MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Stampede - Hurricane Town (1983)

poster
3,5
Omdat ik laatst een cd-box van Grand Slam aanschafte, de groep die Phil Lynott na het stoppen van Thin Lizzy startte, kwam ik bij Stampede terecht. Dit is namelijk het albumdebuut van gitarist Laurence Archer, zoals de waarde Sir Spamalot hierboven reeds elf jaar eerder beschreef.
In de rockregisters wordt dit debuut van het Britse Stampede tot de New wave of British heavy metal gerekend, waarbij het tot de melodieuzere variant daarvan behoort. Prima nummers met soms een vleugje Thin Lizzy (de twingitaren in opener I've Been Told), het flitsende gitaarspel van Laurence en de degelijke, zij het ook wel vrij doorsnee vocalen van Rueben Archer.

Het levert een aardig album op, dat mij desondanks nergens bij de lurven grijpt. Hurricane Town laveert tussen heavy metal (zoals in The Runner) en aor (Love Letters). Bij dat laatste genre spelen de klavieren van gasttoetsenist Mark Stanway (in diezelfde dagen actief bij de melohardrockers van Magnum) een belangrijke rol.
Het werk dat Laurence Archer nog in datzelfde 1983 bij Grand Slam (opnieuw met Stanway) en UFO (High Stakes and Dangerous Men uit 1992) opnam is echter spannender dan deze Stampede.
Tegenwoordig is hij weer actief onder de vlag van Grand Slam, dat in 2019 met Hit the Ground terugkeerde.

Status Quo - 1+9+8+2 (1982)

poster
1,5
Een juichend verhaal in een NCRV-gids uit april '82 over 1+9+8+2 met uitleg over het twintigjarig jubileum van Status Quo kon mij niet overtuigen. Inmiddels klonk Dear John op de radio en ik hoorde het meteen: de groep is terug met slappe hap, nadat Never Too Late van het jaar ervoor uitstekend was geweest, een terugkeer naar de albumglorie van weleer.
De nieuwe single haalde in mei #24 in Nederland en ik zie op internet dat ie in Vlaanderen #18 haalde. Als hitmachine ging Quo dus ook in de Lage Landen door.
Ik was inmiddels uit een kleine puberdepressie geklauterd en combineerde iets succesvoller schoolresultaten met muziek luisteren, kopen, lenen en erover praten. Quo had mij vanaf 1977 de wereld der scheurende gitaren ingeleid, maar dat geluid is op op 1+9+8+2 gekortwiekt. Waarom dan toch dit bespreken?

Gisteren kwam ik voor een prikkie Heavy Traffic (2002) en The Party Ain't Over Yet (2005) tegen. Toen ik rond 2010 de discografie van Quo vanaf 1982 doorsnuffelde, bleken dit aangename voorbeelden van Quoalbums waarop de gitaren weer mochten scheuren. Hierop zei de jukebox in mijn hoofd dat het tijd was om hun discografie opnieuw door te reizen. Okay...

Ik was gebleven bij 1982. Dan weet ik dat de magere jaren met dit jubileumplaatje waren aangebroken, al zijn er enkele lichtpuntjes. Tot 2002 wordt het echter vooral bikkelen. Zoals op dit album. Slechts korte nummers als een verzameling singles. Nergens een langer, zorgvuldig opgebouwd nummer, de typische albumtracks waarvan je er op elke Quo vanaf 1970 minstens twee aantrof. Alleen If You Can't Stand the Heat (1978) was een uitzondering geweest met zijn popgerichte aanpak.
Die aanpak is terug op 1+9+8+2 en hoe ik het ook probeer, het lukt niet. Dear John blijkt één van de minst saaie nummers, maar het refrein verpest het dan weer. Uiterst bescheiden hoogtepunt van de plaat is I Should Have Known dat wel een lekker riffje heeft.

De productie werkt ook al niet mee. Het drumgeluid bijvoorbeeld: terwijl nieuwe drummer Pete Kircher degelijk speelt, knalt zijn geluid niet. Licht gekruide rock voor popliefhebbers, ik kan er nog steeds bar weinig mee. De heren waren in die dagen fanatiek cocaïne aan het snuiven, daarmee hun creatieve en fysieke uitputting voor zichzelf en de wereld verhullend. Het waren echter de composities die de verslaving verraadden. Neem bijvoorbeeld de fantasieloze gitaarsolo in Big Man, dat ondanks z'n ronkende synthesizerfundament niet imponeert.

Met weemoed dacht ik terug aan single Paper Plane: "Would you like to ride my Deutsche car?" Ik vreesde dat die inmiddels zo roestig was, dat hij niet meer door de keuring zou komen. Wat klinkt is een verzameling popsingles zoals op hun twee elpees uit de jaren '60, zij het nu met een verwaterde, rockende basis.

Op streaming drie bonussen: Calling the Shots is 't 'm ook al niet, de liveversie van Hold You Back brengt me terug naar betere tijden en Over the Edge was nooit een favoriet. Op naar Back to Back, die ik ouderwets van vinyl ga draaien. Daar zal ik het klagen korter houden.

Status Quo - Ain't Complaining (1988)

poster
2,5
Alhoewel de nieuwe Quo op het Caribische eiland Nassau zou worden opgenomen, zaten Rossi & Parfitt ten tijde van Ain't Complaining in grote geldnood: ondanks alle gemaakte succesalbums waren er grote schulden. Deels veroorzaakt door hun cocaïneverslaving die eind jaren '70 begon, was desondanks de grote vraag: hoezo dit geldgebrek?
Nieuwe bandmanager Colin Johnson verbaasde zich erover en legde contact met de manager van Quo's producer Pip Williams. Of David Walker daar eens in wilde duiken? Deze nam Quo op in zijn Handle Group en dook de financiële boeken in, zo vertelt de biografie van Rossi & Parfitt 'Just for the Record' (1993).

Terug van een reeks van zeventien concerten voor steeds zeventienduizend man/vrouw in de Olympische zaal van Moskou, waar ze KGB'ers in het hotel herkenden aan hun schoencodes (!), hadden de oudgedienden nieuwe energie gekregen dankzij de nieuwe bezetting die op voorganger In the Army Now debuteerde.
Op Nassau gold een strak regime: in de ochtend gezamenlijk dertien tot achttien mijl fietsen, gevolgd door een korte duik in zee en vanaf tien uur de studio in, waarna om zes uur werd gegeten. Dit gedurende drie maanden in de winter van begin januari tot eind maart 1988. Er werd een lucratieve endorsementdeal met gitaarmerk Charvel gesloten, waarmee de traditionele Fender Telecasters voor een tijdje in de kast verdwenen.

Na twee maanden Nassau kwam Walker kijken en meldde dat hij ook in financieel opzicht blauwe luchten zag komen. Korte tijd later constateerde hij dat de band niet alleen schulden had, maar vooral dat diverse partijen veel geld aan Quo waren verschuldigd. Ten tijde van de publicatie van het boek was nog niet alles opgelost, maar de heren van Quo hadden al spoedig achterstallig geld gestort gekregen op hun rekeningen. Vermoedelijk hebben de ex-leden van Quo daar ook van geprofiteerd; geldzorgen was één van de redenen dat Alan Lancaster drie jaar eerder de band verliet.

Pas rond 2010 hoorde ik dit album, dat ik links had laten liggen vanwege de lelijke hoes en vooral de poprockkoers. Tot mijn verbazing hoorde ik hier en daar leuke popliedjes: vooral het uptempo Every Time I Think of You (niet te verwarren met het gelijknamige nummer van The Babys), het snelle Cream of the Crop en het gelijkaardige Magic. En laat ik de onQuoaanse pop van Another Shipwreck en Don't Mind if I Do niet vergeten. Niet toevallig allemaal door Francis Rossi gezongen, wiens stem veel beter bij dit genre past dan de rauwere stem van kompaan Rick Parfitt. Saillant detail: op het album staat ook een nummer van Fluitsma & Van Tijn, namelijk I Know You're Leaving, één van de mindere popnummers op de plaat.
Bij de extra's die ik op streaming vind, afkomstig van de 2cd-editie van 2018, zit relatief veel lekkere muziek. Hiervan springen vooral Lean Machine (licht-stevig met zang van Parfitt) en goededoelensingle ten bate van Sport Aid '88 Running All over the World eruit.
Het stevige werk klinkt me meestal te geforceerd met de gladde jaren '80-geluiden: juist de popkant die Rossi prefereerde smaakt aardig, zelfs de sequencers storen niet. Tweeëneenhalve ster voor dit album en dat is een stuk hoger dan ik aan de voorganger gaf.

Misschien was wel de grootste winst dat de heren weer geld in hun portemonnees hadden, het leven een stuk gemakkelijker makend. Wat ook hielp was dat de cocaïneconsumptie werd gestopt, al vraag ik me af of dat werkelijk zo makkelijk ging als in het boek wordt voorgespiegeld.
Een redelijk album en een band die weer lucht en energie kreeg: ik mag niet klagen, zoals de albumtitel mij inderdaad voorhoudt.

Status Quo - Aquostic (2014)

Alternatieve titel: Stripped Bare

poster
3,5
Van tevoren was ik sceptisch. In de jaren '90 had je de rage van unplugged bij MTV en de Twee Meter Sessies. Daarvan ben ik geen liefhebber, met Rod Stewart & Ronnie Wood en Nirvana als uitzonderingen die me nu te binnen schieten.
Om het promofilmpje bij Aquostic kon ik echter wel lachen. Andy Bown die de toetsen verruilde voor gitaar, gelijk heeft hij, geeft veel meer (be)dekking! Met de titel als inventieve woordspeling. Nieuw is drummer Leon Cave.

Ik kocht de cd voor mijn broer in het buitenland en beluisterde 'm "stiekem" eerst zelf. Nou heb ik wél iets met folk en slim genoeg hebben ze het gat dat de elektrische gitaren achterlieten gevuld met instrumenten uit die wereld. Zo Stripped Bare is het eigenlijk niet. Sterker nog, regelmatig klinkt swingende cajun en zydeco, waardoor ik prettig werd verrast.
De heren hebben met diverse gastmusici de selectie van liedjes uit hun rijke repertoire van oud naar nieuw gezet. Opvallend genoeg zijn het vooral de onbekendere nummers die me bevallen. De deep cuts van hun werk. Dus niet Caroline, Down Down of Whatever You Want en noem de andere boogieklassiekers maar op. Nee, de kleinere liedjes in hun repertoire die opeens anders of zelfs beter bij mij binnenkomen. Dat vooral in het eerste deel van het album.

Hun allereerste hit Pictures of Matchstick Men (1968) blijft heerlijk, fraai verrijkt met strijkers, al had het dameskoortje niet gehoeven; Nanana was indertijd een rariteitje met z'n piano maar past hier wonderwel met gitaren en accordeon; Paper Plane krijgt door de accordeon een nieuwe swing; All the Reasons is mijn grote favoriet, want zóóó mooi gezongen door Parfitt met een toch al mooie melodie, lekkere gitaarloopjes in het refrein en viool vanaf het tweede couplet; bij And It's Better Now met zang van Rossi gebeurt iets soortgelijks; Softer Ride duurt in tegenstelling tot de sterke elektrische editie nog geen drie minuten en krijgt dankzij de akoestische blues met mondharmonica een aangenaam nieuw gezicht; Claudie met zijn sterke melodie, gitaarsolo en strijkarrangement mag er ook zijn.

Gaandeweg verslapt mijn aandacht, al brengen de accordeon (swingende accenten in Down Down) en de mondharmonica (bijvoorbeeld in Rain) iets extra's. Ook aardig is Again and Again dat een shuffle ontving, passend bij de accordeon.
Mijn broer was zeer content met het album: het hielp hem bij de lange autoritten van/naar het werk en hij kon Aquostic thuis opzetten zonder dat vrouwlief en eventueel bezoek verstarden.

Voor de verzamelaars: in Duitsland verscheen exclusief bij Media Markt en Saturn een versie in kartonnen hoes. Hierop bonustracks Little Lady en Mystery Song. Eveneens bij onze oosterburen verscheen een cd-met-vinylsingle-en-hebbedingetjes, met op die single Mystery Song / Little Lady Medley en Claudie (String Mix).

