MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Kerry Livgren - Collector's Sedition (2000)

poster
3,5
Te vinden op Bandcamp in een andere trackvolgorde dan hier vermeld; daar staat namelijk de "Director's Cut" uit 2007. Oftewel, Kerry Livgren was net als bij diverse eerdere albums ontevreden over bepaalde details en maakte een nieuwe versie van dit Collector's Sedition van slechts zeven jaar daarvoor.
Opgenomen in zijn thuisstudio en uitgebracht op zijn eigen Numavox is hij verantwoordelijk voor de stevige gitaren, toetsen en productie.

Wat we horen is soms progressieve rock en soms "gewoon" rock, enigszins in de stijl van zijn jaren '80-band AD. Invloeden uit klassieke muziek leiden onmiddellijk tot progrock, zoals de instrumentale nummers Am Juengsten Tage en het vocale The Dragon; meer rechttoe-rechtaan klinkt in bijvoorbeeld No More Time for Love en Red Money. Overheersend qua stijl is een toegankelijke versie van progrock, zoals in On the Air.

De zang wordt vooral door Jake Livgren gedaan, wiens stem prima is maar niet zodanig dat hij een compositie naar een hoger niveau trekt. Dat wordt namelijk duidelijk op Cold Grey Morning, dat door de componist aan zijn maatjes van Kansas werd gegeven en al in 1995 op hun Freaks of Nature belandde. Die versie is, niet alleen door de zang, sterker dan het origineel dat we hier horen.
Op The Man with the Iron Heart en The Dragon zingt de mij onbekende Kreg Hoover, die een diepere stem bezit en daarmee het midtempo progrocklied krachtiger maakt. Mijn favoriete nummers zijn steevast die waarin meer van die laatste stijl klinkt. Een prettig beluisterbaar album, als geheel niet spectaculair maar met enkele uitschieters, zoals ook The Sentinel of The Navigator.

Wat verder opvalt: verschenen in hetzelfde jaar als Kansas' Somewhere to Elsewhere én Glossolalia van Kansaszanger Steve Walsh. Van die drie kreeg deze Livgren verreweg de minste aandacht, ongetwijfeld door de slechte distributie. Ten onrechte! 3,5 ster van mij, die een 7,5 uitdrukt.

Kerry Livgren - Decade (1992)

poster
3,5
Decade is een dubbel-cd en bevat twee complete albums van de liedsmid en voormalig gitarist/toetsenist van Kansas, te weten op cd 1 Seeds of Change (1980) en op cd 2 het debuut van Kerry Livgren AD, genaamd Time Line (1984).

Daarnaast bevatten beide cd's bonustracks, veelal van AD. Op cd 1 staan drie nummers van Prime Mover (1988) en vier van Livgrens instrumentale soloalbum One of Several Possible Musiks (1989).
Op cd 2 staan als bonussen vier nummers van Art of the State (1985) dat onder de vlag van Kerry Livgren AD verscheen, net als de ene track van Reconstructions (1986); de hoes op MuMe toont een heruitgave met de toevoeging "(Reconstructed) " in de titel.

Eveneens op cd 2 staan twee onuitgebrachte nummers, te weten het sterke en uptempo Free Fire Zone en het eveneens sterke maar langzame Bright Star, met op beide tracks zang van Michael Gleason en op de tweede dwarsfluit van Warren Ham, terwijl Livgren alle andere instrumenten inspeelde.

De afgelopen weken ben ik in de Britse synthwave van de jaren '79 tot en met '83 gedoken. Dan valt me plotseling op bij Livgren (en eigenlijk de gehele rockwereld van die dagen) hoezeer de productiestandaard vanaf circa 1982 was beïnvloed door hybride synthwave: véél toetsen, minder gitaar en een voller drumgeluid, zoals een groep als Ultravox deed.
Ik heb het dus over de productie, niet over de muziekstijl die Livgren ná Kansas speelde. Die is geheel anders dan bij zijn vorige groep: met AD maakte Livgren toegankelijke, op toetsen leunende rock, soms wat bombastisch en aor-achtig maar meestal ingetogener dan dat. Een liefhebber van Ultravox zou dit ook kunnen waarderen. Ik vond het indertijd teleurstellend rustig en eenvoudig, inmiddels heb ik hier meer mee.

De albums van Kerry Livgren en AD hebben op deze site in de meeste gevallen geen beschrijving gekregen; dat zal ik de komende tijd eens gaan doen.

Kerry Livgren - Odyssey into the Mind's Eye (1997)

poster
3,5
In 1997 leverde Kerry Livgren de soundtrack voor een toen hyperhippe computer animated film, waarvan de hopeloos verouderde graphics hier zijn te zien. Welkom bij Odyssey into the Mind's Eye.

Wat niet is verouderd, is de muziek. De voormalige hoofdcomponist en gitarist/toetsenist van Kansas had hoorbaar plezier in de opdracht, waarvoor hij met verve allerlei filmische progrock in elkaar schreef. Deze is vooral instrumentaal, uptempo en vol. Mét een zijstapje: in Out of Step zit een kort calypsodeel. Livgren bespeelde alle instrumenten op drums na, die door Chris Kearney werden gedaan.
Een enkele keer wordt er gezongen: op Aspen Moon zingt neef Jacob (Jake) Livgren die in het decennium erna bij Livgrens Proto-Kaw zou opduiken en op One Dark World (ook te vinden op voorganger When Things Get Electric) horen we Darren Rogers van een groep uit Florida genaamd Sundogs.

Voor de soundtrack leverde de eindbaas bovendien twee alternatieve versies, die niet aan het einde maar gedurende de cd voorbij komen: bij The Traveler is er een kortere versie met zang van de onbekende Kreg Hoover (de gewone versie bevat slechts aan het einde enkele maten met een gezongen refrein) en van The Empowering staan twee versies op het album.
Progrock die je ook op de achtergrond kunt draaien, doordat vocalen slechts op drie nummers opduiken. Tegelijkertijd zit het gedegen in elkaar, wat niet verrassend is bij Kerry Livgren. Het enige wat voor mij mist is de echte opwinding.

Kerry Livgren - One of Several Possible Musiks (1989)

poster
3,5
Instrumentale en klassieke muziek hadden eind jaren ’80 de aandacht van Kerry Livgren, schrijft hij in zijn biografie ‘Seeds of Change’. Zo prijst hij Ring Out Ye Crystal Spheres (1954), een cantate van de Engelse componist Ralph Vaughan Williams, dat hij rond het afronden van de bijgewerkte editie van het boek (1991) veel beluisterde. Omstreeks diezelfde tijd knutselde hij in zijn thuisstudio One of Several Possible Musiks in elkaar, een instrumentaal album bestaande uit tien nummers, te vinden op YouTube.

Hij bespeelde alle instrumenten zelf, inclusief een drumcomputer. Van dat laatste ben ik niet zo in het geval van deze progrock. De toetsen klinken daarbij soms erg “plastic” als in een computerspelletje uit die dagen, zoals in Diaspora; maar als daarin plotseling een hammondgeluid klinkt, ben ik weer bij de les.

Vier sterke nummers zette hij ook op zijn verzamelaar Decade. Het zijn de eerste drie nummers en de laatste. In een tweetal nummers klinken gamelanachtige geluiden, alsof je in het Verre Oosten bent; op andere momenten is de muziek klassiek- of folkbeïnvloed. Bovendien herken ik de progrock van zijn oude bandje Kansas, zoals de piano- en gitaarpartijen in A Fistful of Drachma, één van die nummers met verre-oosterse geluiden.
In And I Saw, as It Were… Konelrad klinken de enige vocalen op dit album, dat tot dusver alleen op cd en cassette verscheen: aan het einde huilt een baby, waarschijnlijk zijn in 1989 geboren zoon Aaron. Aangenaam is ook het langgerekte gitaarwerk in Colonnade Gardens, dat aan Pink Floyd herinnert. Mijn favoriet van dit album.
Een andere associatie die ik heb is met het soloalbum Divinities (1995) van Ian Anderson van Jethro Tull, waarin ik soms dezelfde sferen herken. Zoals het bijzondere akoestische gitaarspel in Alenna in the Sun, dat tegelijkertijd weer die oosterse invloeden bevat. The Far Country bevat dan weer invloeden uit de fusionrock.

In 1996 verscheen via zijn eigen Numavox een heruitgave met daarop de rustige bonustrack Eerie Cove, dat iets moderner klinkt qua productie. Sfeervolle progrock met lange elektrische gitaartonen.
Een interessant project van Livgren, zij het zeker niet mijn favoriete. Daarvoor zijn keyboard- en drumcomputer te gedateerd. Aan de composities zal het niet liggen, die zijn dik in orde.

Kerry Livgren - Prime Mover II (1998)

poster
4,5
In 1997 begon ex-Kansaslid Kerry Livgren een nieuw hoofdstuk in zijn solocarrière, die in 1984 was gestart met de vorming van de groep AD: hij begon zijn label Numavox. Dit gebruikte hij niet alleen voor nieuw werk, ook bewerkte hij albums van AD. Dit omdat hij ontevreden was met de jaren '80-geluiden. In 1997 verscheen volgens dit concept Reconstructions (Reconstructed), een jaar later gevolgd door Prime Mover II.

Waren de albumhoezen bij AD zichtbaar het sluitstuk van het budget, bij dit deel II lijkt het erop dat hij via het kersverse internet een hoes te koos of construeerde. Dit met een collage van een hand die in het universum reikt.
Omdat één van de twee oorspronkelijke two-inch mastertapes te beschadigd was om te kunnen gebruiken, was Livgren gedwongen om het meeste werk opnieuw op te nemen. Hij zal niet rouwig zijn geweest: de oorspronkelijke versie was zijn minst favoriete product, schrijft hij in het boekje. Slechts sommige zangpartijen en gitaarsolo's komen van het originele Prime Mover.
Het meest ontevreden was hij over de drumcomputer op het origineel: "What were we thinking in 1988?" De drumpartijen speelde hij nu zelf in op echte drums, net als gitaren, toetsen en bas. Warren Ham was zanger en bespeelde mondharmonica en de schaars hoorbare blaasinstrumenten. Net als de tweede versie van Reconstructions werd ook hier de trackvolgorde door elkaar gehusseld en bovendien kwamen er vier nieuwe nummers bij.

