MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Ritchie Blackmore's Rainbow - Stranger in Us All (1995)

poster
3,5
Gisteren las ik het nieuws dat Ritchie Blackmore anderhalf jaar geleden een hartaanval had en daarom niet zal vliegen (hij woont in de VS). Zie Classic Rock Magazine en dit interview met vrouwlief Candice op YouTube. Ik realiseerde me dat ik Rainbows discografie nodig eens moest vervolgen.

Met gevoelens van deja-vu volgde ik het nieuws van eind 1993 en begin 1994 rond zijn plotselinge vertrek uit Deep Purple en de heroprichting van Rainbow. Een herhaling van zetten zoals in 1975, alhoewel ik dat niet bewust had meegemaakt.
Bij Purple werd Joe Satriani de tijdelijke vervanger en Steve Morse de definitieve. Ondertussen was het de vraag wat het nieuwe Rainbow zou brengen. Zeker was dat hij weer gebruik maakte van de oorspronkelijke naam, voluit Ritchie Blackmore's Rainbow.
Zou hij oudgedienden vragen en zo ja: wie? Vooral de positie van zanger maakte nieuwsgierig. Ronnie James Dio was inmiddels overleden en Graham Bonnet leek een onwaarschijnlijke kandidaat. Joe Lynn Turner dan? Mogelijk, zo schatte ik in.

Augustus 1995 was daar dan het achtste studioalbum van Rainbow, dit Stranger in Us All. Blackmore had een Schot (zanger Doogie White) plus drie onbekende Amerikanen om zich heen verzameld. Vervolgens was daar de tournee, waarbij ik las dat de gitarist gescheiden van het jonge grut reisde.
Daarbij herinner ik me een interview in Aardschok met Blackmore door Robert Haagsma. Bekend met diens reputatie van humeurige buien, had deze een t-shirt van Feyenoord meegenomen als cadeau. De Engelse voetballiefhebber was in zijn nopjes met het cadeau, waarna de gitarist op zijn praatstoel zat. Misschien heeft Von Helsing dit nummer nog liggen en kan hij eventuele andere smakelijke details opdissen?

Laat ik in de interessesfeer van Blackmore blijven en Stranger in Us All in een wedstrijdverslag gieten.

Meteen van de aftrap spelen de oude meester en zijn jonge honden fel en vol bezieling. Het uptempo Wolf to the Moon en het iets langzamere Cold Hearted Woman zijn van hoog niveau, de nieuwe muzikanten doen het prima en Blackmore draait en wervelt als altijd. Dit is steviger dan de radiovriendelijke koers van het Rainbow van de jaren '80 met Joe Lynn Turner.
Dan echter verkrampt het team: met Hunting Humans (Insatiable), Stand and Fight en Ariel lukt het niet, al blijft het genieten van hetgeen uit de gitaar komt en heeft Doogie White een aangename, rauwe stem. Mindere composities zijn het manco, zo simpel is het. Rainbow sleept zich naar de rust.

Tweede helft. De thee heeft hen goed gedaan, Too Late for Tears is aangenaam in de stijl van de man-met-de-hoed en hetzelfde geldt voor Black Masquerade. Net als in de eerste helft echter slaat dan de vermoeidheid toe met het weliswaar aardige Silence (de melodie ervan lijkt op Purples You Fool No One uit 1974) en remakes van zowel Hall of the Mountain King (oorspronkelijk uit 1876 van Edvard Grieg) als Still I'm Sad (in vocale versie op On Stage uit 1977).
In blessuretijd is daar het midtempo bonuslied Emotional Crime. Aardig. Toch valt er meer te genieten van Blackmores gitaarspel dan van diens composities. Een nipte overwinning van dit Rainbow is het eindresultaat, de kennismaking met Doogie White blijkt een aangename.

Dit Rainbow stopte al spoedig: Blackmore was klaar met rock en stapte in 1997 met Candice Night over op renaissance-geïnspireerde muziek. Daarover werd veel gemopperd door zijn oude fans, maar ik kon me wel voorstellen dat de inmiddels vijftig-plusser toe was aan iets anders. Zoals mijn halve vriendenkring rond z'n veertigste een carrièreswitch maakte.
Nu pas ontdek ik dat bassist Greg Smith ooit korte tijd bij de Amerikaanse punkgroep The Plasmatics zat en na Rainbow bij Ted Nugent landde, toetsenist Paul Morris speelde onder meer bij Nena (!) en Joe Lynn Turner en drummer John O'Reilly bij Blue Öyster Cult en Trans-Siberian Orchestra én je kunt drumlessen van hem krijgen!

Vanaf 2014 werden de geruchten over een reünie van zowel Rainbow als een hernieuwde samenwerking tussen David Coverdale en Ritchie Blackmore sterker. In 2015 bleek dat het Rainbow was geworden en in juni 2016 volgden een schamele drie optredens, resulterend in het in november dat jaar verschenen Memories in Rock: Live in Germany.

Robby Steinhardt - We're Not in Kansas Anymore (2021)

Alternatieve titel: A Prog Opera

poster
4,5
Postuum verscheen het eerste volledige album dat de voormalige zanger en violist van Kansas maakte. Ik ontdekte enthousiaste recensies en bestelde het album bij de platenmaatschappij omdat ie anders niet verkrijgbaar is. Na zo’n vijf weken en vijftien dollar plus circa negen euro importkosten armer belandde de cd in mijn speler. Ook op vinyl verkrijgbaar en gezien de prachtige hoes had ik dat wellicht nóg beter kunnen doen.

De opgetogen recensies bleken niet overdreven. Op de hoes bedankt Steinhardt de gebroeders Michael en Tim Franklin, die hij grotendeels verantwoordelijk houdt voor de muziek, geschreven in de geest van Kansas. Elf sterke songs vol gevarieerde, gecompliceerde progressieve rock, niet snel te doorgronden maar bekend terrein voor liefhebbers van het genre. Zes nummers zijn instrumentaal, op de andere horen we Steinhardt zingen.
De kwaliteit is nergens middelmatig of lager dan dat. Integendeel, het album zit nu al wekenlang in mijn speler, ik blijf ‘m draaien. Anders dan de ondertitel doet vermoeden is dit niet één groot conceptalbum.

Na een korte instrumentale aanloop barst Truth to Power los, uptempo met een pakkend refrein, de “single” van het album met o.a. een gastsolo van gitarist Pat Travers.
Mother Earth is langzamer, een oproep om voorzichtig om te gaan met onze planeet, zoals Steinhardt met Kansas lang geleden al deed. Het instrumentale Rise of the Phoenix, met daarin solo’s van gitarist Steve Morse, wordt gevolgd door Phoenix; opnieuw progrock van hoog niveau. Heerlijk hoe die prachtige stem van Steinhardt, die bij Kansas enigszins in de schaduw stond van de briljante zang van Steve Walsh, op deze plaat alle ruimte krijgt.
Na deze dubbelslag volgt een volgende, op vinyl is dit de aftrap van de B-kant: Prelude en Dust in the Wind. De klassieker van Kansas krijgt een uitgebreide make-over, als een frisse minisymfonie. Helemaal fijn.
Dan volgt Pizzicato, klinkend als een Middeleeuws slaapliedje. Klein en schattig met Ian Anderson als gastmuzikant op fluit en dwarsfluit. Downtown Royalty is midtempo, mijn minst favoriete maar nog altijd van niveau.
Hierna de titelsong, voor mij hét bombastische hoogtepunt van de plaat. De track zit vol verwijzingen naar niet alleen zijn oude bandje, maar ook de film Wizard of Oz, de versie uit 1939. Knipoogjes die we ook op de hoes tegenkomen, waar Steinhardt is te zien als de kleine Dorothy – hilarisch met dat ouwemannenlijf, een man met zelfspot, hou ik van!
Bonussong A Prayer for Peace is een kleinood, met nog eenmaal de viool van deze legende.

Heerlijk en vaak knallend album, het meestgedraaide in mijn huis gedurende de eerste maanden van dit jaar. (Nog?) niet via streaming verkrijgbaar.

Robin Lane & The Chartbusters - Imitation Life (1981)

poster
3,5
...kleine aanvulling: in 1984 bracht Robin Lane solo de EP Heart Connection uit; in 1986 tourde ze en stond daarbij op het Flevo Festival, in 2002 verscheen van de groep Piece of Mind, in 2019 de overzichtsbox Many Years Ago: The Complete Robin Lane & The Chartbusters Collection met daarop tevens EP's en livewerk. Sinds 1995 bracht ze vier soloalbums uit, waarvan de laatste in 2022.

Imitation Life is opvolger van een titelloos debuut. Daarop vielen naast de vaak bronzen stem van Robin Lane de gevarieerde gitaarpartijen op van de twee ex-gitaristen van Jonathan Richman & The Modern Lovers: Leroy Radcliffe en Asa Brebne. Ook hier horen we hoe ze op eigen wijze met inventieve invulling de muziek kleurrijk invullen. Het resultaat is opnieuw aangename gitaarwave, waarbij de liedjes variëren in tempo.
Opener Send Me an Angel opent redelijk vlot en melancholiek, What the People Are Doing is somberder en trager, titellied Imitation Life dendert scheurend voort. Langzaam en romantisch is Say Goodbye, waarna kant 1 stevig afsluit met No Control.
Soms moet ik denken aan de gitaarpartijen van Richard Lloyd en Tom Verlaine bij Television: de partijen van Radcliffe en Brebne verrijken de muziek. Misschien komt dat mede door de voorgeschiedenis van Lane: ze is een stukje ouder is dan menig andere muzikant in de new wave: werd geboren in 1947 en schakelde na een folkcarrière eind jaren '70 over op wave. De melodieuze rijkdom van folk sijpelt door op dit album.

Mijn favoriete nummer is Rather Be Blind dat kant 2 opent, dankzij venijnige gitaarriff en zanglijn-vol-weemoed. Solid Rock is kalmer en lichter, waarna -uiteraard- met Pretty Mala uptempo werk volgt. De twee laatste nummers werken niet: ze doen de plaat als een nachtkaarsje uitgaan. Afgezien van het slot is dit een sterk album, dat groeit bij vaker draaien, zeker voor hen met oor voor gitaar.

Op reis door new wave bevind ik me in maart 1981. Mijn vorige halte was bij het Nieuw-Zeelandse Swingers en de volgende is een kortstondige hervisitatie aan de derde van Ureloze Ultravox, dat dankzij het succes met Midge Ure de geflopte single Slow Motion alsnog tot leven wekte.

