MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Deep Purple - Whoosh! (2020)

poster
3,5
Deep Purple kon zich in de jaren '10 verheugen in een stijgende populariteit. Met opnieuw een grote promotiecampagne werd Woosh! aangekondigd. Het resultaat was zoals Sweet Lucy in 2021 schreef: "Grappig was het dat ik tot drie maal toe naar mijn vaste platenzaak moest om het album te bemachtigen, de eerste twee keer dat ik erom ging was het uitverkocht. Dit terwijl hij naar eigen zeggen toch redelijk optimistisch had ingekocht. Deep Purple leeft zoals ze sinds Perfect Strangers niet meer hebben gedaan was het commentaar." Dat belooft wat voor = 1 dat morgen verschijnt.

Bij de vorige paar albums kregen de leden van Purple steeds de vraag of dit hun laatste is. "Zou kunnen, maar we hebben geen plannen tot stoppen," is steevast het antwoord. Woosh! bleek in ieder geval de laatste met gitarist Steve Morse, die de groep in 2022 verliet om zijn zieke echtgenote te kunnen bijstaan, nadat hij in het najaar van '21 om dezelfde reden de schrijfsessies voor de opvolger had moeten verlaten.
Wat dat betreft is de titel Woosh! toepasselijk als verwijzing naar de vluchtigheid van het leven, extra dichtbij toen Gillans echtgenote nadien overleed. Dit album gaat over ouder worden, eindigheid én terugblikken op je leven. Dit in de bekende combinatie van hardrock met de nodige progelementen, dankzij de bijdragen van Morse en toetsenist Don Airey.

Het album is verdeeld in twee bedrijven en op Act 1 bevallen mij het uptempo Drop the Weapon met zijn koortjes (!), de langzame shuffle van Nothing at All met prachtig Hammondspel en prachtige gitaarversierinkjes én het van een bombastisch kerkorgel profiterende Step by Step, die er met hun progrocksferen uitspringen.
Act 2 bevat nog eens zes nummers, waarbij ik vrolijk word van het korte instrumentaaltje Remission Possible dat naadloos overgaat in het geheimzinnige intro van Man Alive, het magnum opus van dit Whoosh! : "And so the earth was cleansed in no time at all", spreekt Gillan, terwijl Ian Paice de tijd laat tikken. Symfonisch en fascinerend.
Dan volgt een sterke remake van het instrumentale And the Adress, oorspronkelijk de opener van het debuut Shades of Deep Purple (1968). Wellicht tevens een eerbetoon aan de oorspronkelijke bezetting, waarvan in 2020 alleen drummer Ian Paice nog over is; toen speelde hij dit nummer met Blackmore, Lord en Simper. Met Morse, Airey en Glover als hun vervangers zit het op deze Whoosh! wel goed. Bovendien passend bij het thema 'tijd'.

En de niet genoemde nummers, waarbij ook bonusnummer In My Sleep ? Ach, vanzelfsprekend excellent gemusiceerd. Nee, slecht is het nergens. En toch. Neem bijvoorbeeld het vriendelijke uptempo What the What: erg doorsnee. Ik mis te vaak urgentie. Komt wellicht ook omdat Gillan niet meer over de extra versnelling beschikt en zijn zang in ieder nummer op elkaar lijkt. Of doe ik nou flauw? Feit is dat Whoosh! met die keurige middelmaat wederom een lange zit is, ondanks de zes hoogtepunten.

Enfin, wie weet wat de inbreng van Simon McBride doet op het nieuwe album. Ik hoop op een portie nieuwe energie, meer uptempo in de richting van de Uriah Heep die vorig jaar verscheen. Ben bovendien benieuwd of we nog schrijfsels van Morse tegenkomen, hij was immers betrokken bij de eerste conceptie van = 1.

Def Leppard - Diamond Star Halos (2022)

poster
3,0
Waarom zou iemand als ik, die koppig het debuut van Def Leppard hun beste plaat vindt, naar hun laatste album luisteren? De redenen zijn drieledig: nieuwsgierigheid, gitarist Vivian Campbell en met name het feit dat de journalisten van Classic Rock Magazine het vorige maand tot album van 2022 verklaarden. Hierboven lees ik tegengestelde verhalen bij MuMe-schrijvers. Wie heeft gelijk?
Vooropgesteld dat ik géén liefhebber ben van hun populairste MuMe-album Hysteria (1987, 217 stemmen met een gemiddelde van 3,64). De albums daarvoor krijgen op MuMe stapsgewijs meer stemmen met bovendien een hogere waardering; na Hysteria zakt het in. Dit Diamond Star Halos heeft op dit moment 21 stemmen met een gemiddelde van 2,83, de op twee na laagste. Wat horen ze toch in Londen hierin?

Eerst wat betreft de composities. Na enkele draaibeurten moet ik zeggen dat het niet tegenvalt. Opener Take What you Want is best lekker; U Rok Mi (met het soort spelling waar Slade ooit mee begon) verrast heel aangenaam met z’n akoestische blues in het eerste deel, daarna klinkt weer het typisch dichtgesmeerde Leppard waarmee ik niet veel heb; mijn prijsnummer is ballade Goodbye for Good this Time, wát een mooi liedje! Bij het intro van All we Need denk ik even naar U2’s Pride te luisteren, waarna een aardig nummer volgt dat inderdaad klinkt alsof The Edge te gast is.
De twee duetten met zangeres Alison Krauss bevinden zich in de poprockhoek: This Guitar en Lifeless zijn perfect voor Amerikaanse poprockradio met lichte bluesinvloeden maar ook een drumcomputertje. Ze blijven bij mij niet hangen. Hetzelfde gebeurt me met steviger nummers die op zich best aardig zijn, maar als dan who-ho-ho-koortjes klinken, haak ik subiet af; SOS Emergency is er zo één.

Wat betreft de gitaarsolo’s: ik was benieuwd naar Campbell, dit vanwege diens verleden bij Dio, toen hij en ik veel jonger waren - maar ook Phil Collen is een goede sologitarist die bovendien lekkere bluesinvloeden inbrengt.
Ik weet niet wie welke solo speelt op Diamond Star Halos, maar sporadisch wordt dat heerlijk gedaan. Check maar eens de akoestische (!) solo in Goodbye for Good this Time en de uittro’s van Open your Eyes en From Here to Eternity. Alleen jammer dat die laatste twee véél te snel worden weggedraaid. Waarom mag het niet even spetteren?
De gitaarsolo is het ondergeschoven kindje; Leppard klinkt als een makke versie van aor. Zonder toetsen maar mét vaak dichtgesmeerde gitaren (zij het niet zo erg als voorheen Mutt Lange produceerde) en hier en daar wat digitale fratsen. Over het geheel beleef ik het zoals Joe Elliot in Lifeless zingt: “I thought we had something, but I wanted more.” Live krijgen ze hopelijk meer ruimte.

De hoge waardering in Londen snap ik dus niet, maar omdat ik drie sterren geef, gaat het MuMe-gemiddelde toch iets omhoog. Prijsnummers: vooral Goodbye for Good this Time en in iets mindere mate de afsluiter From Here to Eternity.

Def Leppard - High 'n' Dry (1981)

poster
1,5
De jaren 1976-1983 waren gouden jaren voor de puber die ik was. Terwijl gitaargenres werden geboren of zich vernieuwden, was ik op ontdekkingsreis gegaan. Ik ontdekte de snellere gitaarliedjes, vooral die met scheurende gitaren. Het genre maakte me niet uit, of het nou punk of wave of hardrock was. Mijn favorieten nam ik op van de radio.
Toen in 1980 de New wave of British heavy metal mijn wereldje binnendrong en oudere rotten als Black Sabbath en Judas Priest zich vernieuwden, was ik definitief om voor dit genre, zonder daarbij de andere genres uit het oor te verliezen. Met de komst van een eigen platenspeler verloor radio terrein ten faveure van de elpee.

Wat heeft dat met High ‘n’ Dry van Def Leppard te maken? Wel, toen de plaat in 1981 uitkwam, had ik een vrij brede muzikale smaak ontwikkeld; deze band hoorde bij de groepen die ik het jaar ervoor enthousiast had omarmd. Alhoewel van de nieuwe lichting de lichtste en meest traditionele, was hun debuut mij goed bevallen, zij het minder dan die van Saxon, Maiden en oudgedienden Sabbath.
In Oor las ik ongetwijfeld de positieve recensie van Kees Baars, die High ‘n’ Dry vier sterren gaf. Dankzij dazzler is een deel van die recensie in het forum OORdelen te vinden, briljante actie om dit alles te plaatsen! Wel even scrollen voor deze plaat. Spoedig stond ie bij ons in de dorpsfonotheek en zou ik zelf horen wat producer Mutt Lange, die het jaar ervoor furore had gemaakt met AC/DC’s Back in Black, ervan had gemaakt.

‘Faster and louder’ was mijn devies toen ik de tweede van Doof Luipaerd uit de hoes haalde. Een dikke drie kwartier later was ik een desillusie rijker: de band was juist langzamer gaan spelen, de riffs waren van het type catchy hardrock en Joe Elliot had zijn stem naar die van een speenvarken omgevormd. Dat werkt alleen als je Udo Dirkschneider of Brian Johnson heet, vond ik. Alsof Mutt Lange van hen een tweede AC/DC wilde maken. Toen de plaat drie weken later terugkeerde naar de bieb, was er niet één liedje op cassette beland. In de jaren daarna vermeed ik de band, want op de hits die ze zouden scoren klonk weer die krijsstem.

Veertig jaar later ga ik eens checken of ik nog altijd dezelfde weerzin voel bij het beluisteren van deze plaat, die ik nu via streaming afspeel.
Bij de eerste luisterbeurt is daar onmiddellijk de oude reactie: waarom zingt die Elliot toch zo geforceerd?
Bij volgende beluisteringen komen toch wat positieve zaken omhoog. Op de A-kant de gitaarlijnen in Another Hit and Run (maar met bijna vijf minuten veel te lang) en de Thin Lizzyaanse gitaarklanken in Bringin’ On the Heartbreak; Switch 625 is een lekker instrumentaaltje waar ik dus niet die vermoeiende stem hoor maar wél een charmant aaah-koortje á la Uriah Heep.
Op de B-kant Lady Strange, dat halverwege versnelt en mij opnieuw aan Lizzy doet denken; de titelsong van het vorige album On Through the Night is vreemd genoeg op deze plaat beland en de muziek is dik in orde; maar ja, die zang hè… Tenslotte de eerste snelle song van de plaat, die meteen ook de afsluiter is, wat heb ik daarover indertijd gemopperd: No no no is best aardig, maar u weet nu wel wat me tegenstaat.

