MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Dio - Lock Up the Wolves (1990)

poster
2,5
Hardrock en metal zoals ik die eind jaren '70 had leren kennen, waren in 1990 aan het verdampen. Sowieso omdat de grote elpeehoezen in toenemende mate het veld moesten ruimen voor kleine plastic cd-doosjes. Een treurig gezicht als je een platenzaak betrad.
Ook in mijn metalwereldje was de invloed van MTV enorm met hersenloze partybands, bemenst door mannen met getoupeerd haar en make-up. Het alternatief was thrash-/speedmetal, waar inmiddels de grenzen qua snelheid waren bereikt: koploper Metallica liet met ...And Justice for All zelfs het gaspedaal vaker los.
De nieuwste smaken waren grind en death metal, waar ik echter goede, swingende riffs miste. Ik begon me oud te voelen, al was ik een twintiger. Been there before, seen it, done it.

En mijn rots in de branding Ronnie James Dio, door wie ik in 1980 op Black Sabbaths Heaven and Hell was omvergeblazen? Die had met het debuut van zijn Dio, Holy Diver (1983), een vaste vorm ontwikkeld waar hij niet vanaf week. Verrassend als in zijn dagen met Rainbow en Sabbath was het allang niet meer, al leverde hij steevast kwaliteit.
Toen in mei 1990 Lock up the Wolves in de bakken lag. had ik gemist dat zijn band uit elkaar was gevallen. Oudgedienden Jimmy Bain en Vinny Appice? Doehoei. Toetsenist Claude Schnell, die op voorganger Dream Evil meer ruimte vroeg en inderdaad iets kreeg? Auf wiedersehen! Nieuwe gitarist Craig Goldy, die mij zo positief verraste? Bye. De groep Dio werd in mijn ogen zanger Ronnie James Dio & huurlingen. Weg maatjesgevoel, weg gelijkwaardigheid.

In het nieuwe Dio twee onbekende namen, waarbij hij net als Ozzy Osbourne de kunst verstond om jonge snarenracers te ontdekken, deze keer een Engelse tiener.
Bekende namen waren die van toetsenist Jens Johansson, die ik kende van het Zweedse Silver Mountain en vooral de soloalbums van Yngwie Malmsteen; plus drummer Simon Wright, ex-AC/DC, die me daarom niet bepaald een logische opvolger van Appice leek.

Ik ga uit van de vinylversie, die een iets andere volgorde kent dan de cd en bovendien een nummer minder. Opvallend is dat er van Bain nog vier composities zijn te vinden en helemaal niets van zijn opvolger, de piepjonge Amerikaan Teddy Cook.
Slechts twee nummers zijn echt uptempo: de sterke opener Wild One en op de tweede helft Walk on Water. Op cd staat bovendien een derde uptempo nummer, namelijk track 10 Why Are They Watching Me.
Het is te weinig voor dit langzame en daardoor al in de eerste helft langdradige album. Lome blues klinkt het nadrukkelijkst in Between Two Hearts, Evil on Queen Street en Twisted, met dan nog eens vier langzame nummers, plus het midtempo Night Music. Dat Wright wel degelijk geschikt was als Dio's stokkenman en dat Rowan Robertson op hoog niveau soleert, kan dat gebrek niet verhullen.

Van tevoren verwachtte ik een grotere rol voor Johansson; bij Malmsteen stond hij bekend om zijn toetsensolo's in klassieke stijl. Hiermee had Lock Up the Wolves gevarieerder kunnen zijn. Een lange powerballade als Between Two Hearts blijkt zo ondanks het akoestische gitaargetokkel toch saai. Een tempowisseling hier en daar had al zoveel kunnen doen… Gemiste kans voor Dio, die het beste presteerde als hij met gelijkwaardige muzikanten werkte, zo blijkt weer eens. Producer Tony Platt had kritischer moeten zijn.
Sterkste voorbeeld is het afsluitende My Eyes, dat akoestisch begint; in de intrigerende tekst wordt enkele malen verwezen naar het roemruchte verleden van de zanger met nummers als Heaven and Hell, Stargazer en Invisible. Hij presenteert zichzelf als vertolker van dromen en “collector of lies”. Maar het nummer kruipt langzaam voort, zonder enige opwinding.

De groep tourde onder meer in het voorprogramma van Metallica, dat hun laatste album promootte. Waar Dio echter zelf headliner was, viel op dat de zalen niet meer volliepen. Inmiddels werd grunge de nieuwe norm, voor het te voorspelbare Dio liep de belangstelling terug.
Tijdens één van Dio's optredens speelde Black Sabbaths Geezer Butler mee op klassieker Neon Knights. De wrijving uit 1981-1982 was verdampt. Er ontstond een knipperlichtrelatie tussen de Sabs en Ronnie James, die uiteindelijk in 1992 definitief toetrad, daarmee de groep Dio naar de vriezer verbannend voor later datum.

De voormalige gitaarwonderpuber Rowan Robertson werd in mei 2022, inmiddels 51 jaar oud, geïnterviewd door Guitar World. Leuke details heeft hij te vertellen! Wat betreft Lock Up the Wolves deelt hij de kritiek die anderen en ik uitten.
Dit album pakt me nergens bij de lurven. Dat zit 'm niet in de bezetting, maar in de composities. Die zijn te eenvormig en missen avontuur. Dio op herhalingsoefening.

Dio - Magica (2000)

poster
3,5
Pas vier jaar na Angry Machines verscheen opvolger Magica. Toetsenist Scott Warren bleef en levert hier vooral filmmuziek in de vorm van sferische geluiden. Terug is oorspronkelijk Diobassist Jimmy Bain, met wie Ronnie James al in 1976 speelde bij Rainbow.
Met een terugkeer naar fantasyteksten is het niet verrassend dat gitarist Tracy G met zijn modern-hakkende stijl plaatsmaakte voor Craig Goldy, die daarmee terugkeerde naar de groep waarin hij ten tijde van Intermission en Dream Evil speelde. Verrassend - ook anno 2025 - is dat de trouwe drummer Vinny Appice van Dio's zijde week. Hij dook op bij kleinere projecten als Raven Storm en het album Edge of the World van Mark Boals, kennelijk toe aan andere muzikanten en muziekjes. Dat Simon Wright van voorheen AC/DC zijn plaatsvervanger was, verbaasde me al was hij niet nieuw bij Dio: hij drumde al op Lock up the Wolves (1990).

Helaas voor mij is Dio's liefde voor traag en midtempo werk gebleven. Met doom metal heb ik geen problemen, maar bij Dio mis ik steevast variatie. En dat terwijl de man zoveel werk in Magica heeft gestoken, blijkens de 18'26" gortdroog vertelde uitleg van het verhaal, te vinden aan het slot, track 14.
Zo bevlogen als hij zong, had Ronnie James hier wel enige coaching kunnen gebruiken... Een op zich enerverend verhaal in de stijl van Tolkien over strijd tussen goed en kwaad wordt zó eentonig voorgedragen, dat de grootste ADHD'er ervan in slaap valt.

Ach ja, het gaat om de muziek, toch? De hoogtepunten: het vrouwen- en Gregoriaans koor dat volgt ná Lord of This Day en overgaat in het midtempo Fever Dreams, dat een sterke melodie en riff kent. Het snellere Turn to Stone mag er ook zijn, net als Goldy's gitaarwerk in Feed My Head, dat groeit bij vaker draaien - al is het refrein níet mijn favoriete.
Fijn is het als Dio even de grom in zijn stem weglaat en kwetsbaar As Long as It's Not About Love zingt. Ik weet dan weer waarom hij in de jaren '70 naar de absolute rocktop klom, als hij met zijn stem steeds de juiste snaar weet te raken, zowel klein als groot(s) gezongen. De trage riff en Goldy's solo schitteren eveneens.
Verrassend fraai is het akoestische intro van Losing My Insanity, een nummer met zowaar een folkinslag.

Te vaak moet ik gapen. Ter illustratie Eriel, dat begint met een pakkend sferisch intro van Warren, om daarna in een tadada-tadadaritme á la Heaven and Hell van Black Sabbath voort te modderen, zonder de versnelling van die klassieker. Daar verhelpt Dio's passionele zang niets aan: de compositie is te mager, net als de magere 7 voor het geheel. Nog altijd een dikke voldoende, het blijft per slot van rekening Ronnie James Dio.

Dio - Master of the Moon (2004)

poster
3,5
Vandaag precies 15 jaar geleden overleed Ronnie James Dio. Master of the Moon was het laatste studioalbum dat zijn groep uitbracht. Met enerzijds de melodie van voorganger Killing the Dragon, anderzijds sterker de logheid van de albums daarvoor.
Bassist Jeff Pilson keerde terug, Craig Goldy maakte zelfs zijn tweede rentree; diens gitaarsolo's blinken uit in frisse aanpak, waarbij hij ook stiltes durft te laten vallen. Kom daar nog maar eens om in deze shredderdagen...

Fel uit de startblokken met One More for the Road, daarna het massieve titellied Master of the Moon dat een contrasterend, melodieus refrein heeft.
The End of the World staat op een riff alsof AC/DC's Malcolm Young die verzon, welke wonderwel samengaat met de typische Diostijl. "Whatever happened to the rock 'n' roll song, breaking your brain, making you stronger?" vraagt Ronnie James zich af.
In het midtempo hakkende Shivers een scheurende toetsenlijn van Scott Warren en een fraai opgebouwde gitaarsolo. De eerste helft sluit af met het dramatische verhaal van The Man Who Would Be King. Een begin met piano en zang, nog eens het buitengewone talent van de zanger benadrukkend. Het nummer heeft dankzij het Hammond en de gitaarlijnen enig jaren '70-gevoel, met de typische logheid van de groep in het vervolg. Het slot ervan had spannender gekund. Tot dusver is duidelijk dat de zanger vaker dan op de voorganger de grom van zijn stem inzet.

De tweede helft is gemiddeld minder boeiend. Meer traagheid in The Eyes waarin een talkbox wordt gebruikt: "ai-ai-ai-ai-ai". Sobere, oosters aandoende toetsenlijnen klinken en een slot met "o-ho-ho". Dankzij Living the Lie wordt het dan toch weer uptempo met weer zo'n pakkende gitaarsolo.
Midtempo is I Am met een refrein dat me in tegenstelling tot de solo snel verveelt, de vijf minuten zijn te lang. Iets sneller maar net zo min spannend is Death by Love en routineus rondt In Dreams het album af, dat bovendien gemakzuchtig wordt weggedraaid.