Robin Lane & The Chartbusters - Robin Lane & the Chartbusters (1980)

poster
4,5
Op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave. Vanaf de Londense vrouwengroep Mo-dettes geraak ik bij deze groep uit Boston, Massachusetts.
Vorig jaar kwam ik het titelloze debuut van Robin Lane & The Chartbusters tegen in het Duitse Minden bij een meer dan goed gesorteerde winkel met veel tweedehands geluidsdragers. Ik nam 'm op de gok mee. Heb haar in de jaren ’80 live gezien, waar niks van was blijven hangen behalve nieuwsgierigheid.

Die wordt bepaald niet teleurgesteld. Kant 1 bevat zes nummers; opener en tevens single When Things Go Wrong is een melancholiek liedje (als single in juli '80 #87 in de Billboard Hot 100. It’ll Only Hurt a Little While zit in dezelfde hoek met de herkenbare, ietwat lage stem van de zangeres.
Met het melancholische en snellere Don’t Cry is het helemaal raak en als Without You er iets rockender een schepje bovenop doet, blijkt het album definitief warmgedraaid, mede dankzij de melodieën.

Gitaristen Leroy Radcliffe en Asa Brebner (beiden ex-Jonathan Richman & The Modern Lovers) hanteren een helder, vrij clean geluid. Ik moet warempel denken aan groepen als The Byrds en Tom Petty & The Heartbreakers. Bij The Chartbusters is het echter venijniger, pittiger.
Why Do You Tell Lies heeft weliswaar niet zulke sterke zanglijnen, maar de gitaarpartijen maken dat helemaal goed. Met kant 1-afsluiter I Don’t Wanna Know wordt lichtelijk ouderwets rockend afgesloten. Hier valt de ritmesectie met al zijn swing op, dankzij bassist Scott Baerenwald en drummer Tim Jackson. Gaandeweg denk ik tevens aan Patti Smiths werk, zonder dat Lane en haar mannen dat proberen na te doen. Iets met de sfeer.

Op kant 2 vijf nummers. Het begint zowel gekruid als licht-melancholisch met Many Years Ago dat warempel op Britse tijdgenoten in de wave lijkt met de scherpe gitaarpartijen. Mijn favo van deze elpee.
Waitin’ in Line heeft dankzij het gitaarspel echo’s van de flowerpower / folk in elektrische stijl jaren ’60 en is tegelijkertijd helemaal new wave; lijkt misschien onmogelijk, hier gebeurt het en laat ik ook het pakkende drumwerk in het slot noemen.
Be Mine Tonight is eveneens lekker uptempo met een korte maar pakkende gitaarsolo, Kathy Lee lichter met kristalheldere gitaren, waarin de stem van Lane aan melancholie wint. Het steviger Don’t Wait Till Tomorrow vormt het dynamische einde van de plaat. Teksten en wat foto’s van de groepsleden op de binnenhoes maken het af.

De vorige eigenaar onderstreepte track 2, 4, 5, en 7 als zijn favorieten; we zijn het deels eens. Bij website Music Museum of New England ("To us, she was Boston's Chrissie Hynde") vond ik een boeiend artikel uit 2023, puttend uit een interview met de zangeres. Daar lees ik onder meer dat ze al in 1969 bij Neil Young achtergrondzang deed op diens album Everybody Knows This Is Nowhere.
Dan zijn Robin Lane & The Chartbusters toch een andere muzikale wereld. Bovendien wordt duidelijk wat ze ná The Chartbusters deed, zowel solo als buiten de muziek. Ook blijkt dat drummer Tim Jackson een docu over Lane maakte, en dezelfde website zette deze livebeelden online.

Nog in datzelfde 1980 verscheen de EP 5 Live en een jaar later de studio-opvolger, maar mijn reis door new wave blijft nog even in juli 1980. Omdat ik skahitje Easy Life van de Londense vrouwengroep The Bodysnatchers al besprak bij verzamelaar Dance Craze, net als Crocodiles van Echo & The Bunnymen, Closer van Joy Division en The Correct Use of Soap van Magazine, vervolg ik bij Joe Jackson en een single die alleen in Nederland een hit werd. Op naar de verzamelaar Master Series.

Robin McAuley - Alive (2023)

poster
4,0
De tweede soloplaat van Robin McAuley, bij mij voorheen bekend van zijn werk met Michael Schenker en sinds kort van Black Swan.
Nou ja, tweede soloplaat? Op Discogs ontdek ik dat hij in 1985 pop maakte met het nummer Eloise (cover van de klassieker van Barry Ryan uit 1968), waarvan in 1986 een orkestrale versie verscheen, te vinden op YouTube. En in 1994 maakte hij met Frank Farian, die van Boney M en Eruption en Milli Vanilli, een remake van Rikki Don't Lose That Number van Steely Dan; zie hier voor de videoclip.

Om de één of andere reden doen sommige albums het steevast beter bij mij in de auto. Zo ook Alive, dat zittend (thuis of op werk) of op de fiets niet binnenkwam. Wat is het dan dat ik achter het stuur met 100 km/u wél wordt gepakt door het uptempo Bless Me Father, powerballad Can't Go On en The Endless Mile met een lekker aor-synthintro dat vervolgens aangenaam vlot vervolgt?
Of in de tweede helft het midtempo My Only Son, het krachtige When the Time Has Come, het snel riffende Stronger than Before en het vrolijk stoempende Who I Am?

Al met al is dit album iets steviger dan voorganger Standing on the Edge, waarbij McAuley vaker de toppen van zijn longen opzoekt. Maar dát verklaart niet waarom ik toch werd gepakt door de muziek. Nee, het zit 'm in de melodieën die me gek genoeg doen denken aan het beste van Ozzy Osbourne. Sterker nog, zojuist onderweg hoorde ik in mijn hoofd hoe de madman deze nummers zou inzingen.

Regelmatig spetterend gitaarwerk van Andrea Seveso en op Fading Away en My Only Son van Tommy Denander; niet elke solo is even mooi opgebouwd, maar er zit genoeg aangenaams in. Met als grootste troef de melodieën, gezongen door McAuley met zijn rauwe stem; hij is weliswaar niet van een bovenklasse, maar evenmin een prutser. Dankzij de zeven sterke uitschieters is Alive een volle 8 waard.


,

Robin McAuley - Soulbound (2025)

poster
4,0
De derde soloplaat van Robin McAuley in vijf jaar: om het jaar een nieuwe. Solo is het bij de Ier net iets kalmer dan bij Black Swan, zijn groep met Reb Beach - al zijn de laatste twee allènigschijven dan weer steviger dan debuut Standing on the Edge. Ook Soulbound een stevig plaatje.

Hij is weliswaar 70-plus, er zit géén sleet op zijn rauwe stem. Met een bekwame, Italiaanse groep musici achter zich volgt een geenszins verrassend maar alleszins degelijk album. Gitarist Andrea Seveso is een shredder. Snelheid is dus de formule, maar hij mist een eigen stijl.
Dan moet het van de composities en de melodieën komen. Het midtempo en zware Soulbound mag er zijn, mede dankzij een eenvoudig maar effectief toetsenmuurtje onder de gitaren, The Best of Me knalt in de traditie van Van Halens Hot for Teacher maar dan met zwaardere slaggitaar en in Crazy horen we een ingetogener McAuley.
In de tweede helft is Wonder of the World een fraai amalgaam van stevige gitaren en melodie, Paradise swingt, in Born to Die herinnert McAuley ons stevig rockend aan onze sterfelijkheid en in There Was a Man moet ik, voor het eerst op dit album, aan werk en sfeer van Ozzy Osbourne denken. Op de voorganger was dat veel vaker het geval.

Sommige teksten en ook de hoes suggereren dat McAuley een gelovig man is, al formuleert hij dat uiterst subtiel, uit eigen ervaring puttend. In muzikaal opzicht is het enerzijds knap dat hij nu al zijn derde kwaliteitsalbum in relatief korte tijd uitbrengt, anderzijds is de boel gespeend van verrassingen. Wie dat laatste niet per se nodig heeft, zit hier goed.

Robin McAuley - Standing on the Edge (2021)

poster
4,0
Bij Standing on the Edge zit ik er positiever in dan de MuMensen hierboven: solo gaat Robin McAuley wat meer de aor-kant op, al zal dat iemand die onbekend is met hardrock niet opvallen. Het is iets melodieuzer en minder bombastisch dan de (tot dusver) twee albums met Black Swan die in deze zelfde periode werden opgenomen, waar vooral Reb Beach verantwoordelijk is voor de muziek. Gevolg is dat McAuley niet continu op de toppen van zijn longen zingt, wat de variatie ten goede komt.
De toetsengeluiden grijpen soms nadrukkelijk terug op de jaren '80; ik vind het lékker. Ook opvallend is dat gitarist Howard Leese, decennialang de snarenman bij Heart, meeschreef en -speelde aan/op Supposed to Do Now.

Variatie is er tussen uptempo werk zoals opener Thy Will Be Done en Running Out of Time en anderzijds ballades Late December en Run Away. Én er zijn nummers die wat lijken op Bad English, te weten Do You Remember en Wanna Take a Ride, terwijl Chosen Few een gitaarsausje op z'n AC/DC's heeft. Met het al genoemde Supposed to Do Now moet ik inderdaad aan Heart denken en wát een lekkere gitaarsolo zit daarin!
De Italiaanse muzikanten zijn meer dan bekwaam, nadeel is echter dat ze zich niet onderscheiden van collega's; gewoon goede, zij het wat kleurloze musici, ook al kan Andrea Seveso snarenracen als de beste. In Like a Ghost is zijn solo zelfs een juweeltje. Het is echter de fijne stem van McAuley die maakt dat Standing on the Edge zich onderscheidt.

Rock 'n' Roll High School (1979)

poster
3,5
Met het bericht hierboven kan ik helemaal meegaan. De muziek van de Ramones is aangenaam en krijgt het grootste aandeel op deze soundtrack. Daarbij een knallend liveblokje annex medley met vijf nummers op hoog tempo. Het is tevens de eerste plaat waarop nieuwe drummer Marky Ramone (ex-Richard Hell & The Voidoids) is te horen - én te zien in de videoclip. Hij is degene met de ghettoblaster.

