Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Styx - The Serpent Is Rising (1973)

3,5
0
geplaatst: 3 maart 2023, 23:14 uur
Niet op streaming te vinden, behalve op YouTube. Album nummer 3 van Styx, de tweede met eigen materiaal, verscheen slechts drie maanden na Styx II. Ik neem aan dat ze daarmee alle muziek uit hun liveset hadden vastgelegd in de studio.
Bijzonder is dat The Serpent is Rising redelijk verschilt van de kersverse voorganger: er wordt hier steviger en vaker progrock gespeeld. Maar net als op de voorgangers zijn er meer genrestickertjes te plakken.
Bluesachtige rockers zijn opener Witch Wolf en 22 Years. Een vleugje hippierock klinkt op As Bad as This; niet verrassend van gitarist John Curulewski, die ook al op II deze invloeden liet doorschemeren.
Gecompliceerde en stevige progrock hoor ik op Young Man en het titelnummer. De adult oriented rock waarmee Styx later doorbrak klinkt op At the Grove of Eglantine, Winner Take All en Jonas Psalter, dat afsluit met een kort Greensleeves. Op deze nummers horen we de toegankelijke Styx, stevig maar herkenbaar als een poplied.
Tenslotte staan er drie novelty songs op het album, die de beide plaatkanten afsluiten. Je kunt je eraan irriteren, je kunt erom lachen, je kunt onverschillig je schouders ophalen; ongewoon zijn ze zeker.
Plexiglas Toilet is zo’n rariteit die zelfs als hidden track op vinyl verscheen, zijn tijd vooruit. Hier klinkt opeens calypso met een zwaar (naar de maatstaven van nu: incorrect) accent. In het slot van de B-kant verbeeldt Krakatoa de chaos en het kwaad, waarna Händels Hallelujah de hemel laat doorbreken.
Mijn ontdekkingstocht door de discografie van Styx blijkt tot dusver een leuke inhaalslag en dan zou het beste nog moeten komen! Styx is hier als een puber, bezig om zichzelf te ontwikkelen. Dat gaat met horten en stoten, van briljant naar mislukt; en zelfs dan verrassend.
Zowel van het proggeweld als de aor kan ik genieten. Twee maanden nadat The Serpent is Rising verscheen, werd het van II afkomstige Lady alsnog een hit. Ben benieuwd of de band al op opvolger Man of Miracles koos voor die toegankelijker stijl, of dat ze nog even bleven "puberen".
Bijzonder is dat The Serpent is Rising redelijk verschilt van de kersverse voorganger: er wordt hier steviger en vaker progrock gespeeld. Maar net als op de voorgangers zijn er meer genrestickertjes te plakken.
Bluesachtige rockers zijn opener Witch Wolf en 22 Years. Een vleugje hippierock klinkt op As Bad as This; niet verrassend van gitarist John Curulewski, die ook al op II deze invloeden liet doorschemeren.
Gecompliceerde en stevige progrock hoor ik op Young Man en het titelnummer. De adult oriented rock waarmee Styx later doorbrak klinkt op At the Grove of Eglantine, Winner Take All en Jonas Psalter, dat afsluit met een kort Greensleeves. Op deze nummers horen we de toegankelijke Styx, stevig maar herkenbaar als een poplied.
Tenslotte staan er drie novelty songs op het album, die de beide plaatkanten afsluiten. Je kunt je eraan irriteren, je kunt erom lachen, je kunt onverschillig je schouders ophalen; ongewoon zijn ze zeker.
Plexiglas Toilet is zo’n rariteit die zelfs als hidden track op vinyl verscheen, zijn tijd vooruit. Hier klinkt opeens calypso met een zwaar (naar de maatstaven van nu: incorrect) accent. In het slot van de B-kant verbeeldt Krakatoa de chaos en het kwaad, waarna Händels Hallelujah de hemel laat doorbreken.
Mijn ontdekkingstocht door de discografie van Styx blijkt tot dusver een leuke inhaalslag en dan zou het beste nog moeten komen! Styx is hier als een puber, bezig om zichzelf te ontwikkelen. Dat gaat met horten en stoten, van briljant naar mislukt; en zelfs dan verrassend.
Zowel van het proggeweld als de aor kan ik genieten. Twee maanden nadat The Serpent is Rising verscheen, werd het van II afkomstige Lady alsnog een hit. Ben benieuwd of de band al op opvolger Man of Miracles koos voor die toegankelijker stijl, of dat ze nog even bleven "puberen".
Styx & Contemporary Youth Orchestra - One with Everything (2006)

4,0
0
geplaatst: 12 oktober 2023, 21:47 uur
De dvd ken ik niet, ik beluister dit liveplaatje van Styx via streaming. Het is verrassend goed, al had er gelijktijdig meer in gezeten. Voorop gesteld: waar ik op One with Everything vooral van geniet is de setlist, waarin radicaal is gekozen voor de bombastische, symfonische en soms progrock van hun repertoire.
Waarom de groep zo heftig in conflict kwam met hun oude frontman Dennis DeYoung ben ik niet tegengekomen, maar kennelijk was de aversie zo groot dat ze zelfs diens composities niet wilden spelen. Wat overblijft is echter veel beter en robuuster dan de pophits van weleer, op de folkrock van Boat on the River na; die werd dan ook niet door DeYoung geschreven en belandde pardoes op het album.
Toch was het album nog beter geweest als er in de arrangementen een prominentere rol was geweest voor het Contemporary Youth Orchestra van dirigente Liza Grossman. Wel krijgt een enkele keer een intro een licht symfonisch jasje, maar in mindere mate dan de genregenoten van Kansas op Always Never the Same deden. Gebeurt het toch (opener Blue Collar Man, Fooling Yourself en Miss America) dan groeit zo'n nummer ervan.
Dit is echter mijn enige negatieve kanttekening, er valt vooral veel te genieten. Drummer Todd Sucherman bijvoorbeeld tilt de muziek naar grotere hoogten en brengt met zijn dubbele basdrum nieuwe energie, zoals in One with Everything. Toetsenist Lawrence Gowan past met zijn stem en spel prima bij dit steviger Styx.
De nieuwe nummers Just Be (hier in studioversie) en Everything All the Time zijn sterk; de eerste doet me denken aan Wish You Were Here van Pink Floyd.
Op enkele nummers speelt oorspronkelijke bassist Chuck Panozzo mee, waarbij Ricky Phillips slaggitaar speelt. Wat is er toch gebeurd dat Panozzo en gitarist van het eerste uur James Young zo'n aversie tegen Dennis DeYoung hebben?
Waarom de groep zo heftig in conflict kwam met hun oude frontman Dennis DeYoung ben ik niet tegengekomen, maar kennelijk was de aversie zo groot dat ze zelfs diens composities niet wilden spelen. Wat overblijft is echter veel beter en robuuster dan de pophits van weleer, op de folkrock van Boat on the River na; die werd dan ook niet door DeYoung geschreven en belandde pardoes op het album.
Toch was het album nog beter geweest als er in de arrangementen een prominentere rol was geweest voor het Contemporary Youth Orchestra van dirigente Liza Grossman. Wel krijgt een enkele keer een intro een licht symfonisch jasje, maar in mindere mate dan de genregenoten van Kansas op Always Never the Same deden. Gebeurt het toch (opener Blue Collar Man, Fooling Yourself en Miss America) dan groeit zo'n nummer ervan.
Dit is echter mijn enige negatieve kanttekening, er valt vooral veel te genieten. Drummer Todd Sucherman bijvoorbeeld tilt de muziek naar grotere hoogten en brengt met zijn dubbele basdrum nieuwe energie, zoals in One with Everything. Toetsenist Lawrence Gowan past met zijn stem en spel prima bij dit steviger Styx.
De nieuwe nummers Just Be (hier in studioversie) en Everything All the Time zijn sterk; de eerste doet me denken aan Wish You Were Here van Pink Floyd.
Op enkele nummers speelt oorspronkelijke bassist Chuck Panozzo mee, waarbij Ricky Phillips slaggitaar speelt. Wat is er toch gebeurd dat Panozzo en gitarist van het eerste uur James Young zo'n aversie tegen Dennis DeYoung hebben?
Suburban Lawns - Suburban Lawns (1981)

3,0
0
geplaatst: 28 februari 2022, 09:09 uur
Een vriend attendeerde me op dit debuut van Suburban Lawns, n.a.v. een recensie in Pitchfork. Een "vergeten" plaatje uit de eerste golf van new wave uit Californië en naar verluidt een klein juweeltje.
Bovendien zit hierachter een interessant verhaal met bandleden, die vooralsnog anoniem bleven en desondanks wel enkele malen openingsact waren voor grote(re) namen. Gelukkig is deze voorheen vrij obscure plaat inmiddels op streaming te vinden. Dankzij o.a. een EP was dit niet hun laatste productie, wél bleef het hun enige elpee.
De champagne komt bruisend uit de fles met opener Pioneers, waarop de heerlijke stem van Sue Tissue klatert. De muziek is hortend en stotend, springend en duikend.
Ook op de volgende nummers klinkt nerveuze pop, vaak gecombineerd met creatieve en ironische teksten. Iets meer dan de helft wordt gezongen door Vex Billingsgate (?), wiens stem me minder doet dan die van Tissue, maar nergens wordt het saai. Integendeel, vaker beluisteren doet nieuwe lagen ontdekken.
Allerlei vergelijkingen, invloeden en associaties dringen zich tijdens het luisteren op, zowel van genregenoten als van platen ver vóór 1981; toch smeedt de band hier een eigenwijs amalgaam.
Wat beklijft is typisch Amerikaanse wave, een tikje kunstzinnig, tegendraads en sprankelend. Liefhebbers van new wave kunnen hier een leuk ontdekkingsreisje aan hebben.
Bovendien zit hierachter een interessant verhaal met bandleden, die vooralsnog anoniem bleven en desondanks wel enkele malen openingsact waren voor grote(re) namen. Gelukkig is deze voorheen vrij obscure plaat inmiddels op streaming te vinden. Dankzij o.a. een EP was dit niet hun laatste productie, wél bleef het hun enige elpee.
De champagne komt bruisend uit de fles met opener Pioneers, waarop de heerlijke stem van Sue Tissue klatert. De muziek is hortend en stotend, springend en duikend.
Ook op de volgende nummers klinkt nerveuze pop, vaak gecombineerd met creatieve en ironische teksten. Iets meer dan de helft wordt gezongen door Vex Billingsgate (?), wiens stem me minder doet dan die van Tissue, maar nergens wordt het saai. Integendeel, vaker beluisteren doet nieuwe lagen ontdekken.
Allerlei vergelijkingen, invloeden en associaties dringen zich tijdens het luisteren op, zowel van genregenoten als van platen ver vóór 1981; toch smeedt de band hier een eigenwijs amalgaam.
Wat beklijft is typisch Amerikaanse wave, een tikje kunstzinnig, tegendraads en sprankelend. Liefhebbers van new wave kunnen hier een leuk ontdekkingsreisje aan hebben.
Sue Saad and the Next - Sue Saad and the Next (1980)