Ik haak dus opnieuw af, zeker ook omdat de vier niet genoemde songs mij qua compositie niets doen, alle loftuitingen van mijn gerespecteerde mede-MuMe-auteurs ten spijt. Hapklare hardrock die het juist daardoor goed zou doen in de Verenigde Staten, waarmee Leppard de koploper van de nieuwe lichting werd, mijn "goede smaak" ten spijt.

Tenslotte over de hoes, waarover ik hierboven enig gemopper lees; die is van Hipgnosis, het collectief dat o.a. ook voor UFO, Pink Floyd, Black Sabbath, 10 CC, Led Zeppelin en Rush werkte, om maar een kleine greep te doen. Ik zie het als een vorm van moderne kunst, waarvan je prima een museumtentoonstelling zou kunnen maken. Niet dat alles even mooi is, een eigen(zinnige) stijl heeft het echter wel.

Def Leppard - Hysteria (1987)

poster
2,0
Van de jarenlange aanloop naar de opvolger van Pyromania herinner ik me vooral dat drummer Rick Allen zijn arm verloor en toch bij de band bleef. Net als de rest van de muziekfans was mijn reactie er één van ‘petje af, diepe buiging voor Def Leppard’. Op Wikipedia wordt verteld hoe er veel meer problemen waren bij het opnemen van Hysteria.

Maar toen de plaat uiteindelijk in september 1987 verscheen, was het ook raak. Op tv was frequent de clip van Animal te zien. Nederland kende inmiddels naast Sky Channel ook MTV (sinds augustus in Europa te zien) en beide clipstations programmeerden het liedje frequent. Dat hielp: Def Leppard scoorde zijn eerste hit in Nederland, het werd #20 in september.
Mijn jongere broer kocht het album, dat in diezelfde maand #14 in de albumlijst haalde. Daarbij kende ik iemand die voorheen alleen in hitparadepop was geïnteresseerd, maar tijdens een vakantie in de Verenigde Staten dit album ontdekte en door hardrock werd gepakt. Hardrock voor een nieuwe generatie jonge fans.
Daar hoorde ik inmiddels niet meer bij. Het was mij te kalm. Ik was in 1987 zo’n tien jaar liefhebber van hardrock en prefereerde in dit genre hardere geluiden.
Zie hier een fragment van de recensie in Oor, die positief was (even scrollen).

De nummers op de A-kant (tot en met 6) zijn midtempo of langzamer en bovendien vierkant zonder swing, wat me doet geeuwen. Als AC/DC met mascara. Hardrock-light. Pas op de B-kant veer ik overeind, als bij Gods of War op 5’25” een nieuwe riff wordt ingezet die ik spannend vind en waarin even later de stem van de Amerikaanse president Reagan klinkt. Hierna volgen meer vlottere nummers, de titelsong uitgezonderd. Opmerkelijk is dat (zelfs) de elpeeversie meer dan een uur muziek bevat.

Als geheel is het album me te licht en langzaam en bovendien mis ik gitaarsolo’s. Gezien de vele liedjes van de A-kant die ik deze week direct herkende, heb ik er desondanks veel van gehoord op tv en radio.
Ik appte mijn broer met de vraag of hij Hysteria nog heeft. Jazeker, nog altijd! In zijn woorden is dit ‘speciale symfonische hardrock’. Al is die benaming volgens de muziekpolitie incorrect, ik snap wat hij bedoelt. Past inderdaad bij de gepolijste hardrock waarmee deze band zo ontzettend succesvol was en menig verkoopsucces brak, zeker voor een band met scheurende gitaren.

Def Leppard - On Through the Night (1980)

poster
4,5
Toen in mei 1980 op de radio songs van de nieuwe Saxon en Black Sabbath hoorde, was ik definitief om wat betreft heavy metal. Die twee bands werden mijn favorieten, maar gesteund door de radioprogramma’s van Alfred Lagarde en Hanneke Kappen ontdekte ik meer muziek uit deze stroming.

Over Leppard leerde ik dat ze samen met Saxon en Maiden tot de “grote drie van de New wave of British heavy metal” hoorden. Ook had ik gelezen dat zij de rustigste van de drie waren én dat ze het meteen goed deden in Amerika.
Hoe sneller hoe beter, was mijn devies. Vooral een voortdenderende dubbele basdrum vond ik prachtig. Nou, dat laatste bestaat niet op deze plaat. Op een koude vrijdagwinteravond constateerde ik na de eerste draaibeurt dat de plaat weliswaar okay was, maar dat ze inderdaad een stuk rustiger waren dan ik had gehoopt voor een band uit dit nieuwe genre.

Mijn favorieten waren de stevigste rockers van de plaat: Rock Brigade, Wasted en Rocks Off. Andere uptemposongs vond ik aardig: Hello America (jaja, openlijk geflirt met het land van uncle Sam, net als de truck op de hoes) en When The Walls Came Tubling Down. Hetzelfde gold voor rustiger tracks als Sorrow is a Woman en Satellite.

Ruim veertig jaar later draai ik de plaat vanaf streaming. Nog altijd geldt: mooie voorkant! De snelle tracks smaken wederom goed, maar er valt meer op. Qua stijl was het inderdaad de conservatiefste band van de drie, maar songs schrijven konden ze. Vond ik indertijd de plaat inzakken ná Rocks Off, nu ligt dat anders. Dit komt mede door de gitaarinvloeden van Thin Lizzy, neem bijvoorbeeld de (twin)solo’s in Sorrow… en Satellite.
De twee laatste tracks van de plaat zijn bovendien gevarieerd opgebouwd: bij Answer To The Master klinkt classic hardrock door en bij het eerste deel van afsluiter Overture krijg ik het idee naar Boston te luisteren. Dat me dat toen niet is opgevallen! Een song van bijna 8 minuten die stevig overeind blijft.

Had ik de plaat toen 2,5 of 3 sterren gegeven, na enkele draaibeurten vind ik nu dat ie er wel 4 waard is. Binnenkort ga ik de opvolger eens draaien, die beviel me indertijd helemaal níet. Eens kijken hoe dat in 2022 zit…

Def Leppard - Pyromania (1983)

poster
3,0
De eerste Def Leppard beviel mij goed, de tweede vond ik niks en de derde stond niet in de fonotheek van mijn dorp. Niemand van mijn vrienden die 'm kocht, ook daar kwam ik de plaat niet tegen. Volgend jaar wordt Pyromania alweer 40, het werd dus wel eens tijd voor een kennismaking. Sinds afgelopen voorjaar heb ik ‘m af en toe via streaming gedraaid.

Met het stoppen van Stampij kende Hilversum 3 vanaf oktober 1982 geen hardrock- / metalprogramma meer. Om bij te blijven luisterde ik op vrijdagavond naar BBC’s Friday Rock Show met de bronzen stem van Tommy Vance.
In januari 1983 verscheen Pyromania, wat in Nederland van airplay verstoken bleef. Vance besteedde uiteraard wél aandacht aan de band, die met dit album hun eerste grote Amerikaanse successen vierde, daarmee generatiegenoten overvleugelend.

Bij mij kwam single Photograph vooral binnen na mei 1984, toen mijn dorp via de kabel het Britse tv-station Sky Channel kreeg. Hierop waren voor het eerst veel muziekclips te zien, ruim voordat MTV in Nederland zijn intrede deed. Mijn favo was het programma Monsters of Rock, op zondagen later op de avond uitgezonden met presentatrice Amanda Redington, de latere echtgenote van Frank Boeijen. Zij was niet heel erg van de hardere muziek, maar de altijd enthousiaste Mick Wall praatte haar wekelijks bij. Een goed beeld van de show krijg je hier (1985), met bovendien Phil Lynott op bezoek.
Hoe invloedrijk dit album was, valt terug te lezen in het afgelopen februari verschenen boek Denim And Leather: The Rise And Fall Of The New Wave Of British Heavy Metal. Hierin wordt betoogd dat met deze plaat het einde van die muziekstroming werd ingeluid, doordat in combinatie met de videoclip de scherpe randjes ervan af werden geschaafd. Pyromania werd dus onmiddellijk een invloedrijk album, veel meer dan de albums die in datzelfde 1983 werden uitgebracht door medekoplopers Saxon (Power & The Glory) en Iron Maiden (na het succesvolle The Number of the Beast uit ’82 volgde het eveneens onverwoestbare Piece of Mind).
Amerikaanse popvideo overspoelde mijn generatie, Def Leppard wist het beste van beide werelden te verenigen. De hoes van Pyromania is stoer als een actiefilm, maar zonder griezelige monsters of andere typische metalclichés en daarmee geschikt voor een breder publiek.

Dat producer Mutt Lange daarbij een grote rol heeft gespeeld, is evident. In deze VH1-docu is vanaf 17’11” te volgen hoe hij minutieus en dictatoriaal aan het geluid sleutelde, de band frustrerend. Drummer Rick Allen mocht niet meeluisteren naar zijn drumsound, vertelt hij. Of neem het intro van Rock of Ages: compleet van Langes hand, inclusief diens spreekstem. En kijk naar de credits: bij ieder nummer staat zijn naam vermeld als co-componist.
De voorbije maanden viel mij op hoezeer de productie lijkt op die van Eliminator van ZZ Top, in datzelfde 1983 verschenen. Ook hier zijn de digitale invloeden prominent, wat eveneens met de steun van gelikte videoclips leidde tot ongekend succes.

Het was de laatste plaat met gitarist Pete Willis, die door aanhoudende alcoholproblemen uit de band werd gezet. Achteraf gezien “…the best thing that could have happened to me”, vertelt hij in de genoemde documentaire. Even koekelen en je weet dat hij twee jaar later trouwde, een gezin stichtte en sinds 2003 een goede boterham verdient in onroerend goed. Bovendien krijgt hij netjes de royalties betaald, iets wat in de muziekwereld nogal eens misgaat. Het zal hem tot op de dag van vandaag jaarlijks de mondhoeken doen omhoog krullen.
Een happy end, zeker met de gitaarsolo’s die zijn opvolger Phil Collen tijdens de laatste opnamedagen van Pyromania neerzette, want die mogen er zijn. Anderzijds was het Willis die voor dit album de (laatste) scherpe riffs leverde, juist datgene waarvan ik houd.
De plaat start met Rock Rock, midtempo met toetsen prominent in de mix, waarna dit versnelt. Het heeft een refrein dat geschikt is om het publiek tijdens concerten te laten meebrullen. Na Photograph met een refrein dat doet denken aan het beste van Boston, volgt Stagefright, dat ik als liefhebber van sneller, rauwer werk zeer kan waarderen. Tegelijkertijd is hierna voor mij de kous af, op Comin’ Under Fire na. De liedjes pakken me niet. Daar komt bij dat ik het drumwerk degelijk maar tevens saai vind.

