MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

The Stranglers - Black and White (1978)

poster
4,5
Na het succes van hun tweede lp en de twee hitsingles daarvan, ging het altijd cruciale derde plaatje volkomen aan de Nederlandse album- en hitlijsten voorbij. En dus ook aan de radio op mijn zolderkamer. Black and White stond bovendien niet in de fonotheek in mijn dorp en bleef een mij onbekend album, al kwam ik later via concerten en live-cd’s wel enkele nummers tegen.

Februari 2020 ging ik met mijn museummaatje naar een tentoonstelling over Vikingen in het Fries Museum in Leeuwarden. We kenden de stad niet en belandden eerst in de voormalige gevangenis Blokhuispoort. Daarin bevinden zich allerlei kleine winkeltjes, waaronder eentje met platenbakken. U raadt het al: deze elpee stond daar ook. Ik had geen zin om de rest van de dag met een elpee te sjouwen, maar het maatje haalde deze aartsluie Viking over om ‘m toch te kopen.

Dat bleek een meer dan goed advies. Vanaf het moment dat ik ‘m thuis opzette, werd deze vijftiger als een dertienjarige omver geblazen. Kant A bevat allemaal volledige buitencategorie topsongs, meestal op hoog tempo, waarbij Dave Greenfields toetsenlijnen raasden als op het debuut, zij het nu nóg heftiger. Dit dankzij het gebruik van een nieuwe set synthesizers, een instrument dat in die jaren aan een snelle ontwikkeling bezig was. Het levert een fascinerende botsing op tussen grommende bassen en nieuwe geluiden, een sound hun tijd ver vooruit. Bizar goed, die kant A.
De B-kant opent even furieus met Curfew, waaruit de albumtitel is gehaald. In de coupletten hoor ik een 7/4 maat, tijdens de toetsensolo zelfs 9/4. Altijd zó fijn als deze band met oneven maatsoorten stoeit! Daarna kakt de plaat enigszins in. Niet vanwege de furie, die blijft; de composities echter doen mij minder.
Op afsluiter Enough Time na dan. Hier klinkt een bliepende synthesizer, geluiden die twee albums later prominent terugkeerden op het eigenaardige Themeninblack, een plaat die ik wél kort na uitgave hoorde. Leuk om hier al een hint daarnaar te horen, mede omdat opnieuw een 7/4 maat in de coupletten wordt gebruikt en het solodeel uit morsecode bestaat.

De teksten zijn donker, maar gelukkig is het mannelijk snobisme verdwenen. Enough Time bevat een apocalyptische waarschuwing: “What’s gonna happen when the sky goes black, what you do when the sea comes back?” Past goed bij de huidige klimaatcrisis.

Op streaming check ik de drie non-albumsingles en bijbehorende B-kanten. Ze zijn aardig, met als topfavoriet Sweden van de A-kant, nu als het Zweedstalige Sverige. Leuk is de pubrock op Mean to Me en vooral Old Codger, met op zang de mij onbekende George Melley en op mondharmonica de vorig jaar overleden Lew Lewis van Eddie and the Hot Rods. Ik hoor iets van The Stranglers vóórdat punk losbarstte.

In 2013 plaatste bastens op pagina 1 bij deze plaat een zeer bruikbare link naar bassist JJ’s herinneringen bij deze songs, waarvoor ik u hartelijk dank. Tjonge, dat Nice ‘n’ Sleazy over het home van de Hell’s Angels bij de Bijlmerbajes gaat, vanuit de trein heb ik dat vele malen gezien! Fijne anekdotes lees ik hier.
Conclusies: de A-kant, Curfew en Enough Time krijgen zeven *, het totaal inclusief bonustracks een 4,5, Leeuwarden moet je minimaal éénmaal bezocht hebben en luister naar het wijze advies van vrienden.

The Stranglers - Coup de Grace (1998)

poster
3,0
Bassist-zanger Jean-Jacques Burnel was door echtscheidingssores weinig betrokken geweest bij de totstandkoming van voorganger Written in Red. Toen hij zich realiseerde dat de twee "nieuwe" leden Paul Roberts en John Ellis daardoor een draai aan The Stranglers hadden gegeven die hem niet beviel, speet dat hem ontzettend. Of zoals hij dat op de bandsite verwoordt: "I then decided that I should write the whole of the next album Coup De Grace which wasn’t necessarily the best idea! I thought ‘I can’t let these fuckers take over this band, they don’t know what they’re doing and the band needs to get back to what it should be, I’ve got to sort this out".
The Stranglers keren op Coupe de Grace inderdaad terug naar hun eigen geluid, waarbij het Burnel zélf is die zich in de wielen rijdt: te veel ballades, wellicht ingegeven door een neerslachtigheid die - niet verwonderlijk - bij zijn echtscheiding opdook.

Er is meer dan persoonlijk leed. In God Is Good klinkt Burnel, die zelf zingt, cynisch als hij God koppelt aan oorlog, ongetwijfeld met de situatie in voormalig Joegoslavië in gedachten. De groep zou er gaan optreden voor Britse troepen. De melodie is monotoon, een sitar klinkt. Hij zingt eveneens de persoonlijke tekst van You Don't Think that What You've Done Is Wrong met een melodie als een vrolijk popliedje uit Liverpool uit midden jaren '60.

Met die twee nummers is de weerbarstigheid van The Stranglers terug en pas op Tonight staat Paul Roberts bij de microfoon; het blijkt een weeïg liedje met een mistroostige tekst over de goede oude tijd. Wél geslaagd is het vlotte Jump Over My Shadow waar Dave Greenfield enkele fraaie toetsenpartijen neerzet, gevolgd door het kalme Miss You, waarin Burnel bezingt dat hij z'n ex toch nog... juist.

Op zich geen onaardig liedje, toch veel liever Coup de Grace (S-O-S) waarin het dna van The Stranglers het duidelijkst klinkt. Logisch met een tekst die de genadeslag bezingt. Dan het zeer ingetogen In the End, het enige nummer van dit album dat ik enkele jaren geleden op een persoonlijke verzamel-cd brandde. Het bevat net als Miss You de nodige pijn en is het beste nummer van dit album als ik in de stemming ben.

Waar ik daarna nog wat gekruider werk verwachtte, zijn No Reason, Known Only unto God (geschreven bij het graf van een anonieme soldaat?) en The Light ook al rustig. De boel gaat als een waxinelichtje uit, Stranglers onwaardig.

The Stranglers - Dark Matters (2021)

poster
4,5
Een album dat inmiddels twee maanden uit is en waarbij nog geen enkele recensie is geplaatst? Het leidde er vanavond toe dat ik van een passieve lezer van MuMe een actief lid ben geworden. Op deze site kom je immers om gefundeerde meningen van andere muziekliefhebbers te lezen, niet het zonder enige argumentatie afkraken van een album. Laat staan het bekvechten dat ik hierboven (en helaas ook bij vele andere albums) aantref. Ik wil weten of een album al dan niet goed is én waarom iemand dat vindt. Dat helpt mij bij het (her)ontdekken van oude en nieuwe muziek.

Laat ik doen alsof ik The Stranglers voor het eerst hoor. Ik probeer te vergeten dat ze op mijn radar staan sinds No More Heroes in 1977 een hitje was en ik bij Toppop zag hoe zij playbacken leuk maakten. Daarbij laat ik hun lange historie en alle encyclopedische feitjes voor wat ze zijn. Ook probeer ik te doen alsof ik ze niet in 2014 in Hedon en in 2019 in de Melkweg heb zien optreden. Dark Matters met frisse oren beluisteren.

Opener Water begint rustig, maar al spoedig zijn daar een grommende basgitaar, ijle synthesizerklanken en een fraaie melodie, verpakt in een loom-swingende 6/8 maat.
This Song is sneller met opnieuw dat basje en die synths; het bevat een scherpe tekst over een voorbije liefde, bijtend gezongen.
And If You Should See Dave is één van de weinige liedjes op Dark Matters die na het overlijden van toetsenist Dave Greenfield werden geschreven. Met zijn akoestische gitaren, klokken en een dromerige gitaarsolo is het een fraaie ode.
Op If Something’s Gonna Kill Me krijgen de toetsenpartijen plotseling een jaren ’80-sound, gevolgd door een trompetsolo van een gastmuzikant. Heel anders dan de vorige tracks, maar man, opnieuw zó lekker.
No Man’s Land bestaat uit een hoekige riff, gevolgd door een uptempo refrein. De track is boos, vooral in het instrumentale deel. Niet mijn favoriet van dit album, maar met zijn kleine 2½ minuut is het precies goed.

The Lines klinkt verrassend genoeg bijna als een folkballade, met een tekst over de lijnen op het gezicht, verwijzend naar gebeurtenissen in het leven. Een hammondorgeltje valt spoedig bij in dit lieve, kleine liedje.
Payday heeft weer de stevige sound van track 1, 2 en 5, maar krijgt in de brug een jazzy benadering. Dát is wat dit album ook zo fijn maakt: het muzikale vakmanschap, de muzikale zijstapjes, de variatie.
Met Down komen we het derde ballade-achtige werkje tegen, deze keer op basis van pianospel. Ballades zijn niet mijn favoriete genre, maar ook hier geldt: kort en krachtig. De akoestische gitaarsolo mag er bovendien zijn.

Op het uptempo The Last Man On The Moon klinken dwarrelende toetsenlijnen. De basgitaar houdt zich in en een digitaal mannenkoortje maakt het lichtelijk gotisch. Het liedje bouwt op naar een climax met een heerlijke toetsensolo.
White Stallion bevat een zware synthesizerbas en meer digitale geluiden klinken, anders dan eerder op dit album. Bovendien is daar alweer een koor, dat ten opzichte van de vorige track is uitgebreid met enkele vrouwspersonen. Onder dit alles klinkt gestaag een discobeat. Als een synthese tussen progrock en new wave, bombastisch-gotisch met heerlijke melodieën.
Afsluiter Breathe is een midtempo ode aan een dame, met zowel akoestische als stevige delen. De laatste klanken van het liedje zijn als van een zender op een verre planeet, met een beetje fantasie verwijzend naar de titel van dit album.

De productie van Louie Nicastro is zowel helder als stevig, alle toetsen werden door Greenfield gespeeld en voor het eerst drumt Jim MacAlauley op een studio-album van de veteranen. Hij oogt overigens steeds meer als de jonge versie van zijn voorganger…

Ik kocht Dark Matters direct bij de band, samen met bonus-cd Dave Greenfield: A Tribute. Hierop acht live-opnamen uit de periode 2015-2019, met zowel oude als recente songs (o.a. Dead Ringer uit ’77 en Water van Dark Matters). De opnamen knallen, opnieuw dankzij producer Nicastro. Opvallend is ook hoezeer zanger/gitarist Baz Warne een meer dan waardig vertolker van het oude werk is. Ook deze bonusschijf is een fraai afscheid van de toetsenist, wiens weduwe op 12 november op de sites van de band een oproep deed aan de fans om zijn opvolger gastvrij te verwelkomen.

