MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Status Quo - Piledriver (1972)

poster
4,5
In de zomer van 1972 was Status Quo dankzij manager Colin Johnson overgestapt naar het Vertigolabel, mede omdat de band als een albumgroep wilde worden gezien; zo valt te lezen in biografie XS All Areas (2004) van Mick Wall. Quo was toe aan zijn vijfde album en kreeg alle productionele vrijheid. Met als gevolg Piledriver, hun stevigste tot dan toe.

Afgelopen vrijdag bezocht ik met mijn jongere broer een concert van coverband Status Quotes in Fluor, Amersfoort. Mensen die denken dat een coverband als deze overbodig is omdat het grote Quo nog altijd tourt, vergissen zich lelijk: in het kader van 60 Years Quo speelden de vier Nederlanders minutieus en rauw in hoog tempo klassiekers uit de periode 1968 – 1980, met díe jongehondenenergie die het grote voorbeeld eigenlijk al vanaf 1982 kwijt is. Alsof je Piledriver hoort, waarvan uiteraard ook werk werd gespeeld.
Tijdens het concert herinnerde mijn broer me eraan dat ik de elpee rond 1983 op zijn verzoek voor hem had gekocht; ikzelf was inmiddels overgestapt op metal, maar hij nam het Quostokje over. Wat ik me nog wél herinner, is dat ik enigszins beduusd constateerde dat dit stúkken harder was dan de platen waarbij ik was ingestapt, vanaf Rockin’ All over the World (1977).

Op Piledriver (een term uit het worstelen) staat voor het eerst de slaggitaar vooraan in de mix, wat in bijvoorbeeld Paper Plane (een Britse #8-hit met Kerst ’72) en Oh Baby een gitaarmuur oplevert die me deed denken aan Black Sabbath.
Mijn broer heeft vierentwintig jaar in een Ver Buitenland gewoond, waar concerten van westerse bands schaars zijn. Voor hem was dit coverconcert dus dubbel genieten, waarbij de biertjes extra lekker smaakten. Tijdens deze flashback viel ook hem op hoe rauw Status Quotes speelde. Veel van de klassiekers worden nét een tikje sneller gespeeld dan op de plaat, zoals Quo indertijd ook deed als de groep op de planken stond. Dichterbij de sfeer van het Status Quo in de jaren ’70 – ’81 kun je niet komen. Dat de drummer minutieus de typisch swingende en groovende stijl van John Coghlan kopieert en de gitaristen hun gitaargeluiden exact zoals voorheen Quo laten klinken, maakte het feestje alleen maar groter. Kortom, hardrock met bállen. Zoals op deze plaat: snelle songs, harde shuffle-boogierock en langzame, intense blues.

Bij mijn recensie van voorganger Dog of Two Head schreef ik dat die plaat de laatste is met sixtiesinvloeden. Dát klopt niet: ik was vergeten dat op Piledriver de heerlijke ballad A Year staat. Een liedje dat klinkt alsof het van hun debuutplaat uit 1968 komt. Toch is er een groot verschil: de productie is direct, recht voor je raap; het galmeffect op de zang is verdwenen. Die andere ballad Unspoken Words is trouwens ook lekker in dat bluesjasje.
Rick Parfitt speelt net als op de vorige plaat enkele pianopartijen. Hij wordt daarin bijgestaan door de Engelse sessiemuzikant Jimmy Horowitz, die later zou meewerken aan albums van onder andere Thin Lizzy (Night Life) en Rod Stewart (A Night on the Town).
Piledriver kent geen zwakke momenten, al vind ik de ene song beter dan de andere. Roadhouse Blues is extra relevant omdat dit het lied is waardoor Quo in 1970 op het idee kwam om boogierock te gaan spelen, toen ze de reactie zagen van het publiek in een Duitse discotheek. Desondanks hoor ik liever de eigen composities op deze klassieker.

Op streaming staat de special edition uit 2014, met daarop enkele interessante toevoegingen, zoals het nodige livewerk. Inmiddels kost deze cd-versie een bescheiden fortuin.
Dankzij Status Quotes weet ik weer hoe wild en energiek het Quo in die dagen was. Of, zoals een fan het vrijdagavond keer op keer luid riep als weer zo’n klassieker was voorbij geknald: ‘Leuke plaat!’ Mijn broer en ik waren het volledig met hem eens, reden om Piledriver nog eens extra te draaien en de klaphoes liefdevol te bekijken. Want uiteraard heb ik 'm inmiddels ook zélf.

Status Quo - Quid Pro Quo (2011)

poster
3,0
Niet iedere Status Quo is hetzelfde, wat men ook moge beweren. Mijn überfavorieten zijn Ma Kelly's Greasy Spoon (1970) en On the Level (1975), in de periode 1982 - 2000 is het zoeken naar lichtpuntjes met Under the Influence (1999) als positieve uitzondering en vanaf 2002 keerde de groep met Heavy Traffic terug naar een steviger geluid. Dat gebaseerd op de jaren '70 boogiehardrock, zonder dat decennium te willen kopiëren. Immers: dertig jaar verder met een andere band.

Fans verschillen van mening over hun favoriete album. Niet alleen in de vergelijkingen tussen de fases die voorbijgingen, ook binnen zo'n periode zijn verschillen aan te wijzen. En dan gaan we discussiëren. Zo ben ik minder enthousiast over dit werkje uit 2011.

Quid Pro Quo is het laatste elektrische studioalbum van de groep met slaggitarist-zanger Rick Parfitt, hierna nog te horen is op Aquostic I en II. In vergelijking met de vorige albums sinds 2002 zitten de gitaren weliswaar behoorlijk stevig in de mix, maar wat ik mis zijn riffs en pakkende melodieën. Veel nummers zijn eigenlijk popnummers met scheurende gitaar: waar is de riff, de basis van heavy rock?

Opener Two Way Traffic is lekker dankzij melodie en koortjes maar de riff heeft het niet, Dust to Gold springt er voor mij uit als een nieuwe klassieker met een sluwe riff met melodielijn en Let's Rock klinkt voor mij als een aangenaam deel 2 van die hit Rockin' All over the World, zeker ook qua tekst; in Frozen Hero redt de leadgitaar het nummer. Verder vooral flauwe melodietjes die niet blijven hangen, ook al klinken de gitaren stevig en soleert Rossi her en der aangenaam op zijn kenmerkende wijze. Het is me te vrolijk. Wie die melodieën juist prima vindt, zal met een hogere waardering komen; helemaal goed uiteraard.

Ik heb de versie met bonus-cd (2013), live opgenomen in 2010 in Melbourne en Amsterdam en dáár word ik wél vrolijk van. Zeker met de onverwachte jaren '60-oudjes Pictures of Matchstick Men en Ice in the Sun, die verrassend goed passen bij Beginning of the End uit 2007. Leuk dat die weer in de set opdoken en de rest van de beproefde setlist (Paper Plane en Softer Ride als uitsmijters!) laat eveneens horen wat ik op cd1 mis.

Status Quo - Quo (1974)

poster
4,0
Waar Quo op voorganger Hello! de boel nogal matjes produceerde, vind ik het geluid op het eveneens zelf geproduceerde Quo veel explosiever. En dan heb je me! De hoes van Quo is bovendien fraai. Hij staat hier bij mij thuis als vinyl met enkele hoes en teksten op de binnenhoes; ik ontdek nu pas dat ie ook als klaphoes te krijgen was.
Terecht noemen diverse mensen hierboven de grote invloed van bassist/zanger Alan Lancaster en slaggitarist Rick Parfitt, die voor vijf van de acht liedjes verantwoordelijk zijn. Lancaster neemt vier maal de leadzang op zich, waar ik liever de stemmen van Francis Rossi (drie maal) of Rick Parfitt (één maal) hoor. Maar er wordt gerockt en dat is het voornaamste. De drums van John Coghlan zitten bijvoorbeeld goed in de mix.

Mijn favoriet is op de A-kant vooral Drifting Away, dat met zijn monotone riff en strakke bas en drums klinkt als een opstapje naar Motörhead, dat een jaar later werd opgericht en deze intensiteit nog eens zou opvoeren. Jammer dat het nummer wordt weggedraaid, die gitaarsolo had meer verdiend.
Op de B-kant is het Slow Train, een lied van Rossi met vijfde bandlid Bob Young. Met z'n tempowisselingen, drumsolo en meer fraais het beste nummer van deze plaat.
Rossi schreef hiernaast het lichtere uptempo Fine Fine Fine. Parfitt en Lancaster schreven ook samen het deels akoestische Lonely Man, een fijn rustpuntje tussen al het knalwerk.
De enige single van de plaat was het eveneens luchtiger én vlotte Break the Rules, in het Verenigd Koninkrijk haalde het de top 10. Het werd door de vier gezamenlijk in elkaar gezet.

Alhoewel er van Quo in Nederland geen singlehit werd gescoord, slaagde de band erin om ook hier steeds meer fans te trekken. Terecht.

Status Quo - Riffs (2003)

poster
3,5
Na de opnamen van Heavy Traffic volgden meteen die voor Riffs, een album afgedwongen door Universal bij het nieuwe platencontract. Hun vorige coveralbums verkochten immers ook goed, was de redenering bij de mannen-in-pak. Het was dus een "moetje". In de autobiografie 'I Talk Too Much' (2019) van Francis Rossi wordt Riffs zelfs niet genoemd.
De Rossi/Parfitt bandbiografie 'XS All Areas' (2004) doet dat wél. Rossi op p. 309-310: "...we'd actually begun recording Heavy Traffic [when] someone of Universal above (...) decided they would also like an album of cover versions. (...) I went ballistic. I really thought we'd finally left that all behind us. (...) But I got over it."
Parfitt in hetzelfde boek (p. 360): "(...) they made it clear it was a dealbreaker. (...) We agreed to it in the end, though, because this band has to go on (...)."

Toen Heavy Traffic verrassend goed verkocht, waren de mannen Riffs bijna vergeten totdat het zestien maanden later alsnog verscheen. In november 2003 startte de advertentiecampagne en Parfitt liet tevreden optekenen: "It (...) didn't do half as well in the shops in 2003 as Heavy Traffic. (...) To us we had finally proved the point."
Oftewel: Quo moet eigen materiaal opnemen. Dat blijkt nota bene op Riffs zelf. Ik heb het album indertijd compleet gemist, kwam/kom het nooit in platenzaken tegen en ontdekte pas in 2010 het bestaan ervan, waarbij ik eerst aannam dat het best-of-Quo-nummer-999 was.