Status Quo - Aquostic II (2016)

Alternatieve titel: That’s a Fact!

poster
2,5
Aquostic II ? Status Quo wederom akoestisch? De verrassing was er oktober 2016 bij voorbaat vanaf, al dacht mijn broer daar anders over. Omdat we sinds Kerstavond 2016 weten dat dit definitief de laatste Quo met zanger-slaggitarist Rick Parfitt was, toch het aandachtig luisteren waard.

De muziek staat niet op chronologische volgorde zoals op de akoestische voorganger, zo is het oudste nummer track 11. Ice in the Sun stamt uit 1968 en ook in deze versie hartstikke geslaagd. Sterk liedje namelijk. Verder sterke arrangementen, zeker. Qua liedkeuze valt echter op dat er meer liedjes op staan waar ik minder mee heb, ook in akoestische versie.
Mijn broer heeft meer met de lichtere poprockkant van de groep dan ik, logisch dat hij enthousiaster is. We misten op deel I Roll Over Lay Down. Dat wordt hier goedgemaakt in een opvallend ander jasje, maar het pakt me niet.
Kortweg turven waar ik wél opveer gebeurt me vier keer. Naast Ice in the Sun; Dear John vond ik voorheen een matig liedje maar dankzij een fraai strijkarrangement stijgt het in waarde; Hold You Back was altijd al een favoriet én eentje waarin enige folk leek te klinken, met de percussie en mandoline op deze versie opnieuw een pareltje; het intro van Backwater lijkt speciaal gemaakt voor de strijkers die nu het nummer inluiden waarna het aangenaam vervolgt; en nieuw (!) nummer One of Everything is een sterk liedje, waar folk- en Americanakenner potjandosie wellicht ook van kan genieten.

De 2cd/2lp-versie van het album blijkt nóg een nieuw nummer te bevatten: vrolijke popfolk met dameskoortje in Is Someone Rocking Your Heart. Niet bijzonder, al is het leuk om te ontdekken dat frontman Francis Rossi het in duet met Bonnie Tyler zong op haar Between the Earth and the Stars (2019).

In zijn boek I Talk Too Much (2019) kijkt Francis Rossi met gemengde gevoelens terug op de samenwerking met Parfitt in diens laatste jaren, inclusief de twee akoestische albums. Ik ben er niet bij geweest, maar door zijn gemopper zou ik bijna iets vergeten.
Een bonusnummer helpt mij echter: slechts op de 2lp-versie staat For You, dat in 1977 bij mijn eerste uitgebreide kennismaking met de groep hoorde. Dit via mijn cassette van Rockin' All over the World. Een teder liedje van Parfitt, buiten de boogierock van Status Quo. Toen al. Een kwaliteit van hem die nogal eens over het hoofd wordt gezien. Ook de 2016-versie is fraai, mede dankzij Parfitts inmiddels breekbare stem.
Zo kom ik alsnog op vijf favorieten, in het besef dat de blonde rocker meer in zich had dan zijn luide, strakke slaggitaar. Iets wat zou worden bevestigd op zijn postuum verschenen soloplaat.

Status Quo - Back to Back (1983)

poster
2,0
Mijn jongere broer kocht Back to Back in een jaar waarin ik met veel interesse de steeds harder en sneller wordende heavy metal volgde. De voorheen bijna grimmige doenkedoenkritmes (Roll over Lay Down) zijn nu overgoten met vrolijke tralalamelodietjes, waarbij Rossi hoger zingt dan voorheen. In Brittannië scoorde de groep maar liefst vier hitsingles van deze plaat. Ogenschijnlijk ging het de groep dus voor de wind, maar de oude fans haakten meestal af. Alsof een trappistenbier overschakelde op Radler; van zwaar bier naar limonadepils.
De hoes vond ik mooi en dat de teksten op de binnenhoes stonden (op Going Down Tonight na) was handig , alleen jammer dat een groepsfoto ontbrak.

Na drie maal lichte lichte (hitparade)rock volgen twee composities van toetsenist Andy Bown met zanger-gitarist Rick Parfitt. Eerst een pure popballade. Too Close to the Ground doet me denken aan een jaren '70 singer-songwriter als Gilbert O'Sullivan en is niet onaardig, zij het een vreemde eend; zelfs op deze elpee.
Daarbij valt op dat de productie een stuk beter is dan op voorganger 1+9+8+2. Dit loont zich in het steviger No Contract, wat op deze plaat niet onaardig is.
Op de B-kant valt opener Win or Lose op, door Rossi met schrijfmaatje Bernie Frost gecomponeerd, als een mindere versie van Runaway van album Whatever You Want (1979). Alan Lancasters Your Kind of Love is een schattig liefdesliedje, waar de ritnditn-gitaarpartijen niet goed bij passen.

Lancaster ageerde tegen Quo's limonadepilskoers, wat ik altijd hypocriet heb gevonden: zijn Ol' Rag Blues en Your Kind of Love zijn bepaald geen stevige rockers. In diverse bandbiografieën en Wikipedia is te lezen dat de platenmaatschappij Rossi's zangpartij bij Ol Rag' Blues verkoos boven die van Lancaster. Het kwam de sfeer niet ten goede.
Dit was de tweede en laatste met drummer Pete Kircher, van wie hierna nauwelijks iets is vernomen. Wel kwam ik op deze Quofansite een bericht met foto uit 2020 tegen.

Heb mijn broer geappt wat hij van Back to Back vindt, die hem meteen weer heeft opgezet: "Al precies veertig jaar oud dit album! Om af te spelen als je folders vouwt een 8 en om naar te luisteren 7. O.a. 'Ol' Rag Blues' geeft energie. Alle teksten ken ik nog steeds uit mijn hoofd, ongelooflijk."

Hoe meningen kunnen verschillen.

Status Quo - Backbone (2019)

poster
3,0
Het titelnummer van Backbone hoorde ik voor het eerst via YouTube. Ik was niet onder de indruk ondanks de lekkere floortoms erin. Geen paniek. De hoogtijjaren 1970-1981 mogen voorbij zijn, vanaf Under the Influence (1999) staat op ieder album een enkele (vaak stevige) uitschieter, coverplaat Famous in the Last Century (2000) uitgezonderd.
Waar menig medium noteerde dat de groep al 50 jaar hetzelfde doet, weet de trouwe fan beter. Anno 2019 zijn de scherpe randjes er in de meeste gevallen vanaf geschraapt en resteert een gladgestreken productie. Toch duikelde ik opnieuw pareltjes op.

In september 2019 berichtte Nu.nl over frontman Francis Rossi, die zijn visie gaf op dit eerste Quo-album zonder Rick Parfitt. Er vielen enkele ontnuchterende woorden, maar ik twijfel niet aan zijn eerlijkheid in deze. De overleden slaggitarist en zanger is definitief vervangen door Richie Malone én dit is het eerste elektrische studioalbum met drummer Leon Cave, tot dan toe op twee akoestische platen van de groep aanwezig.
In het cd-boekje staat van ieder groepslid een lezenswaardig citaat én wordt vermeld dat Backbone is opgedragen aan Parfitt. De boodschap is duidelijk: dit is definitief een nieuw hoofdstuk in de lange groepshistorie, wen er maar aan.

Opener Waiting for a Woman is een verrassende opener. Geen doenkedoenk-boegie. Nee, lome rock in blues gedrenkt, met een sluwe riff en dito melodie. Het nummer groeide bij herhaald draaien. Nummer twee Get Me Some Slack zou een logischer opener zijn geweest, hier klinkt namelijk wel het bekende rock-met-shuffleritme. Maar na de loomheid van de opener werkt dit verrassend goed! Liberty Lane is eveneens uptempo en aangenaam, maar dan zonder shuffle.
Dan komen er enkele nummers die ik vlees nog vis vind: te slap voor (hard)rock maar wel daarop gebaseerd. Alsof je een donkerbruine boterham met daarop oude, zoute kaas en mosterd vraagt en in plaats daarvan een wit minitoastje met zachte geitenkaas ontvangt. Toch veer ik nog één keer op en wel bij de manische bluesboogie van Get out of My Head, gezongen door Malone.

Wat verder opvalt: alle groepsleden leverden muziek: zo is Falling off the World een compositie van Cave. Gastcomponisten zijn er ook. Better Take Care is een cover van John David van diens album Rollin' Home (2011); dank aan acjmjansen die daar hierboven op wees. Oudgediende Bob Young schreef met Rossi mee aan een drietal nummers; daarbij mis ik diens mondharmonica!
Op mijn cd ontbreken de twee bonusnummers, waarvan Face the Music met zijn staccato riff en popmelodie een betere afsluiter van het reguliere album was geweest dan Running out of Time, dat nu mijn disc te voorspelbaar afsluit.

Ik mopper niet: vier aangename nummers van Backbone zet ik op mijn afspeellijst met het beste van Quo vanaf 1999.
Alhoewel, niet mopperen... In 2021 bracht John Coghlan's Quo, de groep rond de oorspronkelijke drummer, naast Lockdown het nummer No Return uit, waarop de sfeer van On the Level (1975) herleeft. Met zijn overhemd van het merk Hauptstadtrocker aan, lijkt het alsof Coghlan een knipoog aan Parfitt geeft. Ja, die energie mis ik dan toch echt op Backbone.

Status Quo - Blue for You (1976)

poster
4,5
Ten tijde van Blue for You had Status Quo – als eerste artiesten ooit – een sponsorcontract afgesloten, in hun geval met denimfabrikant Levi’s. Bij de elpee zat een poster, die zich tot mijn blijde verbazing nog altijd in de klaphoes bevond toen ik 'm tijdens een Koninginnedag in de jaren ’90 op de vrijmarkt kocht.
Eén van de beste platen uit hun catalogus, dat ben ik helemaal met iedereen eens. Hier klinkt de band nog recht voor z’n raap, de composities zijn in de meeste gevallen sterk en drummer John Coghlan is energiek op dreef, lekker vooraan in de mix, de overige drie opstuwend om nog meer te geven.

Het verbaast me echter dat hierboven niemand noemt dat al op deze plaat de eerste gladdere invloeden binnensluipen, zij het absoluut niet in de mate die op de volgende studioplaat Rockin’ All over the World het geval zou zijn. Ik bedoel de koortjes die op werkelijk alle nummers op de A-kant klinken (track 1 tot en met 5). De ‘aaaaahs’ en 'gooooooooo's' bijvoorbeeld, of het smurfenkoortje dat op Ring of Change “Move into the light” zingt… Vergelijk de studioversies van Is there a Better Way en Rain met de podiumversies op Live!, nota bene opgenomen tijdens de Blue for You Tour: ze kunnen prima zonder deze franje. Voorganger On the Level is mij daarom net iets dierbaarder.

Bij eerste beluisteringen moest ik dus wennen. Tegelijkertijd vind ik de koortjes te doen, mede omdat de productie vet en luid klinkt, tot en met de bekkens toe. Mijn waardering is er bovendien voor de ingetogen blues van de titelsong, mede omdat Rossi er lekker soleert. Dat Andy Bown op twee nummers aanschoof om piano te spelen vind ik helemaal fijn, net als de mondharmonica van tourmanager Bob Young op Rolling Home.
Het enige nummer dat me niet pakt is Ease your Mind. Niet de eerste keer dat ik een compositie van Lancaster te slap vind, ondanks zijn imago van stoere bulldog.
Met Mystery Song sluit de plaat af, in singleversie werd het in augustus 1976 #15 in de Nationale Hitparade. Net te vroeg voor mij. Twee maanden later ging ik naar Hilversum 3 luisteren, waar ik het niet meer tegenkwam. Zou het klassiekertje pas op mijn vinyl ontdekken. De albumversie duurt iets langer en verveelt geen seconde: spannend opgebouwd, lekker voortdenderend en niet voortijdig weggedraaid zoals op single het geval is.

Ja, u heeft mij zien mopperen, maar tegelijkertijd geef ik nét geen vijf sterren aan deze plaat. Dit dankzij de sterke muziek en stevige productie. Daarmee is mijn luistertocht door de gloriedagen van Quo (1970 - 1981) voltooid. De jaren 1982 - 2001 sla ik maar over, anders zou iedereen doorhebben dat ik eigenlijk een zeurderige azijnpisser ben. Vanaf Heavy Traffic (2002) ging het echter weer bergopwaarts met mijn Quo: wordt vervolgd.

