MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Dalbello - Whomanfoursays (1984)

poster
4,5
Soms is daar ineens een artiest die opvallend anders én kwaliteitsvol is. Kate Bush in 1978 bijvoorbeeld en wellicht valt Billie Eilish met haar debuut uit 2017 in diezelfde categorie - al heb ik mijn kinderen daar nooit over gehoord.

Ik had bij Dalbello eveneens zo'n gevoel, toen ik haar in 1984 op Sky Channel voorbij zag en hoorde komen. Whomanfoursays heeft enerzijds iets van de synthwave van The Human League en Orchestral Manoeuvres in the Dark en anderzijds stond daar een zelfbewuste zangeres met krachtige stem melodieën die uit de rock leken te komen. Een vreemde combinatie die van het scherm af spatte.
Niet veel later coverden zowel Queensrÿche (Gonna Get Close to You) als Heart (Wait for an Answer) werk van dit album, maar de andere nummers doen daar niet voor onder. She Pretends bijvoorbeeld, uptempo met harde, enigszins kille synths die goed binnenkomen.
Pas onlangs ontdekte ik dat ze voordien als Lisa Dal Bello een conservatievere popstijl maakte, maar in 1984 wist ik niet beter dan dat deze nieuwkomer een eigenzinnig en gepassioneerd geluid neerzette. Nieuw en anders, onvergelijkbaar goed.

Mijn vinylexemplaar kocht ik onlangs in Lannion, Bretagne, waar een platenzaak wordt gecombineerd met een bistro. Het is een pre-release-exemplaar met wit label met daarop handgeschreven tekst en op de binnenhoes een A4'tje met de tekst 'Pre-Planning 05, Juin 1984'. Vast bedoeld voor radio- en/of platenmaatschappijmensen. Het onderstreept wellicht dat de stijl van rock in synthesizerjasje erg opviel, zoals in mijn geval op tv in mijn ouderlijk huis.

Veertig jaar later is dit geenszins verouderd, zeker niet nu retrosynthesizergroepen van een nieuwe generatie teruggrijpen op dit soort klanken. Maar de persoonlijkheid van Dalbello en haar fantastische stem? Nee, Whomanfoursays blijft een heerlijk vreemde eend in de bijt met hele goede composities. Op kant 2 blijft het namelijk op niveau, geen zwak moment te bekennen. Het onderkoelde Guilty by Association bijvoorbeeld met zijn gesproken delen... Rrrrr...

Een wereld op zichzelf en bovendien het bewijs dat door platenbakken struinen extra leuk wordt door onverwachte (her)ontdekkingen.

Damage Control - Damage Control (2007)

poster
Debuut van het zijproject van zanger-met-whiskystrot Spike, bekend van de Quireboys, gitarist Robin George, bassist Pete Way van UFO en drummer Chris Slade, ex-AC/DC. Alsof het vroege Motörhead en het vroege AC/DC een kind kregen. Althans, dat denk ik, want het album kan ik niet in z'n geheel op streaming vinden, zelfs niet op YouTube.

Ik onthoud mij dus van een puntenwaardering, maar liefhebbers van bijvoorbeeld Rose Tattoo zouden dit weleens kunnen waarderen. In de vlog van Now Spinning van 6 november '22 wordt aandacht besteed aan het solowerk van Pete Way, waarbij dit album langskomt als onderdeel van The Plot vs Damage Control, een 3-cd-box. Zie hier vanaf 10'34".

Damage Control - Raw (2009)

poster
Tweede en laatste album van Damage Control, het zijproject van bassist Pete Way van UFO, gitarist Robin George en drummer Chris Slade, ex-AC/DC. Op het debuut Damage Control klonk de rauwe zang van Spike (van Quireboys), maar deze deed op Raw niet mee en daarom deelden Way en George de honneurs.

Het album kan ik niet in z'n geheel op streaming vinden, zelfs niet op YouTube, en dus onthoud ik mij van een puntenwaardering. Zeker is dat rauwe hardrock 'n' roll klinkt, anders dan bij het melodieuzere UFO.
Pete Way was een rocker in hart en nieren. Zozeer zelfs dat het hem in 2009 niet lukt om met UFO in de studio te verschijnen voor de opnamen van The Visitor, in ditzelfde jaar verschenen. Iets met de gevolgen van een levensstijl op z'n rock 'n' rolls.

In de vlog van Now Spinning van 6 november '22 wordt aandacht besteed aan het solowerk van Pete Way, waarbij dit album langskomt als onderdeel van The Plot vs Damage Control, een 3-cd-box. Het debuut werd door Phil Aston omschreven alsof je bij de groep in de oefenruimte staat en deze opvolger "alsof je IN de speakers zit". Zie hier vanaf 11'33".

Dance Craze (1981)

Alternatieve titel: The Best of British Ska...Live!

poster
4,0
Dwarsdoorsnede van label 2 Tone, gespecialiseerd in ska. Op dit album veel werk uit 1980. Het is tevens de soundtrack van een docu-/concertfilm die - hoera! - op YouTube staat.
Tussen de diverse namen vallen me er vandaag twee op: die van de dan alweer ex-2 Toners Bad Manners, mijn vorige station op de reis door new wave, én de singlegroep The Bodysnatchers - niet te verwarren met een gelijknamige Amerikaanse punkgroep.

De Britse Bodysnatchers was een all-female-band waarvan de dames nog maar kort samenspeelden. Ze scoorden twee hits. De eerste was Let's Go Rock Steady, in april 1980 twee weken #22. Numero 2 was Easy Life, in juli dat jaar #50 halend. Naar verluidt was de instrumentenbeheersing van deze prille groep nog niet al te hoog, wat niet gold voor de stembeheersing van frontvrouwe Rhoda Dakar.
De eerste single werd in zesentwintig takes opgenomen. In het boek 'Walls Came Tumbling Down: The Music and Politics of Rock Against Racism, 2 Tone and Red Wedge' van Daniel Rachel noteerde deze uit de mond van groepslid Nicky Summers over producer Roger Lomas: "We did twenty-six takes and he kept saying: "Play faster".
Na twee singles viel de groep alweer uit elkaar. Vijf leden vormden vervolgens The Belle Stars die in 1983 een succesvol album uitbrachten en ook in Nederland scoorden met pop-funk op single Sign of the Times.
Dakar dook op in The Special A.K.A. en is tot op de dag van vandaag actief; in 2015 bracht ze album Sings The Bodysnatchers uit.
In 2023 verscheen van The Bodysnatchers The Lost Album, met hierop naast de singles werk dat door de BBC en radio-dj John Peel werd opgenomen. Eveneens in 2023 verschenen heruitgaven van Dance Craze op 2LP en als 3cd. Inderdaad, met de nodige bonussen.

Ondertussen reis ik verder door de wondere wereld van new wave en wel naar Londen, waar Mute in 1980 een Duitstalig album van het Düsseldorfse Deutsch Amerikanische Freundschaft uitbrengt.

Dave Edmunds - Get It (1977)

poster
3,0
Pubrock plaveide de weg voor Britse punk en new wave. Met Nick Lowe was Dave Edmunds de peetvader hiervan. Al sinds eind jaren '60 actief met muziek stevig in jaren '50 r&b, rock 'n' roll en rockabilly verankerd, dwars tegen de trend van psychedelica en powertrio's in.
Nu was pubrock met zijn korte nummers en relatief sobere instrumentatie sowieso geschikt voor de muziek uit de oerdagen van popmuziek. Veel groepen in het genre putten daar midden jaren '70 dankbaar uit. Als producer overstijgt Edmunds' invloed die van zijn eigen muziek. Zo stond hij aan de wieg van de Britse rock 'n' roll revival die eind jaren '70 opgang deed met namen als Shakin' Stevens en Matchbox, de Welshman speelde bovendien in Rockpile met muzikanten die in de punk- en newwavescene actief zouden worden.

Ik beland bij deze plaat vanaf Marquee Moon van Television uit januari 1977 en Rattus Norvegicus van The Stranglers uit april dat jaar, op doorreis door new wave & aanverwanten. Twee albums en twee groepen die muzikaal ver verwijderd zijn van Edmunds' derde soloplaat Get It, die in dezelfde maand als het debuut van The Stranglers verscheen.
Op Get It zijn r&r-geluiden dominant, al ging hij niet zo ver dat hij zich met een vetkuif tooide. In november 1976 scoorde hij in Nederland met single Here Comes the Weekend, geschreven door Nick Lowe. Twee weken #27 in de Top 40, waarna (toen nog aspirant-)omroep Veronica het jarenlang gebruikte op de vrijdag om het weekend in te luiden. Van dat laatste kende ik het vooral. In diezelfde maand #29 in Vlaanderen.
Het nummer heeft overeenkomsten met zijn hit uit 1970 I Hear You Knocking, vanaf januari dat jaar zes weken #1 in het Verenigd Koninkrijk en bij Veronica #4.

Andere muzikale smaken op Get It: in Worn Out Suits, Brand New Pockets een vleugje country, op Where or When en Little Darlin' de invloed van surfpop met koortjes, op Juju Man cajun dankzij de accordeon. En verder rockt het, waarbij enkele covers: van onder meer Bob Seger (Get out of Denver), Graham Parker (Back to School Days), Hank Williams (Hey Good Lookin') en Arthur Crudup (My Baby Left Me).
Helemaal opvallend: de plaat verscheen bij Swan Song van "hardrockdinosaurus" Led Zeppelin. Waarschijnlijk omdat Jimmy Page hier warm van werd, tegelijkertijd een naam die door de nieuwe generatie werd verguisd. Kortom, Dave Edmunds was een vreemde eend voor de nieuwe generatie muzikanten van '76/'77, maar wel eentje die zijn sporen naliet. Net als zijn begeleiders, de groep Rockpile waarbij Nick Lowe.

In 1982 interviewde Geert Henderickx de man, zie hier. Mijn muzikale reis blijft in april '77 en gaat naar het debuut van The Clash.

Dave Edmunds - Repeat When Necessary (1979)

poster
3,5
Op reis door new wave kom ik vanaf de punk-reggae van The Ruts bij oudgediende Dave Edmunds. Hierboven wordt verteld dat hij al in 1969 met Love Sculpture zijn eerste hit had met Sabre Dance, hier de beelden. Leuk om te weten, nieuw voor mij!
In 1970 volgt de tweede hit, onder eigen naam met I Hear You Knockin'. Eigenlijk verschilt dat liedje niet veel van de hit die ik in 1979 hoorde, Girls Talk. Energieke gitaarrock. Nu is Girls Talk wél wat steviger dan zijn hit van negen jaar eerder. Verrassend was destijds dat de radio-dj vertelde dat dit een liedje van de hand van Elvis Costello was. De single werd in de Nationale Hitparade in augustus twee weken #24, in Vlaanderen diezelfde maand #17 en in zijn Verenigd Koninkrijk in juli-augustus drie weken #4.