En verder? Ik mis de compositorische inbreng van bassist Jimmy Bain. Tja, de bezettingswijzigingen... Pilson werd voor de tour alweer vervangen door Rudy Sarzo. Die hoor je op de Deluxe Edition uit 2020. Net als de vorige gitarist Doug Aldrich had Pilson meer werkgevers, wat de bandbaas niet leuk vond, zo zag ik Aldrich hier op 2'30" vertellen.

Het volgende album wat Ronnie James zou uitbrengen was The Devil You Know van Heaven & Hell, het alter ego van Black Sabbath. Wat ik daarvan vind, beschreef ik al eerder. Dan is er nog één interessante Dio te gaan: verzamelaar The Very Beast Of, Vol. 2 .

Dio - Sacred Heart (1985)

poster
4,0
De eerste Dio die niet via de radio maar via videoclips zijn eerste geluiden aan mij prijsgaf. Singles Rock 'n' Roll Children (juli 1985) en Hungry for Heaven (september) vond ik na het ietwat tegenvallende album The Last in Line verrassend fris en sterk, toch was het was mijn jongere broer die de elpee kocht. Hij heeft ‘m nog altijd. In goede staat, ondanks een verblijf van bijna 25 jaar in een ver buitenland.

In zijn biografie ‘Rainbow in the Dark’ (2021) vertelt de in 2010 overleden zanger hoe de periode rond de derde van Dio (de groep) enerzijds een hoogtepunt was. Een grote liveshow, waarin de draak op het podium werd gedood, te zien in talrijke uitverkochte optredens voor grote zalen. Hungry for Heaven kwam nog vóór het album verscheen in de soundtrack van de film ‘Vision Quest’, vertelde een contente Ronnie James Dio.
Anderzijds waren er haarscheuren: gitarist Vivian Campbell kwam terug op de mondelinge afspraak uit 1983 dat hij bij het derde album meer zou gaan verdienen, hetgeen de zanger en diens echtgenote en bandmanager Wendy Dio anders zagen. Alhoewel er tussen de twee nooit een verzoening heeft plaatsgevonden, blijft de gentleman Dio in zijn boek rationeel en stoot hem niet onder de gordel.
Heb van de week de documentaire ‘Dreamers Never Day’ (2022) op YouTube herbekeken, waar ondanks twee audiostiltes van circa een minuut (fouten bij het uploaden? Voorkoming van auteursrechtenclaims?) één en ander wordt verduidelijkt door de weduwe.

Terug naar de muziek! Sacred Heart is met slechts negen nummers niet al te lang maar wel pakkend. Toetsenist Claude Schnell krijgt weliswaar iets meer ruimte, maar in tegenstelling tot de tijden dat Dio in Rainbow zong was Dio (de band) niet bedoeld voor toetsensolo’s. Als solist is Campbell in de hoofdrol met sterk gitaarwerk, waarbij de muziek uiteraard altijd (mede) door de zanger is geschreven, zodat zijn stem alle ruimte krijgt.
Daarbij vind ik menig melodie sterker dan die op de voorganger en de hakkende riff van Just another Day doet me zelfs aan het onvolprezen Neon Knights van Dio’s debuut bij Black Sabbath denken. Met het typische bas- en drumsgeluid van de heren Jimmy Bain en Vinny Appice klinkt daarbij het herkenbare geluid van de groep.
Hierboven klaagt een enkeling over het te slappe Shoot Shoot; als afsluiter inderdaad niet sterk genoeg. Waarschijnlijk mede het gevolg van de spanningen die in de band waren ontstaan, alsmede de bemoeienis van de zanger met het goededoelenproject dat hij gelijktijdig aan het organiseren was: Hear 'N Aid.

Vandaag ga ik op bezoek bij mijn broer: toch eens vragen of hij Sacred Heart wil opzetten. Alleen al voor de beleving met de elpeehoes erbij; die is toch stukken beter dan met mijn cd-exemplaar. Alvast mijn excuses aan het overige bezoek.

Dio - Strange Highways (1993)

poster
3,0
Ronnie James Dio kon zijn biografie Rainbow in the Dark niet afronden: hij was te ziek. Daarom geen inside informatie over de jaren '90, toen Dio in kleinere zalen moest spelen en in vele ogen de sticker 'passé' kreeg opgeplakt. Jammer, ik had wel weten hoe hij met deze tegenslagen omging. Voor zover ik zag: stug blijven opnemen en touren.

De gemiddelde fan van Dio (de groep) kun je in twee groepen splitsen. Zij die vooral de jaren '80 waarderen en zij die een voorkeur hebben voor de jaren '90 en daarna, toen de composities en het geluid zwaarder en langzamer werden. Mijn voorkeur ligt bij de jaren '80.
De piepjonge Engelse gitarist Rowan Robertson die op voorganger Lock up the Wolves verdienstelijk debuteerde, maakte plaats voor Tracy G(rijalvo). Mijn eerste indruk was: wat een vreemde voornaam voor een man, maar Dio haalde ondanks zijn voorkeur voor een Britse gitarist met deze Californiër wel degelijk een volgend toptalent aan boord. Bassist Jimmy Bain maakte korte tijd deel uit van de bemanning, maar werd spoedig vervangen door Jeff Pilson van Dokken.

Herkenbaar zijn de woorden van The_CrY over "een gefliptere Dio die zijn frustraties van zich af schreeuwt onder begeleiding van de zwaarste riffs en ditto drumpartijen die hem ooit hebben mogen begeleiden." Inderdaad boos en zoals anderen aangaven, wellicht omdat hij opnieuw op lompe wijze uit Black Sabbath was gewerkt.
Maar ook vind ik me in de woorden van onder meer vielip: "Strange highways begint zeer sterk maar op den duur wordt het me allemaal te langdradig. Teveel uit hetzelfde vaatje. Hierboven wordt al ergens gezegd dat 1 of 2 uptempo songs extra de plaat goed hadden gedaan. Daar kan ik me volledig in vinden."

Net als anderen hierboven vind ik de afwisseling te weinig. Graag had ik snel werk als Neon Knights, Falling of the Edge of the World, Stand up and Shout en We Rock gehoord.
Veel "grom" in de stem van Dio, ik mis het spelen met emoties van voorheen. Soms klinkt hij even ingetogener zoals in Give Her the Gun, waar een versnelling het nummer naar veel grotere hoogte had kunnen stuwen.
In opener Jesus, Mary & the Holy Ghost lijkt een nachtmerrie te klinken met het gevoel van onveiligheid en woorden uit Dio's katholieke jeugd. In de brug en solo excelleert G.
Fraai zijn ook het intro van het titellied en de Iommiaanse riff in Evilution. Verzuimd wordt echter in Iommi's stijl te variëren met dynamiek en snelheid. Opvallend anders is Here's to You, waar de groep eindelijk eens het gaspedaal intrapt.

Ik voel nog steeds de teleurstelling van toen: het werk van mijn voormalige zangheld en -componist kon me niet meer boeien. Een krappe 6 en dat het voldoende is, komt vooral door het werk van Tracy G. Al hoorde ik hem eerder vandaag op het album van WWIII gekkere dingen doen.

Dio - The Last in Line (1984)

poster
3,5
Op een zonovergoten dinsdagochtend vertrok ik stipt om half 9 naar de Grote Stad, om de nieuwe Dio te gaan kopen in de grootste platenzaak aldaar. Dat moet 3 juli 1984 zijn geweest, want de plaat was nét uit. Opstaan, ontbijt en vertrek waren strak gepland: deze plaat moest ik onmiddellijk hebben!
Concerten in Vredenburg in december 1983 (ik had het van de radio opgenomen in KRO’s Rocktempel, hier een heerlijk verslag) en op Pinkpop in juni 1984 hadden bevestigd dat de groep een ijzersterk geheel vormde.

Iets na 9 uur betrad ik de winkel, waar slechts één medewerker rondliep. Op dit vroege uur zette hij nieuwe platen in de bakken, waarbij hij kéihard Gold van Spandau Ballet had opstaan. Het liedje met zijn sterke melodie en knallende congo’s denderde door de winkel met zijn grote oppervlak. Genieten!
The Last in Line had ik snel gevonden. Opnieuw een fascinerende hoes. Hier een oude beschaving met misvormde mensen in de schroeiende zon en dat lelijke demonachtige wezen van de vorige plaat. Op naar de kassa, afrekenen en snel terug naar huis.

Ik was razend benieuwd. Dio was de zanger die ik in 1980 met Black Sabbaths Heaven and Hell ontdekte, waarna ik zijn discografie ging ontdekken. Zo was ik getuige geworden van zijn ontwikkeling van de boogie-achtige hardrock van Elf, via de klassiek-beïnvloede hardrock van Rainbow naar de gitaarmuren van Sabbath. Vanaf Rising (1976) waren zowel de muziek iconisch als de allegorische teksten fascinerend. Op het debuut met Dio waren het beste van Rainbow en Sabbath samengekomen, waarbij het ultieme zangtalent de longen uit zijn lijf zong, mij opnieuw omver blazend.
Mijn favoriete ritueel volgde. Pas thuis de binnenhoes bekijken, daarna voorzichtig het vinyl eruit, het label ervan bekijken. Hoera, mijn favoriete: die met dat ruimteschip! De plaat ging op mijn het jaar ervoor verworven platenspeler met grote boxen. De naald daalde voorzichtig in de groef. Muziek op het volume dat mijn moeder haatte.

In 2002 zag ik de tweede film in de reeks Lord of the Rings van Peter Jackson en was enigszins teleurgesteld: het was goed, maar iets ontbrak. ‘Waar ken ik dat gevoel toch van?’ dacht ik toen, om uit te komen bij deze tweede Dio. Soms is een debuut zó goed, dat de opvolger, hoe degelijk ook, tegenvalt. Qua opbouw lijkt The Last in Line namelijk sterk op de voorganger. Ook na herhaaldelijk draaien concludeerde ik in die zomer dat dit een herhaling van zetten was. Ik had verwacht weer verrast en continu meegesleept te worden door Dio & co, maar dát ontbrak.
Nu ik het album weer draai (helaas heb ik dat vinyl niet meer, wel op cd) valt bovendien op dat de “grom” in zijn stem standaard was geworden. Overdaad schaadt, waardoor deze climax in zijn stem niet meer opvalt. Luister maar eens naar Breathless: continu die rauwe stem, maar als hij op 3'17" met lichtere stem zingt, pakt me dat opeens! Had Dio maar meer variatie ingezet... Zijn zangtechniek werd door Ken Tamplin uitgelegd in deze minicursus en meer in deze analyse.
Qua teksten bleef het interessant. In opener We Rock klinkt in de coupletten de levensvisie van Ronald Padavona; The Last in Line interpreteerde ik als zijn beeld bij het laatste oordeel, een echo van zijn Rooms-Katholieke jeugd; Mystery heeft een mooie tekst bij een nummer dat ik net iets te popachtig vond, een zwakkere versie van Rainbow in the Dark op de voorganger; in Egypt wordt een aangrijpend beeld van slavernij neergezet.