Status Quo - Bula Quo! (2013)

poster
3,5
Bij voorganger Quid Pro Quo schreef ik dat dat Rick Parfitts laatste elektrische studioplaat met Quo was, maar ik zag deze soundtrack over het hoofd.
In de zomer van 2014 ging ik niet op vakantie en heb ik Bula Quo! (de film) op een zonnige middag thuis bekeken. Ik vond 'm oubollig, traag en flauw. De actie was niet spannend, de humor niet leuk en het acteerwerk houterig. Wat ook niet hielp, was het titellied dat vooruit ging als single én de verrassende reünie van de Frantic Four, kort daarvoor, die veel meer opwinding opriep.

Inmiddels zijn we tien jaar verder. Parfitt is niet meer, wat alleen al een trigger is om me voor te nemen de film opnieuw te bekijken. Nostalgie... Maar wat vooral helpt: cd1 is helemaal niet onaardig en bevat de nodige muzikale verrassingen.
Opener Looking Out for Caroline, geschreven door de maatjes Rossi en Bob Young is best okay en Gogogo, van de hand van Parfitt en Wayne Morris (van de band Morris, destijds populair in Duitsland) is ronduit verrassend: in de gitaarpartijen klinkt iets door van indierock, de toetsenlijn in het refrein lijkt, passend bij de film, een knipoog naar James Bond en iets verderop zit een knipoog naar de gitaarlick van klassieker Rockin' All over the World.
Ook Run and Hide (The Gun Song) heeft weg van indierock, zeker met die gitaarsolo. Het werd geschreven door bassist John Edwards met regisseur Stuart Paul en toetsenist Andy Bown legt er een aangenaam toetsentapijtje bij. Quo klinkt hier anders maar wel fris-stevig.
Running inside My Head is van de hand van drummer Matt Letley, die de groep bij het verschijnen van de plaat en film inmiddels had verlaten na twaalf jaar trouwe dienst. Het nummer rockt aangenaam, nét anders dan Quo normaal gesproken doet met die gitaarpartij en melodielijn.

Die bijna denderende start is meer dan ik me herinnerde. Daarna echter wordt het twee nummers wat saai met muziek van opnieuw Parfitt en Morris, al heeft All That Money een lekkere "indie" gitaarsolo. Never Leave a Friend Behind van Bown met Paul is dankzij de melodie en de elektrische piano een lekkere uptempo poprocker. In Fiji Time klinkt zelfs ska en met dat orgeltje en die vrolijke melodie werkt dat ook nog. Met Bula Bula Quo (Kua Ni Lega) sluit cd1 af, ik kan er nog steeds weinig mee.

De tweede cd begint met de Fijiversie van Living on an Island. Grappig hoe de oorspronkelijke tekst (1979) over de belastingvlucht naar het eiland Wight zo een nieuwe context krijgt, maar muzikaal... Vervolgens klinkt oudere muziek: een "Bula Edit" van Rockin' All over the World en vooral werk van voorganger Quid Pro Quo en de bonus-cd daarbij.

Francis Rossi legt uit wat goed en minder goed ging rond dit project en concludeert onderaan pagina 270 in biografie I Talk Too Much (2019): "(...) what we got was a ninety-minute cringe-fest". Bula Quo valt me echter als soundtrack alleszins mee: dankzij de (gast)schrijvers klinken frisse invloeden en voor mij werken ze vaak. Een dikke 7 als schoolcijfer.

Status Quo - Dog of Two Head (1971)

poster
4,5
Een jeugdliefde! Dog of Two Head heeft wat mij betreft de beste albumcover van de groep ooit. Wederom geproduceerd door John Schroeder, die net als op de vorige Quo de boel niet dichtsmeert met gitaarmuren, maar wél de band stevig laat knallen.
Het is alweer Quo’s vierde elpee, de tweede waarop ze in boogiemodus stonden, de eerste zonder toetsenist Roy Lynes en dus als kwartet en de laatste voor het label Pye, bovendien de laatste met sixtiesinvloeden.
Die laatste klinken in Umleitung met de zin "I just need your love", Something’s Going on in my Head in de brug met het "Ahaaahaaa” deel en het refrein van Someone’s Learning. Het zijn de melodielijnen en het wolkje echo die de jaren ’60 doen echoën.
Wat ook opvalt: de band kreeg steeds sterkere banden met Duitsland (Parfitt vond er zelfs een echtgenote) en dat zie je terug in de songtitels Umleitung (hoe vaak zal een tourend bandje dát bord niet onderweg zijn tegengekomen) en Gerdundula, vernoemd naar de fans Gerd en Ula.
Daarbij is dit de plaat met de langste gitaarsolo’s die de band op vinyl zette. Her en der soleert Rossi vrolijk dansend, frank en vrij. Hij is geen snarenracer, maar in bijvoorbeeld (daar is ie weer!) het bijna monotoon voortdenderende Umleitung neemt hij lange en speelse solo’s voor zijn rekening, die ik na een dikke veertig jaar nog steeds niet zat ben.

Er wordt stevig gerockt. Behalve in de opener ook in Something’s Going on, Mean Girl (twee jaar later na het succes van elpee Piledriver hun comebackhit in Nederland en voorzien van een iconische hoesfoto),Railroad met zijn verdeling in twee delen (in het tweede op mondharmonica Bob Young), en afsluiter Someone’s Learning.

Het album kent twee lichtere liedjes: Gerdundula is folkachtig; hoe fijn dat de band dit juweeltje in latere jaren weer tijdens concerten ging spelen. Absoluut buitenbeentje is Nanana, een cabaretsk liedje waarin enkele nadelen van het muzikantenbestaan worden opgesomd, ondersteund door een simplistisch maar effectief plinkplonk gitaar- en pianothema.
Er klinkt meer piano op dit album: kennelijk liet het vertrek van Lynes toch een gaatje achter. Parfitt en de Amerikaan Rick Forster worden op de hoes als pianisten genoemd.
Enige minpunt is hetgeen Schroeder deed met Nanana, dat met zijn gortdroge tekst weliswaar een leuk nummer is, maar dat hij het twee keer in korte versie laat verschijnen is overbodig. Wél past het in een tijdperk waarin geëxperimenteerd werd met albummuziek.

Toen ik deze plaat voor het eerst in het geheel hoorde, kende ik inmiddels alle nummers van diverse verzamelaars, zoals deze, door Pye uitgebracht nadat de band definitief was doorgebroken bij de volgende platenbaas Vertigo. Bij beluistering van het oorspronkelijke album viel op hoe fris en geïnspireerd de band hier is, net als op de voorganger.
Alleen al om de albumcover het aanschaffen waard qua vinyl. Op de special edition-cd en streaming staan enkele leuke extraatjes, zoals non-albumsingle Tune to the Music die lekker snel is, plus de B-kant Good Thinking, een zeldzaam instrumentaaltje van de band, een relaxt bluesliedje.

Status Quo - Don't Stop (1996)

poster
1,0
Een coveralbum is normaliter een tussendoortje, voor Quo ging het vanwege de creatieve leeftijdsberekening door manager David Walker om een verjaardagsplaat. Don't Stop leende de albumtitel van het liedje van Fleetwood Mac. Met veel bombarie in de Britse pers gelanceerd, introduceerde het vijftien liedjes aan een nieuwe generatie, want de oude fans waren hier allesbehalve content mee.
Dat Quo op de hoes in de kledingstijl van de eerste helft van de jaren '60 stond, vond ik ook al zo raar. Toen heette de groep The Spectres, maar uit die periode wordt niet één liedje in een nieuw jasje gestoken. Gemiste kans.
De opzet van Walker slaagde echter: Status Quo stond weer hoog in de Britse hit- en albumlijstjes, de verkopen waren beter dan die van voorganger Thirsty Work en in menig tv-interview schoven Rossi en Parfitt aan om hun zegje te doen.

Een goede cover is anders dan het origineel en het liefst beter. Dat 'anders' gebeurt hier niet en 'beter' al zeker niet. Toch heb ik drie nummers op mijn lijstje met Poprock Quo 1986 - 2000 gezet: Fun Fun Fun (van en met The Beach Boys), I Can Hear the Grass Grow, oorspronkelijk van The Move en als leukste liedje All Around My Hat, ooit van Steeleye Span maar hier met Maddy Prior. Had zij niet meegezongen, dan had het echter veel gemist.
De muziek grijpt qua sfeer terug op de rock 'n' roll van de jaren '50 en '60, maar met bijvoorbeeld Safety Dance (van Men Without Hats) en Johnny and Mary (van Robert Palmer) zijn ook covers van synthesizerliedjes te horen.

Enige tijd later overleefde Parfitt ternauwernood een hartaanval. Ik vroeg me af of hij überhaupt nog leefde toen ik hem in 1998 op een late zaterdagavond bij de WDR aan tafel zag zitten. Dit samen met Brian May, die op dit album meespeelt op Raining in My Heart, oorspronkelijk van Buddy Holly. De twee babbelen over Cozy Powell en spelen een moppie. Hier te zien met gratis Duitse vertaling.

Status Quo - Driving to Glory (2024)

poster
3,5
Eigenlijk was ik niet van plan Driving to Glory aan te schaffen, maar de woorden van vielip bleven hangen: "Dit is best een leuke release! Veel b-kantjes en non albumtracks. En daar zitten een aantal gave nummers tussen zoals de eerste vier nummers." En dus een jaar later alsnog gekocht; op cd, zodat ik alle veertien onbekendere nummers kon toevoegen aan mijn verzameling.

De verpakking is dik in orde met daarbij een begeleidend schrijven van producer Mike Paxman, die ieder nummer kort toelicht. Leuk is dat hij ook twee vertrokken oerleden noemt, namelijk Alan Lancaster en John Coghlan, belangrijk voor de grondlegging van het typische Quogeluid. Hierboven gemopper over de hoes; wat is er mis met een hot rod?
De muziek begint in 1999 (het titelnummer en Fighting with the Pack komen van de Duitse tv-serie / soundtrack Benzin in Blut) en eindigt in 2004 met een B-kant. Het was de periode dat Status Quo na enkele kleffe jaren de rug rechtte en weer redelijk in vorm kwam. Tussendoor onder meer werk dat als bonustrack alleen in Australië of het Verenigd Koninkrijk verscheen.

Enkele opvallende details. In Fighting with the Pack op twee derde een tempowisseling zoals Quo ten tijde van album Whatever You Want deed, helemaal op z'n Rick Parfitts. In Obstruction Day scheurende mondharmonica van toetsenist Andy Bown. Ballade You Let Me Down is vrij saai, maar aan het einde duikt een nieuwe riff op en het nummer versnelt; waarom wordt dat weggedraaid??? Zo leuk!
Dan het rockende The Madness met een strak koortje, de folkachtige gitaarriff van Thinking of You mag er ook zijn. De tekst van Lucinda (muzikaal een vervolg van Rockers Rollin' uit 1977) lijkt pijnlijk autobiografisch, Parfitt zingt er: "Lucinda, you made me a sinner. (...) You drive me wild, gotta meet my wife and child".

Driemaal komt muziek langs die overbodig is. Het zijn alle drie covers, waarvan twee van zichzelf. Dat zijn op deze cd bonustracks, 1998-heropnames van de Duitse single Whatever You Want / Don't Waste My Time, die afgezien van de productie niks nieuws brengen. De plichtmatige cover van ELO's Don't Bring Me Down, een Britse bonustrack op Quoalbum Riffs, voegt eveneens niets toe aan het origineel.

Favorieten: Fighting with the Pack, het door Parfitt gezongen The Madness en het felle Lucinda. Is dit album een must? Nee. Toch heb ik ervan genoten, een album dat een verrassend goede aanvulling op mijn Quoverzameling bleek.
In april hoop ik Francis Rossi solo in Utrecht te zien optreden. Hoogstwaarschijnlijk geen muziek van dit album, maar aangezien de verhalen achter de liedjes dan ook belangrijk zijn, is het evenmin onmogelijk.

Status Quo - Famous in the Last Century (2000)

poster
0,5
"In 2000 was ik op een personeelsfeest," vertelde een vriend mij ooit, "waar een coverband zich uit de naad stond te spelen. Met veel energie speelden ze de ene na de andere klassieker uit de rock 'n' roll. Ze kwamen me vaag bekend voor en tijdens de pauze schoot ik die ene met paardenstaart aan en vroeg hem waar ik hem toch van kende. 'Ik ben Francis Rossi,' vertelde hij, 'en je zou me kunnen kennen van Status Quo.'
'Ooo, vandaar!' riep ik uit. 'Ik dacht al, wat is die slaggitarist góéd!"
en knikte naar de blondste van het vijftal. Maar hoezo zijn jullie nu een coverband geworden?'
Rossi haalde zijn schouders verontschuldigend op en wees naar een zakenman in de hoek. 'Dat is een idee van David Walker, onze manager. Zo verdienen we meer dan met ons eigen repertoire...'
Ik had ook nog even met die slaggitarist, Rick Parfitt, willen praten, maar die had een blonde schoonheid aan de haak geslagen en duidelijk geen belangstelling voor mij. Maakte ook niet uit: dit was de beste coverband die ik ooit zag."


