog altijd actief met Chrome en Hout als harde kern: in februari dit jaar stonden ze in De Effenaar in Eindhoven.

Dead Boys - Young, Loud and Snotty (1977)

poster
3,5
Afkomstig uit Cleveland, Ohio, debuteerde dit vijftal in oktober 1977 met Young, Loud and Snotty, dat in Nederland via Philips verscheen.
Met de oren van zijn Dead Boys weliswaar niet bijster origineel of snel of op andere wijze afwijkend van de punkmodus van 1977. Maar de tien nummers klinken smerig, de vocalen van Stiv Bators (Steven Bator) rauw, de composities zitten goed in elkaar én de groep zet nadrukkelijk iets anders neer dan de landgenoten van Ramones en die van Heartbreakers met Johnny Thunders in datzelfde jaar deden. Kortom, zonder spectaculair te zijn mankeert aan dit plaatje desondanks niks: een sterk voorbeeld van de eerste golf van Amerikaanse punk.

Gezien mijn voorkeur voor sneller werk, zijn mijn favorieten Sonic Reducer, Caught with the Meat in Your Mouth, het live opgenomen Hey Little Girl en afsluiter Down in Flames met zijn chaotische break op 2/3 van het nummer.
Het album werd in 2017 door het heropgerichte Dead Boys opnieuw opgenomen. Het nog niet op MuMe geplaatste Still Snotty was het resultaat. Dat album zal ik spoedig proberen toe te voegen aan deze site.

Tenslotte twee reacties op meldingen hierboven: de geluidskwaliteit op streaming is (inmiddels?) prima, afgaande op hetgeen ik hoor bij mijn streaming platform.
De opmerking "punk maar met solo's" is een vreemde: de voorbije weken kom ik bij zo goed als elke punkband, allemaal namen van het eerste uur, wel degelijk gitaarsolo's tegen: protopunks Death en The Dictators; uit de eerste punkgolf Sex Pistols, The Saints, The Damned, The Stranglers, The Adverts, The Clash, Radiators from Space, Johnny Thunders & The Heartbreakers en The Boys.
Wie mist u in dit rijtje? Ramones. Zij zijn dus de uitzondering die de regel bevestigen dat in punk doorgaans wél gitaarsolo's klinken, zij het niet zo uitgebreid als in de "doorsnee rock" van de jaren '76-'78. Bovendien gold in punk de regel 'No Rules', die in strijd is met de regel dat "gitaarsolo's niet mogen".

Mijn reis door new wave en aanverwanten vervolgt. Ik beluister de albums achter de nummers op mijn afspeellijsten en kwam vanaf het tweede album van de Engelse Eddie & The Hot Rods. Volgende album: Stick to Me van de Londense pubrockers Graham Parker & The Rumour.

Dead Kennedys - Fresh Fruit for Rotting Vegetables (1980)

poster
4,0
"Ik word daar zo moe van, van ...!" De vaste oneliner van kabouter Lui, een typetje van Chris Cauwenberghs die vorige maand overleed. Waarom kom ik op dit zinnetje uit de tv-kinderreeks Kabouter Plop bij een punkplaat van de Dead Kennedys? Wel, omdat ik hierboven de volgende uitspraak tegenkom, dat "een beetje muzikant dit met twee vingers in de lucht naspeelt."

Ja, daar word ik moe van. Zelfs nu dat zinnetje alweer elf jaar oud is. Omdat er kennelijk niet wordt geluisterd naar de muziek. De heren van de DK's waren hoorbaar geen beginnelingen. Makkelijk aan te tonen, luistert u mee? Veertien nummers, zeven per plaatkant op dit in september 1980 verschenen album.

De uptempo opener Kill the Poor is mijn minst favoriete nummer vanwege het te blije refrein; met de titel zit 'm daar uiteraard wél de ironie; het lijkt wel Brits, maar de heren komen toch echt uit San Francisco. Forward to Death is een stukkie sneller met razendsnel slagwerk; dat vergt muzikaal vakmanschap. When Ya Get Drafted laat een hecht spelende groep horen met de snijdende stem van Biafra als troef.
In Let's Lynch the Landlord klinken echo's van klassieke rock 'n' roll, zij het dan op z'n punks, met bovendien een lekkere old school gitaarsolo; dat is wel méér dan even wat raggen: gitarist East Bay Ray (Raymond Pepperell) speelt al op dit debuut meer dan alleen punk. Een sneller nummer als Drug Me kwamen we tot dusver niet tegen: hardcore met razendsnelle, strak gespeelde gitaarlicks en zowaar een ijl orgeltje. Je hoort waar onder meer Slayer de mosterd vandaan haalde.
Snelle akkoorden op z'n Ramones in Your Emotions, een bluesschema in het snellere Chemical Warfare, als opgevoerde jaren '50 r&b. Met op 2/3 een gestoord walsje, strak gespeeld.

Op kant 2 komen de Dead Kennedys pas echt op gang. Eerst het bekende California über Alles, een protestlied tegen de skins als ik me goed herinner. Hoe dat was zag ik later in de film American History X. Na enige tijd duikt een doomriff op die geleidelijk versnelt, waarna het einde van het nummer opvallend veel wegheeft van het slot van Black Sabbath van Black Sabbath. De heren kenden ook deze klassieker én slaagden erin die in een geheel eigen jasje te steken.
Hardcore (punk) in I Kill Children, versnelde r&b á la Bo Diddley in Stealing People's Mail met warempel weer dat orgeltje, nu steunend onder het muzikale geweld. Robuust is Funland at the Beach met een snel gespeelde lick in het refrein, waarna het muzikaal pittigste nummer volgt. Rare gitaarlijnen in Ill in the Head, alsof dit progrock of fusionrock is - maar dan op z'n Dead Kennedys': gejaagd en als contrast een brug met cleane gitaar.
Moet ik klassieker Holiday in Cambodia uitleggen? Hier de lange versie, een ijzersterke compositie waarin alle kwaliteiten van de groep samenkomen met die snerpende stem van Biafra als kers op de taart. Hoort u trouwens ook eens cover Blokhut in de Achterhoek van The Bruurkes.
Met de - uiteraard versnelde - Elviscover Viva las Vegas wordt nog eens onderstreept dat de heren de uit Engeland overgewaaide punk bewust in een Amerikaanse muziektraditie plaatsten. Als cover niet heel spannend, wél veelzeggend.

Om Fresh Fruit for Rotting Vegetables in de context te zetten: vanaf 1976 kwam in Engeland de eerste golf punk bovengronds met in '77 elpees van bijvoorbeeld The Damned en The Stranglers en iets later van The Clash, Sex Pistols en X Ray Spex. Vanaf '79 volgde daar een naschok met namen als The Ruts, U.K. Subs en Angelic Upstarts, waarna in 1980 Discharge volgde met hardcore punk, veel sneller dan voorheen. Die laatste groep bracht nog geen album uit, de eerste hardcore op elpee kwam ik tegen op dit Fresh Fruit.

Muziek die in Nederland alleen bij de VPRO in de avond klonk. Muziek die wel degelijk de nodige instrumentbeheersing vereist, waarbij de groep dit live ingespeeld lijkt te hebben in verschillende sessies; je hoort het aan details zoals het gitaargeluid. Muziek die, als de groepsleden niet op elkaar zijn ingespeeld, in een geluidsbrij zou zijn verzand. Dat gebeurt hier dus zeker níet. Muziek die meer als een demo klinkt dan als een professionele studioproductie; toch zou ik het niet anders willen.

Ben op reis door new wave en aanverwanten, de albums achter de muziek op mijn afspeellijsten met dit genre beluisterend. Bij mijn vorige halte sloot ik augustus 1980 af met de derde van The Rumour.
Daar ontdekte ik dat ik hun laatste album met Graham Parker was vergeten: terug naar mei '80 en The Up Escalator.

Death - ...For the Whole World to See (2009)

poster
5,0
Mijn reis door de voorlopers van new wave en punk gaat van Brian Eno's Another Green World naar deze plaat van Death, de groep uit Detroit die niet moet worden verward met de deathmetalband uit Orlando, Florida. Maar ook hier is de muziek LUID!

Begin jaren '70 krijgt moeder Hackney uit Detroit een aardig sommetje geld. Zij en haar man hebben vier zonen en ze besluiten het bedrag in hen te investeren en kopen muziekinstrumenten, versterkers en speakerkasten. De jongste drie vormen een band: David op gitaar en zang, Bobby op bas en zang en Dannis op drums.

David komt met de naam Death, wat voor hem staat voor het begin van iets nieuws: de zonen krijgen een christelijke opvoeding en de dood is daarom het begin van het Beste Leven. Dat lijkt onconventioneel, nog uitzonderlijker is dat de broers zwart zijn maar harde en snelle muziek schrijven. Ze worden door hun omgeving bepaald niet begrepen. Hoofdschuddend wordt gekeken naar het huis waar de drie een slaapkamer mochten ombouwen tot oefenruimte en waar dagelijks fanatiek wordt geoefend, zodat de eveneens zwarte buurt kan meegenieten. Keiharde rock 'n' roll schalt naar buiten. Detroit is toch de stad van soullabel Motown: 'Why are these boys playing white man's music?"

De drie vinden zowaar een opnamestudio (een dartpijl wees de weg) en nemen van februari tot eind zomer 1974 de elpee ...For the Whole World to See uit. De baas van het bijbehorende platenlabel weigert evenwel de plaat uit te brengen. Ze proberen het elders, tot Engeland toe, maar er is niemand die hun plaat wil uitbrengen, al is men vaak wel onder de indruk van de muziek.
Het komt door de bandnaam: die is te afschrikkend. David is echter vastbesloten, waar zijn broers wel overstag willen gaan: Death is de naam. Geen naamswijziging, dan liever het album op zolder bewaren voor de tijd dat de wereld er rijp voor is.

Wel volgt in 1976 de eigenbeheersingle Politicians in My Eyes / Keep on Knockin, beide nummers afkomstig van de niet uitgebrachte langspeelplaat. 30 jaar later wordt de single ontdekt door Jello Biafra, bekend als zanger van Dead Kennedys én fanatiek verzamelaar van punkvinyl. Dan volgt een kettingreactie met in 2009 als resultaat hetgeen de inmiddels overleden David voorspelde: de wereld maakt kennis met ...For the Whole World to See.
Dit en veel meer is te zien in de documentaire waarover hierboven al werd geschreven: A Band Called Death staat inmiddels op YouTube. Soms hilarisch (de oudste broer haalt enkele telefoongrappen met een stemvervormer aan), soms ontroerend (bijvoorbeeld als de jongere broers vertellen over de jaren ná Death). Bovendien het verhaal van een hechte familie die zich door verdriet heen slaat. In tranen zaaien, in blijdschap oogsten, al kost dat soms jaren. Ik kreeg er vanzelf natte ogen van...