Edmunds' carrière speelde zich dus al in de eerste helft van de jaren '70 af in de wereld van de pubrock, waar hij in diverse rollen actief was. Het is in deze wereld dat de opkomende punk en new wave een voedingsbodem voor concerten en platenmaatschappijen vinden, waarmee Edmunds aansluiting vindt bij een nieuwe generatie. Dat hoor je. Op Repeat When Necessary is het meestal uptempo en swingend.

Edmunds wordt begeleid door een keur aan ervaren rotten, waarbij Nick Lowe op bas en Terry Williams op drums, zijn maten uit de dagen van de groep Rockpile. Het is steviger dan op Get It van twee jaar eerder en iets verder verwijderd van ouderwetse rock 'n' roll dan toen. Soms echter kan hij het niet laten en hoor ik de nadrukkelijke invloed van de popmuziek van twintig jaar daarvoor, getuige Sweet Little Lisa en Goodbye Mr. Good Guy. Jaren '60 met veel galm kan ook, getuige Take Me for a Little While.
Heerlijk is de shuffle van slotlied Bad Is Bad. Hierboven leerde ik van gaucho dat Thin Lizzy het eveneens opnam; blijkens Thin Lizzy Guide.com "Unreleased, [recorded by] Lynott, Gorham, Moore, Mark Nauseef and maybe Huey Lewis; Memphis session during US-tour 1978".

Van Nederland en Vlaanderen vond ik geen albumnotering, in het VK werd Repeat When Necessary in augustus #39. Single Queen of Hearts reikte er in oktober nog eens tot #11 en het door Graham Parker geschreven Crawling from the Wreckage in december tot #59.

Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten op streaming met new wave vervolgt. Omdat daarop nummers volgen van albums die ik al eerder besprak (The Undertones en Buzzcocks) land ik bij de derde van The Boomtown Rats. Die met dat ene pianoliedje. U weet wel.

David Bowie - 'Hours...' (1999)

poster
3,5
'hours...', ja, verrassend! Na de intense muziek van 1.Outside en Earthling komen gitarist Reeves Gabrels en zanger/multi-instrumentalist David Bowie met een ingetogen album. Even wennen, maar menige melodie trekt me over de verbazing heen. Verdwenen zijn de drukke beats en sterk vervormde gitaren. Hoe dat kwam en wat de relatie met computerspel Omikron: a Nomad Soul is, legde Gabrels in 2024 uit.

Verbazing dus. Onmiddellijk. Thursday's Child met z'n warme toetsentapijt en blij-verbaasde tekst: "Everything's falling into place". Is Bowie simpelweg gelukkig? Ik denk het, mede door de warme tweede stem van Holly Palmer. Ieeets meer gitaar (lange lijnen) in Something in the Air en een twaalfsnarige akoestische gitaar trapt Survive af; terug naar de jaren '70, Gabrels in een heel andere rol dan ik hem ken.
Voor het eerst een scheurende gitaar dankzij If I'm Dreaming My Life, zij het heel bescheiden. Het begint namelijk ronduit kalm, om halverwege te versnellen. Pakt me minder, maar nog altijd ruim voldoende. Met Seven dat akoestisch begint sluit de eerste helft kalm af en dankzij de bongo bekruipt me een kampvuursfeertje. Met een autobiografische tekst? Komen we hier dicht bij de mens David Robert Jones?

Lichte uptempo rock via What's Really Happening? waar Gabrels zijn gitaar beschaafd laat scheuren en zingen. Steviger is The Pretty Things Are Going to Hell dat op dit album wat dissoneert.
Dit alles aangenaam, maar wordt het nog spannend, vroeg ik me na enkele draaibeurten af. New Angels of Promise is eveneens stevig maar langzamer; Bowie bewijst weer eens hoe mooi zijn stem is.
Digitale soundscape Brilliant Adventure vormt de opmaat naar naar de sterke finale The Dreamers, dat net als de opener profiteert van het toetsentapijtje, waar Gabrels' gitaarlijnen wonderwel bij passen.

De twee gingen hierna huns weegs. Achteraf zou je kunnen zeggen dat 'hours...' de brug is tussen Gabrels' eerdere werk met Bowie en zijn latere met The Cure. De dromerigheid is de overeenkomst tussen die twee. Maar ik ken zijn solowerk niet, dus dit is een speculatie. En toch.

David Bowie - "Heroes" (1977)

poster
3,0
Bowie’s Low was het eerste album dat ik kocht. In 1977, op mc, voor de op mijn verjaardag gekregen Philips mono-radiocassettespeler.
Datzelfde jaar volgde zijn nieuwe plaat. Eind november belandde single Heroes op nummer 1 in mijn persoonlijke top 15, die ik elke vrijdagavond na het beluisteren van de Nationale Hitparade in een oude werkagenda van mijn vader noteerde.
In ’81 kwam het lied terug toen de film Christiane F. furore maakte en door mijn docent Duits werd behandeld, alhoewel we te jong waren om 'm te zien. Pas vorig jaar zag ik het drama, mooi en schrijnend tegelijk. Helden, gezongen door Bowie zelf, werd een klassieker bij onze oosterburen.

Het album hoorde ik pas in de jaren ’90, toen je nog tweedehands kwaliteitsplaten op de oranjemarkt voor 1 gulden en in gespecialiseerde platenzaken voor 6 piek kon kopen. Thuis was ik verbaasd: hij viel tegen! Behalve de titelsong hoorde ik niets dat het niveau van Low haalde.

We zijn alweer zo’n 25 jaar verder en opnieuw waag ik een poging. De elpee ben ik “kwijt”, dus nu op streaming draaien en draaien. Kauwen en herkauwen. Er vallen mij een paar zaken op.
1. Het album klinkt conservatiever dan de voorganger. Domineren daar nooit eerder gehoorde synthesizer- en snaredrumgeluiden, op “Heroes” staan vijf songs die conventionele rock bevatten: Beauty and the Beast, Joe the Lion, Blackout, The Secret Life of Arabia en Sons of the Silent Age.
2. Vier van die tracks bevatten een dansbare disco- / four-to-the-floorbeat, waar een stevige rocksaus overheen ligt. Dansrock.
3. Dat geldt niet voor het langzamere Sons…, dat doet denken aan hetgeen hij ten tijde van bijvoorbeeld Ziggy Stardust deed. Het conventioneelste nummer van deze plaat.
4. Robert Fripp speelt (bijna) net zulke tegendraadse lijnen als Carlos Alomar op Low deed, de laatste beperkt zich hier tot slaggitaar.
5. Waar Bowie op Low qua stemdynamiek veel varieerde, zingt hij hier vaak voluit. Uitzonderingen: de titelsong, Sons… en in mindere mate The Secret Life…
6. Kennelijk had Bowie ten tijde van “Heroes” geen last meer van het writer’s block qua songteksten, die op Low tot beknopte lyrieken leidde. Het leidt mede tot de terugkeer van de conventionelere rock.
7. Bovendien zijn de vier instrumentale songs op “Heroes” conservatiever dan die op Low, waarbij het drieluik Sense of Doubt - Moss Garden - Neuköln desondanks klinkt als de soundtrack bij een toekomstige sci-fi- of misdaadserie - zijn tijd vooruit.

Hierboven heb ik geprobeerd feitelijk te blijven, nu volgt het hart. Bowie verdient respect voor het feit dat hij zich alweer vernieuwde. Ondanks herhaaldelijk afspelen beklijven de tracks echter nauwelijks, uitgezonderd de titelsong, Sense of Doubt en Moss Garden. De overige nummers vind ik op z’n best 'wel aardig', een term die bijna beledigend is voor Bowie.
Blijft boven alle twijfel verheven dat Heroes een magistraal, tijdloos en blijvend-indrukwekkend lied is. Bovendien fantastisch vastgelegd, dank Sater voor de link hierboven (januari 2016) gedeeld: zó fascinerend wat Visconti in die docu vertelt en laat horen! Desondanks blijf ik het jongetje dat de singleversie prefereert boven de langere op elpee.

Nog één ding wat mij opvalt: hoe groot de invloed van de instrumentale tracks van Low en “Heroes” is geworden. Die hoor ik regelmatig in (jaren '80 en '90) film- of modern-klassieke muziek terug, of bij ambient zoals die van Moby. Daarom moet ook hier de naam van Brian Eno worden genoemd: bijna 45 jaar later blijkt zijn samenwerking met Bowie nog altijd inspiratierijk. Ook op “Heroes”.

David Bowie - 1.Outside (1995)

Alternatieve titel: Outside

poster
4,0
In de week voor Kerst kwam ik in een Bowiefase, doordat ik zijn dubbelelpee Stage had gedraaid. Pas eergisteren viel me op dat het alweer bijna tien jaar geleden is dat hij overleed. Morgen is er een nieuwe docu over hem te zien op NPO 3, The Final Act genaamd.
Eén van de cd's die ik onlangs aanschafte was dit 1.Outside; volgens andere bronnen is de titel slechts 'Outside' maar op de hoes staat toch echt wat anders. In 1995 was hij nog lang niet toe aan zijn final act, maar wel had hij - weer eens! - behoefte aan een nieuwe start. Dit na soloalbums Black Tie White Noise en The Buddha of Suburbia.

Ik zette de muziek op en probeerde het dagboek te lezen dat Bowie aan de cd toevoegde. Het is geschreven door het fictiekarakter prof. Nathan Adler, "art-crime detective". Inclusief een flashback naar Berlijn in 1977 ontvouwt zich een mysterie achter een lugubere reeks moorden. Tegelijkertijd vroeg de muziek veel aandacht: dit album doorgrond je niet snel.
Bowie vroeg enkele van zijn meest stimulerende muzikale vrienden uit verschillende fases van zijn carrière om met hem nieuwe muziek te schrijven: daarbij pianist Mike Garson (Aladdin Sane, 1973), multi-instrumentalist Brian Eno en gitarist Carlos Alomar (de Berlijntrilogie, 1977-1979) en gitarist Reeves Gabrels (Tin Machine, 1989-1991).