Twee nummers van Ramones worden door anderen gezongen: powerpop bij de Paley Brothers (echte broers) die tweestemmig op z'n Beach Boys Let's Go Again doen en actrice annex latere 'scream queen' P.J. Soles kreeg eveneens het titelnummer, dat we daarmee twee keer tegenkomen.
Verder vooral oudere nummers rond het thema school, waarbij een instrumentaal van Brian Eno, new wave van Devo en pubrock van Nick Lowe en de vinnige Eddie and the Hot Rods, het door mij vergeten Smoking in the Boys' Room van Brownsville Station en een pareltje van Todd Rundgren.
Als dessert School's Out van Alice Cooper, mij dierbaar vanwege de herinnering: héél hard gedraaid toen ik in de derde klas het bericht kreeg dat ik was blijven zitten. Tja, dat gebeurt als je je huiswerk twee jaar achter elkaar verwaarloost...

En de film? Ik heb 'm nooit gezien, maar stel je een alternatieve versie van de film Grease voor, te zien aan de trailer. Op zusje Moviemeter kom ik een positieve recensie tegen.

Ik kwam hier op reis door de wereld van new wave. Vorige station was Ramones' It's Alive en ik keer terug naar februari 1980, toen Soldier van Iggy Pop verscheen.

Rod Stewart - Every Picture Tells a Story (1971)

poster
5,0
Een cruciaal album in mijn persoonlijke muziekhistorie. Vanaf '76 moet ik Maggie May via de radio hebben ontdekt en toen de tijd daar was dat ik de elpee kon lenen uit de bieb, zo'n vijf jaar later, deed ik dat.

De plaat was de eerste elpee van Stewart die ik draaide en vormde mijn eerste uitgebreide kennismaking met folk(rock); dit naast alle stevige en alternatieve muziekvormen die in diezelfde jaren mijn hart veroverden. Stewart en kompanen maken hier prachtige, tijdloze muziek, ook al hoor je duidelijk dat dit in de jaren '70 werd opgenomen, kort nadat stereo gangbaar werd. Hiervan wordt optimaal gebruik gemaakt met bijvoorbeeld drums in het rechterkanaal en de piano links. Hierdoor ontstaat de suggestie dat je met de band in één ruimte zit; neem er een biertje bij en je waant je in een knusse kroeg.

Voor wie Stewart met gladde muziek associeert: die sound is op Every Picture Tells a Story nog ver, vér weg. De plaat is grotendeels akoestisch; hier en daar duikt weliswaar een elektrische gitaar op, maar hetzelfde geldt voor mandoline, viool en een bescheiden hammondorgeltje. Stewarts schuurpapieren stem (een cliché, ik weet het, maar een betere omschrijving ken ik niet) profiteert hier optimaal van.
De latere Rolling Stone Ron Wood vergezelt hem (dat beiden in The Faces zaten was iets van ver vóór mijn tijd, mij dus onbekend), maar het meest onder de indruk raakte ik van de akoestische gitarist Martin Quittenton. Diens instrumentaaltje Henry, dat aan Maggie May vooraf gaat als aftrap van de B-kant, deed en doet mijn hart smelten.

Alle liedjes zijn heerlijk; of het nu covers zijn of eigen composities, ze vormen één geheel. Een amalgaam van prachtige melodieën en stijlen, van folk via blues naar rock en weer terug, warm en vol bezieling gespeeld. Absolute favoriet werd Mandolin Wind, maar toen ik de plaat vandaag weer eens draaide (op het werk als streaming, thuis op cd), werd wederom duidelijk hoe goed de rest is gebleven. Dat Mick Waller een lekker moppie drumt en hier en daar los mag gaan, verhoogt de afwisseling alleen maar. En laat ik de backingvocals (nou ja, backing...) van Maggie Bell op de titelsong niet vergeten, wat een heerlijke song om mee te openen is dit toch!

Tegenwoordig houd ik van folk in vele vormen, van de eerste albums van het Vlaamse Laïs tot de Zwitserse folkmetalheads van Eluveitie, van de Engelse singer-songwriter Nick Drake tot het Nederlandse zware metaal van Heidevolk. De lijst aan namen is veel langer uiteraard; dat alles dankzij deze plaat. Ik moet 'm maar eens op elpee gaan kopen, de hoes alleen al (de achterzijde!) is een kunstwerkje op zich.

Rod Stewart with Jools Holland - Swing Fever (2024)

poster
3,5
Gisteravond werd het EK 2024 geopend met Duitsland - Schotland, 5-1. Met de recente berichten over Rod Stewart (hier de concertrecensie van Oor) gaan mijn gedachten terug naar 1978.

Schotland heeft zich gekwalificeerd voor het omstreden WK in Argentinië. Ik heb net als piepjonge puber de Europarade en Nationale Hitparade ontdekt en ben liefhebber geworden van Rod Stewart. De singles I Don't Want to Talk about It, You're in My Heart en grootste favoriet Hot Legs komen hoog in mijn persoonlijke Top 15, wekelijks neergepend in een oude agenda.
In de Hitkrant las ik dat Stewart een single heeft opgenomen met het Schotse elftal. Een onnozel feitje dat gisteravond oppopte in mijn brein. Leve YouTube, waar ik A-kant Ole Ola vind, maar de B-kant is leuker. Met bovendien die iconische foto van Stewart op de hoes!

En sinds februari dit jaar dus het laatste (?) album van Stewart, deze keer met het orkest van Jools Holland. De ooit rauwe stem van Stewart klinkt hier hees. Bewust of noodgedwongen? Het past in ieder geval bij de muziek, waarin hij swingjazz van de late jaren '20 tot begin jaren '50 weer tot leven brengt. Dezelfde muziek ik vorige maand tegenkwam bij mijn verblijf in Normandië, rondkijkend bij de historie rond D-Day: dit was de popmuziek waar veel soldaten van hielden.
Geen wonder: het klinkt licht, vrolijk en vol energie. Bovendien hoor je op de jongere composities dat rock 'n' roll de kop opsteekt. Het begin van rock met alle subgenres, die ik vanaf eind jaren '70 zou omarmen.

Een genre in ontwikkeling dus met oer-rock 'n' roll in Oh Marie, oorspronkelijk uit 1944 van Louis Prima (in Nederland mede bekend dankzij... André Hazes); het shuffleritme in Sentimental Journey uit 1944 van Doris Day en het orkest van Les Brown; boogiewoogie in Night Train uit 1952 van Jimmy Forrest; Good Rockin' Tonight uit 1947 van Roy Brown; meer boogiewoogie in moordlied Frankie and Johnny, in eerste versie al in 1899 gepubliceerd en vervolgens herhaaldelijk in nieuwe jasjes opduikend.

Drie vragen. Inspireerde Rod Stewart zijn Schotland? Denk het wel: al kwalificeerden ze zich niet voor de tweede ronde, ze versloegen op dat WK Oranje met 3-2; bij deze de beelden.
Is dat een fijn album? Zeker, aanbevolen voor wie van big band swing houdt, met een stukje muziekhistorie erbij. Stewart en Holland zijn wel degelijk relevant.
En tot slot aan Von Helsing: is je ticketswap nog gelukt en was je erbij in Amsterdam?

Roger Glover and Guests - The Butterfly Ball and the Grasshopper's Feast (1974)

poster
4,0
Vanaf najaar 1976 ging ik Hilversum 3 luisteren en bij Arbeidsvitaminen kwam regelmatig Love Is All langs, waarvan ik aannam dat Roger Glover dit zong. Pas later leerde ik dat hij ex-Deep Purple was en "slechts" bassist - plus hier componist, producer, synthesizerspeler en projectleider.

De tv-docuserie Single Luck besteedde in 2001 aandacht aan het liedje en de achtergronden, later verkort te zien bij de Top 2000 a Go-Go. Niet uit wraak ontstaan zoals ik hierboven lees, maar simpelweg omdat de firma Purple hem uit het niets dit project aanbood.
In de oorspronkelijke docu vertelt Glover hoezeer Ronnie James Dio Love Is All tot Glovers blijde verbazing een hoger plan zong, waarbij ze de oorspronkelijke demo lieten horen zonder hem. Dat was weer een andere dan de demo die via streaming is te horen met daarop diverse gastzangers, waaronder Dio. Ook was er aandacht voor de geflopte film die in 1976 volgde.

Op The Butterfly Ball and the Grasshopper's Feast klinkt een bonte en vrolijke verzameling van stemmen en sferen, als verhaal verbonden door dat prentenboek. Mijn hoogtepunten zijn veelal verbonden aan de mannelijke zangers: Get Ready met Glenn Hughes, Behind the Smile met David Coverdale, het weemoedige Sitting in a Dream en Homeward met Ronnie Dio, Waiting met Jimmy Helms, Sir Maximus Mouse met Eddie Hardin en natuurlijk de single met de kikker, die ik nog vóór ik Hilversum 3 ontdekte zo leuk vond vanwege de tekenfilmclip.
Fraai is ook het duet tussen Helen Chappelle en Barry St. John, Saffron Dormouse and Lizzy Bee. Opvallend is dat Ronnie Dio met zijn maatje van Elf, toetsenist Mickey Lee Soule, twee nummers aanleverde, te weten Harlequin Hare en Together Again; Eddie Hardin is de schrijver van de twee laatste nummers van de oorspronkelijke elpee, Love Is All en het door Dio en kinderkoor gezongen Homeward.

Van Dio leerde ik later dat deze teleurgesteld was dat zijn naam niet op de singlehoes van Love Is All was te lezen. Het was desondanks mijn eerste kennismaking met de zanger. Als album een charmant buitenbeentje in de wereld van Deep Purple en Roger Glover.
Overigens kent de Nederlandse muziekwereld een vergelijkbaar muziekproject: ik denk dat Het dierenbos zingt! de eerste muziekelpee was die ik leuk vond...

Rolling Stones - Hackney Diamonds (2023)

poster
4,5
Mijn instapplaat met de Stones was destijds in 1978 met Some Girls via de singles Miss You en het nog lekkerder Respectable. Heerlijke muziek, al ken ik eigenlijk alleen de hits van de groep. Nee, ik ben niet de grote kenner.

En toch. Wat ik verbazingwekkend goed van ze vind zijn de vaak pakkende riffs én de drumpatronen van Charlie Watts. Net als later Phil Rudd bij AC/DC weet deze een ontzettende swing in zijn spel te krijgen, één van de weinige rockdrummers die herkenbaar zijn zonder ingewikkeld te spelen. Na zes nummers op Hackney Diamonds met Steve Jordan herken ik Watts onmiddelijk aan dat vinnige hi-hatje in Mess it Up.
Vandaag in de auto heb ik na twee rondes in de huiskamer een luistersessie in de auto ondergaan. Onderweg kwam Hackney Diamonds nóg lekkerder binnen.