Het eerste wat opvalt is dat de lettering op de hoes dezelfde is als op Heavy Traffic. Achterop het cd-doosje staat een dame van het blonde soort waar Parfitt zo dol op was, eentje die moet doen vergeten dat de uitvoerenden minder knap waren.
Hoe slaan die kerels zich door de covers heen? Parfitts slaggitaar zit gelukkig prominent in de mix. Nieuwe drummer Matt Letley mept net als op Heavy Traffic rake slagen, ongetwijfeld doordat hij maar liefst achttien maanden met de groep had getourd om Famous in the Last Century te promoten.
Maar ja, covers... Slechts bij Wild One (dat lijkt op de versie van Iggy Pop maar oorspronkelijk van Australiër Johnny O'Keefe uit 1958) en All Day and All of the Night (The Kinks) veer ik op, bij de laatste vooral vanwege Rossi's gitaarsolo.
Geinig dat John Edwards Centerfold (J. Geils Band) zingt, voor het eerst sinds Alan Lancaster de groep verliet horen we een Quobassist op zang. Als cover echter niet boeiend. Verrassend dat ze Pump it Up doen, uit de newwavedagen van Elvis Costello. Of het Quo past? Nee.

Interessant is dat er vijf eigen nummers worden gedaan: Caroline voegt niets toe; leuk is het om de uit de vroege jaren '70 stammende Junior's Waling en vooral Down the Dustpipe in 2002-jasjes te horen. Uit de tweede helft van de jaren '70 stammen Whatever You Want en Rockin' All over the World; wat mij betreft platgetreden, ook in deze versies.

Het vonnis. Drie goede nummers waarbij twee van eigen hand en een lekkere solo bij de Kinkscover; dit in een productie van Mike Paxman die steviger is dan de vorige coverplaatjes. Als er dan toch moet worden gecoverd, gaat mijn voorkeur uit naar deze. Tweeëneenhalve ster, wat een ster meer is dan de twee vorige coverplaten samen.

Een kleine twee jaar later verscheen The Party Ain't Over Yet. Hierop gelukkig eigen materiaal.

Status Quo - Rock 'Til You Drop (1991)

poster
3,5
Het was bij Blue for You (1976) dat vielip mij vroeg om Status Quo's Rock 'til You Drop en Under the Influence nog eens te proberen. In mijn herinnering zijn dat hele matige albums, maar als de Quo-expert van Nederland dat schrijft, heb je te gehoorzamen.

Ik lees me graag in. Hun twintigste studio-album en tevens laatste voor Pye verscheen in september 1991 en is dus alweer 31 jaar oud. De frontmannen waren inmiddels veertigers en in januari ‘91 wonnen ze een BRIT-award, ondanks de slechte verkoop van hun vorige album. Francis Rossi was afgekickt van cocaïne en alcohol en bovendien in juni hertrouwd. De energie was hernieuwd.

Toen ik de hoes indertijd voor het eerst zag, dacht ik dat het een goedkope verzamelaar was met dat simpele fotootje van de frontmannen op het podium. Misschien wilden ze "back to basics" uitstralen. Wat echter telt is dat het album energieker klinkt dan die van de jaren 1982-1989, zo viel me gisteren op; beschaafd-rauw.
Op z'n hardst is Status Quo hier een stevige rockband, zoals in opener Like a Zombie waarin Rossi lekker soleert. Vaak zijn de zanglijnen wat liefjes, zoals in All We Really Wanna Do of Fakin' the Blues. Of soms wordt te routineus gedoenkedoenkt, zoals op No Problems en Good Sign. Op Nothing Comes Easy valt het echter wél op z'n plaats en de ronkende gitaar van One Man Band is dik okay. Aha, nu snap ik het: ze moeten mij niet te vrolijk klinken!

Quo covert drie maal zichzelf en die versies smaken mij: The Price of Love was in 1969 een geflopte single en is lekker met die mondharmonica, Can't Give You More is sinds 1977 een favorietje van me en liveklassieker Forty-Five Hundred Times overdoen blijkt gewaagd maar geslaagd.
Tweemaal coveren ze een ander, wederom is het raak: Let's Work Together werd via Canned Heat en Roxy Music bekend (en in Saksenland via Normaal), Bring it on Home kwam van soullegende Sam Cooke. Veel covers dus, dit alles op verzoek van zowel de platenbaas als manager David Walker.

De laatste bedacht als promotiestunt dat de groep op de dag dat Rock 'til You Drop verscheen op vier ver uiteengelegen locaties zou optreden, als knipoog naar de albumtitel. Publiciteit verzekerd. De plaat verkocht goed, maar in Rossi's biografie I Talk Too Much (2019) vertelt hij dat zijn maatje Rick Parfitt de plaats niks vond, in tegenstelling tot hem.
Ik zit in het midden. Beter dan ik me herinnerde en veel sterker dan de poprock die ze vanaf hun comeback in 1986 maakten, maar echt enthousiast word ik nauwelijks. Een krappe 7.

Hierboven beklaagt vielip zich over ontbrekende nummers. Ik zie op Discogs dat die een maand voor zijn post alsnog zijn verschenen en wel op 3cd. Maar wellicht was dit “mosterd na de maaltijd,” zoals hij zelf al schreef.

Status Quo - Rockin' All Over the World (1977)

poster
3,0
Tweede album dat ik ooit aanschafte, mijn eerste van Quo. Op cassette, nog altijd in mijn bezit ondanks een verblijf in Zuid-Afrika.
Single Rockin'... vond ik goed, het eerste liedje dat ik van de band ontdekte. Een klasgenoot maakte me vervolgens enthousiast in die dagen van spijkerjasjes, halflange haren, een horlogebandje met studs en leren schooltassen.

Heb die cassette grijs gedraaid; met name Rockers Rollin' en al helemaal Hold You Back met dat prachtige intro vond ik goed. Later kwam ook Who Am I? bovendrijven. Op mijn jongenskamertje deed ik aan luchtdrummen, vooral bij de slottrack. Quo werd mijn favoriete band.

Dat de productie was gladgestreken t.o.v. het vorige werk ontdekte ik pas veel later. Band en management hoopten met producer Pip Williams een groter (Amerikaans) publiek aan te spreken, hetgeen mislukte. Voor een nieuwkomer in hardegitarenland was dit desondanks een perfecte integratieplaat.

Ik ontdekte al snel talloze andere heavy namen: het dinsdagmiddagse betonuur van Alfred Lagarde op Hilversum 3 was mijn eerste gids. Vervolgens verstreken de jaren in een scene die steeds harder en sneller ging spelen. Gaandeweg raakte ik uitgeluisterd op dit cassettebandje. En toch...
Enkele jaren geleden heb ik de special edition aangeschaft, met op schijfje 2 de ongepolijste productie van John Eden, die bovendien de trackvolgorde wijzigde. Daar klinkt de band als op de albums in de jaren '72-'76. Die versie krijgt vier sterren van mij, voor de oorspronkelijke die hier op MuMe staat, houd ik het bij drie. Overigens ook op vinyl in huis, drie keer dus.

Status Quo - The Frantic Four Reunion 2013 (2013)

Alternatieve titel: Live at Hammersmith Apollo

poster
3,5
In 2012 was daar de documentaire Hello Quo! als opwarmer voor wat te gebeuren stond: de reünie van de 'Frantic Four' zoals de succesvolle bezetting uit de jaren '70 werd genoemd. Zonder toetsenist, dus geen Roy Lynes (tot eind 1970 bij de band) en ook geen Andy Bown (vanaf '77 in de coulissen). Nadruk op de jaren '71-'76.

De docu kon ik downloaden en die smaakte naar meer. In 2013 kocht ik de aprilspecial over Status Quo van tijdschrift Classic Rock, waarin de mannen (dan 63-66 jaar) vertellen over de bruuske totstandkoming ervan. Niks begroeten en rustig bijpraten. Bassist Alan Lancaster: "I walked into Shepperton and there we were on a fully lit concert stage with 14 bloody cameras in our faces." Het viel mij als kijker op dat Lancaster moeilijk bewoog, maar geruchten over MS werden weersproken. Dit wordt in het interview benoemd, met de constatering dat hij broos oogt.
Wie het interview met de heren nauwkeurig leest, vraagt zich bovendien af of de onderlinge plaagstootjes eventueel (oud?) venijn bevatten. Zoals deze: Lancaster: "We're gonna do a lot of disco moves". Frontman Francis Rossi: "That's why it's not gonna be a very long tour, folks."

Live uit '77 fungeerde als "blueprint", maar zoals de tracklist van The Frantic Four Reunion 2013 laat zien staan er gaandeweg de nodige extra's op, wat het voor mij extra leuk maakt. Indruk maakte het hergebruik van de opzwepende elpeeaankondiging van Jackie Lynton; de man was inmiddels te oud en ziek om dat zelf te komen doen.
Tegelijkertijd valt op dat de mannen er niet meer in slagen de muziek zo intensief neer te zetten als toen, wat met name voor drummer John Coghlan geldt. Slaggitarist Rick Parfitt is degene die de boel op tempo houdt, in veel betere vorm dan de teruggekeerde ritmesectie.
Nieuw ten opzichte van Live zijn Blue-Eyed Lady, (April) Spring, Summer and Wednesdays, Railroad, Oh Baby en Down Down. Aangename toevoegingen.

De opnamen zijn van het slot van de Britse tour 2013, in het Classic Rock-januarinummer van 2014 blikten de vier terug. Een fan vraagt naar de kans op een nieuw Frantic Four album. Parfitt: "I think the chances are quite slim. Francis and I are busy enough with the current Quo." Lancaster is duidelijker: "If it was just left to me, Rick and John... yes," daarmee aangevend wie dat plan blokkeerde. Toen vond ik dat jammer, inmiddels versta ik Rossi wel.

In 2014 volgde een tweede tour waarin de twee "verloren zonen" hun spel beter op orde hadden. Eens kijken of dat hoorbaar is, op naar The Frantic Four's Final Fling.