Het resulteert ruwweg in vier categorieën tracks. Ten eerste soundscapes met minihoorspelen in ambient sfeer. Ze scheiden 1.Outside in zes delen, te weten track 1 t/m 4, 5-9, 10-11, 12-14, 15-17 en 18-19.
Eerst is daar de bij het dagboek passende track 1 Leon Takes Us Outside en verderop de tracks die beginnen met het woord 'Segue': 5 Baby Grace (A Horrid Cassette), een stem als in een roman van Dickens in 10 Algeria Touchshriek, 12 Ramona A. Stone: I Am with Name groeit uit tot een onheilspellend miniatuur, en 15 en 18, beide Nathan Adler genaamd.

Ten tweede relatief ingetogen muziek met de melodie voorop: track 2 Outside, 7 The Motel waarin pianospel als een klaterend beekje, 8 en 9 I Have Not Been to Oxford Town en No Control, 13 is het monotone Wishful Beginnings dat contrasteert met 14, het uptempo, door een beat gedragen We Prick You, invloed van drum-‘n-bass in I'm Deranged met opnieuw waaierend pianospel en slottrack 19 Strangers When We Meet.

Ten derde steviger werk. Dit ofwel door luide en vervormde gitaar, ofwel door een felle beat. Track 3 The Heart's Filthy Lesson reken ik tot die categorie, net als 6, de albumversie van Hallo Spaceboy met een veel hardere beat dan de latere singlemix van Pet Shop Boys.

Ten slotte muziek waarin de bovenstaande drie categorieën min of meer samenkomen: de bijna zeven minuten durende track 4 A Small Plot of Land drijft op een beat, druk pianospel en gitaarlijnen, deels ingetogen, deels luid; het uptempo 11 The Voyeur of Utter Destruction (As Beauty) en het midtempo 17 Thru' These Architects Eyes.

Je zou makkelijk een kunst- en/of literatuurcollege dan wel -serie aan dit album kunnen wijden, zeker als je de videoclips erbij neemt. Dat is niet mijn wereld, maar graag zou ik plaatsnemen in de zaal om te luisteren naar wat een echte kenner heeft te doceren over de diepere lagen en thema's op dit album, zoals Bowies visie op dood en hiernamaals. En welke andere kunstenaars/werken of misschien wel filosofen dan wel theologen inspireerden Bowie?
Voor een eenvoudige ziel als ik is dit een album dat slechts zeer geleidelijk iets van zijn schatten prijsgeeft. Misschien moet ik over enkele jaren, als dat dan nog mogelijk is, opnieuw eens noteren wat me opvalt bij 1.Outside?

David Bowie - Earthling (1997)

Alternatieve titel: EART HL I NG

poster
4,0
Een vage herinnering: ik loop door V&D Utrecht, destijds de winkel met het grootste vloeroppervlak van Nederland. Alhoewel ik liever een "gewone' platenzaak had, was het altijd leuk om daar rond te lopen, zeker toen op de muziekafdeling in 1997 een lichtgevende tegelvloer was én Little Wonder van David Bowie klonk.

Met single Hallo Spaceboy met Pet Shop Boys (#33 in de TROS-Mega Top 50) keerde Bowie in '96 in mijn oren fris terug aan het hitlijstenfront; ik proefde er iets van Sound and Vision, maar dan bijna twintig jaar verder. Little Wonder (een schamele #50) gaf mij in januari-februari '97 hetzelfde gevoel. Hitparadenoteringen waren twintig jaar later niet meer zo belangrijk voor me als in mijn tienerjaren. Dat Bowie weer relevant was, dát stemde me vrolijk.

Earthling / EART HL I NG werkt het beste als je onderweg bent of een niet te ingewikkeld klusje doet. De muziek knalt niet-bescheiden uit de boxen. In het verlengde van voorganger 1.Outside, al is die heftiger dan deze; Earthling is makkelijker te behappen.
De invloed van drum-'n-bass was meteen te horen en Nine Inch Nails bleek een andere inspiratiebron. Tegelijkertijd is het de stem van Bowie die het helemaal... des Bowies maakt. Het mooie Engels in de single bijvoorbeeld.
De kunstenaar zorgde altijd voor sterke muzikanten om zich heen en koos opnieuw voor innovatie. Op Earthling zijn dat onder meer producer en digikunstjesman Mark Plati, gitarist Reeves Gabrels, een vrije rol voor pianist Mike Garson die weer meanderende pianopartijen speelt met soms een vleugje jazz. Dit in pakkend contrast met alle hogesnelheidsmuziek. En dan zijn daar bassiste/zangeres Gail Dorsey en drummer Zack Alford, die doet wat ik later bij Moby tegenkwam: zowel digitale drumloops als akoestische drums, een combinatie die erg goed werkt.

Voor Bowies stem heb ik een zwak, zeker in dit soort alternatieve sferen. Naast Little Wonder zijn er favorieten Dead Man Walking, dat na een fraaie pianosolo opvallend genoeg met bijna 50 seconden stilte eindigt, plus I'm Afraid of Americans; met alle actuele politieke ontwikkelingen komt dit geheel anders binnen dan in '97. Het kreeg hiernaast een single-/radiomix van Trent Reznor van Nine Inch Nails.

In het kort: Earthling is voor mij het toegankelijker broertje van 1.Outsider. Beide albums smaken goed.

David Bowie - Lodger (1979)

poster
4,0
In het najaar van 1979 begon ik aan mijn eerste bijbaantje. Op mijn fiets pedaleerde ik zes dagen per week door het dorp met een avondkrantenwijk, om zo voor een eigen platenspeler te sparen én mijn abonnement op de stripverhalen van Eppo te betalen.
Ik weet nog in welke straat ik fietste op een grauwe najaarszaterdag, terwijl ik Boys Keep Swinging van David Bowie in mijn hoofd had. Het lied gaf me een goed gevoel. Onhoorbaar maar trots bromde ik: “Heaven loves ya, the clouds part for ya. Nothing stands in your way when you're a boy.” Aan de kant dorpelingen, hier kwam ik aan! Nog altijd stroomt er een licht triomfantelijk gevoel door mij heen als ik dit min of meer vergeten (?) Bowiepareltje hoor. Dat komt ook door de vette drumsound en het gitaargehuil, die op deze single teruggrepen naar het fan-tas-ti-sche Low van twee jaar eerder, mijn allereerste album. Datzelfde jaar vertelde Robert Smith mij bovendien dat "Boys don’t cry”: het kón niet op voor de jongen op zijn fiets.

Gek genoeg heb ik Lodger, de bijbehorende elpee, pas recent voor het eerst uitgebreid gehoord, nota bene via streaming. Dit omdat ik ‘m nooit tegenkwam in de fonotheek of bij vrienden. Bovendien was Low zó goed, dat ik Lodger niet durfde te kopen, bang voor een miskoop. "Heroes" viel immers nogal tegen, op die legendarische single na...

Net als op die voorganger is de experimenteerdrang kleiner. Bowie had namelijk het writer's block dat hem ten tijde van Low hinderde, overwonnen. Toch is wederom sprake van zijn adagium, dat ieder album anders moet klinken dan de voorganger. Een filosofie die ik in diezelfde jaren bij zijn “muzikale kinderen” zoals The Cure of Joy Division ook zou tegenkomen.
Omdat Bowie grotendeels met dezelfde muzikanten werkt als op de vorige twee in de Berlijnse trilogie, inclusief Brian Eno en Tony Visconti, duikt het gevoel van die oernewwave regelmatig op. Tegelijkertijd zocht Bowie nieuwe muzikale sferen op: African Night Flight en Yassassin bevatten muzikale invloeden van buiten de westerse. Hij paste ze naadloos in.
Toch heb ik het meest met de nummers waarin soms nerveuze wave klinkt en Bowie zijn stem gevarieerd inzet: laag-ingetogen zoals in opener Fantastic Voyage of juist uitbundig en gedubbeld in het euforische Look Back in Anger. Daarbij is het smullen van de gitaarpartijen van Carlos Alomar en Adrian Belew, die wederom heerlijk “zingen”, zoals in de andere pareltjes Red Sails met zijn fantastische gitaarlijnen en Repetition met zijn onderkoelde zang en nerveuze sfeer.

De nummers die ik niet noem behoren tot niet tot mijn hoogtepuntjes, maar een filler bevat deze plaat zeker niet. Ten opzichte van voorganger “Heroes” bevalt Lodger mij stukken beter, wat ik véél te laat ontdek. Als ik ‘m op vinyl tegenkom, moet ik ‘m toch eens aanschaffen. Dat ik er pas nu achterkom dat die gekke drumpatronen in Boys afkomstig zijn van Alomar en dat drummer Dennis Davis daar de basgitaar deed, maken het alleen maar fraaier. “Life is a pop of the cherry, when you're a boy…”

David Bowie - Low (1977)

poster
5,0
Eerste album wat ik ooit kocht, enkele maanden na verschijnen in '77. Schafte de cassette aan, een platenspeler had ik nog niet, wél sinds kort een radio-cassettespeler.

Kant A vond ik meteen prachtig: single Sound and Vision kende ik van radio en tv, was instant-verliefd op de snaredrumsound en die klinkt zeven tracks vet en diep met zijn strakke echo.
Voeg daarbij de soms aparte synthesizergeluiden van ene Brian Eno (die naam zei me nog niets), de zeven korte tracks = veel variatie, de fraaie gitaarlijnen van Carlos Alomar én een meneer die op de vijf vocale tracks op de eerste helft bizar mooi zingt.
Het was genieten! Huiswerk maken werd erdoor verlicht, samen met een rode gaskachel verwarmde het mijn zolderkamer in de winter van '77-'78. Eindeloos draaide ik kant A. Okay, het was die maanden mijn enige album, maar toch...
Van de semi-instrumentale kant B met zijn langere tracks snapte ik niet veel, maar omdat iedere keer terugspoelen naar kant A zo lang duurde, draaide ik die steeds meer. Stukje bij beetje drongen deze vier tracks mijn hart binnen, Warszawa voorop met zijn bijna gregoriaanse melodie. Trots droeg ik een button met de mysterieuze coverfoto.

De recensies waren indertijd lovend, maar wat een klassieker was, wist ik nog niet. In '91 de cd met bonustracks aangeschaft, die me weinig deden en al helemaal niet de afschuwelijke remix van Sound and Vision.

Weer jaren later, lang na de val van de Muur, drong na een bezoek aan Berlijn eindelijk de betekenis van de titel Weeping Wall tot mij door. Verschrikkelijk en fascinerend stuk geschiedenis, waarbij dit lied een intrigerende minisoundtrack is.