Het aparte slot van de plaat met de digitale drumtonen, geeft eigenlijk al een voorproefje van de nog beter verkopende opvolger Hysteria, waarvan ik zelfs de singles saai vond. Dat is vermoedelijk al helemaal niet mijn kopje thee met die platgeslagen (?) productie van Mutt Lange. Omdat ik hierboven van andere MuMensen lovende verhalen lees, ga ik die toch nog eens beluisteren. Dan zet ik wél eerst mijn poporen op, vergetend dat Def Leppard uit de New wave of British heavy metal voortkwam.
Desondanks respect voor wat de band én Lange bereikten. Een invloedrijke plaat met eind 1983 al 6 miljoen verkochte exemplaren. Vooral in de Verenigde Staten voor velen een eerste opstapje naar het Land Der Scheurende Gitaren, bovendien hardrock toegankelijk makend voor een vrouwelijk publiek, aldus de docu.
Maar ik ben geen Amerikaans meisje en houd het bij slechts drie sterren. Niemand die ervan wakker ligt, het MuMe gemiddelde van 3,60 blijft er onveranderd door...

Def Leppard with The Royal Philharmonic Orchestra - Drastic Symphonies (2023)

poster
3,0
Soms werken symfonische bewerkingen van popmuziek best goed, soms is het minder. Zou het werken bij Def Leppard? Dit dier behaalde zijn grootste successen alweer zo'n 35 jaar geleden door zich tot hapklare rockmuziek te laten temmen. Met een orkest zou het nog tammer worden, vreesde ik.
De hoesfoto van Drastic Symphonies is prachtig, zoveel is meteen duidelijk. Vervolgens blijken de scheurende gitaarakkoorden en typische gladgestreken productie te zijn ingewisseld voor de inbreng van het Londense Royal Philharmonic Orchestra, wat leidt tot een opener geluid. Geen gepleisterde muren meer; stenen worden zichtbaar, samen met het cement. Heel aangenaam. Bovendien zijn de grotendeels oorspronkelijke opnamen die zijn gebruikt (Joe Elliot paste wel een enkele zangpartij aan) passend voor deze stijlvariant.

Sterker nog, bij de eerste twee nummers ben ik enthousiast: Turn to Dust is spannend met zijn Indiase invloeden wat betreft de melodieën door de violisten gespeeld en de percussiegeluiden van de tabla. In Paper Sun klinken lekkere gitaarsolo's en een bombastische strijkers, één van de twee nummers die qua compositie boven de rest uitsteken.
Het leidt tot een soort 2023-versie van adult oriented rock uit de jaren '70. Nooit ben ik een liefhebber geweest van hun klassieker Animal, maar met dit intro en jasje lijkt het, afgezien van de zang en het drumgeluid, wel op The Babys in 1978, zoals het strijkarrangement van die laatste groep in Wrong or Right. Het krijgt iets prettig-nostalgisch.
De toegevoegde waarde van het orkest is nog groter op Gods of War, waar koperblazers de tekst van extra dynamiek voorzien en de muziek filmisch maken. Het instrumentale Switch 625 is het tweede nummer dat ik sowieso als compositie prettig vond, in deze versie opnieuw.

De overige elf nummers doen me niet veel, al blijft de klassieke inbreng leuk en een enkele keer zelfs verrassend. Het duet Pour Some Sugar on Me met Emm Gryner (ooit in de band van David Bowie, tegenwoordig in Trapper) is ronduit saai, maar ik ben dan ook meestal niet van ballades. Bij afsluiter Kings of the World lijkt het wel of Elliot gastzanger bij Electric Light Orchestra is, net als de tracks die ik níet noemde is de compositie echter mager. Wat dat betreft zou Jeff Lynne's ELO eens een album met allerlei gastvocalisten moeten maken, eens kijken of hij meer de spanning weet vast te houden dan Def Leppard hier doet.

Desondanks een krappe voldoende, net als ik vorige week gaf aan Moby's Resound NYC, ook al iemand die zijn liedjes in een klassiek jasje stak. Muziek die deels aangenaam is, mits de luisteraar in een rustige of sentimentele stemming verkeert.

Delp and Goudreau - Delp and Goudreau (2003)

poster
3,5
Zanger Brad Delp en gitarist Barry Goudreau leerden elkaar kennen in 1970 in de groep Boston, de groep die in 1976 doorbrak met hun warme, melodieuze hardrock met een ongekend rijk geluid. Sindsdien musiceerden ze zowel in die groep als in RTZ.

Klonk daar stevige muziek in de sfeer van Bad English of - onvermijdelijk - Boston, op dit Delp and Goudreau klinkt een kalmere variant. Het resulteert in toegankelijke kwaliteitspoprock die soms aan die van Steely Dan doet denken, zoals in de eerste twee nummers. Delp zingt lager en kalmer dan voorheen en wordt vervolgens in Let It Roll en op de tweede helft in Reconciliation bijgestaan door een vrouwenkoortje. Het is één van de weinige nummers waar het iets pittiger wordt.

Andere aangename tracks: Out of My Hands heeft een spannende sfeer, als bij een thrillersoundtrack en is wat steviger dan de andere nummers met een kleine rol voor de sitar; Keep on Runnin' is een instrumentale shuffle met veel slidegitaar; Everyday een ballade, leunend op piano en met violen in de climax; het live opgenomen The Rhythm Won't Stop heeft weg van southern rock. Het kalme slot is versierd met veel sitar: My One True Love is een klein diamantje.

Delp overleed in 2007, een vervolg op dit verrassend ontspannen album is er daardoor nooit gekomen.

Department S - Is Vic There? (1993)

poster
3,5
Op reis door de new wave van december 1980, kom ik van die malle noveltyhit van het label Stiff, Stop the Cavalry van Jona Lewie. De trein stopt bij Department S, dat twee dagen voor Oudjaarsdag single Is Vic There? uitbrengt. Eind maart 1981 betreedt het voorzichtig de Britse hitlijst, om in mei tot #22 te komen. Broeierige wave, beetje postpunk, of zoals wij het toen noemden: doom wave.
In juli 1980 haalt de groep, die zich vernoemde naar een tv-serie, nog eens #55 met Going Left Right dat in de sfeer van de gejaagde postpunk zit, eveneens op deze verzamelaar te vinden.

Blijkens Discogs en MuMe kwam het pas in 2011 tot een regulier album, te weten Mr. Nutley's Strange Delusionarium, kennelijk mede ingegeven door het relatieve succes van deze én een andere verzamelaar genaamd Sub-Stance uit 2003.
Op deze compilaties is te horen dat de groep meer dan vleermuizenwave maakte, tot vrij vrolijke funkpop toe. Andere keren moet ik denken aan Killing Joke (bij Romany Blood) of The Psychedelic Furs (I Want). Het is dus alleszins een gevarieerd palet dat Department S ons schildert. Laat onverlet dat die hits uit 1980 heerlijk passen op mijn afspeellijsten met new wave.

Mijn reis door new wave heeft daarmee 1980 erop zitten. Ik maakte al enkele vooruitstapjes naar 1981, zoals hier. Bij de powerpop van The A's werd ik echter afgelopen juli door Germ en potjandosie getipt over een viertal andere powerpopgroepen.
Die namen heb ik genoteerd en twee ervan blijken al vóór 1980 werk te hebben uitgebracht. Daarom eerst op weg naar de Amerikaanse groep Shoes en Black Vinyl Shoes uit 1977. Na die albums is 1981 aan de beurt!

Depeche Mode - A Broken Frame (1982)

poster
4,0
Ook een dikke veertig jaar later blijft het knap: nadat degene die alle liedjes schreef Depeche Mode verliet, heel snel met een prima opvolger komen. Ik ontdek dat Martin Gore destijds nog maar twintig jaren jong was; hij schreef “gewoon” alle nummers. See You kende ik van de radio en blijkt zowaar de Nationale Hitparade te hebben gehaald: één week #49 in mei 1982.

Na de schitterende hoesfoto’s-als-waren-het-schilderijen valt op dat de muziek stemmiger is geworden. Soms zelfs met meerstemmige zang, zoals de openingstonen van Leave in Silence en Shouldn’t Have Done That. Enkele digitale klanken in Monument doen me denken aan dezelfde van Whitney Houstons hit I Wanna Dance with Somebody. Heel irritant die associatie, ik raak 'm maar niet kwijt... Bij Depeche Mode ontvouwt zich echter een ingetogen nummer. Nothing to Fear is aangenaam instrumentaal en heeft wel iets van de soundtrack van een actieserie. Het heerlijk zwoel-romantische én vlotte See You sluit de A-kant af.
De B-zijde is luchtiger. Beginnend met synthesizerreggae in Satellite, waarna de sfeer richting het debuut gaat via het dansbare The Meaning of Love naar A Photograph of You, dat voor de hitparades lijkt te zijn geschreven maar vreemd genoeg nooit op single verscheen.
Op Shouldn’t Have Done That klinken weer bedaagde sferen, waarmee we terugkeren naar de sfeer van de A-zijde, om met The Sun and the Rainfall misschien wel de perfecte synthese van de uptempo muziek van het debuut en de ernst die op A Broken Frame binnentreedt.

In 2006 verschenen versies met audio-extra’s en dvd. Van vrolijke synthesizer-dance-wave naar vaak bedachtzamer sferen. En dat binnen een jaar na het debuut, gemaakt door drie hele jonge muzikanten. Knap.

Depeche Mode - Construction Time Again (1983)

poster
4,0
De derde Depeche mode was de eerste met Alan Wilder in de bezetting. Hij debuteerde bij de groep met single Get the Balance Right! uit januari 1983, dat in 2007 op de Deluxe-editie als bonus aan Construction TIme Again werd toegevoegd. Geen hit in Nederland, vreemd hoor... Zoals Rainmachine in januari schreef, bevat dit album inderdaad meer invloed van de industrial beweging, volgens Wikipedia nadat Martin Gore een concert van Einstürzende Neubauten had gezien.

Wat opvalt is hoe rijk het audiopalet is waarmee Depeche Mode muziek schildert. De mogelijkheden van de synthesizers worden verder verkend.
De A-kant in termen van elpees, deze plaat verscheen vijf maanden na de introductie van de cd in maart '83: Love, in Itself is warm en afwisselend en bevat tempowisselingen; het verrassend uptempo More than a Party knalt eruit en versnelt aan het einde, waarna treingeluiden de brug vormen naar Pipeline, dat gebaseerd lijkt op de primitieve blues van de Amerikaanse chaingangs: groepen gevangenen die geketend dwangarbeid verrichten. Hierin hoor je duidelijk de invloed van de Neubauten, maar met zijn bijna zes minuten is het een lange zit.
Dan liever de single die volgt, het heerlijke Everything Counts. Het altijd wakkere Nederland beloonde dit briljantje met maar liefst één week #50 in de Nationale Hitparade. We sliepen.