Status Quo - The Frantic Four's Final Fling (2014)

Alternatieve titel: Live at the Dublin 02 Arena

poster
3,5
Het is hierboven al vaker opgemerkt in enkele bijdragen: de The Frantic Four's Final Fling lijkt met zijn setlist logischerwijs sterk op het jaar daarvoor verschenen The Frantic Four Reunion 2013. Voor mij zijn de grootste verbeteringen de toevoeging van Gotta Go Home (lekker!) en vooral het feit dat de band geolieder samenspeelde. Met name John Coghlan heeft zich verbeterd ten opzichte van het jaar ervoor, zoals te horen in Forty Five Hundred Times. Het concert in Zwolle heb ik - helaas - gemist, maar de gezichten en verhalen van degenen die erbij waren, spraken boekdelen.

Niet geheel onbedekt was de reserve die frontman Francis Rossi had, maar pas met zijn bio I Talk Too Much (2019) werd mij ten volle duidelijk dat een vervolg van de Frantic Four echt onmogelijk was. Woorden die voor de fanatieke fan wellicht too much zijn maken dat duidelijk, met op pagina 285 de verzuchting "So even after all these years it was quickly back to where it was when we split up the first time." Hij geeft enkele voorbeelden, ik zal ze u besparen.
We hebben de herinneringen, we hebben de muziek en dat is goed. De dvd van deze reünie moet ik toch maar eens op de kop tikken; de beelden die ik indertijd op YouTube tegenkwam bekeek ik gefascineerd met de volumeknop op 11.

Wat vond ik het jammer dat het Quo-van-nu weer verder ging... Groot was mijn verbazing toen ik hoorde van Aquostic. Na een mislukte film en geslaagde reünie kon dat er ook nog wel bij.

Status Quo - The Last Night of the Electrics (2017)

Alternatieve titel: The Electrifying Show at London's O2 Arena

poster
3,5
Deze Status Quo is een apart album voor mij. Dan bedoel ik niet de officiële The Electrifying Show at London's O2 Arena. Hier draait nu namelijk de editie van die koude avond in Amsterdam, 2 december 2016. Bij de entree kreeg je een voucher voor de live-cd van het concert dat gegeven zou worden, een registratie die enkele weken later op een grauwe dag op de deurmat viel.
De Londense editie is keurig afgemixt zonder de babbels van frontman Francis Rossi tussendoor. Die van Amsterdam bevat qua muziek slechts een ruwe mix, afkomstig uit het mengpaneel. Voordeel is echter dat de praatjes van Rossi hier wél zijn meegenomen, wat het veel persoonlijker maakt.

Bij binnenkomst in de HMH had ik het idee dat ik de eerste generatie hardrockers begroette. Het gros van hen was een stukje ouder dan ik, zelf ook niet meer de jongste. Ik zag veel zestigers en zeventigers die soms wat moeizaam liepen maar zin hadden in de show. Het zou de laatste elektrische tour van groep zijn, mede door de gezondheidsproblemen van tweede frontman Rick Parfitt. Die was inmiddels uitgevallen, al wordt hij wel vermeld op de hoes. Het was echter de Ier Richie Malone (door Rossi na drie nummers geïntroduceerd met een "Hello, paddy!") die als 'guest guitarist' op het podium stond en met zijn strakke slagspel een prima vervanger bleek. De stem en persoonlijkheid van Parfitt miste ik desondanks; jammer dat Rossi de naam van Parfitt bij dit concert niet noemde.

Die tussenpraatjes maken dat sommige tracks een stuk langer duren dan die op de officiële en de liedjes van achtergrondinformatie voorzien. Zo legt Rossi uit dat Softer Ride iets heeft te maken met snuiven. Na afloop van Creepin' up on You, de opener van cd2, volgt de introductie op Gerdundula, dat gekke folkliedje van Quo dat ze voor het eerst in 1970 uitbrachten. Het is akoestisch, Keltisch en vrolijk; vernoemd naar de Duitse fans Gerd und Ula. Dat alles wist ik, maar dankzij de introductie op de Amsterdam-cd leer ik dat het in Bielefeld ontstond. In de categorie 'leuke maar nutteloze feitjes' een extra weetje voor deze oude fan.

En verder is dit een concert van Status Quo-light. Het venijn waarmee de muziek in de jaren '70 werd gespeeld, ontbreekt. Niet bij In the Army Now uiteraard, dat was in 1986 al poprock. Met het wegvallen van Parfitt groeide de vocale rol van bassist John Edwards. Hij zingt prima, maar zijn stemkleur is anders dan die van de blonde gitarist; het is niet anders...
Andere opvallende details? De opening van de show is bijna symfonisch met oosterse klanken van toetsenist Andy Bown, waarin hij Pictures of Matchstick Men verwerkte; het gaat over in Caroline. In de tweede helft van het Amsterdamse concert vliegt Rossi's gitaarsolo in het intro van Roll Over Lay Down de bocht uit.

Juist door de rauwe mix valt op dat Leon Cave minder energiek en eigenwijs drumt dan John Coghlan indertijd deed. Zo mis ik in Hold You Back sommige accenten en breaks, die simpel maar krachtig waren, zoals de drie meppen op de snare in de overgang van couplet naar refrein. Drumsolo The Caveman is te standaard.
Nu pas dringt tot mij door dat Coghlan verantwoordelijk was voor een dynamiek, die samen met hem de groep verliet. Dit mede door de poprockkoers die werd ingeslagen. Maar goed, als ik de sfeer van het oude Quo wil herbeleven, bezoek ik tegenwoordig een concert van de Nederlandse tributegroep Status Quotes.
Ter compensatie had het Quo van 2016 meer recenter nummers mogen spelen: The Beginning of the End (2007) smaakt met The Oriental en Creepin' Up on You (beiden uit 2002) naar meer!

Precies drie weken na dit concert kwam op Kerstavond het nieuws dat Parfitt was overleden. Een hoofdstuk werd definitief afgesloten. Anderhalf jaar later verscheen zijn postume soloplaat.

Voor degenen die ook de Amsterdamse editie heeft staan: let eens op bij Something About You Baby I Like. Vanaf zo'n 30 seconden, als de brug bezig is, hoor je een fan luid mopperend de zaal verlaten. Wie dat was, kun je ergens hierboven lezen.

Status Quo - The Party Ain't over Yet... (2005)

poster
3,5
Status Quo begon in 1965 als The Spectres en daarom werd 2005 het jaar dat veertig kaarsjes werden uitgeblazen. De mediacampagne bij dit jubileum was rond album en dvd The Party Ain't Over Yet. Het is minder rauw dan hun "comebackplaat" Heavy Traffic van drie jaar daarvoor en qua liedmateriaal minder pakkend. Maar er zijn pareltjes, reden dat ik toch heel blij ben met de cd, die ik voor slechts 5 euro tegenkwam.
Het aantal bijdragen van Bob Young, schrijfmaatje van Francis Rossi, stond op Heavy Traffic op vijf; hier op drie, wat een signaal is dat het minder stevig is geworden. Omdat alle bandleden verantwoordelijk zijn voor de composities, mocht dat geen probleem zijn. De productie werd wederom door Mike Paxman gedaan.

De gitaren raggen dus dus minder fel dan op Heavy Traffic, uitgezonderd het gedreven Gotta Get Up and Go, voor mij de beste van de plaat. Velvet Train is net iets minder stevig, maar wel lekker.
Mijn broer heeft bij Quo een lichtere smaak dan ik. Hij wordt waarschijnlijk heel vrolijk van de stevige boogiepoprock van het titelnummer, All That Counts Is Love, The Bubble, Belavista Man, You Never Stop en Kick Me When I'm Down. Puurdere bluesrock klinkt in Nevashooda en Cupid Stupid, die me beter bevallen.

Opvallend genoeg staan er twee popachtige liedjes op akoestische basis op de plaat die ik héél lekker vind, beiden van de hand van Rick Parfitt: Familiar Blues schreef hij met toetsenist Andy Bown en heeft een verslavend meezingbaar oeh-oeh-oeh-oehkoortje (u had me gisteren in de auto moeten zien ); ontroerend mooi vind ik This Is Me, geschreven met bassist John Edwards. Hierin verklaart de rocker in een popliedje vol jaren '60-saus zichzelf, alsof hij het zijn afscheidswoorden zijn. Beide nummers vallen buiten de blues/boogierock van de groep, maar een goed liedje is een goed liedje!

Voor mij drieëneenhalve ster, waar mijn broer met zijn lichtere smaak er waarschijnlijk een volle ster bij doet.

Hierboven schrijven Brutus en vielip over You'll Come 'Round. Voor zover ik heb kunnen vinden staat dat niet op dit album, wél op verzamelaar XS All Areas (2004, samen met de gelijknamige biografie verschenen) en inmiddels ook als bonus op de 2cd-editie van Riffs (2022).

Status Quo - Thirsty Work (1994)

poster
2,5
Thirsty Work associeer ik met de tijd dat de elpee definitief de platenwinkels had verlaten, compleet verdreven door de compactdisc. Kleine hoesjes in plastic doosjes waren het gevolg. In een krant las ik een interview met de heren, dat vooral over hun favoriete drankjes ging, het thema van de hoes. Niet bijster interessant. Op de radio kwam het vlotte I Didn't Mean It voorbij, gladgeschuurd in vergelijking met Quo's werk uit mijn tienerjaren; mijn heimwee naar vroeger groeide nog meer. Het haalde in Nederland niet de hitlijsten, het album werd in september 1994 #87.

Met de oren van 2023 valt de schade mee. De productie is prima, gedaan door frontman Francis Rossi. Opener Goin' Nowhere rockt bescheiden maar aangenaam; gevolgd door de single als versnelling, van de hand van voormalig pubrocker John David die al eerder voor hen schreef.
Een aangenaam popliedje is het slepende Lover of the Human Race, geschreven door Rossi met toetsenist Andy Bown, het heeft bovendien een aangenaam beschouwende tekst.
Met een titel als Sherri, Don't Fail Me Now! ben ik direct geneigd om af te haken, maar qua muziek moet ik denken aan de lichte variant van jaren '80 adult oriented rock á la John Waite (diens Missing You). In Rude Awakening klinkt dan eindelijk mijn geliefde shuffle, best lekker; Ciao-Ciao is uptempo en stevig met een sterke melodie.
Zeven nummers voor mijn afspeellijst over hun poprockjaren 1986 - 2000, dat zijn er vijf meer dan van Perfect Remedy en één meer dan voorganger Rock 'Til You Drop.