Anno 2021 blijft dit één van mijn favoriete albums aller tijden, het beste wat ik van Bowie ken. Zelfs de eigenwijze klank van de snaredrum fascineert me zoals toen. Een album dat het jeugdsentiment zó glansrijk overleeft, dat is best bijzonder. Toch?

David Bowie - Stage (1978)

poster
3,5
David Bowie leerde ik als jonge puber in 1977 kennen via de single Sound and Vision. Sindsdien heb ik altijd een zwak gehouden voor diens albums met Brian Eno. Er zit een sfeer en vaak ook geluid in, dat ik bij ander werk van de man mis. David Bowie was immers een kameleon, die niet alleen radicaal van uiterlijk en imago maar ook van muziekstijl kon veranderen. In mijn oren is de som van zijn samenwerking met Eno meer dan 1 + 1 = 2. Ik hoop ze binnenkort langs te lopen, voor zover nog niet gedaan.

Afgelopen najaar kwam ik bij De Groeverij in Houten Stage tegen op geel vinyl. Eind jaren '70, ik had nog niet eens een platenspeler, zag ik iemand daarmee en het maakte indruk: de eerste keer dat ik vinyl anders dan zwart zag. Die lade in mijn geheugen ging open, ik nam de dubbelaar mee.
Anders dan lennon die kennelijk niets met kant 3 kan, heb ik minder met kant 1 en 2. Te rock en niet zo spannend. Juist met kant 3 heb ik meer: de mystiek van Warszawa, hier met de viool van Simon House, dan het uptempo Speed of Life waarbij de grommende studiosynth helaas is veranderd in een geluidseffect uit Star Wars, soit, het sferische en kalme Art Decade, de sci-fi-soundscape Sense of Doubt, de new wave van Breaking Glass; ze klinken weliswaar ronder en minder intens dan op studioplaat, maar qua composities vind ik ze veel spannender dan hetgeen op kant 1 en 2 klinkt. Meer experiment, eigenwijzer en véél meer sfeer.

Op kant 4 is meer ruimte voor uptempo muziek inclusief de gitaarcapriolen van Adrian Belew en Carlos Alomar. En al klinkt "Heroes" minder intens dan de studioversie en wordt What in the World aanvankelijk wel erg traag ingezet, het blijft bijzondere muziek. Alleen Beauty and the Beast, oorspronkelijk op "Heroes", vind ik minder, maar dat is dan ook conservatiever in aanpak.

Ach ja, met alle vormen die David Bowie aannam heeft een ieder zijn voorkeur. Binnenkort ga ik aan de slag met zijn jaren '90 werk met Eno.

David Bowie - The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars (1972)

Alternatieve titel: Ziggy Stardust

poster
3,5
Het eerste album dat ik ooit kocht was David Bowies Low. Op cassette, want deze piepjonge liefhebber van hitparademuziek had nog geen platenspeler. Lezend in de Popencylopedie van Oor leerde ik niet veel later over zijn vorige albums én zijn invloed. Regelmatig typeerde men deze creatieve duizendpoot in één woord: kameleon.
Toch zou het nog vele jaren duren voordat ik Starman van dit The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars hoorde; werd dat niet op de Nederlandse radio gedraaid??

Ik kom hier omdat ik de invloeden op / inspiraties voor / voorlopers van new wave aan het uitzoeken ben. Anders gezegd: toen in 1977 de punk- en newwaverevolte losbrak, kwamen vervolgens interviews met de nieuwe namen en analyses door het popjournalistiek. Informatie die ik vanaf '79 als een spons opzoog. De namen die steevast opdoken als inspiratiebronnen: Velvet Underground/Lou Reed, The Stooges/Iggy Pop, Roxy Music en David Bowie.
De voorbije week ontdekte ik dat het debuut van Roxy Music op exact dezelfde dag verscheen als deze Bowie: 16 juni 1972. Dat moet voor menigeen een fantastische muziekzomer zijn geweest!

Opvallend is dat op Ziggy Stardust sprake is van een overzichtelijke viermansgroep: gitarist Mick Ronson, wiens bijdrage aan deze en andere Bowies moeilijk kan worden overschat; Trevor Bolder die later bij Uriah Heep landde en tot zijn spijt na 1973 nooit meer met Bowie musiceerde; plus drummer Michael "Woody" Woodmansan. Voor de blazers en toetsen die af en toe opduiken werden gastmuzikanten gevraagd.
Wat eveneens opvalt is dat de kameleon zijn stem anders gebruikt dan vijf jaar later op mijn instapplaat Low. Hij zingt hoger. Het maakt de sfeer optimistischer en lichter dan in '77.

Klinkt hier al muziek die qua stijl vergelijkbaar is met de relatief eenvoudige maar energieke new wave? Tweemaal en wel op kant 2: in Hang on to Yourself en Suffragette City. De laatste verscheen in 1976 op single bij verzamelplaat Changesonebowie en miste de hitlijsten.
Maar imago, artistieke vrijheid, de veelkleurigheid in muziek én kleding, plus onvoorspelbaarheid maken Bowies invloed op dat genre veel groter. Wat dat betreft had ik ook enkele van zijn daaropvolgende platen kunnen kiezen: Aladdin Sane ('73), het stevige coveralbum Pin-ups (eveneens uit '73), Diamond Dogs ('74) en Station to Station ('76).
Pin-ups is daarbij extra interessant omdat je hier Bowies favorieten uit voorbije dagen hoort, zoals ik nu invloeden op de navolgende generatie langsreis. Op Diamond Dogs hoor ik voor het eerst dat Bowie veel gebruik maakt van een lager register van zijn stem, zoals op mijn geliefde Low.
De blue-eyed soul van Young Americans (1975) was bovendien invloedrijk voor een navolgende groep nieuwe namen, zoals Duran Duran en Spandau Ballet.

Ziggy Stardust is een album dat de sfeer van rock op akoestische basis bevat, in combinatie met elektrische en experimentele art- en glamrock. Het is gevarieerd en dat ik soms een voorafschaduwing van new wave hoor is uiteraard alleen maar wijsheid (?) achteraf. Had ik dit album als jonge tiener gehoord, dan was het waarschijnlijk mijn favoriete Bowie geweest. Nu echter is dat Low, waarvan de donkerte, mystiek en vocale kunststukjes alsmede de samenwerking met Brian Eno in mijn genen zijn gegrift.

Ik kwam hier vanaf het debuut van The Tubes en reis verder naar een onbekende groep aan de vooravond van punk en new wave. The Count Bishops brachten in 1975 de EP Speedball uit, felle pubrock als voorbode van wat komen zou.

David Bowie - The Singles Collection (1993)

poster
3,5
Met een dubbel-cd als deze blijkt maar weer eens hoe verrassend en onvoorspelbaar de carrière van David Bowie verstreek. Soms op het grillige af. Afgaande op zijn discografie biedt de 2cd een weliswaar incompleet maar relevant overzicht van zijn singles van 1969 tot en met 1987. En meer dan dat, er staan ook niet-singles op zoals Ziggy Stardust.
Ik weet niet of er fans van Bowie zijn die álles goed vinden. Ik in ieder geval niet: puur een kwestie van smaak. Met menig nummer heb ik weinig tot niets, met andere kan ik meer. Mijn voorkeur ligt bij het werk met Brian Eno, maar er zijn uitzonderingen.

Op cd 1: het vertellende Space Oddity, het bijna spirituele Starman, de glamrock van Suffragette City en Jean Genie. De laatste ontdekte ik eind 1979 als beginnend popliefhebber toen Frits Spits in het programma Poplijnen dagelijks terugblikte op de jaren '70, met iedere aflevering een ander jaar. Als een radiocursus; ik vond het prachtig en zat aan mijn transistorradio gekluisterd.
Het nummer lijkt trouwens sterk op Block Buster! van The Sweet, zo las of hoorde ik kort daarna. Die van Bowie verscheen in november '72 en die van The Sweet in januari '73: áls er al sprake is geweest van leentjebuur, dan was Bowie dus níet de schuldige.
Cd 1 sluit af met Sound and Vision, mijn eerste kennismaking met zowel Bowie als Eno. Alleen al vanwege de opbouw met dat lange intro een opvallend nummer. Over het drumgeluid kan ik enthousiast blijven schrijven...

Kant 2 gaat verder met Bowies Berlijnperiode, waarvan ik Heroes en Boys Keep Swinging waardeer. Volgende nummers die ik graag hoor zijn Ashes to Ashes, groeien moest Wild is the Wind (nooit geweten dat het een cover van Johnny Mathis/Nina Simone is), China Girl vond ik destijds aardig vanwege Bowies stemgebruik én omdat het door Iggy Pop werd geschreven, ook Blue Jean vond ik aardig (die stem!), dankzij de saxofoon in Absolute Beginners kan ik het nummer waarderen, het doet me aan Bruce Springsteens werk denken met Clarence Clemmons; dat Rick Wakeman en Steve Nieve (de laatste befaamd van Elvis Costello) meedoen was mij onbekend.

Roxy6, als Bowieliefhebber én -kenner die het bovendien allemaal bewust heeft meegemaakt, heb jij voorkeur voor bepaalde periodes? En kun je op een verzamelaar als deze van alles genieten, of haak je ook af en toe af?

David Coverdale - Into the Light (2000)

poster
4,0
Het jaar 2000. Men was bang voor een digitale crisis, omdat jaren die als 99 waren genoteerd, zouden terugspringen naar 00. Ga preppen, was het devies. Op nieuwjaarsdag constateerde ik bij enige oliebollen dat ik dat terecht niet had gedaan.
Ik was druk met een gezin met vier jonge kinderen, met hardrock en metal was ik al enige jaren klaar. En toch. Als oude vrienden als David Coverdale met nieuw werk komen, is dat interessant.

Na de hoogtijjaren '80 was hij in de jaren '90 in een gat gevallen: wie ben ik, wat kan ik? Het eerste herstel was er met de herontdekking van de loeiharde bluesrock, getuige het album dat hij in 1993 uitbracht met Jimmy Page van ooit Led Zeppelin. Vervolgens maakte hij soloalbum Restless Heart (1997), dat wegens contractuele verplichtingen tevens onder de vlag van Whitesnake moest worden uitgebracht.
Met de titel van het onder eigen naam uitgebrachte Into the Light geeft hij aan dat hij zich had hervonden. Dit met vaak lome blues, waarin hij nauwelijks de toppen van zijn longen zoekt: de hoge schreeuw is schaars. Gelukkig.