Op pakkende riffs wordt sterk gemusiceerd door eenieder. Jordan is anders qua drumstijl maar volstrekt geen koekenbakker, passend bij de groep. Sterker nog, eigenlijk vallen de gastmuzikanten totaal niet op! Okayyy, uitgezonderd de dame van Sweet Sounds of Heaven, die een mooi moppie zingt.
De top 3 van mijn favoriete Hackneynummers: op #3 het felle Bite my Head Off (knallend als Respectable), op #2 het weemoedige Tell Me Straight (bijzondere tekst over oud worden, bijzonder fraai gezongen door Ron Wood) en op #1 Whole Wide World met zijn bijzondere gitaarwerk en -geluiden).

De productie is prima, al kan ik me voorstellen dat sommigen liever een opener geluid hadden gehoord zoals in de jaren '70 gewoon was. Maar het is niet dichtgesmeerd, de gitaren kunnen knisperen en schuren en Richards en Wood bovendien lekker in stereo van links en rechts. Of omgekeerd.

Ik weet niet of TEQUILA SUNRISE de cd of lp wilde kopen. Als je de cd zoekt, kun je bijvoorbeeld terecht bij de kassa van de boekhandel in Zelhem, waar ik vanmiddag was. Zo'n massaproduct is Hackney Diamonds kennelijk. Van mij mogen ze. Ook als dit een nieuwe groep was, had ik dit de 4,5 sterren gegeven die ik vandaag geef.

Erratum: het is one Keith die Tell Me Straight zingt, zie de correctie hieronder.

Romantics - National Breakout (1980)

poster
4,0
Geen hitsingles, een vergeten elpee. Dat is het lot van de tweede van de Romantics ('The' voor de groepsnaam lieten ze inmiddels weg), National Breakout geheten. En zoals vaker kom ik tot de conclusie dat dit veel beter is dan de hitlijsten doen vermoeden. Dankzij hitsingle What I Like About You kom je de bijbehorende debuutelpee The Romantics nog altijd in de Nederlandse platenbakken tegen. Dat is met de opvolger anders.

Verdwenen zijn de stropdasjes en rode jasjes, de heren dragen alledaagse kleding op dit slechts elf maanden na het debuut verschenen vervolg. Over dat debuut ben ik minder enthousiast dan over deze tweede, want het is elf nummers lang genieten waarbij de nummers compact blijven.
Alsof je een verzamelplaat met onbekende maar aangename covers van jaren '60-werk hoort. In werkelijkheid zijn het eigen nummers waar invloeden van The Kinks en The Who, koortjes en pakkende gitaarlicks zich samenballen tot aangename liedjes, opnieuw opgenomen door de Engelse topproducer Pete Solley. Het album had simpelweg de pech dat een hitsingle ontbrak. Waar het wisselvallige debuut echter vooral op die ene hit leunt, zijn de composities op National Breakout van een gemiddeld hoger niveau.

Er staat trouwens toch een cover op: Friday at the Hideout is een cover van Judy Be Mine (Friday at the Hideout), oorspronkelijk uit 1965 van The Underdogs. Een lekker vuig gitaarliedje, net als de rest en daarmee valt op hoe lekker de overige nummers zijn. Niet grensverleggend, toen al niet, zij het met twee verrassinkjes. Popliedjes met scheurende gitaartjes, power pop in de sfeer van new wave: mij heb je.

Opener Tomboy opent uiteraard uptempo, maar de hele plaat is vlot. Forever Yours is iets kalmer met kekke koortjes, Stone Pony heeft een Kinksachtige riff en de eerste verrassing is New Cover Story, waar de sfeer van de jaren '60 wordt gecombineerd met een vleugje reggae zoals The Police dat ook deed. A Night Like This heeft een wat dreigende sfeer met lekker raggitaartje, waarna titellied National Breakout kant 1 optimistisch afsluit.
Kant 2 wordt geopend door het volgende verrassinkje: in 21 and Over eveneens een vleugje reggae en opnieuw werkt dat bijzonder goed. I Can't Tell You Anything heeft de typische groove van r&b-man Bo Diddley, Take Me out of the Rain brengt melancholie en melodie en had een hit moeten zijn. Met de laatste twee nummers wordt stevig afgesloten in de sfeer van hun tot dan toe enige hit. Nergens kakt het in zonder aan variatie in te boeten.

Mijn reis door new wave bevindt zich in december 1980. Ik kwam vanaf de tweede langspeler van skagroep Bad Manners. Op mijn afspeellijst met new wave uit die dagen volgt eerst single Israel van Siouxsie & The Banshees, te vinden op Once Upon a Time: the Singles (1981). Die besprak ik eerder. Hetzelfde geldt voor non-albumsingle Too Nice to Talk to van The Beat, te vinden op hun compilatie What Is Beat? (1983).
Daarom is mijn volgende stop bij de Nederlandse groep (The) Mo en single Nancy, waarvoor ik terugkeer naar november 1980.

Roosbeef - Omdat Ik Dat Wil (2011)

poster
4,0
Maatje JeKo stuurde me daarstraks een berichtje met daarin de link naar Sneeuw van deze Roosbeef. Wie zich later afvraagt waarom: dit zijn de dagen dat Nederland voor het eerst in jaren weer eens volop kennismaakte met dit weerfenomeen.
Ook ik kroop vanochtend lange tijd over de snelweg en in het stadje waar ik werk, stond ik gedurende lange tijd stil, naar later bleek vanwege een vrachtwagen die op een rotonde niet meer verder kon door de gladheid. Huiswaarts ging het enigszins vlotter, tenminste nadat ik mijn auto had uitgegraven. En zojuist kon ik niet weg van mijn parkeerplaats bij mijn woning, omdat de auto wegslipt. Heb de handrem losgemaakt - tegen bevriezing - en ben teruggekeerd. Dan maar thuis muziekjes draaien!

Het appberichtje was reden om Omdat ik dat wil, dat ik jarenlang in de kast liet staan, weer eens in de speler te doen. Ik kocht 'm in 2011, onder de indruk van Roos Rebergens creatieve eigenwijsheid. Qua teksten was het bovendien nogal eens poëtisch genieten. De voorbeelden die Liz1978 in 2017 aanhaalde zijn goede voorbeelden daarvan.
Het is niet vreemd dat Rebergen aansluiting vond bij de Vlaamse popscene en dat Wannes Cappelle (van Het Zesde Metaal) en Tom Pintens in haar band speelden. De muziek op het album met zijn observerende of juist openhartige teksten doet me bovendien aan het werk van Gorki denken.
Qua muziek kan ik het meest genieten van opener Twijfelaar, het groovende Niet uitmaken, Als je me zoekt heeft in het lange uittro herkenbaar de stem van Pintens, het lied over vriend Pulpo en het aanvankelijk statige pianolied In het bos met wederom Pintens' stem in het decor.

Over Sneeuw nog het volgende. Rebergen benoemt zaken die vandaag plotseling weer zó herkenbaar zijn. Ik ga met grote stappen door de tekst: "Geen schoolplein (...), Geen parkeerplek (...), Geen voetbalvelden (...), Geen zwerfvuil (...), Geen grenzen (...), Geen bewijzen (...), Geen uitleg".
Alleen met de tekst van het refrein kan ik minder, tenminste, als ik die letterlijk opvat: "Niet strooien". Maar ze vervolgt met "niet schreien meneer, het zout bijt, het doet zoveel zeer", waarmee ze een diepere laag aanboort over wat sneeuw met haar doet. Mooi gedaan met die soms ijle stem van haar. Fijn dat JeKo dit door mij vergeten album weer eens voor het voetlicht bracht!

Rory Gallagher - Live! In Europe (1972)

Alternatieve titel: Live in Europe

poster
4,0
Afgelopen zondagmiddag ontwaakte mijn platenspeler in de schuur uit zijn winterslaap met driemaal jaren '70. Eerst sterke blues met een vleugje gospel via Two Days Away van de Engelse Elkie Brooks, toen de Amerikaan Jackson Browne en diens te ingetogen tourplaat Running on Empty, waarna ik weer energie kreeg van de Ier Rory Gallagher dankzij diens energieke bluesrock van Live! In Europe, vorig jaar toevallig uit een bak met tweedehands vinyl gevist.

Wat was de man hier in vorm! En al hoor ik hem liever als hij de randen van de blues opzoekt en oversteekt, het is fantastische blues die dit gitaarwonder hier met zijn hechte band neerzette.
Gevarieerd is het ook, want behalve elektrisch (waarbij ook bottleneck-/slidespel) schuwde hij de akoestische gitaar (Pistol Slapper Blues) en zelfs mandoline niet, getuige Goin' to my Hometown. Altijd even enthousiast als virtuoos en creatief op de snaren, wat ook geldt voor zijn bevlogen, jongensachtige zang. Of hoor hem elektrisch soleren in Messin' with the Kid, hoeveel emotie kon hij daarin kwijt?

Prachtige bijvangst, met Rory was het altijd genieten.
Wat was de man hier in vorm: puur spelplezier, dat de groeven uitspat.

Rory Gallagher - Notes from San Francisco (2011)

poster
4,5
Ik hou van popbiografieën, al vallen die een enkele keer tegen. Eén van die tegenvallers is 'Rory Gallagher: His Life and Times' (2012) van Marcus Connaughton. Te vaak heeft hij verzuimd om betrokkenen te interviewen, zoals over het waarom van Gallagher in december 1977 in San Francisco. Ontevreden over de opnamen en nummers hield deze de uitgave van een vers opgenomen album tegen en trok naar Duitsland. In de studio van de Scorpions/Dieter Derks nam hij Photo Finish op, waarbij hij terugkeerde naar de bezetting van een powertrio.
Nu zat ik het boek, na het jaren in de kast te hebben gelaten, weer eens door te bladeren. Dan vallen wél de vele fraaie foto's op en ik krijg zowaar zin het een tweede keer te lezen, zij het met minder hooggespannen verwachtingen. De vraag over wat er gebeurde, die blijft. Ook in het cd-boekje geen achtergrondverhaal, wél de handgeschreven teksten, akkoorden en andere aantekeningen van de meester: fraai!