4,0
2
geplaatst: 26 februari 2025, 17:04 uur
Ruim tien jaar stilte op MuMe bij dit uitstekende album. Inmiddels valt iets meer te melden over hetgeen gebeurde na de elpee Sue Saad and the Next. Maar eerst de naald in de groef.
Zangeres Sue Saad heeft een krachtige strot, vergelijkbaar met die van Pat Benatar. Waar de laatste in die periode meer aan de (hard)rockkant zat, kruipt The Next in muziek en vooral imago/uiterlijk onder de paraplu van new wave. Alhoewel dit hun debuut was, is te horen dat dit ervaren musici waren, hun instrumenten goed beheersend. In de bezetting twee gitaristen en een even lenige bassist en drummer. De arrangementen, gitaar- en baslijnen laten horen wat ze kunnen en dat is veel.
Fraai voorbeeld hiervan is het afsluitende Danger Love, dat eigenlijk gewoon heavy rock is. Bovendien steevast sterk songmateriaal. Producer is een opvallende naam: Richard Perry maakte hiervoor naam bij onder meer Barbara Streisand en Carly Simon en had later The Pointer Sisters in de studio. Het resulteerde in een transparant, dynamisch klinkende plaat.
Mijn kennismaking met de groep was uiteraard via single Young Girl, dat half april 1980 in de Nationale Hitparade #18 haalde. Het begint kalm met een vleugje reggae, waarna felle wave volgt. Te zien bij TopPop.
De single werd in juni bescheiden gevolgd door (tevens albumopener) Gimme Love / Gimme Pain, dat het tot één week #43 schopte.
Toen ik de plaat zo'n tien jaar geleden tweedehands op de kop tikte, ontdekte ik dat hier het origineel van Prisoner op staat, mij welbekend van Uriah Heep, te vinden op hun comebackplaat Abominog (1982). Een meer dan aangename oorwurm, ook als Saad het zingt.
Andere hoogtepunten op de plaat die geen missers kent: pareltje It's Gotcha dat knap in elkaar is gezet; de powerpop van I Want Him; en het pittige Won't Give It Up. Op alledrie is het label new wave begrijpelijk, al schuurt het elders tegen de traditionele rock aan. Dat komt ook door het lekkere gitaargesoleer, zoals in Won't Give It Up en Danger Love.
Sue Saad and the Next was vooral succesvol in Nederland, maar in hun eigen VS haalde de elpee in april 1980 #131. Ze tourden door de VS, openend voor Tom Petty, The Babys en UFO en deden ook Europa aan. Daarbij een bezoek aan Veronica's Countdown om Baby It’s You te playbacken.
En daarna? Een slecht management verhinderde dat de groep doorgroeide. Wel gingen Sue en haar kompanen muziek voor films maken. Eerst was daar de film Roadie (1980) met onder meer Meatloaf en Debbie Harry, in de hoofdrol. Van Sue Saad and the Next is halverwege Double Yellow Line te horen. De film is in zijn geheel op YouTube zien. (Roxy6, voor een verregende middag!)
In 1981 maakte de groep het titelnummer bij de thriller Looker, ook op YouTube te zien.
Dan maakt de groep kennis met filmmaker Albert Pyun, waarmee gitarist Tony Riparetti de volgende drie decennia zal samenwerken. Eerst is er de dystopische film Radioactive Dreams (1984), waarin Saad een filmrol heeft. Vier liedjes komen in de rolprent, waarbij Guilty Pleasure, Radioactive en Save Me. Ook deze film staat in z’n geheel op JijBuis.
Met Pyun volgde in 1986 de sci-fi/fantasyfilm Vicious Lips, waarin Save Me is te horen en zien, zij het nu geplaybackt door een actrice. Ook deze film staat op YouTube, te zien mits je daar inlogt.
Vervolgens valt de groep uit elkaar, tot spijt van Saad die o zo jammer niet opduikt in andere groepen of projecten. Wat ze sindsdien heeft gedaan, blijft onder de radar. Riparetti bleef actief in de filmwereld.
In het nieuwe millennium verschenen alsnog albums van de groep. Allereerst in 2007 een concert als download, getiteld Alive in America, en in 2016 op cd-rom Long Way Home met onuitgegeven werk uit de jaren ’80.
Zoals genoemd door gaucho verscheen Sue Saad and the Next in 2013 bij Renaissance op cd. In 2021 kwam het opnieuw bij die maatschappij uit met bovendien tien bonusnummers, nu onder de titel Seconds. De ultieme cd voor wie het werk van de groep compleet wil hebben. Meer van het verhaal van Sue Saad and the Next is te vinden bij websites crookedmarquee en Medium.
Bij mijn rondreis door new wave & co kwam ik van de enige plaat van de Schotse The Rezillos en omdat ik single High Fidelity van Elvis Costello op diens Get Happy!! al besprak, ga ik twee nummers op mijn afspeellijst verder. Als Sue Saad and the Next een randgeval in de new wave zouden zijn, begeef ik me met de volgende stap al helemaal buiten het genre - en toch... Op naar het debuut van Iron Maiden.
Zangeres Sue Saad heeft een krachtige strot, vergelijkbaar met die van Pat Benatar. Waar de laatste in die periode meer aan de (hard)rockkant zat, kruipt The Next in muziek en vooral imago/uiterlijk onder de paraplu van new wave. Alhoewel dit hun debuut was, is te horen dat dit ervaren musici waren, hun instrumenten goed beheersend. In de bezetting twee gitaristen en een even lenige bassist en drummer. De arrangementen, gitaar- en baslijnen laten horen wat ze kunnen en dat is veel.
Fraai voorbeeld hiervan is het afsluitende Danger Love, dat eigenlijk gewoon heavy rock is. Bovendien steevast sterk songmateriaal. Producer is een opvallende naam: Richard Perry maakte hiervoor naam bij onder meer Barbara Streisand en Carly Simon en had later The Pointer Sisters in de studio. Het resulteerde in een transparant, dynamisch klinkende plaat.
Mijn kennismaking met de groep was uiteraard via single Young Girl, dat half april 1980 in de Nationale Hitparade #18 haalde. Het begint kalm met een vleugje reggae, waarna felle wave volgt. Te zien bij TopPop.
De single werd in juni bescheiden gevolgd door (tevens albumopener) Gimme Love / Gimme Pain, dat het tot één week #43 schopte.
Toen ik de plaat zo'n tien jaar geleden tweedehands op de kop tikte, ontdekte ik dat hier het origineel van Prisoner op staat, mij welbekend van Uriah Heep, te vinden op hun comebackplaat Abominog (1982). Een meer dan aangename oorwurm, ook als Saad het zingt.
Andere hoogtepunten op de plaat die geen missers kent: pareltje It's Gotcha dat knap in elkaar is gezet; de powerpop van I Want Him; en het pittige Won't Give It Up. Op alledrie is het label new wave begrijpelijk, al schuurt het elders tegen de traditionele rock aan. Dat komt ook door het lekkere gitaargesoleer, zoals in Won't Give It Up en Danger Love.
Sue Saad and the Next was vooral succesvol in Nederland, maar in hun eigen VS haalde de elpee in april 1980 #131. Ze tourden door de VS, openend voor Tom Petty, The Babys en UFO en deden ook Europa aan. Daarbij een bezoek aan Veronica's Countdown om Baby It’s You te playbacken.
En daarna? Een slecht management verhinderde dat de groep doorgroeide. Wel gingen Sue en haar kompanen muziek voor films maken. Eerst was daar de film Roadie (1980) met onder meer Meatloaf en Debbie Harry, in de hoofdrol. Van Sue Saad and the Next is halverwege Double Yellow Line te horen. De film is in zijn geheel op YouTube zien. (Roxy6, voor een verregende middag!)
In 1981 maakte de groep het titelnummer bij de thriller Looker, ook op YouTube te zien.
Dan maakt de groep kennis met filmmaker Albert Pyun, waarmee gitarist Tony Riparetti de volgende drie decennia zal samenwerken. Eerst is er de dystopische film Radioactive Dreams (1984), waarin Saad een filmrol heeft. Vier liedjes komen in de rolprent, waarbij Guilty Pleasure, Radioactive en Save Me. Ook deze film staat in z’n geheel op JijBuis.
Met Pyun volgde in 1986 de sci-fi/fantasyfilm Vicious Lips, waarin Save Me is te horen en zien, zij het nu geplaybackt door een actrice. Ook deze film staat op YouTube, te zien mits je daar inlogt.
Vervolgens valt de groep uit elkaar, tot spijt van Saad die o zo jammer niet opduikt in andere groepen of projecten. Wat ze sindsdien heeft gedaan, blijft onder de radar. Riparetti bleef actief in de filmwereld.
In het nieuwe millennium verschenen alsnog albums van de groep. Allereerst in 2007 een concert als download, getiteld Alive in America, en in 2016 op cd-rom Long Way Home met onuitgegeven werk uit de jaren ’80.
Zoals genoemd door gaucho verscheen Sue Saad and the Next in 2013 bij Renaissance op cd. In 2021 kwam het opnieuw bij die maatschappij uit met bovendien tien bonusnummers, nu onder de titel Seconds. De ultieme cd voor wie het werk van de groep compleet wil hebben. Meer van het verhaal van Sue Saad and the Next is te vinden bij websites crookedmarquee en Medium.
Bij mijn rondreis door new wave & co kwam ik van de enige plaat van de Schotse The Rezillos en omdat ik single High Fidelity van Elvis Costello op diens Get Happy!! al besprak, ga ik twee nummers op mijn afspeellijst verder. Als Sue Saad and the Next een randgeval in de new wave zouden zijn, begeef ik me met de volgende stap al helemaal buiten het genre - en toch... Op naar het debuut van Iron Maiden.
Sufjan Stevens - Seven Swans (2004)