"This time I think we got it right", schreef hij terecht. Met de daarop volgende uitleg per nummer over de veranderingen ten opzichte van de originele opnamen, gevolgd door de teksten, is het boekje bovendien zeer informatief. Zo blijkt de instrumentale opener Out of Opus gebaseerd op het middendeel van Portrait II, dat volgens Livgren nu eigenlijk Portrait III zou moeten heten.
Uit zijn dagen met Kansas covert hij nogmaals een nummer, deze keer Fair Exchange, oorspronkelijk op Vinyl Confessions (1982) te vinden. Dit mede vanwege de vertolking door Ham, die indertijd met dit nummer auditie deed bij Kansas, maar werd gepasseerd door John Elefante. Livgren was echter nog altijd gecharmeerd door diens invulling, meldt hij; reden om het opnieuw op te nemen.
Geheel nieuw ten opzichte van het origineel zijn eveneens Brave Hearts, klinkend als een dreigende bluesriff in de handen van filmcomponist Ennio Morricone, plus het uptempo Item 89 dat qua akkoordenprogressie aan het Kansas van de jaren '70 doet denken.

Intelligente melodieuze rock met symfonische trekjes. Een geslaagde opknapbeurt van het oorspronkelijke album, dat ik al 4 sterren gaf. Bij deze nog een halfje erbij, met de vermelding dat het luisteren met echte bas en drums direct goed aanvoelt, zonder dat je eerst koudwatervrees moet overwinnen vanwege de productie.

Kerry Livgren - Q.A.R. (2022)

poster
3,5
Vorig jaar verscheen van progrocklegende Kerry Livgren een modern-klassieke cantate, enigszins vergelijkbaar met de muziek die Jon Lord na het verlaten van Deep Purple (2002-2012) componeerde.

Een vriend attendeerde mij erop dat er nu al een nieuwe soloplaat van Kerry Livgren is. Nou ja, plaat… Voorlopig nog alleen digitaal (streaming of download) te verkrijgen. Via Discogs leer ik meer over het album van deze bescheiden gebleven grootheid, waarbij me vooralsnog onduidelijk blijft waar de titel Q.A.R. voor staat. Livgren is hierop terug bij (progressive) rock.

Eerst enkele namen. Livgren speelt gitaar en toetsen, plus op de meeste nummers bas en drums. Bij de gastmuzikanten duiken bekende namen op. Eerst de vocalisten, die tevens een incompleet overzicht vormen van zangers met wie Livgren in het verleden werkte: Lynn Meredith (zanger in de oerversie van Kansas en later in Proto-Kaw), John Elefante (Kansas), Warren Ham (AD), neef Jake Livgren (Proto-Kaw) en tenslotte Greg X. Volz, voormalig zanger van aor-groep Petra die voor het eerst (?) met Livgren is te horen. Enkele van deze namen plús ex-Kansaszanger Steve Walsh zijn overigens te horen op die eerder genoemde cantate.
Twee andere bekende musici op Q.A.R.: ex-Kansas- en ex-Deep Purplegitarist Steve Morse en de inmiddels overleden Kansasviolist Robbie Steinhardt.

Werkt deze keur aan namen? Jazeker. Livgren is en blijft een topcomponist en presteert nooit ondermaats. Waar zijn muziek wordt uitgevoerd door getalenteerde musici neemt de kwaliteit alleen maar toe. Aan niets is te merken dat hij in 2009 een zware hersenbloeding had, waarvan hij op miraculeuze wijze met minieme beperkingen is hersteld.

Verwacht geen drukke, hypergecompliceerde stukken; op dit album springt Livgren heen en weer tussen toegankelijke progressive en ontspannen adult oriented rock. Het album opent met het instrumentaaltje The Intelligence Theory, waar Morse excelleert. Deze gaat naadloos over in One Out of One, een juweeltje met Elefante op zang.
Dan een "o ja!": Everybody’s Home blijkt een reprise van Nobody’s Home van Kansas’ Point of Know Return (1977). Zangeres is Susan Shewbridge, in 1985 achtergrondzangeres bij AD. Met nieuwe tekst en haar fraaie stem het derde toplied op rij. Op Above the Night zingt Jake Livgren, de jongste van de vocalisten. Hij is gezegend met een lenige stem, die zich prima leent voor dit grotendeels uptempo lied.
Song Du’ Jour is mijn absolute hoogtepunt van het album, mede dankzij Steinhardt wiens viool de sterke compositie extra verrijkt, maar laat ik niet de vocalen van opnieuw Elefante onvermeld laten.

Vanaf track 6 (de “B-zijde”) is Q.A.R. meer popgericht. Fire in the Boiler is midtempo, fraai gezongen door Ham. Mijn tweede absolute hoogtepunt van het album is The Days we Live, waar Meredith zingt in een sfeertje alsof ik in 1977 in een cabriolet met open dak door een natuurpark in de Verenigde Staten rijd. Midtempo, een prachtige melodie, softrock op z’n best.
Kerry Livgren zingt zelf Block and Tackle Blues, dat precies is wat de titel zegt; hij is geen geniale zanger, dit nummer gaat snel vervelen. Op de afsluitende ballade When You Walk blijkt de stem van Volz donkerder te zijn geworden dan ik 'm kende; niet meer de ijle stem van voorheen maar passend bij de reflectieve tekst.

Is dit alles wereldschokkend? Natuurlijk niet. Perfect? Zoals de vriend die mij hierop attendeerde verwoordde: 'Hij had wel een producer mogen inhuren, is Neal Morse niet met hem bevriend? Nu klinkt het teveel als een demo'.
Ben ik met hem eens, al is het dan wel een héél goed geproduceerde demo met vooral sterke composities, uitgevoerd door grote talenten. Maar een externe producer is soms nodig om het geheel nét wat verder te brengen dan de 3,5 sterren die ik nu geef.

Kerry Livgren - Seeds of Change (1980)

poster
4,5
Na een jarenlange zoektocht naar zingeving kwam Kansas’ hoofdcomponist Kerry Livgren uiteindelijk uit bij het geloof waarmee hij was opgegroeid. Het leidde tot zijn eerste soloplaat Seeds of Change, dat zes maanden na de soloplaat van zanger Steve Walsh verscheen.
Vanaf opener Just One Way maakt hij zijn ontdekking heel duidelijk. Een nummer met blazers en veel toetsen, gezongen door ene Jeff Pollard en gedrumd door Barriemore Barlow. De laatste kende ik van Jethro Tull, nog een bandje dat ik niet veel eerder had ontdekt; de stokkenkunstenaar is hier op nog eens drie nummers te horen.

Ik kocht de plaat ergens in 1982; niet zozeer vanwege Kansas, maar omdat Ronnie James Dio op twee nummers zingt. Mask of the Great Deceiver en To Live for the King bleken twee van de vier hoogtepunten van het album te zijn, samen met How Can You Live waar Steve Walsh als een nachtegaal zingt en slotlied Ground Zero, een pareltje in de progressieve rock.
Het laatste nummer wordt gezongen door David Pack, op viool klinkt Kansas’ Robbie Steinhardt, op drums Kansas’ Phil Ehart. Deze drumt ook op het bluesachtige Whiskey Seed en tilt dat niet al te sterke lied naar een hoger plan.

Ik heb de plaat indertijd vaak gedraaid, ondanks de wat magere productie van Livgren en Brad Aaron. Dat probleem is echter voorbij: al in 2010 bracht de blonde snor een hergeproduceerde versie van het album uit, vreemd genoeg Decade Vol. 1 genaamd. Alleen verkrijgbaar in de Verenigde Staten via zijn privélabel Numavox en dus veel te duur vanwege de import.
Maarrrrrr… inmiddels staat deze versie op streaming, gewoon als bonustracks bij Seeds of Change. Ik vond het een meer dan aangename hernieuwde kennismaking: eindelijk klinkt de muziek vol en breed, waar dit genre zo bij gedijt.
Livgren heeft deels gebruik gemaakt van de originele mastertapes, de gastpartijen klinken namelijk hetzelfde. De enorme audiowinst is echter evident. Een floortom bijvoorbeeld klinkt nu diep, zoals bedoeld. Zelfs Down to the Core bevalt me inmiddels: het blijkt een vuig, funky nummer, dat grote baat heeft bij de vette sound.

Het is nu dus eenvoudig om zowel de oorspronkelijke als de hernieuwde versie te horen en vergelijken. Mijn oordeel: dit is en blijft een bescheiden meesterstuk.

In 2010 noemde gaucho dat Frits Spits Mask in zijn Avondspits als slottune gebruikte, maar de link die hij erbij zette werkt niet meer. Nu het album op streaming staat, is het eenvoudig om het intro van het liedje daar te vinden.

Kerry Livgren - The Best Of (2002)

poster
4,0
Soms krijg je de indruk dat mevrouw Livgren haar echtgenoot iedere avond, als hij klaar was met zijn boerenarbeid, naar de studio stuurde. De man leek namelijk continu bezig om nieuwe muziek te schrijven en op te nemen en bovendien zijn solowerk op te poetsen. Waar haalde hij alle tijd en energie vandaan? Hij deed dit niet in zijn eentje, maar had in de jaren vóór 2002 een groep muzikanten om zich heen verzameld, te horen op zijn soloplaten.