Ik kan genieten van dit album. Weliswaar herken ik wat MetalMike in juni '23 schreef, onder meer "Ik had gehoopt op een plaat met Soul en misschien weer een beetje de Gospel-feel die de solo platen hadden (...)". Het is inderdaad niet retro geworden in de stijl van zijn eerste solowerk, direct ná Deep Purple. Maar iets van de loomheid van de eerste jaren Whitesnake (de jaren met gitaristen Moody en Marsden) proef ik wel degelijk.

Het instrumentale titellied opent 77 seconden lang (kort!) de plaat en blijkt de opmaat naar het slepende River Song, dat iets heeft van Purples Mistreated. Coverdale zingt heerlijk ontspannen, bluesgrootheden als Muddy Waters en John Lee Hooker noemend. Hij had deze ode aan Jimi Hendrix al zo'n twintig jaar liggen, getuige dit interview destijds bij Melodic Rock. Gitaarwerk van Doug Bossi en Earl Slick.
Op de old-school bluesstamper She Give Me speelt Reeves Gabrels (ex-David Bowie, nadien bij The Cure) op de zes snaren, met wie het uitgroeit naar een uptempo climax.
Mede dankzij het gitaarspel van Dylan Vaughan en het orgel van Mike Finnigan in Don't You Cry heeft dat nummer een jaren '70-gevoel, alsof het is geïnspireerd door All the Young Dudes van David Bowie / Mott The Hoople.

De strijkers plus mandoline in het akoestische Love Is Blind bevallen mij eveneens goed. Met het stevige Slave hoor ik voor het eerst iets dat lijkt op de harde kant van Whitesnake, heerlijk nummer. Mondharmonica en honkytonkpiano in Cry for Love, blue eyed r&b in de stijl van Frankie Miller. Living on Love is stevig met elektrische slidegitaar in de stijl van Micky Moody, qua zanglijn niet zo pakkend.

Rockballade Midnight Blue is evenmin spannend, de ingetogen remake van Too Many Tears van de voorganger bevalt mij echter goed. Op aangeven van zanger Chris Isaak een poging om het nummer in de stijl van Roy Orbison te doen, getuige dit interview bij Eon Music.
Don't Lie to Me is na alle melancholie een verrassend felle rocker, eentje die goed bevalt bovendien. Eén van de nummers die hij schreef met Earl Slick. Wel valt op hoe snel Coverdales stem schel wordt als hij kracht zet. Het ingetogen slotlied Wherever You May Go is een pareltje, mede dankzij de stem van Linda Rowberry. En dat zegt iemand die niet van ballades houdt...

Ik leerde David Coverdale begin jaren '80 kennen als de romantische, bronstige hengst van Whitesnake. Op Into the Light is hij verrassend kwetsbaar, een kant die hij niet eerder zo sterk liet zien. Ja: fijn!

Ook dit album verscheen nadien onder de vlag van Whitesnake, in dit geval als onderdeel van The Solo Albums in een andere trackvolgorde en zonder het titelnummer. Zie hierboven wat Wyverex op 30 oktober 2024 schreef.

David Coverdale - Northwinds (1978)

poster
3,5
De tweede soloplaat van David Coverdale verscheen eveneens bij Purple Records en net als op zijn solodebuut White Snake is hij hier nog niet de hardrocker van daarvoor bij Deep Purple of daarna bij Whitesnake.
In maart 1978 verscheen het album met twee verschillende hoezen bij Purple Records. Naast de bekende die MuMe terecht toont, is er een alternatieve hoes met op de achterzijde een witte slang.

Wederom geproduceerd door Roger Glover, werd van veel meer gastmusici gebruik gemaakt dan op White Snake van het jaar ervoor. Daarbij opvallende namen als een piepkleine achtergrondzangrol voor Ronnie James Dio en zijn tweede eega en latere manager Wendy, mondharmonica door Lee Brilleaux van pubrockgroep Dr. Feelgood, medeschrijver van drie nummers en gitarist Micky Moody en drummer Simon Phillips.
Bij de professionele achtergrondzangers enkele namen die ik ken van Roger Glovers Butterfly Ball en Bernie Marsdens solodebuut And About Time Too. Oftewel, de kringen van (post-)Deep Purple doen zich ook hier gelden.

Op Northwinds klinken in eerste instantie lichtere vormen van rock: funkrock (Keep on Giving Me Love), poprock (het titelnummer), maar ook gospel-met-blazers (Give Me Kindness) en ingetogen soul (Time & Again waar Coverdale zelf piano speelt).
Op de B-kant wordt het steviger. Queen of Hearts begint ingetogen maar wordt geleidelijk intenser, waarna hét hoogtepunt van dit album volgt met het eveneens midtempo Only My Soul, fraai opgebouwd met het beste en meest intense werk van Coverdale, in welke fase van zijn carrière dan ook.
Say You Love Me is een popballade, waarna met afsluiter Breakdown voor het eerst het geluid van Whitesnake (de groep) volop klinkt. Niet verwonderlijk: geschreven met Moody.
In 2000 verscheen een cd-bonuseditie bij Connaisseur en Eagle met daarop Shame the Devil en Sweet Mistreater, rock die mij weinig doet. De diephese stem van Coverdale tilt echter ook deze mindere composities naar een voldoende.

Als geheel vind ik Northwinds minder sterk dan zijn solodebuut, maar met Only My Soul en Breakdown wordt de plaat desondanks naar een dikke voldoende getild.
Mijn streaming platform biedt deze twee Coverdales niet aan, daarvoor wijk ik uit naar JijBuis.
Slechts drie maanden later verscheen de EP Snakebite, voor het eerst onder de vlag van Whitesnake.

David Coverdale - Whitesnake (1977)

poster
3,5
De groep Deep Purple mocht dan ter ziele zijn, dat gold niet voor de firma erachter. Het is daar dat de laatste zanger van Deep Purple in 1977 de kans krijgt om zijn eerste soloalbum uit te brengen. Hiervoor werd een project gevormd met producer/bassist en hier soms toetsenist Roger Glover, lid van Deep Purple voordat Coverdale toetrad, drummer Simon Phillips en slidegitarist Micky Moody.
De laatste was in de jaren '70 actief bij de groep Snafu met wie hij drie albums maakte, vervolgens in dienst bij de latere Rainbow- en MSG-zanger Graham Bonnet plus bij de blue eyed r&b-groep van Frankie Miller. Een drukbezet man, in 1977 behalve bij Coverdale ook druk met The Young en Moody Band met daarin Bob Young, de manager van Status Quo.

David Coverdale werd dit jaar 72 en zijn stem is inmiddels redelijk vergruisd. In 1977 werd hij 26 en mede daarom is het aangenaam om des mans stem in alle glorie te horen. Deze vormt de kracht van het solodebuut White Snake, qua composities is het echter wisselvalliger.
Zoals hierboven door anderen ook al aangegeven start het weliswaar sterk dankzij het met Moody geschreven Lady , dat met blazers en een lekker damesachtergrondkoortje een rockend souljasje heeft. Vermeldenswaardig zijn de leden van het achtergrondkoortje: Liza Strike, Helen Chappelle en Barry St. John zijn ook te horen op The Butterfly Ball and the Grasshopper's Feast (1974) van Roger Glover.
Ballade Blindman mag er ook zijn en belandde drie jaar later op Whitesnakes Ready An' Willing in een nog sterker jasje. Verrassend goed past zijn stem bij het langzame Goldie's Place, waar dankzij blazers en de koortjes soulsferen domineren. Coverdale heeft een "zwarte" stem, hiervoor geschikt. Met Whitesnake (zonder spatie) klinkt de tweede bijdrage van Moody en ook dit nummer mag er zijn.

Kant 2 begint rustig met de volgende van Coverdale-Moody en wel Time on My Side, dat vervolgens midtempo wordt en vol blues aangenaam rockt. Het is vooral hier dat stokkenman Phillips de aandacht trekt.
Vervolgens Sunny Days op de grens van pop en soul, oftewel koper en koortjes én de bronzen stem van Coverdale. Steviger is het met Sunny Days, een rockertje met nogmaals blazers en dames in het refrein.
Tot dan toe vind ik het meestal aangenaam, maar met ballade Hole in the Sky en het pseudo-Caribische Celebration, het vierde nummer met Moody geschreven, loopt het album leeg als een lekke band.

Het einde van Deep Purple in juli '76 had Coverdale hard geraakt en de dood van gitarist Tommy Bolin in december dat jaar deed er nog een schepje bovenop. Met White Snake is hoorbaar hoe hij probeerde zijn weg te vervolgen. Nogmaals, met de achteruitgang van zijn stem in recente jaren is het sowieso aangenaam zijn stembanden in topvorm te horen, ook al moest hij hier zijn muzikale koers nog vinden.

David Coverdale & Whitesnake - Restless Heart (1997)

poster
3,5
Ik herinner me een herfstvakantie in het Zuid-Limburgse Gulpen, waar ik deze in een cd-winkel zag liggen - toen het dorp nog over zo'n soort zaak beschikte. Bedoeld als een solo-cd werd het mede onder de vlag van Whitesnake uitgebracht, in feite is het echter vooral een collaboratie van David Coverdale met Ad van den Berg, alias Adrian Vandenberg. Met toetsenist Brett Tuggle (ex-David Lee Roth), bassist Guy Pratt en drummer Denny Carmassi (ex-Heart). Op achtergrondzang onder meer Tommy Funderburk.

De elpee was ter ziele ten faveure van de cd (dachten we), waarbij ik de omvang van de platenhoes wel miste... Een stukje romantiek was verdwenen.
Er bleek meer veranderd: de zanger wilde het dichter bij zichzelf houden. Dan krijg je een start met een saaie ballade, gevolgd door het relaxt rockende All in the Name of Love. Aardig liedje, maar met Restless Heart en de blues in Too Many Tears volgt werk dat mij beter ligt, namelijk steviger.
Dankzij Crying volgt zwaardere blues, lijkend op zijn werk met Jimmy Page van vier jaar eerder; echter een fraai refrein in de stijl van Whitesnake.
Via Stay with Me is daar een ballade waarin Coverdale de toppen van zijn stem zoekt en Can't Go On volgt eenzelfde stijl maar dan kalmer. Liever het rockende You're So Fine, dat helaas door ballade nummer 4 Your Precious Love wordt gevolgd, zij het dat de gitaarlicks lekker zijn.
Zeppeliaanse blues(hard)rock sluit het album af, getuige Take Me Back Again dat wegheeft van Dazed and Confused op Zeppelins debuut en Woman Trouble Blues met Elk Thunder op mondharmonica.