Tegelijkertijd zakte de groep nergens dieper door de enkels dan in popballade Restless (leuk in zijn soort maar waarom coverde Quo Jennifer Warns?), de brug in Tango (vanaf "Take me away...", geschreven door Rossi met diens schrijfmaatje Bernie Frost, klinkt het met zijn toetsengeluiden als Nederlandse schlagerpop; eveneens van hen is Sorry, dat in 1980 op een plaat van Demis Roussos kwam. Leuk popfeitje, maar opnieuw: waarom bij Quo?
De overige muziek op Thirsty Work is een kwestie van het ene oor in, het andere uit. Achtergrondmuziek. Opvallend is dat de stem van tweede frontman Rick Parfitt nauwelijks is te horen: hij zit slechts in de achtergrondkoortjes. Dit is een album van Rossi's Quo, waarvoor Parfitt bovendien geen liedjes leverde.

In biografie 'XS All Areas' (2004) van Rossi en Parfitt wordt duidelijk hoezeer de groep was gericht op de Britse single- en albumlijst. Single I Didn't Mean It werd daar in augustus 1994 #21, nadat de groep het in juli als hun honderdste optreden in Top of the Pops kwam promoten, een absoluut record. Thirsty Work haalde #13.
Manager David Walker was ontevreden en wilde hogere posities in de lijsten. Gelukkig voor hem naderde het dertigjarig bestaan van de groep en hij was vastbesloten daaraan de nodige publiciteit te verbinden. De man die de groep in 1988 van de financiële afgrond weghaalde, begon meer en meer invloed uit te oefenen op liedkeuzes op albums, singlekeuzes en allerlei promotiestunts. Het begon de leden van Quo enigszins te benauwen.

In 2020 op 2cd verschenen met diverse bonussen, ik laat dat maar links liggen. Misschien dat de overdominantie van Rossi, mede veroorzaakt door Parfitts veel te bescheiden inbreng, ertoe leidde dat Quo hier zo pop klinkt. Bijna alsof het een soloplaat van Rossi is. Misschien dat dit de verklaring is voor de tegenvallende verkopen, behalve dan dat Quo (weer eens) uit de mode was?

Status Quo - Two (1976)

poster
4,0
O, wat leuk dat deze is toegevoegd! Ik had deze verzamelaar ooit en heb 'm later waarschijnlijk aan mijn broer gegeven toen ik de oorspronkelijke albums had, al dan niet op cd.

Toen ik 'm kocht, ergens in de jaren '90 op een vrijmarkt, was vinyl uit de mode. Op dat moment kende ik nog niet Railroad, Daughter en April, Spring, Summer and Wednesday. Lekkere nummers uit de fase dat Status Quo nog maar kort was overgeschakeld op boogierock. Typische albumtracks met de groep in topvorm. Heavy, slepend, tempowisselingen: zo hoor ik het graag.

In Daughter bovendien een orgelsolo van Roy Lynes, wat sommige Quofans wellicht niks vinden maar ik vind 'm in de stevige context heerlijk. Zeker in dat productiesausje van jaren '60 psychedelica. Op z'n Quo's hè en opgenomen in 1970, dus geen zweefkezerij.

Voor wie het Quo van 1970-'71 niet kent is deze verzamelaar van harte aanbevolen!

Status Quo - Under the Influence (1999)

Alternatieve titel: Influence of Matchstick Men

poster
3,5
In maart 1999 hoorde ik plotseling recent werk van Status Quo op de radio, dat bovendien wel okay was. Swingend en licht verteerbaar, als een ipa-0.0-biertje dat bij warm weer prima kan smaken. Het was The Way It Goes, dat in de Mega Top 100 in de onderste helft bleef steken, net als Little White Lies in juni zou doen. De laatste met gitaarspel waarbij ik aan The Bangles (!) moest denken. Op de website van de hitlijst zie ik dat albumopener Twenty Wild Horses in december hetzelfde lot was beschoren, alweer een aangenaam liedje met een folkachtige riff.
Dat nummer hoorde ik echter pas zo’n tien jaar later, toen ik de discografie van de groep in chronologische volgorde doorploegde. In mijn herinnering sprong dit album er niet uit, maar als hoogleraar Status Quo vielip daar anders over denkt, loont het om de plaat weer een kans te geven.

Na de paarden volgt het eveneens vlotte titelnummer dat bovendien met een aangename mondharmonicasolo eindigt; beide nummers van frontman Francis Rossi en diens schrijfmaatje Bernie Frost. Round and Round is nog iets vinniger, van de hand van toetsenist Andy Bown en bassist John Edwards.
Is het tot dan toe allemaal aangenaam maar keurig swingend, op Shine On veer ik overeind. Dit liedje heb ik indertijd niet opgepikt, maar er klinkt een sixtiessfeer in door dankzij een aparte akkoordenprogressie en melodielijn; van de hand van Rick Parfitt met Edwards. Het liedje wordt langzaam steviger en doet me tevens denken aan Parfitts postume soloplaat.
Keep ’em Coming van Andy Bown begint traag, om al spoedig stevig te gaan rocken met bovendien een sterke melodie. Mijn volgende favorietje volgt met het spannende intro van Making Waves van Rossi en Frost. Het doet denken aan één van de lichtere nummers van klassieker Blue for You (1976).

Na dit knallertje volgt een dubbele Rossie-Frost: Blessed are the Meek valt een beetje in het niet, maar is eigenlijk van hetzelfde kaliber als de singles: licht-stevig, zeker swingend. Pas op Roll the Dice klinkt het oude doenkedoenk, helaas in de coupletten wat gezapig, maar in de refreinen en op de momenten met mondharmonica helemaal goed.
Not Fade Away is uptempo, een cover van Buddy Holly met een countrygevoel, wat band én liedje goed kunnen hebben. Mijn eerste kennismaking uit de vroege lente van 1999 sluit de plaat af.

Op streaming zijn de eerste twee extra’s vermeldenswaardig: Sea Cruise is een bluesachtige rocker, het wederom vlotte I Knew the Bride kende ik van pubrocker Nick Lowe en is ook hier aangenaam.

Under the Influence verdiende inderdaad een tweede kans en krijgt warempel drieëneenhalve ster. Als het Nederlandse Status Quotes het op hun manier zouden opnemen, zou er zomaar een sterretje bij kunnen komen. Ik heb een droom…

Status Quo - Whatever You Want (1979)

poster
3,5
December 1979, de kerstvakantie begint. Het is koud, maar dankzij een krantenwijk en de nieuwjaarskaartjes die ik daarvoor zal gaan rondbrengen, kan ik sparen voor een eigen platenspeler.
Ook wordt af en toe Muziek Expres aangeschaft, waarin ik behalve over mijn favoriete bandje Quo over andere helden lees. Wervelende verhalen over Cheap Trick, Van Halen en de hausse aan new wavebandjes als Blondie, Lene Lovich, Fischer-Z, The Shirts en de Nederlandse New Adventures hebben mijn aandacht.

Deze namen halen de hitlijsten, waar ik ze op de enige popzender Hilversum 3 bij de Nationale Hitparade opneem, want daar praten ze niet door de liedjes heen. De VARA-dinsdag en KRO-woensdag helpen ook bij het ontdekken van al die nieuwe muziek, in iets mindere mate vind ik dat bij de VPRO en nieuwkomer Veronica.

Whatever You Want is dan al een grote hit geweest, vier weken #5 zelfs. Opvolger Runaway (dubbele A-kant met Living On An Island, maar die hoor je niet op de radio) doet het minder goed, maar vind ik nog leuker. Voor de vierde en laatste maal koop ik een album op cassette, uiteraard deze Quo.
Na één draaibeurt weet ik dat de band terug is bij waar ze goed in is. Verdwenen zijn blazers, overdadige synthesizers, dameskoortjes en disco. De toetsenpartijen van Andy Bown zijn passend. Het spannende intro van de titelsong kende ik, met zijn hakkende refrein wordt het lied zelfs door niet-hardrockers op school gewaardeerd. De rest van kant A is okay, zelfs ballade Living… is goed te doen.

Het is de B-kant waar Quo ouderwetse vorm bereikt. Come Rock With Me gaat over in Rockin’ On en wordt zo een lange track die fraai naar een climax toegroeit. Na Runaway (uptempo, bass vooraan in de mix, heerlijke melodie) en middenmoter High Fligher volgt de slotsong, die net als de opener van deze kant zo’n 6’40 duurt en zelfs uit vier delen bestaat. Na een mid-, up- en dan weer midtempodeel eindigt Breaking Away met een langzaam bluesje. De hoes van de cassette geeft slechts beperkte informatie, een recensie vertelt mij dat bandmaatje Bob Young daarin de scheurende mondharmonicasolo speelt.

Muziek Expres heeft echter meer nieuws: het zou zomaar kunnen dat dit de laatste Quo is! In het decembernummer schrijft het blad erover onder de kop "Stopt Quo ermee?" Ik schrik: hoezo dan? Nou, de hoes bevat allerlei hints hiernaar. De pinguin blijkt een symbool voor een figurant te zijn; de cover staat vol met filmsterren die dood of met pensioen zijn. Ook worden de teksten uitgespit: op Living… wordt uitgebreid geklaagd over het popsterrenbestaan (het eerste couplet alleen al) en in het refrein van Breaking Away kondigen ze zelfs letterlijk aan ermee te stoppen. Ook is “een merkwaardige promotiefilm gemaakt,” schrijft Muziek Expres. “Alsof er een document voor het nageslacht gemaakt moest worden...”

‘Hihihi,’ grinnik ik 42 jaar later, ‘hoe ver kun je er naast zitten?’ Tegelijkertijd weten we dat de voorspelling geen complete onzin was. De heren raakten uitgeput en verveeld van de eindeloze cyclus van liedschrijven-repeteren-opnemen-touren, onderbroken door talloze fotosessies en vooral uitspattingen, waarvoor menig ouder ons waarschuwde dat vooral niet te doen. Om belastingtechnische redenen wordt gewoond op het eiland Wright en opgenomen in het buitenland, zoals dit album: Wisseloord in Hilversum.
Twee albums in deze bezetting zouden volgen, de ballon liep inderdaad leeg. Gelukkig voor mij zou ik op mijn aan te schaffen platenspeler, wij zeiden toen nog pick-up, (de new wave of British heavy) metal gaan verwelkomen, plus nog veel meer new wave.