Bovenstaand verhaal is compleet uit de duim gezogen, al klopt het wel dat dit weer een publiciteitsidee van Walker was. De eeuwwisseling als aanleiding voor een terugblik in covers. Toch verwoordt het hoe ik dit album beleef.
Twee nummers springen er desondanks uit voor mijn afspeellijst: oorspronkelijk van Sonny West en bekender in de versie van Buddy Holly is Rave On met Parfitts stevige gitaarwerk; en Sweet Home Chicago dat optimaal profiteert van de mondharmonica; oorspronkelijk van Robert Johnson.
Er staat één eigen compositie op: toetsenist en gitarist Andrew (Andy) Bown schreef het titelnummer, dat de plaat opent en sluit. Hij is ook degene die mondharmonica speelt.

Op de hoes ontwaarde ik een bont gezelschap, wat ik indertijd verbaasd in een platenzaak heb staan bekijken: Quo met koningin Elizabeth, prince Charles, Winston Churchill, Margaret Thatcher, Franklin Roosevelt en Nelson Mandela; plus John Lennon, Elvis Presley en Groucho Marx, knus op één balkon? Is dit Quo's samenvatting van de 20e eeuw? Geïnspireerd door de Beatles' hoes van Sergeant Pepper wellicht?

Het was de laatste plaat met de plotseling kalende drummer Jeff Rich, die in zijn keurige overhemd zo op het kantoor van mijn verzonnen maat had kunnen werken. De ex-drummer van Def Leppard (in de tijd dat Rick Allen revalideerde, assisteerde hij hem op het podium) richtte zich sindsdien op masterclasses op scholen en doet dat gezien zijn website nog altijd. Lijkt me een leuke gast met ongetwijfeld veel anekdotes. Op YouTube vond ik de podcast Discussion Percussion, waarin hij in aflevering 73 (januari 2022) een klein uur te gast was.

Zou het ooit goedkomen met Quo na twee slappe coverplaten achter elkaar? Jazeker, twee jaar later al met Heavy Traffic, mede geholpen door het plotselinge overlijden van de manager. De man die Status Quo vanaf 1988 uit een financieel moeras trok, om hen vervolgens in een risicoloze poprockgroep te transformeren.

Status Quo - Heavy Traffic (2002)

poster
4,0
In augustus 2001 overleed volkomen onverwacht manager David Walker. Onder zijn hoede was Status Quo een lucratief bedrijf geworden met zelfs muziek in diverse reclamespotjes, maar muzikaal gezien was het bruisende bier vervangen door waterig festivalvocht met een lauwe pi(l)ssmaak. En al was het stevige Quo al ver vóór Walkers dagen afgezwakt, te beginnen met 1+9+8+2, inmiddels leek het een veredelde coverband. Francis Rossi en Rick Parfitt vertellen in hun biografie ‘XS All Areas’ (2004) dat ze lijdzaam toekeken hoe de trouwe aanhang afhaakte.
Simon Porter was al lid van het managementteam en nam het stokje over. Er moest een nieuw platencontract komen en Universal was tevreden met hetgeen de demo met nieuw materiaal beloofde, mits de groep nóg een coveralbum zou opnemen. Rossi & Parfitt stemden na enige twijfels in en namen Heavy Traffic op, waarna de opnamen voor coveralbum Riffs meteen volgden. De laatste zou een jaar later worden uitgebracht.
In 2002 bekeek ik de hoes van Zwaar Verkeer belangstellend in de winkel. Hij is een groot compliment waard, zeker als Rossi zich in de bio laat ontvallen dat Walker deze nooit had goedgekeurd.

Toen ik in 2010 de discografie van Quo herverkende, viel dit album positief op. Twee weken geleden kwam ik Heavy Traffic voor een prikkie als tweedehands cd tegen. Meteen gekocht en dat had ik twintig jaar eerder moeten doen.
In het refrein van het door Rossi met toetsenist/mondharmonicaspeler Andy Bown geschreven Blues & Rhythm wordt uitgelegd waar de band staat: “I got that blues and rhythm, good enough to eat. Sound and vision, hit me with the backbeat. Blues and Rhythm, something for my soul. My decision, give me rock and give me roll.”

De muziek en mondharmonicasolo’s brengen me terug naar 1970. Ook in dat jaar stapte de groep over van pop(rock) naar boogiehardrock, net als in 2002. Puur en rauw, nog zonder de massieve stadionstijl van midden jaren ’70. De twee albums die Quo toen maakte, Ma Kelly’s Greasy Spoon en Dog of Two Head behoren tot mijn meest favoriete van de groep en zelfs de toetsenpartijen van Roy Lynes op de eerste passen daar goed bij. Datzelfde jongehondengevoel krijg ik bij Heavy Traffic.
Nu is het niet voldoende dat de gitaren knisperen en dat al in de opener eindelijk ouderwets door Rossi op gitaar wordt gesoleerd: de composities moeten goed zijn. Uiteraard bevalt het ene nummer beter dan het andere, maar als je acht onverwoestbare nummers opneemt, doe je iets góéd.

Naast het stevige en uptempo Blues & Rhythm bedoel ik de midtempo blues van The Oriental waar in de brug nieuwe drummer Matt Letley zowaar even dubbele basdrums lijkt te gebruiken, de knallende boogierock van Creeping up on You met zang van Parfitt, wat op Solid Gold wordt herhaald met zang van Rossi.
De tweede helft: Green is akoestisch en vlot met gruizige zang van Parfitt, Diggin’ Burt Bacharach waarin Quo’s sferen uit de vroege jaren ’70 extra klinken in de gitaarsolo, boogieblueshardrock in Another Day. Onweerstaanbaar én vreemde eend in de bijt is het afsluitende Rhythm of Life, waarin het wel lijkt alsof invloeden uit de alternatieve gitaarrock klinken. Een aparte zanglijn en ingetogen zangstijl, waar de nodige melancholie klinkt.

Naast de overbodige bonus Anniversary Waltz op mijn cd staat op streaming ook Money Don’t Matter, oorspronkelijk alleen op de editie voor het Verenigd Koninkrijk te vinden. Samen met de nummers die ik niet noemde is dit van de categorie niet onaardig.
Belangrijk om te melden is dat Rossi voor dit album brak met zijn schrijfmaatje Bernie Frost, die verantwoordelijk was voor veel van Quo’s popliedjes. Oude schrijfmaat Bob Young nam zijn plek weer in, wat de terugkeer naar de jonge jaren extra doet bloeien.
Onversneden blues/boogiehardrock, in 1970 grensverleggend, in 2002 natuurlijk niet meer; toch smaakt het bijzonder goed. Ouderwets goed zelfs. Rossi en Parfitt met Bown, Letley en bassist John Rhino Edwards leverden een topprestatie, constateer ik 21 jaar verder. Vier sterren van mij, wat met acht sterke nummers echt niet te hoog is.

Zo Hans Brouwer, zeventien jaar na je vraag heb je mijn reactie!

Status Quo - Hello! (1973)

poster
3,0
Vanaf 1980 liep ik warm voor steeds hardere vormen van hardrock en metal. Omdat mijn oude liefde Status Quo voor rustiger rock koos, verdween dit bandje naar de achtergrond. Thuis echter nam mijn broertje het stokje over. Hij was het die Hello! aanschafte, waarnaar ik wel degelijk nieuwsgierig was. Alleen al de iconische voorzijde van de hoes!

Echter, de plaat viel tegen. Ik kende de liveversies en studio klinkt het nu eenmaal ingetogener. Ik mopperde. Claudie vond ik slapjes (met de oren van nu lijkt het country-geïnspireerd), A Reason for Living te ingetogen, Caroline was ik inmiddels zat en zeker als het ingetogener op vinyl staat, And It’s Better Now te sixties (intro) en daarna niet echt pakkend, Forty-Five Hundred Times mist de energie van de liveplaat. Dat John Coghlan op Roll Over Lay Down de snaredrum met een dubbele mep anders inspeelde dan op de liveplaat, haalde voor mij de kick er extra af.
Wel doken er een nieuwe favoriet (Blue Eyed Lady) én een überfavo op: Softer Ride. Met kop en schouders, nog altijd. Mijn broertje was het oneens met mij, hij genoot (en geniet!) wel degelijk van deze plaat.

Enkele jaren geleden kwam ik op YouTube een radio-optreden van Rossi en Parfitt tegen, waarop ze een akoestisch optreden deden met een mij onbekende (country)song, ergens in de jaren ’70. Ik kan het filmpje (alleen audio) nu niet vinden; het zette mij in ieder geval op het spoor van de country-invloeden in hun werk, die volgens Rossi’s biografie I Talk Too Much bij hem vandaan komen. Mocht ik het filmpje alsnog vinden, dan post ik ‘m.
Inmiddels kijk ik genuanceerder naar de teleurstelling van toen, mede door het stuwende drumwerk van Coghlan; hij had wel meer vooraan in de mix gemogen. Dit neemt niet niet weg dat ik het de minste plaat van hun “gouden periode” (1972-1977) vind en ook daarbuiten zijn er betere albums van ze te vinden. Desondanks een degelijke drie sterren.

Status Quo - If You Can't Stand the Heat... (1978)

poster
2,5
Herfstvakantie 1978. Uit school kocht ik van mijn noest gespaarde zakgeld de cassette van If You Can’t Stand The Heat, want die moest mee op vakantie. Dankzij de radio had ik krakers Roll Over Lay Down en Down Down leren kennen, en Again and Again, de eerste single van het nieuwe album, beloofde veel goeds.
Waar ik me zo op had verheugd, zou Quo’s meest verguisde album van de jaren ’70 worden. Op het vorige album had Pip Williams al een meer poppy productie neergezet. De doorbraak in de V.S. was dichtbij, dat wist iedereen na het succes van single Rockin’ All Over The World, een jaar eerder. Dus werd er voor dit album een schepje bovenop gedaan. Meer pop, cleanere gitaren, catchy melodieën en andere instrumenten. Dan zouden de critici, die de band verweten altijd hetzelfde te doen, de band helpen om over de Grote Plas door te breken.

Ik weet nog dat het album bij de eerste draaibeurten thuis niet echt wilde landen. Veel beter werd het ook niet in de week in een Drentse stacaravan. Echt slecht vond ik het na enige gewenning weliswaar niet, maar waar waren de ruige beukers?
Opener Again and Again kende ik dus al en het bleek meteen het beste nummer van het album. De tracks daarna waren veel poppy’er, al vond ik de ballad Someone Show Me Home nog wel aardig met dat orgeltje.
De opener van kant B, Oh! What a Night, is op zich een lekker liedje, maar waarom die conga’s en dat dameskoortje? Long Legged Linda begint hoopvol, maar spoedig klinken er blazers en die verpestten het op zich aardige liedje, meende ik. Plus alweer dat koortje? Met de laatste drie tracks van kant B daalde het niveau nog verder. Hoe hard ik ook mijn best deed in de laatste maanden van '78, eigenlijk bleek dit album een miskoop te zijn.

Toen Accident Prone begin 1979 een hit werd, werd mij pas duidelijk dat het een poging tot disco was. 'Dat doen Kiss (I Was Made For Lovin’ You) en Rod Stewart (Da Ya Think I’m Sexy) immers ook, rock met disco mixen,' moeten band en management hebben gedacht. Laat de kassa rinkelen! Echter, de doorbraak in Amerika bleef uit, muziekjournalisten namen de band nog steeds niet serieus en de Europese fans mopperden. Alleen maar verliezers.