Vandenberg levert voortreffelijk werk, het zijn echter de composities die me vaak niet pakken. Sinds 2021 is er de 25th Anniversary Edition waarbij de naam van Coverdale opeens van de voorzijde is verdwenen, als was dit een groepsalbum. Toch blijf je horen dat dát niet het geval was. Al met al een aardig album van de man en een wat vreemde slang in het nest als je dit als een Whitesnake beschouwt.

David Eugene Edwards - Hyacinth (2023)

poster
3,5
Alsof je buiten loopt en donkere wolken pakken zich samen boven je hoofd, waarna donderende geluiden en een plenzende stortregen je omhullen. En toch ga ik niet schuilen, gefascineerd door wat zich afspeelt.

David Eugene Edwards houdt van monotone melodieën en intense muziek, die zich moeilijk onder een genrestickertje laat insluiten. Hoe omschrijf je bijvoorbeeld het bezwerende effect? Op zijn eerste album onder eigen naam is dat niet anders.
Terwijl ik zijn vorige album (Silver Sash van Wovenhand) na twee knalharde maar mindere albums een stap in de goede richting vond, was ik benieuwd naar zijn solodebuut onder eigen naam met Hyacinth. Ik luister via streaming.

De eerste indrukken waren moeizaam. Het album opent met Seraph, oftewel een engel. Je proeft iets van de kracht van dit hemelwezen, dat hij "descending there" ziet. De muziek is traditiegetrouw zwaar. Akoestische gitaar met heftige electronische sfeergeluiden. Weinig idee waar de man over zingt en van het hoesje (gespiekt op Discogs) word ik ook al niet wijzer. Wat is dit voor mythologisch verhaal? Is het Hebreeuws, is het Sioux?

Ben op zoek gegaan naar een recent interview, maar die geeft hij al jarenlang zelden. Gelukkig vond ik dit gesprek bij podcast True Tunes van juli 2022. Na een interessante inleiding begint het daadwerkelijke gesprek op 9'52".
Zij komen met de term 'apocalyptic art', die in allerlei kunstvormen opduikt. Zo ook in de muziek van Edwards, tot 'apocalyptic Americana' gedoopt, waarin verborgen zaken worden geopenbaard. Edwards is persoonlijk en legt één en ander uit, te veel om hier samen te vatten.

Op Howling Flower is de akoestische gitaar prominenter, weer omgeven door digitale donder. Vol en zwaar geproduceerd met een sterk sfeereffect. In Celeste herken ik de geluiden van Wovenhands The Threshingfloor (2010). Er klinken digitale drums en meer synthgeluiden. Enerzijds mooi, maar door het gebrek aan melodie wordt het moeilijk de aandacht erbij te houden.
Deze combinatie van akoestische gitaren en elektronische wolken zet zich op de rest van het album voort. De monotonie van de melodieën maakt het, net als spinout beleefde, tot een lange zit. Wat eerst fascinerende donderwolken waren, verwordt geleidelijk tot een grijze lucht en eentonige motregen, uitgezonderd de fraaie ijle dwarsfluit in Lionisis. Een woord dat al in Howling Flower wordt genoemd.
Met het korte instrumentale Hall of Mirrors gaat het opeens stortregenen en dan volgt het laatste nummer: ik herken The Cuckoo dankzij Rory Gallagher op diens Wheels Within Wheels. Een album dat ik er vervolgens meteen bijpakte, afgelopen maandag. Edwards zingt echter een iets andere tekst. Het blijkt een folklied uit tenminste de 18e eeuw te zijn waarvan al vele variaties bestonden, getuige Wikipedia. Vergelijk ik de aanpak van de melodie van Gallagher en Edwards, dan valt wederom de monotonie van de laatste op.

Conclusie na vijf dagen regelmatig draaien: meer ruimte voor akoestische geluiden, consequent ondersteund door digitale sferen. Edwards stem laveert zich daarbij in een wolkje galm door vrij eentonige melodieën. Dit met teksten alsof hij omhoog gezogen was in hemelse sferen en tussen serafs verbleef. Een openbaring van Edwards, om het overdreven te stellen. Het blijft fascinerend. Toch maar aanschaffen?

David Lee Roth - A Little Ain't Enough (1991)

poster
3,0
Hierboven zijn kenners iggy en OzzyLoud het niet eens: "hier werd de teloorgang van dave solo ingezet" tegenover "gelukkig wel weer beter als Skyscraper". Er valt voor beide wat te zeggen, concludeer ik na enkele malen luisteren. Op A Little Ain't Enough uit januari 1991 klinkt in ieder geval een steviger geluid.

Begin jaren '90 hoorde je bij onder meer David Lee Roth dat de muzieksmaak in hardrockland veranderde. Dat nog vóórdat Nirvana en grunge de rockwereld verlosten van party metal (vanaf oktober '91 ging Smells Like Teen Spirit lós, dat laatste genre maar helaas ook serieuzere metal en hardrock van MTV verdrijvend; opeens was alles wat een houthakkershemd droeg okay).
Zou het de invloed van Guns 'n' Roses zijn geweest, dat vanaf 1988 met hun ongepolijste hardrock grote indruk maakte én platen bij de vleet verkocht?
Of komt het doordat Steve Vai, co-componist van menig nummer op de eerste twee van Roth, plaatsmaakte voor snarenracer Jason Becker, van wie we op A Little Ain't Enough slechts twee composities tegenkomen? De meeste nummers hier werden geschreven door Roth met toetsenist Brett Tuggle, waarbij frivoliteit plaatsmaakte voor doorsnee hardrock.
Of is het de invloed van Roths nieuwe producer, de Canadese veteraan Bob Rock? De man stond erom bekend dat de gitaren hoog in zijn mixen zaten, getuige zijn werk voor onder meer Kingdom Come (1988), The Cult en Mötley Crüe (beiden in '89). Bij de eerste twee van Roth (productie door respectievelijk Ted Templeman en Roth/Vai) horen we een opener geluid dan hier en op de tweede is meer ruimte voor toetsen en zelfs enige invloed jaren '80-dance.

Einde speculatie. Naast Becker trad nóg een gitarist toe: Steve Hunter, mede verantwoordelijk voor de blues in de muziek. Drummer Gregg Bissonnette was gebleven en diens broer Matt speelde nu basgitaar. Een prima muzikant, maar hij ontbeert het spektakel van voorganger Billy Sheehan.
Het resultaat: te vaak (zes) middelmatige composities. Drie nummers groeien bij herhaaldelijk draaien, te weten het midtempo Lady Luck, medegeschreven met ex-Diogitarist Craig Goldy, dat leuke akkoordenprogressie bevat; boogiehardrock in Hammerhead Shark met een leuk gitaarduel en warme blues in Tell the Truth.
Toch is het pas met de laatste twee nummers echt raak en laten die nou met Becker zijn geschreven: It's Showtime! bevat een kenmerkend (Van Haleniaans) koortje, stampt als Hot for Teacher zeven jaar eerder deed, bovendien met swingende Vaiaanse licks plus de eerste pakkende gitaarsolo van de plaat; Drop in the Bucket begint met akoestische gitaar, wordt dan stevig en swingend en heeft een pakkend refrein met bovendien Roth op mondharmonica.

Van tevoren zou je tekenen voor een rockende plaat met de toetsen minder dominant. Toch is
A Little Ain't Enough als een barbecuefeestje waarvan het vuur pas tegen het einde warm genoeg wordt. Het manco zit hem in de zes composities die teveel lijken op wat andere namen deden én dat te veel nummers te lang duren.
Met in totaal 45 minuten duurt het album naar cd-maatstaven kort, maar bij zowel Van Halen als Roth leidt dat tot overbodige herhaling. Daarbij ontbreekt het zomerse gevoel van voorheen.

Becker bleek vervolgens chronisch ziek en Joe Holmes werd zijn tourvervanger, waarna grunge de hardrockwereld een paar treden van de trap deed glibberen. Ondertussen ging Bob Rock worstelen met een viertal Metallicamannen en hun zwarte album, dat het echter goed deed ondanks de nieuwe rockmode.

David Lee Roth - Crazy from the Heat (1985)

poster
3,0
Van deze muziek wordt zelfs de grootste chagrijn vrolijk. Zou je kunnen beweren. Doe ik niet, want ik word dat niet en tegelijkertijd wil ik niet voor een azijnpisser worden uitgemaakt.
Niet dat ik het niks vind, dat is het ook niet. Maar vrolijk worden? Nee, zelfs niet toen ik dit op mijn hoofdtelefoon afspeelde, wandelend over een zonnige boulevard met in het water surfers en een enkele zwemmer in de golven (de wind was wat fris) en op op het land kinderen die in het zand speelden plus ijsjesetende mensen die over het water tuurden, de geuren van crêpes en vis in de neus, vermengd met het zout van de zeelucht.

In 1985 vond ik het grappig en opvallend dat David Lee Roth, frontman van de grootste hardrockgroep op dat moment, dit durfde. Een EP onder eigen naam met zomerse covers waarbij eentje van de Beach Boys en een dubbele van Louis Prima, ver weg van wat hij tot dan toe had gedaan. Tegelijkertijd vond ik er niks aan.
Eigenlijk zit ik er nog net zo in. Gedurfd is het zeker, maar als dit niet David Lee Roth was geweest had ik het links laten liggen.

Korte tijd nadat ik de videoclip bij California Girls zag, kwam het bericht dat hij Van Halen had verlaten. Hij rook kennelijk de vrijheid, want dit verkocht als ijsjes op een hete dag, zeker in zijn eigen Verenigde Staten. Hier meer informatie over dit geinige zijstapje.

David Lee Roth - Diamond Dave (2003)

poster
3,5
2003. Vijf jaar na zijn laatste soloalbum brengt David Lee Roth een nieuwe uit. Okay, een coveralbum, maar het moederschip Van Halen is dan al even lang zonder nieuwe muziek. Heel anders dan Sammy Hagar, die in 2003 alweer zeven jaar ex-Van Halen is en inmiddels vier studio- en één livealbum aan zijn oeuvre heeft toegevoegd.
Stilzitten kan Roth echter slecht: zo trad hij in 1995 enige tijd op in Las Vegas op met swingende blazers en prachtige danseressen (zie hier bij The Tonight Show) en dicteerde een goed ontvangen autobiografie (1997).