Een heerlijke sequencer trapt kant B af in Two Minute Warning, met daarin tweestemmige zang. Met het langzame Shame kan ik niet veel, The Landscape Is Changing is nauwelijks interessanter, maar met het voorttikkende Told You So haak ik weer aan, waarna sferisch wordt geëindigd met And Then... De geluiden zijn rijk, de variatie groot. Niet alles is pakkend in mijn oren, maar dat de band vernieuwde is een feit.

Depeche Mode keerde terug als kwartet, net als op het debuut: het ontwikkelde zich zelfverzekerd verder, waarbij het in twee jaar tijd naar een volwassen geluid groeide. Ik herhaal wat ik bij andere albums uit dit jaar noteerde: 1983 was (alweer) een topjaar voor de synthwave.

Depeche Mode - Memento Mori (2023)

poster
3,5
Sinds het overvrolijke Just Can't Get Enough in 1985 een hit werd en Depeche Mode doordrong tot mijn oren, is een lange weg afgelegd, zowel voor de Snelle Mode als voor mij. De jolijtige dans van die single maakte plaats voor ingetogener stemmingen, waarbij de groep vaak melancholie en synthesizers verenigde. Nooit werd ik superfan, maar op ieder album is wel iets voor mijn smaak.
Met het plotselinge overlijden van Andy Fletcher speelde zich iets af wat ik helaas ook in mijn omgeving enkele malen meemaakte: ogenschijnlijk gezonde mensen die door hartfalen plotseling worden weggerukt. Door de berichten die Memento Mori vooraf gingen, werd ik benieuwd, zeker toen ik de prachtige hoes tegenkwam. Anders dan ik dacht is dit echter niet een album dat van begin tot einde vol staat met rouw van de twee achterblijvers over hun gevallen maat.

My Cosmos is Mine is een langzame ode aan het ik, waarna Wagging Tongue dit thema even stemmig voortzet: "You won't do well to darken me". De muziek blijft langzaam, op vierde nummer Don't Say You Love Me klinkt zelfs blues met wenende gitaarakkoorden.
Ik heb echter van nature meer met vlottere muziek en bij My Favourite Stranger veer ik voor het eerst overeind. Maar toch: in de stemmige klanken in het intro van Soul with Me met onder meer gesampelde zang (héérlijk eighties!) ligt véél sfeer, zeker als de melodie van het lied mooi blijkt; verhaalt de tekst over Fletchers heengaan en proef ik hier de eerste rouw?
Meer langzaam werk volgt en mijn aandacht verslapt, al is een enkele tekstregel herkenbaar. Zoals in People are Good, waarin ik me afvraag wat Dave Gahan bedoelt als hij zingt "Heaven help us - everything will be alright in time". Deelt hij met U2's Bono niet alleen fotograaf Anton Corbijn (prachtige foto's weer bij dit album!) maar ook diens geloof? Of Always You, met daarin de zin "My love, there are no more words - life's too absurd".
Pas met Never Let Me Go gaat het tempo weer omhoog en verhuist de muziek van de achtergrond naar mijn volle aandacht. Heerlijke synthpop. Speak to Me sluit het album stemmig af met een tekst als een moderne hymne: wie is de "You' in de tekst? "I'm listening, I'm here now, I'm found".

Van het 'ik' in de opener naar 'gevonden zijn' in het slot. Lees ik hier een verslag van een persoonlijke reis? Het maakt dat ik de teksten interessanter vind dan de muziek. Ook nu Depeche Mode een duo is. Ik word dus niet alsnog een superfan, maar even duidelijk is dat ze op ieder album enkele nummers zetten die blijven hangen. Ik moet eens op zoek naar een interview met Gahan en/of Martin Gore waarin de vragensteller de diepte ingaat.

Depeche Mode - Speak & Spell (1981)

poster
3,5
Het is een hele stap van Memento Mori, de stemmige laatste van Depeche Mode, terug naar hun vrolijke en dansbare debuut Speak & Spell. De documentaire Synth Britannia over de eerste synthpop/-wavebands (2009, te vinden op YouTube) helpt mij. Hierin ruim aandacht voor de groep. Drie leuke feitjes daaruit.
Mute-producer en -platenbaas Daniel Miller introduceerde Depeche Mode in zijn studio in Londen aan de sequencer: tot dan speelden de heren alles met de hand! Tweede feitje: de groep reisde per trein naar Top of the Pops, de klavieren onder de arm, zo simpel was het toen nog. En tenslotte: de band bracht een vrouwelijke fanschare mee, van wie het Miller opviel dat ze tijdens concerten niet naar de band keken: ze dansten.

Wie dit album met vooral opgewekte en uptempo liedjes hoort, zal dat helemaal begrijpen. Vier frisse jongemannen, qua uiterlijk passend bij de netgeklede maar licht-alternatieve stroming van new romantics. De muziek is vooral van de hand van Vince Clarke, die na dit album de groep verliet omdat hij, zoals hij in diezelfde docu vertelt, een controlfreak is en meer invloed wilde uitoefenen. Negen van de elf nummers waren van hem, maar Clarke wilde meer. In plaats van de confrontatie te zoeken, vond hij al in november 1981, terwijl Speak & Spell nog maar een maand uit was, de uitgang en begon de groep Yazoo.

De zoetigheden die van dit album beklijven: New Life, Puppets, Nodisco en de twee nummers van Martin Gore Tora! Tora! Tora! en het instrumentale Big Muff. Wie de Duitse persing kocht kreeg er het sterke Dreaming of You bij, een liedje van Clarke dat in plaats van I Sometimes Wish I Was Dead in de groef was geperst. Dit nummer verscheen in hun thuisland "slechts" op single met op de B-kant het eveneens fijne Ice Machine, in 1988 als bonus bij de cd-editie verschenen.

Swie Tio oordeelde in Oor positief (even scrollen), maar hitsingles of een albumnotering waren er in Nederland nog niet. Een ruime voldoende voor dit debuut, dat in tegenstelling tot veel andere synthgroepen uit die dagen slechts digitale instrumenten bevat. Op de stemmen na natuurlijk…

Der Plan - Geri Reig (1980)

poster
3,0
Het Düsseldorfse Der Plan debuteerde in 1979 met een titelloze EP, waar twee nummers op staan. Live opgenomen in het oefenhok met een dictafoon, zo'n eenvoudige cassetterecorder om gesprekken en interviews mee op te nemen. Low budget en lo-fi, voordat die laatste term bestond. Twee van de leden zijn ook aktief in DAF, Deutsch Amerikanische Freundschaft.

In mei 1980 verschijnt hun eerste album Geri Reig. Wat ik hierop aantref heeft eveneens een hoog experimenteel gehalte. Opener Adrenalin Lässt das Blut Kochen bevat een basis van een snel, galmend sequencerthema; daaromheen geluidseffecten en een spreekstem. Tweede nummer Geri Regi is nog wel het meest toegankelijk met een drumcomputertje, dat doet denken aan de muziek van het New Yorkse Suicide. Daarover een mannenstem en allerlei versnelde stemmen met een tekst waarin het woord 'reggae' continu wordt herhaald.
Daarna wordt het experimenteler. Soms heeft een nummer geen ritme zoals in de 77 seconden van geluidscollage Persisches Cowboy Golf, soms wel zoals in Der Weltaufstandsplan, wat de oorspronkelijke naam van de groep was.

De nummers duren niet al te lang, waardoor in totaal vijftien nummers in de groef passen. Daarbij andere malligheden, zoals minimalistische casiopop in Commerce Extérieur Mondial Sentimentale. Met vleugjes humor, alleen al de tekst en zang in Was Ich von Mir Denke of de digitale watergeluiden in Nessie, ongetwijfeld knipogend naar het befaamde monster van Loch Ness.

Elektronische avant-garde, het levert grappige momenten op - maar om de plaat voor je lol vaak te draaien? Dát lukt mij niet. Dus ook niet met de heruitgave die in 2012 verscheen met daarbij enkele bonussen, tevens op streaming te vinden.
Mijn reis door new wave en aanverwanten kwam van het muzikaal verwante Suicide uit New York. Omdat ik Mirror in the Bathroom van The Beat al besprak via album I Just Can't Stop It, is het volgende station van weer heel andere aard: het debuut van The Cramps.

Deraps - Deraps (2022)

poster
4,0
Het was vielip die laatst bij de opvolger een bericht plaatste en zo kwam ik Deraps op het spoor.

Eerst waren daar een paar autoritten met dit album via streaming. Bij de eerste klanken, Invasion duurt veertien seconden, denk ik onmiddellijk aan Eddie van Halen en het intro van Sex, Drugs & Rock N’ Roll bevestigt dat. Knallende, vrolijke, testosteronhardrock 'n' roll zoals Van Halen die op z'n eerste twee albums maakte en in iets mindere mate de drie erna. Dat niet alleen, ook het drumgeluid doet aan Van Halen denken: Alex dus. De zanger is evenmin níet mis: als een combinatie van de jonge versies van Jeff Keith (Tesla) en Steven Tyler (Aerosmith). Het mag allemaal gejat lijken, Deraps zit goed in elkaar.

Het iets langzamere My Side of Town swingt op een hakkende riff en opnieuw valt op hoezeer gitaargeluid- en stijl op dat van het grote voorbeeld lijken, net als Live Fast Die Slow en Veins of My Heart met het lieve regeltje in het refrein: "She says it's just for fun - but I can feel her tongue - Wrapped around the veins of my heart." Met Élizabeth dient zich de volgende verrassing aan: een heerlijk akoestisch en drumloos instrumentaal van 200 seconden met meer vingervlugheid op de zes snaren.

Zoals het menig elpee uit vroeger dagen betaamde, is de tweede helft minder sterk, al blijft het spel fantastisch. Vanzelf ging ik ook op de koortjes letten die eveneens op z'n Van Halens zijn. Ze zijn pakkend, maar dan zonder de überklasse van VH; Michael Anthony vervangen is kennelijk heel moeilijk. Ondertussen zijn het licht funkbeïnvloede Make Ya Groove, een vleugje bluesrock van Wild to the Woman en het kalmere On My Mind langsgekomen.
Dan word ik toch weer gepakt door het boze Fuck Off en een cover van Sweet, Ballroom Blitz. Plotseling vraag ik me af waarom de Californiërs dat nummer nooit hebben gecoverd, zó passend is dit in de jas van Van Halen. Maar dit is Deraps! Gitaarsolo's die buitelen als watervallen en enthousiasme dat ervanaf spát.