Stef Kamil Carlens - Be Who You Wanna Be (2024)

poster
3,5
Soms kom je buiten je eigen muzikale comfortzone. Zoals begin deze maand, toen een vriend mij vroeg mee te gaan naar Vredenburg waar Stef Kamil Carlens zijn nieuwe Be Who You Wanna Be kwam spelen. Ik kende niets van de man, behalve dat ik zijn muziek af en toe op radio hoorde langskomen en deze in de kast heb staan.

Het werd een aangename avond, ook al door het voorprogramma, terwijl deze Douglas Firs er slechts gewapend met akoestische gitaar stond. Om hem heen de backline van het hoofdprogramma, nieuwsgierigmakend naar het vervolg van de avond. Wel, Carlens bleek te gaan voor funk, waarbij hij grote voorbeeld Prince met naam noemde.
De pet zover naar voren getrokken dat zijn ogen buiten beeld bleven, was hij méér dan zanger en gitarist. Carlens is de dirigent van zijn orkest, bestaande uit een ritmesectie, toetsenist/saxofonist, nogmaals een gitarist en een toetseniste/zangeres én een tweede dame voor de zang. Tot tweemaal toe was hij ontevreden over een intro, reden om het nummer stil te leggen en geconcentreerd een succesvolle tweede poging te doen. Als niet-kenner weet ik niet welke nummers hij speelde en uit welk tijdperken uit 's mans rijke carrière die stamden, al geeft de set van Maastricht (die van Utrecht ontbreekt op setlist.fm) wellicht duidelijkheid.

Nadien heb ik nieuwsgierig en regelmatig Be Who You Wanna Be gedraaid, dat me onmiddellijk naar de sfeer tijdens het concert terugvoerde. De nadruk op groove, of hij nu werk van anderen of zichzelf speelt, waarbij op ballade Take a Little Time na niet onder de vijf minuten wordt afgesloten. Hierboven meldden anderen wiens werk wordt gecoverd, op dit album krijgt dat werk dezelfde warme sfeer als de eigen composities. Een enkele bluesachtige gitaarsolo van Carlens verfraait de boel.
Favorieten van me zijn het onderkoelde Suspicion met lekkere elektrische piano, het zwoele Love Me Like a Prayer waarin één van die prachtige gitaarsolo's en het uptempo C'est Comment Qu'on Freine met effectieve baritonsax.
De dikke zeven minuten van Walk on Red, Stop on Green duren me te lang, maar leuk om Carlens enkele van zijn inspiratiebronnen te horen noemen, inclusief "my analogue synthesizers, (...) Gibson Fire Bird and (...) Johnny Guitar Watson records".

Enne, aERodynamIC, hoeveel oktober is voorprogramma Douglas Firs weer terug in Utrecht, dan om mét zijn band werk van zijn nieuweling te spelen? Man, wat heb heb gelachen om de (onbedoeld?) grappige tussenpraatjes tijdens zijn voorprogramma, inclusief de aankondigingen voor het geplande optreden! Na afloop stond hij achter ons, tegen de achterwand nabij het mengpaneel te genieten van Carlens en diens band. Net als ik, die een onverwacht leuk avondje uit beleefde en Be Who You Wanna Be als een aangenaam zomeravondplaatje beleef.

Steinhardt-Moon - Moonshot (1999)

poster
3,5
Het tweede en laatste album dat Steinhardt-Moon uitbracht is dit "postuum" verschenen Moonshot. De dubbel-cd sluit af met een interview, eigenlijk meer een vertelsessie van de twee groepsleiders. Ze blikken hierin terug.

Ik wist dat Robby Steinhardt progrockgroep Kansas eind 1982 verliet omwille van "persoonlijke redenen". Nu blijkt dat hij zich in Florida vestigde en zich de eerste vijf jaar, dus tot ca. 1987, geheel wijdde aan de zorg voor zijn dochter.
Ze ontmoetten elkaar toen Moon nog in de groep Deep South zat en hielden contact, terwijl Moon bezig was met diverse soloprojecten. Eén van de studio's waar Moon opnam was Morrisound in Tampa. Die naam ken ik als dé studio voor deathmetal, dat rond 1988 ontstond. Maar er werd meer opgenomen dan alleen dat genre.
Moon maakte namelijk stevige rock, waarvoor hij op een gegeven moment Steinhardt als gastmuzikant vroeg. In het gesprek bevestigt deze dat hij op dat moment geruime tijd zijn viool niet had aangeraakt.

In 1990 vindt Moon een geldschieter voor een nieuw project. Hij benadert opnieuw zijn maatje en ze richten Steinhardt-Moon op. Gedurende de nodige maanden nemen ze met diverse muzikanten het vooral door Moon geschreven materiaal op. Aan de stevige rock wordt mede op aandringen van Steinhardt ook een blazersgroep genaamd Bush Powers toegevoegd, waarmee een ongewone kruising met klassieke r&b ontstaat.
Als het studioproject de planken opgaat, ontstaat een vaste bezetting, die we horen op het titelloze debuut (1995). In 1996 wordt Steinhardt gevraagd om terug te keren bij Kansas, waarmee Steinhardt-Moon tot een einde komt. De achtergebleven bandleden gaan door als Stormbringer.
Internet bestond nog maar kort en de website van Steinhardt-Moon, inmiddels ter ziele, trok steeds meer belangstelling. Zo bleek de ene cd van de groep in Japan de nodige fanatieke fans te hebben opgeleverd. In 1999 verscheen vanwege de grote vraag in eigen beheer dit Moonshot.

De dubbel-cd bevat op de eerste schijf dertien nummers en op de bonus nog eens zes; die laatste zijn echter soms van demokwaliteit, al is het zeker geen rommel. Diverse nummers hoorde ik ook op het debuut, zij het daar van andere sessies.
De eerste dertien nummers zijn gestandariseerd qua productie, al komen hoorbaar twee bandbezettingen voorbij, plus enkele nummers met r&b-blazers. Die laatsten klinken in Window Shopping, Expressway to Your Heart en de funk van Light My Fire (geen cover van het gelijknamige nummer van The Doors), hetgeen muziek in de stijl van de Blues Brothers oplevert.
Op Shades of Black en Down & Out wordt de leadzang niet door Moon of Steinhardt gedaan, maar door ene Steve Gruden, die we qua stem meer in de hoek van een Michael Bolton moeten zoeken. Dit levert muziek op in de richting van soul en adult oriented rock.
In de meeste gevallen echter overheerst harde rock waarop de vrij zware stem van Moon domineert. Op de momenten dat Steinhardt zijn viool laat klinken, sluipen onmiddelijk de symfonische vergelijkingen met Kansas binnen. Lichter is het bij het akoestische Playin' for Keeps of Fool's Heartache en op cd 2 bij Rosalina.

Van de dubbelaar is momenteel niets online te vinden, behalve Too Hot to Handle, de enige compositie door Steinhardt gemaakt en op JijBuis abusievelijk 'Too Hard to Handle' genaamd.
Muziek op de driesprong van hardrock/Southern rock, klassieke r&b en (als Steinhardts viool klinkt) symfonische rock. Van hoog vakmanschap in Amerikaanse rocksfeer, qua mengsel van stijlen echter te diffuus. Zeker met de twee bezettingen van Steinhardt-Moon en bovendien soms de blazersgroep erbij.

Steinhardt-Moon - Steinhardt-Moon (1995)

poster
3,5
Het bleef lang stil rond de voormalige violist van Kansas sinds zijn vertrek uit Kansas in 1982, na de tournee bij Vinyl Confessions. Lang maakte ik me zorgen of Robby Steinhardt überhaupt nog leefde; er was nog geen internet en nergens las of hoorde ik iets over hem.
Daar kwam in 1994 een einde aan, toen ik zijn naam zag voorbijkomen bij een tributealbum voor Jethro Tull genaamd To Cry You a Song, waarop hij te horen is in New Day Yesterday (en niet "New Year Yesterday", zoals ik daar abusievelijk noteerde).

Dit titelloze debuut van Steinhardt-Moon verscheen het jaar erop in eigen beheer, uitsluitend op cd en niet op streaming te vinden, maar een fan zette het op YouTube, zodat het alsnog voor eenieder is te horen.
Steinhardt bleek te zijn verhuisd naar Florida. Daar was hij actief met de groepen Stormbringer dat twee albums zou hebben uitgebracht, zo obscuur dat ze zelfs op Discogs niet zijn te vinden; met zanger/gitarist Rick Moon begon hij in 1990 Steinhardt-Moon, dat in Florida een vrij bekende naam werd dankzij optredens.
Rick 'Moon' Calhoun bracht in 1980 een album uit met The Strand, geproduceerd door Jeff Porcaro en in 1989 het album How Long met de Michael Thompson Band.

Niet alleen Steinhardt en Moon doen de leadzang op het titelloze debuut, ook John Vasalakis krijgt soms de microfoon. Verder horen we toetsenist John Zahner, bassist Eddie Pecchio en drummer Dana Newcomer.
Het titelloze debuut duurt een kleine 35 minuten, qua lengte een mini-elpee. Qua zang horen we vooral Moon, die een wat eigenaardige stem heeft alsof er een aardappel in de keel zit, enigszins herinnerend aan die van Dusty Hill van ZZ Top.
De muziek, hoofdzakelijk door Moon geschreven, is robuust en doet soms denken aan de southern rock van Blackfoot, eveneens uit Florida. Steinhardt doet daar frequent een symfonisch sausje over.

Opener Raising Mother Mary is zo'n nummer, vrij vierkant rockend maar in het instrumentale deel klinkt door de vioolsolo en akkoordenprogressie plotseling progrock. Midtempo met een pakkend refrein waarin vrouwe Maria wordt gevraagd om de wereld te komen redden, als een tekstueel en wellicht ook melodisch vervolg op Let It Be van The Beatles, muzikaal echter veel steviger.
Diverse nummers beginnen met geluiden, zoals het uptempo Backstreet Love Affair waar een straatprostituee een deal probeert te sluiten. Hier klinken blazers in het refrein, Moons stem is weer dominant en wederom klinken progrockdelen met ruimte voor Steinhardts viool.
Op No Way Out is de microfoon opnieuw vooral voor Moon, maar als de tegenstem van Vasalakis klinkt, vraag ik me af waarom hij niet meer ruimte kreeg: gezegend met een stem á la Geoff Tate van Queensrÿche, passender bij de muziek. Met zowel een viool- als percussiesolo.