4,5
1
geplaatst: 25 augustus 2024, 07:27 uur
Muziektips komen soms op onverwachte momenten en via onverwachte personen aanwaaien. Rond 2010 was het een bekende van slechts 15 jaren met oortjes in. ‘Wat luister je?’ wilde ik weten, waarop ze mij een oortje leende. Ik hoorde ingetogen, bijna sprookjesachtige muziek, drijvend op een banjo en later een tweetal vrouwenstemmen: All the Trees of the Field. Dit van iemand met de voor mij rare naam Sufjan Stevens. Kort daarna heb ik Seven Swans zelf aangeschaft, verbaasd over de muziekrijpheid van tipgeefster.
Sinds een half jaar bezit ik een tweede cd-exemplaar – de eerste uitgeleend en nooit terug gekregen – en ben blij dat ie weer terug is. Ingetogen met vooral banjo en een enkele keer drums en elektrische gitaar of toetsen. Qua sfeer deed het me denken aan Nick Cave en meer nog aan Shearwater, de groep waarmee ik rond diezelfde periode kennismaakte. Net als bij die namen zitten in de sfeer en teksten verwijzingen naar het Hemelse, waarvan iets lijkt af te dalen in de muziek.
Ik draai ‘m zo af en toe. Nooit helemaal, dat is een te lange zit; maar de eerste helft is net zo heerlijk als de tweede, vanaf track 7 (heb de cd met twaalf tracks). Mooie luisterliedjes die Stevens een enkele keer drukker inkleurt. Alleen met het semi-instrumentale Sister heb ik minder, maar als slot van de eerste helft toch aardig. Favorieten kiezen is dan ook lastig, maar het afsluitende The Transfiguration is een pareltje.
Overwegend dromerig en toch zeker niet slaapverwekkend. Qua genre op de grens van folk en alt.pop. Qua sfeer tussen aarde en hemel, die in het laatste nummer neerdaalt. Muziek waarvan ik van tijd tot tijd hemelwee krijg.
Sinds een half jaar bezit ik een tweede cd-exemplaar – de eerste uitgeleend en nooit terug gekregen – en ben blij dat ie weer terug is. Ingetogen met vooral banjo en een enkele keer drums en elektrische gitaar of toetsen. Qua sfeer deed het me denken aan Nick Cave en meer nog aan Shearwater, de groep waarmee ik rond diezelfde periode kennismaakte. Net als bij die namen zitten in de sfeer en teksten verwijzingen naar het Hemelse, waarvan iets lijkt af te dalen in de muziek.
Ik draai ‘m zo af en toe. Nooit helemaal, dat is een te lange zit; maar de eerste helft is net zo heerlijk als de tweede, vanaf track 7 (heb de cd met twaalf tracks). Mooie luisterliedjes die Stevens een enkele keer drukker inkleurt. Alleen met het semi-instrumentale Sister heb ik minder, maar als slot van de eerste helft toch aardig. Favorieten kiezen is dan ook lastig, maar het afsluitende The Transfiguration is een pareltje.
Overwegend dromerig en toch zeker niet slaapverwekkend. Qua genre op de grens van folk en alt.pop. Qua sfeer tussen aarde en hemel, die in het laatste nummer neerdaalt. Muziek waarvan ik van tijd tot tijd hemelwee krijg.
Suicide - Alan Vega / Martin Rev (1980)
Alternatieve titel: Second Album + First Rehearsal Tapes

3,5
1
geplaatst: 27 februari 2025, 17:34 uur
Bij mijn reis door new wave en aanverwanten kom ik van alles tegen. In dit geval vanaf de postpunk van Abwärts bij dit duo Amerikaanse electronicapioniers. Opvolger van het december 1977 verschenen debuut is het in mei 1980 verschenen Alan Vega · Martin Rev. De muziek van het debuut vond ik pittig, hier echter heb ik minder moeite. Is het omdat ik inmiddels namen als Throbbing Gristle tegenkwam? Vergeleken daarmee is Suicide een oase van geordende digitale rust.
Hierboven lees ik de nodige vergelijkingen, in mijn oren klinkt de muziek als die van Britse sciencefictionseries uit die tijd, denk aan Doctor Who en Blake's Seven; deze wordt gecombineerd met de ietwat klagelijke, maar ook rockabilly-achtige zang van Alan Vega. Muzikaal worden ze tot no wave gerekend, de eigenwijze stroming die in New York opgang maakte. Dat Ric Ocasek van The Cars zich achter de producerstafel zette, verklaart wellicht waarom het in de meeste gevallen toegankelijk klinkt.
De drumcomputers zijn net als op het debuut primitief, wat dat betreft lijkt het alsof Suicide in de ruim twee jaar tussen de albums heeft stilgestaan. Soms is het uptempo, andere keren is het kalm. In die laatste categorie valt Sweetheart; hierbij moet ik warempel aan de rustige werkjes van een ander duo denken, te weten Sparks, in die jaren inmiddels ook met synths aan de slag.
Shadazz heeft warempel iets weg van de loungepop die in de jaren '90 opgang maakte, ontspannen en swingend. Dance is dan weer vierkant en pittiger te verteren. Ja, er is genoeg variatie in deze wereld van primitieve, herhalende synths en beats van de hand van Martin Rev.
Sinds 1999 verkrijgbaar als The Second Album + The First Rehearsal Tapes met de nodige bonussen.
Ik blijf in mei 1980. Volgende halte: Der Plan uit Düsseldorf en hun debuut Geri Reig, waar meer digitale bliepjes klinken.
Hierboven lees ik de nodige vergelijkingen, in mijn oren klinkt de muziek als die van Britse sciencefictionseries uit die tijd, denk aan Doctor Who en Blake's Seven; deze wordt gecombineerd met de ietwat klagelijke, maar ook rockabilly-achtige zang van Alan Vega. Muzikaal worden ze tot no wave gerekend, de eigenwijze stroming die in New York opgang maakte. Dat Ric Ocasek van The Cars zich achter de producerstafel zette, verklaart wellicht waarom het in de meeste gevallen toegankelijk klinkt.
De drumcomputers zijn net als op het debuut primitief, wat dat betreft lijkt het alsof Suicide in de ruim twee jaar tussen de albums heeft stilgestaan. Soms is het uptempo, andere keren is het kalm. In die laatste categorie valt Sweetheart; hierbij moet ik warempel aan de rustige werkjes van een ander duo denken, te weten Sparks, in die jaren inmiddels ook met synths aan de slag.
Shadazz heeft warempel iets weg van de loungepop die in de jaren '90 opgang maakte, ontspannen en swingend. Dance is dan weer vierkant en pittiger te verteren. Ja, er is genoeg variatie in deze wereld van primitieve, herhalende synths en beats van de hand van Martin Rev.
Sinds 1999 verkrijgbaar als The Second Album + The First Rehearsal Tapes met de nodige bonussen.
Ik blijf in mei 1980. Volgende halte: Der Plan uit Düsseldorf en hun debuut Geri Reig, waar meer digitale bliepjes klinken.
Suicide - Suicide (1977)