Dan resteert de muziek. Notes from San Francisco is het laatste album dat hij opnam met die ijzersterke viermansbezetting, bovendien transparant vastgelegd door producer Elliot Mazer in His Master's Wheels Studio in San Francisco. Alweer hoor ik sterke composities, gespeeld door een groep, volledig in dienst van de snarenvirtuoos met zijn emotioneel geladen stem: pianist Lou Martin, die al de nodige jaren het spel van de meestergitarist aanvulde met eerlijk spel, bassist Gerry McAvoy en drummer Rod de'Ath als betrouwbare ruggengraat - ik ken ze van eerdere (live)albums waar het steeds weer intens genieten was. Dat geldt ook hier.
Was Gallagher ontevreden over gastviolist Joe O'Donnell die Mississippi Sheiks verrijkt? Of vond hij de saxofoonpartijen van Martin Fiero op Rue the Day en Brute Force & Ignorance niks? Ik vind dit soort extraatjes in de arrangementen heerlijk.
De studio-cd (editie 2018) kent bovendien drie bonustracks: een tweede, eveneens fraaie versie van Wheels within Wheels, nu met een lome shuffle, gevolgd door Cut a Dash dat met zijn groove en snelle drumspel enigszins aan het vroege Thin Lizzy doet denken en het uptempo Out on the Tiles. Het blijft mooi.

Waarom toch Gallaghers moeite? Ik vermoed dat het perfectionistische en rusteloze gevoelsmens intuïtief toe was aan een soberder, ruigere aanpak. De kant van hardrock op.

Die klinkt op cd2, twee jaar later live opgenomen, december 1979 in The Old Waldorf in hetzelfde San Francisco. McAvoy was gebleven, nieuw was drummer Ted McKenna, die zich in 1978 bij de Ieren aansloot. Dit is de fase waarmee ik rond '81 kennismaakte via livealbum Stage Struck. Ook in deze bezetting vlogen de vonken en zweetdruppels van het podium, in een pakkende liveset resulterend. Qua set geen kopie van dat fameuze album en het geluid is wat transparanter dan daar, zeker wat betreft gitaar. Nét anders genieten, zoals van het gewijzigde intro van Tattoo'd Lady.

Alsnog in 2011 verschenen, is dit het laatste studioalbum dat tot dusver van de in 1995 overleden Gallagher verscheen. Stiekem hoop ik dat er toch nog meer studiowerk op de plank ligt, maar die kans is gezien de jarenlange stilte na 2011 bijzonder klein...

Rory Gallagher - Stage Struck (1980)

poster
4,5
Vanaf 1979 ging ik mij al lezende inwerken in de wereld van mijn favoriete muziek, te weten hardrock en new wave. Met zoveel mogelijk de radio aan. De tijdschriften Muziek Expres, Muziekkrant Oor en soms de NCRV-gids (de pen van Skip Voogd) fungeerden als gids. Bovendien leende ik uit de bieb de Popencyclopedie van Oor, die ik letterlijk van A tot Z las. Hetzelfde gold voor Popzamelwerk, de catalogi van albumreleases per jaar van Jos Stikvoort. Allemaal kleine lettertjes, over fanatisme gesproken...
Samen met een muziekmaatje besprak ik dit alles, later kwamen daar anderen bij. In de pauzes op school spraken we over albums, wie de beste zanger of drummer was, et cetera. Een meisje kwam ooit bij ons staan en vroeg na afloop van de pauze verbaasd: ‘Praten jullie alleen maar over muziek?’ ‘Ja,’ antwoordden we enigszins bedremmeld.

Mijn maatje en ik waren op zoek naar de beste gitaristen. Eén die ontzettend goed scheen te zijn was Rory Gallagher. In de fonotheek stond Stage Struck. Enkele liedjes vond ik goed, met name Wayward Child, Moonchild en Shadow Play. Man, wat kon hij spelen! Het einde van de plaat, hoe de muziek wordt weggedraaid na zijn afscheidsgroet: schitterend vonden we dat, enthousiast spraken we erover.
Maar deze puber was ook kritisch: dat er geen slaggitarist was, maakte dat de muziek tijdens solo’s niet hard genoeg was voor mijn smaak. De hese zang van de man was sympathiek, maar niet echt krachtig, oordeelde ik. Zo kwam Gallagher in mijn hoofd als een goede middenmoter. Ik denk dat ik indertijd tweeëneenhalve of drie sterren aan deze plaat had gegeven.

Toch bleef hij mijn aandacht vragen. In 1995 was ik zelfs zwaar teleurgesteld toen hij op het laatste moment afzegde voor een concert in Tivoli, Utrecht. Later dat jaar zou hij overlijden, ik zou hem nooit live zien. Hoe jammer dat was, drong twintig jaar later opnieuw tot mij door.
In 2014 heb ik gedurende de zomer zijn hele catalogus gedraaid, van een collega gekregen op een mp3-cd. Toen pas landde de man goed. Ik werd door de intensiteit en variatie aan stijlen zijn muziek ingezogen. In platenwinkels staat zijn muziek bij blues, wat me een beetje boos kan maken. Natuurlijk, dit genre loopt als een rode draad door zijn muziek, maar zijn authentieke aanpak is zo ontzettend veel breder. Daar komt bij dat hij één van de weinige gitaristen is wiens solo’s mij kunnen ontroeren. Ik word er dan al genietend stil van.

Zoals op dit Stage Struck, waar hij een hardrockkoers vaart, meestal ver weg van de bekende bluesschema’s. Drummer Ted McKenna is ook niet de typische bluesdrummer, ik zou ‘m niet veel later tegenkomen in de band van Michael Schenker. Gallagher soleert als een malle en de band, met vaste bassist Gerry McAvoy, staat als een huis. Powertrio 2.0.
Mijn favoriete nummers van toen zijn dezelfde gebleven, de bewondering is echter gegroeid. Niet alleen voor zijn gitaarspel, tevens voor zijn teksten. Wayward Child bijvoorbeeld, zo heb ik mij regelmatig gevoeld en ik ken diverse mensen op wie de poëtische tekst van toepassing is. Of de romantiek in Moonchild; dit is niet zomaar een liedje waarbij hij een tekstje schreef. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat hij hier een specifieke vrouw op het oog had. Gallaghers oprechte stem raakt me tegenwoordig extra, fascinerend dat hij niet de standaardstem had die je in (hard)rock nogal eens hoort. Heerlijk hees, soms bijna pratend, mij soms herinnerend aan Phil Lynott, die andere Ier.

Veel fans gaan voor zijn eerdere werk. Tegelijkertijd heeft de man geen slecht album gemaakt, ook niet in zijn latere jaren, waar invloeden als folk en zydeco hun invloed deden gelden. Er valt altijd veel te genieten, neem bijvoorbeeld zijn akoestische werk.
Laat onverlet dat dit knallende werkje mijn favoriete Rory is gebleven. Extra leuk dat er op streaming inmiddels drie bonustracks zijn, te weten Hellcat (hierboven op de tracklist van MuMe niet vermeld), Bad Penny en Key Chain. Maar ook met de oorspronkelijke acht liedjes een klassiekertje.

Rory Gallagher - Tattoo (1973)

poster
4,5
Sommige gitaristen kunnen mij enorm raken met hun spel. Eric Bell van Thin Lizzy is er zo één en een ander is Rory Gallagher, die bovendien een groot talent voor het schrijven van liedjes had. iggy beschreef het hierboven treffend:

"Er vallen weinig gaten in de composities van Gallagher. De nummers hebben over het algemeen diepgang. Daar mee wil ik zeggen dat zijn kapstok niet alleen zijn uitmuntend gitaarwerk is. Waarmee hij wel eens zijn mindere songs mee kan/wil verbloemen. Dit plaatwerk staat bol van goede nummers."
Mijn instapplaat was Gallaghers hardrockplaat Stage Struck (1980) en pas later leerde ik de platen van voordien kennen. Die zijn subtieler en op andersoortige wijze toch intens. Hoe is het mogelijk dat een gitaarlijntje mij zó kan raken? Daarbij was hij geen wereldzanger, maar toch kan zijn stem me raken, sowieso altijd getuigend van een innemende vriendelijkheid.

Ook ik heb de dvd Irish Tour 1974 staan. Een verbluffend concert, gegeven in het door de Troubles verscheurde Belfast. Op de setlist veel werk van Tattoo, dat overloopt van goede ideeën en afwisseling.

Net als op de dvd is Lou Martin pianist, Gerry McAvoy bassist en Rod De'Ath drummer. Spelen omdat je niets liever doet, intens tot het zweet in je bilnaad staat. Ze doen het alle vier.
Crème de la crème blijft They Don't Make Them Like You Anymore met z'n adembenemende twee gitaarsolo's (twee!!). En de banjo in Who's That Coming, tweede nummer van kant 2, heerlijk als variatie, gevolgd door slidegitaar. Of het prachtige A Million Miles Away, waarin Gallagher weer eens de pure blues ontstijgt en blazers er soul inbrengen met een eigen (rockende singer-songwriter-)draai tot gevolg.

Ik had 'm al op cd maar voor de sfeer heb ik Tattoo nu ook op elpee. Heeft in dit geval véél meer. De vorige eigenaar heeft zijn naam maar liefst vijfmaal op de hoes gezet. Was hij bang Tattoo kwijt te raken? En zo ja, waarom kwam ik hem dan in een bak met tweedehands vinyl tegen?
Ik vrees dat droevige omstandigheden daaraan debet zijn, want een plaat als deze vrijwillig wegbrengen? Nee, dát doe je niet. Dankjewel Harry, het ga je goed, waar je ook moge verblijven.

Rory Gallagher - Wheels Within Wheels (2003)

poster
4,5
Wheels within Wheels is zeker een must voor iedereen die van dit wonderkind op gitaar Rory Gallagher houdt, daarin heeft Chungking helemaal gelijk! Hier de akoestische kant van de man uit Cork, voor wie ik ooit viel vanwege het hardrockende Stage Struck.
Bij verschijning in 2003 was ik al erg nieuwsgierig naar dit album, maar door allerlei zaken duurde het jaren voor ik 'm aanschafte. Doorslag was het lezen van het bericht in 2014 dat Rod De'Ath was overleden, de drummer die op diverse nummers op dit album is te horen. Na zo'n drie jaar in platenzaken zoeken, kwam ik 'm alsnog "in het wild" tegen bij het inmiddels verdwenen Velvet in Ede.

Vanmiddag moest ik naar de kaakchirurg voor een kleine verbouwing. Omdat autorijden met een ijscompres op de wang niet zo handig is, ging ik maar op de fiets. Een half uur heen, een half uur terug, oortjes in. Onderweg werd ik steeds vrolijker.
Bij vertrek het titelnummer, een melancholische ballade uit 1977 met zo'n gevoelige tekst, melodie en wijze van zingen, dat ik altijd lichtelijk ontroerd raak, mede door het simpele maar doeltreffende pianospel van Lou Martin.
Het instrumentale Flight to Paradise heeft een folk- en flamenco-inslag met prachtige gitaarduetten met Juan Martin. Opgenomen tijdens deze tournee in 1984, uitgegroeid tot een verrukkelijke oorwurm.