Op deze The Best of klinkt progrock van zijn soloalbums en adult oriented rock (pop?) van zijn groep AD. Oftewel de jaren 1980 tot en met 2000, van Seeds of Change tot Collector’s Sedition. Daarbij niet alleen geremasterde versies (track 5 - 6 en 8 – 13), maar ook (gedeeltelijke) heropnames van And I Saw, As It Were...Konelrad, Exiles en Time Line.
Van Seeds of Change klinken twee heropnames. Track 9 is To Live for the King met een alternatieve zanglijn van Ronnie James Dio. Deze versie is weer anders dan de deels heropgenomen heruitgave (2014). Hetzelfde geldt voor Ground Zero met zang van neef Jacob (Jake) Livgren.
En dan zijn er twee geheel nieuwe nummers die in kwaliteit niet onderdoen voor de rest. White Light is met zijn 7'46" van epische progklasse. Briljant opgebouwd en sterke zang van Jake, een volgend magnus opus in de discografie van Livgren. Track 7 is het vrij ingetogen When You Walk, opnieuw met zang van neef Livgren. Soms laat zijn oom Kerry horen als sologitarist verder te zijn gegroeid: het gitaargeweld spettert dan uit de boxen.

Jammer genoeg slechts op zijn eigen Numavoxlabel verschenen, dat doet Livgren er ook nog eens bij. Hierdoor was dit album van meet af aan in Europa slechts voor veel geld verkrijgbaar. Gelukkig is het wel op YouTube te vinden.
Laat onverlet dat de kwaliteit hoog is, met als persoonlijke favorieten het nieuwe White Light en de twee nummers van zijn debuutsoloplaat Seeds of Change. Alhoewel... Dat waren vanochtend mijn favorieten, het wisselt per moment.
Bovendien luistert The Best of als een eenheid, mede omdat het werk met AD (Exiles, Time Line en The Fury) hier compleet van de typische jaren ’80-productie is verlost, naadloos passend bij zowel het oudere als latere werk.

Ondertussen was Livgren alweer aan een volgend hoofdstuk in zijn muzikale bestaan begonnen: met de groep Proto-Kaw keerde hij terug naar de eerste en onbekende bezetting van Kansas, waarvan in ditzelfde 2002 het eerste resultaat verscheen.

Kerry Livgren - The Resurrection of Lazarus (2021)

Alternatieve titel: A Cantata by Kerry Livgren

poster
4,0
Schrijvend aan muziek voor Monolith (1979) schoot Kerry Livgren een stuk muziek te binnen dat ongeschikt was voor dat album. Dat gold ook voor de navolgende platen, inclusief zijn solowerk. Gaandeweg kwam er nieuwe inspiratie bij en in 1995 besloot hij om er eens goed voor te gaan zitten, waarbij het langzaam groeide als een zelfstandig muziekstuk. In 2009 zorgde een hersenbloeding voor een noodgedwongen onderbreking, maar toen zijn gezondheid verbeterde zette hij zijn werk voort. Het resultaat verscheen uiteindelijk in 2021 als The Resurrection of Lazarus: a Cantata, waarop hij zich van een neoklassieke kant laat zien.

Het album, onderverdeeld in Movement 1 – 5, verhaalt over de dood en opwekking van Lazarus, een vriend van Jezus, zoals te lezen in het Evangelie van Johannes, hoofdstuk 11. In de liner notes op Bandcamp vertelt Livgren het nodige over de geschiedenis en de totstandkoming van het muziekstuk, dat zich moeilijk met zijn andere werk laat vergelijken.
De zang wordt orkestraal ondersteund, al is onduidelijk welk orkest hiervoor werd ingezet. Livgren speelde “diverse instrumenten” waarbij ik met name synthesizers/toetsen en slaggitaar; voor sologitaar vroeg hij de in kleine kring bekende virtuoos Phil Keaggy, voor drums Phil Ehart van Kansas. Verwacht geen gecompliceerde progrock: de muziek is kalm van tempo met nadruk op zang.

We komen maar liefst vier ex-zangers van Kansas en AD tegen: John Elefante in de rol van Lazarus, Steve Walsh en Robby Steinhardt als naamloze farizeeërs en Warren Ham als farizeeër Nicodemus. Andere bekende stemmen uit de kringen van Livgren: David Pack in de rol van Jezus, Keaggy als discipel Thomas, Susan Shewbridge als Lazarus’ zus Martha, Greg X. Volz (ex-Petra) als Jozef van Arimathea en Jake Livgren als hogepriester Kajafas.
Er zijn zelfs kleine zangrollen voor Rich Williams en Dave Hope, de eerste nog altijd gitarist van Kansas; de laatste, bassist, verliet in 1984 Kansas om zich bij Kerry Livgrens AD te voegen en is nadien buiten de muziek actief. Met zes namen die ik dan nog niet noemde wordt duidelijk dat deze cantate zoals de naam zegt vooral een vocaal werk is, in een eeuwenoude traditie.

De sfeer is meestal ernstig en plechtig, anders dan een liefhebber van (prog)rock normaal als luistermenu consumeert. Voor de fijnproever. Het werk groeide bij herhaaldelijk draaien en werd geleidelijk pakkend, mét het verhaal.

Een deel van de cast is overigens ook te horen op de navolgende Livgren, Q.A.R. genaamd.

Kerry Livgren / AD* - Art of the State (1985)

poster
3,5
In mijn hoofd was AD de groep die Kerry Livgren na Kansas begon. In die logica debuteerde AD in 1984 met Time Line. In zijn biografie 'Seeds of Change: revised and expanded edtion' (1991) nuanceert Livgren dat beeld: "We were together from 1983 to New Year's Eve of 1985. (,,,) A.D. dwindled away over a period of months. (...) We never officially "broke up" or declared ourselves to be no longer together. The second A.D. album, which was the first project we did as a band, was Art of the State."

Kortom, Time Line was zijn tweede soloalbum waarbij geleidelijk de groep AD ontstond; met Art of the State was AD, na enige maanden te hebben stilgelegen, van meet af aan een groep. Dat betekent dat groepsleider en gitarist Livgren niet als enige het geluid bepaalde, maar dat zanger en toetsenist Michael Gleason, zanger en toetsenist en blaasinstrumentspeler Warren Ham, bassist Dave Hope en drummer Dennis Holt een grotere inbreng hadden. De plaat verscheen in het najaar van '85 en was de eerste op Livgrens label Kerygma.
Het resultaat is meer poprockgericht en een tikkeltje ingetogener dan de voorganger. Minder symfonisch dus, al klinken die invloeden regelmatig door. De beste nummers zijn die in een progrockjasje: opener All Creation Sings en op de B-kant The Fury en Up from the Wasteland. Laten dat nou de nummers zijn die ik ook toen al de beste vond; ze benaderen het meest Livgrens dagen van weleer toen hij met Hope onderdeel was van progrockgroep Kansas.
Op diezelfde B-kant vind ik de twee eenvoudiger rock bevattende nummers Progress en Heartland eveneens sterk met aangename melodieën, net als op de A-zijde Lead Me to Reason. Op Zion klinkt fusionrock, niet mijn favoriete genre maar wel de veelzijdigheid van dit kwintet tonend. Incidenteel is het genieten van details in het drumwerk van Holt, die verder vooral sober speelt.
Dit alles in de productie en toetsengeluiden van '85. Sommigen noemen zo'n geluid gedateerd, maar stel je voor dat je 15e-eeuwse muziek iedere keer aan de gangbare technologie en mode zou aanpassen; dát zou pas verkeerd zijn. Laat dit maar lekker zoals het is. Kwaliteitsrock uit 1985, niks mee mis.
Wat ik wél mis, is een rauw randje in de stemmen van Gleason en Ham. Het maakt de muziek wat braafjes, al werkt dit een enkele maal juist extra goed, getuige het refrein van All Creation Sings en het acapelladeeltje van Up from the Wasteland, met bovendien een digitale baroktrompet in het slot.

Het album verscheen in diverse hoezen, al naar gelang de platenmaatschappij en geluidsdrager. In Nederland was niet de hoes zoals MuMe die toont verkrijgbaar, maar deze, verschenen via het Britse Sparrow. Qua streaming heb ik het slechts op YouTube kunnen vinden, in platenzaken kom ik 'm tegenwoordig nooit in het wild tegen. Bij online winkels echter wel te vinden.
In zijn bio blikt Livgren met zeer positieve gevoelens terug op de sfeer in de band én zijn spel: "As a guitarist in particular, I believe my best playing was with A.D." Voor mij levert dit album een keurige 7 op, voor een Livgren (te?) laag.

Kerry Livgren / AD* - Prime Mover (1988)

poster
4,0
In hetzelfde jaar dat Kansas’ In the Spirit of Things verscheen, bracht AD zijn zwanenzang uit. Dit was de groep rond Kerry Livgren, na zijn vertrek uit Kansas geformeerd met daarbij bassist Dave Hope, eveneens ex-Kansas.

In zijn biografie ‘Seeds of Change’ biedt Livgren in de in 1990 gepubliceerde appendix Part II een inkijkje in hetgeen met AD gebeurde. Aanvankelijk de begeleidingsband op diens tweede soloalbum Time Line (1984) bleek tijdens de opnamen dat dit een echte groep moest worden.
Door contractuele beperkingen vanuit Livgrens en Hopes Kansasdagen was men gedwongen zich te beperken tot de christelijke markt. Een vreemde beperking, zeker gezien het feit dat Steve Walsh, die Kansas medio 1981 had verlaten, wél gewoon een nieuwe band in de reguliere markt kon starten.