3,0
1
geplaatst: 7 mei 2024, 20:05 uur
In 2016 overleed Alan Vega van Suicide. Ik las erover en begreep dat ik deze New Yorkse groep volkomen had gemist, terwijl ik toch vanaf het najaar van 1976 fanatiek naar popmuziek ging luisteren en al spoedig punk en new wave ontdekte.
Met zijn maatje Martin Rev werd debuut Suicide in vier dagen opgenomen, vertelt Wikipedia. Dat lijkt snel, maar sommige nummers speelden ze al vijf jaar. Hartstikke interessant, maar je wil ook genieten van muziek. Nu wordt het lastig.
Beluistering van het album maakte duidelijk dat (ook) ik er niks aan vond. Binnen punk en new wave is het album Suicide van eind december '77 echter te opmerkelijk en eigenwijs om te negeren in mijn afspeelijsten daarmee. Toch is het ook vandaag schakelen geweest: na de gitaren van Pink Flag van Wire was het wennen aan de monotonie, het experiment en de rudimentaire synthesizers die mijn oren bereiken. Mijn brein kauwt: wat hiervan te vinden?
Tsja. Apart is het zeker. Een beetje alsof de twee de studio inslopen bij David Bowie en Brian Eno ten tijde van de opnamen van Low en stiekem opnamen maakten als die twee weg waren. Daarbij opvallend is de spreekzang in een wolkje echo gegoten. Toch twee favorieten: het dreunende Ghost Rider en liefdesliedje Cheree, dat oude popkitsch in protosynthesizers omzet.
Conservatiever is het hammondorgeltje dat onverwacht opduikt in Girl, maar het werkt wél, zeker met dat kekke drumbeatje. Zo'n pip-pip-pipgeluid had het elektronisch orgel in mijn ouderlijk huis ook.
Mijn museummaatje JeKo vindt dit vast leuker dan ik (app mij maar!): hij kan meer met abstracte kunst en in muzikale zin vind ik Suicide daartoe behoren. Ik schat in dat hij minimaal vier sterren geeft; mijn persoon houdt het na opnieuw een lang schijnende luistersessie van slechts 32 minuten bij 3, waarvan anderhalf voor de kunstigheid.
JeKo, tot zover deze zaal. Zullen we gaan lunchen in het museumrestaurant en dan naar de museumwinkel? Daarna ga ik protopunk doen bij de tweede van The Dictators, mijn laatste album uit 1977. Krijg namelijk zin in luide gitaren!
Met zijn maatje Martin Rev werd debuut Suicide in vier dagen opgenomen, vertelt Wikipedia. Dat lijkt snel, maar sommige nummers speelden ze al vijf jaar. Hartstikke interessant, maar je wil ook genieten van muziek. Nu wordt het lastig.
Beluistering van het album maakte duidelijk dat (ook) ik er niks aan vond. Binnen punk en new wave is het album Suicide van eind december '77 echter te opmerkelijk en eigenwijs om te negeren in mijn afspeelijsten daarmee. Toch is het ook vandaag schakelen geweest: na de gitaren van Pink Flag van Wire was het wennen aan de monotonie, het experiment en de rudimentaire synthesizers die mijn oren bereiken. Mijn brein kauwt: wat hiervan te vinden?
Tsja. Apart is het zeker. Een beetje alsof de twee de studio inslopen bij David Bowie en Brian Eno ten tijde van de opnamen van Low en stiekem opnamen maakten als die twee weg waren. Daarbij opvallend is de spreekzang in een wolkje echo gegoten. Toch twee favorieten: het dreunende Ghost Rider en liefdesliedje Cheree, dat oude popkitsch in protosynthesizers omzet.
Conservatiever is het hammondorgeltje dat onverwacht opduikt in Girl, maar het werkt wél, zeker met dat kekke drumbeatje. Zo'n pip-pip-pipgeluid had het elektronisch orgel in mijn ouderlijk huis ook.
Mijn museummaatje JeKo vindt dit vast leuker dan ik (app mij maar!): hij kan meer met abstracte kunst en in muzikale zin vind ik Suicide daartoe behoren. Ik schat in dat hij minimaal vier sterren geeft; mijn persoon houdt het na opnieuw een lang schijnende luistersessie van slechts 32 minuten bij 3, waarvan anderhalf voor de kunstigheid.
JeKo, tot zover deze zaal. Zullen we gaan lunchen in het museumrestaurant en dan naar de museumwinkel? Daarna ga ik protopunk doen bij de tweede van The Dictators, mijn laatste album uit 1977. Krijg namelijk zin in luide gitaren!
Sunbomb - Evil and Divine (2021)

4,0
0
geplaatst: 16 december 2024, 19:26 uur
Tracii Guns van L.A. Guns sloeg de handen ineen met Michael Sweet van Stryper. Sunbomb is een project dat ik in 2021 heb gemist, maar dat positief verrast. Hun debuut Evil and Divine verraadt namelijk de wortels van Guns wat betreft gitaarspel: Tony Iommi, K.K. Downing en Glenn Tipton. Dat maakt dat de muziek van Sunbomb Britser klinkt dan je zou vermoeden: meer met de wortels in de jaren '70 en vroege jaren '80 dan de muziek die het tweetal bij hun eigen groepen maakt(e).
Opener Life draait op een snelle riff, waarna de stem van Sweet zich verrassend goed aanpast aan de doom van Take Me Away. Op twee derde van het nummer versnelt het met een volgende doomriff, waarbij Guns heerlijk soleert. De heren noemen dus Judas Priest en Black Sabbath als muzikale invloeden en dat blijkt al na twee nummers spijker op de kop.
Zo gaat dit een album lang door, met Born to Win in het eerste deel op z'n Led Zeps om dan over te schakelen op een snelle punkriff (!), in Been Said and Done een prachtige akoestische basis en sfeervolle toetsen ter ondersteuning en World Gone Wrong als tweede nummer in trage doomstijl. Voor het overige heavy composities, felle metal op z'n Brits in de handen van twee Californiërs.
Eens horen of de opvolger die dit jaar verscheen ook zo fris klinkt.
Opener Life draait op een snelle riff, waarna de stem van Sweet zich verrassend goed aanpast aan de doom van Take Me Away. Op twee derde van het nummer versnelt het met een volgende doomriff, waarbij Guns heerlijk soleert. De heren noemen dus Judas Priest en Black Sabbath als muzikale invloeden en dat blijkt al na twee nummers spijker op de kop.
Zo gaat dit een album lang door, met Born to Win in het eerste deel op z'n Led Zeps om dan over te schakelen op een snelle punkriff (!), in Been Said and Done een prachtige akoestische basis en sfeervolle toetsen ter ondersteuning en World Gone Wrong als tweede nummer in trage doomstijl. Voor het overige heavy composities, felle metal op z'n Brits in de handen van twee Californiërs.
Eens horen of de opvolger die dit jaar verscheen ook zo fris klinkt.
Sunbomb - Light Up the Sky (2024)

4,0
1
geplaatst: 19 december 2024, 07:17 uur
De tweede van Sunbomb, het project van Tracii Guns, gitarist bij L.A. Guns, met Michael Sweet, zanger-gitarist bij Stryper. Hun debuut verraste me aangenaam en ook opvolger Light up the Sky bevat sterke surprises.
Het album start met de zware shuffle van Unbreakable, waarna Steel Hearts een modernere metalvariant bevat. Het was op het debuut echter dat ik met de muzikale verwijzingen naar Tony Iommi, K.K. Downing en Glenn Tipton opveerde en dat gebeurt met de doom van In Grace We'll Find Our Name. Opvallend hoe goed de heldere stem van Sweet past bij de logge riffs die hier voorbijkomen.
Het gitaargeluid had, zeker in de doomnummers, van mij nóg iets zwaarder gemogen. Vergelijk de productie eens met die van de Chicago-doommetallers Spillage, zoals op hun Electric Exorcist.
De eerste grote verrassing is er met Light up the Skies, het bijna-titelnummer. Het lijkt een ode te zijn aan het nummer Diary of a Madman, het opus magnum van het gelijknamige album van Ozzy Osbourne uit 1981 en daarmee aan componist Bob Daisley en gitarist Randy Rhoads. Kippenvel, zeker met de eigenwijze driekwartsmaat die bij Sunbomb klinkt en pakkend gedrumd door Adam Hamilton. Eert die op zijn beurt Lee Kerslake, de stokkenman bij Osbourne in die dagen?
Een swingende Sabbathiaanse riff in Rewind, met Scream out Loud wordt uptempo gerockt, waarna via Winds of Fate een tweede doomnummer volgt. In Beyond the Odds keert de echo van het vroege werk van Osbourne terug, oftewel de compositiestijl van Daisley en slaggitaarwerk / riffstijl van Rhoads. Tracii Guns bedankt zo net als op het debuut van Sunbomb zijn jeugdhelden, door de muziek te maken waar hij als vijftienjarige voor viel.
Midtempo en log is Reclaim the Light, Where We Belong is mijn derde hoogtepunt: akoestisch en enigszins in de sfeer van Rainbows Catch the Rainbow. Met Setting the Sail wordt stoempend hard afgesloten.
Lekker album, zij het niet zo sterk als de voorganger. Toch nog altijd een acht waard, oftewel vier sterren. Van die Rhoadsachtige riffs had ik er wel meer willen horen!
Het album start met de zware shuffle van Unbreakable, waarna Steel Hearts een modernere metalvariant bevat. Het was op het debuut echter dat ik met de muzikale verwijzingen naar Tony Iommi, K.K. Downing en Glenn Tipton opveerde en dat gebeurt met de doom van In Grace We'll Find Our Name. Opvallend hoe goed de heldere stem van Sweet past bij de logge riffs die hier voorbijkomen.
Het gitaargeluid had, zeker in de doomnummers, van mij nóg iets zwaarder gemogen. Vergelijk de productie eens met die van de Chicago-doommetallers Spillage, zoals op hun Electric Exorcist.
De eerste grote verrassing is er met Light up the Skies, het bijna-titelnummer. Het lijkt een ode te zijn aan het nummer Diary of a Madman, het opus magnum van het gelijknamige album van Ozzy Osbourne uit 1981 en daarmee aan componist Bob Daisley en gitarist Randy Rhoads. Kippenvel, zeker met de eigenwijze driekwartsmaat die bij Sunbomb klinkt en pakkend gedrumd door Adam Hamilton. Eert die op zijn beurt Lee Kerslake, de stokkenman bij Osbourne in die dagen?
Een swingende Sabbathiaanse riff in Rewind, met Scream out Loud wordt uptempo gerockt, waarna via Winds of Fate een tweede doomnummer volgt. In Beyond the Odds keert de echo van het vroege werk van Osbourne terug, oftewel de compositiestijl van Daisley en slaggitaarwerk / riffstijl van Rhoads. Tracii Guns bedankt zo net als op het debuut van Sunbomb zijn jeugdhelden, door de muziek te maken waar hij als vijftienjarige voor viel.
Midtempo en log is Reclaim the Light, Where We Belong is mijn derde hoogtepunt: akoestisch en enigszins in de sfeer van Rainbows Catch the Rainbow. Met Setting the Sail wordt stoempend hard afgesloten.
Lekker album, zij het niet zo sterk als de voorganger. Toch nog altijd een acht waard, oftewel vier sterren. Van die Rhoadsachtige riffs had ik er wel meer willen horen!
Supertramp - Breakfast in America (1979)