Ruim veertig jaar later en twee biografieën van/over de band wijzer, zie ik het iets anders. Rick Parfitt was apetrots op het eerste couplet van Again…, dat inderdaad een mooie samenvatting is van de rockhistorie tot dan toe. Heerlijk intro bovendien. Hij en Alan Lancaster wilden vooral stevig rocken, maar Francis Rossi had een neusje voor popliedjes.
De laatste was waarschijnlijk degene die de doorslag gaf voor een gladdere sound. Laten we ook niet vergeten dat de band niet met (blues)rock begon, maar met pop. Zo scoorden ze hun eerste twee hits, eind jaren ’60. Dat stukje bandhistorie werd eind jaren ’70 lichtelijk verdoezeld door de heren en hun gevolg, maar waren de vier in pure rockers veranderd? Nee, daarvoor hadden ze teveel andere invloeden in de genen.

Hoe is het album als ik het nu met poprock-oortjes beluister? Wel, er staan diverse goede composities op, zoals Like a Good Girl. Die blazers vind ik nu wel okay… Vergeleken met wat de band ons in het decennium daarna ging voorschotelen, was het hier nog in orde! Het is alleen wat meer vrolijk en minder stoer dan voorheen. Mijn grootste bezwaar van nu is dat de sologitaar hier en daar wel erg schel klinkt.
Vorig jaar op vinyl gekocht en wat blijkt: er is een hoekje van de cover "afgebrand". Fraaie hoes, zeker vergeleken met zo'n armetierig cassettebandje (dat ik om nostalgische redenen nog wel koester). Overigens verschilt de trackvolgorde van die van de lp: op de cassette sluit Accident Prone kant A af, op vinyl staat het liedje op de B-kant.

Tenslotte: Rossi’s biografie I Talk Too Much is aanbevolen voor onder uw kerstboom. O.a. over hetgeen zich vanaf ’78 achter de schermen afspeelde, werpt Rossi een voller licht.

Status Quo - In My Chair (1979)

poster
3,5
Een verzamelaar met daarop werk uitgebracht bij hun eerste platenmaatschappij Pye, die deze en vele andere verzamelaars van Quo uitbracht om na het vertrek van de band alsnog te cashen. Uitgebracht in licentie door het Franse Mode.

Hij stond in de bieb, perfect voor de tiener-met-kleine-beurs. De nadruk ligt op de twee boogieplaten die de band voor Pye maakte, dus nummer 3 en 4. Van het debuut vind je alleen Pictures of Matchstick Men, van nummer 2 helemaal náks.

Ik werd er vrolijk van! Vooral Umleitung, Gerdundula en Spinning Wheel Blues heb ik sindsdien vele, vele malen gehoord. Van pop naar hardrockboogie, een interessante fase. Was (en ben) ook onder de indruk van de sound die producer John Schroeder hier neerzette, nog niet zo dichtgesmeerd als hierna bij Vertigo. Aangename introductie op een band-in-transitie.

Status Quo - In Search of the Fourth Chord (2007)

poster
3,5
2007. Internet werd steeds belangrijker voor mijn nieuwsgaring. Het attendeerde op een nieuwe Quo, nadat het mij twee jaar eerder had meegegeven dat Status Quo in Coronation Street had geacteerd (fragment), de soap die in het VK onverminderd populair was. Rossi vertelt in zijn biografie 'I Talk too Much' (2019) dat Parfitt moest worden afgeleerd continu in de camera te kijken...
De hoes van In Search of the Fourth Chord met knipoog naar de films met Indiana Jones (ze staan hier in de kast) vond ik grappig en vol zelfspot, de openingswoorden van Beginning of the End versterken dat nog eens en dan volgt een lekker stevig nummer met pakkend refrein, ronkende gitaren én zo'n lekkere frommelsolo van Rossi, een kunstje dat hij bij de opnamen van Heavy Traffic (2002) herontdekte.

Het album is geproduceerd door Pip Williams, die in 1977 voor het eerst een plaat van ze produceerde. Zorgde hij toen voor een gladder geluid, nu blijft hij bij de knisperende gitaren, een koers vijf jaar eerder ingezet. Vijf nummers werden met Bob Young geschreven, waarmee de invloed van rockende rhythm & blues is gegarandeerd. Ook diens mondharmonica huilt af en toe als vanouds.
Vier nummers lang is het stevig en uptempo, dan wordt het even rustiger met Electric Arena waarin Rossi in de spiegel kijkt. Mooie tekst.

Rauw en stevig is het in Gravy Train, één van de stevigste nummers die Quo ooit opnam, geschreven en gezongen door bassist John ‘Rhino’ Edwards. Op iedere tweede tel voegt Matthew Letley met een dubbele mep op de snaredrum extra dynamiek aan de gruizige shuffle toe. Een nummer dat je de muziek vanzelf hárd doet zetten.
Hierna blijft het twee nummers uptempo, al is het iets ingetogener; My Little Heartbreaker is vervolgens midtempo. Saddling-Up waardeer ik met zijn onderkoelde sfeer en boogie en eveneens genieten is het van het stampende Bad News waar Edwards wederom de leadzang doet. De reguliere afsluiter is Tongue Tied, een ballade op akoestische basis. Het album sluit af met een vraag van dezelfde dame die de opening van het album deed.

Mijn exemplaar (2013) biedt twee bonussen. Eerst het vrolijk swingende Ain’t Wasting My Time, waarna een volgende ballade One by One, geschreven door Parfitt met Young, dat zowaar een akoestische gitaarsolo bevat. Fraai! De zelfverklaarde rocker laat weer eens horen dat hij stiekem goed was in dit soort melancholieker werk.

Ik ben tevreden, tijdens menige autorit is dit album gegroeid. Vooral de eerste helft is sterk; later is het meer standaard zij het nooit ondermaats, met opnieuw enkele briljantjes. Het grappige vouwboekje inclusief passende tekeningen van de zoektocht is dik in orde. Een zeveneneenhalf als schoolcijfer, in 3,5 ster vertaald.

Status Quo - In the Army Now (1986)

poster
1,0
"Mijn" Status Quo was ontbonden maar opende op die snikhete zaterdag van 13 juli 1985 verrassend Live Aid. Een speciaal festival met een bijzondere start, omdat het zo onverwacht was ze te zien. Dit in de bezetting van de laatste twee albums 1+9+8+2 en Back to Back, maar de drie gespeelde nummers kwamen uit hun gloriedagen: Rockin' All over the World, Caroline en Don't Waste My Time.
Solocarrières van de zangers/gitaristen Rick Parfitt en Francis Rossi kwamen ondertussen niet van de grond. Rossi was daarbij klaar met bassist Alan Lancaster, die hierop tevergeefs probeerde Parfitt los te weken voor een Status Quo Mark Two, aldus biografie 'Just for the Record' (1993) van Rossi en Parfitt. Wat Lancaster niet wist, was dat de platenbazen géén Quo zónder Rossi en Parfitt duldden.

Voor deze eenvoudige muziekliefhebber bleef het na Live Aid stil rond Quo, tot ik in het najaar van 1986 In the Army Now frequent op de radio hoorde. Hierbij werd vaak verteld dat dit oorspronkelijk van de Nederlandse Bolland & Bolland was. Onder de naam Bolland uitgebracht was het hier als You're in the Army Now in 1981 totaal geflopt. De Quoversie haalde daarentegen in november '86 #15 in de Nationale Hitparade. En ook al vond ik dit een stom liedje, ik gunde het mijn voormalige helden wel.
In de bezetting twee nieuwe gezichten: bassist John 'Rhino' Edwards en drummer Jeff Rich, beiden ex-Climax Blues Band en aanwezig op Parfitts nooit uitgebrachte soloalbum.
Bovendien mocht toetsenist Andy Bown, al sinds 1977 nauw bij de band betrokken, als derde "nieuwe gezicht" op de groepskiekjes verschijnen. Eindelijk gerechtigheid, dat had de man dik verdiend, constateerde ik tevreden.
Parfitt en Rossi toonden hen beelden van hun afscheidstournee End of the Road om een idee van de uitstraling van Status Quo te geven, maar schrokken van de beelden: "...it was excruciating. We hadn't realized until then how how bad we'd been" (p. 125 van de bio).

De elpee In the Army Now, met een hoes gebaseerd op de foto van de Amerikaanse vlag op Iwo Jima (1945), hoorde ik pas rond 2010 via YouTube. Zoals verwacht klinkt poprock waar alle ruwe randjes glad zijn gevijld. Daar kon ik niks mee.
Op het album staan twee liedjes van de hand van John David, bassist bij Dave Edmunds, te weten Rollin' Home (in het Verenigd Koninkrijk de eerste hit van deze comeback-Quo in mei '86) en Red Sky. Van Ian Hunter, ooit frontman van Mott The Hoople, coverde men Speechless, oorspronkelijk uit 1983.
Voor het gehele album geldt dat je bij sommige intro's denkt dat het iets wordt, maar tuttenbolmelodietjes, kleffe synthgeluiden of meezingkoortjes verpesten het dan weer. Enige lichtpuntje is Red Sky, dat ieeeets wegheeft van Afterburner (1985) van ZZ Top, waar eveneens rock met synthesizers en sequencers werd gecombineerd. Het album piekte in Nederland in oktober 1986 op een schamele #50, in hun eigen land in september op #7. Jaren later las ik dat In the Army Now populair was in de Sovjet Unie, ver voorbij het IJzeren Gordijn. Best bijzonder.

Ondanks al mijn bezwaren is het fijn dat de band deze doorstart maakte, waarbij enkele liveopnamen bij de bonusversie (Deluxe versie 2018 en op streaming) bewijzen dat Quo live veel steviger bleef.
Lancaster verloor een rechtszaak tegen Rossi en Parfitt om de rechten van de naam Status Quo en bleef vervolgens in zijn nieuwe land Australië. Daar maakte hij in '87 met de "supergroep" Party Boys eveneens slappe rock, al is dit nét iets gekruider dan Quo in deze periode deed. Gelukkig verzoenden de heren zich later.

In oktober 2010 haalde In the Army Now nogmaals de British Charts, ditmaal in de versie van Quo met het Corps Of Army Choir.

Status Quo - Just Supposin'... (1980)

poster
3,5
Wie in Nederland in de jaren '74 - '80 hardrockfan werd, werd dat meestal door Status Quo, schat ik zo in. Deze band had sinds 1973 dankzij een rijtje hits de meeste airplay en trad vaak in Nederland op. Het werd de populairste hardrockgroep in Europa, zou dat jarenlang blijven met hier de grootste fanclub. Andere rockreuzen waren vooral albumbands en haalden bij lange niet het singlesucces van Quo, dat met hun herkenbare riffs dichtbij de (pre-)puistenkop met een klein beetje zakgeld stond. Dit kwartet was het summum, al werd er in 1978 met de twee hits die AC/DC scoorde een grote concurrent verwelkomd.

Vervolgens barstte in 1980 de New wave of British heavy metal los. De tempo’s gingen omhoog met Purple’s Speed King, Fireball en Burn als start- en Black Sabbaths riffs zoals in Symptom of the Universe als ijkpunt. Heavy metal werd dominant ten koste van de (bluesy) hardrock. En Quo?

Terugblikkend is het raar om te zien dat de groep die leidend was in hardrockland, juist in 1980 rustiger muziek ging maken. In ’78 was het experiment van If You Can’t Stand The Heat immers mislukt, een jaar later was de steviger opvolger Whatever You Want weer ouderwets goed ontvangen.
Quo bracht begin oktober 1980 What You’re Proposin’ uit. Een goede, uptempo single, Alarmschijf bij het jonge en wilde Veronica, maar… de gitaren scheurden niet. Album Just Supposin’ (prachtige voorkant!) verscheen eind oktober. Ik was voorzichtig. Tweede single Lies was weliswaar iets steviger, maar met die melodie en koortjes wel érg poppy. Leuk voor het singlepubliek, maar de trouwe achterban moet het hoofd hebben gekrabd. Om het Engels letterlijk te vertalen: ‘Wat waren ze denken?’

Ik leen van mijn broertje Just For The Record, de autobiografie van Rossi en Parfitt uit 1993. Anders dan ik bij mijn recensie van Whatever You Want schreef, woonde Parfitt niet op Wight (en ook niet Wright ) , maar op kanaaleiland Jersey, ook bepaald niet om de hoek. De anderen: Lancaster in Australië, Coghlan op Isle of Man, Rossi in Ierland. Dat scheelde belastingafdrage in het door recessie geteisterde Groot-Brittannië.
Ondertussen werd al meer dan een decennium ongezond hard gewerkt. Sinds Pictures of Matchstick Men in 1968 ook in de Verenigde Staten een hit was, werden diverse pogingen ondernomen om daar door te breken. Vanaf ’73 stonden ze er regelmatig op de planken, zonder het gewenste effect. Als er niet door de V.S. of Australië werd getoerd, gaf de band elke week minimaal één optreden ergens in Europa.
Om dit moordende tempo vol te houden, was speed hun levens binnengeslopen, behalve bij John Coghlan, die zich beperkte tot alcohol. Zijn ‘running gag’ was al jaren dat er drie zaken in het leven waren die hij niet leuk vond: optreden, oefenen en opnemen; helaas werd dit langzamerhand menens.