Voor Livgren volgde een tweede verandering. In 1985 verhuisde hij met vrouw en dochter naar een boerderij, zijn thuisstudio meenemend. In Newton County, Georgia, combineerde hij op Crossfire Farm (vernoemd naar het lied dat voor Walsh de directe aanleiding was om solo te gaan) het leven van een boer met dat van muzikant.
Er was dus minder tijd voor de muziek, mede omdat hij en zijn vrouw het vak moesten leren. Diverse ongelukjes volgden, deels veroorzaakt door trappende paarden, leidend tot een gekneusde voet (zijn vrouw) en gebroken ribben (hijzelf). Bovendien verdween de trekker in zowel een verborgen kloof als in een moerassig stuk land. De huisarts was dan ook één van de eersten die ze in hun nieuwe woonplaats leerden kennen, noteert Livgren droogjes; op diens vaardigheden werd het eerste jaar veelvuldig een beroep gedaan.

Met AD waren nog twee albums gemaakt, waarvan de laatste zonder tweede zanger Warren Ham. Alhoewel de groep geleidelijk vaker kon optreden, was AD toch gestopt, mede door Livgrens drukke bezigheden als boer. Omdat er nog rekeningen waren te betalen, besloot Livgren een postuum AD-album te maken, gebruik makend van ongebruikte demo’s. Hiervoor keerde niet vaste zanger Michael Gleason terug, maar was het Ham die achter de microfoon stond. De hoes vermeldt daarom terecht als makers Kerry Livgren / AD*. Met asterisk.
Gedurende de vier AD-albums leerde Livgren het vak van produceren, waarop hij in zijn bio (p. 190) terugblikt: “Ze klonken niet slecht, maar hadden beter kunnen klinken. De budgetten gaven ons sowieso geen keus.” Door Arjan Hut bij Time Line treffend beschreven als “typisch gelikt (…), gekunsteld en kil van sound. Daar houd ik ook wel van, dus met dit AD verveel ik me geen seconde.”

Datzelfde gaat op voor AD’s zwanenzang Prime Mover, dat ook te vinden is op streaming. Livgren bespeelde alle instrumenten, inclusief digitale bas en (helaas ook) drummachine, waarbij Ham de zang en blaasinstrumenten verzorgde. De nummers mogen dan onuitgebracht werk bevatten, het liedmateriaal doet geenszins onder voor dat van de voorgangers. Opnieuw klinkt kwaliteitspoprock, vergelijkbaar met het Genesis in die periode.
Alle nummers werden door Livgren geschreven, behalve Portrait II dat nog uit de Kansasdagen met co-componist Steve Walsh stamt, plus het door Gleason geschreven I'll Follow You.
De stem van Ham lijkt sterk op die van Gleason. Regelmatig laat de multi-instrumentalist wat betreft blaasinstrumenten zijn invloed gelden, zoals hij deed op Kansas’ tijdelijke zwanenzang Drastic Measures.

Meest opvallende nummers zijn opener Don’t Pass Me By met niet alleen dwarsfluit maar ook een heel aangenaam jazzdeel, inclusief scatzang van Ham; Portrait II is een bewerking van de Kansasklassieker, met nieuwe tekst; wonderschoon is Children of the Shadows met een fabelachtige melodie en dito pianospel, dicht tegen de Kansas' progrockdagen aanleunend.
Op de tweede plaatkant bevat Wandering Spirit de typische synthesizersound van die tijd, het wordt door Livgren in zijn boek aangehaald vanwege de tekst; synthreggae en jazz klinken in New Kind of Love, dat gemaakt lijkt voor de radio; het tweede absolute hoogtepunt is One More Song, uptempo met wederom een sterk toetsenthema van Livgren.

Dat Livgren achteraf ontevreden was over de productie, toonde hij in 1997 toen hij Reconstructions in deels heropgenomen vorm als Reconstructions (Reconstructed) uitbracht. In 1998 verscheen volgens hetzelfde recept Prime Mover II, waarover spoedig meer. Deze ontbreekt nog op MuMe, ga ik wat aan doen.
Voor de 1988-editie van Prime Mover geef ik 4 sterren, een 7,8 als rapportcijfer. Verrassend hoog voor een album met slechts restjes en digidrums.
Het tweede album dat Livgren in zijn studio-in-de-boerderie zou opnemen werd het instrumentale One of Several Possible Musiks.

Kerry Livgren / AD* - Reconstructions (1986)

poster
3,5
Na zijn vertrek uit Kansas begon gitarist en componist Kerry Livgren weer opnieuw. Geketend door contractuele beperkingen uit de periode met die groep, lukte het aanvankelijk niet om een nieuwe band te starten, maar een maas in het juridische net leidde ertoe dat die beperking niet gold voor de de christelijke muziekmarkt. In 1985 startte Livgren daarom zijn eigen label Kerygma, waarbij de distributie door Sparrow werd verzorgd.
Reconstructions is het tweede album van "zijn" groep AD, hun derde als je Time Line (1984) als bandalbum meerekent. Livgren en zijn bandmaatjes rekenden echter Art of the State (1985) als het echte groepsdebuut, omdat men vanaf dat album als gelijkwaardigen samenwerkte, in plaats van als de begeleidingsgroep van Kerry Livgren die men in 1984 nog was. Het verscheen in hetzelfde jaar als Power, de comebackplaat van Kansas.

Achter de foeilelijke hoes schuilen negen nummers, die helemaal het geluid van 1986 bij zich dragen qua digitale tonen. Een vriend van me associeert dit met het Amerikaanse synthpopduo Go West, dat in 1985 met een soortgelijk geluid een hit scoorde met We Close Our Eyes. Ook valt te denken aan hetgeen Peter Gabriel in deze jaren maakte; de digitale geluiden van midden jaren '80 met wortels in de synthpop, doorgedrongen tot andere genres.
Liefhebbers van Kansas zullen bij AD weinig horen dat aan die groep herinnert, al zet Livgren af en toe heerlijke gitaarlicks neer, zoals meteen in het intro van opener All Fall Down. Gepolijste toetsen overheersen echter met het strakke badkamer-drumgeluid dat toen de norm was. Bovendien laat de stem van zanger Michael Gleason zich moeilijk vergelijken met die van Steve Walsh in Kansas. Lichter dan de stem van diens opvolger John Elefante die op zijn beurt al minder "rock" klonk, maar wel gezegend met een groot bereik, zodat hij in de hogere regionen toch iets van Walsh wegheeft.

Een dichtgesmeerd geluid van toetsen vult het spectrum en op het deels akoestische No Standing en de midtempo afsluiter One Golden Thread na zijn alle nummers uptempo. Het maakt dat de plaat energiek klinkt, al ligt met een productie als deze eenvormigheid op de loer. Het is niet voor niets dat ballade No Standing met zijn gitaargetokkel en (digitale?) viool eruitspringt met bovendien een prachtige melodie.
Drie nummers werden geschreven door Gleason, vier door Livgren en twee schreven ze gezamenlijk. Je hoort hierbij geen verschillen in stijl.
De markt waarin AD zich bewoog leende zich voor deze groep niet voor uitgebreide tournees zoals met Kansas het geval was. AD was echter meer dan slechts een studiogroep en leverde sterk werk. Qua teksten weerspiegelen de teksten Livgrens beeld op het leven, al zal een oppervlakkige luisteraar dat niet doorhebben.

Reconstructions is in Europa moeilijk - maar niet onmogelijk - verkrijgbaar, een aanwijzing dat het vooral via relatief kleine Amerikaanse kanalen werd gedistribueerd. Ondanks het tijdsgebonden geluid is dat jammer: composities en uitvoeringen verdienen meer.
Opmerkelijk is eveneens dat er anno 2023 redenen zijn die dit vrij onbekende album ervan weerhouden op streamingkanalen te verschijnen, met YouTube als uitzondering, dankzij een fanatieke fan.
Elf jaar later verbouwde Livgren dit Reconstructions tot Reconstructions (Reconstructed), dat op diverse punten zó afwijkt van deze plaat, dat het bijna een compleet nieuw album lijkt. Daarover binnenkort meer bij die titel.

Kerry Livgren / AD* - Reconstructions (Reconstructed) (1997)

poster
4,0
In 1986 bracht AD, de groep van ex-Kansasgitarist en -componist Kerry Livgren, hun derde album Reconstructions uit. In de typische productie van die periode klinkt vooral uptempo melodieuze poprock. Kennelijk was Livgren niet tevreden met het geluid, want reeds twaalf jaar later brengt hij een sterk gewijzigde versie van dat album uit met de inventieve titel Reconstructions (Reconstructed).

Ter studie heb ik heb de nummers van beide albums paarsgewijs op een playlist gezet en die vaak afgedraaid. Was even puzzelen, want voor versie 2 heeft Livgren de volgorde sterk gewijzigd. Maar dan valt het nodige op.
Op Reconstructions (Reconstructed) klinken nieuw ingespeelde gitaarpartijen met een voller geluid; de baspartijen van Dave Hope werden vervangen door Livgrens synthesizerbas, lijkend op een fretloze bas wat niet storend is. En ik houd niet eens van het geluid van een fretloze bas!; spaarzame toetsenpartijen werden toegevoegd; de productie kent véél meer laag en iets meer hoog.
Vooral die andere productie maakt uit: met terugwerkende kracht klinkt Reconstructions enigszins samengeperst, waar versie 2 veel meer dynamiek kent. De muziek wint daardoor aan kracht en komt voller uit de speakers met een geluid dat niet meer "typisch jaren '80" klinkt.

Reconstructions (Reconstructed) verscheen in tegenstelling tot de vorige versie alleen op cd. De liner notes
vermelden onder meer dit: "For this release, the recordings were "tweaked and re-constructed," in some cases partially re-recorded and/or re-mixed and re-mastered by Kerry Livgren in 1996-97 (...). "All in Time" was originally recorded in 1986 and was never released or included in an album until now. "Free Fire Zone" and "Bright Star" were recorded in 1983, and later included in the 1992 "Decade" double album. (...) The version of "No Standing" that appears in this collection is also from "Decade.""