Is de muziek deze sentimenten waard? Nou en of! Ongelofelijk dat in 1974, twee jaar vóór de Ramones, drie zwarte jongens al zulke intense muziek maakten. Nummers als Keep on Knockin, Rock -N- Roll Victim en Freakin' Out hadden namelijk makkelijk op het legendarische debuut van die punklegenden kunnen staan. Hard, snel en intens. Bovendien met bizar veel overtuiging gespeeld.
Niet alles is snelle punkrock: Let the World Turn begint langzaam en introspectief met een tekst die tot nadenken stemt, waarna de muziek steeds luider en sneller wordt inclusief een korte maar razende drumsolo; dit alles in een kleine zes minuten.
De heren hebben dus ook wat te zeggen: zo bevat Politicians in My Eyes een tekst die met de huidige Amerikaanse voorverkiezingen in niets is verouderd. Geen zwakker nummer te ontdekken en lekker vet geproduceerd, zodat er een klein half uur veel te genieten valt en je vanzelf terugkeert naar track 1. Het verveelt nergens.

De docu vertelt dat de band door alle belangstelling terugkeerde met de twee nog levende broers en gitarist-zanger Bobbie Duncan, die daarvoor met hen speelde in hun reggaegroep Lambsbread. Vanaf 2011 volgen twee albums met opgepoetste demo's en in 2015 een album met sterk nieuw materiaal, genaamd N.E.W.
En dan zijn er ook nog de zonen van de twee broers, die soortgelijk werk spelen in Rough Francis, cruciaal in de wederopstanding van Death.

Voor mijn muzikale reis keer ik echter een jaar terug in de tijd naar Engelse eigenheimers annex artrockers: Steve Harley & Cockney Rebel met het album The Human Menagerie uit 1973.

Deep Purple - =1 (2024)

poster
4,5
Iedere gitarist liet zijn invloed op het geluid van Deep Purple gelden. Ritchie Blackmore zelfs tweemaal. Eerst vanaf 1968 met zijn grensverleggende kruising van klassiek en blues waarbij hij bovendien enkele heipalen sloeg voor wat snelle heavy metal zou worden. Zijn opvolger Tommy Bolin bracht in 1975 funk in het geluid. Bij de reünie van Purple in 1984 leverde Blackmore rondere hardrock gelijk de drie Rainbows met zanger Joe Lynn Turner, die zelfs in '90 bij Purple de microfoon kreeg.
Hierna de zeer tijdelijke live-invaller Joe Satriani en ook bij hem een eigen inbreng: in 1993-1994 klonk diens vloeiende shredding. Bij Steve Morse volgden een progressieve inslag met een vleugje fusion, waarbij lange noten werden afgewisseld met razendsnelle loopjes.

Welkom op = 1 : Simon McBride, Purplegitarist nummer 5. Afkomstig uit Noord-Ierland waarmee Purple weer volledig een Britse band is. Ik ken hem van deze Snakecharmer (2017), waar hij Micky Moody opvolgde. Muziek in de voetsporen van het jonge Whitesnake.
De kracht van Deep Purple zit hem mede in de duetten tussen gitaar en toetsen, een traditie die hier krachtig wordt voortgezet. Daarbij valt op dat drummer Ian Paice harder moet werken dan op de vorige albums. Na een kleine TIA in 2016 is hij inmiddels tevens de drummer van Purpendicular, begin dit jaar nog op drie podia in Nederland. Hij drumt met verve, alsof we een twintiger horen.
Producer Bob Ezrin fungeert inmiddels bijna als zesde groepslid, zo vertrouwd is hij met de groep; hij duikt zelfs met de andere groepsleden op bij alle schrijfcredits. Hierbij geen vermelding voor Steve Morse, nog wel bij de allereerste aanzet voor het album betrokken. Iets van diens briljante melodiegevoel waart echter rond in het kalme If I Were You met zijn lange gitaarlijnen én bij andere gitaarpartijen van McBride.

Op de albums Infinite (2017) en Whoosh! (2020) was te vaak sprake van een routineuze aanpak, resulterend in brave middelmaat. Dát is voorbij. Met McBride is de riff dominanter, zoals Paice terecht vaststelde. De man kan niet alleen gitaarspelen en soleren, hij brengt energie terug, “dwingt” Don Airey tot de nodige hoogstandjes op de toetsen en stuwt Paice met bassist Roger Glover op. Het groovet weer, joechei!
Na het optreden van Purple op Graspop las ik over zanger Ian Gillan zowel onvrede (Humo en GvA) als positieve verhalen (Dansende Beren en HLN). In de studio zijn de zangkoorden zéker onder controle en tweemaal hervindt hij kort zijn krijs. Zeker, de man heeft minder vermogen dan vroeger, een fenomeen dat nu eenmaal bij ouder worden hoort, denk aan Johnny Cash of recenter David Coverdale. Maar op = 1 heeft hij voldoende over voor een krachtige prestatie. Daarbij heeft hij zijn kapper de voorbije maanden gemeden, staat hem goed!

Favorieten op het eerste deel: met de groove van opener Show Me is het alsof we middenin een jam stappen met spoedig het eerste gitaar-toetsenduel; het stomende A Bit on the Side waarin een solo á la Morse maar met voller gitaargeluid; het stuwende Portable Door met heerlijke Hammondriff en fusion in de brug; het swingende en uptempo Old-Fangled Thing waarin een héérlijk krijsje in het slot klinkt, slim gevolgd door het kalme If I Were You en het optimistische Pictures of You.
Ik heb mijn Poolse cd de voorbije dagen regelmatig vanaf de tweede helft, track 8, laten starten. Dan blijkt dat ook die helft consistent van niveau en variatie is. Lazy Sod met een shuffle die doet denken aan de eerste jaren van Whitesnake en McBrides voormalige groep Snakecharmer, het uptempo Now You’re Talkin’, in No Money to Burn een grommende orgelriff als in de dagen van Machine Head (1972) plus als contrast het tweede dameskoortje van = 1.
Kip-pen-vel bij ballade I’ll Catch You. Zingt Gillan zijn in 2022 overleden vrouw toe? Alsof ze hand in hand naast hem zit. Pákkende tekst, gedragen door een sterke compositie! Laatste favo is het gevarieerde slotlied Bleeding Obvious dankzij diverse progclimaxen.

Zelfs de twee ongenoemde nummers zijn beter dan de middelmaat die te vaak op Infinite (2017) en Whoosh! staat. Zoals Sharp Shooter met daarop het eerste dameskoortje sinds Haunted op Bananas (2003). Ook dan avontuur, verscholen in de gitaar- en toetsensolo.
Jaaaa, de solo’s van McBride en Airey… Soms snel, soms juist langzaam. Ze groeien bij vaker draaien, zoals die in I’ll Catch You en de dubbele gitaarsolo in de afsluiter. En de riffs, de grooves: vaak grommend als felle kuitenbijtertjes.

Voor wie moppert over = 1: probeer de laatste Uriah Heep (2023), waar nog meer energie klinkt en tot vandaag slechts 44 berichten en 40 stemmen staan. Veteranen met een album dat veel meer aandacht verdient! Of kies een ander album dat op MuMe ondergesneeuwd raakte.
Degenen die Steve Morse missen, wil ik verzoeken zijn albums (solo, Steve Morse Band, Dixie Dregs, Kansas) op MuMe aandacht te gaan geven: véél te weinig informatie bij de meeste titels op deze site! Morse is zóveel meer dan zijn werk bij Purple. Hier ligt een mooie taak, om de eerwaarde heer Olivier B. Bommel te citeren…

Deep Purple - Abandon (1998)

poster
3,5
Abandon, zet er spaties in en je hebt ‘a band on’. De groep gaat verder waar Deep Purple na Purpendicular was gebleven, met dit verschil dat ik nu wél een ronduit vervelend nummer tegenkom: Watching the Sky bevat een heel drammerige, monotone zanglijn.

Gelukkig ontbreken sterke composities niet, al zijn het er minder dan op de voorganger: de blues van Don’t Make Me Happy, het pompende Seventh Heaven, in topfavo Fingers to the Bone hoor ik op zang én gitaar droommelodieën en het uptempo ’69 mag er ook zijn.
Van tevoren was ik sceptisch over bonus Bludsucker, oorspronkelijk van de klassieker In Rock. Maar het plezier spat ervan af, Gillan krijst langdurig op de toppen van zijn longen en Morse speelt heerlijk in zijn eigen stijl, nog altijd passend in deze klassieker.

De overige nummers zijn op die ene na best aardig, waarbij opvalt dat toetsenist Jon Lord weer ontzettend op dreef is. Hoor hoe hij in Jack Ruby en She Was van leer trekt! Hetzelfde geldt voor gitarist Steve Morse, wat een uitzonderlijk en creatief talent blijft hij toch, te horen aan de instrumentale delen van Evil Louie. In Jack Ruby zet Gillan nog eens zijn krijsstem in, wat in 1998 een zeldzaamheid was geworden.

Het was de laatste Purple met Lord in de gelederen. De eerste aanzet daartoe was een knieblessure, maar hij verliet de groep in 2002 vooral om andere dingen te gaan doen. Ik vond het jammer, maar zijn vervanger kende ik van talloze albums: Don Airey. In de dvd Live at the NEC is te zien hoe de wisseling van de wacht zich voltrok, zie daar.

Voor Abandon een sterretje minder dan de voorganger. Het zit ‘m in de composities, niet in de uitvoeringen.

Deep Purple - Bananas (2003)

poster
3,5
Negen jaar geleden brandde ik een cd'tje voor in de auto met hierop de beste nummers van het Deep Purple met Steve Morse. Laatst kwam ik enkele cd's van ze tegen in een nieuwe zaak in Gorinchem met tweedehands spul en ja, dat laat je dan niet staan...

Ook ik herinner me het gemopper over de hoes en titel van Bananas, die ook mij verbaasde. Maar het gaat om de muziek en met Morse en Don Airey in de gelederen is definitief sprake van een ietwat andere stijl, al weet ik niet goed hoe ik het verschil met vroeger kan uitleggen. Het zit 'm denk ik in de melodische kwaliteiten wat betreft liedjes schrijven van Morse. Soms moet ik terugdenken aan de twee albums die laatstgenoemde met Kansas maakte, Power (1986) en In the Spirit of Things (1988).

Op Bananas klinkt diezelfde stijl in mijn oren het duidelijkst in semiballade Haunted (het enige nummer met achtergrondzangeres dat Purple ooit opnam, maar hóe pakkend doet Beth Hart dat!), het stuwende Silver Tongue, het solodeel van Picture of Innocense, het slot van I Got Your Number, het ingetogen juweel Never a Word, het solodeel van Bananas met een ouderwets lekker duel tussen gitaar en toetsen en vanzelfsprekend in het afsluitende Contact Lost, een instrumentaal nummer van Morse over de crash van de Columbia. Met een melodie die binnenkomt.

Ja, ik heb dus wel iets met het Deep Purple van Steve Morse, want de andere nummers doen me meestal minder. Niet alle melodieën en ideeën zijn even pakkend, al klinkt het met de karakteristieke stem van Ian Gillan wel helemaal als Deep Purple. Ian Paice bleef een heerlijke drummer en Roger Glover de immer betrouwbare basman. Een ruime 7 voor het geheel.

Deep Purple - Burn (1974)

poster
3,0
Idem voor Glenn Hughes.

Ik heb Burn in de 30th Anniversary Edition, met daarop vijf bonussen. De versie is ook op streaming te vinden maar dan mis je wel het dikke, informatieve boekje met daarin leuke foto's. Hierdoor land ik beter in de sfeer van 1974, dat ik qua popmuziek niet bewust heb meegemaakt. Zo is daar een afbeelding van de cover van Muziek Expres, met nieuwe zanger David Coverdale schaapachtig glimlachend.