The Stranglers - Dreamtime (1986)

poster
2,0
Er zijn popliefhebbers die beweren dat The Stranglers zonder Hugh Cornwell nooit meer het niveau van voorheen hebben bereikt. Fout. Dit album met hem bevat nauwelijks memorabele liedjes en na Cornwells vertrek is met vallen en opstaan de grote vorm hervonden.

Ook in die dagen vond ik het helemaal goed dat ze niet hun eerste drie albums eindeloos herhaalden en vernieuwing zochten. De voorgaande albums waren in die zin onvoorspelbaar en avontuurlijk. Even legitiem is de noodzaak om hitsingles te scoren, hetgeen in deze fase ook in Nederland alweer lukte, deze keer met Always the Sun (november 1986 drie weken #42 in de Nationale Hitparade). De andere hit was Nice in Nice, maar niet in Nederland waar het zelfs de diverse tipparades miste. Op de hoes van de single zie je de vier bij een arrestatie door de Franse politie, terwijl de videoclip werd gebruikt om gevangenispakken te dragen. Dit nieuwsbericht verschaft meer informatie over over die gebeurtenis, toen alweer zes jaar geleden.
Harry van Nieuwenhoven omschreef Dreamtime in Oor als "vrijblijvend gefröbel" (hier het fragment uit zijn recensie, even scrollen) en dat ben ik zovele jaren later met hem eens. In Oor's Popencyclopedie editie 1990 werd met verbazing genoteerd: "Van gedreven punk naar ontspannen hangmat-rock. De geschiedenis van The Stranglers in een notedop. Het kan verkeren." Opnieuw knik ik instemmend.
Op Wikipedia lees ik over de moeizame totstandkoming, met als valse start producer Laurie Latham die de nieuwe composities afwees en vervolgens werd ontslagen. Mike Kemp nam het stokje over.

Ik heb oprecht mijn best gedaan om verborgen pareltjes te vinden en mijn vinyl diverse malen gedraaid. Er zit noeste arbeid in dit plaatje, zoveel is duidelijk met bijvoorbeeld Belgische blazers die de groep in de Brusselse ICP-studio bijstonden. En sympathiek is het benoemen van de rechten van Aboriginals (de hoes is feitelijk één groot pleidooi, vergelijkbaar met wat Midnight Oil een jaar later deed met single Beds are Burning). Maar qua muziek is werkelijk alle tegendraadsheid, oneven maatsoort, schurend keyboardlijntje of andersoortige peper verdwenen.
Het kabbelt meestal inspiratieloos, wellicht ook omdat Jet Black volledig was overgeschakeld op voorgeprogrammeerde drums. Heilig vuur ontbreekt nagenoeg en de muziek raakt me nergens, uitgezonderd de ene Nederlandse hitsingle, plus Big in America en het afsluitende Mayan Skies met jazzachtige trompet. Mijn grootste verrassing was dat het intro van Always the Sun in de albumversie nét wat langer is. Dat is te weinig. Alhoewel, hoor ik in afsluiter Too Precious een knipoog naar het thema van James Bond?

Op streaming (de bonus-editie uit 2001) staan enkele extra's zoals non-albumsingles. Kunnen die het leed enigszins verzachten? Jazeker! Het uptempo Since You Went Away is meer gezouten en Was it You werkt als single beter dan de albumversie met een pittiger productie en échte drums.
Waar The Cure er in diezelfde periode echter wonderwel in slaagde om "zwarte new wave" in te ruilen voor bontgekleurde, zonnige popmuziek, raakten The Stranglers het spoor kwijt. Desondanks zal ik de cd-editie met bonussen aanschaffen, mocht ik die fysiek tegenkomen. Dit blijft één van "mijn bandjes"...

The Stranglers - Feel It Live (2013)

poster
4,5
Opgenomen in 2012 tijdens de tour bij Giants, zo vermeldt de hoes. En ja, de groepsfoto aan de binnenzijde van het 4-paginaboekje is dan ook een verwijzing naar de hoes van dat album: de heren staan afgebeeld met rare groene ogen en kleine pupillen, waar helaas online geen afbeelding van is te vinden.

Moddervet geproduceerd door Louie Nicastro horen we de band zowel bevlogen als geroutineerd een geoliede set spelen. Wat achterwege worden gelaten zijn de jaren '80-hits, van het soort dat je op NPO Radio 2 kunt horen.
En dus is het stevig, de punkgenen continu in de oren. De grommende bas van J.J. Burnel, de heerlijke toetsen van Dave Greenfield (overleden in 2020 tijdens de coronapandemie), Jet Black was nog gewoon de drummer (hij ging in 2015 met deel- en in 2018 met volledig pensioen en overleed in 2022) en frontman Baz Warne, wiens stem tevens uiterst geschikt is voor het materiaal uit de tijd vóórdat hij in 2006 de microfoon overnam.

Ik houd van platenzaken, zowel vinyl als cd struin ik dan af. Maar soms is online aankopen ook wel fijn: had ik dat niet gedaan, dan had ik deze heerlijke liveregistratie zeker gemist! Vijf favorieten mocht ik aanklikken, maar denk dat ik zelfs met vijftien nog keuzestress had beleefd...

The Stranglers - Feline (1983)

poster
3,5
Eén van de Stranglersplaten die ik nu pas in bezit heb: op vinyl, eerder dit jaar uit een bak met tweedehands platen gevist. Heb dom genoeg niet opgelet of de binnenhoes erbij zat. Nee dus. Die moet ik toch nog eens op de kop tikken, want op Discogs zie ik dat deze wel degelijk iets toevoegt aan de sobere buitenhoes.

Toch gaat het uiteindelijk om de muziek. Het waren de jaren dat mijn geliefde new wave gladder werd, iets wat eigenlijk wel voor de gehele alternatieve muziekscene gold; punk en metal uitgezonderd, daar werd verkend hoe er nog sneller kon worden gespeeld.
The Stranglers maakten met Feline de omgekeerde beweging, door het steeds rustiger te laten worden. Hitsingles leverde het in Nederland niet op en wat ik erover had gelezen en gehoord maakte mij in de tweede helft van mijn tienerjaren duidelijk dat de band zijn wilde haren kwijt was. Personificatie hiervan was toetsenist Dave Greenfield, die zijn snor had verwijderd. Even wennen. Dat de heren nu consequent in stemmig zwart rondliepen, maakte dat er iets van de alternatieve newwavesfeer behouden bleef.

Over het algemeen kabbelt de muziek rustigjes voort, als een kalm beekje in de zomer. Nergens is het onaangenaam, maar overeind schieten van blijde verbazing is evenmin het geval. Al kun je je erover verbazen dat de dromerige opener Midsummer Night Dream bijna geheel gesproken is. Pas op de afsluiter van de A-zijde, The European Female, duikt iets op wat voor enige opwinding zorgt. Dit dankzij de fraai ingetogen ijle zang van bassist Jean-Jacques Burnel, zijn bijna grommend basgitaartje en de akoestische gitaar.
Verder valt op de eerste helft op dat de drumsound is gaan lijken op de elektronische geluiden en effecten die ik drie jaar eerder bij Joy Division en The Cure hoorde: Jet Black had zijn oude drumkit kennelijk uitgebreid. Dat de elektrische gitaar nauwelijks een rol van betekenis speelt, is met de lagere tempo's de voornaamste reden voor de rust die van de muziek afstraalt. Des te meer ruimte is er voor de toetsen, maar Greenfield speelt anders dan voorheen vooral keurig binnen de lijntjes. De productie, wederom door de band met Steve Churchyard, is gladder dan op voorganger La Folie het geval was.

Na een wat saaie A-kant vreesde ik voor de vaak tegenvallende B-zijde, die veelal meer fillers bevatten. Dat is hier juist níet het geval. Let’s Tango in Paris bevat een aangenaam zes-achtstemaatje. Dan volgen twee nummers waarop de band lijkt beïnvloed door de synthbands uit die periode: op Paradise klinkt bovendien een effectieve akoestische gitaar, een dameskoortje brengt een associatie met The Human League. All Roads Lead to Rome bevat een (in die dagen) hippe en aangename uptempo synthesizerloop.

Blue Sister is fraai met een ietwat eigenzinniger, nerveus synthritme, weliswaar braafjes maar desondanks fris: ingetogen en toch avontuurlijk. In slotnummer Never Say Goodbye klinkt het ritmische toetsenwerk dat zo passend is voor de stijl van Greenfield, wederom speelt zanger Hugh Cornwell aangenaam akoestische gitaar.

Als bonussen vind ik op streaming experimenteler werk waar ik weinig mee kan. Het is ook nooit goed, hoor ik de kritische lezertjes brommen. Is het niet te braaf, dan is het weer te experimenteel. Tja, ik vind deze band op z'n best als ze die twee uitersten weten te combineren in sterke composities.

Wat betreft de elpee met zijn negen nummers: die is aangenaam met een sterkere B- dan A-zijde. Hun debuut voor Epic was uiterst radiovriendelijk, al had Nederland dat niet door; het haalde hier in februari 1983 een schamele #39. In Engeland leverde het wél hits op met European Female als hoogstgenoteerde, namelijk #9. The Stranglers waren echter van trendsetter een -volger geworden.

The Stranglers - Giants (2012)

poster
3,5
Een dikke tien jaar na het bovenstaande bericht kwam gisteravond het bericht dat Jet Black, sinds 2015 gepensioneerd drummer van The Stranglers, is overleden op 84-jarige leeftijd. Dat betekende dat hij al 77 was toen hij in 2015 de drumstokjes definitief overgaf, al was hij sinds 2011 regelmatig uitgevallen met gezondheidsproblemen.
Giants was de laatste studioplaat met hem. Ik kocht de cd in 2014 bij het concert in Hedon, Zwolle waar Jim McAulay inmiddels de (inval)drummer was. In de jaren ervoor was de grommende bas van Jean-Jacques Burnel geleidelijk prominenter geworden, zeker als Baz Warne vanaf Suite XVI (2006) met hem de frontman van de band is en de groep terugkeert naar de stijl van de eerste albums. Als Giants in maart 2012 verschijnt, is deze bezetting alweer zes jaar constant.

Het bleek een groeiplaatje vol gevarieerde en energieke wave, dat geleidelijk zijn geheime parels onthult. Waar je een knallende opener verwacht, is het semi-instrumentale Another Camden Afternoon opvallend ingetogen-ontspannen, als een atleet die zich via een lange warming-up klaarmaakt. Want het daarop volgende Freedom is Insane heeft een vrij lang en rustig intro; maar dan is daar het basje en gaan we lós in een sterk uptempo lied. In het midtempo titelnummer wordt geklaagd over de middelmaat van nu en wederom dwarrelen de heerlijke toetsenlijnen van Dave Greenfield om mij heen.
Op Lowlands klinkt een andere specialiteit van de band, te weten de oneven maatsoort. In het vlotte lied is die 13/4, door Black sober en strak ingespeeld. Het verhaal ervan speelt zich af rond het Vlaamse Halle. Boom Boom sluit op vinyl de A-kant af. Het is melodieus en meezingbaar, maar in tegenstelling tot wat anderen hierboven noteerden, pakt dit me juist niet.