Alle instrumenten klinken krachtiger, dieper en voller, de bekkens zijn veel beter te horen. Dit werkt niet alleen voor de nummers in vol groepsgeluid: ook het akoestische No Standing, min of meer een muzikaal vervolg op Kansas' klassieker Dust in the Wind, klinkt warmer en komt veel beter binnen.
Een ander fraai voorbeeld van hoe de muziek van deze remake profiteert is Exiles, met zijn semi-wereldmuziekgeluiden op keyboards en bovendien een fraaie tekst over vreemdelingen: Livgren identificeert zich met hen, een uiting van de nieuwe balans die de musicus/boer met eigen boerderij inmiddels had gevonden.
Bovendien zijn de toegevoegde nummers ook sterk, passend bij de bekende composities. Slim van Livgren om de volgorde van dit alles te herschikken, waardoor het geheel extra fris wordt.
Jammer alleen van de nogal inspiratieloze hoes, een kenmerk van de gehele AD-periode. In 2006 verscheen een nieuwe cd-editie met deze hoes, wederom geen verbetering.

Discogs gaat er nog altijd van uit dat dit hetzelfde album is als Reconstructions. Vergelijk de twee edities (te vinden op YouTube) en de oren zullen concluderen dat dit misleidend is. Met de nieuw ingespeelde partijen meer dan een remix- of geremasterd album. Gaf ik versie 1 een 3,5 ster (een 7), bij dit verbeterde werk past een dikke 8, in vier sterren vertaald. De toch al aangename composities klinken nu veel rijker en eigentijdser. Nog altijd.

Kerry Livgren / AD* - Time Line (1984)

poster
4,0
Eindelijk heb ik mijn exemplaar van Kerry Livgrens biografie 'Seeds of Change' binnen. De expanded edition uit 1991 om precies te zijn, waarin hij ook ingaat op zijn jaren ná Kansas, wat bij de eerste editie (1983) nog niet aan de orde was.

Na enkele miskramen waren zijn vrouw en hij eindelijk ouders geworden. De komst van deze dochter in 1981 maakte dat hij meer thuis wenste te zijn. De sfeer in Kansas was bij de aanloop naar het laatste album Drastic Measures (1983) steeds moeilijker geworden. Dat hij en bassist Dave Hope christenen waren geworden, maakte de groep tot wat hij noemt "a divided house", zowel intern als extern. Dat laatste qua verwachtingen van enerzijds de seculiere markt en anderzijds geloofsgenoten. Bovendien had de jarenlange routine van met dezelfde zes muzikanten muziek schrijven, repeteren, opnemen, touren en weer van voren af aan, sleet op de verhoudingen veroorzaakt.
Hierbij had Livgren bovendien moeite met het schrijven van nieuw materiaal. Hij wilde uit zijn hart componeren; anderzijds waren er de commerciëlere verwachtingen van de platenmaatschappij. Van de drie nummers van zijn hand die op die laatste Kansas verschenen, is hij slechts over Mainstream tevreden. Andere nummers werden ofwel door de groepsleden afgewezen, ofwel hij vond ze beter geschikt voor... Ja wat?

Platenmaatschappij CBS stemde in met een tweede soloplaat, tijdelijk weg van Kansas. Hope werd het tweede lid van dit project, gevolgd door twee muzikanten die Kansas bij de laatste tournee hadden ondersteund: Warren Ham en Michael Gleason. Sessiedrummer Dennis Holt beviel zo goed, dat hij vaste drummer werd. In Livgrens gloednieuwe thuisstudio in Atlanta werd gerepeteerd en opgenomen. Geleidelijk werd het hen duidelijk dat het niet bij een tijdelijk soloproject moest blijven; dit voelde als een heuse groep. Men besloot als AD verder te gaan.

Zakelijke besognes volgden: het "corporate monster" dat Kansas in de woorden van Livgren was geworden, bleek juridische bepalingen in de contracten te hebben, die Hope en hem verhinderden de groep te verlaten.
Uiteindelijk werd een oplossing gevonden: ze mochten gaan als ze zich zouden richten op de "religious marketplace", hetgeen het vijftal nooit had beoogd. Zijn ervaringen in die markt bleken nadien niet onverdeeld positief, met scheve verwachtingen en onprofessionalisme. Bovendien bleek touren financieel nauwelijks haalbaar; AD trad maar weinig op.

Dat lag niet aan de muziek, zoals dit debuut bewijst. Die is geheel in de tijdgeest toegankelijker dan in de hoogtijdagen bij Kansas, vooral omdat de stemmen van Gleason en Ham een rauw randje ontberen; wel zingen ze sterk tweestemmig. Bovendien leunt het geluid meer op toetsen en hippe synths, zoals in 1984 de trend was in progrockland. De groepsfoto op de achterzijde van de hoes maakt deze nieuwe smaak zichtbaar. Zo is Dave Hope is bijna onherkenbaar: slank met strak baardje, gestoken in een Adidastrui.

Livgren had opnieuw goede muzikanten gevonden en ook de schrijfinspiratie was teruggekeerd. Time Line klinkt nog toegankelijker dan vorig werk, als het logische vervolg op de twee Kansasalbums met zanger John Elefante. Zwakke composities kom je niet tegen; uiteraard niet, hier staat de naam van Livgren onder! Wel vind ik de saxofoon die een enkele maal opduikt minder passend.
De A-kant is vier nummers lang stevig en uptempo, mijn favoriet hiervan is Tonight; maar het hoogtepunt is de afsluiter van die zijde: Beyond the Pale is een sterke ballade met prachtig pianospel en dito melodie. En dat schrijft iemand die eigenlijk niet zo van ballades houdt.

De B-kant begint met jammerende mondharmonica, wat mij bij Livgren nooit kan bekoren: New Age Blues pakt me niet, ondanks de opvallende tempowisselingen en stevige gitaarriff. Dan liever de pompende synthesizers en sterke melodieën in Slow Motion Suicide, al mis ik vocalen met een rauwe rand.
Bombastisch is het intro van het knallende High on a Hill, een volgende favoriet op dit AD-debuut. Meer lichte jaren '80 progrock volgt in het alweer uptempo Life Undercover, om met Welcome to the War symfonisch rockend af te sluiten; stevige gitaren en gelaagde toetsenpartijen.

Negen stevige, uptempo nummers en één ballade op de grens van adult oriented rock en jaren '80 progrock. Hier in combinatie met stevige gitaren en licht-klassieke invloeden.
Het album verscheen in zijn geheel op de verzamelaar Decade (1992), waarbij het geluid een vers likje verf kreeg. Niks mee mis.

Kerry Livgren and the Corps De Pneuma - When Things Get Electric (1995)

poster
4,5
Alternatieve titel: 'When Kerry Livgren returned to progrock.' Want dat is hier aan de hand, al heb je dat in het korte en kleine akoestische openingsnummer nog niet in de gaten. Pas toen ik de cd voor de tweede maal draaide, durfde ik het te geloven. Niet zo gecompliceerd als in de dagen met Kansas, maar toch.

In 1990 was hij met Kansas op reünietour in Duitsland geweest, waarover hij in het slot van zijn biografie 'Seeds of Change' heel positief schrijft. Wellicht dat daar het progrockvuur weer is aangestoken. Vanaf track 2 When Things Get Electric klinken stevige gitaren en is het bandgevoel compleet aanwezig. Het ene nummer is gecompliceerder dan het andere, stevig is het zeker.
Het eerste album dat via zijn eigen Numavox verscheen, in dit geval met distributie door Renaissance Records, dat zich richt op heruitgaven van classic rock.

Deze keer beperkte Livgren zich grotendeels tot het bespelen van gitaar en toetsen, al speelt hij een enkele keer ook bas en zelfs drums. In de gelegenheidsband Corps de Pneuma (lichaam van de adem/levensgeest/creativiteit) zien we een bekende naam: die van David Ragsdale, toen violist bij Kansas. Niet dat hij op ieder nummer speelt, verre van dat, maar als hij zich laat horen is het extra lekker. Jammer dat de hoes niet vermeldt wie verantwoordelijk is voor de dwarsfluit die her en daar opduikt.
Twee mij onbekende namen doen de zang: Darren Rogers en Jason Beddoe. Beiden hebben een goed bereik en een "schone zangstijl" zonder rauw randje.

Gevarieerde progressive rock, stevig en gevarieerd, vaak uptempo en altijd toegankelijk. Met vooral scheurende gitaar. Anders dan in de verschillende fases van "zijn" Kansas, ook anders dan het Kansas van die dagen en ver verwijderd van zijn solowerk met AD in de jaren '80.
Mijn favoriete nummers zijn het knallende Two Thousand Down en het gelijkaardige Throw Me Down, het melancholische One Dark World, het swingende en toch symfonisch-stevige No Holds Barred dat zomaar de single had kunnen zijn, en afsluiter Xylon (The Tree) waar de symfonische ingrediënten het sterkst zijn.

Dikke kans dat ik over een half jaar meer nummers als favoriet aanwijs. Want dat is eveneens een sterke kant van When Things Get Electric: het is een groeiplaat, waarvoor je moeite moet doen om hem te doorgronden en waarbij na enige tijd andere details komen bovendrijven. Diverse lagen in de muziek, zoals Livgren dat zo goed kan. Dat het vooral uptempo is, maakt dat ik er zojuist nog een halfje bij deed.

Khymera - Khymera (2003)

poster
4,0
Project van de Italiaanse shredder Daniele Liverani. Centraal staat echter niet de gitaar, maar de compositie. Op het instrumentale titellied na worden alle nummers door Steve Walsh van Kansas gezongen. Geproduceerd door Mike Slamer, met wie Walsh in de jaren '80 de kern vormde van de groep Streets. Khymera's titelloze debuut klinkt als het nooit gemaakte derde studioalbum van die groep. Oftewel, vette jaren '80 hardrock/aor met steevast sterke melodieën.