Genoeg over de zanger, Dio was een groep. Bij dit album geniet ik nog altijd van het gitaarwerk van Vivian Campbell (je zal als jonkie maar de schoenen van Ritchie Blackmore en Tony Iommi moeten vullen, maar het lukte hem!) en de nummers One Night in the City, Evil Eyes en Egypt. Op dat laatste nummer vloeien de klassieke stijl van Rainbow en het logge geluid van Black Sabbath samen. Her en der klinken de toetsen van Claude Schnell, die was toegetreden als volwaardig groepslid. Het ritmetandem Jimmy Bain en Vivian Campbell speelt herkenbaar hoekig en degelijk.

Ooit las ik de tip die BlauweVla in 2007 gaf, eentje die inderdaad werkt. Desondanks wordt duidelijk dat het qua composities minder is dan op de voorganger. Er was daarbij een format gevormd waaraan de band in alle bezettingen zou vasthouden. De creatieve ontwikkeling van de kleine man met de grote stem, mijn zangheld in die dagen, verflauwde.
Voor mij een dikke zeven voor dit album, mede dankzij het sterke spel van de groepsleden. Na de dikke negen (misschien gaf ik toen wel een tien) voor Holy Diver was dat een tegenvallertje.

Dio - The Very Beast Of, Vol. 2 (2012)

poster
4,0
Deel 1 van Dio's The Very Beast of verscheen slechts in de VS en Canada, deze tweede wereldwijd. Overwegend een aangename samenvatting van zijn werk vanaf 1996 met de gitaristen Craig Goldy, Tracy G en Doug Aldrich. Over de liedkeuze valt als altijd bij een compilatie te twisten, maar in deze samenstelling werkt het wél. Verhoudingsgewijs klinkt meer uptempo werk dan op de meeste reguliere albums van de groep in deze jaren.

Degenen die deze albums al kennen of zelfs in hun bezit hebben, kunnen hier echter nieuw werk tegenkomen, wat de reden is dat ik deze verzamelaar bespreek.

Allereerst (track 13) klinkt Electra, oorspronkelijk bedoeld voor een deel 2 van Magica, een album dat er door de dood van Ronnie James Dio nooit kwam. Slepend en uiteraard sterk gezongen, in 2010 verschenen op deze boxset.
Track 16 is Metal Will Never Die, een langzaam nummer dat het laatste nummer schijnt te zijn dat de kleine man met de grote longen ooit inzong. Dat meldde destijds zijn neef David "Rock" Feinstein, bekend van diens werk met The Rods, op wiens soloalbum Bitten by the Beast het lied oorspronkelijk verscheen. Het lijkt wel of de microfoon licht overstuurd raakt van de stem van Ronald Padavona.
Feit is dat Feinstein in 1972 de gitarist was op de eerste elpee die de neven uitbrachten, Elf van Elf. Wat hebben ze sindsdien een ontwikkeling doorgebracht, schiet door me heen tijdens het luisteren. De cirkel kwam daarmee rond.

Slotlied The Prisoner of Paradise is vlotter en afkomstig van de Japanse editie van Master of the Moon. Een aangenaam nummer van een aangename compilatie, handig voor degenen die hun collectie met werk van Dio compleet willen hebben.

Dirty Angels - Kiss Tomorrow Goodbye (1976)

poster
3,5
Powerpop is een lastig te omschrijven genre. Soms is het mainstream pop, andere keren alternatief. Soms zijn de invloeden van de jaren '60 dominant (zoals het debuut van Big Star en de EP van The Nerves). Andere keren is het alsof je indiepop hoort, zoals op de tweede van Big Star of de enige van Milk 'n' Cookies.

Ben op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten. Mijn vorige station was het Britse Eddie & The Hot Rods en vergeleken daarmee klinkt Kiss Tomorrow Goodbye van Dirty Angels uit Connecticut een stuk rustiger. Vooral op de A-kant, waar radiovriendelijke pop in warme jaren '70-productie klinkt.
Achter de knoppen zat Richard Gottehrer, die in datzelfde 1976 de eerste Blondie produceerde. Aangename liedjes, maar ik vroeg me af waarom dit soms als proto-wave wordt aangeduid. Vooral Tell Me is aangenaam en doet tegelijkertijd denken aan de tienerpop van tijdgenoten Smokie uit Engeland.

De B-kant begint met Radio, dat het begin van een pittiger plaatkant blijkt te zijn. Steviger, soms rockender dan de eerste helft. Nog steeds staat het liedje centraal met in die B-opener blazers in het refrein. Long Gone Johnny en You Got Me Runnin' rocken op een wijze die naar hardrock knipoogt, maar dan komt het het titelnummer tot slot: het tweede hoogtepunt van de plaat met heerlijke proto-gitaarwave.

Kiss Tomorrow Goodbye verscheen eind 1976 en de groep zou in de regio Connecticut en Boston optreden met groepen die met new wave worden geassocieerd, zoals Talking Heads. Vergeleken daarmee klinkt de eerste Dirty Angels traditioneler.
De groep zou nog een tweede album uitbrengen, maar in mijn afspeellijst ben ik toe aan het begin van 1977. Op naar de tweede Ramones.

Tenslotte: op YouTube staat deze aardige vlog over Kiss Tomorrow Goodbye. En dan was er later nóg een groep met de naam Dirty Angels, maar dat is toch echt een andere.

Discharge - 1980-1986 (1987)

poster
3,5
Discharge uit Stoke-on-Trent debuteerde in maart 1980 met single Realities of War. Begonnen in 1977 was hun muziek geleidelijk harder en sneller geworden; je hoort invloeden van Motörhead en op hun beurt werden ze van invloed op thrash metal.
Politiek bewust, aanhangers van het anarchisme en pacifisme. Als luisteraar werd je gebombardeerd met een mitrailleurvuur aan decibellen, voor die tijd ongekend. Waar veel punk van voordien inmiddels bijna als braaf wordt ervaren, is dat hier anders.

Realities of War is een 7" met op iedere zijde twee nummers. Er wordt gebeukt met snel riffwerk, zo wordt vanaf de eerste seconden duidelijk: op YouTube volledig te vinden. Het titelnummer duurt 70 seconden, het langste is But After the Gig dat er zes langer duurt.
In tegenstelling tot wat ik soms lees als zou echte punk geen gitaarsolo's mogen bevatten, mag dat hier wél, zo bewijst datzelfde nummer. Alsof je een voorproefje van Slayer krijgt.

Het zou nog twee jaar duren voor ze op langspeelplaat debuteerden, maar de toon was gezet... Datzelfde jaar nog verscheen de tweede single; Decontrol bevat drie nummers. Landelijke bekendheid kwam dankzij BBC Radio 1-dj John Peel, die de groep eind maart 1980 voor het eerst draaide.
In 1984 verschenen maar liefst drie compilatie-elpees van Discharge met daarop vooral non-albumwerk, maar qua volledigheid prefereer ik 1980-1986, die echter niet in z'n geheel op streaming is te vinden. Rauw en meedogenloos, dat is hetgeen deze hardcore punkgroep serveerde.

De reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten vervolgt. Ik kwam van deze verzamelaar van The Stranglers en omdat ik Flex van Lene Lovich al behandelde, vervolg ik bij de powerpop op het debuut van The Romantics.

Divinity Compromised - Terminal (2017)

poster
4,0
Op de tweede van Divinity Compromised, een progressieve metalgroep uit Chicago, zingt Lothar Keller. Net als op het debuut (2013). Bovendien is hij degene die op het debuut van stadsgenoten Spillage (2015) bij de microfoon stond. De stijl van Divinity Compromised is wel anders dan bij die groep, waar een combinatie van Britse heavy metal met doom klinkt, pakweg Judas Priest meets Black Sabbath.
Op Terminal klinkt echter, zoals namsaap hierboven omschrijft "US heavy/power metal meets progressive metal". Mag ik daaraan toevoegen dat de combinatie logischerwijs een enkele overeenkomst met powermetal heeft? Maar waar dat laatste genre nogal eens te pop, te vrolijk wordt, brengt Divinity Compromised ook in de lichtere delen een ernstiger variant.

Ten opzichte van de voorganger is gitarist Vito Marchese vertrokken, waarmee het sextet uitdunde tot een kwintet. Belangrijk bij dit alles is Ben Johnson. Niet als solist, maar hij verdeelt zijn inbreng tussen slaggitaar en toetsen, waardoor de muziek meandert tussen geluidsmuren en transparantere delen. Qua productie (van de groep) en mix (van Johnson) zit het wel goed.
Kellers stem ontbeert een rauw randje, al kan hij soms grommen. Tegelijkertijd heeft hij een aardig bereik, precies hetgeen deze composities behoeven. Bovendien vermoeit hij niet met vibrato of knijpzang, maar zingt juist ontspannen zonder aan kracht in te boeten. Dat in het vorige bericht wordt gemeld dat "het leadgitaarspel van Jeff Treadwell een lust voor het oor is," is eveneens een zeer terechte constatering.

Daarbij slaagt de groep erin om pakkende muziek te schrijven. Slotlied Saving Grace vormt het opus magnum. Dit dankzij met sterke melodielijnen, pakkende riffs en gitaarsolo's en naast drukke delen met dubbele basdrum ook ingetogen stukken met akoestische gitaar. Waar ik normaliter niet zo van langere nummers ben, gaan de acht minuten die voorbijkomen hier níet vervelen.
Andere favoriet is Shelter in Space, waarbij bombastische toetsenlijnen aan filmmuziek doen denken; de intense partijen van drummer Mike Mousel zetten je echter met beide benen op de grond. My Escape is dan weer langzaam en verhalend, zoals een groep als Queensrÿche ook kan; met spetterende solo's van Treadwell. Iets dergelijks gebeurt ook in Legacy.
The Last Refugee leunt dan weer tegen uptempo powermetal aan waarna kort grunts opduiken, een grimmig randje brengend, The Fall of Astoria is een combinatie van brute thrash met slepende zanglijnen en dansende toetsen.
Zo schildert de groep met contrasten: van luid naar ingetogen, van heftig naar melodieus, van snel naar kalm. In dit alles kun je de invloed van klassieke muziek ontwaren; niet alleen in de soms symfonische toetsenpartijen, maar ook in het gitaarspel; hoor maar eens wat Treadwell in The Last Refugee neerzet.

Laatst was Dream Theater in Nederland. Je vraagt je af waarom Divinity Compromised niet een keer wordt meegenomen als voorprogramma: dit verdient een veel groter publiek. Liefhebbers van progressieve metal kunnen hier wel wat mee. Terminal verscheen in Europa bij No Dust Records.