Roth heeft veel meer interesses dan muziek en doet waar hij goesting voor heeft. Zoals dit coveralbum, opgenomen met een keur aan studiomuzikanten en bekende namen, van Nile Rodgers tot Edgar Winter, de laatste als saxofonist.
Op Diamond Dave klinkt vooral rock in bluessferen. Dat met covers van Savoy Brown, Steve Miller, The Doors en Jimi Hendrix. Maar ook dampende soul in She's Looking Good van Rodger Williams, muziek van de fab four in That Beatles Tune, het obscure Let It All Hang Out (1967) van The Hombres en bigbandswing in Bad Habits.
Plus verderop eigen werk. In zijn eentje blues: geslaagd met mondharmonica in Medicine Man en als overflauwe grap in Act One. Plus het hardrockende Thug Man. En dan covert hij zichzelf in Ice Cream Man, al was dat eigenlijk op Van Halens debuut al een cover.

Wat de plaat mede aangenaam maakt, is dat hij zijn stem niet forceert zoals op voorganger DLR-Band. Roth blijft in de lagere regionen, waarbij zelfs de hoge oeeh's en aaah's schaars zijn - met Thug Man als uitzondering.

Roths volgende klus: hij volgt een opleiding tot SEH-verpleegkundige (!) en rijdt zo in 2004 de nodige spoedritten in New York; het moet wel spannend blijven...
Dan was er een korte reünie (alweer) bij Van Halen, resulterend in deze verzamelaar. En hij ging nogmaals coveren: Van Halen in country- en bluegrassjasjes op Strummin' with the Devil.

David Lee Roth - DLR Band (1998)

poster
3,5
Het is een beetje hoe je er bij de vijfde langspeler van David Lee Roth instapte. De meeste fans zullen hebben gehoopt op een Van Halen revisited of de twee platen die hij met Steve Vai maakte. Het duo albums daarna was serieuzer van aard en kostte hem fans.

Drie maanden nadat Van Halen hun III uitbracht, volgde de oorspronkelijke zanger met zijn DLR Band. Eveneens een titel waarmee je suggereert een nieuw begin te maken. Voorganger Your Filthy Little Mouth kwam tot #78 en compilatie The Best in 1997 niet verder dan een teleurstellende #199.
De verkoop van Roths nieuwe was nog minder. Dat zit 'm (denk ik) niet zozeer in de muziek, maar in zakelijke factoren. DLR Band is in eigen beheer uitgebracht, waardoor distributie én promotie bepaald niet top waren. De livetour begon pas een jaar later, naar verluidt omdat Roth geen tournee wenste als opener voor een andere naam.
Anno 2024 merken we nog altijd de gevolgen: het staat niet op de grote streamingkanalen, wél kun je het bij Amazon dowloaden. Gelukkig bieden fans op YouTube uitkomst, zoals hier.

Een nieuwe start met de begaafde gitaristen Terry Kilgore, John '5' Lowery en tweemaal Mike Hartman, drummer Ray Luzier en op de meeste nummers bassist 'B'urbon' Bob Marlette.
Hier en daar forceert Roth zijn stem door te hoog te zingen. Waar hij het lager houdt is het genieten, omdat zowel composities als gitaarwerk dik in orde zijn. Ja, dit is weer een ríffplaat waarop hij regelmatig het niveau van voorbije dagen haalt met ouderwetse bravoure. Wie de skipknop gebruikt, zal van acht nummers kunnen genieten.

Opener Slam Dunk! knalt met dubbele basdrum de speakers uit en Counter-Blast is eveneens heerlijk uptempo. King of the Hill bevat een zware riff en de nodige shredgitaren, waarna een twaalfsnarige akoestische gitaar de rockende blues van Going Places inzet. Wa Wa Zat!! is niet alleen de naam van zijn eigen label, maar tevens een swingend nummer. Gitaarspel en melodie doen oude tijden herleven.
Blues en zelfs een doomriff in Right Tool for the Job, vervolgens rockt Tight vrolijk en vlot en slotlied Black Sand is fraai en ingetogen met een kant van Roth die hem verrassend goed past.

Dan resteren er zes nummers die goed in elkaar zitten, waar Roth echter zijn zanglijnen lager had moeten houden. Dat vind ik helemaal jammer bij Relentless, dat goed in elkaar zit. Kwam er sleet op zijn stembanden of overschatte hij zichzelf? Een kritische producer had tegenwicht kunnen bieden, maar hij liet slechts een drietal technici toe, waaronder Erwin Musper die ook de mix deed.

DLR Band miste de Billboard 200-albumlijst. Desalniettemin onverwacht lekker met het feestgevoel waarmee ik Roth leerde kennen: ik waardeer dit met een 7,5, uitgedrukt in 3,5 ster.

David Lee Roth - Eat 'em and Smile (1986)

poster
3,5
David Lee Roth die met zijn bipsje nadrukkelijk in beeld heen en weer zwiept. Ik had er niet zoveel mee. Het waren de topjaren van videoclips; MTV en Roth waren voor elkaar gemaakt.
Neemt niet weg dat de muziek op Eat 'em and Smile stáát, omdat Roth net als Ozzy Osbourne in 1980 een drietal ijzersterke muzikanten om zich heen verzamelde die bovendien goed bij elkaar pasten. De perfecte omgeving om je los te maken van je voormalige band. Pret en muzikantenschap kropen dan ook in de composities. Of zoals Steve Vai in dit interview meldt vanaf 2'47": "I was very at ease" en "We had a great time". Het ultrasnelle basspel van Billy Sheehan in bijvoorbeeld Elephant Gun, terwijl Gregg Bissonette dezelfde kwaliteiten als slagwerker etaleert.

In mijn oren keert Roth terug naar de eerste twee albums met Van Halen: speels, stevig, korte nummers en meestal geen toetsen, zoals in de ijzersterke aftrap met Yankee Rose en het snelle Shyboy. In mijn favoriet Goin' Crazy wél klavieren, bespeeld door Jesse Harms, hiervoor in de groep van Sammy Hagar.
Dat Roth en Vai van blues houden is hoorbaar in I'm Easy, waarin bovendien blazers klinken; die brengen iets van de swingjazz van Roths EP Crazy from the Heat van het jaar ervoor. Meer blues en klavieren in Tobacco Road en slotlied That's Life met naast blazers ook strijkers en zelfs een oeeeh-aaaah-dameskoortje.

In 1986 gelijktijdig verschenen vinyl en cd, gebeurt me hier wat met menig vinylelpee gebeurde: de eerste elpeekant vind ik beter dan de tweede. Met de kleurige hoes overigens een album dat alleen daarom al mijn voorkeur heeft op vinyl. Ik wist niet dat hij ook een Spaanstalige versie maakte, dank aan de MuMensen die daarop wezen: hóe leuk!

Rondstruinend op internet kom je de spraakwaterval op menig plek tegen, zo doceert hij over jazz en legt al zingend Lennon-McCartney uit en bovendien heeft hij een eigen podcast. Een waardige carrière buiten Van Halen als presentator en als geïnterviewde: de man heeft altijd wat te melden. Ik zie zeker weten liever zijn hoofd dan zijn achterwerk.

David Lee Roth - House of Blues-West Hollywood ’94 (2017)

poster
2,5
David Lee Roth live. House of Blues-West Hollywood ’94 bevat vooral solowerk, vijfmaal klinkt werk uit de periode Van Halen.
Opgenomen ten tijde van de tour voor Your Filthy Little Mouth is deze onofficiële 2cd vooral voor de fanatieke fan. Het is namelijk een radio-uitzending met een enkel commentaar van een presentator. Qua concert hoor je een vrij ruw mengpaneelgeluid met de drums behoorlijk laag in de mix en de zang hoog.

Dat Diamond Dave een rasentertainer is, wordt weer eens duidelijk: zijn tussenbabbels duren soms láng. Maar in zijn band zaten geen prutsers, zelfs al was deze versie van de David Lee Roth Band een kort leven beschoren: Rocket Richotte op gitaar, Brett Tuggle op toetsen, James Hunting op bas, Ron Wikso op drums. In Beautiful Girls speelt Roth niet onverdienstelijk mondharmonica. De stem van oom Dave is beter dan enkele jaren later bij zijn terugkeer bij Van Halen, al overschreeuwt hij zich lelijk in de eerste regels van slotnummer Jump.

Leuk is dat de groep ook werk speelt van Roths eerste solo-EP Crazy from the Heat, toen hij de showbizzkant zocht, weg van hardrock. Just a Gigolo en California Girls passen goed in de setlist met daarin ook de cover van Willie Nelsons Night Life, te vinden op Roths laatste album. Jammer is dat er niet meer werk wordt gespeeld van zijn twee albums met Steve Vai in de groep.

Ook te horen op YouTube. Wie 'm op cd wil, loopt tegen prijzen op die eigenlijk te hoog zijn voor het gebodene.

David Lee Roth - Skyscraper (1988)

poster
3,0
In januari 1988 was daar de tweede elpee van David Lee Roth. Scyscraper verscheen in een maand die in mijn hoofd niet paste bij de man, die ik associeer met zomer, strand en bikini's. De hoes veroorzaakte een tweede "error" in mijn hoofd: bergbeklimmen met een alpinopet op? Dat laatste: niet okay. Bovendien waren er in die periode veel nieuwe bands die mijn aandacht vroegen en dus liet ik de plaat links liggen, zelfs in de fonotheek.
Neemt niet weg dat Just Like Paradise veelvuldig op MTV en Sky Channel was te zien. #6 in de Billboard Hot 100, waar Rick Astley op 1 stond. Een aanstekelijk liedje in de kenmerkende Rothstijl, vergelijkbaar met de eerste twee albums van Van Halen. Even gecheckt: in de Nationale Hitparade haalt het de nietszeggende positie van #77, nog lager dan vroeger de Tipparade. Die hitlijst was overgegaan naar de TROS en daarbij fors uitgebreid. Nog iets wat mijn aandacht niet meer had...

Maar heb inmiddels een mooie wandeling gemaakt met deze plaat in de oren en ook nu ik weer thuis ben, blijk ik toch wel degelijk wat te hebben gemist. Opgenomen met dezelfde topmuzikanten als het debuut is de groep uitgebreid met toetsenist en liedschrijver Brett Tuggle, wiens instrument een bescheiden rol speelt. Toch kan ik me voorstellen dat sommigen het niks vonden: basvirtuoos Billy Sheehan noemde het in 2009 "he wanted to mix dance beats into the music" en was als eerste weg.
Het zijn de toetsen die het geluid gelikter maakten en ik kan me voorstellen dat niet iedere fan daarop zat te wachten. Dance hoor ik eigenlijk alleen in Stand up en met de oren van nu valt het mee: geen zware beats, wel van het type dat Astley ook in zijn muziek liet stoppen. De dagen van producerstrio Stock-Aitken-Waterman.