Partyclichés werden volop geleefd, uitputting werd onderdrukt, de kaars brandde aan twee kanten. Boven de band stond een management dat continu om nieuwe singles, albums en tournees vroeg. In feite was het kwartet niet autonoom en hun manager een onverantwoordelijke geldwolf.
Bovendien had Parfitt in de zomer van ’80 meegemaakt dat zijn dochtertje in zijn zwembad verdronk. In Just For The Record vertelt Parfitt dat hij deze tragedie omzet in motivatie om te werken. Echter, in Rossi's biografie I Talk Too Much uit 2021, geschreven na het overlijden van Parfitt, lees ik dat hij zijn maatje in de eerste jaren daarna niet meer zag lachen, behalve als de camera dat vroeg. Als ik dit alles op me laat inwerken, voel ik medelijden.

Ruim veertig jaar later draai ik enkele malen Just Supposin’, dankzij streaming. De twee singles staan op kant A. Ze blijven prima, zolang je geen stevige hardrock verwacht. De tweede track van die kant is Run To Your Mummy: uptempo met beschaafd scheurende gitaren, wel aardig; Baby Don’t Drive My Car had ik eerder op een verzamelaar gehoord. Met een foeilelijk gitaargeluid, mislukte melodie en riff en de arrogante tekst van Parfitt naar zijn schatje is het één van de slechtste Quosongs die ik ken. Kant A sluit af met het aardige Over The Edge, gezongen door Lancaster. Met zijn bekende doenke-doenkritme is het wat steviger, zij het niet zo intens als vroegere shuffles. Het zit ‘m ook in de gelikte productie, deze keer van John Eden, die de radiovriendelijke lijn van Pip Williams grotendeels voortzet.
Kant B is beter: The Wild Ones heeft dezelfde shuffle als de vorige track, maar het gitaargeluid is beter, de riffs zijn goed en het hammondgeluid van Andy Bown past er goed bij. Name of the Game heeft een lekker refrein met een effectief ingezet orgeltje. De derde sterke track op rij is Coming and Going, met een prominente rol voor de mondharmonica van zesde bandlid Bob Young.
Met afsluiter Rock n’ Roll, ruim vier jaar later (!) in Nederland een hitje, komt de grote domper. Net als in '85 schud ik het hoofd: wat doet dat stómme keyboardfluitje in het intro? Een misleidende titel voor een drakerige ballad.

Al met al valt de plaat me mee. Wisselvallig is ie zeker, maar de singles hebben mij indertijd op het verkeerde been gezet, waardoor de lage verwachtingen onterecht blijken. Met alles wat ik na het lezen weet, is die meevaller extra groot. Hun volgende plaat Never Too Late, gelijktijdig met deze opgenomen, zou ik het jaar erop zelfs kopen. Daarover binnenkort meer, nu 2,5 ster.

Status Quo - Live Alive Quo (1992)

poster
3,5
Acht jaar na Live at the N.E.C. verscheen dit Live Alive Quo, zoals vielip al noteerde vanwege een BBC-feestje.
Ik lees hierboven dat sommigen het afgeraffeld en gehaast vinden. De twee frontmannen van Status Quo waren indertijd gestopt met cocaïne, wat zou er aan de hand zijn geweest?
Met de start van de Tour de France morgen, schiet mij opeens een nieuwe verklaring te binnen. Wat nou als ze in 1992 stijf stonden van epo? Dat was indertijd makkelijk verkrijgbaar en muzikanten hoefden na afloop geen plasje of buisje bloed in te leveren bij de dopingcontrole.

Mijn "bewijs" is dat de nummers beduidend sneller en energieker worden gespeeld dan bijvoorbeeld de live-extra's bij Perfect Remedy. De abnormale gedrevenheid blijkt ook uit het feit dat de anders praatgrage Rossi tussen de nummers in nauwelijks iets zegt. "Wij hebben ongelofelijke haast", zou Herman van Veen zeggen. Het effect is een hoog tempo en dat bevalt mij heel goed.

Het mag misschien vreemd zijn dat ze nauwelijks post-N.E.C.-werk speelden, maar de filosofie van de groep is en was dat het publiek vooral hun oude favoriete nummers wil horen. Die moet je hen dan niet onthouden. Met de intensiteit waarmee ze spelen, vind ik dit een lekkere set, zelfs al is het vreemd dat werk van de laatste drie albums zo goed als ontbreekt.
Van Ain't Complaining wordt slechts Burning Bridges gespeeld, van Perfect Remedy en Rock 'Til You Drop niets. Desondanks kan ik zelfs de medleys goed hebben met daarin als verrassing het antieke The Price of Love (1969). De productie is ook nog eens lekker stevig.
Marco Pantani, Lance Armstrong en vele anderen fietsten indertijd op epo bizar snel, met Quo in hun achterwiel. Een dikke zeven derhalve voor deze superenergieke set.

Status Quo - Live at the N.E.C. (1984)

poster
3,5
Weer op reis door Status Quo's discografie, wilde ik van Back to Back naar In the Army Now springen, maar was Live at the N.E.C. even vergeten. Geen wonder. In 1984 was ik klaar met Quo en naar deze liveplaat wílde ik niet eens luisteren. Zelfs Live! (1977) draaide ik zelden meer, omdat veel zwaardere heavy bands mijn oren domineerden. Ik was vermoedelijk niet de enige die er zo over dacht: in de album top 50 stond de elpee slechts één week genoteerd, mei 1984 #43.
Tot ik bij een jongere neef op bezoek was. Hij was tot mijn verbazing Quofan geworden en draaide deze plaat op zijn kamer. Ja, de drums klonken vervelend schel en de toetsenpartijen die hier en daar aan de oorspronkelijke arrangementen waren toegevoegd, vond ik niks. Maar ik zag hoe enthousiast die neef was en als oudere tiener herkende ik in deze beginnende tiener mijzelf van een paar jaar eerder. En dat was verrassend leuk om te zien.

Ik besefte ook dat eerder mijn jongere broer fan was geworden met albums van Quo waarmee ik niet zoveel had. Vervolgens werd Status Quo voor hem een springplank naar andere scheurende gitaren, met name Def Leppard, Dio en Queensrÿche. Misschien zou hetzelfde met die neef gebeuren, realiseerde ik me.
Nog zo'n verhaal: afgelopen zaterdag was een vriend van me op bezoek. Bij hem begon de liefde voor scheurende gitaren met non-albumsingle The Wanderer (#6 in de Nationale Hitparade van december 1984), wat ik indertijd een slap liedje vond. Nog altijd. Tegenwoordig houdt hij van onder meer metal als die van Gojira en vorige week zag hij Pantera op Graspop, om weer enthousiast te zijn. Dat begon dus ooit met Quo. Zo realiseerde ik me dat Quo het 'm weer had geflikt: scheurende gitaren voor beginners, een opstapje naar andere groepen met een serieuzere status dan die "simpele" boogierock.

Vanavond speelde ik Live at the N.E.C. voor het eerst in meer dan tien jaar af en hij viel me alleszins mee. Het begin van het concert is zelfs een soort van spannend met die lange toetsentonen, waarna de gitaren van Francis Rossi en Rick Parfitt het langzaam maar zeker overnemen. Als drummer Pete Kircher en bassist Alan Lancaster bijvallen voel ik tóch weer de opwinding van toen. Zelfs het drumgeluid stoort me niet zo.
Dank gaucho voor je mooie bijdrage bij Back to Back, leuk om wat meer te leren over de carrière van Kircher. Ik had hier geen flauw idee van. Alhoewel ik op Live at the N.E.C. de kenmerkende drumpatronen van zijn voorganger mis, is hij een degelijke opvolger.
Op de binnenhoes zag ik de groep met prince Charles, waarop men kennelijk heel trots was. In 2017 verscheen het album als 3LP met bonussen, waarbij het nummer dat ik op Live! smartelijk miste, te weten Down Down. Best lekker, al zou ik die piano erbij vroeger verfoeid hebben. Desondanks een knallend klassiekertje.

Achteraf gezien had ik wel meer post-Live!-materiaal op deze liveplaat willen horen, materiaal van Rockin' All over the World tot en met Back to Back. Nu ontkom ik niet aan de vergelijking met de illustere voorganger. Desondanks is dit gewoon een heel aardig plaatje en als ik 'm ooit tweedehands tegenkom, zal ik 'm meenemen. Later dit jaar hoop ik de neef te spreken, zal hem eens vragen hoe het hem nadien in het land van de scheurende gitaren is vergaan.

Status Quo - Live! (1977)

poster
4,0
In het vroege voorjaar van 1980 moet ik mijn eerste platenspeler hebben gekocht. Eentje met ingebouwde versterker en standaardgeluidsboxen erbij. Niet zoveel watt dus, desondanks genoeg om mijn ouders regelmatig boos te maken. Na vier albums op cassette te hebben aangeschaft, was daar na drie jaar mijn eerste vinyl. Aangezien drie van die vier bandjes van Status Quo waren, valt te raden welke artiest het zou worden.
Toch kocht ik Live! toevallig: een vriend van mijn broertje had een oudere broer, die er vanaf wilde. Een dubbelaar was namelijk onbetaalbaar, ook al omdat ik met de opbrengsten van mijn krantenwijk een abonnement op stripweekblad Eppo onderhield. Samen met single Mean Girl van enkele jaren eerder, een onverwachte bonus van die oudere broer, verhuisde de toen-al-klassieker naar mijn zolderkamer.

Wát een kans was dit! Heel vaak had ik de afbeelding in advertenties zitten bekijken… Vooral de immer nors kijkende John Coghlan fascineerde mij. Eindelijk zou ik Roll Over Lay Down op “grote” boxen kunnen draaien. Eindelijk had ik de klassieke liedjes in huis, want dat ik in de nazomer van ’77 met Rockin’ All Over The World eigenlijk te laat was ingestapt, was me inmiddels duidelijk.

De trotse introductie vooraf, de stormachtige fangeluiden en de klaphoes in mijn handen zetten de laatste trilhaartjes in mijn oren op de juiste stand. Ik moet mij, zittend op mijn bed, schrap hebben gezet.
Vervolgens gejuich, Coghlan die checkt of zijn drumstel het nog doet, tweemaal een scheurend gitaarakkoord, een koebel en de begroeting van Francis Rossi. Hierop klinken Parfitts slaggitaar, de stampende bassdrum en het juichende, meeklappende publiek; het intro van Junior’s Wailing.
Als bass en drums bijvallen is het definitief feest. Vier kanten lang dendert de trein voort, een aaneenschakeling van Quo in topvorm. De beste Quoplaat die ik kende, met het toen nog officieuze vijfde bandlid, toetsenist Andy Bown, in een uiterst bescheiden rol in de coulissen. De meeste liedjes waren nieuw voor me, ik vond ze allemaal even prachtig. Plus die drumsolo, hoe knap! Al was er na afloop ook een kleine teleurstelling: waarom ontbreekt Down Down? En Roll Over Lay Down bloedt aan het einde een beetje dood, heel anders dan de single die ik van de radio kende.

Ontelbare malen heb ik de plaat gedraaid, afgewisseld met de platen die ik al spoedig uit de fonotheek in het dorp leende. Ik ben nog altijd in het bezit van dit exemplaar, inclusief achter de beschermhoes geklemd een los kaartje van de eerste eigenaar met daarop de tracklist. Hoe bevalt de plaat 44 jaar later?

Tsja, het tienermeisje van toen is nu een dame van middelbare leeftijd. Zo valt op dat wat we toen hele heavy gitaren vonden, naar de huidige normen bijna clean klinkt. De drumsolo is volgens het clichéboekje. Forty-Five Hundred Times duurt wel erg lang, net als Roadhouse Blues. Ik weet nu dat de hit Roll Over… uit ’75 inderdaad een andere versie is. En nog altijd vraag ik me af waarom Down Down ontbreekt.