PS - Keller zingt ook bij Sacred Dawn, waarvan het vierde album Dismal Swamp wel in mijn kast staat maar nog niet op MuMe. Die ga ik toevoegen, wordt vervolgd.

Dixie Dregs - Bring 'em Back Alive (1992)

poster
3,5
Comebackalbum van Dixie Dregs met naast originele groepsleden Steve Morse (gitaar), Allen Sloan (viool), T. Lavitz (toetsen) en Rod Morgenstein (drums) de van de Steve Morse Band ingevlogen Dave LaRue (basgitaar). Verschenen in juli 1992 ligt de nadruk op de fusion(rock) van de groep.

De vocale nummers uit hun latere jaren toen de groepsnaam werd ingekort tot Dregs, laten ze liggen; wat klinkt is voluit instrumentaal en bovendien hoor je behalve de aankondiging geen praatjes richting publiek. Voor thuis inderdaad "leuk gepriegel", zoals hierboven vermeld, het publiek zal op deze twee avonden in februari 1992 Atlanta, Georgia, hebben genoten van de rasmuzikanten. Uitgebracht door Capricorn, hun eerste label en daarmee ook in dat opzicht een reünie.

De groep koos voor een dwarsdoorsnede van hun werk: Van Free Fall (1977) komen Holiday en Cruise Control langs, van What If (1978) Odyssey en Take It off the Top, van Night of the Living Dregs (1979) wordt Country House Shuffle gespeeld, van Dregs of the Earth (1980) Road Expense en Hereafter, van Unsung Heroes (1981) zijn afkomstig Kat Food, Divided We Stand en nogmaals Cruise Control en van hun laatsteling Industry Standard (1982) zijn Assembly Line en Bloodsucking Leeches vertegenwoordigd.
Plus dat er covers klinken: Led Zeppelins Kashmir maar dan instrumentaal en in de medley die Take It off the Top is geworden kun je vier klassiekers uit de rock ('n' roll) herkennen: Freebird, Gimme Some Lovin', My Sharona en Summertime Blues.

Het spelplezier spat uit de bits. Climax is slotnummer Cruise Control met daarin niet alleen een uitgebreide solo voor Rod Morgenstein (op dat moment tevens op de loonlijst bij Winger) maar tevens een fel duel tussen gitaar, viool, toetsen en bas.
Een plaatje vooral voor muzikanten, ook voor mij geldt dat het soms wel veel gepriegel is. Niet op mijn streamingplatform, wel op YouTube.

De reünie leidde tot nieuw werk van de Dregs: Full Circle verscheen twee jaar later.

Dixie Dregs - Dregs of the Earth (1980)

poster
3,0
In de eerste helft van de jaren '80 heb ik enkele malen in de dorpsfonotheek met dit album in handen gestaan, twijfelend of ik mijn kostbare gulden leengeld aan deze of een andere plaat zou uitgeven. Steeds kreeg Dregs of the Earth het nadeel van de twijfel, al vond ik de hoes prachtig; was bang dat het niet heavy genoeg zou zijn. En nu, april 2025, was het dan eindelijk zover.

Ik beluister 'm zowel met de oren van mijn circa zeventienjarige zelf als die van nu. Na drie platen voor Capricorn verscheen deze bij het grotere Arista, met als actueel voordeel dat ie in tegenstelling tot de voorgangers wél op mijn streamingplatform staat. Alle muziek werd wederom geschreven door gitarist Steve Morse, die het album ook produceerde. Nieuw is toetsenist Terry Lavitz.

Ook hun vierde album was volledig instrumentaal. Opener Road Expense rockt stevig in de lijn van Take It off the Top van What If van twee jaar eerder. Zowel mijn zeventienjarige als mijn huidige ik vinden het aangenaam. Ik-als-tiener was minder blij geweest met het snelle Pride o' the Farm, want country. Inmiddels vind ik het wel aardig, maar op hun vorige albums heb ik dit weleens pakkender gehoord. Hetzelfde geldt voor de fusionrock van Twiggs Approved en het ingetogener Hereafter dat kant 1 afsluit.

Waar ik als zeventienjarige wél vrolijk van was geworden was de opener van kant 2, The Great Spectacular, oorspronkelijk het titelnummer van hun in eigen beheer uitgegeven debuut, dat in een piepkleine oplage verscheen buiten de gangbare distributiekanalen, in de jaren '90 alsnog voor een groter publiek verkrijgbaar.

Daarna bekruipt me opnieuw het gevoel dat ik de composities van Morse wel eens pakkender vond: de topmusici kunnen niet verhelpen dat het midtempo en swingende Broad Street Strut en het lange I'm Freaking Out (ondanks het fraaie vioolspel van Allen Sloan, hier tot Sloanov omgedoopt) nergens verrassen zoals op de voorgangers gebeurde. Het akoestische kleinood voor gitaar en viool Old World sluit de plaat fraai af.

Vermoedelijk had mijn zeventienjarige ik lichtelijk teleurgesteld plek gemaakt op een cassettebandje voor de openers van beide plaatkanten en het slotlied. [i]Dregs of the ] is met de oren van nu echter een knap album, zij het dat het sprankelende van de vorige langspelers te vaak ontbreekt én met minder plek voor toetsensolo's. De hoes blijft aantrekkelijk.

Dixie Dregs - Free Fall (1977)

poster
3,5
Toen ik vorig jaar zomer het werk van Deep Purple langsging, belandde ik op een gegeven moment bij de periode Steve Morse. Bij hun laatste album = 1 kwam ik enig gemopper tegen van MuMensen in de trant van: "Was Morse nog maar bij de groep." Tegelijkertijd viel me op dat Morses eerdere werk door die mensen grotendeels wordt genegeerd. Hopelijk helpt het als ik zijn werk langsreis.

Dat zijn tot op heden 35 studioalbums. Daarvan besprak ik al de twee die hij met Kansas en de 8 die hij met Purple opnam. Liveplaten en compilaties sla ik over, resteren er nog 25.

Free Fall was het debuut van Dixie Dregs, de eerste groep waarmee Morse in de schijnwerpers kwam bij een groter publiek. Eigenlijk was dit hun tweede, men bracht in 1975 in eigen beheer The Great Spectacular uit, dat in 1997 alsnog via een cd-uitgave voor een ieder verkrijgbaar werd. Die plaat "doe" ik waarschijnlijk aan het einde van dit rijtje luistersessies.
Free Fall was destijds (begin jaren '80) voor zover ik wist het debuut van de groep, uitgebracht door Capricorn. Hij kreeg zelfs een Nederlandse persing. Zo kwam ik 'm dus begin jaren '80 tegen in de platenbakken, al sloeg ik dit over: die blije koppies op de hoes? Kon niet spannend zijn...

Wat ik hoor op Free Fall valt in mijn oren in de categorie fusion / jazzrock, al begrijp ik dat B.Robertson het in het bericht hierboven onder progrock schaart: die nummers en sferen zitten er meer dan eens tussen. Mijn associatie is echter vooral met Colosseum II, de groep met onder meer Jon Hiseman, Gary Moore en Don Airey, in dezelfde jaren actief.
Met Allen Sloan had men een violist in de gelederen, wat de Dregs onderscheidt van menig tijdgenoot. Tweede opvallende feit is dat alle nummers instrumentaal zijn.

Opener Free Fall is een vrij ontspannen fusionnummer met lichte funkinvloeden waarin gitaar, viool en toetsen om beurten hun solo krijgen; in Holiday zit een vleugje folk. Hand Jig is zo'n typisch fusionnummer met een strakgespannen snaredrum en dito snelle roffels in de breaks: Rod Morgenstein is een technisch begaafde drummer. In Moe Down dan weer vleugjes folk en zelfs hillbilly, dankzij de banjo van Morse en de dansende vioollijn.
Refried Funky Chicken is wat je denkt wat de titel suggereert: Morse soepele vingers zoeken zowel snelheid als melodie op de elektrische gitaar en met het fraaie Sleep sluit kant 1 ingetogen af.

Op Cruise Control kunnen de solisten in de groep naar hartelust duelleren waarbij toetsenist Stephen Davidowski over razendsnelle vingers blijkt te beschikken, Cosmopolitan Traveler heeft dankzij de vioollijn wel iets weg van Kansas; maar dan met funk.
In Dig the Ditch op gitaar de nodige wahwah en muzikaal klinken funk en fusion, Wages of Weirdness leunt naar funk en scheurende rock op z'n Kansas'. Slotlied Northern Lights begint met Spaanse gitaar waarna Sloan hem spoedig bijvalt; net als kant 1 een rustig einde richting het midden van het zwarte vinyl.
Drie nummers stonden in andere versies al op dat destijds obscure debuut, te weten Refried Funky Chicken, Holiday en Wages of Weirdness.

Free Fall staat niet op mijn streamingplatform, maar gelukkig is er YouTube. De tweede (en dus eigenlijk derde) van Dixie Dregs verscheen het jaar erop en heet What If.

Dixie Dregs - Full Circle (1994)

poster
3,5
Dixie Dregs begon al in 1970, in 1975 werd het serieus en vanaf 1977 tot en met 1982 verscheen jaarlijks een studioalbum met een mix van scheurende rock en jazzrock, waarin soms folk en country. Dan valt de groep uit elkaar, de gitarist begint zijn Steve Morse Band maar vanaf 1989 komt de groep voor incidentele minitournees weer bij elkaar. In 1992 leidt dat tot livealbum Bring 'em Back Alive, twee jaar later gevolgd door dit in de studio opgenomen Full Circle.

Net als toen zijn de Dregs meer dan de omlijsting voor Morse, alhoewel deze wederom alle muziek schreef. Zo is daar toetsenist T. (Terry) Lavitz, in 1978 tot de groep toegetreden en nieuw is violist en veteraan Jerry Goodman, bekend van onder meer John McLaughlin en de Mahavisnu Orchestra. Van de Steve Morse Band is afkomstig bassist Dave LaRue en de begaafde Rod Morgenstein zit al vanaf de begindagen op de drumkruk.

Ook deze Dregs is weer volledig instrumentaal. Een swingend begin dankzij de lopende baslijn van Aftershock met solo's voor diverse groepsleden, waarna Perpetual Reality nog iets sneller vervolgt en Calcutta (Een ode aan moeder Theresa?) midtempo met een enkele folkmelodie en een bassolo enige rust brengt.
Goin' to Town klinkt als elektrische Gypsy jazz, geïnspireerd door Django Rheihardt met passend honkytonk pianospel en een uiteraard een virtuoze vioolsolo. De eerste helft sluit af met Pompous Circumstances, waar progrock in de sfeer van Kansas klinkt, waarmee Morse in '86 en '88 platen uitbracht.