Pas zojuist heb ik eens gekoekeld hoe het zit met deze groep. Eerst de gitarist. Hij heet Jacob Deraps en komt uit Canada. Dan alweer verbazing, want wie is de zanger? Alweer Jacob Deraps?! En de drummer? Dat is Australiër Josh Gallagher die ook de achtergrondzang doet. Allemaal geleerd op de About-sectie van hun website. Dit blijkt dus een tweekoppige groep?!
Aanbevolen voor iggy, Gamma123, milesdavisjr, OzzyLoud, namsaap, hnzm, rider on the storm, freakey, Zagato, LucM, ricardo, orbit, Bollieblauw, Edwynn, Satriani/vai, Ronald5150, Von Helsing, teus, gigage, shrink1972, De buurman, AstroRocker en ieder ander die wel van de vrolijke kant van Van Halen houdt. Vervolgens kreeg ik zin in Women and Children First, dat hier nu van vinyl draait en waar ik de zojuist genoemde namen uit de laatste reacties plukte.

Dan ga ik door naar opvolger Viva Rock N' Roll!, waar het eerste bericht van jailhouserocker1 meteen veelbelovend is! Enne, níet luisteren als je nu al weet dat het goedkoop jatwerk is... Daar zit ik anders in: dit is dúúr jatwerk, heerlijk voor onderweg.

Deraps - Viva Rock N' Roll! (2025)

poster
4,0
De twee berichten hierboven kloppen als een bus. De tweede van Deraps heet Viva Rock 'n' Roll! en hierop wederom sterke invloeden van Van Halen, maar nu met een meer eigen geluid. Anders dan het debuut van drie jaar eerder. Daardoor klinkt het in mijn oren als een kruising tussen VH en Tesla, waarbij er vele andere vergelijkingen zijn te maken.

Vier hoogtepunten. Opener Viva Rock N’ Roll heeft als titellied nog wel het meeste weg van het VH van hun eerste twee albums; The Legend of Larrikin Laddie rockt als een malle, aan het slot als Rose Tattoo; Equinox is een fraai miniatuurtje, waarna Last Fall het prachtige hoogtepunt van dit album vormt. Eén van de beste nummers ooit in de wereld van hardrock gemaakt, een instant-klassieker dankzij riff, melodie, zang en het spetterende gitaarspel.
Later op het album moet ik aan hardrock van eind jaren '70 denken. Als het melodieus is aan Styx, als de blues aan invloed wint aan Frank Marino & The Mahogany Rush.

Met het spelplezier dat uit de speakers spat erbij is dit een allemaggies lekker plaatje, vol vakmanschap en enthousiasme. Retro met een Gouden Rand, een tweemansband die naar Europa moet afreizen - liefst met een bassist met een talent voor koortjes zingen, want ook dat aspect staat in de studio als een huis.

Desinteresse - Onschuld (2025)

poster
4,0
Glimlachen! Alsof ik terug ben naar 1980 en '81, de albums Seventeen Seconds en Faith van The Cure. Dit is alleen Nederlandstalig, althans, dat denk ik vanwege de liedtitels. Want het galmpje waarin de zang is gedrenkt is nét genoeg om de teksten nauwelijks te kunnen verstaan.

Het is alsof The Cure 45 jaar geleden een derde album opnam dat verloren is gegaan. Je kan het vervolgens afdoen als schaamteloos jatwerk. Maar ik vind het charmant en ik glimlach. In tegenstelling tot bovenstaand bericht kan ik juist genieten van de monotone drumpartijen: ze creëren een groove die de voet vanzelf doet meetikken.

Deutsch Amerikanische Freundschaft - Alles Ist Gut (1981)

poster
3,5
De derde van Deutsch Amerikanische Freundschaft heet Alles Ist Gut en is hun meest toegankelijke tot dan, zij het nog steeds absurdistisch. Opgenomen in de studio van producer Conny Plank in Wolperath nabij Keulen, uitgebracht bij het Engelse Virgin. Als datum van uitgave geldt 6 januari 1981. Het kwartet van voorganger Die Kleinen und Die Bösen is uitgedund tot duo Gabi Delgado-López (zang) en Robert Görl (elektronica en soms akoestische drums).

Hierboven viel bij diverse MuMensen een vorm van het werkwoord 'dansen', wat inderdaad van toepassing is. Dat hierboven enige verwarring opduikt omtrent de teksten, zoals rond Der Mussolini, is logisch. In 2017 verscheen biografie Das ist DAF, waarin één en ander wordt opgehelderd en in dit artikel noemt auteur Martin Rehfeldt het "Die perfekte Provokation". Inderdaad, DAF steekt de draak met de '-ismes' (fascisme, sociaal-nationalisme en communisme) en meteen ook het christendom. Iets met individuele vrijheid zoals die beleefd kan worden op de dansvloer, tevens passend bij de anarchistische kringen waar het duo uit voortkwam. Althans, zo schat ik dat in.

Dit soort steken nemen niet weg dat de synthesizers kunnen ronken, zoals in opener Sato-Sato. Görl is drummer en dat valt te horen in Mein Herz Macht Bum en Alles Ist Gut, waar aangename, tegendraadse beats klinken; hij combineert zijn akoestische drums met de digitale synthesizers.
In Der Räuber und der Prinz klinkt dan weer een übersimpele groove als basis voor een sprookje met een homoseksuele lading. Via Als wär's das letzte Mal klinkt wanhopig verlangen naar de ander, qua sfeer vergelijkbaar met het meest sombere werk van Joy Division. Vervolgens klinkt een geruststellend advies in Verlier nicht den Kopf.

Het album stond in Duitsland van juni '81 tot en met mei '82 in de verkooplijst, in september 1981 twee weken piekend op #15; in Oostenrijk #16. In Engeland echter geen albumnotering.

Komend vanaf Trust van Elvis Costello & The Attractions vervolg ik mijn reis door new wave. Uiteraard blijk ik weer een album te hebben overgeslagen en dus moet ik terug in de tijd. Op naar de tweede helft van 1980, als Wild Planet van The B-52's verschijnt

Deutsch Amerikanische Freundschaft - Die Kleinen und Die Bösen (1980)

poster
3,5
Op reis door new wave blijkt weer eens dat dit niet zozeer een benaming voor een genre maar voor een stroming is, passend bij een tijdvak dat meestal met de opkomst van Londense punk wordt geassocieerd, medio najaar 1976. Het kende echter met de Amerikaanse namen Patti Smith en Ramones fenomenen die daaraan vooraf gingen; en vóór hen waren anderen invloedrijk.
Ben inmiddels in juni 1980 en in dit geval reis ik van een skaverzamelaar bij een Duits elektronicagezelschap.

Deutsch Amerikanische Freundschaft, kortweg DAF, uit Düsseldorf. Diverse bezettingswijzigingen vinden in de eerste jaren plaats. De groep debuteerde in 1979 met Produkt der Deutsch Amerikanischen Freundschaft met daarop industrialachtige muziek van demokwaliteit. In 1980 volgt single Kebab Träume, in 1982 in andere versie bekend geworden.
Ten tijde van hun tweede langspeler uit juni '80 is de groep een kwartet, bestaande uit zanger Gabi Delgado-López (de man met Spaanse wortels), gitarist-zanger Wolfgang Spelmans, op synthesizer Chrislo Haas en als drummer en op diverse elektronika Robert Görl. Met Die Kleinen und Die Bösen verandert de koers naar elektronische muziek, enigszins in de voetsporen van Kraftwerk - zoals bijvoorbeeld The Human League ook deed - maar dan op nieuwgebaande paden met een mix van punk, synthpop en industrial, vaak met avant-gardistisch resultaat. Het Londense label Mute ziet er wel brood in en tekent DAF. Producer is Conny Plank, de legendarische naam uit de Duitse krautrock én invloedrijk bij menigeen in de vroege synth- en elektronicapop van alternatieve snit.

Opener Osten Währt am Längsten opent kalm met fluisterstem, waarna het uptempo Essen dann schlafen volgt. Het klinkt als punk 2.0 en doet denken aan hetgeen Jean-Jacques Burnel van The Stranglers het jaar ervoor deed op zijn soloplaat Euroman Cometh. Digitale geluiden domineren op Co Co Pino met daarop meer eigengereide spreek-zang-schreeuw-fluisterzang van Delgado-López.
En zo gaat het verder. Soms luid (Nacht Arbeit), vaker avant-gardistisch (Ich gebe dir ein Stück von mir met elektronische noise als ondersteuning voor wat een kindermelodie lijkt) of het trage De Panne (een verwijzing naar de Belgische badplaats?).
Kant 2, vanaf track 8, werd in februari 1980 live opgenomen toen de groep in het voorprogramma van Wire stond. Hier is het meestal Spelmans die bij de microfoon staat. Meer dan op de A-kant klinkt het geluid van hun debuut met soms vervormde zang, zoals op Gib's Mir of de vijftig seconden van Volkstanz. Op Die lustigen Stiefel scheurt een punkgitaar waarbij wordt geschreeuwd, om de luisteraar vervolgens op een meezingrefrein te trakteren.

Niet toegankelijk, maar aan die kant 2 te horen was er wel degelijk een (bescheiden) publiek voor. Het schilderij op de voorzijde en de foto op de achterzijde lijken te zijn geleend van propaganda uit de Sovjet Unie. Het benadrukt de eigenzinnige aanpak van de groep.
Mijn volgende station is stúkken toegankelijker: Jona Lewie en diens single You'll Always Find Me in the Kitchen at Parties, verschenen op diens verzamelaar met dezelfde titel als zijn vorige langspeler On the Other Hand There's a Fist; in dit geval dus de 1980-versie.

Devo - Duty Now for the Future (1979)

poster
3,5
De tweede van Devo verscheen in juni 1979 met de fraaie titel Duty Now for the Future. Het bevat net als het debuut dat eigenwijs-drukke, bijna neurotische geluid van de groep. Als een volkslied klinkt de instrumentale opener Devo Corporate Anthem, waarna de knijpzang van Mark Mothersbaugh met drukke, stevige new wave het overneemt.
Hoogtepunten zijn het volgende instrumentale Timing X, Blockhead met z'n grommende bas en dansende toetsen, vergelijkbaar met wat The Stranglers in 1981 deden met The Meninblack. En Strange Pursuits klinkt dan als science-fiction wave, ware het muziek bij een tv-serie uit die jaren.