Ik houd dus wél van de stem van Ian Gillan, maar evenzoveel van die van Coverdale. Waar ik níks mee heb is de stem van tevens bassist Glenn Hughes. Waar Coverdales stem lager is met een rauw randje, is die van Hughes clean en hoger. Daarbij wil hij ook nog eens met zijn melodielijnen de lucht ingaan. Liefhebbers zeggen dat er daarmee zwarte soul in de groep kwam. Dat klopt maar voor mij werkt het niet. De meeste nummers zijn duetten en iedere keer als Hughes zingt, denk ik: 'Dat had Coverdale beter gedaan.'

Daar komt bij dat de funk die op de voorganger al in de muziek kroop, hier nog prominenter aanwezig is, wat de vaart uit de muziek haalt. Ter vergelijking: Mother's Finest brak drie jaar later door met een soortgelijke aanpak van funk-in-rock; veel liever hoor ik hun energieke Another Mother Further.
Het titelnummer blijft overigens fantastisch met de breaks van Ian Paice en de solo's op gitaar en toetsen. Een tweede pré is dat gitarist Ritchie Blackmore gedurende het album feller van zich afbijt dan op de voorganger.
Aardig zijn Lay Down, Stay Down en het instrumentale "A" 200, waarop toetsenist Jon Lord nieuwe toetsengeluiden uitprobeert en Blackmore verderop heerlijk soleert. Bij Mistreated duurt het me nog altijd veel te lang voordat het nummer versnelt, terwijl Coverdale passievol bewijst dat Hughes' stem overbodig is.

Soms bevalt muziek na vele jaren beter, dus lette ik extra op You Fool No One. De aversie blijkt alleen nog maar gegroeid. Het zit hem in de langgerekte melodielijn en Hughes' dunne stem, terwijl ook Coverdale de hoogte in moet, passend bij het nummer. Zijn stem kan dat prima aan, maar veel liever hoor ik hem bronstig als later bij Whitesnake.
De extra's zijn allen remixen; heel aardig met soms nieuwe details, echter nergens verrassend. Dat geldt ook voor "nieuwe" track Coronarias Redig, dat me te funky is. Een 6,5 derhalve, de schitterende hoesfoto met de hoofden als kaarsen ten spijt.

Deep Purple - Come Taste the Band (1975)

poster
4,0
Afgelopen zaterdag liep ik No Dust Records in Wezep binnen, waar luid Saints & Sinners van Whitesnake door de winkel schalde. Genieten van die prachtige stem van David Coverdale! Een voorbode van dat blueshardrockende gevoel klinkt op deze Deep Purple, die aftrapt met een openingsakkoord dat wil zeggen: Ritchie Blackmore mag weg zijn, wij zijn nog altijd Deep Purple.

Blackmore blijkt op Come Taste the Band vervangbaar: Jon Lord en Ian Paice vormen de ruggengraat van de groep, zo blijkt op menig nummer. Daarbij was niet de behoefte om als op Burn ieder nummer met twee zangers uit te voeren: Coverdale is meestal de krachtige frontman, meer nog dan op voorganger Stormbringer. Tenzij bassist-zanger Glenn Hughes zijn voorliefde voor soul/funk mag uitventen: dan verandert Deep Purple in een rockende soulrevue.

In 2015 verzuchtte buizen: "Kan iemand in hemelsnaam uitleggen wat er 'funk(y)' of zelfs 'soul' is aan dit album? Omdat dat op wikipedia staat?"
Als verlaat antwoord: Gettin' Tighter begint nog stevig, maar na bijna twee minuten is daar funk en een hoe-hoegilletje, al is dat deel gelukkig vlot voorbij. In This Time Around is hij opnieuw in de hoofdrol, mede dankzij de toetsengeluiden zitten we hier in soulland. Met de piano en ad-libs á la Stevie Wonder heb ik niks.
Lekker is evenwel het instrumentale vervolg Owed to 'G' met sterk gitaarspel van Tommy Bolin. Met die anderhalve (nog niet eens) nummers is echter de soul/funk een stuk minder aanwezig dan op de vorige twee platen: hoera!

Want verder domineert blueshardrock, een voorschot op de vroege jaren van Whitesnake, waar ik in Wezep iets van hoorde. Tot mijn verrassing bevalt dit me toch echt een stuk beter dan Burn, waar zowel Coverdale als Hughes nogal eens de hoogte in gingen, wat gelukkig al minder was op Stormbringer.
Op de Anniversary Edtion met op de bonus-cd de remix van Kevin Shirley klinkt dit Purple nog steviger. De blues in de muziek komt vetter de speakers uit. "Nieuwelingen" Same in L.A. en de Bolin/Paice Jam zijn prima aanvullingen.

Het verhaal is bekend: de oude fans waren vaak klaar met dit Purple, verkoopcijfers en bezoekersaantallen liepen fors terug, terwijl de cyclus van eindeloos optreden en opnemen zeker bij de veteranen in de groep voor uitputting zorgden. Tot Coverdales ontzetting werd besloten te stoppen: hij en Hughes waren nog maar net begonnen, om over Bolin maar te zwijgen.
Coverdale vond zijn eigen stijl stapsgewijs, te beginnen met soloplaat Whitesnake (1977). Achteraf gezien is dit Come Taste the Band een vooruitwijzing naar de eerste jaren van dat Whitesnake, waarbij het genieten is van Bolins spel.

Na in korte tijd driemaal het Purple met Coverdale-Hughes te hebben gehoord, ben ik benieuwd wat ik nu van Whitesnakes The Purple Album (2015) vind. Tijd voor een herbeluistering. Dat ga ik de komende dagen ontdekken en ondertussen komt de releasedatum 19 juli dichterbij, met een nieuwe Purple inclusief nieuwe gitarist.

Deep Purple - Concerto for Group and Orchestra (1969)

poster
3,5
Deep Purple verkende steeds meer de grenzen van hun muziek om die vervolgens te overschrijden. Op dit vierde album is het op initiatief van toetsenist, hier vooral componist Jon Lord dat de groep experimenteert met kruisbestuiving tussen enerzijds scheurende (prog)rock en anderzijds symfonische romantische muziek met een volledig orkest.
De andere groepsleden zaten hier niet om te springen. Gitarist Ritchie Blackmore niet en al helemaal niet nieuwe zanger Ian Gillan, die dubbel in het diepe werd gegooid: in een nieuwe groep van hoog niveau en dat in dit experiment voor de kiezen krijgen.
Maar ook dirigent Malcolm Arnold en het Royal Philharmonic Orchestra zullen met scheve ogen zijn aangekeken. Intern zal de nodige discussie vooraf zijn gegaan, of dit wel zo’n Concerto for Group and Orchestra wel zo’n goed idee was. Zeker in het Engeland van 1969. Dat het überhaupt doorging is vermoedelijk een wonder op zich.

Het is tevens alweer het tweede album van Deep Purple dat jaar, verschenen in september. Op de oorspronkelijke elpee zijn drie ‘movements’ te horen, onderverdeeld in vier nummers, twee per plaatkant.
Als tiener vond ik dit maar zozo en mijn gevoelens erbij zijn nog altijd gemengd. Waar ik vroeger echter vooral op de rockdelen viel, zijn het nu juist de orkeststukken die me aanspreken. Te vaak beleef ik dat de synthese tussen rock en klassiek is hier nog te veel een poging om (overdreven gesteld) olie met water te mengen.
Mijn moeite zit ‘m vooral in de individuele showcases van respectievelijk Blackmore, drummer Ian Paice en Jon Lord. Helemaal passend in de toenmalige tijdgeest, dát zeker. Nu beleef ik het als minder passend bij een orkest waar het om de compositie met zijn thema’s en motieven gaat. Soms echter lukt het. Als de muziek filmisch is, heb je me beet, zoals het onheilspellende begin van de Second Movement.

In 2002 verscheen een uitgebreide versie, waar een kalme commentaarstem in keurig Engels het concert introduceert en vervolgens Purple zonder orkest Hush, het instrumentale Wring that Neck en het nieuwe Child in Time speelt. Pas daarna, zo blijkt, volgde het orkestrale deel.
Het paste dus in de tijdgeest, neem nou Procol Harum: in 1972 verscheen Live in Concert with the Edmonton Symphony Orchestra.

In een ander muzikaal genre kwam ik laatst het verhaal tegen van bassist Peter Baltes, die metalgroep Accept in 2018 verliet, naar later bleek omdat die groep volgens hem teveel een vaste formule volgt. Hij miste het muzikale avontuur, zoals de symfonische / progrock die hij in in de jaren vóór Accept speelde. Muziek maken met risico's, zoals deze Deep Purple.
Veelzeggend is dat Lord gedurende zijn verdere carrière ruimte bleef maken voor klassiek en diverse kruisbestuivingen. In 2002 trok hij zich zelfs terug uit Purple om andere muziek te kunnen componeren en uitvoeren. Muziek uit de laatste tien jaren van zijn leven, die ik nog eens wil doorspitten.

Deep Purple - Deep Purple (1969)

poster
4,0
De derde van Deep Purple, hun derde in één jaar. Uitroepteken.

Debuut Shades was opgenomen in mei '68, opvolger Taliesyn in augustus en oktober dat jaar en deze titelloze derde in januari-maart '69. Een moordend tempo met daarnaast touren, promoactiviteiten en vind dan maar de tijd om nieuw werk te schrijven. Later zouden de (ex-)leden hierover hun bedenkingen hebben. Het kwam door de voortdurende druk van managers: nieuwe single - nieuwe elpee - volgende tour! Geld geld geld!

Het is de prijs van succes, tot dan toe alleen in de VS. Wederom werd het meeste in de studio geschreven. Deze keer slechts één cover: Lalena van troubadour Donovan. Bovendien was er non-albumsingle Emmaretta met tekst van zanger Rod Evans die daarmee indruk wilde maken op zangeres Emmaretta Marks. Een dame met een grote carrière en beroemde minnaars, zoals ik tegenkwam in dit artikel bij haar overlijden in 2022.
Mede gezien de tijdsdruk druipt de kwaliteit van hun derde worp. Het materiaal werd hoorbaar meer geschreven op de stem van Evans, al groeide inmiddels bij Blackmore en Lord een visie waarin voor hem geen plaats meer zou zijn.

Een album op de grens van hard- en symfonische rock. In Chasing Shadows een stuwend Afrikaans ritme, in Blind clavecimbelklanken. Ballade Lalena bevalt minder, dan liever het slepende instrumentale Fault Line of het swingende The Painter met een excellerende Blackmore.
Op de tweede plaatkant eerst het uptempo Why Didn't Rosemary? waarna het minder geïnspireerde Bird Has Flown volgt. Climax is echter de dikke 12 minuten van April. Met het symfonieorkest voorbode van het een half jaar later opgenomen Concerto for Group and Orchestra.
In 2000 volgde de uitgebreide cd-versie: bij Deep Purple is naast de oorspronkelijke albums altijd meer te vinden.