4,5
1
geplaatst: 18 september 2025, 23:55 uur
LucM schreef:
Give a Little Bit was de eerste kennismaking en associeer ik met de spannende eerste weken in de brugklas. Een kleine twee jaar later vond ik de hitsingles van dit album ook aangenaam. Nog steeds en dat geldt inmiddels voor het hele album.
Ben daarbij meer van de liedjes van Roger Hodgson, die vooral de popkant opgaan. Of vergis ik me daarin?
Supertramp wordt tot progrock gerekend vanwege hun symfonisch getinte songs maar heeft het nooit moeten hebben van overdreven bombast (...)
Klopt, maar als radiojongetje rekende ik Supertramp destijds - en nog steeds - tot de (kwaliteits)pop. Was toch andere koek dan de progrock van die tijd. Wat ik daarvan meekreeg vond ik ofwel saai ofwel te gekunsteld. Bij Supertramp was er met de hits steeds meteen een klik.Give a Little Bit was de eerste kennismaking en associeer ik met de spannende eerste weken in de brugklas. Een kleine twee jaar later vond ik de hitsingles van dit album ook aangenaam. Nog steeds en dat geldt inmiddels voor het hele album.
Ben daarbij meer van de liedjes van Roger Hodgson, die vooral de popkant opgaan. Of vergis ik me daarin?
Sweet - Desolation Boulevard (1974)

4,5
2
geplaatst: 2 mei 2025, 16:18 uur
Waarom weet ik niet, maar de voorbije jaren kreeg ik steeds meer belangstelling voor Sweet, qua succesjaren een groep van vóór mijn tijd. En zo plukte ik Desolation Boulevard uit een bak.
Nog vóórdat ik elpees uit de fonotheek mocht lenen (leeftijdsgrens: vanaf 15 jaar) leende ik Oor's Popencyclopedie uit de bieb en las die - nerd! - letterlijk van A tot Z. Zo begreep ik dat (The) Sweet als een teenybopgroep begon, bij producers Nicky Chinn en Mike Chapman een steviger aanpak bepleitte én kreeg, om vanaf het door mij wél bewust meegemaakte Level Headed (1978) helemaal zelfstandig te werken.
Alleen al door het draaien van Desolation Boulevard, uit 1974 met z'n fraaie klaphoes, wordt duidelijk dat ik het niet goed had begrepen. Het vinyl heeft inmiddels de nodige rondjes getold en vertelt iets anders.
Opener The Six Teens is niet minder dan een ijzersterk hardrocknummer, Solid Gold Brass moet even op gang komen maar pakt dan wel, in het riffende Turn It Down horen we bassist Steve Priest net als in hit The Ballroom Blitz praten tijdens het nummer, wat om één of andere reden zo lekker is. Het intro van Medusa brengt me terug naar Uriah Heeps Return to Fantasy maar wordt meteen daarna een nummer met een eigen geluid, inclusief akoestische gitaar en een jazzachtig deel met heerlijke gitaarsolo van Andy Scott. Lady Starlight is een ballade die groeit bij vaker draaien.
Kant 2 begint verrassend met bigband alsof dit Shirley Bassey is, waarna hetzelfde Man with the Golden Arm een progressief hardrocknummer wordt met een riff op z'n Black Sabbaths en een heerlijk (!) lange drumsolo. Mick Tucker laat zijn dubbele basdrum rollen alsof hij al wist dat er een bandje met de naam Motörhead zou komen. En pauken in het slot!
Het nummer bouwt tevens fraai toe naar Fox on the Run, anders dan de singleversie zonder toetsen; nog steeds een pakkend nummer, leunend op gitaar en groove.
Breakdown bevat ook al van die robuuste hardrock in de voetsporen van Cream en Mountain, waarna het (wegens tijdnood gekozen?) van The Who gecoverde My Generation de plaat afsluit inclusief véél ruimte voor de bas van Priest. Met de bekende tekst die zanger Brian Connolly, die op dit album verschillende registers van zijn stembanden vindt, helaas iets te letterlijk nam: "Hope I die before I get old." Lekker, maar nog liever had ik eigen werk gehoord. Suggestie van ChinniChap?
Dit is een creatieve (hard)rockklassieker. Niet meer en niet minder.
Nog vóórdat ik elpees uit de fonotheek mocht lenen (leeftijdsgrens: vanaf 15 jaar) leende ik Oor's Popencyclopedie uit de bieb en las die - nerd! - letterlijk van A tot Z. Zo begreep ik dat (The) Sweet als een teenybopgroep begon, bij producers Nicky Chinn en Mike Chapman een steviger aanpak bepleitte én kreeg, om vanaf het door mij wél bewust meegemaakte Level Headed (1978) helemaal zelfstandig te werken.
Alleen al door het draaien van Desolation Boulevard, uit 1974 met z'n fraaie klaphoes, wordt duidelijk dat ik het niet goed had begrepen. Het vinyl heeft inmiddels de nodige rondjes getold en vertelt iets anders.
Opener The Six Teens is niet minder dan een ijzersterk hardrocknummer, Solid Gold Brass moet even op gang komen maar pakt dan wel, in het riffende Turn It Down horen we bassist Steve Priest net als in hit The Ballroom Blitz praten tijdens het nummer, wat om één of andere reden zo lekker is. Het intro van Medusa brengt me terug naar Uriah Heeps Return to Fantasy maar wordt meteen daarna een nummer met een eigen geluid, inclusief akoestische gitaar en een jazzachtig deel met heerlijke gitaarsolo van Andy Scott. Lady Starlight is een ballade die groeit bij vaker draaien.
Kant 2 begint verrassend met bigband alsof dit Shirley Bassey is, waarna hetzelfde Man with the Golden Arm een progressief hardrocknummer wordt met een riff op z'n Black Sabbaths en een heerlijk (!) lange drumsolo. Mick Tucker laat zijn dubbele basdrum rollen alsof hij al wist dat er een bandje met de naam Motörhead zou komen. En pauken in het slot!
Het nummer bouwt tevens fraai toe naar Fox on the Run, anders dan de singleversie zonder toetsen; nog steeds een pakkend nummer, leunend op gitaar en groove.
Breakdown bevat ook al van die robuuste hardrock in de voetsporen van Cream en Mountain, waarna het (wegens tijdnood gekozen?) van The Who gecoverde My Generation de plaat afsluit inclusief véél ruimte voor de bas van Priest. Met de bekende tekst die zanger Brian Connolly, die op dit album verschillende registers van zijn stembanden vindt, helaas iets te letterlijk nam: "Hope I die before I get old." Lekker, maar nog liever had ik eigen werk gehoord. Suggestie van ChinniChap?
Dit is een creatieve (hard)rockklassieker. Niet meer en niet minder.
Sweet - Full Circle (2024)