Op kant 2 is Triumph of the Will als een vocaal vervolg op hun anthem. Dit met nadruk op de toetsen, waarna een beschaafd scheurend gitaartje The Day My Baby Gave Me a Surprise ondersteunt. De sfeer van prettig gestoorde nervositeit blijft, typisch voor de stijl van Devo. Zoals in Secret Agent Man, als de soundtrack bij een komische spionagefilm die zich afspeelt in de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw.

Gekanaliseerde gekte met talloze frisse ideeën. Probleem is dat het wat steriel klinkt, of is het juist messcherp geproduceerd? Want tegelijkertijd vormt dit de kracht van Devo. Als een heel album iets teveel van het goede voor mij. Zoals anderen beschreven, kreeg de Europese editie een andere hoes, te weten deze.
Geen hitsingles, wél albumsucces voor Duty Now for the Future. In het Verenigd Koninkrijk haalde de plaat #49, in hun eigen VS #73.

Mijn reis door new wave van 1979 kwam van Squeezing Out Sparks van Graham Parker and the Rumour en vervolgt bij het debuut van The Soft Boys.

Devo - Freedom of Choice (1980)

poster
3,5
Optimistische en energieke new wave, waar de ritmes worden gedragen door een stampende synthesizer en dansend drumwerk. Het was hun derde album en er moest een grote hit worden gescoord, anders was het einde contract, zo kreeg manager Eliot Roberts (welke tevens Neil Young onder zijn hoede had) te horen van Warner Brothers, meldt dit artikel in Magnet Classics.
Dat lukte met Whip It, dat relatief lang na verschijning van het album op 16 mei, in november #14 haalde in de Billboard Hot 100; in het Verenigd Koninkrijk in december #51. Toetsenist Bob Casale omschreef hun stijl als “We were Kraftwerk from the waist up, and Elvis Presley from the hips on down,” en dat snijdt hout. Veel "kille synths" maar ook een scheurend gitaartje en dansbare waverock.

Het titelnummer verwijst naar de politieke situatie van toen en kan naadloos op de huidige situatie in de VS worden geplakt. Girl U Want is dan weer sterk in zijn beschrijving van wat de aandacht van vrouwelijk schoon met de hoofdpersoon doet.
Het album bevat geen zwakke nummers. Andere favorieten zijn It's Not Right met zijn sequencer, Snowball met zijn bijna-discodreun die echter door drummer Alan Myers fraai met franje wordt omhuld, Ton o'Luv met zijn knipoog naar klassieke rock 'n' roll, het wat dreigende Gates of Steel en de snelle bonustrack Turn Around . Lekker album met één nadeel: door de soortgelijke tempo's, ritmes en arrangementen gaat het na enige tijd wel erg op elkaar lijken. Tegelijkertijd is de samengebalde energie van synthesizers, gitaar en bas/drums ieder nummer aangenaam. Ik kom uit op een veilige 7,5 voor het geheel.

De productie is 45 jaar later onverminderd fris en transparant, waarbij de muziek de speakers uitknalt. Sinds 1993 als combi-cd verkrijgbaar op Oh No It's Devo / Freedom of Choice en vanaf 2009 als uitgebreidere cd-versie.
De maffe hoedjes op de hoes werden twee jaar later in de talkshow van David Letterman onderwerp van gesprek. Dat de groep daar zat, zegt iets over de groeiende populariteit van deze eigenwijze wavegroep.

Mijn reis door new wave kwam van het Britse industrialgezelschap Throbbing Gristle en vervolgt bij het tweede album van het Nieuw-Zeelandse Mi-Sex.

Devo - Q: Are We Not Men? A: We Are Devo! (1978)

poster
4,0
Mei 1978 hoorde ik een knotgek liedje in de Tipparade. Het origineel van (I Can’t Get No) Satisfaction kende deze jonge tiener inmiddels van Hilversum 3, maar de nieuwe versie mocht er ook zijn. Rare zang en een raar ritme maar onweerstaanbaar. Gespeld als (I cån't gèt mé nö) Såtisfactiön stond het vier weken in die lijst, zonder de Top 40 te halen. Wel één week in de Nationale Hitparade: in juni haalde het #48.

September 1977 verschenen op eigen label Booji Boy: de debuutsingle van Devo, afkomstig uit Akron, Ohio. Zoals de hoes vermeldt: “another fine product of The De-evolution Band”.
Een demotape bereikte de oren van zowel David Bowie als Brian Eno, waarna de laatste met de groep een heropname produceerde voor het Londense label Stiff, te vinden op de EP Be Stiff. Zoals zoveel namen die in 1977 met een single debuteerden, volgde in 1978 de elpee.

Die rare aanpak van de van de Rolling Stonesklassieker: je moet er maar op komen. Devo, zoals de ingekorte groepsnaam inmiddels luidde, kiest voor een eigenzinnige aanpak die in niks lijkt op wat anderen voordien deden.
Midden jaren ’70 was de groep al druk bezig met video’s bij hun muziek, de tijd vooruit. De debuutsingle veroorzaakte enige reuring en met de steun van Bowie en Eno werd de groep in 1978 een bescheiden hypeje bij progressieve Amerikanen. De groep wist snel een vaste aanhang op te bouwen, die in de decennia uitdijde. Maffe liedjes, opvallende kleding en ironische teksten met maatschappijkritiek. Het bracht hen tot veelbekeken optredens in woord en muziek bij talkshows zoals die van David Letterman, waar ze in 1982 op amusante wijze uitleggen wat ze met de omgekeerde evolutie bedoelen.

De langspeler met de vreemde titel Q: Are We Not Men? A: We Are Devo! is uit hetzelfde hout gesneden. Puntige liedjes met tegendraadse maar meestal clean klinkende gitaren, steevast uptempo met een belangrijke rol voor drummer Alan Myers, die dit alles van een drukke en gevarieerde basis voorziet. Voeg daarbij de frisse synthesizergeluiden plus de soms staccato vocalen van Mark Mothersbaugh en Gerald Casale, en het resultaat is een wereld op zichzelf.
Qua sfeer moet ik soms aan Sparks denken, maar orenschijnlijk komt de muzikale stijl van Devo uit het niets vallen. Het lijkt ook niet op de new wave die inmiddels in New York rond club CBGB was ontstaan met groepen als Television en Blondie, maar new wave is het zeker, vér verwijderd van de classic rock van die dagen.

Enkele hoogtepunten op dit album dat geen missers kent. In het science-fictionachtige Jocko Homo verklaart de groep zichzelf en de albumtitel. Gut Feeling (Slap Your Mommy) heeft een lang intro met toetsenpartij á la Dave Greenfield van The Stranglers en drukt uptempo dóór om met een punkachtige climax te eindigen; Come Back Jonee geeft met tekst en gitaarlicks knipogen naar Chuck Berry's Johnny B. Goode (1958). Nu echter in nerveuze wave verpakt.
De Europese hoescover (foto, zie hier) is anders dan de Amerikaanse (tekening) die MuMe afbeeldt. Op foto's zag ik ze in hun rare gele overalls en al vond ik de single leuk, deze jonge tiener zag daar nog niet de humor van.

Iets van Devo's eigenzinnigheid in zowel ironie, maatschappijkritiek en muziek klonk vanaf 1983 bij Steve Taylor, die zijn meeste muziek op een christelijk label uitbracht en daardoor onbekend bleef. Qua gitaarwerk en de drumpartijen hoor ik ook overeenkomsten met The Feelies, die in 1980 debuteerden.

Ik kwam hier vanaf Lust for Life van Iggy Pop. Mijn reis door new wave, punk en aanverwanten blijft in september 1977, toen voor het eerst een golfje langspelers in dit genre over de muziekwereld spoelde. Omdat ik No More Heroes van The Stranglers al eerder beschreef, vervolg ik met de debuutelpee van The Boys uit Londen.

Dexys Midnight Runners - Searching for the Young Soul Rebels (1980)

poster
4,0
Geno was mijn eerste kennismaking met Dexys Midnight Runners. Ik associeer het met de VARA-dinsdagen op Hilversum 3, waarbij het in april-mei 1980 in de Tipparade van Veronica stond, maar de MuMensen hierboven hebben gelijk: tevens steunplaat bij de Avondspits, vanaf 7 april om precies te zijn. Heerlijke blaaspop die me deed denken aan de skarevival van het jaar ervoor, ook al was dit witte soul.

Nu eens eindelijk het hele album gehoord en werd diverse malen heel vrolijk. Vooral de A-kant is fijn: nadat geluiden van het draaien langs diverse radiozenders is gehoord en enkele woorden in plat-Engels volgden, begint Burn It Down; een heerlijk vlot nummer met de pakkende stem van Kevin Rowland, wiens Engelse snik ik graag hoor. Met Tell Me when my Light Turns Green wordt het tempo iets hoger; bijzondere blaasharmonieeën klinken in de beste soultraditie. Het instrumentale The Teams that Meet in Caffs klinkt alsof ik in een film zit en single Geno (in hun eigen land #1!) blijft briljant met de diverse tempowisselingen, effectieve breaks en sterke melodielijn.
Op de B-kant wordt uptempo geklaagd dat voor een afwezig liefje Seven Days too Long is. De plaat sluit af met het sterke There There My Dear. Iemand die van ballades houdt, zou daaraan zowel I'm Just Lookin als I Couldn't Help it if I Tried kunnen toevoegen.

De sfeer is vrolijk en optimistisch, waarbij zelfs de grootste chagrijn vrolijk uit bed zou moeten springen. Enigszins vergelijkbaar met wat tijdgenoten Blues Brothers deden, maar meer nog lijkend op de band in de beste muziekfilm die ik ken, die over de Ierse groep The Commitments. Amerikaanse soul van niveau wordt overgoten met een dikke laag blauwe-ogen-Engels, waarmee een soort soulnewwave ontstaat. Lekker lenteplaatje, zeker nu op dit moment na een grauwe dag de zon doorbreekt.

Diamond Head - Canterbury (1983)

poster
4,5
In 1983 stond Canterbury niet in de bieb en ging zo aan mij voorbij. Zo'n tien jaar later zette maatje Edo enkele nummers van deze Diamond Head op een cassettebandje voor mij, diverse tracks komen me nu nog bekend voor. Dankzij Brutus' opmerking van tien dagen geleden ben ik de plaat gaan (her)ontdekken. Of ik zat of stond of liep, thuis was of onderweg: steeds luisterde ik blij-verbaasd. De muziek groeide door de eigenwijsheid ervan en het plezier dat ik hoor.