Op Lonesome Highway horen we Gallagher met zijn band in 1975, een heerlijk uptempo nummer. Bratacha Dubha, Gaelic voor 'Black Flags', is het tweede instrumentale folkjuweeltje van de cd, met onder meer harpspel van Màire Ni Chathasaigh.
Barley & Grape Rag werd opgenomen met The Dubliners; het vrolijke dranklied is een duet met Ronnie Drew. Folktraditional The Cuckoo werd opgenomen in de tuinstudio van de Belgische gitarist Roland Van Campenhout en bevat een prachtige, eeuwenoude melodie.
Eenmaal in de wachtkamer wilde mijn rechtervoet enthousiast meestampen bij Goin' to My Hometown, opname uit 1980, oorspronkelijk bedoeld voor Stage Struck. Heb hem gesommeerd zich koest te houden, we waren tenslotte in het ziekenhuis. De cd sluit af met blues, een instrumentale versie van Lonesome Highway.

Op dit akoestische album heb ik meer met de folk- dan met de blueskant van de meestergitarist. Maar bluespuristen zullen op de ongenoemde tracks het nodige van hun gading vinden.
In 2018 tevens op vinyl verschenen, waarvoor inmiddels bespottelijke prijzen worden gevraagd. Mijn cd is goed genoeg en bovendien staat ie op streaming. Voor als je bijvoorbeeld naar het ziekenhuis moet; op de terugweg heb ik 'm opnieuw afgespeeld en keerde vrolijk thuis, ijscompres op de wang.

Rose Tattoo - Assault & Battery (1981)

poster
4,0
Als het debuut van Rose Tattoo de beste plaat is die AC/DC nooit maakte, dan is deze opvolger Assault & Battery de één na beste. Net wat minder fel en verrassend dan die plaat, maar verre van tam.
Integendeel, met teksten die vaak over de zelfkant van de maatschappij gaan, is het straatgevoel hier vele malen groter dan hetgeen de grote broer dat jaar bracht.

De snelle nummers vind ik traditiegetrouw de beste, met All the Lessons, Magnum Maid en afsluiter Suicide City als grootste favootjes van de plaat. Maar vlak bijvoorbeeld het slepende Sidewalk Sally niet uit...

De slidegitaar huilt weer welig, Angry Anderson brult zijn keeltje extra schor en alleen de foute broer-zusliefde van Chinese Dunkirk is met z'n verhaal een nummer dat ik liever oversla.

Vuige pubhardrockenroll met de gympen in het straatvuil, recht voor z'n raap met een alcohollucht. Ik vraag me weer eens af waarom Anderson niet Bon Scott verving na diens noodlottige einde, maar ben daar wel blij mee. Anders hadden we deze en navolgende platen gemist.

Rose Tattoo - Rose Tattoo (1978)

Alternatieve titel: Rock 'N' Roll Outlaw

poster
4,5
De beste plaat die AC/DC nooit maakte. Dat was mijn conclusie na de eerste draaibeurt van deze elpee, indertijd uit de bieb geleend.
Enthousiast aangeprezen door Hanneke Kappen was in 1980 Nice Boys (Don’t Play Rock ‘n’ Roll) mijn zolderkamer binnengeknald. In april '81 traden ze op in Paradiso, waarvan een enkele song op de radio klonk. En tegenwoordig op internet, hoezee!
Van tijd tot tijd keert de plaat weer terug. Thuis maar vooral in de auto. Want ís me dit effe lekkere voet-op-het-gaspedaalmuziek! De vergelijkingen met AC/DC (Australië, producers Vanda & Young) zijn terecht, maar Rose Tattoo is bepaald geen onnozele kloon van de grote naam. Integendeel. Als je ruim veertig jaar later nog steeds enthousiast van dit debuut wordt, móet het wel kwaliteit zijn.

Wat me toen snel opviel: uiteraard is de stem van kale brulboei Angry Anderson anders dan die van Scott/Johnson bij de grote broer. Maar ook deze man klinkt rauw, perfect passend bij de muziek. Bovendien kan hij, als het moet, lief zingen (Stuck on You, wat ik een scháttig liedje vind in deze zee van testosteron.
En vooral: Peter Wells, zoals hij achterop de hoes staat vermeld, speelt geen snelle gitaarsolo’s maar zweert bij slidegitaar. Dat pakt, ook vandaag, nog altijd verrassend goed uit.
Waar ik ook zo van houd is het spel van slaggitarist Michael Cocks, wiens knisperende, hakkende spel zulke heerlijke riffs oplevert. Klassieke rock ‘n’ roll, jazeker, geënt op de licks van Chuck Berry en voorzien van een extra veel soepballen.
Ook anders: veel teksten bezingen het leven "op de straat", de misdaad en onveiligheid. De stem en verschijning van Angry Anderson maken duidelijk dat hij dit niet uit een boekje had geleerd, nee, dit is een ervaringsdeskundige.

De enige kritiek die ik destijds op deze plaat had, was dat het lange The Butcher and Fast Eddie met zijn langzame blues en spannende verhaal veel te vroeg staat geprogrammeerd: als derde song van de plaat. Die had ik op kant 2 gezet, waar zo’n verhalende song beter tot zijn recht komt. Zo zette ik ‘m toen dus op mijn cassettebandje.
Mijn favoriete songs zijn de snelle van deze plaat: Nice Boys, Remedy (met een doktersvoorschrift voor alle zieken), TV, Tramp en afsluiter Astra Wally als summum van vuige rock ‘n’ roll.
Later las ik in Aardschok dat punk- en hardcorespecialist Onno Cro-Mag ook al zo’n fan van de band was en dat snapte ik wel. Die energie heeft het zeker.

Dadelijk stap ik in de auto naar een platenzaak in Aarle-Rixtel waar ze tevens bier verkopen. U raadt wel wat ik weer eens ga draaien, jammer voor de vriend die meegaat en vooral van Sonic Youth e.d. is!

Rose Tattoo - Scarred for Life (1982)

poster
4,0
Fijn plaatje, dat mij indertijd helaas niet bereikte terwijl het volgens Wikipedia wél de internationale doorbraak forceerde, dankzij We Can't Be Beaten. Rose Tattoo is op Scarred for Life net iets minder nijdig dan op (vooral) het debuut, wat leidt tot minder snelle nummers.

Wat langskomt is echter heerlijk pittig of verslavend meezingbaar (Who's Got the Cash met in de groove een vleugje reggae, later op de plaat intenser terugkerend). De shuffle van Juice on the Loose gromt aangenaam. Zanger Angry Anderson zingt af en toe clean, zonder strot, zoals op Branded dat de A-kant afsluit. Het is echter wederom een fijn nummer met even later alsnog zijn herkenbare whiskystem.
De kenmerkende slidegitaar van Peter Wells domineert op Texas, dat de B-kant aftrapt. Ik noemde al het nummer dat tot bekendheid leidde, ik hoorde echter dit album via de radio dankzij het fenomenale en uptempo It's Gonna Work Itself Out. Een vrolijk oorwurmpje dat mij bij tegenslag nogal eens te binnen schoot als hart onder de riem. Op die manier bovendien effectief en wederom met die heerlijke slides van Wells.
Sydney Girls is in de coupletten verrassend: hier klinkt reggae, zij het op de Australische pubwijze. Het krijgt daarmee iets van de new wave van '77/'78; alsof Ian Dury wordt gecoverd. 'Oei!' roep ik vrolijk.

Wanneer wordt er dan eindelijk eens lekker gebeukt? Op Dead Set is het definitief raak in dat opzicht, een vinnige rocker. Afgesloten wordt met de gemene blues van Revenge, waar langzame en snellere delen elkaar afwisselen.

Het is vrijdagmiddag. Terwijl Sir Spamalot zich verheugt op een dosis Motörhead op de zaak, klinkt hier al Rose Tattoo (sorry klegaos!) met straks nog een laatste werkbijeenkomst...

Roxy Music - Country Life (1974)

poster
4,5
1979 had een verregende zomer en omdat mijn ouders bezig waren met de verkoop van hun huis, konden we niet Nederland uit naar zonniger oorden. Wel gingen we twee weken naar het huis van vrienden in 's Gravenzande, dicht bij zee.
In een stad in de buurt (Delft?) kocht ik een popagenda voor het nieuwe schooljaar. Daarin stonden platenhoezen met korte beschrijvingen afgedrukt, zo ook Country Life van Roxy Music. Mijn moeder had echter enige argwaan en controleerde de boel: deze moest eruit worden geknipt - net als een andere hoes met bloot, al weet ik niet meer welke. Ik was bang dat vrienden kritische vragen zouden stellen waarom ik in mijn agenda had geknipt en nam me voor dan een smoes te bedenken. Die situatie deed zich gelukkig nooit voor.

En nu staat ie hier dus op elpee, in kleuren en veel groter dan in die agenda. Twee berichten hierboven wordt dit treffend met de Wehkampcatalogus vergeleken... Mijn moeder leeft niet meer, maar ik weet zeker dat ik haar de aanblik zou onthouden. Overigens doet Discogs aan dezelfde censuur! .

Op hun vierde album kan Roxy Music nog altijd wild uit de hoek komen, getuige de onstuimige start met The Thrill of It All, dat naast huilende gitaaruithalen van Phil Manzanera opvallend genoeg ook een strijkersarrangement heeft. Ik hoor er pre-new wave en -punk in, denk bijvoorbeeld aan Siouxsie and the Banshees of The Buzzcocks. In het kalmere Three and Nine onder meer de hobo van Andrew Mackay en mondharmonica van een anoniem iemand (Roxy6, weet jij meer?).
All I Want Is You heeft dan weer weg van protowave met de opvallende zangstijl van Bryan Ferry, net als Out of the Blue waar Edwin Jobson zijn viool laat huilen: in 1974 kon nog niet worden vermoed hoe invloedrijk de groep zou zijn. Met de boogierock van If It Takes All Night sluit kant 1 minder spannend af.

Theatraal-ingetogen én robuust is Bitter-Sweet met één van de coupletten in het Duits vertaald door de hoesdames, Ferry zet zijn bijzondere stembuigingen in. Bijna deftig is Triptych mede dankzij het klavecimbel van Jobson, langzaam bromt Casanova. A Really Good Time houdt de statigheid van de tweede plaatkant vast; opvallend is hoe een "gewoon" popliedje door de invulling van instrumenten en zang alternatief wordt. Prairie Rose sluit Country Life stevig af, Manzanera's lange gitaarlijnen klinken bijna als een steelguitar terwijl Mackay nog eenmaal zijn sax inzet.
In al deze eigenheid zou je bijna bassist John Gustafson en drummer Paul Thompson over het oog zien / het oor horen, maar het zijn hun lenigheid en swing die mogelijk maken dat de overige vier zich zo kunnen geven.