My Fickle Resolve is ingetogen; Black drumt een jazzachtige groove, wat verrassend goed werkt. Time was Once on my Side verscheen ook als promosingle en is zowel stevig als toegankelijk. Mercury Rising heeft een fascinerende baslijn, in de beste bandtraditie in pakkend contrast met ijle toetsen.
Dan een dubbel afscheid. Allereerst Adios (Tango) dat Spaanstalig is, al staat op het tekstboekje de Engelse tekst vermeld. 15 Steps tenslotte begint met het swingende gitaarspel van Baz Warne en je hoort dat hier de bas zal gaan grommen. Langzaam wordt de intensiteit opgebouwd. “Eddie Cochran got it wrong,” zingt Warne over het pad naar het hiernamaals, verwijzend naar diens klassieker Three Steps to Heaven (1960).

Op streaming staat de special edition met als extra's fraaie akoestische versies van ouder werk. Bij het Zwolse concert kocht ik de enkele cd, de gekuiste versie waarop “slechts” vier lege galgen waren te zien. Kom er nu pas achter dat die bestaat omdat er enige controverse was, vandaar dat deze afwijkt van de door bandleden bemenste versie die MuMe toont.

Giants ontbeert een grote uitschieter, desondanks is ie als geheel sterk, zonder enige misser. Deze ochtend, op weg naar het werk, was mijn favoriet Lowlands met de zin “Driving through the lowlands with the rain upon my face”. Het weer was grijs, de tekst toepasselijk.
Vanavond draai ik nog een keer 15 Steps en verbaas me over die Jet Black: hoe gevarieerd en tegelijkertijd sober kon hij spelen! Altijd in dienst van het liedje en nooit van zichzelf. Op hun website plaatste de band enkele mooie anekdotes en foto's rond de voormalige drummer, die ook na zijn pensionering zichtbaar betrokken bleef.

The Stranglers - Greatest Hits 1977-1990 (1990)

poster
3,5
Twee weken geleden deze Stranglers op tweedehands elpee in het Poolse Szczecin gekocht, waar hij me 50 zloty kostte, achteraf gezien veel te veel (prijs delen door 4). De hoes bevat namelijk de nodige waterschade.

Maar ik was in vakantiestemming en de beheerder van de zaak bleek een zeer enthousiaste man, die mij eerst gratis een stapel Nederlandstalige elpees in de handen stopte - "They're taking too much space, I want to give them away! Choose what you want!" met daarbij tweemaal Conny Vandenbos. Onmiddellijk ontspon zich een ontzettend leuk gesprek over muziek in het algemeen en de Poolse groep Maanam in het bijzonder.

Vervolgens onder meer dit Greatest Hits 1977 - 1990 uit de bak geplukt en ondanks de hoge prijs heb ik daar geen spijt van. Niet alleen om de gouden vakantieherinnering, ook omdat de verzamelaar een goed beeld geeft van de ontwikkeling van The Stranglers gedurende de jaren met zanger Hugh Cornwell. Dat overzicht gaat weliswaar met zevenmijlslaarzen, juist daarom valt echter op hoe deze onconventionele punks zich ontwikkelden tot makers van kwaliteitsvolle maar gladde pop.
De persing die ik heb is van het Poolse MJM-label en bevat geen bedrukte binnenhoes. Dat is jammer, maar het totaalplaatje tovert een glimlach op mijn gezicht. Een leuke anekdote voor lange winteravonden met bijpassende muziek.

The Stranglers - In the Night (1992)

poster
3,0
De titel een knipoog naar Frank Sinatra: Stranglers in the Night in plaats van 'Strangers'. De wurgers laten na jaren iets van hun tanden zien.
Ze braken in 1977 door met eigenwijze punk, schakelden vanaf '79 (The Raven) over op net zulke eigenwijze new wave die vanaf '81 met La Folie geleidelijk plaatsmaakte voor eigengereide pop. Dat eigene verdween echter: met Dreamtime uit 1986 werd het te zoetgevooisd en opvolger 10 leed aan hetzelfde manco.

Dan verlaat frontman Hugh Cornwell de groep en wordt vervangen door zowel zanger Paul Roberts als gitarist John Ellis. Als de vernieuwde Stranglers in september '92 terugkeren, is grunge de mode, terwijl in hun Engeland house steeds populairder wordt; stijlen die weinig raakvlakken hebben met de groep.
Die kiest voor een popkoers waarin de lenige stem van Roberts goed gedijt en Ellis blijkt een uitstekend en veelzijdig gitarist. Alleen: klinkt dit nog als de Stranglers?

Te weinig. Opener Time to Die bevat na een lang intro slechts gesproken of gefluisterde vocalen, prima liedje, waarna via Sugar Bullets pittige pop klinkt met overbodige conga's. Roberts is een zanger met een behoorlijk bereik, maar zijn vibrato? Hij zingt te mooi voor de groep - alsubegrijptwatikbedoel.
Als composities dan ook te vlak worden, zoals Heaven or Hell, dan... Met Laughing at the Rain denk ik bijna naar Duran Duran te luisteren, net als This Town: alsof die groep een nieuwe zanger heeft. Op zich prima, maar hier niet passend.
Brainbox is pittiger met slidegitaar (!) van Ellis en dankzij de toetsenpartijen van Dave Greenfield in Southern Mountains herken ik voor het eerst iets van hun oorspronkelijke kracht.

Gain Entry to Your Soul bevat verantwoorde pop in de stijl van hun hit Nice in Nice, waarna dankzij Ellis' spel een Amerikaans klinkend Grand Canyon volgt.
Véél liever Wet Afternoon waarin Greenfield voor de tweede maal een hoofdrol opeist dankzij eenvoudige maar doeltreffende synthgeluiden en een pakkende groove. Akoestische slide- en elektrische wahwahgitaar in het swingende Never See, waar Roberts opnieuw te keurig zingt. Melancholie domineert Leave It to the Dogs dat groeit bij vaker draaien.

Gemengde gevoelens van mijn kant, maar in tegenstelling tot de vorige twee albums deze keer wél een voldoende, mede omdat de productie van Mike Kemp aardser is dan die van de vermaledijde twee voorgangers.

The Stranglers - La Folie (1981)

poster
3,5
Wel eens meegemaakt dat het bedrijf waarvoor je werkte, werd overgenomen door een grotere vis? Het overkwam The Stranglers in januari 1979, toen United Artists/Liberty in handen kwam van EMI. Korte tijd later brachten zowel Jean-Jacques Burnel als Hugh Cornwell vrij abstracte soloplaten uit, te weten Euroman Cometh en Nosferatu, die niet goed verkochten.
Hetzelfde gold voor de experimentele groepsplaat The Gospel According to Meninblack. Ik kan me voorstellen dat de vier eigenwijze creatievelingen werden ontboden op het kantoor van de Grote Platenbaas, die hen vriendelijk doch beslist duidelijk maakte dat er geld moest worden verdiend. “We need a hit single!” zal de man in zijn driedelige grijze pak hebben benadrukt.

Tegenwoordig weten we dat dit zowaar op ongekende wijze lukte met Golden Brown, een semi-progrocklied, waarvan de muziek door toetsenist Dave Greenfield werd gemaakt omdat Burnel en Cornwell vonden dat hij ook eens een liedje moest leveren. Met zijn deels 3/4-, deels 7/8-maatsoort en klavecimbel was het de tweede single van het album, kort voor Kerstmis 1981 verschenen (waar met de groep was afgesproken dat ie in januari zou uitkomen) en aanvankelijk zonder promotie tot een grote hit uitgegroeid: EMI en de productiestaf wisten zeker dat dit niks zou worden...
La Folie werd geproduceerd door Steve Churchyard en gemixt door grote naam Tony Visconti, die van EMI moesten zorgen voor een radiovriendelijk geluid.

De liedjes op de A-kant gaan van kort naar langer. Het zijn er zes, dus geen van allen duurt lang: opener Non Stop slechts 2’29” en afsluiter The Man They Love to Hate klokt af op 4’21”. Het licht-grommende basje met zijn soms tegendraadse lijnen is overal aanwezig, maar in ieder lied zit wel een pakkende melodie, alsof de heren braaf naar hun platenbaas hebben geluisterd.
Mijn andere favorieten van de eerste helft: Everybody Loves You When You’re Dead en het briljante Tramp. Degenen die de band langer volg(d)en verschillen ook hier van mening: hierboven schreef LucM dat hij dat liedje juist helemaal niks vindt.
Eerste single was Let Me Introduce You to the Family, #47 in Engeland; hier kan ik op mijn beurt weinig mee, net als met Ain’t Nothing to It, dat klinkt als een kliekje van het vorige album.

De B-kant is minder sterk, zoals wel vaker op elpees. It Takes Two to Tango met zijn (Beach Boys) koortjes bijvoorbeeld. How To Find True Love lijkt ook weer een restje van de vorige plaat te zijn.
Golden Brown zit “verstopt” als derde song op de B-kant, tijdloos mooi en ironisch genoeg waarschijnlijk het bekendste lied van de band geworden. Afsluiter La Folie is aangenaam loom met zijn gesproken Franse tekst, de titelsong werd als single #47 in het Verenigd Koninkrijk. Altijd fijn als Burnels Franse achtergrond bovensijpelt en een muzikale vooruitwijzing naar volgende albums van de band.

Als extra’s staan op mijn cd (editie 2001) en streaming twee juweeltjes: zigeunerjazz in Cruel Garden en het magnifieke kleinood Strange Little Girl: vanaf het moment dat ik in ’82 de clip op Sky Channel zag, was ik verkocht. De laatste is oorspronkelijk afkomstig van hun afscheidsplaat van EMI, The Collection 1977-1982. Onbegrijpelijk dat dit niet dezelfde hitstatus kreeg als Golden Brown.
De overige bonusliedjes doen me weinig, alhoewel menigeen Vietnamerica kan waarderen. Ronduit irritant en overbodig is de audiocollage Cocktail Nubiles, een mislukte knipoog naar Bring on the Nubiles van No More Heroes (1977), een lied dat ook al geen hoogvlieger was.

La Folie is niet de beste Stranglers; het debuut Rattus Norvegicus en derde album Black and White bijvoorbeeld smaakten mij beter. Toch is het vaak genieten. Ik moet regelmatig denken aan The Raven uit 1979, waarop de ruwe kant van de band voor het eerst sluw werd gemixt met de popachtige, melodische zijde. Aan La Folie geef ik een half puntje minder, 3,5.
Tenslotte: neem eens de moeite om het gehele album te letten op de geïnspireerde, vaak tegendraadse baslijntjes van Burnel. Verstopte diamantjes!

The Stranglers - Laid Black (2002)

poster
4,0
Ooit kwam ik dit LaidBlack (de hoes laat de spatie weg) min of meer toevallig tegen bij een online-aankoop van een andere cd. Als je voor hetzelfde portobedrag twee cd's in een envelop kunt laten doen, heb ik de bijvangst er graag bij.