Terwijl nog wordt opgetreden met Evans en bassist Nick Simper, worden hun opvolgers Ian Gillan en Roger Glover al ingelijfd. Evans vanwege zijn capaciteiten en Simper omdat Gillan alleen wil toetreden als Glover mee mag. Maar de bijna ex-leden weten van niets.
Sterker nog, Blackmore, Lord en Paice duiken in het geniep met Gillan en Glover in juni de studio in om (geflopte) single Hallelujah op te nemen. Deze verschijnt eind juli 1969 met nota bene de oude bezetting op de hoes. Zie wat een spijtvolle Jon Lord hierover heeft te zeggen, gevolgd door de clip erbij.
Het leidt tot een pijnlijk en onhandig ontslag, af te lezen op zowel de gezichten van Simper als Lord in de documentaire Rock Family Trees: Deep Purple vanaf 6'56".

Rod Evans droomt van een carrière als acteur, mogelijk met Emmaretta Marks als voorbeeld. Bovendien vervolgt hij een zangcarrière, gevolgd door twee albums met de Amerikaanse groep Captain Beyond (hier hun debuutalbum) om de muziekwereld rond 1974 te verlaten. Hij is tot 1980 ziekenhuismanager in de VS en lijkt nadien van de aardbodem verdwenen.
Nick Simper bast in de heavy rockgroep War Horse, waarmee twee prima albums worden gemaakt, zoals dit debuut uit 1970. Met Quatermass II maakt hij in 1998 dit album. In die groep ook Mick Underwood, ex-Gillan.
Sinds 2000 heeft hij zijn nicksimper.net waarmee hij zichtbaar blijft, ook als hij wordt "vergeten" bij de inductie van Deep Purple in de Rock and Roll Hall of Fame in 2016.

Zoals Hans Brouwer mij goed doorzag: hun titelloze derde is de beste met Evans en Simper in de gelederen. Betere composities, een meer pakkende balans tussen rock en klassiek, materiaal dat geschikt was voor Evans' stem. Een 8 als schoolcijfer. De aversie uit de puberjaren tegen de vroege platen van Deep Purple is overboord...

Deep Purple - Fireball (1971)

poster
3,5
Was ik in 1971 vijftien geweest, dan was ik na de magistrale opener met titellied Fireball teleurgesteld geweest. De oorzaak? Hierna geen soortgelijke snelle, harde nummers meer... Muzikaal gezien is het album conservatiever dan de voorganger. Daarmee kun je het oneens zijn: meer dan tevoren klinkt af en toe funk, nieuw voor de groep.
Anno 2024 ben ik stukken positiever, maar zoals ik in het dikke boekje bij de Anniversary Edition lees, waren niet alleen vele fans minder enthousiast. Hetzelfde gold voor Ritchie Blackmore, de ster van de verkooprecords brekende voorganger In Rock. Deze Deep Purple was te ingetogen.
Daar kwam bij dat in deze periode de spanningen tussen de gitarist en zanger Ian Gillan opliepen, mede door Gillans groeiende alcoholconsumptie. Dat Blackmore op zekere nacht de deur van bassist Roger Glovers hoteldeur met een bijl insloeg zorgde voor meer consternatie, vertelt de laatste. Bovendien werd Glover ziek tijdens een concert (uitputting) en Blackmore maakte een blindedarmontsteking mee.

De opnamen vonden gedurende enkele maanden plaats in diverse studio's. Veel andere zaken vroegen hun aandacht: een Duitse tournee plus vele losse optredens (veel heen en weer reizen dus), een qua succes mislukte uitvoering van Concerto for Group and Orchestra in de VS, nevenproject Green Bullfrog (Blackmore en Paice), het concert bij Jon Lords Gemini Suite (de hele groep, pas in 1993 op geluidsdrager verschenen) en de studioversie daarvan (oktober 1971, Glover en drummer Ian Paice). Fireball verscheen in de VS in juli '71, in Europa twee maanden later.

De openingsgeluiden van Fireball (een airco in de studio) lijken sterk op die van de lift in de studentenflat waar mijn oudste zoon woonde. Als ik daar op bezoek kwam, had ik de hele avond dat nummer in mijn hoofd. Heerlijk!
No No No vind ik ondanks Gillans sterke zang en Lords toetsensolo wat langdradig en de shuffle van Demon's Eye swingt stevig maar minder heb ik met de funkinvloeden. Positiever ben ik over het slot van kant 1. Waar ik vroeger teleurgesteld zou zijn over Anyone's Daughter, klinkt het me nu alsof Johnny Cash dit voor de groep schreef en bovendien heeft de tekst een boeiend verhaal. Een verrassend pareltje.

Kant 2 opent met The Mule, waarbij het boekje mij leert dat de opname per ongeluk deels werden gewist. Paices drumstel was al ingepakt en weg, onderweg naar een concert. Hij moest het inderhaast op een andere kit opnieuw inspelen, waardoor de aandachtige luisteraar twee drumstellen kan onderscheiden. In de sfeervolle gitaarsolo van Fools kun je al iets van Rainbows Still I'm Said horen, terwijl Blackmore met de volumeknop op zijn gitaar speelt.

De Anniversary Edition (1996) brengt de nodige extra's, waarbij de mix van het oorspronkelijke album vetter is dan voorheen. De bonussen beginnen met de non-albumsingle Strange Kind of Woman - I'm Alone, de laatste gebaseerd op werk dat Gillan schreef ten tijde van zijn vorige groep Episode Six.
De studio-outtakes van Deep Purple zijn soms meer dan aardig, omdat je hoort hoe nummers al jammend ontstonden. Hier geldt dat voor The Noise Abatement Society Tapes, waarin men al improviserend drie nummers langsgaat. Om maar te zwijgen over de vroege, knallend-instrumentale versie van Fireball, waarin de afzonderlijke partijen goed zijn te horen. Nog geen bas- of toetsensolo daarin en ook geen tamboerijn, maar dit is inmiddels een grote favoriet van me: hoor hoe Ian Paice de groepsleden opjaagt. Ook leuk is Backwards Piano, voorbeeld van hoe de groep en producer Martin Birch experimenteerden in de studio, te horen in menig toetsen- of gitaarsolo op dit album.

Diverse nummers vielen live niet zo goed en de groep haastte zich om nieuw werk te schrijven. Zo dook al spoedig Highway Star van de opvolger op in de liveset. Maar terecht noteerde Glover in het cd-boekje: "To suggest it was an inferior album, is to do it a disservice. It was a real progression for the band (...)". Wat mijn waardering betreft: een 7,5, vertaald in 3,5 ster.

Deep Purple - In Concert with the London Symphony Orchestra (1999)

poster
4,0
In Concert with The London Symphony Orchestra was in 2000 de nieuwe van Deep Purple. Indertijd bij verschijnen nieuwsgierig in de cd-winkel in handen gehad, vooral benieuwd naar de bijdragen van Ronnie James Dio. Desondanks niet aangeschaft, wat ik een dikke twee maanden terug alsnog heb ingehaald.
Dit is niet het Deep Purple van Ritchie Blackmores gitaaruitspattingen, maar van toetsenist Jon Lord. Klassiek en bigband in ontmoeting met pop en rock. Met een orkest en áls de gitaar klinkt, die van Steve Morse. Dirigent was Paul Mann.

De start is uiterst kalm, gedurende de eerste cd wordt het volume vanzelf hoger. Om te beginnen twee nummers van Lords soloalbum uit 1998 Pictured Within. Eerst het titelnummer met zang van Ian Gillan. Dan Wait a While, geschreven door Lord met zangeres Sam Brown die uiteraard zelf de uitvoerende is.

Vervolgens solowerk van Purpleleden, aftrappend met twee nummers van Roger Glovers The Butterfly Ball and the Grasshopper's Feast (1974). Ronnie James Dio zingt eerst Sitting in a Dream, waarna het concert steviger wordt met de hit Love Is All. Het publiek reageert uitzinnig, wat zong de man toch goed... Dat originele pianist Eddie Hardin meedoet, maakt het extra mooi.
Vervolgens werk van Gillan: boogierock in Via Miami (mwah) en iets spannender is de jazzpop in That’s Why God Is Singing the Blues. Liever de instrumentale klassieker Take It off the Top van Steve Morse/Dixie Dregs, nu met blazers. Tenslotte de Purpleklassiekers Wring that Neck in een bigbandversie met viool – het kan! - en een filmisch orkestintro bij Pictures of Home.

Op cd2 wordt het bombastisch-romantische Concerto for Group and Orchestra uit 1969 uitgevoerd, wat om de één of andere reden beter binnenkomt dan de 1969-versie. We finally got it right,” merkt Gillan na afloop droogjes op.
Het moet een prachtige avond zijn geweest, want als slot komt er driemaal werk van het Purple-met-Morse langs met als hoogtepunt Sometimes I Feel Like Screaming in een orkest-plus-kamerkoorarrangement. Tenslotte het onvermijdelijke Rook op het Water, dat voorbij de sleur geraakt dankzij de krachtige inbreng van Dio. Een nummer dat hij gedurende zijn dagen bij Rainbow nooit zong, als ik afga op setlist.fm.

Qua nieuw werk een tussendoortje voor Purple, qua organisatie, repetities en resultaat veel meer dan dat.

Deep Purple - In Rock (1970)

Alternatieve titel: Deep Purple in Rock

poster
5,0
"In Rock is meer het pakkie-an van Blackmore: hard, snel, agressief en emotioneel. Dit is het album dat iedere rechtgeaarde rockliefhebber in zijn kast moet hebben. Dit is de Purple-sound, die de jaren erna een dominerende rol zal gaan spelen (...)" (Oor's Pop Encyclopedie)

Vanaf 1977 ontdekte ik scheurende gitaren en vanaf 1978 leerde ik via radioshow Betonuur van Alfred Lagarde de nodige namen kennen. Maar of hij Purple draaide? Vast wel, al kwam die groep in mijn geval vooral via radioprogramma Arbeidsvitaminen binnen. En dan vooral Child in Time. Magisch, zelfs al beperkten ze zich tot de eerste helft van het nummer, niet toevallig de A-kant van de single.
Bij de Top 100 Aller Tijden van Veronica klonk echter wél de volledige versie en al vond ik het eerste deel beter dan de tweede, met de opbouw, gitaar- en orgelsolo én zang- cq krijscapriolen van Ian Gillan werd ik acht jaar na verschijning alsnog omver geblazen.

Mijn ouders waren lid van Boek en Plaat, waar ieder kwartaal een boek of plaat voor redelijke prijs moest worden aangeschaft. In hun catalogus zag ik de iconische hoes van In Rock, waarvan ik pas later ontdekte dat dit rotsmonument echt bestond. Met andere "groepleden", dattanweerwel.
Uit de bieb leende ik Oor's Popencyclopedie, die ik thuis van A tot Z las, eerst de favoriete namen. Daarin de woorden bovenaan dit bericht, die ik als vanzelf inprentte. Gaandeweg ontdekte ik dat er bij de oudere garde hardrockliefhebbers een kamp was met fans van Led Zeppelin en een ander met die van Purple. Al was er tussen beide wederzijds respect, het laat zich raden in welk kamp ik sindsdien zit als het sec deze rivaliteit betreft.

Laat ik eens niet de nummers beschrijven, zelfs niet de favorieten, maar volstaan met de constatering dat dit grensverleggend was. In mijn geval extra indrukwekkend als grote invloed op de new wave of British heavy metal die in 1980 mijn tienerkamer binnendenderde en ook latere (metal/rock)groepen beïnvloedde.
Hierboven (bericht uit 2007) wordt de productie "beetje bedompt" genoemd. Snap ik niet. Misschien een slecht vinylexemplaar beluisterd? Producer Martin Birch werkte ook hier grensverleggend. Vergelijk de zwaarte maar met de productie (niet de stijl) van jaargenoten Black Sabbath (hun eerste twee albums), ...Very 'Eavy ...Very 'Umble van Uriah Heep en Led Zeppelins III. Voor wie dat anders hoort: reageren staat uiteraard vrij!