Opvallend is dan ook de lijst van namen die meeschreven aan de nummers, zoals synthesizer-discoproducer Giorgio Moroder (van Donna Summers I Feel Love en veel meer) en een keur van bekende namen uit de wereld van hardrock met veel melodie, allen met indrukwekkende cv's. Liefhebbers zullen de namen van Amerikanen Reb Beach, Jim Peterik, Neal Schon, Mark Spiro en Kip Winger herkennen. Dat hoeft niet per se tot sterke nummers te leiden, maar Liverani slaagde erin om een sterk album bij elkaar te vergaren.

De productie van het titelloze debuut van Khymera is zowel gelikt als stevig. Amerikaans had ik vroeger gezegd, maar dit komt toch echt uit Europa (het Italiaanse label Frontiers). Liverani speelde naast gitaren ook toetsen en bas; drummer was Dario Ciccioni. Uptempo nummers worden afgewisseld met langzamer werk en degenen die denken dat de stembanden van Steve Walsh vanaf de jaren '90 versleten waren, kunnen hier het tegendeel horen: hij zingt de sterren van de hemel.

Strike Like Lightning, Shadows en Love Leads the Way zijn de drie nummers die me het meest bevallen en ik vermoed dat als ik dit album over een maand weer opzet de muziek nog beter zal binnenkomen. Bovendien werk dat het onderweg zelfs een tikkeltje beter doet. Tot dusver niet op vinyl verschenen, wel op de diverse streamingplatforms te vinden.
Khymera ging verder met de toevoeging van Dennis Ward, een in Karlsruhe wonende Amerikaanse bassist. Bij Khymera werd hij zanger en met The Grand Design (2015) bleek Liverani vertrokken en werd het Wards project. Dit jaar verscheen hun laatste album Hold Your Ground.

Kilburn & the High Roads - Handsome (1975)

poster
3,0
In 1975 waren Kilburn & the High Roads een vaste waarde in de Engelse pubrockscene. Toch is het rockgehalte hier eigenlijk nul. Ian Dury en zijn kompanen zoeken het ofwel in de jaren '50, óf in de voormalige West-Indische koloniën van Groot-Brittannië. Met dank aan rbreeman voor zijn heldere historische uitleg in het vorige bericht, na zestien jaar weer eens aandacht voor dit plaatje.

De albums van new wave ontdekkend aan de hand van de afspeellijsten die ik maakte, reis ik eerst door de voorlopers van het genre. Na Milk 'n' Cookies uit de regio New York kom ik bij dit zeer Engelse buitenbeentje. We horen showbizzmuziek met vleugjes (bigband)jazz, ouderwetse rock 'n' roll én ska. Een bonte verzameling muziek; je zou het ook stuurloos kunnen noemen. Dat doe ik echter niet: alles ging door het jaren '70-filter van deze Londenaren en let ook eens op de droogkomische teksten. Dat dezelfde Ian Dury niet veel later één van de grote namen in new wave zou zijn, zou je desondanks nog niet bevroeden.

Handsome is ook op streaming te vind, maar met een andere trackvolgorde; ik heb een aparte afspeellijst gemaakt waarop de boel in de volgorde staat zoals MuMe die aangeeft, naar de oorspronkelijke plaat.
De nummers met ska/reggae: opener Roadette, het vreemdsoortige Father dat wordt gevolgd door Thank You Mum, gezongen door pianist Rod Melvin; in afsluiter The Call-up zitten steeldrums.
En die met jaren '50 muziek: showbandjazz in Pam's Moods; ballade Crippled with Nerves met daarin een tenorsaxsolo en een steelguitar die naar country knipoogt; het midtempo Broken Skin met een tu-tu-tu-tu-tu-tuu dameskoortjes, Upminster Kid op beschaafd swingende rock 'n' roll, iets uitgelatener is Patience (So What?) dat ook van tijdgenoten Showaddywaddy had kunnen zijn met hun 1976-hit Under the Moon of Love; dameskoortjes in Rough Kids en The Badger and the Rabbit; het vriendelijk rockende The Mumble Rumble and the Cocktail Rock.

De groep maakte vervolgens bezettingswijzigingen door, ging nog even door het leven als Ian Dury & The Kilburns waarna Ian Dury & The Blockheads begin 1978 mijn transistorradiootje bereikten.
Die kom ik op een volgend afspeellijstje tegen, éérst verder met lijstje deel 01. Terug naar New York, op bezoek bij The Dictators met hun protopunk.

Killing Joke - Killing Joke (1980)

poster
2,5
Er zijn groepen die een relatief kleine, maar trouwe achterban hebben die de naam in kwestie door dik en dun steunen. Ik denk aan bijvoorbeeld New Model Army en dit Killing Joke.

Toen destijds hun eerste album in de platenbakken landde, was ik nét zo ver dat ik zelfstandig naar de platenzaak in de Grote Stad ging. Over het titelloze debuut van Killing Joke las ik in het toen tweewekelijks verschijnende Oor. Het werd daar gelijktijdig gerecenseerd met Ace of Spaces van Motörhead, Live... In the Heart of the City van Whitesnake, Strong Arm of the Law van Saxon, Sound Affects van The Jam, Organisation van O.M.D, Autoamerican van Blondie en Visage van Visage.
Killing Joke was kennelijk hard, zo las ik, maar geen hardrock of metal. En evenmin was het reguliere new (doom) wave of punk, al suggereert de hoes dat laatste genre. Ik heb de hoes in de platenbak in de winkel in handen gehad, zonder enige intentie 'm te kopen. Gewoon een interessante naam, waarbij het tot Die Ene Hit van enkele jaren later zou duren voordat ik hen daadwerkelijk hoorde.

De voorbije dagen kwam ik maar niet in dit album, waarna ik besloot om mijn vijftien-zestienjarige ik in te schakelen. Doe ik altijd, werkt feilloos als ik mijn muzikale intuïtie wil volgen. Dan sla ik tweemaal aan: met de dreigende synths en intense groove van The Wait en het iets minder indringende Complications.
Voor het overige gebeurt er te weinig, al vind ik de DDR-radiostem in S.O. 36 sterk om de koude sfeer van een dictatuur te brengen. De riff van Requiem bijvoorbeeld wordt te vaak herhaald, Wardance met zijn vervormde stem pakt me evenmin, de riff van Bloodsport is me te bikerrock en Change is me te funk.
Met de oren van nu hoor ik wel de kracht in de variatie. Met de stijlkenmerken die ik zojuist beschreef klinkt een unieke en tegelijkertijd stevige combinatie. Het is echter grotendeels niet mijn ding.

Trekt u zich dus niets van mij aan, want dazzler sloeg de spijker op de kop toen hij noteerde "De spartaanse grootstadsfunk van dit album". Mijn reis door de wereld van new wave bevindt zich in oktober 1980. Ik kwam van The Chords en So Far Away en vervolg bij The Monochrome Set en Love Zombies.

Kim Wilde - Closer (2025)

poster
4,0
Een nieuwe Kim Wilde en in oktober komt ze ook nog eens op tournee naar Nederland en België! Closer bevat - gelukkig - haar vaste koers van muziek op de rand van pop en wave met die immer herkenbare, wat monotone stem. De eerste vier nummers knallen erin: Midnight Train als pompende opener, in Scorpio een laagje scheurgitaar, Trail of Destruction met moderne dancegeluidjes in de synths en het melancholische Sorrow Replaced is een fraai duet met Midge Ure.

Er zit geen sleet op haar stem, die weliswaar nooit zal uitbarsten in rauwe uithalen maar o zo passend is bij deze popwave. Met het langzame Lighthouse kan ik minder, maar het stampende Love Is Love is aangenaam en het dreunende Rocket to the Moon heeft met z'n scheursynths zowaar weg van Muse.
Daarna haak ik enigszins af, maar dankzij de tekst van het openhartige slotlied Savasana over zelfacceptatie - "I'm embracing myself once again" - wordt een uitroepteken achter Closer gezet. De onweergeluiden werken hier bovendien goed.

Een lekker album, overigens niet te verwarren met haar Close (1988).

Kim Wilde - Kim Wilde (1981)

poster
4,0
Je kunt Kim Wilde afdoen als klapkauwgompop. Het is een term die ik enkele jaren geleden uit de mond van Frits Spits hoorde bij een Nederlandstalig liedje; dit album is, al kan het als gelikt en commercieel worden beleefd, desondanks veel meer dan dat. Sterker nog, anders dan sommigen hierboven staan er voor mij geen fillers op.
De composities kloppen, melodieën blijven hangen, arrangementen zijn lekker (soms veel gitaar, soms veel synthesizers), zijstapjes qua invloeden (reggae in Everything We Know, rock in Young Heroes, ska in 2-6-5-8-0) en altijd weer die nasale en toch charmante stem van mevrouw Wilde.

Ze klonk in het voorjaar van 1981 vaak op de Nederlandse radio. In diezelfde periode dook ik in de historie van Status Quo. Daar ontdekte ik dat op hun debuut drie liedjes stonden, medegeschreven door Kims vader Marty Wilde, waarvan Ice in the Sun een hit was geweest. Voor dit Kim Wilde schreef hij alle liedjes samen met Kims broer Ricky.
Kids in America betrad eind april '81 de Nederlandse Nationale Hitparade, in juni piekend op #8, Chequered Love kwam in juli op #2. Het eerste nummer was en bleef mijn favoriet, albumtrack You'll Never Be So Wrong is met z'n weemoed en toetsendeken mijn andere, dankzij de melodie en het arrangement met ohooo-koortje.

Andere feitjes die ik recent opduikelde: mij onbekend was dat Wildes officiële achternaam Smith is, dat Kids in America in haar eigen Verenigd Koninkrijk al in maart #2 haalde, Chequered Love kwam daar in mei tot #4 en er was een derde hit van dit album met albumopener Water on Glass, in augustus #11. In 2020 verscheen er een uitgebreide heruitgave van Kim Wilde op 2cd+dvd, zie hier op Discogs.