Verschenen in 2002 tussen de reguliere albums Coup de Grace (1998) en Norfolk Coast (2004) in. Uit de jaren '90 weet ik dat menig rockgroep van vóór grunge de rage van unplugged nodig had om überhaupt te kunnen overleven. Of dat bij The Stranglers het geval was, weet ik niet, maar op 21 juli 2008 legde bastens uit wat de directe aanleiding voor LaidBlack was.
Het album is hoorbaar live in de studio opgenomen, dus iedereen tegelijk in één of meer takes. Het geluid is namelijk in vergelijking met andere albums vrij kaal en dat komt niet doordat de elektrische gitaar is vervangen door een akoestische. Geen gejuich, geklap en gepraat: er was geen publiek aanwezig om te zien hoe nieuwe gitarist Baz Warne voor het eerst in de studio als wurger deelnam.

Normaliter raak ik na uiterlijk drie nummers verveeld van rockgroepen die unplugged gaan. Hier zit ik er anders in en dat is omdat de toetsen van Dave Greenfield hartstikke elektrisch zijn: synthesizers en Hammondgeluiden, de geluiden die zo essentieel zijn voor het geluid van The Stranglers.
Paul Roberts zingt ingetogen zowel het werk van vóór zijn tijd (tienmaal) als dat van de vier albums met hem (viermaal). Hij doet dat aangenaam. Jean-Jacques Burnels bas gromt niet maar pomt vriendelijk, passend bij de akoestische gitaar.

Zo krijgen we een zelfgekozen dwarsdoorsnede van het werk van de groep, waarbij het boekje aangeeft van welk(e) album/single en uit welk jaar het origineel stamt. Daar zit ook onbekender werk bij. Meest obscure bewerking is die van Mony Mony, oorspronkelijk A-kant van een single uit 1977 van zangeres Celia Gollin, die met The Stranglers als Celia and The Mutations naar buiten trad; het origineel stamt uit 1968 van Tommy James and the Shondells.
Op Old Codger, oorspronkelijk uit '78, klinkt een mondharmonica en keren we terug naar de pre-punkdagen van The Stranglers, toen die hun eerste schreden in het pubrockcircuit zetten.

Had de cd lang niet gedraaid, maar ben net als kort na aanschaf aangenaam verrast. Zo springt Let Me Down Easy eruit, oorspronkelijk op Aural Sculpture, net als European Female van Feline; Always the Sun van Dreamtime was sowieso al geknipt voor een akoestische uitvoering. Van het latere werk doen vooral Still Life en In the End het goed en let eens op de toetsensolo in Face !

The Stranglers - No More Heroes (1977)

Alternatieve titel: Stranglers IV No More Heroes

poster
3,0
Ruim een jaar luisterde ik op mijn eigen radiocassetterecorder naar Hilversum 3 toen No More Heroes van The Stranglers voorbijkwam. Was voorganger Something Better Change al zo lekker, dit vond deze piepjonge tiener nóg beter. Vier maanden na release haalde het in januari 1978 de Top 40 en Nationale Hitparade. De beelden in TopPop vond ik hilarisch, al kende ik dat woord nog niet. De grommende bas en snelle toetsenladders, de melodie en tekst voor zover ik die kon begrijpen: ik kreeg er vlinders van! Hetzelfde gold voor de albumhoes, zeker nadat ik hem bij een oudere neef zag staan. Een juweel. Kortom, díe plaat wilde ik horen.
Toen ik in 1980 lid werd van de fonotheek en de poort naar elpees voor mij openzwaaide, stond ie daar niet. En dus moest ik ’t met de voorganger doen. Dat was allesbehalve een straf, hoe goed is die immers! Van de opvolger bleef ik dromen, die kon alleen maar beter zijn.

Het zou nog bijna twintig jaar duren voordat ik ‘m eindelijk hoorde. Inmiddels op een geleende cd, vinyl was iets geworden voor mensen die ho-pe-loos achterliepen.
Maar helaas. Waar ik het debuut zo ontzettend goed vond, viel de opvolger tot mijn verbazing tegen. Buiten de twee singles deed de muziek me niet zoveel, al waren Burning Up Time en de enige bonustrack op die cd 5 Minutes dik okay.

Opnieuw twintig jaar verder schafte ik ‘m dan eindelijk aan, op vinyl. Hoe wispelturig blijk ik: tegenwoordig valt ie weer mee! Nu pas valt op hoe fraai de bas in I Feel Like a Wog samenvalt met de lage synthesizertonen, wat een moddervette groove veroorzaakt. En Peasant in the big shitty (leuke woordspeling) is heerlijk met zijn 9/4 maat. Ook opvallend: de plaat klinkt nog bozer dan het debuut.
Dat neemt niet weg dat ik inmiddels begrijp wat ik eind jaren ‘90 naast goede composities miste: de flitsende toetsenlijnen van Dave Greenfield. Op kant A duiken die pas in de slotsong op, op kant B eigenlijk alleen in de titelsong. Op de andere nummers overheerst een simpeler soort woede, hier en daar vergezeld door teksten die sinds hesjtekmietoe terecht in de ban zijn.

Andere MuMe-schrijvers beschreven de oorzaken voor het tegenvallende plaatje. Wie iets weet van de platenindustrie van die dagen herkent het beeld. In zijn autobiografie Rainbow in the Dark (2021) vertelt ervaringsdeskundige Ronnie James Dio meer over dit soort platenwereldwetten en -dynamieken. Uiteraard stond het maken van winst centraal, waarbij nieuwgetekende bands een beperkte tijd hadden van twee á drie jaar om door te breken. Meneer Dio beschrijft verder op welke niveaus je daarna werd ingeschaald, wat interessante leeskost oplevert.

Het eindoordeel. Bij de concerten die ik van de band zag in ’14 en ‘19 zaten behalve de twee singles van dit album ook 5 Minutes plus Peasant… in de set. Terecht, die tracks zijn onverwoestbaar. Dit mag dan niet hun beste plaat ooit zijn, de gitaarsolo in Something… bijvoorbeeld, heerlijk! Al met noch een hoog-, noch een laagvlieger met vier heerlijke songs.

The Stranglers - Norfolk Coast (2004)

poster
4,0
Nooit eerder een basgitaar zó gemeen horen grommen als op opener Norfolk Coast. Zelfs niet bij The Stranglers.

Na zes jaar albumstilte volgde de drievoudige terugkeer van The Stranglers: eerst dus het basgeluid, voor het laatst intens grommend op Black and White uit 1978. In de typografie van Norfolk Coast keert het thema van Vikingen terug, voor het laatst te zien ten tijde van The Raven uit 1979, waarop nummers als Longships staan en de groep op een vikingschip poseerde. En terug is de groep bij label EMI, voor het eerst sinds La Folie uit 1981.
In het VK zelfs een viervoudige terugkeer: in februari '04 haalt men voor het eerst sinds 1992 de Britse top 50 en wel met Big Thing Coming ( slechts #31 maar toch).

Gitarist John Ellis is verdwenen, hij vroeg wel erg veel gage voor een concert in Kosovo, blijkens dit interview op de website van The Stranglers. Zijn vervanger is Baz Warne, van wie op dit album nog niet kon worden vermoed hoe belangrijk hij voor de groep zou worden.
Hier is Warne "slechts" gitarist, waarbij de stem van Paul Roberts geschikt blijkt voor het stevige materiaal dat oerlid en bassist Jean-Jacques Burnel schreef. Die kreeg andermaal de gelegenheid om het meeste werk te schrijven, waarin net als op voorganger Coup de Grace diens echtscheiding echoot. Toen echter vooral als verdriet, nu in woede en energie. Zoals in het titelnummer dat de plaat opent.
Big Thing Coming is stevig maar vriendelijker en Long Black Veil opnieuw een stapje kalmer. Met I've Been Wild is het bijtende terug; Roberts zingt laag en de breaks klinken massief als in de jaren '70.

Dat in Dutch Moon de sfeer van swingjazz zijn entree doet is ronduit verrassend en werkt goed. Lost Control en Into the Fire zijn weer steviger en in beide gevallen lekker, Tucker's Grave weliswaar ingetogen maar toetsenist Dave Greenfield laat zijn watermerk horen.
Dan weer gas erop via het sterke I Don't Agree, bij Sanfte Kuss assisteert Jon Sevink van The Levellers op viool; gypsy jazz en Franstalig (merci á J-J Burnel!), opnieuw een noviteit én aangenaam! Tenslotte stevige pop met Mine All Mine. Dit alles verpakt met met een informatief en leuk vormgegeven cd-boekje, een album dat niet op mijn streamingplatform staat.

Hierna verliet Paul Roberts in goede verstandhouding de groep. Zijn soms te gepolijste zangstijl stoort me hier nergens, anders dan op de vier voorgangers met hem. In zekere zin was hij "te goed" voor The Stranglers. Kijk maar eens op Wikipedia wat hij sindsdien deed: een man die vele stijlen aankan. Alleen: mooi zingen past niet bij deze voormalige punks.
Baz Warne werd leadzanger, The Stranglers weer een kwartet en meer moois volgde.

Bij hun concert op Sinterklaasavond 2019 in de Melkweg had ik op weg ernaartoe continu Norfolk Coast in het hoofd. Na de traditionele intromuziek van Waltzinblack volgden de ijle synths van dit titellied, gevolgd door die grombas. Zoals één van mijn vrienden opmerkte: normaal gesproken maakt de gitaar het heavy, hier is dat bas! En zo is het maar net.

The Stranglers - Rattus Norvegicus (1977)

Alternatieve titel: Stranglers IV

poster
4,5
Met het overlijden van drummer Jet Black vorige week draai ik na zijn laatste album met de band, Giants, nu hun debuut. Na mijn lange post van een jaar geleden hou ik het kort.

Punkwetten worden hier gebroken, dat hun wortels in de pubrockscene lagen schemert soms door en de composities zijn gevarieerd. Een heerlijk eigenwijze plaat, waar de toen al bijna 39-jarige drummer zich beperkte tot sober spel: op extravagante rolls, fills of breaks zul je hem niet betrappen.
Op deze wijze komen echter de liedjes met al hun onderlinge variatie tot grote hoogten. Dat zijn techniek dik in orde was, valt goed te horen op diverse plaatsen, zoals het laatste deel van de slotsong. Eén van de beste debuten ooit met bovendien drie fijne bonussen op streaming.

De ex-jazzdrummer en voormalige eigenaar van een ijscokarvloot, de betrouwbare metronoom van De Wurgers is niet meer. Jet Black, bedankt voor alle mooie liedjes waarin ik je talloze malen mocht horen.

The Stranglers - Suite XVI (2006)

poster
4,0
Hij stond op m'n lijstje voor als ik in platenzaken ben en eind vorige maand was het in Delft bij Plexus dan eindelijk raak: Suite XVI. Aanbevolen die winkel, want er stond meer interessants.