De tweede helft opent met een stevige, instrumentale versie van Shapes of Things van The Yardbirds. Dat de serieuze muzikanten tegelijkertijd humoristisch zijn blijkt uit de titel-met-knipoog-naar-de-film Sleeveless in Seattle, ongetwijfeld verwijzend naar Morses t-shirts. In het lied klinkt de nodige prockrock. Met een prachtige gitaar-/vioollijn, die wegheeft van Sometimes I Feel Like Screamin' van Deep Purple, Morses aanstaande groep. Vergelijk maar eens, te vinden op hun Purpendicular uit 1996. Mede geschreven door... Steve Morse. Uiteraard.
Het wordt gevolgd door pakkende progrock in Good Intentions en het akoestische Yeolde, waarmee zo'n lied nu eens níet als slotlied fungeert, want dat is Ionized. Stevig, scheurend en uptempo met nog eens soloruimte voor de diverse musici.

Dit zou het laatste album van Dixie Dregs blijken, al volgde er in 1997 nog eentje met pre-debuutwerk. Volgende album van Morse was Structural Damage met de Steve Morse Band. Daarna trad hij toe tot Deep Purple. Iets van die groep hoor je al op deze Dixie Dregs, al zijn de associaties met Kansas groter, dankzij de progrock van sommige nummers én het vioolspel.

Full Circle staat niet op mijn streamingplatform, wél op JijBuis.

Dixie Dregs - Industry Standard (1982)

poster
3,0
Op de middelbare school in Augusta, Georgia, opgericht door bassist Andy West en gitarist Steve Morse als Dixie Grits, maakte het duo op de universiteit van Miami, Florida met nieuwe musici een doorstart als Dixie Dregs. De groep keert terug naar Augusta, waarna in 1977 bij het label Capricorn werd gedebuteerd met Free Fall.
Een steevast instrumentale ontmoeting tussen rock, jazz en country met ruimte voor vele solo's van hoog technisch niveau op gitaar, viool en toetsen, zonder het gevoel voor melodie te veronachtzamen. Vooral muziek voor fijnproevers, waarbij met name Morse opviel in de muziekbladen zijnde één der beste en veelzijdige gitaristen ter wereld.

In deze opzet werd - met soms een enkele bezettingswijziging - de overstap gemaakt naar het grotere label Arista, waarbij de groepsnaam werd ingekort tot The Dregs. Als in 1982 dit Industry Standard verschijnt, hun zesde album, zijn uit de tijd in Florida West, Morse en drummer Rod Morgenstein nog altijd aan boord. In 1980 werd T. Lavitz de nieuwe toetsenist en in 1982 blijkt violist Allan "Sloanov" Sloan voor een carrière als anesthesioloog te hebben gekozen; hij is vervangen door Mark O'Connor.

Op opener Assembly Line klinkt het vertrouwde fusionrecept met solo's voor Morse, O'Connor en Lavitz, waarbij Morgenstein zijn begeleiding meer dan vernuftig invult.
Op Crank It Up dient zich een verrassing aan: gastvocalist Alexander Ligertwood, geleend van Santana. Hij heeft een aangenaam rauw randje, vooruitwijzingen naar Morses latere werk bij Kansas en Deep Purple. Het dameskoortje maakt het nog beter.
Instrumentaal werk volgt. Chips Ahoy (de groep heeft iets met woordgrapjes) bevat midtempo progrock in 6/8 maat, maar Bloodsucking Leeches is minder spannend, drijvend op een robuuste rockriff met uiteraard weer de nodige solo's voor de melodie-instrumenten. Op het akoestische Up in the Air horen we Morse met Steve Howe van Yes. Een meer dan fraai kleinood.

Kant 2 opent met Ridin' High, met de volgende gastzanger: Patrick Simmons van The Doobie Brothers. Een nummer in jazzrockstijl dat me niet pakt.
De rest van het album is weer instrumentaal. Meer humor in de titel van Where's Dixie? waar uptempo countryrock ruimte biedt voor solo's op viool, gitaar en piano. Liever hoor ik het enigszins plechtige Conversation Piece omdat de melodieën sterk zijn, waarna met de lome shuffle van Vitamin Q in progrocksfeer wordt geëindigd.
Enerzijds een sterk album op hoog speltechnisch niveau, anderzijds wordt duidelijk dat het recept ten opzichte van de vijf voorgangers verrassingen ontbeerde, ondanks de twee vocale nummers.

Nog in datzelfde 1982 stoppen de Dregs. West vertrekt naar Californië om in de opkomende ICT-sector te gaan werken; Lavitz brengt vanaf 1984 solowerk uit, te beginnen met jazzalbum Extended Play. O'Connor vervolgt zijn carrière in country als zowel sessie- als soloartiest, zoals album False Dawn (1983).
Steve Morse begint zijn eigen Band en neemt Morgenstein mee. In 1984 verschijnt van hen The Introduction en dat is waar mijn odyssee door het werk van Steve Morse vervolgt.

Dixie Dregs - Night of the Living Dregs (1979)

poster
4,0
De derde en laatste van Dixie Dregs bij Capricorn. Night of the Living Dregs is met z'n titelknipoog naar zombiefilms bepaald níet griezelig. Wel vrolijk, instrumentaal, getuigend van een groot vakmanschap en bovendien gevarieerd, waarbij het spelplezier eraf druipt. Te vinden op YouTube en vreemd genoeg niet op mijn streamingdienst.
Ik ben nog maar net bekomen van het wervelende Punk Sandwich, als Country House Shuffle begint met een knallend en virtuoos drumintro door Rod Morgenstein, de aanzet voor een opnieuw stevig fusion-progrockend nummer. Die twee nummers alleen al getuigen van het muzikale vernuft van de Dregs.

Het valt op dat de acht nummers best kort duren: slechts één nummer tikt af boven de vijf minuten. Voor een groep met meestermusici best bijzonder. Variatie en muzikale vrijheid waren bij de Dregs vanaf het begin een hoeksteen, wat blijkt bij The Riff Raff, een miniconcert van twee van de groepsleden. Knap getokkel op akoestische gitaar van Steve Morse vormt de begeleiding voor het vioolspel van Allen Sloan. Met het eveneens vrij ingetogen Long Slow Distance is de hele groep weer te horen en sluit kant 1 in fusionstijl af. Hierbij vallen prachtige gitaarlijnen op, van een schoonheid die ik herken van later werk van Morse bij Kansas en Deep Purple.

De tweede plaatkant is live. Naast de genoemde muzikanten spelen bassist Andy West en toetsenist Mark Parrish eveneens op hoog niveau, wat in die setting nog duidelijker naar voren komt. Opener Night of the Living Dregs bevat de nodige funk en doet me met de toetspartijen denken aan hetgeen Don Airey deed in zijn dagen bij Colosseum II. Bovendien krijgt West een uitgebreide solo.
Via The Bash klinkt country met een gedreven groove; Morse beheerst werkelijk álle stijlen. Bij Leprechaun Promenade zijn livebeelden te vinden. Fusionrock van het hoogste niveau, herinnerend aan instrumentale delen in het progwerk van Kansas. En zie eens hoe vol de zaal zit!
Met het gevarieerde Patchwork sluit de plaat af en zoals twee berichten hierboven vermeld, is ook voor mij "de relatief korte speelduur van het album me in dit geval van instrumentale prog ook wel weer lang genoeg." Bijna 34 enerverende minuten, helemaal goed.

En toen begonnen de jaren '80 met als eerste wapenfeit van dit kwintet Dregs of the Earth.

Dixie Dregs - The Great Spectacular (1975)

poster
4,0
Jarenlang stond Free Fall te boek als het debuut van Dixie Dregs, het kwintet dat instrumentale rockfusion maakte met de nodige solo's op gitaar, viool en toetsen. In 1997 verscheen echter The Great Spectacular, waarmee de heren zich destijds hun eerste platencontract verworven.
Blijkt dat die eerste "demo" wel degelijk op vinyl was verschenen, zij het in eigen beheer en dus in beperkte oplage en verspreiding. De '97-editie kwam vervolgens via het eigen Dregs Records op cd.
Een andere reden dat dit geen demo's zijn, is omdat de opnames duidelijk meer zijn dan eenvoudige opnamen in de oefenruimte of een bescheiden studio. De kwaliteit is gewoon goed, al zal die voor de cd ongetwijfeld nog eens zijn opgepoetst. En toch: niet opgenomen in een echte studio, maar ergens op de campus van de Universiteit van Miami.

Veel werk verscheen later als heropname op de reguliere albums: Refried Funky Chicken, Holiday en Wages of Weirdness stonden op Free Fall (1977), T.O. Witcher op Kansas' In the Spirit of Things (1988) toen gitarist Steve Morse lid van die groep was, The Great Spectacular kwam op Dregs of the Earth (1980), Ice Cakes en What If op What If (1978) en Leprechaun Promenade en Country House Shuffle op Night of the Living Dregs (1979). Blijft over het vrolijke en countrygetinte slotnummer Kathreen, dat als enige nummer níet op later werk van Dixie Dregs is te vinden.

Mijn vorige album door het werk van Steve Morse was diens StressFest. Dan toch liever The Great Spectacular dankzij de variatie met de viool van Allen Sloan en de toetsen van ene Frank Josephs, niet op de hoes vermeld. Qua stijlen waren de Dregs in die begindagen bovendien gevarieerder.
Opvallend is ook dat de latere versies afwijken van de oorspronkelijke opnamen, zelfs bij het kleine en akoestische T.O. Witcher. Kortom, The Great Spectacular voegt wel degelijk wat toe. In 2024 verscheen het album ter gelegenheid van Record Store Day opnieuw op vinyl. Die van '97 staat op YouTube.

In 2000 was er na vier jaar nieuw werk van Morse. Solo bracht hij Major Impacts uit.

Dixie Dregs - Unsung Heroes (1981)

poster
3,5
De vijfde Dixie Dregs is wederom instrumentaal, vandaar de titel Unsung Heroes. Met een hoes die ik destijds enigszins luguber vond en ingekorte groepsnaam, al werd de groep werd door fans al liefdevol the Dregs genoemd.

De pittige opener Cruise Control stond in langere versie op Free Fall uit 1977 en bevat korte solo's van vier van de groepsleden, inclusief drummer Rod Morgenstein.
Fraai is het klassiek beïnvloede, dankzij de pianopartij aan Kansas herinnerende Divided We Stand: toetsenist Terry Lavitz kreeg meer ruimte dan op de voorganger, zijn debuut bij de groep. Hét hoogtepunt van Unsung Heroes.
Wie de voorgangers kent weet dat de groep ook country op hoog speltechnisch niveau niet schuwde. In dit geval een soort prog-boogiecountry in de vorm van I'll Just Pick; de scheurende gitaarsolo vanaf 2'52" is in die context verrassend. Op Day 444 ingetogen progrock, beginnend met een twaalfsnarige akoestische gitaar en later de nodige ruimte biedend voor violist Allan Sloan en de elektrische gitaar van Steve Morse.