Ik ben op reis door new wave, momenteel in april 1981 en kwam van de derde van het Noord-Ierse punkgezelschap Stiff Little Fingers. Omdat ik single Treason en album Kilimanjaro van The Teardrop Explodes al besprak, keer ik terug naar Noord-Ierland, deze keer voor The Undertones en hun album Positive Touch.

King Nun - LAMB (2023)

poster
3,5
Aanbevolen door blur8 bij Dead Meat van The Tubs, is King Nun muzikaal gezien de lichtste van de drie namen die hij daar noemde. De gitaren ronken weliswaar, maar geluidsexplosies zoals bij de andere twee vinden hier veel minder plaats.
Opvallend is de hoes met een naïef geschilderd lieflijk landschapje vol bloemen, een meisje in schattig jurkje en drie even knuffelbare lammetjes. Ben bij voorbaat al nieuwsgierig naar het titelnummer van Lamb dat de plaat afsluit.

In Do You Know Who You Are? klinken bovendien héél bescheiden toetsen en One Time Alarm start met akoestische gitaar. Gedurende het album valt er genoeg te variëren met als mijn overige persoonlijke hoogtepunten het midtempo OCD, het nog geen twee minuten durende instrumentale Escapism met heerlijke wollige gitaarmuur. Het blijkt dat deze herriebak bijzonder fraai contrasteert met het akoestische en uptempo slotlied Lamb; wát een mooi liedje met bovendien een aangename pianopartij! Een beetje of ik de aangename popkant van Madness hoor, Brits huppelend toegankelijk.

Minder heb ik met de vrij schelle zang, vooral bij de uithalen; na een tijdje wordt het irritant. In de lagere regionen echter wél aangenaam, getuige het eerste deel van In Vains of de afsluiter. De relatief korte duur van de nummers (elf stuks in een dikke 32 minuten) is bovendien fijn: korte nummers schrijven is óók een kunst.

Alhoewel ik meer van de harde postpunk ben dan van de diverse stijlen die blur8 hierboven in zijn slotzin noemde (die vielen mij overigens niet op, King Nun klinkt in mijn oren als King Nun), wordt in hun stijl de nodige variatie geboden. Lekker plaatje.

KK's Priest - Sermons of the Sinner (2021)

poster
3,5
Ik had altijd aangenomen dat gitarist K.K. Downing in 2011 op vriendschappelijke voet Judas Priest had verlaten. De man was 60, tijd voor andere zaken, dacht ik. Ik vergiste me deerlijk.
Lang bleef het stil, echter in de aanloop naar dit debuut van KK's Priest verschenen de nodige kritische commentaren van de man op zijn oude groep en omgekeerd behandelde Judas Priest hem en Les Binks bepaald niet correct bij de inductie in de R&R Hall of Fame. Satriani/vai schreef daarover afgelopen september, Aardschok citerend. Waarom hebben die twee kampen toch zo'n hekel aan elkaar gekregen?

Nu is er een nieuwe Judas Priest en ter vergelijking beluisterde ik vanochtend hun vorige album en vanmiddag op het werk en vanavond in de auto dit Sermons of the Sinner van KK's Priest. Bij mij werkt ie beter in de auto.
Na de soundscape van Incarnation wordt er drie nummers lang gebeukt met de stem van Tim Owens meestal in de bovenkrijs, zoals Rob Halford deed in Painkiller. Ik kan genieten van de knetterende gitaarduels met A.J. Mills en hier en daar zit een lekkere tempowisseling. Meer dan bij het grote Priest het geval is.

Zoals ooit de rode vakbonden en partijen de proletariërs voorhielden zich te verenigen, zo krijgen we vervolgens drie nummers de boodschap 'metalheads der aarde, verenigt u'. Jammer van het who-ho-ho-koortje in Raise Your Fists, maar verder is het goed te doen. Beste van die drie vuisten-in-de-lucht-nummers is Metal Through and Through dankzij de diverse tempowisselingen en de gitaarsolo's. Het heeft hier ook wel weg van het huidige Accept.

Dan gaan we weer vooral op hoog tempo knallen, want we zijn "wild en vrij"! Hihi, die K.K! Sterker is Hail the Priest qua melodie en riffs. Fijn dat het album tot een 50 minuten beperkt blijft wat verveling voorkomt, want al met track 10 Return of the Sentinel is daar de finale. Het krijgt na een dikke vijf minuten een lang akoestisch slot van zo'n drie minuten: mooi gedaan.
Minder heb ik met de keuze die Owen maakt om vooral hoog en geknepen te zingen. Deed hij trouwens ook in zijn jaren bij het grote Priest. Hoe mooi was het geweest als hij dat akoestische deel aan het einde ingetogener had gezongen, zoals bijvoorbeeld Geoff Tate zo goed kan.

Sermons of the Sinner is heavier dan Judas Priest ten tijde van Firepower. Na tien jaar pensionadoschap (ballingschap?) sloeg die ouwe blonde snarenracer hard met zijn vuist op tafel. De nodige tempowisselingen zijn een pré ten opzichte van Priests Firepower.
Ik word door KK's sermons weliswaar niet omver geblazen, maar een dikke 7 is dit wel waard, mede dankzij de prettige productie van K.K. zelf. Eens kijken wat ik ook alweer van hun volgende plaatje vond.

KK's Priest - The Sinner Rides Again (2023)

poster
3,0
Alsof het Hollywood is, heet de opvolger van Sermons of the Sinner herkenbaar The Sinner Rides Again. Dit is werkelijk een sequel, een herhaling van zetten die het niet haalt bij het debuut.

Bagger is het evenmin: gevarieerde nummers met de nodige tempowisselingen, razendsnelle gitaarsolo's en de vaak hoge zang van Tim Owens, waarmee KK's Priest in het griezelverhaal van Keeper of the Graves naar King Diamond knipoogt. Met de sferische toetsen die her en der opduiken krijg je bovendien enige invloed van powermetal mee, maar de composities zijn stukken heftiger dan dat genre en in de langzamere delen met z'n lange gitaarlijnen zijn er snufjes Paradise Lost. Wat nog eens onderstreept dat dit very metal is. Daarbij ben ik blij dat K.K. Downing een snarenvlugge soortgenoot vond in A.J. Mills, de man met de grote bovenarmen.

In Hymn 66 klinken echo's van Priests The Ripper; de tekst is een ode aan "Lord of all turmoil, fear and dread (...) God of war". Als ik het nieuws volg, denk ik dat degenen die daar middenin zitten daar anders over denken... Ik neem het veel te serieus waarschijnlijk, maar toch deze kanttekening bij de poëzie van meneer Downing (72) die het nummer schreef.
Dan liever het verhaal in het afsluitende Wash Your Sins Away, waarin opnieuw religieuze symboliek klinkt maar dan constructiever.

Hun tweede album duurt met z'n 40 minuten zo'n tien korter dan het debuut, waarmee het lang genoeg is. Beste nummer blijkt One More Shot at Glory te zijn, dat vooraf ging aan het album. Hier komen alle genoemde kwaliteiten van de groep het sterkst samen, jammer alleen dat het zo inspiratieloos wordt weggedraaid.

Een 6,5 van mij, uitgedrukt in drie sterren. De komende dagen ga ik eens gebruiken om KK's Priest te vergelijken met de nieuwe Judas Priest.

Kraftwerk - Autobahn (1974)

poster
4,0
Het is heel moeilijk om de invloed van het Düsseldorfse Kraftwerk op popmuziek te overschatten. Al in 1970 werd door hen volop geëxperimenteerd met zelfgebouwde synthesizers. Dat ook live, hier te zien.
Vanaf het vierde album Autobahn (verschenen bij Philips in november 1974) bereikte de voormalige krautrockgroep in '75 zowaar een groter publiek én drong ze door tot het buitenland. Inmiddels als kwartet, te zien op het dashboard van de auto op de hoes. In Nederland haalde de singleversie in juli #16, de elpee in augustus #11, in het Verenigd Koninkrijk de single in juni #10 en het album #4 en in de Verenigde Staten de single reeds in mei #25 en de elpee die maand #5.

Maar de waarde zit 'm niet in de verkoopcijfers van toen. De invloed op allereerst de synthesizerbands maar vervolgens ook hiphop en de vele subgenres binnen dance is groot, dankzij de digitale beats. Mijn indruk is bovendien dat ze ook invloed hadden op de opnametechnieken in het algemeen. Muziek was niet alleen op digitale wijze uit te voeren, maar vanaf ca. 1980 veranderde het geluid van popmuziek zoals in de studio vastgelegd. Applaus voor producer Conny Plank, later actief bij o.a. Ultravox en Eurythmics.
Niet iedereen is hiervan onder de indruk. Ik herinner me een discussie bij DWDD uit 2011 waarin Kraftwerk uit een popcanon werd gehaald. Een domme zet, die ik mopperend heb zitten bekijken. Het fragment is nog op YouTube te vinden ook.

Ik kom hier omdat ik de albums achter mijn afspeellijstjes met new wave beluister. Kraftwerk is na het DDR-werk van Nina Hagen de tweede Duitse naam bij de voorlopers van dit genre. Het is schakelen na eerder vandaag de rockende Hollywood Brats te hebben beluisterd: in vergelijking daarmee is Autobahn kalm en steriel. Ook al ben ook ik niet per se een enorme fan van het titelnummer, duidelijk is dat hier iets revolutionairs gebeurt. Los van deze kant 1 verdienen ook de kortere nummers van de tweede helft aandacht.