Met een stevige eerste plaatkant en rustiger tweede helft is dit een plaat vol variatie, een groep met een uniek, herkenbaar én pakkend geluid. Daardoor meer dan vijftig jaar later nog steeds niet verouderd. Is dit de eigenheid die een hedendaagse groep als The Last Dinner Party ook zoekt?

Kwam van de week dit TopPop jaaroverzicht 1976 tegen. Roxy Music wordt een paar keer genoemd in deze hilarisch bedoelde aflevering, wat iets zegt over hun populariteit.
En de dames op de hoes? Eveline Grunwald poseerde jaren later hier en Constanze Karoli daar bij de foto. Ze bleven plaatjes.

Roxy Music - For Your Pleasure (1973)

poster
4,5
For Your Pleasure, de eerste van twee albums door Roxy Music in 1973 uitgebracht. Een gedreven, ietwat nerveuze groove en zigzaggende zang klinken op kant 1 bij Do the Strand en Strictly Confidential. Op de andere nummers is de muziek bedaarder en de zang conservatiever maar even intrigerend. Dat is nog niet alles: vanaf kant 2 is de sfeer mysterieus. The Bogus Man gaat met monotoon drumwerk bezwerend van start en die kalmte blijft, waarbij de groep op lager tempo musiceert.
Muziek die vaker moet worden gedraaid om te kunnen bevatten. Heerlijke pianopartijen en ongewone zanglijnen van Bryan Ferry, de huilende sax en klagende hobo van Andrew MacKay, de onverwachte, rare geluiden uit de koker van Brian Eno en dan is er gitarist Phil Manzarena, die naast al deze kunstzinnigheid ook een emotionele solo kan neerzetten.

Invloedrijk was de groep zeker. Dank aan John Self, Kalamitsi, Mjuman en bikkel2 voor de discussie die ze in juni '23 bij dit album voerden over de relatie tussen Roxy Music en punk. Met de reis die ik momenteel door new wave maak, heb ik de invloed van Roxy Music op de nieuwe namen van de jaren '76 - '78 zeer frequent gehoord. En dan ben ik nog maar bij mei van dat laatste jaar.
Invloed die ik herken bij onder meer Japan, Pere Ubu, Magazine, The Pop Group, Wire en The Boys Next Door met daarin Nick Cave. Geen groepen die de simplistische scheurende gitaren punkaanpak van bijvoorbeeld The Damned, Sex Pistols of oi-pioniers Sham 69 hanteerden, maar diversere muziek maakten met behoud van energie.
De Britse pers begon het vanaf 1977 new wave en/of postpunk te noemen om het te onderscheiden van de rudimentaire punk, met als eerste album Ha!-Ha!-Ha! van het toen nog met hoofdletter geschreven Ultravox! Het is Roxy Music dat met David Bowie en Velvet Underground/Lou Reed door de wavegeneratie frequent werd genoemd als invloed of inspiratie op hun muziek.

Ik kocht de elpee onlangs als tweedehands exemplaar (Britse persing) in het Poolse Sczeczin voor 70 zloty, omgerekend zo'n 17,50 euro. Niet zo goedkoop als ik daar aannam, maar de kwaliteit van dit album rechtvaardigt de prijs voor dit sterke, creatieve en invloedrijke album.
Dank ook Roxy6 voor zijn bericht van 16 maart vorig jaar: dus de dame op de hoes is Amanda Lear?! Die van dat noveltyhitje Follow Me en album Sweet Revenge (1978), eurodisco die tevens opviel door de opvallend lage stem.
Er is meer opvallends aan de klaphoes dan de dame en de panter op de voorzijde. Alle muzikanten op de binnenkant van de klaphoes worden afgebeeld met een gitaar, terwijl slechts Phil Manzarena de zes snaren hanteerde.
Tijdelijk bassist is John Porter, hier in pseudo-Frans 'guest artiste' genoemd. Later zou hij werk van zowel Roxy Music als Bryan Ferry solo produceren.

Eno ging hierna zijn eigen weg, ik maakte in 1977 kennis met zijn experimenteerdrift op Low van David Bowie, waarvan zijn soloplaat Another Green World (1975) een voorbode zou zijn en laat ik niet (No Pussyfooting) vergeten, dat hij nog in datzelfde 1973 uitbracht met Robert Fripp.
Bij webzine Pitchfork kwam ik meer achtergronden tegen. In hun recensie wordt dit For Your Pleasure in historische context gezet, zoals de invloed van de Britse 'art schools'. For Your Pleasure blijkt een exponent hiervan. Zowel voor dat artikel als dit gelaagde album geldt: aanbevolen!

Roxy Music - Greatest Hits (1977)

poster
5,0
Met het gekibbel hierboven en vervolgens twaalf jaar stilte, ging het allang niet meer over Greatest Hits zelf maar over de beoordelingen door MuMensen. Toch verwoordt lennon helder waarom hij tot zijn lage waardering komt en dat mag. Iemand die wél van drukke muziek houdt, zoals ik, leest er een aanbeveling in. En zo helpen wij elkaar op MuMe.

Terug naar de muziek. Wie in 1977 een kleine beurs had, kon op deze manier in éénmaal een lekkere samenvatting van Roxy Music aanschaffen. Ter promotie verscheen Virginia Plain opnieuw op single, zo leerde ik vorig jaar februari van gaucho, zie zijn reactie bij Roxy's debuut.
Virginia Plain was mijn eerste kennismaking met de groep, al had ik mogelijk Love Is the Drug ook wel eens voorbij horen komen op Hilversum 3. Het nummer haalde in november '77 in de Nationale Hitparade van Felix Meurders twee weken #24. Ik was gehypnotiseerd door de groove en de "rare" zanglijn.
Dat gejaagde, dat vreemde, het zijn precies de elementen van Roxy Music waar ik voor val. En waarvan ik veel terughoor in menig nummer in de punk- en wavegolf die vanaf '76 de kop opstak. In '72 kwam Virginia Plain overigens niet veel hoger: slechts #18.

Ik was al een tijdje op zoek naar een goed vinylexemplaar en kwam die afgelopen juli tegen bij platenzaak Only-D in Doornik/Tournai, België. Jammer dat de eigenaar, van origine uit Parijs, zo slecht Engels sprak: mijn Frans is te slecht voor een echte conversatie. Net als vorig jaar in het Poolse Sczcecin merkte ik dat de vinylprijzen niet slechts in Nederland zo hoog zijn, maar dat is deze Greatest Hits wel waard. Ook tweedehands: op de voorzijde zit nog de stickerstrip met daarin de naam van de vorige eigenaar afgedrukt: Hermans B.

Enfin, op dit album een energieke samenvatting van de eerste jaren Roxy Music, inclusief het majesteuze A Song for Europe, waar Roxy6 al meer dan 50 jaar verliefd op is. Met deze plaat en eentje van The Stranglers onder de arm verliet ik verheugd het pand om een heerlijk Belgisch speciaalbiertje op de Grand-Place te gaan drinken. O ja, omdat ik de hoes zo grappig vond, kreeg ik Out-a Space van The Spotnicks er gratis bij!

Herinneringen als deze reisden met de plaat mee naar huis. Om de laatste regels van A Song for Europe te citeren: "Tous ces moments - Perdus dans l`enchantement - Qui ne reviendront - jamais
Pas d´aujourd´hui pour nous - Pour nous il n´y a rien - Á partager - Sauf le passé"

(Al die momenten - Verloren in betovering - Die nooit meer terugkomen
Geen vandaag voor ons - Voor ons is er niets - Om te delen - Behalve het verleden)

Merci et au revoir, je vais revenir!

Roxy Music - Roxy Music (1972)

poster
4,0
Mijn reis door (de muziek van vaders en moeders van) new wave begon bij het tweede album van Curved Air, het tweede nummer op mijn afspeellijst is Virginia Plain van Roxy Music. Een nummer dat ik eind 1977 leerde kennen, toen het terugkeerde in de hitlijsten en twee weken #24 stond in de Nationale Hitparade. Waarom het opnieuw op single verscheen weet ik niet, maar wél dat ik die "zeurzang" van Bryan Ferry bijzonder lekker vond. Is sindsdien een grote favoriet gebleven, dat is dan alweer bijna 47 jaar.

Afkomstig van het debuut val ik vooral voor de nummers die hinten op de latere new wave. De luide opener Re-make/Re-model is de eerste die meteen binnenkomt inclusief alle vreemdsoortige solootjes van de diverse groepsleden, waarvan met name de synthesizergeluiden van Brian Eno moeten worden vermeld. Ladytron heeft iets van dezelfde gekte, maar ingetogener.
Het was glamrock voor de kunstzinnigen, parallel aan de glamrock gericht op een tienerpubliek (Slade, The Sweet, Mud), muziek waarvoor ik nét te laat was maar waarvan in de tweede helft van de jaren '70 nog wel frequent hitsingles op de radio klonken.
Pseudo-countryrock in If There Is Something, waar ik minder mee kan. En dan die rare melodie en zang van Virginia Plain. Geeft Ferry hier zijn eigen draai aan de zangstijl van Bob Dylan? Ook bijzonder in dit nummer is de hobo, bespeeld door Andy MacKay. 2HB is weer rustiger, met heerlijk baswerk en zwoele sax.

Kant 2 begint met bezwerende geluiden van The Bob (Medley), dat zich laat luisteren als de samenvatting van een meeslepende speelfilm. En dat in nog geen zes minuten! Chance Meeting heeft de melancholie van Virginia Plain, maar dan ingetogen. In Sea Breezes klinkt tegenover een rustige basis tegendraads, scheurend gitaarspel, dat het nummer op aangename wijze ontregelt; je kunt warempel al een glimp van punk ontwaren. Ook mooi is het einde van dit nummer, waar Ferry met falsetstem, elektrische piano en hobo een sferisch slot neerzet, wat ik van decennia later ken van de groep Shearwater.
Met de doo-wop van Bitters End sluit het album arty af. Avontuurlijk is het zeker en ik kan me goed voorstellen dat zij die hiermee opgroeiden dit inmiddels in hun genen kunnen terugzien. Mijn reis vervolgt met Transformer van Lou Reed uit hetzelfde 1972.