Kant 2 begint stevig met Rock and Roll Park, waar Sloan en Morse hun kunnen etaleren en Attila the Hun is nog iets sneller, geknipt voor progrockliefhebbers. Met Kat Food wordt iets teruggeschroefd met onder meer een bassolo van Andy West en funktoetsen van Lavitz die bovendien zijn saxofoon vindt, waarna Go for Baroque op z'n Focus' of Ekseptions de muziek van J.S. Bach in progland brengt. Een akoestisch begin, daarna iets steviger maar nergens scheurende gitaar, geheel in Dregstraditie wat betreft het slotlied.

Zoals hierboven vermeld wordt de muziek van (Dixie) Dregs "volgens dezelfde formule uitgewerkt", toch heeft componist Morse betere ideeën dan op de voorganger, waar dat fenomeen voor het eerst opdook. Een 7.5 als schoolcijfer en ik vermoed dat de muzikanten onder ons daar zomaar een vol punt hoger voor zullen geven.

Dixie Dregs - What If (1978)

poster
3,5
Dixie Dregs, de groep met vijf klasbakmusici, waarvan gitarist Steve Morse bekendst is geworden door zijn werk bij Kansas en later Deep Purple.
Opener Take It off the Top kan ik niet zonder nostalgie beluisteren. Op mijn zolderkamer luisterde ik via krakende middengolf naar BBC Radio 1 op vrijdagen naar de Friday Rock Show, op Nederlandse tijd van 23 - 01.00 uur in de ether. Daarin ging het langs diverse stijlen rock, van hard- via symfonische rock naar de nieuwste metal en dit nummer van Dixie Dregs trapte de show steevast af. Luister maar eens hier, een uitzending uit 1981, vanaf 0'22" met die magische stem van Thomas Vance, zoals hij zichzelf noemt - wij mochten Tommy zeggen...

What if is het tweede album van de groep (of derde, zie hetgeen B.Robertson bij de voorganger vertelde) en hij is wederom instrumentaal.
Bij de overige nummers kan ik weer nuchter luisteren. Op Odyssey een mix van fusion en progrock en mede dankzij violist Allen Sloan snap je hoe klein in 1986 de overstap was, die Morse deed naar Kansas. De muziek is bovendien van zijn hand. Het titelnummer bevat ingetogener fusion, waarna het door bassist Andy West geschreven Travel Tunes een progpareltje blijkt, met de nodige soloruimte voor Morse, Sloan en toetsenist Mark Parrish.

Kant 2 trapt af met de funk van Ice Cakes, gevolgd door akoestische folk in Little Kids: de vijf beheersten een breed scala aan stijlen. Dat blijkt nadien met de fiddlecountry van Gina Lola Breakdown, oorspronkelijk van Twiggs Lyndon, die het jaar erop overleed en bekend was als tourmanager voor onder anderen The Allman Brothers. Night Meets Light sluit de plaat sfeervol af.

What If staat niet op mijn streaming platform, wél op YouTube. Een jaar later verscheen Night of the Living Dregs.

Dome - Dome (1980)

poster
Maatje JeKo en de negen MuMensen die stemden op dit album zijn het met mij oneens. Ik heb het de eerste trouwens niet gevraagd, maar binnenkort leest hij dit en hopelijk wil hij dan dit album beluisteren. Dan krijg ik ongetwijfeld te horen dat hij dit wél een fijn album vindt. Net als de negen die dit minimaal drie sterren gaven.

De twee leden van Dome zijn gitarist Bruce Gilbert en bassist Graham Lewis, beiden voorheen actief in Wire. Op hun eerste album maakte Wire (ook voor punk) tegendraadse punk, op de twee daarna volgde meer experiment. Dan gaat de groep voorlopig kopje onder. Twee leden gingen verder bij het soloproject van frontman Colin Newman dat véél toegankelijker is dan de audiovondsten van Dome.
Het titelloze debuut verscheen in juli 1980 in eigen beheer en omdat ik afspeellijsten maak met new wave, is een album van twee ex-Wirers zeker interessant. Maar vergeef me dat ik dit buiten het wavekader plaats. Het draait om experimenten met geluid, al bevat het tweede deel van Rolling upon My Day nog de resten van een traditionele compositie. Net als daarna Say Again, dat (deels?) achterstevoren opgenomen lijkt.

Verder zaken als vervormde stemmen en vervormde geluiden. Ampnoise bijvoorbeeld, waarvan de titel spijker-op-de-kop is. Gastzangeres Angel Conway zingt op Cruel When Complete, waar abstractie domineert. Ik ken dit soort fenomenen van bijvoorbeeld een groep als Throbbing Gristle, ook geen lichte kost.
In mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten dissoneert het enorm. Dit is vér voorbij die stroming. Industrial waar de traditionele liedstructuren zijn losgelaten, waar herkenbare melodieën er niet of nauwelijks toe doen, waar experiment en vernieuwing en individuele creativiteit belangrijk zijn.

Tja, wat vind ik hiervan? Respect voor de durf heb ik zeker, maar kan ik er wat mee? Het is een retorische vraag, met als antwoord een volmondig 'nee'. Met de tien eerder genoemde mensen als bewijs dat ik er in tegenstelling tot hen echt niks van begrijp. Net als vroeger wiskunde op school. Laat mijn vertwijfeling een aanbeveling zijn voor hen die van abstracte muziek houden.
Uhm, dan rest mij niets anders dan mij deemoedig van een sterrenwaardering te onthouden en vervolgens toch opvolger Dome 2 te proberen.

Dome - Dome 2 (1980)

poster
Nadat Bruce Gilbert en Graham Lewis, ex-leden van postpunkgroep Wire, in juli 1980 onder de naam Dome avant-garde/industrial maakte op een titelloos debuut, volgde al drie maanden later opvolger 2.

Alsof je een donkere fabriekshal binnenloopt, die nu wordt gebruikt voor kunstzinnige experimenten. Het is er bovendien koud en ondanks mijn dikke winterjas word ik niet warm. Het zit 'm in de kilte van de muziek, al valt het met de instrumentale opener The Red Tent I dankzij een synthesizer nog wel mee; het lijkt wel de soundtrack bij een thriller. Monotone zang in The Red Tent II, op een eenvoudige drumcomputer, brommende dronegeluiden, plus vervormde gitaar en bas.
Op Long Lost Life klinkt zowaar iets als een herkenbare gitaar. Gedurende 196 seconden wordt een stijgend akkoordenschema van drie akkoorden herhaald, gecombineerd met spraakzang.
In Breathsteps ondefinieerbare, kille industriële geluiden, Reading Prof. B doet iets dergelijks met een hoofdrol voor een lome basgitaar. Kant 2 behoudt die sfeer dankzij Ritual View, Twist Up en soundscape Keep It. Net als bij de voorganger onthoud ik mij van een stem: ik heb het koud en verlang naar warmte.

Dan is daar de volgende fabriekshal, eveneens verduisterd. Die van april 1981, waar mijn muzikale reis mij vanuit post-new wave brengt bij A Certain Ratio en album To Each....

Don Airey - K2 (1988)

Alternatieve titel: Tales of Triumph and Tragedy

poster
3,5
Toen K2 in 1988 verscheen kende ik Airey vooral van zijn werk bij Gary Moore, Rainbow, Black Sabbath en Ozzy Osbourne, waar hij veelal als sessiemuzikant actief was. Net als bassist Bob Daisley een naam die je "overal" tegenkwam. Ook wist ik dat hij bij Colosseum II samen met Moore gecompliceerde fusionrock had gespeeld.
Zijn toetreding tot Deep Purple in 2003, vijftien jaar na dit soloalbum, vond ik dan ook niet meer dan logisch.

Op K2 laat hij zich van een verrassend toegankelijke kant zien. Het conceptalbum vertelt het verhaal van een bergexpeditie in 1986, gevat in symfonische rock. Hierbij staan de composities centraal en niet toetsenextravaganza of gastmusici, ondanks de klinkende namen Cozy Powell (drums), zangers Chris Thompson en Colin Blunstone en Airey's maatje Gary Moore. Vreemd genoeg vertelt de hoes niet wie de verteller is die in prachtig sophisticated Engels verhaal en muziek aaneenpraat.

Het resultaat doet mij aan Alan Parson's Project of zelfs het Pink Floyd van de jaren '80 denken: luisterrock van hoge kwaliteit. Airey profiteerde volop van de enorme ontwikkelingen die de digitale toetsen hadden doorgemaakt, waardoor een enkele keer die typische jaren 80-sfeer ontstond. Niks mee mis en nog knapper is dat dit album 35 jaar later vooral tijdloos klinkt.

Gezien zijn cv zou je verwachten dat Airey een hardrockende plaat maakte. Dat genre komt echter pas op track 13 aan bod als Genki Hitomi zich op Whiteout laat horen, de zanger die ik van dit fijne plaatje van Vow Wow kende. Het wordt stemmig gevolgd door de vocale reprise van Song for Al, klinkend als een modern kerklied.

Muziek die ik associeer met de TROS-radioprogramma's van Wim van Putten, de toenmalige ambassadeur van de betere elpee/cd-muziek. Al weet ik niet of hij dit indertijd draaide, ik sloeg zijn avondshow meestal over: het was me te bezadigd.
Op deze ietwat gure novemberdag in 2023 beveel ik K2 aan voor met een kleedje op schoot op de bank met warme chocomel erbij. Sympatiek, knus en knap, muziek voor een rockpubliek dat het niet te heftig wil.

Don Airey - Pushed to the Edge (2025)

poster
4,5
Vorig jaar zomer buitelden op MuMe liefhebbers van Deep Purple over elkaar heen wat betreft hun nieuwe album =1. Hoe kan het dan dat het hier zo stil is bij de nieuwe van hun toetsenist Don Airey waarop bovendien hun gitarist Simon McBride speelt?
In mijn geval: volkomen gemist dat hij met nieuw werk was gekomen. En afgezien van K2 uit 1988 ben ik verder volkomen onbekend met zijn solowerk, terwijl hij als Don Airey & Friends toch menigmaal Nederland heeft aangedaan.