Deep Purple - Infinite (2017)

poster
3,5
Vond Infinite vooraf interessant. De hoes (ook de cd-versie) is prachtig met binnenin de bustes van de vijf uitgehakt in een ijsberg, verwijzend naar de hoes van In Rock. De thematiek van de ijsbreker, de verwijzingen naar (on)eindigheid in de titel en de vaarkoers (cirkels) van het schip op de hoes.
Maar na aankoop viel hij tegen. Niet dat ik verwachtte dat Deep Purple de jaren '70 zou herhalen, nee, het was me simpelweg niet afwisselend genoeg. Jaren heeft hij in de kast gestaan en wat gebeurt er? Hij bevalt opeens véél beter.

Slechts negen eigen nummers. In de bijbehorende docu van anderhalf uur (wel wat lang) valt te zien hoe het album tot stand kwam: vijf muzikanten in een kring met producer Bob Ezrin erbij. Ruwe ideeën wordt gearrangeerd. Gillan luistert, probeert zanglijnen en noteert teksten op een kladje. Meer uitproberen, repeteren en voilá. Zoals het eigenlijk al vanaf het debuut gaat, al weet ik niet of ze in 1968 bij het schrijven ook in een cirkel werkten. In de eerste helft zijn Time for Bedlam, “single’’ All I Got Is You en One Night in Vegas smaakmakers.
De tweede helft begint sterk met het progrockachtige en meestal rustige The Surprising, waarna Johnny's Band lekker uptempo swingt. Mijn favorieten in het Purple-met-Morse zijn bijna altijd de rustiger nummers, omdat daar de (prachtige!) melodieën dominanter zijn in zowel zang als gitaar en toetsen. Het is daarom dat ik met On Top of the World en Birds of Prey minder heb.
Wat betreft Roadhouse Blues: in 1972 werd het origineel van The Doors overtroffen door de intense versie van Status Quo en daar gaat Purple bepaald níet overheen.

Drie sterke nummers in de eerste helft, twee op de tweede. Met de nummers die me minder pakken, is Infinite nog steeds een lange zit. Maar waar ik in 2017 met moeite drie sterren had gegeven, wordt het nu een halfje meer: een krappe 7 als schoolcijfer.

PS: in 2017 schreef Icon E (niet meer actief op MuMe) bij dit Infinite: "Ach, wie verdient er nog geld met het verkopen van cd's?" Wel, de verkoop van cd's en vinyl in het Verenigd Koninkrijk doet het inmiddels goed, zo meldde Phil Aston twee dagen geleden in zijn vlog. Goed nieuws voor Deep Purple, van wie overmorgen = 1 verschijnt.

Deep Purple - Machine Head (1972)

poster
4,0
Het verhaal van Machine Head zal de meesten bekend zijn. Deep Purple streek voor de opnamen neer in een Zwitsers hotel aan een meer. Niet meer opnemen tussen concerten en andere verplichtingen door, maar gefocust aan de slag. Een mindere focus bij voorganger Fireball leidde bij de fans tot gemengde reacties en mindere verkopen. Het succes van In Rock van het jaar ervoor moest minimaal geëvenaard worden.
Gitarist Ritchie Blackmore waakte ervoor dat de gitaar en de riff weer centraal stonden, net als op In Rock, zonder daarbij de bijdragen van de anderen te veronachtzamen.

Opener Highway Star maakte al deel uit van de liveset vóórdat Fireball überhaupt uitkwam. Hierdoor misten fans dat nummer op die plaat, zo las ik in het cd-boekje bij de Anniversary Edition van Fireball. Het werd mede geschreven omdat te veel nummers van Fireball live niet aansloegen. Highway Star is een onvervalste riffklassieker en wie dit nummer niet kent, zal net als ik bij mijn eerste kennismaking, medio 1979, worden omvergeblazen.
Kalmer en minder spannend is Maybe I'm Leo, maar het via triolen stuwende Pictures of Home is meteen een tweede kraker, met wederom fraaie solo's van diverse leden, zoals drummer Ian Paice vanaf de eerste klanken. Met de "rockfunk" van Never Before heb ik minder.

Kant 2 begint met de iconische riff van Smoke on the Water, zo vaak gespeeld door beginnende gitaristen (vaak nog fout ook) dat deze in sommige gitaarwinkels Verboden te spelen werd. Sterk refrein, de coupletten vond ik altijd wat saaitjes.
Ook Lazy leerde ik pas veel later kennen. Het vierde hoogtepunt van de plaat met z'n fantastische toetsenintro, jamachtige sfeer en heerlijke groove. Slotlied Space Truckin' groeide uit tot een klassieker; liever deze 4'35" dan de uitgerekte liveversies.

Oorspronkelijk verschenen in klaphoes, maar ik doe het met een simpel cd'tje waarop bovendien niet dat emotionele bluesnummer When a Blind Man Cries staat. Ik leerde het pas in 2003 kennen via verzamelaar 30: Very Best of.
Rond de opnamen valt veel interessants te vertellen, zoals hier bij Classic Rock. Vijf supergetalenteerde muzikanten die regelmatig de grenzen van hun kunnen opzoeken. Niet iedere compositie is even boeiend, maar dit album is zonder enige twijfel een klassieker.

Deep Purple - Made in Europe (1976)

poster
4,5
Mijn maatje werd rond 1981 een grote fan van Whitesnake. Toen ik op zekere dag bij hem op bezoek was, meldde hij vrolijk de liveplaat van Deep Purple met David Coverdale te hebben.

Het ijzersterke On Stage van Rainbow kenden we inmiddels en Made in Europe leek daar warempel op: de verschillen in dynamiek bijvoorbeeld; dan weer heel hard, dan weer ingetogen gitaarspel. Zoals in het intro van opener Burn, waar gitarist Ritchie Blackmore na het lange openingsakkoord plotseling zachtjes speelt. Pas als Coverdale de woorden “rock ‘n’ roll” spreekt, barst hij los met die grootse riff.
In You Fool No One klinkt niet alleen het Israëlische volksliedje Hava Naguila op de toetsen van Jon Lord, ook lijkt Blackmore hier al te spelen met Still I’m Sad, dat we van Rainbow kenden.
Wat ons eveneens opviel: de uitvoering van Mistreated op On Stage is weliswaar groots, maar niemand kan het lied zo bronstig zingen als Coverdale hier doet. Daarover waren we het roerend eens. Maar hij schreef dit dan ook zelf, met Blackmore.

Twee tieners waren dus helemaal blij met dit album, in hun ogen van een stokoude band, in werkelijkheid muziek die nog maar zo’n zeven jaar eerder was opgenomen. Ian Paices drumsolo was wederom fenomenaal, Lord is virtuoos als een malle en de productie van uiteraard Martin Birch was weer briljant. Onze favoriete producer en inmiddels ben ik die mening weer toegedaan.
Over dit laatste verschillen de meningen, zo las ik hierboven, maar in het tijdperk van streaming kan er geen twijfel over bestaan dat de productie dik in orde is. Bovendien vijf nummers op twee plaatkanten, het was precies goed. Alleen jammer dat we niet te horen kregen hoe Coverdale de nummers uit het tijdperk Gillan vertolkte.
Dan zou ik bijna vergeten dat ook bassist Glenn Hughes regelmatig leadvocals deed, maar met zijn stem hadden we minder: lang niet zo krachtig als die van Coverdale, oordeelde mijn maatje. Wat Made in Europe bovendien fijn maakte, was dat sommige nummers wat heftiger waren dan bij Whitesnake het geval was.

Toen ik het album vorige week opzette, na het jáááren niet te hebben gehoord, viel me op dat ik allerlei details nog wist. Indertijd zette ik het op cassette; de conclusie is dat ik die veel moet hebben gedraaid en mij zo het nodige heb ingeprent. Geen wonder, dit is een heerlijke plaat.

Deep Purple - Made in Japan (1972)

poster
4,5
Toen ik in 1980 begon met het ontdekken van de historie van groepen als Rainbow, kwam ik vanzelfsprekend bij Deep Purple uit. In de fonotheek echter stonden geen studioalbums van de vier jaar eerder ontbonden groep, alleen een verzamelaar en twee livealbums.
Dat Made in Japan legendarisch was, had ik uit de Popencyclopedie van Oor begrepen. Dat het snel rijzende Iron Maiden in 1981 een live-EP uitbracht met de knipoogtitel Maiden Japan maakte extra duidelijk dat dit een klassieker moest zijn.
Toch was ik niet onverdeeld gelukkig met deze Purple. Van een hammondorgel hield ik nog niet en met de grote hoeveelheid jams en improvisaties was ik op kant 4 wel klaar: bijna 20 minuten Space Truckin’ was teveel van het goede voor deze puber.

Anno 2023 is duidelijk dat de dubbelaar het summum is van hetgeen (hard)rock beoogde: de muzikale grenzen overschrijden met veel ruimte voor expressie en improvisatie. Ja, Purple maakte (hit)singles, maar op elpee en zeker live wilde men af van het format van de popsong van drie minuten.
Made in Japan bevat slechts zeven nummers, verspreid over vier plaatkanten met een maximum van twee nummers per kant. Zanger Ian Gillan krijst zonder zijn stembanden te slopen en op bassist Roger Glover na krijgt iedereen ruimte om zijn kunnen uitgebreid te etaleren.
Dat de vijf zeer bekwaam waren op hun instrument en bedreven in improvisatie blijkt vaak. De knallende opener Highway Star wordt extra sterk met allerlei ter plekke verzonnen variaties; idem voor de klassieker Child in Time op dezelfde kant. The Mule is op kant 2 bijna een versiering bij de hele knappe drumsolo van Ian Paice, in Strange Kind of Woman op kant 3 klinkt een geïmproviseerd duet tussen de gitaar van Ritchie Blackmore en de stem van Gillan.
Lazy pakte me indertijd niet, maar enkele jaren geleden viel dan eindelijk het kwartje, notabene door een cover; die met onder meer Joe Bonamassa en Jimmy Barnes. Nu ik geen last meer heb van hammondallergie, is dit mijn favoriet van deze plaat met alle gekke geluiden die Jon Lord uit zijn klavieren tovert.

Hierboven klaagt een enkeling over de geluidskwaliteit. Heb echter groot respect voor de sterke productie, zeker als je bedenkt dat dit uit 1972 stamt… Petje af voor Martin Birch! Het kan eraan liggen dat vinyl toentertijd niet de aandacht en de 180 gram van nu kreeg. Ik hoor een album dat klinkt alsof het gisteren met alle eigentijdse apparatuur is opgenomen. Birch laat zo de groepsleden zowel individueel als collectief schitteren.

Vergeleken met de livealbums van tijd- en genregenoten / medepioniers Uriah Heep (Live, 1973), Led Zeppelin (The Songs Remains the Same, 1976) en Black Sabbath (geen liveplaat in de jaren ’70, pas in 1980 kwam het tegenvallende Live at Last) steekt Made in Japan met kop en schouders boven de conculega’s uit.
Desondanks had de vierde plaatkant van mij niet gehoeven. Nog altijd houdt die mijn aandacht niet vast. Gezien de uitgebreide versies die sinds 1993 van dit album verschenen, had ik daar liever Speed King en Black Night gehoord.