Alhoewel Diamond Head tegelijkertijd opkwam met de New wave of British heavy metal, nam men een eigen plek in. Ik herinner me ten tijde van Borrowed Time een concertrecensie in Oor waar ik las dat metalfans tevergeefs "Faster! Faster!" riepen.
Op Canterbury is het alsof we zonen van Led Zeppelin horen: blues en singer-songwriterfolk worden ingepast in heavy rock. Soms moet ik zelfs aan de gitaarwave van The Alarm denken en ook fans van de eerste jaren van Def Leppard zullen dit hier en daar waarderen.
De heldere stem van Sean Harris klinkt als een kruising tussen Robert Plant en Ann Wilson en je zou hem ook kunnen vergelijken met Jon Deverill van Tygers of Pan Tang. Het gitaarwerk van Brian Tatler bevindt zich ergens tussen Jimmy Page en Malcolm Young, waarbij hij zich diverse zijstapjes veroorlooft. Heel anders dan het robuuste Diamond Head van tegenwoordig (het prima The Coffin Train uit 2019) of het nog steviger Saxon waar hij eveneens speelt.

Mijn favorieten zijn de uptempo opener Makin' Music, Out of Phase met z'n akoestische intro en bijzondere brug, het slepende The Kingmaker waar bovendien toetsen klinken en To the Devil His Due waar iets dergelijks nog gevarieerder wordt uitgerold, het dampende Knight of the Swords, Ishmael dat wel een cover van een gothicgroep lijkt, het vlotte I Need Your Love met opnieuw waveachtig gitaarwerk en het sterk opgebouwde Canterbury dat de plaat afsluit.

Ik kom de elpee jammer genoeg nooit tweedehands tegen in platenzaken; misschien moet ik maar eens beter gaan zoeken, in retrospect ben ik onder de indruk. Waar ik het destijds "best leuk" vond maar gitaarmuren miste, is dat inmiddels een pré.

Dio - Angry Machines (1996)

poster
3,5
Was Ronnie James Dio relevant in de jaren '90? Natuurlijk is dat een passende discussie op dit forum bij dit album.

Hij had de tijdgeest niet mee, dat is een feit. Maatje Edo nam een cassettebandje voor me mee met nieuwe muziek (het waren de nadagen van dat medium), waarop Games van Dog Eat Dog staat, afkomstig van het album Play Games. Gastzanger: Ronnie James Dio.
Daar klinkt de muziek die toen wél relevant was: rapmetal. Maar wat vond ik Dio's bijdrage beter dan de rest van het nummer, kreeg prompt heimwee naar mijn puberjaren en zijn werk uit de jaren '70 en '80...

Was echter vooral druk met een jong gezin: flesjes en luiers en gebroken nachten en de oudste naar en van vriendjes brengen; u kent het wellicht. En bovendien was ik klaar met metal. Sackcloth 'n' Ashes van Sixteen Horsepower werd mijn favoriete album van 1996.

De voorbije dagen speelde Angry Machines met die herkenbare hoes. Vandaag zag ik dit filmpje met zo'n angry machine. Maar dan echt! Geen science-fiction, wél harde Chinese realiteit. Dat ziende, dacht ik: Ronnie James Dio liep ver vooruit.
Hij mag gemengde gevoelens hebben gehad over dit album, dat ook nog eens zijn slechtst verkopende ooit zou worden; destijds mogen velen hem als passé hebben beschouwd... Soms blijken zaken in retrospect anders te liggen.
Dat komt mede door die stronteigenwijze Tracy G, die zijn gitaar kan laten knarsen en onverwachte wendingen in zijn spel heeft. Plus monotonie. In maar liefst vier nummers leunen de coupletten op nagenoeg één akkoord: Institutional Man, Black, Big Sister en Dying in America. Bijgevolg zijn Dio's zanglijnen hier eveneens monotoner en ook vaste drummer Vinny Appice speelt anders dan in de jaren '80.

Moest op voorganger Strange Highways tot track 9 worden gewacht op een uptempo nummer, hier knalt het al bij 2 dankzij Don't Tell the Kids, inclusief een eigenwijze solo van G.
Na een basintro van Jeff Pilson (of een ander? Hij ontbreekt op de bandfoto) blijkt Hunter of the Heart massief en midtempo, om aan het einde onverwacht te versnellen. Doom in 6/8-maat in Stay Out of My Mind met na bijna drie minuten sferische thrillermuziek van toegevoegde toetsenist Scott Warren en daarna een hakkende, staccato en bijna machinale riff. Verrassend dit geheel, het lijkt wel progmetal; zó anders dan wat de groep voorheen deed.

Double Monday heeft weer die weerbarstige gitaarstijl van G, waarbij Dio de longen uit zijn tenen zingt - fysiologisch gezien is dat onzin, ik weet het, maar hier raakt Dio me wel, in tegenstelling tot de twee vorige albums. Halverwege een fraaie akoestische brug.
In plaats dat Ronnie in zijn teksten met draken worstelt, doet hij dat met de moderne wereld. De aanzet hiertoe was gegeven door Geezer Butler ten tijde van Black Sabbaths Dehumanizer. Zo blijkt ook weer uit Golden Rules met zijn huppelende riff in de coupletten. Midtempo, swingend en toch log, met tempowisselingen.
Uitsmijter extraordinaire is pianoballade This Is Your Life; alsof we terug zijn in de jaren '70, waarbij de kleine man met veel gevoel terugblikt op de levens van anderen en zichzelf. Buitencategorie goed.

Met de Japanse bonus God Hates Heavy Metal keert in de refreinen iets van de jaren '80 terug: het is wat melodieuzer en vriendelijker, zoals ik ontdekte dankzij JijBuis.

In 2020 verscheen de Deluxe Edition met toegevoegd een concert bij de tour uit 1997. Dan pas valt echt goed op dat de stijl van Dio (man én groep) grimmiger zijn geworden ten opzichte van ouder werk. G blijkt in al die smaken een meer dan competent gitarist. Eens horen of dat eveneens geldt voor Inferno: Last in Live.

Dio - Dream Evil (1987)

poster
3,5
Dio keerde op hun vierde studioalbum terug met een Amerikaanse gitarist die echter Europees klinkt, zoals de kleine man met grote longen het zo graag wilde. Wat hoekiger en minder vloeiend dan hun Amerikaanse shreddercollega's. De groep was in 1987 qua populariteit nog aan de top en de verwachtingen waren hoog, de stem van Ronnie James onverminderd krachtig.

Ik tel vijf favorieten, drie op de A-kant en de eerste twee van de B-zijde. Met het snelle Night People wordt meteen het gaspedaal diep ingetrapt, het slepende titellied wordt beter bij herhaaldelijk draaien, waarna het weer knallen is met Sunset Superman. Het langzame All the Fools Sailed Away kent een betoverend intro, de toetsensolo die Claude Schnell na afloop van liveplaat Intermission was toegezegd is prachtig; qua tekst hoor ik een poëtisch verslag van de antirockcampagne die de zanger in die jaren fel trof.
De B-kant trapt af met het iets snellere maar nog altijd slepende Naked in the Rain dat de kwetsbaarheid bezingt, gevolgd door het uptempo Overlove dat een verwoestende gitaarsolo bevat.
Dan hebben we het beste gehad, al zakt het met de drie laatste nummers nooit naar een onvoldoende. Geen spannende melodieën echter in het midtempo I Could Have Been a Dreamer, al wordt het met het alweer uptempo Faces in the Window net iets beter; When a Woman Cries moet het vooral van de gitaarsolo en de toetsenpartij hebben.

Qua stijl was het format met het debuut vastgelegd, waardoor ik de opvolgers indertijd vooral herhalingsoefeningen vond. Met terugwerkende kracht is Dream Evil toch licht verrassend: veel snelle nummers deze keer; het soleerwerk van Goldy mag er steevast zijn, liedjes in een lied met een sterke opbouw waarin melodie, wendingen én snelheid de kruidige ingrediënten vormen; belangrijkste troeven zijn de zang en melodieën die Dio in de sterkste nummers vastlegde.
Schnell had van mij wel meer ruimte mogen krijgen op zijn toetsen, de solo in All the Fools smaakt naar meer. Wat dat betreft had een lang nummer met gevarieerde opbouw de laatste drie nummers van de plaat mogen vervangen, in plaats van meer nummers met standaardopbouw qua couplet-refrein. Een tweede Stargazer eigenlijk... Enig avontuur was wel fijn geweest, met Goldy en Schnell had dat goed gekund.

Dio - Holy Diver (1983)

poster
5,0
25 mei 1983 verscheen Holy Diver, zo herinneren Wikipedia en riesj68 mij. Een woensdag. Na het eindexamen was ik inmiddels druk met een zomervakantiebaantje in de Grote Stad, in afwachting van de uitslag. Ik herinner me zonnig weer, niet te heet. De releasedatum van Dio’s langverwachte debuut was bekend, dus uit het werk (17.00 uur) fietste ik naar dé platenzaak in het centrum. Als ik het goed heb, waren er nog maar twee exemplaren in de winkel aanwezig en hoorde ik de eigenaar zeggen dat ze als warme broodjes verkochten.
Een half uur naar huis fietsen, waar het gezin aan tafel ging. Daarna onmiddelijk naar boven, om de elpee haastig op mijn draaitafel te leggen; mijn eerste draaitafel, want dat vakantiebaantje diende om een veel grotere installatie te gaan kopen…

Spoedig klonken daar de knarsende gitaren van de mij onbekende Vivian Campbell, over wie de pers in aanloop naar dit album had geschreven. Superleuk vond ik ook dat Dio op dit album werd herenigd met bassist Jimmy Bain, degene die op dat klassieke album Rising van Rainbow was te horen. De hoekige maar inmiddels herkenbare drumstijl van Vinny Appice knalde mijn speakers uit.
Lang verhaal kort: alhoewel ik aanvankelijk moest wennen aan de productie (die was meer demo-achtig (??) dan op de albums die Dio met Rainbow en Black Sabbath maakte) werd ik volledig omver geblazen. Sterke songs, heerlijk gitaarwerk en Dio die nog eens extra “roarrrr” uit zijn toch al niet misselijke stembanden haalde. Hij was en bleef de beste (hard)rockzanger ter wereld.