Met voorganger Norfolk Coast van twee jaar eerder werd teruggekeerd naar de grommende bas en de vliegende toetsenpartijen van de eerste drie albums en dat wordt op Suite XVI (leuke woordspeling) voortgezet. Daarmee waren ook de bezoekersaantallen voor de concerten weer gaan stijgen: The Stranglers werden relevant, juist door een terugkeer naar het oude geluid.
Baz Warne is inmiddels naast gitarist ook zanger van de groep, vanaf dit album weer een kwartet. Met origineel groepslid bassist/tweede zanger/co-componist Jean-Jacques Burnel als kwaliteitsbewaker staat er een robuuste vorm van de groep. Het boze Summa Outanowt is daar het toppunt van: nooit hoorde ik Burnel zo boos zingen als op het debuut - tot hier! Vervolgens klinkt echter het ingehouden See Me Coming met akoestische gitaar en een bossa-novaritme.

De stem van Warne kan prima het werk uit de hoogtijdagen aan, toen Hugh Cornwell frontman was. Die bezat niet de kenmerkende stem van tijdgenoten als een Elvis Costello of John Lydon; toen al viel ik vooral voor bas en toetsen, in combinatie met de sterke composities. Gelukkig zijn The Stranglers daarmee weer de groep met het eigenwijze, herkenbare geluid, inclusief de soms afgebeten zang, waarbij de te ronde zang van voorganger Paul Roberts (vibrato...) tot het verleden behoort.
Voeg daaraan de gevarieerde composities toe en je weet dat Warne ook in dat opzicht een aanwinst is. En hoor eens hoe Greenfield zijn klavecimbel laat zingen in bijvoorbeeld Bless You!

Aan de foto in het tekstboek bij het felle A Soldier's Diary is te zien dat het nummer is geïnspireerd door de Eerste Wereldoorlog. Opnieuw in de stijl van de jaren '70, vilein en robuust. Barbara is dan weer melodieuzer, I Hate You verwoordt wat de titel zegt, dankzij z'n ontspannen country-tsjakkeboem een ironisch buitenbeentje. Met Relentless wordt uptempo en sfeervol afgesloten.

Veertien jaar na het vorige bericht zijn zowel drummer Jet Black als toetsenist Dave Greenfield overleden. Toch klinkt de groep, ook live, nog altijd als The Stranglers. Een dikke 8 van mij voor Suite XVI, op naar opvolger Giants.

The Stranglers - The Collection 1977-1982 (1982)

poster
4,5
Op reis door new wave in het jaar 1980 stuit ik op Bear Cage van The Stranglers. Een non-albumsingle die op 16 maart 1980 op #55 binnenkwam in de Britse hitlijst, terwijl diezelfde dag de hoogste nieuwe binnenkomer op #1 landde: Goin' Underground van The Jam, mijn vorige halte op deze queste. The Stranglers piekten een week later op #36.

Vroeger haalde ik mijn neus op voor verzamelaars als deze: "liever de originele albums". Maar dan mis je mooi de non-albumsingles, Ronaldje! Zoals de ruim zes minuten van Walk on by, dat niet lang ná album Black and White verscheen, in september 1978 piekend op #21. Of het aardige Who Wants the World dat in juni 1980 tot #39 kwam. Plus natuurlijk parel Strange Little Girl, in augustus 1982 in het VK #7 . In Nederland minimaal de top 10 verdienend maar zelfs de tipparades niet halend - het werd hier overigens wél gedraaid op de radio en zelfs op tv was het vreemde kleine meisje te zien - bij Sky Channel. Sindsdien een überfavo van me.
Dit album verscheen in twee hoezen, de ene zoals MuMe die toont en de andere werd door dazzler al in 2008 genoemd. Die versie werd op het Europese continent uitgebracht, uitgezonderd Frankrijk dat de gangbare, Britse hoes gebruikte. Zie bij Discogs hoe het zit, scroll daar naar beneden voor de diverse uitgaven.

Hoe een toch al eigenwijze en (ook muzikaal) tegendraadse punkband het rauwe imago geleidelijk van zich afschudde en naar sferische droompop - wij noemden ook dit new wave - overschakelde.
Sommigen vonden het jammer dat dit bandje, net als andere collega's, met punk stopte. Gelukkig voor hen was er vers bloed: op naar de debuutsingle van Discharge, tevens verschenen op 1980-1986.
Als uitsmijter nog kort uw aandacht voor de hoes van single Walk on by: op het hoofd van Hugh Cornwell is dat van Dionne Warwick geplakt, de oorspronkelijke vertolkster. En let ook eens op het handje van Dave Greenfield...

The Stranglers - The Meninblack (1981)

Alternatieve titel: The Gospel According to the Meninblack

poster
4,0
Hoe zorg je ervoor dat je van het label van ‘dat punkbandje met orgeltje’ afkomt? Album The Raven (1979) was een eerste stap, de soloplaten die zanger / bassist Jean-Jacques Burnel en zanger / gitarist Hugh Cornwell in datzelfde ’79 maakten gingen verder. Februari 1981 verscheen (The Gospel according to) The Meninblack en toen was de verwijdering fors.
Vanaf oktober 1980 was de dorpsfonotheek mijn toegang naar albumland. Ik kende als jong menneke alleen de debuutplaat en toen The Meninblack op mijn draaitafel belandde, werd onmiddellijk duidelijk dat ik géén herhaling moest verwachten, precies zoals Swie Tio in Oor mij had voorgehouden.

Na de knotsgekke driekwartsopener Waltzinblack (in mijn hoofd zijn het ratten die daarin lachen, immers het symbool van de band) volgt het nerveuze Just Like Nothing on Earth, dat ik wel lekker vond met z’n licht-grommende basje en nerveuze drumpatronen; Jet Black mept hier stoïcijns door. Het is één van de toegankelijker nummers van de plaat, net als Second Coming waarin een fraai uittro zit met zowaar dat orgeltje (hoera!) en oorwurm Waiting for the Meninblack.
Van kant B belandden Two Sunspots en Thrown Away met zijn vrolijke (?!) keyboardlijntje op cassettebandje, en tenslotte (was een twijfelgeval) Hallow to our Men. Met de abstractere nummers had ik minder.

Van het conceptverhaal snapte ik niet veel. Ja, iets met de Bijbel, dat maakte de binnenzijde van de klaphoes wel duidelijk, maar wat deed die Blues Brother daar? De plaat verkocht slecht, las ik later in de Popencyclopedie. Geen wonder met zoveel rare muziekjes. Dat zoveel experiment én een dure klaphoes mochten van de platenmaatschappij was al bijzonder.

De muziekjes keerden met de komst van internet terug in mijn leven. Soms indirect: een aantal jaren geleden hoorde ik weer eens 't Lijk van Klein Orkest. Ik schoot in de lach: volgens mij heeft toetsenist Léon Smit dit geschreven nadat hij Waltzinblack had gehoord. Wie weet?

De plaat staat hier nu op vinyl, een tweedehandsje. De toegankelijker nummers zijn nog altijd mijn favorieten. Opvallend is de vette productie, die de heren zelf deden en die door Steve Churchyard werd gemixt. Het vinyl bevat diepe tonen, zelfs in het slot waar een ruimteschip opstijgt.
De muziek ligt in het verlengde van de soloplaten van de twee zangers. Vaak enigszins nerveus met een eigenwijze rol voor experiment en keyboards. Daarmee was de verwijdering van het punkstickertje compleet.

The Stranglers - The Raven (1979)

poster
4,0
In 1979 ging The Raven aan mijn neus voorbij, afgezien misschien van recensies in Oor en Muziek Expres. Geen hitsingles en nauwelijks op Hilversum 3 te horen, waarvan ik dat jaar nog afhankelijk was. Ik geloof dat ik Duchess wel eens voorbij heb horen komen, maar deze tiener die harder en sneller wilde, miste de punkfurie. Omdat ie ook al niet in de fonotheek van mijn dorp stond, duurde het tot 2014 voordat ik 'm hoorde. Gekocht bij een concert van The Stranglers in Zwolle.

Zoals Alicia in 2016 terecht opmerkte, was de band in '79 al een beetje passé. Ouwe punks immers, dit was hun vierde plaat alweer, tjongejonge, hóe oud kun je zijn met alle nieuwe namen die in '79 met het stickertje 'new wave' opdoken?

Andere single Baroque Bordello had ik nadien wél gehoord (YouTube?), maar verder was alles nieuw.
Vijf dingen vielen me in zowel in '14 en de afgelopen week op: het basje van Burnel gromt nog wel, zij het bescheidener; de band kreeg van de platenbaas ruimte om te experimenteren, hoe bijzonder is dat?!; maatsoorten die afwijken van het standaard 4/4-harnas; Dave Greenfield had nieuwe keyboards voor zijn verjaardag gekregen; een album dat ik (inclusief bonussen op cd) dagelijks een paar keer kan draaien zonder dat ie me verveelt, afgezien van het einde van kant B.

Ook interessant: de vikingsfeer op het album, zonder zich te verliezen in heimwee naar die tijden zoals we dat tegenwoordig zien in series en vikingmetal. Want eveneens zijn daar de verwijzingen naar de actualiteit van die dagen, zoals Iran en de sjah in Shah Shah A Go Go en dankzij Poetins uitspraken over kernwapens, eerder deze maand, is anno 2022 vooral de sfeer van Nuclear Device weer helemaal relevant, zelfs als het liedje eigenlijk over Australië gaat; de lage temperatuur van de Koude Oorlog is hier voelbaar.
De B-kant brengt enkele zijweggetjes. Don't Bring Harry is een heerlijke pianogedragen ballade, gevolgd door twee experimentelere nummers, die vooruit wijzen naar de veel experimentelere opvolger die ik in '81 wél uit de fonotheekbak kon vissen.
De vier bonussongs passen prima bij de rest, waarbij ik de Franstalige versie van Harry vanwege de taal nog mooier vind dan de Angelsaksische. Een heerlijk plaatje kortom, dat groeide naarmate ik 'm vaker draaide.

The Stranglers - Written in Red (1997)

poster
2,5
Sinds ik The Stranglers in 1977 ontdekte dankzij de hit No More Heroes, ben ik een bewonderaar van deze (punk)rock/wavegroep, waar nu eens niet de gitaar maar bas en toetsen in combinatie met een eigen schrijfstijl de sfeer bepaalden. Vanaf 1979 ging de bas geleidelijk minder grommen, vanaf '82 werd de schrijfstijl gepolijster en vanaf '86 verloren toetsen eigenzinnigheid.
Met voorganger About Time leken de nieuwe groepsleden Paul en John (ja ja, net als de fab four...) goed ingepast en keerde de vitaliteit terug, ingepast in een Stranglers-van-de-jaren-'90 geluid. Op Written in Red is de start met het uptempo Valley of the Birds dankzij toetsen en zanglijn veelbelovend, daarna echter loopt de boel snel leeg.