4,0
4
geplaatst: 23 november 2024, 14:13 uur
Ja, dit is dezelfde Sweet als die van de hits in de jaren '70. Meteen spoilen: Full Circle bevat nieuw, eigen werk en is lékker. Eerst een chronologisch overzicht, daarna over dit album.
Van 1971 tot 1978 was (The) Sweet één van de populairste groepen van het Verenigd Koninkrijk. In 1971-1972 werden daar zes hits gescoord met hapklare tienerpop, waarvan drie de Britse top 10 haalden en in Nederland twee op #1 belandden, te weten Funny, Funny (1971) en Poppa Joe (1972). Kauwgompop die na drie keer kauwen z'n smaak verliest.
De heren houden echter van scheurende gitaren en met hun succesvolle producers Nicky Chinn en Mike Chapman stappen ze over op gierende glitterrock, de mode op dat moment. Van 1973 - 1976 halen ze daarmee negen keer de Britse hitlijst waarbij #1-hit Block Buster (1973) en maar liefst vier #2-hits. In Nederland volgen in die jaren acht hits met datzelfde liedje als #1. Vanaf 1974 wordt de groepsnaam ingekort tot Sweet, maken ze zich los van Chinn-Chapman en stappen over naar "serieuzere" hardrock, zonder de malligheden van glamrock. Kenmerkend blijven de gestapelde koortjes, die even later ook bij Queen zouden opduiken.
Sweets laatste hit is in het post-glitterrocktijdperk en was tevens de eerste keer dat ik via de hitlijsten met de groep kennismaakte: Love Is Like Oxygen uit februari 1978. Hun eerdere hits klonken frequent op de radio. Zanger Brian Connolly verlaat de groep begin 1979 en Sweet vervolgt als trio. De constatering is dan steevast dezelfde: prima muzikanten en de albums dito, beetje ELO-achtig, maar succes wil er niet meer komen. Drie langspelers in de jaren 1979 - 1982, steevast flops. De groep valt in 1981 uit elkaar en het veelzeggend getitelde Identity Crisis verschijnt postuum.
Connolly kan niet van de fles afblijven, een solocarrière en vanaf 1984 The New Sweet strompelen voort, waarbij hij zienderogen aftakelt. Hij overlijdt in 1997, 51 jaar oud.
Bassist Steve Priest woont al sinds '79 in de VS, brengt in 1994 zijn autobiografie 'Are You Ready Steve?' uit en begint daar in 2008 zijn eigen Sweet. Hij overlijdt in 2020.
Het zijn echter gitarist Andy Scott en drummer Mick Tucker die in 1985 (Andy Scott's) Sweet nieuw leven inblazen. Tot 1988 doen ze dat met zanger Paul May Day, ex-Iron Maiden. De groep maakt talloze bezettingswijzigingen mee en blijft stug optreden, met name in eigen land en Duitsland, waar men zonder nieuwe hits toch levensvatbaar blijft. Tucker verlaat de groep in 1991 en overlijdt in 2002.
In 1992 brengt Andy Scott's Sweet voor het eerst nieuw werk uit op het album A, in 2002 gevolgd door Sweetlife. Ik zag ze weleens op Duitse tv voorbijkomen, vaak playbackend zoals bij Fernsehgarten in 2011.
Genoeg historie! Op Full Circle brengt (Andy Scott's) Sweet dus eigen werk, voor het eerst sinds 2002. Inmiddels staat Paul Manzi bij de microfoon. Hij combineerde zijn carrière gedurende enkele jaren met de groepen Cats In Space en Arena. Dan weet je dat de man niet alleen kan zingen, maar ook liedjes schrijven. Dit jaar stonden ze zelfs op Wacken.
De eerste keer afspelen (via streaming) viel tegen, omdat ik met nostalgische oren luisterde. Een dag later kwam Full Circle echter compleet anders en vooral beter binnen. Wat klinkt is melodieuze hardrock - of is dit aor? - verpakt in sterke melodieën. Slechts in het prachtige Everything klinken de koortjes gestapeld als in de jaren '70, maar latere draaibeurten leerden dat ze elders ook meer dan frequent aanwezig zijn, steevast pakkend.
De muziek is binnen de genregrenzen gevarieerd, mede omdat hier en daar synthesizers klinken, zoals in Don't Bring Me Water, waar Changes juist op een hakkend gitaarriffje leunt. Uptempo rockend is Destination Hannover, waarin de groep de liefde aan Duitsland verklaart en slotlied annex groeibriljantje Full Circle verklaart niet alleen de albumtitel maar ook de reis van de groep.
De fraaie hoes is van de hand van Tristan Greatrex, die recent ook Moggs Motel deed. Het album is onder meer verkrijgbaar in een boxeditie waarbij een usb-stick in de vorm van een gitaar zit. Ook zonder de verpakking is dit gewoon een goed album, dat op Everything na geen nostalgische geluiden bevat maar eigentijdse én klassieke melohardrock van niveau.
Van 1971 tot 1978 was (The) Sweet één van de populairste groepen van het Verenigd Koninkrijk. In 1971-1972 werden daar zes hits gescoord met hapklare tienerpop, waarvan drie de Britse top 10 haalden en in Nederland twee op #1 belandden, te weten Funny, Funny (1971) en Poppa Joe (1972). Kauwgompop die na drie keer kauwen z'n smaak verliest.
De heren houden echter van scheurende gitaren en met hun succesvolle producers Nicky Chinn en Mike Chapman stappen ze over op gierende glitterrock, de mode op dat moment. Van 1973 - 1976 halen ze daarmee negen keer de Britse hitlijst waarbij #1-hit Block Buster (1973) en maar liefst vier #2-hits. In Nederland volgen in die jaren acht hits met datzelfde liedje als #1. Vanaf 1974 wordt de groepsnaam ingekort tot Sweet, maken ze zich los van Chinn-Chapman en stappen over naar "serieuzere" hardrock, zonder de malligheden van glamrock. Kenmerkend blijven de gestapelde koortjes, die even later ook bij Queen zouden opduiken.
Sweets laatste hit is in het post-glitterrocktijdperk en was tevens de eerste keer dat ik via de hitlijsten met de groep kennismaakte: Love Is Like Oxygen uit februari 1978. Hun eerdere hits klonken frequent op de radio. Zanger Brian Connolly verlaat de groep begin 1979 en Sweet vervolgt als trio. De constatering is dan steevast dezelfde: prima muzikanten en de albums dito, beetje ELO-achtig, maar succes wil er niet meer komen. Drie langspelers in de jaren 1979 - 1982, steevast flops. De groep valt in 1981 uit elkaar en het veelzeggend getitelde Identity Crisis verschijnt postuum.
Connolly kan niet van de fles afblijven, een solocarrière en vanaf 1984 The New Sweet strompelen voort, waarbij hij zienderogen aftakelt. Hij overlijdt in 1997, 51 jaar oud.
Bassist Steve Priest woont al sinds '79 in de VS, brengt in 1994 zijn autobiografie 'Are You Ready Steve?' uit en begint daar in 2008 zijn eigen Sweet. Hij overlijdt in 2020.
Het zijn echter gitarist Andy Scott en drummer Mick Tucker die in 1985 (Andy Scott's) Sweet nieuw leven inblazen. Tot 1988 doen ze dat met zanger Paul May Day, ex-Iron Maiden. De groep maakt talloze bezettingswijzigingen mee en blijft stug optreden, met name in eigen land en Duitsland, waar men zonder nieuwe hits toch levensvatbaar blijft. Tucker verlaat de groep in 1991 en overlijdt in 2002.
In 1992 brengt Andy Scott's Sweet voor het eerst nieuw werk uit op het album A, in 2002 gevolgd door Sweetlife. Ik zag ze weleens op Duitse tv voorbijkomen, vaak playbackend zoals bij Fernsehgarten in 2011.
Genoeg historie! Op Full Circle brengt (Andy Scott's) Sweet dus eigen werk, voor het eerst sinds 2002. Inmiddels staat Paul Manzi bij de microfoon. Hij combineerde zijn carrière gedurende enkele jaren met de groepen Cats In Space en Arena. Dan weet je dat de man niet alleen kan zingen, maar ook liedjes schrijven. Dit jaar stonden ze zelfs op Wacken.
De eerste keer afspelen (via streaming) viel tegen, omdat ik met nostalgische oren luisterde. Een dag later kwam Full Circle echter compleet anders en vooral beter binnen. Wat klinkt is melodieuze hardrock - of is dit aor? - verpakt in sterke melodieën. Slechts in het prachtige Everything klinken de koortjes gestapeld als in de jaren '70, maar latere draaibeurten leerden dat ze elders ook meer dan frequent aanwezig zijn, steevast pakkend.
De muziek is binnen de genregrenzen gevarieerd, mede omdat hier en daar synthesizers klinken, zoals in Don't Bring Me Water, waar Changes juist op een hakkend gitaarriffje leunt. Uptempo rockend is Destination Hannover, waarin de groep de liefde aan Duitsland verklaart en slotlied annex groeibriljantje Full Circle verklaart niet alleen de albumtitel maar ook de reis van de groep.
De fraaie hoes is van de hand van Tristan Greatrex, die recent ook Moggs Motel deed. Het album is onder meer verkrijgbaar in een boxeditie waarbij een usb-stick in de vorm van een gitaar zit. Ook zonder de verpakking is dit gewoon een goed album, dat op Everything na geen nostalgische geluiden bevat maar eigentijdse én klassieke melohardrock van niveau.
Sweet - Level Headed (1978)