Roxy Music - Siren (1975)

poster
4,0
Love Is the Drug was een paar maanden vóórdat ik actief naar Hilversum 3 ging luisteren een hit (begin april '76 #9 in de Nationale Hitparade), maar wat hoorde je het nummer vaak op de radio! Tweestemmig door zowel Bryan Ferry als Bryan Ferry ingezongen (jaja, dat kan!), pakkend refrein, saxofoon dominant aanwezig. Perfecte popsingle. Pas nu ik de elpee heb, ontdek ik dat de straatgeluiden aan het begin nét wat langer duren dan op single.

Dankzij Eddie (de hoes noemt hem formeel Edwin) Jobsons viool zit extra sfeer in End of the Line, een kalm nummer. Sentimental Fool is zowel zwoel als dreigend; het zit 'm in de akkoorden en de falsetzang die Ferry licht inzet; het eerste nummer waarbij ik aan de vervreemding van vorige albums moet denken Via Phil Manzanera's stevige gitaarintro van Whirlwind wordt dat pakkend voortgezet

Kant 2 start met de pianopartij van She Sells, waarbij ik bijna denk naar Al Stewart te gaan luisteren. Spoedig vallen de overige groepsleden bij plus een strijkersgroep en Andrew Mackay laat zijn sax weer zingen; vreemd dat dit nooit op single verscheen, met z'n opgeruimde zanglijn onmiddellijk pakkend.
Could It Happen to Me? is wat ingetogener, waarna Both Ends Burning als een soort pre-punk/wave over je heen komt walsen; niet in muzikaal geweld maar in sfeer.
Nightingale is eveneens uptempo maar lichter van sfeer, de hobo van MacKay brengt enige melancholie en via Just Another High volgt een kalm slot.

Iets van de gekte van voorheen is verdwenen. Dat komt niet alleen doordat Brian Eno lang en breed was vertrokken: de liedschrijvers (vaak Ferry, maar ook Mackay, Manzanera en Jobson) houden het iets conservatiever.
Voor het jongetje dat ik was, bleef Roxy Music een groep van "voor mijn tijd", al werd Virginia Plain in 1977 nog eens een hit. Dit bleef zo tot de comeback in 1979 met single Angel Eyes. Die was me veel te braaf.

Wat dat betreft is Siren een licht voorproefje op de jaren met kalmer werk. Toch zit er nog genoeg onvoorspelbaars in, gecombineerd met fraaie melodieën en arrangementen, om mij onder de indruk te laten zijn.
Plus dat ik de invloed van de groep op latere artiesten herken: ik denk bijvoorbeeld aan het debuut van Hazel O'Connor, dat ik deze dagen eveneens aan het beluisteren ben.

Roxy Music - Stranded (1973)

poster
4,0
Het verhaal achter de hoes van Roxy Musics Stranded is geinig, net als dat van menig andere van Roxy. Dat geldt nog meer voor de muziek. Die is iets conservatiever dan op voorganger For Your Pleasure, al begint het stormenderwijs met Street Life.

Is het omdat 'de man van de vreemde geluiden' Brian Eno plaatsmaakte voor een traditioneler werkende Eddie Jobson? Ik moest wennen, 51 jaar na uitgave, maar nummers als Just Like You en Amazona (de laatste met halverwege een versnelling) groeien echter en in het stemmige Psalm verwoordt Bryan Ferry een zelfgeschreven hymne. Het is gissen naar de bedoelingen en boodschappen in zijn teksten, voor uiteenlopende uitleg vatbaar.

Wat helpt om de composities te vatten is het tekstvel: de binnenhoes (het mijne enigszins gescheurd) is slechts aan één kant bedrukt met de lyrieken in standaard maar knus typemachineschrift.
Via Serenade, de uptempo opener van kant 2, word ik wederom ingepakt, al zingt Ferry minder op het melodieuze randje dan hij voorheen deed. In het statige A Song for Europe met naast Engelse ook Latijnse en Franse tekst, verstilt de tijd, waarna de hartstochtelijke liefdesverklaring in Mother of Pearl in combinatie met de muziek zowat frivool lijkt. Verrassend is dat het vlotte eerste deel een langzamer vervolg krijgt.
Het verstilde, mystieke Sunset is passend terwijl ik dit typ, zittend in de ondergaande zon: "One last sigh of farewell - goodbye".

Waar ik bij de voorganger meteen om was, moest Roxy Music hier harder werken. Met succes.

Roxy Music - Viva! Roxy Music (1976)

Alternatieve titel: The Live Roxy Music Album

poster
4,5
Inhaalslag. Afgelopen november in Neerlands meest noordelijke platenzaak gekocht (Simply-Listening in het Groningse Ulrum - paradijsje!) deze Viva! Roxy Music - The Live Roxy Music Album.
In het najaar van 1976 ging ik actief naar de radio luisteren (Hilversum 3 en later andere zenders erbij) en dus was ik net te laat om deze van Roxy Music bewust mee te maken; hij verscheen in juli dat jaar. Toen Virginia Plain in 1977 een hit werd, vond ik dat een geweldig nummer (opgenomen met cassette van de radio, zoals vele tieners dat destijds deden). Had ik deze plaat gekend, dan was ik omver geblazen.
Opgenomen in 1973, '74 en '75 is dit een sterke dwarsdoorsnede van de beginjaren van Roxy Music, een eigenwijze rockgroep. Verpakt in een klaphoes met daarop enkele tv-/videofoto's, aan de gestreepte weergave te zien.

Ik ontdek ook dat er nog altijd enige geheimzinnigheid rond dit album hangt. Dit wat betreft de baspartijen: wie speelt wat? De achterzijde van de hoes vermeldt naast John Wetton ook zijn voorgangers John Gustafson (ik ken hem van onder meer Roger Glovers The Butterfly Ball and the Grasshopper's Feast en de Ian Gillan Band, alsmede Sal Maida (hierna bij powerpopgroep Milk 'n' Cookies). En dan staat vermeld de naam van de latere bassist-van-Foreigner Rick Wills, die overdubs zou hebben verzorgd.

Out of the Blue is fel en dreigend; je vraagt je af waarom het nummer nooit is gecoverd door een (doom) metalband. Met onder meer een pakkende vioolsolo van Eddie Jobson, die ik ken van later werk bij Jethro Tull. Pyjamarama is eveneens volop stevig, het gitaarwerk van Phil Manzanera is wederom heavy. Met The Bogus Man doet funk zijn intrede, drummer Paul Thompson mept strak door, John Wettons bas gromt licht en de sax van Andrew Mackay weent. En steeds die aparte zanglijnen van Bryan Ferry, zo afwijkend van het croonen dat hij in latere jaren ging doen.

De toetsenpartij van Jobson in Chance Meeting is met het vocale deel onheilspellend, waarbij de hobo van Mackay verrassend goed past. Ik herken de sfeer zoals ik die bij bijvoorbeeld Siouxsie and the Banshees tegenkom; het kan niet anders dan dat de muzikanten van haar scene en generatie sterk beïnvloed zijn geweest door Roxy Music. Het gaat over in het pompende Both Ends Burning met zijn dalende akkoordenreeks en klaterende sax, waar de partijen van achtergrondkoor The Sirens een extra laag vernis brengen.

Met het ruim tien minuten durende If There Is Something heb ik ondanks de diverse delen in het nummer minder, maar de statistieken bij Viva! leren mij dat ik een uitzondering ben: het is de grootste favoriet hier. Voor het eveneens uitgerekte In Every Dream Home a Heartache geldt hetzelfde, de één na grootste favoriet van de plaat volgens de MuMens. Maar ik ben nu eenmaal van de generatie punk, wave en metal: uptempo muziek heeft vaak mijn voorkeur. Geef mij op kant 2 maar Do the Strand.

Vol en vet geproduceerd door Chris Thomas, verbaas ook ik me erover dat er tot de dag van vandaag niet een uitgebreidere versie van Viva! Roxy Music is verschenen. Op deze wijze blijft het echter wél relatief kort maar krachtig. Een stevig, luid en gevarieerd monument van een hecht spelende groep.

Royal Trux - Twin Infinitives (1990)

poster
niels94 noteerde twaalf jaar geleden: "Het is niet dat dit album zo slecht is dat niemand er zin aan heeft dit te beluisteren, nee, het is zo verdomde moeilijk hier een review over te schrijven!" Nou kreeg ik eerder vandaag van museumbezoekcompagnon JeKo de opdracht dit album te beluisteren en laat ik daarom een poging wagen.

JeKo houdt van abstracte kunst en noise. Hij vindt Royal Trux' Twin Infinitives dus minimaal interessant. Als ik dit als een kunstwerk in een zaal zou tegenkomen, zou ik proberen het in me op te nemen, om na niet al te lange tijd verder te wandelen - óf te vragen of hij ook zin krijgt in koffie met gebak / lunch / museumwinkel, afhankelijk van de fase van het bezoek.
Ik ontleed. Digitale geluiden inclusief soundscapes, waarbij de gitarist verschillende partijen heeft opgenomen. Het leidt tot onrustige muziek. In Kool Down Wheels wordt enthousiast en vals gezongen (mannenstem) en in het fraaigetitelde Comets Are Our Chances in the Future doen hij en zij aan spraakzang. Dat dit bijna zeven minuten duurt, is wel effe doorbijten.
In de (neen, help!) vijftien minuten van (Edge of the) Ape Oven worden eerst een piano en een kinderkeyboardje opgeduikeld, gevolgd door een stevige maar losstaande rockgitaarpartij. In Ratcreeps gaat de gitaar voor funk. Freejazz maar dan anders. Het duo is daarbij niet bang om stiltes te laten vallen aan het begin of einde van een nummer. Misschien ook wel nodig in deze achtbaan van 68 minuten.

Waar ik van houd, ontbreekt: riffs, grooves, melodielijnen. Structuren en kaders zijn onduidelijk. Wél eigenwijs en inderdaad: interessant. Modernekunstmuziek, misschien iets voor een tentoonstelling in Museum Voorlinden of Museum De Pont.
Afsluiter New York Avenue Bridge is overigens de uitzondering. Ritmische piano en een lekker zeurderig gezongen partij van de dame, waarbij de gitaar kennelijk van de brug in de Hudson is gevallen.

Het is eenvoudigweg niet mijn kopje bier. Een beoordeling in sterren laat ik daarom over aan de liefhebbers. Dat alles vermoedde mijn waarde museummaatje al, maar hij wilde me eens buiten mijn comfortzone duwen. Nou, dát is gelukt. JeKo, zullen we kijken of er in de buurt een leuke platenzaak is? Koop ik daar een Manke Nelis voor je. En friet na afloop?