De drie volgende nummers op Written in Red zijn nog wel aardig, al herken ik het niet meer als muziek van The Stranglers. Het lijkt wel een hele andere groep. Vanaf track 5 ...Blue Sky wordt de soep wel erg waterig, mede dankzij de inspiratieloze digidrums, om met de slappe cover van Summer in the City van The Lovin' Spoonful compleet door het ijs te zakken. Kleurloze liedjes waarin nauwelijks iets van het Stranglers-dna klinkt. Of het moet het te keurige vibrato van Paul Roberts zijn, inmiddels op zijn derde van de groep te horen. Waar John Ellis op de voorganger nog leuke gitaarlickjes had, is zelfs dat voorbij.

Het werd hun slechtst verkopende album in eigen land ooit. Nu kun je Paul en John de schuld geven, feit is dat oudgedienden Jean-Jacques Burnel, Dave Greenfield en Jet Black zich lieten gebruiken als vertolkers van andermans liedjes. Van hen was het vooral Burnel die voorheen de nodige muziek schreef, wat hier door privéproblemen niet lukte.
Op de site van de band blikte hij in 2014 terug: "Written In Red I think, it had nothing to do with me apart from one or two songs. I’ve got no feelings about it as an album as I was disconnected from it all. I had given up on the band, it wasn’t a band anymore, just John & Paul and a guy with Protools. It was horrible, I had hardly anything to do with it.
It was around that time that John said we should change the name of the band from The Stranglers. I was kind of zombiefied then, I wasn’t interested and I just let things happen for a while as I had my own problems at the time."


Bijna 20 jaar geleden, in 2006, was c-moon best enthousiast. Ik snap dat enigszins: de eerste vier nummers zijn op zich aardig. Tegelijkertijd niet of nauwelijks klinkend als de wurgers, regeert de compositorische bloedarmoede die al vanaf het vijfde nummer doet zuchten. Daar verandert de goede livereputatie van de groep, ook in die dagen, niets aan.

The Stripes - The Stripes (1980)

poster
4,0
Op reis door new wave van 1980 staan er op mijn afspeellijsten nogal wat artiesten die ik slechts van naam kende. En zelfs dat was bij The Stripes te veel; ben de naam vast in een artikel tegengekomen en heb zonder te checken een nummer van hun titelloze album op zo'n lijst gezet.

Lang leve streaming, dé manier om onbekende muziek te ontsluiten! Nietsvermoedend speelde ik de plaat af en oordeelde dat de zangeres een prima stem heeft en dat de muzikanten hun mannetje staan. Frisse gitaarwave ondersteunt aangename popliedjes. Het doet soms aan het vroege Blondie denken. Door het Britse accent van de zangeres en een posh-Engels sprekende man in twee nummers nam ik aan dat dit Engels was.
Pas na tweemaal afspelen ontdek ik dat dit Duits is en dat de zangeres naar de naam Nena Kerner luistert. Dé Nena, zo blijkt. Nooit geweten dat zij haar eerste plaat met The Stripes maakte! En wat een lekker plaatje is dit dus!

Ze kwamen uit Hagen in het Ruhrgebied en op de hoes dragen ze conform de bandnaam strepen: zij verticaal op haar broek, de mannen horizontaal-Bretonsgestreepte shirts. Opgenomen in Duitsland met de Duitse producer Andy Kirnberger. Single- of albumsucces was er niet, wat me gezien de kwaliteit verbaast.
Het album komt wat aarzelend op gang met Strangers, dat echter dankzij melodieën, energie en koortje tot een heerlijk gitaarliedje uitgroeit, waarna Tell Me Your Name nog meer powerpop bevat. De ritmesectie van bassist Frank Röhler en drummer Rolf Brendel staat garant voor strakke ondersteuning.

En zo gaat het door met lekkere melodietjes, ingebed in pittige gitaarliedjes met de expressieve stem van Kerner als kers op de taart. In Don't You Think I'm a Lady klinkt popreggae met dankzij een gastmuzikant voor het eerst op dit album toetsen én een bekakt-Engels sprekende man. Op het strak gedrumde Leaving the Suburbs meer klavieren met een tekst over de trek naar de grote stad. Met I'm Not wordt kant 1 fel afgesloten, heerlijke powerpop met bijtend gitaartje van Rainer Kitzmann. Het nummer wordt op een aparte manier weggedraaid: leuk!

Meer gekruide gitaarwave in Tres Chichi met daarna een volgende buitencategorie: You Must Be Good for Something heeft iets van jaren '70 glamrock in het jasje van 1980. In het pittige On the Telephone nogmaals de spreekstem van technicus Nigel Jobson.
Rock 'n' roll in Weekend Love, het klassieke r&b-Bo Diddleyritme klinkt in Kicks in Berlin. 01:59 duurt inderdaad zo lang en biedt meer powerpop-rock 'n' roll in wavejasje en Radio in Stereo is een ode aan dat medium; heeft weg van Blondies I'm Gonna Love You Too.

Sinds 2004 op cd verkrijgbaar, waarbij drie nummers werden toegevoegd die destijds slechts op single verschenen. Daarvan doet Lose Control nog het meest aan de Nena uit haar hitjaren denken. Maar omdat ze geheel Engelstalig zingt, is dat vooral een constatering achteraf.
Niet alleen interessant voor fans van Nena, maar aanbevolen voor liefhebbers van powerpop én gitaarwave. Dankzij de jaren '60-invloeden zijn er overeenkomsten met Blondie, in het bijzonder hun eerste drie albums.
Succes bleef uit. Nena verliet de groep en ging naar Berlijn, waar haar een grootse carrière wachtte.

Wat kwam er in oktober 1980 bizar veel kwaliteitswave uit... Mijn vorige station was Remain in Light van Talking Heads en nu gaat het terug naar Londen. Omdat ik Beat Crazy van de Joe Jackson Band al besprak, kom ik uit bij The Damned en The Black Album.

The Sweet - Starke Zeiten (1988)

poster
4,0
Eeeeh, weledele heer CHIEP, bedoelt u te zeggen dat hier ook een stukje bij moet? Ik weet dat ik ergens op MuMe heb genoemd dat de cd in mijn kast staat en na je bericht heb ik 'm er maar eens uitgehaald. Starke Zeiten uit 1988 richt zich op de singlesuccessen, zowel die in de beginjaren met pop als de daarop volgende glamrockperiode. Niet meegenomen is hun laatste singlehit in Nederland, Love Is Like Oxygene.

Eigenlijk ongelooflijk dat een groep na de calypsopop van Co-Co, hun tweede hit uit juni 1971 compleet met steeldrums, vanaf januari '73 met Block Buster een rockcarrière wist te creëren. Al is er een soortgelijk voorbeeld met The Status Quo, dat na twee popalbums in '68 en '69 in 1970 als Status Quo terugkeerde met luide boogierock.

Wat valt mij op? De Britse hitlijst Official Charts registreerde achttien hits, de laatste twee verrassenderwijs in 1985, lang na hun laatste Nederlandse hit; zie hier. De Duitse verzamelaar Starke Zeiten richt zich echter volledig op de jaren '70, van hun eerste hit Funny Funny (mei 1971) tot de laatste die deze compilatie haalde: Lies in Your Eyes (januari 1976).
Je hoort hoe in de eerste periode af en toe een vriendelijk scheurend gitaartje opduikt, om vanaf '73 definitief voor een steviger geluid te kiezen met Block Buster. Pas in 1974 verscheen hun eerste serieuze studioalbum, Sweet Fanny Adams; daarvoor was er Funny How Sweet Co-Co Can Be (1971).

Hoe zat het eigenlijk met het Amerikaanse succes van (The) Sweet? Tot voor kort wist ik niet eens dat ze daar ook bekend waren, maar kijk eens wat Billboard vertelt: zes hits, waarvan zowel Ballroom Blitz als Fox on the Run in 1975 #5 haalden.
En aangezien dit een Duitse verzamelaar is, heb ik ook maar eens bij de Offizielle Deutsche Charts gekeken hoe vaak de groep daar in de hitlijst belandde: 21 keer, te vinden onder het kopje Top Titel. Wie de groep live wil zien, kan daarvoor nog altijd buiten hun eigen Engeland prima terecht bij onze oosterburen. Althans, zolang gitarist Andy Scott het nog volhoudt: vorig jaar vertelde hij ziek te zijn, maar niet van plan te stoppen met optreden; lees zelf zijn relaas.

Ten slotte: Poppa Joe ken ik ook als cover van Brabants trots WC Experience, dan heet het Bossche bol. Starke Zeiten is een aangenaam schijfje met een goed beeld van de hitkant van de groep. Maar vergeet dus niet dat er ook een indrukwekkende heavy kant is met een geduchte livereputatie, zoals ik laatst bij Strung Up tegenkwam.

The Tapes - Party (1980)

poster
3,5
zaaf in 2018 over Party op streaming: "ook is de tracklist aangepast, volgorde - overgangetjes en dat zal wel wennen zijn. zo vergroeid met het originele product en nu maar klagen dat er meer mee is gebeurd dan nodig."

Op reis door new wave in september 1980 kom ik vanaf XTC's Black Sea bij de tweede van het Amsterdamse The Tapes. Opvolger van You Just Can't Sleep uit 1978, maar omdat die niet op mijn streamingdienst staat, moet ik die overslaan.
Nadere bestudering leerde dat Party eerder in 1980 moet zijn verschenen dan september: de tekst op de binnenhoes bij de heruitgave uit 2018 vermeldt dat deze liveopnamen bevat uit mei en juli dat jaar. En aangezien de boel al in de zomer van '79 werd opgenomen, neem ik aan dat Party in april of mei is verschenen, ondersteund door die optredens. Ik moet het nummer naar een eerdere plek in mijn afspeellijsten gaan verplaatsen.

Op streaming staat de heruitgave, dus met extra nummers in een andere volgorde. Gemakshalve houd ik het bij 2018 met dank aan zaafs uitleg.
Party klinkt glashelder met expressieve zang van Rolf Hermsen, wiens gitaar in opener (I Fall) Head First meteen in gesprek gaat met die van Michiel Brandes. Hetzelfde in The Mating Season, waarna in het ingehoudener Blue Thighs aangenaam tegendraads op gitaar wordt gemorreld.
Nieuw is Bluextract, een kort en vervormd bluesje, waarna met To Assemble de inventieve ritmes terugkeren; drummer Peter Meuris is creatief en een vakman.
Ska in Into Action dat zich daarmee enerzijds makkelijker laat beluisteren, maar anderzijds nog steeds het typische geluid van The Tapes heeft. Ja, dat is knap.

Het gevoel van de jaren '60 in het gitaarintro van titellied Party, zij het dat wederom dat herkenbare groepsgeluid volgt, nu met een vleugje reggae onder de scheurende riff: bassist Igor Roovers is net zo lenig als de anderen. Een tekst over het willen veranderen van de ander, wat met de hoorbare frustratie niet is gelukt.
In Lonesome Max een vleugje funk in de alternatieve rock met een fraaie gitaarsolo, waarna een krokodil advies krijgt de kaken open te houden, er zit een vogeltje In the Crocodile's Mouth. Vast metaforisch bedoeld, of toch het gevolg van een bezoek aan Artis?
Akoestische gitaar in Point Eighty-Eight dat een dreigende sfeer heeft, ondanks de bijna euforische zang van Hermsen. Uptempo en onderkoeld is Lg-Dg, mijn favoriet van het album, net zo venijnig is afsluiter Inside Out.