Maarrrrr… de energie spát er nog altijd vanaf, opgezweept door dat Schotse publiek. Dat de introductie in 2013 en ‘14 is hergebruikt voor de frantic-four-reünie, zegt iets over de vastgelegde magie. De her en der opduikende koebel is charmant en Coghlan is wel degelijk een meer dan competent drummer, die de band herhaaldelijk opzweept tot nog grotere inzet. Bovendien een meester in de rockshuffle.
Dat de gitaren naar de huidige normen vrij bescheiden scheuren, heeft als voordeel dat niet alleen hij, maar ook Alan Lancasters basspel meer ruimte krijgt. Die twee leggen samen een swingende basis, waaroverheen Parfitts hakkende slaggitaar het schip strak op koers houdt. Ook opvallend is dat de band in de langere tracks de ruimte neemt om niet onverdienstelijk te improviseren. Rossi’s gitaarsolo’s passen daarin perfect.
Quo was een geoliede machine, een ‘battering ram’. Had ik indertijd 5 sterren gegeven, nu houd ik het bij vier. Ja, de dame is ouder, maar nog altijd aantrekkelijk.

PS’jes:
- Vergist mijn geheugen zich, of zitten er in de streamingversie kleine knipjes? De solo in Most Of The Time bijvoorbeeld, ontbreken daar deeltjes?
- als engineer staat ene Steve Lillywhite vermeld. Die zou begin jaren ‘80 korte tijd leidend zijn als producer van galmende gitaarwave bij o.a. U2 en Big Country. Dat ik die bij Quo tegenkom...

Status Quo - Ma Kelly's Greasy Spoon (1970)

poster
5,0
In de jaren '90 en '00 kon je voor een prikkie (een gulden, later een euro) op vinyl diverse verzamelaars met muziek van de eerste vier Quo's kopen, de periode dat de band nog onder contract bij Decca stond. Op Koninginnedag en Bevrijdingsdag verzamelde ik zo één en ander, waarbij diverse liedjes ook dubbel in de kast belandden. De kiem was al begin jaren '80 gelegd, toen ik deze verzamelaar uit de fonotheek leende.

Heb Ma Kelly's Greasy Spoon sinds anderhalf jaar op vinyl, van een collega die zijn collectie wegdeed. Zo kwamen de liedjes dan toch samen zoals het ooit bedoeld was. De plaat heeft een heerlijke hoes: de voorzijde lekker fout en humoristisch, op de achterzijde een warrig verhaaltje in poëzievorm, alweer die knipoog. De vorige elpee was ongenadig geflopt, toch straalt de band hier met deze prettige onzin zelfverzekerdheid uit.
Zoals Rinus in 2008 treffend beschreef, hoor je precies wat er gebeurt. Alsof je in een café zit met een klein podium, waar een energieke band uit z'n dak staat te gaan. De slaggitaar van Rick Parfitt smeert hier nog niet de boel dicht, zoals vanaf Piledriver het geval zou zijn. Dat vond ik vroeger jammer, want harder was beter. Nu vind ik de ruimte die hierdoor ontstaat juist heel aangenaam.

Anderen noemden dit al een overgangsplaat. Eén been in de jaren '60: het orgeltje van Roy Lynes (heerlijk!) en het ruimte-effect op de stem van Francis Rossi, zoals in Daughter. Het andere been staat in de rock van de jaren '70, waarin zo nu en dan een boogiepiano opduikt, zoals in Spinning Wheel Blues, gezegend met één van de kortste maar pakkendste intro's van de band ooit. Die openingslick, zóóóó raak!
Op die twee benen staat de band wijdbeens een fascinerende mix van twee tijdperken op te dienen, florerend in de transparante mix van John Schroeder. Een aardige vent die het goed met hen voorhad, vertelt Rossi in zijn biografie I Talk Too Much. Ook vertelt hij dat ze blij waren gewone straatkleding te kunnen dragen in plaats van podiumpakjes. Die ontspannenheid hoor je.
Voeg daaraan toe dat ik de composities heel prettig vind en logischerwijs komt een score die mijzelf verbaast: huh, vind ik het echt zó goed?

De ballade Everything kende ik als B-kant van single Mean Girl en ben ik op latere leeftijd gaan waarderen met die cello erbij. Klein en mooi.
Junior's Wailing kende ik natuurlijk al van hun vermaarde liveplaat, maar deze ingetogener versie is op een andere manier fraai.
Shy Fly heeft een venijnige riff, jaren '60-refrein en -gitaargeluid en toch stevig; wat zou ik graag meemaken dat Quo dit pareltje weer in hun setlist opneemt...
Zwaardere rockers zijn (April) Spring, Summer & Wednesdays, Need Your Love en Is It Really Me, met bovendien een versnelling naar Gotta Go Home, waarna een humoristisch slot te horen is.

Op streaming ontdek ik hele leuke bonussen, alsof het een dertiende maand salaris is. Opvallend trouwens dat de BBC-dj hier al Rossi de leider van de band noemt. Dat klopte toen nog niet, maar waarschijnlijk voorzag hij de verre toekomst van "onze Quo".
Iemand die weet wie Need Your Love in de bonustrackversie zingt? Dat is niet Lancaster, toch? Maar wie dan?

Status Quo - Never Too Late (1981)

poster
4,0
In oktober 1980 verscheen Just Supposin'... met daarop de eerste helft van materiaal opgenomen in de Windmill Lane Studios in Dublin. De tweede helft hiervan kwam al eind maart ’81 uit op Never Too Late. Was de eerste wisselvallig, de tweede is juist sterk. Hoe kan dat?
In drie woorden: John Eden, tijd. Oftewel, een producer met een goede smaak die vijf maanden extra tijd had om de opnames te mixen. Zijn inspanningen leverden een ouderwets goede Quo op, mij herinnerend aan hun midden jaren '70.

1980 was een innovatief topjaar voor de heavy muziek, waarbij “mijn” Status Quo links en rechts werd ingehaald. Eigenlijk had ik ze al afgeschreven toen begin april '81 op een zaterdagavond Enough is Enough klonk in Elpee-Pop, een NCRV-programma op Hilversum 3. Zouden de gitaren écht scheuren? Op naar de winkel. De hoes vond ik fraai: de raket die op Just Supposin’ werd afgeschoten, wordt hier door een Goddelijke Hand uit de lucht geplukt. Een leuk miniverhaal.
Vreemd genoeg liet deze puistenkop zich vooral overtuigen door de achterkant van de hoes, waarop de vier met ruige stoppelbaarden te zien waren. ‘Ja,’ dacht mijn puberbrein, ‘dit is in orde!’

Gelukkig bleek die onnozele aanname juist: Never Too Late is een heerlijk stevig plaatje. Eentje met gitaren vooraan in de mix plus een vette bas en drums, waarbij de toetsenbijdragen passend zijn. Bovendien is het songmateriaal evenwichtiger. Zelfs de poppy single/cover Something 'Bout You Baby I Like bevat een stevige slaggitaar. De tweede cover op de A-kant Oh Carol knalde zelfs zo hard, dat mijn boxjes moeite hadden dit geweld te verwerken: “Rrrrrrock, aaaah!” stemde ik blijmoedig in met de eerste klanken van dat klassiekertje.

Kant B bevat het juweeltje Mountain Lady, waarop drummer John Coghlan heerlijk in vorm is en zich van een andere kant laat horen. Bovendien zijn de toetsen van Andy Bown hier effectief. Het gaat abrupt over in de uptempo songs Don’t Stop Me Now en mijn favorietje Enough is Enough met zijn springerige riff.
Een ander hoogtepunt van de plaat is het laatste nummer Riverside, waarvoor Eden duidelijk eens goed was gaan zitten: het begint met het infaden van het refrein, waarna het intro daaroverheen wordt ingemixt en alweer een vlotte rocker begint; op twee derde van de song een tempowisseling naar het bekende doenke-doenkritme, waarmee het refrein van de eerste tonen terugkeert.
In latere jaren belandde de plaat regelmatig op mijn draaitafel, vooral als de lente weer begint, net als toen. Geleidelijk groeide Mountain Lady, nota bene van de hand van Alan Lancaster, wiens songs ik op Quoplaten vaak de minste vind. Hier echter zijn zowel muziek als tekst (mooie omschrijving van zijn lieffie) méér dan dik in orde.

Rechtsonder op mijn exemplaar staat het adres van de fanclub in Didam. Daar zal in de jaren daarna flink gemopperd zijn, want vanaf opvolger 1+9+8+2 werd het twintig jaar steeds braver en gladder.
Coghlan had inmiddels de band verlaten. Hij dook o.a. op bij een single met Phil Lynott en een album met de band Partners in Crime. Pas in 2002, toen manager David Walker was overleden, herkreeg de band artistieke vrijheid, wat te merken was op Heavy Traffic. In de tussentijd zou ik hun oudere werk gaan ontdekken.
De laatste Quo met Coghlan is dus een hele lekkere, ook een dikke veertig jaar later. In 2017 verschenen in een Deluxe versie, die je ook op streaming aantreft. Die bonustracks voegen echter weinig tot niets toe, mede omdat de geluidskwaliteit van de live-opnamen zeer matig is. Het promospotje voor Never Too Late is echter wél aanbevolen, heerlijk fout: "Achtung Österreich, hier ist das neue Album!"

Status Quo - On the Level (1975)

poster
5,0
Middenin mijn tienerjaren begon ik in de fonotheek van mijn dorp een fanatieke zoektocht naar de platen die ik al zo lang wilde horen. Ouder worden opende nieuwe deuren. On the Level van Quo stond hoog op dit lijstje en hoera, ik viste ‘m eruit! Snel naar huis, de plaat op mijn eerste platenspeler met een stofkap die niet dicht kon als er een elpee op lag.
Bij platenlabel Vertigo zat een slimme marketeer, die op iedere plaat de icoontjes van de albums daarvoor zette. Smachtend had ik die talloze malen zitten bekijken, om ze in de winkel in het echt te zien. Maar ja, geen geld hè? Na de late jaren '70 Quoplaten die ik hiervoor had ontdekt, zou ik eindelijk Down Down op hoog volume kunnen draaien!

Blikvanger is de iconische cover, een bandfoto in een kamer vol optisch bedrog. Die kamer was kennelijk zo magisch dat ie niet alleen de juiste verhoudingen verborg, ook de snor van Alan Lancaster is foetsie! Op de binnenzijde van de klaphoes is de snor er weer. Tientallen zelfgemaakte fotootjes die de band onderweg maakte worden getoond, soms voorzien van droog commentaar. Vooral de foto van Francis Rossi met scheerschuim op zijn edele delen vond ik grappig… De muziek was puur pubergeluk, ook al was de plaat in 1980 alweer vijf jaar oud. De energie spatte uit de groeven, de band speelt ongeremd met alle kracht.
Sinds 10 (?) jaar heb ook ik de plaat op vinyl. De Polaroids vertellen me nu meer: ik zie foto’s die overduidelijk in Amerika zijn gemaakt en gezien het commentaar bij één van deze ook in Canada. Daar was de band tevergeefs druk doende geweest door te breken. Ook ontwaar ik Rory Gallagher, hoe leuk!

De muziek klinkt alsof de band in een kring staat, met mij als luisteraar middenin. Bas en drums vooraan in de mix, waarbij ook de bekkens knállen. Gitaren zijn vrij clean, maar omdat er méér dan fanatiek wordt gespeeld, walst de band over je heen.
Na het heerlijke Little Lady is er blues met Most of the Time, met een fraaie gitaarsolo van Rossi. Hij is misschien geen snarenracer, maar zijn noten zijn ráák. Omdat de band zo energiek speelt is dit één van de zwaarste bluestracks die ik ken. Nog altijd. Net als toen vind ik I Saw the Light een topcompositie, wat ook geldt voor Over and Done. Het midtempo Nightride is dik okay.

Kant B opent met Down Down, die ik in ’80 voor het eerst in de lange versie hoorde. Vond ik toen hartstikke lekker, alleen had het einde meer mogen knallen. In 2021 valt me op dat dit waarschijnlijk een jam was, één van de takes van het nummer. Ik hoor ze zoeken naar hoe er zal worden geëindigd.
Vervolgens nog vier heerlijke tracks, allemaal even lekker met genoeg variatie in die orkaan van energie. Na de slotsong, de bekende Chuck Berryklassieker, klinkt massale zang van publiek, wellicht mede bedoeld om de fans voor te bereiden op de naderende liveplaat.