Bite the Bullet is het tweede nummer dat met straatgeluiden begint, deze keer van een schietpartij met verschrikte geluiden van omstanders. Voor het eerst klinkt al in het intro progressive rock, waarna het een snel duet tussen Moon en Vasalakis volgt en daarna staat Steinhardt voor het eerst solo bij de microfoon. Scheurende gitaren en een protestnummer tegen vuurwapens met ook een korte toetsensolo. Heerlijk nummer.
Don't Lay Down with Strangers bevat een funkachtige sfeer met wederom progrock in het deel van de viool- en gitaarsolo.
Fly on the Wall begint met een spannend filmfragment inclusief passende filmmuziek en eindigt met de consumptie van het insect. Tussenin klinkt stevige (prog)hardrock met zang van Moon.
En dan de finale, waar het geluid plotseling heel anders is: voor het eerst veel piano en andere toetsen als dragende instrumenten, plus een symfonische sfeer, versterkt door de stem van Vasalakis: Forever is meteen mijn favoriet van dit album.

Muziek tussen hard-, southern en progressive rock. Door het laatste nummer valt het qua muziekstijl opeens uit balans, alsof we plotseling een andere groep horen. Dat klopt min of meer: het is de enige compositie van Zahner en Vasalakis, waarvan ik eigenlijk wel meer had willen horen!

Stereophonics - Decade in the Sun (2008)

Alternatieve titel: Best Of

poster
4,0
Gekregen van mijn broer toen we een keer samen een platenzaak binnenliepen en ik opeens een cd mocht uitkiezen! Dat zal rond Kerstmis 2008, 2009 zijn geweest. Ik was de jaren daarvoor steevast aan het genieten van de hits die op 3FM langskwamen en toen mijn oog op deze verzamelaar viel, wist ik wat ik wilde.
Gisterochtend werd Dakota op NPO Radio 2 tegen half 8 uitverkoren om te worden gedraaid via de rubriek 'De Dobbelsteen'. Prompt kreeg ik zin om Decade in the Sun uit de kast te trekken.

Toen ik ze in 2001 via de radio leerde kennen, beleefde ik Stereophonics als een merkwaardige kruising tussen Rod Stewart en Nirvana. Als het mengen van water met olie, alsof de Schot hun nieuwe zanger was. De melodieën overtuigden me uiteindelijk: kennelijk kunnen ze prima liedjes schrijven, was de logische conclusie.

Klopte die indruk toen de cd mijn speler ingleed? Best wel. Favorieten zijn vooral de even nummers, mogelijk omdat die op de eerste helft van de cd vaak een akoestische basis hebben. Al is het steeds de melodie die 't 'm doet.
Stevig is desondanks The Bartender and the Thief, verder hoor ik graag de kalmere hits Have a Nice Day en Maybe Tomorrow, Pick a Part That's New, de swing van I Wouldn't Believe Your Radio, Mr. Writer met z'n elektrische piano, aardig is A Thousand Trees en de eerste keer dat ik Handbags and Gladrags hoorde (op de radio uiteraard) was in de versie van Stereophonics en niet Rod Stewart.

De cover ontstond op initiatief van Jools Holland, die zanger Kelly Jones uitnodigde in diens muziekprogramma. Hier de beelden. Op cd horen we een studioversie met de andere heren Stereophonic en Jools' Rhythm & Blues Orchestra.
Van de oneven nummers bevallen naast de al genoemde opener Dakota ook het luide My Own Worst Enemy, het weemoedige, lichtelijk U2-achtige You're My Star en het eveneens rustiger It Means Nothing.
Met mijn voorkeuren moet ik dus programmeren 1, 2, 4, 6, 8 - 12, 15, 16 en 20. Twaalf van de twintig, een goede score.

Stereophonics - Just Enough Education to Perform (2001)

poster
3,5
Stereophonics, lekker radiobandje voor een los liedje. Toen ik dus Just Enough Education to Perform (de reguliere versie) in een kringloopbak ontwaarde, was er geen twijfel. Vijf nummers stonden weliswaar op Decade in the Sun dat ik al kende, daarmee resteerden zeven onbekende nummers.
Het album opent met het Led Zeppelinaanse Vegas Two Times, ook op de compilatie te vinden en niet mijn favoriet; al denk ik dat liefhebbers van die groep of van het album van Coverdale • Page er goed mee uit de voeten kunnen. Ik heb echter meer met het relaxtere werk van de groep, mits sterke melodieën de overhand hebben.
Daarmee bevallen de volgende nummers me goed: Lying in the Sun (niet op Decade), Step on My Old Size Nines (wel), Have a Nice Day (wel), Nice to Be Out (niet), cover Handbags and Gladrags (wel) en Maybe (niet, overigens niet hetzelfde nummer als Maybe Tomorrow, één van hun hits op Decade).

De ongenoemde tracks zijn aardig, al gaat het mis bij Mr. Writer. Dat viel alsnog door de mand. Op zich aardig maar had het op drie minuten gehouden in plaats van de dikke vijf die tot ongewenste herhaling leidt. Ook kan ik niks met het afsluitende Rooftop: ik hou van scheurende gitaren, maar bij Stereophonics staan die me juist tegen.

Steve Hackett - Please Don't Touch! (1978)

poster
4,0
De eerste soloplaat van Steve Hackett na zijn vertrek uit Genesis. Van die groep was en ben ik geen groot liefhebber, noch in hun progrock-, noch in hun popjaren; de redenen dat ik deze elpee aanschafte was dat twee leden van Kansas meedoen, te weten zanger Steve Walsh en drummer Phil Ehart.

Please Don't Touch is in de Verenigde Staten opgenomen. Vandaar dat de Engelsman makkelijk enkele Amerikaanse gastmuzikanten kon laten binnenvliegen. Naast de twee die ik al noemde kregen meer mensen een vliegticket: zanger Richie Havens van Woodstockfaam en zijn warme stem én zangeres Randy Crawford. Haar ken ik van die klassieker One Day I'll Fly Away (1980), indertijd niet van de radio af te slaan.

Het openingsnummer van Please Don't Touch blies me omver toen ik het in de verregende nazomer van 2017 voor het eerst hoorde. Meteen in het intro klinkt prachtig, folkachtig gitaarwerk. Als dan de herkenbare, heldere en krachtige stem van Walsh binnenvalt, is duidelijk dat Narnia één van de sterkste nummers is die hij ooit zong. Ook Racing in A zong de frontman van Kansas bepaald niet onverdienstelijk in en bovendien zit daarin een deel met schitterend en ingetogen klassiek gitaar.
De stem van Havens klinkt op de A-zijde in How Can I? waar een mandoline domineert en Icarus Ascending op de andere kant, terwijl Crawford de B-kant aftrapt met het ingetogen Hoping Love Will Last. Hierin enkele bijzondere akkoordenprogressies in de muziek plus een groot orkestraal slot. Ze vergroten de afwisseling op dit album, dat desondanks wel als een eenheid klinkt.
Drie nummers zijn instrumentaal, te weten het ingetogen dwarsfluitnummer Kim (hoofdrol voor broer John Hackett), bijna 100 seconden ingetogen toetsen in Love of a Thousand Autumns dat overgaat in het soms dreigende titellied.

Kunst is om te horen wie van de twee drummers welk nummer speelt. Naast Ehart is ook namelijk ook Chester Thompson te horen, bekend van onder andere Frank Zappa, Weather Report en natuurlijk Genesis. Omdat Ehart meer dan ritmes speelt, hij speelt daarbij talloze noten, dacht ik dat wel te kunnen herkennen. Nou.. echt niet! Thompson is van hetzelfde kaliber. Dus maar opgezocht: Ehart speelt op dezelfde twee nummers als waar Walsh zingt, met de aantekening dat dit ook geen album met hele drukke composities is.

Ook voor iemand die geen fan is van Genesis een sterk album van een getalenteerd gitarist. Vooral diens compositorische kwaliteiten komen hier bovendrijven, maar zijn gitaarspel schittert soms in schoonheid.

Steve Harley + Cockney Rebel - The Best Years of Our Lives (1975)

poster
3,5
Daarstraks in de auto stond NPO Radio 1 op, waar Make Me Smile werd gedraaid. Bij thuiskomst bleef ik zitten om het liedje uit te luisteren, om vervolgens de presentator te horen vertellen dat zanger Steve Harley vandaag is overleden. Gelijktijdig zie ik een berichtje binnenkomen van een vriend met hetzelfde nieuws.
Ik ontdekte het liedje pas nadat het een hit was geweest. In april '75 reikend tot #5 in de Nationale Hitparade, luisterde ik toen nog niet actief naar popmuziek. Dan moest je het eind jaren '70 dus hebben van de radio, al denk ik dat het kwartje pas in de jaren '80 viel.

In de jaren '90 kocht ik de elpee voor een prikkie (inmiddels weer "kwijt" ) om te constateren dat het liedje voor mij hét hoogtepunt van de plaat was. De rest viel wat tegen. Ik had het meer Bowie-achtig of Roxy Musicish verwacht, maar op kant 1 staat na een bijzondere introductie vooral mainstream pop. Eerst het uitbundige The Mad, Mad Moonlight, daarna wordt het kalmer. Een vleugje reggae in Mr. Raffles en het met blazers georkestreerde Panorama als andere kleine hoogtepunten.

Kant twee begint met de hit, die niet alleen bijzonder is door de zangstijl van Harley, maar ook dankzij de akoestische gitaarsolo, doordat het nummer enkele stiltes kent én omdat ik ontdekte dat 'onze" Yvonne Keeley hier achtergrondzang deed. Haar leerde ik kennen van die hit met Scott Fitzgerald If I Had Words, een nummer dat zelfs mijn ouders konden waarderen, op de bank zittend en TopPop meekijkend.

Met Back to the Farm dient zich evenwel het tweede nummer aan in het hoekje van artrock en wederom een fraaie solo op de Spaanse gitaar. Daarna verrassend funk in 49th Parallel, waarna het titelstuk ondanks een sirene in het begin kalm afsluit.