De vergelijking met Talking Heads die ik hier en elders las is slechts terecht wat betreft het gevoel in de muziek. The Tapes zijn op Party echter een stijl op zichzelf. Op de heruitgave de opnamen van de concerten waarover ik schreef, die duidelijk maken dat ze live waarmaakten wat de plaat beloofde.

Maar sta mij toe verder te reizen door de wave van '80. Omdat ik al eerder schreef over singles I'm an Agent van Gary Numan op Telekon en Stereotype op More Specials van The Specials, vervolg ik bij albumtrack en later ook Britse hitsingle The Return of the los Palmas 7 van Madness. Op naar Absolutely.

The Teardrop Explodes - Kilimanjaro (1980)

poster
3,5
Vanaf single Pick It Up van The Employees (compilatie Bel 80) kom ik in de wondere wereld van new wave bij dit debuut van The Teardrop Explodes. Met de context van de andere namen waarvan werk in die maand verscheen (o.a. Talking Heads, Joe Jackson, The Monochrome Set, Japan, O.M.D. en The Police) valt het geluid van Kilimanjaro enorm op. Sterker nog: in vergelijking met álle andere namen die ik tegenkwam, is dit compleet anders.

Voor het eerst hoor ik een volle, gladdere popproductie. Alsof je hoort wat namen als Duran Duran, Spandau Ballet, The Stranglers, Feargal Sharkey of Tears for Fears zouden gaan doen. Ja, het is een vorm van new wave; tegelijkertijd is het geschikt voor een poppubliek en daarmee voor radio en hitlijst.
In Nederland lukte dat laatste trouwens niet, maar met When I Dream (op de elpee in lange versie) betraden ze eind september 1980 de Britse hitlijst, om in oktober twee weken op #47 te pieken. Diezelfde maand verschijnt de elpee Kilimanjaro. Die piekt op #34 en verdwijnt uit de albumlijst, keert in maart '81 terug tot #36 om wederom te verdwijnen en in mei begint 't pas echt. Piekend op #24 komt de plaat tot in totaal vijfendertig weken notering.
De comebacks van Kilimanjaro hebben te maken met het succes van non-albumsingle Reward (#6 in maart) en het wél op de elpee te vinden Treason (It's Just a Story) (#18 in mei).

Dat zijn de cijfertjes van toen. Met de oren van nu is duidelijk dat ze voorop lagen met die frisse wave waarin blazers nogal eens een vrolijk popgeluid helpen neerzetten. Dit in contrast met de volle stem van Julian Cope en de postpunkachtige gitaar- en toetsenpartijen.
Heb nooit geweten dat de wortels van de groep zijn verweven met Echo and the Bunnymen, zozeer zelfs dat Echo's Read It in Books in feite hetzelfde liedje is als Books bij The Teardrop Explodes. Dank divart voor je bericht uit 2008, waarbij ik me bovendien heel goed kan vinden in het allereerste bericht bij dit album van tondeman (niet meer actief): "Ik blijf me erover verbazen dat dit uit 1980 stamt... Deze groep was veel tijdgenoten een paar stapjes voor!"

Als album is het ook sterk, al ben ik steevast na één keer afspelen dringend aan wat anders toe. Alsof ik plotseling verzadigd ben na het eten van een besuikerde donut. Maar twee uur later zet ik 'm dan toch weer op.
Extra memorabel zijn naast de singles opener Ha Ha I'm Drowning, Went Crazy en Bouncing Babies. Bij die laatste is het omgekeerd: alsof The Stranglers van invloed waren. In 2005 verscheen een uitgebreide heruitgave met daarop ook de non-albumsingle.

Volgende halte in oktober 1980: The Ruts en hun tweede album Grin & Bear It.

The Toms - The Toms (1979)

poster
4,5
Mercerville, New Jersey, de winter van begin 1979. Multi-instrumentalist Tom Marolda loopt al wat jaren mee, musiceerde met zowel ene Bruce Springsteen als ene John Bongiovi voordat die muziek gingen opnemen en heeft inmiddels een eigen studio. Als op een vrijdagavond een klant belt dat de opnamen dat weekend niet doorgaan, besluit hij er zelf te gaan zitten en neemt in 48 uur negentien eigen liedjes op, waarop hij de enige muzikant is: zang, gitaar, bas en drums.
Hij produceert en mixt zelf én ontwerpt de hoes, geheel in de punkattitude van 'Do it yourself'. Zo verschijnt in november '79 The Toms van The Toms, want de plaat onder een solonaam uitbrengen wekt verkeerde verwachtingen: dit klinkt als een gróép!

Het woordje 'punk' viel, maar zo klinkt de muziek zeker niet. Nee, hoorbaar is dat de leden van The Toms allemaal fan zijn van the fab four uit Liverpool en waarschijnlijk ook van The Hollies en The Monkees. Drummer Tom Marolda slaat gráág op zijn bekkens en houdt samen met bassist Tom Marolda de boel strak, gitarist Tom Marolda kent de nodige geluidjes op zijn gitaar en speelt bovendien lekker slag en zanger Tom Marolda heeft een aangename, lenige stem en zingt met enkele andere Tom Marolda's kekke koortjes.
Enige liedschrijver is Tom Marolda en die heeft een neusje voor liedjes in jaren '60-stijl, wat tot een verzameling van (op de oorspronkelijke elpee) twaalf liedjes leidt, later op cd en 2LP tot de oorspronkelijke hoeveelheid uitgebreid. Producer Tom Marolda heeft de boel adequaat vastgelegd en gemixt en iedere Brabander zou enthousiast moeten worden van de hoes van graficus Tom Marolda.

Ik ben aan een klein inhaalslagje bezig in mijn reis door new wave met mij onbekende albums uit de jaren '77 - '79. Vorige station was de tweede van Shoes, twee maanden eerder verschenen. Daarop de nodige treurnisverhalen over de omgang met meisjes; de leden van The Toms zitten echter veel vrolijker in de liefde. Alleen The Bear bezingt een ander onderwerp:
"We work for that cigarette country - But you can't smoke out here
'Cause if the dust doesn't kill you - Then watch out for the bear"


Herkenbaar en eerlijk verwoorden de mannen in I Did the Wrong Thing:
"I did the wrong thing to the right girl - And now I'm paying the price
I did the wrong thing to the right girl - And chanced my paradise
I'm scared of, aware of my vices

I can't fix it, I can't twist it - It was a fool thing on my part
But I'm a new man, I know who I am - You gotta have a change of heart"


The Toms staan te boek als powerpop, maar vergeleken met tijdgenoten als The Knack, Romantics en Shoes blijft dit dichter bij het geluid en de stijl van de jaren '60. Al verraden gitaar en koortjes soms dat het niet uit dat decennium komt.
Nog één zo'n mooie tekst dan? Die uit Better than Anyone Else:
"I want you to know me - Better than I know myself - Better than anyone else
I want you to know me - Better than I know myself - Better than anyone else"

In combinatie met alweer zo'n vrolijke melodie is het onmogelijk om níet mee te zingen. Andere favootjes zijn opener Let's Be Friends Again en het dansende Other Boys Do. Edo, dank voor de tip!

Mijn reis door new wave vervolgt bij opnieuw een album uit 1979. Dat staat weliswaar niet op streaming, maar wél op glimmend vinyl in de kast. Probleem is alleen dat ik de nieuwe versterker nog moet aansluiten en dat wil ik morgen doen. Wordt vervolgd bij The Spiderz uit Eindhoven en Pressure.

The Tubes - The Tubes (1975)

poster
3,5
Toen ik in 1980 oud genoeg was om lid te worden van de dorpsfonotheek kwam ik ook dit titelloze debuut van The Tubes tegen. Een bandje waarover ik regelmatig las, maar waar ik me nooit aan waagde; mijn kostbare gulden uitgeven aan een album dat niet lekker hardrockte of melancholisch wavede? Echt niet. En bovendien zagen ze er raar uit, vond mijn puberbrein. En toch twijfelde ik, omdat in de pers hier en daar een vergelijking werd gemaakt met artrock, punk en new wave. Terecht of niet?

Nu ik ouder ben is het extra leuk om te controleren of mijn intuïtie klopte, of hetgeen ik me van Oor en Muziek Expres meen te herinneren klopte én of het nu wél iets voor mij is.
Het afsluitende White Punks on Dope leerde ik kennen in de coverversie van de Nina Hagen Band van drie jaar later. Een vreemdsoortig rocknummer vond ik indertijd. De Duitsers blijken niet veel aan het origineel te hebben veranderd, waarmee ik bij The Tubes vooral aangename herkenning tegenkom. Tegelijkertijd is het de enige keer op dit Tubesalbum dat ik een vooruitblik op new wave tegenkom. Dat was namelijk de reden dat ik hier belandde, op zoek naar de muziek die invloed had op het genre.

Want verder klinken andere stijlen en sferen, althans, zo beleef ik dat. Welke genrestickertjes zijn er verder op The Tubes te plakken? Up from the Deep bevat onvervalste invloeden uit progrock op hoog niveau, mij herinnerend aan Kansas; met Haloes en Space Baby wordt het in de creatieve en springerige geest van Frank Zappa gezocht.
Meer buiten de lijntjes wordt gekleurd in Malagueña Salerosa, waar de Amerikanen erin slagen om flamenco te koppelen aan rock, hetgeen een aangenaam resultaat oplevert. En zo volgen nummers vol afwisseling met soms theatrale invallen, waarin de heren laten horen dat ze zeer goede muzikanten zijn. Sterker nog: waar kwamen zij opeens vandaan? Dit is immers geen simpele drie-akkoorden-rock-in-snelle-vierkwartsmaatjes; integendeel, het puilt uit van de virtuositeit.

Zo biedt mijn reis op zoek naar de invloeden op new wave diverse vreemde eenden in de bijt. Bij The Tubes zijn die invloeden er niet zozeer vanwege de muziek, wel vanwege de eigenwijsheid. Weg met de conventies, wij doen ons eigen ding. The Tubes stralen die vrijheid uit, waarbij ze in de afsluiter het woord 'punk' op het juiste moment gebruikten: toen nog geen genre, het jaar erop plotseling wél. Meer toeval/geluk dan een muzikale invloed. In dat opzicht denk ik niet dat hun invloed op, om maar enkele namen te noemen, Blondie, Ramones, Sex Pistols, Buzzcocks en The Stranglers groot is geweest.
Mijn reis kwam vanaf het debuut van het Engelse Cockney Rebel, het volgende station is dat legendarische album van David Bowie uit 1972.

The Tubs - Cotton Crown (2025)

poster
4,0
The Tubs was eind 2023 een toevallige ontdekking van me. Wat vond ik debuut Dead Meat lekker, een indruk die in februari 2024 werd bevestigd bij een concert van de groep in Tivoli Utrecht.