Een livealbum dat desalniettemin moeilijk kan worden geëvenaard, laat staan overtroffen.

Deep Purple - Now What?! (2013)

poster
4,5
Bij dit album kun je zien hoe MuMe is gegroeid: voorganger Rapture of the Deep uit 2005 heeft tot vandaag 63 berichten en 83 stemmen. Bij het acht jaar later verschenen Now What?! staan tot dusver 319 berichten en 131 stemmen. Waarschijnlijk heeft de opkomst van streaming ook invloed gehad: je kunt nu veel makkelijker complete albums beluisteren, waar Now What?! waarschijnlijk van heeft geprofiteerd.

Met alle 'Meningen' hierboven (klik dat aan en je krijgt een leuke samenvatting van alle berichten) ga ik mee met de meesten. Acht jaar wachten met een album betaalt zich uit wat betreft composities. Waarschijnlijk zijn de mindere ideeën gesneuveld. En al vind ik Rapture 4 sterren waard, Now What?! is nog meer een sterk en gevarieerd album.

Het Deep Purple van latere jaren? Al vanaf hun terugkeer in 1984 met Perfect Strangers was de muziek subtieler. Ian Gillan doseerde zijn krijs, anders dan op zijn albums met Gillan en die ene met Black Sabbath. Hij werd slechts vier dagen na de Japanse capitulatie geboren: 19 augustus 1945 staat in zijn paspoort. Dan werd hij in 2013 dus 68 jaar. In 2013 is het ontbreken van hoog gekrijs inmiddels geen keuze maar vooral opgelegd door de stijgende leeftijd. Daarom dient de muziek zelf voor extra afwisseling te zorgen.

Als symbool hiervan begint het album ongewoon klein met het verstilde intro van A Simple Song. Ik stond er vanochtend mee op en kan u verzekeren dat dit heerlijk wakker worden was.
Andere hoogtepunten zijn er te over, los van de talrijke solo's van zowel toetsenist Don Airey als gitarist Steve Morse. Weirdistan is midtempo met een logge riff, Hell to Pay rockt uptempo, mijn überfavoriet is Above and Beyond dat met een slepend tempo, intrigerend Hammondintro, fascinerende akkoordenprogressie en sterke zang fraai naar een climax toebouwt.

Je zou verwachten dat vervolgens een snel nummer komt, maar Blood from a Stone is langzaam en bevat, ik sluit mij aan bij vele andere luisteraars, invloeden van The Doors, in het bijzonder de elektrische piano bij die groep. Het wordt gevolgd door Uncommon Man dat zààààchtjes begint, om dan uptempo te worden met een sterke toetsenlijn. Fraai fraai fraai.
Dan het swingende Après vous, het dromerige All the Time in the World en in het intro van het slotnummer Vincent Price een kerkorgel én een koor, waarna een onheilspellende sfeer volgt.

Bijzonder is dat vier gastmuzikanten meededen, op Discogs in één oogopslag te vinden. De mild rockende bonus It’ll Be Me, origineel van Amerikaan Jack Clement, valt in de categorie ‘aardig’. Op andere edities zijn meer bonussen te vinden, zie diezelfde link.

Deep Purple - Perfect Strangers (1984)

poster
5,0
In oktober 1976 ging ik fanatiek naar Hilversum 3 luisteren, twaalf maanden later ontstond via Status Quo's Rockin' All over the World mijn liefde voor scheurende gitaren. Deep Purple was toen al ter ziele, maar hun werk leerde ik via de radio kennen, waarbij een uurtje Purple bij NCRV's Elpee-Pop Special mij meteen een complete verzamelaar opleverde, vergelijkbaar met verzamelaar Deepest Purple. Die moet goed hebben verkocht gezien de jarenlange reclame voor dit album in tijdschriften en de catalogi van boekenclubs zoals die in de jaren '70 en '80 populair waren (Boek en Plaat, ECI).

De carrières van de nazaten van Deep Purple, te weten Rainbow, Whitesnake en Gillan, volgde ik met grote belangstelling; met Glenn Hughes had ik minder. Met mijn hardrockende schoolgenoten ging het er soms over in welke bezetting een reünie zou moeten plaatsvinden: Gillan (Mk II) of Coverdale (Mk III). Ik hoopte op II. Gelukkig voor mij maakte in oktober van 1984 de groep bekend dat het in de Mk II-bezetting zou terugkeren. Ik las erover en tegenwoordig staan op internet de beelden van de persconferentie. Vier leden op rottige klapstoeltjes, waarbij Blackmore ontbrak.
Met de doorbraak van een nieuwe generatie metalgroepen sinds 1980, die hun muziek vaak baseerden op de snelle nummers van oude meesters als Purple, was er een prangende vraag: gaat de groep mee in die trend, of oriënteren ze zich net als toen breder?

De videoclip van titelnummer Perfect Strangers bekeek ik met grote belangstelling. Hij is als een minodocumentaire: beelden van de studio, de aankomst van de groepsleden, het handenschudden, een potje voetbal en veel, véél lachende gezichten. Zelfs dat van Blackmore! De groep wilde blijdschap over de reünie uitstralen en slaagde daarin: ik werd enthousiast. En dat niet met muzikaal geweld á la Highway Star, maar met een midtempo nummer dat deksels goed in elkaar zat.
In Oor was Hans van den Heuvel positief (zie het fragment uit zijn recensie) en net als menigeen hierboven leende ik korte tijd later verwachtingsvol de elpee uit de fonotheek.

De productie van bassist Roger Glover deed me onmiddelijk denken aan de laatste platen van Rainbow, maar de gemiddelde kwaliteit van de composities lag hoger. Hier geen fillers, al zette ik Mean Streak en Hungry Daze niet op cassette. De overige nummers waren echter stuk voor stuk heel sterk.
Knockin' at Your Back Door met zijn spannende intro, sterke melodie en heerlijk gitaarspel van Blackmore; het uptempo Under the Gun had op het intro na dezelfde kwaliteiten; in het intro van Nobody's Home horen we dat Jon Lord niet bij het Hammondorgel was blijven steken (zoals hij al bij Whitesnake had laten horen) maar in de solo is het oude monster daar weer, terwijl Ian Paice een strakke groove slaat.
De B-kant opent met (Gillans autobiografische?) titelnummer en op mijn stereoboxen klonk dat een pak beter dan ik op tv had kunnen horen; wát een groove wederom en naar het einde toe een 9/8-maatsoort zodat je voet steeds verkeerd meetikte. Dan het snelle A Gypsy's Kiss met Lord alweer in vooral een ondersteunende rol, waarbij hij de baslijnen van Glover vaak volgt (of volgt Glover Lord?), terwijl de gitaarsolo wordt gevolgd door eentje op de klavieren; mijn cassette eindigde met Wasted Sunsets. In mijn oren het perfecte, enigszins verstilde slot van een bescheiden monument, mede dankzij een fabelachtige gitaarsolo vol gevoel.

De bonussen. In 1984 was de compact disc nog kersvers; die versie bevatte als bonusnummer Not Responsible, dat van mij wel op de vinylversie had gemogen.
Het instrumentale Son of Alerik verscheen in sommige edities van single Perfect Strangers op de B-kant: op de 7" in een versie van 5 minuten, op de 12" 10 minuten. Hier had Lord wel meer ruimte mogen krijgen, maar een mooie, lange gitaarsolo is het zeker. Waarom de gitarist deze titel koos, is onduidelijk.

Blackmore was nooit iemand van gitaarmuren geweest en hier is dat al helemaal niet het geval; met zijn open spel geeft hij veel ruimte aan Lord, die daar blij mee zal zijn geweest na de steeds grotere gitarendrukte bij Whitesnake. Ian Gillan laat af en toe zijn hoge uithalen horen, maar vergeleken met zijn platen met Gillan en die ene met Black Sabbath houdt hij het rustig.

Anders dan in 1970-1973 waren ze niet meer grensverleggend en ze probeerden dat ook niet. Wél klinken meestal ijzersterke composities. Een groep die ervoor waakte zich te laten meeslepen in de heersende heavy trend (snel-sneller-snelst), noch probeerde zichzelf te herhalen.
Bij deze reünie hadden zelfs de haantjes in de groep hun ego's ondergeschikt gemaakt aan de groep. Bij opvolger House of the Blue Light zouden de spanningen van voordien weer opduiken, op Perfect Strangers hoor ik echter vijf creatieve vaklui die met hoorbaar plezier musiceerden. Voor mij één van de beste albums die Deep Purple ooit maakte.

Deep Purple - Purpendicular (1996)

poster
4,5
Het vorige bericht slaat de spijker keihard op de kop. Ritchie Blackmore paste niet meer in Deep Purple en vertrok, waarna het spelplezier hoorbaar terugkeerde. Purpendicular klinkt fris en gedreven, wat ook geldt voor toetsenist Jon Lord die op The Battle Rages On vermoeid en routineus klonk. Het werd destijds beaamd door de bandleden in interviews, zoals Roger Glover die de vraag krijgt “Do you miss Ritchie?” en subtiel antwoordt “I have nothing negative to say about Ritchie. He has been part of my life. But I am happy now, I can say that.” Hier het hele interview bij Trinkelbonker.

Mijn eerste kennismaking met nieuweling Steve Morse was rond 1980 via Dixie Dregs met Take It off the Top, een tune in de Friday Rock Show van Tommy Vance bij BBC Radio. En later hoorde ik hem bij Kansas, waarmee hij de twee fantastische albums Power (1986) en In the Spirit of Things (1988) maakte.
Morse is geen Blackmore en probeert dat ook niet. Wel past zijn zingende stijl met soms lange noten bij dit Deep Purple en in sommige delen klinkt fusion in zijn spel. Bovendien kan hij razendsnel spelen. Met hem stroomde nieuwe creativiteit naar binnen, die de oudgedienden inspireerde.

Acht nummers springen eruit: de pompende opener Ted the Mechanic, Loosen My Strings (kippenvel van de gitaarsolo, zó mooi!), het wat onheilspellende Soon Forgotten met dat instrumentale middendeel, Sometimes I Feel Like Screaming bevat gitaarlijnen van ontroerende schoonheid, het pompende Cascades: I’m Not Your lover, alweer ontroering in The Aviator met mooie folklijnen.
En hoe is het mogelijk: bij A Touch Away is het meer genieten op grote hoogte, nu met Lords heerlijke Hammond. Hey Cisco rockt uptempo met een fraai stiller solodeel, waarin wordt gevarieerd met de dynamiek. Alsof we één van Purples liveplaten uit de jaren ’70 horen.

De overige zes composities zijn degelijk met altijd wel fraaie details in de uitvoering. Deep Purple vernieuwde zich en deed dat overtuigend. Normaal gesproken zou ik voor een album met 8 favorieten van de 14 nummers vier sterren geven, maar gezien de buitencategorie van de nodige melodieën is Purpendicular wel 4,5 waard.