Zoals eerder andere MuMe-auteurs vermeldden, verscheen in 2015 een special edition, dezelfde die je op streaming kunt vinden. Behalve de singleversie van Down Down hoor je ook de EP Live!, in de zomer van datzelfde 1975 uitgebracht. Hoogtepunten daarvan zijn Roll Over Lay Down, de klassieker in de singleversie die je jaarlijks in de Top 2000 van NPO Radio 2 hoort; ook fijn is de heropname van Gerdundula, deze keer mét basgitaar.

In 1976 barstte punk los en werd Quo door de Britse pers neergezet als dinorock. ‘En we waren nog twintigers,’ beklaagt Parfitt zich terecht in een biografie. Herfst 1976 verscheen de eerste punksingle, New Rose van The Damned. Die vond ik erg goed, mede omdat je hier datzelfde slaggitaargeluid hoort als op On The Level. Vergelijk maar eens, de muziekpers zat er echt naast: de grenzen tussen de generaties en genres liepen behoorlijk in elkaar over. Bovendien was menige punker net zo oud of zelfs ouder: de Stranglersdrummer bijvoorbeeld, tien jaar ouder dan de Quomannen.
Tot slot: als mijn theorie klopt dat ze On The Level in takes opnamen, zou er dan nog niet-uitgebracht materiaal van deze sessies in de kluis liggen? Zou dat ooit worden uitgebracht?

Status Quo - Perfect Remedy (1989)

poster
1,5
In 1989 werden Francis Rossi en Rick Parfitt veertig jaar oud. Hun endorsementdeal met Charvel Guitars zal vast kritiek van oude fans hebben opgeleverd, maar was alweer voorbij. Vijftien maanden na hun vorige album verscheen Perfect Remedy, waar Fender Telecasters prominent op de hoes zijn te zien.

Zoals in het vorige bericht al is te lezen, is de productie helemaal in orde en de muziek bovendien steviger. Een stapje terug naar de tijden van de periode 1977 - 1981. Wederom op Nassau opgenomen met Pip Williams achter de knoppen.
De plaat lijdt echter aan een ernstig gebrek aan goede composities. Ik kan er slechts twee ontdekken: de vrij langzame poprock van Heart on Hold bevalt goed met een pakkende melodie en de toetsenpartijen van Andy Bown ineen grijpend met de scheurende gitaarpartijen. Een stevige popsong.
The Power of Rock doet wat de titel zegt. Tempowisselingen en een sterk refrein, met in het uittro zelfs gehamer op de snaren á la Eddie van Halen. Had zó op Whatever You Want (1979) gekund.

Verder klinkt een mix van pop (zoals Tommy's in Love), vrolijke rock 'n' roll (zoals het titelnummer) en in Adress Book spoortjes country, dit alles in een eigentijds geluid. Daarmee is niks mis, maar de liedjes hebben het net niet. Wat dat betreft beviel voorganger Ain't Complaining een stuk beter, ondanks de nadrukkelijke jaren '80-geluiden.
Op streaming de nodige extra's, afkomstig van de 2cd-editie uit 2020. Hierbij de oorspronkelijke versie van The Power of Rock, toen nog Fighting for Love genaamd. Van de liveopnamen, gemaakt tijdens de Perfect Remedy Tour, werd ik vanmiddag tijdens het werk dankzij menig nummer uit de gloriedagen oprecht vrolijk, zelfs in deze lichtere uitvoeringen.

Mijn waardering betreft de originele versie van het album, met de live-extra's verdubbelt dat aantal.

Status Quo - Piledriver (1972)

poster
4,5
In de zomer van 1972 was Status Quo dankzij manager Colin Johnson overgestapt naar het Vertigolabel, mede omdat de band als een albumgroep wilde worden gezien; zo valt te lezen in biografie XS All Areas (2004) van Mick Wall. Quo was toe aan zijn vijfde album en kreeg alle productionele vrijheid. Met als gevolg Piledriver, hun stevigste tot dan toe.

Afgelopen vrijdag bezocht ik met mijn jongere broer een concert van coverband Status Quotes in Fluor, Amersfoort. Mensen die denken dat een coverband als deze overbodig is omdat het grote Quo nog altijd tourt, vergissen zich lelijk: in het kader van 60 Years Quo speelden de vier Nederlanders minutieus en rauw in hoog tempo klassiekers uit de periode 1968 – 1980, met díe jongehondenenergie die het grote voorbeeld eigenlijk al vanaf 1982 kwijt is. Alsof je Piledriver hoort, waarvan uiteraard ook werk werd gespeeld.
Tijdens het concert herinnerde mijn broer me eraan dat ik de elpee rond 1983 op zijn verzoek voor hem had gekocht; ikzelf was inmiddels overgestapt op metal, maar hij nam het Quostokje over. Wat ik me nog wél herinner, is dat ik enigszins beduusd constateerde dat dit stúkken harder was dan de platen waarbij ik was ingestapt, vanaf Rockin’ All over the World (1977).

Op Piledriver (een term uit het worstelen) staat voor het eerst de slaggitaar vooraan in de mix, wat in bijvoorbeeld Paper Plane (een Britse #8-hit met Kerst ’72) en Oh Baby een gitaarmuur oplevert die me deed denken aan Black Sabbath.
Mijn broer heeft vierentwintig jaar in een Ver Buitenland gewoond, waar concerten van westerse bands schaars zijn. Voor hem was dit coverconcert dus dubbel genieten, waarbij de biertjes extra lekker smaakten. Tijdens deze flashback viel ook hem op hoe rauw Status Quotes speelde. Veel van de klassiekers worden nét een tikje sneller gespeeld dan op de plaat, zoals Quo indertijd ook deed als de groep op de planken stond. Dichterbij de sfeer van het Status Quo in de jaren ’70 – ’81 kun je niet komen. Dat de drummer minutieus de typisch swingende en groovende stijl van John Coghlan kopieert en de gitaristen hun gitaargeluiden exact zoals voorheen Quo laten klinken, maakte het feestje alleen maar groter. Kortom, hardrock met bállen. Zoals op deze plaat: snelle songs, harde shuffle-boogierock en langzame, intense blues.

Bij mijn recensie van voorganger Dog of Two Head schreef ik dat die plaat de laatste is met sixtiesinvloeden. Dát klopt niet: ik was vergeten dat op Piledriver de heerlijke ballad A Year staat. Een liedje dat klinkt alsof het van hun debuutplaat uit 1968 komt. Toch is er een groot verschil: de productie is direct, recht voor je raap; het galmeffect op de zang is verdwenen. Die andere ballad Unspoken Words is trouwens ook lekker in dat bluesjasje.
Rick Parfitt speelt net als op de vorige plaat enkele pianopartijen. Hij wordt daarin bijgestaan door de Engelse sessiemuzikant Jimmy Horowitz, die later zou meewerken aan albums van onder andere Thin Lizzy (Night Life) en Rod Stewart (A Night on the Town).
Piledriver kent geen zwakke momenten, al vind ik de ene song beter dan de andere. Roadhouse Blues is extra relevant omdat dit het lied is waardoor Quo in 1970 op het idee kwam om boogierock te gaan spelen, toen ze de reactie zagen van het publiek in een Duitse discotheek. Desondanks hoor ik liever de eigen composities op deze klassieker.

Op streaming staat de special edition uit 2014, met daarop enkele interessante toevoegingen, zoals het nodige livewerk. Inmiddels kost deze cd-versie een bescheiden fortuin.
Dankzij Status Quotes weet ik weer hoe wild en energiek het Quo in die dagen was. Of, zoals een fan het vrijdagavond keer op keer luid riep als weer zo’n klassieker was voorbij geknald: ‘Leuke plaat!’ Mijn broer en ik waren het volledig met hem eens, reden om Piledriver nog eens extra te draaien en de klaphoes liefdevol te bekijken. Want uiteraard heb ik 'm inmiddels ook zélf.

Status Quo - Quid Pro Quo (2011)

poster
3,0
Niet iedere Status Quo is hetzelfde, wat men ook moge beweren. Mijn überfavorieten zijn Ma Kelly's Greasy Spoon (1970) en On the Level (1975), in de periode 1982 - 2000 is het zoeken naar lichtpuntjes met Under the Influence (1999) als positieve uitzondering en vanaf 2002 keerde de groep met Heavy Traffic terug naar een steviger geluid. Dat gebaseerd op de jaren '70 boogiehardrock, zonder dat decennium te willen kopiëren. Immers: dertig jaar verder met een andere band.

Fans verschillen van mening over hun favoriete album. Niet alleen in de vergelijkingen tussen de fases die voorbijgingen, ook binnen zo'n periode zijn verschillen aan te wijzen. En dan gaan we discussiëren. Zo ben ik minder enthousiast over dit werkje uit 2011.

Quid Pro Quo is het laatste elektrische studioalbum van de groep met slaggitarist-zanger Rick Parfitt, hierna nog te horen is op Aquostic I en II. In vergelijking met de vorige albums sinds 2002 zitten de gitaren weliswaar behoorlijk stevig in de mix, maar wat ik mis zijn riffs en pakkende melodieën. Veel nummers zijn eigenlijk popnummers met scheurende gitaar: waar is de riff, de basis van heavy rock?

Opener Two Way Traffic is lekker dankzij melodie en koortjes maar de riff heeft het niet, Dust to Gold springt er voor mij uit als een nieuwe klassieker met een sluwe riff met melodielijn en Let's Rock klinkt voor mij als een aangenaam deel 2 van die hit Rockin' All over the World, zeker ook qua tekst; in Frozen Hero redt de leadgitaar het nummer. Verder vooral flauwe melodietjes die niet blijven hangen, ook al klinken de gitaren stevig en soleert Rossi her en der aangenaam op zijn kenmerkende wijze. Het is me te vrolijk. Wie die melodieën juist prima vindt, zal met een hogere waardering komen; helemaal goed uiteraard.

Ik heb de versie met bonus-cd (2013), live opgenomen in 2010 in Melbourne en Amsterdam en dáár word ik wél vrolijk van. Zeker met de onverwachte jaren '60-oudjes Pictures of Matchstick Men en Ice in the Sun, die verrassend goed passen bij Beginning of the End uit 2007. Leuk dat die weer in de set opdoken en de rest van de beproefde setlist (Paper Plane en Softer Ride als uitsmijters!) laat eveneens horen wat ik op cd1 mis.

Status Quo - Quo (1974)

poster
4,0
Waar Quo op voorganger Hello! de boel nogal matjes produceerde, vind ik het geluid op het eveneens zelf geproduceerde Quo veel explosiever. En dan heb je me! De hoes van Quo is bovendien fraai. Hij staat hier bij mij thuis als vinyl met enkele hoes en teksten op de binnenhoes; ik ontdek nu pas dat ie ook als klaphoes te krijgen was.
Terecht noemen diverse mensen hierboven de grote invloed van bassist/zanger Alan Lancaster en slaggitarist Rick Parfitt, die voor vijf van de acht liedjes verantwoordelijk zijn. Lancaster neemt vier maal de leadzang op zich, waar ik liever de stemmen van Francis Rossi (drie maal) of Rick Parfitt (één maal) hoor. Maar er wordt gerockt en dat is het voornaamste. De drums van John Coghlan zitten bijvoorbeeld goed in de mix.

Mijn favoriet is op de A-kant vooral Drifting Away, dat met zijn monotone riff en strakke bas en drums klinkt als een opstapje naar Motörhead, dat een jaar later werd opgericht en deze intensiteit nog eens zou opvoeren. Jammer dat het nummer wordt weggedraaid, die gitaarsolo had meer verdiend.
Op de B-kant is het Slow Train, een lied van Rossi met vijfde bandlid Bob Young. Met z'n tempowisselingen, drumsolo en meer fraais het beste nummer van deze plaat.
Rossi schreef hiernaast het lichtere uptempo Fine Fine Fine. Parfitt en Lancaster schreven ook samen het deels akoestische Lonely Man, een fijn rustpuntje tussen al het knalwerk.
De enige single van de plaat was het eveneens luchtiger én vlotte Break the Rules, in het Verenigd Koninkrijk haalde het de top 10. Het werd door de vier gezamenlijk in elkaar gezet.

Alhoewel er van Quo in Nederland geen singlehit werd gescoord, slaagde de band erin om ook hier steeds meer fans te trekken. Terecht.