Tuggle schreef mee aan drie nummers, gitarist Steve Vai aan zes. De beste zitten op de eerste plaatkant: naast de single (in het slot a capella door onder meer gastzanger Tommy Funderburk) zijn dat de aardige uptempo opener Knucklebones, het pompende The Bottom Line, het swingende titelnummer en het reflectieve Damn Good met práchtig gitaarspel van Vai.
Deze speelt verder in een frivole en spetterende gitaarstijl, die in veel doet denken aan Eddie Van Halen, maar blijft weg van de zwaarte die eveneens op de eerste twee klassiekers van die groep was te vinden. Op de tweede helft van de plaat ontbreken uitschieters, waardoor de berg verschrompelt tot een heuveltje. De blazers in Two Fools a Minute helpen niet, al valt op dat Roth daarmee iets van zijn swingliefde toont.

Als de groep gaat touren is Sheehan al weg en ontstaat het gerucht over duct tape op het podium: de bandleden mochten daar niet voorbij. In maart dit jaar bevestigde hij dat verhaal, waarbij hij de naam van Vai niet noemt, maar die lijkt dé logische bron van zijn verhaal te zijn.

Waar voorganger Eat 'Em and Smile in Nederland nog tot #57 reikte, klom Skyscraper in februari '88 naar #39. Best goed voor Nederlandse begrippen.

David Lee Roth - Your Filthy Little Mouth (1994)

poster
2,0
De jaren '90 waren definitief begonnen. Ook bij David Lee Roth. Die had ten eerste de haartjes korter laten knippen. Hij is bovendien verhuisd van Los Angeles naar New York, zoals een journaliste in haar introductie voor een interview vertelt en hoorbaar is dat de muziek van die stad hem niet onberoerd liet. Niet meer virtuoze prethardrock, zoals zijn eerste twee soloplaten met Steve Vai.

Op de eerste drie tracks van Your Filthy Little Mouth valt het overigens wel mee, er wordt nog stevig gerockt. Zoals in de midtempo opener She's My Machine, dat ook op single verscheen. De volgende twee nummers zijn uptempo, tot zover geen verrassingen waarbij Big Train de stevigste is. In het boekje valt op dat hij met een grote groep sessiemuzikanten werkte, met als kern gitarist Terry Kilgore, bassist John Regan en toetsenist Richard Hilton. Geproduceerd door Nile Rodgers, ooit bij Chic.

Dan volgt een blokje blues. Eerst langzaam en warm in Experience, uptempo met blazers en dameskoortje in A Little Luck, bluesrock in Cheatin' Heart Cafe, gevolgd door het uptempo Hey, You Never Know waar ook enige countryrock klinkt en het koortje terugkeert.
Oude fans zullen dit matig vinden, maar bij de raps in No Big 'Ting zie ik menigeen afhaken. Verder wel een aardig nummer, maar ook ik krijg bij deze jaren '90-raprock een vieze smaak in de mond. Moby integreerde indertijd soortgelijke invloeden in zijn dance; daar past het veel beter dan hier.

Na het rockende You're Breathin' It volgt meer blues. Stevig in titelnummer Your Filthy Little Mouth dat ik pakkend vind, midtempo in Land's Edge, een langzame variant in Night Life en ronduit ingetogen in Sunburn.
Daarmee is het eigenlijke album van 52 minuten voorbij, waarna als een soort bonus een reprise van You're Breathin' It volgt, nu met drumcomputer als Urban NYC Mix. Japanse fans kregen nóg een nummer, de non-album B-kant van single She's My Machine. Op Mississippi Blues klinkt... Juist.

Ik betwijfel of Roth hiermee veel nieuwe fans maakte. Waarschijnlijker is dat hij een album wilde waar hij zin in had, zonder rekening te hoeven houden met de verwachtingen van fans. Dat is uiteraard zijn goed recht, zoals het het mijne is om maar weinig sterren uit te delen.

David Ragsdale - David & Goliath (1997)

poster
4,0
Vanaf zijn derde kreeg David Ragsdale vioollessen, met de puberteit ruilde hij die in voor gitaar (daar kun je immers popmuziek op spelen) en toen hij in 1974 Can I Tell You van Kansas' debuutplaat hoorde, nam hij de viool weer in de hand: nu wist hij dat je dit instrument in rock kunt gebruiken!
Vervolgens studeerde hij aan het conservatorium. Als hij in 1986 het vioolloze comebackalbum van Kansas hoort, Power genaamd, is hij zo vrij om voor één van de nummers zelf een vioolpartij toe te voegen, welke hij naar de band stuurt. Drummer en manager Phil Ehart is gecharmeerd is van Ragsdales werk en de twee houden contact. In 1991 treedt de man zelfs toe tot Kansas, dat voor het eerst sinds 1983 weer "die groep met viool" is.
Hij is te horen op Live at the Whisky (1992) en studioalbum Freaks of Nature (1995). Maar de manier om te overleven in de jaren '90 is voor deze classic rockband vooral touren, touren, touren. In 1997 is hij dit moe en verlaat de band. Hij verhuist naar Las Vegas waar hij in theatershows deel uitmaakt van diverse muziekgroepen.

In 1998 verschijnt album David & Goliath, waarop hij zijn eigen composities kwijt kon. Die had hij ongetwijfeld gedurende de jaren ervoor geschreven, want in de tien instrumentale nummers dendert een rijkdom aan ideeën, melodieën en virtuositeit over de luisteraar heen. Niet iets wat je in een jaartje schrijft.
Ragsdale speelde naast viool ook akoestische en elektrische gitaar, toetsen en wat percussie; de ongetwijfeld ook op het conservatorium afgestudeerde Tom Nordin op drums en Jerry Peek op (soms zessnarige) basgitaar; Randy Bettingfeild deed de resterende toetsenpartijen. De vette productie, in handen van Skip Slaughter maakt dat de muziek knallend uit de speakers komt.

Het is ook een heavy plaatje, zoals de eerste tonen van opener Bach Stabber duidelijk maken: een scheurende gitaar trapt de cd af. Vanwege zijn verleden bij Kansas is de associatie met hen meteen aanwezig, waarbij we vooral aan de meest intense stukken van zijn oude bandje moeten denken. Over de gitaar dartelt een frivole en virtuoze viool, dansend als de melodieën van J.S. Bachs Brandenburgse Concerten of Vivaldi's vioolmuziek.
De twee daarop volgende nummers bevatten meer stormende progrockvirtuositeit, alsof Ragsdale zich al jaren heeft moeten inhouden; ook op gitaar blijkt hij virtuoos en snel te kunnen spelen. Zo klinkt in Rondo & Fugue een duet tussen viool en akoestische gitaar. Met het toepasselijk genaamde After the Storm gaat de wind even liggen.
Het wordt gevolgd door één van de sterkste nummers, Opus 2 No. 1 waarin melodie belangrijker is dan virtuositeit. Wederom een stevig nummer maar Ragsdale houdt zich wat meer in, alsof het door Kerry Livgren werd geschreven.

Het magnum opus van David & Goliath is het titelnummer, wat aan de binnenzijde van de cd deel voor deel wordt toegelicht; het is bedoeld als een "muziekgedicht van late 19e eeuw", legt hij uit, "filmmuziek zonder film". Het verhaal van de strijd tussen de jongen en de reus, Ragsdale noteert ook waar dit in de Bijbel is te vinden, zet hij als filmscenes om in muziek. Het levert een dikke zes minuten progrock van hoog niveau op. Dit met zowel rustige als drukke passages, waarin varatie troef is.
Jungle Waterfall klinkt als een herontdekte schat uit Kansas' kluis, met het akoestische Stu's Lament wordt rustig afgesloten.

Een sterk instrumentaal album voor iemand die weliswaar niet de eerste persoon was die de rol van violist in Kansas vervulde, maar die met klasse invulde. Hoe goed hij is, wordt pas op dit soloalbum duidelijk.
In 1997 is zijn vervanger dezelfde als zijn voorganger, namelijk Robby Steinhardt. Als deze in 2006 met "pensioen" gaat, is Ragsdale wederom zijn vervanger. In mei dit jaar meldt Kansas dat de inmiddels 65-jarige Ragsdale zich op zijn beurt terugtrekt, zijn vervanger is Joe Deninzon van de groep Stratospheerius.

Extra charme is dat het een instrumentaal album is, wat op z'n tijd lekker is. Eens kijken of Ragsdale nog eens een soloplaatje maakt, dit debuut mag wel een vervolg krijgen.

De Brassers - En Toen Was Er Niets Meer (1980)

poster
4,0
... vijftien jaar later is er streaming en staan de drie nummers van deze single daarop als onderdeel van 1979 - 1982, een verzamelaar uit 2010. Inderdaad vergelijkbaar met Joy Division maar dan afkomstig uit Hamont in Belgisch-Limburg aan de grens met Nederland, nabij Valkenswaard en Eindhoven.
Ik kwam eerder muziek tegen uit die buurt. Uit die laatste stad kwamen The Flyin' Spiderz, een groep die ik tegenkwam bij mijn reis door new wave met hun twee albums. Jammer genoeg staat het vervolg van deze groep als The Spiderz nog niet op mijn streamingplatform. Uit België kwam ik eerder onder meer de Antwerpse The Kids tegen. Die groepen werkten Engelstalig, De Brassers werken hier (nog) in hun moerstaal.

Bij De Brassers klinkt op single En Toen Was Er Niets Meer voluit new wave / postpunk. Het is somber, monotoon en donker maar tegelijkertijd pakkend. Een nummer kan zomaar op twee akkoorden leunen en toch is het aangenaam. Scheurende gitaar, rudimentaire synthesizer, weeklagende of juist verbeten zang en dat gedragen door een toegewijde bas en drums. Dat werk.
En soms een verrassing, zoals in het titellied waar halverwege opeens wordt versneld en vertraagd. De gitaar in Twijfels is dan weer vetter en zwaarder, de synth ijler. Snel en smerig is ??? (A.K.A. "Ik Wil Eruit"). Vergelijken met Joy Division is eigenlijk onvermijdelijk maar met de teksten in het Nederlands komt het desondanks anders binnen.

Mijn reis door new wave bevindt zich in juni 1980 en kwam van The Soft Boys en op mijn afspeellijst volgen na deze van De Brassers een non-albumsingle van The Stranglers die later op The Collection 1977-1982 verscheen, een single van Elvis Costello van Get Happy!!, van Siouxsie van Kaleidoscope en van The Vapors van New Clear Day. Die albums beschreef ik eerder en dus is het tijd voor ska en meer bij het debuut van Bad Manners getiteld Ska 'n' B en hun eerste hit Lip up Fatty.