3,5
1
geplaatst: 2 september 2024, 20:55 uur
Dibbel schreef elf jaar geleden:
Wel hoor, minimaal één: ikke! Vanaf 1975 kwam ik bij een klasgenoot over de vloer. Zijn moeder zat uit school klaar met thee, een koekje én Hilversum 3. Dat laatste deden mijn ouders niet. Zo ontdekte ik popmuziek. Het moet (16?) oktober '76 zijn geweest dat ik van mijn ouders een oud radiootje leende, want van de hitlijst van die week ken ik plotseling véél liedjes met de TROS Europarade als favoriete radioprogramma. Te horen op donderdag met herhaling op zaterdag. Andere tijden...
(The) Sweet leerde ik kennen doordat hun hits uit voorbije jaren veelvuldig op Nêêrlands enige popzender klonken. In 1978 kwam Love Is Like Oxygene in de hitlijst met zijn heerlijke hakkende slaggitaren en prachtige koortjes plus refrein. Instant favoriet.
Nu weet ik dat ze hier voor het eerst zelfstandig opereerden, zonder de invloed van producers Nicky Chinn en Mike Chapman, die hen als popgroep lanceerden en ze vervolgens deden overstappen op scheurende glamrock.
The Sweet werd volwassen en de ontnuchterende conclusie is dat dit slechts één hitsingle opleverde, die ene van dit album.
Geen hits nadien. Op zich nog geen ramp, maar de overstap naar een volwassener albumkopend publiek mislukte met zowel deze elpee als de opvolgers.
Inmiddels heb ik me voorgenomen om die geflopte albums te kopen op vinyl, als ik ze ergens voor een redelijke prijs tweedehands zou tegenkomen. Dat gebeurde voor het eerst 28 juni j.l. in Den Bosch met Level Headed als klaphoes.
Het is moedig hoe The Sweet zijn geluid verbreedde met zelfgeschreven composities en daarin de nodige invloeden uit de symfonische rock van die dagen integreerde. Opener Dream On (nee, niet die van Aerosmith) is al meteen gedurfd: een ballade met piano en strijkers. De oude fan zal zich over het hoofd hebben gekrabd.
Dan komt de single en opnieuw verbaasde ik me op deze zomeravond in 2024: nooit geweten van de albumversie van Love Is Like Oxygene met halverwege die gewaagde, lange brug!
Mijn bewondering voor het lef dat The Sweet toonde moge duidelijk zijn. Wil dat zeggen dat de composities pakkend en van niveau zijn? Mwah. Niet onaardig hoor, wél van het niveau 'keurige 7,5'.
En toch ben ik nieuwsgierig naar de latere platen, al is het maar om het pareltje Fountain dat kant 1 relaxt rockend afsluit met de kenmerkende koortjes en de verrassende klavecimbel van gastmuzikant Geoff Westley. Of het barokke intro en slot van kant 2, Anthem No I en II, of de poprock van Lettres d'amour met z'n sterke melodie én koortjes.
En ik ga eens kijken of het lukt om de hitversie van de groep live te zien, de groep rond gitarist Andy Scott. De huidige en inmiddels al vele jaren zanger Paul Manzi heeft een heerlijke strot! Dat wordt een keertje naar Duitsland, zie ik.
Volgens mij verloren ze met dit album een hoop fans en kwamen er geen nieuwe bij.
Wel hoor, minimaal één: ikke! Vanaf 1975 kwam ik bij een klasgenoot over de vloer. Zijn moeder zat uit school klaar met thee, een koekje én Hilversum 3. Dat laatste deden mijn ouders niet. Zo ontdekte ik popmuziek. Het moet (16?) oktober '76 zijn geweest dat ik van mijn ouders een oud radiootje leende, want van de hitlijst van die week ken ik plotseling véél liedjes met de TROS Europarade als favoriete radioprogramma. Te horen op donderdag met herhaling op zaterdag. Andere tijden...
(The) Sweet leerde ik kennen doordat hun hits uit voorbije jaren veelvuldig op Nêêrlands enige popzender klonken. In 1978 kwam Love Is Like Oxygene in de hitlijst met zijn heerlijke hakkende slaggitaren en prachtige koortjes plus refrein. Instant favoriet.
Nu weet ik dat ze hier voor het eerst zelfstandig opereerden, zonder de invloed van producers Nicky Chinn en Mike Chapman, die hen als popgroep lanceerden en ze vervolgens deden overstappen op scheurende glamrock.
The Sweet werd volwassen en de ontnuchterende conclusie is dat dit slechts één hitsingle opleverde, die ene van dit album.
Geen hits nadien. Op zich nog geen ramp, maar de overstap naar een volwassener albumkopend publiek mislukte met zowel deze elpee als de opvolgers.
Inmiddels heb ik me voorgenomen om die geflopte albums te kopen op vinyl, als ik ze ergens voor een redelijke prijs tweedehands zou tegenkomen. Dat gebeurde voor het eerst 28 juni j.l. in Den Bosch met Level Headed als klaphoes.
Het is moedig hoe The Sweet zijn geluid verbreedde met zelfgeschreven composities en daarin de nodige invloeden uit de symfonische rock van die dagen integreerde. Opener Dream On (nee, niet die van Aerosmith) is al meteen gedurfd: een ballade met piano en strijkers. De oude fan zal zich over het hoofd hebben gekrabd.
Dan komt de single en opnieuw verbaasde ik me op deze zomeravond in 2024: nooit geweten van de albumversie van Love Is Like Oxygene met halverwege die gewaagde, lange brug!
Mijn bewondering voor het lef dat The Sweet toonde moge duidelijk zijn. Wil dat zeggen dat de composities pakkend en van niveau zijn? Mwah. Niet onaardig hoor, wél van het niveau 'keurige 7,5'.
En toch ben ik nieuwsgierig naar de latere platen, al is het maar om het pareltje Fountain dat kant 1 relaxt rockend afsluit met de kenmerkende koortjes en de verrassende klavecimbel van gastmuzikant Geoff Westley. Of het barokke intro en slot van kant 2, Anthem No I en II, of de poprock van Lettres d'amour met z'n sterke melodie én koortjes.
En ik ga eens kijken of het lukt om de hitversie van de groep live te zien, de groep rond gitarist Andy Scott. De huidige en inmiddels al vele jaren zanger Paul Manzi heeft een heerlijke strot! Dat wordt een keertje naar Duitsland, zie ik.
Sweet - Strung Up (1975)

4,5
1
geplaatst: 6 december 2025, 09:07 uur
Strung Up staat te boek als een compilatie, maar is eigenlijk meer dan dat. Zoals Dibbel en Larzz schreven is dit oorspronkelijk een dubbelelpee: kant 1 en 2 live, kant 3 en 4 de compilatie. Ik kwam 'm laatst op cd tegen, ook dan een dubbelaar. Het livedeel is opgenomen tijdens optredens in 1973, kort nadat de groep de transitie had gemaakt van tienerpop naar glamrock, maar nog vóórdat hun eerste heavy album Sweet Fanny Adams uitkwam
De oorspronkelijke dubbelelpee verscheen pas in november 1975 en gaat muzikaal veel verder dan de rockende singles: er is ruimte voor improvisatie en de groep staat bol van energie. Dit kan zich meten met het beste van tijdgenoten als Deep Purple en Black Sabbath, mede omdat gitarist Andy Scott gitaarmuren bouwt om u tegen te zeggen en verder gaat dan het spelen van de gebruikelijke akkoorden, zoals zijn lange gitaarsolo in Done Me Wrong All Right bevestigt.
Voor de cd-editie zijn drie livebonussen toegevoegd: The Ballroom Blitz, Teenage Rampage dat wordt geïntroduceerd als de binnenkort te verschijnen single, en Blockbuster. Alle drie hitsingles, maar wát een spetterend livegebeuren vormen zij met de andere nummers. Hoor bijvoorbeeld hoe drummer Mick Tucker losgaat in Burning / Someone Else Will, een nummer met expliciete tekst dat ik begin jaren '80 op de radio hoorde. Ik was 'm totaal vergeten, maar de herinnering was er onmiddellijk weer...
De meedogenloosheid waarmee Tucker in Ballroom Blitz om zich heen mept doet denken aan hetgeen de Ramones vanaf '76 de wereld in zouden slingeren, zanger Brian Connolly is daarbij in goede doen. Ook live was de groep in staat om de koortjes zuiver neer te zetten.
Akoestische uitzondering op het al rockgeweld is You're Not Wrong for Loving Me, waarbij Connolly met de anderen schittert op zang, het heeft warempel weg van Amerikaanse westcoastrock. Voor het overige domineren de decibellen, waarbij een intro- en slottape met klassieke muziek het concert omgeeft.
The Man with the Golden Gun duurt een dikke 8 minuten inclusief uitgebreide drumsolo, live nog robuuster dan de studioversie van Desolation Boulevard.
Kortom, een onbekend maar overwegend furieus livealbum. Wat een ontdekking, vijftig jaar na dato!
De tweede elpee bevat een studiocompilatie, met op cd de bonussen The Lies in Your Eyes, Fever of Love, Teenage Rampage en Hell Raiser. Miss Demeanour en I Wanna Be Committed gaan daarbij iets verder dan slechts singleduur; in Solid Gold Brass komt Scott warempel met jazzakkoorden op de proppen, knap gedaan in een nummer waarin de invloed van Jimi Hendrix en Mountain doorklinkt. Dit alles voorzien van een informatieve hoestekst van Tony Prince, is dit een méér dan aangename tijdcapsule. En hárd bovendien.
De oorspronkelijke dubbelelpee verscheen pas in november 1975 en gaat muzikaal veel verder dan de rockende singles: er is ruimte voor improvisatie en de groep staat bol van energie. Dit kan zich meten met het beste van tijdgenoten als Deep Purple en Black Sabbath, mede omdat gitarist Andy Scott gitaarmuren bouwt om u tegen te zeggen en verder gaat dan het spelen van de gebruikelijke akkoorden, zoals zijn lange gitaarsolo in Done Me Wrong All Right bevestigt.
Voor de cd-editie zijn drie livebonussen toegevoegd: The Ballroom Blitz, Teenage Rampage dat wordt geïntroduceerd als de binnenkort te verschijnen single, en Blockbuster. Alle drie hitsingles, maar wát een spetterend livegebeuren vormen zij met de andere nummers. Hoor bijvoorbeeld hoe drummer Mick Tucker losgaat in Burning / Someone Else Will, een nummer met expliciete tekst dat ik begin jaren '80 op de radio hoorde. Ik was 'm totaal vergeten, maar de herinnering was er onmiddellijk weer...
De meedogenloosheid waarmee Tucker in Ballroom Blitz om zich heen mept doet denken aan hetgeen de Ramones vanaf '76 de wereld in zouden slingeren, zanger Brian Connolly is daarbij in goede doen. Ook live was de groep in staat om de koortjes zuiver neer te zetten.
Akoestische uitzondering op het al rockgeweld is You're Not Wrong for Loving Me, waarbij Connolly met de anderen schittert op zang, het heeft warempel weg van Amerikaanse westcoastrock. Voor het overige domineren de decibellen, waarbij een intro- en slottape met klassieke muziek het concert omgeeft.
The Man with the Golden Gun duurt een dikke 8 minuten inclusief uitgebreide drumsolo, live nog robuuster dan de studioversie van Desolation Boulevard.
Kortom, een onbekend maar overwegend furieus livealbum. Wat een ontdekking, vijftig jaar na dato!
De tweede elpee bevat een studiocompilatie, met op cd de bonussen The Lies in Your Eyes, Fever of Love, Teenage Rampage en Hell Raiser. Miss Demeanour en I Wanna Be Committed gaan daarbij iets verder dan slechts singleduur; in Solid Gold Brass komt Scott warempel met jazzakkoorden op de proppen, knap gedaan in een nummer waarin de invloed van Jimi Hendrix en Mountain doorklinkt. Dit alles voorzien van een informatieve hoestekst van Tony Prince, is dit een méér dan aangename tijdcapsule. En hárd bovendien.
Sweet - Sweet Fanny Adams (1974)