Steve Harley, rust in vrede.

Steve Morse - High Tension Wires (1989)

poster
3,5
Hierboven al veel informatie, dank! Wat valt nog meer op?

Het was 1989, inmiddels verschijnt een album als High Tension Wires meteen ook op cd. Vinyl staat op het punt overvleugeld te worden. Uitgebracht door MCA.
Steve Morse laat zich op dit soloalbum bijstaan door diverse voormalige bandmaatjes. Uit de Steve Morse Band bassist Jerry Peek, uit (Dixie) Dregs toetsenist T. (Terry) Lavitz en violist Allen Sloan; drummer Rod Morgenstein zat in beide groepen. Het verschil met het vorige werk van Morse zit 'm in de grotere invloed van folk en het vaak lagere volume, zeker op de eerste en laatste nummers.

De eerste helft van dit album is namelijk als elektrische kamermuziek. Lichte elektrische of akoestische gitaren met soms zwevende toetsen eronder. The Road Home en Highland Wedding hebben folkinvloeden, waarbij de gitarist zijn gevoel voor melodie ruimte geeft en zich qua snarenracen grotendeels inhoudt.

Track 5 Third Power is rockender en qua soleerspel sneller, om met Looking Back voor een kalme, akoestische aanpak te gaan.
Met Leprechaun Promenade en Tumeni Notes volgt progrock, alsof Morse dit voor zijn vorige band Kansas schreef. Hier krijgen zijn razendvlugge vingers de ruimte.

Via Endless Waves en Modoc eindigt High Tension Wires kalm als het eerste deel van het album, waarbij me opvalt dat het aandeel van jazz op dit album kleiner is. Zijn volgende album verscheen twee jaar later onder de vlag van de Steve Morse Band.

Steve Morse - Live in Connecticut (2008)

poster
Cd-editie van de dvd, optreden uit 2001. Is dit Steve Morse (solo)? Blijkens YouTube is dit Dixie Dregs met toetsenist T. Lavitz, violist Jerry Goodman, drummer Rod Morgenstein en bassist Dave LaRue.

Lekkere dwarsdoorsnede van hun gevarieerde werk in volvet livegeluid.

Steve Morse - Live in New York (2008)

poster
Audioversie van een (tv?-)optreden met (soms) bassist Dave LaRue en een drumcomputer. Heel knap wat Steve Morse kan en doet, maar ik mis het bandjesgevoel. Voor gitaristen echter een heerlijke clinic, zo vermoed ik. Was ongetwijfeld anders geweest als ik erbij had gezeten, maar op een laptop...

Te zien en horen op YouTube.

Steve Morse - Major Impacts (2000)

poster
3,5
Wat is het verschil tussen Steve Morse solo en Steve Morse Band? Ik stel die vraag omdat hij op de albums vanaf 1991 (Southern Steel) met dezelfde bezetting werkt. Dus ook hier met bassist Dave LaRue en drummer Van Romain, waarbij Morse als altijd verantwoordelijk is voor alle composities.
Zit het erin dat Morse hier de productie alleen deed, zonder LaRue? En hadden zijn bandmaatjes geen inbreng in de arrangementen? Ik zou het niet weten. Officieel is Major Impacts pas het tweede soloalbum van Steve Morse, na zes albums met de Steve Morse Band, waarvan de laatste vier met LaRue en Romain.

Toch verrast het album. Allereerst de hoes, die de indruk wekt dat dit een cd in de reeks Knuffelrock is. Ik verwachtte ingetogen of zelfs akoestische muziek. Fout.
Blijkens de tekst in het boekje is de muziek een idee van zijn nieuwe label Magna Carta. Het is één lange ode aan de muzikanten die Morse beïnvloedden. Per nummer wordt vermeld wie de 'impacts' waren: Derailleur Gear is een ode aan Cream, Well, I Have aan Jimi Hendrix, TruthOla aan Jeff Beck, Eric Johnson en Alex Lifeson, Migration aan The Byrds, Led On aan Jimmy Page en The White Light aan John McLaughlin.
Op de tweede helft is How Does It Feel? beïnvloed door Rolling Stones, Bring It To Me een ode aan Mountain, Something Gently Weeps aan George Harrison, Free In The Park aan The Allman Brothers Band en ten slotte Yes plus zijn voormalige band Kansas die de inspiratie waren voor Prognosis.

De pompende opener Derailleur Gears heeft inderdaad in de begin- en slotlick weg van Hendrix, maar spoedig trekt Morse verder in eigen stijl met scheurende fusion- en progrock. Meer blues in de rock van Well, I Have, wat ik Morse niet eerder zo heb horen doen. In Truth Ola (de titel een knipoog naar Jeff Becks Beck-Ola) uptempo rock met vleugjes fusion en progrock inclusief slappende bas. Migration valt op dankzij getokkel op de elektrische gitaar en de nadruk op de melodie, die zó vocaal had kunnen worden gedaan. Misschien was een gastzanger(es) zelfs beter geweest.

Volgens de hoes speelt Morse alleen gitaar, maar op Led On klinkt die als een sitar, versterkt door de Indiase tabla's van Romain; het eerste deel is ingetogen, om na ruim twee minuten over te schakelen op luide, vierkante drums en scheurende gitaar; later keert het beginthema terug in luid jasje.
The White Light vormt een verstild slot van de eerste helft met akoestische gitaar en piano, door een onbekende gespeeld.

How Does It Feel? klinkt als een gepolijste Stones, tot in het tweede deel de gitaar extra scheurt; in Bring It to Me logge hardrock, opnieuw een nummer dat een gastvocalist(e) had kunnen gebruiken.
Vriendelijk en langzaam is Something Gently Weeps, waar de anonieme toetsenist het geluid verrijkt. Swingende rock met twingitaren middels Free in the Park en progrock in Prognosis met prachtig werk van Toetsenistus Anoniemus.

Verschillend per luisteraar, bepaalt de stilistische voorkeur vanzelf welke nummers tot favorieten worden. Als liefhebber van Kansas springt voor mij Prognosis er vooral uit, plus het toegankelijke Migration.

Geen verwijzing naar het werk van Ritchie Blackmore? Jawel hoor, in 1999 bracht Morse als lid van Deep Purple In Concert with the London Symphony Orchestra uit, waarop genoeg werk van Blackmore is te vinden. Kan me voorstellen dat hij voor dit solowerk toe was aan andere geluiden.
Twee jaar later verscheen onder de vlag van de Steve Morse Band Split Decision en nog eens twee jaar later een deel 2 van Major Impacts.

Steve Morse - Major Impacts 2 (2004)

poster
4,0
Vier jaar na Major Impacts verscheen Major Impacts 2, waar Steve Morse opnieuw zijn invloeden laat horen en meestal in eigen jasje giet. Verschil met deel 1 is dat hij nu ook complete genres als 'impact' aanduidt. Zijn vaste begeleiders, bassist Dave LaRue en drummer Van Romain, zijn weer van de partij, waarbij Morse naast gitaar ook toetsen bespeelde. Dit op wederom een volledig instrumentaal album.

Ik luister via streaming en het hoesje op Discogs is slechts deels leesbaar: niet te zien is welk nummer naar welke naam of welk genre verwijst. Ik maak er dus een spelletje van: welke invloed hoort bij welk nummer? Taalgrapjes in sommige liedtitels helpen. Mij corrigeren staat uiteraard vrij.
Bij de aangename akoestische opener Wooden Music vermoed ik dat de wortels liggen bij Crosby, Stills, Nash & Young, het swingende Where Are You? uit hoorbaar zijn liefde voor The Who en Errol Smith moet de ode aan Aerosmith zijn, omdat iets doorklinkt van hun Walk This Way. Cool Wind, Green Hills is een eerbetoon aan de 'Celtic ballad', de rijke toetsenprogrock van Organically Grown aan Emerson, Lake and Palmer oftewel ELP.

Is het vlotte 12 Strings on Carnaby Street met zijn lange, zingende gitaarlijnen de ode aan Lynyrd Skynyrd? Kan haast niet anders, zoals ZZ Top de inspiratie voor het boogierockende Zig Zags vormde. Voor Abracadab werd inspiratie gevonden bij Genesis, Tri County Barn Dance is de razendsnelle pickingode aan country en bluegrass met bovendien een vliegende bassolo en Air on a 6 String aan Johann Sebastian Bach. Ja, het gaat vele kanten op.

Dan kan het niet anders of het heerlijke, massief stoempende Motor City Spirit put uit de nalatenschap van Spirit, Ted Nugent en Deep Purple, dezelfde waar Morse dan inmiddels alweer tien jaar deel van uitmaakt. In Ghost of the Bayou wordt cajun geëerd en ten slotte Leonard's Best. Is dat het eerbetoon aan The Yardbirds en Britpop?

Meer dan "slechts" een buitenklasse gitarist hoor je hier een enorme muziekliefhebber die bovendien een brede smaak heeft. Juist die grote variatie maakt dat ik dit met een dikke 8 waardeer.
Wel ben ik licht verbaasd omdat nergens ronduit zijn liefde voor fusion/jazzrock klinkt. Op de eerste Major Impacts klonk die overigens wél in het nummer The White Light, een buiging naar het werk van John McLaughlin, maar gezien het oeuvre van de gitarist zou je meer in die hoek verwachten.
Een minpunt is het echter niet, dit album biedt immers volop variatie, méér dan enig solowerk dat hij hiervoor deed. Wat dat betreft keerden de dagen van Dixie Dregs terug.

Morse was in 2004 ook te horen op het project Living Loud. In 2005 verscheen de verzamelaar Prime Cuts met daarop tevens werk dat ik niet op zijn soloalbums tegenkwam. Op daarnaartoe.

Steve Morse - Prime Cuts (2005)

poster
4,0
Een verzamelaar die méér is dan slechts "We kwakken de grootste successen bij elkaar". Niet alleen omdat het instrumentale solowerk van gitarist Steve Morse zich niet leent voor hits, ook omdat label Magna Carta met veel liefde een keuze maakte uit werk dat Morse bij hen opnam.
Hij vond er vanaf 2000 een warm én inspirerend welkom: het idee om zijn grootste invloeden eens bij elkaar te verwerken op zijn debuut voor dat label (Major Impacts uit 2000) is veelzeggend. De trackkeuze voor Prime Cuts is dus met passie gedaan en bovendien staat er werk op dat níet afkomstig is van zijn soloalbums, te weten tracks 3, 4 en 5, alsmede een remix op track 7.
Plus dat de geluidsdrager een interview met de man bevat en op streaming tref ik als bonustrack Migration aan, afkomstig van Major Impacts.