In Kometenmelodie 1 hoor je namelijk al het geluid van de Britse synthbands in 1979: Tubeway Army/Gary Numan en The Human League. In Kometenmelodie 2 klinken ouderwetse rock 'n' roll akkoorden en het werkt ook nog.
Of wat te denken van de "vogelgeluiden" en verstilde klanken in het intro van Mitternacht? Zou dit doorklinken bij Brian Eno op zijn plaat Another Green World (1975) en diens met David Bowie opgenomen Low (1977)?
En is het verstilde Morgenspaziergang met een ordinaire blokfluit niet een fraai voorbeeld hoe een houten instrument met digitale geluiden kan samengaan?

Met de successen van synthgenoten in 1977, namelijk de in München werkzame Italiaan Giorgio Moroder (I Feel Love van Donna Summer is van zijn hand) en vanuit Frankrijk Jean-Michel Jarre (Oxygene uit '76) groeit de invloed van deze pioniers stormenderhand.
Je zou kunnen discussiëren wie er invloedrijker zijn gebleken: Beatles en Stones enerzijds of Kraftwerk anderzijds. Zo'n gesprek zal ik de komende tijd met diverse vrienden voeren (JeKo: zaterdag!), vooraf ben ik geneigd om voor Kraftwerk te kiezen. Omdat ze zoveel uiteenlopende genres én generaties hebben beïnvloed en omdat de opnameproducties in de jaren erna zoveel digitaler gingen klinken. Qua persoonlijke muzieksmaak geef ik vier sterren, verdubbel dat maar voor de historische waarde.

Mijn snelweg langs de invloeden op new wave vervolgt met alternatieve gitaarliedjes: op naar het Amerikaanse Big Star.

Kraftwerk - Die Mensch·Maschine (1978)

Alternatieve titel: Die Mensch-Maschine

poster
4,0
Op reis door new wave in 1978 kom ik van punk van de Britse Buzzcocks bij de Duitse post-krautrock / electropop van Kraftwerk. Naar aanleiding van mijn verhaal bij Autobahn (1974) als één van de invloedrijke albums op new wave (en veel meer genres), reageerde maatje JeKo via een appbericht met iets als "dit heeft toch niks met new wave te maken?" We werden het echter al spoedig eens en als PS'je aan hem kan ik melden dat ik deze boeiende docu van 18 minuten bij Deutsche Welle History tegenkwam, inclusief een rondleiding door Düsseldorf.

Met Die Mensch·Maschine is Kraftwerk vier jaar en drie albums verder. Zowel Radio-Aktivität / Radio-Activity als Trans Europa Express / Trans-Europe Express verschenen in zowel een Duits- als Engelstalige versie, maar in tegenstelling tot Autobahn haalden die niet de Britse albumlijst. Wel was er met Trans-Europe Express bescheiden succes in de VS.
Met Die Mensch·Maschine / The Man·Machine blijft het succes opnieuw klein. Als album haalt het in het VK in juni 1978 #53 en als 12" haalt Neon Lights dezelfde positie in oktober, maar een kleine groep gaat ermee aan de slag.
Inmiddels zijn er namelijk betaalbare synthesizers op de markt gekomen en al spoedig komen we ze tegen bij onder meer The Human League uit Sheffield, Depeche Mode uit Basildon in Essex en Orchestral Manoeuvres in the Dark uit Liverpool. Nog niet doordringend tot het grote publiek, zijn dit veelal jongeren met een achtergrond bij kunstacademie, videokunst en als softwareprogrammeur. Eveneens opvallend: ze zijn actief buiten Londen met zijn concentratie van punk- en new wave-/postpunk. Eén van de genoemde muzikale invloeden is steevast Kraftwerk.

Walkmans kenden we in Europa nog niet, je moest dit thuis op je platenspeler of cassettedeck draaien. Vooral de eerste plaatkant vind ik pakkend: Die Roboter met zijn sci-fi-bliepjes, drumcomputer en vervormde zang, dansbaarder bij Spacelab en Metropolis. Kant 2 opent met het meest als pop klinkende Das Model, waarna de albumversie van een dikke 9 minuten van Neon Lights volgt. Afgesloten wordt met het titelnummer.

De hitgeschiedenis van The Model is curieus. Pas in 1981, als synthpop volop is doorgedrongen tot de hitlijsten, komt het in de Britse hitlijst, in juli piekend op #36. In de laatste week van dat jaar keert het terug om in februari 1982 warempel #1 te halen. Groepen als Ultravox, Soft Cell en New Order hebben de naam van Kraftwerk verder doen groeien.
In de Verenigde Staten minder succes: geen singlehits en The Man·Machine reikt in maart 1978 tot #130 in de albumlijst. Al zijn dat in zo'n groot land nog altijd respectabele verkoopcijfers en bovendien is het daar hiphop-dj/rapper/producer Afrika Bambaataa die met de Duitse beats aan de slag gaat en in 1982 scoort met single Planet Rock. De invloed van Kraftwerk werkt opnieuw voorbij de grenzen van een genre, tot op de dag van vandaag.

In Nederland haalde The Model in december 1978 #43, in februari '82 nog eens #41; het album #29 in juni 1978, waarbij de Engelse versie wordt aangehouden. In Vlaanderen geen singlesucces, het album haalt er #136.
In het eigen Duitsland wordt single Die Roboter in juli 1978 #25 en in 1991 als Die Roboter 91 nog eens #18. Das Model is er pas in 1982 een hit, #7 in april. Die Mensch·Maschine haalt er september '78 #12 en in oktober 2020 #19.

Een groep van wie de invloed veel wijder reikt dan slechts electronische pop en new wave. Maar ik blijf in deze laatste stroming en vervolg die bij een non-albumsingle uit 1978 van XTC, in 1982 op deze verzamelaar verschenen.

Kraftwerk - Radio-Aktivität (1975)

Alternatieve titel: Radio-Activity

poster
3,5
Werd met Autobahn de spijker op de kop geslagen, deze opvolger Radio-Aktivität vind ik op kant 1 nog lekkerder.
Een album van "vóór mijn tijd", maar de invloed van Kraftwerk kwam ik vaak, nee, zéér vaak tegen. Die overschatten is moeilijk. Zo kom ik hier vandaag omdat ik debuutsingle Electricity (1979) van Orchestral Manoeuvres in the Dark beluisterde en ontdek dat de inspiratiebron voor dit nummer bij het titelnummer van dit Radio-Aktivität lag. De Britten stonden open voor deze nieuwe vorm van krautrock, zeker toen de Kraftwerks na een Duits- ook een Engelstalige versie kregen.
Meer herkenning:de eenvoudige beat van Radioland doet sterk denken aan wat Brian Eno en David Bowie in het nummer Art Decade zouden doen op Bowies album Low (1977).

Ik krijg zin in ontbijt met Kaiserbrötchen en vanavond een grote pul Pils mit Curry- oder Bratwurst, het liefst in een etablissement met veel jaren '70-oranje en -knalgroen in het interieur. Deutschlandweh en Siebzigerweh, het steekt met dit album de kop op. Toch vreemd bij muziek die indertijd als science-fiction moet hebben geklonken. Alhoewel, de Nachrichten die kant 1 afsluiten moeten toen al herkenbaar of zelfs passé hebben geklonken. Ouderwets én grensverleggend. Een bijzonder album.

Krokus - Hardware (1981)

poster
3,5
Ik kende Krokus niet toen ik Hardware uit de dorpsfonotheek leende, al wist ik van hun Zwitserse afkomst en stijl in het voetspoor van AC/DC.

Na fabrieksgeluiden begint het trage Celebration, een curieuze start van een hardrockplaat. Raar, maar als opwarmer niet onprettig. Daarna ging het tempo omhoog in Easy Rocker en van zulke muziek hield ik. Degelijk geproduceerd bovendien, waarbij ik helemaal opveerde bij de gitaarsolo. Deze wordt heel fraai opgebouwd van langzaam naar snel en tegelijkertijd van laag naar hoog. Wie was deze snarenracer? Fernando von Arb, nam ik ten onrechte aan na bestudering van de achterzijde van de hoes; de binnenhoes ontbrak, zoals wel vaker bij platen die je uit de bieb leende; gejat door een eerdere lener.

Mr. 69 was wel erg schaamteloos van het Australische voorbeeld geleend, maar dan wel goed en wederom was daar een snelle gitaarsolo, ditmaal in de stijl van Angus Young. Toch had ik liever het weer snellere She’s Got Everything, dat de A-kant afsluit: de slaggitaar leek beïnvloed door Motörhead of Ramones (Huh? Ja, echt waar!) en de gitaarsolo is wederom fraai opgebouwd: beginnend op volle snelheid en diverse hoofdstukken bevattend, waarbij de riff aan het einde soepeltjes wijzigt. Beste nummer van de plaat, zeker omdat in het uittro alweer een lekker solootje zit.
Op de B-kant waren het de laatste twee nummers die me pakten: Winning Man dat midtempo begint en dan versnelt en ten slotte Mad Racket, dat zo lekker swingt dat ik hen de AC/DC-kopieerstijl vergaf.

Sommige nummers van dit album noem ik niet: dat vond ik slappe aftreksels van de band uit Sydney. Vijf nummers belandden op een cassettebandje, dat ik vaak heb gedraaid.
Pas enkele jaren geleden ontdekte ik dat het Tommy Kiefer was die de gitaarsolo’s deed. Misschien ontstond het misverstand omdat Von Arb vanaf de volgende plaat inderdaad hiervoor verantwoordelijk was. Kiefer moest afhaken wegens zijn heroïneverslaving en zou in 1986 tragisch overlijden, zoals Nieuwstad twaalf jaar geleden al vermeldde. De solo's van Kiefer (soms kom ik zijn naam als Keifer tegen) blijken niet zo knap als ik toentertijd dacht, tegelijkertijd was hij een meester in timing. Blijft zeer aangenaam.

Krokus is voor mij op z’n best als ze een eigen geluid zoeken en daarbij uptempo nét iets verdergaan dan hun voorbeeld in die jaren. Een dikke zeven.