Op de hoes van Cotton Crown een prachtige foto van zanger Owen Williams als baby aan de borst van zijn inmiddels overleden moeder. Het blijkt de etalage van een plaat over gemis.
Alhoewel iets langer dan hun eersteling duurt de plaat nog geen half uur en dat is helemaal goed. Negen lekkere liedjes, uptempo, iets minder gejaagd dan op Dead Meat - jammer, want juist daarvan houd ik wel. Toch is het steevast vlot: The Tubs is geen groep voor midtempo werk, laat staan ballades. Op achtergrondzang laten de vier heren soms een dame toe, zoals in Narcissist.

De groep is op z'n vinnigst in Chain Reaction en One More Day en meest melodieus in Embarrassing, waar liefhebbers van The Smiths en Johnny Marr in het bijzonder van zullen smullen. Fair Enough is boos, iets met een ex, waarna vrij kalm met Strange wordt afgerond.

Waar op Dead Meat enige folkinvloeden in het gitaarspel zaten, is dat hier minder. Gebleven zijn de dansende gitaarlijnen en de ingehouden zang die een stiff upper lip suggereert. Ongetwijfeld een groeiplaatje, dat per draaibeurt beter wordt. Op website Stereogum een interview met Owens over de hoes en de afzonderlijke liedjes; aanbevolen!

The Tubs - Dead Meat (2023)

poster
4,5
Aan het einde van het jaar struin ik eens door mijn twee afspeellijsten van leuke liedjes die ik verzamelde. Eén wat "braver" voor "at work", de andere voor scheurende gitaren. In het eerste lijstje bleek Wretched Lie van The Tubs te staan. Hoe en waar ik dit nummer tegenkwam? Ik zou het niet weten. Feit is dat het voor mij één van de beste liedjes bleek van dit bijna voorbije jaar. Heb daarom het hele album erbij gezocht, Dead Meat genaamd. Het debuut van een Londense band met de wortels in Cardiff.

Ik ga niet vergelijken met andere namen, maar wat ik hoor is uptempo, melodieuze gitaarpop zoals die vanaf 1976 opdook in de new wave (die heeft zijn voorlopers maar ik wilde geen namen noemen) en in de jaren '80 en '90 als alt. guitar te boek kwam. Gewoon vier jongens uit Londen die pakkende liedjes in gekruide gitaartjes marineren wat verraderlijk lekkere muziek oplevert. In hun bio op Bandcamp noemen ze ook folk als belangrijke inspiratiebron, maar verwacht geen akoestische folkpop. Nee, dit is stevig!

In 26 minuten trekken negen liedjes voorbij met in de zang van Owen “O” Williams een zekere melancholie, waarbij de gitaartjes zingen danwel scheuren en de bas af en toe vriendelijk gromt als een bulldog onder tafel. Ieder nummer is een pareltje op zich: tijdloos lekker, swingend, lief en stevig tegelijk.
Niet vernieuwend maar als je weet hoe je mooie melodietjes in evenzo lekkere composities kunt stoppen, hoeft dat ook niet. Alle negen smakelijk, het krappe half uur luisteren vlíégt voorbij. Bovendien helder geproduceerd door Jon Coddington, die de twee gitaartjes laat knisperen en schuren en het totaal daarbij een open geluid geeft.
Favorieten kiezen is moeilijk. Naast het nummer waarmee het voor mij begon, ga ik voor opener Illusion Pt. II, de gelaagde gitaren in Two Person Love, Duped met z'n tweestemmige zang (assistentie van vriendin-van-de-groep Lan McArdle), That's Fine met onverwachte tempowisselingen en meer ronkende gitaarpop in Round the Bend.

Al uit sinds maart en nu pas op mijn radar. Lekker hoor, een 9 als schoolcijfer zelfs. Bij Mojo meer informatie en natuurlijk ook op hun Bandcamp.

The Undertones - Hypnotised (1980)

poster
4,0
Mijn vorige halte in de reis door new wave was bij het debuut Los Angeles van het Californische X, waar de vraag rees of dat pop of punk was. Wel, die vraag kan eveneens worden gesteld bij de tweede van The Undertones.
Waar dit vroeger duidelijk ruig klonk, noemen we dit tegenwoordig poppunk. Tsja, de muziek werd na 1980 geleidelijk steeds harder en sneller, ook binnen de punkwereld. Dan schaar je muziek als die van The Undertones al snel onder pop. Maar los van die stickertjes: iets minder ruig klinkend dan debuut The Undertones van het jaar ervoor, worden we getrakteerd op heerlijke melodieën, verpakt in korte nummers.
Favorieten: More Songs about Chocolate and Girls, het snellere There Goes Norman, popliedje See That Girl, het pittige Whizz Kids met z'n koortjes, The Way Girls Talk met z'n antiheldtekst, Hard Luck met een drumpartij die regelrecht van glamrocker Gary Glitter lijkt te komen, mijn kennismaking met de groep My Perfect Cousin (destijds via tv gehoord en gezien en zich on-mid-del-lijk in mijn brein vastgehecht), het triomfantelijke Boys Will Be Boys en het afwijkende, weemoedige en newwaverige Wednesday Week.

Niet alles is zo sterk en cover Under the Boardwalk, in 1964 een hit voor The Drifters, is ronduit overbodig. Maar wie moppert daarover als je zomaar vijftien liedjes in de schoot geworpen krijgt? Met de heruitgave van 2004 krijg je er bovendien fijne bonussen bij, zoals pareltje You've Got My Number (Why Don't You Use It?) en die van 2000 had weer andere, zoals het semi-instrumentale Hard Luck dat eveneens een forse scheut glamrock bevat. Ten slotte is daar de editie van van 2016 met nog meer extra's. Nee, dit is voluit genieten.

Begin april 1980 betrad My Perfect Cousin de Britse hitlijst om half mei op #9 te pieken. Wednesday Week haalde er eind juli #11 en elpee Hypnotised in de week van verschijnen, eind april '80, meteen #6.

Poppunk? Powerpop? New wave? Plak er maar een genrestickertje op. Maakt mij niet uit, zolang de ronkende gitaren, vinnige tempo's en de dunne stem van Feargal Sharkey maar in vorm zijn.
Mijn volgende station is iets soortgelijks, maar dan van Schotse origine; een groep die ik over het hoofd had gezien. Terug naar 1978 en wederom meer vrolijke punk bij The Rezillos.

The Undertones - Positive Touch (1981)

poster
3,5
Geen punkgroep wist zo'n naïviteit in hun muziek te leggen als The Undertones. Al werd reeds vanaf hun tweede album Hypnotised enigszins afgeweken van dat genre en op deze derde Positive Touch zijn de punkveren zo goed uitgevallen. Opener Fascination is nog redelijk stevig, met het lieflijke, dromerige Julie Ocean volgt een kleinood van nog geen twee minuten.
Fraaie melodieën zijn evenzo gebleven, net als die ijle stem van Feargal Sharkey. Plus de korte liedjes: zeven op iedere plaatkant. Met het pianospel van Damian O'Neill en gastmuzikant Paul Carrack moet ik hier en daar warempel aan het popwerk van Madness denken.
Het meest geniet ik naast de opener van Crisis of Mine, het met Hammond opgesierde When Saturday Comes en het vlotte, met soulblazers opgetuigde It's Going to Happen (destijds zo'n liedje voor VARA en KRO, als mijn herinnering klopt) en het wat geheimzinnig klinkende Forever Paradise.
Opvallende nummers die me desondanks minder pakken, zijn er ook: dankzij een slidegitaar klinkt de invloed van blues in His Good Looking Girlfriend en Sharkey zingt apart-ingetogen in Sigh and Explode.

Al met al nét iets minder favorietjes dan op de vorige twee albums, die ik vooral op kant 2 aantref. Daardoor komt mijn waardering op een 7,5, uitgedrukt in 3,5 ster.
It's Going to Happen betrad in april 1981 de Britse hitlijst en haalde in mei #18, in Nederland zowaar één week #49. De singleversie van Julie Ocean - opvallend genoeg tweemaal zo lang als op het album - haalde in het Verenigd Koninkrijk in augustus #41. In 2000 verscheen van Positive Touch de geremasterde cd-versie met bovendien vijf bonustracks.

Het is de laatste dag van november 2025. Ik ben op reis door new wave en bevond me in dat opzicht in april 1981; mijn vorige halte was het debuut van Kim Wilde, waarna ik die maand met The Undertones afsloot.
Alvorens aan de maand mei te beginnen, ga ik in in de laatste maand van het jaar eens denken aan mijn eindejaarslijstje en daarom nog eens luisteren naar muziek die in 2025 verscheen. Verder zijn er albums die ik de voorbije maanden kocht, die om aandacht vragen.
Maar new wave ligt niet stil, er was namelijk bijvangst: ik werd bijvoorbeeld door mijn streamingdienst getipt dat het mij onbekende The Atlantics in 1979 een relevant album uitbracht. Op daarnaartoe.

The Undertones - The Undertones (1979)

poster
4,0
Bandje uit Derry, Noord-Ierland, stuurt demobandje naar John Peel. Die wordt enthousiast, laat ze de EP Teenage Kicks opnemen en roept de titeltrack uit tot zijn favoriete liedje aller tijden. De EP haalt #31 in de Britse lijst van november 1978.

Niet ontypisch voor die tijd staat het nummer niet op de debuutelpee, die in juni 1979 tot #13 komt. Dan heeft inmiddels de eveneens non-albumsingle Get over You in februari '79 tot #57 gereikt, waarna het wél op The Undertones te vinden Jimmy Jimmy in mei #16 haalde.

De kenmerkende "dunne" stem van Feargal Sharkey bepaalt sterk het geluid van de groep, maar de liedjes zijn geschreven door andere groepsleden. Het is scheurend, vriendelijk, uptempo en vrolijk, als het vrolijke broertje van de Ramones, die ook al niet de meest sombere muziek maakten. Bovendien meezingbaar.

Wie iets afweet van 'the troubles' in het door geweld geteisterde Noord-Ierland (eerder dit jaar was de indrukwekkende docuserie Once Upon a Time in Northern Ireland hierover bij de VPRO te zien), zal wellicht verbaasd zijn dat hierover niets doorklinkt in de teksten. Dat is wellicht een nadeel, maar tegelijkertijd een voordeel.
Er klinken namelijk onderwerpen die universeel herkenbaar zijn voor degenen buiten Noord-Ierland, zoals teksten over volwassen worden en de onbereikbare lieftallige. Als de soundtrack van mijn puberteit en trouwens ook soms daarna... Maar dat ontdekte ik pas met terugwerkende kracht, zelfs lang nadat in 2000 het album met vele bonustracks was heruitgegeven.

Mijn favorieten zitten deels bij die extra's. Naast Teenage Kicks zijn dat Here Comes the Summer (wat - een - pareltje), Mars Bars (David Bowie, er is wel degelijk leven op Mars!), de bonusversie van True Confessions omdat die veel meer gitaar bevat, Jimmy Jimmy en het sublieme You've Got My Number (Why Don't You Use It!).

Mijn reis langs mijn afspeellijsten met new wave kwam van de derde van The Saints en vervolgt bij de tweede van Wreckless Eric.