Eerst de "nieuwe" nummers: La Villa Strangiato duurt een dikke 9 minuten en is afkomstig van Working Man: Tribute to Rush (1996), met naast Morse op gitaren tevens slaggitaristen Brendt Allman en David Townson met de eindsolo voor James Murphy, bassist Billy Sheehan en drummer Mike Portnoy. Het leidt tot veel zwaarder werk dan ik ken van Morse en hóe lekker!
Dit wordt gevolgd door het akoestische The Clap van Tales From Yesterday: Tribute To Yes (1995). Quantum Soup duurt 11 minuten en staat oorspronkelijk op het album Feeding The Wheel (2001) van Jordan Rudess, toetsenist bij Dream Theater. Hij laat zijn klavieren heerlijk zingen en bovendien klinkt in zijn spel de nodige jazz. Met andere gitarist John Petrucci, violist Mark Wood en drummer Terry Bozzio is het volop genieten. Rudess werd overigens tevens toetsenist bij de incidentele reünietournees van Dixie Dregs, de eerste groep van Steve Morse.
Op Major Impacts staat ook Led On, dat we hier echter aantreffen in de geheel afwijkende versie van Sonic Residue from Vapourspace (2002) van Mark Gage. Duurt me met z'n 6 minuten lange beat van Indiase tabla's te lang.

Het overige werk komt dus van eerder werk van Morse. Van de Steve Morse Band komen Heightened Awareness en Busybodies voorbij, oorspronkelijk op Split Decision (2002). Van Morses soloalbums zijn afkomstig Prognosis van het al genoemde Major Impacts, gevolgd door Air On A 6 String en Wooden Music van Major Impacts 2 uit 2004. Opvallend is dat Morse en Magna Carta hierbij kozen voor twee nummers die knipogen naar J.S. Bach.

Méér dan een verzamelaar, dit cd'tje. In datzelfde 2005 bracht Morse met Deep Purple Rapture of the Deep uit én met leden van die groep het vrij obscuur gebleven E-thnik van de Italiaan Mario Fasciano. Dit album ontbreekt op MuMe, hier op Discogs.
Eens kijken of ik 'm kan toevoegen en anders ga ik door naar de Steve Morse Band en Out Standing in Their Field uit 2009. Maar nu eerst de heg snoeien...

Steve Morse - Prime Cuts Volume 2 (2009)

poster
4,0
Prime Cuts Volume 2 is de tweede verzamelaar van Steve Morse. We horen werk van de Steve Morse Band, zijn soloplaten én gastoptredens bij anderen, afkomstig van albums die bij label Magna Carta werden gemaakt. Het verscheen in 2009.

Van zijn solowerk komt van Major Impacts (2000) TruthOla; van Major Impacts 2 (2004) het bluesrockende Zig Zags en de cajun van Ghost Of The Bayou. Van de Steve Morse Band werden van Split Decision (2002) gehaald Great Mountain Spirits en Midnight Daydream.

Ik ben hier vooral voor de gastoptredens, waarvan er twee bij fusionproject School of the Arts werden gedaan. Op On Fire speelt tevens de toetsenist van Dixie Dregs T. Lavitz, die hier ook de bas hanteert. Op Portrait horen we tevens bassist John Patitucci.
Progrock bij toetsenist Jordan Rudess van Dream Theater, we krijgen Bar Hopping With Mr. Picky van diens album Rhythm of Time (2004). Op dat nummer speelt tevens de drummer van Dixie Dregs en Winger, Rod Morgenstein, alsmede bassist Dave LaRue van de Steve Morse Band én (daar zijn ze weer) Dixie Dregs.
Akoestisch speelde hij in zijn eentje Mood for a Day, afkomstig van Tales from Yesterday (Tribute to Yes) uit 1995.
En help: er klinkt zang! Dankzij James LaBrie van Dream Theater op Red Barchetta, gehaald van Working Man: Tribute to Rush (1996). Lekker.

Gevarieerder dan Morses solowerk, ook met zijn eigen Band, vind ik beide delen van Prime Cuts bijzonder aangenaam. Volgende werk van de man was met Sarah Spencer op Angelfire van het jaar erna.

Steve Morse - The Sessions (2016)

poster
3,5
Anders dan het verzamelde werk van Steve Morse bij label Magna Carta (Prime Cuts en Prime Cuts 2 ) laat The Sessions zich niet als een samenhangend geheel beluisteren. Geeft niks, variatie is er daarmee volop en dát kon op zijn solowerk en dat met de Steve Morse Band weleens een manco zijn.

Steve Morse, de liefhebber, de veelspeler, de guitarholic. In 2016 de man bij Deep Purple, Flying Colors, gitaarclinics en te gast bij anderen. Op dit laatste aspect ligt de nadruk bij The Sessions, dat bovendien de nodige covers bevat, nieuw voor hem.
Blijkens de hoestekst kwam het album voort uit sessies met zanger Joe Lynn Turner van voorheen Rainbow, Deep Purple, Yngwie Malmsteen en veel meer namen. De ritmesectie is dezelfde als die bij de Steve Morse Band, te weten bassist Dave LaRue en drummer Van Romaine.

De ingetogen instrumentale opener Freedom is een samenwerking met gitarist Brian Tarquin en lekker voor wie van shredden houdt. Van Pink Floyd wordt de hit Another Brick in the Wall, Pt. 1 gecoverd, naast Turner gitarist Billy Sherwood die onder meer bij Yes werkte.
Heartbreaker is een cover van Led Zeppelin waar Turner de zanger zou zijn, maar dan vermoed ik dat hij doping heeft gebruikt... Op The Beatles' Here Comes the Sun horen we Richard Page zingen, vooral bekend van Mr. Mister.
Verrassenderwijs zingt op The Doors' Touch Me rock 'n' rollzanger Robert Gordon, die van de hit Red Hot (1978) met Link Wray. Hier zingt hij echter met diepe stem, bijgestaan door Jordan Rudess van Dream Theater en saxofonist Nik Turner van Hawkwind, die een knallende solo neerzet. Verrassend buitenbeentje in het oeuvre van Morse!

Bij Supertramps The Logical Song zing ik vanzelf mee met Mickey Thomas van (Jefferson) Starship, terwijl toetsenist Tony Kaye van onder meer het vroege Yes die heerlijke partij op elektrische piano doet.
De stem van Jimmy Hall klinkt in Whipping Post bekend in de oren, maar wie is die man toch? Van het mij onbekende Wet Willie, succesvol in de jaren '70, leert een korte koekelzoektocht. Ik vermoed dat ik hem van andere muziek ken, maar wát een lekkere stem! Het nummer is oorspronkelijk van The Allman Brothers Band.

Aan het instrumentale jazznummer At the Edge of the Middle doen mee pianist Jim Beard, trompettist Randy Brecker en bassist (hoorbaar op een fretloos exemplaar) Percy Jones. Morse laat zich hier van zijn shreddende kant horen. Mijn grootste favoriet van dit album. Van blueslegende Stevie Ray Vaughan wordt met Kevin Curry het eveneens instrumentale Travis Walk gespeeld.

Op Jungle Love van de Steve Miller Band horen we Joe Lynn Turner en vreemde eend in de bijt is afsluiter New Year's Day van U2. De enige keer dat Morse en zijn collega's een nummer níet naar zich toe weten te trekken, al kan dat ook een kwestie van wennen zijn. Het lijkt een soort van té rond met op zang wederom Turner, afgaande op de genoemde hoestekst...

Nimmer hoorde ik Morse zó buiten zijn comfortzone als op The Sessions het geval is. Zijn lichtst verteerbare werk dat ik ken.
De bezige bij nam in deze jaren studioalbums op met Flying Colors en Deep Purple én tourde met die groepen, waarvan één en ander terechtkwam op diverse livealbums. Die laat ik voor wat ze zijn, maar nadat in 2017 met Deep Purple Infinite was verschenen, volgde in '19 de derde studioplaat van Flying Colors, Third Degree geheten.

Steve Morse & Sarah Spencer - Angelfire (2010)

poster
Folkpop uit 2010, ergens halverwege Clannad en Lorde. Album Angelfire betekende de eenmalige samenwerking tussen twee Amerikanen: gitarist Steve Morse (Dixie Dregs, Kansas, Deep Purple en véél solo) en de dan zestienjarige zangeres Sarah Spencer.
Aangezien ik via streaming (de eerste nummers van deze afspeellijst op YouTube) slechts drie nummers heb kunnen vinden, zal ik me van een sterrenwaardering onthouden.

Far Gone Now bevat de dromerige stem van Spencer, die een alternatief randje heeft - vandaar mijn vergelijking met Lorde. Morse speelt akoestische gitaar en aan het slot heel kort een elektrische solo. Het ademt de sfeer van Keltische folkpop, zie daar mijn vergelijking met Clannad.
What Made You Think? is in wiegende 6/8-maat en net iets ingetogener, Take It or LeaveIt is juist pittiger: vlot met lichte percussie en een vlammende gitaarsolo van Morse, tegelijkertijd passend bij de folkpop. Het refrein is ijzersterk, net als de pakkende stem van Spencer in deze drie nummers. Bas en drums werden overigens gespeeld door Dave LaRue van de Steve Morse Band.
Een andere associatie die ik had, is met Française Cécile Corbel, die iets dergelijks doet op zang en harp. Muziek die ik weleens in de auto draai, als ik daar gezelschap heb dat niet zit te wachten op luide gitaren.

Spencer bracht in 2014 album Freshman Year uit, te vinden op Bandcamp. Rondgooglend krijg ik de indruk dat Angelfire moeilijk is te verkrijgen in Nederland. Maar toch, mocht ik de cd hier of elders tegenkomen, dan neem ik 'm mee: ben nieuwsgierig naar de rest en als de rest net zo pakkend is als deze drie nummers, kunnen dat mooie autoritjes worden!

Makkelijker te vinden is het volgende project waar Morse in participeerde: het debuut van Flying Colors dat twee jaar later verscheen.