Kortom, een hiaat in mijn muziekbubbel, heb wat in te halen. Pushed to the Edge is steviger en meer uptempo dan =1 en staat bol van de goede ideeën. Daar kan de stilte dus niet aan liggen. Bovendien toegankelijk, aangezien Carl Sentance de microfoon heeft. Heb zijn naam vaak gelezen maar heb hem - alweer vreemd - nooit horen zingen. Een krachtige tenor in staat tot hoge uithalen, perfect voor de vaak ronkende hardrock van dit album.
Tell Me knalt fel de startblokken uit met zowel gierend gitaar- als toetsenwerk, waarna They Keep On Running begint met filmmuziek (trompet) á la Ennio Morricone als opmaat van een stevig midtempo nummer.
Moon Rising is als een kruising tussen de hardrock van Deep Purple en de symforock van Emerson, Lake & Palmer, Rock the Melody valt meer de kant van stevige symforock op.
Flame in the Water begint als een kalme ballade en wordt later stevig, Out of Focus beukt met sterk drumwerk van Jon Finnigan. Op de eerste helft hebben zowel Airey als McBride menig duet gespeeld om de vingers bij af te likken.

Een dreigend begin in Power of Change, voorbode van een stoempend nummer met veel Hammond en enige fusion-/progelementen. Met Girl from Highland Park dient zich een fraaie ballade aan waar Aireys toetsenspel wat jazz bevat; doet me denken op wat hij bij Black Sabbath op Never Say Die! deed.
Godz of War is langzaam en massief, Edge of Reality soortgelijk en met slotlied Finnigan's Awake weer uptempo virtuositeit, waarna Airey de groepsleden voorstelt. Verrassend slot, alsof je erbij zit.

Liefhebbers van het Deep Purple kunnen dit blind aanschaffen om 'm vervolgens de hele zomer rondjes te laten draaien. Geldt ook voor fans van Uriah Heep, ELP, etc., etc., etc. Classic hardrock op z'n best. Ik begin maar eens met een dikke 9 als waardering.

Donna Summer - The Best Of (1990)

poster
3,5
Titel The Best of mag dan wel eens vaker zijn gegeven aan een album waarop desondanks een enkel hoogtepunt ontbrak, deze van Donna Summer komt een heel eind. Als piepjong pubertje was I Feel Love het nummer waardoor ik niet alleen voor haar stem, maar ook voor de sequencer viel, al is deze in dit geval eerste generatie. Maar wel wárm, een kwaliteit die Giorgio Moroder zeer wel toepaste.

Jammer genoeg ontbreekt haar vroege hit The Hostage, maar enkele jaren geleden maakte ik aan de hand van dit album een uitgebreidere afspeellijst van la Summer, waarop dat nummer wél staat. Ander hoogtepunt is McArthur Parc, waarvan ik me herinner dat het nummer op de radio klonk toen ik op een bar koude winterochtend eigenlijk naar school moest, maar door de schoonheid ervan met gesloten ogen in bed bleef genieten. Of wat te denken van het pseudo-oriëntaalse Love's Unkind of de vreemde akkoordenreeks in de brug van Dinner with Gershwin?

Ook al is haar muziek buiten mijn comfortzone, het was altijd interessant om haar carrière te volgen. De zangeres werd ziek, naar zij aannam doordat ze vervuilde lucht had ingeademd van de ingestorte Twin Towers, waar zij kennelijk niet al te ver vandaan verbleef. Met haar voortijdige overlijden kwam aan een boeiende carrière een abrupt einde. Wat had ze in latere jaren nog kunnen opnemen?

Dr. Feelgood - Be Seeing You (1977)

poster
2,5
Tijdens de opnamen van voorganger Sneakin' Suspicion verliet Wilko Johnson Dr. Feelgood. Hij was meestal verantwoordelijk voor de eigen nummers van de groep, die daarnaast de nodige blues- en r&b-covers speelde.
Zijn vervanger was korte tijd Henry McCullough, bekend van zijn werk in The Grease Band van Joe Cocker, het Wings van Paul McCartney en meer recent bij de Schotse zanger Frankie Miller. Gezien zijn cv zal deze iets van Johnsons venijn hebben gemist, waarna hij plaats maakte voor de onbekende John "Gypie" Mayo, degene die op Be Seeing You zijn spel vastlegde.

Op de elpee, verschenen in september 1977, speelt hij op dezelfde puntige wijze als Johnson, waarmee die leemte was gevuld. Dan was er nog de kwestie 'hoe komen we aan eigen materiaal?' Wel, frontman Lee Brillieaux kwam met vooral Mayo met nieuw materiaal op de proppen, het instrumentale en soulvolle Hi Rise kwam van Mayo solo en driekwart van de groep schreef She's a Wind Up.
Verder werd nieuw werk geleverd door Nick Lowe met stevige r&b in That's It I Quit en ex-Motörheadgitarist, tevens Stiffproducer, Larry Wallis leverde shufflelied As Long as the Price Is Right.
Uiteraard werd uit de schatkist van r&b, blues en vooral soul geput, te weten muziek die bekend werd door Wilson Pickett in Ninety-Nine and a Half (Won't Do), My Buddy Buddy Friend door A.C. Reed, Baby Jane door Otis Clay, Looking Back van Johnny "Guitar" Watson en 60 Minutes of Your Love door Isaac Hayes.

Mayo was een waardige nieuwe gitarist op dit album, met alle soulinvloeden wel degelijk in lijn met de r&b-voorganger. Toch deed Be Seeing You het in de Britse albumlijst veel minder; waar die #10 haalde, reikte deze niet verder dan twee weken #55 in oktober '77. Kwam dat door het vertrek van de charismatische Wilko Johnson? Hoe dan ook, het is me zoals vaker bij Dr. Feelgood te vaak op oude paden, hoe goed de vier ook musiceren. Ik geef er als schoolcijfer een zes voor.

Mijn reis door punk en new wave kwam vanaf de Heartbreakers met Johnny Thunders en vervolgt bij een absoluut randgeval wat deze genres/stromingen betreft: het debuut van Mink DeVille.

Dr. Feelgood - Down by the Jetty (1975)

poster
4,0
Mijn eerste kennismaking met Dr. Feelgood was via de radio, single Milk and Alcohol uit 1978. In 2013 werd ik daaraan herinnerd toen ik in Classic Rock Magazine het nieuws las dat gitarist Wilko Johnson, die inmiddels in Groot-Brittannië een legendarische status had kregen, ernstig ziek was en nog maar enkele maanden had te leven. Dat bleek gelukkig een misdiagnose: hij kreeg er uiteindelijk tien jaar bij.

In januari 1975 verscheen het debuut van het Londense Dr. Feelgood en wat daar vooral lekker aan is, is de hakkende staccato-slagstijl van Johnson. Die ligt in het verlengde van John Lee Hooker, wiens Boom Boom uit 1961 nog eens extra adrenaline kreeg. Bij Dr. Feelgood is het nog intenser, gejaagder of als je wilt: stads en nerveus.
Ik ben momenteel de vaders en moeders van punk en new wave aan het doorspitten en met Down by the Jetty heb ik er eentje waarbij makkelijk de aanzet tot die genres is te traceren. Engeland was nog in de ban van glam- en symfonische rock (alhoewel dat beeld eigenlijk hartstikke ongenuanceerd is), in het circuit broeiden echter al jarenlang andere geluiden. Zo trad sinds 1973 mijn vorige station op, G.T. Moore and The Reggae Guitars. Ën er was pubrock. Eerst op de kaart gezet door Brinsley Schwarz, vervolgens het ruigere Ducks Deluxe. Dr. Feelgood speelde het al sinds 1971 nog intenser.

Maar liefst dertien nummers telde de elpee, waarvan zeven op kant 1. Meteen op opener She Does it Right valt het felle en wat schelle gitaargeluid op, waaronder bassist John B. Sparks en drummer-met-bakkebaarden John "The Big Figure" Martin vinnige ritmes neerzetten. Zanger Lee Brillieaux heeft een stevige stem en bespeelt tevens een huilende mondharmonica. Het eindresultaat is uptempo en levendig. Perfect om op gang te komen, zoals ik vanochtend beleefde na een traag ontwaken.
Mijn hoogtepunten zijn vaak de snellere nummers van een album, zo ook hier en dat mede door Johnsons speelstijl: de genoemde cover Boom Boom, single Roxette, mijn grootste favoriet Twenty Yards Behind dankzij de ska-achtige slaggitaar en de mondharmonica, All through the City, het instrumentale Oyeh! en het met blazers opgeluisterde coverslot Bono Moronie / Tequila, de eerste oorspronkelijk van r&b-zanger en pianist Larry Williams, de tweede het feestnummer van Chuck Rio.
Mijn voorkeur gaat dus vooral uit naar de puntige r&b in Londens jasje. Mensen die voor puurdere blues gaan, hebben wellicht meer met de langzamere nummers, waarop een enkele keer pianist Bob Andrews van de groep Brinsley Schwarz én de naamgever van die groep, saxofonist Brinsley Schwarz, assisteren.

Hierboven wordt geklaagd over de mono-opnamen. Wel, al sinds 2006 is Down by the Jetty verkrijgbaar als 2cd met naast de mono- ook de stereoversie plus de nodige smakelijke bonussen. Dat is de editie waar het vorige bericht over ging, die inmiddels ook op streaming is te vinden.

Naast reggae en pubrock was er nóg een genre dat invloed zou hebben op punk en new wave: glamrock. Roxy Music en David Bowie waren invloedrijke artrockvarianten daarvan en in de VS rockten de New York Dolls, maar wat te denken van het obscuur gebleven Hollywood Brats? Op naar dat lekkere plaatje!

Dr. Feelgood - Let It Roll (1979)

poster
3,5
Het zesde album van Dr. Feelgood, dat in 1975 debuteerde. Relatief laat voor een pubrockgroep, maar de groep zette zich met Down by the Jetty meteen aan de kop van deze beweging, groeide mee met de punkrevolte en scoorde in 1978 internationaal met single Milk & Alcohol van het sterke Private Practice. Met hun venijnige r& b wist de groep ondanks het vertrek van gitarist Wilko Johnson te imponeren: John Mayo bleek een prima vervanger.

De groep was één der peetvaders van punk en new wave. Inspiratiebron dankzij de hakkende stijl van Johnson, voortrekker van een livegroep die in relatief kleine zalen lekker luid musiceerde, zonder naar een bombastisch geluid te neigen. Reden voor mij om Dr. Feelgood steeds weer met een nummer van één hunner albums in mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten te zetten.
Toch is Let It Roll de laatste waarmee ik dat doe. De groep is hierop namelijk beduidend minder venijnig. Wat klinkt is ronkende r&b, helemaal niks mis mee. Alleen: vernieuwend? Nee, dit is eerder een u-bocht, terug naar degelijke rock 'n' roll.