Deep Purple - Rapture of the Deep (2005)

poster
4,0
Laatst op cd gekocht, maar kende het album van streaming toen ik in 2014 hun discografie met gitarist Steve Morse beluisterde. Dit voor een compilatie-cd die ik samenstelde voor onderweg. Enkele nummers behoorden al tot mijn favorieten, maar regelmatig draaien leverden er meer op. Ondertussen hierboven alle berichten gelezen.
Leuk om te zien hoe vanaf het begin van MuMe zowel internet als de site zijn gegroeid. Zo werd er in 2005 gevraagd of Joe Satriani echt in Deep Purple heeft gespeeld. Nu is dit soort informatie makkelijk beschikbaar. Ook lees ik over de tweedeling, waarbij menig fan van Purples gloriejaren weinig met dit Purple met Steve Morse en Don Airey kan.

Uiteraard is het Purple van 2005 anders dan toen, ik heb er echter wel wat mee. Op Rapture of the Deep is de onstuimigheid van de jaren '70 verdwenen, waarbij Ian Gillan niet meer op de tongen van zijn longen krijst.
Instant favorieten waren in 2014 het titelnummer, Clearly Quite Absurd met zijn prachtige stijgende akkoordenlijnen en toetsensolo en het fascinerende Before Time Again, de laatste twee opvallend genoeg de rustiger tracks van deze schijf.
Inmiddels ook geland zijn de steviger nummers Money Talks, Wrong Man en Kiss Tomorrow Goodbye met z'n lekkere intro op Paices toms. Zeker met de tekst en solo's erbij is MTV eveneens gegroeid, met Gillans gemopper op classic rock radio, MTV en de verwijzing naar Smoke on the Water, inclusief de verkeerd gebruikte achternamen Grover en Gillian die hij kennelijk hoorde noemen.

De andere nummers doen me nog steeds weinig. Wat niet wegneemt dat de band ook daarin sterk speelt en lekkere solootjes voorbijkomen. Een groove als in Back to Back klinkt onmiskenbaar als Deep Purple, maar de melodie heeft het niet en de rock van Junkyard Blues is me te vrijblijvend. Al met al een krappe 8 voor Rapture of the Deep.

Deep Purple - Shades of Deep Purple (1968)

poster
3,5
Hoe het soms tijd kost om een album te waarderen. Op 19 juli aanstaande moet de nieuwe Deep Purple verschijnen. Een goede aanleiding om eens hun albums te beschrijven, voor zover ik dat nog niet deed.

In 1977 viel bij mij het kwartje voor scheurende gitaren en via de radio ontdekte ik de nodige namen van voorheen. Vooral Arbeidsvitaminen was handig: de te draaien nummers stonden vermeld in de gids. Eén van de namen die mij opvielen was die van Deep Purple, een groep ter ziele.
Na een verhuizing naar een groter dorp kwam de wereld van de platenzaak in mijn bereik. Wat doe je dan als nieuwsgierig jongetje? Gewoon de bakken doorbladeren. Van A tot Z. Niet veel later volgde een grotere platenzaak in de Grote Stad.

Het Deep Purple van vóór Ian Gillan? Géén belangstelling van mijn kant. Het zag er stokoud en hippie uit. De hoes die MuMe toont is de correcte (want Europese), maar in mijn herinnering stond in '79-'80 vooral de Amerikaanse editie in de bakken en die nodigde mij allesbehalve uit. Hush kende ik van de radio; een flauw liedje, oordeelde deze tiener. Véél liever het magische Child in Time !
Dat begint pas in 1995 te veranderen als ik bij de BBC de aflevering van Rock Family Trees over Deep Purple zie met onder andere leuke details over de ontstaansgeschiedenis, in 1997 gevolgd door de versie van Hush door Britpopgroep Kula Shaker die dicht bij de Purpleversie blijft. Toch is het pas met streaming dat ik op mijn gemak het gehele Shades of Deep Purple beluisterde.

Op dit album een groep die enerzijds mikte op een publiek dat voor hitlijsten ging. Daarbij de nodige covers, namelijk de enige single Hush (in Nederland Tipparade in oktober '68), Help met hier de de "videoclip" en Hey Joe te vinden. Ook de Lord-Evanscompositie One More Rainy Day en die van Blackmore-Evans Love Help Me passen hierin.
Het zijn echter de progressievere nummers die ik nu wél kan waarderen. Ten eerste de instrumentale opener And the Adress, dat meteen laat horen dat de pijlers van de groep werden gevormd door Ritchie Blackmore en Jon Lord. Daarbij legde ritmesectie Nick Simper en Ian Paice niet alleen een betrouwbare maar ook virtuoze basis. Dan de dubbelslag Prelude: Happiness / I'm So Glad, waar wederom de klassieke invloeden in Lords spel samengaan met Blackmores herkenbaar scheurende licks.
Op kant 2 zijn het de instrumentale delen in Mandrake Root die mijn aandacht vragen, dezelfde die later zouden terugkeren in Space Truckin'. Hetzelfde geldt voor de instrumentale delen in het bijna zeven minuten durende Hey Joe, dat daarmee zowel naar een hitparade- als een progressiever publiek knipoogt.

Zwakke schakel in mijn oren: zanger Dave Evans, wiens stem eerder bij de hitlijsten dan bij de progressieve elementen past. Maar rockmuziek was hier nog in de dreumesfase. Dat soort stijlbenamingen waren toen nog vloeibaar als de psychedelische beeldenshows van die dagen.

Vanaf 2005 verschenen cd-edities met de nodige extra's, waarvan vooral het instrumentale Love Help Me mij bevalt.
And the Adress kreeg twee staartjes. In 1969 verschenen op Duitse tv beelden van Deep Purple met inmiddels Gillan en Glover, waarbij echter de muziek van And the Adress van dit Shades of Deep Purple klinkt. En in 2020 bracht Purple op Whoosh! een heropname van And the Adress, met Paice als laatst overgeblevene van de bezetting van 1968.

Deep Purple - Slaves and Masters (1990)

poster
3,0
Ik herinner me een ingezonden brief in het Deep Purple fanzine 'Highway Star', dat ik jaren later online tegenkwam. Deze fan had vernomen dat Joe Lynn Turner tot nieuwe zanger van Deep Purple was verkozen en reageerde ontzet in de trant van "Ik eet mijn hoed op als dát waar is!".
Werd Deep Purple inderdaad een verlengstuk van de laatste drie albums van Ritchie Blackmore's Rainbow, zoals hij vreesde? De vraag is hierboven al vele malen gesteld, ik houd het overzichtelijk.

Waar op de vorige twee Purpleplaten op een nummer met ritme werd gestoeid, is er wat dat betreft minder te genieten van Ian Paices drumwerk. Gewone vierkwartsmaten, toegankelijker hardrock. Ja, het schuift meer de kant van Rainbow op.
Daar staat tegenover dat voor de klavieren van Jon Lord meer ruimte is dan zijn collega's bij Rainbow kregen, de man speelt daarbij heerlijke solo's. En ik kom een drietal topnummers tegen: op kant 1 het uptempo The Cut Runs Deep en snelle Fire in the Basement, op kant 2 het vlotte slotlied Wicked Ways, mede dankzij het orkestrale solodeel.

Verder vergaat het mij als bij het Rainbow met Joe Lynn Turner bij de microfoon: keurige hardrock, op het randje van aor. De opwinding die ik op de voorgangers Perfect Strangers en The House of Blue Light had ontbreekt. Ene oor in...
Al klinkt er regelmatig een heerlijk gitaarsolootje (zoals in de saaie opener King of Dreams met Blackmore desondanks een fraaie oosterse melodie spelend; iets dergelijks gebeurt eveneens in Fortuneteller).
De strijkers in het intro van Love Conquers All zijn heerlijk; waarom keren die pas in het slot terug en dan ook nog uiterst bescheiden? Daar had meer mee moeten worden gedaan. ... andere oor uit.

Dat komt dus niet door Turner, want die zingt prima. Nee, de veilige composities zijn het manco, op die drie uitzonderingen na.

Deep Purple - Stormbringer (1974)

poster
3,5
Begin jaren '80 stond Burn bij de fans te boek als het betere album van de twee die Deep Purple opnam in de bezetting Blackmore - Coverdale - Hughes en als ik het puntengemiddelde van MuMe zie, wordt dat bevestigd. Beide albums stammen uit 1974; de eerste uit februari, de laatste uit november.

Toch heeft Stormbringer tegenwoordig mijn voorkeur. In tegenstelling tot Burn landt dit vier decennia later beter. David Coverdale vindt vaker de lagere regionen van zijn stem en de funkinvloeden zijn verminderd, zodat de composities mij vaker pakken.

Kant 1 begint met het slepend-rockende titelnummer, met zijn opvallende groove. Het is meteen raak, maar ook in de blues van Love Don't Mean a Thing en Holy Man heb ik nauwelijks last van de stem van Glenn Hughes, het laatste nummer op zijn stem geschreven. De twee nummers klinken met Lords toetsen bijna als werk van Steely Dan, wat ook geldt voor Hold On. Tegelijkertijd geeft deze vergelijking aan dat Purple voor het derde achtereenvolgende album lichter klinkt. Doordat het minder funkgeïnjecteerd is, haak ik aan.

Op kant 2 eerst Lady Double Dealer, het enige nummer dat ik vroeger naast het titellied wel kon waarderen omdat het uptempo is. Dan funk in You Can't Do It Right in de stijl die Hughes goed ligt terwijl Jon Lords solo op een nieuwe proto-synthesizer speelt: Deep Purple was er vooral om te vernieuwen, zo hadden Lord en Blackmore indertijd bepaald.
In het vriendelijk rockende High Ball Shooter beroert hij dan toch zijn Hammondorgel, met de prachtige gitaarlijnen van Gypsy en het akoestische Soldier of Fortune is het Blackmore die zijn talent tentoonspreidt. Met die twee nummers een onverwacht sterke finish van de plaat.

In 2009 werd het album 35 en kreeg het een Anniversary Edition. Logischerwijs niet verzorgd door de vertrokken Roger Glover, maar door diens opvolger Glenn Hughes. Diens extra's bieden echter nauwelijks tot geen nieuwe inzichten, al valt me wel op dat hij zijn eigen stem wat prominenter in de mix zet. Maar geen outtakes, jams of andere onbekende zijwegen die soms verrassende inzichten bieden in de totstandkoming van een Purple, of het moet de instrumentale versie van High Ball Shooter zijn. En quadrofonische audioboxen bezit ik niet...

Deep Purple - The Battle Rages On... (1993)

poster
3,5
Zanger Ian Gillan keert terug op het nest, maar de verhouding met gitarist Ritchie Blackmore is nog altijd gespannen. Het was in 1992 - 1993 voor niemand in de groep een prettige (werk)sfeer en wellicht dat The Battle Rages On daarom voor de normen van Deep Purple vrij standaard klinkt. Toch ben ik niet zo negatief als anderen, ondanks de terechte opmerkingen van B.Robertson in dit bericht over Blackmore die maar liefst drie eigen, oude riffs recyclet.

Er valt namelijk op dat de oneven tracks prima tot sterk zijn: het midtempo titelnummer (geleende riff #1), Anya met zijn akoestische intro en vervolgens vlot (geleende riff #2), het uptempo Time to Kill met een tekst die geïnspireerd lijkt door Turn Turn Turn van The Byrds en daarmee het boek Prediker, het snelle A Twist in the Tale (geleende riff #3) en het midtempo Solitaire, dat groeit bij vaker draaien. Met de bluesshuffle van Ramshackle Man kan ik ook goed uit de voeten. Het is wel altijd even wennen aan de holle drumsound in de productie van Glover en Thom Panunzio, zo typisch voor de jaren '90.