De plaat is de jaren erna ontelbare malen gedraaid. Eens tijdens een onweer. Flits. Dreun. Direct daarop kwam Rainbow in the Dark voorbij met de woorden: "When I see lightning…" Mágisch vond ik het, het popachtige intro van het liedje paste er wonderwel bij.
De spaarzame toetsen (door Dio en Bain bespeeld) klinken met de oren van nu wel erg jaren ’80, maar vanaf de eerste tonen is duidelijk waar de band Dio voor stond: intense metal met metaforische teksten. Gelaagde muziek, waarin je bij vaker draaien weer nieuwe zaken ontdekte, óf je bleef afvragen wat Dio toch met bepaalde zinsneden bedoelde.
Een interview in Oor maakte veel duidelijk. Hij was heel nerveus geweest bij dit debuut onder eigen naam: hoe zou het worden ontvangen? Hij vergeleek het met het kleine Nederland, dat wordt gesteund door grote landen als het Verenigd Koninkrijk, maar op zeker moment alleen moet optreden. Hij besefte nog niet hoe tallozen, zoals ik, hem in hun hart hadden gesloten.
“If your circle stays unbroken, then you’re a lucky man. ‘cause it never never never has for me.” De cirkel staat voor het volmaakte geluk, vertelde hij in datzelfde interview. Aha, nu snapte ik de tekst beter...
Recent ontdekte ik nog eens een extra laag: vlogger Doug Helvering analyseert niet alleen de muziek van de titelsong, maar heeft ook een interessant verhaal over de tekst en de hoes.

Nadat ik afgelopen Kerst met veel plezier de biografie van Dio heb gelezen, hoop ik woensdag de docufilm Dio: Dreamers Never Die te gaan zien, eenmalig in de bios geprogrammeerd. Deze gaat verder dan 1986, waar het boek gedwongen door Dio’s ziekbed eindigde.
Ben ook aan het twijfelen: dit jaar verscheen een speciale editie van dit album, op vinyl en als 4cd met onder andere een nieuwe mix. De ene track die hiervan korte tijd op streaming stond, vond ik verrassend fris klinken. Maar een dikke 90 euro is wel belachelijk veel geld…

Bovendien heb ik de cd-versie (2005) met na afloop een interessant interview met Dio over de totstandkoming van het banddebuut. De muziek bleef onverminderd lekker. Regelmatig komt ie langs, altijd tot groot plezier van deze jongen. Het refrein van Caught in the Middle bijvoorbeeld, hoe intens is dit!

Dio - Inferno: The Last in Live (1998)

poster
3,5
"What would you say if we did something unplugged right now?" Het publiek reageert afwijzend. That's the same thing that I would say: bullshit. Try this, man!"
Chicago, 31 mei 1997. Ronnie James Dio tourt met het Dio met oudgediende drummer Vinny Appice, gitarist Tracy G(rijalva), toetsenist Scott Warren en nieuwe bassist Larry Dennison die hiervoor bij shredder Tony MacAlpine speelde. Diens voorganger Jeff Pilson vertrok namelijk naar MSG en later Foreigner.
En dan: "We want you to sing along, you've done this before. Hey, the first time we played this song with the Sabs was in Chicago en you did it right".

De livedubbel-cd volgt de setlist van dat optreden, maar opnamen komen ook van optredens in New York City, Bremen en Tokyo. Met zo'n discografie doe je altijd iemand tekort. Desondanks bevat Inferno: The Last in Live, opgenomen tijdens de tour voor Angry Machines, een dwarsdoorsnede van 's mans oeuvre inclusief werk uit de tijd bij Rainbow en Black Sabbath.
Dio zingt met dezelfde passie en kwaliteit als in 1983 in Vredenburg, Utrecht, mijn ijkpunt. Verschil is uiteraard dat we veertien jaar en zes studioalbums verder zijn. Dat herken je (te weinig maar toch) in de setlist.

Aan G de de opgave om de schoenen van Ritchie Blackmore, Tony Iommi en Vivian Campbell te vullen; in de setlist geen werk van Craig Goldy en Rowan Robertson. Hij doet het met verve, terwijl zijn eigen stijl hakkender en weerbarstiger is. Méér dan een snelle shredder, zoals ook zijn gitaarsolo halverwege Catch the Rainbow bewijst.
Jammer is dat Dio zijn toetsenisten in de meeste gevallen weinig ruimte bood, noch in de studio, noch op het podium - al zal de pure gitaarliefhebber daar anders over denken: in Dio stond de scheurende, elektrische gitaar centraal.

Qua verkopen was dit de magerste periode in de geschiedenis van de groep en de kleine man met de grote longen haalde de bezem erdoor: iedereen eruit. G kwam ik daarna pas in 2021 tegen bij het album van Gale Force, dat de nodige overeenkomsten met het Dio van deze fase heeft.
Van het album bestaat bovendien een Japanse editie met als bonussen werk van Black Sabbaths Dehumanizer (1992): After All (The Dead) en I plus een interview. Vond de muziek op YouTube, hier en daar.
Trof verder een interview met de man uit 1999 samen met Motörheads Lemmy Kilmister en Manowars Joey DeMaio.

Pas in 2000 kwam er een nieuw album met bekende namen in de bezetting en een bekend thema: terug naar de wondere wereld van fantasy middels Magica.

Dio - Intermission (1986)

poster
3,5
Zoals U2 hun Under a Blood Red Sky: Live at Red Rocks voor een hele schappelijke prijs in de winkels losliet als geste naar de fan, zo deed de groep Dio dat met Intermission. Ik vond het sympathiek en het was tevens de gelegenheid om nieuwe gitarist Craig Goldy (ex-Giuffra) te horen: met hem in de gelederen trapt de B-kant af middels Time to Burn. De mans eerste optreden was halverwege de Sacred Heart Tour, in Engeland in tv-show The Tube. De spanningen tussen zijn voorganger Vivian Campbell en zanger Ronnie James Dio waren passé en de negativiteit die de laatste ervaarde verdween.
In de biofilm 'Dreamers Never Die' (2022, nog altijd op YouTube te vinden) wordt overigens slechts summier aandacht besteed aan de komst van Goldy, die een prima vervanger zou blijken. Wel wordt duidelijk dat Campbell weliswaar meer geld vroeg, zoals hem bij de start van de band voor album #3 zou zijn toegezegd, maar bij de start van de opnamen van Sacred Heart geen nieuw materiaal bij zich had. Dio vond dat wie meer betaald wil krijgen, ook meer moet leveren in plaats van met lege handen te komen.

Op de liveopnamen is het wel degelijk Campbell die speelt, en niet Goldy zoals hier in 2015 werd gesuggereerd. Volgens de hoes opnamen van een optreden in de San Diego Sports Arena tijdens de Sacred Heart Tour. Ik had eerder van de radio een concert in Vredenburg opgenomen en niet per se zo'n behoefte aan deze schijf.
Zovele jaren later is het desondanks leuk om te horen, al zingt meneer Dio soms wat slordig. Wellicht omdat hij op die momenten in gevecht was met Dean the Dragon.

In zijn postuum verschenen biografie 'Rainbow in the Dark' (2010) vertelt hij hoe deze podiumdraak na zo'n 150 shows, hij had even daarvoor nog vuur geblazen, tijdens de laatste show in Japan plotseling zijwaarts viel. Drummer Vinny Appice kon nog maar net aan de kant springen...
In hetzelfde laatste hoofdstuk van dit boek vertelt hij dat toetsenist Claude Schnell van Foreigner een vliegticket had gekregen om auditie te komen doen. Schnell kreeg binnen Dio te weinig ruimte naar zijn zin, aldus de zanger. In hun gesprek, thuis aan Dio's eettafel, herkende deze hoe hij vroeger bij Rainbow en Sabbath hetzelfde verlangen naar vrijheid had gevoeld, maar niet kreeg.
Uitkomst van het gesprek: Schnell werd meer ruimte op het volgende album én een toetsensolo tijdens de liveshows toegezegd, waarop deze bleef. Tevens einde bio, Ronald Padavona kreeg niet de gelegenheid de jaren ná Intermission te beschrijven.

Dio - Killing the Dragon (2002)

poster
4,5
Al vanaf Lock up the Wolves (1990) legde Ronnie James Dio met zijn vernieuwde Dio de nadruk op langzame tracks en vanaf Black Sabbaths Forbidden ('92) ontbraken fantasyteksten. Op voorganger Magica (2000) keerden die lyrieken terug en toch is het verrassend dat hij op Killing the Dragon de draak uit de jaren '80 terughaalt en dat bovendien doet in de stijl van die dagen middels het nodige uptempo werk.

Want uptempo is meteen het titellied dat het album opent, net als Along Comes the Spider, waarna het midtempo Scream heerlijk massief rolt. Herkenbaar in sommige composities is de hand van bassist Jimmy Bain met breaks als op de eerste drie albums van de groep. De flitsende en melodieuze stijl van nieuwe gitarist Doug Aldrich past hier meer dan prima bij.
Dit voelt warempel als een jongehondengroep. Had ik dit als tiener in de jaren '80 gehoord, zoals me met het debuut Holy Diver gebeurde, dan was dit op eenzame hoogte gekomen naast het beste werk van Rainbow en Black Sabbath. De muziek vormt een ideale combinatie van die sferen.
Better in the Dark is dan weer snel, het fraaie akoestische intro van Rock and Roll met daarna z'n massieve riff en sterke refrein doen de eerste plaatkant sterk eindigen. Een compositie die de zanger met de vorige (en volgende!) gitarist Craig Goldy schreef.
Ik had Ronnie James al een soort van afgeschreven met z'n monotone composities, maar hier revancheerde hij zich. En hoe!

Lukt dat ook op de tweede helft? Push (ook mede met Goldy geschreven) blijkt een sterke combinatie van een meezingbaar refrein en een hardrockend nummer, Guilty is midtempo en aangenaam, waarna pas door de indringende tekst van het slepende Throw Away Children met z'n kinderkoor tot me doordringt dat de draak van dit album niet een beest uit de oudheid is, maar symbool staat voor eigentijdse demonen. De derde met inbreng van Goldy.
Before the Fall is niet alleen uptempo en aangenaam, nee, toetsenist Scott Warren mag er zowaar een solo spelen. Ja ja ja, zelfs met Hammondgeluid, een primeur voor Dio die dit soort Rainbowiaanse geluiden tot dan toe negeerde. Slotlied Cold Feet is aardig, ondanks dat het zo inspiratiearm wordt weggedraaid; hier had een laatste climax gemoeten.

De zanger leek geen sleet op de stembanden te hebben, alsof hij nog decennia zou doorgaan. Fijn is dat hij de "grom" in zijn stem bewaart voor de climaxen en uithalen, in plaats van die continu in te zetten. Knap gedaan, hij werd kort na verschijnen al zestig. Een 9 voor dit album, dat ik in mijn tienerjaren een tien had gegeven.

In 2020 verscheen een uitgebreide editie (verpakt in lelijke hoes) met zes opnamen van de tour bij het album. De geluidskwaliteit is goed, maar hoorbaar is dat dit van verschillende concerten komt. Klinkt de ene keer wat ongepolijster (met minder gitaar) dan de andere.
Net als een groep als Saxon slaagde Dio erin zichzelf te hervinden. Althans, voor hen die een voorkeur hebben voor het Dio van de jaren '80...