Begrijp me niet verkeerd: dit is een prima album. De r&b wordt smakelijk opgediend of bevat de nodige variatie die bovendien meer eigen werk bevat dan voorheen. Als een hele goede groep op een bluesfestival. Met mijn invalshoek van new wave is dat echter meteen het probleem: de groepen in dit containerbegrip beoogden vernieuwender te zijn.
Laat juist dit album een klinkend voorbeeld van de u-bocht bevatten. Pretty Face is een cover, oorspronkelijk uit 1964 van The Beat Merchants uit Sussex. Datzelfde nummer werd op het eveneens in november 1979 verschenen soloalbum van Strangler J.J. Burnel gecoverd, maar wát een wereld van verschil is de aanpak van beiden. Bij Dr. Feelgood lekker ronkende bluesrock, Burnel palt het aanmerkelijk onconventioneler en schurender aan.

Kortom, dit is de laatste keer dat ik Dr. Feelgood in een afspeellijst met wave opneem, maar niet zonder Java Blue als lekker stuwend aan te prijzen, Put Him Out of Your Mind is extra lekker door de snerpende zang van Lee Brilleaux, het met een diepe stem á la Captain Beefheart plus mondharmonica opgeluisterde Hong Kong Money is op andere wijze lekker en hetzelfde geldt voor de rockende afsluiter Drop Everything and Run, dat mijn afspeellijst haalde vanwege opnieuw venijn in Brilleaux' stem.
Niet alles is spannend. Zo opent kant 2 met twee instrumentale nummers, te weten Keeka Smeeka en Shotgun Blues, waarvan de eerste nog wel redelijk pittig is, de tweede echter wel érg volgens het standaardbluesboekje. De hoes (voor- én achterzijde) verdient minimaal een poster òf beter, een grote versie in een museum met popmemorabilia.

De groep bracht hierna nog twaalf studioalbums uit, de laatste in 2006. Mayo vertrok al in 1981 en in feite werd Dr. Feelgood het vehikel van de zanger, die in 1994 overleed. Een jaar later werd Peter Gage zijn opvolger.
In 2017 verscheen het boek Lee Brilleaux: Rock 'n' Gentleman. Dr. Feelgood is nog altijd actief en heeft een ijzersterke reputatie als liveband, ondanks tegenslag in april 2024 toen hun apparatuur werd gestolen.

Mijn reis door new wave kwam van het sterke solodebuut van de gitarist van Television, Richard Lloyd en vervolgt bij de eveneens in november '79 verschenen tweede van Simple Minds.

Dr. Feelgood - Malpractice (1975)

poster
3,5
Malpractice is de tweede elpee van Dr. Feelgood die in 1975 verscheen. Het is alsof we het vervolg horen van een liveset die begon met Down by the Jetty uit januari dat jaar. Negen maanden na het debuut wordt vervolgd met wederom puntige pubrock. De wortels stevig in de r&b van de jaren '60, energiek en rauw.

Londen kende in die periode een levendige pubrockscene voor kleinere bands, waar Dr. Feelgood één van de grote namen werd en een uitstraling kreeg die uitstraalde tot ver buiten de hoofdstad. Het staccato-ritmespel van gitarist Wilko Johnson is hierbij de voornaamste troef.
In vergelijking met het debuut klinkt hier iets meer traditionele r&b, verpakt in elf nummers die meestal onder de vier minuten aftikken. Op I Can Tell, Another Man, Don't You Just Know It, Because You're Mine en de levenswijsheid You Shouldn't Call the Doctor (If You Can't Afford the Bills) is daarbij sprake van de typische stijl van Johnson. Zijn spel brengt de muziek voorbij de r&b, zonder deze te verloochenen. In combinatie met de strakke ritmesectie en de soms snauwerige zang van Lee Brilleaux, die daarnaast regelmatig de mondharmonica hanteert.
Speciale aandacht voor de gevangenisopstand in Riot in Cell Block Number Nine met een intro dat zowel traditioneel als spannend is, mede door het verhaal; een oudje van rock 'n' roll veelschrijvers Leiber & Stoller.
Hun tweede worp is wat minder sterk dan het debuut, wat niet vreemd is als de opvolger al zo snel daarna verscheen. Een krappe 7 van mij.

Malpractice reikte eind oktober '75 tot #17 in de Britse albumlijst, terwijl "dino's" Rod Stewart met Atlantic Crossing en Pink Floyd met Wish You Were Here op 3 en 4 stonden, temidden van zoetgevooisdere country en middle of the road (Jim Reeves, Roger Whittaker). Een voorbode van wat het jaar erop zou opduiken: punk en new wave.

Daarmee ben ik aan het einde gekomen van mijn reis door de invloeden op / aanzetten toe die genres. Mijn afspeellijst met de lengte van een C90-bandje is vol. Die "tape" begint met Second Album (1971) van Curved Air en ik kwam hier nu vanaf de debuut-EP van The Count Bishops.

Op naar 1976 en mijn tweede afspeellijst, die begint met het debuut van de Ramones.

Dr. Feelgood - Private Practice (1978)

poster
4,0
Ha, dan ben ik eindelijk aanbeland bij mijn kennismaking met Dr. Feelgood! Milk and Alcohol leerde ik ergens in 1978 kennen via Hilversum 3. Een hit werd het in Nederland niet en tot mijn verdriet had ik hem niet met mijn radiocassettespeler kunnen opnemen. Wél werd het stevig opgeslagen in mijn brein, waar het nog altijd tot vrolijkheid leidt!

De vijfde studioplaat van Dr. Feelgood, dat in 1976 liveplaat Stupidity uitbracht, dat in het Verenigd Koninkrijk #1 haalde. Niet slecht voor deze witte r&b-groep, die het genre net wat feller bracht dan voorheen gebeurde en één van de wegbereiders van punk en new wave zou blijken.
De muziekwereld was veranderd sinds de groep in 1971 begon. Nog ten tijde van debuut Down by the Jetty (januari 1975) waren ze een bijzonderheid met hun energieke r&b in afgeronde nummers - niet te lang! Inmiddels was dit de norm geworden. In twee jaar tijd was de groep van een voorloper een achterloper geworden: punk en new wave waren immers veel meer trendy. Hoe reageerde de groep hierop?

Het antwoord is eenvoudig: net als altijd spelen, spelen, spelen. Veel optreden en minimaal ieder jaar een nieuwe elpee uitbrengen. Private Practice is de tweede met gitarist John "Gypie" Mayo, die op voorganger Be Seeing You een prima vervanger bleek van de fameuze Wilko Johnson, ondanks dat die zo belangrijk was geweest voor de totstandkoming van Dr. Feelgoods stijl.
Ook Mayo beschikt over de hakkende, krassende gitaarstijl die zo belangrijk is in deze felle muziek. Het zwakke punt zat hem echter in het eigen werk: wederom werd veel gecoverd, maar liefst vijfmaal. Die covers haalden het jaar ervoor de vaart eruit.

Dan is het songmateriaal hier op Private Practice een stuk sterker. Vriend van de groep Muckey Jupp schreef voor hen opener Down at the Doctors, wat als single in oktober 1978 #48 haalde.
Fel is eigen compositie Every Kind of Vice, geschreven door Mayo met frontman Lee Brilleaux, waarna de eerste van (slechts) drie covers volgt: het rustiger Things Get Better van soulzanger Eddie Floyd.
Mayo schreef voor deze plaat twee nummers met Nick Lowe. De eerste is Milk and Alcohol. In het VK werd het hun enige toptienhit ooit, #9 in februari '79. Een snelle shuffle die iets wegheeft van Britse glamrock van enkele jaren eerder, met Brilleaux' snijdende zang, felle gitaarlijnen en dat verslavende refrein... Pakkend!
Nighttime was oorspronkelijk (1965) van the Strangeloves, waarvan Richard Gottehrer hier bij Dr. Feelgood producer is; dit samen met Martin Rushent, ook een bekende naam. Het uptempo nummer swingt aangenaam.

Kant 2 start te mak met Let's Have a Party, in 1957 bekend gemaakt door Elvis Presley. Dan liever Take a Tip van Mayo en Brilleaux met zijn felle riff en heerlijke gitaarsolo, gevolgd door het door Mayo en Lowe geschreven It Wasn't Me, waarin oude rock 'n' roll in de muziek wordt gecombineerd met de heerlijke stem van Brilleaux.
Het instrumentale Greaseball van Mayo werkt goed als overgang naar slotlied Sugar Shaker van Mayo, Brilleaux en bassist John Sparks, die met het energieke spel van drummer-met-grote-bakkebaarden John 'Big Figure' Martin strak aansluit bij Mayo's spel.

Al met al sterkere composities dan op de voorganger; een afwisselend album met enkele fraaie hoogtepunten, met Milk and Alcohol nog steeds als grote favoriet. Van MuMe mag ik slechts twee nummers als favoriet aanwijzen, de keuze is te groot.
Nog een speciale vermelding voor de humoristische hoes (voor- én achterzijde en binnenhoes) van deze plaat, die het in eigen land beter deed dan de voorganger: #44 in oktober 1978. In 1989 verscheen Milk and Alcohol nogmaals op single, om dan #97 te halen.

Op reis door de albums achter mijn lijsten met new wave en co, kwam ik vanaf de tweede van The Boomtown Rats, ik vervolg bij het debuut van de Nieuw-Zeelandse Citizen Band.

Dr. Feelgood - Sneakin' Suspicion (1977)

poster
3,0
Het vierde album van Dr. Feelgood, dat volgde na de #1-liveplaat Stupidity. Het was de laatste met de gitarist Wilko Johnson, die de groep tijdens de opnamen verliet na onvrede met frontman Lee Brilleaux.
Aangezien hij verantwoordelijk is voor alle eigen nummers, was dat een fikse aderlating. Dat zijn er op dit Sneakin' Suspicion vijf, de andere vijf betreffen covers van onder meer de Amerikaanse zanger-acteur Eddie Fontaine, de Brit Lew Lewis, Amerikaanse bluesreuzen Dr. John en Willie Dixon en r&b-zanger en -gitarist Bo Diddley.

In de handen van Dr. Feelgood betekent dit dat de originelen een energiek jasje krijgen aangemeten, waarbij goed wordt gemusiceerd. De groep was met hun pubrock belangrijk als wegbereider van punk en new wave, maar blijft hier zozeer op de traditionele paden dat het nergens opwindend wordt. Al komt Paradise wel in de richting, dankzij het hakkende slagspel van Johnson en ook in All My Love en Walking on the Edge herken ik zijn schrijfstijl.

Voor het overige: traditionele r&b met een scherp Brits randje. Het haalde in juni 1977 #10 in de Britse albumlijst. Reeds in de nazomer van dat jaar volgde Be Seeing You met een nieuwe gitarist.