Hierboven noteerde iemand dat de inzet van Blackmore wordt gemist, maar kijk eens naar de schrijfcredits: zijn naam staat - met die van Glover en Gillan - bij ieder nummer vermeld en zijn gitaarsolo's zijn om te zoenen, ook in de mindere composities: een timing die blijft verrassen, dansend om de tel.
Nee, opvallend is dat Jon Lord zo weinig meeschreef: slechts bij The Battle Rages On, Anya en het mindere Nasty Piece of Work was hij betrokken. Dit Deep Purple was altijd op zijn sterkst als hij en Blackmore samen de muziek schreven, elkaar in balans houdend, de compositorische zuilen van de groep vormend.
Bovendien is zijn spel, inclusief solo's, vrij bescheiden. Alsof ik naar het Rainbow van 1979 - 1983 luister. Ik mis Jon Lord: hij staat er wel, maar het lijkt alsof zijn hoofd er minder bij is.

Het verhaal moge bekend zijn: na het optreden in Helsinki verlaat Blackmore de groep. Zeker achteraf een opluchting voor de achterblijvers. Ondanks het feit dat hij en Gillan wel gemoedelijk in korte broek konden repeteren...
Joe Satriani wordt ingevlogen als vervanger voor de rest van de tournee, vervolgens komt Steve Morse aan boord.

Op The Battle Rages On klinkt weliswaar slijtage en ontbreekt de verrassing, maar desondanks valt er het nodige te genieten. Een keurige, zij het wat saaie 7.
Als uitsmijter: beelden van Blackmores laatste show bij Purple werden getoond bij het Finse ontbijtjournaal, dat ook Gillan interviewde.

Deep Purple - The Book of Taliesyn (1969)

poster
3,5
De tweede van Deep Purple verscheen in oktober 1968, slechts drie maanden na het debuut Shades of Deep Purple. Althans, in de VS, waar de groep populair was. Die populariteit ontbrak in het VK, waar de plaat pas in juni 1969 verscheen, het jaar dat MuMe aanhoudt.
The Book of Taliesyn is vernoemd naar een gedichtenbundel met 56 werken van Taliesin. Dit werd met ganzenveer opgeschreven in de 14e eeuw en bevat werk dat zo'n 400 jaar ouder is, zoals 'Preiddeu Annwfn' over koning Arthur.
In het tekenwerk van de hoes herken ik de pocketuitgaven van The Lord of the Rings, die juist in die editie tot grote populariteit was gerezen. De mystiek van Middle Earth en die van Wales in de fantasystijl van 1968. Literaire psychedelica in rock vertaald. Al is het juist deze tekenstijl die maakte dat ik geen zin had in deze Purple, liever had deze puber de hoes van In Rock!

De Londense rockwereld van 1968 was nog piepjong. Gitaar en zijn effecten zijn volop in ontwikkeling, waarbij een grote vrijheid in componeren bestaat. Geleidelijk onderscheiden zich diverse genres, maar net als op Purples debuut liggen die grenzen hier nog niet vast. Prog / symfonische rock, hardrock, poprock... Het is er allemaal, waarbij het herkenbaar als Deep Purple klinkt. Die eenheid zit 'm in het herkenbare geluid van zowel gitarist Ritchie Blackmore als toetsenist Jon Lord, die als eerste zijn klavieren door gitaarversterkers haalde en zo een agressiever geluid creëerde.

Met de oren van nu is het vreemd dat er wederom veel wordt gecoverd, in het geval van The Book of Taliesyn driemaal. Dit werkt aardig in Kentucky Woman van Neil Diamond en minder bij zowel We Can Work It Out van The Beatles als River Deep, Mountain High van Ike & Tina Turner. Herkenbare titels, ongetwijfeld bedoeld om een hitgevoelig publiek te verleiden dit album te kopen. Hier verrijkt met Purpleaanse versiersels voor een progressiever publiek.

Veel liever hoor ik het eigen werk, waarbij dankzij Lord nogal eens klassieke invloeden echoën. Opener Listen, Learn, Read On gaat over het genoemde boek en is alleen al om het drumspel van Ian Paice (ten tijde van de US-release 20 jaar) een juweeltje. Met de zang van Rod Evans in een wólk echo, als vele melk in koffie-verkeerd, typisch voor die tijd.
Track 2 heette in de VS Hard Road, in het VK Wring that Neck. Een instrumentaal nummer, hoorbaar vanuit een jam ontstaan waarbij de muzikanten hun kunnen etaleren. Helemaal in de stijl waarin ik tien jaar later Deep Purple leerde kennen.
Derde favoriet is Exposition, opnieuw instrumentaal en bedoeld als ouverture op de cover erna, de laatste overbodig makend.
In Shield klinkt muziek passend bij de stem van Evans: ingetogener en bovendien sterk opgebouwd. Ook Anthem is van dit kaliber, opnieuw geknipt voor Evans met diens croonercapaciteiten.

Waar single Hush van de voorganger in september 1968 #4 haalde in de Billboard Hot 100, reikte Kentucky Woman in december tot #38.

In 2000 verscheen de cd-bonuseditie met als smakelijkste extraatje de dikke tien minuten van studio-outtake Oh No No No. Ook opvallend is de remix van Playground, waarin bas en drums opeens modern en vol klinken. De oorspronkelijke opname moet beduidend magerder hebben geklonken...

Waar je zou verwachten dat een tweede elpee, zo kort na de voorganger verschenen, vooral restmateriaal en afvallertjes bevat, is dat hier niet het geval. Bovendien een tijdsdocument van het rockgenre in ontwikkeling, breder dan alleen Deep Purple. Voor het debuut gaf ik een krappe 7, de 3,5 ster die ik nu geef drukt een 7,5 uit.

Deep Purple - The House of Blue Light (1987)

poster
4,0
Was ten tijde van Perfect Strangers het verrassingseffect van de reünie groot, bij House of Blue Light was die gunfactor weg en moest Deep Purple gewoon knallen. Laat dat nou enorm zijn gelukt.
Later las ik dat er alweer onenigheid was ontstaan tussen Blackmore en Gillan, wat voor de laatste veel plezier wegnam. Jon Lord vond achteraf dat de groep te hard probeerde actueel te klinken, aldus dit interview uit januari 1989. Nou, dan laat ik me graag voor de gek houden: ik hoor namelijk louter plezier en creativiteit.

Zwakke nummers ontbreken, tot mijn überfavorieten behoren opener Bad Attitude met een slot dat van mij veel langer had mogen duren; Call of the Wild met een refrein dat ik niet bij Purple vind passen en tegelijkertijd zo lekker is; Strangeways swingt energiek, Gillan verbaast zich in zijn tekst over de wereld en Blackmore zet heerlijke gitaarlicks neer; en de blues in typische Purplestijl van Mitzi Dupree. Het gitaarwerk, vloeiend en herkenbaar in Dead or Alive zorgt voor een spetterend einde.

Vergelijken met de jaren '70 is zinloos, de wereld was veranderd. Wie Gillan zijn stembanden wil horen teisteren, kan beter naar zijn albums met Gillan (1978-1982) of die ene bij Black Sabbath luisteren. Hier zingt hij weliswaar wat ingetogener, maar manmanman, wat schreven ze sterke liedjes. Onenigheid of niet.
Bovendien een lekkere productie, welke me doet denken aan de drie albums die Rainbow in de jaren '80 maakte met Joe Lynn Turner aan de microfoon. Als een voortzetting van die band, dankzij de productie van bassist Roger Glover. Wat dat betreft had ik niet verbaasd hoeven zijn toen ik eind '89 of begin '90 vernam wie de volgende Purplezanger was geworden...

Deep Purple - Turning to Crime (2021)

poster
3,5
Wereldschokkende coveralbums ken ik niet, maar als ze zijn geslaagd, laten ze steevast een glimlach op de lippen achter. Zo ook hier. Dat deze krasse knarren de lockdown hebben gebruikt om muziek uit hun jonge jaren een nieuw jasje te geven, is prijzenswaardig. Ze hadden het ook kunnen laten bij thuis series bingewatchen.
Mijn hoogtepunten van deze plaat: Oh Well, Shapes of Things en White Room. Over de productie klaag ik niet en als je dan ook nog merkt hoeveel plezier de mannen hoorbaar hadden, dan moet je wel een azijnpisser zijn om over dit plaatje te vallen.

Vergis ik me, of hoor ik in de laatste track rond Dazed and Confused knipoogjes naar Paranoid?

Deep Purple - Who Do We Think We Are (1973)

poster
3,5
Het antwoord op de vraag 'Wie denken wij dat wij zijn?' kwam in de jaren '80 bij Bert & Ernie. Aan de hoes te zien is dat namelijk Ik ben een kerstbal. Who Do We Think We Are? bevat aan de binnenzijde van de klaphoes de nodige vermakelijke krantenartikeltjes over Deep Purple.

In 2019 noteerde gigage terecht: "Een soort van samenvatting van wat de band hiervoor al gemaakt had maar dan minder," met daarbij mijn aanvulling dat we minder scheurende gitaar horen, waardoor de rol van toetsenist Jon Lord groter is.
My Woman from Tokyo opent relatief gemoedelijk en blijft sterk dankzij de melodie, wat ook geldt voor Mary Long dat bovendien een vermakelijke tekst bevat. Met Super Trouper (de achterzijde van mijn hoes vermeldt abusievelijk 'Trooper', het label van deze Franse persing doet het correct) kan ik echter weinig. Kant 1 sluit af met Smooth Dancer, als een lichte herhalingsoefening van Speed King. In zijn solo gaat Lord echter lós, extravaganza waarmee het alsnog een eigen plek in de lijst met Purples topnummers verdient.

Rat Bat Blue, dat kant 2 aftrapt, is kalmer. Maar als Lords solo halverwege versnelt en hij als een malle over zijn klavieren racet, valt mijn onderkaak enkele centimeters naar beneden. Met zijn klassieke inslag denk ik terug aan het Ekseption van Rick van der Linden, die nogal eens met Bach stoeide. Fenomenaal!
Met de blues van Place in Line is het minder spannend; wel is het vakmanschap van de heren hoorbaar veel hoger dan dat van de gemiddelde bluesroutegroep. Al zal menig bluespurist dit als "te clean" beleven, aardig is het wel degelijk. Slotlied Our Lady staat bol van de verwijzingen naar de flower power en psychedelica van eind jaren '60. Best leuk met die koortjes, maar word ik gepakt? Bepaald niet.

Anders dan anders bij Purple doen de extra's die later op extended cd verschenen me minder, al bevatten de afwijkende mixen wel enkele leuke details. Geinig is de laatste bonus: First Day Jam met Blackmore op bas, jammend met Lord en Paice in afwachting van Gillan en Glover die blijkens de verhalen vertraagd waren in het verkeer.
Al met al meer het Deep Purple van Jon Lord dan van Ritchie Blackmore, hun evenwicht lichtelijk uit balans. Daarom een 7,5, helemaal niet slecht voor een minder album in hun catalogus: er valt nog altijd genoeg te genieten.