4,0
5
geplaatst: 2 december 2025, 19:28 uur
LucM noteerde:
Ik heb mij voorgenomen om, als ik er één tegenkom, een ontbrekend album van Sweet aan mijn verzameling toe te voegen. Opvolger Desolation Boulevard gaf ik in mei een 9 en toen ik kort geleden Sweet Fanny Adams op vinyl oppikte, was snel duidelijk dat dit net zo verrassend is. Zelfs vaak veel steviger dan hun hardrockende hits zoals Ballroom Blitz.
Na het donderende Set Me Free volgt het bijna even stevige Heartbreak Today en ook No You Don't is heavy met een geinige celloriff als bonus. Is dit echt 1974? Glamrock in Rebel Rouser wordt gevolgd door de doo-wop rock 'n' roll van Peppermint Twist, waarmee je toch weer zeker weet dat het inderdaad '74 is.
Alhoewel: met Sweet F.A. dat kant 2 opent ga ik alweer twijfelen: de riffs (á la Still I'm Sad in de versie van Rainbow) en de wijze waarop Andy Scott tegen het einde zijn gitaar teistert... Dit op zo'n voortdenderende wijze, zijn tijd vooruit; bij Restless moet ik aan Uriah Heep denken of de Amerikaanse hardrock van de jaren '70. In to the Night is wat rauwer en slotlied AC / DC is een swingende glamrocker.
Extra interessant voor hen die de New Wave of British heavy metal waarderen. AOVV, B.Robertson, BlauweVla, Broem, Brutus, Dream Theater, EvilDrSmith, gigage, Hans Brouwer, iggy, Kronos, Larzz, Lau1986, Mr. Rock, Neal Peart, Queebus, Rinus, Rockfan, ricardo, Roxy6, Sir Spamalot, vielip, Wolfmother, ZAP! en anderen, kennen jullie deze of de opvolger, die ik nog nét iets beter vind? Mijn favoriete nummers: Set Me Free en en Sweet F.A.
Ik geloof ook dat dit album invloed heeft gehad op de latere Britse metal-lichting.
Klopt helemaal: in opener Set Me Free zit een break die één op één is gekopieerd door Saxon in hun livecombi van Machine Gun en Fire in the Sky, te vinden op Saxons The Eagle Has Landed (1982).Ik heb mij voorgenomen om, als ik er één tegenkom, een ontbrekend album van Sweet aan mijn verzameling toe te voegen. Opvolger Desolation Boulevard gaf ik in mei een 9 en toen ik kort geleden Sweet Fanny Adams op vinyl oppikte, was snel duidelijk dat dit net zo verrassend is. Zelfs vaak veel steviger dan hun hardrockende hits zoals Ballroom Blitz.
Na het donderende Set Me Free volgt het bijna even stevige Heartbreak Today en ook No You Don't is heavy met een geinige celloriff als bonus. Is dit echt 1974? Glamrock in Rebel Rouser wordt gevolgd door de doo-wop rock 'n' roll van Peppermint Twist, waarmee je toch weer zeker weet dat het inderdaad '74 is.
Alhoewel: met Sweet F.A. dat kant 2 opent ga ik alweer twijfelen: de riffs (á la Still I'm Sad in de versie van Rainbow) en de wijze waarop Andy Scott tegen het einde zijn gitaar teistert... Dit op zo'n voortdenderende wijze, zijn tijd vooruit; bij Restless moet ik aan Uriah Heep denken of de Amerikaanse hardrock van de jaren '70. In to the Night is wat rauwer en slotlied AC / DC is een swingende glamrocker.
Extra interessant voor hen die de New Wave of British heavy metal waarderen. AOVV, B.Robertson, BlauweVla, Broem, Brutus, Dream Theater, EvilDrSmith, gigage, Hans Brouwer, iggy, Kronos, Larzz, Lau1986, Mr. Rock, Neal Peart, Queebus, Rinus, Rockfan, ricardo, Roxy6, Sir Spamalot, vielip, Wolfmother, ZAP! en anderen, kennen jullie deze of de opvolger, die ik nog nét iets beter vind? Mijn favoriete nummers: Set Me Free en en Sweet F.A.
Swingers - Counting the Beat (1982)
Alternatieve titel: Practical Jokers

4,5
0
geplaatst: 14 november 2025, 21:00 uur
In mei 1980 is er in Nieuw Zeeland een nieuw bandje, dat met single One Good Reason tot #19 komt. Ze noemen zich The Swingers en trekken mede de aandacht omdat Phil Judd erin zit, voorheen van Split Enz.
Hij had deze groep in 1978 voor de tweede maal verlaten om punk te maken met The Suburban Reptiles waarmee twee singles werden uitgebracht. Hij vervolgt met The Swingers, waar new wave klinkt. In die groep zit ook de latere bassist van Midnight Oil, Dwayne 'Bones' Hillman.
Tweede single Counting the Beat wordt in april 1981 een nationale #1, It Ain't What You Dance, It's the Way You Dance It in juli #4 en vierde hitsingle op rij is One Track Mind, dat in oktober nog eens #27 haalt. In diezelfde maand komt de elpee Practical Jokers uit, die begin november een Nieuw-Zeelandse #2 wordt.
Er ontstaat belangstelling vanuit de VS. In 1982 verschijnt de elpee ook daar, waarbij de groepsnaam is ingekort tot Swingers, het album Counting the Beat heet en in een minder vrolijke hoes is gestoken. Dát is de versie die MuMe toont, compleet met andere trackvolgorde. Single Counting the Beat haalt er de lijsten van Billboards Mainstream Rock Airplay, oftewel, het is er een radiohit.
De muziek op Practical Jokers / Counting the Beat is van een vrolijk soort new wave. Pittig en energiek, uptempo en melodieus. De genoemde hitsingles zijn stuk voor stuk kleine briljantjes en de overige nummers doen er eigenlijk niet of nauwelijks voor onder. Aanbevolen voor hen die bijvoorbeeld van de Buzzcocks houden.
Op de NZ-editie staan drie nummers die niet de Amerikaanse versie haalden: Ayatollah, Funny Feeling en Distortion. Daar staat tegenover dat de Amerikaanse twee nummers bevat die niet in Nieuw-Zeeland op de elpee stonden, te weten One Good Reason en The Flak.
Het album staat in de Amerikaanse versie op mijn streamingplatform, waarbij moet worden opgemerkt dat er kennelijk iets is misgegaan met het uploaden van One Good Reason dat op 2'22" overslaat (alsof de oorspronkelijke single is geript) en de overgang naar het daarop volgende The Flak bevat eveneens een digitale misser.
Maarrrr.... Ik word vrólijk van deze muziek, waar spontaniteit en vakmanschap veertien liedjes lang samengaan; MuMe vermeldt tien nummers, maar streaming houdt - hoera! hoera! - de cd-uitgave van 1998 aan.
In maart 1982 vielen (The) Swingers alweer uit elkaar en ging Judd solo. MuMe vermeldt slechts één van de tien albums die hij tot dusver uitbracht, de laatste in 2023.
Kijk, dít soort albums zijn onverwachte vondsten tijdens mijn reis door new wave. Ik bevind me in maart 1981, kwam van de tweede elpee van het Engelse Gang of Four en de volgende halte is de tweede van het Amerikaanse Robin Lane & The Chartbusters.
Hij had deze groep in 1978 voor de tweede maal verlaten om punk te maken met The Suburban Reptiles waarmee twee singles werden uitgebracht. Hij vervolgt met The Swingers, waar new wave klinkt. In die groep zit ook de latere bassist van Midnight Oil, Dwayne 'Bones' Hillman.
Tweede single Counting the Beat wordt in april 1981 een nationale #1, It Ain't What You Dance, It's the Way You Dance It in juli #4 en vierde hitsingle op rij is One Track Mind, dat in oktober nog eens #27 haalt. In diezelfde maand komt de elpee Practical Jokers uit, die begin november een Nieuw-Zeelandse #2 wordt.
Er ontstaat belangstelling vanuit de VS. In 1982 verschijnt de elpee ook daar, waarbij de groepsnaam is ingekort tot Swingers, het album Counting the Beat heet en in een minder vrolijke hoes is gestoken. Dát is de versie die MuMe toont, compleet met andere trackvolgorde. Single Counting the Beat haalt er de lijsten van Billboards Mainstream Rock Airplay, oftewel, het is er een radiohit.
De muziek op Practical Jokers / Counting the Beat is van een vrolijk soort new wave. Pittig en energiek, uptempo en melodieus. De genoemde hitsingles zijn stuk voor stuk kleine briljantjes en de overige nummers doen er eigenlijk niet of nauwelijks voor onder. Aanbevolen voor hen die bijvoorbeeld van de Buzzcocks houden.
Op de NZ-editie staan drie nummers die niet de Amerikaanse versie haalden: Ayatollah, Funny Feeling en Distortion. Daar staat tegenover dat de Amerikaanse twee nummers bevat die niet in Nieuw-Zeeland op de elpee stonden, te weten One Good Reason en The Flak.
Het album staat in de Amerikaanse versie op mijn streamingplatform, waarbij moet worden opgemerkt dat er kennelijk iets is misgegaan met het uploaden van One Good Reason dat op 2'22" overslaat (alsof de oorspronkelijke single is geript) en de overgang naar het daarop volgende The Flak bevat eveneens een digitale misser.
Maarrrr.... Ik word vrólijk van deze muziek, waar spontaniteit en vakmanschap veertien liedjes lang samengaan; MuMe vermeldt tien nummers, maar streaming houdt - hoera! hoera! - de cd-uitgave van 1998 aan.
In maart 1982 vielen (The) Swingers alweer uit elkaar en ging Judd solo. MuMe vermeldt slechts één van de tien albums die hij tot dusver uitbracht, de laatste in 2023.
Kijk, dít soort albums zijn onverwachte vondsten tijdens mijn reis door new wave. Ik bevind me in maart 1981, kwam van de tweede elpee van het Engelse Gang of Four en de volgende halte is de tweede van het Amerikaanse Robin Lane & The Chartbusters.
